You are on page 1of 16

VREDESEILANDEN NIEUWS | TIJDSCHRIFT VAN DE VZW VREDESEILANDEN | VERSCHIJNT IN JANUARI-APRIL-JUNI-AUGUSTUS-OKTOBER | JAARGANG 28 NR 4 | EDITIE JUNI

2008 | AFGIFTEKANTOOR 8500 | KORTRIJK 1-2E AFD | P108038 | VERANTWOORDELIJKE UITGEVER: JAN AERTSEN, BLIJDE INKOMSTSTRAAT 50, 3000 LEUVEN

Reporter
NICARAGUA
VREDESEILANDEN

nieuws

Twintig jaar geleden bevond Nicaragua zich in het oog van de storm. De Sandinistische guerrilleros kwamen er aan de macht via een revolutie. De reactie van Washington liet niet op zich wachten. De Verenigde Staten financierden massaal een oorlog die het land compleet destabiliseerde. Wat overbleef was: het armste land van het continent, verwoest door een langdurige oorlog. Liesbet Walckiers maakte die jaren mee. Ze ging kijken hoe het geteisterde Midden-Amerikaanse land de nasleep ervan heeft overleefd. Meer dan een kwarteeuw lang was Liesbet Walckiers (1944°) journaliste voor de openbare omroep. Eerst enige tijd voor de televisie, daarna voor de radio. Daar vond ze voorgoed haar draai toen ze zich ging verdiepen in het woelige Latijns-Amerika van de jaren zeventig en tachtig. Er kwam ook een boek uit: Dansen op de vulkaan. Latijns-Amerika op de drempel van de éénentwintigste eeuw (Globe, 1995). De afgelopen jaren werkte ze freelance, steeds rond thema’s van de Noord-Zuid problematiek. Ze is voorzitter van het Noord-Zuid-persagentschap IPS-Vlaanderen.

Foto: Iris Verschaeve

Wat voorafging
Er was een tijd dat Nicaragua met argusogen door de internationale gemeenschap werd gevolgd. Dat waren de jaren tachtig, de woelige jaren in Latijns-Amerika. Zoals de meeste andere kleine landen in Midden-Amerika, was Nicaragua traditioneel het privé wingewest geweest van een kleine groep families, die hun rijkdom hadden opgebouwd dank zij het grootgrondbezit. Het specifieke van Nicaragua bestond erin dat één van die families erin slaagde een ware politieke dynastie uit te bouwen, die tientallen jaren aan de macht bleef. Het land behoorde haast volledig toe aan de Somoza’s, hun verwanten en hun vrienden. De drie achtereenvolgende presidenten van de Somozadynastie (vader en twee zonen) bestuurden het land met ijzeren hand, met de hulp van een uitgebreide Nationale Garde, die zowat fungeerde als hun privé-leger. Toen in 1972 een aardbeving de hoofdstad Managua volledig verwoestte en er een enorme internationale solidariteitscampagne op gang kwam, stak Anastasio Somoza het ingezamelde geld gewoon op zak. Tegen die extreme vorm van dictatuur ontstond in de jaren zeventig een gewapende verzetsorganisatie, die het bewind wou omverwerpen: het Sandinistisch Nationaal Bevrijdingsfront, zo genoemd naar Sandino, de legendarische leider van een volksopstand uit de jaren dertig. En hoewel er in die tijd heel wat soortgelijke guerrillabewegingen opereerden in het continent, zijn de Sandinisten de enigen geweest die er in slaagden –naar het voorbeeld van de Cubanen- een dictator met de wapens te verslaan. De Nationale Garde had nochtans op bijzonder bloedige wijze gepoogd de opstand te onderdrukken.Tot op het laatst hadden de Verenigde Staten Somoza gesteund, de woorden indachtig van president Franklin D. Roosevelt over zijn vader, destijds: ‘He may be a son of a bitch, but at least he is our son of a bitch’. Uiteindelijk ging hij door de knieën toen een breed front van alle bevolkingslagen en diverse oppositiepartijen zich schaarde achter de gewapende revolutionairen. Die namen de macht over in 1979. Hoewel de Sandinisten zich uitdrukkelijk hadden uitgesproken voor een gemengde economie, steeg het wantrouwen in Washington al snel ten top. Ronald Reagan was daar pas verkozen, de koude oorlog had de wereld verdeeld in twee blokken die vijandig tegenover elkaar stonden en de leiders in Managua staken hun bewondering voor de Cubaanse revolutie niet onder stoelen of banken. Het Witte Huis en het Pentagon beschreven president Daniel Ortega als de gewapende arm van Havana en Moskou, die de revolutie zou uitdragen in het hele continent. De spanning escaleerde en mondde binnen de kortste keren uit in een Amerikaanse handelsblokkade tegen Nicaragua. U.S.-vliegtuigen dropten mijnen in de haven van Corinto. President Reagan bewapende de contra’s, een bende anti-Sandinisten die van over de grens het land bestookten en overal vernieling zaaiden, met een uitgesproken voorkeur voor schooltjes of medische projecten. Aan het offensief van de Verenigde Staten kwam slechts een einde na de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten, in 1990. Wat overbleef was een puinhoop.

>2

Foto: Patrick De Spiegelaere

Haast vier weken lang hebben meer dan vijftienhonderd mensen – volwassenen en kinderen – de toegang verhinderd tot de reusachtige vuilnisbelt van Managua, la Chureca. De vrachtwagens van de stedelijke vuilnisophaaldienst mochten er niet meer op. Al die tijd bleef het vuil zich opstapelen in de straten van de hoofdstad. Met de onvermijdelijke problemen van dien voor de openbare hygiëne, zeker in de ondragelijke hitte vlak vóór het begin van het regenseizoen. Wat was het probleem? Al die mensen leven van wat ze dagelijks inzamelen op het stort. De meest onvoorstelbare rommel brengt op allerlei parallelle markten wat geld op. Maar veel van die spullen zijn de laatste tijd aanzienlijk in waarde gestegen: koper en andere metalen bijvoorbeeld zijn sinds enige tijd door de grote internationale vraag dure en dus gegeerde grondstoffen. En net daarom worden die materialen nu door de bedienden van de ophaaldienst vooraf uit het vuil geselecteerd. Dat pikken de armoezaaiers niet. Voor hen is dit een broodwinning, ze zien het als oneerlijke concurrentie. Vandaar de slag om de vuilnisbelt. De opstand van de havelozen, zeg maar. Dit is Nicaragua, het armste land van het Amerikaanse continent.

Nicaragua nu
Ze wegen mee op het beleid van het land. Het paternalisme is dan ook nooit veraf. Op elk niveau zijn ze te vinden, de grote en kleine instellingen die hun best doen om zich te schikken naar de wensen van de geldschieters. Maar hier en daar voel je ook wel de reflex om zich daar tegen af te zetten, om zelf het roer in handen te houden. De relatie met de politieke overheid is een heikel punt voor de ontwikkelingsorganisaties. Het probleem is dubbel. In hoeverre word je als NGO gebruikt, laat staan gemanipuleerd door de regeerders. En omgekeerd, in hoeverre wordt de samenwerking ondergeschikt gemaakt aan de eigen voorwaarden van de ontwikkelingsorganisatie. Dat is overal wel zo. Maar Nicaragua is door het recente verleden een heel bijzonder geval. Onder het Sandinistische regime was er een totale verweving van de diverse basisorganisaties (vakbond, vrouwen, boeren, enz) met de regeringspartij en dus ook met het bewind. Buitenlandse organisaties die er kwamen werken stonden uitdrukkelijk positief tegenover de politieke lijn die werd gevolgd. Ze steunden de revolutie en veroordeelden bijvoorbeeld het vijandige beleid van Washington tegen Nicaragua. Na de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten in 1990 kwam daar verandering in. De NGO’s die bleven stonden voor een moeilijke keuze: Sandinistische organisaties blijven steunen, maar nu in de oppositie, of zich zo onafhankelijk mogelijk opstellen. Of met de regering samenwerken… Maar vooral na 1996, toen de rechtse, door en door corrupte, Arnaldo Alemán tot president werd verkozen, bleek dat een vrij onwaarschijnlijke optie. Zo werd in die tijd een deel van de hoofdstad heropgebouwd met overheidshulp van –internationaal toch wel erg geïsoleerde- Taiwan. Nicaragua was uitermate gepolariseerd geraakt. En dat bleek meer dan ooit na het voorbijtrekken van de orkaan Mitch. Naar gelang het gemeentebestuur in de dorpen rechts of Sandinistisch gekleurd was, werd de hulp uitgedeeld aan de eigen aanhangers. En president Alemán stak publiek de pluim op zijn eigen hoed voor de enorme internationale hulpverlening die op gang was gekomen. In zo’n cliëntelistische maatschappij wordt het voor een NGO een haast onmogelijke opdracht om niet te worden gebruikt. De toestand is nu wel erg veranderd, maar toch blijft het moeilijk. Sinds de verkiezingen in 2006 zijn de Sandinisten weer aan de macht. Dat moet ongetwijfeld een aantal sociale klemtonen garanderen. Maar omdat ze aanvoelden dat ze te zwak stonden om alleen te regeren hadden ze vooraf een pact gesloten met hun aartsvijand, de

Nicaragua is het armste land van het continent. In het halfrond doet alleen Haïti het nog slechter. De voornaamste bron van inkomsten is het geld dat de uitwijkelingen overmaken aan hun thuisgebleven familieleden. Met honderdduizenden zitten ze in de Verenigde Staten of in het buurland Costa Rica, waar ze het vuile werk opknappen. Naar het juiste aantal kan slechts bij benadering gegist worden. Er zijn namelijk heel wat mensen bij met een illegaal statuut. Volgens de Wereldbank vormen die familiale stortingen uit het buitenland, de remesas, de helft van het inkomen voor 20% van de achtergebleven gezinnen. En voor nog eens 40% andere betekenen ze bijna de helft van het beschikbare geld. De emigranten zijn dus veruit de voornaamste inkomensbron voor het land. Redenen zijn er te over om te emigreren. Er komt maar geen einde aan. In 1972 wordt de hoofdstad en een deel van het land haast van de kaart geveegd door een reusachtige aardbeving. Tijdens de jaren zeventig was er de gewapende opstand tegen de dictatuur. In de jaren tachtig hadden de rebellen van de contra het gemunt op burgerdoelen. In1998 werd Nicaragua getroffen door de orkaan Mitch ,één van de hevigste uit de geschiedenis, en vorig jaar was het de beurt aan een andere cycloon, Felix. Telkens weer trekt er een spoor van vernieling door het land. Telkens weer moet er heropgebouwd worden. En intussen ging het niet al te best met de landbouw. Van de katoenteelt is haast niets overgebleven. Koffie is het voornaamste exportproduct. Maar daar word je allesbehalve rijk van. De schommelingen van de koffieprijs op de wereld-

markt, de onvoorspelbaarheid van natuurrampen, het zijn allemaal factoren die de kleine boeren niet in de hand hebben. De afgelopen jaren zijn veel koffieboeren ermee gestopt omdat ze het niet meer zagen zitten. De wereldwijde stijging van de voedselprijzen moedigt nu de verbouwing aan van andere gewassen, maar dat is nog maar een pril begin. En er staan nog heel wat vraagtekens bij de toekomstige evolutie in die sector. Het mag dan ook niet verbazen dat de tweede bron van inkomsten niet de koffie is, maar wel de internationale samenwerking. Zowel de officiële ontwikkelingssamenwerking als de vele buitenlandse NGO’s die investeren in het land. Ze zijn inderdaad niet te tellen: van overal komen ze en van het meest uiteenlopende pluimage. NGO’s die vaak met de beste bedoelingen projecten uitwerken.

Foto: Bert Wallyn

3<

Foto: Patrick De Spiegelaere

>4

rechtse partij van oud-president Alemán (intussen tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens corruptie en witwaspraktijken). Dat heeft geleid tot een hele reeks compromissen, maar dat betekent ook grote tegenstellingen binnen de huidige coalitieregering. De meest controversiële toegeving van Daniel Ortega kwam er al nog vóór hij tot president werd verkozen. Onder druk van de –zeer machtige- Kerk en in ruil voor een aantal sociale maatregelen legde hij zich neer bij het voorstel van zijn rechtse bondgenoot om abortus bij wet weer volledig te verbieden. Een geweldige opdoffer voor de trouwe kern van zijn aanhangers, vooral onder de vrouwen. Die wetswijziging is onder andere een reden geweest waarom Zweden zijn ontwikkelingshulp heeft stopgezet. Een land dat altijd zeer gul was geweest in Nicaragua. De vraag blijft moeilijk: is dat inmenging in binnenlandse zaken, zoals de toenmalige Zweedse ambassa-

drice te horen heeft gekregen? Of heeft een donor het recht afstand te nemen van een politiek waar hij het helemaal niet mee eens is? Met eventueel nadelige gevolgen voor een bevolking die niets te maken heeft met de regeringsbeslissing… NGO’s hebben het op het eerste zicht makkelijker. Zij kunnen kiezen om samen te werken met organisaties waarvan ze de lijn en de werking ook inhoudelijk steunen, ook al wijkt die af van het regeringsbeleid. Ze kunnen zich dus onafhankelijker opstellen. In Nicaragua is dat maar gedeeltelijk waar. Neem nu UNAG, een overkoepelende bond van kleine en middelgrote boeren, een haast vanzelfsprekende partner voor wie met deze mensen wil samenwerken. De Sandinisten zijn nog zeer aanwezig in UNAG, dat merk je zodra je medewerkers in het veld tegenkomt. En de vermenging is overduidelijk aan de top: de huidi-

ge minister van landbouw is een vroegere leider - overigens nog altijd vice-voorzitter - van UNAG, zijn voornaamste adviseur is er de huidige voorzitter van en staat meteen aan het hoofd van het overheidsinstituut voor landbouwontwikkeling. Politici dus die daar duidelijk met twee petjes zitten. Een kritische opstelling wordt dan al gauw afgestraft: net als president Alemán destijds is Daniel Ortega onlangs scherp uitgevaren

We zijn geen vogels, die leven van de lucht We zijn geen vissen, die leven van het water We zijn mensen, die leven van het land BERNARDINO DIAZ OCHOA
(stichter van de Nicaraguaanse boerenbond UNAG)

Nul honger
Op de coöperatie Santa Rosa, nabij Ocotal, worden we vriendelijk en ontspannen ontvangen. Wij, dat zijn Carolina, van Vredeseilanden Nicaragua, en Armando, van UNAG, de bond van kleine en middelgrote boeren. Don Jose, de voorzitter nodigt ons uit om in de schaduw te komen zitten, samen met enkele van zijn kompanen. Mannen en vrouwen, oud en jong, ze glimlachen verlegen, maar als hen gevraagd wordt het woord te nemen, zie je dat ze dat gewoon zijn. Hier wordt doorgaans een flink stukje vergaderd, dat merk je. Zoals Santa Rosa zijn er niet veel coöperaties overgebleven. Het is een collectief bedrijf. Het land, een vroeger grootgrondbezit, dat ze aan de landhervorming

tegen wat hij de macht van de NGO’s noemt. Het is een moeilijke discussie, maar feit is dat in Nicaragua, veel meer dan elders in Latijns-Amerika, de invloed van de ontwikkelingsorganisaties op de samenleving weegt. Daar zijn ongetwijfeld heel wat redenen voor, maar er zijn zeker twee bepalende factoren geweest: eerst en vooral het afbrokkelen van de sociedad civil, de georganiseerde maatschappij, na de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten in 1990 en vervolgens de vloed aan buitenlandse hulpverleningsorganisaties die het land overspoelden na de doortocht van de orkaan Mitch, in 1998, en toen de heropbouw in handen hebben genomen. Voor een NGO die zich respecteert is het dansen op een slappe koord tussen paternalisme aan de ene kant en meewerken aan cliëntelistische praktijken anderzijds. Het beste middel om een evenwichtige relatie uit te bouwen is wellicht mee te werken aan de uitbouw van de sociedad civil, met onafhankelijke en mondige basisorganisaties.

Foto: Liesbet Walckiers

hebben overgehouden, wordt samen bewerkt. Het is nu al drieëntwintig jaar geleden dat ze de eigendomstitel hebben verkregen –één enkele voor alle gezinnen samen- en het draait goed. Dit model heeft het op erg weinig plaatsen uitgehouden. De meeste coöperaties bestaan nu uit boeren die elk hun lap grond bewerken, maar het beheer en de commercialisering samen aanpakken. Niet zo in Santa Rosa. Niet alleen bewerken ze de grond samen, ze hebben ook een molen waarmee alle leden van de coöperatie maïs en koffie malen, ze planten gezamenlijk jonge boompjes om het bosbestand op peil te houden , ze organiseren samen de inenting van het vee. Dat vee is wel privé-bezit van elk afzonderlijk, maar de coöperatie waarborgt dat er voldoende graasgrond is. Bonen, pepers, citroenen, sinaasappelen, avocado’s, tomaten, sla, kolen, yucca (maniok), dat produceren ze voor de markt, onder meer de uitvoer naar Honduras. Ze hebben al die jaren ook op hun strepen leren staan. ‘Vroeger durfden we zelfs niet de stem te verheffen om met vreemde mensen te praten’, zegt don Jose. Ze waren toen bijna allemaal analfabeet,

intussen kunnen ze bijna allemaal lezen en schrijven. Ze zijn naar de burgemeester van het nabijgelegen Ocotal gestapt om twee bijkomende onderwijzers te vragen voor hun schooltje. Sindsdien kunnen hun kinderen alle jaren van het basisonderwijs op de coöperatie volgen. En er zijn intussen al 80 jongeren die voortstuderen. Ooit zijn ze begonnen met 37 families, nu zijn het er 107. Samen zijn dat 647 mensen, kinderen inbegrepen. Sinds een paar jaar hebben ze stromend water, elektriciteit en –daar zijn ze bijzonder trots op- nu ook telefoon. Toch betekent dat niet dat de armoede is uitgebannen in de gemeenschap. Verschillende gezinnen komen er in aanmerking voor het armoedebestrijdingprogramma dat door de regering is opgezet. Dat programma heeft de naam Hambre Cero meegekregen, Nul Honger, dus. Naar een soortgelijk programma dat enige tijd geleden is opgezet door president Lula in Brazilië. Enkelen hier op Santa Rosa hebben hun deel al ontvangen. Een jong stel neemt ons mee om hun aanwinst te bewonderen: in een splinternieuwe kraal staat een koe, met naast haar een kalfje. De koe heet Murillo,

Verschillende gezinnen, zoals dit koppel, komen in aanmerking voor het armoedebestrijdingsprogramma van de overheid, dat de naam “Nul honger” heeft gekregen.

5<

wordt mij met een grote glimlach verteld. Rosario Murillo is de naam van de -nogal prominente- presidentsvrouw, de vrouw van Daniel Ortega. Ik vraag mij nog altijd af of het ironisch bedoeld is… Op termijn moet het programma de voedselveiligheid van 75.000 arme boerengezinnen waarborgen. Dat cijfer is niet lukraak vastgelegd. Het staat voor de allerarmsten onder de bevolking van kleine en middelgrote boeren. Die worden samen op ruim 171.000 geschat. Elk van die armste gezinnen ontvangt een (gedekte) koe, een varken, enkele kippen en materiaal om er een hok voor te bouwen. En ze krijgen er ook zaaigoed bij. Het is geen gift. Het wordt beschouwd als een lening, voor een bedrag van 2.000 dollar, die ze moeten afbetalen.

Die terugbetaling wordt bekostigd door de verkoop van de biggen en de kalveren die ze zo gaan kweken. De koe en de zeug mogen ze vooral niet verkopen, dat is hun kapitaal. Daar berust het hele systeem op. Een essentieel punt van het programma is dat de dieren eigendom worden van de vrouw in het gezin. Altijd, ook als de man daar niet zo gelukkig mee is. Zoals de man die op een informatievergadering boos opsprong en riep: ‘De vrouw is van mij, dus is de koe ook van mij!’ Er wordt van uitgegaan –en daar zijn alle boerenorganisaties het over eens- dat de vrouw de continuïteit vertegenwoordigt in het gezin en dus niet geneigd zal zijn dat kapitaal van de hand te doen. Vrouwen staan er overigens ook om bekend dat ze zeer fideel

leningen terugbetalen. Hambre Cero bestaat onder die naam nog maar één jaar, maar de regering heeft het idee –met enkele wijzigingen- overgenomen van een met de Sandinisten gelieerde NGO, CIPRES, die het eerder al had uitgeprobeerd met 4.500 gezinnen. Ze hebben er dus al enige ervaring mee, waar de regering nu op voortbouwt. Wat wij willen, zeggen ze ons daar, is niet alle gezinnen in Nicaragua bijstaan. Wij willen een geldig alternatief bieden voor de bestrijding van de honger. En we zij blij dat dit nu ook een prioriteit is voor de regering. De hele onderneming moet zichzelf nog bewijzen, natuurlijk. Maar hogerhand leeft duidelijk het besef dat landbouw in de huidige context essentieel is. En in de eerste plaats

de rol van kleine en middelgrote boeren, die onder de vorige regeringen verwaarloosd zijn. Sinds 1990 is de aandacht van het beleid volledig gegaan naar de agro- business, de industriële exportlandbouw. Met gewassen als katoen en aardnoot, bijvoorbeeld. En uiteraard naar de veeteelt. Terwijl CIPRES heeft uitgerekend dat 70 procent van de landbouwgrond wordt bewerkt door kleine en middelgrote boeren, die samen staan voor 75 procent van de voedselproductie. Nu de spectaculaire stijging van de voedselprijzen wereldwijd ongerustheid veroorzaakt, is het dus uiterst dringend die kleine en middelgrote landbouw te gaan steunen. Lees verder op pag. 8

“De koe heet Murillo, wordt mij met een grote glimlach verteld. Rosario Murillo is de naam van de -nogal prominente- presidentsvrouw. Ik vraag mij nog altijd af of het ironisch bedoeld is…”

>6

Foto: Liesbet Walckiers

ROOD OF ZWART
Foto: Liesbet Walckiers Foto: Iris Verschaeve

Wat ook de nabije toekomst moge brengen, bonen (rode dan) hebben een sterke mythische, historische betekenis voor de Nicaraguaan, zoals in heel de regio. Het staat ook voor voedselzekerheid, voor

Foto: Liesbet Walckiers

Rijst en bonen. Dat is het dagelijks dieet van een Midden-Amerikaan. Zwarte bonen in heel wat landen. Rode bonen in Nicaragua. Toen er op een bepaald moment ook in Nicaragua door een aantal producenten op zwarte bonen werd overgeschakeld, stuitte dat op algemeen verzet van de consument. Maar geen nood, het land heeft een overschot aan bonen en de gehate zwarte groente dient voor de export naar het buitenland, waar ze gretige afnemers vindt. Er zitten weinig grondstoffen in de Nicaraguaanse ondergrond. Landbouwproducten, voedsel dus, dat is zijn rijkdom. De spectaculaire stijging van de voedselprijzen op de wereldmarkt is op het eerste gezicht een goede zaak voor Nicaragua. Het ondermaatse inkomen van de boeren kan er alleen maar beter van worden, zo lijkt het. Toch is het op langere termijn een tweesnijdend zwaard. Want voor hun eigen consumptie moeten ze natuurlijk ook meer gaan neertellen. En ook voor brandstof, openbaar vervoer, zaaigoed… Voor stadsmensen is het nu al een ramp. Die hebben geen lapje grond waarop ze voor eigen verbruik wat groenten kunnen verbouwen. En door de stijging van de brandstofprijzen is ook het openbaar vervoer op korte tijd veel duurder geworden. Daarvoor heeft de regering een kleine tegemoetkoming gedaan, maar dat is niet meer dan een druppel op een hete plaat.

inheemse zelfredzaamheid. Het herontdekken van traditionele gewassen, dat is vrij nieuw in het land. Onder de Somoza-dictatuur hadden de grootgrondbezitters de prioriteit gelegd bij extensieve veeteelt. Alleen oudere mensen kennen nog de vroegere groenten en kruiden. Daar groeit nu een nieuwe interesse voor (hoewel groenten door de meeste Nicaraguanen nog steeds minachtend als gras worden beschouwd!). Er wordt weer gezocht naar oude, inheemse soorten zaaigoed, om de kwaliteit van het product op te voeren. Boeren zetten zaadbanken op voor uitwisselingen. Die hele trend dreigt op termijn te verdwijnen, als we niet waakzaam zijn. Latijns-Amerika slaagt er niet echt in een dam op te werpen tegen de toenemende golf van genetisch gemanipuleerde gewassen. Of wil het niet. En één van de kenmerken die multinational Monsanto zijn producten heeft meegegeven, is dat ze maar één seizoen meegaan. Boeren moeten dus voor elke oogst opnieuw van die zaden kopen. Dat betekent het einde van de zaadbanken en –uitwisselingen. Nu is het verbouwen van genetisch gemanipuleerde gewassen momenteel wel bij wet verboden in Nicaragua. Maar toen ik landbouwminister Ariel Bucardo vroeg of daar binnen de regering een consensus over bestond, begon hij hartelijk te lachen. ‘Tenminste, met de president wel…’, was het antwoord. Met andere woorden, er zijn zeker ministers die vatbaar zijn voor de druk van de multinationale agro-business. Overigens, zo voegde hij er aan toe, de invoer kunnen we niet tegenhouden. En

tussen de geïmporteerde producten zijn er heel wat die genetisch gemanipuleerd materiaal bevatten. Nicaraguaanse Frijol –zoals de boon ginds heet- moet dus ook de buurlanden bevoorraden. Zo wordt er traditioneel naar Honduras uitgevoerd. Maar de jongste tijd zijn twee heel nieuwe markten aangeboord. Eerst en vooral wat zo mooi de mercado nostálgico wordt genoemd, de nostalgische markt. Bedoeld zijn de Hispanics, de uitgeweken Latijns-Amerikanen in de Verenigde Staten, die graag ‘zoals thuis’ willen eten en de nodige ingrediënten laten invoeren. En daarnaast zijn er de eerste tekenen van de toenadering tussen

Nicaragua en het Venezuela van president Hugo Chavez, binnen de prille alliantie, de ALBA, waarbij ook Bolivia is toegetreden. Venezuela kampt momenteel met een tekort aan sommige voedselproducten. Het levert goedkope olie aan Nicaragua. In ruil voor een grootscheeps exportprogramma van zwarte bonen. En er is intussen ook al een eerste zending vertrokken van enkele honderden melkkoeien. Bonen zijn dus niet alleen belangrijk voor het eigen verbruik. De kleine boeren moeten met ander woorden ook geholpen worden bij de toegang tot de plaatselijke markt en tot de uitvoer.

7<

Vredeseilanden in Midden Amerika
In Nicaragua heet Vredeseilanden VECO. Dat staat voor de afkorting van Vredeseilanden Country Office, het plaatselijk kantoor van Vredeseilanden. Dat bekt alleszins beter voor wie geen Nederlands spreekt. Het regionaal verband in Nicaragua, Costa Rica en Honduras opereert dan weer onder de afkorting VECOMA: Vredeseilanden Midden-Amerika. Vredeseilanden heeft een lange weg afgelegd. Traditioneel is er altijd veel aandacht gegaan naar de familiale landbouw, de kleine boeren in het Zuiden, de zwaksten onder de zwakken. De laatste jaren is er een serieuze koerswijziging ingezet. Gedaan met tractoren leveren, gebouwtjes neerzetten, materiaal financieren, projecten opzetten die prompt weer ineenstorten wanneer de buitenlandse steun opdroogt. Empowerment, zoals dat in het jargon heet. ‘Georganiseerd’, dat is het woord waarop hier de klemtoon ligt. De boeren duidelijk maken dat ze alleen maar de concurrentie aankunnen met de industriële landbouw en het gevecht voor een eerlijke verloning als ze dat samen aanpakken. Op hun eentje zullen ze daar nooit is slagen, staan ze veel te zwak. Daarom wordt er samengewerkt met georganiseerde partners. Coöperaties, bijvoorbeeld, of vrouwengroeperingen, overkoepelende organisaties voor de verwerking of vermarkting van producten, netwerken voor biologische landbouw, consumentenorganisaties. Maar het hoeven niet altijd zulke groeperingen te zijn. Er wordt ook samengewerkt met de privé-sector: een verwerkingsfabriekje, een sociaal geëngageerd een deel groeit dat uit de praktijk, maar het wordt ook begeleid via vormings- en opleidingsprogramma’s. Of via onderzoek, bijvoorbeeld naar de meest rendabele producten. Samenwerkingsverbanden worden op die manier begeleid, ze worden niet meer door Vredeseilanden zelf uitgewerkt. Het is geen makkelijke omschakeling. NGO’s worden door de betrokkenen nog heel erg gezien als een soort van sinterklazen, die gul blijven uitdelen zo lang je erom vraagt. En –het moet gezegd- heel wat buitenlandse organisaties passen ook nog in dat patroon. De partners van Vredeseilanden hebben het er soms moeilijk mee. Ze begrijpen het niet altijd. Dat heb ik herhaaldelijk gemerkt tijdens mijn rondreis. Het cliëntelisme zit er diep ingebakken bij de en het product dat ze verbouwen: de lokale markt of de export. De belangrijkste partner daarvoor is UNAG, de grootste bond van kleine en middelgrote boeren, die over een uitgebreid netwerk beschikt in het hele land. In het Noorden wordt er bijvoorbeeld gewerkt met koffieboeren, met telers van bonen. Een vrouwengroep wordt gesteund die eigen gekweekte biologische groenten verkoopt op de markt van de noordelijke stad Ocotal. Er is ook steun voor een pas opgestart coöperatief melk- en kaasfabriekje. In het Zuiden is er een samenwerking met boeren en boerinnen die biologische producten telen, zoals honing, kurkuma en sesamzaad. En er wordt ook nauw samengewerkt met UNAG om te lobbyen op het vlak van landbouw- en handelsbeleid. Er is een enorme inhaal-

“Het uiteindelijke streefdoel is de boerenfamilies weerbaar maken. En hen duidelijk maken dat ze alleen maar het gevecht voor een eerlijke verloning aankunnen als ze dat samen aanpakken. Op hun eentje zullen ze daar nooit in slagen”
Foto: Liesbet Walckiers

Vredeseilanden wil af van ontwikkelingssamenwerking die zichzelf onmisbaar maakt. Op een zwoele avond in Estelí, tegen de achtergrond van een legertje tjilpende krekels, legt Carolina Ulmos, de verantwoordelijke voor het Nicaraguaprogramma van Vredeseilanden, het mij van naaldje tot draadje uit. Het uiteindelijke streefdoel, zo vertelt ze, is de georganiseerde boerenfamilies weerbaar maken.

bedrijf, dat kan ook. De medewerkers van Vredeseilanden voeren zelf geen projecten uit op het terrein. Ze denken samen met de plaatselijke partnerorganisaties na over hun werking, brengen hen in contact met andere actoren, zetten proefprojecten op, ondersteunen waar dat nodig blijkt. Hun uiteindelijke bedoeling is altijd: zich op termijn overbodig maken, zorgen dat de boeren zelf hun lot in handen nemen en er beter van worden. Het veronderstelt een heel leerproces. Voor

Nicaraguanen. Daar van afstappen, zonder de indruk te wekken dat je ze in de steek laat, die boodschap moet je duidelijk overbrengen. Dat is zeker één van de lastigste taken voor de medewerkers. Hoe vertaalt die nieuwe betrokkenheid zich in de praktijk? Het voornaamste doel, dat steeds voor ogen wordt gehouden, is: de boeren helpen om zich een toegang tot de markt te banen. Daarmee wordt bedoeld, naar gelang van de groep

beweging nodig, want de vorige –rechtse- regeringen hebben de sector van de familiale landbouw zwaar verwaarloosd. Maar UNAG is niet alleen zaligmakend. Zo is een groep vrouwen uit de bond gestapt, uit protest tegen het feit dat ze niet werden gehoord door het bestuur. Ze hebben een vrouwenvakbond opgericht; FEMUPROCAN. Ze doen aan vorming en alfabetisering onder de boerinnen. En enkele onder hen hebben een marktje opgezet langs de Panamericanaweg naar het Noorden, waar ze de groenten verkopen die ze samen met hun mannen verbouwen. Ze hebben er ook een kleine zadenbeurs opgezet, waar ze vorming geven over inheemse zaden, om andere boeren aan te moedigen terug te Lees verder op pag. 10

>8

Bio
Mocht Nicaragua ooit op zoek zijn naar een nieuwe vlag, met een nieuw symbool erin, dan zou dat rustig een plastic zak mogen zijn. Overal slingeren ze rond, langs alle wegen, op elk erf, in alle straten. Wanneer je met de bus uit het zuidelijke buurland Costa Rica binnenrijdt, is er geen vergissing mogelijk: waar de zwermen gebruikte plastic zakken beginnen, begint Nicaragua. Ecologisch besef, zo blijkt, is er nog niet echt ingeburgerd. Akkoord, het is slechts een detail, maar wel de uiting van een ruim verspreide mentaliteit. Essentiëler is de enorme ontbossing die hele stukken van het tropische regenwoud heeft vernietigd. Jarenlang is kostbaar hout via de moeilijk controleerbare Atlantische kust uit het land illegaal uitgevoerd. Ook het dagelijks gebruik van brandhout om eten klaar te maken is een zware belasting voor het milieu. Er beginnen regeringsmaatregelen te komen om dat tegen te gaan, maar de weg is nog lang. En ook in de huizenbouw moet er op het gebruik van hout bezuinigd worden. In een overlevingseconomie als de Nicaraguaanse wordt milieubewustzijn nog vaak als een luxe ervaren. Dat geldt ook voor biologische voeding. Paradoxaal genoeg is dat minder een zorg voor de allerarmsten, die vaak de middelen niet hebben om pesticiden of kunstmeststof te kopen. Hun maïs, bonen en bananen, hun honing zijn doorgaans biologisch. Uit armoede. Zodra er aan schaalvergroting wordt gedacht –en zeker voor de export- wordt er wel naar chemicaliën gegrepen. Ten tijde van de dictatuur was de grond in handen van enkele families, die aan extensieve landbouw deden. Maar er was vooral veeteelt, voor de uitvoer. Dat bracht onrechtstreeks ook wijzigingen mee in het voedselpatroon van de Nicaraguanen. Eten, dat was: vlees eten. Als je het kon betalen. Dat was een teken van welstand, niet iedereen kon zich dat veroorloven. Het vergt bijgevolg heel wat overtuigingskracht om de mensen ervan te overtuigen dat het ook anders kan. En chemische behandeling was een bewijs van vakkennis. In heel de regio, overigens. Een topverantwoordelijke van de koffiecoöperaties in Costa Rica zei me ooit: ‘Toen we destijds in de Verenigde Staten voor ingenieur studeerden werd ons met handen en voeten uitgelegd hoe alle heil kwam van de kunstmeststoffen. Nu leggen ze ons –alweer- met handen en voeten- uit hoe diezelfde kunstmeststoffen uit den boze

“Organico – het Spaanse woord voor biologisch – is momenteel het sleutelwoord. Omdat er vraag naar is via alternatieve kanalen en vooral omdat er hogere prijzen voor geboden worden”
zijn’. Want inderdaad, de bio-trend komt in de eerste plaats overgewaaid uit het buitenland, vooral dan uit de Verenigde Staten. Daar zijn op enkele jaren tijd talloze nichemarkten ontstaan, vooral voor biologische koffie. En ook in Europa merken we dat bijvoorbeeld het fairtrade publiek meestal samen valt met het bio-publiek. Maar in hoeveelheden uitgedrukt blijft dat een marginale markt. Toch is organico –het Spaanse woord voor biologisch- momenteel een sleutelwoord. Omdat er vraag naar is via de alternatieve kanalen en vooral omdat er hogere prijzen voor geboden worden.

Ook Vredeseilanden moedigt zijn partners aan om zo duurzaam mogelijk te produceren. Dat kan - maar hoeft niet noodzakelijk biologisch te zijn. Maar dan in de eerste plaats met de bedoeling het thema op de lokale markt binnen te loodsen. Het brengt ook organisaties samen van divers pluimage , die elkaar vinden omdat ze –onder meer- bezig zijn met één of andere vorm van biologische landbouw. Die dan bijvoorbeeld –zoals in het stadje Carazo- samen een biowinkeltje open houden en samen naar de markt trekken met hun bio-producten. Op vormingssessies wordt uitgelegd hoe je op organische wijze de chemische behandeling kunt vervangen. Dat dit beter is voor je gezondheid, kwamen ze mij met overtuiging vertellen. Maar of de kopers dan ook bereid waren

daar meer geld voor neer te tellen, zoals dat in Europa en de Verenigde Staten het geval is? Daar keken ze van op. Integendeel, om klanten te werven zijn de vrouwen van de coöperatie in Ocotal bijvoorbeeld begonnen hun zelfgeteelde groenten op de markt van aan te bieden onder de marktprijs. Iets waar ze prompt mee zijn gestopt na een rel omdat ze door de traditionele verkoopsters werden beschuldigd van concurrentievervalsing. Nu hebben ze hun prijzen afgestemd op die van de andere kramen. Maar hogere prijzen, nee, dan zouden ze nog geen komkommer verkocht krijgen! In een arm land als Nicaragua blijft betaalbaarheid verkoopsargument nummer één.

9<

Foto: Liesbet Walckiers

Samenwerking over de grenzen
grijpen naar traditionele zaden, die worden hergebruikt en ook onder elkaar geruild. De druk van de multinationale zaadproducenten is immers nooit veraf. En er is een begin gemaakt met een klein wegrestaurant, waar ze hun eigen producten klaarmaken. Een kersverse partner is NICARAOCOOP, die coöperaties groepeert waar veel aandacht gaat naar biologische productie. Ze beheren een bedrijf waar ze eigen maïs roosteren en bonen drogen. En organiseren de export van bioproducten naar het buurland Costa Rica. Onder meer honing, jam, chocolade en natuurlijk koffie en bonen. Dat biologische accent staat ook centraal in de plannen van Vredeseilanden om in de toekomst meer op regionaal vlak te gaan werken. In Midden-Amerika wordt daarmee bedoeld: niet alleen Nicaragua, maar ook de buurlanden Costa Rica en Honduras. Landen die, hoewel ze vaak soortgelijke producten op de markt brengen, een zeer verschillende graad van ontwikkeling kennen. Honduras steekt Nicaragua naar de kroon als armste land van der regio, terwijl Costa Rica het naar Latijns-Amerikaanse normen erg goed doet. Zo staat de zorg voor het milieu vrij hoog op de agenda van de Costaricaanse regering. Je kunt over een aantal aspecten ervan wel kritiek hebben –zo is het soms meer retoriek dan effectieve praktijk- maar feit is dat er bijvoorbeeld werk wordt gemaakt van de strijd tegen ontbossing. Intussen staat Nicaragua op dat punt nog zogoed als nergens. De jongste regering heeft wel een aantal maatregelen afgekondigd, bijvoorbeeld om de verkoop van hout in te perken, maar ze is er voorlopig nog niet in echt in geslaagd de plundering van het tropische regenwoud te stoppen. Ook de biologische markt staat in Costa Rica al veel verder dan in de buurlanden. Overigens staat de sociedad civil er bijzonder sterk. Zo is onder meer bij massale protestacties gebleken dat zowat de helft van de bevolking het niet eens is met het bilaterale vrijhandelsakkoord dat de regering heeft gesloten met de Verenigde Staten. En door zo’n massaal protest zijn ze er ook bijvoorbeeld in geslaagd de geplande privatisering van de elektriciteit tegen te houden. Vredeseilanden steunt een organisatie, Oro Verde (groen goud) van kleine boeren over het hele land, die bio-producten in de plaatselijke supermarkt brengt. Maar op vrij korte termijn zullen de partners in Costa Rica sterk genoeg zijn om op eigen benen te staan. Het is dan ook de bedoeling om de financiële ondersteuning geleidelijk aan stop te zetten. Vanaf 2010 zou die dan volledig geconcentreerd worden op Nicaragua en ook op het relatief recente werkterrein in Honduras. Daar staat de samenwerking nog in de kinderschoenen. Zo is er een poefproject in het Zuiden, vlak over de grens met Nicaragua, waar cashewnoten worden gekweekt. De mannen doen er de oogst, ze verkopen die aan de vrouwen, die een coöperatie vormen voor de verwerking en de verkoop aan fairtrade organisaties. Oxfam-wereldwinkels België is daar één van. Een ander project in de maak is een netwerk van Hondurese boerenorganisaties en NGO’s die werken aan de promotie van lokale voedselproducten. Ze proberen een tegengewicht te vormen voor ketens uit de Verenigde Staten, zoals Pizza Hut en KFC. Uiteindelijk komen we een gelijklopende problematiek tegen in de verschillende landen van MiddenAmerika, ook al verschilt de politieke en economische context vaak aanzienlijk. Daarom zal Vredeseilanden in de toekomst, vanuit het centrale kantoor in Managua, meer gaan werken op het regionale vlak. Er wordt vooral uitgekeken naar wat in de regio ‘solidaire handel’ wordt genoemd. Daarmee wordt bedoeld dat de sociale en ecologische waarden er meer aan bod komen en dat de nadruk meer ligt op lokale handel (in eigen land en binnen het geheel van de regio) dan op export.

> 10

Foto: Patrick De Spiegelaere

Vrouwen
Het paradijselijke eiland Ometepe ligt midden in het Meer van Nicaragua, in het zuiden van het land. De eerste dag breng ik er door op de prachtig gelegen Finca Magdalena, een drukbezocht hotel voor rugzaktoeristen, dat gerund wordt door de plaatselijke coöperatie. Die verbouwt daarnaast ook koffie en onder meer groenten (bio, wat dacht je?) voor de bevoorrading van de gasten. Samen bewerken ze een gebied dat vroeger toebehoorde aan een grootgrondbezitter, die bevriend was met de Somoza’s. Overigens behoorde drie vierde van het eiland destijds toe aan de presidentiële familie. De coöperatie heeft de gronden verworven dank zij de landhervorming. ’s Avonds heeft het bestuur een vergadering belegd om mij uit te leggen hoe zij werken. Later, thuisgekomen, zal ik tussen de bladzijden van mijn notitieboekje tientallen dode mugjes terugvinden , die mij aan die avond herinneren. En hoe ze mij vertellen dat ze hun koffie verkopen via een verbroederingsnetwerk van eilanden (zoals je zustersteden hebt). Één eiland vóór de kust van Vancouver, in Canada, en een ander vóór de kust van de staat Washington, in de Verenigde Staten. Wat mij opvalt, is dat er in heel dat bestuur maar één enkele vrouw zit, de ernstig kijkende en zwijgzame schatbewaarster. Voor het overige, alleen mannen. In zijn geheel telt de groep vierentwintig leden: negentien mannen en vijf vrouwen. ’s Anderendaags bezoek ik enkele kleinere coöperaties in de buurt. Niet zo ver van de Finca Magdalena houd ik halt bij Las Palmas , waar ik een afspraak heb met een kleine vrouwencoöperatie. We vinden er niemand, er was een misverstand over het uur. Drie vrouwen worden uiteindelijk opgetrommeld . Ze moesten weg , maar dat maakt niet uit. Ze ontvangen mij alsof ze de hele ochtend op mij hadden zitten wachten. En ze beginnen te vertellen. Met plezier, dat is duidelijk. Dat ze met vijftien zijn, veertien vrouwen en –ze monkelen- één man. Waarom ze niet zijn aangesloten bij de grote coöperatie, verderop? Omdat zij geen grond hebben, ze willen gewoon hun eigen ding doen. Ze zaaien maïs en bananen en vooral, ze malen maïs en koffie. Die koffie moeten ze zelf kopen. Daarna verkopen ze de producten op de plaatselijke markt. Dat is een probleem wanneer de prijs hoog is. Dan houden ze bijna niets over. Het is allemaal nog erg artisanaal – een echte molen zou welkom zijn- maar ze zien het wel zitten. En waarom er –op één nageen mannen bij zijn? Die mogen erbij komen, als ze dat willen, waarom niet? Maar dan moeten ze niet de baas komen spelen. Marta, Juana (foto) en Dañana vormen het bestuur, dat verandert nu en dan. Maar dat regelen de leden onder elkaar. Als wij een lening krijgen, dan is dat ook een goede zaak voor de mannen, zegt Dañana. Wij weten welke verbintenissen er zijn aangegaan, wij gaan voorzichtig met geld om, vele mannen kunnen dat niet. Hier en daar is er al een man die helpt in het huishouden. En dat de vrouwen ook geld binnenbrengen, dat bezorgt hen een vorm van onafhankelijkheid in het gezin. Zij laten zich niet doen. De mannen hebben geleerd ons te vertrouwen, zegt Juana. Als ik eens te laat thuis kom van de coöperatie, dan leg ik mijn man uit hoe dat komt en dan gelooft hij mij. Hier zijn er tenminste veertien vrouwen, zegt Marta, die geen slaag krijgen van hun man. Dat kunnen er inderdaad niet veel zeggen. Huiselijk geweld is –in heel Midden-Amerika, niet alleen in Nicaragua- een nationale kwaal. Er is een groot netwerk, van meer dan zeventig lokale organisaties, actief rond het thema en er is een campagne –onder meer op de televisie- die daar de aandacht wil op vestigen, maar er is nog veel werk aan de winkel. Sandra Galbusera, de vertegenwoordigster van Vredeseilanden voor heel Centraal-Amerika, kan het weten.
Foto: Liesbet Walckiers

Toen ze nog in België woonde was ze voorzitster van het VOK, het Vrouwen Overleg Komité. Één van de initiatieven die zij aanmoedigt, zijn de nog uit te werken mannenworkshops, die worden opgezet samen met de Zweedse organisatie Mannen tegen Geweld. In door en door macho-gemeenschappen zoals ze nog bestaan in Nicaragua en de buurlanden moet je ook met de mannen aan een mentaliteitswijziging werken. Het

dorpje Balgüe. Hij is vice-voorzitter van de coöperatie Carlos Diaz, die ook de Finca Magdalena beheert. De rijkdom van het huisje is een diepvriezer, waarin zij plastic zakjes met ijs aanmaakt, voor de verkoop. Zij lenen mij voor de gelegenheid hun bed, in de ruimte waar ook twee van hun vier kinderen slapen. Nu ja, kinderen…het meisje heeft zelf al een baby. De ouders slapen die nacht dan maar in hun hangmat. Terwijl de gekko’s

“Wij laten ons niet doen. En de mannen hebben geleerd ons te vertrouwen”, zegt Juana. “Als ik eens te laat thuis kom van de coöperatie, dan leg ik mijn man uit hoe dat komt en dan gelooft hij mij. Hier zijn er tenminste veertien vrouwen die geen slaag krijgen van hun man.”
is voor hen niet altijd zo duidelijk dat vrouwenmishandeling geen vanzelfsprekend onderdeel is van een relatie, dat het huwelijk je als man niet alle rechten verleent op je partner. Marta, Juana en Dañana willen perse dat ik blijf eten. De mannen hebben net versgevangen vis meegebracht. Maar ik moet verder. Juana roept mij nog grappend na dat ze de vis mooi vers zal houden tot ik terugkom. Later vertelt men mij dat het een bekend gezegde is op het eiland: wie er vis eet, zal zeker terugkomen. Die avond slaap ik bij Don Feliciano en Doña Rosario. Zij wonen in het mij uit mijn slaap houden lig ik te bedenken wat nog een andere eigenheid is van het vrouwenleven in Nicaragua. Het is het land met één van de hoogste geboortecijfers van het continent: 3,4 per vrouw in de stad, 4,5 zelfs op het platteland. Het aantal tienerzwangerschappen is onwaarschijnlijk hoog. Twintig procent van de zwangere vrouwen zijn jonger dan zeventien. En een –nog vrij jong- gezin als dit: ouders en vier kinderen, een kleinkind, en dan nog een eerdere dochter van de vrouw, die ook al zwanger is… zijn geen uitzondering. De grootmoeder past op het kleinste, terwijl de jonge moeder naar school gaat.

11 <

Terug in Managua neemt Sandra Galbusera mij mee naar Maria Teresa Blandón, één van de bekendste Nicaraguaanse feministes. Zij was een Sandiniste van het eerste uur, maar staat nu zeer kritisch tegenover de huidige politiek van president Daniel Ortega. In overleg met de Kerk drukte die een wetwijziging door waardoor elke vorm van abortus wordt verboden. Ook abortus om medische redenen. Vrij cynisch, zegt ze, voor een man met een revolutionair verleden, als je weet dat Nicaragua één van de weinige Latijns-Amerikaanse landen was waar de zogenaamde therapeutische abortus al meer dan een eeuw – 135 jaar, om precies te zijn- bij wet was toegestaan. Het gevolg is dat artsen nu weigeren een abortus uit te voeren, zelfs als de gezondheid van de vrouw in gevaar is, omdat ze een gerechtelijke sanctie vrezen. Negen feministen staan terecht omdat ze, samen met de organisaties voor de mensenrechten een minderjarig meisje, dat verkracht was door haar stiefvader, hebben geholpen om –illegaal dus- een abortus te verkrijgen. Nochtans hadden medici geadviseerd dat er een risico was voor haar gezondheid. Volgens Maria Teresa Blandón gaat de verstrenging van de abortuswet gepaard met een volledig verdraaide seksuele opvoeding op school. Seksualiteit wordt voorgesteld als iets wat uit den boze is en de enige vorm van geboortebeperking waar officieel over

wordt gesproken, is onthouding. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat er zoveel tienerzwangerschappen zijn. Toen de Sandinisten aan de macht waren, in de jaren tachtig, werd er nochtans militante taal gesproken over de gelijkheid man-vrouw. Er waren ook prominente vrouwen op het hoogste niveau binnen de partij. Hoe is die radicale ommezwaai dan te verklaren? Dat is geen ommezwaai, zegt Maria Teresa Blandón. De Sandinisten zagen de vrouwenbeweging als een onderdeel van de klassenstrijd: gelijk loon voor gelijk werk, bijvoorbeeld, dat was een streefdoel. Mar ze hebben zich nooit bekommerd om de onderdrukking op het privé-vlak. Nooit is het partnergeweld aan bod gekomen. Nooit het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw inzake seksualiteit. Bovendien waren er wel vrouwen op belangrijke posten binnen de partij, het parlement en de regering, maar daar is nooit werk gemaakt van pariteit tussen mannen en vrouwen. Er ook nooit één vrouw geweest in het hoogste bestuur. Hun eigenste vrouwenorganisatie heeft het heel moeilijk gehad om zich te doen gelden binnen de partij. Ooit is er door de top zelfs nagedacht over een mogelijke afschaffing ervan. Ze bestaat nog altijd, maar ten koste van heel wat toegevingen. Zo zitten er bijvoorbeeld heel wat gaten in de huidige wet op gelijkberechtiging. Maar het feit alleen

Maria Teresa Blandón, één van de bekendste Nicaraguaanse feministes. al dat er zo’n wet kwam, hoe beperkt die ook mag zijn, wilden de vrouwen van de partij niet op de helling zetten. En de Liberale Partij dan, de rechtse coalitiepartner van de Sandinisten, hoe staat die daartegenover? Er zijn enkele vrij ruimdenkende vrouwen binnen de partij, zegt Maria Teresa Blandón. Zo bijvoorbeeld Maria Dolores, de dochter van de voormalige president Alemán. Zij hebben er voor gezorgd dat de partij quota heeft ingevoerd waarbij er minstens 40 procent vrouwen op de kieslijst moeten staan (tegenover 30 procent bij de Sandinisten). Maar daar blijft het bij. Ze hebben geen enkel standpunt over de discriminatie van de vrouw. Daarvoor is de invloed van de Kerk binnen de partij veel te groot. Ze zijn het helemaal eens met de nieuwe wet op abortus en met de manier waarop seksuele voorlichting wordt gegeven op school. Vrouwenrechten zijn geen thema voor hen. Die strijd speelt zich op een ander vlak af. Er bestaat een veelvoud aan kleine en grote verenigingen die vrouwen groeperen rond specifieke onderwerpen waarmee ze nergens anders terecht kunnen. Rond de sociale rechten van fabrieksarbeidsters, rond huiselijk geweld, rond seksueel zelfbeschikkingsrecht, rond de sociaaleconomische problematiek van plattelandsvrouwen, noem maar op. Jarenlang, zegt Maria Teresa Blandón, hebben de achtereenvolgende regeringen dat terrein braak laten liggen. Er was geen interesse voor. Dus hebben ze dat overgelaten aan de niet-gouvernementele organisaties. De huidige regering wil dat onderwerp nu naar zich toe trekken. Tenminste, wat het sociaal-economische aspect betreft. Op dat vlak speelt Rosario Murillo, de vrouw van president Ortega, een belangrijke rol. Centraal in haar bekommernis staat de vaststelling dat 75 procent van de Nicaraguanen in armoede leeft, 45 procent in extreme armoede (daarmee wordt bedoeld, mensen die met minder dan één dollar per dag moeten rondkomen). En het zijn de vrouwen –de behoedsters van het gezin- die daar de zwaarste gevolgen van dragen. Daarom heeft ze aangedrongen opdat er in het regeringsprogramma concrete punten worden opgenomen voor de gelijkberechtiging van de vrouw. Maar over het seksueel getinte onderwerpen, geen woord. De Kerk waakt. Zo is er bijvoorbeeld ook geen politiek inzake AIDS. Geen cijfers, geen preventiecampagne, niets. Nu is AIDS niet direct het meest acute probleem in dit land, maar toch zijn er hier en daar gevallen. Bijvoorbeeld in de grensstreek, waar veel migratie is. Daar liggen zeker nog heel wat mogelijkheden voor een gezamenlijke Midden-Amerikaanse aanpak van Vredeseilanden, vindt Sandra Galbusera. Een eerste stap is dus de werking inzake huiselijk geweld. En zo is er ook een boek uitgekomen met getuigenissen van vrouwen uit Nicaragua en Costa Rica. Het is de neerslag van een wedstrijd waaraan alle –nietprofessionele- vrouwen konden deelnemen. Er hoort ook een CD bij, waarop de verhalen van de vrouwen worden voorgelezen, en waarrond een radioprogramma wordt uitgezonden. Een jaarlijks initiatief.

Die avond slaap ik bij Don Feliciano en Doña Rosario. De rijkdom van het huisje is een diepvriezer, waarin zij plastic zakjes met ijs aanmaakt, voor de verkoop.

> 12

Foto: Liesbet Walckiers

Foto: Liesbet Walckiers

De oorlog voorbij
Helemaal in het noorden van het land, dicht tegen de grens met Honduras aan, ligt de verloren plek Ciudad Antigua. Het is zondag wanneer wij er aankomen. En het heetste moment van het lome middaguur. De krekels maken zo’n oorverdovend lawaai dat we mekaar nauwelijks verstaan. Don Wilfredo, -Don Wil, zo kent iedereen hem hier- is even afwezig, hij is naar de kerkdienst. Hij en zijn familie zijn methodisten. Wanneer hij thuiskomt gaan we allemaal samen in de schaduw van het houten portiek zitten. Naast zijn huis staat een trapiche. Dat is een molen voor de verwerking van suikerriet. Een primitieve installatie, waartussen de varkentjes, de honden en de katten rondlopen. Nu en dan is er een hond die zijn poot opheft tegen een stapel gekapt suikerriet. Don Wil weet dat het anders kan, hij heeft in het buurland Costa Rica grote, ultramoderne silo’s bezocht. Zoiets zou hij ook wel willen. Voor hem en voor heel de coöperatie waar hij deel van uitmaakt, allen samen zo’n dertig gezinnen. Maar dat is toekomstmuziek. Vóór alles zouden ze hun oven willen verbouwen. Die werkt nog met brandhout en door het tekort aan hout en het –vrij recente- kapverbod, om de ontbossing tegen te gaan- is dat een dure zaak geworden. Daarom willen ze een oven die werkt op bagazo, het afval van het suikerriet. Dat is efficiënt, ecologisch en kost niets. Daarvoor wil hij een beroep doen op UNAG, de overkoepelende vereniging die kleine en middelgrote boeren groepeert, en die voor dit soort collectieve initiatieven gesteund wordt door Vredeseilanden. Daarom is Armando mee. Hij is de regionale vertegenwoordiger van die unie. Zoals in heel het georganiseerde verenigingsleven zijn in de coöperaties de vroegere Sandinistische revolutionairen nog heel aanwezig. Zo ook Armando, al loopt hij er niet mee te koop. In de jaren tachtig, toen de Sandinisten aan de macht waren, heeft hij nog in de toenmalige Sovjet-Unie gestudeerd. . Don Wil neemt ons mee naar de heuvel naast zijn huis. Eerst langs de trapiche, daarna verder op, naar de top. Hij wil ons een uitzicht bieden op zijn rietvelden. We lopen te hijgen, maar daarboven is het inderdaad spectaculair. Ik vraag hem of hij de gronden via de landhervorming heeft verkregen. Hij reageert gepikeerd: niks gekregen, allemaal met eigen geld gekocht. Intussen tuurt Armando in de verte. Hij meent iets te herkennen: welke heuvel dat is, ginds aan de horizon? Don Wil kent ze allemaal bij naam en somt ze op. O, zegt Armando, achter die heuvel heb ik tijdens de oorlog gelegen. Wel, antwoordt Don Wil, ik lag daar aan de overkant. En ze lachen allebei. Plots heb ik het begrepen: die twee, die nu zo rustig naast elkaar staan, hebben daar toen op elkaar liggen schieten. Armando van het Sandinistische regeringsleger, en Ramón -beter bekend onder zijn oorlogsnaam Don Wilfredo- van de contras, de door de Verenigde Staten gefinancierde rebellen die bij voorkeur burgerdoelen in de fik staken om het regime te destabiliseren. Niet de eerste

Foto: Liesbet Walckiers

13 <

Don Armando (rechts) en Don Wil met zijn dochtertje.

Leren
Vlak na de revolutie, begin jaren tachtig, was alfabetisering één van de prioriteiten voor de nieuwe machthebbers. Naar het historische voorbeeld van het jonge Cuba destijds werden studenten uitgestuurd naar de verste uithoeken van het land om volwassenen van elke leeftijd te leren lezen. En waar het enigszins kon werden er schooltjes gebouwd om de kinderen tenminste basisonderwijs te bieden. Het aantal analfabeten was ten tijde van de Somoza-dictatuur één van de hoogste van het hele continent. Er was dus werk aan de winkel voor wie de achterstelling van het land wou aanpakken. Ik herinner mij de trots van oudere mensen die voor het eerst hun naam konden schrijven. Zoveel jaren later is er van de toenmalige inspanningen niet veel meer te merken. Het is bij die eerste inspanning gebleven en de kennis die er was is vaak verloren gegaan. Zowat één op vier Nicaraguanen is nog altijd analfabeet. Daarom is de regering een nieuwe alfabetiseringscampagne begonnen. De methode is ietwat gewijzigd, maar zoals de vorige komt ze uit Cuba. Ook nu levert dat land onderwijsmateriaal en gespecialiseerde instructeurs. De financiering komt uit Venezuela. Onderwijs blijft een zwak punt, vooral in de armere boerengemeenschappen. Soms omdat er te weinig scholen zijn, maar vooral omdat er nog heel wat kinderen niet naar school gaan. Ik herinner mij nog hoe jonge koffieboeren die ik enkele jaren geleden was tegengekomen mij vertelden hoe ze op school hadden afgehaakt de dag dat hun schoenen helemaal versleten waren. Want blootsvoets mocht je de school niet binnen, en voor nieuwe schoenen was er geen geld geweest. Erger nog werd het toen de rechtse president Alemán besliste dat schoolkinderen verplicht een uniform moesten dragen. Dat was helemaal onbetaalbaar voor vele mensen. Die beslissing is gelukkig ongedaan gemaakt door de huidige regering. De coöperatie Carlos Díaz op het eiland Ometepe, bestaat uit dynamische mensen. En toch gingen tot voor kort heel wat van hun kinderen niet naar school. Nu het verplichte uniform is afgeschaft is het aantal gestegen tot 95 procent. Kinderen helpen nog wel mee bij de koffiepluk, tijdens de vakantie. Maar ze blijven niet meer weg uit de klas. En ze kunnen daarna naar de middelbare school op het eiland. Voor wie geschikt wordt bevonden om daarna naar de universiteit te gaan, wordt het nog ingewikkelder, want dan moet je met de overzetboot naar het vasteland. En dat kost nog eens extra geld. Voor het hele land liggen de cijfers heel wat lager. Volgens het ministerie van onderwijs gaan bijna veertien procent van de kinderen niet naar school. En van elke honderd kinderen die dat wel doen, maken er maar veertig de school met succes af. Leren is nog altijd niet vanzelfsprekend in Nicaragua.

> 14

Foto: Liesbet Walckiers

de beste, die Wilfredo. Hij was brigadechef . Hij toont mij een prachtige struik in volle bloei, diep in de vallei. Daaronder, zegt hij, ligt een compañero van mij, ik heb hem eigenhandig begraven. Hier hadden ze zwaar geschut staan, zegt Armando, ’s nachts een oog dicht doen zat er voor ons niet in. Toen er een einde was gekomen aan de oorlog, na de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten, beslisten Don Wil en zijn vrouw na enige tijd vanuit Honduras terug te keren naar Nicaragua. Hij besteedde de opbrengst van zijn gevechtsjaren aan het opkopen van gronden . Eerst deden ze een poging in de veeteelt, het vak dat hij destijds van zijn vader had geleerd. Maar al snel gingen ze over op suikerriet. Tot voor kort nog met misprijzen bejegend, maar sinds de recente hype van biobrandstof weer een toekomstgewas. De Sandinisten hadden de macht afgegeven, maar in het bestuur van de gemeenten waren ze overal wel in min of meerder mate aanwezig. En iedereen daar in Ciudad Antigua wist wel wie hij was…Vroeg of laat maken ze me kapot, dacht hij en hij wachtte en wachtte, maar het kwam er niet van. Ook niet toen ze ook

op nationaal vlak weer aan de macht kwamen. Hij vormde een coöperatie samen met zijn buren, die ook suikerriet verbouwen. En we hebben maar één bekommernis, zegt Don Wil, ons land bewerken, ons bedrijf uitbreiden. Nog niet zo lang geleden, vertelt hij, ben ik voor de formaliteiten van een grondaankoop zelfs naar de administratie in Managua getrokken.Wie had gedacht dat ik ooit in zo’n Sandinistennest zou binnenstappen? Politiek, daar wil ik niets meer te maken hebben. Geen politiek woord in mijn mond, geen politieke zelfklever op mijn auto. Onze vroegere leiders, die hebben ons gewoon laten stikken. En de rechtse partijen, de tegenstanders van de Sandinisten, die doen gewoon of ze ons niet kennen, of wij nooit bestaan hebben. Armando staat erbij en luistert. Daarna spreken ze af hoe hij het verder aan boord moet leggen voor de ombouwing van de trapiche. Vervolgens verplaatst de aandacht zich naar een stevige maaltijd van rijst, bonen en bakbananen. En als ik ze tot slot samen op de foto wil, vinden ze dat de gewoonste zaak ter wereld.

“Plots heb ik het begrepen. Die twee die nu zo rustig naast elkaar staan, hebben toen in die heuvels op elkaar liggen schieten.”

“Ons” nieuw Amerika
De Verenigde Staten hebben voor een stuk hun greep op hun ‘achtertuin’ verloren. ALBA heeft vorm gegeven aan een eigen alternatief, en Hugo Chávez, president van Venezuela, is de stuwende kracht.
Boekenwinkels zoals de Librería Rigoberto López Pérez zijn er niet veel in Managua. Het is een beetje een vreemde eend in de bijt van het moderne winkelcentum. Kunstboeken, geschiedenis, essays, literatuur, je vindt het er allemaal. En helemaal achteraan in de smalle boekenkrocht zit de boekenhandelaar, de historicus Aldo Díaz Lacayo. Een grote, charmante en uitbundige grijsaard die me prompt een Duits standaardwerk over het Sandinisme in de handen duwt om mij het hoofdstuk te tonen dat hij erin heeft geschreven. Aan drempelvrees hoef je bij hem niet te lijden, glimachend en met grote gebaren begint hij dadelijk te vertellen. Díaz Lacayo is een man van de wereld. Je kunt er zo aan zien dat hij ten tijde van het Sandinistische bewind, in de tumultueuze jaren tachtig, ambassadeur is geweest. Overigens is hij nog altijd adviseur van president Ortega. De geknipte man om naar zijn visie te vragen over de plaats van het huidige Nicaragua in de wereld. Waarmee in de eerste plaats uiteraard bedoeld wordt: de relatie tussen Nicaragua en de vroegere aartsvijand, de Verenigde Staten. Het onderwerp is brandend actueel. Er waait een nieuwe wind door Latijns-Amerika. In diverse landen zijn –soms erg verschillende- figuren opgestaan tegen de dominante rol van Washington in het continent en voor een controle over de eigen bodemrijkdommen. De pogingen van achtereenvolgende Amerikaanse presidenten om één grote vrijhandelszone ‘van Alaska tot Vuurland’ op te richten, zijn mislukt. De Verenigde Staten hebben voor een stuk hun greep op hun ‘achtertuin’ verloren. En het verzet in een aantal landen van de regio heeft vorm gegeven aan een eigen alternatief. De stuwende kracht daartoe is momenteel Hugo Chávez (foto), van Venezuela. ALBA, zo heet het, staat voor Alternativa Bolivariana para los pueblos de nuestra América. Een mondvol, die verwijst naar Simón Bolívar, de Zuid-Amerikaanse vrijheidsheld uit de negentiende eeuw, die ijverde voor de eenheid van Latijns-Amerika. ‘Nuestra America’, ‘ons’ Amerika, zeg maar het continent zonder de Verenigde Staten. De alliantie omvat totnogtoe naast Venezuela, het Bolivia van Evo Morales, het Cuba van Raúl Castro en het Nicaragua van Daniel Ortega. En er wordt uitgekeken naar nieuwe leden. Rafaël Correa, van Ecuador, heeft ook interesse. De band tussen die landen is eenzelfde wil om af te stappen van de neoliberale politiek van de afgelopen tientallen jaren en te streven naar meer sociale rechtvaardigheid, de kloof tussen arm en rijk aan te pakken, die in LatijnsAmerika groter is dan waar ook. Concreet is een essentieel punt uit hun programma het verwerven van de controle over hun grondstoffen, bijvoorbeeld door gehele of gedeeltelijke nationalisatie. Zo willen Venezuela en Bolivia bijvoorbeeld eindelijk eerlijke prijzen voor hun olie, hun gas, hun ertsen, om daar sociale projecten mee te financieren. Deze samenwerking is natuurlijk een doorn in het oog van Washington: de oude boeman, Daniel Ortega, en de nieuwe, Hugo Chávez, slaan de handen in elkaar. Vóór de verkiezingen van 2006 hebben de Verenigde Staten nog al het mogelijke gedaan om de twee rechtse partijen in Nicaragua te overtuigen om samen te werken, zodat ze de Sandinisten van de macht zouden afhouden. Tot groot ongenoegen van Washington heeft het niet mogen zijn, de
This photograph was produced by Agência Brasil,

“De wereld is grondig aan het veranderen en wij hier staan op de drempel van een nieuwe toekomst”, zegt historicus en ex-ambassadeur Aldo Díaz Lacayo.
Nicaragua is niet rijk aan grondstoffen. Integendeel, het moet de dure olie invoeren. Daar speelt nu de solidariteit tussen de bondgenoten binnen ALBA. Van Venezuela krijgt het goedkope olie geleverd en in ruil daarvoor verkoopt het landbouwproducten. Zoals bijvoorbeeld zwarte bonen, een basisproduct waar momenteel een tekort aan is in Venezuela. Ook nog andere voedingsmiddelen, overigens. Hugo Chávez van zijn kant heeft dan weer het geld ter beschikking gesteld voor de bouw van een nieuwe olieraffinaderij ten westen van Managua.

interne tegenstellingen binnen het rechtse kamp waren te sterk. De grote vijand van jaren tachtig is weer aan de macht. Maar de koude oorlog ligt al enige tijd achter ons en er wordt een toontje lager gezongen, van beide kanten. Nu heet de vijand Hugo Chávez en hij is nog altijd –ondanks de wederzijdse scheldpartijen- de derde olieleverancier van de Verenigde Staten. ‘Het grote verschil met de jaren tachtig, zegt de historicus Aldo Díaz Lacayo, is dat we toen heel alleen stonden. Met uitzondering van Cuba konden we op geen enkele steun rekenen. Dat is nu anders, we zitten niet meer in een militaire confrontatie met de Verenigde Staten. We beleven nu een geopolitieke confrontatie, gebaseerd op revolutionaire ideeën. Dat is omdat er sinds enkele jaren een heel belangrijke evolutie aan de gang is in Latijns-Amerika, een streven naar een gezamenlijk politiek optreden. Elk land is bezig zijn identiteit, zijn onafhankelijkheid te herbevestigen. Belangrijk is dat dit gebeurt tegenover verzwakte Verenigde Staten. Vóór de jaren negentig zaten we

als het ware vastgeklonken in een bipolaire wereld, tussen twee grote rivaliserende ideologieën. Dat heeft plaatsgemaakt voor een unilaterale militaire macht. En vanaf dat ogenblik begonnen de Verenigde Staten aan macht in te boeten. Er kwam vanzelf van overal verzet tegen, want zo’n unipolaire macht betekent een ontkenning van de soevereiniteit van alle landen. Dat is overvloedig bewezen met hun optreden in het Midden Oosten. Het is de grote paradox: ze zijn de enig overgebleven supermacht en toch zijn ze heel wat van hun macht kwijt’. ‘Daartegenover zijn nieuwe allianties ontstaan, zoals ALBA bijvoorbeeld. ALBA is de kern van wat een grote regionale politieke eenheid zal worden, zegt Díaz Lacayo vol overtuiging, een regionale coördinatie. We zien daar al aanzetten toe. Zoals de aanloop naar een regionale ontwikkelingsbank, over de landsgrenzen heen. Of de inspanningen om de grote energiecrisis, en de crisis van het water, gezamenlijk op te lossen.’ -Is die eenheidsdroom wel realistisch? vraag ik. Al de landen van de regio hebben toch verschillende opvattingen, zien de toekomst niet op dezelfde manier… -Natuurlijk is dat zo. Zo is de Europese Unie toch ook begonnen. En er zijn toch nog altijd politieke verschillen tussen de Europese landen? Maar vergeet niet: ook Europa is ontstaan omwille van de energieproblematiek Dat ging toen over kolen en staal. En dat was duizend keer minder ingrijpend dan de olieproblematiek de dag van vandaag…En alles evolueert vandaag ontzettend veel sneller rond die olie dan rond kolen en staal in 1951. Een onverbiddelijke optimist, die Aldo Díaz Lacayo: ‘De wereld is grondig aan het veranderen en wij hier staan op de drempel van de nieuwe toekomst’ zegt hij enthousiast, terwijl hij mij tussen de stapels boeken naar de uitgang begeleidt. Ik wens het hem toe, uit de grond van mijn hart.

15 <

VREDESEILANDEN NIEUWS | TIJDSCHRIFT VAN DE VZW VREDESEILANDEN | VERSCHIJNT IN JANUARI-APRIL-JUNI-AUGUSTUS-OKTOBER | EDITIE JUNI 2008 | JAARGANG 28 NR 4 | AFGIFTEKANTOOR 8500 KORTRIJK 1-2E AFD | P108038 | VERANTWOORDELIJKE UITGEVER: JAN AERTSEN, BLIJDE INKOMSTSTRAAT 50, 3000 LEUVEN

hoofdkantooR VRedeseilanden | Blijde Inkomststraat 50, 3000 Leuven | tel. ++32(0)16/31 65 80 | fax ++32(0)16/31 65 81 | e-mail en website: info@vredeseilanden.be | www.vredeseilanden.be | RekeningnummeR: 000-0000052-52 | VRijwilligeRscoöRdinatoRen: Nationaal Verantwoordelijke vrijwilligers: An Bosmans | Kaulillerweg 147, 3950 Bocholt | Tel 089/77.49.33 | 0496/27.79.17 | an.bosmans@ vredeseilanden.be | Vrijwilligerscoördinator Regio Oost: Filip Cuypers | Elshage 10, 2850 Boom | tel: 03/844.97.32 | gsm: 0485/57.54.66 | filip. cuypers@vredeseilanden.be | Vrijwilligerscoördinator Regio West: Werner Musenbrock | Magerstraat 35, 9050 Gentbrugge | Tel: 09/232.32.49 | gsm: 0474/87.54.49 | Vrijwilligerscoördinator Regio Centraal: Arianne De Caluwe | BVA-wijk B71, 9240 Zele | 052/44.77.64 | 0478/26.42.12 | arianne.decaluwe@vredeseilanden.be | Vrijwilligerscoördinator regio Limburg: An Kindermans | Kampweg 48, 3582 Beringen | Tel 0494268765 | an.kindermans@vredeseilanden.be | Voor leerkrachten en scholen: Bert Wallyn | 016/31.65.80 | bert.wallyn@vredeseilanden.be | teksten: Liesbet Walckiers | tekstcoRRectie: Jelle Goossens | hoofdRedactie: Nele Claeys lay-out: theparkinglot.com | PaPieR: Dit magazine wordt gedrukt op gerecycleerd papier

BELGIE/BELGIqUE PB/PP BC 6712

“Het is mijn droom om aan duizenden vrouwen te tonen dat verandering mogelijk is. Dat we geliefd kunnen worden zoals we werkelijk zijn. Dat we lief kunnen hebben en genieten zonder ons schuldig te voelen. Dat we kunnen zeggen wat we denken, zonder schrik om slaag te krijgen. Dat we kunnen studeren en kansen krijgen om ons als persoon te ontwikkelen. Dat we kunnen gaan werken, zonder nagewezen te worden als een slechte moeder. Dat we niet de onderdanige rol moeten spelen die ons van kindsbeen af wordt ingeprent.” “Het is mijn droom dat mijn dochtertje van 2 jaar een betere wereld zal kennen. Een wereld waar ze haar stem kan laten horen zonder als gestoord of ongehoorzaam bestempeld te worden. Een wereld waarin ze zelf kan beslissen of ze kinderen wil en hoeveel kinderen ze wil.” “Ik hoop dat mijn zoontje een ‘normale’ man wordt. Een man die zich niet superieur voelt ten opzichte van anderen. Die zijn verantwoordelijkheid als vader op zich neemt, niet alleen als kostwinner. Een man die zijn vrouw respecteert en die zijn liefde deelt met haar en zijn gezin. Een man die luiers ververst …” “Ik droom van een wereld waarin mannen en vrouwen elkaar beschouwen als gelijkwaardige menselijke wezens met eigen verantwoordelijkheden en capaciteiten. Met wederzijds respect en vertrouwen.”
Bovenstaande getuigenis komt uit de 3de editie van de wedstrijd Voces, Imágenes y Testimonios. De wedstrijd, die deze keer werd georganiseerd in Costa Rica en Nicaragua, geeft vrouwen de kans om, al dan niet anoniem, hun verhaal te vertellen. Sommige van de verhalen en foto's worden gebundeld in een boek en op de radio voorgelezen. Zo hopen de organisatoren bij te dragen tot een mentaliteitswijziging in Midden-Amerika die vrouwen meer kansen geeft.

In onze Senegal Reporter van november 2007 stond een kleine wedstrijd. De winnaar is Luk De Becker uit Leuven.
191 landen ondertekenden een akkoord om tegen 2015 de armoede in de wereld te halveren. Voer samen met de Vlaamse Noord-Zuidbeweging actie om de politici aan hun belofte te herinneren én de lat hoger te leggen. www.detijdloopt.be Armoede moet de wereld uit!