You are on page 1of 1

Nederlands – les 2

Tellen, cijfers en getallen.

0 (nul) 1 (een) 2 (twee) 3 (drie) 4 (vier) 5 (vijf)


6 (zes) 7 (zeven) 8 (acht) 9 (negen) 10 (tien) 11 (elf)
12 (twaalf) 13 (dertien) 14 (veertien) 15 (vijftien) 16 (zestien) 17 (zeventien)
18 (achttien) 19 (negentien) 20 (twintig) 21 (eenentwintig) 22 (tweeëntwintig) …

Zinnen:

Ik kijk televisie. (kijken  _______ )

Maria leest een boek. (Maria: zij) (lezen _________ )

Julia loopt buiten. (lopen  _______ )

Marco zit binnen. (Marco: hij) (zitten  _______ )

Hans leert Nederlands. (leren  ________ )

Lana spreekt Nederlands. (spreken  _________ )

Domithilla da F. Melo, profa. de alemão, inglês e holandês.


- Acompanhe o meu trabalho nas redes sociais:
Instagram: @hoidomi & Facebook: Hoi, Domi