Raad
vanState
201502212/1/V3.
Datum uitspraak: 8 September 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam,
van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/3475 in het geding tussen:
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
201502212/1/V3 2 8 September 2015
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van
de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te
verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit
is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door
de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met
inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is
aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris) hoger
beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.C.Ch. Kneuv.els, advocaat te
Dordrecht, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
<
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens
rechtsvoorganger.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn grieven, in samenhang gelezen,
dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft
gemotiveerd dat sprake is van "knowing and personal participation" in de zin
van paragraaf C2/6.2.8. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de
Vc 2000) en de vreemdeling daarom ten onrechte artikel 1(F), aanhef en
onder a en b, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen heeft
tegengeworpen. Hij betoogt daartoe, samengevat weergegeven, onder meer
dat de rechtbank de verklaringen van de vreemdeling over zijn functie en
werkzaamheden in het Turkse leger ten onrechte niet bij haar oordeel heeft
betrokken en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de
vreemdeling niet meer is dan een gewone soldaat. Voorts betoogt hij dat de
rechtbank niet heeft onderkend dat uit diverse objectieve en algemene
bronnen volgt dat alle Turkse veiligheidstroepen, waaronder het tweede leger
van de Turkse landmacht waar de vreemdeling deel van uitmaakte, zich in de
provincie Tunceli in Zuidoost-Turkije in 1995 schuldig hebben gemaakt aan
misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status
van Vluchtelingen (hierna: artikel 1(F)). Zo werden burgers daar mishandeld
en gemarteld, werd de voedseltoevoer naar dorpen in Tunceli afgesneden,
vonden er gedwongen evacuaties plaats van bewoners, werden dorpen
vernietigd en werden strijders van de Partiya Karkeren Kurdistan (hierna: de
PKK) in de militaire gevangenissen gemarteld. Volgens de staatssecretaris
heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat uit het algemeen
ambtsbericht Turkije/dienstplicht van juli 2002 (hierna: het ambtsbericht) en
het rapport 'Background paper on refugees and asylum seekers from Turkey'
201502212/1/V3 3 8 September 2015
van de United Nations High Commissioner for Refugees van 1 oktober 1 997
(hierna: het rapport van de UNHCR) volgt dat louter bijzondere eenheden zich
aan deze misdrijven schuldig hebben gemaakt. Gelet op de verklaringen van
de vreemdeling, bezien in het licht van hetgeen uit de door hem overgelegde
rapporten volgt, is de interne organisatiestructuur van het Turkse tweede
leger en de interne taakverdeling binnen het legerkorps van de vreemdeling,
anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van belang, en heeft de
rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat hij een individueel ambtsbericht
had dienen uit te brengen, aldus de staatssecretaris. Ten slotte voert de
staatssecretaris aan dat de rechtbank met haar oordeel dat indien de
staatssecretaris gevolgd moet worden in zijn standpunt dit betekent dat aan
iedere sergeant, werkzaam in het Turkse leger in de periode 1994-1995 in
Zuidoost-Turkije, artikel 1 (F) kan worden tegengeworpen, heeft miskend dat
hij bij zijn standpunt de door de vreemdeling afgelegde verklaringen over zijn
functie en werkzaamheden heeft betrokken.
2.1. Ingevolge artikel 1 (F), voor zover thans van belang, zijn de
bepalingen van het Verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien
van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf
tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de
Internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen
met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politie.k misdrijf heeft begaan buiten het land
van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.
Ingevolge artikel 33, eerste lid, van het Statuut van Rome inzake het
Internationaal Strafhof (hierna: het Statuut), wordt een persoon niet
ontheven van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid indien hij. een misdrijf
heeft gepleegd op bevel van een regering of een meerdere, militair of burger,
tenzij:
a. de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de
desbetreffende regering of meerdere op te volgen;
b. de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig
was; en
c. het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de
Vw 2000), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt
dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij
in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
Ingevolge het tweede lid, onder k, zoals deze luidde ten tijde van
belang, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de
omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde
of nationale veiligheid.
Volgens paragraaf C2/6.2.8 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van
belang, moet de staatssecretaris voor tegenwerping van artikel 1(F)
aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de
201502212/1/V3 4 8 September 2015
vreemdeling een van de in dat artikel genoemde strafbare feiten heeft
gepleegd. Indien de staatssecretaris ernstige redenen heeft aangetoond,
moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van
artikel 1(F) te voorkomen. Om te bepalen of een vreemdeling
verantwoordelijk is voor strafbare feiten als bedoeld in artikel 1 (F) onderzoekt
de staatssecretaris of die vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te
hebben van het plegen van het desbetreffende strafbare feit ('knowing
participation') en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen
('personal participation').
Volgens dit beleid is onder meer sprake van 'knowing participation'
wanneer een vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de
staatssecretaris heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische
wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten
die genoemd worden in artikel 1(F) of indien de vreemdeling heeft
deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had moeten weten dat het
strafbare feiten betrof zoals bedoeld in artikel 1(F). Voorts wordt volgens dit
beleid onder 'personal participation1 niet slechts verstaan het door een
vreemdeling zelf of in diens opdracht of onder diens verantwoordelijkheid
plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1 (F), doch ook het door
een vreemdeling direct faciliteren van een strafbaar feit, dat wil zeggen dat
zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het
strafbare feit. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage een
effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het strafbaar feit
hoogstwaarschijnlijk niet of niet op dezelfde wijze had plaatsgevonden,
indien niemand de rol van die vreemdeling had vervuld of indien die
vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te
houden.
De staatssecretaris toetst volgens dit beleid aan artikel 33 van het
Statuut voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de
vreemdeling, indien hij heeft gehandeld op bevel van een regering of
meerdere.
2.2. De staatssecretaris heeft zich in zijn in het besluit ingelaste
voornemen, het besluit en in zijn verweerschrift in de beroepsfase op het
standpunt gesteld dat uit onder meer het rapport 'Weapons transfers and
violations of the laws of war in Turkey1 van Human Rights Watch van
1 november 1995 (hierna: het rapport van Human Rights Watch), het rapport
van de UNHCR, het rapport 'Turkey human rights practices, 1995', van
U.S. Department of State van maart 1996 (hierna: het rapport van
U.S. Department of State), het rapport 'The situation of the Kurds' van de
Immigration and Refugee Board of Canada van 1 februari 1996 (hierna: het
rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada) en het
ambtsbericht, volgt dat alle Turkse veiligheidstroepen, waaronder het tweede
leger van de Turkse Landmacht waar de vreemdeling deel van uitmaakte,
zich in de periode 1994-1995 in Zuidoost-Turkije schuldig hebben gemaakt
aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Gelet op hetgeen de vreemdeling
heeft verklaard over zijn functie en werkzaamheden in het Turkse leger in die
periode in Zuidoost-Turkije, bezien in het licht van die openbare bronnen, kan
aan hem artikel 1(F) worden tegengeworpen, aldus de staatssecretaris.
201 502212/1/V3 5 8 September 2015
2.2.1. In het rapport van Human Rights Watch staat in paragraaf I, onder
het kopje 'Turkey's Security Forces' onder meer het volgende:
"Contrary to arguments made by U.S. officials however, all Turkish units,
including the regular Turkish Army and Air Force, are implicated in abuses.
HRW research demonstrates that Turkish units are integrated and
intermeshed in the southeast, making it impossible to argue that the Army
and Air Force, which are integral components of NA TO, have played no role
in the violations. The Turkish Army has deployed about 150.000 troops to
the southeast and routinely supports the Jandarma and special forces during
village destructions and other abusive operations. Three former Turkish
Army personnel interviewed by HRW have stated that their units directly
participated in abuses, as well as having backed up Jandarma and special
force units white they engaged in violations."
In paragraaf IV 'Turkish security forces' onder het kopje 'composition,
weapons, and responsibility for abuses' staat onder meer het volgende:
"HRW disputes the notion of Turkish Army and Air Force innocence of
involvement in severe human rights abuses and violations of the laws of
war. The Army and Air Force are inextricably intertwined with the Jandarma
and police in the southeast and many operations are conducted jointly. The
June 1995 U.S. State Department report acknowledged this point, stating
that the Turkish Army "is the primary agent for planning and executing major
offensive actions against the PKK... [l]n many cases the military has
assumed control," and that Turkish Air Force operations "are closely
integrated into Army and Jandarma planning and operations." While regular
Jandarma troops and the approximately 10.000 special Jandarma and police
counterinsurgency forces are clearly the most abusive units in the region,
many other Turkish units, including those from the Army and Air Force, are
implicated in the violations. [...] According to the June 1995 U.S. State
Department report. Army units are "often located in secure compounds with
the Jandarma " and the "chains of command [between the Army and
Jandarma] quite often are blurred. " Turkish military officers and their
sympathizers in the U.S. military and State Department have taken
advantage of the confusion in the chain of command, seeking to shift blame
for human rights abuses away from the Army and Air Force. The reality,
however, is one in which all elements of the Turkish armed forces,
including the military, Jandarma, village guards and the police, operate in an
integrated counterinsurgency program and take part in the types of abuses
documented in this report."
In dezelfde paragraaf staat onder het kopje 'The Turkish Army regular forces'
onder meer:
"Regular Army units are frequently used as supporting forces during raids on
villages by special Jandarma or police forces, which are notorious for their
abusive behaviour, and also work alongside regular Jandarma forces during
rural operations. In many of the incidents of abuse documented by HRW, it
appears likely that regular Army forces were present in conjunction with
other units. For example, Army troops stood by while Jandarma troops
savagely beat male villagers, tortured suspected PKK activist, burned the
village down and then detained a suspect who was later reportedly killed in
custody."
20150221 2/1 A/3 6 8 September 2015
In het rapport van de UNHCR staat in paragraaf 2.2 'The armed conflict with
the Kurdish Workers' Party' onder meer:
"In response to the PKK attacks, Turkish security forces, consisting of
members of the army (140.000-150.000), the air force (10.000), the police
(40.000), the gendarmes (40.000-50.000) and "village guards" (67.000),
have waged their own campaign of terror in the Southeast, targeting not
only hardened PKK guerillas, but any Kurd suspected of supporting or even
sympathising with the PKK aims. "
In het rapport van U.S. Department of State staat onder het kopje 'Turkey'
onder meer:
"The regular armed forced, particularly the army, continued their lead role in
combating the PKK in the state of emergency region in the southeast,
thereby taking on an internal security function. Civilian authorities remain
publicly committed to the establishment of a state of law and respect for
human rights, but torture, excessive use of force, and other serious human
rights abuses by the security forces persisted throughout 1995. "
In het rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada staat in
paragraaf 5.2 'Security forces' onder meer:
"Political and criminal detainees are particularly at risk of torture, especially
in the southeast [...]. One report notes that prisoners are "routinely
tortured...throughout the country". Torture is also used by gendarmes during
raids on rural villages and as a method of forcing villagers into the village
guard system. The European Committee for the Prevention of Torture has
described the use of torture in Turkey as being "widespread" while the UN
Committee for the Prevention of Torture states that "the use of torture in
Turkish police stations was systematic". A September 1995 Amnesty
International report maintains that this "widespread" and "systematic" use of
torture in Turkey "has persisted unaltered since the beginning of 1995"."
In het ambtsbericht is in paragraaf 8.2 onder het kopje 'Landmacht en
speciale eenheden' vermeld dat nadat de gewapende strijd met de PKK eind
1999 is gestaakt, de betrokkenheid van eenheden van het reguliere leger -
en daarmee ook de betrokkenheid van dienstplichtigen binnen de Turkse
landmacht - bij mensenrechtenschendingen sterk is afgenomen. Voorts staat
hierin dat de betrokkenheid van de landmacht bij mishandeling, foltering en
andere vormen van excessief geweld in het kader van opsporing en
ordehandhaving vrijwel niet voorkomt, omdat deze laatste taken in principe
door de Jandarma worden uitgevoerd. Daarnaast staat in deze paragraaf dat
zowel het leger als de Jandarma in het verleden betrokken zijn geweest bij
ontruiming van dorpen in Zuidoost-Turkije, waarvan er bij de ontruiming vele
zijn platgebrand.
2.2.2. In het in het besluit ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris
gewezen op verschillende verklaringen van de vreemdeling. Zo heeft de
vreemdeling verklaard dat hij in oktober 1994 beroepssergeant werd bij het
tweede leger van de landmacht en dat hij vice-commandant was over een
team met zo'n 35 tot 40 soldaten. Voorts heeft de vreemdeling verklaard dat
20150221 2/1/V3 7 8 September 2015
hij gestationeerd werd in Bayburt, boven de provincie Tunceli, en dat hij daar
soldaten heeft opgeleid ter voorbereiding op de strijd tegen de PKK. Hij is
naar eigen zeggen vervolgens van januari tot oktober 1995 naar de provincie
Tunceli uitgezonden om daar te strijden tegen de PKK. De vreemdeling heeft
verklaard dat hij wist waarvoor hij werd uitgezonden naar Tunceli en wat de
strijdkrachten daar deden en dat hij tot wel 60 dagen aaneensluitend in de
bergen heeft gezeten. Voorts heeft hij verklaard dat hij met zijn peloton
dorpen moest omsingelen, dat zij in de dorpen huiszoekingen hebben
verricht, dat hij aan gevechtsacties tegen strijders van de PKK heeft
deelgenomen en dat hij deze strijders gevangen heeft genomen en
overgebracht heeft naar militaire posten, vanwaar ze naar militaire
gevangenissen werden overgebracht.
2.3. Niet in geschil is dat de handelingen waarmee de vreemdeling in
verband wordt gebracht, misdrijven zijn als bedoeld in artikel 1(F).
2.4. De staatssecretaris heeft zich gelet op de informatie uit voormelde
openbare rapporten en het ambtsbericht terecht op het standpunt gesteld dat
alle Turkse veiligheidstroepen, waaronder het reguliere Turkse leger waar de
vreemdeling deel van uitmaakte, zich in de periode 1994-1995 in Zuidoost-
Turkije schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F).
Voorts heeft de staatssecretaris terecht betoogd dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat uit voormeld rapport van de UNHCR en het
ambtsbericht volgt dat slechts bijzondere eenheden zich hieraan schuldig
hebben gemaakt. Hij heeft in dat verband terecht aangevoerd dat uit de
enige door de rechtbank geciteerde zin uit het ambtsbericht niet kan worden
afgeleid dat het reguliere leger niet bij het geweld was betrokken en dat
bovendien in het ambtsbericht staat dat zowel het leger als de Jandarma
betrokken is geweest bij de ontruiming van dorpen in Zuidoost-Turkije. Gelet
op het voorgaande heeft de staatssecretaris eveneens terecht aangevoerd
dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet relevant is dat de
rapporten geen specifieke informatie over de interne organisatiestructuur van
het Turkse tweede leger en in het bijzonder de interne taakverdeling binnen
het legerkorps van de vreemdeling bieden, en dat de rechtbank ten onrechte
heeft overwogen dat hij een individueel ambtsbericht had dienen uit te
brengen.
Daarnaast heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de rechtbank de
onder 2.2.2. weergegeven verklaringen van de vreemdeling over zijn functie
en werkzaamheden onvoldoende bij haar oordeel heeft betrokken en in dat
verband ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling slechts de functie
had van sergeant, net boven een soldaat zonder rang. De staatssecretaris
heeft eveneens terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend
dat hij voor zijn standpunt dat aan de vreemdeling artikel 1 (F) kan worden
tegengeworpen voornoemde verklaringen heeft betrokken, zodat hieruit niet
de conclusie kan worden getrokken dat elke sergeant werkzaam in het
Turkse leger in 1995 in Zuidoost-Turkije zonder meer artikel 1 (F) kan worden
tegengeworpen.
2.5. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de onder 2.2.2. vermelde
verklaringen van de vreemdeling bezien in het licht van de informatie uit
voormelde rapporten, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling
201502212/1/V3 8 8 September 2015
gelet op zijn functie, de aard van zijn werkzaamheden en van de uit hoofde
daarvan onderhouden contacten wist dan wel had moeten weten van de
door het Turkse leger begane misdrijven in de periode 1994-1995 in
Zuidoost-Turkije en dat hij zelf die misdrijven moet hebben gepleegd, althans
deze heeft gefaciliteerd. Voorts heeft de staatssecretaris zich deugdelijk
gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaring van de vreemdeling
dat de Turkse veiligheidstroepen de burgers in Zuidoost-Turkije louter hebben
beschermd en dat hij heeft gehoord dat de PKK-strijders goed werden
behandeld, in het licht van de informatie die volgt uit de onder 2.2.
genoemde rapporten, niet tot een ander oordeel leidt. De staatssecretaris
heeft de vreemdeling derhalve terecht en deugdelijk gemotiveerd "knowing
and personal participation" in de zin van voormeld beleid tegengeworpen.
De grieven slagen.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak
dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris daartegen voor het
overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de
rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van
9 januari 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg
aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is
overwogen, nog moet worden beslist.
3. Aan het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod zijn de in
artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 bedoelde rechtsgevolgen
verbonden.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in
zaken nrs. 201204559/1 A/1 en 201 207753/1 A/1 (www.raadvanstate.nl)
volgt dat de vreemdeling derhalve geen belang heeft bij beoordeling van het
beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
4. Het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag
tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is
niet-ontvankelijk.
5. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat hetgeen de
vreemdeling. in beroep aanvoert over de verlening van een verblijfsvergunning
asiel voor bepaalde tijd, moet worden beoordeeld alsof dit deel uitmaakt van
zijn beroep tegen het inreisverbod.
6. De vreemdeling heeft ter zitting bij de rechtbank aangevoerd dat de
staatssecretaris in strijd met de goede procesorde pas op 1 december 2014
zijn verweerschrift heeft ingediend, zodat hij hier niet meer adequaat op
heeft kunnen reageren terwijl hij bovendien reeds in april 2014 zijn
beroepsgronden heeft ingediend.
6.1. Uit de stukken volgt dat het verweerschrift op 1 december 2014 en
daarmee buiten de in artikel 8:42 van de Awb gestelde termijn is ingediend.
De in artikel 8:42, eerste lid, genoemde termijn betreft een termijn van orde.
Alhoewel de staatssecretaris het verweerschrift niet tijdig heeft ingezonden,
ziet de Afdeling, mede nu de wet hieraan geen consequenties verbindt en nu
201502212/1/V3 9 8 September 2015
de vreemdeling nog op 28 november 2014 nadere beroepsgronden heeft
ingediend, geen aanleiding voor het oordeel dat de vreemdeling door de late
ontvangst van het verweerschrift is belemmerd om daarop adequaat te
reageren of een goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is
belemmerd. Daarbij is betrokken dat dit stuk dient ter nadere onderbouwing
van het eerder door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat aan de
vreemdeling artikel 1 (F) kan worden tegengeworpen. Ook is dit stuk niet van
een zodanige omvang dat om die reden een zinvolle behandeling ter zitting
niet zonder uitstel kon plaatsvinden.
De beroepsgrond faalt.
7. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij heeft gehandeld op
bevel van een meerdere. Daartoe voert hij aan, onder verwijzing naar het
rapport 'Research note: Resettlement and reconstruction of identity: the case
of the Kurds in Turkey' van J. Jongerden van 1 September 2001 (hierna: de
Research note), dat zijn werkzaamheden waren gebaseerd op Turkse
wetgeving. Daarbij wijst de vreemdeling op de volgende passage: "[...] Kurds
were dispersed thinly so they could not constitute more than 10 percent of
the population of any district to which they were deported. According to
Bedirxan (1997), the law dictated that the deported non-Turkish population
was not allowed to settle in villages." Verder heeft hij aangevoerd dat hij
geen kennis had van de onwettigheid van de bevelen en dat de door hem
uitgevoerde taken geen aanleiding geven voor de conclusie dat deze bevelen
onmiskenbaar onwettig waren.
7.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de
vreemdeling niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van
artikel 33 van het Statuut, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij
wettelijk .verplicht was het bevel op te volgen, geen kennis had van het feit
dat het bevel onwettig was en dat het bevel niet onmiskenbaar onwettig
was.
7.2. Uit de door de vreemdeling aangehaalde passage uit de
Research note volgt niet dat de misdrijven waarmee hij in verband is
gebracht op bevel zijn gepleegd en hij wettelijk verplicht was deze op te
volgen. Hieruit volgt slechts dat de wet voorschreef dat gedeporteerde niet-
Turkse burgers zich niet in steden mochten vestigen. Reeds hierom is, zoals
de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, niet voldaan aan de
cumulatieve vereisten van artikel 33 van het Statuut, zodat de beroepsgrond
faalt.
8. De vreemdeling heeft daarnaast tegen het hem uitgevaardigde
inreisverbod aangevoerd dat dit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(hierna: het EVRM). Daartoe betoogt hij dat de staatssecretaris geen
rekening heeft gehouden met zijn door artikel 8 van het EVRM beschermde
priveleven. In dat verband voert hij aan dat hij al enkele jaren een bedrijf
heeft in Nederland en derhalve economisch zelfstandig is, maar dat hij niet
eerder een verblijfsvergunning asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wilde
dat de Turkse autoriteiten achter zijn verblijfplaats zouden komen.
201502212/1/V3 10 8 September 2015
8.1. Ingevolge artikel 8 van het EVRM heeft, voor zover thans van
belang, een ieder recht op respect voor zijn priveleven.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig
openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij
de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in
het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het
economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of
voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
8.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij in 2002
Nederland is ingereisd en sinds 2006 meerdere malen een aanvraag om een
verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend teneinde hier
te lande 'arbeid als zelfstandige' te kunnen verrichten. Deze aanvragen zijn
afgewezen. De vreemdeling heeft derhalve nimmer rechtmatig verblijf in
Nederland gehad en heeft nimmer beschikt over een verblijfstitel die hem
feitelijk tot het uitoefenen van priveleven in staat stelde. Voorts zijn de door
de vreemdeling naar voren gebrachte feiten niet zodanig bijzonder dat op
grand daarvan uit het recht op respect voor het priveleven van de
vreemdeling de verplichting voor de staatssecretaris voortvloeit om af te zien
van het uitvaardigen van het inreisverbod. Gelet op het voorgaande heeft de
staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen
sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het priveleven,
bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De enkele stelling van de vreemdeling dat
hij niet eerder een verblijfsvergunning heeft aangevraagd omdat hij niet wilde
dat de Turkse autoriteiten achter zijn verblijfplaats zouden komen, leidt niet
tot een ander oordeel nu dit voor zijn rekening en risico komt.
De beroepsgrond faalt.
9. Voorts heeft de vreemdeling tegen het hem uitgevaardigde
inreisverbod aangevoerd dat dit in strijd is met artikel 6.5, tweede lid,
onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). Daartoe
voert hij aan dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en als zelfstandige
werkt en dat bovendien geen rekening is gehouden met het feit dat hij door
zijn grensdetentie en de tegenwerping van artikel 1 (F) niet aan zijn
betaalverplichtingen die voortvloeien uit die werkzaamheden heeft kunnen
voldoen.
9.1. Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het
Vb 2000, wordt tegen een vreemdeling geen inreisverbod uitgevaardigd
indien deze in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van
Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de
ontwikkeling van de Associate, of niet wordt uitgezet om reden dat diens
uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 September 1963 te Ankara, gesloten
Overeenkomst waarbij een associate tot stand wordt gebracht tussen de
Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op
23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die
overeenkomst (Trb. 1971, 70) of genoemd Besluit nr. 1/80. Ingevolge het
vierde lid kan van het eerste tot en met derde lid worden afgeweken ingeval
de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare
veiligheid of de nationale veiligheid.
201 502212/1 A/3 11 8 September 2015
9.2. Nu uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling
terecht artikel 1(F) heeft tegengeworpen en zich terecht op het standpunt
heeft gesteld dat grond bestaat om de aanvraag van de vreemdeling om een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 31,
eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder k, van
de Vw 2000 af te wijzen, faalt de beroepsgrond reeds hierom.
10. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is
ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
201 502212/1 A/3 12 8 September 201 5
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
Amsterdam, van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/3475;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen
de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;
IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen
het inreisverbod, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en
mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Nienhuis
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 September 2015
466-759.
Verzonden: 8 September 2015