You are on page 1of 11

Waarom Yuri van Gelder van geluk mag spreken dat hij tijdens de

Nederlandse Kampioenschappen is “betrapt”.

Is Yuri van Gelder eigenlijk wel betrapt op het gebruik van cocaïne?
Volgens de feiten in de uitspraak van de KNGU Tuchtcommissie wel: “Na
analyse van het urinemonster is aangetoond dat zowel in het A-deel als het B-
deel cocaïne en methylecgonine (afbraakproduct van cocaïne) is
aangetroffen”. Het urinemonster van Van Gelder is dus geanalyseerd en
positief bevonden. Echter, in plaats van de gebruikelijke twee jaar uitsluiting
voor het gebruik van cocaïne heeft Van Gelder slechts één jaar uitsluiting
opgelegd gekregen, omdat hij klaarblijkelijk een bekentenis heeft afgelegd
nog vóórdat hij betrapt werd op het gebruik van deze verboden stof. Mede
op grond van deze bekentenis kwam de KNGU Tuchtcommissie uiteindelijk tot
de conclusie dat de uitsluiting van Van Gelder verkort kon worden tot één
jaar in plaats van de twee jaar die staan voorgeschreven in het KNGU
Dopingreglement (hierna “KNGU DR”). Maar is het eigenlijk niet merkwaardig
dat iemand die betrapt is, aanspraak kan maken op een uitsluitingsverkorting
door het afleggen van een bekentenis vóórdat hij betrapt werd? Iemand die
vrijwillig bekend een dopingovertreding te hebben begaan hoeft toch
eigenlijk niet meer getest dan wel betrapt te worden? Zo niet in het geval van
Van Gelder; hij heeft nog nádat hij is gecontroleerd op doping een
bekentenis kunnen afleggen die zijn uitsluiting heeft verkort. In het vervolg van
dit artikel zal ik uiteenzetten dat onder de internationale anti-doping regels
Van Gelder niet had hoeven rekenen op een dergelijke uitsluitingsverkorting
en dat hij daarom blij mag zijn dat hij tijdens een toernooi georganiseerd
onder de auspiciën van de KNGU is getest.

1. Uitsluiting voor het gebruik van cocaïne

Het gebruik van cocaïne binnen competitieverband dient volgens het KNGU
DR gesanctioneerd te worden met een uitsluiting van twee jaar:

Artikel 4.1.01 van het KNGU DR schrijft:

1)“De aanwezigheid van een verboden stof en/of een verboden methode, de afbraakproducten
daarvan en/of markers in een monster van een sporter vormt een overtreding van dit reglement.”

Artikel 4.8.02 van het KNGU DR schrijft:

“De periode van uitsluiting die wordt opgelegd voor een overtreding van artikel 4.1.01, artikel 4.1.02
of artikel 4.1.06, bedraagt bij een eerste overtreding een periode van twee jaar, tenzij:
a. aan de in artikel 4.8.03, artikel 4.8.04, artikel 4.8.05 en/of artikel 4.8.06 bedoelde
voorwaarden voor het reduceren van de sanctieperiode wordt voldaan;”
b. aan de in artikel 4.8.07 bedoelde voorwaarden voor het verlengen van de sanctieperiode
wordt voldaan.

Artikel 4.1.01 van het KNGU DR verbiedt dus de aanwezigheid van een
verboden stof in het lichaam van een sporter. Cocaïne is een dergelijke
verboden stof1 en zal daardoor in beginsel worden gesanctioneerd met een
uitsluiting van twee jaar, tenzij er een grond bestaat voor uitsluitingsverkorting.
Zoals op te maken valt uit de tekst van artikel 4.8.02 KNGU DR, gaat het KNGU
DR uit van een gesloten systeem van uitsluitingsverkortingsgronden, wat wil
zeggen dat verkorting van de uitsluiting alleen kan worden toegepast als er
sprake is van een uitsluitingsverkortingsgrond opgenomen in het KNGU DR.
Volgens artikel 4.8.02 KNGU DR zijn er drie2 gronden waarop een uitsluiting
met betrekking tot het gebruik van een verboden stof als cocaïne kan
worden verkort:

1) Geen schuld of nalatigheid (artikel 4.8.04 KNGU DR)


2) Geen aanmerkelijke schuld of nalatigheid (Artikel 4.8.05 KNGU DR)
3) Bekentenis voorafgaand aan een dopingzaak. (Artikel 4.8.06 KNGU DR)

Aangezien Van Gelder bewust cocaïne tot zich heeft genomen en er dus wel
degelijk sprake is van aanmerkelijke schuld, komt Van Gelder niet in
aanmerking voor een uitsluitingsverkorting op grond van de eerste twee
uitsluitingsverkortingsgronden. Ik zal mij daarom specifiek op de derde
uitsluitingsverkortingsgrond richten die, in casu, ook daadwerkelijk heeft
geleid tot de halvering van de uitsluiting, de zogenaamde “bekentenis
voorafgaand aan een dopingzaak” uit artikel 4.8.06 KNGU DR. Echter,
voordat er dieper wordt ingegaan op de “bekentenis voorafgaand aan een
dopingzaak” zullen eerst de feiten uit de zaak Van Gelder worden
samengevat en de hoofdpunten van het vonnis worden aangestipt.

1
WADA Prohibited List 2009 under S6(a) Non specified stimulants:
Adrafinil; amfepramone; amiphenazole; amphetamine; amphetaminil; benzphetamine;
benzylpiperazine; bromantan; clobenzorex; cocaine; cropropamide; crotetamide;
dimethylamphetamine; etilamphetamine; famprofazone; fencamine; fenetylline;
fenfluramine; fenproporex; furfenorex; mefenorex; mephentermine; mesocarb;
methamphetamine(D-); methylenedioxyamphetamine; methylenedioxymethamphetamine;
p-methylamphetamine; modafinil; norfenfluramine; phendimetrazine; phenmetrazine;
phentermine; 4-phenylpiracetam (carphedon); prolintane. A stimulant not expressly listed in
this section is a Specified Substance.
2 De uitsluitingsverkortingsgrond van artikel 6.8.03 wordt hier niet nader genoemd omdat deze

uitsluitingsverkortingsgrond enkel ziet op de aanwezigheid van verboden middelen die in de


WADA Prohibited List zijn aangeduid als de zogenaamde “specified substances”. Cocaïne
valt niet onder de “specified substances”.
2. De uitspraak in de zaak Van Gelder

Volgens de uitspraak van de KNGU Tuchtcommissie werd Van Gelder op 21


juni 2009 onderworpen aan een dopingcontrole binnen wedstrijdverband,
een dopingcontrole waar, anders dan bij dopingcontroles buiten
wedstrijdverband, ook op de aanwezigheid van cocaïne wordt
gecontroleerd. Twee dagen na de afname van het urinemonster, op 23 juni
2009, heeft Van Gelder ten overstaan van de bondsarts verklaard dat hij op
18 juni 2009 cocaïne had gebruikt. Deze verklaring is naar de Nederlandse
Dopingautoriteit verzonden die de verklaring aanmerkte als een bekentenis in
de zin van artikel 4.8.06 KNGU DR, betekenend dat er een bekentenis tot
stand is gekomen voorafgaand aan een dopingzaak, die kan leiden tot
uitsluitingsverkorting. Paragraaf 2.2 van de uitspraak van de KNGU
Tuchtcommissie luidt:

“(….) De door Van Gelder op schrift gestelde verklaring, die mede is ondertekend door de bondsarts
is verzonden naar de Dopingautoriteit en deze is door de Dopingautoriteit aangemerkt als een
bekentenis als bedoeld van artikel 4.8.06 van het Dopingreglement van de KNGU.”

Vervolgens overweegt de KNGU Tuchtcommissie in paragraaf 4.6 het


volgende:

“Uit de feiten volgt dat de schriftelijke bekentenis van Van Gelder voldoet aan de vereisten van artikel
4.08.06 van het Dopingreglement en artikel 42 van het NDR3, omdat hij is afgelegd voorafgaand aan
kennisgeving inzake een mogelijke dopingzaak door de Dopingautoriteit en die bekentenis op dat
moment het enige betrouwbare bewijs vormde.”

De KNGU Tuchtcommissie analyseert vervolgens óf, op grond van deze


bekentenis, de Tuchtcommissie aanleiding ziet om de periode van uitsluiting
te verkorten:

“Aan de orde is de vraag of de Tuchtcommissie op grond van die bekentenis aanleiding ziet om de
periode van uitsluiting van twee jaar te verkorten tot één jaar, zoals verzocht door zowel de KNGU en
Van Gelder. De Tuchtcommissie ziet aanleiding tot toepassing van reductie van de sanctieperiode en
overweegt daartoe als volgt.

De Tuchtcommissie wil voorop stellen dat zij het een ernstige zaak vindt dat een topsporter met een
staat van dienst als Van Gelder kennelijk al geruime tijd met een cocaïneafhankelijkheid heeft te
kampen. Van Gelder heeft ter zitting verklaard dat het gebruik in 2006 is begonnen, hij het gebruik
naar verloop van tijd niet meer in de hand had en tot voor kort geregeld twee maal per week

3Nationaal Dopingreglement; het Anti-Doping Reglement dat is opgesteld door de


Nederlandse Dopingautoriteit en waarvan het de bedoeling is dat alle sportbonden deze
implementeren. Artikel 42 van het NDR is gelijkluidend aan artikel 4.8.06 KNGU DR.
gebruikte. Niettemin heeft hij niet eerder deskundige hulp gezocht en pas na de dopingcontrole op 21
juni 2009 is hij zich bewust geworden van het feit dat hij een probleem heeft, waarvoor behandeling
noodzakelijk is. De omstandigheid dat hij nu wel een behandeling ondergaat in een buitenlandse
kliniek en dat de behandeling daarna nog in Nederland zal worden voortgezet, merkt de
Tuchtcommissie niet zonder meer aan als een verzachtende omstandigheid in het kader van de
bepaling van de sanctieduur. Dat geldt evenmin voor het feit dat Van Gelder is ontslagen als militair
ambtenaar bij Defensie. Zoals hij ter zitting heeft opgemerkt, was Van Gelder op de hoogte van het
zero tolerance beleid van zijn werkgever wat betreft drugsgebruik. Niet alleen deze keer, maar al die
keren ervoor, heeft Van Gelder dus het risico genomen dat hem dat zijn baan zou kosten en zijn
sportcarrière zou kunnen schaden. Dat hij door het verlies van zijn baan en de opgelegde maatregel
zonder inkomsten dreigt te raken en als gevolg daarvan enkele financiële verplichtingen niet meer kan
nakomen (gesteld is dat hij zijn huis zal moeten verkopen) is een logisch gevolg van zijn gedrag en het
door hem genomen risico. In deze omstandigheden ziet de Tuchtcommissie dan ook op zichzelf geen
aanleiding om tot verkorting van de periode van uitsluiting over te gaan. Wel neemt de
Tuchtcommissie in aanmerking het feit dat cocaïne geen prestatieverhogend middel is, maar wellicht
zelfs –zoals van Gelder ter zitting heeft opgemerkt – zijn lichaam schade berokkende en zijn
sportprestatie eerder negatief beïnvloedde.

Daarnaast is de Tuchtcommissie even als Van Gelder en de KNGU van mening dat de door van
Gelder afgelegde bekentenis, en met name de publieke bekentenis aan deze zaak een bijzondere
betekenis geeft. Na eerst zijn werkgever te hebben geïnformeerd, heeft Van Gelder door middel van
het afleggen van een persverklaring een bekentenis afgelegd ten overstaan van diverse media in
Nederland, en vervolgens vragen van journalisten beantwoord. Het cocaïnegebruik door Van Gelder
heeft veel aandacht in de media gehad en die aandacht is er nog steeds, zowel in de nationale als de
internationale media. Met zijn publieke bekentenis heeft Van Gelder een positief voorbeeld gesteld aan
actieve topsporters, om gebruik van verboden middelen en zo snel mogelijk hulp te zoeken. Immers,
gewoonlijk blijven sporters die worden geconfronteerd met positieve dopingtesten, het gebruik van
verboden middelen ontkennen, ook als dat tegen beter weten in lijkt te zijn. Van Gelder heeft in
overleg met de KNGU toegezegd na afronding van het traject in de buitenlandse ontwenningskliniek,
niet alleen in Nederland zijn eigen behandeling voort te zetten, maar zich ook te zullen inzetten om
andere sporters bewust te maken van de gevaren van drugs- en dopinggebruik.

Overwegende de publieke bekentenis, de aandacht van de nationale en


internationale media en dat cocaïne geen prestatieverhogend middel is,
beslist de KNGU Tuchtcommissie uiteindelijk dus dat:

“Gelet op alle omstandigheden en in het bijzonder gelet op de door Van Gelder afgelegde publieke
bekentenis, acht de Tuchtcommissie in dit specifieke geval de periode van uitsluiting tot het in het
Dopingreglement gegeven minimum passend.”

In het midden latend of de redenering van de KNGU Tuchtcommissie correct


danwel rechtvaardig is, dient het benadrukt te worden dat de uiteindelijke
grondslag voor de verkorting van de uitsluiting de “bekentenis voorafgaand
aan een dopingzaak” is en niet de overige overwegingen van de KNGU
Tuchtcommissie, zoals de publiekelijk afgelegde bekentenis of dat de KNGU
Tuchtcommissie cocaïne geen prestatieverhogend middel vindt. Deze
overwegingen worden enkel opgesomd, omdat de KNGU Tuchtcommissie de
op te leggen straf bij een bekentenis voorafgaand aan een dopingzaak kan
verkorten en de KNGU Tuchtcommissie dus een afweging maakt voordat het
daadwerkelijk de uitsluitingsverkorting toepast. De “bekentenis voorafgaand
aan een dopingzaak” uit artikel 4.8.06 is dus de enige legitieme grondslag
voor de verkorting van de uitsluitingsperiode.

3. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de KNGU

Voor de volledigheid dient het opgemerkt te worden dat de Nederlandse


Dopingautoriteit beroep aantekende tegen de uitspraak van de KNGU
Tuchtcommissie en dat recent de Commissie van Beroep van de Koninklijke
Nederlandse Gymnastiek Unie uitspraak heeft gedaan in deze. Het beroep
van de Nederlandse Dopingautoriteit was echter niet gericht tegen de
opgelegde uitsluiting, maar tegen overweging 4.8 van de uitspraak van de
KNGU Tuchtcommissie waarin de KNGU Tuchtcommissie het volgende
opmerkte: “wel neemt de Tuchtcommissie in aanmerking dat cocaïne geen
prestatieverhogend middel is”. De Commissie van Beroep van de Koninklijke
Nederlandse Gymnastiek Unie stelde in haar uitspraak vervolgens dat
cocaïne op de dopinglijst staat en dat krachtens het dopingreglement de
eventuele prestatieverhogende werking van het middel niet relevant is voor
de beoordeling van een dopingzaak, tenzij het reglement nadrukkelijk anders
bepaalt. Nu dit niet het geval is oordeelde de Commissie van Beroep van de
Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie dat de zinsnede “wel neemt de
Tuchtcommissie in aanmerking dat cocaïne geen prestatieverhogend middel
is”, uit de uitspraak van de KNGU Tuchtcommissie geschrapt diende te
worden. Voor het overige bleef de uitspraak intact. In de volgende
paragraaf zal de “bekentenis voorafgaand aan een dopingzaak” nader
tegen het licht worden gehouden.

4. De bekentenis voorafgaand aan een dopingzaak

Artikel 4.8.06 KNGU DR schrijft aan welke voorwaarden moet worden voldaan
wil een bekentenis worden aangemerkt als een “bekentenis voorafgaand
aan een dopingzaak”:

“Indien:
a. een aangeslotene, hetzij voorafgaand aan het door hem kennisnemen van een bij hem uit te voeren
dopingcontrole die kan leiden tot constatering van een overtreding van dit reglement, hetzij
voorafgaand aan kennisgeving inzake een mogelijke dopingzaak door de Dopingautoriteit, de Bond,
de internationale federatie en/of een buitenlandse nationale sportbond of NADO, vrijwillig bekent een
overtreding als genoemd in Hoofdstuk 4.1 te hebben begaan, en
b. deze bekentenis op dat moment het enige betrouwbare bewijs is van bedoelde overtreding,

kan de op te leggen periode van uitsluiting worden verkort, doch niet minder bedragen dan de helft
van de zonder deze bekentenis van toepassing zijnde periode.”

Als we de voorwaarde onder A analyseren in samenhang met de feiten


uit de Van Gelder uitspraak, dan lijkt de logica ver te zoeken. Volgens de
logica van artikel 4.8.06 KNGU DR heft de tweede “hetzij” namelijk de
betekenis van de eerste “hetzij” op; immers, volgens het feitenverloop in de
Van Gelder uitspraak en de interpretatie van artikel 4.08.06 kan een atleet
kennelijk ná de dopingcontrole maar nog vóór de kennisneming inzake een
mogelijke dopingzaak nog steeds “vrijwillig” bekennen een
dopingovertreding te hebben begaan, waardoor zijn uitsluiting verkort kan
worden. Kijkend naar de tekst van artikel 4.8.06 had de eerste zinsnede dan
ook achterwege kunnen blijven omdat “voorafgaand aan het door hem
kennisnemen van een bij hem uit te voeren dopingcontrole” altijd voorafgaat
aan een “kennisgeving inzake een mogelijk dopingzaak”. Dit blijkt ook uit de
zaak Van Gelder; de eerste “hetzij” is kennelijk niet van toepassing, omdat op
het moment dat Van Gelder zijn bekentenis deed, Van Gelder niet alleen
kennis had genomen van een bij hem uit te voeren dopingcontrole, maar dat
van Gelder al daadwerkelijk de dopingcontrole had ondergaan! Het is
daarom alleen mogelijk dat de bekentenis van Van Gelder is aangemerkt als
een bekentenis “voorafgaand aan kennisgeving inzake een mogelijke dopingzaak door de
Dopingautoriteit, de Bond, de internationale federatie en/of een buitenlandse nationale sportbond of
NADO, vrijwillig bekent een overtreding te hebben gedaan en deze bekentenis op dat moment het
enige betrouwbare bewijs is van bedoelde overtreding”.
Echter het is natuurlijk zo dat wanneer een sporter heeft
kennisgenomen van een dopingcontrole, of al daadwerkelijk een
dopingcontrole heeft ondergaan, er altijd sprake is van een mogelijke
dopingzaak, ongeacht het resultaat van de dopingcontrole. Het feit dat er
een dopingcontrole heeft plaatsgevonden impliceert dat het mogelijk is dat
er doping gevonden kan worden. In de zaak Van Gelder was dat zeker het
geval. Dat de zinsnede van artikel 4.08.06 in het KNGU DR enigszins
merkwaardig is, blijkt wel wanneer we kijken naar het internationale
equivalent van het artikel, zoals opgenomen in de WADA Code en het Anti-
Doping Reglement van de FIG4 (Hierna “FIG-Reglement”). Beide hanteren
een andere artikelstructuur waardoor een bekentenis zoals gegeven door
Van Gelder niet als een “bekentenis voorafgaand aan een dopingzaak” had
kunnen worden aangemerkt. Het equivalent van artikel 4.8.06 in de WADA-
Code is artikel 10.5.4:

4 Fédération Internationale de Gymnastique


“Admission of an Anti-Doping Rule Violation in the Absence of Other Evidence Where an Athlete or
other Person voluntarily admits the commission of an anti-doping rule violation before having
received notice of a Sample collection which could establish an anti-doping rule violation (or, in the
case of an anti-doping rule violation other than Article 2.1 before receiving first notice of the admitted
violation pursuant to Article 7) and that admission is the only reliable evidence of the violation at the
time of admission, then the period of Ineligibility may be reduced, but not below one-half of the period
of Ineligibility otherwise applicable.”

Er is een significant verschil tussen de WADA-Code/FIG-Reglement en


het KNGU DR; onder de WADA-Code/FIG-Reglement kan in het geval van
cocaïne-gebruik, wat een overtreding van artikel 2.1 is, enkel en alleen een
uitsluitingsverkorting plaatsvinden wanneer: “an Athlete or other Person voluntarily
admits the commission of an anti-doping rule violation before having received notice of a Sample
collection which could establish an anti-doping rule violation and that admission is the only reliable
evidence of the violation at the time of admission”. Immers, in dit artikel van de WADA-
Code wordt de aanwezigheid van cocaïne in het lichaam van een sporter
(artikel 2.1) expliciet uitgesloten van de mogelijkheid die de tweede “hetzij” in
het KNGU DR biedt. Het gedeelte tussen haakjes in de WADA-Code geldt
alleen voor andere overtredingen dan de aanwezigheid van een verboden
stof in het lichaam van een sporter, zoals het verhandelen of toedienen van
verboden stoffen. Volgens de WADA-Code/FIG-Reglement kan dus bij het
gebruik van cocaïne een bekentenis alleen tot uitsluitingsverkorting leiden
wanneer een sporter vrijwillig een bekentenis aflegt vóór kennisneming van
een bij hem uit te voeren dopingcontrole. Dit is ook niet meer dan logisch;
uitsluitingsverkortingen op grond van artikel 10.5.4 zijn niet bedoeld voor die
sporters die nádat ze een dopingcontrole hebben ondergaan en denken
betrapt te zijn, maar nog vóórdat ze de uitslag hebben gekregen van de
dopingcontrole, snel even “vrijwillig” een bekentenis afleggen om er met een
relatief kortere straf vanaf te komen. Dit wordt overigens ook benadrukt in het
commentaar bij artikel 10.5.4 dat expliciet is opgenomen in de WADA-Code.
Het commentaar op artikel 10.5.4 In de WADA Code schrijft:

“This Article is intended to apply when an Athlete or other Person comes forward and admits to an
anti-doping rule violation in circumstances where no Anti-Doping Organization is aware that an anti-
doping rule violation might have been committed. It is not intended to apply to circumstances where
the admission occurs after the Athlete or other Person believes he or she is about to be caught”.

Het “probleem” zit hem dus in het feit dat de zinsnede tussen haakjes in
artikel 2.1 van de WADA Code onvolledig is geïmplementeerd in artikel 4.8.06
KNGU DR; het gedeelte uit artikel 10.5.4 WADC “or, in the case of an anti-
doping rule violation other than Article 2.1” is niet geïmplementeerd in het
KNGU DR. Hierdoor heeft Van Gelder kunnen profiteren van een
uitsluitingsverkorting die hem onder de internationale anti-doping regels niet
zou worden toegekend. Was Van Gelder gecontroleerd tijdens een toernooi
georganiseerd door de FIG en, dus, een toernooi waarop het FIG Reglement
van toepassing is, dan had Van Gelders bekentenis niet tot
uitsluitingsverkorting geleid. Artikel 10.5.4 van de FIG Anti-Doping Rules leest
namelijk hetzelfde als artikel 10.5.4 van de WADA Code:

“ Admission of an Anti-Doping Rule Violation in the Absence of Other Evidence Where a Gymnast or
other Person voluntarily admits the commission of an anti-doping rule violation before having
received notice of a Sample collection which could establish an anti-doping rule violation (or, in the
case of an anti-doping rule violation other than Article 2.1, before receiving first notice of the
admitted violation pursuant to Article 7) and that admission is the only reliable evidence of the
violation at the time of admission, then the period of Ineligibility may be reduced, but not below
one-half of the period of Ineligibility otherwise applicable.

Comment to Article 10.5.4: This Article is intended to apply when a Gymnast or other Person comes
forward and admits to an anti-doping rule violation in circumstances where no Anti-Doping
Organization is aware that an anti-doping rule violation might have been committed. It is not intended
to apply to circumstances where the admission occurs after the Gymnast or other Person knows he or
she is about to be caught.”

In dit kader is het ook interessant om te kijken naar de argumentatie in de


uitspraak van de KNGU Tuchtcommissie: “Van Gelder heeft ter zitting verklaard dat het
gebruik in 2006 is begonnen, hij het verbruik naar verloop van tijd niet meer in de hand had en tot
voor kort geregeld twee maal in de week gebruikte Niettemin heeft hij niet eerder deskundige hulp
gezocht en pas na de dopingcontrole op 21 juni 2009 is hij zich bewust geworden van het feit dat hij
een probleem heeft, waarvoor behandeling noodzakelijk is.” Deze conclusie in mijn inziens
onjuist. Natuurlijk is het niet zo dat Van Gelder na de dopingcontrole op 21
juni 2009 zich er van bewust werd dat hij een probleem had waarvoor
behandeling noodzakelijk is, maar werd Van Gelder zich er enkel van bewust
dat hij betrapt was. Dit is dus onverenigbaar met het commentaar van artikel
10.5.4.

Al met al kan de interpretatie die de Nationale Dopingautoriteit en de KNGU


Tuchtcommissie hebben aangehangen gerechtvaardigd worden als we
kijken naar de letterlijke tekst van artikel 4.8.06. Beide zijn gebonden aan de
tekst van de KNGU DR en zullen deze slechts moeten toepassen, maar
ontegenzeggelijk hebben zij beide een interpretatie aangehangen die
gunstig was voor Van Gelder. Het moge duidelijk zijn dat wanneer Van
Gelder zou zijn betrapt bij een toernooi georganiseerd onder de auspiciën
van de FIG, Van Gelder geen aanspraak zou maken op een
uitsluitingsverkorting omdat het relevante artikel in de FIG Reglement geen
ruimte voor interpretatie biedt. Toch valt er ook een kanttekening te plaatsen
of de interpretatie van artikel 4.08.06 niet in overeenstemming met de WADA-
code of het FIG Reglement zou kunnen en moeten worden toegepast.

5. Was er een andere interpretatie mogelijk op grond van het KNGU DR?

Mijn inziens was een andere interpretatie mogelijk dan wel wenselijk geweest.
Als we kijken naar de WADA-Code dan volgt uit artikel 23.2.2 dat artikel 10.5.4
niet substantieel kan worden aangepast in het reglement van een Nationale
Anti-Doping Organisatie:
“The following Articles (and corresponding Comments) as applicable to the scope of the anti-doping
activity which the Anti-Doping Organization performs must be implemented by Signatories without
substantive change:
- (…)
- Article 10 (Sanctions on Individuals)
- (…)”

De WADA bepaalt dus dat artikel 10, en het commentaar op artikel 10,
zonder significante wijzigingen dienen te worden overgenomen in het
National Anti-Doping Reglement. Het is overduidelijk dat in het KNGU DR en
het NDR er wel een significante wijziging tot stand is gekomen die afwijkt van
de norm uit de WADA-Code. Het dient echter ook vermeld te worden dat the
Court of Arbitration for Sport in één van haar vonnissen reeds heeft bepaald
dat de WADA-Code niet direct toepasbaar op een individuele sporter en dat
de WADA-Code dus geïmplementeerd dient te worden door een
(inter)nationale federatie:

“It is stated in the introduction to Part 1 of the WADA Code, that the WADA Code “does not replace,
or eliminate the need for, comprehensive anti-doping rules adopted by” organizations such as the
IAAF. The WADA Code does not apply as between a signatory organization and its members, unless
the signatory organization has expressly incorporated the WADA Code into its own relevant rules.
Even though some provisions of the WADA Code have been incorporated into the 2006 IAAF Rules,
the WADA Code as a whole has not been expressly incorporated. Therefore, the WADA Code is not
directly applicable to this case.”5

De WADA-Code is dus niet rechtstreeks van toepassing op sporters in


het algemeen en Van Gelder in het bijzonder, omdat er geen
verenigingsrechtelijke relatie bestaat tussen WADA en Van Gelder; dit is ook
niet meer dan logisch daar een sporter geen lid kan worden van WADA en
dus niet rechtstreeks gebonden is aan WADA’s statuten, reglementen of
besluiten. De WADA-Code dient dus door federaties te worden
geïmplementeerd in een “eigen” anti-doping reglement zodat sporters, door
middel van hun lidmaatschap bij een federatie, zijn gebonden aan de
statuten, reglementen en besluiten van de betreffende federatie, waaronder
dus het anti-doping reglement. Het FIG Reglement is, in dit geval, eveneens
niet direct van toepassing op Van Gelder omdat de Nederlandse
Kampioenschappen werden georganiseerd onder de auspiciën van de
KNGU en daardoor het KNGU DR van toepassing was. Het KNGU DR herbergt
echter wel een zeer relevante verwijzing naar de WADA-Code; artikel 4.11.03
van het KNGU DR schrijft:

“In relevante gevallen geschiedt interpretatie van dit reglement aan de hand van de Engelstalige tekst
van de ten tijde van de dopingcontrole van kracht zijnde World Anti-Doping Code en/of International
Standard(s).”

5
CAS 2008/A/1461 Justin Gatlin v. United States Anti-Doping Agency (USADA) & CAS
2008/A/1462 IAAF v. USA Track & Field (USATF) & Justin Gatlin
Dit artikel refereert naar de WADA-Code wanneer het KNGU DR
geïnterpreteerd dient te worden. Het KNGU DR geeft dus aan dat de
bepalingen uit de WADA-Code wel degelijk relevant zijn voor de uitleg van
het KNGU DR. Artikel 4.8.06 is mijn inziens bij uitstek een artikel die een WADA-
interpretatie had kunnen gebruiken, omdat de inhoud van het artikel
tegenstrijdig is. Is het niet juist in een dergelijke situatie dat er behoefte is aan
interpretatie? Het was mijn inziens mogelijk en wenselijk geweest de
bekentenis te interpreteren in overeenstemming met de internationale
normen; immers na afname van een dopingcontrole is er altijd sprake van
een mogelijke dopingzaak en de stimulering voor sporters om uit zichzelf een
bekentenis af te leggen moet niet verward worden met een sporter die
gebruik maakt van deze grond nadat hij zich er van bewust is geworden dat
hij is betrapt. De zinsnede “voorafgaand aan het door hem kennisnemen van een bij hem
uit te voeren dopingcontrole die kan leiden tot constatering van een overtreding van dit
reglement” impliceert toch dat indien een sporter wel kennis heeft genomen
van een bij hem uit te voeren dopingcontrole een sporter geen vrijwillige
bekentenis meer kan afleggen die recht geeft op uitsluitingsverkorting?

6. Conclusie

Van Gelder heeft kunnen profiteren van een omissie in de Nederlandse Anti-
Doping Reglementen en een, voor hem, gunstige interpretatie van de
onvolledig geïmplementeerde uitsluitingsverkortingsgrond. Indien de WADA-
Code of het FIG-Reglement compleet was geïmplementeerd of indien Van
Gelder was betrapt in een wedstrijd georganiseerd onder de auspiciën van
het FIG, dan was de schorsing van Van Gelder naar niet verkort van twee
naar één jaar. De KNGU Tuchtcommissie en de Nederlandse Dopingautoriteit
hebben in principe niet verkeerd gehandeld door de, op Van Gelder als
Nederlandse turner, correcte regels toe te passen en een interpretatie van
artikel 4.8.06 aan te hangen die, kijkend naar de tekst, inderdaad zo
geïnterpreteerd kon worden. Deze interpretatie is echter, gelet op de
internationale maatstaven, strijdig met de spirit van het artikel en met de
internationale anti-doping regels van de WADA en het FIG. Enerzijds kun je
afvragen hoe rechtvaardig het is om een sporter voor twee jaar te schorsen
voor een, mijn inziens, licht vergrijp. Anderzijds schept deze uitspraak natuurlijk
wel een precedent, ook voor sporters die zwaardere verboden middelen
gebruiken zoals anabolen. De gouden-medailles-winnende-cocaïne-
gebruikende turner kon rekenen op een uitsluitingsverkorting, maar zal de
relatief onbekende anabolenslikkende gewichtsheffer ook kunnen rekenen
op een uitsluitingsverkorting wanneer hij, nadat zijn urinemonster is
afgenomen, zich realiseert dat hij betrapt gaat worden, maar nog snel even
vrijwillig een bekentenis aflegt voor de uitslag bekend wordt gemaakt?