"Over sterkte , stijfheid en beweging, de latente koppeling tussen voelbare beweging en veiligheid.

Intreerede Uitgesproken op 1 februari 2008 ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Ontwerpen van Draagconstructies aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Door prof. ir. R. Nijsse

Geachte mijnheer de Rector Magnificus, geachte leden van het College van Bestuur, geachte collega's, familie, vrienden, dames en heren.

Introductie
Men zou de vraag kunnen stellen wat de eisen zijn waar een goed gebouw aan moet voldoen, goed in de meest algemene betekenis. Al aan het begin van onze jaartelling formuleerde de Romeinse bouwmeester Vitruvius op heldere wijze de drie hoofdeisen waar een goed gebouw aan moet voldoen (ref. 1). Ten eerste moest het gebouw "Mooi" (Venustas) zijn, aangenaam om naar te kijken zoals de Engelse dichter John Keats het 18 eeuwen later zo treffend zou verwoorden: "A thing of Beauty is a Joy forever". De tweede eis was wat profaner; het gebouw moest: "Bruikbaar" (Commoditas) zijn; logisch eigenlijk je maakt een gebouw ten slotte niet voor niets. De derde eis, geformuleerd door Vitruvius, was een technische: het gebouw moest: "Stevig" (Firmitas) zijn, een aardse eis die eigenlijk voor de hand ligt en ook het hoofdonderwerp van deze intreerede is. Nog steeds geldt dat eigenlijk ieder gebouw aan deze drie eisen moet voldoen om het gevoel van vreugde, tevredenheid op te roepen waar John Keats het over heeft. In het huidige tijdsbestei is er één eis bij gekomen; het gebouw moet om en nabij een vooraf gesteld budget worden gerealiseerd. Mogen we deze vierde eis als "Binnen budget" (Economitas?) noemen? Na dit oriënterende uitstapje naar een alles omvattende definitie van Goede Architectuur komen we weer terug op het eigenlijke onderwerp van deze intreerede, één van de eisen van Vitruvius; Firmitas, het stevig genoeg zijn. Op haar beurt heeft de constructieleer dit begrip weer in, eveneens, drie hoofdonderdelen op gedeeld. Een goede constructie van een gebouw moet aan drie basis eisen voldoen; de constructie moet "Sterk" genoeg zijn, de constructie moet "Stijf genoeg zijn en, tot slot, de constructie moet "Stabiel" zijn. Dit staat bekend als de drie S-en en als een constructie hieraan voldoet dan heeft de constructief ontwerper zijn werk goed gedaan. Welbeschouwd een duidelijke wetenschap, die Constructieleer. Zorg ervoor dat een gebouw zijn samenhang niet verliest (Sterk genoeg), laat het gebouw niet te veel bewegen (Stijf genoeg) en zorg ervoor dat het gebouw niet omvalt bij een horizontaal aangrijpende kracht zoals de wind, een aardbeving of een stootbelasting (Stabiel zijn). De plaatjes hierom heen tonen dit op heldere wijze aan met het voorbeeld van de eenvoudige plank over de sloot, zij komen uit het leerboek constructieleer voor eerstejaars studenten Bouwkunde (ref. 2).

' 11 _ , - . , ,

-

Ondanks het feit dat de Constructieleer duidelijk is, is de beroepsmatige invulling ervan de laatste tijd geen sinecure. Voor het eerst sinds tijden storten er zo nu en dan "zomaar" gebouwen in (balkons Maastricht, hotels in Tiel, toneeltorens in Hoorn) of vertonen dergelijke afwijkingen van de eisen geformuleerd door de drie S-en dat ernstige vraagtekens bij de structurele integriteit van de bebouwing gezet kunnen worden (Bos en Lommer Amsterdam). Zonder uitvoerig op de oorzaken hiervoor in te gaan wil ik volstaan met de constatering dat het ontwerpen en controleren van een constructie geen product is maar een ambacht. Een ambacht waarvan de kwaliteit rechtstreeks afhankelijk is van de hoeveelheid aandacht die je er aan geeft. Dus geen product waar, in de concurrentie van de vrije markt, met de roemruchte kaasschaafmethode weer een laagje af te halen is maar een ambacht waar de te besteden uren aan een werk de kwaliteit, en wat veel opdrachtgevers vergeten ook de economie van het ontwerp, bepalen.

3

Tfx?-Vr if— $—
«a* - nc* <ev - f&m «5» **•/ — /Sise/s firn mo

Wettekst in spijkerschrift vertaald; Als een bouwer een huis bouwt voor een man en de constructie is te slap en stort in en de eigenaar overlijdt dan zal de bouwer ter dood worden gebracht.

Jr- &$- te> JSf
.1»/ ■ £>f r /sse/ t>// urrj * ^/rrrAc/ ' V -£>f t/r -SO7^ mra •

£"s -e/ "l/J -

birum ^famr-/f

J&yk&s&px
mar-'barjim SI'Cf rt

Laten we blij zijn dat we niet in de tijden van de Babylonische koning Hammurabi, 2200 voor Christus, leven. In dat geval hadden de bouwers van de balkons in Maastricht de rechtspraak wel wat anders ervaren dan een bescheiden bestraffing voor het constructie bureau dat alleen een deel van het gebouw voor een klein prijsje heeft mogen berekenen. Onrecht, in mijn ogen; de ware verantwoordelijke is degene die ervoor heeft gezorgd dat het bouwontwerpproces zodanig opgezet is dat diverse partijen ieder alleen een deel van het geheel tegen de laagst mogelijke prijs mogen doen. En, hoe vervelend ook dat is, niet alleen de bouwer heeft schuld, maar ook de opdrachtgever, in wiens naam gestreefd wordt naar de laagste prijs en, last but not least, ook de Overheid die via normen en inspecties ernaar streeft bij de burger het beeld op te roepen dat alles veilig en goed geregeld is maar daar dus niet in slaagt.

Er kan dus heel wat mis gaan met die eenvoudige heldere principes van de drie S-en maar hoe doe je dat eigenlijk? En is het nou leuk werk om een constructie uit te rekenen? Als je blind bent voor de stille, maar koele schconheid die het werken met wiskunde, formules en getallen met zich meebrengt dan wordt het moeilijk. Interessanter wordt het wanneer de interactie met de ontwerpers, de vormgevers aan bod komt. In een ver verleden kon een mens nog alle wetenschap rond alle aspecten van het bouwen beheersen. Het betekent ook vele zielen in een borst, om Goethe maar weer eens te parafraseren. De kunstenaar, de handelaar en de bouwer in één mens? Dat is weinigen gegund. Al snei dus zal het bouwproces in de diverse persoonlijkheden opgesplitst zijn. Een tamelijk recente opsplitsing is die van de persoon van de bouwmeester, in het artistieke deel, de Architect en het exacte deel de Constructeur. Eigenlijk ook karakter technisch een logische opsplitsing. De ene meer alfa wetenschappelijk ingesteld de andere meer bèta wetenschappelijk bepaald met alle bijbehorende karakter eigenschappen van dien. Zonder er een karikatuur van te willen maken zal een architect meer menselijk bewogen zijn en creatieve neigingen volgen terwijl een constructeur meer een in zich zelf gekeerde, controlerende houding zal aannemen. In hoeverre een persoon erin slaagt deze beide zielen in zijn borst te verenigen, blijft de vraag. Zeker is wel dat datgene die daar wel toe in staat zijn een in alle opzichten beter gebouw zal produceren. Overigens moet ik nog een belangrijke kanttekening plaatsen. Alhoewel er al zo'n honderd jaar mensen rondlopen die zich constructeur noemen is het pas sinds de introductie van de rekenkracht en snelheid van de moderne computers dat constructeurs echt diep in het functioneren van een constructie kunnen kijken. Daarvoor moest met allerlei hulpmiddelen zoals Cremona-diagrammen en Cross-tabellen een arbeidsrovend maar zeer beperkt inzicht in het werken van een constructie verworven worden. Pas de laatste 20 jaar zijn de Eindige Elementen programma's in staat ons echt een goed beeld te geven van het spanningsverloop in een constructie. Vervelend is dat dit gegeven meteen ook weer misbruikt wordt om een ieder met een computer en een programma maar van alles te laten "berekenen". Er is een groot verschil tussen het doorlezen van een computer in- en uitvoer en werkelijk begrip hoe, en vooral waarom een constructie zich onder een bepaalde belasting gedraagt. Juist die laatste koppeling te kunnen leggen bij de studenten van vandaag zal één van mijn taken in het huidige onderwijs zijn. Om deze introductie af te sluiten het volgende. Aardig om te vertellen is dat er een enkel geval bekend is waarin een scheur "mooi" gevonden wordt. Dat klinkt een beetje onwaarschijnlijk gezien de bovenstaande voorchristelijke wetgeving en het hiervoor omschreven karakter van de naar symmetrie en schoonheid strevende architectenziel, maar het is waar. In 2007 kreeg de Colombiaanse kunstenares Doris Salcedo de opdracht de grote voormalige turbinehal van wat nu het Tate Modern Museum in Londen is, om te toveren in een Kunstwerk. Dat gebeurt ieder jaar en heeft al heel wat spraakmakende kunstwerken opgeleverd; zoals een gigantische textiel constructie van Anish Kapoor en een met mist gevulde hal met een zonsondergang van Olafur Eliasson. Doris Salcedo kwam op het originele idee een beton vloer in de turbine hal te storten en hier een grote (kunstmatige) scheur in te maken. Ik zal U niet vermoeien met de ideologische verklaring van dit kunstwerk, een heel interessante trouwens, maar het effect is bijzonder. Mensen die de hal binnenkomen lopen over en om de scheur heen en volgen gefascineerd de loop van het geheel. Het is dan ook een grote publiekstrekker. Zo zie je maar weer dat scheuren niet alleen negatief opgevat kunnen worden.

5

Op welke eis moeten wij onze constructies dimensioneren? We moeten er dus voor zorgen dat onze gebouwen Sterk genoeg zijn; er mag niets breken of scheuren, we moeten ervoor waken dat onze constructies niet te veel vervormen; Stijf genoeg zijn en we hebben ervoor te zorgen dat het geheel niet bij de minste horizontale belasting al omvalt; Stabiel genoeg is. De drie S-en die hiervoor al omschreven zijn. Maar welke criterium is maatgevend voor het geheel? In grote lijnen geldt dat bij kleine overspanningen en hoogtes de eis van sterkte maatgevend zal zijn, bij middelgrote overspanningen en hoogtes de begrenzingen voor stijfheid bepalend zijn en voor de echt grote overspanningen en hoogtes de stabiliteit het maatgevende criterium is. Op zich is het gestelde voor sterkte en stijfheid nog wel te begrijpen. Het buigende moment; maatgevend voor de spanning in het materiaal is evenredig met het kwadraat van de lengte en de doorbuiging van een ligger is afhankelijk van de vierde macht van die zelfde lengte. Voor de stabiliteit komen we in een vager terrein. Dat is al duidelijk geworden in onze kleutertijd toen we een torentje blokken zo hoog mogelijk probeerden te maken. Hoe voorzichtig en secuur je de blokken ook stapelde, op een gegeven moment werd de stapeling dermate instabiel dat de minste aanraking in een instorting resulteerde. Als je als kleuter goed opgelet hebt dan zul je hebben kunnen zien dat even voordat het fatale moment van totale instorting bereikt was het torentje al als een dronken man aan het heen en weer zwaaien was. De wijze les die wij uit deze, ongetwijfeld traumatische, jeugdervaring hadden kunnen leren was dat de constructie in zijn eigentrillingsvorm aan het bewegen was. Een eigen trillingsvorm is een interessante eigenschap van iedere constructie. Het is die beweging die de constructie kan ondergaan zonder dat er een uitwendige kracht opwerkt. Er moet eerst wel een oorzaak zijn die de beweging oproept zoals een stoot, of een windvlaag maar als die oorzaak wegvalt, blijft de constructie bewegen in die eigen trilling in een bepaalde frequentie (ritme) die we de eigenfrequentie noemen. Een hoge eigenfrequentie, veel trillingen per tijdseenheid duidt op een sterke, stijve constructie; een lage eigenfrequentie geeft aan dat de constructie slap en bewegelijk is.

6

Een eenvoudige test waarbij we een liniaal met de hand ingeklemd op de tafelrand laten bewegen geeft dit effect duidelijk aan. Een kleine uitkraging resulteert in een hoge toon en snelle maar kleine bewegingen; een grote uitkraging levert een lage toon en langzamere maar grote bewegingen op. Er is dus een koppeling tussen stijfheid en eigenfrequentie. Een eigentrilling is een gevaarlijke eigenschap. Omdat er geen uitwendige kracht meer is en de constructie toch beweegt kan een zetje op het juiste moment de eigen trilling steeds doen toenemen en wel zodanig dat op een gegeven moment de vervormingen dusdanig worden dat de toelaatbare spanning in het materiaal overschreden wordt en de constructie bezwijkt. Vergelijk het maar met de schommel die op het juiste moment eventjes aangeduwd wordt en daardoor een grote hoogte kan bereiken. Elke constructie heeft een bij die constructie horende eigenfrequentie dus kunnen we iedere constructie door een klein duwtje op het juiste moment in een steeds versterkende eigen trillingsvorm brengen en tot bezwijken laten komen!!! We kunnen de volgende consequentie afleiden, als we een ligger op twee steunpunten als voorbeeld nemen. In deze wijze redenerend kunnen we de overspanning van de ligger laten groeien dan zal de ligger eerst op sterkte gedimensioneerd moeten v/orden maar als de overspanning verder groeit, zal de stijfheid, de toelaatbare doorbuiging, maatgevend worden. Op basis van een jarenlange ervaring wordt de toelaatbare doorbuiging in de Normen gelimiteerd op een aantal procent of gedeelte van de overspanning, voor gewone gebouwen op 2,5% oftewel 1/400 van de overspanning. Toch kan er een andere praktische gebruikseis maatgevend zijn en dat is de eis die gesteld wordt aan het de toelaatbare trilling. Oorspronkelijk kwam deze eis uit de vervelende gebeurtenissen met vloeren waar opgedanst werd en berucht is de colonne soldaten die in de (mars-) maat marcherende een brug tot instorten konden brengen. De Normen stellen voor een vloer waar veel opgelopen wordt een grens aan de eigenfrequentie van 3 Hz (3 trillingen per seconde) en voor een dansvloer zelfs 6 Hz. Laten we eens kijken of we een wiskundig verband tussen de eisen aan de stijfheid en de eisen aan de trillingsgevoeligheid voor vloeren, oftewel liggers op twee steunpunten, kunnen afleiden. Gevoeligheidsanalyse doorbuiging (stijfheid) versus eigen frequentie (trillingshinder) Model; ligger op twee steunpunten met gelijkmatige belasting,

\L^_\U y rftrr-

y

\U V- 4/

et
/

V

•H

discussieerbaar is of de eis voor de toelaatbare doorbuiging wel voor de hele q van toepassing is, en niet alleen voor het bijkomende deel. Gekozen is voor 1/400 ste van de overspanning voor de toelaatbare buiging voor de hele q (relatief streng) en de helft van de verdeelde massa als meebewegend voor de trilling.

7

Doorbuiging;

o

'loei Oir-

_
-

1 * , _ S*q*I*
400
q|3_

384 *£ƒ 3S4*£7 2000

ql3=_^_ 5.208
Eigen frequentie;

(1)

Aanname massa in midden gecentreerd; puntlast model, qua effect moet de helft hier gerekend worden (zie ook NEN 6702, toelichting windbelasting) "Pe(fu = I ql;
2

co = V— (eigen cirkelfrequentie massa - veersysteem;
in

k= ü—

(ligger met puntlast)

(. *n*P
fe

_ o)_ - -4 96EI _ ^2,432E/ 2,T 4,r.<//. (7/'
E( = 0 4 1 1

^ _ 2.432El ^

* fg2 * q | 4

(2)

Vul (1) en (2); El = 0,411 * f 2 c * (

£/

)*l

5,208 ■_ 5,208 0.411*/-,

1=

l2 67

f-

'

Wat we gevonden hebben is die overspanning (I) waarbij de stijfheidseis hetzelfde profiel (El) oplevert als voor een bepaalde eigen frequentie vereist is. fe = 0,5 Hz -ï I = 50,68 meter

fe = 1 Hz ■» 1 = 12,67 meter

fe = 2 H z ^ 1 = 3,17 meter

fe = 3 Hz -> l = 1.41 meter fe = 6 Hz -> I = 0,35 meter Het is duidelijk; een strengere trillingseis, dat wil zeggen 3 Hz en hoger (conform de NEN 6702) leidt tot een beduidend zwaardere balk. Op basis van de 3 Hz-eis in vergelijk tot de doorbuigingseis van _ L * I, bij I = 5 meter, veld 3 meter is een 45% sterker (El) profiel nodig, 400 dus in plaats van HE300A een HE360A (gewichtstoename 24 kg/m1, oftewel circa € 100/m1). Algemene conclusie, en eigenlijk weet iedere ervaren constructeur dit allang, het is verstandig om een vloer of ligger waarop veel gelopen of zelfs gedanst wordt te dimensioneren op de eisen gesteld aan de eigen trilling. De terechte vraag die je daar nog bij kunt stellen is of het wel zo erg is dat er een trilling voelbaar (of zichtbaar!) is. Opslingering tot bezwijken zoals bij het voorbeeld van de schommel is natuurlijk niet aan de orde maar v/el een voelbare trilling. Voelbare trillingen roepen bij mensen nu eenmaal meteen de associatie met gevaar en bezwijken op. Een associatie waarschijnlijk uit het verleden van onze voorvaders toen een trilling op naderend gevaar duidde. Spanningstechnisch is er bij een trillende of bewegende constructies niets aan de hand: de spanningen blijven ruim onder de toelaatbare grenswaarden. De voorbeelden uit de natuur tonen dit overduidelijk aan. Elke boom beweegt in de wind en de rietstengel maakt het wel heel erg bont. Bij een stevige windvlaag gaat een rietstengel plat op de grond liggen om zich nadat de windvlaag is gaan liggen weer vrolijk op te richten. Het gevaar bij in de wind bewegende constructies zit weer in het gevaar voor opslingering. Als de opeenvolgende windvlagen in de zelfde frequentie als de eigenfrequentie van de constructie tegen die constructie aanbotsen, kan de constructie, net als hiervoor met de schommel, steeds grotere uitbuigingen laten zien; dit keer tot bezwijken aan toe. Het is dus zaak uit het bereik van de windvlaagfrequentie te blijven. Helaas valt in de normen, ook internationaal, niets af te leiden uit voor die gezochte windvlaagfrequentie.

9

Zwaarste stormen in N e d e r l a n d v a n a f
- Jaar Datum

1 9 4 0

in: Windkracht km/u Beaufort m/sec 94 1940 1 3 nov. 26 ÏO : 112 1943 7 april 11 31 1.944 7 sept. 122 12 43 1949 104 2 9 i; 1" m a a r t • I 1 1953 '97 27. 3 1 jan. ÏO •I960. 94 2O Jan. 1Ó ■ 26 1967 97 1 7 okt. ÏO 27 Ï3.nóv* 29 1Ö4 II 972 . 2 april 3 O 108 11 1973 30 108 976 11 2 jan. 97 1983 ÏO 27 1 febr. 97 ÏO 27 i ;27 nov.983 97 ÏO 27 1984 14 jan. 97 ÏO 1987 : 1 6 okt. 27. 11 1990 30 108 25 jan. lü 94 26990 2 6 fobri ' ÏO 94 26 1993 13 jan. 90 . 2 5 993 8 dec.; ÏO 90 25 1994 1O laprjl 90 25 996 3 maart IQ 94 26 1998 4 jan. ïo 90 1999 ÏO .25 3 dec: 90 .2000 ÏO 25 2 8 mei 94 2000 10 26 2 9 okt. 90 2002 ÏO 25 2 6 febr. 90 ÏO 25 9 .maart o;o2 28 lOl ÏO 2 7 okt. 2002 K N M I / B i tus Zwnrt i NRCI-I 2 8 1002 / Br

Ook bijvoorbeeld niet hoe groot een windvlaaggebied is. Mijn ervaring; door goed tijdens de diverse stormen op te letten, de laatste is alweer van 18 januari 2007, is dat een windvlaag 5 tot 10 seconde kan duren, een bereik heeft van 15 tot 30 meter. Wel zit er een grote invloed in de omgeving; bebouwd/ bos versus open landschap. De frequentie waarin de windvlagen elkaar volgen, is volledig stochastisch oftewel onvoorspelbaar, dan weer enkele redelijk kort na elkaar, dan weer periodes met zelfs b.jna geen wind. Misschien dat hier nog in samenwerking met de meteorologische instituten nog meer exacts over te zeggen is. Het feit dat we niet echt bang hoeven te zijn voor opslingering door windvlagen blijkt ook uit de wijde spreiding in de eigen frequentie die "constructies van de Natuur" zoals bomen en grashalmen laten zien. Deze eigen frequenties variëren van 1 tot 5 Hz (trillingen per seconde), zoals we verder op in deze beschouwing nog zullen afleiden. Dit principe van een beetje beweging kan geen kwaad is gebruikt bij de bouw van de 18 meter hoge lichtmasten voor de velden van de hockeyclub Upv/ard in Arnhem. Gedwongen door het feit dat alleen buizen tot een diameter van rond 100 mm gratis ter beschikking werden gesteld is een constructieve opzet voorgesteld van een gebundeld concept met een brede (lees stabiele) voet. Bij windkracht 12 bewegen de masten maximaal 750 mm op een lengte van 18 meter, dat is dus 1 op 24 of ruim 4%, niet weinig dus. De eigenfrequentie is berekend op 1,1 Hz en de maximale rekenwaarde voor de buigspanning is 120 MPa. Dus als de bomen bewegen in de storm dan doen deze masten het ook! Spanningstechnisch niets aan de hand maar het blijft, ook voor mij moet ik bekennen, een verontrustend gezicht die traag dansende masten in de storm. Neergezet in 1996, en bekroond met eervolle vermelding bij de Staalprijs 1998 (met de Arena en de Erasmusbrug als concurrenten!) hebben tot nu toe 7 stormen windkracht 10 aan de masten mogen rukken met, gelukkig, weinig effect.

m

Kijken we naar de eigen frequenties var hoge gebouwen dan kunnen we uit ref (3) een interessante formule en grafiek halen. Deze grafiek, hierbij afgebeeld geeft zowel in formule als in grafische weergave de eigen frequentie van een groot aantal hoge gebouwen weer. De grafiek en de formules zijn gebaseerd op metingen aan de vermelde gebouwen. Opvallend is dat bij gebouwen hoger dan 200 meter de eigen frequentie vrijwel constant maar erg laag is, variërend van 0,1 tot 0,2 Hz. Dat zijn heel lage waarde, bedenk dat dit trillingstijden van 5 tot 10 seconden betekent!

H

1.0

ütQtntjiDicsi
0.9 1 Studerlen-Wohnlurme Aache 2 Strasnice.Prcg 3 Votcnicc. Prag 4 Ails lOAcr, Sheffield 5 Rhcinslahl Hochhaus Essen BH WE HochhflUS Essen <H<26Chi 7Postscnecka/nt Essen B Commenbank frankfurl 9 Mai.nsmonn Cusseldorf _ 10 Thyssen-Hochhaus II Abgeordnelen Hochhaus Bonn I? Bajer -Hochhaus U.erkusen
13 RWE - WWBWCRW

•pr

I:
"0.3

K ATH Kamin Schivelgem 15 Keio Plaza Hotel. Tokyo 16 Bankhochhcus Toronto l7Posl Office lavtcf. London

18 FemseMurmHamburglHcheBetoMe.il l3FMTMÜr,ch«n(Belonte;l| 20 Hancock 's Building 2\ Hancock's Buiding.Chicago 22 Empire Slole Buiding, New York 23Fe/nme!delurm l-'oskau (B»lcnle>l) 24 World Trade Cenler, New Yoik 25 SEARS -Building 26CN- Tower Toronto! Ëelonle-I) 27 Bank of Commerce. Tcronto 28 Deutsche Welle. Koln 29 Betonkamir.e Kupferhulte. Duisburg 30 Dresdner Bank Frar.kfurl 31 Hess Landes-Bank Frankfurl 32 Hochhaus Wainzcr landslr. Frankfurl 33Fernsehlurm Dcrlrr.und lohno Anlenr.el 3JFernsfhlurm Hfndtfl IBelcn'ell

L
0.1 200 250 Bauwerkshohe (ml 300

Uit de bovenstaande grafiek kunnen we bijvoorbeeld afleiden dat het World Trade Centrum (WTC) in New York (dat er dus helaas niet meer staat) na een windvlaag heen- en weer ging slingeren met één trilling in 10 seconden. Duidelijk zal zijn dat een dergelijke beweging tezamen met een (toelaatbare, qua stijfheidseisen) optredende doorbuiging onder invloed van de wind van 1/500-ste van de hoogte van het WTC oftewel 1/500 X 400 meter is 800 mm zal leiden tot een voelbare beweging in het gebouw. Interessant is dat, nadat deze grafiek in eind jaren 1980 vervaardigd werd, er een interessante ontwikkeling in de Wereld op sociologisch gebied plaatsvond. Hoge gebouwen zijn eigenlijk alleen maar te rechtvaardigen als statussymbolen en alleen vanuit die positie is het te verklaren waarom er heel veel geld en moeite gestoken mag / kan worden in dit type gebouw. Toch geeft het ook een uiting aan de macht en kunde die een bepaalde samenleving / beschaving heeft opgebouwd. Het is daarom onthutsend dat voor het eerst in de geschreven geschiedenis in 1996 het hoogste gebouw ter wereld niet meer in de westerse wereld stond maar in een net tot 2 d e wereldland gepromoveerd Aziatisch land. De Petronas Towers in Kuala Lumpur, Maleisië. Met hun 448 meter net iets langer dan de vorige kampioen Sears Tower in Chicago, Amerika (442 meter). Deze ontwikkeling heeft niet stil gestaan want al snel, in 2004 nam 101 Taipei op Taiwan het scepter van de Petronas Towers (509 meter) over en op dit moment staat het hoogste gebouw ter wereld in de Arabische wereld, De Burj Dubai, 808 meter hoog, die hiermee aantonen dat zij momenteel vaandeldragers van de moderniteit zijn, tenminste voor bepaalde aspecten zoals financiële macht en het hebben van statussymbolen. Zelfs de, naar hun eigen zeggen enige wereldmacht ter wereld, de USA kan in plaats van hun omver gebombardeerde WTC-torens niet meer overeind krijgen dan een knullig, eigenlijk standaard, kantoorgebouw van 417 meter hoog, domweg omdat het economisch niet voor elkaar te krijgen is om hoger te bouwen. Nee, de tijden zijn veranderd en het heeft er alle schijn van centrum van de menselijke economische macht en kracht zich naar het Oosten verplaatst. Nu nog Arabie maar wie weet wat de ontwakende reuzen China en India allemaal nog gaan betekenen.

I2

Reeds vermeld is dat beweging en trilling door de mens als onaangenaam wordt ervaren. Niet alleen verontrustend, maar zelfs ziekmakend, vergelijkbaar met zeeziekte. We hebben dus met onze hoge gebouwen een nieuwe definitie van de bruikbaarheideis bereikt: de toelaatbare beweging over beter gezegd de ondergane versnelling (= verandering van beweging). Hiervoor is, eveneens in ref. (3) een goed bruikbare grafiek ontwikkeld waarin de relatie tussen eigen frequentie en maximale beweging (amplitudo) leidt tot het aanwijzen van gebieden waarbij de beweging in meer of mindere mate voelbaar zal zijn. In de grafiek als voorbeeld een paar interessante gebouwen, zoals het Empire State Building en het City Corp gebouw eveneens in New York. Duidelijk is dat deze gebouwen, en eigenlijk geldt dat voor alle gebouwen die hoger zijn 300 meter, problemen hebben met de voelbare beweging. De lessen geleerd door de kleuter die zijn blokken zo hoog mogelijk probeert op te stapelen komen weer naar boven: hoog bouwen is een gevecht tegen bewegelijkheid die de instabiliteit oproept.

13

hrequenz

in

Hz

Dit optreden van voelbare trillingen in hoogbouwen ten gevolge van de lage, zeer lage eigenfrequentie is al eerder bij diverse gebouwen geconstateerd. Een gebouw in Boston (USA) was dermate beweeglijk dat het glas zelfs uit de ramen knapte zodat na elke storm er houten schotten ingezet moesten worden wat het gebouw de naam van "Plywood"skyscraper opleverde. Ook zijn gevallen bekend waarbij het personeel werkzaam op de bovenste verdiepingen serieus last van zeeziekte kreeg als het gebouw in stormachtig weer terecht kwam. Wat kun je nog doen tegen dit soort beweeglijkheidproblemen? Ten eerste kun je de constructie nog proberen te verstijven door profielen te verstijven of zelfs nieuwe toe te voegen maar dit kost ten eerste veel materiaal en plek in het gebouw maar is ten tweede ook nog weinig effectief, het rendement is erg laag. Beter is het om een Mass Tuned Damper (MTD) in het gebouw te realiseren. Dit houdt in dat bovenin het gebouw een verplaatsbaar gewicht wordt geïnstalleerd, in concreto betekent dit een blok staal of beton dat glijdend op een gladde, zo veel mogelijk wrijvingsloze vloer binnen bepaalde grenzen heen en weer kan bewegen. De effectiviteit hiervan komt uit het volgende; als het gebouw door een windvlaag opzij beweegt verschuift het gewicht over de gladde vloer in de richting van de windstoot. Als de windvlaag wegvalt zal het gebouw door zijn elastische reactie weer terug willen bewegen maar het verplaatste gewicht, dat nu excentrisch in het gebouw ligt, oefent een tegen deze terug beweging gerichte kracht uit en dempt zodoende de eigentrillingsbeweging die normaliter zou ontstaan. Met een MTD is het mogelijk de negatieve verschijnselen van de eigentrillingsbeweging te verhelpen o f t e voorkomen. Bij het City Corp gebouw in New York is een MTD gebruikt om de invloed van noodzakelijk verkleining van het gebied waar de hoogbouw op de grond komt (er stond al een klein kerkje maar men mocht wel boven het kerkje bouwen) te verhelpen. De demping van de MTD compenseert het tekort aan buigstijfheid in de te kleine stabiliteitskern van het gebouw. Ook bij de bouw van de 101 Tower in Taipei is gebruik gemaakt van een MTD.

14

"&
er
W/P7" ^USLT
-H

1
- T R i C-t-l AJ<S -f-

W^P77

I

.• «p< '•

' ' / / / / ' < ■ '

'77-^

abt

™?^^

15

De latente koppeling tussen voelbare beweging en veiligheid ledere op druk belaste constructie heeft een kritische grootte voor de hoeveelheid drukkracht die deze constructie aan kan; de zogenaamde knikkracht. Bij deze belasting knikt het onder druk staande element plotseling v/eg uit zijn vlak. Dit is in de constructieleer een van de weinige bezwijkmechanismen die plotseling optreedt. Geen grote vervormingen die een naderend bezwijken aankondigen maar tot 99,9% is er niets te zien en dan, met bij wijze van spreken één gram belasting meer volgt een totaal, en fataal bezwijken. Een belangrijk gegeven moet nog vermeld worden; als we in staat zouden een exact rechte staaf met een doorsnede die overal hetzelfde is en met gelijkmatige materiaaleigenschappen en we zouden in staat zijn de belasting precies boven het zwaartepunt van de doorsnede in te voeren dan zou de drukkracht in de staaf tot die spanning kunnen stijgen waarbij het materiaal zelf in elkaar gedrukt zou worden. Van uitknikken zou geen sprake zijn. Helaas is onmogelijk zonder een van de hier boven gesignaleerde onvolkomenheden te bouwen; het blijft ten slotte mensenwerk. De kleine uitbuiging in de as van de staaf, de excentrische plaatsing van de belasting, de kleine scheefstand etc. etc. het roept allemaal een, in eerste instantie, heel klein buigend moment op. Met toenemen van de drukkracht neemt dit buigende moment ook toe tot het moment groot genoeg is geworden om het fatale zijdelings uitbuigen; uitknikken op te roepen. De Zv/itserse wiskundige Euler was de eerste die rond 1770 in staat was uit te rekenen bij welke (druk) kracht een staaf met een kleine initiële uitbuiging in het midden, in de vorm van een (halve) sinus, zou knikken. Deze Eulerse

knikkracht wordt geschreven als Fkr = TT2 El/lcr. Waarbij de E een materiaaleigenschap is (de Elasticiteitsmodulus), I de mate van weerstand tegen buiging van de doorsnede aangeeft en Ier de kniklengte is, de vorm van staaf na uitknikken. Als in een staaf een drukkracht F heerst dan definiëren wij de knikveiligheid n als het quotiënt van Fkr / F. Dit dimensieioze getal geeft eigenlijk de reserve, de veiligheid aan die er nog is ten opzichte van uitknikken. Geldt de formule van Euler voor een rechte staaf met een drukkracht en een initiële (kleine) uitbuiging in de vorm van een sinus, voor een hoog gebouw dat ook nog eens in de zwakke richting door de wind wordt belast gelden complexere wiskundige beschrijvingen. Ook is het mogelijk met een eindige elementenprogramma de standzekerheid en dus de stabiliteit van een structuur te controleren. Het grote gevaar dat hierin zit is, is dat de complexe formules of het computerprogramma een soort "black box " wordt v/aar een hoop gegevens ingegooid worden en na even schudden een pasklaar getal, als zijnde het antwoord, uit komt rollen. Het liefst werk ik met eenvoudige formules die je informatie geven of je goed bezig bent en of je aannames voor dimensies en maten kloppen; het alles exact berekenen met de computer komt daarna nog wel. Het aardigst is dit verwoord in een artikel dat prof. Dicke in 1977 schreef dat luisterde naar de intrigerende naam; "Hoe oud is de kapitein?" Met de moderne reproductie technieken is het mogelijk dit artikel integraal af te beelden.

16

18<1

Stabiliteit voor

ontwerpeis

Hoe oud is de kapitein?
Aan de vele raadseltjes, waar hij aan de hand van ccn paar schijnbaar nicl relevante gegevens een verrassende oplossing van een prohleem wordt gevonden, wil ik hierbij één toevoegen. Het is zeer praktisch raadseltje omdat hel een waarschuwende vinger heft, indien we bezig zijn onveilig te bouwen, ons veel werk kan hesparen indien we stabiel houwen en ons, in tegenstelling tol nog maar al te vaak klakkeloos toegepaste voorschriften, een belangrijke besparing op de bouwkosten kan opleveren. Het raadseltje gaar als volgt. De architect stelt aan de constructeur twee vragen over een gegeven gebouw mei ccn moderne staalconstructie: — hoe groot is de totale windkracht in kN (1 kN = 0.1 lf). die je volgens de T.G.B. 1972 op dit gebouw in rekening moei brengen? - hoc groot is de uilbuiging in in aan de top van het gebouw icn gevolge van deze windkracht? Uiteraard kent de architect <le kubieke inhoud van het gebouw, die hij doorgeeft aan de constructeur. Na hel stellen van de vragen geeft de architect de volgende, opdracht aan de constructeur, die altijd wel enig rekentuig bij zich heeft: Vermenigvuldig de gegeven windkracht met de hoogte van dit gebouw (in m). Deel deze uitkomst door tweemaal hel produkl van de gegeven uitbuiging en de inhoud in
in3.

Noem deze uitkomst n. Hoc groot is n? Hel antwoord kan nu in een van de volgende categorieën liggen. Bij elk daarvan hoort een antwoord aan de. constructeur op de vraag waarom hel uiteindelijk is begonnen. Is dit gebouw stabiel? voor n < 2 luidt hel antwoord: dit gebouw is nicl stabiel. voor 2 < n < 5 luidt het antwoord: dit is een griezelig gebouw, wc moeten liet zo niet maken. voor 5 < n < 10 luidt hel antwoord: voor svc verder gaan moeten we een gedegen studie van de stabiliteit van dit gebouw maken. voor n > 10 luidt het antwoord: over de stabiliteit van dit gebouw Ixjhocvcn we ons geen zorgen te maken. We kunnen volstaan met een slcrkleberekening, waarbij de windbelasting moet worden vermenig­ vuldigd met n/(n - 1.5). Voorbeeld Het hoogste kantoorgebouw van de wereld, hel Scars-huilding. slaat in Chicago. Hel is ruim 43 I in hoog en heeft KW verdiepingen.

17

Overdrukken van artikelen uit tijdschriften

185

Hel onllcenl zijn stijfheid aan 4 frames in beide hoofdrichtingen, die de vierkante plattegrond in 9 gelijke delen verdelen. Boven de 50e verdieping verjongt het gebouw volgeas de in de tekening aangegeven patroon.

:

II
■■>

.,
■ ■

i

» > < •'
lüJ.B ■

Bij een bezoek aan dit gebouw kreeg ik, staande in de ruwbouw op de 66e verdieping het volgende gegeven: Bij een gemiddelde windbelasting van 3 kN/m2 (= 300 kgf/m2) — wal bij een getroffen oppervlak van 27 700 m2 een totale windkracht van 83 100 kN betekent — bedraagt de uilbuiging aan de top 33 inch (= 0,84 m). Uit de gebouwgegevens is verder af te leiden dat de inhoud van hel gebouw 1 480000 m3 bedraagt. Deze gegevens zijn voldoende om op eenvoudige wijze de male van stabiliteit te bepalen. Wc vinden namelijk: 83000x431 2 x 1480000x0,84 = 14,4 Het Scars-building is dus stabiel. Dit gebouw zou kunnen worden berekend op sterkte, waarbij hel stabilitcilsproblccni wordt ingebouwd in een vergroiingsfactor voor de windbelasting gelijk aan 14,4/12,9 = 1.12.

18

Toelichting op het artikel 'Hoe oud is de kapitein?' In paragraaf 4.1 is ccn formule afgeleid voor een slaaf, belasi door een gelijkmatig verdeelde drukbclasling. ^ Uo

In deze formule is W de totale gelijkmatig verdeelde dwarsbclasting op de slaaf, / de lengte van de staaf en UQ de uithuiging aan hel vrije uileinde van de slaaf len gevolge van de belasting W. Voor een gebouw is \V de totale windbelasting op hei gebouw en uo de uilbuiging die toch al, om andere redenen dan een slabilileilsbeschouwing, moet worden bepaald. n is de verhouding lussen de kritische belasting Q k en de werkelijke totale dnikbc lasting Q.
n

" Q ~Q«.o

Q is afhankelijk van het gebouwtype en hei toegepaste construetiematcriaal. De hieronder opgegeven belastingen zijn gebruiksbclastingen. Voor ccn gebouw mei ccn Staalconstructie kan de gemiddelde belasting variëren van 2 tot 2,5 kN/m3. Voor ccn gebouw met een betonconstruclie is dat 3 tol 3,5 kN/m3. In het artikel is \V = 83 100 kN, / = 431 m, de gemiddelde gcbouwbelasiing 2 kN/m3, de gebouwinhoud 1 480(X)0 w? en uo = 0,84 m. Hieruit resulteert n = 14.4 voor gebruiksbclasting. n/(n -1) uo geeft de uilbuiging mede onder invloed van de drukbclasling. Met een 1,5-voudigc bclasling wordt n 1,5 maal zo klein. (n/l,5)/(n/l,5 - 1) = n/(n - 1.5) is dan de vergrotingsfactor voor de buigende momenten. Voor de sterkteberekening kan men de windbelasting daartoe vermenig­ vuldigen met deze vergrolingsfactor.

Het blijkt dus mogelijk met een eenvoudige formule al in een vroeg stadium van het ontwerp een uitspraak te doen over de standzekerheid van een hoog gebouw. Maar er is nu nog maar alleen naar stabiliteit gekeken. Hoe zit het met de voelbare trillingen waarvan we hiervoor geleerd hebben dat die bij hoge gebouwen maatgevend voor de constructie zijn? We gaan daarom proberen, met dezelfde heldere methode die prof. Dicke volgde een relatie af te leiden voorde latente koppeling tussen voelbare beweging en veiligheid, inderdaad, de titel van deze rede. Waarom latent? Latent omdat de koppeling niet direct, niet rechtstreeks loopt maar via het wiskundige model voor een slingerbeweging tot stand komt. Ik werd op deze berekeningswijze geattendeerd tijdens mijn stage bij Philips, Eindhoven, door een ingenieur wiens naam ik helaas vergeten ben.

19

Bij horizontale belastingen (storm, aardbeving) worden de moeilijkheden bij gebouwen met de stabiliteit zichtbaar. De problemen ontstaan doordat het bouwen een beweging tegen de zwaartekracht is. Het eenvoudigst is dit n te zien met het zwaartekrachteffect op de omgekeerde slinger.

+
l

<

veer k^

Ke = Kb — Kp Kg = effectieve stijfheid van het systeem Kb = stijfheid veer Kp = negatieve stijfheid omgekeerde slinger Mathematische slinger

M/^SLL
1/ " |

f

/

m

T= 2iWl
g

I

I

20

We keren de slinger om en vinden de terugverende werking in de buigstijfheid van de ingeklemde staaf.

cl lp = C * I

I-

Ke - Kb — Kp De grootte van c is afhankelijk van de uitbuigingsvorm. De wiskundige beschrijving van deze lijn is een vierdemachtskromme (L4). Daarom is C ook afhankelijk van de mate van doorbuiging. n = eulerse veiligheid tegen elastische knik, dat wil zeggen dat bij n * de massa M het torentje onbeperkt uitbuigt (bezwijken!). In die toestand geldt dus Ke = 0; er is geen effectieve stijfheid of weerstand meer. Ke = 0 = Kb - n * KD n= * * = 1 + * f

Door het zwaartekrachtseffect van de omgekeerde slinger wordt de oorspronkelijke stijfheid dus verminderd tot Ke = K b -K p .

21

Met een bijbehorende vergrotingsfactor:

Kt-Kb

w-I

Recapitulatie effect uitbuigingsvorm (4 de -graadskromme) op de te rekenen "slinger"lengte l p = c * I.

+■ ^>
v

I

k-cö

7^

u
v

c.,1

T

/-

^TM^ C«1
■{e&r

\c-.o,si

c =0,6^. ot> -p^le-i-v

»
t=»^

?r

Er geldt Ke = Kb - Kp. Beseffen we dat K " mco2 (co = V _ ) dan geldt ook co 2 e = co 2 b - to 2P; to = (cirkel-) frequentie. Voor deze koppeling tussen twee co geldt het Theorema van Southwell zoals dat geformuleerd is in ref. (4) Indien de massa's met een factor n toenemen dan wordt co 2 b -> t o V n . De (omgekeerde) slingerstijfheid cop blijft ongewijzigd. Het systeem wordt dus instabiel als co2e = 0 = co2b/n - co2p. _ Oftewel n = co'b - i . + ore =1
(O' p CO' p

Combinatie met de mathematische slinger:

T = 2 n V l ; T 2 = 4 i r 2 . I met g = 9,82 m / s 2 e n ir = 3,1415 -> i. = I l g g 4.0

T = 2it V — - > l = J L ; c o e = i L e n c O p = i L i n vullen levert; g Of I. I

n= * = 1+*

22

Voorbeeld 1, Sears Tower - Chicago (met de twee masten) h = I = 431 meter Te = 8sec;f e = 0,125Hz Le=T2e/4 = 64/4 = 16 meter c = 0,55 (verjongd gebouw) Lp = 0,55 x 431 = 237 meter

/

237 _ 1 + 15 = 16 = 16

Voorbeeld 2, Eik - Arnhem 1 = 11 meter Te = 1,4 sec; fe = 0,72 Hz Le = TV4 = 1,96/4 = 0,5 meter c = 0,6 (verlopende doorsnede van onder naar boven) Lp = 0,6 x 11 = 6,7 meter n = i + k = 1 + ÈH = 1 + 13 = 14 /. 0,5

23

Voorbeeld 3, Tarwe aar 1 = 1,25 meter Te = 1,6 sec; fe = 0,625 Hz Le = T V 4 = 1,6/4 = 0,64 meter c = 0,75 Lp = 0,75x1,25 = 0,95 meter n = l+ ^=1 /,
+

M ^ = 2,5 0,64

Voorbeeld 4, grote grasspriet I = 0,50 meter Te = 2,6 sec; % = 0,38 Hz Le = T2e/4 = 2,62/4 = 1,69 meter c = 0,7 Lp = 0,7 x 0,50 = 0,35 meter
n

_1

+

035 _ 1

+ 0 2 =

2,2

WÊfÊL
Op bovenstaande wijze zijn een aantal gebouwen en planten en bomen ingemeten qua lengte, eigen trillingstijd en mate van inklemming (de grootte van de waarde c) waarna met het formule apparaat de "veiligheid" n, of beter gezegd de afstand die er is tussen de optredende situatie en de bezwijktoestand.

24

GEBOUW of PLANT Sears Tower Dom Utrecht Empire State Building Elektrotechniek Delft Schoorsteen, Pernis Eik, Arnhem Den, Arnhem (dun met hoge kruin) Lisdodde Tarwe aar Grote grasspriet

L [m] 431 110 382 90 213 11 15 8 2

Te [sec]

[Hz] 0,125 0,5 0,120 0,43 0,30 0,72 0,28 0,5 0,625 0,38 16

V. 4 Ie [m]

c

(c*l)
"P

(1 + i ) /, n
16 67 12 47 48 14 4 5 2,5 2,2

0,55 0,6 0,5 0,67 0,6 0,6 0,6 0,65 0,75 0,7

237 66 190 60 128 6,7 9,5

1,0 17,6 1,3 2,7 0,5 3,2 0,25 0,64 1,69

8,3 2,3 3,3 1,4 3,6 1,0 1,6 2,6

1,7 1,25 0,5

1,1 0,95 0,35

Leren van de wereld van de planten en bomen. Als we de piramide van Gizeh even vergeten, tenslotte niet meer dan een domme driehoekvormige stapel grote stenen waar een farao in ligt begraven, dan mogen we de toren van Babyion de eerste echte hoogbouw ter wereld noemen. Zodoende heeft de mens zo'n 3000 jaar ervaring met het bouwen tegen de zwaartekracht in. Vergelijken we dat met de bomen en planten die iedere dag bezig zijn net iets hoger te worden dan hun buurman dan is de conclusie gerechtvaardigd dat dit intense tientallen miljoenen jaren durende Darwinistische selectie proces een aantal geraffineerde oplossingen opgeleverd moet hebben voor de problemen met de stabiliteit en de bewegelijkheid die hiervoor zijn omschreven. Dat blijkt ook wel uit ons rekenwerk hiervoor. Komen de hoogste gebouwen van de mensheid tot een knikveiligheid n van 12-16 minimaal; een grasspriet doet het met een n van amper 2. Terecht kan hier tegen ingebracht worden dat een grasspriet wel erg bewegelijk is en zelfs bij zware storm gewoon plat op de grond gaat liggen, iets dat wij onze gebouwen niet graag willen zien doen. Het verschil in slankheid, de verhouding dikte versus hoogte is echter frappant. Bij een grasspriet 1 op 30 terwijl de Burj Dubai het met 1 op 10 moet doen. Laten we daarom eens goed naar de structuur van planten en bomen kijken om te zien of we daar van wat kunnen leren.

25

Over bomen kunnen we relatief kort zijn. De grootste constructieve aanspraken op een boom worden gedaan tijdens een storm. De horizontale krachten die de wind op de boom en kruin uitoefent resulteren in een grote buiging in de stam, net boven de grond. Deze buiging roept aan de ene kant trekspanningen op en aan de andere kant drukspanningen. De stammen zijn buizen die naar boven toe taps toelopen, het materiaal dat trek kan opnemen zit aan de buitenkant; het levende gedeelte met de verticaal lopende vaten die de voedingstoffen van de wortels omhoog vervoeren wat trek betreft door de structuur van de vaten (een soort wapeningseenheden) en voor de druk door het dode materiaal aan de binnenzijde van de buis. Het dode materiaal vult de dunne, levende buis geheel en voorkomt zo dat er knik— en/of plooigevaar voor de dunne, levende buis ontstaat. Wat kunnen we van bomen leren? In ieder gevai taps naar boven toe lopen, de grootste doorsnede onderin en afnemend naar boven toe. Veel hoogbouwen respecteren dit al, zie de Burj Dubai en ook bijvoorbeeld de Eiffeltoren. (een e-macht is ideaal) Verder geen of zeer weinig ramen maken en alle trek opnemende elementen concentreren in de gevel en het hele gebouw vullen met een redelijk samendrukbaar materiaal. Niet echt praktische aanbevelingen. Wat we wel van bomen kunnen leren is hun vermogen te reageren op het feit dat voor bepaalde streken de grootste stormen uit een bepaalde richting komen, in Nederland bijvoorbeeld het Zuid Westen. De ronde vorm van de stam wordt daar op aangepast en wordt ovaal in de gewenste richting, ook gaat de boom een beetje tegen de grootste windrichting in leunen om zodoende via zijn overhellende gewicht de windbelasting te compenseren. Dit soort maatregelen zouden v/e met onze gebouwen ook kunnen overwegen. Een constructief aspect van bomen verdient nog de aandacht en dat is de fundering. De mens gebruikt voor de fundering palen, stevig weggeheid in de diep gelegen zandlagen, palen die eigenlijk ook alleen maar druk kunnen opnemen. De boom kan geen palen heien en moet met zijn stelsel van wortels een zo groot mogelijke kluit aarde omklemmen die als tegenwicht moet dienen om kantelen ten gevolge van de wind te voorkomen. Het is verleidelijk om eens goed na te denken of, voor de Nederlandse situatie met zijn slechte bodemgesteldheid, niet een boorankertechniek met verankering in de diepe zandlagen een economisch antwoord voor de enorme kosten die wij in Nederland moeten maken voor de fundering, kan betekenen. Rietstengels, korenhalmen en grassprieten volgen een totaal andere strategie dan bomen. Zijn bomen langzame, oude, gezapige mannen; dan zijn de stengels, halmen en sprieten de snelle, drukke jongeren. Heeft een boom jaren nodig om op hoogte te komen en enige omvang te bereiken, stengels moeten in één jaar hoogte bereiken, voor nageslacht zorgen en dood te gaan. Hun opbouw is dan ook anders dan die van de bomen en hun strategie om de hoogte te bereiken is gewaagder en risicovoller dan die van de bomen. Holle buizen worden er gemaakt, gevuld met lucht of een sponsachtige materie, de buismantel zijn allemaal in een cirkel geplaatste vaten die de trek of de druk uit de buiging van de wind moeten opnemen. De slankheid, het quotiënt van doorsnede en lengte/ hoogte is veel hoger dan die van de bomen. Voor stengels geldt een slankheid van gemiddeld 1 op 200 versus bomen 1 op 50; een factor 4 verschil. Eigenlijk zijn alle stengels en halmen niet meer dan dunne buizen die in een onvoorstelbaar grote slankheid hun hoogte bereiken. Een rietstengel met een gemeten hoogte van 2000 mm en een diameter D= 8 mm heeft een slankheid (lambda) (zoals gedefinieerd in de Norm voor stalen kolommen) van 1=2000 gedeeld door i= VA X D= 2 mm, 1000!!! De Nederlandse norm verbiedt kolommen met een slankheid groter dan 250 en slankheden groter dan 150 komen in de tabellen, die je mag gebruiken niet voor. Door zo slank te construeren roepen de stengels en halmen wel stabiliteitsproblemen op lokaal niveau op. Een groot gevaar voor buizen is het lokale plooigevaar van de buis die zeker bij de bevestiging aan de ondergrond tot knikken, of in de plantentaal knakken, aanleiding geeft. De stengels en halmen hebben hier een goed (constructief verantwoord) antwoord op gevonden, op diverse tactische plaatsen zitten er dwarsschotjes in de buis. Aan de buitenkant is dit te zien als een verdikking, een knoop in de stengel. Hier is nog meer aan de hand want hier ligt ook de sleutel tot het antwoord hoe het in vredesnaam mogelijk is dat een rietstengel in een storm bijna plat op de grond kan gaan liggen en na de storm gewoon weer fier recht overeind gaat staan.

26

Dit kan alleen maar door een verende werking in de knopen waar de dwarsschotten zitten. Immers de stengel zit met zijn wortels stevig vast, ingeklemd, in de grond en de buis zelf is een op buiging verend element die als hij het alleen moest doen nooit plat op de grond kan liggen anders dan door ergens te knakken. Er is veel over het buigend riet geschreven, het wetenschappelijk niveau is echter discutabel. Zo wordt gesuggereerd dat de knopen van een rietstengel veren zijn die het buigend moment ter plekke in grote mate reduceren. Dit kan natuurlijk niet; een uitwendig moment kan ergens onderweg naar beneden niet "afgetapt" worden door een veer. Wel zal de positionering van een paar veren langs de stengel hoogte leidden tot een zeer grote bewegelijkheid en dat is precies wat de stengels en halmen willen; gaan liggen in de wind en na afloop weer terug veren tot de oorspronkelijke positie. Laten we in detail kijken naar de uitvoering door moeder Natuur van een dergelijke knoop met dwarsschot.

Te zien is dat voordat het schot begint de stengel èn breder wordt èn dat de wand iets dunner wordt. Hierdoor is de weerstand tegen buiging minder dan in de reguliere doorsnede en kunnen we de knoop met tussenschot schematiseren tot een tweetal veren gelegen boven en onder het dwarsschot.

Het gehele schema van de stengel zal er als een stapel buigslappe torentjes gekoppeld door veren uitzien. Goed voorstelbaar is nu dat een windvlaag het geheel op zodanige wijze zal doen uitbuigen dat een bijna horizontale positie bereikt kan worden.

27

0if\ d,

LK t±«_

knook

W / / '

Er is sprake van dat het buigend moment gereduceerd wordt echter dit is een gevolg van de grote uitbuiging gecombineerd met het plat gaan liggen waardoor de hoeveelheid gevangen wind afneemt en ook de hoogte sterk verminderd met een lager optredend windmoment aan de voet en dientengevolge ook lagere spanningen dan in de situatie van het blijven rechtop staan. Helaas heeft dit, voor een stengel of halm, slimme scenario om de spanningen in het materiaal beperkt te houden weinig praktisch nut voor ons mensen. Gebouwen die bij een beetje wind al veel heen en weer gaan zullen weinig functioneel gebruikt kunnen worden en lantaarnpalen die in een storm plat op de weg gaan liggen is ook geen goed idee. Toch is er een interessante koppeling te maken met het veersysteem onder een auto. Hier zorgt een combinatie van een veer en een schokbreker ervoor dat de auto zelf bijna niet beweegt terwijl de wielen wel de weg met kuilen en bulten volgt. Dat is interessant, want zonder dat de auto (of de inzittenden) het merkt worden er grote stootkrachten door het systeem van veer en schokbreker verwerkt. Als we dit principe in onze hoge gebouwen zouden kunnen inbouwen dan ontstaat de mogelijkheid de hoogbouw tegen de wind in (of terug) te duwen. We zullen inderdaad actief moeten terugduwen want als we een passief systeem van veer en schokbreker inbouwen dan zullen we nog steeds met de elastische vervorming de buis zitten.

28

Als een grote storm tegen het gebouw aanduwt; een constante grootte q en een rimpel delta-q van de windvlagen erbovenop, dan zullen de schokbrekers actief een kracht P met een rimpel delta-P gestuurd door een meetsysteem moeten uitoefenen. Regeltechnisch een grote opgave maar geen onmogelijke. Het aardige is wel dat aan de ene kant de schokbrekers zullen moeten terugduwen en aan de overzijde juist moeten trekken om zodoende zo effectief mogelijk de windbelasting op te nemen en toch geen beweging op te roepen. Het windmoment (M + delta Wind)/dt wordt dan verminderd met (P + delta P/dt) X D. Tevens wordt door dit actief terug duwen de beweging van het geheel sterk verminderd en is het zelfs mogelijk om een eigen trillingsvorm te compenseren door nu op precies het juiste moment een "tegen"-duwtje te geven zodat de beweging snel weg dempt. Met deze actieve compensatie kunnen we in principe onbeperkt in de hoogte bouwen met een materiaalgebruik dat bij laagbouwen hoort. Men zou kunnen tegen werpen dat als het actieve compensatie systeem niet werkt e r een zeer onveilig gebouw ontstaat en dat is ook zo. Men zal er altijd voor moeten zorgen dat de hoogbouw zonder compensatie systeem nog zoveel draagvermogen heeft dat nergens bezwijken, kan optreden en het enig merkbare effect van het wegvallen van het compensatiesysteem een sterk toegenomen beweeglijkheid is. Met dit principe, een bundel buizen met op tactische posities demper- / veersystemen, is door de Japanse architect Yushi Uehara een 1 kilometer hoog woongebouw ontworpen als zijnde de woongebouwen van de mens in het jaar 3000, in het kader van een prijsvraag van het Japanse tijdschrift Japan Architect in 2003. De achterliggende gedachte was dat de mensheid zich terug getrokken heeft in verticale steden die een zo klein mogelijk gedeelte van het aardoppervlak nodig hebben. De rest van de Aarde zou dan terug gegeven worden aan de Natuur. Onze toren stond toen in het kustwater tegenover de Petronas Towers (toen het hoogste gebouw ter wereld). Helaas wonnen we de prijsvraag niet, dat was voorbehouden aan de inzending van een huis op de Maan. Spannend hoor: bouwen met een zesde van de zwaartekracht, dan kun je lekker slank construeren!!!

29

Aan het eind van mijn intreerede gekomen wil ik van de gelegenheid gebruik maken om terug te kijken op de weg hiernaar toe. Zo herinner ik mij dat ik mij op de middelbare school heilig had voorgenomen nooit leraar te worden. Dat is dus anders gelopen en ik vind het zelfs leuk om onderwijs te geven. Mijn interesse voor het vak van constructeur/constructief ontwerper is ontstaan tijdens de (wijze) lessen die ik op de TU (toen nog TH) mocht ontvangen van professor ir. J. Oosterhoff. Na min studie mocht ik beginnen bij ABT, het ingenieursbureau dat door professor Oosterhoff is opgericht. Aldaar werd ik door vele mensen wegwijs gemaakt in de wereld van het bouwen, van hen wil ik vooral de heren Carree en Van Maaschalkerwaart noemen, maar in het bijzonder professor Krijgsman, die bij mij diverse soms, niet altijd hoor, moeilijk verlopende projecten veel geleerd heeft, niet alleen technisch maar ook procesmatig. Ik zou eigenlijk nog vele andere mensen moeten bedanken, zoals bijvoorbeeld vooral mijn vrouw Ineke, maar dat zou in dit kader allemaal teveel worden; dat doe ik apart nog wel een keer! Ref. 1. Handboek Bouwkunde; Vilruvius Atheneum -Amsterdam 1997
Ref. 2. Constructieleer; dictaat Bouwkunde Delft 2005 Ref. 3. Dynamische Windwirkungen an Bauwerke, 1 en 2 H. Ruscheweyh, Bauverlag Wiesbaden / Berlin, 1982 Ref. 4. Dynamics of Structure, R.W. Clough; J. Penzien McGraw - Hill, USA, 1975

30

**

-^#

i ml) DO Towpr
ircbrttrt * Rab Hüj»e. annir

31

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful