You are on page 1of 29

Loukie’s

Kunsten
A D W. M . T E U L I N G S
Bij deze uitgave

© Ad Teulings Boekuitgaven, Leiden
Contact:
\aaocons@hotmail.com
\www.3merlets.com
\www.facebook.com/ad.teulings
i
Recitatie

Il est temps de proclamer vaine toute oeuvre qui laisse son au-
teur intact, et le lecteur à son confort. Vaine et mauvaise toute
oeuvre qui ne te saisit pas comme avec une main, qui ne te
pousse pas hors de toi-même, dans le scandale ou dans la joie de
ta vocation créatrice.

Guy de Maupassant, Penser avec les mains, 1938

ii
HOOFDSTUK 1

De Zevende Dag

Mijn werkkamer is naast die van Loukie. Ik doe mijn Mac, zij
schildert. Zo zijn onze manieren. Af en toe loop ik over. Haar
royale werktafel is te klein om zicht te geven op al het werk in uit-
voering. Ze werkt in vierkwartsmaat. Meestal op papier.

3
Boven op ladekasten stapelen de vierkanten zich op tot kleine kas-
teeltorens. Dat werk draagt het stempel af.
Vierkanten, lange tijd Unvollendete vierkanten hangen ver-
spreid over de kamermuren. Daar moet elke dag even keurend
naar gekeken worden.
Maar veel werk ligt nog - als in barensnood - hulpbehoevend
op de grond. Gegroepeerd in carré’s. Vier bij vier, zes bij zes.
Hun plaats in de groep is voorbestemd. Maar wat die bestem-
ming is moet nog blijken. Het vereist nader onderzoek. By trial
and error. Eén verplaatsing, en alles komt in beweging. Een dyna-
misch evenwicht. Kijken en nog eens kijken. Tot het moment van
de waarheid. Een ontluikende compositie. Muziek! Openbaring.
Maar wat is het dat hier geopenbaard wordt? Is dat een
nieuw zicht op de buitenwereld? Een doorbraak van het ver-
stand? Of komt het uit die duistere binnenwereld, ontsnappend
via de beknelde zuurstof die zich vanuit de onderbuik een weg
baant naar de oppervlakte?
Beroep op het verstand blijkt al gauw een misverstand. Er
valt geen vooropgestelde logische of conceptuele orde te ontdek-
ken. Ook niet achteraf. En wat uit de onderbuik komt, dat blijft
toch een troebele zaak.
Wat overblijft is een gevoel dat er tussen die beeldelementen
weliswaar Geheimenisvolle relaties bestaan, maar dat die erkenning
niet tot de de behoefte moet leiden om die ook bloot te leggen.

4
Het geheim is een onlosmakelijk deel van de volle waarheid.
We zijn niet op expeditie met de vraag of er op Mars ook leven
bestaat, leven zoals wij dat kennen.
Ik vind het wel aardig, zelfs gepast om al dit gedoe een onder-
zoek naar de ziel van een schepping te noemen. Wat, terzijde,
heel iets anders is dan de ziel van de maker. En zeker iets anders
dan de ziel van de kijker.
Het brengt mij, in dit jubeljaar, bij de complexe beeldcompo-
sities van Hieronymus Bosch. Met al die zielen zoals mensen in
de Middeleeuwen zich die voorstelden. Een wereld zonder dode
zielen. Alleen maar dolende zielen, voorgoed gescheiden van de
gestorvenen, die als vage flarden en nevels uit hun graf opstijgen.
Zwervend tussen hemel en aarde, een voorgeborchte, in af-
wachting van hun verlossing, en een toegang aan de hemelpoort.
Dat kan mensenlevens duren. Tot het moment daar is nestelen zij
zich, en passant, in de gedachten van de levenden, in hun daden,
hun hechtingen.
Flarden en nevels, die vinden we in dit werk van Loekie te
over. Maar, ik wil daarover geen misverstand, zij hebben zich ook
genesteld in haar obscure kunstwerken. We kunnen als kijker die
beelden alleen in ons opnemen als we de mogelijkheid van een
zielsverhuizing op de koop toe nemen.

5
Los van dit alles zijn daar die merkwaardige miniaturen zelf.
Ook te bezien in onbevangenheid. Elk voor zich het bekijken
waard.
Museumonderzoek toont altijd weer aan, dat een bezoeker
niet langer dan een halve minuut naar een kunstwerk kijkt. Of
het nu om een Rembrandt gaat of een Mark Rothko. En, dit ter-
zijde, daarna minimaal een half uur doorbrengt in het restau-
rant, met koffie en Bossche bol.
Ik ga het werk van Loukie niet inhoudelijk duiden. Ik heb tot
dusver ook angstvallig vermeden haar daarnaar te vragen.
Het is prachtig om naar te kijken. Mooi ook in penvoering, in
handschrift, in vormenrijkdom, in uitdrukkingskracht. Een span-
nend schouwspel, waarom zou ik daar verder nog woorden aan
toevoegen?
En in deze alinea ligt zo ongeveer alles besloten wat er over dit
werkstuk, en over elk ander werkstuk dat hier hangt gezegd moet
worden. Als ik verstandig was zou ik op dit punt gekomen moe-
ten besluiten met: Loukie Fecit. En: ik heb gezegd. Of, als Face-
bookers onder elkaar: Thumps Up.
Ik ben onverstandig. Het werk van Loukie roept veel bijgedach-
ten op en een paar daarvan kan ik aan U voorleggen. Ik ben dol
op bijgedachten, en, eerlijk is eerlijk, zeker op die van mijzelf.
Want, zo luidt mijn wereldfilosofie, alles hangt met alles samen.

6
Een goede, en minder egocentrische reden is ook, dat het werk
van Loukie daar heel duidelijk om vraagt. Het is stap voor stap
ontstaan, of meer nog, zoals bedevaartgangers dat plegen te
doen, twee stappen voorwaarts, een stap achterwaarts. Een oerou-
de beweging. De hersenen herkennen dat. Het leidt tot meditatie.
Haar werkwijze vraagt tijd. Aandacht. Stilstaan en kijken wat
er uit je handen is gekomen. Kijken is een vorm van luisteren.
Kijken is zeker ook de snelheid van denken en handelen ver-
tragen. De kunst van Slow Cooking.
Als ik die werkruimte van Loukie weer eens even binnenloop,
lijkt het alsof daar de tijd heeft stilgestaan. Ik zie wel dat er din-
gen zijn veranderd. Maar ik weet niet wat. En zeker niet: Is er al
iets volbracht, of is het proces nog volop gaande?
Zijzelf, als slow motion performer, staat elke dag weer zich die
vraag. Waar sta ik, waar ben ik? Klaar?
God de grote schepper had minder geduld. Al op de zevende
dag zag Hij dat het goed was. Niet af misschien, maar goed ge-
noeg. Loukie, toch ook niet de minste, heeft daarvoor toch echt
een aantal weken nodig.
Dat stelt gerust. Want sinds God uit Jorwerd verdween zijn
wij van kunstenmakers als Loukie afhankelijk om die schuwe
vreemdelingen, in flarden en nevelen gehuld, al is het maar voor
een paar nachten, in ons midden te kunnen opnemen.

7
HOOFDSTUK 2

Stella’s verfblik

Eén dag in de week komt kleindochter Stella op bezoek. Een
belangrijk deel daarvan wordt doorgebracht in het atelier van
Loukie. Stella schildert. Aan de werktafel staat zij, kaarsrecht, een
blikken verfdoos, een kwast, een vel papier. Intense, pigment-rijke
kleuren. Schildert zij? Het is beter om te bezien wat zij doet. De

8
kwast gaat in het water, dan stevig in een rond kleurpotje rondge-
draaid. Beladen met kleur gaat de kwast naar het blanke papier.
Een kleurvak, over een fors deel van de pagina. Een soort van
vierkant. De kwast gaat terug in het water en moet schoon. Dat
heeft ze geleerd.
Een tweede kleur verhuist van potje naar papier. Een vlak er-
naast wordt aangepakt. Geen vermenging van kleuren. Niet in de
doos, niet op papier. Er is nog wat ruimte voor een derde kleur.
Klaar! Dan volgt soms zwart, een laatste ronde. Zwart is van een
andere orde. De kwast wordt een pen. Er komen krassen, iets wat
misschien op letters lijkt, of wielen, of ramen. Zwart legt een lees-
bare laag over het schilderwerk. Een hiëroglief, een Runenteken,
het begin van een Chinees karakter. Kortom, een literaire toevoe-
ging. Zij zou misschien iets wat lijkt op haar naam kunnen schrij-
ven. Maar die verbinding is nog niet gelegd. Helemaal klaar!
Soms zijn we zo dom om haar te vragen: “Wat is dat Stella”.
Dan kijkt ze opnieuw naar haar werkstuk. Met andere ogen. Wat
is dat? Puttend uit een rijke fantasie volgt een uitleg. Uit het niets.
Het is aanleiding om de kwast opnieuw in het verfblik te dopen.
Er volgt een toevoeging, een laag die aan haar laatste woorden
kracht moet bijzetten. Beeld en taal weten elkaar even te vinden.
Taal heeft het laatste woord. Niet als communicatiemiddel. Al-
leen verstaanbaar voor wie erbij was toen het werd geschreven.
Klaar!

9
Heeft Stella geschilderd? Gegeven dit:
(a) er was geen plan, geen ontwerp, geen doel.
(b) Er ontstaat geen afbeelding van een waarneembare werkelijk-
heid, een buitenwereld - of je zou moeten zweren dat de verf-
doos zelf haar voorbeeld is geweest.
(c) Er is geen uitbeelding van een innerlijke belevingswereld, een
externalisatie, een projectie, een diepere betekenis.
(d) Er is misschien iets van schrift ontwikkeld, maar geen hand-
schrift. De kwast is alleen transportmiddel, geen instrument
waarmee ook een weelde aan uitdrukkingsmogelijkheden
wordt toegevoegd.
Een portret van de hand van Rembrandt, die zet geen
lijnen zoals de cartograaf zijn hoogtelijnen. Al ken ik veel
kunstenaars die hun portretten zo in kaart brengen. Herken-
baar dat wel. Je kunt er mee uit de voeten. Maar dat onge-
evenaarde handschrift van Rembrandt, dat reikt verder, daar
in ligt het wezen van zijn portretkunst, daar kun je je in ver-
liezen.
(e) Er is bij Stella al wel dat post-production process ontwikkeld,
dat intrinsiek deel uit maakt van wat wij schilderen noemen.
Als ik weer achter mijn Mac zit komt Stella binnen. “Opa
kijk eens wat ik gemaakt heb!” Zo is dat.

10
Zonder expositie geen kunst. Stella laat zien wat zij gemaakt
heeft. Hier wordt een identiteit gevormd. Dit ben ik:
Stella. Homo faber. Wie niet maakt, die niet wint.
(f) “Heb jij dat gemaakt? Wat mooi Stella!”. Even later komt
ze terug: “Hij is voor jou Opa!”. Een schenking is een eigen-
domsoverdracht. Kunst is nu property. Einde van de rit. Ver-
vreemding. Ook als er niet van een geldtransactie sprake is.
Liefde is ook goud waard, misschien klatergoud, maar toch.
Als geld, aan inflatie onderhevig.

11
HOOFDSTUK 3

Verloren onschuld

Loukie’s werk stelt mij opnieuw voor die vraag. Zij schildert.
Maar dat zegt niets. Wat doet zij? What does a manager do when he
manages? Dat was ooit, lang geleden, de vraag waarmee ik het eer-
ste college van een nieuw studiejaar begon. Gedragswetenschap-
pen. 12
Gedragsobservatie is lange tijd deel van mijn onderzoekers-
opleiding. Bij het Instituut voor Preventieve Geneeskunde zit ik
een paar jaar wekelijks achter een black screen op kamerformaat.
Aan de andere kant bevindt zich een clubje mensen in observa-
tie. Een directie. Een redactie. Een actiegroep. Een kamercom-
missie. Loslopende kunstenaars die iets samen willen.
Group Dynamics. Een one way screen. Actoren. Van hun kant zien
zij alleen een grote spiegel. Aan mijn kant staat het geluid uit. Ik
dicteer op mijn bandrecorder wat ik zie gebeuren. Er is een came-
ra die registreert, maar dat levert veel onbetrouwbare informatie
op. Net zoals foto’s.
Waarneming van gedrag, dat is mensenwerk. Non-verbaal. Li-
chaamstaal. Gezichtsexpressie. Die ene wenkbrauw, dat toegekne-
pen oog. De hand die omhoog gaat maar weer langzaam terug-
zakt. Scheef zitten. Wegkijken. Blikken wisselen. Na een half jaar
screening hoef je niet meer te weten welke woorden er gesproken
zijn. De beelden spreken voor zich. Taal? Taal leidt vaak af. Mis-
baar misbaar.
Misbaar. Daar lijkt het de betrokkenen ook vaak ook om te
gaan. Onrust in het kippenhok. Bij wijze van spreken dan.
Mijn observaties van Loukie als kunstenaar aan het werk.
Vanuit mijn tegenwoordige dark room. Als je mijn binnenwande-
len in haar kamer, misschien twee keer per week, zo mag benoe-
men. Haar schilderproces heeft een traag verloop, de frequentie
van mijn observaties is daarmee in overeenstemming.
13

Loukie, aan de werktafel. Voor haar een leeg vel papier. Een
vierkant, quarto, want, denk ik, een vierkant is niet dwingend,
daar kun je nog alle kanten mee op.
Het blijft nog lang leeg. Er wordt iets van inkt opgebracht,
kwaststreken, vormloze vormen. Tweede laag. Een prop keuken-
papier dient als stempel, wazige, rafelige afgietsels, structurerend
maar opnieuw, niet dwingend. En daaruit beginnen zich lang-
zaam figuren af te scheiden die een menselijke gedaante aanne-
men. De derde laag.
Ook dat zal worden overwoekerd. Er is een begin van popula-
tie die weer snel wordt uiteengerafeld. Lichaamsdelen die niet
meer op elkaar aansluiten, elkaar tegenspreken. Een onwerkelijk-
heid.
Geladenheid naast gelatenheid. Gebaren die nog niet zijn ge-
maakt. In de dagen of weken die volgen, maar vooral de nach-
ten, wordt iets in scène gezet. Een verwachting opgeroepen dat er
iets staat te gebeuren. Onheil of ontknoping. De vierde laag.
Het lijkt alsof dit ambiva-
lente beeld in de slaap als een
film noir werd opgenomen en ten-
slotte tot deze scène heeft geleid.
Een drama. In de still van Lou-
kie staat die roze dame weer cen-

14
traal. Open en bloot. Hoofd achterover. Zij is met haar hoofd er-
gens anders. Twee gekluisterde heren. Woede links, Wraak
rechts: de hoed of de laars, daar ligt zijn keus. Vertrekken of ver-
trappen. De roze dame onttrekt zich.
Een verdeling van het kwadrant in een kopgedeelte en een
buikgedeelte. Bij uitstek een beeldvorm uit de film noir. Voor-
waar ook een scène met een psychoanalytische oorsprong. Idio-
syncratisch, uit de buik van de maker, en tegelijk Universeel, wie
heeft hier niet ooit van wakker gelegen?
Maar toch, een achteloze toevalstreffer. Een nacht en een droom
verder, en het had anders uitgepakt. In deze wereld van drie-
hoeksverhoudingen ligt nog veel meer verstoft en verstopt drama
klaar. Gewoon, alledaags, ordinair drama, niet het grote verdriet
van kindjes in het ziekenhuis of een vereenzaamd grootje. Dat is
in een halve minuut te overzien.
Maar deze scène, daar sta je even bij stil. Wat staat hier nog meer
te gebeuren? Er dolen geesten in deze ruimte. Goede of boze?
Maar dit beeld is nu eenmaal op een of andere manier boven-
gekomen. Is er een dag eerder iets gebeurd dat hiertoe leidt? Dat
is de ideosyncratische interpretatie.
Maar het is denk ik dubbelzinniger. Hier is iemand aan de
slag die op dit terrein van wanten weet. Die besloten heeft aan de-
ze laag-bij-de-grondse belevingen een hoofdrol te geven in haar
schilderwerk.

15
Die geleerd en ervaren heeft dat het volle bewustzijn in onze
zolderkamer niet te vertrouwen is en zeker niet zomaar te gelo-
ven. Die uitziet naar de nacht, om dan als een dief af te dalen in
de krochten van het onderbewuste, dat zich ergens ophoudt ter
hoogte van de onderbuik. There’s always trouble inside.
Loukie werd ooit, als client maar ook therapeut, vertrouwd
met deze onderwereld.
Maar zo’n beeld als dat hiernaast. Is dat haar onderbuik? Of
een collage van de wereld die zij is tegengekomen bij haar voor-
malige cliënten?
Of, nog omvattender, een kijkje in het wereldbeeld zoals dat
in de denkwereld van psychotherapeuten opgeld doet. Is dit niet
gewoon een film noir van de psychoanalyse, het product van een
specifieke beroepsopleiding, éen van de modieuze stromingen uit
de jaren zestig?
De psychoanalyse zelf heeft daarop een antwoord paraat: het
is van alledrie wat. Zelfs een therapeut die therapeutiseert kan
zich niet losmaken van zijn eigen onderbuikgevoelens. En dus
ook de schilder niet die iets van deze woelige wereld tentoon
spreidt.

16
HOOFDSTUK 4

Psychoanalytische
werkelijkheid

Ook met deze bedscène is ongetwijfeld een stukje binnenwe-
reld, een beeld uit het onderbewuste boven gekomen. Weggezon-
ken en weer opgehaald. Verwijzing naar een verdronken, moge-
17
lijk zelfs verdrongen buitengebeuren. Het is dan een herinnering,
getourmenteerd misschien, maar toch, de psychoanalyse wil daar-
over geen enkel misverstand laten bestaan, een verwijzing naar
een gebeurtenis in de werkelijkheid waarbij ook andere actoren
waren betrokken. Maar die zich niet noodzakelijk in deze vorm
heeft voltrokken.
Gelukkig voor mij speelt veel van Loukie’s psychoanalytische
periode zich af voor mijn tijd. Ik heb het mij natuurlijk afge-
vraagd, maar besluit mijzelf in dit drama geen plaats toe te ken-
nen. Al zou mij dat misschien niet misstaan.
Maar zeker, voor elke liefhebber van oude Franse zwart-wit
films is deze scène maar al te herkenbaar. Maar het roept bij mij
toch weer vragen op, laten we zeggen, dat schept weer wat af-
stand, kennistheoretische vragen.
We zien in de eerste plaats weer een werkwijze, die slow cooking
methodiek om een onderste steen boven te halen, die ik hiervoor
al heb aangeduid.
Samengevat. In den beginne is er de steen, een massaal grijs
rotsblok. De grauwheid van het bestaan. Onder de randen krui-
pen menselijke gedaanten tevoorschijn, als ware het ongedierte.
Er verschijn een rozig vrouwtje en een opgewonden mannetje.
Achter diens rug verstopt ligt nog iets van een ander vrouwtje, zij
is gekleineerd, wat duidelijk maakt dat hier van overspel sprake
is.

18
Het parmantige hondje. Hij keert dit alles de rug toe, ogen
dicht, neus in de lucht, zijn eer te na, een figurant die ook in enke-
le andere scènes terugkeert. Een alter ego? Vanwege een herhaald
optreden in andere beelden van Loukie kan ook de betekenis van
dit honds gedrag worden begrepen. Aan hem wordt de liefde en
trouw onthouden waarop hij recht meende te hebben.
Eigenlijk beginnen alle figuraties een iconisch gehalte te krij-
gen. Zoals ook Het rozige vrouwtje.
Group Dynamics. We zijn nog niet rond. Aan het voeteneind
duikt weer het echt bozig type op. Woede. Een gezicht zo donker
als die grauwe aardkluit. Hij is sowieso aan het oog van de over-
speligen onttrokken, en maakt nu definitief rechtsomkeert. Ik
denk voor altijd. Rauwheid en gekwetstheid. Alles in een klap.
De roze dame, met die brede over-sensuele lippen die ons aan
aan nog iets anders doen denken - zo zit de wereld van de psycho-
analyse nu eenmaal in elkaar - zij is het die toeschouwer recht in
de ogen ziet. Betrapt. Voorziet commentaar van de buitenwacht.
Maar Truus, wat doe je nou? Zoals ook de boze man rechtsonder
de sufferd die zich buiten spel plaatst. Hij kijkt niet om, maar
neemt de reactie van het publiek in zich op. Ook niet mals. Die
twee, Truus en haar sufferd, zo moeten we vaststellen, horen bij
elkaar zoals zonde bij straf.
De roze dame komen we in deze serie vaker tegen. Het blijkt
de hoofdpersoon in een feuilleton. Een strip. Haar rozigheid door-
breekt de allesoverheersende grauwheid van een dode steen.
19
Mijn evocatie - een oefening in de vrije slag - kost weinig moei-
te. Ik kan er mee werken. Maar het laat toch nog open welke wer-
kelijkheid hier tenslotte zichtbaar gemaakt wordt.
Rembrandt geeft een van zijn talrijke zelfportretten de titel mee:
Zelfportret als Zeuxis. We zien daarop een oude Rembrandt, de
fleur is eraf. Hij heeft al een aantal aandoeningen achter de rug
die zijn ogen deden verwateren, zijn neus verstompen, zijn huid-
plooien verslappen. Hij kijkt in de spiegel.
Dit is niet meer iemand die zegt: Hé, kijk mij! Hier ben ik!
Maar eerder een: Heer, hier ben ik. Er zijn dagen waarop ik mij-
zelf zo in de spiegel tegenkom.
Zeuxis is een beroemde Griekse schilder uit de vijfde eeuw, be-
faamd om zijn voor die tijd ongekend realisme. Maar dat hield
ook in dat hij verplicht was de werkelijkheid, ook de ouderdom,
het verval, te schilderen in al zijn lelijkheid, kleinzieligheid en on-
smakelijkheid. Mooi is anders. Zoiets wil je niet aan je muur heb-
ben hangen. Zeker niet in de voorkamer.
Burckhardt Söll bracht mij in contact met Zeuxis, over wie hij
via Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering meer te weten was
gekomen. Beeldinterpretaties hebben altijd hun voetsporen.
De psychoanalytische therapie gaat een stap verder. Jeugd en
overmoed vormen geen vrijbrief. Van een client wordt gevraagd
om de confrontatie aan te gaan met alles wat hij als laf, lelijk en
smerig tegenkomt in zichzelf. Waardoor je dat verholen duistere

20
deel misschien weer kunt verbinden met dat andere publieke deel
dat je aan de buitenwacht hebt voorgespiegeld. Helen. Een
Joods-Roomse bezweringsformule eigenlijk.
Wat door een therapeut uit de onderbuik kan worden opgevist
zijn geen teksten of discussies, maar beelden en scènes. Beeld-
kunst. De esthetiek van de menselijke wreedheid zoals Herman
Nitsch opmerkt.
Dat is geen eenvoudige taak. Hij moet uit de beschaafde woor-
den van een client diens rauwe beelden reconstrueren. Dat lukt
nooit helemaal. Alleen stukje bij beetje. Slow cooking, opnieuw.
Als de client die moed opbrengt en vertrouwd raakt met de psy-
choanalytische beeldtaal kan hij op eigen kracht verder. Na een
jaar of vijf is die acculturatie meestal bereikt. Kind aan huis. Dat
is mogelijk het moment waarop deze lange sessie als een succes-
volle exercitie kan worden beëindigd.
Maar, is dan ook de volle en complete werkelijkheid aan het
licht gebracht? Geheeld? Allerminst denk ik. Acculturatie, zeker.
Die toe-eigening van een psychoanalytische denkwijze, een we-
reldbeeld, voegt een gereedschap toe om met een werkelijkheid
sui generis om te gaan en daarbinnen een redelijk, menswaardig le-
ven te leiden. Maar het blijft de productie van een intersubjectie-
ve nieuwe werkelijkheid. Via Loekies afreizen naar de onderbuik
krijgen we in elk geval prachtige beelden in de spannende stijl
waarop psychoanalytici naar onze wat grauwe wereld kijken.

21
HOOFDSTUK 5

Ups and Downs

Het is het jaar van Jeroen Bosch. Hij overleed in 1516, en we
herdenken dit als ware het zijn geboortejaar. Hij werd 65 jaar, en
hij bevolkte de wereld met monsters, gedrochten, mismaakten,
waanzinnigen, duivels, deugnieten. Zij houden zich op in de

22
ruimte tussen hemel en aarde, het gebied waar zich toen ook het
voorgeborchte bevindt, de bewaarplaats voor de zielen van alle
zondaars - en wie is er nu zonder zonde? Wel te verstaan, al die
uiteindelijk heelbare mensen, aan wie het bij leven niet gelukt is
om die heling tot stand te brengen. Nu kan dat met wat hulp van
met bewaarengel, persoonlijke bemiddelaar en gezant bij de Al-
lerhoogste. Deep down is er dan voor de onverbeterlijken ook nog
een vagevuur en een hel, strafruimten voor hen die moeten bran-
den, tijdelijk, of voor eeuwig verdoemd.
De bouw van Sint Jans Kathedraal heeft rond 1480 het punt
bereikt waarop de 16 luchtbogen kunnen worden aangebracht
die de ijle hoge constructie voor instorten moet behoeden. Dat is
het werk de Vlaamse bouwmeester Allart Duhamel, zo ongeveer de
buurman van Hieronymus Bosch, en diens beeldhouwer Heijm,
Hieronymus’ zwager. Beiden ook naaste verwanten van mijn
voorouders. Zij vormen een gezworen driemanschap en zijn goe-
de vrienden. Zij zijn het die de kathedrale luchtbogen doen bevol-
ken met monsters, gedrochten, boze geesten en waanzinnigen.
Wie van hen de aanstichter was voor deze scheppingen weet ik
niet, maar zij konden voortborduren op een al bestaande Zuid-
Nederlandse traditie
In 1480 zijn we nog volop in een tijdsgewricht dat later tot de
donkere Middeleeuwen wordt gerekend, een tijd waarin geen on-
derscheid te maken viel tussen geloof en bijgeloof, tussen natuur-
lijk, onnatuurlijk en bovennatuurlijk. Uiteindelijk, tussen de goe-

23
den en de kwaden. De mens is geneigd tot alle kwaad en vol zorg-
wekkende gedachten. Zozeer zelfs, dat vergeving een essentiële le-
vensvoorwaarde is. Zonder barmhartigheid en vergeving is het al
op deze wereld een hel. Er is ook geen strikte scheiding tussen le-
ven en dood. Er zijn geen dode zielen. Zij bevinden zich niet in
een totaal andere wereld. Zij maken deel uit van het bestaan.
Zwermen om ons heen in de meest vreemde gedaanten. Zij ont-
beren de volmaaktheid der hemelen. En zo krijgen zij hun plekje
op de 16 luchtbogen van de Sint Jan. Zesennegentig bizarre
schepselen. Hoog boven alles uit.
Er zijn maar enkele tijdgenoten die deze wereldvreemde, Un-
heimische types onder ogen krijgen. Maar er wordt vaak over ge-
sproken. Iedereen weet dat ze er zijn. Zijn ze wel uit steen gehou-
wen of zijn ze echt? Komen zij tot leven als de duisternis valt?
Op bezoek in onze slaap?
Een van de diepe teleurstellingen in mijn jonge jaren is het mo-
ment waarop ik met mijn vader de talloze trappen en nauwe
doorgangen van een Sint Jan heb bestegen, op weg naar de con-
frontatie met deze monsters en gedrochten. In jaren vijftig is er
nog geen lift. De toren is ook niet publiek toegankelijk.
Mijn vader weet raad. Toont zijn versleten Perskaart van de
Provinciale Brabantse Courant, en verricht zo wonderen. Ergens in de
crisisjaren was hij als werkloos ingenieur, de ingenieur op de tram,
twee jaar werkzaam als stadsverslaggever. In tijdelijke dienst, dus

24
ik kan zijn verhalen niet terugvinden. Maar clandestien gaat de
Perskaart nog vele jaren mee. We kunnen opstijgen.
Boven zien we uit op de helft van de 96 figuren die de luchtbo-
gen bevolken. Mijn vader maakt een foto, Agfa camera, met
blaasbalg, op statief. Maar wat hier in feite wordt vastgelegd is
hoe de Reformatie heeft huisgehouden nadat deze kathedraal
rond 1620 werd onteigend.
Voor de beeldenstormers is het bogenspel buiten vizier. In de
eeuwen daarna is hier geen enkel onderhoud verricht. Beelden?
Nee dat bleef ook na die Reformatie een brug te ver. En zeker
zulke godslasterlijke en liederlijke beelden, die
verdienden geen beter lot dan onopgemerkt
door de tijd zelf te worden verkruimeld.
Pas in de 19e eeuw, de Sint Jan nog steeds on-
der beheer van de gereformeerden, vindt een
restauratie plaats. Dat neemt de vorm aan van
een radicale vervalsing van de geschiedenis.
Rauwe Roomse heilsgeschiedenis omgeschoold tot kinderlijk bij-
geloof.
Kneuterige tuinkabouters met verwijfde gezichtjes, een een
braaf boezeroentje aan, soms uitgerust met een banjo of doedel-
zak, de plaats in van de gedrochten, monsters, mismaakten, en
piemelmannetjes die geschiedenis maakten in de tijd van Jeroen
Bosch en bouwmeester Allart Duhamel. De angels zijn eruit. De

25
burger kan weer rustig slapen. Een geseculariseerde psychoanaly-
se staat op om hem daarbij te helpen.
Er zijn daarboven op die hemelbogen nog een paar beschutte
uithoeken waar de monsters van die oude wereld het hebben uit-
gehouden. De Aboriginals. Het contrast kan niet groter zijn.
Misschien was het de teleurstelling van mijn vader die bij mij
is blijven hangen. Misschien verklaart dat ook het genoegen waar-
mee ik naar die onderbuikbeelden van Loukie kijk.

Naar zijn inhoud zijn hiernaast moeiteloos in te passen in een
van de drieluiken van Jeroen Bosch.
Bosch brengt de zeven hoofdzonden in beeld. Wat we hier-
naast van Loukie zien is Woede, wraak en agressie; tegenover,
zou ik zeggen, Onkuisheid en wellust. Maar er zijn ook sporen
van ander verontrustende gedragingen en emoties.
Maar haar beelden zijn niet ontstaan als citaten uit het werk
van Bosch. Het spoort met de beeldtaal van de psychoanalyse.
De Zeven hoofdzonden van Jeroen Bosch en
veel andere van zijn spraakmakende wer-
ken hebben ondanks de Reformatie het le-
ven gered, voor een belangrijk deel omdat
zij door de Spanjaarden en andere groot-
stedelijke buitenlanders werden aange-
kocht en mee naar huis genomen.
26
Zoals de Tuin der Lusten waar zo’n honderd stellen bloteriken te
paard of op meer bizarre viervoeters rondjes maken in hun para-
dijs. Het schilderstuk wordt tot op heden door Spaanse hovelin-
gen geëerd als de ultieme ode aan de herenliefde. Daar wist men in
het katholieke Spanje altijd al raad mee.
De Zeven Hoofdzonden zijn in vergetelheid geraakt. Daarvoor
hebben we de Zeven Depressies teruggekregen van de psychoana-
lytische therapie. Hanteerbaar en oplosbaar gemaakt en niet
meer zo mateloos verontrustend.
In de prenten van Loukie zie ik de gewelddadigheid, kwaadaar-
digheid, en monsterlijkheid van het menselijk handelen terug
waarvoor ook Jeroen Bosch onbeschroomd tekende. En bij bei-
den tref ik een humoristische ondertoon, de slinkse handomdraai
van een Sukke-en-Wikke, de relativering, die je doet glimlachen of
misschien zelfs schateren over al dat menselijk drama, dat mense-
lijk tekort, die Commedia dell’Arte. Als het nog eens tot een uitvoe-
ring komt, heb ik een titel bij de hand. “Avonturen van vrouwtje
Rozebuik.”

27
Naamloos

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusm
incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim venia
trud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo conse

Gekoppelde termen in woordenlijst
Sleep verwante termen hierheen

Index Zoek term