Tegenwoordige tijd

Vormen van "to be" (tegenwoordige tijd) Lange vormen I am you are he is / she is / it is we are you are they are korte vormen I'm you're he's / she's / it's we're you're they're

Vormen van "to be" (ontkennend) Lange vormen I am not you are not he is not / she is not / it is not we are not you are not they are not korte vormen I'm not you're not he's not / she's not / it's not we're not you're not they're not korte vormen you aren't he isn't / she isn't / it isn't we aren't you aren't they aren't

simple present bevestigende zinnen (uitleg) Vorm van de simple present in bevestigende zinnen I/you/we/they werkwoord he/she/it werkwoord Gebruik van de simple present Je gebruikt de simple present om:

+ (E)S

1. aan te geven dat iets een gewoonte is. Er zijn een aantal woorden die aangeven dat het om een gewoonte gaat zoals: "always, usually, never, every day" enz. 2. aan te geven dat iets een feit is. Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in bevestigende zinnen. 1. I walk to school every day. (gewoonte) 2. The sun rises in the east. (feit)

simple present ontkennende zinnen (uitleg) Vorm van de simple present ontkennende zinnen I/you/we/they don't he/she/it doesn't Gebruik van de simple present Je gebruikt de simple present om:

hele werkwoord hele werkwoord

1. aan te geven dat iets een gewoonte is. Er zijn een aantal woorden die aangeven dat het om een gewoonte gaat zoals: "always, usually, never, every day" enz. 2. aan te geven dat iets een feit is. Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in ontkennende zinnen. 1. I don't go to school by bus every day. (gewoonte) 2. The sun doesn't rise in the west. (feit)

simple present vraagzinnen (uitleg) Vorm van de simple present in vraagzinnen Do I/you/we/they Does he/she/it Gebruik van de simple present Je gebruikt de simple present om:

heel werkwoord heel werkwoord

1. aan te geven dat iets een gewoont is. Er zijn een aantal woorden die aangeven dat het om een gewoonte gaat zoals: "always, usually, never, every day" enz. 2. aan te geven dat iets een feit is. Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple present in vraagzinnen 1. Do you walk to school every day? 2. Does the sun rise in the east?

present continuous bevestigende zinnen (uitleg) Vorm van de present continuous in bevestigende zinnen

Er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now. aan te geven dat iets NU aan de gang is." enz. (plan) 3. . 3. at the moment. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert. aan te geven dat iets je irriteert." enz. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent. Listen. He is not always helping me..I am you/we/they are he/she/it is Gebruik van de present continuous Je gebruikt de present continuous om: werkwoord werkwoord werkwoord ing ing ing 1. 3. (irritatie) present continuous ontkennende zinnen (uitleg) Vorm van de present continuous in ontkennende zinnen I am not werkwoord you/we/they are not werkwoord he/she/it is not werkwoord Gebruik van de present continuous Je gebruikt de present continuous om: ing ing ing 1. aan te geven dat je iets van plan bent.. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert. 3. Vorm en gebruik van de present continuous in bevestigende zinnen 1.. (nu) 2. I am watching a film tonight. Vorm en gebruik van de present continuous in ontkennende zinnen 1.. aan te geven dat iets je irriteert. They are always picking on me. I am not playing a match on Saturday. 2. er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now. at the moment. aan te geven dat iets NU aan de gang is. aan te geven dat je iets van plan bent. listen. 2. They are not helping me now... listen. Sarah is playing the guitar. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent. 2.

Is he always picking on you? simple present versus present continuous (uitleg) Vorm simple present I/you/we/they werkwoord he/she/it werkwoord Vorm present continuous I am werkwoord + ing you/we/they are werkwoord + ing he/she/it is werkwoord + ing Gebruik present continuous Je gebruikt de present continuous om: 1. aan te geven dat iets een gewoonte is..a: "always. 2. Meestal staat er "always" in de zin om het extra duidelijk te maken dat iets je irriteert. at the moment. every day" enz. . Meestal staat het +(E)S Gebruik simple present Je gebruikt de simple present om: 1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Signaalwoorden zijn o. listen.. 3. Vorm en gebruik van de present continuous in vraagzinnen 1. Is Sam playing the piano now? 2. 2. aan te geven dat iets je irriteert. Meestal staat er bij wanneer je in de toekomst dat van plan bent. aan te geven dat je iets van plan bent... 2. never.present continuous vraagzinnen (uitleg) Vorm van de present continuous in vraagzinnen am I werkwoord are you/we/they werkwoord is he/she/it werkwoord Gebruik van de present continuous Je gebruikt de present continuous om: ing ing ing 1." enz.a: "now. irritaie aan te geven. aan te geven dat iets een feit is." enz. aan te geven dat je iets van plan bent. 3. Er zijn een aantal woorden die dat aangeven zoals: "now.. Signaalwoorden zijn o. Meestal staat er bij wanneer je dat in de toekomst van plan bent. at the moment. listen. What are you doing tonight? 3.

Vorm en gebruik simple present 1. (irritatie) . He is always teasing me. Vorm en gebruik present continuous 1. I am reading now. (nu aan de gang) 2. The sun rises in the east. He always drives fast. They are dancing tonight. (vast plan) 3. (feit) woordje "always" in de zin om het extra duidelijk te maken. (gewoonte) 2.

They worked very hard yesterday. last week" enz. 2.Verleden tijd simple past bevestigende zinnen (uitleg) Vorm van de simple past in bevestigende zinnen Regelmatige werwoorden werkwoord + ed Onregelmatige werkwoorden tweede rijtje Gebruik simple past Je gebruikt de simple past om 1. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd EN er staat bij wanneer dat gebeurd is. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd en in het verleden is afgelopen. Meestal staat er "for" of "since" in de zin. Te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd en in het verleden is afgelopen. Dit zijn woorden zoals: "yesterday. He didn`t live there last year . He lived in Amsterdam for 2 years. 2. Dit zijn woorden zoals: "yesterday. Vorm en gebruik van de simple past in bevestigende zinnen 1. last week" enz. They didn't go to France last year. Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple past in ontkennende zinnen 1. (nu woont hij er dus niet meer) simple past ontkennende zinnen (uitleg) Vorm van de simple past in ontkennende zinnen (de volgorde) I/you/he/she/it/we/you/they didn't heel werkwoord Gebruik van de simple past Je gebruikt de simple past om: 1. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd EN er staat bij wanneer dat gebeurd is. 2. Meestal staat er "for" of "since" in de zin. 2.

For how long did he live there? past continuous bevestigende zinnen (uitleg) Vorm van de past continuous in bevestigende zinnen I/he/she/it was werkwoord you/we/they were werkwoord Gebruik van de past continuous Je gebruikt de past continuous om: ing ing 1. 2.simple past vraagzinnen (uitleg) Vorm van de simple past in vraagzinnen (de volgorde) Did I/you/he/she/it/we/you/they Gebruik van de simple past Je gebruikt de simple past om: heel werkwoord 1. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd en in het verleden is afgelopen. te zeggen dat iets aan de gang was (eventueel toen iets anders gebeurde. Dit zijn woorden zoals: "yesterday. last week" enz. He was doing the dishes when the doorbell rang. Voorbeelden van vorm en gebruik van de simple past in vraagzinnen 1. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd EN er staat bij wanneer dat gebeurd is. past continuous ontkennende zinnen (uitleg) . dat andere wat gebeurde staat dan in de simple past) Vorm en gebruik van de past continuous in bevestigende zinnen 1. Did he call you yesterday? 2. Meestal staat er "for" of "since" in de zin.

Were you paying attention when the teacher asked you a question? . They weren't listening when I came in. te zeggen dat iets aan de gang was (eventueel toen iets anders gebeurde.Vorm van de past continuous in ontkennende zinnen I/he/she/it was not werkwoord you/we/they were not werkwoord Gebruik van de past continuous Je gebruikt de past continuous om: ing ing 1. dat andere wat gebeurde staat dan in de simple past) Vorm en gebruik van de past continuous in vraagzinnen 1. dat andere wat gebeurde staat dan in de simple past) Vorm en gebruik van de past continuous in bevestigende zinnen 1. past continuous vraagzinnen (uitleg) Vorm van de past continuous in vraagzinnen Was I/he/she/it werkwoord Were you/we/they werkwoord Gebruik van de past continuous Je gebruikt de past continuous om: ing ing 1. te zeggen dat iets aan de gang was (eventueel toen iets anders gebeurde.

. 2. (ze wonen er nu nog steeds) present perfect ontkennende zinnen (uitleg) Vorm van de present perfect in ontkennende zinnen he/she/it has not I/you/we/they have not Gebruik van de present perfect Je gebruikt de present perfect om: voltooid deelwoord voltooid deelwoord 1. They haven't seen the match. te zeggen dat iets in het verleden begonnen is en nu nog doorgaat. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd MAAR er staat niet bij wanneer dat gebeurd is. Meestal staat er "for" of "since" in de zin. Meestal staat er "for" of "since" in de zin. Vorm en gebruik van de present perfect in ontkennende zinnen 1. He has worked hard. 2. 2.Voltooid tegenwoordige tijd present perfect bevestigende zinnen (uitleg) Vorm van de present perfect in bevestigende zinnen he/she/it has voltooid deelwoord I/you/we/they have voltooid deelwoord Het voltooid deelwoord ziet er als volgt uit: Regelmatige werkwoorden werkwoord + ed Onregelmatige werkwoorden derde rijtje Gebruik present perfect Je gebruikt de present perfect om: 1. Vorm en gebruik van de present perfect in bevestigende zinnen 1. te zeggen dat iets in het verleden begonnen is en nu nog doorgaat. They have lived there since 1998. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd MAAR er staat niet bij wanneer dat gebeurd is.

te zeggen dat iets in het verelden is gebeurd MAAR er staat niet bij wanneer dat gebeurd is. (staat er wel bij wanneer dat gebeurd is dan gebruik je de simple past) 2. tweede rijtje Gebruik simple past Je gebruikt de simple past om: 1. Signaalwoorden hiervoor zijn "yesterday. Meestal staat er "for" of "since" in de zin Vorm en gebruik van de present perfect in vraagzinnen 1.2.deelw. He hasn't been here for ages. Gebruik present perfect Je gebruikt de present perfect om: 1. For how long have you lived here? (de persoon woont er dus nog steeds) simple past versus present perfect (uitleg) Vorm simple past regelm. ww. te zeggen dat iets in het verleden begonnen is en nu nog doorgaat. Has he left you? 2. te zeggen dat iets in het verleden is begonnen en in het verleden is Vorm present perfect he/she/it has volt. te zeggen dat iets in het verleden is begonnen en nu nog doorgaat. werkwoord + ed onregelm. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd EN er staat bij wanneer dat gebeurd is. 2. last week" enz. ww. (nu nog steeds niet) present perfect vraagzinnen (uitleg) Vorm van de present perfect in vraagzinnen has he/she/it have I/you/we/they Gebruik van de present perfect Je gebruikt de present perfect om: voltooid deelwoord voltooid deelwoord 1. deelw. (is de actie in het verleden ook afgelopen dan gebruik je de simple past) . (staan deze signaalwoorden er niet bij dan moet je dus de present perfect gebruiken) 2. te zeggen dat iets in het verleden is gebeurd MAAR er staat niet bij wanneer dat gebeurd is. I/you/we/they have volt.

afgelopen. He has played a match. Meestal staat er "for" of "since" in de zin. He has lived there for 2 years. 1. (nu woont hij er dus niet meer) 2. He played a match yesterday. (hij woont er dus nog steeds) . (gaat de actie nu nog steeds door dan moet je de present perfect gebruiken) Vorm en gebruik simple past Vorm en gebruik present perfect 1. He lived there for 2 years. 2.

He always runs to school. is. Staat er een vorm van "be" in de zin (am. Waar staan deze woorden in een zin? 1. were) dan staan deze woorden achter die vorm van "be". Vb. 3. Wanneer gebruik je de genitive? 1. (de fiets van Pete) Bij woorden die te maken hebben met tijd en afstand. Let op: eindigt een woord in het meervoud al op een s dan hoef je daar alleen nog maar een ' achter te zetten. A two kilometres' walk. Vb. een wandeling van een mijl) Bij een plaats waar iemand woont of werkt. Genitive ('s of s') De genitive geeft bezit aan. Vb. Today's newspaper. never. Staat er 1 werkwoord in de zin (niet een vorm van "be") dan staan deze woorden vóór dat ene werkwoord. (bij zijn oom) 2. . sometimes. Bij personen. seldom. He has always done that. usually enz. 2. (bij de slager) He is going to stay at his uncle's.Grammaticale onderwerpen Adverbs of frequency Adverbs of frequency zijn woorden zoals: always. (afstand. 3. are. Vb. Vb. Meestal kun je er "shop" of "house" achter denken. He is never late. was. Vb. (tijd. de krant van vandaag) A one mile's walk. This is Pete's bike. Vb. At the butcher's. Staan er 2 of meer werkwoorden in de zin dan staan deze woorden vóór het tweede werkwoord.

Vb.Place and time 1. Ik zal er een aantal uitleggen. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over tijd. Let op: eerst plaats en dan pas tijd. Prepositions Prepositions zijn woorden zoals: on. I am in the classroom. On Je gebruikt on bij dagen van de week. in. I am walking into the classroom (je loopt naar binnen) . dan zet je die woorden helemaal achterin de zin. 3. into. I am standing on the car. (bovenop de auto) Soms hoort on ook bij het werkwoord. He played football yesterday. under. Soms hebben prepositions meerdere betekenissen. against. I am at school. He played football in a stadium. He played football in a stadium yesterday. Vb. Vb. up. dan zet je die helemaal voor of helemaal achterin de zin. Vb. Vb. (je bent al binnen) Vb. (Ik zit op school) In/into Het verschil tussen in en into is dat into beweging is. down. between. dan zet je die achteraan in de zin. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over tijd en plaats. towards enz. out of. 2. On Monday (op maandag) Je gebruikt on ook om te zeggen dat je ergens letterlijk op staat. out. at. Vb. Yesterday he played football. Turn the light on (maak het licht aan) At Je gebruikt at bij tijdsaanduidingen. Vb. among. Vb. Vb. At 4 o'clock. Staan er in een zin woorden die iets zeggen over plaats. (om 4 uur) je gebruikt at ook om te zeggen waar je bent.

er. They watch TV. y krijgen ook -er en -est Woorden van 2 lettergrepen die niet eindigen op le. 1. De regel is als volgt. He is good. Vb. ow. must. Vb. Is de hoofdzin bevestigend dan is de tag ontkennend. Vb. can. He isn't good. can't he? Staat er geen hulpwerkwoord in de zin dan maak je een tag met een vorm van "do". is he? 2. Onregelmatige trappen van vergelijking: . He can help me. ow. Vb. Vb.. don't they? Let op: Staat de hoofdzin in de tegenwoordige tijd dan staat de tag ook in de tegenwoordige tijd. will" enz) dan maak je met datzelfde hulpwerkwoord een tag. doesn't he? The man watched TV. She is nicer than him. y en woorden van meer dan 2 lettergrepen krijgen more en most great Vergrotende trap greater Overtreffende trap greatest simple simpler simplest beautiful more beautiful most beautiful Let op: Na een vergrotende trap gebruik je "than" met een "a". er. toch of nietwaar gebruikt. Staat er in de hoofdzin een hulpwerkwoord (vormen van "be.Question tag De question tag (ook wel aangeplakte vraag of tag genoemd) gebruik je in het Nederlands als je hè. Staat de hoofdzin in de verleden tijd dan staat de tag ook in de verleden tijd. Vb. didn't he? Comparison (trappen van vergelijking) Stellende trap Woorden van 1 lettergreep krijgen -er en -est Woorden van 2 lettergrepen die eindigen op le. The man watches TV. isn't he? Is de hoofdzin ontkennend dan is de tag bevestigend.

worse .best bad .good .worst .better .

6. ("beautifully" zegt iets over "sings". Vb. Vb. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. ("beautiful" zegt iets over "looks". good -. He looks beautiful. Sommige bijvoeglijke naamwoorden hebben geen aparte vorm voor het bijwoord. terrible -.easily Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op le dan wordt dit ly. ("really" zegt iets over "beautifully" en "beautifully" over "sings".long hard -. Vb. Madonna sings beautifully.well 2. 2. 5. easy -. wonderful -.) Hoe maak je een bijwoord? 1.Adverbs or adjectives Wanneer gebruik je een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord? 1. fast -.hard Onregelmatig. 3. Een bijvoeglijk naamwoord gebruik je ook na vormen van de werkwoorden: be sound taste smell look feel Vb. Vb. . Je zet achter het bijvoeglijk naamwoord ly. Vb. 4.) Een bijwoord zegt iets over alle andere werkwoorden. Vb.terribly Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op ic dan wordt dit ically. A beautiful car. Vb. She sings really beautifully.) Een bijwoord zegt ook iets over een ander bijwoord. ("beautiful" zegt iets over "the car".fast long -.wonderfully Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op y dan wordt dit ily. Vb.

Little gebruik je voor woorden in het enkelvoud. He has got much money. one tomato -. Onregelmatig one man -. Vb. Vb. Vb. There are few people in my class. Vb. 6. Few gebruik je voor woorden in het meervoud. Vb.two watches Eindigt een woord op een y dan wordt dit ies in het meervoud.two feet 2. 3. one friend -.two potatoes Onveranderd in het meervoud one sheep -. Many gebruik je voor woorden in het meervoud.two fish 7.two boys Een aantal woorden die op f of fe eindigen krijgen ves in het meervoud. Vb.two women one child -. Let op: staat er voor de y een klinker dan voeg je gewoon een vaste s toe.two tomatoes one potato . 4.two sheep one fish -.two children one foot -.two loaves of bread een aantal woorden die eindigen op o krijgen oes in het meervoud.two friends Eindigt het woord op een sis-klank dan voeg je es toe. Plurals Hoe maak je meervoud in het Engels? 1. one lady -. Je voegt een vaste s toe. Vb.two ladies one boy -. one loaf of bread -.Much or many / little or few Much gebruik je voor woorden in het enkelvoud. There are many pupils in my class.two men one woman -. He has got little money. one watch -. 5. Vb. . Vb.

I don't have any bananas. He has bought some flowers. anything enz.i. Voorbeeld: a police officer an officer Maar: an FBI-agent (als je de letter "f" uitspreekt zeg je eigenlijk /ef/. Do you have any money? Let op: je kunt some ook wel eens in vragende zinnen gebruiken wanneer je verwacht dat het antwoord ja zal zijn op je vraag. Je spreekt dus eerst een "e" uit) a European country (als je "European" uitspreekt begin je met de letter /j/) met een klinker begint . "an"gebruik je als het volgende woord (a. a of an Wanneer gebruik je "a" en wanneer "an"? "a" en "an" betekenen allebei "een". "a" gebruik je voor alle andere gevallen. anyone. something. geldt natuurlijk ook voor someone.e. enz. Vb.u). Wat voor some en any geldt. Any gebruik je in ontkennende en vragende zinnen.o.Some or any Wanneer gebruik je some en wanneer any? Some gebruik je in bevestigende zinnen. NB. Vb.

deelw.Onregelmatige werkwoorden 1e rijtje (werkwoord) zijn/worden slaan/verslaan worden beginnen wedden binden bijten blazen/waaien breken brengen uitzenden bouwen branden/verbranden barsten kopen vangen kiezen komen kosten snijden/knippen zaken doen/(uit)delen graven doen trekken/tekenen drinken rijden (auto) eten vallen (zich)voeden/voeren (zich) voelen vechten vinden be beat become begin bet bind bite blow break bring broadcast build burn burst buy catch choose come cost cut deal dig do draw drink drive eat fall feed feel fight find 2e rijtje (verleden tijd) was/were beat became began bet bound bit blew broke brought broadcast built burnt burst bought caught chose came cost cut dealt dug did drew drank drove ate fell fed felt fought found 3e rijtje (volt.) been beaten become begun bet bound bitten blown broken brought broadcast built burnt burst bought caught chosen come cost cut dealt dug done drawn drunk driven eaten fallen fed felt fought found .

passen vliegen vergeten vergeven (be)vriezen krijgen geven gaan groeien hangen hebben horen (zich)verbergen slaan/raken (vast)houden pijn doen houden/bewaren weten/kennen leiden leren (ver)laten (toe)laten/verhuren liggen verliezen maken bedoelen/betekenen ontmoeten betalen zetten/leggen ophouden (met) lezen rijden (fiets/paard) (op)bellen opstaan/stijgen rennen zeggen zien verkopen fit fly forget forgive freeze get give go grow hang have hear hide hit hold hurt keep know lead learn leave let lie lose make mean meet pay put quit read ride ring rise run say see sell fit flew forgot forgave froze got gave went grew hung had heard hid hit held hurt kept knew led learnt left let lay lost made meant met paid put quit read rode rang rose ran said saw sold fit flown forgotten forgiven frozen got given gone grown hung had heard hidden hit held hurt kept known led learnt left let lain lost made meant met paid put quit read ridden rung risen run said seen sold .

(ver)zenden/(ver)sturen zetten/plaatsen/instellen schudden schieten tonen/laten zien sluiten zingen zitten slapen spreken spellen doorbrengen/uitgeven staan stelen plakken slaan/staken zweren/vloeken vegen zwemmen nemen/brengen onderwijzen zeggen/vertellen denken gooien begrijpen/verstaan wakker maken/worden dragen (kleding) winnen schrijven back to grammar index send set shake shoot show shut sing sit sleep speak spell spend stand steal stick strike swear sweep swim take teach tell think throw understand wake wear win write sent set shook shot showed shut sang sat slept spoke spelt spent stood stole stuck struck swore swept swam took taught told thought threw understood woke wore won wrote sent set shaken shot shown shut sung sat slept spoken spelt spent stood stolen stuck struck sworn swept swum taken taught told thought thrown understood woken worn won written .

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful