Voor een dubbeltje op de eerste rang 7

Wij zijn een volk van kooplieden en koopjesjagers en dat heeft diepe sporen nagelaten in onze taal. In Voor een dubbeltje op de eerste rang zijn - voor het eerst - vrijwel alle spreekwoorden en zegswijzen met Nederlands geld bij elkaar gezet. Het gaat om ruim dertienhonderd bekende en minder bekende uitdrukkingen uit de afgelopen zeshonderd jaar. De zegswijzen zijn verdeeld over vijfenveertig rubrieken. Zo staan de uitdrukkingen die met armoede, rijkdom of gierigheid te maken hebben overzichtelijk bij elkaar, net als de spreuken met cent, daalder, dubbeltje, duit, gulden, kwartje, oordje, penning en stuiver. Waar nodig is de betekenis toegelicht en wordt iets verteld over de herkomst. Ook is een lijst opgenomen van de ruim tweehonderd volksnamen voor onze munten en biljetten, zoals geeltje, heitje, joetje, piek en rooie rug. Ewoud Sanders (1958) is taalhistoricus en journalist. Hij is vaste medewerker van onder andere NRC Handelsblad, de Staatscourant en Onze Taal en heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan, waaronder Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, het Eponiemenwoordenboek, het Borrelwoordenboek, het Geoniemenwoordenboek en (samen met Rob Tempelaars) Krijg de vinkentering! 1001 Nederlandse en Vlaamse verwensingen.

PROMETHEUS NRC/HANDELSBLAD

Voor een dubbeltje op de eerste rang

Ewoud Sanders

Voor een dubbeltje op de eerste rang
IOOI

spreekwoorden en zegswijzen over Nederlands geld

200I

Prometheus/NRC Handelsblad Amsterdam / Rotterdam

© 2ooi Ewoud Sanders Eindredactie Jaap Engelsman Omslagontwerp Kummer & Herrman, Utrecht Foto omslag Co de Kruijf/Hollandse Hoogte Illustratie binnenwerk Rik van Schagen www.pbo.nl
ISBN 9 0 4 4 6 0 1 0 6 7

Inhoud

Woord vooraf Verantwoording 1001 spreekwoorden en zegswijzen over Nederlands geld Armoede blut, geen rooie rotcent, op zwart zaad zitten voor een dubbeltje geboren het groeit me niet op de rug ironisch bekeken Bedrog en misdaad smeergeld zwendel Berucht Cent Daalder Dieren Domheid Dooddoeners Dubbeltje Duit Duivel, bijgeloof Duur Geld is almachtig, geld opent alle deuren Geld is gevaarlijk

9 17

21 28 32 32 33 35 38 39 41 42 48 52 59 60 66 70 76 78 81 88

Geld is niet alles Geld is nuttig Geld is onontbeerlijk
geen geld, zondergeld kopen kost geld seks kost geld

Geld stinkt niet Geloof, deugd, eer Gierigheid, gierigaard, vrek God Gulden Handel en arbeid Klinkende munt Kwartje Liefde en huwelijk Niet veel zaaks
goedkoop waardeloos woorden kosten niets

IOI I02 IO3 IO4 I06 112 I20 121 125 I29 I32 134 138 142 143 145 146 149 !53 153 154 155 156 156 158 164 167 174 175 179 183 185 186 189 192 194

91 95 97

Onverstandig handelen
verkwisting met geld smijten verbrassen geld moet rollen rekenfouten penny wise, poundfoolish drank

Oordje Opscheppen Penning Plat Rijkdom
ping-ping hebben met de duiten zitten een smak geld

Schulden Sparen
wie het kleine niet eert

Stuiver

Tot de laatste Uitbrander Verdienen
geld trekt geld aan het regent geld

Verstandig handelen Vriendschap Waardevol Wensen Zeispreuken Ziekte en dood Overig Einde Bijvoegsel: volksnamen voor cent tot duizend gulden Geraadpleegde literatuur Register

201 202 203 204 205 207 211 213 215 217 221 223 232 233 236 239

Woord vooraf

In dit boek zijn duizend-en-een spreekwoorden en zegswijzen over Nederlands geld bij elkaar gezet. Duizend-en-een moet hier worden opgevat als 'heel veel', een betekenis die we danken aan de sprookjes van Duizend-en-een-nacht. Maar voor de goede orde en voor de tellers onder u, het zijn er meer dan IOOI, namelijk ruim dertienhonderd. Dertienhonderd kan met recht 'heel veel' worden genoemd. Laat dit van meet af aan duidelijk zijn: u kent ze lang niet allemaal. Sterker: van het gros heeft u nog nooit gehoord. Dat komt omdat het hier gaat om spreekwoorden en zegswijzen uit de afgelopen zeshonderd jaar. Een levende taal als het Nederlands verandert voortdurend; er komt van alles bij en er valt van alles af. In die zes eeuwen is er bovendien veel veranderd aan ons geld. Ooit was het gewoon om te betalen met onder meer duiten, oordjes, kronen, penningen, ponden en stoters - woorden die we tegenkomen in tientallen zegswijzen. Later kregen we onder meer centen, stuivers, kwartjes, guldens en daalders. Veel gelduitdrukkingen zijn in onbruik geraakt, andere houden nu al eeuwen stand (zoals boter bij de vis, dat dateert uit de eerste helft van de 15de eeuw) en soms zie je dat oude spreekwijzen nieuwe muntnamen adopteren. Zo zei men oorspronkelijk - in het begin van de 17de eeuw, en waarschijnlijk al eerder - wie tot een blank geboren is, zal zijn leven geen stuiver rijk worden. Men zei ook: wie tot een penning geboren is, kan tot geen stuiver komen. Er zijn tevens varianten met stuiver/daalder, stuiver/dubbeltje en stuiver/gul-

9

den. Wij zeggen nu: wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. In de zegswijzen zie je het leven ook duurder worden. Aan het eind van de 19de eeuw zei men in Vlaanderen: met zo'n knecht en vijfcent krijg je overal een pint bier (kennelijk kostte een biertje toen een stuiver). Vijftig jaar later zei men: als je er een kwartje bijlegt, kun je er een glas bier voor kopen. Anders gezegd: iedere tijd en iedere streek kent zijn eigen spreekwoorden en zijn eigen varianten. In dit boekje zijn ze - voor het eerst - bij elkaar gezet. Dat geldt ook voor de ruim tweehonderd volksnamen voor onze munten en biljetten, zoals heitje, piek en rooie rug, die in een bijvoegsel zijn opgenomen. Wat maakt het de moeite waard om ruim dertienhonderd uitdrukkingen over geld te inventariseren? In de eerste plaats geeft zo'n collectie een interessant beeld van de Nederlandse (en Vlaamse) cultuur. We zijn een volk van kooplieden en koopjeslopers en dat heeft diepe sporen in de taal nagelaten. Maar de directe aanleiding om dit boekje te maken is vanzelfsprekend dat het Nederlandse geld door de euro zal verdwijnen. Eerst uit het betalingsverkeer en dan uit alle oude sokken, totdat we wellicht alleen enkele muntjes en briefjes overhouden om later aan onze kinderen of kleinkinderen te laten zien. 'Kijk, zo zag een dubbeltje er vroeger uit. En dit is nou een kwartje Veel mensen zijn bang dat de euro ook de Nederlandse taal zal aantasten. Dat met het verdwijnen van de centen, dubbeltjes en kwartjes ook die woorden zullen wegvallen. Die angst is ongegrond, daar kom ik straks op terug.

Jatwerk
Hoe is deze verzameling tot stand gekomen? Door veel jat- en plakwerk. Positiever geformuleerd: door de belangrijkste spreekwoordenboeken van grofweg de afgelopen tweehonderd jaar systematisch door te nemen op woorden die met geld te maken hebben, dus van cent tot rijksdaalder, van penning tot munt, van spie tot heitje en zo verder. Veel van het oude materiaal is afkomstig uit het driedelige Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal (1858-1870) van de Gorkumse onderwijzer P.J. Harrebomée. Harrebomée heeft een uit-

10

treksel gemaakt uit alle spreekwoordenverzamelingen vanaf de 15de eeuw, en hoe chaotisch zijn boek ook is, met ruim 40.000 uitdrukkingen is het nog altijd een onmisbare bron. Daarnaast heb ik dankbaar gebruikgemaakt van enkele digitale woordenboeken, met name van het onvolprezen Woordenboek der Nederlandsche Taal en van de elektronische Grote Van Dale. Wat betreft de vaak ingewikkelde historie van Nederlandse munten heb ik het zwaarst geleund op De Nederlandse munten, het standaardwerk van H. Enno van Gelder uit 1965. Zie voor de andere bronnen de lijst met geraadpleegde literatuur achter in dit boekje.

Rubrieken
De spreekwoorden en zegswijzen zijn over 45 hoofdrubrieken (en 26 subrubrieken) verdeeld. Die staan in alfabetische volgorde. Een uitzondering is de bezemrubriek 'overig', die aan het eind staat. De rubrieken zijn ongelijksoortig. Er zijn puur thematische rubrieken, zoals 'armoede', 'rijkdom', 'gierigheid' en 'ziekte en dood'. Maar ook de meest gangbare muntnamen zijn in aparte rubrieken ondergebracht. Het gaat om 'cent', 'daalder', 'dubbeltje', 'duit', 'gulden', 'kwartje', 'oordje', 'penning' en 'stuiver'. Daarnaast zijn er enkele taalkundige rubrieken, zoals 'dooddoeners' en 'zeispreuken' (dit zijn spreuken waarin iemand een gezegde in de mond krijgt gelegd; in de uitdrukking staat meestal 'zei die-en-die', vandaar de naam). In deze taalkundige rubrieken was de vorm of junctie van een zegswijze bepalend voor opname. De doorgewinterde woordenboekgebruiker ziet de problemen onmiddellijk opduiken. Immers, er zijn natuurlijk veel uitdrukkingen die in meerdere rubrieken passen. Dat is ook zo. Sommige mensen zeggen, als iemand iets doms opmerkt: hulde, hulde, geef die vent een gulden. Dat is een dooddoener, en de uitdrukking is dan ook in die rubriek te vinden. Maar hij staat ook bij 'domheid' en 'gulden'. Voor die verspreiding over rubrieken is niet gekozen om de omvang van dit boekje op te blazen, maar vanuit de overtuiging dat slechts weinig mensen het van A tot Z zullen lezen. Dit werkje is bedoeld om in te bladeren en dan wil je in de rubriek die je interesseert zo veel mogelijk van je gading terugvinden, zonder eindeloze doorverwijzingen. Om diezelfde reden zijn toelichtingen bij een uitdrukking soms

11

op meer dan één plaats te vinden. Het Nederlands blijkt slechts drie uitdrukkingen met knaak te hebben - althans, wij hebben er niet meer kunnen vinden. Het gaat om de dooddoener één knaak tachtig ('Zeg wat kost dat nou?' 'Een knaak tachtig.'), knaken poetsen 'gierig zijn', en zijn knaken dicht hebben 'geld gewonnen hebben bij het spel'. Die uitdrukkingen staan in verschillende rubrieken. Om geblader te voorkomen is bij alledrie iets gezegd over de herkomst van het woord knaak. Vanzelfsprekend worden toelichtingen niet herhaald bij uitdrukkingen die dicht bij elkaar staan. Bij muntnamen die vaak voorkomen wordt de herkomst slechts op één plaats verteld. Zo vindt men bijvoorbeeld het nodige over de geschiedenis van de woorden cent, daalder en dubbeltje aan het begin van die rubrieken.

Veelvoorkomende muntnamen
Dit brengt ons op de vraag welke muntnamen er nu in spreekwoorden en zegswijzen het meest voorkomen. Welnu, duit komt met 71 zegswijzen het vaakst voor, gevolgd door stuiver (66), cent (65), oordje (61), dubbeltje (45), gulden (34), daalder (24) en kwartje (11). Er zijn dus beduidend meer uitdrukkingen met de 'kleinste' munten (duit, cent, oordje), en er blijken helemaal geen uitdrukkingen te zijn met riks, rijksdaalder of met de namen van bankbiljetten. Een mogelijke verklaring is dat met name spreekwoorden (zeg maar: staande uitdrukkingen met een levensles) tot de volkscultuur behoorden. En het volk was nu eenmaal arm: het had meer duiten, oordjes of centen op zak dan guldens, riksen of briefjes. Anderzijds: er zijn meer uitdrukkingen met gulden dan met kwartje, dus deze regel gaat niet algemeen op.

Compleet?
Zoals gezegd bevat dit boekje ruim dertienhonderd spreekwoorden en zegswijzen. Zijn ze dat nou allemaal? Hebben we er uit de afgelopen zes eeuwen niet eentje over het hoofd gezien? Is deze verzameling dus helemaal compleet? Nee, natuurlijk niet. Zo is het goed mogelijk dat er in dialectwoordenboeken nog meer te vinden zijn. Geen enkel woordenboek is compleet, ook dit boekje niet. Er is zelfs voor gekozen om een

12

kleine honderdvijftig zegswijzen niet op nemen. De belangrijkste reden is dat de betekenis niet duidelijk was. Met name in het eerder genoemde spreekwoordenboek van P.J. Harrebomée staan duizenden uitdrukkingen zonder verklaring (en zonder bronvermelding). Zo vermeldt hij het is als Oost-Indisch geld: het komt niet aan de derde man. Dit mag een intrigerende zegswijze zijn, maar omdat je slechts naar de betekenis kunt gissen (betekende het 'niemand verdient wat aan het overheidsgeld dat in Oost-Indië wordt gepompt'? of'in de Oost vergaarde rijkdom gaat na hooguit één generatie weer verloren'?), is hij in dit boekje niet opgenomen. Ik had natuurlijk een rubriek 'onduidelijk' of'betekenis onbekend' in het leven kunnen roepen, maar dat leek me zinloos.

Wijsheid op rijm
Spreekwoorden hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de volkscultuur. En het volk, zo blijkt uit deze verzameling, houdt erg van rijmen, vooral van eindrijm of sinterklaasrijm. Er zijn in de spreekwoordenboeken dan ook heel wat rijmende gelduitdrukkingen te vinden die je zó op een Delfts blauw tegeltje ziet staan. Hier volgen er een paar: Als je geld hebt, doe je wonderen heb je het niet dan is het donderen. Beter een duit in de hand dan een blanke in de kant. Een paard en geld en goed Latijn dat brengt een lanser over de Rijn. Er is geen goud zo rood of het moet weg voor brood. Geld is de blom wie 't niet heeft, zucht erom. Heb je geld dan kun je huizen bouwen heb je 't niet, dan moet je stenen sjouwen.

Is de juffer krom of blind geld maakt dat ze een vrijer vindt. Hoe dat men geld of liefde sluit het wil, het zal, het moet eruit. Die laatste is in 1632 opgetekend door Jacob Cats, de meest aangehaalde tegelpoëet. Bij hem is ook te vinden: Oud geld en jonge vrouwen wil die vrij in 't duister houen. Bij Constantijn Huygens lezen we, in 1657: Wie goudguldens verf kan pissen kan licht de doktoren missen. En van een anonieme i9de-eeuwse volksdichter is de wijsheid: om de poen is 't al te doen.

Vrouwen
Natuurlijk bevatten de gelduitdrukkingen meer wijze levenslessen. Bijvoorbeeld dat er mensen zijn die voor geld tot alles bereid zijn: hij zou voor zich een cent op zijn blote kont laten slaan, of: hij zou zijn scheten opflessendoen, als het maar geld opbrengt. En ook dat vrouwen geneigd zijn om veel geld uit te geven: heeft hij veel noten, zij zal veel doppen maken. Zoals uit dit laatste voorbeeld al blijkt, zijn er ook uitdrukkingen opgenomen die over geld, goud, munten, sparen, verkwisten of uitgeven gaan, zonder dat er bijvoorbeeld muntnamen in voorkomen. De betekenis zal echter meteen duidelijk maken waarom ze thuishoren in deze verzameling. Soms is het verband met geld overigens onverwacht, zoals bij de uitdrukking het kan me geen hol schelen. Je zou denken: dit is gewoon een variant van dat kan me geen reet schelen. In deze uitdrukking wordt weliswaar gespeeld met hol in de betekenis 'reet', maar in de literatuur wordt wel degelijk een verband gelegd met de

14

muntnaam hol. Dat was een zilveren florijn die tussen 1693 e n 1846 werd geslagen. Op de munt stond HOL (als afkorting van 'Holland') om aan te geven dat het een geldige munt was.

Euro
Resteert de eerder gestelde vraag: zal de euro werkelijk de Nederlandse geldnamen de vergetelheid injagen? Nee. Per 1 januari 2002 betalen we met munten van 1, 2, 5,10, 20 en 50 eurocent, en met munten van 1 en 2 euro. Daarnaast zijn er biljetten van 5,10, 20, 50,100, 200 en 500 euro. Kortom, er vallen een paar munten en biljetten weg, namelijk het kwartje en de rijksdaalder, en de briefjes van vijfentwintig, van tweehonderdvijftig en van duizend. Nou heb je kans dat de volksnaam vuurtoren voor het briefje van tweehonderdvijftig een stille dood zal sterven. Het is ook goed mogelijk dat rijksdaalder en riks in onbruik raken. Maar niemand hoeft zich zorgen te maken over cent, stuiver, dubbeltje, kwartje of gulden. Waarom niet? Omdat met name in spreekwoorden en zegswijzen woorden heel lang kunnen voortleven, zelfs als we die woorden niet meer begrijpen. Zo kent iedereen de uitdrukking op zijn falie krijgen, maar wie weet dat falie oorspronkelijk - in de Middeleeuwen - een soort wijde regenmantel was? En wie kent de oorspronkelijke betekenissen van pottenkijker, (heet) hangijzer, klikspaan, klaploper of strijkstok, de sleutelwoorden uit verschillende uitdrukkingen? Zoals gezegd zijn er geen uitdrukkingen met rijksdaalder of riks, maar er zijn genoeg algemeen bekende zegswijzen met de andere geldnamen om die een lang leven in onze taal te garanderen. Iets vergelijkbaars geldt voor de volksnamen voor geld. Alleen tussen 1862 en 1927 waren biljetten van vijfentwintig gulden geel, maar we zijn dit briefje altijd geeltje blijven noemen, ook toen het rood werd. Het duizendje kreeg in 1860 de bijnaam rooie rug, vanwege de rode achterkant van het biljet, en die naam bleef bestaan toen het biljet groen werd. Dikke kans dus dat heel wat volksnamen - zoals bijvoorbeeld piek - blijven bestaan. Voor wie nog niet is overtuigd: de laatste botdragers of botjes, grote zilveren muntstukken, werden in de Middeleeuwen geslagen. Toch zeggen wij nog steeds: botje bij botje leggen. Dat niemand meer

!5

weet dat botje een geldnaam is, en dat sommige mensen denken dat de uitdrukking iets met beenderen te maken heeft, doet er niet toe. Het woord botje heeft het inmiddels honderden jaren zonder de bijbehorende munt gered, en zo zal het ook gaan met de Nederlandse muntnamen die nu algemeen bekend zijn.

Dank
Veel van het voorbereidend werk voor dit boekje is gedaan door Hans Geluk en Aya Langeveld. Daarnaast heeft vooral Jaap Engelsman erg veel werk verzet. Hij tekende voor de eerste versie van de rubrieksindeling, hij schreef diverse toelichtingen en hij maakte het register. Ik vermoed zelfs dat dit boekje zonder de hulp van Jaap Engelsman nooit was verschenen. Veel dank dus! Ewoud Sanders

16

Verantwoording

Bij de inventarisatie van spreuken is uitgegaan van Nederland. Dat wil zeggen dat typisch Vlaams taaleigen minder uitvoerig aan de orde komt. Maar het is wel degelijk vertegenwoordigd, met zegswijzen als hij houdt aan zijn pijkens en hij is van Oudenaarde. Delen van wat nu Nederland en Vlaams-België is, hebben in de afgelopen zes eeuwen vaak langere tijd deel uitgemaakt van één politieke constellatie, denk maar aan de Bourgondische tijd (15de eeuw), waarop een spreuk als zijn ijzers afspitten teruggaat. Daar komt bij dat tot in de 19de eeuw munten veelal zeer internationaal circuleerden. Als er bij een uitdrukking geen betekenis staat, valt die op te maken uit de rubrieksnaam. Kleine varianten in een uitdrukking worden door een schuine streep van elkaar gescheiden, bijvoorbeeld als het geld op is, is het kopen/koken gedaan. De uitdrukkingen zijn soms hertaald. Alsof wij heenen om een' daalder konden koopen is bijvoorbeeld geworden alsof wij henen voor een daalder konden kopen. Bepaalde vormverschillen zijn inhoudelijk onbelangrijk, zoals bijvoorbeeld tussen zijn geld verbrassen en hij verbrast zijn geld (heel veel spreuken beginnen met hij; het is nooit zij, behalve als het uitdrukkelijk over een echtgenote gaat). Wij houden ons, op details na, aan de vorm die in de naslagwerken is aangetroffen. In de toelichtingen wordt geregeld aandacht besteed aan de herkomst van bepaalde woorden. Die is niet altijd zeker, maar dat staat er dan bij. Er is geen plaats ingeruimd voor uitgebreide etymologische discussies. Bij de volksnamen in het bijvoegsel is helemaal geen aandacht besteed aan de herkomst. Die volksnamen zijn

J

7

slechts toegevoegd als extraatje. Overigens is juist van die volksnamen de herkomst vaak erg onduidelijk; er zou veel aanvullend onderzoek nodig zijn om dat allemaal op te helderen. Soms wordt vermeld wanneer een uitdrukking voor het eerst is opgetekend. Dat is vooral gedaan bij zegswijzen waarvan je denkt: sinds wanneer zouden ze dat zeggen? Die keuze is natuurlijk zeer subjectief. Het gaat doorgaans om grove tijdsaanduidingen: 'de eerste helft van de 17de eeuw' en dergelijke.

18

i

o

o

i

spreekwoorden en zegswijzen

over Nederlands geld

Armoede

aan de gallemieze liggen

Blut zijn. Het Bargoense woord gallemieze is waarschijnlijk via het Jiddisch afgeleid van het Hebreeuwse hallas 'zwak' + mies 'kwalijk'. Men zegt ook naar de gallemieze gaan 'kapot gaan, te gronde gaan'.
al zijn oordjes kwijt zijn

Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen. Alle spreekwoorden en zegswijzen met oordje zijn in de rubriek 'oordje' bij elkaar gezet.
berooide beurs, berooide zinnen/ledige beurzen maken kranke zinnen/platte beurzen maken dolle zinnen

Wie in geldnood verkeert, doet vaak dwaze dingen.
dat is hem nodig als een bedelaar het goudgewicht

Dat dient hem tot niets, dat heeft hij volstrekt niet nodig.
de geeuwhonger in de beurs hebben

Geeuwhonger is een zogenoemde volksetymologische vervorming van gahonger (waarin ga teruggaat op een woord dat 'plotseling' betekende). Van Dale geeft als betekenis 'plotselinge honger, flauwte waarbij de lijder herhaaldelijk de mond krampachtig wijd opent en met geweld sluit, schijnbaar als uiting van honger'. Dit 'gapen' is echter het gevolg van overmatige gevoeligheid van de maagzenuwen.

21

de honden kunnen wel tegen hem aan pissen

Om aan te geven dat iemand praktisch aan de bedelstaf is.
diepe zakken en geen geld een dubbeltje tweemaal om moeten draaien

Sinds de 17de eeuw is dubbeltje de gangbare naam voor het zilveren muntje dat twee stuivers waard is. Aanvankelijk zei men dubbele stuiver. Alle spreekwoorden en zegswijzen met dubbeltje zijn in de rubriek 'dubbeltje' bij elkaar gezet.
een ijdele beurs en een ijdele maag, dat is een grote plaag

IJdel betekent hier 'leeg'.
één penning klinkt niet

Wie arm is, heeft vrijwel geen invloed.
er is geen lood in het bakje

Met loodje werd oorspronkelijk een loden plaatje of penning bedoeld die men moest overleggen om iets te kunnen ontvangen. Na overhandiging van een loodje konden armen bijvoorbeeld kleren of brandstof krijgen. In de volkstaal werd loodje vervolgens gebruikt voor 'geld'. Vandaar uitdrukkingen als er zit geen lood aan 'het levert niets op', zijn lood is op 'zijn geld is op', daar is lood 'die hebben geld' en het loodje hebben 'rijk zijn'.
er is geen mieter van overgebleven

Mieter is waarschijnlijk een variant van sodemieter, dat verkort in allerlei krachttermen wordt gebruikt ('ik geef er geen mieter om'). Dit woord duidde oorspronkelijk de inwoners van het bijbelse Sodom aan, die bekendstonden om hun bedenkelijke levenswandel.
er is geen olie meer in de lamp

Alle bezit is verbruikt. Van arme mensen zei men vroeger wel 'de lamp hangt er scheef', want door een olielamp scheef te hangen kon je het laatste restje olie benutten.
er zit geen lood aan

Lood betekent hier 'geld'. Zie hierboven er is geen lood in het bakje.

22

Armoede
geld als hooi, maar 't is zo lang niet

Dit zei men in Gent en omgeving als antwoord op de vraag: 'Heb je geld?' Bedoeld werd: ja, maar zeer weinig.
geld noch pand hebben

Geen geld en ook geen spullen om te verpanden bij de bank van lening.
geldpijn hebben het geld is dun gezaaid bij hem het geld met de buidel: alles is op

Niet alleen het geld is op, maar zelfs de buidel waarin het werd bewaard.
het is een groot kruis, geen kruis/munt te hebben

Een munt zonder meer werd wel een kruis genoemd, wegens het kruis dat op vele munten stond afgebeeld (denk aan kruis of munt, de twee zijden van zo'n munt). het is nacht in mijn portemonnee Men zei ook: het is nacht met hem 'het is met hem gedaan',
het is schrale Fop: het geld is op

Het is niet bekend of deze Fop teruggaat op een historische figuur; de naam kan ook gekozen zijn vanwege het rijm.
het ontbreekt mij aan Philippus Quartus

Ik ben blut. Er wordt misschien gezinspeeld op munten van de Spaanse koning Filips iv (1621-1665), maar de zegswijze is pas in de 19de eeuw opgetekend.
hij doet in raar geld

Raar in de betekenis 'zeldzaam'. Vergelijk het Engelse rare.
hij heeft wel dorst, maar geen geld

23

hij heeft zoveel geld als een kikker/pad veren

Hij bezit totaal niets. Deze uitdrukking dateert uit de 17de eeuw.
hij is zo berooid van geld als een kerkrat

In de kerk is voor ratten weinig te vinden, vandaar. Gebruikelijker is nu: zo arm of berooid als een kerkrat. Voorheen zei men ook zo kaal of naakt als een kerkrat. De uitdrukking komt ook in het Duits en Frans voor: so arm wie eine Kirchenratte en être gueux comme un rat d'église.
hij is zo hard als een steen

Hij zit zonder geld; het leven is voor hem zeer hard. Hetzelfde woordspel met hard is te vinden in de uitdrukking: hij is van Harderwijk. Dit betekent 'hij is straatarm, het leven is hard voor hem'.
hij kan geen veer van zijn kont blazen

Dit is vermoedelijk een schertsende variatie op geen veer van de mond kunnen wegblazen. Iemand die dat niet kan ademt amper nog en is bijna dood. Wie door armoede en honger zo verzwakt is dat de winden die hij laat nog te zwak zijn om een veertje te kunnen wegblazen, is er ook niet best aan toe.
hij kluift het hieltje van de ham

Het hieltje is het laatste stukje van de ham, dus zijn bezit is bijna op.
hij zag eruit om hem een cent te geven

Hij zag er heel sjofel en hulpbehoevend uit. Cent is een van vijf muntnamen die het meest in de spreuken voorkomen. Deze munt is in 1816 ingevoerd als 1/100 deel van een gulden. Alle spreekwoorden en zegswijzen met cent zijn onder het kopje 'cent' bij elkaar gezet.
ijdele beurzen maken dolle begijnen

Wie in geldnood verkeert, doe vaak dwaze dingen. Een begijn is een lid van een min of meer vrije kloosterorde.
ik dacht dat ik mijn laatste stront verscheten had

Ik dacht dat ik geen geld meer had. Deze uitdrukking dateert uit de tweede helft van de 20 ste eeuw.
24

Armoede
ik heb bij hem niet één kruis

In vergelijking met hem bezit ik niets. Kruis betekent 'munt', omdat daar vaak een kruis op stond.
je hebt hem kruis noch munt laten houden kaalhals

Kaalhals is eigenlijk een gebrek bij koeien, waarbij ten gevolge van het schuren de hals kaal is geworden. De overdrachtelijke betekenis is 'armoedzaaier' ofwel 'schraalhans'. Men zei ook thuis is kaalhals keukenmeester (de variant met schraalhans is nu bekender).
kort zitten krap bij kas zijn mager en gezond en in de beurs geen pond

Pond kan hier slaan op het gewicht van de beurs, maar ook op de oude rekenmunt die zo heet.
met de droge bleinen liggen

Droge blein was een gevaarlijke veeziekte, dus een symbool van ernstige verzwakking.
met een geschuurde kluit thuis komen

Dit betekent 'zijn weekloon bijna helemaal verteerd hebben' of'ergens vandaan komen zonder het verschuldigde geld te hebben ontvangen'. In de 19de en 20ste eeuw was kluit in België een benaming voor munten van vijf of tien centiem. Tien centiem heette ook wel dikke kluit of dikke, vijf centiem ook wel halve kluit. Vroeger werd met deze naam op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden wel een munt van 2,5 cent aangeduid. Daarnaast heeft kluit of kluiten de betekenis 'geld' in ruimere zin. Al in de 16de en 17de eeuw waren er Spaanse kluiten, een benaming voor de Philipsdaalder, die verschillende waarden heeft gehad. De oorsprong van deze muntnaam is niet duidelijk.

25

mijn vader, zei de ondeugende jongen, zou wel een koe willen kopen, had de schelm maar geld

Dit is een zogenoemde zeispreuk. Alle zeispreuken zijn in de gelijknamige rubriek bij elkaar gezet.
op de naad krabben

Geen geld meer hebben. Bedoeld wordt de naad van de geldzak, waarin misschien nog een klein, laatste muntje verscholen zat.
op de pit leunen

Betekende in de toneeltaal 'een voorschot op het loon vragen', namelijk aan het donkere kantoortje in de voormalige Stadsschouwburg te Amsterdam, waar altijd een lamp brandde; maar ook 'over de lamp van de souffleur gebogen zijn, ieder woord afwachten, op de souffleur spelen'.
op het droge zitten

Blut zijn.
op zijn laatste benen lopen

Ook: het gaat op zijn laatste benen.
penning is ziek

Op droog zaad zitten.
piet is dood

Piet is hier een dialectisch woord voor pit, dat we onder meer tegenkomen in hij heejt pitten 'hij is goed van geld voorzien'. Pitten is een van de vele algemene benamingen voor 'geld'. Hoewel de oorsprong niet helemaal zeker is, zou er verband kunnen bestaan met pitje, dat al in de 17de eeuw is opgetekend. Dit was ontleend aan de Javaanse en Maleise term voor een klein muntje (pitjis, pitis, picis), dat door de Nederlanders werd gelijkgesteld aan een halve cent.
plat steken, stellen, zetten

Dit is iemand al zijn geld afwinnen bij het spel. Wie plat is, heeft een platte, lege beurs.
rijk van rekenen maar arm van tellen

26

Armoede
spaan is niet thuis

Spaan betekent 'geld'. Mogelijk is het een verkorting van spaander, dat in de volkstaal wordt gebruikt voor 'cent'. Spaander betekent eigenlijk 'een langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt'. Maar het wordt ook gebruikt voor 'zeer klein stukje, niets' ('er komt geen spaandertje van terecht'). De cent is de kleinste munteenheid, dus eveneens een 'zeer klein stukje'.
uitgestudeerd

Zoiets als 'aan het einde van je Latijn zijn', geen kant meer op kunnen, dus blut zijn.
zijn centen zijn verre gezet

Ver is hier een eufemisme voor 'weg, kwijt'.
zijn geld is naar de maan zijn geld is om zeep

De uitdrukking om zeep gaan of raken dateert uit de 17de eeuw. De oorspronkelijke betekenis was 'uitgaan om zeep te halen', dus om een boodschap te doen. Daarna 'dit voorwenden om weg te kunnen gaan', en vervolgens 'verdwijnen, sterven'. Hier betekent het: 'zijn geld is ver weg, hij heeft niks te verteren'.
zijn geld is verre geschoven

Ver is hier een eufemisme voor 'weg, kwijt'.
zijn goudvinken zijn gevlogen

Zijn geld is op. Goudvink is een oud woord voor 'gouden munt'. Figuurlijk wordt het onder meer gebruikt voor 'rijk persoon van wie veel te halen valt'.
zijn lood is op

Lood betekent hier 'geld'. Zie hierboven er is geen lood in het hakje.
zijn wip is wip

Zijn geld is foetsie. We komen de geldnaam wip ook tegen in de uitdrukking zijn wippers verspelen 'te veel wagen met zijn geld'. De naam is als volgt verklaard: 'Vermoedelijk geven deze woorden de
27

beweging weer, die een munt verricht bij het kop- of letterspel.' Met kop- of letterspel wordt bedoeld: het tossen van een munt (kruis of munt, kop of letter).

blut, geen rooie rotcent, op zwart zaad zitten
Blut is etymologisch verwant met bloot, dat in het Middelnederlands onder andere 'kaal, behoeftig' betekende. Vooral de dieventaal, het Bargoens, kent vele varianten op blut zijn. Te denken valt aan blek zijn, kabs zijn, kweps zijn, lens zijn (lens betekent hier 'leeg'), loste zijn, lut of luts zijn, mol zijn (letterlijk: 'dood zijn'), plat zijn (waarschijnlijk afgeleid van het beeld van een platte, dus lege beurs), potje los zijn, robbie zijn en rut, rutje, ruttebeurs of rös zijn. Van de meeste van deze uitdrukkingen is de herkomst niet bekend - zoals zo vaak bij Bargoense woorden en uitdrukkingen. Over de etymologie van rut schrijft een naslagwerk: 'Het is niet onmogelijk dat we in dit rut hetzelfde woord moeten zien als in rut (en roy) dat we in de 16de eeuw aantreffen in de zin van "arm", "gemeen volk", "schorriemorrie".' Hieronder volgen meer uitdrukkingen voor 'blut zijn', 'geen rooie rotcent (meer) hebben', 'op zwart zaad zitten'.
duit noch malie hebben

Malie is ontleend aan het Franse maille. In de Middeleeuwen was een zilveren malie in Vlaanderen de helft van een penning. Later zijn er verscheidene andere, duurdere munten mee aangeduid. Voor de herkomst van malie bestaan twee verklaringen. Volgens een oudere theorie gaat het woord uiteindelijk terug op Latijn metallum 'metaal', volgens een jongere theorie op Latijn medialis 'van middenwaarde'. In elk geval heeft het dezelfde oorsprong als medaille.
er is geen zaad/peper meer in het bakje

Peper was vanouds een kostbaar goedje, dat dus werd geassocieerd met rijkdom. Geen zaad in het bakje doelt waarschijnlijk op vogels in kooien, die zonder zaad gauw uitgezongen zijn.

28

Armoede
er moet zaad op tafel komen

Zaad staat in diverse uitdrukkingen voor 'geld'. In Vlaanderen wordt een 'vrek' wel een zaadjesteller genoemd.
geen cent/scherf hebben om aan zijn kont te krabben

Met scherfwordt hier niet bedoeld een stuk van een gebroken voorwerp van glas, aardewerk of steen, maar een muntstukje ter waarde van een halve heller. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was.
geen cent te makken/in Makkum hebben

We komen het woord makken, waarvan de herkomst niet bekend is, alleen tegen in de verbindingen niks te makken hebben en geen cent te makken hebben. De variant geen cent in Makkum hebben is waarschijnlijk ontstaan door scherts of door volksetymologie, dat wil zeggen: doordat makken niet werd begrepen.
geen duit in de mars hebben

De mars was de korf met koopwaar die een kramer op zijn rug droeg (vandaar ook: marskramer).
geen moos te makken

Geen cent op zak. Moos is een Bargoens woord voor 'geld'; via het Jiddisch is het ontleend aan het Hebreeuwse maoth 'geld'. In het Bargoens werd jatmoos gebruikt voor 'handgeld' (later kreeg het tevens de betekenis 'dief, zwendelaar'). Hij heeft moos betekende 'hij heeft geld', maar omdat dit moos niet begrepen werd, maakte men hier later van hij heeft Mozes. Dit werd vervolgens uitgebreid tot hij heeft Mozes en de profeten. Men dacht hierbij aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus uit het bijbelboek Lucas (16:29). De rijke man in de hel vraagt aan Abraham om Lazarus naar zijn broers te zenden om ze te waarschuwen, om te voorkomen dat ook zij in de hel terechtkomen. Abraham antwoordt daarop: 'Zij hebben Mozes en de profeten'. Hij bedoelde daarmee: wie de eerste vijf bijbelboeken (traditioneel aan Mozes toegeschreven) tot leidraad neemt, heeft alles wat hij nodig heeft.

29

geen penning in de wereld hebben

Niks bezitten.
geen poser, geen rooie poser

Poser is een Bargoens woord voor 'cent' dat bekend is sedert het midden van de 19de eeuw. Het is ontleend aan Jiddisch poosjet 'eenvoudig, cent', dat teruggaat op het Hebreeuws.
geen rode (rooie) denier meer bezitten

Een denier is een oude munt. De naam gaat via het Frans denier terug op de Latijnse muntnaam denarius. Sedert de 20ste eeuw wordt met denier de dikte van garen aangeduid, oorspronkelijk op grond van de hoeveelheid van een bepaald type garen die voor een denier te koop was.
geen rooie (rode) cent (op zak) hebben

Blut zijn. Rooie duidt op de kleur van het kopergeld. Dezelfde uitdrukking komt voor met duit en rooie rotcent.
geen rotte knop bezitten

Waarom knop 'geld' of 'munt' betekent, is niet helemaal duidelijk. Misschien speelt de vormovereenkomst een rol. Een andere verklaring luidt: 'In het werpen met muntstukken (het zogenoemde meetjesschieten of schietsen) werden dikwijls de muntstukken door broekknopen of soldatenknopen vervangen, omdat het spelen met geld verboden was.' In het Bargoens werd knoopje gebruikt voor 'dubbeltje', kleine knoop voor 'gulden' en grote knoop (of boerenknoop) voor 'rijksdaalder'.
geen sou hebben

Met de aan het Frans ontleende term sou werd in Vlaanderen vroeger, vooral in de 19 de eeuw, een munt van vijf of tien centiem aangeduid. Het Franse sou gaat terug op Latijn solidus 'gouden munt'. Een Franse uitdrukking luidt: sans le sou 'zonder een stuiver, niets bezittend'.
helder noch pelder

Niets bezitten. Met helder werd hoogstwaarschijnlijk een 'heller' bedoeld, een oude munt. Pelder is niet duidelijk - misschien alleen om het rijm toegevoegd?

30

Armoede
het mankeert hem aan de mijten

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
kruis noch duit hebben

Blut zijn. Een munt zonder meer werd wel een kruis genoemd, wegens het kruis dat op vele munten stond afgebeeld (denk aan kruis of munt, de twee zijden van zo'n munt).
kruis noch heller

Niks. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was.
munt noch kruis hebben op zwart zaad zitten

Blut zijn. Dit wordt traditioneel verklaard uit het zaad voor kooivogels, waarvan het witte deel het lekkerst is en dus het eerst wordt opgegeten.
op droog zaad zitten

Blut zijn. Variant van op zwart zaad zitten.
wat geeft hem nog een daalder?

Gezegd van iemand die failliet is. Alle spreekwoorden en zegswijzen met daalder zijn elders in het boek onder het kopje 'daalder' bij elkaar gezet.
zijn hele vermogen erdoorheen jagen zonder een cent zitten zonder kanen zitten

Kaan betekende vroeger ondere andere 'halve cent'. Men zei ook een kaantje geld 'een beetje geld'. De oorsprong van de naam is niet verklaard. Wellicht is er verband met canus 'frank'.

3

1

voor een dubbeltje geboren
Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje is 'een van de meest kenmerkende Nederlandse uitdrukkingen' genoemd, samen met doe maar gewoon, dan doeje gek genoeg. De vroegste variant is opgetekend in 1720 door Carolus Tuinman, dominee te Middelburg en samensteller van een beroemd spreekwoordenboek. Hij vermeldt die tot een blanke geboren is, zal zyn leven geen stuiver ryk worden (een blank of blanke was indertijd ongeveer driekwart stuiver). De betekenis is: 'hij ontgaat zijn lot nooit', wat ook wordt gezegd met wie geboren is om te hangen, verdrinkt niet. Er zijn veel varianten, met allerlei verschillende waarden, allemaal opgetekend tussen de 18de en 20ste eeuw:
wie geboren is onder een duitplaneet zal nooit meester van een oordje worden

Een oordje was een kwart stuiver. Alle spreekwoorden en zegswijzen met oordje zijn elders in het boek in de rubriek 'oordje' bij elkaar gezet.
wie tot een penning geboren is, kan tot geen stuiver komen

Alle spreekwoorden en zegswijzen met stuiver zijn in de rubriek 'stuiver' bij elkaar gezet.
wie tot een stuiver geboren is, kan tot geen daalder/dubbeltje/ gulden komen wie tot een stuiver geboren is, wordt nooit een dubbeltje wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje wie voor het oordje geboren is, zal nooit tot een stuiver geraken

het groeit me niet op de rug
Het groeit me niet op de rug is aan het begin van de 18de eeuw voor het eerst opgetekend, in de vorm het wast my op den rugge niet. Varianten zijn:

3

2

Armoede denk je, dat ik een boompje heb, waaraan het geld groeit? denk je, dat ik het geld van een boompje kan schudden/plukken? het geld ligt niet op straat het geld ligt niet voor het oprapen/opscheppen ik heb geen paardje kakgeld ik heb geen paardje-schijtgeld op stal ik heb het munt niet aan mijn kont hangen ik heb het niet op stapeltjes liggen ik kan het niet uit de boom schudden ik kan het niet uit de sloot scheppen ja, ik zal voor jou een geldboompje planten! je denkt toch niet dat ik een geldboompje in de tuin heb staan! men kan het geld niet uit de vingertoppen bijten/snijden

ironisch bekeken
Wanneer iemand een dubbeltje vindt, kun je zeggen: dat is het begin van één miljoen, het begin is er of zo is Rockefeller óók begonnen. Het gaat hier om schertsende of ironische uitdrukkingen over geld. Andere voorbeelden zijn: dat weegt zwaarder dan mijn geld Als iemand arm genoeg is, weegt bijna alles zwaarder dan zijn geld. hij ruikt naar het geld als een jood naar het spek Hij is arm. Vrome joden eten geen varkensvlees en zullen dus niet naar spek ruiken. Opgetekend aan het eind van de 19de eeuw.

33

hij ruikt naar het geld, als een koe/bok naar muskus/saffraan

Muskus is een kostbaar ingrediënt van parfums, saffraan een exotische specerij - koeien en bokken ruiken anders.
hij ruikt naar het geld, als een varken naar boomolie

Boomolie is 'olijfolie', een delicatesse waar varkens weinig mee van doen hebben.
hij ziet eruit, dat men hem zijn zondagsduiten in bewaring zou geven

Zo'n vroom gezicht heeft hij (maar hij is niet te vertrouwen).
ik heb ooit een muilezel gezien, die uw dukaten wel zou kunnen dragen

U bezit niet veel. Een zegswijze uit de 16de eeuw. De dukaat lijkt misschien een van die vele munten uit een grijs verleden, maar in feite zijn er nog tot 1960 Nederlandse gouden dukaten geslagen, al maakten die zogenaamde negotiepenningen geen deel meer uit van het gewone muntstelsel. Historisch gezien hebben gouden en zilveren dukaten van de late Middeleeuwen tot in het begin van de 19de eeuw als Nederlands betaalmiddel gefungeerd. De gouden dukaten (geslagen sinds 1586) hadden een waarde van 3,5 gulden, de zilveren van 2,5 gulden (rijksdaalder). De naam dukaat gaat via Frans ducat en Italiaans ducato terug op middeleeuws Latijn ducatus 'hertogdom'. Bedoeld werd het hertogdom Venetië, waar in de 13de eeuw de eerste gouden dukaten werden geslagen (met onder andere het woord ducatus in het opschrift).
je zou hem je laatste cent in bewaring geven

Gezegd van iemand die er betrouwbaar uitziet, maar dat niet is.
ze ruiken naar duimkruid als een koe naar muskaat

Duimkruid is het 'kruid' dat je met de bekende duimbeweging telt, dus geld. En een koe ruikt niet naar exotische specerijen, dus 'ze' hebben geen cent.
zijn geld wel (alleen) kunnen tellen

Omdat het zo weinig is.

34

Bedrog en misdaad

aan het laatje zitten

De kas voeren, bijvoorbeeld van een vereniging, zodat men de gelegenheid heeft om zich te bevoordelen.
daar zit muziek in

Wordt wel gezegd van transacties die moeilijk te controleren vallen, en waarin dus gemakkelijk wat aan de strijkstok kan blijven hangen. 'Muziek,' aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal, 'is soms een term voor geld; bij aannemers wordt wel gesproken van een werk "waar veel muziek in zit": waaraan veel kan verdiend worden, doordat niet gemakkelijk is na te gaan of juist wordt opgeleverd wat in het bestek staat.' In de boeventaal werd een 'brandkast' wel een muziekdoos genoemd.
de ekster heeft een mooie taal, maar uw geldje nam het helemaal

De babbelende ekster staat hier voor een handig pratende oplichter. De ekster staat bovendien bekend als een dief van blinkende spulletjes. Deze uitdrukking dateert al uit de 16de eeuw.
de mooiste kant van de penning laten zien

Iets voordelig voorspiegelen.
een gestolen penning geldt niet minder dan een andere

Ofwel: geld stinkt niet.

35

een stuiver kleeft aan de handen

Er blijft wat aan de strijkstok hangen.
eerlijk zijn beneden de gulden

Eerlijk zijn zolang het om kleine bedragen of dingen gaat, maar bij grotere niet te vertrouwen zijn. Alle spreekwoorden en zegswijzen met gulden zijn elders in het boek onder het kopje 'gulden' bij elkaar gezet.
er is wat onder de tafel gegaan

Er is smeergeld betaald.
geen waar voor zijn geld krijgen geld op zijn bil strijken

Zich geld onrechtmatig toe-eigenen.

geld waar de man niet van weet

Geld dat de vrouw ontvangt buiten weten van haar man.
geld zó gewonnen, heeft nooit gedijd

Gestolen geld deugt niet.
goud uit de Gortsteeg

Valse munt; met de Gortsteeg werd de Utrechtse Haverstraat bedoeld, waar eens een goudsmid gevestigd was die het met de kwaliteit van zijn goud niet al te nauw nam.
het is alles geen echte munt, wat hij er wel voor uitgeeft

Hij is een bedrieger (niet alleen in geldzaken).
het is een volkje van de lichte munt

Mensen van licht allooi, van dubieus gedrag, zoals munten van verkeerd metaal - valse munten - ook lichter zijn dan goede munten.
het is goed laten als de heelmeester geld ontbreekt

Laten betekent hier 'aderlaten'. Artsen deden dat vroeger veel; het was dus voor hen een belangrijke bron van inkomsten.

36

Bedrog en misdaad
het is goed riemen snijden uit andermans leer

Men kan met andermans geld en goed gemakkelijk royaal zijn.
het is hagenmunt

Vals geld, dat buiten de stad, als het ware tussen de hagen, in het veld, is vervaardigd.
het is licht mild te zijn uit een anders beurs

Men kan met andermans geld en goed gemakkelijk royaal zijn.
het zijn al geen echte muntstukken, hoe schel hun klank ook is

Een variant op het is niet alles goud wat er blinkt.
hij ziet eruit, dat men hem zijn zondagsduiten in bewaring zou geven

Zo'n vroom gezicht heeft hij (maar hij is niet te vertrouwen),
iemand een ader laten

Een ader laten was een medische handeling, waarbij bloed werd afgetapt. Figuurlijk betekent het 'iemand van zijn geld afhelpen'.
iemand kluchten voor geld in de hand steken

Iemand praatjes verkopen, wat op de mouw spelden.
iemand met apenmunt betalen

Iemand met mooie praatjes afschepen of voor de gek houden. Deze zegswijze zou teruggaan op de gewoonte om mensen die apen voor geld kunstjes lieten vertonen, zekere betalingen - bijvoorbeeld tolgeld - kwijt te schelden als zij de aap een voorstelling lieten geven.
ik vertrouw hem voor geen vijfcents haring je zou hem wel een reisgordel toevertrouwen, als er maar geen geld in zat

Hij is niet te vertrouwen.
listig geld steelt en wordt gestolen; ook geeft het eer, en eer wordt erdoor verloren

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.

37

mooi weer spelen van andermans geld uit een anders kas is het licht geld te tellen

Men kan met andermans geld en goed gemakkelijk royaal zijn.
voor gladde/goede munt in de hand stoppen

Aansmeren, want de waar is niet wat het lijkt. Glad geld werd voorheen gebruikt voor 'goed, gangbaar geld, klinkende munt'. Dit in tegenstelling tot waren in natura.
voor zware moeite mag men grote beloning eisen, zei de advocaat, en hij nam dubbel geld, omdat hij zekere kwestie, waarop hij zijn hoofd al drie etmaal gebroken had, niet begreep vossen uit hun holen jagen

Zakkenrollen. Al sinds de 15de eeuw wordt vos in de dieventaal gebruikt voor 'gouden munt'. Dit vanwege de goudgele kleur van de vacht.

smeergeld
advocatentongen moeten met muntolie gesmeerd zijn

Muntolie is uit munt (een plant) getrokken olie. Hier wordt het woord schertsend gebruikt in de betekenis 'geld', met een toespeling op het smeren van machines om ze goed te laten lopen. Men zei ook iemand met muntolie wrijven.
iemand een gouden pleister op de ogen leggen

Hem omkopen door hem als het ware te verblinden met geld.
iets over zilveren schijven doen lopen

Een schijf is het draaiende stuk in een katrol, waarover een touw loopt. Iets dat over veel schijven loopt, loopt over veel tussenpersonen. Zilveren schijven wil zeggen dat dat met smeergeld gepaard gaat. Boven is schijf een aanduiding voor muntgeld.
met zilveren kogels schieten

Zilveren kogels staat hier voor het gebruik van geld, dus omkoping.

38

Bedrog en misdaad
steekpenningen aannemen

Het woord steekpenning komt al voor in het Middelnederlands. Mogelijk komt het van '(iemand geld in handen) steken'.
tel de rechter geld, zo is zijn oor ontsteld

Geef de rechter geld, dan zal hij partijdig luisteren (naar getuigenissen en dergelijke). In 1632 opgetekend door Jacob Cats.

zwendel
daar kom ik wel van af, zei de bedelaar, en hij kreeg twee blanken voor een papiertje met luizen

Een blanke was een muntje van geringe waarde, maar nog altijd meer waard dan luizen.
een slechte canus in iemands femen foefelen

Iemand met een valse frank opzadelen. Een canus - het woord is bekend uit het Bargoens van Sint-Niklaas in Oost-Vlaanderen - is een frank; de herkomst van het woord is niet verklaard. Wellicht is het verwant met kaan 'halve cent'. Een feem is een 'hand' (feem hangt misschien samen met vijf, van de vijf vingers); foefelen is iets achterbaks doen.
geld snoeien

De randen van munten afsnijden, om het zo gewonnen metaal apart te gelde te maken.
iemand gouden bergen beloven iemand het geld uit de zak kloppen iemand het vel over de oren halen iemand kaal plukken iemand uitpersen

39

iemand (van) de huig lichten

Iemand de huig lichten was oorspronkelijk een medische ingreep: bij iemand de huig doen inkrimpen. De ontwikkeling van die betekenis naar 'iemand bezwendelen' is niet duidelijk. Misschien was de medische handeling puur kwakzalverswerk en dus ook al bedrog.
iemand van zijn geld afhelpen iemand zijn geld afluizen/afvlooien

Dus iemand van zijn geld afhelpen zoals je ook iemand van vlooien of luizen afhelpt.
men stopt hem valse munt voor echte in de hand

Hij laat zich gemakkelijk bedriegen.

40

Berucht

bekend zijn als de blinde oordjes

Een blind oordje was een muntstuk waarvan de beeldenaar was afgesleten, en dat dus door zeer vele handen was gegaan.
bekend zijn als een slechte halve cent/als slecht/kwaad geld

Overal bekend zijn, net als ondeugdelijk geld. Er was vroeger veel vals of anderszins ondeugdelijk geld in omloop. Varianten zijn: hij is er bekend als de kwade penning; hij is overal als de kwade dubbeltjes en hij is overal als de kwade duiten.
het is zo zeldzaam als een Uiterse duit

Een Uiterse duit is een Utrechtse duit, die, zoals alle duiten, volstrekt niet zeldzaam was. Men zei ook hij is bij de poort van Uitert aangekomen voor 'hij is nagenoeg arm' en een Uitertse reis 'een verre en moeilijke tocht'. Het gaat in deze gevallen om woordspelingen op uiterst 'het meest verwijderd, het verst afgelegen' en/of uitwaarts.

4i

Cent is een van de vijf muntnamen die het meest in de spreuken voorkomen. Deze munt is in 1816 ingevoerd als 1/100 deel van een gulden. De naam, die waarschijnlijk is ontleend aan het Amerikaans Engels, waar de cent in 1786 als 1/100 deel van de dollar was ingevoerd, gaat uiteindelijk terug op het Latijnse centum 'honderd'.
anderhalve cent

Schertsende benaming voor een verloofd of getrouwd paar waarvan de een veel groter is dan de ander.
bekend zijn als een slechte halve cent/als slecht/kwaad geld

Overal bekend zijn, net als ondeugdelijk geld (er was vroeger veel vals of anderszins ondeugdelijk geld in omloop).
centenbijter

Een van een reeks benamingen die aangeven dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.
dat is centenwijsheid en guldensdomheid

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
dat is een fluitje van een cent

Zeer gemakkelijk, het loopt van een leien dakje. De Zuid-Nederlandse variant is: het gaat gelijk een fluitje van een oordje.
42

Cent
de boer zit op een cent als de duivel op een ziel

In de stad werd vroeger veel neergekeken op de boeren, die werden afgeschilderd als ruw, onnozel of, zoals in dit geval, gierig.
de centen bijten hem

Het geld lijkt hem pijn te doen, zo snel wil hij het kwijt.
de centen dansen hem in de zak

Hij geeft zijn geld makkelijk uit.
de centen van je baas zijn niet van blik!

Je mag weieens wat harder werken voor je loon.
de centenpest hebben

Veel geld uitgeven. Ook: de geldpest hebben.
een cent met een gat geeft/heeft/brengt/vindt/wint altijd wat

Van een cent met een gat dacht men dat hij geluk bracht.
een cent voor je gedachten

Ontleend aan het Engelse a penny for your thoughts. Ook wel een kwartje voorje gedachten.
een paar losse centen hebben

Schertsend gezegd van iemand die over nogal wat kapitaal beschikt.
geen cent geven voor iemands leven

Hij is niet meer te genezen. Een voorloper is: geen oordje geven...
geen cent/scherf hebben om aan zijn kont te krabben

Met scherfwordt hier niet bedoeld een stuk van een gebroken voorwerp van glas, aardewerk of steen, maar een muntstukje ter waarde van een halve heller.
geen cent te makken/in Makkum hebben

De variant met Makkum is waarschijnlijk ontstaan door scherts of door volksetymologie, dat wil zeggen: doordat makken niet werd begrepen.

43

geen centje pijn

Niet de minste moeite, geen enkel ongerief. Indertijd onder Nederlandse soldaten in Indonesië een veel gebruikte uitdrukking, vaak met de toevoeging: het duurt nog maar een jaartje.
geen halve cent in de zak en drie gulden aan het voorhoofd

Gezegd van opscheppers.
geen rode (rooie) cent kosten

Rooie duidt op de kleur van het kopergeld. Ook: geen rooie rotcent.
geen twee deuntjes/liedjes voor één cent zingen

Wordt gezegd tegen iemand voor wie men zijn woorden niet wil herhalen.
hele en halve centen gespaard, worden gouden Willempjes waard

Een gouden Willempje was een in de jaren 1848-1853 geslagen gouden handelsmunt met de beeldenaar van Willem 11 of Willem 111.
het is geen cent waard het kan me geen cent schelen

Het kan me niets schelen. Varianten met hal, hol, moer of reet zijn inmiddels bekender.
het lijkt wel of het twee cent kost

Zo slordig ga je ermee om.
hij is op de centen hij is zo gemeen als katoen van een cent per el

Voor die prijs kon katoen alleen maar van zeer slechte ('gemene') kwaliteit zijn.
hij kan van een dubbeltje ook maar tien cent maken

Hij kan niet toveren met geld.
hij ligt met de centen, duiten

Hij heeft veel geld.

44

Cent
hij weet er geen cent van

Hij weet er niets van.
hij wil wel een kikker villen voor een cent

Hij doet alles voor geld.
hij zag eruit om hem een cent te geven

Hij zag er heel sjofel en hulpbehoevend uit.
hij zou een cent in tweeën bijten

Deze zegswijze geeft aan dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.
hij zou voor zich een cent op zijn blote kont laten slaan

Hij doet alles voor geld.
iemand voor geen cent vertrouwen

Dezelfde spreuk komt voor met cent, centiem, halve centiem en oordje.
iemand voor vijf cent (mee)geven

Iemand een pak slaag geven.
ik geef het geen cent minder/geen man en geen cent/geen rooie cent je zou hem je laatste cent in bewaring geven

Gezegd van iemand die er betrouwbaar uitziet, maar dat niet blijkt te zijn.
met centen zitten

Rijk zijn.
met zo'n knecht en vijf cent krijg je overal een pint bier

Die knecht is blijkbaar niets waard, want voor enkel vijf cent kreeg je die pint bier ook.

45

ook een cent in 't buultje doen

Ook een duit in het zakje doen. Buultje is 'buideltje'.
op een stuiver/vijf cent kijken

Zeer zuinig of gierig zijn.
op/om een (halve) cent doodblijven

Liever doodgaan dan ook maar het kleinste beetje geld laten glippen.
pas op de halve centen, het worden guldens in de zak

Anders gezegd: wees zuinig en spaar.
tot de laatste cent

Tot het uiterste.
vijf cent voor een stuiver geven

In Nederland is dit een correcte wisseltransactie. In Vlaanderen, waar de spreuk is opgetekend, was dit niet zo. Een cent was daar namelijk twee centiem, en een stuiver negen centiem! Het is dus vijf cent (tien centiem) voor een stuiver (negen centiem) geven, dat is te veel.
voor een cent gaat hij dood als hij voor een halfje weer levend kan worden

Gezegd van een vrek. Een halfje is een halve cent.
voor geen (halve) cent verstand hebben wat heeft hij nu met al zijn centen?

Wat baat hem zijn fortuin?

we zijn er geen cent wijzer van geworden

We hebben er niets aan verdiend.
zijn centen in het zout leggen

Veel geld verteren. De herkomst van deze zegswijze is niet duidelijk. Gewoonlijk betekent in het zout leggen of opzouten juist dat je iets goed bewaart.

46

Cent zijn centen zijn verre gezet Veris hier een eufemisme voor 'weg, kwijt'. zo plat als een cent Heel erg plat. zonder een cent zitten

47

Daalder

De munt- en waardenaam daalder is in diverse variaties internationaal wijd verbreid, met als bekendste de dollar, die in meer dan een dozijn landen, met Verenigde Staten voorop, als nationale munteenheid dient. De oorsprong van de naam ligt in de plaats Joachimsthal in Bohemen (nu Jachymov), waar in het begin van de 16de eeuw een zeer rijke zilvermijn werd ontdekt. Dit zilver werd onder verschillende namen gemunt, met als bekendste Joachimsthaler '(munt) uit het Joachimsdal'. Dit werd al spoedig verkort tot thaler, in het Nederlands daler, wat zich in de spreektaal ontwikkelde tot daalder, een term die al in 16de eeuw is gesignaleerd. Nederlandse leeuwendaalders waren in de 17de eeuw populair in de Britse kolonies in Noord-Amerika; mede onder invloed daarvan is ten slotte eind 18de eeuw de dollar, verdeeld in 100 cent, de officiële munt van de toen zelfstandige vs geworden. De oudste daalders waren zware zilveren munten van goede kwaliteit. Al in de 16de eeuw had de Nederlandse daalder een waarde van dertig stuivers, die in de waarde van 1,5 gulden tot op heden is gehandhaafd.
alsof wij benen voor een daalder konden kopen

Geld is niet alles.

48

Daalder
daaldertjes is goed geld

Zij zijn goed te vertrouwen. Een variant is: hij is zo goed als een dubbeltje. Daalders en dubbeltjes werden van goed allooi geslagen, dat wil zeggen: hun zilvergehalte was betrouwbaar.
dat is een rekening van Marie Boom: drie maal elf is een daalder en een slokkie voor de haalder

Dit werd in Vlaanderen gezegd als iemand in zijn nadeel rekende. 'Marie Boom zal wel een bestaand persoon geweest zijn,' aldus een spreekwoordenboek.
de eerste slag/klap is een daalder waard

Initiatief is belangrijk.
dien mij, zei de boer, ik heb daalders, mijn kleingeld is op

Een (korte) variant is: dien mij, ik heb de botjes. Een botje was een middeleeuws muntje ter waarde van een halve stuiver.
een achtentwintiger voor een daalder nemen

Met minder genoegen nemen. Een achtentwintig (er) was een zilveren munt ter waarde van 28 stuivers, een daalder was dertig stuivers waard, dus dit was een ongunstige transactie.
een goed begin is een daalder waard

Initiatief is belangrijk.
een presentatie als een haan van een daalder hebben

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Een haan van een daalder was een grote haan van koek of speculaas (die een daalder kostte).
een vlo in maart is een daalder waard

Opgetekend in het midden van de 19de eeuw. De betekenis is niet duidelijk.
een woord op zijn pas is een daalder waard

Timing is belangrijk. Op zijn pas betekent 'op het goede moment'.

49

het is vetpot, zei de jongen, mijn moeder heeft een daalder gewisseld

Schertsend gezegd wanneer moeder eens flink opdist. Voor het eerst opgetekend aan het begin van de 18de eeuw. Een daalder was toen een fors bedrag.
hij draagt een wisseldaalder bij zich

Op onbegrijpelijke wijze beschikt hij steeds over geld. De oorspronkelijke betekenis van wisseldaalder is 'daalder die als rekenmunt wordt gebruikt in betalingsverkeer per wisselbrief. In de volkstaal werd dit echter 'daalder die steeds terugkeert in de zak van de eigenaar wanneer hij is uitgegeven'.
hij heeft een presentatie als een bok van een daalder

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Een bok van een daalder was een grote bok van koek of speculaas (die een daalder kostte).
hij heeft een roldaalder in zijn zak

Geld dat je in de zak brandt, dat móet rollen.
hij kent de waarde van een daalder die er een van een ander moet lenen

Deze uitdrukking komt ook voor met kroon.
hij loopt als een paard van een daalder

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Een paard van een daalder was een groot paard van koek of speculaas (dat een daalder kostte).
hij zit op de daaldersplaats

Een dure plaats, in tegenstelling tot het schellinkje.
ik heb gegeten, zei de mof, alsof ik een daalder verteerd had, en het is maar negenentwintig stuivers en zeven duiten

Het vermeende voordeel is te verwaarlozen, want een daalder was dertig stuivers waard, dus één duit meer.

50

Daalder
ik zou het voor geen houten daalder willen

Ik zou het niet graag willen. Voor het eerst opgetekend in het midden van de 19de eeuw. Het gaat hier om een schertsende uitdrukking.
jouw gat en een daalder is een en dertig

Een daalder is dertig stuivers.
op de markt is je gulden een daalder waard

Soms met de toevoeging: maar meestal een kwartje. De uitdrukking gaat terug op een reclameslogan die in 1974 door Drs. P werd geridiculiseerd in een liedje over een man die op de markt met een gulden wil betalen voor iets dat ƒ 1,50 kost, want 'u weet dat één gulden vijftig op de markt een daalder heet'. Een en ander loopt uit op een ruzie die uiteindelijk de halve stad in puin legt.
wat geeft hem nog een daalder?

Gezegd van iemand die failliet is.
wie tot een stuiver geboren is, kan tot geen daalder komen

Hij ontgaat zijn lot nooit. Dezelfde spreuk komt voor met oordje/ stuiver, penning/stuiver, stuiver/dubbeltje en stuiver/gulden.
wie zich met een mijt tevreden stelt, zal men niet voor een daalder bedriegen

Sinds de 14de eeuw was een mijt in Vlaanderen een halve penning (1/24 groot). Munten van één mijt zijn na 1467 niet meer geslagen, maar als rekeneenheid bleef de mijt in gebruik. Uit de spreuken waarin mijt figureert, blijkt dat het om een munt van zeer geringe waarde ging: er gingen 48 mijt in een stuiver. Het woord mijt hangt samen met Germaanse woorden voor 'snijden', en was dus oorspronkelijk een afgesneden of afgehakt stukje (metaal).

5i

Dieren

alles waar het hoort, zei het varken, en hij kroop in de geldkast als er zaad in het bakje is, kan de vogel pikken

Alleen als er geld is, kan men zijn behoeften bevredigen. Zaad staat in diverse uitdrukkingen voor 'geld'.
als men schapen en een koe heeft, dan zegt ons iedereen goedendag

Als je geld hebt, word je geëerd.
apen en meerkatten hebben

Met apen en meerkatten wordt opgepot geld bedoeld. Dat aap de betekenis 'geld' kreeg, gaat waarschijnlijk terug op de uitdrukking ze zien op geen aap die uit Oost-Indië komen 'wie geld heeft is niet karig'. Een alternatieve verklaring gaat uit van spaarpotten in de vorm van apen. Waarom meerkat voor '(opgepot) geld' werd gebruikt, is niet duidelijk.
beter een penninkje in de hand dan een vogeltje dat vliegt boter/geld bij de vis

Contante betaling is vereist. Omdat vis niet zonder boter behoorde te worden opgediend. Deze zegswijze dateert uit de eerste helft van de 15 de eeuw.

52

Dieren
daar kom ik wel van af, zei de bedelaar, en hij kreeg twee blanken voor een papiertje met luizen

Een blanke was een muntje van geringe waarde, maar nog altijd meer waard dan luizen.
daar kun je geen labberdaan voor eten

Voor zo weinig geld kun je niets kopen. Labberdaan was gezouten kabeljauw en bijzonder goedkoop.
dat is als een gouden ring in een varkenssnuit

Dat is als een vlag op een modderschuit. Ontleend aan het bijbelboek Spreuken (11:22): 'Als een gouden ring in een varkensnuit, is een schone vrouw zonder verstand.'
de aap binnen/beet hebben

Geld bezitten. Deze uitdrukking dateert uit de 17de eeuw. Aap werd voor 'schat' gebruikt, vervolgens voor 'spaarpot' en daarna voor 'geld'. Waarschijnlijk gaan deze betekenissen terug op de uitdrukking ze zien op geen aap die uit Oost-Indië komen 'wie geld heeft is niet karig'.
de aap is gevlogen

Het geld is zoek.
de ekster heeft een mooie taal, maar uw geldje nam het helemaal

De babbelende ekster staat hier voor een handig pratende oplichter. De ekster staat bovendien bekend als een dief van blinkende spulletjes. Deze uitdrukking dateert al uit de 16de eeuw.
de bok is vet

Er is veel geld. Ook gezegd wanneer er een flinke erfenis te verdelen valt.
de gebraden haan uithangen

Grof geld verteren, de grote heer uithangen.
de honden kunnen wel tegen hem aan pissen

Om aan te geven dat iemand praktisch aan de bedelstaf is.

53

de kip met de gouden eieren slachten

Een vaste bron van inkomsten vernietigen om één keer flink profijt te behalen.
de penningen doen de paarden lopen

Met geld kun je alles bereiken.
een gouden zadel maakt geen ezel tot paard

Geld alleen kan iemand niet voornaam maken.
een paard en geld en goed Latijn, dat brengt een lanser over de Rijn

Een lanser was een met een lans bewapende cavalerist. 'Over de Rijn' staat hier voor 'de wijde wereld in'. Al in 1632 opgetekend door Jacob Cats.
een presentatie als een haan van een daalder hebben

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Een haan van een daalder was een grote haan van koek of speculaas (die een daalder kostte).
een ruiter zonder paard, een krijgsman zonder zwaard, een vrijer zonder baard zijn geen zeven oordjes waard

Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen.
een vlo in maart is een daalder waard

Opgetekend in het midden van de 19de eeuw. De betekenis is niet duidelijk.
er worden zo veel dubbeltjes aan een apenkont verkeken

Er wordt zo veel geld verspild.
geen berg zo steil of hoog, daar een ezel, met goud beladen, niet op klimt

Door middel van geld kan zelfs de domste mens tot de hoogste ambten geroepen worden.

54

Dieren
geld is vast geen goede waar, zei de boer, want mijn hond, die anders nogal loos is, wil het niet vreten

Loos betekent hier slim. In oude stadse zegswijzen werden boeren geregeld als dom of onbetrouwbaar afgeschilderd.
geld naar de honden smijten

Met geld smijten.
gouden vinken zijn de beste voorspraak

Gouden vinken of goudvinken zijn goudstukken.
het is een geldwolf

Een vrek.
het zijn rode vossen

Het is goudgeld. Al sinds de 15de eeuw wordt vos in de dieventaal gebruikt voor 'gouden munt'. Dit vanwege de vanwege de goudgele kleur van de vacht.
hij heeft een presentatie als een bok van een daalder

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Met een bok van een daalder wordt een grote bok van koek of speculaas bedoeld (die een daalder kostte).
hij heeft zoveel geld als een kikker/pad veren

Hij bezit totaal niets. Deze uitdrukking dateert uit de 17de eeuw.
hij is een dwaas, die om een haas, veel smarten lijdt, en nog een paard, veel ponden waard, de hals afrijdt hij loopt als een paard van een daalder

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Een paard van een daalder was een groot paard van koek of speculaas (dat een daalder kostte).
hij moest een paardje/ezeltje schijtgeld/poepgeld hebben

Een variant is: ik heb geen paardje kakgeld. Opgetekend in de 17de eeuw. In plaats van schijtgeld stond in de spreekwoordenverzamelingen doorgaans sch...geld.

55

hij ruikt naar het geld, als een koe/bok naar muskus/saffraan

Muskus is een kostbaar ingrediënt van parfums, saffraan een exotische specerij - koeien en bokken ruiken anders.
hij ruikt naar het geld, als een varken naar boomolie

Boomolie is 'olijfolie', een delicatesse waar varkens weinig mee van doen hebben.
hij stapt/kraait/kijkt als een haan van een stoter

Een haan van een stoter was een haan van koek of speculaas (die een stoter, 12,5 cent, kostte). Bij Wolff en Deken lezen we: 'Toen keek hy zo fier, als een Haan van een stooter, of een Prins van Biesjesdeeg.'
hij wil wel een kikker villen voor een cent

Hij doet alles voor geld.
iemand met apenmunt betalen

Iemand met mooie praatjes afschepen of voor de gek houden. Deze zegswijze zou teruggaan op de gewoonte om mensen die apen voor geld kunstjes lieten vertonen, zekere betalingen - bijvoorbeeld tolgeld - kwijt te schelden als zij de aap een voorstelling lieten geven.
ik heb geen paardje kakgeld

Het geld groeit me niet op de rug. Ook: ik heb geen paardj e-schijtgeld op stal.
ik heb ooit een muilezel gezien, die uw dukaten wel zou kunnen dragen

Schertsend: u bezit niet veel.
ik vertrouw hem voor geen vijfcents haring kweek je kinderen? kweek liever braadvarkens, dan heb je alle zes weken geld moed hebben als een schelvis van drie duiten

Geen moed hebben, laf zijn.

56

Dieren
moed hebben als een stoters paardje

Geen moed hebben, laf zijn. Een stoters paardje was een paardje van koek of speculaas (dat een stoter, 12,5 cent, kostte).
mooie vrouwen en paarden doen het geld wel verteren

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
om de veren is de pauw bemind

Als men geld heeft, wordt men geëerd.
veel gerucht maar weinig munt, zei de boer, en hij danste op een hoop mosselschelpen vossen uit hun holen jagen

Zakkenrollen. Vos wordt al sinds de 16de eeuw in de dieventaal gebruikt voor 'gouden munt', vanwege de goudgele kleur van de vacht.
wat maakt men al niet voor geld, zei de boer, en hij zag een aap op het venster zitten

wie veel rode vossen heeft, leeft in de meeste eer
ze ruiken naar duimkruid als een koe naar muskaat

Duimkruid is het 'kruid' dat je met de bekende duimbeweging telt, dus geld. En een koe ruikt niet naar exotische specerijen, dus 'ze' hebben geen cent.
ze zien op geen aap, die uit Oost-Indië komen

Geld in overvloed hebben. Wie uit een land vol apen komt, hoeft niet op een aapje te kijken. Deze uitdrukking, die uit de 17de eeuw dateert, leidde tot het gebruik van aap in de betekenissen 'schat', 'spaarpot' en 'geld'.
zijn goudvinken zijn gevlogen

Zijn geld is op. Goudvink is een oud woord voor 'gouden munt'. Figuurlijk wordt het onder meer gebruikt voor 'rijk persoon, van wie veel te halen valt'.

57

zijn schaapjes op het droge hebben

Rijk zijn. Wie zijn schapen op het droge had, had zijn belangrijkste bezittingen in veiligheid gebracht. De uitdrukking komt al in de 16de eeuw voor.
zijn vosjes liggen dik

Hij heeft veel geld liggen. Vos is Bargoens voor 'gouden munt',
zwaluwen in het dak, guldens op zak

Volgens een algemeen verbreid volksgeloof brengt de zwaluw geluk.

58

Domheid

het is een zot, al had hij ook een huis vol geld hij is een dwaas, die om een haas, veel smarten lijdt, en nog een paard, veel ponden waard, de hals afrijdt hij is zo effen als een stoter

Zo afgesleten, in verstand of gedrag, als een oude munt. Een stoter is een oude zilveren munt ter waarde van 12,5 cent.
hulde, hulde, geef die vent een gulden

Gezegd als iemand iets doms opmerkt.
op iets staan kijken als een uil op een kluit

Zeer dom staan te kijken. Een kluit was vroeger in België een muntstuk van vijf of tien centiem. Misschien zijn er kluiten geweest waarop een uil stond afgebeeld.
van de dertig penningen niet gehad hebben

Niet al te snugger zijn.
voor geen (halve) cent verstand hebben wie je dat geleerd heeft, heeft zijn geld niet gestolen zijn schoolgeld moeten terughalen

Gezegd wanneer iemand iets doet dat onhandig of belachelijk is.

59

Dooddoeners

alle guldens drie maanden/alle guldens zes weken

Een onzinspreuk om aan te geven dat iemand weinig of niets verdient.
als het geld op is, is het kopen/koken gedaan als het schip met dubbeltjes langskomt

Dus: nooit. Bijvoorbeeld als antwoord op de vraag wanneer iets gekocht wordt.
als hij trakteert... is het op hagelslag

Want hij is zo gierig als wat.
als je dat doet, zal ik je een schelling laten zien

Wordt wel schertsend beloofd om iemand tot iets onbenulligs over te halen, waarna hij de toegezegde schelling inderdaad alleen te zien zal krijgen. Een schelling is een oude munteenheid, die uiteenlopende waarden heeft gehad.
als je geen kop hebt, kun je niet uit het raam kijken

fe kunt niets kopen zonder geld.
beter van een stad dan van een dorp

Laat degeen die het meeste geld heeft maar betalen.

60

Dooddoeners
dat is het begin van één miljoen

Ironisch gezegd wanneer iemand een dubbeltje vindt. Varianten zijn: het begin is er of zo is Rockefeller óók begonnen.
dat is zo rond als een snaphaan

Zo klaar als een klontje. De snaphaan is een zilveren munt die in 1509 werd ingevoerd door hertog Karei van Gelre. De beeldenaar toont de hertog te paard in harnas. Eigenlijk waren dit zilveren schilden ter waarde van zes Gelderse stuivers. Snaphaan, dat 'bereden rover' betekende, was een weinig vleiende, aan het Duits ontleende bijnaam voor de Geldersen.
de centen van je baas zijn niet van blik!

Je mag wel eens wat harder werken voor je loon.
de dominee preekt maar ééns voor zijn geld

Wordt gezegd tegen iemand voor wie men zijn woorden niet wil herhalen. Varianten zijn: de paap (pastoor) doet geen twee missen voor één geld en geen twee deuntjes/liedjes voor één cent zingen.
de rijken hebben het meeste geld

Opgetekend in de 15de eeuw.
denk je, dat ik het geld van een boompje kan schudden/plukken? een cent voor je gedachten

Ontleend aan het Engelse a penny for your thoughts. Ook wel een kwartje voorje gedachten.
één knaak tachtig

Een onzinbedrag, een knaak is immers ƒ 2,50. De oudste tekst waarin de muntnaam knaak tot dusverre is aangetroffen, dateert van 1689. Vermoedelijk is er verband met Rotwelsch (Duits Bargoens) Knök, Kneks, maar verder is de etymologie onbekend.
een kwartje, als je op zijn broekspijpen trapt

Dit zegt men wanneer iemand een broek draagt met veel te korte pijpen. Alle spreekwoorden en zegswijzen met kwartje zijn elders in de rubriek 'kwartje' bij elkaar gezet.

61

er worden zo veel dubbeltjes aan een apenkont verkeken

Er wordt zo veel geld verspild.
geen dank, liever een tientje geen twee deuntjes/liedjes voor één cent zingen

Wordt gezegd tegen iemand voor wie men zijn woorden niet wil herhalen.
geld (alleen) maakt niet gelukkig

Voor het eerst aangetroffen in de tweede helft van de 19de eeuw, in het werk van Jacob van Lennep: 'Het geld maakt iemand immers niet gelukkiger.' Soms met de toevoeging: maar het is gemakkelijk als je het hebt. Een andere variant is: geld maakt niet gelukkig, maar met een beetje geld ben je wel een beetje minder ongelukkig.
geld als hooi, maar 't is zo lang niet

Dit zei men in Gent en omgeving als antwoord op de vraag: 'Heb je geld?' Bedoeld werd: ja, maar zeer weinig.
geld speelt geen rol

Vertaling van het Duitse Geld spielt keine Rolle, een uitdrukking die in 1902 voor het eerst is opgetekend. De Nederlandse vertaling was al omstreeks 1930 in gebruik, maar de uitdrukking werd algemeen bekend als stoplap van Olivier B. Bommel in de Tom Poes-albums van Marten Toonder. In 1968 verscheen een bundel getiteld Geld speelt geen rol, die vele herdrukken beleefde.
geld zaaien; je moet niet zaaien, het zal niet groeien

Gezegd tegen iemand die per ongeluk geld laat vallen.
heb je geld, dan kun je huizen bouwen, heb je 't niet, dan moet je stenen sjouwen heb je het geld bij je? dan hoef je het niet te halen het geld groeit mij niet op de rug

Opgetekend aan het begin van de 18de eeuw, in de vorm het wast my op den rugge niet.
62

Dooddoeners het geld is een groot gemak in een huishouding het geld ligt niet op straat het geld ligt niet voor het oprapen/opscheppen het geld vliegt je portemonnee uit het lijkt wel of het twee cent kost Zo slordig ga je ermee om. hij is aan zijn geefklieren geopereerd Want hij is zo gierig als wat. hij is van de behoudende partij Hij is gierig. hij valt nog liever van zijn geloof ... dan dat hij iets geeft. honderd boeren en een dertiendhalf Bedoeld is: honderd boeren (oprispingen) en twaalfenhalve stuiver in het kerkenzakje; gezegd wanneer iemand er maar wat op los kletst. Een dertiendhalf was in de late Middeleeuwen een Hollandse zilveren munt. hulde, hulde, geef die vent een gulden Gezegd als iemand iets doms opmerkt. ik heb het munt niet aan mijn kont hangen ja, ik zal voor jou een geldboompje planten! je denkt toch niet dat ik een geldboompje in de tuin heb staan! je kunt je gulden maar één keer uitgeven

63

kan je niet een oud wijf vinden dat voor een dubbeltje een moord doet?

Gezegd wanneer iemand alles te duur vindt.
klappen zijn geen oordjes (want als klappen oordjes waren, ik klapte mijn zak vol)

Woorden kosten niets. Met een woordspeling op klappen 'praten'. Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen.
kopen kost geld loop heen hutselen, dan kun je duiten verzamelen

Onzinnige zegswijze om iemand weg te sturen.
menig heeft te veel en niemand heeft genoeg nou nou, die kakt ook niet voor elven en dan is het nog dun

Hij is zo gierig als wat.
rijk van rekenen maar arm van tellen u gaat door voor de duizend gulden

Deze dooddoener is ontleend aan het VARA-televisieprogramma Weet wel watje waagt van Theo Eerdmans uit 1959. Vier specialisten moesten in vier etappes allerlei vragen beantwoorden. De quiz eindigde met de 1000-guldenvraag. In 1961 heette Eerdmans' quiz Willens en Wetens. Latere quizzen van hem kregen steeds weer nieuwe titels: Wereldwijs en Tel uitje winst (1964-1967). Hierin was het daar maar geld mee bedrag 999 was maximaal te winnen te verdienen!gulden. Opgetekend in de 18de eeuw.
wees gewaarschuwd jonge held, mooie meisjes kosten geld!

Gezegd tegen een jongen die voor 't eerst met een meisje uitgaat.
werken doet de beurs sterken

64

Dooddoeners wie alles wist, kwam met vier duiten door de wereld Voorloper van als je alles van tevoren wist, kwam je met een kwartje de wereld rond. wie geld heeft, kan wat kopen wie het breed heeft, laat het breed hangen Schertsend gezegd wanneer iemand betaalt of veel uitgeeft. zeven stuivers en een oude hoed Goedkoop.

65

Dubbeltje

De naam dubbeltje is sinds het begin van de 17de eeuw in zwang voor munten ter waarde van twee stuivers. Aanvankelijk zei men dubbele stuiver.
al naar het valt, zei de jongen, en zijn stuk viel in een hoop met dubbeltjes alles komt terecht, behalve de potloodjes en verzopen dubbeltjes

Opgetekend in het midden van de 19de eeuw.
als het schip met dubbeltjes langskomt

Dus: nooit. Bijvoorbeeld als antwoord op de vraag wanneer iets gekocht wordt.
als ik mijn verzopen dubbeltjes nog eens terughad

Nooit.
dat gaat goed, zei Maaitje van Overschie, en zij kreeg een zoen met een dubbeltje erbij dat is een dubbeltje op zijn kant

Het is erg onzeker hoe het zal aflopen. Ook dat is een stuivertje op zijn kant.
dat wordt een dubbeltjeskwestie

Dat wordt gezeur over kleinigheden.
66

Dubbeltje dubbeltjes en kwartjes Weinig, een klein bedrag, kleingeld. een dubbeltje kan raar rollen Het kan wel anders aflopen dan je verwacht. De uitdrukking komt ook voor met stuiver of kwartje. een dubbeltje op het zand zetten Dat is: er een borrel voor drinken. Zo raak je 't kwijt, zoals het in het zand verloren raakt. een dubbeltje tweemaal om moeten draaien er worden zo veel dubbeltjes aan een apenkont verkeken Er wordt zo veel geld verspild. het geld valt wonderlijk, zei losse Dirk; hij verloor een dubbeltje op de draaibrug, en vond het in de grote kerk terug het komt terecht, beter dan verzopen dubbeltjes, of je moet met de dochter van de kastelein trouwen hij heeft de dubbeltjes Hij heeft het geld. hij is overal als de kwade dubbeltjes Overal bekend zijn, net als ondeugdelijk geld. hij is zo beschaamd als een bedelaar voor een dubbeltje Hij is onbeschaamd. hij is zo goed als een dubbeltje Hij is goed te vertrouwen. Een variant is: daaldertjes is goed geld ('zij zijn goed te vertrouwen'). Daalders en dubbeltjes werden van goed allooi geslagen, dat wil zeggen: hun zilvergehalte was betrouwbaar. hij kan van een dubbeltje ook maar tien cent maken Hij kan niet toveren met geld.

67

hij keert een dubbeltje driemaal om en gooit een gulden weg

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
hij loert op de dubbeltjes

Hij is gierig.
hij loopt dubbeltjes te zoeken

Gezegd van iemand die voorovergebogen loopt en naar de straatstenen kijkt.
ik zou je in goud laten beslaan, als het een dubbeltje per pond kostte

In goud laten beslaan is 'een gouden omhulsel geven'.
je bent lief, maar statendubbeltjes zijn nog beter

Geld gaat boven alles. De statendaalder werd in 1577 voor het eerst geslagen en is genoemd naar de (Algemene) Staten; statenduhheltje is verder niet gevonden, maar het zal om een munt uit dezelfde periode gaan.
kan je niet een oud wijf vinden dat voor een dubbeltje een moord doet?

Gezegd wanneer iemand alles te duur vindt.
keer eerst je dubbeltje nog eens om

Doe maar zuinig.
laat je niet aan een dubbeltje kennen

Laat niet om één dubbeltje blijken wat een gierigaard je bent. Ook gezegd met betrekking tot een verborgen trek van iemands karakter. In plaats van dubbeltje zei men ook frank of gulden.
niet op een dubbeltje kijken

Makkelijk geld uitgeven.
ook een dubbeltje op de visbank hebben

Ook wat in te brengen hebben. De visbank is de toonbank van de visverkopers. Wat die ermee te maken heeft, is niet duidelijk.

68

Dubbeltje
op de dubbeltjes passen

Niet verkwistend zijn.
rijkdom en een dubbeltje kennen elkaar

Zuinigheid voert tot rijkdom.
voor een dubbeltje op de eerste rang/rij willen zitten

Het beste willen voor weinig geld. Pas opgetekend in de 20ste eeuw. Een variant is: voor een kwartje naar Amsterdam willen.
wie tot een stuiver geboren is, kan tot geen dubbeltje komen

Hij ontgaat zijn lot nooit. Dezelfde spreuk komt voor met oordje/ stuiver, penning/stuiver, stuiver/daalder en stuiver/gulden.
zo plat als een dubbeltje

Heel erg plat. Gezegd van vrouwen die geen boezem hebben. In plaats van dubbeltje zegt men ook pannenkoek, slijpplank of scholletje. De Fransen zeggen plate comme une punaise of sole 'zo plat als een wandluis, zeetong'.

69

Duit

De muntnaam duit, die vroeg in de 15de eeuw voor het eerst is opgetekend, gaat terug op een woord met de betekenis 'iets dat is afgesneden', dus een stukje metaal dat van een groter geheel is afgesneden. Duit is een van de vijf muntnamen die in de spreuken het meest voorkomen. De waarde van de duit, die tot in de 18de eeuw in gebruik is gebleven, was steeds 1/8 stuiver (1/4 groot). Tot 1573 waren deze munten van zilver, daarna van koper. arme lieden zonder duiten vliegen overal buiten Zij worden overal de deur uitgegooid. beter een duit in de hand dan een blanke in de kant Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard. beter een duit in eer, dan een gulden in oneer daar win je geen duit mee Je schiet er niks mee op. dat heeft hem een aardige/lieve duit gekost dat is lelijk/bitter goed, geef mij nog voor vier duitjes Schertsend gezegd door iemand die nóg wel een borreltje wil.
70

Duit
de duiten bijten hem

Het geld lijkt hem pijn te doen, zo snel wil hij het kwijt.
duit noch malie hebben

Een malie was een muntje van geringe waarde.
duiten en een goede consciëntie (een goed geweten) zijn broertjes en zusjes

Wie geld heeft, heeft geen last van zijn geweten.
duiten schaven

Gierig zijn.
een duit gezocht en een oordje verloren

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
een duit met gaatjes

Iets wat helemaal niets te betekenen heeft. Een duit is al weinig waard, een duit met gaatjes nog minder.
een (hele) bom duiten bezitten een mooi duitje aan iets verdienen een slechte bedelaar, die geen duit kan missen een ton goud wensen vult de beurs net zo weinig en doet de schouw niet meer roken, dan een duit wensen

Weinig wensen is net zo dwaas als veel wensen.
een winkelier moet zowel opstaan voor een duit als voor een stuiver

Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. Al opgetekend in de 18de eeuw.
ergens een slordige duit aan verdienen geen duit in de mars hebben

De mars was de korf met koopwaar die een kramer op zijn rug droeg (vandaar ook: marskramer).

7

1

grote ruiten zonder duiten

Mogelijk een toespeling op de tijd dat grote glazen ruiten een luxe waren. Iemand die de schijn ophield, had wel grote ruiten, maar geen geld.
het is een ouwe duitendief

Het is een vrek.
het is geen duit waard het is zo waar als een duit een duit is

Het is beslist waar.

het is zo zeldzaam als een Uiterse duit

Een Uiterse duit is een Utrechtse duit, die, zoals alle duiten, volstrekt niet zeldzaam was.
het zit er zo dun op als het goud op een duits klootje

Een duits klootje is een balletje ter waarde van een duit, dus heel goedkoop. Wat voor balletje oorspronkelijk bedoeld werd, is niet duidelijk.
hij denkt dat al zijn duitjes stuivers waard zijn

Hij handelt onverstandig.
hij heeft de duiten beet en laat ze fluiten

Hij weet zijn geld goed te besteden.
hij heeft veel kak, maar weinig duiten

Hij is een opschepper.
hij is op de duiten/penning, als de duivel op een zieltje

Hij is op de penning.
hij is overal als de kwade duiten

Hij is overal bekend, net als ondeugdelijk geld. Er was vroeger veel vals of anderszins ondeugdelijk geld in omloop.

7

2

Duit
hij ligt met de centen/duiten

Hij heeft veel geld.
hij schijt, zei Jeroen, alsof hij marsepein voor een duit kocht

Voor het eerst opgetekend in de 17de eeuw. In plaats van schijt stond in de spreekwoordenverzamelingen doorgaans sch....
hij wil ook een duit in de vedel steken

Hij wil ook iets onbelangrijks bijdragen, te berde brengen. Een vedel was een strijkinstrument, een voorloper van de viool. Misschien is deze uitdrukking afgeleid van de gewoonte om muzikanten te belonen door geld in hun instrument te stoppen.
hij zet zijn laatste duit op het spel hij ziet eruit, dat men hem zijn zondagsduiten in bewaring zou geven

Zo'n vroom gezicht heeft hij (maar hij is niet te vertrouwen),
hij zou een duit in tweeën bijten

Geeft aan dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.
hij zou niemand een duit schuldig blijven als hij met leugens zijn schulden kon betalen

Hij is rijk aan leugens.
iemand van vier duiten terug geven

Iemand flink de waarheid zeggen, op zijn nummer zetten.
ik geef er geen koperen duit voor ik heb gegeten, zei de mof, alsof ik een daalder verteerd had, en het is maar negenentwintig stuivers en zeven duiten

Het vermeende voordeel is te verwaarlozen, want een daalder was dertig stuivers waard, dus één duit meer.
ik zou je in goud laten beslaan, als het een duit per pond kostte

In goud laten beslaan is 'een gouden omhulsel geven'.

73

Jan op een duit

Gierigaard.
je kon Hercules eerder zijn kolf uit handen rukken dan een duitje uit zijn beurs

Kolf betekent hier 'knuppel'. De mythische figuur Hercules was buitengewoon sterk.
je kunt alle dagen geen hondsvot wezen, zei gierige Gerrit, en hij gooide een duit te grabbel je kunt hem eerder een tand uit zijn mond trekken, dan een duit uit zijn zak kloppen

Hij zit op zijn geld.
je maakt de jonker, en hebt penning noch duit bij te zetten

Gezegd van een opschepper.
kruis noch duit hebben

Blut zijn.
loop heen hutselen, dan kun je duiten verzamelen

Onzinnige zegswijze om iemand weg te sturen.
met de duiten zitten

Geld hebben.
moed hebben als een schelvis van drie duiten

Geen moed hebben, laf zijn.
om duits-waar een half uur dingen

Duits-waar zijn artikelen van een duit (niet: uit Duitsland), dus heel goedkoop; daar moet je geen halfuur over onderhandelen.
ook een duit in het zakje doen

De uitdrukking kent veel variaties met andere geldstukken en attributen, bijvoorbeeld: ook een cent in het buultje doen; een loodje in het zakje leggen, een oordje in de schaal te leggen hebben; hij wil ook een duit in de vedel steken.

74

Duit
op/om een duit doodblijven

Liever doodgaan dan ook maar het kleinste beetje geld laten glippen.
van duit tot stuiver

Tot in de kleinste bijzonderheden, als in een rekening waarin de kleinste bedragen worden verantwoord.
Venus en Bacchus zijn rare guiten, ze maken het hoofd op hol, en plunderen de duiten

Venus symboliseert liefde en seks, Bacchus de drank. Beide figuren gaan terug op de klassieke mythologie.
voor zeven duiten koopt men niet veel wie alles wist, kwam met vier duiten door de wereld

Voorloper van als je alles van tevoren wist, kwam je met een kwartje de wereld rond.
wie een duit versmaadt, is de gulden niet waard

Variant op: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.
zijn stuivers zijn negen duiten waard

Een gewone stuiver is acht duiten waard, dus hij is een geluksvogel.
zo moet het binnenkomen, zei de koopman, en hij werd voor een duit aan krijt uit bed gebeld

Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.
zo plat als een duit

Heel erg plat.

75

Duivel, bijgeloof

de boer zit op een cent als de duivel op een ziel

In de stad werd vroeger veel neergekeken op de boeren, die werden afgeschilderd als ruw, onnozel of, zoals in dit geval, gierig.
de duivel schijt altijd op de grootste hoop

Wie al geld heeft, krijgt er nog meer bij.
de geldduivel heeft hem beet

Hij is gierig.
duivels zak is nooit vol

Een gierigaard heeft nooit genoeg.
een cent met een gat geeft/heeft/brengt/vindt/wint altijd wat

Van een cent met een gat dacht men dat hij geluk bracht.
het geld brengt de mens in de hel, en blijft er zelf buiten

Om het geld verricht menigeen slechte daden, maar het geld blijft in de wereld.
hij draagt een wisseldaalder bij zich

Op onbegrijpelijke wijze beschikt hij steeds over geld. De oorspronkelijke betekenis van wisseldaalder is 'daalder die als rekenmunt wordt gebruikt in betalingsverkeer per wisselbrief. In de volkstaal werd dit echter 'daalder die steeds terugkeert in de zak van

76

Duivel, bijgeloof de eigenaar wanneer hij is uitgegeven'. Zo'n geldstuk werd ook een duivelspenning, een hekelpenning of een heksenpenning genoemd.
hij is op de duiten/penning, als de duivel op een zieltje

Hij is op de penning.
hij lijkt op de kwade penning: hij komt altijd weer thuis hij zou de drommel/duivel voor geld dienen

Hij doet alles voor geld. Drommel is een eufemistische benaming voor duivel (ook in om de drommel niet 'zeker niet, in 't geheel niet').
voor geld kan je de duivel laten dansen

Met geld kun je alles gedaan krijgen.
waar geld is, daar is de duivel, en waar geen geld is, daar is hij tweemaal

Geld zorgt voor onvrede, maar armoe nog twee keer zoveel.
waar geld is, duivel is; waar geen geld is, duivel en zijn moeder is

Het gaat hier om een Vlaams spreekwoord.
wie geld heeft, krijgt de droes (duivel) te vriend, en alle hoeden tot zijn devotie

Wie geld heeft maakt veel vrienden, en iedereen let erop dat hij de centen eerlijk over hen verdeelt.
zijn zakken zijn van duivelsleer, zij kunnen geen kruis houden

Bedoeld is het kruis - symbool van het geloof - dat op oude munten staat, waartegen de duivel machteloos zou zijn.
zwaluwen in het dak, guldens op zak

Volgens een algemeen verbreid volksgeloof brengt de zwaluw geluk.

77

Duur

daar hangt veel geld aan dat gaat boven mijn prik

Dat is voor mij te duur. Prik is etymologisch niet verklaard,
dat hakt erin

Dat slaat een gat in de geldmiddelen,
dat heeft hem een aardige/lieve duit gekost dat is een kies uit je mond

Een grote, pijnlijke ingreep, maar dan in de portemonnee,
dat kost baarden

Een baard was in België oorspronkelijk een frank met daarop het baardig hoofd van koning Leopold n (1865-1909).
dat kost heel wat hanskes

Dat kost veel geld. Hans of hanske is een oude volksnaam voor een (van oorsprong) koperen muntstuk. Het is gebruikt voor 'oordje', maar later - onder meer in de dieventaal - ook voor 'cent' of'geld'. Vooral in Zuid-Nederlandse bronnen komt men het tegen in de spelling ans (in veel Vlaamse dialecten wordt de h ingeslikt). In Gent zei men trouwen voor de ans 'om het geld'. Moeten ansen of hansen betekent 'het gelag moeten betalen'.

78

Duur
dat kost klauwen met geld dat ruikt naar de mosterd

Net als bijvoorbeeld peper werd mosterd vroeger in zegswijzen gebruikt om aan te geven dat iets duur is. Mogelijk is deze zegswijze beïnvloed door dat ruikt naar de mutsaard (brandstapel), die betekent dat iets zweemt naar ketterij.
familieraad kost geld

Overleg met familieleden kost veel tijd, en dus geld (want time is money).
handen vol met geld kosten het geld vliegt je portemonnee uit het ruikt naar geld

Dat is duur! Opgetekend in de 19de eeuw.
het vreet geld iemand een kies trekken

Iemand diep in de beurs tasten of anderszins iets akeligs aandoen,
iets tegen de penning zestien verkopen

Zeer duur verkopen, zinspelend op de hoge rente van 6,25 procent die 'op de penning zestien' heet.
kinderen zijn een zegen des Heren, maar ze houden de noppen van de kleren

Kleding waarvan de noppen ('knopen') zijn afgesleten is een bewijs van armoede of mindere welvaart. Kortom: kinderen kosten veel geld.
naar de peper ruiken

Duur zijn; peper was vanouds een kostbaar goedje, dat dus werd geassocieerd met rijkdom.

79

wees gewaarschuwd jonge held, mooie meisjes kosten geld!

Gezegd tegen een jongen die voor 't eerst met een meisje uitgaat. Opgetekend in de tweede helft van de 20 ste eeuw.
wie wil bouwen, moet twee penningen voor één tellen

Waarschijnlijk wil dit zeggen dat bouwwerken gewoonlijk tweemaal zo duur uitvallen als begroot.
zo veel geld bezit ik met mijn hele familie niet

Om schertsend aan te geven dat iets wel erg duur is.

80

Geld is almachtig, geld opent alle deuren

al geld, wat de klok slaat alleen het geld maakt de held alleen met geld zal hij worden geveld als geld spreekt, zwijgt elk als 't geldje in het kistje klinkt, het zieltje uit de hel/in de hemel springt

Dit van oorsprong Duitse rijmpje, dat in het Nederlands pas in de 19de eeuw is opgetekend, verwijst naar de rooms-katholieke aflaathandel in het begin van de 16 de eeuw, die mede de aanzet gaf tot de Hervorming. Aflaten boden kwijtschelding van de straffen die een zondaar moest ondergaan alvorens in de hemel te kunnen komen.
ben je hoer/schelm of ben je dief, heb je geld, men heeft je lief beschimmeld geld maakt edel

Zelfs beschimmeld geld is goed genoeg om iemand voor edel te doen doorgaan. Het tegenovergestelde wordt gezegd met een leren beurs zal geen zijden beurs worden, al doet men er veel geld in.
de liefde doet veel, maar het geld doet alles

81

de misslagen der geneesheren worden met aarde bedekt, de gebreken der rijken met geld de penningen doen de paarden lopen

Met geld kun je alles bereiken.
de penningen hebben altijd de muts in de hand om oorlof (= vrijheid) te nemen

Dit betekent vermoedelijk dat wie over geld beschikt, zich alles kan veroorloven. De zegswijze dateert uit de 16de eeuw.
des pennings reden klinken best

De taal van het geld klinkt het duidelijkst.
door gouden ketenen verbonden zijn

Werd gezegd van mensen die om het geld met elkaar getrouwd zijn.
duiten en een goede consciëntie (een goed geweten) zijn broertjes en zusjes

Wie geld heeft, heeft geen last van zijn geweten.
een zilveren hamer verbreekt ijzeren deuren

(Zilver)geld is machtiger dan ijzer.
eerst naar het geld gevraagd, en dan van deugd gewaagd

Gewagen betekent hier 'spreken over'.
geen berg zo steil of hoog, daar een ezel, met goud beladen, niet op klimt

Door middel van geld kan zelfs de domste mens tot de hoogste ambten geroepen worden.
geen zo sterke en hoge wallen, die men met geen geld doet vallen

Geld overwint iedere afweer.
geld beheert/regeert de wereld

82

Geld is almachtig, geld opent alle deuren
geld bindt de mond toe

Met geld kun je iemand het zwijgen opleggen.
geld dekt alles geld doet altijd alles: wat is, wat was, wat wezen zal geld gaat boven recht geld, geweld en gunst breekt recht, zegel en kunst

Bezit, macht en relaties zijn van doorslaggevender betekenis dan rechtschapenheid en bekwaamheid.
geld heeft/doet geweld

Geld is macht. Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
geld is een sleutel die op alle sloten past geld is de boodschap

Ieder vraagt alleen maar geld.

geld is de rechte liefde Geld is de ware liefde. Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
geld opent alle deuren

Aan het eind van de 19de eeuw voor het eerst aangetroffen, in Vlaanderen, in de vorm geld doet alle deuren open. Het beeld is echter al ouder. Zo dateert de uitdrukking laat de man doorgaan, hij heejt geld gegeven al van het begin van de 18de eeuw.
geld maakt alles goed geld raakt nooit uit de mode geld vermag (verantwoordt) alles

Voor geld krijgt men alles gedaan.

83

geld-redenen klinken best

In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
giften en gaven breken zelfs de steenrotsen God is de liefste en de penning is de waardste

Een spreekwoord uit de 16de eeuw.

heb je geld, dan heb ik liefde

Geld opent alle deuren.
het gaat om het geld tot aan de hemelse poort het geld brouwt, bouwt, trouwt en houdt

Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.

het geld, dat stom is, maakt recht, dat krom is, en sneêg (snedig = scherp, slim) dat dom is

Onrechtmatigheden worden over het hoofd gezien bij iemand die geld heeft. Deze uitdrukking dateert uit de 16de eeuw. Een moderne variant is: het geld dat stom is, maakt recht wat krom is.
het geld is de god der wereld het geld maakt de man

Een 17de eeuwse voorganger van de kleren maken de man.
het geld maakt de markt het geld regeert het land het geld (zij) is de bruid, waarom gedanst wordt

Alles draait om geld.
het zijn rode vossen

Het is goudgeld. Al sinds de 16de eeuw werd vos in de dieventaal gebruikt voor 'gouden munt'. Dit vanwege de vanwege de goudgele kleur van de vacht.

84

Geld is almachtig, geld opent alle deuren
hetzij paap hetzij geus, geld is overal de leus

Voor het eerst opgetekend in 1550. Paap was onder de protestantse geuzen een scheldnaam voor 'rooms-katholiek'. Dit scheldwoord is waarschijnlijk indirect afgeleid van het Griekse pap(p)as dat 'vader', maar ook 'geestelijke' betekent.
is de juffer krom of blind, geld maakt dat ze een vrijer vindt je bent lief, maar statendubbeltjes zijn nog beter

Geld gaat boven alles. De statendaalder werd in 1577 voor het eerst geslagen en is genoemd naar de (Algemene) Staten; statendubbeltje is verder niet gevonden, maar het zal om een munt uit dezelfde periode gaan.
kom je om/aan zijn geld, dan kom je om/aan zijn leven men kent overal geld met een handvol geld komt men verder dan met een zak recht

Met bezit bereikt men meer dan met gerechtigheid.
met een zilveren sleutel opent men alle deuren met geld geraak je aan alle dingen

Met geld is alles te krijgen. Voor het eerst opgetekend in de 16de eeuw.
met geld in de zak ben je overal thuis met geld kun je alles goedmaken met splinters is men machtig

Met geld is men machtig. Splint, splinter, ook wel splenters, betekent 'geld'. Het woord, dat al in de 17de eeuw vrij gangbaar was, is in de loop van de 20ste eeuw in onbruik geraakt. De herkomst van deze woorden in deze betekenis is onduidelijk.

85

om de poen is 't al te doen

Poen gaat misschien terug op ponem, een Jiddisch woord voor 'gezicht', namelijk het portret op de munt.
om gelds wil is het al te doen partij trekken voor de geldzak pennings reden wordt aanbeden

De taal of de argumenten van het geld staan in hoog aanzien,
schijt eer, geld is de man

Voor het eerst opgetekend in de 17de eeuw. In plaats van schijt stond in oude spreekwoordenverzamelingen doorgaans sch....
uitheems geld maakt vreemden tot vrienden van nee wordt ja met geld gemaakt, en 't ja door hetzelfde nee geraakt

Met geld kun je nee tot ja maken, en ja tot nee. Een zegswijze uit het midden van de 19de eeuw.
vier dingen laten zich niet verbergen/houdt men niet onder met geweld: vuur, geld, hoest en liefde

Een i6de-eeuws spreekwoord.
voor geld gaat zelfs de hemel open

Geld opent alle deuren. Het tegengestelde wordt beweerd in: geld opent alle sloten, behalve die van de hemel. Beide zegswijzen dateren overigens uit het begin van de 18de eeuw.
voor geld is alles te koop voor geld kan je de duivel laten dansen

Met geld kun je alles gedaan krijgen.
voor klinkende munt heeft iedereen open oren

Geld opent alle deuren.

86

Geld is almachtig, geld opent alle deuren
voordat je je geld kwijt bent, vind je vrienden in overvloed waar munt klinkt, leent men gehoor, handen en voeten wanneer de sleutel is van goud, waar is dan een slot dat houdt? wat kan het lieve geld niet doen wat wordt er al niet gedaan om dat smerige geld! weg consciëntie (geweten), als het geld kost wie de kluiten heeft mag spreken

Kluiten zijn hier een onbepaalde hoeveelheid geld. Een kluit was vroeger in België een muntstuk van tien centiem.
wie geld heeft, heeft het geweld

Geweld betekent hier 'macht'.
wie met gouden wapens vecht, heeft altijd het beste recht

Gouden wapens zijn 'geld, gouden munten'.
wie veel rode vossen heeft, leeft in de meeste eer

Rode vos betekent hier 'gouden munt'.
zelden mist, wie met een gouden angel vist

Een angel is een vishaak. Met gouden angel wordt natuurlijk bedoeld 'geld'.

87

Geld is gevaarlijk

als het huwelijk is om het gelletje, dan wordt het vaak een helletje Gelletje is een verbastering van geld. Een variant is: die trouwt het velletje om het gelletje, verliest het gelletje en houdt het velletje. Velletje staat hier voor 'vrouw'. beter een duit in eer, dan een gulden in oneer bij geldzaken houdt alle gemoedelijkheid op bij loterijgeld is geen zegen Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw. de klank van de penning verdooft alle redenen Rijke mensen worden altijd geloofd. door geld wordt menige strik gelegd Een spreekwoord uit het midden van de 16de eeuw. een lege beurs is het veiligste paspoort geld baart onrust/zorg geld brengt geen vrede

Geld is gevaarlijk
geld is een goede dienaar, maar een slechte meester

Een voorloper is te vinden bij Horatius: Imperat aut servit collecta pecunia cuique, dit is 'het vergaarde geld beheerst of dient zijn bezitters'.
geld is moeilijk te besturen het geld brengt de mens in de hel, en blijft er zelf buiten

Om het geld verricht menigeen slechte daden, maar het geld blijft in de wereld.
het geld is niet kwaad, maar het bederft er menigeen het is het geld waarom men naar de hel loopt

Deze zegswijze is onder meer te vinden in een gedichtje uit 1730: 't Is 't Geld waer me men alles koopt,/ 't Is 't Geldt daer m'om naer d'helle loopt;/ 't Is 't Geldt dat alle fauten deckt,/ 't Is 't Geldt dat goedt en quaedt verweckt.
het meeste geschil en krakeel is om te weinig of te veel

De meeste ruzie komt voort uit geldzaken; de verdeling van geld of goederen is een bron van twist.
in geld, in vrouwen en in wijn, is deugd en vreugd, maar ook venijn

Een voorloper is te vinden bij Jacob Cats: 'Een schoone vrou, en soete wijn, Die zyn vol heymelick fenijn.'
je moet het geld de wet voorschrijven, niet eraan gehoorzamen listig geld steelt en wordt gestolen; ook geeft het eer, en eer wordt erdoor verloren

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
penningen doen de man zorgen

Reeds gevonden in het midden van de 16de eeuw.
rivieren die in korte tijd hoog wassen, hebben veel troebel water in

Als iemand in korte tijd rijk wordt, is er doorgaans veel oneerlijk verworven geld bij.

89

strijkgeld is vaak strikgeld

Strijkgeld - geld dat je opstrijkt - is de premie die uitgeloofd wordt voor wie bij het opbieden op een veiling het hoogste bod doet, of vóór de afslag het hoogste bod dat gedaan is nog verhoogt. Wie daarop aast, kan ook aan de koop blijven hangen en zo in de strik lopen.
veel geld, veel (kop)zorgen

Hetzelfde wordt gezegd door onder meer hoe meer goed, hoe meer zorg; veel koeien, veel moeien en groot schip, grote zorg.
veel zonden worden door het geld gevonden

Bezit van geld leidt tot de zonde.
voor de Mammon buigen

De Mammon wordt in het bijbelboek Mattheus (6:24) genoemd als de god van het geld. Mammon is ontleend aan een Semitisch woord dat 'rijkdom' betekent. Het is gebruikelijk in de bijbelse taal en wordt altijd in ongunstige zin gebruikt (zo ook: de Mammon dienen).
wie goed heeft, heeft twist wie op goud staart, verblindt zijn gezicht

Door rijkdom en geld moet men zich niet laten misleiden.
wie van het kwaad scheidt, heeft een goed daggeld

Daggeld is 'dagloon'.
wie zich met een mijt tevreden stelt, zal men niet voor een daalder bedriegen

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde,
zij hebben het geld niet, maar het geld heeft hen zo gewonnen, zo geronnen

Wil zeggen: geld of bezit dat snel is verworven, kan net zo snel weer verdwijnen (geronnen is 'weggevloeid').

90

Geld is niet alles

alle harten zijn gezusters, alle beurzen geen gebroers

Men is milder met vriendschapsbetuigingen dan met geld.
als de dood ons nedervelt, is het uit met goed en geld alsof wij benen voor een daalder konden kopen beleefdheid kost geen geld beter een schat van eer dan van goud beter een vriend over/op de weg dan geld in de koffer/beurs

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
beter mest in het land dan stuivers in de hand de een doet het uit liefde, de ander om eer, de derde om geld deugd is de beste munt een goede naam is beter dan olie

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.

Een goede naam gaat boven alles. Olie staat hier voor 'geld'. Ontleend aan het bijbelboek Prediker (7:1): 'Een goede naam is beter dan goede olie en de dag des doods is beter dan de dag van iemands geboorte.'

9

1

één penning met recht is beter dan duizend met onrecht

Eerlijkheid gaat boven alles.
een vriend is beter dan geld in de beurs er is geen goud zo rood, of het moet weg voor brood geld (alleen) maakt niet gelukkig

Voor het eerst aangetroffen in de tweede helft van de 19de eeuw, in het werk van Jacob van Lennep: 'Het geld maakt iemand immers niet gelukkiger.' Soms met de toevoeging: maar het is gemakkelijk als je het hebt. Een andere variant is: geld maakt niet gelukkig, maar met een beetje geld ben je wel een beetje minder ongelukkig.
geld is maar slijk

Gezegd wanneer iemand te hoge waarde aan het bezit van geld toekent. Ook: goud (of: geld) is het slijk der aarde. Slijk betekent eigenlijk 'doorweekte klei- of veenachtige grond'.
geld opent alle sloten, behalve die van de hemel

Het tegengestelde wordt beweerd in: voor geld gaat zelfs de hemel open. Beide zegswijzen dateren uit het begin van de 18de eeuw.
geld speelt geen rol

Vertaling van het Duitse Geld spielt keine Rolle, een uitdrukking die in 1902 voor het eerst is opgetekend. De Nederlandse vertaling was al omstreeks 1930 in gebruik, maar de uitdrukking werd algemeen bekend als stoplap van Olivier B. Bommel in de Tom Poes-albums van Marten Toonder. In 1968 verscheen een bundel getiteld Geld speelt geen rol, die vele herdrukken beleefde.
geld vergaat, kunst duurt altijd geld verloren, iets verloren; eer verloren, meer verloren; ziel verloren, al verloren

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.

92

Geld is niet alles
giften en gaven maken nichten en magen/schenken en geven maakt veel nichten en neven

Als je geld hebt en vrijgevig bent, herinneren zelfs de verste magen (bloedverwanten) zich dat ze familie van je zijn.
goede faam is beter dan geld of goed goede moed is half teergeld

Teergeld is geld dat iemand heeft voor zijn vertering, geld om van te leven.
het beste reisgeld is de deugd

In 1632 opgetekend door Jacob Cats, in de vorm het beste reys-gelt is de deugt.
het is beter arm te zijn met eer, dan met schande zijn geld vermeren

Reeds in 1550 geboekstaafd, in de vorm: het is beter, arm mit eeren, dan rijck mit schanden.
liever geldeloos dan vriendeloos

Een variant is: beter goedeloos dan vrienddoos.
liever oordje zeker en het geweten zuiver

Liever een kleine winst eerlijk verwerven dan op andere wijze rijk te worden. Men zei ook op oordje-zeker spelen 'geen geld geven of lenen tenzij tegen goede waarborg of onderpand'. Een oordje was een kwart stuiver.
waar geld is, daar is de duivel, en waar geen geld is, daar is hij tweemaal

Geld zorgt voor onvrede, maar armoe nog twee keer zo veel.
waar geld is, duivel is; waar geen geld is, duivel en zijn moeder is

Het gaat hier om een Vlaams spreekwoord.
wat heeft hij nu met al zijn centen?

Wat baat hem zijn fortuin?

93

wie reist zonder geld, vreest geen geweld Aangetroffen in de eerste helft van de 17de eeuw. wie zich met een mijt tevreden stelt, zal men niet voor een daalder bedriegen Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.

94

Geld is nuttig

de klank van (het) geld vermag veel

Met geld krijgt men veel gedaan.
Friese trouw en Hollandse dukaten, daar kan men ver mee komen geld dat plat is, maakt droog wat nat is

Met geld kan men indijkingen en droogmakingen tot stand brengen.
geld is de beste dienaar geld is steeds de vrek tot straf, maar de arme tot een staf

Met staf wordt bedoeld 'de bedelstaf (dit is: de stok van de bedelaar).
geld/loon verzoet/verzacht de arbeid

De vroegste vormen van deze spreuk dateren van het begin van de 16 de eeuw.
het geld is een groot gemak in een huishouding klinkende munt spreekt overal verstaanbare taal

Soms met de toevoeging: maar het verstaanbaarst klinkt hartentaai.

95

met geld kun je veel gaten stoppen Met geld is menig tekort te stoppen. Bij uitbreiding, met geld kan

men vele moeilijkheden te hoven komen.
met het geld is het goed te doen Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw. met het geld koopt men de mooiste kersen/schoonste krieken van de markt met volle beurzen kan men builen slaan Met geld kun je veel uitrichten. oude vrienden, oude wijn en oud geld prees men al vanouds schoon geld kan veel vuil dekken

Een variant van het geld dat stom is, maakt recht wat krom is.

waar geld is, duivel is; waar geen geld is, duivel en zijn moeder is Het gaat hier om een Vlaams spreekwoord.

96

Geld is onontbeerlijk

als de beurs leeg is, wordt ze een vod

Zonder geld is de beurs - en de mens - niets waard.
als er zaad in het bakje is, kan de vogel pikken

Alleen als er geld is, kan men zijn behoeften bevredigen. Zaad staat in diverse uitdrukkingen voor 'geld'. als je geen kop hebt, kun je niet uit het raam kijken Je kunt niets kopen zonder geld.
als je geld hebt, doe je wonderen, heb je het niet dan is het donderen de dagelijkse penning vermag zo veel

De dagelijkse penning is de penning die men nodig heeft voor het dagelijks brood.
de één heeft het (geld), de ander heeft het niet en de derde had het wel graag de één moet men betalen, en de ander geld geven

Het is lood om oud ijzer.
de penningen maken de oorlog

Oorlogvoering verslindt geld.

97

de stenen vragen geld

Zelfs het geringste kost geld.
droge knopen binden niet veel

Zonder geld bereikt men niet veel.
een lege beurs staat moeilijk recht

Zonder geld bereikt men niks.
een paard en geld en goed Latijn, dat brengt een lanser over de Rijn

Een lanser was een met een lans bewapende cavalerist. 'Over de Rijn' staat hier voor 'de wijde wereld in'. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
er moet geld op tafel komen einde geld, einde geloof geen spel verloren dan bij gebrek aan geld geen zwaarder rouw dan om geldverlies geld en mest heeft een boer nooit te veel geld is de blom, wie 't niet heeft, zucht erom

Blom in de zin van bloem, het fijnste wat er is.
geld is de gesp van het harnas

Zonder geld is oorlogvoeren niet mogelijk.
geld is de levensfontein geld is de zenuw van de oorlog/negotie

Oorlog en negotie 'handel' kunnen niet zonder geld. Vertaling van de Latijnse uitdrukking pecunia (est) nervus belli. Varianten zijn geld is de ziel van de negotie/handel/oorlog/alles.
geld maakt vrienden

Al opgetekend in de 16de eeuw.

98

Geld is onontbeerlijk
gereed geld lijdt geen kommer

Gereed geld is contant, onmiddellijk beschikbaar geld.
gouden vinken zijn de beste voorspraak

Gouden vinken of goudvinken zijn goudstukken.
heb je geld, dan kun je huizen bouwen, heb je 't niet, dan moet je stenen sjouwen heb je geld, je bent geteld

Wie geld heeft, telt mee.
heeft het liefje splint, dan wordt ze meer bemind

Als zij geld heeft, wordt zij meer bemind. Splint, splinter, ook wel splenters, betekent 'geld'. De herkomst van deze woorden in deze betekenis is onduidelijk.
het beste geloof is een gelders geloof

Wie goed betaalt, heeft het meeste krediet. Gelders geloof staat niet voor 'het geloof zoals in Gelderland', maar voor 'het geloof in geld'.
het dode geld doet leven het geld breekt geen vriendschap

Zolang men geld heeft, heeft men vrienden. Soms met de toevoeging: doch: zonder geld, zonder vrienden.
het geld is maar drek, maar wie het niet heeft, staat als een gek het is al geld waar de mens zijn poten aan steekt het is in Rome de grootste zonde geen geld te hebben

Rome staat hier voor de hoofdstad van de Kerkelijke Staat; ook daar draait alles om geld.
het rad kan niet lopen, als 't niet gesmeerd is

Zonder geld kan men niet leven.

99

koken moet kosten De huishouding kan niet zonder geld, het landsbestuur evenmin, kunst wordt door geld gevoed men kent verloren geld en goed pas dan, wanneer men 't missen moet men lokt geen haviken met lege handen Zonder geld kun je weinig doen. met beleefdheid en geld krijgt men alles gedaan met lege handen is het kwaad snoeken vangen Zonder geld kun je weinig doen. naar gelds macht wordt men geacht van de lucht kan men niet leven van twee zaken moet men dagelijks de waarde meer leren kennen: geld en geloof voor geld en goede woorden kan men overal terecht komen/is er nogal wat te koop voor noppes/niets gaat de zon op waar geld ontbreekt, spreekt men tevergeefs wie niet kan betalen met geld, moet het met zijn huid/rug boeten wie zijn vrouw verliest, en vijf groten, het is jammer van het geld De m u n t groot, die uit de Middeleeuwen stamt, had geringe waarde, maar vijf groot was volgens deze spreuk nog altijd m e e r waard dan een echtgenote.

ioo

Geld is onontbeerlijk

geen geld, zonder geld
arme lieden zonder duiten vliegen overal buiten Zij worden overal de deur uitgegooid. een leger zonder geld heeft altijd een lege buit Geld is voor de oorlogvoering noodzakelijk. een man zonder geld is een lijk Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw. een man zonder geld is een schip zonder zeilen een man zonder geld verdwijnt en versmelt een schipper zonder geld is de gek van een bootsman De bootsman was de hoogste onderofficier op een schip, de aanvoerder van de bemanning. Een schipper zonder geld zou door de bootsman niet serieus genomen worden. geen fluit, geen dans Zonder geld kun je niets gedaan krijgen. geen geld, geen waar/waren geen geld, geen Zwitsers Zonder geld wordt niets afgeleverd, wordt er niet gewerkt. Volgens de overlevering is deze uitdrukking ontstaan in 1521. Frans 1 van Frankijk verdedigde indertijd de stad Milaan tegen koning Karei v. Toen de Franse koning de Zwitserse huurtroepen niet langer kon betalen, antwoordde hun aanvoerder: 'Point d'argent, point de Suisses', waarna hij en zijn mannen vertrokken. geen geld meer, geen vrienden meer Varianten zijn: geldeloos, vriendeloos; zondergeld, zonder vrienden en wie geldeloos is, zijn vrienden zijn dun (met dun wordt bedoeld 'mager in aantal'; het gaat hier om een zegswijze uit de 16de eeuw).

101

geen geld, niet geteld

Wie geen geld heeft, telt niet mee.
geen oordjes, geen mastellen

Geen geld, geen waar. Een mastel was een broodje of koekje, soms met anijs gekruid. Een oordje was een kwart stuiver.
het is kwaad (slecht) zonder geld naar de markt te gaan

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
iemand zonder geld is als een blinde zonder stok koop eens spek zonder geld liefde zonder geld is een lamp zonder olie niets zonder geld dan hoofdpijn wie geen geld heeft, telt niet mee

Ook: wie geen geld heeft, wordt niet gezien.

wie geld heeft, kan zich roeren: een man zonder geld is maar een houten beeld

Zich roeren betekent hier 'zich bewegen', dus wie geld heeft, kan wat ondernemen, heeft armslag.
zonder oorden krijgt men geen boter

Zonder geld geen waar. Een oordje was een kwart stuiver.
zonder oordjes en met een diepe zak ga je niet naar de markt

Vóór alles heb je geld nodig.

kopen kost geld
De uitdrukking kopen kost geld is voor het eerst opgetekend in het eerste kwart van de 19de eeuw. In de tweede helft van die eeuw werd een uitgebreide variant gesignaleerd, namelijk kopen kostgeld, kijken daar heb-ie het niet voor.

102

Geld is onontbeerlijk als het geld op is, is het kopen/koken gedaan met bedanken koopt men niet, men moet geld zien voor geld koopt men de boter wie geen geld heeft, mag gaan waar niets te koop is wie geld heeft, kan wat kopen wie geld heeft, zei de boer, kan wittebrood kopen In plaats van wittebrood zei of zegt men in Groningen stoet, een dialectwoord voor 'wittebrood'. De gewone kost bij boer en burger was het zwarte roggebrood. wie kersen wil eten, moet ze plukken of geld geven

seks kost geld
de hoeren nemen vooraf geld Een zegswijze uit de eerste helft van de 17de eeuw. eerst geld, dan liefde Geld is voor een huwelijk belangrijker dan liefde, eerst geld en dan naar bed Bij de hoeren moet eerst worden betaald; opgetekend in 1714. heb je geld, dan heb ik liefde Geld opent alle deuren.

103

Geld stinkt niet

Geld stinkt niet is een vertaling van het Latijnse pecunia non olet, woorden van de Romeinse keizer Titus Flavius Vespasianus (7-79 n.Chr.). Vespasianus staat te boek als een milde, goede keizer, maar hij was berucht om zijn geldzucht. Zo voerde hij afgeschafte belastingen opnieuw in en bedacht hij allerlei nieuwe. Volgens de geschiedschrijver Suetonius ging hij er zelfs toe over vilders en leerlooiers aan te slaan voor de urine die zij uit de openbare latrines ophaalden en die zij gebruikten bij het looien. 'Zijn zoon Titus,' aldus Suetonius (Vespasianus 23-25), 'die er bezwaar tegen maakte dat hij zelfs een belasting bedacht had op de urinoirs, hield hij een munt onder de neus die uit de eerste betaling afkomstig was met de vraag of hij de lucht smerig vond. Toen Titus "nee" zei, antwoordde hij: "Toch komt hij uit het urinoir.'" Dit antwoord werd later spreekwoordelijk in de vorm: pecunia non olet, 'geld stinkt niet'. De betekenis is 'het komt er niet op aan, hoe men aan zijn geld gekomen is, als men 't maar heeft'. Ook het Latijnse origineel pecunia non olet wordt overigens geregeld aangehaald. Varianten op dit thema zijn: als het geld wat smerig is, dat hindert niet, het wordt toch niet onder de neus gehouden een gestolen penning geldt niet minder dan een andere

104

Geld stinkt niet
had ik dat geld in een bevuilde doek, ik zou de knoop wel met mijn tanden willen losmaken

Te vergelijken met: ik wil het wel in een bescheten doekje hebben.
men moet in de handel ook het vuile geld aannemen stinkende velletjes geven klinkende gelletjes

Vrouwen die oneerbaar aan hun geld zijn gekomen, kunnen toch een goede bruidsschat meebrengen. Gelletje is een verbastering van geld.

105

Geloof, deugd, eer

als 't geldje in het kistje klinkt, het zieltje uit de hel/in de hemel springt

Dit van oorsprong Duitse rijmpje, dat in het Nederlands pas in de 19de eeuw is opgetekend, verwijst naar de rooms-katholieke aflaathandel in het begin van de 16 de eeuw, die mede de aanzet gaf tot de Hervorming. Aflaten boden kwijtschelding van de straffen die een zondaar moest ondergaan alvorens in de hemel te kunnen komen.
beleefdheid kost geen geld beter een duit in eer, dan een gulden in oneer beter een schat van eer dan van goud beter op een eerlijke wijze met de handen geld te winnen, dan dit op een gemakkelijke wijze te erven Brugman zocht zielen en ik zoek geld

Met Brugman wordt de predikant Johannes Brugman (1399-1473) bedoeld. Brugman trok predikend door het land. Meer dan zijn tijdgenoten paste hij zijn preken aan aan de smaak van het volk. Dit maakte hem zeer populair. Zijn naam leeft tevens voort in de zegswijze praten als Brugman 'veel en met overtuigingskracht praten'.

106

Geloof,deugd, eer
daaldertjes is goed geld

Zij zijn goed te vertrouwen. Daalders werden van goed allooi geslagen, dat wil zeggen: het zilvergehalte was betrouwbaar.
de boer zit op een cent als de duivel op een ziel

In de stad werd vroeger veel neergekeken op de boeren, die werden afgeschilderd als ruw, onnozel of, zoals in dit geval, gierig.
de een doet het uit liefde, de ander om eer, de derde om geld

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
de eer is bewaard, het geld is bespaard

Wordt gezegd wanneer iemand die men uit beleefdheid heeft uitgenodigd, bedankt; of schertsend wanneer iets wat men zich had voorgenomen, niet is gebeurd.
deugd is de beste munt duiten en een goede consciëntie (een goed geweten) zijn broertjes en zusjes

Wie geld heeft, heeft geen last van zijn geweten.
één penning met recht is beter dan duizend met onrecht

Eerlijkheid gaat boven alles.
eerst naar het geld gevraagd, en dan van deugd gewaagd

Gewagen betekent hier 'spreken over'.
Friese trouw en Hollandse dukaten, daar kan men ver mee komen ga met God en twee blanken

Afscheidsgroet. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.
geld gaat boven recht geld, geweld en gunst breekt recht, zegel en kunst

Bezit, macht en relaties zijn van doorslaggevender betekenis dan rechtschapenheid en bekwaamheid.

107

geld opent alle sloten, behalve die van de hemel

Het tegengestelde wordt beweerd in: voor geld gaat zelfs de hemel open. Beide zegswijzen dateren overigens uit het begin van de 18de eeuw.
geld verloren, iets verloren; eer verloren, meer verloren; ziel verloren, al verloren

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
geldzucht is de wortel van alle kwaad

Ontleend aan het bijbelboek i Timotheüs (6:10): 'Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad.' In plaats van geldzucht wordt geregeld ook geld of hebzucht gebruikt.
God is de liefste en de penning is de waardste

Een spreekwoord uit de 16de eeuw.
had de paap geld, hij zou ook wel woekeren

Blijkbaar een reactie van de joden of de protestanten, die door de papen (scheldnaam voor rooms-katholieken) van woekerpraktijken werden beschuldigd.
had ik maar geld, ik werd voor vroom geteld

Als ik geld had, zou men ook mij wel als vroom beschouwen.
het beste geloof is een gelders geloof

Wie goed betaalt, heeft het meeste krediet. Gelders geloof betekent 'het geloof in geld'.
het beste geloof is gereed geld

Met contanten kun je overal terecht.
het beste reisgeld is de deugd

In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
het einde geld, het einde geloof het gaat om het geld tot aan de hemelse poort

108

Geloof, deugd, eer
het geld brengt de mens in de hel, en blijft er zelf buiten

Om het geld verricht menigeen slechte daden, maar het geld blijft in de wereld. Voor het eerst opgetekend in de 16de eeuw.
het geld is de god der wereld

Geld is almachtig.
het is beter arm te zijn met eer, dan met schande zijn geld vermeren het is in Rome de grootste zonde geen geld te hebben

Rome staat hier voor de hoofdstad van de Kerkelijke Staat; ook daar draait alles om geld.
het penningske der weduwe

Een kleine gift van grote waarde. Ontleend aan het bijbelboek Lucas (21:2-4), waarin wordt verteld van een arme weduwe die slechts twee penningen schonk, wat echter gezien haar armoede een groot offer was.
hetzij paap hetzij geus, geld is overal de leus

Voor het eerst opgetekend in 1550. Paap was onder de protestantse geuzen een scheldnaam voor 'rooms-katholiek'.
hij maakt het geld tot zijn afgod

Hij is gierig.
hij wacht erop, als de pastoor op zijn offerpenningen

Hij ziet er gretig naar uit.
hij zou aan God of zijn heiligen niet één mijt geven

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
ik betaal je met je eigen geld

Ik betaal je met gelijke munt: ik behandel je zoals je mij behandelt.
ik zou hem wel ongeteld geld durven toevertrouwen

Hij is zeer betrouwbaar.

109

klinkende munt spreekt overal verstaanbare taal Soms met de toevoeging: maar het verstaanbaarst klinkt hartentaai. koperen geld, koperen zielmis Voor kopergeld, dus weinig geld, kan men geen bijzondere zielmis ('requiemmis, uitvaartmis') laten lezen, dus ook hier geldt: alle waar is naar zijn geld. liever oordje zeker en het geweten zuiver Liever een kleine winst eerlijk verwerven dan op andere wijze rijk te worden. Men zei ook op oordje-zeker spelen 'geen geld geven of lenen tenzij tegen goede waarborg of onderpand'. Een oordje was een kwart stuiver. malle lui en rotte peren, boeken die geen deugden leren, vuile eieren op een hoop, hoe meer voor 't geld, hoe slechter koop met de munt waarmee men betaalt zal men betaald worden Oog om oog, tand om tand. men bemint meer de gekruiste penning dan de gekruiste Christus Op vele munten en penningen stond vroeger een kruis. met beleefdheid en geld krijgt men alles gedaan met een handvol geld komt men verder dan met een zak recht Met bezit bereikt men meer dan met gerechtigheid. met gelijke munt betalen Oog om oog, tand om tand. In 1632 opgetekend door Jacob Cats. onze dominee preekt goed, jammer dat hij geen klein geld heeft Hij is stug, weet niet van geven en nemen. schijt eer, geld is de man Voor het eerst opgetekend in de 17de eeuw. van twee zaken moet men dagelijks de waarde meer leren kennen: geld en geloof

110

Geloof, deugd, eer
voor geld gaat zelfs de hemel open

Geld opent alle deuren. Het tegengestelde wordt beweerd in: geld opent alle sloten, behalve die van de hemel. Beide zegswijzen dateren overigens uit het begin van de 18de eeuw.
waarheid is geen gangbare munt weg consciëntie (geweten), als het geld kost wie van het kwaad scheidt, heeft een goed daggeld

Daggeld is 'dagloon'.
wie veel rode vossen heeft, leeft in de meeste eer

Wie het meeste geld heeft, kan goed leven. Rode vos betekent 'gouden munt'.

in

Gierigheid, gierigaard, vrek

achter de oordjes zitten

Al het mogelijke doen om geld te vergaren. Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen.
als hij trakteert... is het op hagelslag

Want hij is zo gierig als wat. Varianten zijn: als hij wat geeft... is het de geest; als hij wat geeft... is het een rondje draaideur.
als je om geld komt, zijn ze nooit thuis Brugman zocht zielen en ik zoek geld

Met Brugman wordt de predikant Johannes Brugman (1399-1473) bedoeld. Brugman trok predikend door het land. Meer dan zijn tijdgenoten paste hij zijn preken aan aan de smaak van het volk. Dit maakte hem zeer populair. Zijn naam leeft tevens voort in de zegswijze praten als Brugman 'veel en met overtuigingskracht praten'.
de boer zit op een cent als de duivel op een ziel

In de stad werd vroeger veel neergekeken op de boeren, die werden afgeschilderd als ruw, onnozel of, zoals in dit geval, gierig.
de duim in de hand houden

Het idee is waarschijnlijk dat die duim dus niet wordt gebruikt om geld uit te tellen.

112

Gierigheid, gierigaard, vrek
de geelzucht hebben

Geelzucht verwijst naar de gele kleur van het goud.
de geldduivel heeft hem beet de gierigaard is doof aan de kant waar de beurs hangt de gierigaard zou een ei scheren de gierigheid groeit zolang, als de ene penning op de andere gestapeld wordt de mens is een geldvretend dier de penning gesloten houden

Dat wil zeggen: het geld achter slot en grendel houden,
de vrek gaat met zijn gat op de geldkist zitten duivels zak is nooit vol

Een gierigaard heeft nooit genoeg.
een oude kluiver

Waarom een 'vrek' kluiver wordt genoemd, is niet duidelijk. In de 17de eeuw betekende kluiver wel 'oude snoeper' of gewoon 'vent'.
een slechte bedelaar, die geen duit kan missen een stuiver (drie keer) omkeren geld/goed blust/stopt geen gierigheid

Een gierigaard heeft nooit genoeg.
geldzucht is de wortel van alle kwaad

Ontleend aan het bijbelboek 1 Timotheüs (6:10): 'Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad.' In plaats van geldzucht wordt geregeld ook geld of hebzucht gebruikt.
het is een geldwolf

113

het is een ouwe duitendief hij heeft de geldziekte/geldzucht hij houdt aan zijn pijkens

Pijkens is een onbepaalde Vlaamse aanduiding voor 'geld'. De oorsprong van het woord is onzeker. Mogelijk is het het meervoud van piek. Het kan ook zijn ontleend aan Frans picaillons 'geld', of misschien is er verband met spijkers.
hij houdt het geld in zijn zak hij is aan zijn geefklieren geopereerd

Want hij is zo gierig als wat.
hij is oordjedood

Hij blijft op een oordje dood: hij zou om een klein verschil een zaak laten afspringen. Een oordje was een kwart stuiver.
hij is op de centen

In plaats van centen gebruikt men ook duiten, penning, oordjes enzovoorts. Een uitbreiding is hij is op de penning, als de duivel op een zieltje.
hij is op de penning zestien

Hij is een gierigaard, een woekeraar. Het gaat om iemand die geld leent tegen een hoge rente, namelijk één penning op iedere 16, dat is 6,25 procent.
hij is van de behoudende partij

Hij geeft niet graag geld uit.
hij is van Oudenaarde

Naar Oudenaarde in Oost-Vlaanderen, met een woordspeling op houden, dat in verschillende Vlaamse dialecten wordt uitgesproken als ouden. De inwoners van Oudegem in Oost-Vlaanderen dragen, eveneens vanwege de associatie ouden-houden, de bijnaam gierigaards.

114

Gierigheid, gierigaard, vrek
hij keert zijn oordjes wel driemaal om hij kleeft aan het geld hij komt van Houthem

Hij is gierig. Naar Houthem in West-Vlaanderen of Houthem in (Nederlands) Limburg. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal kiest voor Nederland, maar de uitdrukking is in Vlaanderen voor het eerst opgetekend. Met een woordspeling op houd + hem. In het Duits wordt van zo iemand wel gezegd dat hij komt uit (het voormalige vorstendom) Anhalt, of dat hij zeker stamt uit het huis Anhalt, dat je hier zou kunnen vertalen met 'hou-vast'.
hij komt van Kleef

Hij is gierig, zuinig, niet scheutig. Deze i6de-eeuwse uitdrukking verwijst naar Kleef in Noordrijn-Westfalen, met een woordspeling op kleven 'plakken'. Men zei ook hij komt uit het land van Kleef (of: van Kleven) en hij is van Kleef hij houdt meer van de heb, dan van de geef (een variant is hij komt uit het land van Bever en is liever houder als gever; de plaats Bever in Vlaams-Brabant is hier waarschijnlijk alleen opgevoerd vanwege het rijm).
hij komt van Scherpenheuvel

Hij is gierig, hij let scherp op zijn centen. Naar Scherpenheuvel in Vlaams-Brabant, met een woordspeling op scherp 'in sterke, hevige mate'. Men zei ook hij is scherp op een halve cent.
hij loert op de dubbeltjes hij maakt het geld tot zijn afgod hij valt nog liever van zijn geloof

... dan dat hij iets geeft.
hij wil het laken en het geld

Hij wil iets kopen, maar tegelijk zijn geld niet uitgeven.
hij wil wel een kikker villen voor een cent

Hij doet alles voor geld.

5

hij zal een penning wel driemaal omkeren voor hij hem uitgeeft hij zou aan God of zijn heiligen niet één mijt geven

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
hij zou de drommel/duivel voor geld dienen

Hij doet alles voor geld. Drommel is een eufemistische benaming voor de duivel (ook in om de drommel niet 'zeker niet, in 't geheel niet').
hij zou een cent in tweeën bijten

De uitdrukking geeft aan dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven. De uitdrukking komt ook voor met duit, halfje en oordje. Hetzelfde beeld - dat de vrek zijn munten nog het liefst zou splitsen - komen we tegen in diverse synoniemen voor Vrek'. Te denken valt aan woorden als centenbijter, duitenkliever, kluitenkliever, oordjesbijter, oordjessplijter, oordjespletter en splijtmijte.
hij zou nog liever honger lijden dan een oordje te kort blijven hij zou voor zich een cent op zijn blote kont laten slaan hij zou zijn scheten op flessen doen, als het maar geld opbrengt hoe vetter beurs, hoe magerder kaken

Rijke mensen zijn meestal gierig.
ieder oordje brengt zijn gierigheid mee

De uitdrukking komt ook voor met cent, stuivertje, gulden enzovoorts.
iemand tot een negenmannetje laten betalen

Iemand tot het laatste beetje laten betalen, want een negenmannetje was maar 0,625 c e n t waard. Het woord negenmannetje of, in de streektaal, negenmanneke, dateert uit de 17de eeuw.
ik ben milddadig, zei voerman Job, en hij gaf een valse stuiver aan vijfbedelaars

116

Gierigheid, gierigaard, vrek Jan op een duit Gierigaard. je kon Hercules eerder zijn kolf uit handen rukken dan een duitje uit zijn beurs Kolf betekent hier 'knuppel'. De mythische figuur Hercules was buitengewoon sterk. je kunt alle dagen geen hondsvot wezen, zei gierige Gerrit, en hij gooide een duit te grabbel Een duit had bijna geen waarde. je kunt hem eerder een tand uit zijn mond trekken, dan een duit uit zijn zak kloppen Hij zit op zijn geld. je kunt me lang zuur aankijken, voordat je een stuiver uit mijn portemonnee loskrijgt Opgetekend in de eerste helft van de 16 de eeuw. kan je niet een oud wijf vinden dat voor een dubbeltje een moord doet? Gezegd wanneer iemand alles te duur vindt, knaken poetsen Een knaak is tegenwoordig een rijksdaalder. De oudste tekst waarin deze muntnaam tot dusverre is aangetroffen, dateert van 1689. Vermoedelijk is er verband met Rotwelsch (Duits Bargoens) Knök, Kneks (daalder), maar verder is de etymologie onbekend. laat je niet aan een dubbeltje kennen Laat niet om één dubbeltje blijken wat een gierigaard je bent. Ook gezegd met betrekking tot een verborgen trek van iemands karakter. In plaats van dubbeltje zei men ook frank of gulden. mannetje, eet je brood droog, de boter kost twee blanken Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.

117

men bemint meer de gekruiste penning dan de gekruiste Christus

Op vele munten en penningen stond vroeger een kruis.
niet dat!

Gezegd van iemand die geen cent loslaat; hierbij wordt het gebaar met duim en wijsvinger gemaakt.
niet van het geld kunnen scheiden nou nou, die kakt ook niet voor elven en dan is het nog dun

Hij is zo gierig als wat.
op de eieren zitten

Het geld onder zich houden.
op de muntjes letten op de penning kijken/zijn

In plaats van penning zegt men ook stuiver, vijfcent enzovoort,
op/om een (halve) cent doodblijven

van/voor het oordje zijn van De Knipe zijn

Liever doodgaan dan ook maar het kleinste beetje geld laten glippen. De uitdrukking komt ook voor met duit en oordje.

Gierig zijn. Naar De Knipe (De Knijp) in Friesland, met een woordspeling op knijperig, een dialectwoord voor 'krenterig, karig, gierig'. Men zei ook hij is niet van Jousumhuren, maar echt van De Knipe (het eerste deel naar Jousumburen/Jousenbuorren in Friesland, met een woordspeling op Fries jou (st) 'geef(t)'). Een vergelijkbare uitdrukking is: hij komt uit Knijphuizen of Kniephuizen.
van Vrekhem komen

Gierig zijn. Naar Vrekhem in Oost-Vlaanderen, met een woordspeling op vrek. Ook aangetroffen in de vorm hij komt uit het land van Vrekhem.

ii8

Gierigheid, gierigaard, vrek
voor een cent gaat hij dood als hij voor een halfje weer levend kan worden voor een dubbeltje op de eerste rang/rij willen zitten

Het beste willen voor weinig geld. Pas opgetekend in de 20ste eeuw. Een variant is: voor een kwartje naar Amsterdam willen.
wie met een oude vrouw trouwt, trouwt haar om haar geld

In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
zijn lijfis hem niet zo lief als zijn Spaanse kluiten

Een kluit was vroeger in België een muntstuk van tien centiem.
zijn oordjes omkeren zijn oordjes tussen de deur nijpen

Een gierigaard zou de kleinste munten liefst nog splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.

119

God

ga met God en twee blanken

Afscheidsgroet. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.
God is de liefste en de penning is de waardste

Een spreekwoord uit de 16de eeuw.
het geld is de god der wereld

Geld is almachtig.
hij maakt het geld tot zijn afgod

Hij is gierig.
hij zou aan God of zijn heiligen niet één mijt geven

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
kinderen zijn een zegen des Heren, maar ze houden de noppen van de kleren

Kleding waarvan de noppen ('knopen') zijn afgesleten is een bewijs van armoede of mindere welvaart. Kortom: kinderen kosten veel geld.

120

Gulden

De naam gulden, die in de 13de eeuw voor het eerst is aangetroffen, is afgeleid van goud (denk aan Engels gold, waarin de l bewaard is gebleven). In de 15de en 16de eeuw circuleerden in de Nederlanden vele soorten in het buitenland gemunte guldens. Onder Karei v (begin 16de eeuw) werd de Karolusgulden (weldra verkort tot gulden) van twintig stuivers de grondslag van het Nederlandse muntstelsel. alle guldens drie maanden/alle guldens zes weken Een onzinspreuk om aan te geven dat iemand weinig of niets verdient. beter een duit in eer, dan een gulden in oneer beter een penning gespaard, dan een gulden nutteloos verteerd dat is centenwijsheid en guldensdomheid Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks. duizend gulden op een bordje krijgen een gulden op de drempel en een stuiver in huis De buitenkant is mooier dan de binnenkant. een stuiver gespaard is beter dan een gulden gewonnen

121

een zak guldens en goede vrienden scheiden niet gemakkelijk

Geld maakt vrienden.
eerlijk zijn beneden de gulden

Eerlijk zijn zolang het om kleine bedragen of dingen gaat, maar bij grotere niet te vertrouwen zijn.
elk kind brengt duizend gulden mee

Niet letterlijk, maar de gedachte is enerzijds dat kinderen een zegen van God zijn, en dus zonder meer van grote waarde, en anderzijds dat zij, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal zegt, 'den ijver van den huisvader doen vermeerderen'.
ga direct naar de gevangenis, u ontvangt geen 2 0 0 gulden

Eigenlijk een opdracht uit het spel Monopoly, maar inmiddels ook wel als dooddoener gebruikt, bijvoorbeeld als iets mis is gelopen.
geen halve cent in de zak en drie gulden aan het voorhoofd

Gezegd van opscheppers.
het is een goede gulden, die er tien/honderd spaart

Goed belegd of besteed geld levert wat op.
hij is blijder, dan als hij honderd gulden gewonnen had

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw, toen honderd gulden een klein fortuin was.
hij keert een dubbeltje driemaal om en gooit een gulden weg

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
hij weet wat guldens zijn

Hij is rijk.
hulde, hulde, geef die vent een gulden

Gezegd als iemand iets doms opmerkt.
iedere duizend gulden brengt zijn gierigheid mee

Hoe meer men verdient, hoe meer men bij wil verdienen; hoe rijker men is, hoe gieriger men wordt.

122

Gulden je kunt je gulden maar één keer uitgeven kinderen en gekken verbeelden zich, dat twintig gulden niet vermindert en twintig jaar niet eindigt Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw. laat je niet aan een gulden kennen Laat niet om één gulden blijken wat een gierigaard je bent. niet met duizend gulden toe Voor geen geld, voor niks en niemand in de wereld, op de markt is je gulden een daalder waard Soms met de toevoeging: maar meestal een kwartje. De uitdrukking gaat terug op een reclameslogan die in 1974 door Drs. P werd geridiculiseerd in een liedje over een man die op de markt met een gulden wil betalen voor iets dat ƒ 1,50 kost, want 'u weet dat één gulden vijftig op de markt een daalder heet'. Een en ander loopt uit op een ruzie die uiteindelijk dehet wordenin puin legt.de zak pas op de halve centen, halve stad guldens in Anders gezegd: wees zuinig en spaar.

u gaat door voor de duizend gulden Deze dooddoener is ontleend aan het VARA-televisieprogramma Weet wel watje waagt van Theo Eerdmans uit 1959. Vier specialisten moesten in vier etappes allerlei vragen beantwoorden. De quiz eindigde met de 1000-guldenvraag. In 1961 heette Eerdmans' quiz Willens en Wetens. Latere quizzen van hem kregen steeds weer nieuwe titels: Wereldwijs en Tel uitje winst (1964-1967). Hierin was het maximaal te winnen bedrag 999 gulden. veertig zesthalven en alle praatjes maken juist elf gulden De praatjes zijn waardeloos, want een zesthalf was 27,5 cent waard, dus veertig zesthalven is precies elf gulden. vijf gulden, goed gebruikt, is zes gulden waard

123

weten wat een gulden waard is

De waarde van het geld kennen; weten wat er in de wereld te koop is.
wie de stuiver niet (be) geert/eert, is de gulden niet weerd

Varianten zijn: wie een duit versmaadt, is de gulden niet waard en wie een penning niet acht, krijgt over geen gulden macht.
wie goudguldens verf kan pissen, kan licht de doktoren missen

Zijn urine heeft een gezonde, goudgele kleur. Een zegswijze uit de 17de eeuw.
wie tot een stuiver geboren is, kan tot geen gulden komen

Hij ontgaat zijn lot nooit.
zwaluwen in het dak, guldens op zak

Volgens een algemeen verbreid volksgeloof brengt de zwaluw geluk.

124

Handel en arbeid

alle waar naar haar/zijn geld

De kwaliteit van de waar hangt nauw samen met de prijs,
baar geld

Baar betekende oorspronkelijk 'bloot' (vergelijk barrevoets 'blootsvoets'). Baar geld is dus bloot, direct zichtbaar geld. boter/geld bij de vis Contante betaling is vereist. Omdat vis niet zonder boter behoorde te worden opgediend. Opgetekend in de eerste helft van de 15de eeuw.
dat is het zo goed waard als een ei/koek een oord je

Dat is zijn prijs goed waard. Een oordje (een kwart stuiver) was ooit een redelijke prijs voor een ei of een koek.
elkaar met toebeurs betalen

Met gesloten beurs, door ruilhandel, zaken doen.
geen loon, geen moed

Het geld verzacht de arbeid.
geld bij de leverantie

Boter bij de vis.

125

geld is een goede waar: zij geldt winter en zomer

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
geld is (ook een) goede waar

Men moet er niet te lichtzinnig mee omspringen.
geld kan geen armoede lijden

Geld heeft altijd zijn waarde.
geld te bergen maakt de tijd kort, voor een ander te werken, maakt hem lang geld verdienen als slijk

Veel geld verdienen. Volgens de Grote Van Dale 'algemeen Belgisch Nederlands'. Slijk betekent eigenlijk 'doorweekte klei- of veenachtige grond'.
gereed geld dingt scherp

Wie contant betaalt, kan de laagste prijs bedingen, Wie iets goeds te koop heeft, krijgt zelfs zijn vijanden als klant.
handje contantje goede waar krijgt vijandengeld

Baar geld, boter bij de vis.
heb je het geld bij je? dan hoef je het niet te halen het is goede waar, waar men geld van maakt

(Alleen) goede koopwaar levert geld op.
het is veel goed voor weinig geld het is waar naar de penning

De koopwaar is zo goed als zijn prijs.

126

Handel en arbeid
het volle pond betalen

De gehele som. Het woord pond, dat in deze Nederlandse vorm in 1237 voor het eerst is gedocumenteerd, gaat terug op Latijn pondo 'pond', dat verwant is met het werkwoord pendere 'wegen'.
het werk gedaan: geld moet er staan hij biedt onder de pegel

Bij afdingen: onder de maat. Pegel betekent 'geld' of'guldens'. Oorspronkelijk betekende het woord 'peil, maat, merkteken'. De ontwikkeling naar de monetaire betekenis is niet duidelijk. Het woord is pas in de 20ste eeuw opgetekend. Het werd aanvankelijk vooral gebruikt in de studententaal, samen met pegulant.
hij zou wel een dukatenkakkertje nodig hebben

Hij kon wel iemand gebruiken die hem geld verschafte.
iemand de penning gunnen

Bij iemand iets kopen.
iets te gelde maken is er ook kwaad geld bij?

Kunt u niet wat van de prijs afdoen?
klein geld, kleine arbeid klinkende munt koek naar geld

Baar geld, handje contantje.

De koek (meer algemeen: de waar) is zo goed als zijn prijs,
koperen geld, koperen zielmis

Voor kopergeld, dus weinig geld, kan men geen bijzondere zielmis ('requiemmis, uitvaartmis') laten lezen, dus ook hier geldt: alle waar is naar zijn geld.

127

licht geld, lichte waar

Voor weinig geld kun je maar weinig kopen.
met een zilveren hengel vissen

Vis niet zelf vangen, maar kopen (met zilvergeld).
met goede waar lokt men zelfs de vijand geld uit zijn zak

Wie iets goeds te koop heeft, krijgt zelfs zijn vijanden als klant.
te licht voor het geld zijn

Zijn geld niet waard zijn.
tegen pronte (prompte) betaling

Tegen stipte, correcte, contante betaling.
werken doet de beurs sterken wie bidt om borgen als men gereed geld heeft?

Wie contant geld heeft, heeft niemand nodig die zich voor hem garant (borg) stelt.
wie in de handeling van het geld is, komt er wel schadeloos af

Wie in geld handelt, kan geen verlies lijden. Opgetekend in het midden van de 16de eeuw.
wie weinig besteden wil, koopt zelden goed vlees

Alle waar is naar zijn geld.

128

Klinkende munt

daar zit muziek in

Wordt wel gezegd van transacties die moeilijk te controleren vallen, en waarin dus gemakkelijk wat aan de strijkstok kan blijven hangen. 'Muziek,' aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal, 'is soms een term voor geld; bij aannemers wordt wel gesproken van een werk "waar veel muziek in zit": waaraan veel kan verdiend worden, doordat niet gemakkelijk is na te gaan of juist wordt opgeleverd wat in het bestek staat.' In de boeventaal werd een 'brandkast' wel een muziekdoos genoemd.
de beste kredietbrieven zijn klinkende munt de klank van de penning verdooft alle redenen

Rijke mensen worden altijd geloofd.
de klank van (het) geld vermag veel

Met geld krijgt men veel gedaan.
des pennings reden klinken best

De taal van het geld klinkt het duidelijkst.
één penning klinkt niet

Wie arm is, heeft vrijwel geen invloed.
geld-redenen klinken best

129

heb je geld, dat mooi blinkt, zorg dat het niet ldinkt

Smijt er niet mee. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
het is geen valse, het is een klinkaard

Het is een goed zilverstuk. Klinkaard is een oude naam voor een Bourgondische gouden munt, later voor een zilveren frank. We komen deze naam ook tegen in een Vlaams volksrijmpje: 'Klinkaert en zijn wijveken/ Die waren vroeg opgestaan/ Om mee een stulleke botere/ Al naar de markt te gaan./ Klinkaert die was zat/ En de baantjes die lagen zoo glad./ Klinkaert en zijn wijveken/ Die vielen op huider gat.'
het is niet al geld dat klinkt/goud wat er blinkt

Schijn bedriegt.
het zijn al geen echte muntstukken, hoe schel hun klank ook is

Een variant op het is niet alles goud wat er blinkt. hij heeft een klinkend verstand Omdat hij rijk is, meent hij ook alles te begrijpen en geeft men hem doorgaans gelijk.
hij is van klinkt'm voorzien

Hij heeft geld. Klinkt'm verwijst naar het klinken van muntstukken.
hij laat de penning klinken

Hij laat het geld rinkelen, door het uit te geven.
hij zit goed in zijn muzikanten

Hij zit goed in de slappe was.
jan klinkaard is thuis

Hij is rijk.
klinkende munt

Baar geld, handje contantje.
klinkende munt spreekt overal verstaanbare taal

Soms met de toevoeging: maar het verstaanbaarst klinkt hartentaai.

130

Klinkende munt
stinkende velletjes geven klinkende gelletjes

Vrouwen die oneerbaar aan hun geld zijn gekomen, kunnen toch een goede bruidsschat meebrengen. Gelletje is een verbastering van geld.
twee stuivers in een trommel maken meer herrie dan een die vol is met louis d'or

Een louis d'or, een Franse gouden munt van hoge waarde, is genoemd naar Lodewijk X I I I van Frankrijk. Tegenwoordig is het de naam van een Nederlandse toneelonderscheiding.
voor klinkende munt heeft iedereen open oren

Geld opent alle deuren.
waar munt klinkt, leent men gehoor, handen en voeten

Geld is almachtig.

!3i

Kwartje

De naam kwartje voor diverse kleine geldstukken is al sinds het midden van de 17de eeuw in zwang. Pas in 1816 werd officieel een munt met de waarde van een kwart gulden ingevoerd.
als je er een kwartje bijlegt, kun je er een glas bier voor kopen

Iets - dat niet wordt genoemd - is blijkbaar waardeloos, want voor alleen een kwartje kreeg je dat glas bier ook.
dubbeltjes en kwartjes

Weinig, een klein bedrag, kleingeld.
een kwartje, als je op zijn broekspijpen trapt

Dit zegt men wanneer iemand een broek draagt met veel te korte pijpen.
een kwartje voor je gedachten

Ontleend aan het Engelse a pennyfor your thoughts. Ook wel een cent voorje gedachten.
het kwartje is gevallen

Het dringt eindelijk tot hem door. De mens wordt hier vergeleken met een automaat, die pas na inworp van een munt in actie komt. In Vlaanderen zegt men: de frank is gevallen.

132

Kwartje
hij is zo gemeen als katoen van een kwartje per el

Voor die prijs kon katoen alleen maar van zeer slechte ('gemene') kwaliteit zijn.
je zou hem een kwartje geven

Hij ziet er heel sjofel en hulpbehoevend uit.
kwartjesvinder

Vrek. Eigenlijk bedrieger die, voorgevend geld (ooit: een kwartje) te hebben gevonden, iemand tracht over te halen met hem te kaarten, waarna hij zijn slachtoffer door vals spel geld afhandig maakt.
voor een kwartje naar Amsterdam willen

Betekent hetzelfde als voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten.
wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje

Hij ontgaat zijn lot nooit.

J

33

Liefde en huwelijk

als het huwelijk is om het gelletje, dan wordt het vaak een heiletje

Gelletje is een verbastering van geld. Een variant is: die trouwt het velletje om het gelletje, verliest het gelletje en houdt het velletje. Velletje staat hier voor 'vrouw'.
de een doet het uit liefde, de ander om eer, de derde om geld

Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
de liefde doet veel, maar het geld doet alles

Geld is almachtig.
door gouden ketenen verbonden zijn

Werd gezegd van mensen die om het geld met elkaar getrouwd zijn.
een fortuin trouwen eerst geld, dan liefde

Geld is voor een huwelijk belangrijker dan liefde,
geld is de rechte liefde

Geld is de ware liefde. Een uitdrukking uit de eerste helft van de 17de eeuw.

134

Liefde en huwelijk
geld waar de man niet van weet

Geld dat de vrouw ontvangt buiten weten van haar man.
heb je geld, dan heb ik liefde

Geld opent alle deuren.
heeft het liefje splint, dan wordt ze meer bemind

Als zij geld heeft, wordt zij meer bemind. Splint, splinter, ook wel splenters, betekent 'geld'. De herkomst van deze woorden in deze betekenis is onduidelijk.
het geld brouwt, bouwt, trouwt en houdt

Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
het geld (zij) is de bruid, waarom gedanst wordt

Alles draait om geld.
het is mijn geld dat er klapt

Ik heb in dit huwelijk het geld aangebracht.
het komt terecht, beter dan verzopen dubbeltjes, of je moet met de dochter van de kastelein trouwen het zijn mijn schijven die er klappen

Ik heb in dit huwelijk het geld aangebracht. Ook: het zijn zijn schijven die er klappen.
hoe dat men geld of liefde sluit: het wil, het zal, het moet eruit

Sluit betekent hier 'opsluit'. Een zegswijze uit de 17de eeuw.
in geld, in vrouwen en in wijn, is deugd en vreugd, maar ook venijn

Een voorloper is te vinden bij Jacob Cats: 'Een schoone vrou, en soete wijn, Die zyn vol heymelick fenijn.'
in honderd pond geklets is niet één mijt liefde

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
is de juffer krom of blind, geld maakt dat ze een vrijer vindt

135

kinderen zijn een zegen des Heren, maar ze houden de noppen van de kleren

Kleding waarvan de noppen ('knopen') zijn afgesleten is een bewijs van armoede of mindere welvaart. Kortom: kinderen kosten veel geld.
liefde zonder geld is een lamp zonder olie mooie vrouwen en paarden doen het geld wel verteren

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
niet om haar velletje, maar om haar gelletje

Trouwen om het geld. Gelletje is een verbastering van geld; velletje staat voor 'vrouw' (met een ongunstige bijklank) en hier voor 'seks'.
oud geld en jonge vrouwen - wil die vrij in 't duister houen

Die kun je maar beter in het donker houden. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
stinkende velletjes geven klinkende gelletjes

Vrouwen die oneerbaar aan hun geld zijn gekomen, kunnen toch een goede bruidsschat meebrengen. Gelletje is een verbastering van geld.
trouwen voor de ans

Trouwen om het geld. Hans of hanske is een oude volksnaam voor een (van oorsprong) koperen muntstuk. Het is gebruikt voor 'oordje', maar later - onder meer in de dieventaal - ook voor 'cent' of 'geld'. In Zuid-Nederlandse bronnen komt men het ook tegen in de spelling ans (in veel Vlaamse dialecten wordt de h ingeslikt). Zo maakt een Gents woordenboek melding van de daar is ans voor 'daar is geld'.
vier dingen laten zich niet verbergen/houdt men niet onder met geweld: vuur, geld, hoest en liefde

Opgetekend in het midden van de 16de eeuw.
wie geldeloos en weeldeloos is, wat doet hij met de bruid?

Wie zonder bezittingen trouwt, handelt dwaas. Een zegswijze uit de tweede helft van de 16de eeuw.
136

Liefde en huwelijk
wie graag dobbelt, in de herberg gaat en met mooie vrouwen omgaat, kruis noch munt zal hem blijven

Een munt zonder meer werd wel een kruis genoemd, wegens het kruis dat op vele munten stond afgebeeld (denk aan kruis of munt, de twee zijden van zo'n munt).
wie met een oude vrouw trouwt, trouwt haar om haar geld

In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
wie zijn vrouw verliest, en vijf groten, het is jammer van het geld

De munt groot, die uit de Middeleeuwen stamt, had geringe waarde, maar vijf groot was volgens deze spreuk nog altijd meer waard dan een echtgenote.

37

Niet veel zaaks

alle guldens drie maanden/alle guldens zes weken

Een onzinspreuk om aan te geven dat iemand weinig of niets verdient.
dat is een fluitje van een cent

Zeer gemakkelijk, het loopt van een leien dakje. De Zuid-Nederlandse variant is: het gaat gelijk een fluitje van een oordje.
dat kan me geen oordje schelen

Dus: weinig of niets. Varianten met bal, hol, moer of reet zijn inmiddels bekender. Een oordje was een kwart stuiver.
dat wordt een dubbeltjeskwestie

Dat wordt gezeur over kleinigheden.
dubbeltjes en kwartjes

Weinig, een klein bedrag, kleingeld.
één penning in de spaarpot maakt meer geraas, dan als hij vol is

Denk aan holle vaten klinken het hardst. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
een tronie van twaalf schellingen

Een uitgestreken gezicht. Een schelling is een oude munteenheid, die uiteenlopende waarden heeft gehad.

3

8

Niet veel zaaks
gebrek aan geld vult de fles niet geen cent geven voor iemands leven

Hij is niet meer te genezen. Een voorloper is: geen oordje geven,
geen centje pijn

Niet de minste moeite, geen enkel ongerief. Onder Nederlandse soldaten in Indonesië een veel gebruikte uitdrukking, vaak met de toevoeging: het duurt nog maar een jaartje. Variant: geen centje twijfel.
geen oordje geven voor iemands leven

Tegenwoordig: geen cent...
het gaat gelijk een fluitje van een oordje

Het gaat heel gemakkelijk. Vlaamse variant van het Noord-Nederlandse dat is een fluitje van een cent.
het is speldengeld

Geld voor kleinigheden, oorspronkelijk geld voor een vrouw of meisje om spelden en dergelijke te kopen. het is windegeld Geld voor kleinigheden. Oorspronkelijk het bedragje dat aan schippers werd gegeven ter compensatie van de slijtage van het touwwerk bij het laden en lossen, waarbij getakeld en dus op- en afgewonden werd.
het kan me geen cent schelen

Het kan me niets schelen. Varianten met bal, hol, moer of reet zijn inmiddels bekender.
het kan me geen hol schelen

Het kan me niets schelen. Een hol was oorspronkelijk een zilveren florijn van 28 stuivers (ƒ1,40), waarop het stempel h o i (= Holland) aangaf dat het een geldige munt was. De munt werd voor het eerst geslagen in 1693; in 1846 werd hij afgeschaft. De uitdrukking het kan me geen hol schelen bevat een woordspeling met hol 'aars'. In plaats van hol zegt men ook bal, moer of reet.

139

het lijkt wel of het twee cent kost

Zo slordig ga je ermee om.
het zit er zo dun op als het goud op een duits klootje

Een duits klootje is een balletje ter waarde van een duit, dus heel goedkoop. Wat voor balletje oorspronkelijk bedoeld werd, is niet duidelijk.
hij heeft penning noch heller voor de kosten gehad

Geen vergoeding. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was.
hij is zo gemeen als katoen van een cent per el

Voor die prijs kon katoen alleen maar van zeer slechte ('gemene') kwaliteit zijn. Ook van een kwartje per el.
hij stuivert genoeg, maar frankt niet

Veel geschreeuw, weinig wol. Een stuiver was minder waard dan een frank. De frank was oorspronkelijk een Franse gouden munt, die daar in de 14de eeuw was geïntroduceerd. Deze munt was ook in de Nederlanden veelvuldig in omloop, waar de naam franke voor het eerst is aangetroffen in een document uit 1382. De naam is misschien ontstaan als verkorting van het opschrift Francorum rex 'koning van de Franken/Fransen' op de eerste munten. Na de vereniging van België (waar de frank een zeer gangbare munt was) en Nederland in 1815 werd de waarde van de Belgische frank vastgesteld op 47,25 cent.
hij zit op het schellinkje

De goedkoopste rang in de schouwburg, in tegenstelling tot de daaldersplaats. Schelling was al in de Middeleeuwen een zeer bekende term, die toen een hoeveelheid van 12 penningen (1/20 pond) aanduidde. De eerste schelling munten werden in de 13de eeuw geslagen. Later, tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, werd met schelling meestal een bedrag of munt ter waarde van zes stuivers aangeduid. Schelling is afgeleid van schild, dat als muntnaam diende wegens het wapenschild dat op vele munten stond afgebeeld.

140

Niet veel zaaks
iemand voor geen cent vertrouwen

Dezelfde spreuk komt voor met cent, centiem, halve centiem en oordje•
iemand voor geen (halve) centiem vertrouwen/willen bedriegen

De Zuid-Nederlandse muntnaam centiem is in de 19de eeuw ontleend aan Frans centime 'een honderdste frank'. In Frankrijk was de centime in 1793 ingevoerd.
iemand voor geen oord je vertrouwen/willen bedriegen met een oordje en een zesje betalen

Met kleine beetjes. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een zesje zes mijt, dus 1/8 stuiver. 'Door den vorm en geringe waarde zeer geschikt als belooning voor kleine werkzaamheden of als fooi,' schrijft het Woordenboek der Nederlandsche Taal over het zesje.
van dat geld kun je geen kromme/hoge sprongen maken

Het is nauwelijks genoeg voor de gewone zaken, laat staan dat je ermee kunt smijten.
veel gerucht maar weinig munt, zei de boer, en hij danste op een hoop mosselschelpen verlegen waren gelden geen geld

Goederen of waren die lang zijn blijven liggen zijn niets waard,
voor dat geld koopt men geen land voor zeven duiten koopt men niet veel wat heb je gehad? een pinte eens

Niet veel, namelijk centen om een pint te kopen. Deze uitdrukking werd aan het begin van de 19de eeuw opgetekend in Gent.

141

goedkoop
dat is voor een habbekrats

Deze uitdrukking heeft lange tijd als onverklaarbaar gegolden, maar in 1984 opperde J. Grolle een ontlening van habbekrats aan Duits (eines) halben Karats Van een halve karaat', dus van gering gewicht en waarde.
dat kost maar een krats

Bijna niets. Krats (via Jiddisch uit het Duits) is een krabje, dus een futiliteit. Een andere mogelijkheid is dat krats een verkorting is van habbekrats, zie hierboven.
ergens voor een oordje of een blank thuisliggen

Ergens voor heel weinig geld in de kost zijn, en dus weinig in te brengen hebben. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard. Een oordje was een kwart stuiver.
geschikt voor smalle beurzen iets voor een prikje kopen

Een prikje is iets van weinig waarde. Het is niet zeker of de zegswijze verband houdt met de oude muntnaam prik. 'Wellicht,' aldus een spreekwoordenboek, 'heeft prikje hier eigenlijk de betekenis van "klein stokje, klein dun houtje" en vandaar "iets van weinig waarde, kleinigheid". Doch het is ook mogelijk dat we aan prik in de zin van "munt" moeten denken, waarin prixken in de Middeleeuwen voorkomt en waaruit zich die van "prijs" kon ontwikkelen.'
voor een appel en een ei

Voor heel weinig geld. Deze spreekwijze dateert uit de 16de eeuw. Er kwamen ook andere combinaties voor, bijvoorbeeld voor een leur en een zeur (een leur is een 'lor') en voor een trot en een ot (een Zeeuwse uitdrukking).
voor een oordje het voer

Overvloedig, in grote hoeveelheden voor weinig geld. Een voer is een wagenlading. Een oordje was een kwart stuiver.

142

Niet veel zaaks
zeven stuivers en een oude hoed

waardeloos
als je er een kwartje bijlegt, kun je er een glas bier voor kopen

Iets - dat niet wordt genoemd - is blijkbaar waardeloos, want voor alleen een kwartje kreeg je dat glas bier ook.
daar geeft de bank geen geld op

Dat is niets waard.
daar kun je geen labberdaan voor eten

Voor zo weinig geld kun je niets kopen. Labberdaan was gezouten kabeljauw en bijzonder goedkoop.
dat is geen kluit waard

Een kluit was vroeger in België een muntstuk van tien centiem.
dat is het zozeer waard als een uil een pond groot

Dat is het volstrekt niet waard, want een pond groot was zes gulden - blijkbaar veel meer dan een uil waard was.
een duit met gaatjes

Iets wat helemaal niets te betekenen heeft. Een duit is al weinig waard, een duit met gaatjes nog minder.
een kleermaker van drie voor een kluit

Iemand die zijn vak niet verstaat, iemand die slecht werk aflevert. Een kluit was vroeger in België een muntstuk van vijf of tien centiem. Daar kun je geen deugdelijk kledingstuk voor kopen, laat staan drie.
een ruiter zonder paard, een krijgsman zonder zwaard, een vrijer zonder baard zijn geen zeven oordjes waard

Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen.

43

er is/hij vertelt zoveel, waar de lommerd/bank geen geld op geeft

Waardeloze praatjes, waar de bank van lening ('de lommerd') geen geld voor zou geven.
geen (kwade) schelling waard

Een schelling is een oude munteenheid, die uiteenlopende waarden heeft gehad.
geen rode (rooie) cent kosten

Rooie duidt op de Meur van het kopergeld.
het is een kerel, die met huid en haar voor een vijfje nog te duur is

Vijfje heeft in het muntwezen verschillende officieuze betekenissen gehad. In de 19de eeuw - toen deze uitdrukking werd opgetekend was deze naam gebruikelijk voor een munt van vijf stuivers, dus een kwartje. In diezelfde tijd was ook de betekenis 'munt van vijf gulden' in zwang, meestal in de verbinding gouden vijjje. Zelden is de betekenis 'vijf dubbeltjes' gesignaleerd.
het is geen cent waard

In plaats van cent zegt men ook duit of mijt.
honderd boeren en een dertiendhalf

Bedoeld is: honderd boeren (oprispingen) en twaalfenhalve stuiver in het kerkenzakje; gezegd wanneer iemand er maar wat op los kletst.
ik geef er geen koperen duit voor ik geef er nog geen negenmannetje voor

Een negenmannetje was maar 0,625 cent. Het woord negenmannetje of, in de streektaal, negenmanneke, dateert uit de 17de eeuw.
ik geef het geen cent minder/geen man en geen cent/geen rooie cent malle lui en rotte peren, boeken die geen deugden leren, vuile eieren op een hoop, hoe meer voor 't geld, hoe slechter koop

144

Niet veel zaaks met zo'n knecht en vijf cent krijg je overal een pint bier Die knecht is blijkbaar niets waard, want voor enkel vijf cent kreeg je die pint bier ook.

woorden kosten niets
een beleefd woord/goedendag zeggen kost geen pond Het woord pond, dat in deze Nederlandse vorm in 1237 voor het eerst is gedocumenteerd, gaat terug op Latijn pondo 'pond', dat verwant is met het werkwoord pendere 'wegen'. goede/vriendelijke woorden kosten geen geld goedendag en goedenavond kosten geen duizend pond hij zou niemand een duit schuldig blijven als hij met leugens zijn schulden kon betalen klappen zijn geen oordjes (want als klappen oordjes waren, ik klapte mijn zak vol) Woorden kosten niets. Met een woordspeling op klappen 'praten', met bedanken koopt men niet, men moet geld zien veertig zesthalven en alle praatjes maken juist elf gulden De praatjes zijn waardeloos, want een zesthalf was 27,5 cent waard, dus veertig zesthalven is precies elf gulden. woorden zijn geen oorden Praten is dikwijls nutteloos. Men zei ook praten zijn geen oorden. Een oordje was een kwart stuiver.

145

Onverstandig handelen

als de zotten/gekken/kinderen naar de markt komen, krijgen de kramers geld/vliegen de schijven

Je moet van de dwaasheid van de mensen profijt trekken,
daar moet geld bij

Er moet geld bij, het is geen rendabele onderneming.

daar win je geen duit mee

Je schiet er niks mee op.
de kip met de gouden eieren slachten

Een vaste bron van inkomsten vernietigen om één keer flink profijt te behalen.
een stuiver verdienen en wel voor een braspenning dorst hebben

Een braspenning was circa 6,25 cent waard, dus meer dan een stuiver. De eerste braspenningen werd in 1409 in Vlaanderen geslagen. Later werden ook andere munten ter waarde van 2,5 groot (1,25 stuiver) zo genoemd. Als waarde-aanduiding is braspenning tot in de 18de eeuw in gebruik gebleven; de munt was toen al verdwenen. Het element bras gaat vermoedelijk terug op een Middelnederlands woord dat 'metaal' of 'koper' betekende, en gaf dus aan waarvan deze penning was gemaakt.

146

Onverstandig handelen
een zot en zijn geld zijn gauw gescheiden

Opgetekend in de tweede helft van de 16 de eeuw.
er is kwaad geld bij

Wordt gezegd van bezittingen die met schulden bezwaard zijn.
geld heeft geen staart

Je kunt het dus niet vasthouden wanneer het wegglipt, je raakt het gemakkelijk kwijt.
geld heeft niet één meester

Men kan geld gemakkelijk kwijtraken.
geld is vast geen goede waar, zei de boer, want mijn hond, die anders nogal loos is, wil het niet vreten

Loos betekent hier 'slim'. In oude stadse zegswijzen werden boeren geregeld als dom of onbetrouwbaar afgeschilderd.
goedkope waar trekt het geld uit de beurs het is een schip van bijleg

Er moet geld bij, het is geen rendabele onderneming,
hij denkt dat al zijn duitjes stuivers waard zijn hij denkt dat er goud te graven is hij heeft leergeld gegeven

Hij is door schade en schande wijs geworden. In plaats van leergeld lees je soms abusievelijk lesgeld.
hij waagt er zijn laatste oordje aan hij zet zijn laatste duit op het spel je moet geen goed geld naar kwaad geld werpen/gooien/smijten

Je moet geen kosten maken om reddeloos verloren geld terug te winnen.

147

kinderen en gekken verbeelden zich, dat twintig gulden niet vermindert en twintig jaar niet eindigt

Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw.
men kan ook het goud te duur betalen

Ook iets kostbaars kan te duur worden gekocht.
met schijven schieten

Speculeren met geld.
om duits-waar een half uur dingen

Duits-waar zijn artikelen van een duit (niet: uit Duitsland), dus heel goedkoop; daar moet je geen halfuur over onderhandelen.
pas op je geld, want ze pissen van jouw geld een gat in de vloer

Ze gaan je geld verzuipen.
van een pond vijf schellingen maken

Dat betekent: driekwart van de waarde verliezen. In de Middeleeuwen gingen er twintig schellingen in een pond.
van stuivers blanken maken

Slechte zaken doen. Een blanke was (ongeveer) driekwart stuiver waard.
voor een kwartje naar Amsterdam willen

Betekent hetzelfde als voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten.
voor een onwis ei groot geld te koste leggen

Voor een ei van onzekere kwaliteit veel geld uitgeven. Opgetekend in het midden van de 16 de eeuw.
wat doet de zot met geld en goed: hij weet niet hoe hij 't gebruiken moet wie geldeloos en weeldeloos is, wat doet hij met de bruid?

Wie zonder bezittingen trouwt, handelt dwaas. Een zegswijze uit de tweede helft van de 16de eeuw.

148

Onverstandig handelen
wie het geld van tevoren geeft, mint/leeft op genade

Wie betaalt voordat de dienst geleverd is, is onzeker of hij waar voor zijn geld krijgt; zo iemand is overgeleverd aan de genade van de andere partij.
wie koopmanschap doet, en er geen verstand van heeft, diens penningen worden vliegen

Diens penningen zullen dus wegvliegen. Opgetekend in het midden van de 16 de eeuw.
wie weinig besteden wil, koopt zelden goed vlees

Alle waar is naar zijn geld.
wie wil bederven, neemt geld op rente en koopt erven

Het is niet raadzaam, met geleend geld onroerend goed te kopen.
zijn geld moe zijn

Nutteloze uitgaven doen.

verkwisting
Zie ook de hierna volgende rubrieken 'met geld smijten', 'verbrassen' en 'geld moet rollen'. Een andere beeldspraak voor 'smijten met geld' is de centen bijten hem. Dat wil zeggen: geld lijkt hem pijn te doen, zo snel wil hij het kwijt. Men zei ook de duiten bijten hem; het geld bijt in zijn billen en het geld danst hem in de zak.
bij hem zinkt het geld in een grondeloze/bodemloze put dat is als een gouden ring in een varkenssnuit

Dat is als een vlag op een modderschuit. Ontleend aan het bijbelboek Spreuken (11:22): 'Als een gouden ring in een varkensnuit, is een schone vrouw zonder verstand.'
de apostelen moeten wandelen

Het geld moet in omloop zijn, moet rollen. Apostelen moeten, als verbreiders van een geloof, grote omzwervingen maken. Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw.

149

de centen van je baas zijn niet van blik! Je mag wel eens wat harder werken voor je loon. de centenpest hebben Veel geld uitgeven. Ook: de geldpest hebben. Vaak in ontkennende vorm: ik heb de centenpest/geldpest niet. de laatste stuiver uitsteken, uithangen Op één stuiver na blut zijn. de nieuwigheden doen de man van zijn geld scheiden een dubbeltje op het zand zetten Dat is: er een borrel voor drinken. Zo raak je 't kwijt, zoals het in het zand verloren raakt. een gat in je hand hebben er worden zo veel dubbeltjes aan een apenkont verkeken Er wordt zo veel geld verspild. geld, dat slaan ze in de munt met hamers Zinspelend op de uitdrukking geld stukslaan voor 'verkwisten'. Opgetekend in de tweede helft van de 17de eeuw. geld heeft vleugels Geld is gauw uitgegeven. geld (niet) laten beschimmelen heeft hij veel noten, zij zal veel doppen maken Als híj veel geld heeft, zal zíj het er wel doorjagen. het geld blijft in de wereld en wij moeten eruit Ter verontschuldiging gezegd om het er maar goed van te nemen. Maar: het geld brengt de mens in de hel, en blijft er zelf buiten. het geld brandt hem in zijn handen/vingers/zak

150

Onverstandig handelen
het geld druipt/glijdt/glipt/slipt/gaat hem door de vingers het geld smelt in zijn handen het geld valt daar in een zinkput hij brengt zijn goed wel niet door, maar hij maakt het geld toch zoek

Doorbrengen is verkwisten.
hij draagt het geld in zijn zak, maar er zit een gat in hij laat de penning klinken

Hij laat het geld rinkelen, door het uit te geven.
hij laat zijn geld wandelen

Hij laat zijn geld rollen.
hij poept uit een wijd gat

Hij geeft gemakkelijk geld uit.
hij weet niet dat geld waarde heeft

Hij kent de waarde van het geld niet.
hoe dat men geld of liefde sluit: het wil, het zal, het moet eruit

Sluit betekent hier: opsluit. In 1632 opgetekend door facob Cats.
hoger kakken als zijn gat

Meer geld uitgeven dan hij zich kan veroorloven. Denk ook aan kak in de zin van 'kapsones'.
in de buidel blazen

Veel geld uitgeven. De uitdrukking is niet verklaard.
maak, dat het geld opkomt, voor de Fransen terugkomen

Iedere smoes om je geld uit te geven is goed. Opgetekend in het midden van de 19de eeuw, nadat de 'Franse tijd' in 1813 was geëindigd.

151

mooie vrouwen en paarden doen het geld wel verteren

Een i6de-eeuwse zegswijze.
niet op een dubbeltje kijken

Makkelijk geld uitgeven.
op grote voet leven

Het gebruik van het woord voet in de betekenis 'schaal, mate, omvang' gaat in een lange geschiedenis ruwweg via de betekenissen 'grootteverhouding', 'verhouding' en 'grondslag' terug op het lichaamsdeel voet.
uit volle buidels is het goed geld betalen voor nietige dingen wordt het meeste geld gegeven wel wat kunnen missen welk nut heeft het geld, dat in de kist gestapeld wordt! wie het breed heeft, laat het breed hangen

Schertsend gezegd wanneer iemand betaalt of veel uitgeeft.
wie zijn geld wil zien verstuiven, moet roken tabak en kopen duiven

Aan het begin van de 20 ste eeuw opgetekend in Deventer.
wie zijn spaarpot aan scherven slaat, is zijn penninkje kwijt voor hij het kent zijn centen in het zout leggen

Veel geld verteren. De herkomst van deze zegswijze is niet duidelijk. Gewoonlijk betekent in het zout leggen of opzouten juist dat je iets goed bewaart.
zijn hele vermogen erdoorheen jagen zijn zakken zijn van duivelsleer, zij kunnen geen kruis houden

Bedoeld is het kruis - symbool van het geloof - dat op oude munten staat, waartegen de duivel machteloos zou zijn.

152

Onverstandig handelen

met geld smijten
ergens veel geld tegenaan gooien geld in het water geworpen/gooien geld met volle handen strooien geld naar de honden smijten geld uit het venster smijten geld uit zijn zak smijten het geld met scheppen uitgeven veel geld stukslaan/stuksmijten

verbrassen
de pieken laten springen Grof geld verteren. Het woord piek, een Bargoense term voor 'gulden', is voor het eerst gedocumenteerd in 1906. Men veronderstelt dat de naam teruggaat op een serie munten van eind 17de eeuw waarop de Nederlandse Maagd (of de godin Pallas Athena, daar is men het niet over eens) leunend op een speer was afgebeeld.
geld verbranden

Ook in ontkennende vorm: geen geld verbranden 'zuinig zijn',
zijn geld verboemelen

Verboemelen komt van boemelen 'flierefluiten' en is in de 19de eeuw ontstaan, waarschijnlijk onder invloed van het Duitse verbummeln 'verkwisten'.
zijn geld verbrassen

Al in 1544 stond in een liedboekje: 'Hi wilde altijt vrolijc zijn/ Sijn geit heeft hi verbrasset/ Met schoone vrouwen fijn.'

153

zijn geld verdrinken/versjikkeren

Versjikkeren is Bargoens van Jiddische oorsprong voor 'verdrinken',
zijn geld verkladden

Verkladden betekent zoiets als 'verknoeien'. Het hangt waarschijnlijk samen met klad 'vlek, klodder'.
zijn geld vermooschen

Vermooschen is waarschijnlijk een variant van vermorsen. Mogelijk is ook moos (Bargoens voor 'geld') van invloed geweest.
zijn geld versletsen

Versletsen hangt waarschijnlijk samen met slets 'rommel, vod',
zijn geld verspillen

geld moet rollen
een kluit in zijn hol hebben

Onrustig zijn; op pad willen om geld te spenderen. Een kluit was vroeger in België een muntstuk.
geld (is rond, dus) moet (het) rollen

Opgetekend in het midden van de 19de eeuw.
geld moet rollen en bier moet vloeien

Opgetekend in de studententaal.
hij heeft een roldaalder in zijn zak

Geld dat je in de zak brandt, dat móét rollen.
ze laten wielen

Het geld laten rollen.

154

Onverstandig handelen

rekenfouten
dat is een rekening van Marie Boom: drie maal elf is een daalder en een slokkie voor de haalder

Dit werd in Vlaanderen gezegd als iemand in zijn nadeel rekende. 'Marie Boom zal wel een bestaand persoon geweest zijn', aldus een spreekwoordenboek.
de stuiver op een oord je/zes je brengen

Verlies lijden door iets te ruilen tegen iets van mindere waarde. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een zesje zes mijt, dus 1/8 stuiver. 'Door den vorm en geringe waarde zeer geschikt als belooning voor kleine werkzaamheden of als fooi,' schrijft het Woordenboek der Nederlandsche Taal over het zesje.
die heb ik gepierd (beetgenomen), zei de boer, en hij gaf twee zesthalven voor acht stuivers

Zesthalven waren 5,5 stuiver (27,5 cent) waard. De boer schiet er dus zelfbij in, want hij krijgt voor zijn 55 cent maar veertig cent terug. In veel stadse spreuken wordt de boer afgeschilderd als een bedrieger én domkop.
een achtentwintiger voor een daalder nemen

Met minder genoegen nemen. Een achtentwintig(er) was een zilveren munt ter waarde van 28 stuivers, een daalder was dertig stuivers waard, dus dit was een ongunstige transactie.
ik heb gegeten, zei de mof, alsof ik een daalder verteerd had, en het is maar negenentwintig stuivers en zeven duiten

Het vermeende voordeel is te verwaarlozen, want een daalder was dertig stuivers waard, dus één duit meer.
vijf cent voor een stuiver geven

In Nederland is dit een correcte wisseltransactie. In België, waar de spreuk is opgetekend, was dit niet zo! Een cent was daar namelijk twee centiem, en een stuiver negen centiem! Het is dus vijf cent (tien centiem) voor een stuiver (negen centiem) geven, dat is te veel.

155

vijf oordjes voor een stuiver geven

Iets duur betalen, want een stuiver was vier oordjes waard.

penny wise, pound foolish
In het Engels is de uitdrukking penny wise, pound foolish voor het eerst opgetekend in 1607 in een boek van Edward Topsell, The History of Four-Footed Beasts and Serpents and Insects (De geschiedenis van viervoetige dieren en slangen en insecten): 'Als iemand uit gierigheid of nonchalance zijn vee het gewone voedsel onthoudt, zal hij penningwijs en ponddwaas zijn; hij zal namelijk veel vee verliezen doordat hij er een beetje voer op bespaarde.' Een vergelijkbare beeldspraak is al in 1561 te vinden in een Nederlandse spreekwoordenverzameling: een duit gezocht en een oordje verloren. Dit wordt verklaard als 'een kleine winst nagejaagd en daardoor een grotere prijsgegeven'. Penny wise, pound foolish wordt ook in Nederlandstalige teksten vaak in zijn oorspronkelijke vorm aangehaald. In de 18de en 19de eeuw zijn verschillende varianten te vinden. Het gaat om:
dat is centenwijsheid en guldensdomheid hij is oordje gierig en stuivertje zot hij is penningwijs en pondzot hij keert een dubbeltje driemaal om en gooit een gulden weg

drank
dat is lelijk/bitter goed, geef mij nog voor een oordje

Schertsend gezegd door iemand die nóg wel een borreltje wil. Ook: geef mij nog voor vier duitjes.
de drinkpot maakt menigeen geldeloos

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.

156

Onverstandig handelen een dubbeltje op het zand zetten Dat is: er een borrel voor drinken. Zo raak je 't kwijt, zoals het in het zand verloren raakt. het geld, al tappend ontvangen, is niemand nut Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw. In feite is het geld natuurlijk wel de kroeghouder tot nut. het komt terecht, beter dan verzopen dubbeltjes, of je moet met de dochter van de kastelein trouwen hij drinkt/liegt/speelt tegen de penning zestien op In zeer hoge mate; zinspelend op de hoge rente van 6,25 procent die 'op de penning zestien' heette. ik heb alles versmeerd, mijn schoon geld verteerd, al bij de meisjes en de weerd (waard) Opgetekend in Gent, omstreeks 1840. in geld, in vrouwen en in wijn, is deugd en vreugd, maar ook venijn Een voorloper is te vinden bij Jacob Cats: 'Een schoone vrou, en soete wijn, Die zyn vol heymelick fenijn.' Venus en Bacchus zijn rare guiten, ze maken het hoofd op hol, en plunderen de duiten Venus symboliseert liefde en seks, Bacchus de drank. Beide figuren gaan terug op de klassieke mythologie. wie druppels koopt, moet geen spaarpot kopen Drankgebruik veroorzaakt armoede. wie graag dobbelt, in de herberg gaat en met mooie vrouwen omgaat, kruis noch munt zal hem blijven Een munt zonder meer werd wel een kruis genoemd, wegens het kruis dat op vele munten stond afgebeeld (denk aan kruis of munt, de twee zijden van zo'n munt). zij leggen hun geld aan in natte waren tegen brand Zij geven alles uit aan drank.

157

Oordje

Oordje is een van de vijf muntnamen die in de spreuken het meest voorkomen. Een van de oude betekenissen van oord was 'hoek'. Toegepast op het kruisteken dat vele munten sierde, was een oordje elk van de vier hoeken waarin het kruis de munt verdeelde, dus een kwart. In de praktijk was het bijna altijd een kwart stuiver. Oordjes zijn geslagen van de late Middeleeuwen tot 1794. In dit boek is de schrijfwijze oordje aangehouden, zoals in de muntliteratuur gebruikelijk is. De Grote Van Dale geeft de voorkeur aan oortje, maar sluit oordje niet uit, en schrijft zelfs alle samenstellingen van het woord met een d. achter de oordjes zitten Al het mogelijke doen om geld te vergaren. al zijn oordjes kwijt zijn altijd een oordje in de schaal te leggen hebben Altijd iets aan te merken hebben. bekend zijn als de blinde oordjes Een blind oordje was een muntstuk waarvan de beeldenaar was afgesleten, en dat dus door zeer vele handen was gegaan. dat is het zo goed waard als een ei/koek een oordje Dat is zijn prijs goed waard.

158

Oordje
dat is lelijk/bitter goed, geef mij nog voor een oordje

Schertsend gezegd door iemand die nóg wel een borreltje wil.
dat kan me geen oordje schelen

Dus: weinig of niets. Varianten met bal, hol, moer of reet zijn inmiddels bekender.
de stuiver op een oordje/zesje brengen

Verlies lijden door iets te ruilen tegen iets van mindere waarde. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een zesje zes mijt, dus 1/8 stuiver.
een duit gezocht en een oordje verloren

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
een oordje gespaard, is een oordje gewonnen een oordje in 't zakje leggen om er een schelling uit te halen

Een kleine som wagen met hoop op (grote) winst. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een schelling in de Middeleeuwen 1/2 stuiver, later zelfs zes stuivers.
een ruiter zonder paard, een krijgsman zonder zwaard, een vrijer zonder baard zijn geen zeven oordjes waard een woordje op zijn pas is als geld/goud in de tas/kas

Timing is belangrijk. Op zijn pas betekent 'op het goede moment'.
er is geen oordje smout meer aan

Smout is vet - net als boter een symbool van welvaart. Als er niet eens vet meer was ter waarde van een oordje, stond het er slecht voor.
ergens voor een oordje of een blank thuisliggen

Ergens voor heel weinig geld in de kost zijn, en dus weinig in te brengen hebben. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.
geen oordje geven voor iemands leven

Tegenwoordig: geen cent...

159

geen oordjes, geen mastellen

Geen geld, geen waar. Een mastel was een broodje of koekje, soms met anijs gekruid.
het gaat gelijk een fluitje van een oordje

Het gaat heel gemakkelijk. Vlaamse variant van het Noord-Nederlandse dat is een fluitje van een cent.
het is een oordje

Beslist, zeker, zo is het. Waarom dat met de muntnaam oordje wordt aangegeven, is niet duidelijk.
het is geen oordje waard het laatste oordje moeten hebben

Gezegd van iemand die zijn spullen duur verkoopt.
hier een oordje, daar een blank, het jaar is lang

Sparen lukt ook met kleine beetjes (een oordje en een blank waren allebei heel weinig waard).
hij is oordje gierig en stuivertje zot hij is oordjedood

Hij blijft op een oordje dood: hij zou om een klein verschil een zaak laten afspringen.
hij keert zijn oordjes wel driemaal om

Hij is zo gierig als wat.
hij mag dat oordje in zijn hand houden en uitwisselen

Daar kan hij het mee doen!
hij waagt er zijn laatste oordje aan hij zou een oordje in tweeën/vieren bijten

Geeft aan dat een gierigaard de kleinste munten liefst nog zou splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.

160

Oordje
hij zou er zijn zondagsoordje voor uitgeven hij zou nog liever honger lijden dan een oordje te kort blijven

Hij doet alles voor geld.
ieder oordje brengt zijn gierigheid mee

Hoe meer men verdient, hoe meer men bij wil verdienen; hoe rijker men is, hoe gieriger men wordt.
iemand voor geen oordje vertrouwen/willen bedriegen ik zou een oordje geven om je te zien je zou hem je laatste oordje in bewaring geven kijken alsof je je laatste/zondags oordje versnoept hebt

Beteuterd kijken.
klappen zijn geen oordjes (want als klappen oordjes waren, ik klapte mijn zak vol)

Woorden kosten niets. Met een woordspeling op klappen 'praten'.
kleine oordjes van iets maken

Iets dat men niet meer nodig heeft, te gelde maken.
liever oordje zeker en het geweten zuiver

Liever een kleine winst eerlijk verwerven dan op andere wijze rijk te worden. Men zei ook op oordje-zeker spelen 'geen geld geven of lenen tenzij tegen goede waarborg of onderpand'.
met de oordjes zitten

Geld hebben.
met een oordje en een zesje betalen

Met kleine beetjes. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een zesje zes mijt, dus 1/8 stuiver. 'Door den vorm en geringe waarde zeer geschikt als belooning voor kleine werkzaamheden of als fooi,' schrijft het Woordenboek der Nederlandsche Taal over het zesje.

161

ook een oordje in 't schoteltje te leggen hebben

Ook iets in te brengen hebben.
oordje-zeker spelen

Alleen in solide zaken investeren. Deze verbinding komt ook voor in de uitdrukking liever oordje zeker en het geweten zuiver 'liever een kleine winst eerlijk verwerven dan op andere wijze rijk te worden'.
oordjes hebben op/om een oordje doodblijven

Liever doodgaan dan ook maar het kleinste beetje geld laten glippen.
van/voor het oordje zijn

Geldzuchtig zijn.
vijf oordjes voor een stuiver geven

Iets duur betalen, want een stuiver was vier oordjes waard,
voor een oordje het voer

Overvloedig, in grote hoeveelheden voor weinig geld. Een voer is een wagenlading.
wie geboren is onder een duitplaneet zal nooit meester van een oordje worden

Geboren zijn onder een bepaalde planeet zinspeelt op de astrologie, die inhoudt dat de stand van sterren en planeten onherroepelijk ons lot bepaalt.
wie voor het oordje geboren is, zal nooit tot een stuiver geraken

Hij ontgaat zijn lot nooit.
woorden zijn geen oorden

Praten is dikwijls nutteloos. Een variant is praten zijn geen oorden.
zijn oordjes inleggen

Zich met iets bemoeien. Wie zijn oordjes inlegt, zet geld in en speelt dus mee.
162

Oordje
zijn oordjes omkeren

Gierig zijn.
zijn oordjes tussen de deur nijpen

Gierig zijn. Een gierigaard zou de kleinste munten liefst nog splijten, om ze niet in één keer helemaal te hoeven uitgeven.
zijn oordjes uit het spel trekken

Zich uit een zaak terugtrekken.
zijn stuiver doet toch ook maar vier oordjes

Met wantrouwen gezegd van mensen die op onverklaarbare wijze in welstand toenemen.
zonder oorden krijgt men geen boter

Zonder geld geen waar.
zonder oordjes en met een diepe zak ga je niet naar de markt

Vóór alles heb je geld nodig.

163

Opscheppen

de gebraden haan uithangen

Grof geld verteren, de grote heer uithangen.
een gulden op de drempel en een stuiver in huis

De buitenkant is mooier dan de binnenkant.
een presentatie als een haan van een daalder hebben

Trots en hoogmoedig doen zonder dat daar reden toe is. Met een 'haan van een daalder' wordt een grote haan van koek of speculaas bedoeld (die een daalder kostte).
geen halve cent in de zak en drie gulden aan het voorhoofd grote ruiten zonder duiten

Mogelijk een toespeling op de tijd dat grote glazen ruiten een luxe waren. Iemand die de schijn ophield, had wel grote ruiten, maar geen geld.
Haagse ton

Een Haagse ton is '50.000 gulden'. Hagenaren staan traditioneel bekend als opscheppers.
het geld hangt aan zijn hielen

Spottend gezegd van iemand die beweert geld te bezitten.

164

Opscheppen
hij heeft een presentatie als een bok van een daalder

Een 'bok van een daalder' was een grote bok van koek of speculaas (die een daalder kostte).
hij heeft veel kak, maar weinig duiten hij heeft veel kak, maar weinig geld op zak hij loopt als een paard van een daalder

Een 'paard van een daalder' was een groot paard van koek of speculaas (dat een daalder kostte).
hij stapt/kraait/kijkt als een haan van een stoter

Een 'haan van een stoter' was een haan van koek of speculaas (die een stoter, 12,5 cent, kostte).
hij zit daar, of zijn geld duizenden was hoe groter praler, hoe slechter betaler

Opscheppers zijn slechte betalers.
hoger kakken als zijn gat

Meer geld uitgeven dan hij zich kan veroorloven. Denk ook aan kak in de zin van 'kapsones'.
ik en mijnheer hebben de zolders vol koren liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld ontving je maakt de jonker, en hebt penning noch duit bij te zetten

Opgetekend in de 16de eeuw.
moed hebben als een stoters paardje

Een 'stoters paardje' was een paardje van koek of speculaas (dat een stoter, 12,5 cent, kostte).
veel praat hebben maar geen pijkens

Pijkens is een onbepaalde Vlaamse aanduiding voor 'geld'. Mogelijk is het verwant met piek 'gulden'. Het is ook in verband gebracht met picaillon, een oud Piëmontees muntstukje.

165

wie geen blank heeft om zich te laten scheren, moet zijn knevels niet met pommade (luxe haarzalf) laten strijken, of zijn haar laten poederen Een blank of blanke was van de 14de tot de 1 6 d e eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.

166

Penning

De penning is vele eeuwen lang een van de bekendste Nederlandse muntnamen geweest; het is dan ook een van de vijf muntnamen die in de spreuken het meest voorkomen. De zilveren penning of denier was van de 8ste tot de 13de eeuw de enige munt die in WestEuropa geslagen werd. Later werd de penning in vele regionale varianten geslagen, die allemaal verschilden in gewicht en waarde. Penning was ook eeuwenlang een benaming voor 'munt' in het algemeen. De oorsprong van het woord penning, dat verwant is met het Engelse penny en het Duitse Pfennig, is onzeker. Het is wel in verband gebracht met pan in de betekenis 'panvormig' en met het Latijnse pannus 'lap stof (met verwijzing naar een vroeger gebruik om lappen stof als ruilmiddel te gebruiken). Beide verklaringen zijn echter niet overtuigend.
beter een penning gespaard, dan een gulden nutteloos verteerd beter een penninkje in de hand dan een vogeltje dat vliegt dat is de keerzijde van de penning

Dat is de andere kant van de zaak.
de dagelijkse penning vermag zo veel

De dagelijkse penning is de penning die men nodig heeft voor het dagelijks brood.

167

de dagelijkse penning weet wat de gierigheid groeit zolang, als de ene penning op de andere gestapeld wordt de godspenning terugbrengen

Een (huur)contract verbreken. De godspenning was oorspronkelijk het geldstuk dat bij het sluiten van een koop- of huurovereenkomst aan de armen werd gegeven.
de klank van de penning verdooft alle redenen

Rijke mensen worden altijd geloofd.
de mooiste kant van de penning laten zien

Iets voordelig voorspiegelen.
de penning gesloten houden

Dat wil zeggen: het geld achter slot en grendel houden.
de penningen doen de paarden lopen

Met geld kun je alles bereiken.
de penningen hebben altijd de muts in de hand om oorlof (= vrijheid) te nemen

Dit betekent vermoedelijk dat wie over geld beschikt, zich alles kan veroorloven. De zegswijze dateert uit de 16de eeuw.
de penningen maken de oorlog

Oorlogvoering verslindt geld.
des pennings reden klinken best

De taal van het geld klinkt het duidelijkst.
duivelspenning

Een geldstuk dat altijd weer naar de eigenaar terugkeert,
een gespaarde penning is dubbel verdiend

168

Penning
een gestolen penning geldt niet minder dan een andere

Geld stinkt niet.
een mooie/goede penning hebben

Een flinke bom duiten hebben.
één penning gespaard is er twee vergaard

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
één penning in de spaarpot maakt meer geraas, dan als hij vol is

Denk aan holle vaten klinken het hardst. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
één penning klinkt niet

Wie arm is, heeft vrijwel geen invloed.
één penning met recht is beter dan duizend met onrecht

Eerlijkheid gaat boven alles.
een stuiver verdienen en wel voor een braspenning dorst hebben

Een braspenning was circa 6,25 cent waard, dus meer dan een stuiver.
geen penning in de wereld hebben

Niks bezitten.
God is de liefste en de penning is de waardste

Een spreekwoord uit de 16de eeuw.
hekelpenning

Een geldstuk dat altijd weer naar de eigenaar terugkeert,
heksenpenning

Een geldstuk dat altijd weer naar de eigenaar terugkeert,
het is mijn penning die er klapt

Ik heb in dit huwelijk het geld aangebracht. Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
169

het is waar naar de penning

De koopwaar is zo goed als zijn prijs.
het penningske der weduwe

Een kleine gift van grote waarde. Ontleend aan het bijbelboek Lucas (21:2-4), waarin wordt verteld van een arme weduwe die slechts twee penningen schonk, wat echter gezien haar armoede een groot offer was.
het penninkje wil een broertje hebben

Geld trekt geld aan.
hij drinkt/liegt/speelt tegen de penning zestien op

In zeer hoge mate; zinspelend op de hoge rente van 6,25 procent die 'op de penning zestien' heette.
hij heeft penning noch heller voor de kosten gehad

Geen vergoeding. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was.
hij is er bekend als de kwade penning

Slecht, vals geld is alomtegenwoordig.
hij is op de penning

Hij is gierig. Soms met als uitbreiding: als de duivel op een zieltje.
hij is op de penning zestien

Hij is een gierigaard, een woekeraar. Het gaat om iemand die geld leent tegen een hoge rente, namelijk één penning op iedere 16, dat is 6,25 procent.
hij is penningwijs en pondzot

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
hij laat de penning klinken

Hij laat het geld rinkelen, door het uit te geven.
hij lijkt op de kwade penning: hij komt altijd weer thuis

170

Penning
hij wacht erop, als de pastoor op zijn offerpenningen

Hij ziet er gretig naar uit.
hij zal een penning wel driemaal omkeren voor hij hem uitgeeft

Hij is zo gierig als wat.
iemand de penning gunnen

Bij iemand iets kopen.
iets laten liggen totdat het oude braspenningen zweet

Iets in voorraad laten liggen om een betere markt af te wachten. Waarom zoiets nu juist braspenningen zou zweten, is niet duidelijk. Een braspenning was circa 6,25 cent waard.
iets tegen de penning zestien verkopen

Zeer duur verkopen, zinspelend op de hoge rente van 6,25 procent die 'op de penning zestien' heet.
je maakt de jonker, en hebt penning noch duit bij te zetten

Gezegd van een opschepper. men bemint meer de gekruiste penning dan de gekruiste Christus Op vele munten en penningen stond vroeger een kruis.
met onze eigen penningen moeten wij onze schuld afdoen

We moeten het zelf oplossen.
met penne (penning) en schelle (schelling)

Met huid en haar. Een schelling is een oude munteenheid, die uiteenlopende waarden heeft gehad.
op de penning kijken/zijn penning is pennings broeder

Geld trekt geld aan.
penning is ziek

Op droog zaad zitten.

171

penningen doen de man zorgen Reeds gevonden in het midden van de 16de eeuw. pennings reden wordt aanbeden De taal of de argumenten van het geld staan in hoog aanzien, steekpenningen aannemen Het woord steekpenning komt al voor in het Middelnederlands. Mogelijk komt het van '(iemand geld in handen) steken'. tot de laatste kwadrantpenning toe Een kwadrantpenning is een zeer klein muntje. De zegswijze is ontleend aan het bijbelboek Mattheus (5:26), en men doelt ermee op de goddelijke rechtvaardigheid, waaraan wij, als ons geen kwijtschelding verleend wordt, tot de laatste kwadrantpenning toe moeten betalen. Munten met deze naam zijn in de Nederlanden nooit in omloop geweest. Bedoeld werd de zeer kleine Romeinse munt quadrans, het vierde deel van een as. tot de laatste penning Geheel en al. van de dertig penningen niet gehad hebben Niet al te snugger zijn. wie een penning niet acht, krijgt over geen gulden macht Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. Een variant is: wie een penning niet acht, wordt geen stuiver heer. wie koopmanschap doet, en er geen verstand van heeft, diens penningen worden vliegen Diens penningen zullen dus wegvliegen. Opgetekend in het midden van de 16de eeuw. wie tot een penning geboren is, kan tot geen stuiver komen Hij ontgaat zijn lot nooit. wie wil bouwen, moet twee penningen voor één tellen Waarschijnlijk wil dit zeggen dat bouwwerken gewoonlijk tweemaal zo duur uitvallen als begroot.
172

Penning wie zijn spaarpot aan scherven slaat, is zijn penninkje kwijt voor hij het kent ze zullen het er beter uithalen dan Alva de tiende penning Alva heeft die tiende penning - een vorm van belasting - uiteindelijk niet weten te innen. zijn penningske offeren Een kleinigheidje bijdragen.

173

Plat

zo plat als een cent

Heel erg plat.
zo plat als een dubbeltje

Gezegd van vrouwen die geen boezem hebben. In plaats van dubbeltje zegt men ook pannenkoek, slijpplank of scholletje. De Fransen zeggen plate comme une punaise of sole 'zo plat als een wandluis, zeetong'.
zo plat als een duit zo plat als een zesje

Dit kon betekenen 'zeer plat', maar ook 'zo duidelijk als wat; zonneklaar'. Een zesje was een klein muntje ter waarde van zes mijt, dus 1/8 stuiver. Het werd in 1520 geslagen onder Karei v.

174

Rijkdom

aan een boom, zo vol geladen, mist men vijf zes pruimen niet

Geld in overvloed hebben. Dit is een spreekwoordelijk geworden citaat uit een gedichtje van Hiëronymus van Alphen uit 1778.
als hij zonder geld is, is de zee zonder water

Hij heeft nooit gebrek aan geld. bulken van het geld
de bocht al onder de arm hebben

Betekent 'er warmpjes bijzitten' (in Groningen). De bocht al onder de arm hebben betekende oorspronkelijk waarschijnlijk hetzelfde als een slag om de arm houden, namelijk een eind touw als speling, als reserve houden; dit kreeg ook de betekenis 'financiële reserve'.
de bok is vet

Er is veel geld. Ook gezegd wanneer er een flinke erfenis te verdelen valt.
de rijken hebben het meeste geld

Al opgetekend in de 15de eeuw.
een dikke tiet met geld/een hele tiet geld

Met tiet wordt hier 'portemonnee' bedoeld, misschien wegens de bolle vorm van een gevulde beurs. Een andere verklaring luidt: 'tiet,

175

in zeker bargoensch: zakportefeuille, blijkbaar omdat men die in de binnenzak draagt.' een mooie veer kunnen wegblazen Dankzij een som gelds waarover je beschikt. Dit is vermoedelijk afgeleid van de zegswijze dat iemand geen veer (van de mond) meer kan wegblazen. Zo iemand ademt amper nog en is dus bijna dood. Wie wél een veer kan wegblazen, staat er juist goed voor. er dik inzitten er is klei aan de kloet/pols Die persoon is rijk. Een kloet of pols was een polsstok; misschien doelt de spreuk op vruchtbare, rijke kleigrond, die aan de stok plakt. er warmpjes bijzitten Van warm in de oude betekenis 'rijk, welgesteld', geld als drek hebben goed bij kas zijn goed gesnaard zijn Bemiddeld zijn. De herkomst van deze uitdrukking is onbekend, goed voor het geld zijn Zijn schulden kunnen voldoen, kredietwaardig zijn. het geld met ruifels scheppen Een ruifel is een schop of schep. het is een aardige grijpstuiver Een grijpstuiver was oorspronkelijk een muntje met een vogel Grijp (griffioen) erop. Hieruit ontstond de Bargoense betekenis 'bijverdienste, (gering) bedrag', wat hier als understatement wordt gebruikt voor 'groot bedrag'. De muntnaam is ten onrechte in verband gebracht met 'grijpen'.

176

Rijkdom
het is een hele spekkoper

Hij zit er warmpjes bij. Kooplui die in spek handelden, golden blijkbaar als welvarend.
het is een levende geldkist het is zo goed als geld in de kist/als gereed geld het zit eraan bij hem

Hij kan het wel betalen.
hij heeft een zee van geld

Opgetekend in de eerste helft van de 19de eeuw.
hij heeft geld als slijk hij heeft geld bij hopen hij is binnen hij is boven Jan hij is een echte geldzak hij weet met zijn geld geen weg hij weet wat guldens zijn hij zit tot over de oren in het geld in het goud/geld zwemmen jan klinkaard is thuis

Hij is rijk. Klinkaards waren gouden munten die sedert de 14de eeuw in Brabant werden geslagen; ze heetten waarschijnlijk zo naar het rinkelende geluid.

177

kunnen piasteren

Kunnen betalen. Piaster is - misschien via Frans piastre - ontleend aan de Italiaanse muntnaam piastra (d'argento) 'zilveren piaster', oorspronkelijk 'plak zilver'. Met deze naam werden ook wel Spaanse munten aangeduid. In het Nederlands is piaster voor het eerst in een document aangetroffen in 1653. Vooral in Zuid-Nederland werd piaster vroeger gebruikt als een algemene aanduiding voor 'geld'.
met de geldkas op de wereld komen

Rijk geboren worden. Een variant is: met een geldzak aan de nek geboren zijn.
met zijn gat in de boter vallen

Boter staat hier voor 'weelde'.
met zijn geld geen weg/raad weten niet krap bij kas zijn steenrijk zijn

Pas in de tweede helft van de 19de eeuw gesignaleerd. Waarschijnlijk een vertaling van het Duitse steinreich. Het werd door sommige dan ook beschouwd als een germanisme.
stinken naar het geld

Stinkend rijk zijn.
tot de ellebogen in het geld tasten/zitten wie in het veen zit, kan wel een turfje missen

Geld in overvloed hebben. De brandstof turf werd gewonnen in het veen en was daar dus in overvloed aanwezig. Turf is bovendien een Bargoens woord voor 'geld' (van Hebreeuws teref'geld').
ze zien op geen aap, die uit Oost-Indië komen

Geld in overvloed hebben. Wie uit een land vol apen komt, hoeft niet op een aapje te kijken. Deze uitdrukking, die uit de 17de eeuw dateert, leidde tot het gebruik van aap in de betekenissen 'schat', 'spaarpot' en 'geld'.
178

Rijkdom
zijn schaapjes op het droge hebben

Wie zijn schapen op het droge had, had zijn belangrijkste bezittingen in veiligheid gebracht. De uitdrukking komt al in de 16de eeuw voor.
zijn vosjes liggen dik

Hij heeft veel geld liggen. Vos betekent in de dieventaal 'gouden munt', vanwege de goudgele kleur van de vacht.
zilverwerk is zo goed als geld in huis zo rijk zijn als het water diep is

ping-ping hebben
apen en meerkatten hebben

Met apen en meerkatten wordt 'opgepot geld' bedoeld. Dat aap de betekenis 'geld' kreeg, gaat waarschijnlijk terug op de uitdrukking ze zien op geen aap, die uit Oost-Indië komen 'wie geld heeft is niet karig'. Waarom meerkat voor '(opgepot) geld' werd gebruikt, is niet duidelijk.
daar is ans/hij heeft ans

Hij heeft geld. Hans of hanske is een oude volksnaam voor een (van oorsprong) koperen muntstuk. Het is gebruikt voor 'oordje', maar later - onder meer in de dieventaal - ook voor 'cent' of'geld'. Vooral in Zuid-Nederlandse bronnen komt men het tegen in de spelling ans (in veel Vlaamse dialecten wordt de h ingeslikt).
daar is blink

Met blink worden blinkende geldstukken bedoeld. Varianten zijn: daar is lood; daar is pecunia.
de kluit binnen hebben

Een kluit is hier een onbepaalde hoeveelheid geld.
een aardig stuivertje hebben

Heel wat geld hebben.

179

een goede/schone stuiver hebben

Veel geld hebben.
een (hele) bom duiten bezitten een mooie/goede penning hebben

Heel wat hebben.
een paar losse centen hebben

Schertsend gezegd van iemand die over nogal wat kapitaal beschikt.
een stevige turf hebben

Turf is een Bargoens woord voor 'geld' of'beurs' (van Hebreeuws teref' geld').
geld verdienen als slijk

Veel geld verdienen. Volgens de Grote Van Dale 'algemeen Belgisch Nederlands'. Slijk betekent eigenlijk 'doorweekte klei- of veenachtige grond'.
hanske zal er wonen

Daar zal geld zijn. Voor de herkomst van hanske zie p. 179, bij daar is ans/hij heeft ans.
het is een poen/poen hebben

Poen gaat misschien terug op ponem, een Jiddisch woord voor 'gezicht', namelijk het portret op de munt.
het loodje hebben

Lood betekent hier 'geld'.
hij heeft de dubbeltjes

Hij heeft het geld.
hij heeft de duiten beet en laat ze fluiten

Hij weet zijn geld goed te besteden.
hij heeft een mooie stuiver

Hij is rijk.
180

Rijkdom
hij is goed van duimkruid voorzien

Naar de duimbeweging waarmee geld wordt geteld. Duimkruid is geen bestaande plant.
hij is goed van moppen voorzien

Het woord mop 'rond koekje' is overgedragen op (ronde) geldstukken.
hij is van klinkt'm voorzien

Klinkt'm verwijst naar het klinken van muntstukken.
hij ligt met de centen, duiten

Hij heeft veel geld.
koeken hebben

Koeken betekenen hier 'geld, geldstukken'.
Marie bij zich hebben

Geld hebben. In de eerste helft van de 20ste eeuw opgetekend in het Bargoens. De herkomst is niet duidelijk. mozes en de profeten hebben Deze zegswijze combineert een toespeling op moos, een Bargoens woord voor 'geld', met een tekst uit het evangelie van Lucas (16:29), die wil zeggen: wie de eerste vijf bijbelboeken (traditioneel aan Mozes toegeschreven) tot leidraad neemt, heeft alles wat hij nodig heeft.
oordjes hebben peper hebben

Peper was vanouds een kostbaar goedje, dat dus werd geassocieerd met rijkdom.
ping-ping hebben

Goed in de slappe was zitten. Ping-ping is in verband gebracht met het Latijnse pecunia 'geld', maar het kan ook goed gevormd zijn door klanknabootsing (naar het gerinkel van geld, dat de mens 'als muziek in de oren klinkt').

181

pitten hebben

Pitten is een van de vele algemene benamingen voor 'geld'. Het is al zeker sinds de late 18de eeuw in zwang. Hoewel de oorsprong niet helemaal zeker is, zou er verband kunnen bestaan met pitje, dat al in de 17de eeuw is opgetekend. Dit was ontleend aan de Javaanse en Maleise term voor een klein muntje (pitjis, pitis, picis), dat door de Nederlanders werd gelijkgesteld aan een halve cent.
pruimen hebben

Geld hebben. Met een pruim geld bedoelde men 'een tamelijk grote hoeveelheid geld, een aardig kapitaal'.
schrabbes hebben

Geld hebben. Voor het eerst opgetekend in 1919, in de Amsterdamse boeventaal. Ook de vormen schrabber en schriebes komen voor. De herkomst van deze woorden is niet bekend.
smiezen hebben

Geld hebben. Onder andere gevonden bij Justus van Maurik in Amsterdam bij dag en nacht (1897): 'Wanneer de ontslagen boef zijn uitgaanskas verteerd heeft en zonder middel van bestaan rondzwerft, vindt hij bij Moeder Leen nog een warme kachel en een kom koffie, op voorwaarde dat hij later, wanneer hij weer smiesen heeft, haar inrichting niet voorbijgaat.' De herkomst van smies is niet bekend.
spaan hebben

Spaan betekent 'geld'. Mogelijk is het een verkorting van spaander, dat in de volkstaal wordt gebruikt voor 'cent'. Spaander betekent eigenlijk 'een langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt'. Maar het wordt ook gebruikt voor 'zeer klein stukje, niets' ('er komt geen spaandertje van terecht'). De cent is de kleinste munteenheid, dus eveneens een 'zeer klein stukje'.
spie hebben

Voor het Bargoense woord spie voor 'geld' bestaan twee verklaringen: het kan hetzelfde woord zijn als spie 'pin', dus iets van geringe waarde, of het kan samenhangen met specie 'munt, geld'.

182

Rijkdom
spijkers hebben

Het Bargoense woord spijkers in de betekenis 'geld' is in 1937 voor het eerst opgetekend. De etymologie is onzeker. Wellicht is er verband met het Vlaamse pijkens, pijkes met dezelfde betekenis, of met het Bargoense spie 'geld, cent', dat bekend is sedert het einde van de 19de eeuw.
splint hebben

Splint, splinter, ook wel splenters, betekent 'geld'. De herkomst van deze woorden in deze betekenis is onduidelijk.
sponken hebben

Aan het begin van de 20ste eeuw opgetekend in Gent. De herkomst is niet bekend. Men zei ook om de sponken gaan 'een erfdeel gaan halen'.

met de duiten zitten
goed in zijn slappe was zitten

Slappe was betekende oorspronkelijk een bepaald soort zwarte boenwas waarmee leer werd behandeld. Goed in de slappe was zitten komt uit de soldatentaal. Wie veel slappe was had, was 'goed gespekt', hij zat er warmpjes bij, was bemiddeld. De uitdrukking is voor het eerst aangetroffen in 1899.
hij zit goed in zijn muzikanten

Hij zit goed in de slappe was. Muzikanten duidt waarschijnlijk op het gerinkel van geld, dat de mens 'als muziek in de oren klinkt' (denk ook aan klinkaard en ping-ping).
met centen zitten met de boes zitten

Geld hebben. Volgens de enige - weinig aannemelijke - verklaring zou deze Vlaamse aanduiding voor 'geld' teruggaan op oude Griekse munten met een afbeelding van een os en daarbij het woord bous 'rund', 'os'.

183

met de duiten zitten met de kluiten zitten

Een kluit was vroeger in België een muntstuk van tien centiem,
met de knotsen zitten

Knots is een mogelijk klanknabootsende term voor 'geld, geldstukken'. De uitdrukking is opgetekend in Gent.
met de krieken zitten

De herkomst van deze uitdrukking is onbekend. Een kriek is een zwarte, zoete kers met een grote pit.
met de luiers liggen

Opgetekend in Gent. Het woord luiers in de betekenis 'geld' is alleen in deze uitdrukking aangetroffen. De herkomst is niet bekend. Misschien vanwege de associatie met er warmpjes bij zitten/liggen.
met de oordjes zitten met de peper zitten

Peper was vanouds een kostbaar goedje, dat dus werd geassocieerd met rijkdom.
met de pijkens zitten

Pijkens is een onbepaalde Vlaamse aanduiding voor 'geld'. Mogelijk is het verwant met piek 'gulden'. Het is ook in verband gebracht met picaillon, een oud Piëmontees muntstukje.
met de plaat zitten

Munten hebben; waarschijnlijk omdat munten plaatjes metaal zijn.
met de wiek zitten

Opgetekend in Vlaanderen. In Vlaanderen en Brabant betekent wiek onder meer 'homp, forse hoeveelheid'. Het lijkt aannemelijk dat deze betekenis ten grondslag ligt aan met de wiek zitten 'geld hebben'. De verdere herkomst van dit wiek is onzeker.

184

Rijkdom
met een goede ponk zitten

Oorspronkelijk was een ponk waarschijnlijk iets hols waar bijvoorbeeld geld in kon worden bewaard.
met spek zitten

Rijk zijn. Spek en vet zijn vanouds symbolen van welvaren,
met splinters zitten

Splinters is een Bargoens woord voor 'geld'.

een smak geld
een dikke tiet met geld/een hele tiet geld

Met tiet wordt hier een portemonnee bedoeld, misschien wegens de bolle vorm van een gevulde beurs. Een andere verklaring luidt: 'tiet, in zeker bargoensch: zakportefeuille, blijkbaar omdat men die in de binnenzak draagt.'
een (hele) bom duiten bezitten

een hele poep geld
een kwak geld hebben een schuif geld

Een schuif is hier een flinke hoeveelheid, een schep.
een smak geld

Veel geld.
een stevige turf hebben

Turf is een Bargoens woord voor 'geld' of'beurs' (van Hebreeuws teref' geld').

8

5

Schulden

als je om geld komt, zijn ze nooit thuis betaal uw schuld met geileken, of boet ze aan uw velleken Wie zijn schulden (gelleke is een verbastering van geld) niet kan betalen, moet er lijfelijk voor boeten. de pegel uitdragen Je schulden (gaan) betalen. Pegel betekent 'geld' of'guldens'. Oorspronkelijk betekende het woord 'peil, maat, merkteken'. De ontwikkeling naar de monetaire betekenis is niet duidelijk. Het woord is pas in de 20ste eeuw opgetekend. Het werd aanvankelijk vooral gebruikt in de studententaal, samen met pegulant. geen spijtiger ding, dan geld te eisen van iemand die het niet heeft geld lenen breekt vriendschap Want er kunnen moeilijkheden komen over de terugbetaling. geleend geld wil niet teruggevraagd worden Opgetekend in de tweede helft van de 15de eeuw. geleend geld zal men lachend betalen goed voor het geld zijn Zijn schulden kunnen voldoen, kredietwaardig zijn.
186

Schulden
hij heeft alle bijtjes afgevist

Hij kan nergens meer geld lenen. Het gaat om de bijten (gaten) in het ijs waar 's winters in wordt gevist.
hij heeft zijn geld in een slijpsteen genaaid/geknoopt

En kan er dus niet bij - een kleurrijke smoes om niet te hoeven betalen.
hij kent de waarde van een daalder die er een van een ander moet lenen hij kent de waarde van een kroon die er een van een ander moet lenen

De kroon was van oorsprong een Franse gouden munt, in 1385 ingevoerd, die in de Nederlanden - en ook in andere landen - veelvuldig circuleerde en geïmiteerd werd. De Franse kroon is zo'n tweeënhalve eeuw in gebruik gebleven. Deze munt ontleende zijn naam aan het gekroonde Franse wapen dat erop stond afgebeeld. De waarde varieerde.
hij staat bij mij in het kladboek

Hij is mij geld schuldig.
hoe groter praler, hoe slechter betaler

Opscheppers zijn slechte betalers.
in het krijt staan bij iemand

In de schuld staan. Herbergiers tekenden vroeger met krijt het gelag aan, vandaar. Waren het oplichters dan zei men: zij schrijven met dubbel krijt of met een vork.
kom er maar eens voor zingen

Gezegd als iemand bij een betaling of bij het wisselen van geld een gering bedrag te kort komt.
met onze eigen penningen moeten wij onze schuld afdoen

We moeten het zelf oplossen.

187

wie borg blijft, geeft de sleutel van zijn geldkas(t) Wie borg staat, zich garant stelt, geeft de sleutel van zijn kas of kluis uit handen. wie zijn schuld betaalt, verarmt niet/vermindert zijn goed niet, maar hij raakt zijn geld toch kwijt Opgetekend in de tweede helft van de 1 6 d e eeuw. wie zijn vrienden houden wil, moet ze geen geld lenen wil je weten wat een dukaat waard is: probeer er een te lenen

188

Sparen

appeltje voor de dorst

Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw.
beter een duit in de hand dan een blanke in de kant

Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard.
beter een leggende hen dan een liggende kroon

De kroon werd in de 14de eeuw ingevoerd. De waarde varieerde.
beter een penning gespaard, dan een gulden nutteloos verteerd bewaar de mijt, ze doet de stuiver besparen

Het is goed om te sparen. Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
botje bij botje leggen

Het woord botje is al in de Middeleeuwen verkort uit botdrager, een zilveren munt. Hierop stond oorspronkelijk een zittende leeuw met een toernooihelm afgebeeld. Die helm werd schertsend botte 'korf, muilkorf genoemd, vandaar botdrager. De muntnaam komt ook voor in dien mij, ik heb de botjes (een latere, uitgebreide variant is: dien mij, zei de boer, ik heb daalders, mijn kleingeld is op).

189

de ene mijt op de andere bouwt het huis

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
de ene stuiver op de andere bouwt het huis

Een mijt was een muntje van zeer geringe waarde.
de spaarpot komt het geld toe een gespaarde penning is dubbel verdiend een kous hebben

De spreekwoordelijke oude kous waarin geld wordt bewaard.

een oordje gespaard, is een oordje gewonnen

Een oordje was een kwart stuiver. Deze munt werd aanvankelijk in zilver en later hoofdzakelijk in koper geslagen.
één penning gespaard is er twee vergaard

Opgetekend in de tweede helft van de 16de eeuw.
een stuiver gespaard is beter dan een gulden gewonnen een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen geld (niet) over de balk smijten

Voor over de balk smijten in de betekenis 'verspillen' zijn verschillende verklaringen gegeven, die er merendeels op neerkomen dat bij het voederen van vee het hooi dat over een bepaalde balk werd gegooid, verloren ging.
hele en halve centen gespaard, worden gouden Willempjes waard

Een gouden Willempje was een in de jaren 1848-1853 geslagen gouden handelsmunt met de beeldenaar van Willem 11 of Willem 111.
het is beter één stuiver in de hand dan twee te verwachten het is geen kunst geld te winnen, maar te bewaren

190

Sparen
hier een oordje, daar een blank, het jaar is lang

Sparen lukt ook met kleine beetjes (een oordje en een blank zijn allebei heel weinig waard).
kan een stuiver mij niet rijk maken, een plakke zal het niet doen

Opgetekend in de 16de eeuw. Een plak was indertijd meestal nog minder waard dan een stuiver. Deze muntnaam is vermoedelijk ontstaan ter aanduiding van de munt als plat schijfje metaal.
keer eerst je dubbeltje nog eens om

Doe maar zuinig.
klein gewin brengt rijkdom in licht gewin maakt zware beurzen

Vele kleintjes maken een grote.

nauw teergeld doet goed sparen

Teergeld is geld dat iemand heeft voor zijn vertering, geld om van te leven.
op de dubbeltjes passen pas op de halve centen, het worden guldens in de zak rijkdom en een dubbeltje kennen elkaar schijven op zijn kant zetten

Geld oppotten, opsparen.
sparen is een groot inkomen terwijl men een stuiver wint, verliest men er geen twee vele kleintjes maken een groot

Een woordspeling met groot. De groot was oorspronkelijk een zwaar zilverstuk, dat sedert eind 13de eeuw werd geslagen. De naam, die moet worden opgevat als 'groot, stevig, solide', is aan de munt gegeven in navolging van onder andere de Franse muntnaam gros. In
191

de 14de eeuw werd de groot - in de noordelijke gewesten verdeeld in acht penningen, in de zuidelijke in twaalf - de grondslag van het Nederlandse muntstelsel. Toen in de 15de eeuw de stuiver de grondslag van het muntstelsel werd, werd groot de naam voor een halve stuiver.
werken en sparen, doet geld vergaren wie niet oppast, ziet zijn geld niet groeien zich niet uitkleden voor het naar bed gaan

Je geld niet wegschenken of verdelen voor je dood.
zijn oordjes uit het spel trekken

Zich uit een zaak terugtrekken.

wie het kleine niet eert
De uitdrukking wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd is voor het eerst opgetekend in de 19de eeuw. Dat wil zeggen: in die vorm. Het motief is veel ouder. Al in 1552 is in een spreekwoordenboek te vinden wie een penning niet acht, krijgt over geen gulden macht. Hieronder nog enkele andere varianten, die merendeels dateren uit de 18de en 19de eeuw. De betekenis is steeds 'wie niet tevreden is met iets gerings, van weinig waarde, verdient het niet iets groters, waardevollers te krijgen'.
een winkelier moet zowel opstaan voor een duit als voor een stuiver wie de stuiver niet (be)geert/eert, is de gulden niet weerd wie een duit versmaadt, is de gulden niet waard

Ook: die 't kleine versmaadt, is het groote niet waard.
wie een penning niet acht, krijgt over geen gulden macht

192

Sparen
wie een penning niet acht, wordt geen stuiver heer

Ook: wie eenplakke niet acht, wordt geen stuiver heer. Een plak was een munt van geringe waarde. De naam is vermoedelijk ontstaan ter aanduiding van de munt als plat schijfje metaal.
wie het klein niet eert is het groot niet weerd zo moet het binnenkomen, zei de koopman, en hij werd voor een duit aan krijt uit bed gebeld

193

Stuiver

Deze benaming is aan het einde van de 14de eeuw opgekomen voor wat toen het grootste zilverstuk was, de dubbele groot. Sindsdien is de stuiver eeuwenlang de basis van het muntstelsel in de Nederlanden gebleven, wat de grote bekendheid verklaart. Ook is stuiver een van de vijf muntnamen die in spreuken het meest voorkomen. Nadat de stuiver een tijdlang in de verschillende gewesten verschillende waarden had gehad, kreeg onder de Republiek de waarde van 1/20 gulden (acht duiten) de overhand. De herkomst van de term stuiver is niet met zekerheid vastgesteld. Voorheen werd het woord afgeleid van stuiven, omdat op de munt een vuurijzer met stuivende vonken zou hebben gestaan, ontleend aan de keten van het Gulden Vlies (gesticht 1429). De naam stuiver voor 'munt' is echter ouder dan het Gulden Vlies: al in 1404 is stuversbroet 'een brood van een stuiver' aangetroffen. Hedendaagse etymologen leggen daarom een verband met het Duitse Stüber, dat oorspronkelijk 'afgeknot stuk' betekende. beter mest in het land dan stuivers in de hand Geld is niet alles. bewaar de mijt, ze doet de stuiver besparen Het is goed om te sparen. De mijt behoorde tot de kleinste koperen munten die in Vlaanderen in de 14de eeuw werden geslagen.

194

Stuiver
dat is een stuivertje op zijn kant

Het is erg onzeker hoe het zal aflopen. Ook dat is een dubbeltje op zijn kant.
dat scheelt drie stuiver

Dat is iets anders (dan je daarnet zei).
de ene stuiver op de andere bouwt het huis de laatste stuiver uitsteken, uithangen

Op één stuiver na blut zijn.

de stuiver op een oordje/zesje brengen

Verlies lijden door iets te ruilen tegen iets van mindere waarde. Een oordje was 1/4 stuiver; een zesje was zes mijt waard, dus 1/8 stuiver.
die heb ik gepierd/beetgenomen, zei de boer, en hij gaf twee zesthalven voor acht stuivers

Zesthalven waren 5,5 stuiver (27,5 cent) waard. De boer schiet er dus zelfbij in, want hij krijgt voor zijn 55 cent maar veertig cent terug.
een aardig stuivertje hebben

Heel wat geld hebben.
een goede/schone stuiver hebben

Veel geld hebben.
een gulden op de drempel en een stuiver in huis

De buitenkant is mooier dan de binnenkant.
een stuiver (drie keer) omkeren

Gierig zijn.
een stuiver gespaard is beter dan een gulden gewonnen een stuiver gespaard is een stuiver gewonnen

195

een stuiver kleeft aan de handen Er blijft wat aan de strijkstok hangen. een stuiver verdienen en wel voor een braspenning dorst hebben Een braspenning was circa 6,25 cent waard, dus meer dan een stuiver. een stuivertje kan raar rollen Het kan wel anders aflopen dan je verwacht. De uitdrukking komt ook voor met dubbeltje en kwartje. een winkelier moet zowel opstaan voor een duit als voor een stuiver Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. gooit hij een stuiver op het dak, er komt een schelling terug Hij is een geluksvogel, want een schelling is zes stuivers waard. het geluk is de wereld nog niet uit, zei de jood, toen hij iemand acht stuivers en een vrijbriefje uit de loterij thuisbracht Opgetekend in het midden van de 19de eeuw. het geluk wil mij niet verlaten, zei Lourens, en hij vond een Kleefse stuiver het is beter één stuiver in de hand dan twee te verwachten het is een aardige grijpstuiver Een grijpstuiver was oorspronkelijk een muntje met een vogel Grijp (griffioen) erop. Hieruit ontstond de Bargoense betekenis 'bijverdienste, (gering) bedrag', wat hier als understatement wordt gebruikt voor 'groot bedrag'. De muntnaam is ten onrechte in verband gebracht met 'grijpen'. het is een goede stuiver, die er tien inbrengt Goed belegd of besteed geld levert wat op. het is een mooie stuiver als hij geschuurd is Gezegd van een weekloon, waar weinig van overblijft als al de kosten van het huishouden betaald zijn.

196

Stuiver
het is net zo gemakkelijk een ton goud te wensen als een stuiver

Weinig wensen is net zo dwaas als veel wensen.
het zijn die zeven, vijf(tien) stuivers niet

Dat is de ware reden niet, dat is niet waar het eigenlijk om gaat.
hier druipt het stuivers, en bij u regent het zesthalven

Een zesthalf was 27,5 cent waard, dus het geld stroomt binnen.
hij denkt dat al zijn duitjes stuivers waard zijn

Hij handelt onverstandig.
hij heeft een mooie stuiver

Hij is rijk.
hij is oordje gierig en stuivertje zot

Met kleine bedragen is hij heel precies, maar met grote is hij laks.
hij stuivert genoeg, maar frankt niet

Veel geschreeuw, weinig wol. Een stuiver was minder waard dan een frank.
ieder stuivertje brengt zijn gierigheid mee

Hoe meer men verdient, hoe meer men bij wil verdienen; hoe rijker men is, hoe gieriger men wordt.
ik ben milddadig, zei voerman Job, en hij gaf een valse stuiver aan vijf bedelaars ik heb gegeten, zei de mof, alsof ik een daalder verteerd had, en het is maar negenentwintig stuivers en zeven duiten

Het vermeende voordeel is te verwaarlozen, want een daalder was dertig stuivers waard, dus één duit meer.
ik vertrouw hem voor geen vijfcents haring ik wou dat een pond boter tien stuivers kostte, en dat het een jaar lang meeging

197

je kunt me lang zuur aankijken, voordat je een stuiver uit mijn portemonnee loskrijgt

Opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
kan een stuiver mij niet rijk maken, een plakke zal het niet doen

Opgetekend in de 16de eeuw. Een plak was indertijd meestal nog minder waard dan een stuiver.
kronen winnen, stuivers wagen, dat is een handel van behagen

Een kroon was veel meer waard dan een stuiver. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
op een stuiver/vijf cent kijken

Zeer zuinig of gierig zijn.
stuivertje wisselen

Eikaars plaats of functie innemen. De uitdrukking gaat terug op een kinderspel waarbij de deelnemers ieder bij een boom staan, behalve één, die een ander vraagt of deze een stuivertje kan wisselen. Intussen trachten de overigen van boom te verwisselen, maar de vrager probeert hen voor te zijn en een tijdelijk lege boom te bezetten. Wie dan zonder boom overblijft, moet op zijn beurt de vraag gaan doen.
terwijl men een stuiver wint, verliest men er geen twee tot de laatste stuiver

Helemaal tot op het bot.
twee stuivers in een trommel maken meer herrie dan een die vol is met louis d'or

Louis d'or is Frans voor 'gouden Lodewijk'. Het was een Franse munt, die ook in de Nederlanden veel werd gebruikt. Deze munten dateren van koning Lodewijk X I I I (1610-1643) en later. Tegenwoordig is het de naam van een Nederlandse toneelonderscheiding.
van duit tot stuiver

Tot in de kleinste bijzonderheden, als in een rekening waarin de kleinste bedragen worden verantwoord.

198

Stuiver van stuivers blanken maken Slechte zaken doen. Een blanke was (ongeveer) driekwart stuiver waard. vijf cent voor een stuiver geven In Nederland is dit een correcte wisseltransactie. In België, waar de spreuk is opgetekend, was dit niet zo! Een cent was daar namelijk twee centiem, en een stuiver negen centiem! Het is dus vijf cent (tien centiem) voor een stuiver (negen centiem) geven, dat is te veel. vijf oordjes voor een stuiver geven Iets duur betalen, want een stuiver was vier oordjes waard. voor zeven stuivers krijgen Een flinke uitbrander krijgen. wie de stuiver niet (be)geert/eert, is de gulden niet weerd Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. Ook: wie een penning niet acht, wordt geen stuiver heer; of wie eenplakke niet acht, wordt geen stuiver heer. wie met kronen winnen en stuivers wagen, zijn bevrijd van harde slagen Een kroon was veel meer waard dan een stuiver. In 1632 opgetekend door Jacob Cats. wie tot een blank geboren is, zal zijn leven geen stuiver rijk worden Een blank of blanke was van de 14de tot de 16de eeuw een muntje van goed (blank) zilver; het was niet veel waard. wie tot een penning geboren is, kan tot geen stuiver komen Hij ontgaat zijn lot nooit. Dezelfde spreuk komt voor met oordje/ stuiver, stuiver/daalder, stuiver/dubbeltje en stuiver/gulden. zeven stuivers en een oude hoed Goedkoop.

199

zij kan op een stuivertje in het rond draaien

Zij is zeer vlug en levendig.
zijn stuiver doet toch ook maar vier oordjes

Met wantrouwen gezegd van mensen die op onverklaarbare wijze in welstand toenemen.
zijn stuivers zijn negen duiten waard

Een gewone stuiver is acht duiten waard, dus hij is een geluksvogel.

200

Tot de laatste

tot de laatste cent

Tot het uiterste.
tot de laatste heller

Tot de laatste cent. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was.
tot de laatste kwadrantpenning toe

Een kwadrantpenning is een zeer klein muntje. De zegswijze is ontleend aan het bijbelboek Mattheus (5:26), en men doelt ermee op de goddelijke rechtvaardigheid, waaraan wij, als ons geen kwijtschelding verleend wordt, tot de laatste kwadrantpenning toe moeten betalen.
tot de laatste penning

Geheel en al.
tot de laatste stuiver

Tot op het bot.

201

Uitbrander

iemand van vier duiten terug geven

Iemand flink de waarheid zeggen, op zijn nummer zetten.
iemand voor vijf cent (mee)geven

Iemand een pak slaag geven.
voor zeven stuivers krijgen

Een flinke uitbrander krijgen.

202

Verdienen

als het op de groten regent, druipt/druppelt het op de kleinen

Als de rijken er veel (geld) bij krijgen, valt er ook wel wat af voor de armen. Met een woordspeling op groot, in vroeger tijden een zeer algemene munt.
dat is een goudmijn(tje)

de aap binnen/beet hebben Geld bezitten. Deze uitdrukking dateert uit de 17de eeuw. Aap werd voor 'schat' gebruikt, vervolgens voor 'spaarpot' en daarna voor 'geld'. Waarschijnlijk gaan deze betekenissen terug op de uitdrukking ze zien op geen aap die uit Oost-Indië komen 'wie geld heeft is niet karig'.
een mooi duitje aan iets verdienen ergens een slordige duit aan verdienen ergens goudgeld mee verdienen ergens munt/geld uit slaan geld in het laatje brengen geld ruiken

203

grof geld verdienen het grote geld het is geen broodwinning, maar een geldwinning zijn foefen maken Geld verdienen. Opgetekend in Vlaanderen. Het woord foef is niet verklaard. zijn geldkist vullen

geld trekt geld aan
de duivel schijt altijd op de grootste hoop Wie al geld heeft, krijgt er nog meer bij. geld wil bij geld (zijn) geld wint geld geld zoekt geld het geld zoekt zijn maatje en sluipt door het gaatje Opgetekend in de eerste helft van de 19de eeuw. het is goed geld geven, die geld kennen het penninkje wil een broertje hebben Geld trekt geld aan. het water loopt altijd naar de zee Opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw. penning is pennings broeder Geld trekt geld aan.

204

Verdienen turf in het veen brengen De brandstof turf werd gewonnen in het veen en was daar dus in overvloed aanwezig. Turf is bovendien een Bargoens woord voor 'geld' (van Hebreeuws teref'geld'). waar duiven zijn, vliegen duiven toe waar geld is, komt geld bij/wil geld wezen

het regent geld
al zijn schellingen zijn dertien groten waard Het zit hem financieel mee, want een schelling was - althans na de Middeleeuwen - een dozijn groten waard. duizend gulden op een bordje krijgen gooit hij een stuiver op het dak, er komt een schelling terug Hij is een geluksvogel, want een schelling was zes stuivers waard. het geld komt daar binnen langs deuren en vensters het geld komt met emmers binnen het geld voor het oprapen/opscheppen hebben het is, alsof het geld er met schoppen in huis gesmeten wordt het regent er geld hier druipt het stuivers, en bij u regent het zesthalven Een zesthalf was 27,5 cent waard, dus het geld stroomt binnen. hij heeft het vandaag goed gehad: men zou zijn geld wel op een kordewagen (kruiwagen) thuis brengen Opgetekend in het midden van de 16de eeuw.

205

hij verdient/heeft geld als water van alles geld maken zijn stuivers zijn negen duiten waard Een gewone stuiver is acht duiten waard, dus hij is een geluksvogel.

206

Verstandig handelen

beter een penninkje in de hand dan een vogeltje dat vliegt beter van een stad dan van een dorp

Laat degeen die het meeste geld heeft maar betalen.
een oordje in 't zakje leggen om er een schelling uit te halen

Een kleine som wagen met hoop op (grote) winst. Een oordje was 1/4 stuiver waard, een schelling in de Middeleeuwen 1/2 stuiver, later zelfs zes stuivers.
geld in iets steken heb je geld, dat mooi blinkt, zorg dat het niet klinkt

Smijt er niet mee. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
het is beter je geld te houden, dan een slechte koop te doen het is een goed heller, die een pond inbrengt

Een kleine munt die door verstandig investeren een veel groter bedrag oplevert. De heller was een kleine zilveren munt uit het Duitse rijk, die van de 14de tot de 16de eeuw ook in de Nederlanden gangbaar was. De munt was oorspronkelijk afkomstig uit Schwabisch-Hall en heette vandaar Haller, Haller, Heller.

207

het is een goede gulden, die er tien/honderd spaart

Goed belegd of besteed geld levert wat op.
het is een goede stuiver, die er tien inbrengt

Goed belegd of besteed geld levert wat op.
het mes snijdt aan twee kanten

Iemand verdient in een zaak op twee manieren geld, bijvoorbeeld door zuiniger te produceren en tegelijkertijd tegen een hogere prijs te verkopen.
hij weet van één groot er vijf te maken

De groot was oorspronkelijk een zwaar zilverstuk, dat sedert eind 13de eeuw werd geslagen. De naam, die moet worden opgevat als 'groot, stevig, solide', is aan de munt gegeven in navolging van onder andere de Franse muntnaam gros.
iets laten liggen totdat het oude braspenningen zweet

Iets in voorraad laten liggen om een betere markt af te wachten. Waarom zoiets nu juist braspenningen zou zweten, is niet duidelijk. Een braspenning was circa 6,25 cent waard.
je kunt je gulden maar één keer uitgeven je moet niet al je geld op één kaart zetten

Bedoeld is een speelkaart, en vandaar: niet alles van één onderneming laten afhangen.
kleine oordjes van iets maken

Iets dat men niet meer nodig heeft, te gelde maken.
kronen winnen, stuivers wagen, dat is een handel van behagen

Een kroon was veel meer waard dan een stuiver.
met de tanden geld winnen

Dat wil zeggen: sober leven, zich voedsel uit de mond sparen.
met nauw dingen en goed betalen kan men geld en goed behalen

Nauw dingen is 'scherp onderhandelen'.

208

Verstandig handelen
met onze eigen penningen moeten wij onze schuld afdoen

We moeten het zelf oplossen.
oordje-zeker spelen

Alleen in solide zaken investeren.
oud geld en jonge vrouwen - wil die vrij in 't duister houen

Die kun je maar beter in het donker houden. In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
tijd is geld

Vertaling van het Engelse time is money, dat is opgetekend in de 16de eeuw. Een vergelijkbare beeldspraak is echter al te vinden bij de oude Grieken. Zo zei de wijsgeer Theophrastus van Eresus (circa 300 v.Chr.): 'Tijd is het kostbaarste wat een mens kan uitgeven.' Time is money wordt soms ten onrechte toegeschreven aan Francis Bacon. Maar die schreef, in 1620: T i m e is the measure of business, as money is of wares.' Bij Benjamin Franklin vinden we, in 1748, in diens Advice to a Young Tradesman: 'Remember that time is money.'
vijf gulden, goed gebruikt, is zes gulden waard vrede in het huishouden is de beste geldkoffer weten waar de peper vandaan komt

Peper was vanouds een kostbaar goedje, dat dus werd geassocieerd met rijkdom.
weten wat een gulden waard is

De waarde van het geld kennen; weten wat er in de wereld te koop is.
wie met kronen winnen en stuivers wagen, zijn bevrijd van harde slagen

Een kroon was veel meer waard dan een stuiver.
wie zijn geld goed besteden kan, die bewaart het niet kwalijk

Niet kwalijk betekent 'niet graag', 'beter niet'.

209

zaai geen geld op zee, het kan zinken Investeren in schepen of koopvaardij is een onzekere zaak.

2IO

Vriendschap

beter een vriend over/op de weg dan geld in de koffer/beurs Voor het eerst opgetekend in de eerste helft van de 1 6 d e eeuw. een volle buidel vindt gehoor, de lege klinkt niet in het oor een vriend is beter dan geld in de beurs een zak guldens en goede vrienden scheiden niet gemakkelijk Geld maakt vrienden. geen geld meer, geen vrienden meer geld lenen breekt vriendschap Want er k u n n e n moeilijkheden k o m e n over de terugbetaling. geld maakt vrienden geldeloos, vriendeloos het geld breekt geen vriendschap Zolang m e n geld heeft, heeft m e n vrienden. Soms met de toevoeging: doch: zondergeld, zonder het geld is allemans vriend vrienden.

211

liever geldeloos dan vriendeloos

Een variant is: beter goedeloos dan vriendeloos.
of je nu hoer bent, boef of dief, wie geld heeft in zijn buidel, is geacht en geliefd

Aangetroffen in de 18de eeuw: 'Ghy kent het Spreeckwoort wel: 't Zy hoere, boef, of dief, Die geld heeft in den buil, is achtbaer waerd en lief.'
oude vrienden, oude wijn en oud geld prees men al vanouds uitheems geld maakt vreemden tot vrienden

Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
voordat je je geld kwijt bent, vind je vrienden in overvloed wie geld heeft, krijgt de droes/duivel te vriend, en alle hoeden tot zijn devotie

Wie geld heeft maakt veel vrienden, en iedereen let erop dat hij de centen eerlijk over hen verdeelt. Deze zegswijze dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw.
wie geldeloos is, zijn vrienden zijn dun

Met dun wordt bedoeld 'mager in aantal', dus: zonder geld heb je weinig vrienden. Het gaat hier om een zegswijze uit de 16de eeuw.
wie zijn vrienden houden wil, moet ze geen geld lenen zonder geld, zonder vrienden

212

Waardevol

dat is geld waard dat is goud waard, eigen haard is goud waard

In 1632 opgetekend door Jacob Cats.
de eerste slag/klap is een daalder waard

Initiatief is belangrijk.
die ui is geld waard

Dat is kostelijk, waardevol. Waarschijnlijk van ui in de betekenis 'grap'.
een goed begin is een daalder waard

Initiatief is belangrijk.
een woord op zijn pas is een daalder waard

Timing is belangrijk. Op zijn pas betekent 'op het goede moment'.
een woordje op zijn pas is als geld/goud in de tas/kas

Timing is belangrijk. Op zijn pas betekent 'op het goede moment'.
elk kind brengt duizend gulden mee

Niet letterlijk, maar de gedachte is enerzijds dat kinderen een zegen van God zijn, en dus zonder meer van grote waarde, en anderzijds dat zij, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal zegt, 'den ijver van den huisvader doen vermeerderen'.
213

het penningske der weduwe

Een kleine gift van grote waarde. Ontleend aan het bijbelboek Lucas (21:2-4), waarin wordt verteld van een arme weduwe die slechts twee penningen schonk, wat echter gezien haar armoede een groot offer was.
hij zit op de daaldersplaats

Een dure plaats, in tegenstelling tot het schellinkje,
met geen goud betaalbaar op de markt is je gulden een daalder waard zijn gewicht in goud waard zijn

Soms met de toevoeging: maar meestal een kwartje.

Een vertaling van het Franse valoir son pesant d'or.

214

Wensen

alles is mogelijk, maar het regent geen geld alles komt terecht, behalve de potloodjes en verzopen dubbeltjes Opgetekend in het midden van de 19de eeuw. als het geld regende, zou iedereen een tobbe onder de goot zetten als het geld regent en bonen waait Dus: nooit. als het schip met dubbeltjes langskomt Nooit. Bijvoorbeeld als antwoord op de vraag wanneer iets gekocht wordt. als het schip met geld/schellingen maar kwam Nooit. Een schelling is een oude munteenheid, die uitleenlopende waarden heeft gehad. als hij geld en geen dorst heeft Nooit. als ik mijn verzopen dubbeltjes nog eens terughad Nooit. als ik zoveel geld had, zou ik vragen of de wereld te koop was

215

een ton goud wensen vult de beurs net zo weinig en doet de schouw niet meer roken, dan een duit wensen Weinig wensen is net zo dwaas als veel wensen. had ik geld genoeg, ik zou de keizer van Rome stillen Stillen is 'tevreden stellen'. Sommige Romeise keizers, zoals Vespasianus, hadden de naam buitengewoon hebzuchtig te zijn. had ik maar geld, ik werd voor vroom geteld Als ik geld had, zou men mij ook wel als vroom beschouwen. het is alles lief en aardig, maar het moest geen geld kosten het is net zo gemakkelijk een ton goud te wensen als een stuiver Weinig wensen is net zo dwaas als veel wensen. hij moest een paardje/ezeltje schijtgeld/poepgeld hebben Een variant is: ik heb geen paardje kakgeld. Voor het eerst opgetekend in de 17de eeuw. ik wou dat een pond boter tien stuivers kostte, en dat het een jaar lang meeging ik zou je in goud laten beslaan, als het een dubbeltje per pond kostte In goud laten beslaan is 'een gouden omhulsel geven'. Ook: ik zou

je in goud laten beslaan, als het een duit per pond kostte.
krijg de ballen Het ga je goed, krijg geld. Bal is Vlaams-Bargoens voor 'frank'. Het woord wordt wel verklaard uit Frans balie 'rond voorwerp, gezicht'. Dit zou slaan op het portret in de beeldenaar. was daar maar geld mee te verdienen! Opgetekend in de 18de eeuw. wie alles wist, kwam met vier duiten door de wereld

Voorloper van als je alles van tevoren wist, kwam je met een kwartje de wereld rond.

216

Zeispreuken

Een zeispreuk is een spreuk waarin iemand een gezegde in de mond krijgt gelegd. In de uitdrukking staat meestal 'zei die-en-die', vandaar de naam. Het genre is al oud en tamelijk grondig bestudeerd. In 1947 publiceerde C. Kruyskamp een collectie van 671 zeispreuken onder de titel Apologische spreekwoorden (de derde druk verscheen in 1965). Vaak wordt in deze spreekwoorden een handeling gerechtvaardigd of verdedigd, vandaar apologisch 'verdedigend'. Het genre komt waarschijnlijk uit Duitsland. Het oudste Nederlandse voorbeeld staat in een spreekwoordenverzameling van omstreeks 1480 en luidt: 'Tis quaet water, sprac die reigher ende conde niet swemmen.' Meestal hebben ze een 'komisch' karakter, of althans: zo zijn ze bedoeld. Een vrij bekende is alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn vrouw met de el. Zeispreuken worden ook wel wellerismen genoemd. Dit naar Sam Weller, een knecht in Charles Dickens' The Posthumous Papers of the Pickwick Club, die grossierde in dit soort uitdrukkingen. In Nederland werd Dickens onder meer nagevolgd door mr. Jacob van Lennep. In Ferdinand Huyck (1840) laat Van Lennep het personage kapitein Pulver dingen zeggen als: 'Ik heb nooit verlangd de kennis te hernieuwen, zoo als de knecht tegen den beulsknecht zei' en: 'Goeie reis, zoo als de man die zich baadde tegen de haaien zei.' Hieronder zijn de zeispreuken met geldnamen bij elkaar gezet.
al naar het valt, zei de jongen, en zijn stuk viel in een hoop met dubbeltjes

217

al te mooi, zei meester Oege, en hij kreeg een Philippusgulden voor een botje

De Philippusgulden was een gouden munt ter waarde van 25 stuivers met een afbeelding van Sint Philippus. Hij was in omloop tussen 1496 en 1520. De Philippusgulden was dus veel meer waard dan een botje (een middeleeuwse munt die voortleeft in de uitdrukking botje bij botje leggen).
alles waar het hoort, zei het varken, en hij kroop in de geldkast daar kom ik wel van af, zei de bedelaar, en hij kreeg twee blanken voor een papiertje met luizen

Een blanke was een muntje van geringe waarde, maar nog altijd meer waard dan luizen.
dat gaat goed, zei Maaitje van Overschie, en zij kreeg een zoen met een dubbeltje erbij de vromen kunnen geen gebrek lijden, al zouden de stenen broden worden, zei Kors fansz, hij verkocht zijn baars en verzoop het geld die heb ik gepierd/beetgenomen, zei de boer, en hij gaf twee zesthalven voor acht stuivers

Zesthalven waren 5,5 stuiver (27,5 cent) waard. De boer schiet er dus zelfbij in, want hij krijgt voor zijn 55 cent maar veertig cent terug.
dien mij, zei de boer, ik heb daalders, mijn kleingeld is op

Een (korte) variant is: dien mij, ik heb de botjes. Een botje was een middeleeuws muntje ter waarde van een halve stuiver.
geld is vast geen goede waar, zei de boer, want mijn hond, die anders nogal loos is, wil het niet vreten

Loos betekent hier slim. In oude stadse zegswijzen werden boeren geregeld als dom of onbetrouwbaar afgeschilderd.
het geld valt wonderlijk, zei losse Dirk; hij verloor een dubbeltje op de draaibrug, en vond het in de grote kerk terug

218

Zeispreuken het geluk is de wereld nog niet uit, zei de jood, toen hij iemand acht stuivers en een vrijbriefje uit de loterij thuisbracht het geluk wil mij niet verlaten, zei Lourens, en hij vond een Kleefse stuiver het is vetpot, zei de jongen, mijn moeder heeft een daalder gewisseld Schertsend gezegd wanneer moeder eens flinkt opdist. Voor het eerst opgetekend in 1706. Een daalder was toen een fors bedrag. hij schijt, zei Jeroen, alsof hij marsepein voor een duit kocht Voor het eerst opgetekend in de 17de eeuw. In plaats van schijt stond in de spreekwoordenverzamelingen doorgaans sch.... ik ben milddadig, zei voerman Job, en hij gaf een valse stuiver aan vijf bedelaars ik en mijnheer hebben de zolders vol koren liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld ontving ik heb gegeten, zei de mof, alsof ik een daalder verteerd had, en het is maar negenentwintig stuivers en zeven duiten Het vermeende voordeel is te verwaarlozen, want een daalder was dertig stuivers waard, dus één duit meer. ik zal maken, dat ik het aan je verdien, zei de beul, en een gauwdief gaf hem een achtentwintig, om wat zoetjes te geselen Een achtentwintig (er) was een zilveren munt ter waarde van 28 stuivers. je kunt alle dagen geen hondsvot wezen, zei gierige Gerrit, en hij gooide een duit te grabbel Een duit had bijna geen waarde. mijn geld rammelt in mijn zak, zei kale Geurt, als Noorse bokkenkeutels in een vilten hoed

219

mijn vader, zei de ondeugende jongen, zou wel een koe willen kopen, had de schelm maar geld overal zit bedrog in, als je maar kans ziet, geld te winnen, zei de vrouw in alle eenvoudigheid: in mijn tijd waren de perziken wel driemaal groter veel gerucht maar weinig munt, zei de boer, en hij danste op een hoop mosselschelpen voor zware moeite mag men grote beloning eisen, zei de advocaat, en hij nam dubbel geld, omdat hij zekere kwestie, waarop hij zijn hoofd al drie etmaal gebroken had, niet begreep wat maakt men al niet voor geld, zei de boer, en hij zag een aap op het venster zitten wie biedt er geld voor? vroeg Goosen, en hij bracht zijn vrouw op het erfhuis wie geld heeft, zei de boer, kan wittebrood kopen In plaats van wittebrood zei of zegt men in Groningen stoet, een dialectwoord voor 'wittebrood'. De gewone kost bij boer en burger was het zwarte roggebrood. zie zo, zei mooie Anneke (toen zij een zonde gebiecht had), daar ben ik voor een klinker weer van af zo moet het binnenkomen, zei de koopman, en hij werd voor een duit aan krijt uit bed gebeld Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.

220

Ziekte en dood

als de dood ons nedervelt, is het uit met goed en geld de centenpest hebben

Veel geld uitgeven.
de geldpest hebben

Veel geld uitgeven. Vaak in ontkennende vorm: ik heb de geldpest niet.
hij heeft de geldziekte/geldzucht

Opgetekend in de eerste helft van de 16de eeuw.
hij is oordjedood

Hij blijft op een oordje dood: hij zou om een klein verschil een zaak laten afspringen.
hij loopt als een dertientje, hij is zo vlug als een dertientje

Hij is weer helemaal opgeknapt. Men zei dit wanneer iemand van een zware ziekte hersteld was. Een dertientje was een Zeeuwse munt uit de 18de eeuw, die 'uit hoofde van zijn kleine waarde' vlot van hand tot hand ging.
op/om een duit doodblijven

Liever doodgaan dan ook maar het kleinste beetje geld laten glippen. De uitdrukking komt ook voor met cent, halve cent en oordje.

221

penning is ziek Op droog zaad zitten. piet is dood Piet is hier een dialectisch woord voor pit, dat we onder meer tegenkomen in hij heeft pitten 'hij is goed van geld voorzien'. Pitten is een van de vele algemene benamingen voor 'geld'. Hoewel de oorsprong niet helemaal zeker is, zou er verband kunnen bestaan met pitje, dat al in de 17de eeuw is opgetekend. Dit was ontleend aan de Javaanse en Maleise term voor een klein muntje (pitjis, pitis, picis), dat door de Nederlanders werd gelijkgesteld aan een halve cent. voor een cent gaat hij dood als hij voor een halfje weer levend kan worden Vrek. wie goudguldens verf kan pissen, kan licht de dokters missen Zijn urine heeft een gezonde, goudgele kleur. Een zegswijze uit de 17de eeuw. ziekte spaart brood, maar geen geld

222

Overig

aan de wapens kent men de munten

Aan uiterlijke kenmerken ziet je wat voor vlees je in de kuip hebt.
al zou het een ton goud kosten alles komt om zijn geld

Boontje komt om zijn loontje.

als je van stront droomt, zul je in het geld wroeten

Opgetekend in de eerste helft van de 18de eeuw.
boerengeld is net zo goed als herenmunt

Geld is geld.
dat deed ik niet voor al het geld van de wereld/voor geen geld in de wereld

Voor geen geld.
dat is juist mijn prik

Dat past precies bij mijn middelen of mogelijkheden. Prik is niet verklaard.
dat is zuur verdiend geld

Aan het begin van de 19de eeuw voor het eerst aangetroffen. In 1866 schreef Jacob van Lennep: 'Allemaal een pot nat! denkt dat

223

volkje, dat ik in de dubbeltjes zoo zuur verdiend heb om ze haarlui beeren in den bek te smijten?' de boter zal geld kosten/nu gaat de boter geld kosten Nu is het beslissende ogenblik gekomen. de één kan meer met de zak, dan de ander met het geld De een is veel bekwamer dan de ander, ongeacht de middelen. de geldzak en de bedelzak hangen zelden vijfentwintig jaar aan één deur Af en toe wisselt het lot. de heer van munt Omschrijving van 'geld' zonder meer. Opgetekend in de 17de eeuw. de klop is erop De in 1846 buiten omloop gestelde achtentwintigen, munten ter waarde van 28 stuivers, waren ter onderscheiding van de daalders van dertig stuivers van een zogenoemde 'klop' voorzien; daarom zei men dit in Groningen en Friesland van een vrouw boven de 28 jaar, die dus wel niet meer zou trouwen. de koorden van de beurs in handen hebben De zeggenschap hebben over het geld. de onnozelen spelen met de beurs, en de kloeken met het geld Opgetekend in de eerste helft van de 18de eeuw. een bal afdokken Eén frank betalen. Bal is Vlaams-Bargoens voor 'frank'. Het woord wordt wel verklaard uit Frans balie 'rond voorwerp, gezicht'. Dit zou slaan op het portret in de beeldenaar. een bedelaarsgebed/dronkemansgebed doen Even stilstaan om je geld te tellen.

224

Overig
een heitje voor een karweitje

Traditioneel motto van de padvinders. De naam heitje, van oorsprong een Bargoens woord voor 'kwartje', is pas eind 19de eeuw voor het eerst opgetekend. Hij is afkomstig uit het Jiddisch en gaat terug op de hê, de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet, die de getalswaarde vijf had. Een heitje is dus vijf stuivers. Een 'vijfguldenstuk' werd in de dieventaal wel een gouden heit genoemd; een celstraf van vijf jaar heit jantjes, een 'goedkope' souteneur een heitjes-pooier.
een inhoudende maart is geld waard

Dit wordt ergens verklaard als: een inhoudende maand maart geeft wel geen groeikracht aan het graan, maar doodt toch de schadelijke gewassen en insecten door de aanhoudende vorst.
een leren beurs zal geen zijden beurs worden, al doet men er veel geld in

Vermoedelijk: door geld alleen wordt een lomperik nog geen verfijnd mens. Het tegenovergestelde wordt gezegd met beschimmeld geld maakt edel ('zelfs beschimmeld geld is goed genoeg om iemand voor edel te doen doorgaan').
een veer moeten laten

Oorspronkelijk werd dit gezegd van een vogel die veren verloor doordat hij had gevochten of doordat hij was aangeschoten door een jager.
er is in Luik meer geld dan gezond verstand

De stad Luik had in het begin van de 19de eeuw de reputatie een revolutionair broeinest te zijn.
ergens zijn geld aanhangen

Het ergens aan besteden.
flappen tappen

Jonge uitdrukking voor 'geld uit de geldautomaat halen',
geen adem voor geld

Zulk druk werk dat er, al zou je ervoor betalen, geen tijd is om even op adem te komen.
225

geen handel van geld hebben

Geen geld in handen krijgen, bijvoorbeeld als vrouw van een man die alle geldzaken zelf afhandelt.
geen herstel van grieven, geen geld

Een in de 15de en 16de eeuw bij sommige gewestelijke Staten niet ongebruikelijke formule, die aangaf dat de vorst de gevraagde kredieten alleen kon krijgen als bepaalde wensen van de onderdanen werden ingewilligd.
geld en goed

Alles.
geld heeft geen naam, hart, reuk, stank geld krijgen is een grote kunst gereed geld is de bloem

Contant geld is het beste.

Hans van der Gouwe/Gauwe

Zogenaamd Hans uit Gouda (Gouw), maar in feite goudgeld. Hans of hanske is een oude volksnaam voor een (van oorsprong) koperen muntstuk. Het is gebruikt voor 'oordje', maar later - onder meer in de dieventaal - ook voor 'cent' of'geld'. De benaming Hans van der Gouwe, waarin het hanske wordt voorgesteld als een persoon, is aangetroffen in de 16de eeuw.
het appelmannetje komt om zijn geld

Gezegd als iemand ziek is door het eten van te veel fruit.
het gelag betalen

Eigenlijk: de in een kroeg gebruikte consumpties betalen. Overdrachtelijk: opdraaien voor wat anderen (eventueel samen met jou) misdreven hebben.
het is al één geld

Allemaal dezelfde prijs.

226

Overig het is alsof hij geld zal brengen Wanneer iemand hard aanklopt. het is vandaag weer geldjesdag Het is betaaldag. het leen is voor de oudste, het geld is voor de stoutste (= dapperste) Schetst de toestand onder het middeleeuwse leenstelsel. In 1632 opgetekend door Jacob Cats. het liefste geld is, dat men zelf wint het slijk der aarde Geld. hij besnoeit de roem van zijn medemens, als de jood het geld Het besnoeien van munten was het afsnijden van de rand, om het zo gewonnen metaal te gelde te maken. Naar antisemitische opvatting plachten joden dit te doen. hij is er zo vlug bij, alsof er geld of goed mee te winnen was hij kiest eieren/appels voor zijn geld Hij neemt met minder genoegen dan hij aanvankelijk van plan was. Opgetekend in de tweede helft van de 17de eeuw. hij neemt alles voor goede/gangbare munt aan Hij gelooft alles wat je hem op de mouw speldt. hij slaat geen andere munt Hij komt altijd met hetzelfde verhaal, tapt altijd uit hetzelfde vaatje, hij weet er geen hol van Hij weet er niets van. Een hol was oorspronkelijk een zilveren florijn van 28 stuivers ( � 1,40), waarop het stempel HOL (= Holland) aangaf dat het een geldige munt was. De munt werd voor het eerst geslagen in 1693; in 1846 werd hij afgeschaft. De uitdrukking het kan me geen hol schelen bevat een woordspeling met hol 'aars'. In plaats van hol zegt men ook bal, moer of reet.
227

hij zal mogen duimen

Hij zal moeten betalen. Naar het duimgebaar waarmee geld wordt uitgeteld.
iets op klein geld geven

Iets tot in details verklaren.
ik zou geld geven om je te zien je eet/drinkt niet, naar dat je geld hebt

Gezegd tegen iemand die (te) spoedig ophoudt met eten en drinken.
je geld of je leven

Opgetekend in de tweede helft van de 20ste eeuw. De uitdrukking wordt nogal eens in de mond gelegd van struikrovers en dergelijke. Of ze dit werkelijk riepen is niet bekend.
je moet wel je geld, maar niet je jaren tellen je weet niet wat het geld waard is, tot je het mist

Opgetekend in de eerste helft van de 17de eeuw.
je zou geld voor het kijken gegeven hebben kruis of munt

Sommige oude munten hadden aan de ene zijde een kruis, aan de andere zijde de muntwaarde.
met het geld van de barbier in zijn zak lopen

Er ongeschoren bijlopen.
met oud geld en met oud brood slaat men grif de honger dood

Het gaat hier om een van oorsprong Friese rijmspreuk.
moeten ansen/hansen

Het gelag moeten betalen. Hans of hanske is een oude volksnaam voor een (van oorsprong) koperen muntstuk. Het is gebruikt voor 'oordje', maar later - onder meer in de dieventaal - ook voor 'cent'

228

Overig of'geld'. Vooral in Zuid-Nederlandse bronnen komt men het tegen in de spelling ans (in veel Vlaamse dialecten wordt de h ingeslikt). Zo zei men in Gent trouwen voor de ans 'om het geld'. niet/geen geld terug hebben van Geen antwoord hebben op. nog wat laken voor de schaar hebben Nog wat geld hebben. om oud Meid is er gras en geld Oud Meid of oud mei is 12 mei (in Groningen). Men vertrouwt erop dat er dan altijd gras voor het vee zal zijn. op geld liggen In het ziekenhuis tegen betaling behandeld worden. plaketten tellen Geld tellen. te einde moed, te einde geld Gezegd van een afspraak waarbij iemand zijn werk mag staken wanneer hij maar wil. ten einde geld, ten einde raad ten einde maat/moed, ten einde geld Gezegd van een afspraak waarbij iemand zijn werk mag staken wanneer hij maar wil. tussen een pond en elf schellingen zijn In een onzekere toestand verkeren. Het is niet helemaal duidelijk op welke waarden hierbij wordt gezinspeeld. In de Middeleeuwen was een pond twintig schellingen, terwijl de spreuk lijkt te duiden op twaalf. van iemand niet kunnen weten wat voor munt hij slaat Iemand niet kunnen doorgronden.

229

verdiend geld is geen bedanken waard

Bedanken hoeft alleen voor cadeaus.
voor geen goud

Opgetekend in de tweede helft van de 19de eeuw.
voor valse munt aangezien worden

Een slechte naam hebben.
waar ik ga, daar gaat mijn geld was, vlas en tin: voor groot geld, klein gewin

Deze producten vergden grote investeringen en leverden weinig op.
wie geld genoeg heeft, waarom vraagt hij of het brood opslaat (duurder wordt) wie in de beurs geen pond heeft, moet honing in zijn mond hebben

Wie geen geld heeft, moet een vlotte babbel hebben.
zijn frank is gevallen

Het dringt eindelijk tot hem door. De mens wordt hier waarschijnlijk vergeleken met een automaat, die pas na inworp van een munt in actie komt.
zijn ijzers afspitten

Betalen. Ijzers of vuurijzers waren zilverstukken uit de Bourgondische tijd (15de eeuw). Vandaar is ijzer een algemene, maar nu verouderde benaming van 'geld' geworden. Is het idee dat men als het ware de schop in zijn geldbezit zet en het afgraaft?
zijn janen tellen

Zijn geld tellen. Naar de rijtjes waarin het getelde geld wordt neergelegd, die worden vergeleken met de 'janen', de parallelle sporen die landbouwers bij hun werk op de akker maken.
zijn knaken dicht hebben

Geld gewonnen hebben bij het spel (Zuid-Limburgs Bargoens).

230

Overig Een knaak is tegenwoordig een rijksdaalder. De oudste tekst waarin deze muntnaam tot dusverre is aangetroffen, dateert van 1689. Vermoedelijk is er verband met Rotwelsch (Duits Bargoens) Knök, Kneks (daalder), maar verder is de etymologie onbekend.
zijn pond begraven

Zijn talenten ongebruikt laten. Hiermee wordt gezinspeeld op de gelijkenis van de talenten in het bijbelboek Mattheus (25:18, 25).
zilver is geen goud waard

Het mindere is niet gelijk aan het meerdere.

231

Einde

het einde geld, het einde geloof ten einde geld, ten einde raad te einde moed, te einde geld ten einde maat, ten einde geld Gezegd van een afspraak waarbij iemand zijn werk m a g staken wanneer hij maar wil.

232

Bijvoegsel: volksnamen voor cent tot duizend gulden

cent beschietem eutteken hanske koperlap pieremezeur poser, posjer rem scheur schrapper sijs spaander spak spie, spiess spijker tand stuiver bachem bas, batz cassie, kasje, kasie goerie kimmeltje knab, knap krakeling

meutje nikkellap nikkeltje schobbe(l)tje sou stieber stobbe stomp vuurijzer dubbeltje beestje, beessie, beissie, beisje duppie hondje joekeltje kassemenneke ketippie kleine knoop (ook voor 'gulden') knoopje koppie, kopje kopstoot opengooiertje schubbetje, schubje witje zilverkluitje

2

33

kwartje heit bas heiterik heitje klinkske maf, mafïïe, mafje gulden baardmannetje bal blauwe blik kakie kleine knoop (ook voor 'dubbeltje') kop, kopstuk man met de stok neut pegel piek, piekelman pieter, pieterman pop rad rokmannetje schaap smakker soof, sjoof stokmannetje vloer voorwiel rijksdaalder achterwiel beismagoosje boerenknoop grote knoop karrewiel knaak meetje

paardenoog rijkspop riks, riksie, rikspop toffe rad vijftigstuiver wagenwiel vijf gulden fiets gouden heit halve fokse ('gouden') joeter halve spliet vijfje tientje beisjesprent blauwe flep flip, filippie, philippie joetje, joentje, juutje joet soof gouden tientje belle joetje fokse cent fokse schrabber fokse spie gouden plak gouden spie mattenklopper saldsoof spliet vos vijfentwintig gulden geel flep je geeltje geel velletje gele brief gele flap

24
3

gele prent gele rijder heitjesprent joed radden kwart meier roodborstje vijfentwintig je vijftig gulden abraham brammetje half meier prent van een halve sjoof vijftigje zonnebloem honderd gulden blauwe rug

honderdje meier mud prent van een sjoof snip tweehonderdvijftig gulden vuurtoren duizend gulden duizendje groene prent jod me soof joet meier krant roodborstje rooie rug tien sjoofprent

235

Geraadpleegde literatuur

Apeldoorn, C.G.L., R. van Riet, Spreekwoorden verklaard (Utrecht 1987). Beek, B. van, H. Jacobi, M. Scharloo, Klinkende munt. Geschiedenis van het geld in de Lage Landen (Amsterdam 19852). Beek, E.J.A. (red.), Encyclopedie van munten en bankbiljetten (Alphen aan den Rijn 1986 e.v.). Beem, HJerösche. Jiddische spreekwoorden en zegswijzen uit het Nederlandse taalgebied (Assen 1959). Beem, H., Uit Mokum en de Mediene. Joodse woorden in Nederlandse omgeving (Assen 1974). Berns, J., Hijzeit wat. De Amsterdamse volkstaal. ('s-Gravenhage 1992). Bo, L.-L. De, Westvlaamsch Idioticon (Brugge 1873). Boekenoogen, G.J., De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897). Bolhuis, E.G. van, De gabbertaal. Woordenlijst van het Bargoens (Ede-Rijswijk 1937)Bolten, J., Het Nederlandse bankbiljet 1814-2002. Vormgeving en ontwikkeling (Amsterdam 199 92). Bouman,}., De volkstaal in Noord-Holland (Purmerend 1871). Buijs, W.J., Etymologische achtergronden van triviale namen in de numismatiek van de Nederlanden en overzeese gebiedsdelen (1991, ongepubliceerd). Cock, A. De, Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 19082). Cornelissen, P.J., Nederlandsche volkshumor op stad en dorp, land en volk (Antwerpen 1929-1938). Cornelissen, P.J., J.-B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch Dialect (18991938). Coster, M. De, Woordenboek van jargon en slang (Amsterdam 1992). Coster, M. De, Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slo gans (Den Haag/Antwerpen 1998). Dewulf, M., Een honderdtal volkse en Bargoense geldnamen in het Waasland (Gent 1950).

236

Eijk, I. van, Als m'n tante een snor had... Meer dan 8000 gelijkhebbers, dijenkletsers en andere uitdrukkingen uit de Nederlandse taal (Amsterdam 1995). Endt, E., L. Frerichs, Bargoens Woordenboek (Amsterdam 1 9 7 4 ) . Geerts, G., T. den Boon (red.), Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal (Utrecht/Antwerpen 1 9 9 9 * 3 ) . Gelder, H.E. van, De Nederlandse munten (Utrecht 1 9 6 5 ) . Ghijsen, Ha.C.M., Woordenboek der Zeeuwse dialecten (Den Haag 1 9 6 4 ) . Gouw, J.E. ter, 'De Munt in de volkstaal', in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor munt- en penningkunde, jrg. 11 ( 1 9 0 3 ) p. 1 2 6 1 3 6 , p. 1 9 7 - 2 1 0 . Vervolg in jrg. 1 2 ( 1 9 0 4 ) p. 1 3 6 - 1 5 8 ; jrg. 1 3 ( 1 9 0 5 ) p. 1 1 7 2

p. 315-343; jrg-17 (1909) P- 54-71Grauls, J., Hoe het werd en hoe het moet zijn. Opstellen over oorsprong en betekenis van woorden en gezegden (Leuven 1957). Groeneveld, R., Vaarwel gulden. Van duit tot duizend (Eindhoven 2 0 0 0 ) . Grolle, J.J., Geschiedenis van het Nederlandse bankbiljet (Bussum 1 9 9 1 ) . Grolle, J.J., Latijnse spreuken op Nederlandse munten (z.pl. [Amsterdam] 1984). Grolle, J.J., Numismatische linguistiek. De oorsprong van muntnamen en hun gebruik in de Nederlandse taal (z.pl. [Amsterdam] 1 9 8 4 ) . Harrebomée, P.J., Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal (Utrecht 18561870). Joos, A., Waasch Idioticon (Gent/Sint-Niklaas 1 9 0 0 ) . Komrij, G., Het geld spant de Kroon. 250 jaar pecuniaire poëzie ('s-Hertogenbosch 1 9 8 7 ) . Koster Henke, W.L.H., De boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch of De taal van de jongens van de vlakte (Dokkum 1 9 0 6 ) . Kranister, W., The moneymakers (Cambridge 1 9 8 8 ) . Kruijssen, A., (red.), Huizinga's spreekwoorden en gezegden (Baarn 1 9 9 4 ) . Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek (Groningen/Den Haag 1 9 2 9 ) . Lessen, J.H. van, 'Over namen van munten, in het bijzonder over stuiver', in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal en Letterkunde, jrg. 6 0 ( 1 9 4 1 ) p. 4 9 67. Lievevrouw-Coopman, L., Gents Woordenboek (Gent 1 9 5 5 ) . Mar, A. del, History ofMonetary Systems (Maine 1 9 8 3 ) . Meulendijks, J., B. Schuil, Spreekwoordelijk Nederlands. Ruim 20.000 bekende en minderbekende gezegden, spreekwoorden en uitdrukkingen (Baarn 1 9 9 8 ) . Molema, H., Woordenboek der Groningsche volkstaal in de ïgde eeuw (Winsum 1887). Mullebrouck, H., Vlaamsche volkstaal (Koekelare 1 9 8 4 ) . Nusbaum, A., A History of the Dollar (New York 1957). Pannekeet, J., Mooi zoid. Westfriese uitdrukkingen en gezegden (Hoorn 1971). Pannekeet, J., Westfries Woordenboek (Wormerveer 1 9 8 4 ) . Philippa, M., Geld, getallen en geschiedenis. Een taalverhaal over munten en nummers (Utrecht z.j. [ 2 0 0 1 ] ) . Polak, M.S., Historiografie en economie van de 'muntchaos' (Amsterdam 1998). Prims, F., 'De stuiver', in: Antwerpiensia, jrg. 1 0 ( 1 9 3 6 ) p. 3 9 7 - 4 0 5 .
(1908)

1 4 2 , p. 2 7 2 - 2 8 5 ; jrg. 1 4 ( 1 9 0 6 ) p. 1 9 1 - 2 1 7 ; jrg. 15 ( 1 9 0 7 ) p. 3 0 9 - 3 2 6 ; jrg. 1 6

237

Salleveldt, H., Het woordenboek van Jan Soldaat in Indonesië (Alphen aan den Rijn 1980). Schuermans, L.W., Algemeen Vlaamsch Idioticon (Leuven 1865-1870). Sijs, N. van der, Leenwoordenboek. De invloed van andere talen op het Nederlands (Den Haag/Antwerpen 1996). Sijs, N. van der, P.A.F. van Veen, Van Dale etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden (Utrecht/Antwerpen 19972). Stoett, F.A., Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden naar hun oorsprong en heteekenis verklaard (Zutphen 19234). Tuinman, C., De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der Vaderlandsche Moeder taal. (Middelburg 1726-1727). Verstegen, P.V., 'Woordgeographische studiën van de Zuidnederlandse Dialectcentrale', in: Leuvensche bijdragen, jrg. 31 (1939), p. 85-99. Wemelsfelder, J. (e.a.), Geld. Aspecten van het gebruik, het najagen en verspillen van geld ('s-Hertogenbosch 1964). Woordenboek der Nederlandsche Taal (1864-1998).

238

Register

De vette ingangen geven de hoofd- en subrubrieken aan. Sommige rubrieken hebben een meervoudige naam, bijvoorbeeld gierigheid, gierigaard, vrek; in zo'n geval zijn alle elementen afzonderlijk in het register opgenomen. Het register bevat vooral muntnamen, maar ook een aantal andere begrippen dat vermeldenswaard leek. Alle spreuken met een dierennaam erin zijn te vinden in de rubriek 'dieren'. De meest voorkomende muntnamen - cent, daalder, dubbeltje, gulden, kwartje, oordje, penning, stuiver - hebben allemaal hun eigen rubriek. Vette paginacijfers verwijzen naar plaatsen waar nadere inlichtingen worden gegeven, bijvoorbeeld over de herkomst van een woord.

achtentwintig (er) 49, 219 advocaat 38 ans, hans 78,136,179, 228-229 arbeid 125-128 armoede 21-34 arts, dokter, geneesheer 36, 82, 124 baard 78 bal 224 balk, over de - smijten bedelaar 21, 6y, 71 bedrog 35-40 berucht 41

190

beurs, buidel, geldzak, portemonnee 23, 37, 63-64,74, 86, 88, 97-98,113,116,125,151-152, 159,175,191, 224, 230 bijbelteksten 22, 29, 53, 90-91, 109,113,172,181, 231 bijgeloof 76-77 bil, hol, kont 24, 29, 36, 45, 54, 63,139, 227 blank(e) 39,70,117,120,142, 148,166 blink 179 blut 28-31 bocht, de - al onder de arm hebben 175 239

boer (landbouwer) 43,49, 55, 57, 98,103,141 boer (oprisping) 63 boes 183 boom, geldboompje 33, 61-62 boter, olie, smout, spek, vet 22, 52, 91,102-103,136,178,185, 197, 224 botje 189 braspenning 146,171 brood 92,102-103,117, 204, 222 buidel, zie beurs canus 39 cent 42-47 centiem, centime 141

flap 225 florijn 139 foef 204 frank 132,140 gallemieze 21 geen geld 101-102 geen rooie rotcent 28-31 geld, het regent 205-206 geld is almachtig 81-87 geld is gevaarlijk 88-90 geld is niet alles 91-94 geld is nuttig 95-96 geld is onontbeerlijk 97-103 geld moet rollen 154 geld opent alle deuren 81-87 geld smijten, met - 153 geld speelt geen rol 62 geld stinkt niet 104-105 geld trekt geld aan 204-205 geldzak, zie beurs geloof 89,106-111 geneesheer, zie arts gevangenis, ga direct naar de 122 gierigaard 112-119 gierigheid 112-119 God 120 godspenning 168 goedkoop 142 goud 36, 53,71, 73, 82, 87, 90, 92,146-148, 213-214, 223, 230231 grijpstuiver 176 groeit me niet op de rug, het 32-33 groot 100,137,143,191-192, 205, 208 gulden 121-124 Haagse ton 164 habbekrats 142 hagenmunt 37 halfje 119 halve cent 164,190-191 halve centiem, centime 45,141 handel 125-128 handelen, onverstandig 146157 240

25, 30, 45-46,

daalder 48-51 denier 3 o dertiendhalf 63 dertientje 221 deugd 106-111 dieren 24, 52-58,100 dokter, zie arts domheid 59 dominee, pastoor 61,110,171 dood, ziekte en 221-222 dooddoeners 60-65 dorst, honger 21, 23 drank 156-157 drek, zie kak droes, zie duivel dubbeltje 66-69 dubbeltje geboren, voor een - 32 duim, duimen, duimkruid 34, 57,112,181, 228 duit 70-75 duiten, met de - zitten 183-185 duivel 76-77 duizend gulden, u gaat door voor de 64,123 dukaat 34,107,188 duur 78-80 dwaasheid 21, 24, 55, 59,123, 146-157 eer 106-111 einde 232

handelen, verstandig 207-210 hans, zie ans Hans van der Gouwe 226 heelmeester, zie arts heitje 225 heller (helder) 30-31,140, 207 hol, zie bil Houthem, hij komt van - 115 huig, iemand de - lichten 40 huwelijk 134-137 ijzer 230 33-34

malie 28,71 Mammon 90 marie 181 markt 123,163 mijt 31, 51,109,135,189-190 misdaad 35-40 moos 29 mosterd 79 muziek, daar zit - in 35,129 muzikanten 183 negenmannetje 116,144 niet veel zaaks 138-145 olie, zie boter onverstandig handelen 146-157 oordje 158-163 op zwart zaad zitten 28-31 opscheppen 164-166 Oudenaarde, hij is van - 114 overig 223-231 pastoor, zie dominee pegel 127,186 pelder 30 penning 167-173 penning zestien 79,114,157,170 'penny wise, pound foolish' 156 peper 28, 79,181,184, 209 Philippus Quartus 23 Philippusgulden 218 piaster 178 piek 153 piet, zie pit pijkens, pijkes 114,165,184 ping-ping hebben 179-183 pissen, zie kak pit, piet, pitten 26,182, 222 plaat 184 plaket 229 plak(ke) 191 plat 174 poen 86 poep, zie kak pond 143,145,148,156, 207, 229-231 ponk 185 portemonnee, zie beurs

ironisch bekeken jaan 230

kaan 31 kak, drek, pissen, poep, scheet, schijten, slijk, stront 22, 24, 55-56, 64, 72, 76, 86, 92, 99, 116,124,126,148,151,165,176, 223, 227 Kleef, hij komt van - 115 klinkaard 130,177 klinkende munt 129-131 klop 224 kluit 25, 59, 87,119,143,154,179 kluiver 113 knaak 117,230-231 Knipe, van De - zijn 118 knop 30 knots 184 kont, zie bil kopen kost geld 102-103 kous 190 krats 142 kriek 184 krijt, in het - staan 187 kroon 187,198, 209 kruis 23, 25, 31,77,110, 228 kwadrantpenning 172 kwartje 132-133 leugens 73 liefde 64,134-137 lood 22,27 louis d'or 131 luiers 184

241

poser, pozer 30 prik 78,223 pruim 182 regent geld, het 205-206 rekenfouten 155-156 rijkdom 175-185 rug, het groeit me niet op de 32-33 scheet, zie kak schelling 60,138,144,148, 205, 229 schellinkje 140 Scherpenheuvel, hij komt van "5 schijf 38,135,148,191 schijten, zie kak schrabbes 182 schulden 73,186-188 seks kost geld 103 slappe was, goed in de - zitten 183 slijk, zie kak smak geld, een 185 smeergeld 38-39 smies 182 smijten, met geld 153 smout, zie boter snaphaan 61 snoeien 39 sou 30 spaan 27,182 sparen 189-193 spek, zie boter spekkoper 177 speldengeld 139 spie 182 spijkers 183 splint, splinters 85, 99,183,185 sponk 183 steekpenningen 39 stoter 56-57,59 stront, zie kak stuiver 194-200

teergeld 93,191 tientje 62 tijd is geld 209 tot de laatste 201 turf 178,180, 205 uitbrander 202 Uiterse duit 41, 72 verbrassen 153 verdienen 203-206 verkwisting 149-152 verstandig handelen 207-210 vet, zie boter vijfje 144 voor een dubbeltje geboren 32 vrek 112-119 Vrekhem, van - komen 118 vriendschap 211-212 waardeloos 143-145 waardevol 213-214 wensen 215-216 wie het kleine niet eert 192-193 wiek 184 Willempje 44 windegeld 139 wip 27 woorden kosten niets x45 wortel van alle kwaad 108,113 zaad 28-29,5 2 zaad, op zwart - zitten 28-31 zaaks, niet veel 138-145 zeep, om - gaan/raken 27 zeispreuken 217-220 zesje 141,155 zesthalf 145,155,197 ziekte en dood 221-222 zilver 82,128, 231 zitten, met de duiten - 183-185 zonder geld 101 -10 2 zwendel 39-40 Zwitsers, geen geld, geen 101

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful