You are on page 1of 6

1.3 Checklist “besluitvorming handhaving in gewone school of verwijzing naar buitengewoon onderwijs”.

Soms is er bij een leerling de vraag of buitengewoon onderwijs noodzakelijk is. Bij deze vraag spelen verschillende aspecten een rol, zoals: de onderwijsbehoeften van de leerling en het onderwijsaanbod dat nodig is, de (on)mogelijkheden van de school om dit te bieden en de wensen van school, ouders en kind. Er zijn meestal zowel argumenten voor als argumenten tegen verwijzing naar het buitengewoon onderwijs. Met deze checklist kunnen het zorgteam en CLB – samen met leerkracht en ouders– de verschillende argumenten voor/tegen handhaving in de gewone school en verwijzing naar het buitengewoon onderwijs in kaart brengen. Daarmee kan het CLB beslissen omtrent het al dan niet afgeven van een attest voor deze leerling. De checklist die we hier presenteren is een bewerking van de Nederlandse checklist “Transparante besluitvorming regulier of speciaal basisonderwijs” (Pameijer, 2006). Bij deze bewerking zijn ‘de argumenten voor en tegen’ omgezet in ‘motieven’. Deze checklist is een voorstel: een inspiratiebron en aanzet tot reflectie en discussie, een hulpmiddel dat aangepast moet worden aan lokale omstandigheden. Het CLB en het zorgteam werken vanuit de visie van gedeelde zorg. Zij bepalen – in goed overleg met het buitengewoon onderwijs - welke motieven uit de checklist relevant zijn. Vervolgens kunnen ze nagaan welke daarvan reeds toepast worden in hun huidige besluitvorming en welke eventueel toegevoegd zouden kunnen worden. Na enig uitproberen stellen zij de checklist weer bij, net zolang totdat er een checklist is ontstaan die ondersteunend werkt. De checklist is dus een middel, het is geen doel op zich: het is een middel om het doel ‘transparante besluitvorming’ te bewerkstelligen. De redenen die aan het al dan geven van een attest ten grondslag liggen zijn op deze manier inzichtelijk voor alle betrokkenen: school, ouders, CLB en school voor buitengewoon onderwijs. We beschrijven hier algemene motieven die bij de afweging ‘handhaving in de gewone school of verwijzing naar buitengewoon onderwijs’ een rol kunnen spelen. Meestal zijn er motieven voor beide keuzes te vinden; iedere casus is immers uniek. Door deze in kaart te brengen wordt de besluitvorming van het CLB en het zorgteam inzichtelijk: het is duidelijk op grond van welke motieven zij een besluit nemen. Let wel: per casus kan de hoeveelheid, de inhoud en de weging van de motieven sterk verschillen! Het zijn de mogelijkheden die men per casus naloopt. CLB en zorgteam kiezen, per casus, welke kenmerken zij relevant achten. Soms hebben zij aan een paar motieven genoeg om te besluiten, soms hebben zij meer informatie nodig. Soms gaat het dus slechts om enkele motieven, soms om vele. Het is nadrukkelijk niet zo dat alle kenmerken bekend moeten zijn: als we maar genoeg weten om te beslissen. De checklist bevat drie delen (zie uitgangspunt transactioneel kader): - A. Kenmerken van het kind - B. Kenmerken van het onderwijs - C. Kenmerken van de ouders/opvoeders De kenmerken staan geformuleerd als gesloten vragen. Het antwoord – ja / nee/ of onbekend (?) – wordt omcirkeld en geeft aan of het als een motief kan gelden. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om een zuiver kwantitatieve benadering. Niet ieder motief is immers even belangrijk; één bepaald motief kan doorslaggevend zijn bij een specifieke casus. De motieven wegen met andere woorden niet allemaal even zwaar; het ene motief kan veel zwaarder wegen dan het andere. Het gaat dus vooral om een kwalitatieve beoordeling van de situatie. Dit kan aangeduid worden door één of meerdere plussen te omcirkelen. Zolang deze inschatting geëxpliciteerd is – in de trant van “wij hechten aan dit motief de meeste waarde” – is de besluitvorming transparant: betrokkenen begrijpen waarop het besluit is gebaseerd. Verder dient opgemerkt te

worden dat het CLB en het zorgteam zich bij een aantal motieven kunnen afvragen of deze nog te veranderen of te beïnvloeden zijn. Zo ja, hoe en door wie? Na het in kaart brengen van de motieven kan het CLB in overleg met het zorgteam de conclusie trekken. Dit kan in stappen gebeuren: 1. Zijn er meer motieven voor handhaving in het gewoon onderwijs of voor verwijzing naar buitengewoon onderwijs? 2. Welke motieven achten we het belangrijkst en wegen daarom zwaarder? 3. Kan het CLB al beslissen omtrent het al dan niet afgeven van een attest voor dit kind? 4. Zo ja: beslissen. Advies CLB luidt: wel/niet een (tijdelijke) overschakeling naar buitengewoon onderwijs. a. Bij attest: ouders melden aan bij een school voor buitengewoon onderwijs naar keuze. b. Bij geen attest: wat is het advies van het CLB? I. Uitschrijven en motiveren GON-attest II. Bij handhaven huidige gewone school: wat heeft deze school nodig aan begeleiding? III. Bij verwijzen naar andere gewone school: wat heeft deze school nodig aan begeleiding? 5. Zo nee: wat moet het CLB nog weten om te kunnen beslissen? Welke ‘vragen’ moeten eerst nog beantwoord worden, alvorens het CLB kan beslissen? Het CLB verantwoordt haar keuze met de ‘als-dan-redenering’: we hebben deze informatie nodig, want als het antwoord op deze vraag ja/nee is, dan beschouwen we dat als een motief voor/tegen attestering. Het CLB kan de vraag stellen aan betrokkenen, zoals de zorgbegeleider of directeur, leerkracht, ouders, het kind of aan externe deskundigen. Het CLB kan ook nog zelf diagnostisch onderzoek doen indien dit noodzakelijk is voor een bepaald motief. Let wel: we stellen alleen de vragen waarvan het antwoord noodzakelijk is (uitgangspunt van HGD). We hoeven dus niet alle kenmerken te weten van kind, school en ouders. Zolang we maar genoeg weten om verantwoord te kunnen beslissen. Bij twijfel wordt dus meestal extra informatie verzameld. We bespreken nu de drie delen van de checklist - A. Kenmerken van het kind - B. Kenmerken van het onderwijs - C. Kenmerken van de ouders/opvoeders Deel A: Kenmerken van het kind * Zijn de kindkenmerken vertaald in pedagogisch – didactische behoeften en gewenst onderwijsaanbod? Is het duidelijk wat dit kind nodig heeft? Kenmerken van het kind 1.Zijn de didactische behoeften van het kind zodanig ‘specifiek’ dat deze (of een andere) gewone school het gewenste onderwijsaanbod niet kan bieden? Bijvoorbeeld door een: • ernstige leerstoornis (zoals dyslexie, dyscalculie, NLD); • sterk disharmonisch intelligentieprofiel of een zwakke intelligentie; • een hardnekkige leer- of ontwikkelingsachterstand 2. Zijn de pedagogische behoeften van het kind Motief voor handhaving Motief voor verwijzing

Nee / Ja / ?

+++

+++

Nee /

+++

+++

3.

4. 5. 6. 7. 8.

zodanig ‘specifiek’ dat deze (of een andere) gewone school het gewenste onderwijsaanbod niet kan bieden? Bijvoorbeeld door: • zeer storende gedragsproblemen • ernstige emotionele problemen • ernstige sociale problemen • een ‘psychiatrische stoornis’, zoals ADHD, ASS of een gedragsstoornis Zijn er zulke hardnekkige problemen inj de werkhouding dat deze (of een andere) gewone school dit kind niet de ondersteuning kan bieden die het nodig heeft? Bijvoorbeeld door: • sterk gebrek aan motivatie, • niet zelfstandig kunnen werken, • ernstige concentratieproblemen, • extreme faalangst of negatief zelfbeeld Gaat het kind graag naar school en komt het vrolijk thuis? Is de schoolbeleving van het kind positief qua schoolwerk? Voelt het kind zich sociaal aanvaard op school; heeft het vriendjes op school? Heeft het kind een goede band met de leerkracht? Overige motieven voor handhaving of verwijzing

Ja / ?

Nee / Ja / ?

+++

+++

Ja Nee Ja Nee Ja Nee Ja Nee

/ / / / / / / /

? ? ? ?

+++ +++ +++ +++ +++

+++ +++ +++ +++ +++

Ja / Nee / ?

Vragen:

Deel B: Kenmerken van het onderwijs (leerkracht, klas, school) * Is duidelijk of de huidige gewone school het gewenste onderwijsaanbod kan bieden? * Is een verwijzing naar een andere gewone school overwogen? Kenmerken van het onderwijs 1. Heeft de school voldoende extra zorg geboden; zijn er recente handelingsplannen? 2. Was de extra hulp binnen de school, ondanks een goede uitvoering, ontoereikend? 3. Kan deze school dit kind – eventueel met extra begeleiding – handhaven? 4. Zijn deze – en de toekomstige – leerkracht gemotiveerd om dit kind de extra zorg te bieden die het nodig heeft? 5. Kan deze gewone school goed omgaan met verschillen? 6. Accepteren de andere kinderen uit de klas dat dit kind ‘anders’ is; is het kind sociaal aanvaard binnen de klas? 7. Bij een grote leerachterstand: is deze school bereid de einddoelen zodanig bij te stellen dat het kind deze – met extra hulp – kan bereiken? 8. Kan het kind met een aangepast programma ongeveer dezelfde einddoelen behalen als in het BuO? (prognose van de leerontwikkeling inschatten) 9. Is de overplaatsing naar een parallelklas binnen de gewone school, waar het onderwijsaanbod beter aansluit bij het kind, mogelijk? 10. Is er een andere gewone school die het gewenste onderwijsaanbod kan bieden? 11. Heeft het BuO didactisch en pedagogisch meerwaarde voor dit kind? 12. Kan een deel van de extra hulp die het kind nodig heeft, buiten de gewone school worden gerealiseerd? 13. Zijn de belangen van andere leerlingen in het geding door deze leerling? 14. Overige motieven voor handhaving of verwijzing? Nee / Ja /? Nee / Ja /? Ja / Nee /? Ja / Nee / ? Ja / Nee /? Ja / Nee /? Ja / Nee /? Ja / Nee /? Ja / Nee /? Ja / Nee /? Nee / Ja /? Ja / Nee /? Nee / Ja /? Ja / Nee /? Motief voor handhaving +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ Motief voor verwijzing +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++

+++

+++

+++ +++ +++ +++ +++ +++

+++ +++ +++ +++ +++ +++

Vragen:

Afgrenzing GON – BuO Voldoet het kind aan criteria voor GON? Ja / Nee /?

Motief voor handhaving +++

Motief voor verwijzing +++

Deel C: Kenmerken ouders/opvoeders

van

de

thuissituatie

en

wensen

van

* Is de visie van ouders op handhaven gewoon onderwijs en verwijzen naar buitengewoon onderwijs duidelijk? Kenmerken van ouders/opvoeders 1. Hebben ouders vertrouwen in de huidige (of Ja / een andere) gewone school? Nee / ? 2. Staan zij positief tegenover BuO voor dit kind? Nee / Ja / ? 3. Worden de ouders sterk beïnvloed door hun Ja / omgeving bij het nemen van een beslissing? Nee / ? 4. Als ouders bezwaar hebben tegen BuO: is dit Nee / om te buigen, bijvoorbeeld met uitleg over en Ja / ? een bezoek aan BuO? 5. Vinden ouders dat BuO hun kind meer kan Nee / bieden dan gewoon onderwijs? Ja / ? 6. Is de samenwerking huidige school – ouders Ja / goed? Nee / ? 7. Is het kind aangewezen op een lange busrit? Ja / Nee / ? 8. Zitten vrienden of kinderen uit de buurt van Nee / het kind op deze school voor BuO? Ja / ? 9. Is begeleiding vanuit de jeugdzorg een betere Ja / manier om de sociaal-emotionele problemen Nee / ? aan te pakken dan plaatsing in BuO? 10. Was de extra hulp buiten de school (zoals Nee / revalidatie of een sociale vaardigheidstraining), Ja / ? ondanks een goede uitvoering, ontoereikend? 11. Wordt plaatsing in BuO door schoolexterne Nee / hulpverleners aanbevolen? Ja / ? 12. Zijn alle schoolexterne hulpverleners betrokken Nee / bij de besluitvorming en is er eensgezindheid? Ja / ? 13. Overige motieven voor handhaving of verwijzing: Ja / Nee / ? Vragen: Motief voor handhaving +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ Motief voor verwijzing +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++ +++

+++

+++