You are on page 1of 8

Examentraining 2013

Leerlingmateriaal

Vak
M&O

Klas 5H

Bloknummer Blok 2

Docent(en) Remijnse
Opdracht 1 blok 2
Instructie docent:
Groepsopdracht in grootte van 4 ll. Uitprinten
en kopiëren. Begrippen in een envelop uitdelen
aan de groepjes met als opdracht de begrippen
op een logische wijze zien te ordenen op een A4.
Opdracht 2 blok 2
Opgave resultaten- en liquiditeitsbegroting
Handelsonderneming Gako bv laat een liquiditeitsbegroting maken voor de maand
mei 2010. Hiervoor zijn onder andere de volgende gegevens beschikbaar:
2010 Maart April Mei Juni
Omzet incl. 19% btw € 975.800,- 928.200,- 999.600,- 1.142.400,-
Inkopen incl. 19% btw € 773.500,- 833.000,- 952.000,- 892.500,-
De helft van de omzet wordt contant verkocht. De andere helft van de verkopen
gebeurt op rekening en wordt steeds 1 maand na de verkoop ontvangen. De bruto
winst bedraagt 30% van de omzet. De leveranciers geven Gako bv steeds 2
maanden krediet. Verder moet Gako bv rekening houden met de volgende
gegevens:
 De variabele kosten bedragen 5% van de omzet(excl btw) en worden steeds 1
maand na de verkoop betaald.

 De onderneming maakt voor de financiering gebruik van een 7% onderhandse


lening die op 1 januari 2010 met een bedrag van €2.200.000,- op de balans
stond. Op het eind van elk kwartaal wordt er €50.000,- afgelost op de lening
en wordt de interest voor het komende kwartaal vooruitbetaald.

 De overige constante kosten bedragen op jaarbasis:

Afschrijvingen 132.000,-
Assurantiepremies 60.000,-
192.000,-
 Gako maakt gebruik van permanentie met maandelijkse resultatenbepaling.

 De betalingen die voortvloeien uit de constante kosten worden in gelijke delen


gedaan in februari, mei en oktober.

1. Stel met behulp van de bovenstaande gegevens de liquiditeitsbegroting


voor de maand mei 2010 op. Gebruik de bijlage. (5 punten)

2. Stel met behulp van de bovenstaande gegevens de resultatenbegroting


voor de maand mei op. Gebruik de bijlage. (5 punten)
Liquiditeitsbegroting Gako mei 2010
Saldo liquide middelen op 30 april €445.000,-
Ontvangsten
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
€ …………….
Uitgaven
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
€ …………….
Saldo liquide middelen op 31 mei: € …………….
Resultatenbegroting Gako mei 2010
Opbrengsten
Omzet …………….
Inkoopwaarde …………….
Bruto winst € …………….
Kosten
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
……………………………………………… …………….
€ …………….
Netto resultaat € …………….
Uitwerkingen Opgave resultaten- en liquiditeitsbegroting

1. Liquiditeitsbegroting Gako mei 2010

Saldo liquide middelen op 30 april €445.000,-


Ontvangsten
debiteuren……………………………… 963.900 (2)
……………………………………………… …………….
€ 1.408.900
Uitgaven
crediteuren…………………………… 773.500 (1)
variabele kosten…………………… 39.000 (1)
assurantiepremies………………… 20.000 (1)
……………………………………………… …………….
€832.500. -
Saldo liquide middelen op 31 mei: € 576.400

2. (5) Resultatenbegroting Gako mei 2010

Opbrengsten
Omzet 840.000 (1)
Inkoopwaarde 588.000 (1) -
Bruto winst € 252.000 (1/2)
Kosten
Variabele kosten…………………… 42.000 (1/2)
Interestkosten……………………… 12.542 (1)
Afschrijvingskosten.……………… 11.000 (1/2)
Assurantiekosten.………………… 5.000 (1/2)
……………………………………………… 70.542.
€ 181.458
Opdracht 3 blok 2

Oefenopgaven Examentraining 5H M&O blok 2 interestberekeningen M&O

Enkelvoudige interest

Opgave 1
Gegeven een beginkapitaal van 500 euro op 1/1/2010. Bereken bij een enkelvoudige interest
van 4% per jaar:
a. de interest over 2010
b. de interest over januari 2010
c. de interest over 1/7/2010 tot 1/10/2010
d. de interest over de laatste 10 dagen van 2010. (Ga uit van 365 dagen in het jaar)

Opgave 2
Gegeven is een beginkapitaal van 2.200 euro op 1/7/2000. Bereken bij een enkelvoudige
interest van 6,5% per jaar:
a. de interest over 2000
b. de interest over 2001
c. de interest over juli 2000
d. de interest over januari 2005

Samengestelde interest

Opgave 1
Piet heeft op 1/1/2010 400 euro op zijn spaarrekening gezet, het interestpercentage per jaar is
3,5%.

a. Hoeveel staat er op de rekening na 1 jaar?


b. Hoeveel staat er op de rekening na 3 jaar?
c. Hoeveel interest heeft Piet totaal ontvangen op 1/1/2015?

Piet wilt over 10 jaar een bedrag van 800 euro op zijn rekening hebben.

d. Hoe groot moet dan de storting zijn op 1/1/2010?

Opgave 2
Suzanne heeft op 1/7/2005 een bedrag van 20.000 euro op de spaarrekening gezet tegen een
s.i. van 0,5% per maand. Vanaf 1/2/2006 wordt het percentage verhoogd naar 0,6% per
maand. Op 1/ 5/2006 wordt er een bedrag gestort van 2.000 euro.

a. Hoeveel staat er op de rekening op 1/1/2007?


b. Hoe groot zou de storting op 1/5/2006 moeten zijn zodat er een bedrag van 25.000
euro op de rekening staat op 1/1/2007?
Uitwerkingen:

Enkelvoudige interest

Opgave 1
a. 0,04 x 500 = 20
b. 0,04 x 500 : 12 = 1,67
c. 0,04 x 500 : 12 x 3 = 5
d. 0,04 x 500 : 365 x 10 = 0,55

Opgave 2
a. 0,065 x 2200 : 2 = 71,50
b. 0,065 x 2200 = 143
c. 0,065 x 2200 : 12 = 11,92
d. 11,92

Samengestelde interest

Opgave 1

1/1/10 1/1/11 1/1/12 1/1/13 1/1/14 1/1/15


│ │ │ │ │ │
Ko 1 2 3 4 5 n

a. 400 x 1,035 = 414


b. 400 x 1,035^3 = 443,49
c. Kn (n=5) = 400 x 1,035^5 = 475,07
Totaal interest = 475,07 – 400 = 75,07
d. 800/ 1,035^10 = 567,14

Opgave 2

1/7/05 1/1/06 1/2 1/5


│ │ │ │ │ │ │ │ │ │ │
Ko j a s o n d j f m a

1/1/07
│ │ │ │ │ │ │ │ │ │ │
m j j a s o n d

a. 20.000 x 1,005^7 = 20.710,59


20.710,59 x 1,006^3 = 21.085,62
(21.085,62 + 2.000) x 1,006^8 = 24.217,28

b. 25.000/ 1,006^8 = 23.831,76


23.831,76 – 21.085,62 = 2.746,14