You are on page 1of 3

§ 1. Het werkt! 1.

Darmflora= de bacteriën die een


1. Assimilatie= hierbij worden van deel van de onverteerde stoffen
kleinere stoffen grotere gemaakt. afbreken.
2. cel= een cel is het kleinste 2. Enzymen= een stof in je lichaam die
onderdeel van een bepaalde reacties in het lichaam
orgaan/organisme. versnelt
3. Dissimilatie= hierbij worden cellen 3. Maximum= als je boven het
afgebroken waar ook energie(ATP) maximum zit werkt iets niet. De
vrijkomt. maximale omstandigheid
4. Middenrif= deze vormt de scheiding 4. Minimum= de minimale
tussen de borst en de buikholte, dit omstandigheid
is een grote platte spier 5. Optimum= de perfecte
5. Orgaan= een deel van een dier of omstandigheid
mens/ organisme die een bepaalde 6. Peristaltische beweging=
taak heeft spierbewegingen waarbij de
6. Orgaanstelsel= een groepje organen slokdarm nauwer en/of korter +
die samen werken en dus samen wijder
voor een taak zorgen. 7. Voedingsstof= de bruikbare delen
7. Organisatieniveau= alle organismes van voedingsmiddelen.
kunnen opgedeeld worden in 8. Voedingsmiddel= alle producten die
verschillende niveaus. je eet of drinkt.
8. Organisme= iets wat leeft et z´n 9. Voedingsvezel= naam voor alle
eigen stofwisseling. onverteerbare stoffen in plantaardig
9. Verbranding= stoffen worden eten.
verbrand om voedingstoffen er uit 10. Vertering= het kleinmaken van
te halen voedingstoffen.
10. Weefsel= een groep cellen met
dezelfde functie en vorm §3. Je ademt
1. Antagonistische beweging= een
§2. Je eet beweging die wordt veroorzaakt
door een buigende spier, waardoor
de ledemaat uit zijn rustpositie 7. Grote bloedsomloop= bloed gaat
komt. vanaf hier naar een orgaan, het
2. Bronchiën= de vertakkingen van de bloed geeft zuurstof af en neemt
luchtpijp. CO2 mee.
3. Gaswisseling= de uitwisseling van 8. Haarvaten= de vernauwingen van
co2 en zuurstof aders.
4. Inademing+= de manier waardoor je 9. Hemoglobine= een eiwit dat in de
lucht inademt. bloed van de mens zit.
5. Longblaasje= deze zitten aan het 10. Kamer=
einde van de luchtpijptakjes in een 11. Kleine bloedsomloop= zorgt ervoor
longblaasje vindt gasuitwisseling dat het O2 arme bloed wordt
plaats. afgegeven aan de longen waar de
6. Trilhaartjes= de haartjes die op de CO2 naar buiten gaat , de longen
slijmvliescellen zitten. geven O2 aan het bloed
7. Uitademing= de beweging van lucht 12. Kransslagaders= de rode
vanaf je bronchiën naar je keel naar bloedvaatjes aan de buitenkant van
je mond en zo naar buiten. het hart, deze zorgen voor zuurstof
§4. Je bloed stroomt en voedingsstoffen voor het hart.
1. Aders= alle vaten die naar het hart 13. Slagaders= alle aders die van het
toe lopen. hart naar de rest van het lichaam
2. Aorta= grote slagader die vanuit het lopen.
hart naar de rest van het lichaam
loopt behalve naar de longen. §5. Rond je cellen
3. Bloed= vloeistof waar zuurstof en/of 1. Lymfe= kleurloze vloeistof(bij veel
CO2 inzit dat door het lichaam loopt. vet geelachtig) die een belangrijke
4. Bloedcellen= de cellen die in het rol speelt bij ons afweerstelsel
bleod zitten: witte en/of rode. 2. Lymfeklier= klein orgaantje dat
5. Bloedplasma= water met opgelosde witte bloedstoffen en antistoffen
stoffen dat in het lichaam zit. aanmaakt en de witte bloed cellen
filtert.
6. Boezem= borsten van een mens 3. Lymfeknoop= lymfe klier
4. Lymfevaten= ze transporteren lymfe
en stoffen die niet in het bloed
mogen komen
5. Weefselvloeistof= het vocht buiten
de cellen en de haarvaten