4.2 1.

Herhaling van de voornaamwoorden Betrekkelijke voornaamwoorden die, dat al wie, al wat al wie, al wat

qui, quae, quod quicumque, quaecumque, quodcumque quisquis, quidquid a

Het betrekkelijk voornaamwoord qui, quae, quod

Het betrekkelijk voornaamwoord of relativum : * geslacht en getal van antecedent * naamval van de functie in de betrekkelijke bijzin Antecedent kan weggelaten worden, net zoals in het Nederlands b * * * * Het pseudo-relativum is een relativum dat een nieuwe zin inleidt. verwijst naar een antecedent uit de vorige zin OF naar de vorige zin in het geheel. wordt vertaald als een verwijzend voornaamwoord, ev. met voegwoord. zowel zelfstandig als bijvoeglijk

Pseudo-relativum kan in het Latijn ook een bijzin inleiden. c Het veralgemenend relativum

2 vormen : 1 2 2. quicumque, quaecumque, quodcumque zelfstandig : bijvoeglijk : al wie, al wat elke die, elke dat, alle die

quisquis, quidquid enkel 2 zelfstandige vormen : quisquis : quidquid : al wie al wat

Vragend voornaamwoord wie?, wat?

quis?, quae?, quid? * *

volgt de verbuiging van het betrekkelijk voornaamwoord qui, quae, quod onderscheid tussen zelfstandig en bijvoeglijk in 3 gevallen; zelfstandig nom. m. enk. nom. o. enk. acc. o. enk. quis? quid? quid? bijvoeglijk qui? quod? quod?

1

vraag kan ook ingeleid worden door andere vragende woorden : vragende bijwoorden : ubi?, unde?, cur?,… vragende adjectieven : quantus?, qualis?, quot? vragen met als antwoord ja of nee worden ingeleid door 3 vraagpartikels -ne : niet vertaald, antwoord onbekend

2

3

nonne : ‘toch wel’, positief antwoord verwachtend num : ‘toch niet’, negatief antwoord verwachtend

bij tweeledige vragen gebruikt men het partikel an het eerste lid krijgt ofwel geen partikel ofwel utrum ofwel -ne  zonder betekenis CAPUT 5

5.1

Herhaling van de syntaxis van de naamvallen

(hoe herkennen : Bp89-98) 1. 1 Syntaxis van de vocatief VOCATIEF VAN DE AANGESPROKEN PERSOON

substantief op –ius heeft vocatief op –i 2. 1 Syntaxis van de nominatief NOMINATIEF VAN HET ONDERWERP substantief voornaamwoord infinitief NOMINATIEF VAN HET GEZEGDE Syntaxis van de accusatief ACCUSATIEF VAN HET LIJDEND VOORWERP bij overgankelijke werkwoorden bij werkwoorden die in het Nederlands met een voorzetsel geconstrueerd worden ACCUSATIEF NA VOORZETSELS vaste aanvulling na een aantal voorzetsels ACCUSATIEF VAN RICHTING bij namen van steden PREFIXACCUSATIEF bij werkwoorden samengesteld met voorzetsel => 1 accusatief = LV => 1 accusatief = afhankelijk van het voorzetsel ACCUSATIEF ALS ONDERWERP BIJ DE INFINITIEFZIN het onderwerp en zijn congruerend bepalingen staan in de accusatief Syntaxis van de genitief GENITIEF VAN DE BEZITTER ONDERWERPSGENITIEF het substantief in de genitief is eigenlijk het onderwerp van het werkwoord dat schuilt in het substantief dat erbij staat VOORWERPGENITIEF

2 3. 1

2 3 4

5 4. 1 2 3

het substantief in de genitief is eigenlijk het lijdend voorwerp van het werkwoord dat schuilt in het substantief dat erbij staat 4 5. 1 GENITIEF VAN HET GEHEEL de genitief noemt het geheel bij het substantief dat een deel uitdrukt. Syntaxis van de datief DATIEF VAN HET MEEWERKEND VOORWERP bij ww van zeggen bij ww van geven bij onpersoonlijke ww DATIEF VAN VOOR- EN NADEEL vaak met ‘voor’ VOOWERPSDATIEF vaste aanvulling bij een aantal ww DATIEF VAN DE BEZITTER bij ‘esse’ PREFIXDATIEF bij samengestelde ww met figuurlijke betekenis Syntaxis van de ablatief ABLATIEF VAN DE BIJWOORDELIJKE BEPALING middel oorzaak/reden : (waardoor/waarom) wijze tijdstip ABLATIEF NA VOORZETSELS in, ex, de, sub, ab, sine, cu ABLATIEF VAN HET HANDELEND VOORWERP steeds bij passieve werkwoorden niet verwarren met ablatief van oorzaak indien levend wezen : handelend voorwerp uitgedrukt door a(b) + ablatief VOORWERPSABLATIEF vaste aanvulling bij bepaalde deponente werkwoorden ABLATIEF VAN SCHEIDING plaats van verwijdering afstamming bevrijding, beroving, gebrek

2 3 4 5 6. 1

2 3

4 5

CAPUT 6 6.1 * Bijzinnen onafhankelijke zinnen

*

afhankelijke zinnen :

HOOFDZIN - BIJZIN

Bijzinnen worden ingedeeld naargelang de functie die ze vervullen in de zin. a onderwerpszin

bijzin vervult de functie van onderwerp b voorwerpszin

bijzin vervult de functie van voorwerp

onderwerpszin en voorwerpszin worden samen behandeld als completieve zin

c

bijwoordelijke zin

bijzin vervult de functie van bijwoordelijke bepaling d bijvoeglijke of betrekkelijke bijzin

bijzin vervult de functie van bijvoeglijke bepaling of adjectief

COMPLETIEVE ZIN onderwerp of lijdend voorwerp NOODZAKELIJK 6.2 De completieve zin

BIJZINNEN BIJVOEGLIJKE ZIN bijvoeglijke bepaling of adjectief QUI, QUAE, QUOD

BIJWOORDELIJKE ZIN bijwoordelijke bepaling VOEGWOORD

Binnen de completieve zin, dit is de onderwerpszin en voorwerpszin samen, zijn er 3 soorten, zoals bij de onafhankelijke zin. mededelend ‘.’ vragend ‘?’ gebiedend ‘!’ 1 2 Als een mededelende onafhankelijke zin een completieve zin wordt, dan krijgt deze de vorm van een infinitiefzin. Als een vragende onafhankelijke zin een completieve zin wordt, dan krijgt deze de vorm van een indirecte vraag, ingeleid door een vragend woord en met PV in conjunctief. Als een gebiedende onafhankelijke zin een completieve zin wordt, dan krijgt deze de vorm van een volitieve completieve zin, ingeleid door een voegwoord zoals ‘ut’ en met PV in conjunctief. BIJZINNEN BIJVOEGLIJKE ZIN bijvoeglijke bepaling of adjectief QUI, QUAE, QUOD

3

COMPLETIEVE ZIN onderwerp of lijdend voorwerp NOODZAKELIJK

BIJWOORDELIJKE ZIN bijwoordelijke bepaling VOEGWOORD

6.3 1.

De infinitiefzin Kenmerken

De infinitiefzin is een onderwerps- of voorwerpszin met * onderwerp in de accusatief * PV in infinitief Ze wordt vertaald als een mededelende zin, ingeleid door voegwoord ‘dat’, gevolgd door een aantonende wijs. 1 Als voorwerp komt voor : na ww van meedelen na ww van waarnemen of van oordeel zijn na ww die gemoedstoestanduitdrukken Als onderwerp komt voor : na est met een onzijdig gezegde bij aantal onpersoonlijke werkwoorden zoals (verba declarandi) (verba sentiendi) (verba adfectuum)

2

constat, het staat vast licet, het is geoorloofd oportet, het behoort

2.

Betekenis der tijden

De tijd van de infinitief maakt de tijdsverhouding tot de hoofdzin duidelijk. Er zijn 3 tijdsverhoudingen mogelijk; infinitief praesens => gelijktijdig infinitief perfectum => voortijdig infinitief futurum => natijdig De regels voor het gebruik der tijden in de infinitiefzin, noemt men de consecutio temporum (overeenkomst der tijden) van de infinitief. HOOFDWERKWOORD : TEGENWOORDIG OF TOEKOMSTIG dicit/dicet zegt/zal zeggen GELIJKTIJDIG abesse dat…afwezig is

VOORTIJDIG afuisse afuturum esse dat…afwezig geweest is

NATIJDIG dat…afwezig zal zijn

HOOFDWERKWOORD : VERLEDEN dixit zei GELIJKTIJDIG abesse dat…afwezig was

VOORTIJDIG afuisse afuturum esse dat…afwezig geweest was

NATIJDIG dat…afwezig zou zijn

6.4 1.

De indirecte vraag Kenmerken

De indirecte vraag is een onderwerps- of voorwerpszin met * PV in conjunctief * ingeleid door een vragend woord : vragend voornaamwoord vragend adjectief

1 2

vragend bijwoord vraagpartikel vertaald als ‘of’

meestal als voorwerpszin soms als onderwerpszin bij est + onzijdig gezegde betekenis nonne, num, -ne NIET : toch wel, toch niet WEL : ‘of’ Ook tweeledige indirecte vragen (an) Betekenis der tijden

3 2.

Alle tijden van de conjunctief kunnen voorkomen. conjunctief praesens => gelijktijdig tov toekomstig of tegenwoordig ww conjunctief perfectum => voortijdig tov toekomstig of tegenwoordig ww conjunctief imperfectum => gelijktijdig tov verleden hoofdww conjunctief plsqperfectum => voortijdig tov verleden hoofdww Latijn heeft geen conjunctief futurum. => voor uitdrukking van natijdigheid : participium futurum + conjunctief van esse participium futurum met conjunctief praesens van esse => natijdig tov tegenwoordig of toekomstig hoofdwerkwoord participium futurum met conjunctief imperfectum van esse => natijdig tov verleden hoofdwerkwoord

De regels voor het gebruik der tijden in de indirecte vraag, noemt men de consecutio temporum (overeenkomst der tijden) van de conjunctief. HOOFDWERKWOORD : TEGENWOORDIG OF TOEKOMSTIG nescit/nesciet weet niet/zal niet weten GELIJKTIJDIG sit waar…is

VOORTIJDIG feurit waar…geweest is

NATIJDIG futurus sit waar…zal zijn

HOOFDWERKWOORD : VERLEDEN nescivit wist niet GELIJKTIJDIG esset waar…was

VOORTIJDIG fuisset esset waar…geweest was

NATIJDIG futurus waar…zou zijn

6.5 1.

De volitieve completieve zin Kenmerken

De volitieve completieve zin is een onderwerps- of voorwerpszin met * ww in conjunctief * ingeleid door het voegwoord ‘ut’, dat/ontkennend ‘ne’, dat niet 1 volgt op de meeste ww die een uiting van wil uitdrukken (verba volendi)

2 2.

meestal als voorwerpszin soms als onderwerpszin Betekenis der tijden

De uitvoering van een bevel of wilsuitdrukking heeft uiteraard betrekking op de toekomst Daarom verkiest men in het Latijn de tijdsverhouding van de gelijktijdigheid. (vanzelfsprekende natijdigheid) conjunctief praesens : vanzelfsprekende natijdigheid na een toekomstig of tegenwoordig hoofdww conjunctief imperfectum : vanzelfsprekende natijdigheid na een verleden hoofdww

De regels voor het gebruik der tijden in de indirecte vraag, noemt men de consecutio temporum (overeenkomst der tijden) van de conjunctief. 6.6 1 Aanvullingen bij de completieve zin Veel voorkomende verba volendi gevolgd door infinitiefzin : velle, willen nolle, niet willen malle, liever willen cogere, dwingen cupere, begeren 2 iubere, bevelen pati, dulden prohibere, verhinderen sinere, laten gebeuren vetare, verbieden

Bij sommige werkwoorden kan zowel infinitiefzin als volitieve completieve zin als indirecte vraag, naargelang de completieve zin teruggaat op een mededelende of gebiedende onafhankelijke zin. => uiteenlopende vertalingen !!! Op ww die ‘vrezen’ betekenen (verba timendi) volgt een volitieve completieve zin. Deze wordt ingeleid door ne, dat

3

4

Ww die ‘verhinderen’ betekenen (verba impediendi) krijgen ne als voegwoord. Ne wordt in de comlpletieve zinnen op verschillende manieren vertaald. -ne ne ne INDIRECTE VRAAG NA VERBA VOLENDI NA ‘VREZEN’ EN ‘VERHINDEREN’ CAPUT 7 of dat niet dat

7.1 1.

Herhaling van de onbepaalde voornaamwoorden Aliquis en quidam ENKELVOUD Iemand, iets Een MEERVOUD Sommige(n), enkele(n) Sommige, enkele

ZELFSTANDIG BIJVOEGLIJK

a

Aliquis

Aliquis wordt gevormd door het onveranderlijke prefix ali-, gevolgd door de vormen van het vragend voornaamwoord. nom. v. enk. nom./acc. o. mv. -a -a ipv ipv -ae -ae

ZELFSTANDIG – BIJVOEGLIJK Bijvoeglijke vormen verschillen in nom. enk. en in nom. en acc. o. enk. b Quidam

Quidam wordt gevormd door het vragend voornaamwoord, gevolgd door het onveranderlijke suffix –dam nom. enk. -quidam -m- verandert voor een –d- in een –nZELFSTANDIG - BIJVOEGLIJK Bijvoeglijk vormen verschillen in nom. en acc. o. enk. Quidam duidt aan dat men wel weet wie of wat het is, maar het niet nodig vindt om de persoon of zaak te noemen. Aliquis wijst op een totaal onbepaald iemand of iets. 2. Quisquam en ullus

ENKELVOUD ZELFSTANDIG Iemand, iets BIJVOEGLIJK Enig, ook maar één a Quisquam en ullus Quisquam wordt gevormd door het vragend voornaamwoord, gevolgd door het onveranderlijke suffix –quam. ALTIJD ZELFSTANDIG Voor de BIJVOEGLIJKE betekenis gebruikt men het voornaamwoordelijk adjectief ullus,~a,~um, gen. ullius, dat. ulli Ze worden enkel gebruikt in zinnen met een ontkennende betekenis of na vix. 3. Nemo, nihil en nullus

ZELFSTANDIG BIJVOEGLIJK

ENKELVOUD Niemand, niets Geen enkele

In zinnen zonder ontkenning gebruikt het Latijn voor niemand, niets en geen enkele : nemo nihil nullus (ZELFSTANDIG) (ZELFSTANDIG) (BIJVOEGLIJK) Voornaamwoordelijk adjectief

Nemo en nihil hebben slechts enkele eigen vormen, aangevuld met behulp van nullus en nulla res. NEMO nemo neminem nullius nemini nullo NIHIL nihil nihil nullius rei nulli rei nulla re

NOMINATIEF ACCUSATIEF GENITIEF DATIEF ABLATIEF

De samenstelling nonnulli,~ae,~a heeft de betekenis : geen enkele. 4. (Unus)quisque ENKELVOUD Ieder(een) Ieder(e), elk(e)

ZELFSTANDIG BIJVOEGLIJK

Quisque wordt gevormd door het vragend voornaamwoord, gevolgd door het onveranderlijke suffix –que. Dit voornaamwoord kan versterkt worden met –unus tot unusquisque. Zowel unus- als –quisque worden dan verbogen. Deze voornaamwoorden bestaan niet in het meervoud. Men gebruikt dan omnes,~es,~ia.

Quisque wordt vooral gebruikt :

-

na vormen van se en suus,~a,~um na een rangtelwoord na een superlatief na een relativum

In andere gevallen gebruikt men eerder unusquisque.

7.2 1.

Voornaamwoorden van het tweevoud Verschil TWEEVOUD-MEERVOUD

Bij een meervoud gaat het over een onbekend aantal personen of zaken, Bij een tweevoud gaat het slechts over 2 personen of zaken. Deze voornaamwoorden kunnen ZELFSTANDIG en BIJVOEGLIJK gebruikt worden. TWEEVOUD Ambo,~ae,~o, Beide (samen) Uterque, utraque, utrumque, Elk van beide (apart) Uter?, atra?, utrum?, Wie van beide ? Alter, altera, alterum, De andere van beide Neuter, neutra, neutrum, Geen van beide a Ambo MEERVOUD Cuncti, Alle (samen) Omnes, Alle (apart) Quis? Wie? (van meerdere) Alius, Een andere (van meerdere) Nemo, Niemand (van meerdere)

Ambo vertoont een gemengde verbuiging, met zowel elementen van de eerste, als van de tweede verbuiging. MANNELIJK Ambo Ambo(s) Amborum Ambobus Ambobus VROUWELIJK Ambae Ambas Ambarum Ambabus Ambabus ONZIJDIG Ambo Ambo Amborum Ambobus Ambobus

NOMINATIEF ACCUSATIEF GENITIEF DATIEF ABLATIEF b

Uterque, uter, alter, neuter

Uterque, uter, alter en neuter volgen de verbuiging van de voornaamwoordelijke adjectieven; => - gen. op –ius - dat. op -i

7.3 1.

De telwoorden De hoofdtelwoorden TIENTALLEN HONDERDTALLEN

EENHEDEN 1 unus, ~a,~um

2 duo, duae, duo 3 tres, tres, tria 4 quattuor 5 quinque 6 sex 7 septem 8 octo 9 novem 10 decem

20 viginti 30 triginta 40 quadraginta 50 quinquaginta 60 sexaginta 70 septuaginta 80 octoginta 90 nonaginta 100 centum

200 ducenti,~ae,~a 300 trecenti,~ae,~a 400 quadringenti,~ae,~a 500 quingenti,~ae,~a 600 sescenti,~ae,~a 700 septingenti,~ae,~a 800 octingenti,~ae,~a 900 nongenti,~ae,~a 1000 mille

De hoofdtelwoorden zijn onveranderlijk, behalve unus, duo, tres en de honderdtallen ; unus volgt de verbuiging van de voornaamwoordelijke adjectieven duo tres volgt de verbuiging van ambo volgt de verbuiging van het model felix

De tientallen (behalve viginti) zijn te herkennen aan het onveranderlijke achtervoegsel – ginta,de honderdtallen aan het verbuigbare achtervoegsel –centi,~ae,~a of –genti,~ae,~a.

DUO NOMINATIEF ACCUSATIEF GENITIEF DATIEF ABLATIEF 2. M. Duo Duo(s) Duorum Duobus Duobus V. Duae Duas Duarum Duabus Duabus O. Duo Duo Duorum Duobus Duobus

TRES M. Tres Tres Trium Tribus Tribus V. Tres Tres Trium Tribus Tribus O. Tria Tria Trium Tribus Tribus

De rangtelwoorden

De rangtelwoorden van de getallen 1 tot 10 hebben een eigen vorming; de andere rangtelwoorden hebben het verbuigbare achtervoegsel –esimus,~a,~um. 1 TOT 10 Primus,~a,~um Eerste Secundus, ~a,~um Tweede Tertius, ~a,~um Derde Quartus, ~a,~um Vierde Quintus, ~a,~um Vijfdei Sextus,~a,~um Zesde Septimus, ~a,~um Zevende Octavus, ~a,~um Achtste Vicesimus,~a,~um Twintigste Tricesimus,~a,~um Dertigste Quadragesimus,~a,~um Veertigste Quinquagesimus,~a,~um Vijftigste Sescentesimus,~a,~um Zeshonderdste Septingentesimus,~a,~um Zevenhonderdste Octingentesimus,~a,~um Achthonderdste ANDERE VOORBEELDEN

Nonus, ~a,~um Negende Decimus, ~a,~um Tiende 7.4 1. Het participium en de losse ablatief Het participium

Nongentesimus,~a,~um Negenhonderdste Millesimus,~a,~um Duizendste

3 participia : -

actief participium praesens passief participium perfectum actief participium futurum

NIET wijzen de benamingen van de participia op heden, verleden of toekomst, WEL op de tijdsverhouding tot het hoofdwerkwoord. - participium praesens : - participium perfectum : - participium futurum : gelijktijdigheid voortijdigheid natijdigheid

a

Vorming VORMING Praesensstam + -(e)ns, -ntis Regelmatig : Ama-tus, moni-tus, audi-tus Onregelmatig : (zie stamtijden) Stam van het participium perfectum + -utus,~a,~um VERBUIGING Felix,~,~;felic-is Bonus,~a,~um

PRAESENS PERFECTUM

FUTURUM

Bonus,~a,~um

b *

Gebruik met de waarde van een ADJECTIEF - participium praesens : - participium perfectum : - participium futurum : vb. vb. vb. de bloeiende boom de veroverde stad de toekomende tijd

*

met de waarde van een WERKWOORD (participium coniunctum)

weergegeven door : - betrekkelijke bijzin (ingeleid door die of dat) nadat voor het part. perf.) - bijwoordelijke zin van doel (ingeleid door om te énkel bij part. fut.) * als ONDERDEEL van een WERKWOORDSVORM het participium perfectum en het participium futurum worden ook gebruikt in samengestelde werkwoordsvormen : - part. perf. in passieve voltooide tijden - part. fut. : a: verbonden met infinitief esse in de inf. fut., om in de infinitiefzin natijdigheid uit te drukken b: c: verbonden met conjunctief pr. of imp. van esse, om in de indirecte vraag natijdigheid uit te drukken verbonden met de indicatief van esse, om weer te geven dat men op het punt staat of van plan is iets te doen - bijwoordelijke zin van tijd (ingeleid door terwijl voor het part. pr.


DE DRIE PARTICIPIA PARTICIPIUM Praesens Perfectum Futurum

dit noemt men de omschreven vervoeging

VOORBEELD Amans,~,~;ama-ntis Monitus,~a,~um Tecturus,~a,~um

VORM Actief Passief Actief

TIJDSVERHOUDING Gelijktijdig Voortijdig Natijdig

De participia van de deponente werkwoorden hebben een actieve betekenis. 2. De losse ablatief

De losse ablatief is een zinsdeel in de ablatief, dat losstaat van het zinsverband. Het heeft de waarde van een bijwoordelijke bijzin (meestal van tijd). Bij de losse ablatief is er een bijzonder gebruik van het participium. a Participium Praesens Een participium praesens komt overeen met het naamwoord in de ablatief, is gelijktijdig met de handeling van de hoofdzin Een participium praesens, in een losse ablatief heeft de abl. enk. op –e als adjectief gebruikt heeft het de abl. enk. op –i Een losse ablatiefkan ook zonder part. voorkomen, dan denkt men er het nietbestaande part. pr. van esse bij.

b

Participium Perfectum Een participium perfectum komt overeen met het naamwoord in de ablatief, is voortijdig met de handeling van de hoofdzin De letterlijke vertaling van een losse ablatief met een participium perfectum is meestal passief. De actieve vertaling levert vlotter Nederlands op.

BETEKENIS VAN EEN LOSSE ABLATIEF 1 Ofwel bevat hij een part. pr. : => => => 2 vertaling door een bijwoordelijke bijzin van tijd ingeleid door terwijl actief gelijktijdig met hoofdwerkwoord

Ofwel bevat hij een part. perf. : => => => vertaling door een bijwoordelijke bijzin van tijd ingeleid door nadat passief (vlotter actief) voortijdig met het hoofdwerkwoord

7.5 1.

De infinitief, het gerundium, het gerundivum en het pseudo-gerundivum Infinitief

De infinitief kan voorkomen : - met de waarde van een substantief, als onderwerp of (lijdend) voorwerp van de zin - met de waarde van een persoonsvorm, als werkwoord van de infinitiefzin 2. Gerundium

Het gerundium is een ACTIEF SUBSTANTIEF a Vorming Gerundium = praesensstam + kenletters –(e)nd- + uitgangen van donum (enk.) Van de onregelmatige werkwoorden hebben enkel ire en ferre een gerundium.. IRE = eu-nd-um eu-nd-i eu-nd-o eu-nd-o b Betekenis en gebruik

- ACCUSATIEF : - GENITIEF : - DATIEF : - ABLATIEF : 3. Gerundivum

na voorzetsel ad, om doel uit te drukken - als bepaling bij substantieven en adjectieven - bij causa om doel uit te drukken als voorwerp bij werkwoorden na voorzetsels en als BWB

Het gerundium is een PASSIEF ADJECTIEF a Vorming Gerundium = praesensstam + kenletters –(e)nd- + uitgangen van bonus b Betekenis en gebruik - duidt aan dat iets gedaan moet worden/niet mogen (ontkenning) - meestal als gezegde bij KWW esse Handelende persoon bij het gerundivum staat in de datief van de handelende persoon Een onovergankelijk werkwoord (dat normaal niet passief gebruikt kan worden), kan onpersoonlijk passief zijn.Het gerundivum staat dan in o. enk. Als bij deze onpersoonlijke vorm een handelend persoon staat, vertaalt men best actief Gerundivum van deponente werkwoorden hebben een passieve betekenis. 4. Pseudo-gerundivum Het heeft de vorm van een gerundivum, maar de betekenis van een gerundium. - LV neemt naamval over - gerundium neemt getal en geslacht over => Het gerundium neemt, zonder wijziging in betekenis, de vorm vh gerundivum aan HOE VERTALEN ? Eerst omzetten naar gerundium met LV. CAPUT 8 8.1 1. De bijwoordelijke zin Soorten

Een bijwoordelijke zin is een bijwoordelijke bepaling die de vorm aanneemt van een bijzin (met voegwoord en PV).

BIJWOORDELIJKE BEPALING GEVOLG De les werd beëindigd tot grote vreugde van iedereen. DOEL Hij zei dat ter bevordering van de gezondheid. TIJD Bij het eerste daglicht vertrok hij. REDEN Uit schrik vluchtten ze weg. VOORWAARDE In geval van regen wordt het feest uitgesteld. TOEGEVING Ondanks de regen werkten ze verder. VERGELIJKING Je werkt als een slak.

=>

BIJWOORDELIJKE ZIN

GEVOLGAANDUIDENDE ZIN De les werd beëindigd zodat iedereen verheugd was. DOELAANWIJZENDE ZIN Hij zei dat opdat de gezondheid bevorderd zou worden TIJDBEPALENDE ZIN Toe het dag werd, vertrok hij. REDENGEVENDE ZIN Aangezien ze schrik hadden, vluchtten ze weg. VOORWAARDELIJKE ZIN Indien het regent, wordt het feest uitgesteld. TOEGEVENDE ZIN Hoewel het regende, werkten ze verder. VERGELIJKENDE ZIN Zoals een slak voortkruipt, aan dat tempo werk je. BIJZINNEN BIJVOEGLIJKE ZIN bijvoeglijke bepaling of adjectief QUI, QUAE, QUOD

COMPLETIEVE ZIN onderwerp of lijdend voorwerp NOODZAKELIJK 2. Wijs

BIJWOORDELIJKE ZIN bijwoordelijke bepaling VOEGWOORD

Kan zowel indicatief als conjunctief zijn. Dit wordt bepaald door ofwel - de soort van bijzin - het gebruikte voegwoord 3. * Tijd Als de bijwoordelijke zin in de indicatief staat, dan zijn het dezelfde regels als in de onafhankelijke zin.

*

Een conjunctief wordt in het Nederlands weergegeven door de overeenkomstige tijd van de indicatief : - conj. pr. - conj. imp. - conj. perf. - conj. plsqperf. DE CONSECUTIO TEMPORUM IN DE CONJUNCTIEF door O.T.T. door O.V.T. door V.T.T. door V.V.T.

HOOFDWERKWOORD

WERKWOORD VAN DE BIJZIN VOORTIJDIG GELIJKTIJDIG Perfectum Plusquamperfectum Vanzelfsprekend natijdig Praesens Imperfectum

TEGENWOORDIG/ TOEKOMSTIG VERLEDEN

8.2

De gevolgaanduidende zin (gevolgzin)

(gevolgaanduidend voornaamwoord ut, zodat, (zo)…dat

+ CONJUNCTIEF

bijwoorden : adjectieven : ontkenning : 8.3 De doelaanwijzende zin

ita, sic, tam, adeo, talis, tantus, tot non (doelzin)

doelaanwijzend voegwoord ut, opdat, om te zouden

+ CONJUNCTIEF, zou,

ontkenning : tweede ontkennende doelzin :

ne neve, neu

Wanneer het onderwerp van de hoofdzin en bijzin gelijk zijn, vertalen we met om te. Ne quis/ne quid Ne … umquam opdat niemand/opdat niets opdat … nooit

ANDERE WERKWOORDCONSTRUCTIES MET DE WAARDE VAN EEN DOELAANWIJZENDE BIJZIN : - part. fut., gebruikt als part. coniunctum - gerundium of pseudo-gerundivum bij ad - gerundium of pseudo-gerundivum (in de genitief) voor causa 8.4 Overzicht van het gebruik van (-)ne

HET GEBRUIK VAN (-)NE 1 2 3 4 5 6 vraagpartikel (directe vraag) : vraagpartikel (indirecte vraag) : ontkenning : na verba volendi : na verba timendi en verba impediendi : in de doelaanwijzende zin : -ne wordt niet vertaald of niet dat niet dat opdat niet, om niet te CAPUT 9 9.1 1. ubi cum (temporale) ut postquam dum ubi primum cum primum ut primum Deze voegwoorden worden gevolgd door de indicatief. BIJ EEN VERLEDEN HOOFDWERKWOORD * ** Postquam Dum + ind. perf. + ind. pr. vertaling : V.V.T. vertaling : O.V.T. zodra nadat + INDICATIEF terwijl, zolang (als) wanneer, toen De tijdbepalende zin (tijdzin)

Voegwoorden met de indicatief

*

In een verhaal wordt na postquam een ind. perf. gebruikt in plaats van ind. plusquamperfectum van voortijdigheid. Dit perf. wordt vertaald als V.V.T.

**

Bij een verleden hoofdwerkwoord wordt na dum, met betekenis terwijl, een ind. pr. gebruikt in plaats van ind. imp. van gelijktijdigheid. Dit pr. wordt vertaald als O.V.T.

2.

Voegwoorden met de indicatief of de conjunctief

antequam

priusquam dum CONJUNCTIEF donec

voordat tot(dat) + INDICATIEF of

tot(dat), zolang (als)

Deze voegwoorden kunnen zowel door indicatief als conjunctief gevolgd worden, zonder merkbaar verschil in vertaling. 3. Voegwoord met de conjunctief toen + CONJUNCTIEF

cum (historicum)

Wanneer cum, anders dan bij cum temporale, naast het tijdsverband ook nog wijst op een bijkomend, vaak redengevend, verband, dan wordt het gevolgd door de conjunctief en spreekt men van cum historicum. Dit voegwoord komt zeer veel voor in verhalende teksten en benadrukt dat de gebeurtenissen samenhangen; het wordt dan vertaald als toen, maar betekent tegelijk ook omdat. 2 andere werkwoordconstructies met de waarde van een tijdbepalende bijzin : 1. losse ablatief met tijdbepalende betekenis participium coniunctum met tijdbepalende betekenis voorzetsel cum + abl. (samen met) <-> voegwoord cum (wanneer, toen) 2. voegwoord cum (wanneer, toen) leidt bijzin in <-> bijwoord tum/tunc (toen, dan) leidt hoofdzin in 3. voegwoord ubi (wanneer, toen) <-> betrekkelijk of vragend voornaamwoord ubi (waar) 9.2 quia quod quoniam De redengevende zin

omdat omdat aangezien + INDICATIEF

cum (causale)

omdat

+ CONJUNCTIEF

De meeste voegwoorden die een redengevende zin inleiden, worden gevolgd door de indicatief Één voegwoord wordt gevolgd door conjunctief. Bij cum historicum was het redengevend verband reeds aanwezig, gekoppeld aan een tijdsverband. Als het tijdsverband minder benadrukt wordt, dan blijft enkel het redengevend verband over en vertaalt men met omdat. Dit noemt men cum causale, gevolgd door conjunctief. Losse ablatief en participium coniunctum kunnen naast een tijdbepalende betekenis, ook een redengevende betekenis hebben. Ze geven de reden aan voor wat in de hoofdzin wordt gezegd. CAPUT 10 10.1 si nisi sive sive…sive… sin De voorwaardelijke zin

indien indien niet, tenzij of indien hetzij...hetzij... maar indien + INDICATIEF of CONJUNCTIEF

1.

Het voegwoord si

Meest voorkomend voegwoord van de voorwaardelijke zin si,, indien. Gevolgd door indicatief of conjunctief.. Afhankelijk van gebruikte wijs of tijd => verschillende betekenis. a Indicatief

Als : PV van hoofdzin én bijzin = INDICATIEF, dan : enkel voorwaardelijk verband tussen beide zinnen. (realis) b Conjunctief Als : PV van hoofdzin én bijzin = CONJUNCTIEF PRAESENS, dan : het geheel = een mogelijkheid dan : het geheel = een onwerkelijkheid Het imperfectum wijst op een irrealis in het heden, (potentialis) (irrealis) Als : PV van hoofdzin én bijzin = CONJUNCTIEF IMPERFECTUM/PLSQPERFECTUM,

Het plusquamperfectum wijst op een irrealis in het verleden. In het Nederlands wordt een voorwaardelijke zin vaak vervangen door : O.V.T. voor een potentialis : Indien het regende zou de aarde nat zijn. Indien het regende, was de aarde nat. O.V.T. voor een irrealis : Indien ik geld had, zou ik het jou geven. Indien ik geld had, gaf ik het jou. V.V.T. voor een irrealis verl.: Indien ik geld had gehad, zou ik het jou gegeven hebben. Indien ik geld had gehad, had ik het jou gegeven. In het Nederlands worden potentialis en irrealis op dezelfde manier weergegeven. Betekenisverschil : afleiden uit de context

Losse ablatief en participium coniunctum kunnen ook een voorwaardelijke betekenis hebben. Ze geven de voorwaarde aan voor wat in de hoofdzin wordt gezegd. Realis, potentialis of irrealis ? : afleiden uit het hoofdwerkwoord 2. Afgeleide voegwoorden

Gevolgd door indicatief of conjunctief. Afhankelijk van gebruikte wijs of tijd => verschillende betekenis. Afgeleid van si : nisi (of ni), indien niet, tenzij sive (of seu), of indien sive...sive... (of seu...seu...), hetzij...hetzij... sin, maar indien Indicatief Conjunctief Conjunctief Conjunctief praesens imperfectum plusquamperfectum

REALIS POTENTIALIS IRREALIS

heden verleden

10.2

De toegevende zin

quamquam licet quamvis cum (concessivum) etsi etiamsi

hoewel ook al hoewel, hoe…ook hoewel ook al, zelfs al

+ INDICATIEF

+ CONJUNCTIEF

+ INDICATIEF of CONJUNCTIEF

-

Naargelang van het voegwoord in toegevende bijzin : Toegevende bijzin wordt vaak gesignaleerd door : etsi en etiamsi, samenstellingen met si :

indicatief of conjunctief tamen - indicatief of conjunctief. - gebruikte wijs of tijd => verschillende betekenis.

INDICATIEF CONJUNCIEF PRAESENS CONJUNCTIEF IMPERFECTUM/PLSQPERFECTUM

=> => =>

REALIS POTENTIALIS IRREALIS

Losse ablatief en participium coniunctum kunnen ook een toegevende betekenis hebben. Ze geven de toegeving aan voor wat in de hoofdzin wordt gezegd. !!! Tamen !!! 10.3 Overzicht van het gebruik van cum

HET GEBRUIK VAN CUM 1 2 3 4 5 voozetsel + ablatief : cum temporale + indicatief : cum historicum + conjunctief : cum causale + conjunctief : cum concessivum + conjunctief : samen met wanneer, toen toen, omdat omdat hoewel CAPUT 11 11.1 De vergelijkende zin 1. voegwoorden : correlativa * * Ingeleid door voegwoorden gewone vgl. onwerkelijke vgl.

ingeleid door :

(sic)ut velut tamquam quasi tamquam (si) velut (si) alsof + CONJUNCTIEF zoals + INDICATIEF

*

GEWONE VERGELIJKING : vertaling zoals INDICATIEF vaak aangekondigd in de hoofdzin door ita of sic sic kan met ut samensmelten

*

ONWERKELIJKE VERGELIJKING : vertaling alsof CONJUNCTIEF

Vergelijkende zinnen volgend op idem, similis, alius,… worden ingeleid door ac/atque Bij comparatief : ingeleid door quam 2. Ingeleid door correlativa

Correlativa zijn adjectieven en bijwoorden : die meestal in combinatie met elkaar voorkomen die sterk op elkaar gelijken Hun vorm ondergaat slechts lichte wijziging naargelang hun betekenis : vragend (beginletters qu-) aanwijzend (beginletters -t) betrekkelijk (beginletters qu-) Wanneer ze een vergelijkend zin inleiden, vertaald als als. a De correlatieve adjectieven AANWIJZEND Talis, ~is,~e Zo(danig) Tantus,~a,~um Zo groot Tot Zoveel BETREKKELIJK Qualis,~is,~e Als Quantus,~a,~um Als Quot Als

VRAGEND Qualis?,~is?,~e? Hoe(danig)? Quantus?,~a?,~um? Hoe groot ? Quot ? Hoeveel? b

De correlatieve bijwoorden AANWIJZEND Tam Zo(zeer) Tantum Zoveel Totiens Zoveel keer BETREKKELIJK Quam Als Quantum Als Quotiens Als

VRAGEND Quam? Hoe(zeer)? Quantum? Hoeveel? Quotiens? Hoeveel keer?

Vaak wordt het aanwijzende correlativum weggelaten. 11.2 Overzicht van het gebruik van ut

HET GEBRUIK VAN UT 1 in volitieve completieve zin + conjunctief : dat

2 3 4 5 11.3

in gevolgaanduidende zin + conjunctief : in doelaanwijzende zin + conjunctief : in tijdbepalende zin + indicatief : in vergelijkende zin + indiactief : Overzicht van de voegwoorden VERTALING Voordat Wanneer, toen Toen Omdat Hoewel Zodra Tot(dat), zolang (als) Terwijl, zolang (als) Tot(dat) Ook al, zelfs al Ook al, zelfs al Ook al Dat niet Dat Opdat niet Indien niet, tenzij Nadat Voordat Hoewel Hoewel, hoe…ook Alsof Omdat Omdat Aangezien Of indien, hetzij Indien Zoals

zodat, (zo)…dat opdat, om te wanneer, toen zoals

VOEGWOORD 1 2 ANTEQUAM CUM CUM CUM CUM CUM (temporale) (historicum) (causale) (concessivum) PRIMUM

WIJS Indicatief/Conjunctief Indicatief Conjunctief Conjunctief Conjunctief Indicatief Indicatief/Conjunctief Indicatief Indicatief/Conjunctief Indicatief/Conjunctief Indicatief/Conjunctief Conjunctief Conjunctief Conjunctief Conjunctief Indicatief/Conjunctief Indicatief Indicatief/Conjunctief Indicatief Conjunctief Conjunctief Indicatief Indicatief Indicatief Indicatief Indicatief/Conjunctief Indicatief

BIJZIN TIJD TIJD TIJD REDEN TOEGEVING TIJD TIJD TIJD TIJD TOEGEVING TOEGEVING TOEGEVING COMPLETIEF COMPLETIEF DOEL VOORWAARDE TIJD TIJD TOEGEVING TOEGEVING VERGELIJKING REDEN REDEN REDEN VOORWAARDE VOORWAARDE VERGELIJKING

3 4 5 6 7 8

DONEC DUM DUM ETIAMSI ETSI LICET NE NE NE NISI/NI POSTQUAM PRIUSQUAM QUAMQUAM QUAMVIS QUASI QUIA QUOD QUONIAM SIVE/SEU SI SICUT

9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

21 22 23 24

SIN TAMQUAM TAMQUAM SI UBI UBI PRIMUM UT UT UT UT UT UT PRIMUM VELUT VELUT SI Bijvoeglijke zin

Maar indien Zoals Alsof Wanneer, toen Zodra Dat Wanneer, toen Zodat, (zo)…dat Opdat Zoals Zodra Zoals Alsof

Indicatief/Conjunctief Indicatief Conjunctief Indicatief Indicatief Conjunctief Indicatief Conjunctief Conjunctief Indicatief Indicatief Indicatief Conjunctief

VOORWAARDE VERGELIJKING VERGELIJKING TIJD TIJD COMPLETIEF TIJD GEVOLG DOEL VERGELIJKING TIJD VERGELIJKING VERGELIJKING

25

11.4

onderwerp of voorwerp bijwoordelijke bepaling bijvoeglijke bepaling De bijvoeglijke zin :

=> => => -

completieve zin bijwoordelijke zin bijvoeglijke/betrekkelijke/relatiefzin sluit aan bij het antecedent ingeleid door betrekkelijke vnw OF correlatief bijwoord van plaats zowel INDICATIEF als CONJUNCTIEF

1. a Als : dan : b

Ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord Indicatief de bijvoeglijke zin enkel een bepaling is van het antecedent, INDICATIEF Conjunctief

Als : de bepaling van het antecedent ook nog een bijgedachte (vb. van doel of gevolg) bevat, dan : CONJUNCTIEF bijgedachte van doel komt vaak na ww die ‘zenden, komen, geven’ betekenen latijn : 2 gedachten versmelten nederlands : OF betrekkelijke bijzin met HWW als moeten, OF doelzin conjunctief kan ook bijgedachte van gevolg uitdrukken latijn : 2 gedachten versmelten nederlands : gewone betrekkelijke bijzin

Deze gevolgschakering volgt ook op uitdrukkingen, met een eigen Nederlandse vertaling ; Sunt/reperiuntur/inveniuntur qui… er zijn er die... Nemo est qui… er is niemand die... Est quod... er is een reden om... Habeo quod... ik heb reden om... Dignus est qui... hij is waardig te.../hij verdient te... Idoneus/aptus est qui... hij is geschikt om... 2. Ingeleid door correlativa

Een bijvoeglijke zin kan ook worden ingeleid door een (betrekkelijk) correlatief bijwoord van plaats. VRAGEND Ubi ? Waar? Unde? Vanwaar? Quo? Waarheen Qua? Waarlangs? Ibi Daar Inde Vandaar Eo Daarheen Ea Daarlangs AANWIJZEND Ubi Waar Unde Vanwaar Quo Waarheen Qua Waarlangs BETREKKELIJK

Ook hier wordt een conjunctief gebruikt wanneer er ene bijgedachte van vb doel of gevolg is. BIJZINNEN BIJVOEGLIJKE ZIN bijvoeglijke bepaling of adjectief QUI, QUAE, QUOD

COMPLETIEVE ZIN onderwerp of lijdend voorwerp NOODZAKELIJK 11.6

BIJWOORDELIJKE ZIN bijwoordelijke bepaling VOEGWOORD

Overzicht van het gebruik van quod

HET GEBRUIK VAN QUOD 1 2 3 betrekkelijk voornaamwoord : (bijvoeglijk) vragend voornaamwoord : voegwoord : dat welk(e) omdat