You are on page 1of 282

FIAT

DUCATO
603.81.136 NL
INSTRUCTIEBOEK
Geachte cliënt,
Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat
informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Fiat Ducato volledig te benutten.
Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de symbolen onder aan de pagina aandachtig te lezen:

veiligheid van de inzittenden;

conditie van de auto;

bescherming van het milieu.

In de de “Service- en garantiehandleiding” vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
❒ het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
❒ een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Veel leesplezier en goede reis!

Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Fiat Ducato beschreven worden,
dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en
het model van de auto die u gekocht hebt.
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN
Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590.

K Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de ga-
rantie tot gevolg hebben.

MOTOR STARTEN
Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar
trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand MAR en wacht tot de waarschuwings-
lampjes Y en m doven; draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aan-
slaat.

PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN


Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras,
droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.

BESCHERMING VAN HET MILIEU


De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed
zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
ELEKTRISCHE APPARATUUR


Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ont-
laden), wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is
voor het extra stroomverbruik.

CODE-card
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card
altijd bij u te hebben.

GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto ge-
durende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.

IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....
…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van
uw auto. Let vooral op de symbolen " (veiligheid van de inzittenden) # (bescherming van het milieu) ! (conditie
van de auto.
EN BEDIENING
DASHBOARD
DASHBOARD EN BEDIENING
DASHBOARD EN BEDIENING ........................................ 5 CRUISE-CONTROL ............................................................ 79
SYMBOLEN ........................................................................... 6 PLAFONDVERLICHTING ................................................. 81
VEILIGHEID

FIAT CODE ........................................................................... 6


BEDIENINGSORGANEN .................................................. 82
DE SLEUTELS ........................................................................ 8
NOODSCHAKELAAR VOOR ONDERBREKING
DIEFSTALALARM ................................................................. 13
BRANDSTOFTOEVOER EN ELEKTRISCHE
EN RIJDEN
STARTEN

START-/CONTACTSLOT ................................................. 15 VOEDING............................................................................... 84


INSTRUMENTENPANEEL ................................................. 16
INTERIEURUITRUSTING ................................................... 85
INSTRUMENTEN ................................................................ 17
TACHOGRAAF..................................................................... 91
LAMPJES EN
BERICHTEN

DIGITAAL DISPLAY ............................................................ 20


MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY ..................................... 26 PORTIEREN .......................................................................... 92
TRIP COMPUTER ................................................................ 35 ELEKTRISCHE RUITBEDIENING .................................... 97
ZITPLAATSEN ...................................................................... 37 MOTORKAP ......................................................................... 98
GEVALLEN
NOOD-

HOOFDSTEUNEN .............................................................. 43
IMPERIAAL/SKIDRAGER ................................................... 100
STUURWIEL ......................................................................... 44
KOPLAMPEN ........................................................................ 101
SPIEGELS ................................................................................ 45
ONDERHOUD
EN ZORG

VERWARMING EN VENTILATIE .................................... 47 ABS .......................................................................................... 102


AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND ....................... 51 ESP-SYSTEEM ........................................................................ 103
AIRCONDITIONING, AUTOMATISCH........................ 55 EOBD-SYSTEEM ................................................................... 106
TECHNISCHE
GEGEVENS

EXTRA VERWARMING ..................................................... 65 PARKEERSENSOREN ......................................................... 107


AUTONOME EXTRA VERWARMING........................... 66
AUTORADIO ....................................................................... 108
EXTRA VERWARMING ACHTER ................................... 72
EXTRA ACCESSOIRES ....................................................... 109
ALFABETISCH

EXTRA AIRCONDITIONING ACHTER ........................ 73


REGISTER

BUITENVERLICHTING ...................................................... 74 TANKEN MET DE FIAT DUCATO ................................ 110


RUITEN REINIGEN ............................................................. 77 BESCHERMING VAN HET MILIEU ................................. 112
4
DASHBOARD

EN BEDIENING
DASHBOARD
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering
verschillen.

VEILIGHEID
EN RIJDEN
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
fig. 1 F0N0001m

1. Vaste uitstroomopeningen zijkant - 2. Verstelbare uitstroomopeningen zijkant - 3. Linker hendel: bediening buitenverlichting -
4. Instrumentenpaneel en waarschuwingslampjes - 5. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer -

ALFABETISCH
REGISTER
6. Verstelbare uitstroomopeningen midden - 7. Autoradio (indien aanwezig) - 8. Opbergvak/Frontairbag passagierszijde (indien
aanwezig) - 9. Dashboardkastje - 10. Aansteker/12V-stekkerdoos - 11. Bedieningsknoppen verwarming/ventilatie/airconditioning -
12. Bedieningsknoppen op het dashboard - 13. Versnellingspook - 14. Start-/contacslot - 15. Hendel stuurwielverstelling -
16. Frontairbag bestuurderszijde - 17. Schakelaarpaneel: koplampafstelling/digitaal display/multifunctioneel display.
5
EN BEDIENING
DASHBOARD SYMBOLEN FIAT CODE
Op of in de nabijheid van enkele onder- Voor een nog betere bescherming tegen
delen van uw auto zijn plaatjes met een be- diefstal is de auto uitgerust met een elek-
paalde kleur aangebracht, met daarop tronische startblokkering. Het systeem
VEILIGHEID

symbolen die uw aandacht vragen en die schakelt automatisch in als de start-/


voorzorgsmaatregelen aangeven die u in contactsleutel wordt uitgenomen.
acht moet nemen als u met het be-
treffende onderdeel te maken krijgt. In iedere sleutel zit een elektronisch com-
ponent gemonteerd die bij het starten van
F0N0002m de motor een signaal ontvangt via een
EN RIJDEN

fig. 2
STARTEN

speciale antenne die in het start-/contact-


Onder de motorkap fig. 2 is een plaatje slot is ingebouwd. Het signaal wordt bij
aangebracht, waarop de betekenis van de het starten omgezet in een gecodeerd
symbolen wordt verklaard. signaal en vervolgens aan de regeleenheid
LAMPJES EN
BERICHTEN

van de Fiat CODE gezonden, die, als de


code wordt herkend, het starten van de
motor mogelijk maakt.
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

6
WERKING Draai in dat geval de sleutel in stand Als het lampje Y

EN BEDIENING
DASHBOARD
STOP en vervolgens opnieuw in stand tijdens het rijden gaat branden
Als u bij het starten van de motor de sleu- MAR; als de motor geblokkeerd blijft,
tel in stand MAR draait, dan stuurt het probeer het dan opnieuw met de andere ❒ Als het lampje Y gaat branden, be-
Fiat CODE-systeem een code naar de re- geleverde sleutels. Als de motor nog niet tekent dit dat het systeem zichzelf con-
geleenheid van de motor die, als de code aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer. troleert (bijv. bij een vermindering van

VEILIGHEID
wordt herkend, de blokkering van de func- de spanning).
ties opheft. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen
code, die in de regeleenheid van het sys- ❒ Als het lampje Y blijft branden, moet
De code wordt alleen verzonden als de teem moet worden opgeslagen. Voor het u zich tot de Fiat-dealer wenden.
regeleenheid van het Fiat CODE-systeem opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht)

EN RIJDEN
de door de sleutel verzonden code heeft

STARTEN
moet u zich tot de Fiat-dealer wenden.
herkend.
Iedere keer als u de contactsleutel in stand
STOP zet, schakelt de Fiat CODE de

LAMPJES EN
Bij krachtige stoten kunnen

BERICHTEN
functies van de elektronische regeleenheid
van de motor uit. de elektronische componen-
ten in de sleutel beschadigd
Als bij het starten de code niet wordt her- worden.
kend, gaat op het instrumentenpaneel het
waarschuwingslampje Y branden terwijl

GEVALLEN
NOOD-
op het display een bericht verschijnt (zie
het hoofdstuk “Lampjes en berichten”).

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
7
EN BEDIENING
DASHBOARD DE SLEUTELS

CODE-CARD fig. 3
Bij de auto worden twee sleutels geleverd
VEILIGHEID

en de CODE-card waarop staat aange-


geven:
A de elektronische code;
B de mechanische code van de sleutels F0N0003m F0N0004m
EN RIJDEN

fig. 3 fig. 4
STARTEN

die bij aanvraag van duplicaatsleutels


aan de Fiat-dealer moet worden
overhandigd. SLEUTEL MET
Als de auto wordt verkocht,
moeten alle sleutels en de AFSTANDSBEDIENING fig. 4
BELANGRIJK Om schade aan de elektro-
LAMPJES EN
BERICHTEN

nische schakelingen in de sleutels te voor- CODE-card overhandigd wor- De metalen baard A bevindt zich in de
komen, mogen de sleutels niet aan direc- den aan de nieuwe eigenaar. handgreep en dient voor:
te zonnestraling worden blootgesteld. ❒ het start-/contactslot;
❒ de sloten van de portieren;
GEVALLEN
NOOD-

❒ het ont-/vergrendelen van de tankdop.


Druk op het knopje B voor het uitklap-
pen van de metalen baard.
ONDERHOUD
EN ZORG

Ga voor het inklappen als volgt te werk:


❒ houd het knopje B ingedrukt en ver-
plaats de metalen baard A;
TECHNISCHE
GEGEVENS

❒ laat het knopje B los en draai de me-


talen baard A totdat hij op de juiste
wijze is ingeklapt en vergrendeld.
ALFABETISCH
REGISTER

8
Knop Æ dient voor het ontgrendelen van

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
de voorportieren.
Druk het knopje B alleen in
als de sleutel ver genoeg van Knop Ø dient voor het vergrendelen van
het lichaam (speciaal de ogen) en van alle portieren/deuren.
voorwerpen die snel beschadigen (bij- Knop Ë dient voor het ontgrendelen van

VEILIGHEID
voorbeeld kledingstukken) is verwij- de deuren van de laadruimte.
derd. Laat de sleutel nooit onbeheerd
achter. Hiermee voorkomt u dat ie- Als de portieren worden ontgrendeld,
mand (dit geldt in het bijzonder voor wordt de interieurverlichting een bepaal-
kinderen) per ongeluk op de knop de tijd ingeschakeld. F0N0145m

EN RIJDEN
fig. 5

STARTEN
drukt.
Enkele uitvoeringen zijn voorzien van een
sleutel met afstandsbediening met 2 knop-
pen Á en Ë fig. 5.

LAMPJES EN
BERICHTEN
Knop Á dient voor het vergrendelen
van alle portieren/deuren.
Knop Ë dient voor het ontgrendelen

GEVALLEN
van alle portieren/deuren.

NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
9
Extra afstandsbedieningen
EN BEDIENING
DASHBOARD
bestellen
Het systeem kan maximaal 8 afstandsbe-
dieningen herkennen. Als u in de loop der
tijd een nieuwe afstandsbediening nodig
VEILIGHEID

hebt, kunt u zich tot een Fiat-dealer wen-


den. Neem dan de CODE-card, een iden-
titeitsbewijs en het kentekenbewijs mee.
F0N0114m F0N0005m
EN RIJDEN

fig. 6 fig. 7
STARTEN

Informatie van het lampje op het Batterij van de sleutel met


dashboard afstandsbediening vervangen fig. 7
LAMPJES EN
BERICHTEN

Als de portieren/deuren worden vergren- Ga voor het vervangen van de batterij als
deld, gaat het bewakingslampje A-fig. 6 volgt te werk:
ongeveer 3 seconden branden en daarna
knipperen (bewakingsfunctie). ❒ druk op het knopje A en klap de me-
talen baard B uit;
GEVALLEN

Als u de portieren/deuren vergrendelt en


NOOD-

een of meer portieren/deuren zijn niet ❒ draai de schroef C in stand : met een
goed gesloten, dan gaan het lampje en de kleine schroevendraaier;
richtingaanwijzers snel knipperen. ❒ trek de batterijhouder D naar buiten
ONDERHOUD

en vervang de batterij E; let daarbij


EN ZORG

goed op de polariteit;
❒ plaats de batterijhouder D in de sleu-
tel en draai de schroef C in stand Á.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

10
MECHANISCHE SLEUTEL fig. 8

EN BEDIENING
DASHBOARD
Lege batterijen zijn schadelijk
voor het milieu. Ze moeten in De metalen baard A zit vast aan de sleu-
daarvoor bestemde contai- tel.
ners worden gedeponeerd of
kunnen ingeleverd worden bij de Fiat- De sleutel dient voor:

VEILIGHEID
dealer, die voor de verwerking zorgt. ❒ het start-/contactslot;
❒ de sloten van de portieren;
❒ het ont-/vergrendelen van de tankdop.
F0N0006m

EN RIJDEN
fig. 8

STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
11
Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):
EN BEDIENING
DASHBOARD

Typesleutel Ontgrendelen Sloten van Dead lock Ontgrendelen Ruiten openen Ruiten sluiten
sloten buitenaf inschakelen achterdeurslot (indien van toe- (indien van
vergrendelen (indien aanwezig) passing) toepassing)
VEILIGHEID

Mechanische sleutel Sleutel linksom Sleutel rechtsom


draaien draaien – – – –
(bestuurderszijde) (bestuurderszijde)
Sleutel linksom Sleutel rechtsom
EN RIJDEN
STARTEN

draaien draaien
(bestuurderszijde) (bestuurderszijde) – – – –
Sleutel met afstandsbediening
Knop Æ Knop Knop Ø Knop ∞ Knop Æ Knop Ø
kort indrukken Ø kort indrukken twee keer kort indrukken langer dan 2 langer dan 2
LAMPJES EN
BERICHTEN

indrukken seconden indruk- seconden indruk-


ken ken
Knipperen 2 x knipperen 1 x knipperen 3 x knipperen 2 x knipperen 2 x knipperen 1 x knipperen
richtingaanwijzers(alleen met
GEVALLEN
NOOD-

sleutel met afstandsbediening)


Bewakingslampje Doven 3 seconden conti- 2 x knipperen Knipperen Doven Knipperen
nu branden en ver- en vervolgens bewakingslampje bewakingslampje
volgens knipperen knipperen
ONDERHOUD
EN ZORG

bewakingslampje bewakingslampje

BELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor portierontgrendeling; het sluiten van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor
TECHNISCHE
GEGEVENS

portiervergrendeling.
ALFABETISCH
REGISTER

12
DIEFSTALALARM Toch is een maximum aantal cycli voorzien Als de portieren en de motorkap niet goed

EN BEDIENING
DASHBOARD
voor de akoestische en zichtbare signalen. gesloten zijn, worden ze niet door het dief-
(indien aanwezig) Na een alarmsignalering schakelt het systeem stalalarm gecontroleerd.
over naar de normale bewakingsfunctie.
Het diefstalalarm, een aanvulling op alle Als bij goed gesloten portieren, motorkap
reeds beschreven functies van de af- De kantelsensor kan worden uitgeschakeld en laadruimte het akoestisch signaal wordt

VEILIGHEID
standsbediening, wordt bediend door de met de betreffende toets (zie de paragraaf herhaald, dan is er een storing gesignaleerd
ontvanger die onder het dashboard nabij “Kantelsensor” op de volgende pagina’s). in de werking van het systeem. Wendt u in
het zekeringenkastje is geplaatst. dat geval tot de Fiat-dealer.
BELANGRIJK De startblokkering wordt uit-
gevoerd door de Fiat CODE en wordt au- BELANGRIJK Als de portieren met de me-

EN RIJDEN
WANNEER GAAT HET ALARM tomatisch ingeschakeld als de contactsleutel talen baard van de sleutel centraal worden

STARTEN
AF uit het start-/contactslot wordt genomen. vergrendeld, schakelt het alarm niet in.
Het diefstalalarm wordt in de volgende ge- BELANGRIJK De werking van het diefstal-
vallen geactiveerd: ALARM INSCHAKELEN alarm verschilt per land.

LAMPJES EN
BERICHTEN
❒ als een van de portieren/deuren of Richt bij gesloten portieren, laadruimte en
de motorkap ongeoorloofd wordt motorkap en contactslot in stand STOP DIEFSTALALARM
geopend (omtrekbeveiliging); of met uitgenomen sleutel, de sleutel met af- UITSCHAKELEN
standsbediening in de richting van de auto.
❒ bij een startpoging (contactsleutel in Druk op de knop “vergrendelen” en laat de Druk op de knop “ontgrendelen portie-

GEVALLEN
ren/ontgrendelen laadruimte” van de sleutel

NOOD-
stand MAR); knop weer los.
met afstandsbediening.
❒ als de kabels van de accu worden on- U hoort een akoestisch signaal (“BIEP”) (be-
derbroken; halve bij uitvoeringen voor bepaalde mark- Het volgende gebeurt (met uitzondering van
ten) en de portieren worden vergrendeld. bepaalde markten):

ONDERHOUD
❒ bij het optillen/kantelen van de auto.

EN ZORG
Het inschakelen van het alarm wordt voor- ❒ de richtingaanwijzers knipperen twee
Als het alarm in werking treedt, wordt, af- keer kort;
hankelijk van het land, de sirene geacti- afgegaan door een zelfdiagnose: als het sys-
veerd en gaan de richtingaanwijzers knip- teem een storing vindt, dan klinkt nogmaals ❒ u hoort twee korte akoestische signalen
een akoestisch signaal.

TECHNISCHE
(“BIEP’s”);

GEGEVENS
peren (ongeveer 26 seconden). De wijze
waarop het systeem werkt en het aantal Schakel in dat geval het alarm uit door op ❒ de portieren worden ontgrendeld.
cycli kunnen per land verschillen. de knop “ontgrendelen portieren/ontgren-
delen laadruimte” te drukken en controleer BELANGRIJK Als de portieren met de me-
of de portieren en de motorkap gesloten zijn talen baard van de sleutel centraal worden

ALFABETISCH
REGISTER
en schakel vervolgens het systeem weer in ontgrendeld, schakelt het alarm niet uit.
door op de knop “vergrendelen” te drukken.

13
KANTELSENSOR MELDINGEN VAN
EN BEDIENING
DASHBOARD
De kantelsensor meet iedere verandering INBRAAKPOGINGEN
in de hellingshoek van de auto en signa- Iedere inbraakpoging wordt aangegeven
leert daardoor het geheel of gedeeltelijk door het branden van het controlelamp-
optillen van de auto (bijv. bij het verwij- je Y op het instrumentenpaneel en het
VEILIGHEID

deren van een wiel). tegelijk verschijnen van een bericht op het
De kantelsensor signaleert een minimale display (indien aanwezig) (zie het hoofd-
verandering in de hellingshoek van de au- stuk “Lampjes en berichten”).
to, zowel langs de lengte- als de dwarsas. F0N0232m
ALARM BUITEN GEBRUIK
EN RIJDEN

fig. 8a
STARTEN

Veranderingen in de hellingshoek worden STELLEN


niet gesignaleerd als de snelheid lager is
dan 0,5°/min. (bijvoorbeeld: als een band Beveiliging uitschakelen Als u het diefstalalarm buiten gebruik wilt
langzaam leegloopt). Voor het uitschakelen van de kantelsen- stellen (bijv. als de auto langere tijd niet
LAMPJES EN
BERICHTEN

sor (bijvoorbeeld bij het slepen van de au- wordt gebruikt), dan hoeft u slechts de au-
to met ingeschakeld diefstalalarm) moet u to af te sluiten door de metalen baard van
de knop A-fig.8a op het schakelaarpaneel de sleutel met afstandsbediening in het
indrukken. De sensor blijft uitgeschakeld portierslot te draaien.
totdat de portieren centraal worden ont- BELANGRIJK Als de batterijen van de
GEVALLEN
NOOD-

grendeld. sleutels met afstandsbediening leeg zijn, of


als er een storing is in het diefstalalarm,
dan kunt u het systeem buiten werking
stellen door de contactsleutel in het con-
ONDERHOUD

tactslot te steken en deze in stand MAR


EN ZORG

te draaien.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

14
START-/CONTACTSLOT STUURSLOT

EN BEDIENING
DASHBOARD
Inschakelen
De sleutel kan in 4 standen worden ge- Zet de sleutel in stand STOP, trek de
draaid fig. 9: sleutel uit het start-/contactslot en draai

VEILIGHEID
het stuur totdat het vergrendelt.
❒ STOP: motor uit, sleutel uitneembaar,
stuurslot ingeschakeld. Enkele elektri-
sche installaties werken (bijv. auto- Uitschakelen
radio, centrale portiervergrendeling). F0N0007m Draai het stuur iets heen en weer, terwijl

EN RIJDEN
fig. 9

STARTEN
❒ MAR: contact aan. Alle elektrische in- u de sleutel in stand MAR draait.
stallaties werken.
ATTENTIE
❒ AVV: motor starten (stand zonder Neem altijd de sleutel uit het ATTENTIE

LAMPJES EN
vergrendeling).

BERICHTEN
contactslot als de auto Verwijder de sleutel nooit uit
❒ PARK: motor uit, parkeerverlichting wordt verlaten, om onvoorzichtig ge- het contactslot als de auto
aan, stuur geblokkeerd. Druk om de bruik van de bedieningsknoppen/- nog in beweging is. Bij de eerste stuur-
sleutel in stand PARK te kunnen hendels te voorkomen. Vergeet niet uitslag blokkeert het stuur automa-
draaien, op de knop A. de handrem aan te trekken. Schakel tisch. Dit geldt in alle gevallen, ook

GEVALLEN
NOOD-
de eerste versnelling in als de auto op als de auto gesleept wordt.
Het contactslot is voorzien van een her- een helling omhoog staat en de ach-
startbeveiliging. Als de motor bij de eer- teruit bij een helling omlaag (gezien
ste poging niet aanslaat, moet u de sleu- vanuit de rijrichting). Laat kinderen
tel terugdraaien in stand STOP en nog-

ONDERHOUD
nooit alleen achter in de auto.

EN ZORG
maals starten. ATTENTIE
Het is streng verboden om
de-/montagewerkzaamhe-
den uit te voeren, waarvoor wijzigin-

TECHNISCHE
GEGEVENS
ATTENTIE gen in de stuurinrichting of de stuur-
kolom vereist zijn (bijv. bij montage
Als het start-/contactslot is van een diefstalbeveiliging). Hierdoor
geforceerd (bijv. bij een po- kunnen de prestaties van het systeem,
ging tot diefstal) moet u, voordat u de garantie en de veiligheid in gevaar

ALFABETISCH
REGISTER
weer met de auto gaat rijden, de wer- worden gebracht en voldoet de auto
king van het slot laten controleren bij niet meer aan de typegoedkeuring.
de Fiat-dealer.

15
EN BEDIENING
DASHBOARD INSTRUMENTENPANEEL
Uitvoeringen met digitaal display
A Snelheidsmeter
VEILIGHEID

B Digitaal display
C Toerenteller
D Koelvloeistoftemperatuurmeter met
waarschuwingslampje voor te hoge
EN RIJDEN
STARTEN

koelvloeistoftemperatuur
E Brandstofmeter met waarschuwings-
lampje brandstofreserve
LAMPJES EN
BERICHTEN

F0N0008m

fig. 10
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG

Uitvoeringen met multifunctioneel


display
A Snelheidsmeter
TECHNISCHE
GEGEVENS

B Multifunctioneel display
C Toerenteller
D Koelvloeistoftemperatuurmeter met
ALFABETISCH

waarschuwingslampje voor te hoge


REGISTER

F0N0010m
koelvloeistoftemperatuur
E Brandstofmeter met waarschuwings-
fig. 11 lampje brandstofreserve
16
INSTRUMENTEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
De achtergrondkleur en de vormgeving
van de instrumenten kunnen per uitvoe-
ring verschillen.

VEILIGHEID
F0N0012m F0N0013m

EN RIJDEN
fig. 12 fig. 13

STARTEN
SNELHEIDSMETER fig. 12 TOERENTELLER fig.13
Geeft de snelheid van de auto aan. De toerenteller geeft het toerental per mi-

LAMPJES EN
BERICHTEN
nuut van de motor aan.
BELANGRIJK De regeleenheid van de
elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk
de toevoer van brandstof als de motor

GEVALLEN
met te hoge toerentallen draait, waardoor

NOOD-
het motorvermogen zal afnemen.
Bij stationair draaiende motor kan de toe-
renteller onder bepaalde omstandigheden

ONDERHOUD
een geleidelijke of herhaalde toerentalstij-

EN ZORG
ging aangeven.
Dit is een normaal verschijnsel en kan op-
treden als bijvoorbeeld de airconditioning

TECHNISCHE
GEGEVENS
of de elektroventilateur wordt ingescha-
keld. In deze gevallen dient een geringe
toerentalstijging voor het behoud van de
lading van de accu.

ALFABETISCH
REGISTER
17
Als het waarschuwingslampje B gaat bran-
EN BEDIENING
DASHBOARD
den (op enkele uitvoeringen verschijnt
ook een bericht op het multifunctionele
display), dan is de koelvloeistoftempera-
tuur te hoog; zet in dat geval de motor uit
en wendt u tot de Fiat-dealer.
VEILIGHEID

F0N0014m F0N0015m
EN RIJDEN

fig. 14 fig. 15
STARTEN

Als de wijzernaald in het rode


BRANDSTOFMETER fig. 14 KOELVLOEISTOF- gebied komt, zet dan onmid-
TEMPERATUURMETER fig. 15 dellijk de motor uit en wendt
De wijzer geeft de hoeveelheid brandstof u tot de Fiat-dealer.
LAMPJES EN
BERICHTEN

aan die in de tank aanwezig is. De wijzer geeft de temperatuur aan van
E brandstoftank leeg. de motorkoelvloeistof, zodra de koel-
F brandstoftank vol (zie de paragraaf vloeistoftemperatuur hoger wordt dan on-
“Tanken met de Fiat Ducato”). geveer 50°C.
GEVALLEN

Bij normaal gebruik van de auto kan de


NOOD-

Het waarschuwingslampje A geeft aan dat


er nog ongeveer 10/12 liter wijzernaald op verschillende posities in het
(afhankelijk van de uitvoering) brandstof bereik staan, afhankelijk van de gebruiks-
aanwezig is. omstandigheden van de auto.
ONDERHOUD

Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: C Lage koelvloeistoftemperatuur.


EN ZORG

door een onregelmatige brandstoftoevoer


kan de katalysator beschadigen. H Hoge koelvloeistoftemperatuur.
BELANGRIJK Als de wijzernaald op de in-
TECHNISCHE
GEGEVENS

dicatie E staat en het waarschuwings-


lampje A knippert, dan is er een storing in
het systeem. Wendt u in dit geval tot de
Fiat-dealer om het systeem te laten con-
troleren.
ALFABETISCH
REGISTER

BELANGRIJK Wij raden u aan de extra


verwarming (Webasto) niet in te schake-
len als de auto op reservebrandstof rijdt.
18
MOTOROLIENIVEAUMETER Na enige seconden verdwijnen de sym- Het geleidelijk doven van de symbolen

EN BEDIENING
DASHBOARD
(indien aanwezig) bolen die de oliehoeveelheid weergeven geeft het dalen van het olieniveau aan.
en:
De meter geeft grafisch de hoeveelheid Als de oliehoeveelheid voldoende is, bran-
olie in de motor weer. ❒ als de limiet voor het geprogram- den er 4 of 5 symbolen. Als het vijfde sym-
meerd onderhoud bijna is bereikt, bool niet gaat branden, betekent dit niet

VEILIGHEID
Uitvoeringen met digitaal display wordt de nog af te leggen afstand dat er een storing is of dat er te weinig olie
Als u de contactsleutel in stand MAR weergegeven, waarbij het lampje õ op in het motorcarter zit.
draait, wordt op het display de hoeveel- het instrumentenpaneel gaat branden.
Als de limiet is bereikt, dan worden op Als het olieniveau lager is dan de minimum
heid in de motor aanwezige olie aangege- waarde, dan wordt op het display het be-
ven door middel van vijf symbolen. het display enige streepjes weergege-

EN RIJDEN
richt weergegeven dat het minimum olie-

STARTEN
ven.
niveau is bereikt en dat er olie moet wor-
❒ vervolgens wordt, als de termijn voor den bijgevuld.
het olieverversen bijna is verlopen, op
BELANGRIJK Controleer voor het juiste
F0N1017i

de bovenste regel van het display de

LAMPJES EN
BERICHTEN
resterende afstand tot de volgende oliepeil altijd de oliepeilstok (zie de para-
olieverversing weergegeven, samen graaf “Niveaus controleren” in het hoofd-
met het opschrift “OIL” op het on- stuk “Onderhoud en zorg”).
derste deel van het display. Als de li- Na enige seconden verdwijnen de sym-
miet is bereikt, dan worden op het dis- bolen die de oliehoeveelheid weergeven

GEVALLEN
NOOD-
Het geleidelijk doven van de symbolen play vijf streepjes weergegeven. en:
geeft het dalen van het olieniveau aan.
❒ als de limiet voor het geprogram-
Als het olieniveau lager is dan de minimum meerd onderhoud bijna is bereikt,

ONDERHOUD
waarde en er bijgevuld moet worden, dan wordt de nog af te leggen afstand

EN ZORG
Uitvoeringen met multifunctioneel
knipperen de 5 streepjes op het display. weergegeven, waarbij het symbool õ
display op het display gaat branden. Als de li-
Als de oliehoeveelheid voldoende is, bran- miet is bereikt, verschijnt op het dis-
den er 4 of 5 symbolen. Als het vijfde sym- Als u de contactsleutel in de stand MAR
draait, wordt op de eerste regel het olie- play een waarschuwing.

TECHNISCHE
bool niet gaat branden, betekent dit niet

GEGEVENS
dat er een storing is of dat er te weinig olie niveau aangegeven met het branden/do- ❒ vervolgens wordt, als de termijn voor
in het motorcarter zit. ven van vijf symbolen. het olieverversen bijna is verlopen, op
het display de resterende afstand tot
BELANGRIJK Controleer voor het juiste de volgende olieverversing weergege-

ALFABETISCH
oliepeil altijd de oliepeilstok (zie de para-
F0N1018i

REGISTER
ven. Als de limiet is bereikt, verschijnt
graaf “Niveaus controleren” in het hoofd- op het display een waarschuwing.
stuk “Onderhoud en zorg”).

19
EN BEDIENING
DASHBOARD DIGITAAL DISPLAY

BEGINSCHERM fig. 16
Op het beginscherm kan het volgende
VEILIGHEID

worden weergegeven:
A Stand koplampverstelling (alleen als
het dimlicht is ingeschakeld).
B Tijd (altijd weergegeven, ook bij uit- F0N0016m F0N0017m
EN RIJDEN

fig. 16 fig. 17
STARTEN

genomen contactsleutel en gesloten


voorportieren).
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 17 Opmerking Bij de knoppen ▲ en ▼
C Kilometerteller (weergave kilometer-/ hangt de werking van het volgende af:
mijltotaalteller). ▲ Om het scherm en de keuzemoge-
LAMPJES EN
BERICHTEN

lijkheden naar boven te doorlopen of Setup-menu


Opmerking Bij uitgenomen contact- de weergegeven waarde te verhogen. – binnen het menu kunt u het menu naar
sleutel wordt bij het openen van een van boven of beneden doorlopen;
de voorportieren het display verlicht en MODE Kort indrukken voor toegang
wordt enkele seconden de tijd en de kilo- tot het menu en/of naar het vol- – tijdens het instellen kunt u de waarde ver-
GEVALLEN

gende scherm te gaan of de keu- hogen of verlagen.


NOOD-

meter- of mijltotaalteller weergegeven.


ze te bevestigen.
Even ingedrukt houden om
terug te keren naar het begin
ONDERHOUD

scherm.
EN ZORG

▼ Om het scherm en de keuzemogelijk-


heden naar beneden te doorlopen of
de weergegeven waarde te verlagen.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

20
SETUP-MENU fig. 18 Een menupunt selecteren Als u de knop MODE even ingedrukt houdt:

EN BEDIENING
DASHBOARD
Het menu bestaat uit een aantal functies – als u de knop MODE kort indrukt, kunt – als u zich in het menu bevindt, dan ver-
dat “cyclisch” wordt weergegeven. De u in het menu de instelling selecteren die laat u het setup-menu;
functies kunnen met de knoppen ▲ en ▼ u wilt wijzigen;
worden gekozen, waarna u de volgende – als u zich in een menu-onderdeel be-
– met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel- vindt, dan verlaat u dat menu-onderdeel;

VEILIGHEID
keuzemogelijkheden kunt selecteren of in-
stellingen (setup) kunt uitvoeren. kens in te drukken) kan de nieuwe instel- – worden alleen de reeds opgeslagen in-
ling worden geselecteerd; stellingen bewaard (reeds bevestigd door
Het setup-menu kan worden ingeschakeld het indrukken van de knop MODE).
door de knop MODE kort in te drukken. – als u de knop MODE kort indrukt, kunt
u de instelling opslaan en tegelijkertijd te- Het setup-menu heeft een tijdregeling; als

EN RIJDEN
Door de knoppen ▲ en ▼ telkens in te

STARTEN
rugkeren naar het eerder geselecteerde het menu na het verstrijken van een be-
drukken, kunt u de lijst van het setup- menupunt. paalde tijd wordt afgesloten, dan blijven al-
menu doorlopen. leen de reeds opgeslagen instellingen be-
“Klokje instellen” selecteren
De werking is afhankelijk van het geselec- waard (reeds bevestigd door het kort in-

LAMPJES EN
BERICHTEN
teerde menupunt. – druk kort op de knop MODE om de drukken van de knop MODE).
eerste eenheid (uren) te wijzigen;
– met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel-
kens in te drukken) kan de nieuwe instel-

GEVALLEN
ling worden geselecteerd;

NOOD-
– als u de knop MODE kort indrukt, kunt
u de instelling opslaan en tegelijkertijd ver-
dergaan naar het volgende onderdeel van

ONDERHOUD
het instelmenu (minuten);

EN ZORG
– na het instellen van de tijd keert u te-
rug naar het eerder geselecteerde menu-
punt.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
21
EN BEDIENING
DASHBOARD
Druk kort op de knop MODE om vanuit het beginscherm
te navigeren. Druk op de knop ▲ of ▼ om in het menu
te navigeren.
Opmerking Als de auto rijdt, is om veiligheidsredenen
alleen een beperkt menu (instelling “SPEEd”) toegan-
VEILIGHEID

kelijk. Als de auto stilstaat is het uitgebreide menu toe-


gankelijk.
EN RIJDEN
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS

F0N1007i
ALFABETISCH
REGISTER

fig. 18
22
Snelheidslimiet (SPEEd) instellen Opmerking De waarde kan worden in- Klokje instellen (Hour)

EN BEDIENING
DASHBOARD
gesteld tussen 30 en 200 km/h of tussen
Met deze functie kan de snelheidslimiet 20 en 125 mph, afhankelijk van de inge- Met deze functie kunt u het klokje instellen.
van de auto (km/h of mph) worden inge- stelde meeteenheid (zie de paragraaf
steld. Als deze limiet wordt overschreden, Ga voor het instellen als volgt te werk:
“Meeteenheid instellen Unit”) hierna. El- – druk kort op de knop MODE; op het
wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie ke keer als u de knop ▲/▼ indrukt, wordt

VEILIGHEID
hoofdstuk “Lampjes en berichten”). display knipperen de “uren”;
de waarde 5 eenheden verhoogd of ver-
Ga voor het instellen van de snelheidsli- laagd. Als u de knop ▲/▼ ingedrukt houdt, – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
miet als volgt te werk: lopen de cijfers automatisch snel door of ling uit te voeren;
terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, – druk kort op de knop MODE; op het
– druk kort op de knop MODE; op het

EN RIJDEN
stelt u de exacte waarde in door de knop display knipperen de “minuten”;

STARTEN
display verschijnt het opschrift (SPEEd) en
de ingestelde meeteenheid (km/h of mph);
telkens in te drukken en los te laten. – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
– druk kort op de knop MODE om terug ling uit te voeren;
– druk op de knop ▲ of ▼ om de snel- te keren naar het menuscherm of houd de
heidslimiet in te schakelen (On) of uit te – druk kort op de knop MODE om terug

LAMPJES EN
BERICHTEN
knop even ingedrukt om terug te keren te keren naar het menuscherm of houd de
schakelen (OFF); naar het beginscherm zonder op te slaan. knop even ingedrukt om terug te keren
– als de functie al was ingeschakeld (On), naar het beginscherm zonder op te slaan.
kan met de knop ▲ of ▼ de gewenste
snelheidslimiet worden ingesteld en wor-

GEVALLEN
NOOD-
den bevestigd door het indrukken van de
knop MODE;

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
23
Volumeregeling buzzer (bUZZ) – druk op de knop ▲ of ▼ om het ge- Meeteenheid (Unit) instellen
EN BEDIENING
DASHBOARD
wenste volume in te stellen (instelling mo-
Met deze functie kan het volume van het gelijk op 8 niveaus). Met deze functie kunt u de meeteenheid
akoestische signaal (buzzer), dat klinkt bij instellen.
de weergave van een storing/waarschu- – druk kort op de knop MODE om terug
wing, worden ingesteld. te keren naar het menuscherm of houd de Ga voor het instellen als volgt te werk:
VEILIGHEID

knop even ingedrukt om terug te keren – druk kort op de knop MODE; op het
Ga voor het instellen van het gewenste naar het beginscherm zonder op te slaan.
volume als volgt te werk: display verschijnt het opschrift (Unit) en
de ingestelde meeteenheid (km) of (mijl);
– druk kort op de knop MODE; op het
display verschijnt het opschrift (bUZZ); – druk op de knop ▲ of ▼ om de ge-
EN RIJDEN
STARTEN

wenste meeteenheid in te stellen.


– druk kort op de knop MODE om terug
te keren naar het menuscherm of houd de
knop even ingedrukt om terug te keren
LAMPJES EN
BERICHTEN

naar het beginscherm zonder op te slaan.


GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

24
F0N1001i
Inschakeling/Uitschakeling van de

EN BEDIENING
DASHBOARD
frontairbag aan passagierszijde en
de zij-airbag voor de bescherming
van borstkas (sidebag) (indien
aanwezig) (BAG P)

VEILIGHEID
Met deze functie kan de airbag aan passa- MODE
gierszijde worden in- en uitgeschakeld. ▲ ▲
▼ ▼
Ga als volgt te werk:

F0N1002i

F0N1003i
❒ druk op de knop MODE en druk, na-

EN RIJDEN
STARTEN
dat op het display het bericht (BAG P
OFF) (voor uitschakeling) of het be-
richt (BAG P On) (voor inschakeling)
is verschenen door het indrukken van

LAMPJES EN
MODE

BERICHTEN
de knop ▲ of ▼, opnieuw op de knop
MODE; ▲ ▲
❒ op het display verschijnt het bericht ▼ ▼
om de instelling te bevestigen;

F0N1005i

F0N1006i

GEVALLEN
NOOD-
❒ selecteer door het indrukken van de
knop ▲ of ▼ (YES) (voor bevestiging
van de inschakeling/uitschakeling) of
(no) (om te annuleren);

ONDERHOUD
EN ZORG
MODE
❒ druk kort op de knop MODE; er ver-
schijnt een bevestiging van de gekozen
instelling en er wordt teruggekeerd

F0N1002i

F0N1003i
naar het menuscherm of, wanneer de

TECHNISCHE
GEGEVENS
knop even ingedrukt wordt gehouden,
naar het beginscherm zonder op te
slaan.

ALFABETISCH
REGISTER
25
EN BEDIENING
DASHBOARD MULTIFUNCTIONEEL
DISPLAY (indien
aanwezig)
VEILIGHEID

Het multifunctionele display kan alle nut-


tige en noodzakelijke informatie tijdens de
rit weergeven:

BEGINSCHERM fig. 19 F0N0018m F0N0017m


EN RIJDEN

fig. 19 fig. 20
STARTEN

Op het beginscherm kan het volgende


worden weergegeven: BEDIENINGSKNOPPEN fig. 20 Opmerking Bij de knoppen ▲ en ▼
A Datum. hangt de werking van het volgende af:
▲ Om het scherm en de keuzemoge-
LAMPJES EN

B Kilometerteller (weergave kilometer-/


BERICHTEN

lijkheden naar boven te doorlopen of Lichtsterkte interieur auto regelen


mijltotaalteller). de weergegeven waarde te verhogen. – als de buitenverlichting is ingeschakeld
C Tijd (altijd weergegeven, ook bij uit- en het beginscherm wordt weergegeven,
genomen contactsleutel en gesloten MODE Kort indrukken voor toegang
tot het menu en/of naar het dan kunt u hiermee de lichtsterkte in het
voorportieren). interieur regelen.
GEVALLEN

volgende scherm te gaan of de


NOOD-

D Buitentemperatuur. keuze te bevestigen. Setup-menu


E Stand koplampverstelling (alleen als
het dimlicht is ingeschakeld). Even ingedrukt houden om – binnen het menu kunt u het menu naar
terug te keren naar het begin- boven of beneden doorlopen;
Opmerking Bij het openen van een
ONDERHOUD

scherm.
EN ZORG

voorportier wordt het display verlicht en – tijdens het instellen kunt u de waarde ver-
wordt enkele seconden de tijd en de kilo- ▼ Om het scherm en de keuzemogelijk- hogen of verlagen.
meter-/mijltotaalteller weergegeven. heden naar beneden te doorlopen of
de weergegeven waarde te verlagen.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

26
SETUP-MENU fig. 21 Een menupunt selecteren in het hoofdmenu “Datum” en

EN BEDIENING
DASHBOARD
Het menu bestaat uit een aantal functies met submenu: “Klokje instellen” selecteren:
dat “cyclisch” wordt weergegeven. De – als u de knop MODE kort indrukt, – als u de knop MODE kort indrukt, kunt
functies kunnen met de knoppen ▲ en ▼ wordt het eerste menupunt van het sub- u de instelling selecteren die u wilt wijzigen
worden gekozen, waarna u de volgende menu weergegeven; (bijv. uren /minuten of jaar /maand /dag);

VEILIGHEID
keuzemogelijkheden kunt selecteren of in- – met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel- – met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel-
stellingen (setup) kunt uitvoeren. Bij en- kens in te drukken) kunt u alle menupun- kens in te drukken) kan de nieuwe instel-
kele onderdelen (Klokje en Meeteenheid ten van het submenu doorlopen; ling worden geselecteerd;
instellen) is er een submenu.
– als u de knop MODE kort indrukt, kunt – als u de knop MODE kort indrukt, kunt
Het setup-menu kan worden geactiveerd u het weergegeven menupunt van het sub- u de instelling opslaan en tegelijkertijd door-

EN RIJDEN
STARTEN
door de knop MODE kort in te drukken. menu selecteren en verschijnt het be- gaan naar het volgende menupunt. Als dit
Door de knop ▲ of ▼ telkens in te druk- treffende setup-menu; menupunt het laatste is, dan wordt terug-
ken, kunt u de lijst van het setup-menu – met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel- gekeerd naar het daarvoor geselecteerde
doorlopen. kens in te drukken) kan de nieuwe instel- menupunt.

LAMPJES EN
BERICHTEN
De werking is afhankelijk van het geselec- ling van dit menupunt in het submenu Als u de knop MODE even ingedrukt houdt:
teerde menupunt. worden geselecteerd;
– als u zich in het hoofdmenu bevindt, dan
Een menupunt selecteren in het hoofdmenu – als u de knop MODE kort indrukt, kunt verlaat u het setup-menu;
zonder submenu: u de instelling opslaan en tegelijkertijd te-
– als u zich op een ander punt in het menu

GEVALLEN
rugkeren naar het eerder geselecteerde

NOOD-
– als u de knop MODE kort indrukt, kunt menupunt in het submenu. bevindt (in een menu-onderdeel in een
u in het hoofdmenu de instelling selecte- submenu, in een submenu of in een menu-
ren die u wilt wijzigen; onderdeel in het hoofdmenu), dan verlaat
– met de knop ▲ of ▼ (door de knop tel- u het hoofdmenu;

ONDERHOUD
EN ZORG
kens in te drukken) kan de nieuwe instel- – worden alleen de reeds opgeslagen in-
ling worden geselecteerd; stellingen bewaard (reeds bevestigd door
– als u de knop MODE kort indrukt, kunt het indrukken van de knop MODE).
u de instelling opslaan en tegelijkertijd te-
Het setup-menu heeft een tijdregeling; als

TECHNISCHE
GEGEVENS
rugkeren naar het eerder geselecteerde
menupunt in het hoofdmenu. het menu na een bepaalde tijd wordt af-
gesloten, dan worden alleen de reeds op-
geslagen instellingen bewaard (reeds be-
vestigd door het kort indrukken van de

ALFABETISCH
knop MODE).

REGISTER
27
Bijvoorbeeld: Bijvoorbeeld:
EN BEDIENING
DASHBOARD
Druk kort op de knop MODE om vanuit het beginscherm
Deutsch te navigeren. Druk op de knop ▲ of ▼ om in het menu te Dag
Italiano English navigeren.
Opmerking Als de auto rijdt, is om veiligheidsrede-
Nederlands Español nen alleen een beperkt menu (“Beep Snelheid” instellen) Jaar Maand
VEILIGHEID

toegankelijk. Als de auto stilstaat is het uitgebreide menu


Português Français toegankelijk.
▲ Knop
▲ ▲ MODE
EN RIJDEN
STARTEN

▼ kort indruk-
Knop
▼ BEEP SNELHEID ▼ ken
MODE ▲ SCHEMER-
kort indruk- MENU VERLATEN
SENSOR
GEGEVENS TRIP B ▲
ken ▼ ▼
LAMPJES EN
BERICHTEN

TIJD INSTELLEN
▲ BAG PASSAGIER
▼ ▼ ▲
GEVALLEN
NOOD-

SERVICE DATUM
INSTELLEN

▼ ▼
ONDERHOUD


EN ZORG

BUZZ. GORDELS (*)


ZIE RADIO
▲ ▼ ▼
TECHNISCHE
GEGEVENS

AUTOCLOSE
VOL. TOETSEN ▲
▼ F0N1000i

▼ VOLUME WAARSCHUWINGEN
TAAL
MEETEENHEID
▲ ▼ ▼ ▲
ALFABETISCH
REGISTER

fig. 21
▲ ▲
(*) Functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door de Fiat-dealer is uitgeschakeld.
28
Snelheidslimiet (Beep Snelheid) – druk kort op de knop MODE om terug – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-

EN BEDIENING
DASHBOARD
te keren naar het menuscherm of houd de ling uit te voeren;
Met deze functie kan de snelheidslimiet knop even ingedrukt om terug te keren
van de auto (km/h of mph) worden inge- naar het beginscherm zonder op te slaan. – druk kort op de knop MODE om terug
steld. Als deze limiet wordt overschreden, te keren naar het menuscherm of houd de
wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie Ga als volgt te werk als u de instelling wilt knop even ingedrukt om terug te keren

VEILIGHEID
hoofdstuk “Lampjes en berichten”). annuleren: naar het beginscherm zonder op te slaan.
Ga voor het instellen van de snelheidsli- – druk kort op de knop MODE; op het
miet als volgt te werk: display knippert (On); Trip B (Gegevens trip B)
– druk kort op de knop MODE; op het – druk kort op de knop ▼; op het display Met deze functie kan de weergave van

EN RIJDEN
STARTEN
display verschijnt het opschrift (Beep knippert (Off); Trip B (dagteller) worden ingeschakeld
Snelh.); (On) of uitgeschakeld (Off).
– druk kort op de knop MODE om terug
– druk op knop ▲ of ▼ om de snelheids- te keren naar het menuscherm of houd de Zie voor meer informatie de paragraaf
limiet in te schakelen (On) of uit te scha- “Trip computer”.

LAMPJES EN
knop even ingedrukt om terug te keren

BERICHTEN
kelen (Off); naar het beginscherm zonder op te slaan. Ga voor het in-/uitschakelen als volgt te
– als de functie al was ingeschakeld (On), werk:
kan met de knop ▲ of ▼ de gewenste Gevoeligheid schemersensor
– druk kort op de knop MODE; op het
snelheidslimiet worden ingesteld en wor- instellen (indien aanwezig) display knippert (On) of (Off), afhankelijk

GEVALLEN
NOOD-
den bevestigd door het indrukken van de Met deze functie kan de gevoeligheid van van de instelling;
knop MODE; de schemersensor worden ingesteld op
3 niveaus. – druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze
Opmerking De waarde kan worden in- uit te voeren;
gesteld tussen 30 en 200 km/h of tussen

ONDERHOUD
Ga voor het instellen van het niveau als

EN ZORG
20 en 125 mph, afhankelijk van de inge- volgt te werk: – druk kort op de knop MODE om terug
stelde meeteenheid (zie de paragraaf te keren naar het menuscherm of houd de
“Meeteenheid instellen” (Meeteenheid)) – druk kort op de knop MODE; op het knop even ingedrukt om terug te keren
hierna. Elke keer als u de knop ▲ / ▼ in- display knippert het “niveau” van de in- naar het beginscherm zonder op te slaan.
gestelde gevoeligheid;

TECHNISCHE
drukt, wordt de waarde 5 eenheden ver-

GEGEVENS
hoogd of verlaagd. Als u de knop ▲ / ▼
ingedrukt houdt, lopen de cijfers automa-
tisch snel door of terug. Als u dicht bij de
juiste waarde bent, stelt u de exacte waar-

ALFABETISCH
REGISTER
de in door de knop telkens in te drukken
en los te laten.

29
Klokje instellen – als u in het submenu “Formaat” zit: druk Datum instellen (Datum instellen)
EN BEDIENING
DASHBOARD
(Tijd instellen) kort op de knop MODE; op het display Met deze functie kan de datum worden in-
Met deze functie kan het klokje worden knippert de tijdsaanduiding; gesteld (dag - maand - jaar).
ingesteld in twee submenu’s: “Tijd” en – druk op de knop ▲ of ▼ voor weerga- Ga voor het instellen als volgt te werk:
“Formaat”. ve van de tijd in "24h" of "12h".
VEILIGHEID

Ga voor het instellen als volgt te werk: – druk kort op de knop MODE; op het
Druk na het uitvoeren van de instelling display knippert de “dag” (dd);
– druk kort op de knop MODE; op het kort op de knop MODE om terug te ke-
display verschijnen de twee submenu’s ren naar het menuscherm of houd de – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
“Tijd” en “Formaat”; knop even ingedrukt om terug te keren ling uit te voeren;
EN RIJDEN

naar het beginscherm zonder op te slaan.


STARTEN

– druk op de knop ▲ of ▼ om tussen de – druk kort op de knop MODE; op het


submenu's te navigeren; – druk nogmaals lang op de knop display knippert de "maand" (mm);
– druk na het selecteren van het submenu MODE om terug te keren naar het be- – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
dat u wilt wijzigen, kort op de knop MO- ginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk ling uit te voeren;
LAMPJES EN
BERICHTEN

DE; van waar u zich in het menu bevindt.


– druk kort op de knop MODE; op het
– als u in het submenu “Tijd” zit: druk kort display knippert het "jaar" (jjjj);
op de knop MODE; op het display knip- – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
peren de “uren”; ling uit te voeren.
GEVALLEN
NOOD-

– druk op de knop ▲ of ▼ om de instel- Opmerking Elke keer als u de knop ▲


ling uit te voeren; of ▼ indrukt, wordt de waarde een een-
– druk kort op de knop MODE; op het heid verhoogd of verlaagd. Als u de knop
ONDERHOUD

display knipperen de "minuten"; ingedrukt houdt, lopen de cijfers automa-


EN ZORG

tisch snel door of terug. Als u dicht bij de


– druk op de knop ▲ of ▼ om de instel- juiste waarde bent, stelt u de exacte waar-
ling uit te voeren; de in door de knop telkens in te drukken
en los te laten.
TECHNISCHE
GEGEVENS

– druk kort op de knop MODE om terug


te keren naar het menuscherm of houd de
knop even ingedrukt om terug te keren
naar het beginscherm zonder op te slaan.
ALFABETISCH
REGISTER

30
Herhaling informatie Centrale portiervergrendeling bij Meeteenheid instellen

EN BEDIENING
DASHBOARD
audiosysteem (Zie radio) rijdende auto (Autoclose) (Meeteenheid)
Met deze functie kan op het display de in- Als deze functie is ingeschakeld (On), wor- Met deze functie kunnen de meeteenheden
formatie over de autoradio worden weer- den de portieren automatisch vergrendeld worden ingesteld in drie submenu’s: “Af-
gegeven. als de auto sneller rijdt dan 20 km/h. stand”, “Verbruik” en “Temperatuur”.

VEILIGHEID
– Radio: frequentie of RDS-bericht van het Ga voor het inschakelen (On) of uitscha- Ga voor het instellen van de gewenste
geselecteerde radiostation, automatisch kelen (Off) van deze functie als volgt te meeteenheid als volgt te werk:
zoeken of AutoSTore inschakelen; werk:
– druk kort op de knop MODE; op het dis-
– audio-CD, MP3-CD: nummer van het – druk kort op de knop MODE; op het play verschijnen de drie submenu’s;

EN RIJDEN
STARTEN
muziekstuk; display verschijnt een submenu;
– CD-wisselaar: CD-nummer en nummer – druk op de knop ▲ of ▼ om tussen de
muziekstuk; – druk kort op de knop MODE; op het drie submenu's te navigeren;
display knippert (On) of (Off), afhankelijk
Ga voor het inschakelen (On) of uitscha- – druk na het selecteren van het submenu

LAMPJES EN
van de instelling;

BERICHTEN
kelen (Off) van de informatie van het au- dat u wilt wijzigen, kort op de knop
diosysteem op het display als volgt te – druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze MODE;
werk: uit te voeren;
– als u in het submenu “Afstand” zit:
– druk kort op de knop MODE; op het – druk kort op de knop MODE om terug – druk kort op de knop MODE; op het

GEVALLEN
display knippert (On) of (Off), afhankelijk te keren naar het scherm van het submenu display wordt “km” of “mijl” weergegeven,

NOOD-
van de instelling; of houd de knop even ingedrukt om terug afhankelijk van de instelling;
te keren naar het scherm van het hoofd-
– druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze menu zonder op te slaan; – druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze
uit te voeren; uit te voeren;

ONDERHOUD
– druk nogmaals lang op de knop

EN ZORG
– druk kort op de knop MODE om terug MODE om terug te keren naar het be- – als u in het submenu “Verbruik” zit: druk
te keren naar het menuscherm of houd de ginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk kort op de knop MODE; op het display
knop even ingedrukt om terug te keren van waar u zich in het menu bevindt. wordt “km/l”, “l/100km” of “mpg” weer-
naar het beginscherm zonder op te slaan. gegeven, afhankelijk van de instelling;

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
31
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op Taal instellen (Taal) Volumeregeling
EN BEDIENING
DASHBOARD
“km”, kan de meeteenheid verbruik wor- waarschuwingszoemer
den ingesteld op ‘’km/l’’ of ‘’l/100 km’’. U kunt de taal van het display instellen: Ita-
liaans, Duits, Engels, Spaans, Frans, Por- (Vol. waarschuwingen)
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op tugees en Nederlands. Het volume van het akoestische signaal
“mijl”, geeft het display de hoeveelheid (buzzer) dat klinkt als er een storing of
Ga om de gewenste taal in te stellen als
VEILIGHEID

verbruikte brandstof aan in “mpg”. waarschuwing wordt weergegeven, kan in-


volgt te werk:
– druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze gesteld worden op 8 niveaus.
uit te voeren; – druk kort op de knop MODE; op het Ga voor het instellen van het gewenste
display knippert de ingestelde “taal”; volume als volgt te werk:
– als u in het submenu “Temperatuur” zit:
EN RIJDEN

– druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze


STARTEN

– druk kort op de knop MODE; op het dis- – druk kort op de knop MODE; op het
play wordt “°C” of “°F” weergegeven, af- uit te voeren; display knippert het “niveau” van het in-
hankelijk van de instelling; – druk kort op de knop MODE om terug gestelde volume;
– druk op de knop ▲ of ▼ om de keuze te keren naar het menuscherm of houd de – druk op de knop ▲ of ▼ om de instel-
LAMPJES EN
BERICHTEN

uit te voeren; knop even ingedrukt om terug te keren ling uit te voeren;
naar het beginscherm zonder op te slaan.
Druk na het uitvoeren van de instelling – druk kort op de knop MODE om terug
kort op de knop MODE om terug te ke- te keren naar het menuscherm of houd de
ren naar het scherm van het submenu of knop even ingedrukt om terug te keren
GEVALLEN
NOOD-

houd de knop even ingedrukt om terug te naar het beginscherm zonder op te slaan.
keren naar het scherm van het hoofdmenu
zonder op te slaan.
– druk nogmaals lang op de knop
ONDERHOUD
EN ZORG

MODE om terug te keren naar het be-


ginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk
van waar u zich in het menu bevindt.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

32
Volumeregeling knoppen Herinschakeling buzzer voor Opmerking Het “Geprogrammeerd On-

EN BEDIENING
DASHBOARD
(Vol. toetsen) melding SBR-systeem (Buzz. derhoudsschema” heeft van de motoruit-
gordels) voering afhankelijke onderhoudsinterval-
Het akoestische signaal dat klinkt bij het len; deze weergave verschijnt automatisch
indrukken van de knoppen MODE, ▲ of De functie wordt alleen weergegeven als als de contactsleutel in stand MAR staat,
▼, kan worden ingesteld op 8 niveaus. het SBR-systeem door de Fiat-dealer is uit- vanaf 2000 km (of 1240 mijl) voor een ser-

VEILIGHEID
Ga voor het instellen van het gewenste geschakeld (zie de paragraaf “SBR-sys- vicebeurt en wordt elke 200 km (of 124
volume als volgt te werk: teem” in het hoofdstuk “Veiligheid”). mijl) herhaald. Op dezelfde wijze worden
berichten betreffende olieverversen her-
– druk kort op de knop MODE; op het Geprogrammeerd onderhoud haald. Met de knoppen ▲ of ▼ kan af-
display knippert het "niveau" van het in-

EN RIJDEN
(Service) wisselend de informatie over het gepro-

STARTEN
gestelde volume; grammeerd onderhoud en het oliever-
Met deze functie kan worden weergege- versen worden weergegeven. Onder de
– druk op de knop ▲ of ▼ om de instel- ven hoeveel kilometers nog resteren
ling uit te voeren; 200 km wordt de weergave met kleinere
voordat een servicebeurt moet worden intervallen weergegeven. De weergave is

LAMPJES EN
BERICHTEN
– druk kort op de knop MODE om terug uitgevoerd. afhankelijk van de ingestelde meeteenheid
te keren naar het menuscherm of houd de Ga voor het raadplegen van deze aanwij- in km of mijl. Als u dicht bij de volgende
knop even ingedrukt om terug te keren zingen als volgt te werk: servicebeurt bent en u de contactsleutel
naar het beginscherm zonder op te slaan. in stand MAR draait, verschijnt op het dis-
– druk kort op de knop MODE; op het play het opschrift "Service" gevolgd door

GEVALLEN
NOOD-
display knippert de afstand in km of mijl, het aantal kilometers/mijlen dat resteert
afhankelijk van de instelling (zie de para- tot de volgende servicebeurt. Wendt u tot
graaf “Meeteenheid”); de Fiat-dealer voor het uitvoeren van de
– druk kort op de knop MODE om terug werkzaamheden van het "Onderhouds-

ONDERHOUD
schema" en voor het op nul zetten van de-

EN ZORG
te keren naar het menuscherm of houd de
knop even ingedrukt om terug te keren ze weergave (reset).
naar het beginscherm.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
33
F0N1009i
Inschakeling/Uitschakeling van de
EN BEDIENING
DASHBOARD
frontairbag aan passagierszijde en
de zij-airbag voor de bescherming
van borstkas (sidebag) (indien
aanwezig) (Bag passagier) MODE
▲ ▲
VEILIGHEID

Met deze functie kan de airbag aan passa- ▼ ▼


gierszijde worden in- en uitgeschakeld.

F0N1010i

F0N1011i
Ga als volgt te werk:
❒ druk op de knop MODE en druk, na
EN RIJDEN
STARTEN

het verschijnen op het display van het


bericht (Bag pass: Off) (voor uitscha- MODE
kelen) of het bericht (Bag pass: On)
(voor inschakelen) door op de knop ▲ ▲
LAMPJES EN

▼ ▼
BERICHTEN

▲ of ▼ te drukken, nogmaals op de
knop MODE;

F0N1013i

F0N1014i
❒ op het display verschijnt het bericht
om de instelling te bevestigen;
GEVALLEN
NOOD-

❒ selecteer door het indrukken van de


knop ▲ of ▼ (Yes) (voor bevestiging MODE
van de inschakeling/uitschakeling) of
(No) (om te annuleren);
ONDERHOUD

F0N1009i

F0N1009i
EN ZORG

❒ druk kort op de knop MODE; er ver-


schijnt een bevestiging van de gekozen
instelling en er wordt teruggekeerd
naar het menuscherm of, wanneer de
TECHNISCHE
GEGEVENS

knop even ingedrukt wordt gehouden,

F0N1016i
F0N1015i
naar het beginscherm zonder op te
slaan.
ALFABETISCH
REGISTER

34
Menu verlaten TRIP COMPUTER “Trip B”, alleen aanwezig op het multi-

EN BEDIENING
DASHBOARD
functionele display, geeft informatie over:
Laatste functie waarmee de instellingen uit
het menuscherm worden afgesloten. Algemene informatie – Afgelegde afstand B
Druk kort op de knop MODE om terug Met de “Trip computer” kan, als de con- – Gemiddeld verbruik B
te keren naar het beginscherm zonder op

VEILIGHEID
tactsleutel in stand MAR staat, op het dis- – Gemiddelde snelheid B
te slaan. play informatie worden weergegeven over
Als u de knop ▼ indrukt, wordt terugge- de werking van de auto. Deze functie be- – Reistijd B.
keerd naar het eerste menupunt (Beep staat uit “Trip A” en “Trip B” die onaf-
hankelijk van elkaar werken en betrekking Opmerking De functie “Trip B” kan
Snelheid). worden uitgeschakeld (zie de paragraaf

EN RIJDEN
STARTEN
hebben op de hele rit van de auto.
“Trip B”). De gegevens “Autonomie” en
Beide functies kunnen op nul worden ge- “Huidig verbruik” kunnen niet op nul wor-
zet (reset - begin van een nieuwe rit). den gezet.

LAMPJES EN
“Trip A” geeft informatie over:

BERICHTEN
Weergegeven gegevens
– Autonomie (actieradius)
Autonomie (actieradius)
– Afgelegde afstand
Geeft het aantal kilometers aan dat nog
– Gemiddeld verbruik gereden kan worden met de brandstof

GEVALLEN
NOOD-
– Huidig verbruik in de brandstoftank, waarbij ervan uit
wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert.
– Gemiddelde snelheid Op het display verschijnt de indicatie “- -
- -” als:

ONDERHOUD
– Reistijd.

EN ZORG
– de actieradius kleiner is dan 50 km (of
30 mijl)
– de auto langere tijd met draaiende mo-

TECHNISCHE
tor stilstaat.

GEGEVENS
Afgelegde afstand
Geeft de afstand aan die de auto heeft af-
gelegd vanaf het begin van een nieuwe rit.

ALFABETISCH
REGISTER
35
Gemiddeld verbruik – iedere keer als de accu losgekoppeld is
EN BEDIENING
DASHBOARD
geweest.
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik
aan vanaf het begin van een nieuwe rit. BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet
terwijl het scherm van “Trip A” wordt
Huidig verbruik weergegeven, dan worden alleen de ge-
VEILIGHEID

Geeft doorlopend de wijziging in het gevens van “Trip A” op nul gezet.


brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet
met draaiende motor wordt “- - - -” op terwijl het scherm van “Trip B” wordt
het display weergegeven. weergegeven, dan worden alleen de ge-
F0N0019m
EN RIJDEN

fig. 22 gevens van “Trip B” op nul gezet.


STARTEN

Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid van de au- Bedieningsknop TRIP fig. 22
to aan op basis van de tijd die verstreken Procedure voor het begin van een rit
is vanaf het begin van een nieuwe rit. Met de knop TRIP, aan het uiteinde van Voor het op nul zetten (reset) moet u,
LAMPJES EN
BERICHTEN

de rechter hendel, krijgt u, als de con- met de sleutel in stand MAR, langer dan
Reistijd tactsleutel in stand MAR staat, toegang 2 seconden op de knop TRIP drukken.
Geeft de verstreken tijd aan vanaf het be- tot de hiervoor beschreven gegevens en
gin van een nieuwe rit. kunnen de gegevens op nul worden gezet
om een nieuwe rit te beginnen: Trip verlaten
GEVALLEN

BELANGRIJK Als er geen informatie is, De functie Trip verlaten: houd de knop
NOOD-

– kort indrukken voor weergave van de


verschijnt bij alle functies op de Trip com- verschillende gegevens; MODE langer dan 2 seconden ingedrukt.
puter de aanduiding “- - - -” in plaats van
de waarde. Wanneer de normale werking – even ingedrukt houden voor het op nul
weer hersteld is, worden de waarden van zetten (reset) en het beginnen van een
ONDERHOUD

nieuwe rit.
EN ZORG

de functies weer op normale wijze weer-


gegeven. De waarden die voor de storing
werden weergegeven, worden niet op nul Nieuwe rit
gezet en er wordt geen nieuwe rit be- Begint als een reset is uitgevoerd:
TECHNISCHE
GEGEVENS

gonnen. – “handmatig” door de gebruiker d.m.v.


het indrukken van de betreffende knop;
– “automatisch” wanneer de “afgelegde af-
stand” de waarde 3999,9 km of 9999,9 km,
ALFABETISCH

afhankelijk van het geïnstalleerde display,


REGISTER

bereikt of wanneer de “reistijd” de waarde


99.59 (99 uur en 59 minuten) bereikt;

36
ZITPLAATSEN Stoel omlaagplaatsen: ga op de stoel

EN BEDIENING
DASHBOARD
zitten en trek de hendel B (voorzijde van
de stoel) omhoog of de hendel C (ach-
ATTENTIE terzijde van de stoel) en plaats uw li-
Alle afstellingen mogen uit- chaamsgewicht op het deel van de stoel

VEILIGHEID
sluitend bij een stilstaande dat omlaaggeplaatst moet worden.
auto worden uitgevoerd.
Verstellen van de rugleuning fig. 23
F0N0118m
Draai de knop D.

EN RIJDEN
fig. 23

STARTEN
De stoffen bekleding van uw
auto is langdurig bestand te- ATTENTIE
gen slijtage die ontstaat bij Laat de hendel los en con-

LAMPJES EN
BERICHTEN
een normaal gebruik van de troleer of de stoel goed ge- ATTENTIE
auto. Hevig en/of langdurig wrijven met blokkeerd is door deze naar voren en Voor maximale veiligheid
kledingaccessoires zoals metalen ges- naar achteren te schuiven. Als de moet u de rugleuning recht-
pen, sierknopen en klittenbandsluitin- stoel niet goed geblokkeerd is, kan de- op zetten, tegen de leuning aan gaan
gen, moet echter absoluut worden ver- ze onverwachts verschuiven, waar- zitten en de gordel goed laten aan-

GEVALLEN
NOOD-
meden omdat hierdoor grote druk ont- door u de controle over de auto kunt sluiten op borst en bekken.
staat op een bepaalde plek op de be- verliezen.
kleding, waardoor deze plek kan slijten
en de bekleding beschadigd wordt.

ONDERHOUD
EN ZORG
Hoogteverstelling
Stoel omhoogplaatsen: ga op de stoel
zitten en trek de hendel B (voorzijde van

TECHNISCHE
Verstellen in lengterichting fig. 23

GEGEVENS
de stoel) omhoog of de hendel C (ach-
Trek de hendel A omhoog en schuif de terzijde van de stoel) en verplaats uw li-
stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, chaamsgewicht van het deel van de stoel
moeten de armen licht gebogen zijn en de dat omhooggeplaatst moet worden.

ALFABETISCH
handen op de stuurwielrand steunen.

REGISTER
37
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0147m F0N0139m F0N0148m


EN RIJDEN

fig. 24 fig. 25 fig. 26


STARTEN

Verstellen van de lendensteun Gewicht van de schokdemper STOELEN MET VERSTELBARE


Draai voor de instelling aan knop instellen ARMSTEUNEN
LAMPJES EN
BERICHTEN

E-fig. 24 Met de instelknop A-fig. 25 kunt u de


stoel op basis van het lichaamsgewicht in- De bestuurdersstoel kan voorzien zijn van
GEVEERDE STOEL stellen tussen 40 kg en 130 kg. een opklapbare en in hoogte verstelbare
armsteun. Voor het afstellen moet de
Deze is voorzien van een mechanisch draaiknop A-fig. 26 worden verdraaid.
GEVALLEN

veersysteem en een hydraulische schok-


NOOD-

demper, waardoor het comfort en de vei-


ligheid worden verbeterd. Door het veer- ATTENTIE
systeem worden bovendien de oneffen-
Voordat de veiligheidsgordels
ONDERHOUD

heden van het wegdek beter geabsor-


EN ZORG

beerd. voor worden omgelegd, moet


gecontroleerd worden of de armsteu-
Zie voor het verstellen in lengterichting, nen zijn opgeklapt (zie de paragraaf
de hoogteverstelling, de verstelling van de “Veiligheidsgordels”).
rugleuning, lendensteun en armsteun, de
TECHNISCHE
GEGEVENS

paragraaf “Zitplaatsen voor”.


ALFABETISCH
REGISTER

38
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Voordat de veiligheidgordels
worden losgemaakt en de
auto wordt verlaten, moet gecontro-
leerd worden of de armsteun aan por-

VEILIGHEID
tierszijde geheel is opgeklapt.

ATTENTIE
Als het noodzakelijk is een F0N0187m F0N0173m

EN RIJDEN
fig. 27 fig. 28

STARTEN
kind op de passagiersstoel
voor te vervoeren, moet de frontair-
bag aan passagierszijde worden uit- DRAAIBARE STOEL MET
geschakeld, de veiligheidsgordel aan GEÏNTEGREERDE GORDEL

LAMPJES EN
(indien aanwezig)

BERICHTEN
passagierszijde goed zijn omgelegd en
de armsteunen geheel zijn neerge- Deze is voorzien van een driepunts-veilig-
klapt om onverwachte bewegingen heidsgordels fig. 28, twee verstelbare arm-
hiervan te voorkomen. steunen (zie voor de verstelling de paragraaf
“Stoelen met verstelbare armsteunen”) en

GEVALLEN
NOOD-
een in hoogte verstelbare hoofdsteun (zie
STOEL MET DRAAIVOET 1 2 voor de verstelling de paragraaf “Hoofd-
(indien aanwezig) fig. 27a F0N0700m steunen”).
Deze stoel kan 180° worden gedraaid in de

ONDERHOUD
EN ZORG
richting van de stoel aan de andere zijde.
ATTENTIE ATTENTIE
Bedien voor het draaien van de stoel knop Zorg dat de stoel in de rij- Alle afstellingen mogen uit-
A-fig. 27. richting vergrendeld is voor- sluitend bij een stilstaande

TECHNISCHE
dat u de auto start. auto worden uitgevoerd. Let er tijdens

GEGEVENS
Voordat u de stoel draait, moet de stoel
naar voren zijn geschoven en pas daarna het draaien van de stoel op dat de stoel
in lengterichting worden versteld fig. 27a. niet in aanraking komt met de hand-
rem.

ALFABETISCH
REGISTER
39
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0174m F0N0213m F0N0149m


EN RIJDEN

fig. 29 fig. 30b fig. 30c


STARTEN

kan zowel in de rijrichting als 180° ge- TAFEL OP BANK fig. 30c
draaid vergrendeld worden. (indien aanwezig)
LAMPJES EN
BERICHTEN

De stoel kan gedraaid worden met de De zitplaats is uitgerust met een uitklap-
hendel D-fig. 30a (op de rechterzijde van baar tafeltje.
de stoel).
Trek voor gebruik aan het lipje A en klap
Voordat u de stoel draait, moet de stoel de tafel neer.
naar voren zijn geschoven en pas daarna
GEVALLEN

De tafel is voorzien van twee bekerhou-


NOOD-

in lengterichting worden versteld fig. 27a. ders en een steunvlak met kaartenklem.
F0N0175m
fig. 30a
ONDERHOUD

Rugleuning verstellen ATTENTIE


EN ZORG

Bedien de hendel A-fig. 29. Zorg dat de stoel in de rij-


richting vergrendeld is voor-
dat u de auto start.
Hoogteverstelling fig. 29 ATTENTIE
TECHNISCHE
GEGEVENS

Met de knop B of C kan respectievelijk de Plaats geen zware voorwer-


voorzijde/achterzijde van de stoel worden pen op het tafeltje als de au-
verhoogd/verlaagd. to in beweging is, omdat deze voor-
Stoelverwarming fig. 30b werpen bij bruusk remmen of een bot-
(indien aanwezig)
ALFABETISCH

Stoel draaien sing de inzittenden kunnen raken en


REGISTER

De stoel kan 180° gedraaid worden in de Druk met de sleutel in stand MAR op de ernstig letsel veroorzaken.
richting van de stoel aan de andere zijde knop E om de functie in of uit te schakelen.
en ongeveer 35° naar het portier. De stoel
40
PANORAMA-UITVOERINGEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
Rugleuning verstellen van de
passagiersstoelen fig. 31
Draai aan de knop A.

VEILIGHEID
Toegang tot de stoelen van de
tweede rij fig. 31
F0N0237m F0N0238m Voor toegang tot de tweede rij stoelen,

EN RIJDEN
fig. 30d fig. 30e

STARTEN
moet u de hendel B van de stoel aan de
LADE ONDER STOEL KUNSTSTOF KAPPEN OP rechter buitenzijde van de eerste rij be-
dienen en de rugleuning neer klappen met
(indien aanwezig) STOELVOET fig. 30e de linker hand.

LAMPJES EN
(indien aanwezig)

BERICHTEN
Onder de bestuurdersstoel bevindt zich
een lade A-fig. 30d die eenvoudig uit de Als u de stoel weer in de normale stand
De kap voor A kan worden geopend door zet, vergrendelt de stoel automatisch,
betreffende haken op de vloer kan wor- de ontgrendelhandgreep B aan de boven-
den verwijderd. waarbij de hendel niet meer behoeft te
zijde te bedienen. worden bediend.

GEVALLEN
Op deze manier is het opbergvak onder

NOOD-
de stoel bereikbaar (zie de paragraaf “La- Op de Panorama-bank van de 2e rij zijn
de onder stoel”). beide zijzitplaatsen vast ingebouwd.
ATTENTIE
Plaats geen zware voorwer- Om makkelijker de kap te openen en het

ONDERHOUD
pen in de lade als de auto in opbergvak te bereiken, moet de stoel zo

EN ZORG
beweging is, omdat deze voorwerpen ver mogelijk naar achteren worden ge-
bij bruusk remmen of een botsing de schoven.
inzittenden kunnen raken en ernstig Voor het verwijderen van de kap voor,
letsel veroorzaken. moet deze zo ver mogelijk naar voren ge-

TECHNISCHE
GEGEVENS
draaid worden en uit de bevestigingen in
het onderste deel worden losgehaakt
door de kap naar de voorzijde van de au-
to te trekken.

ALFABETISCH
REGISTER
41
COMBINATO-UITVOERINGEN
EN BEDIENING
DASHBOARD

Stand Easy Entry


Trek de hendel A-fig. 32 omhoog en klap
de rugleuning naar voren.
VEILIGHEID

Opgeklapte stand
Ga als volgt te werk:
F0N0227m F0N0228m
EN RIJDEN

fig. 31 – verwijder als de bank in de “easy entry”- fig. 32


STARTEN

stand staat, de hoofdsteunen;


Rugleuning van middelste zitplaats – plaats de hendel B-fig. 33 (onder de ATTENTIE
omklappen (2e - 3e rij) fig. 31 hendel A) met de rechter hand om- Rijd niet met passagiers op
LAMPJES EN
BERICHTEN

Plaats de hendel C omhoog en klap de hoog; de 3e rij als de bank van de 2e


rugleuning naar voren. – kantel de rugleuning 5° naar achteren; rij is neergeklapt. Plaats geen enkel
voorwerp op de rugleuning van de
Op de rugleuning van de middelste zit- – klap met de linker hand de rugleuning neergeklapte bank van de 2e rij: bij
plaats bevindt zich een stevig blad met be- naar voren. een ongeval of bruusk remmen kun-
GEVALLEN

kerhouders dat dienst kan doen als arm-


NOOD-

nen ze de inzittenden raken en ern-


steun of tafeltje. stig letsel veroorzaken. Zie voor meer
Door de hendel omhoog te trekken kan informatie de sticker die onder de
de rugleuning weer in de normale stand bank is aangebracht.
ONDERHOUD

worden gezet.
EN ZORG

Als u de rugleuning van de middelste zit-


plaats van de tweede rij wilt neerklappen,
moet u de hoofdsteun verwijderen, waar-
TECHNISCHE
GEGEVENS

door u makkelijker de middelste rugleu-


ning van de eerste zitrij kunt verstellen.
ALFABETISCH
REGISTER

42
HOOFDSTEUNEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
VOOR fig. 36
Deze zijn op enkele uitvoeringen in hoog-

VEILIGHEID
te verstelbaar en vergrendelen automa-
tisch in de gewenste stand.

Instellen
F0N0229m F0N0230m

EN RIJDEN
fig. 33 fig. 34 ❒ omhoog verplaatsen: trek de hoofd-

STARTEN
steun omhoog totdat hij hoorbaar ver-
Bank verwijderen grendelt.
BELANGRIJK Het verwijderen van de

LAMPJES EN
BERICHTEN
bank moet door ten minste twee perso-
nen worden uitgevoerd.
Ga voor het verwijderen van de bank als
volgt te werk:

GEVALLEN
NOOD-
– draai vanuit de ingeklapte stand de hen-
dels C en D-fig. 34 naar voren (zoals
aangegeven op de sticker op de onder- fig. 35 F0N0231m

traverse);

ONDERHOUD
EN ZORG
– til de onderkant van de bank naar voren ATTENTIE
omhoog;
Als de bank vervolgens weer
– breng de bank in verticale stand; teruggeplaatst wordt, moet

TECHNISCHE
gecontroleerd worden of de bank

GEGEVENS
– draai vanuit de verticale stand de hen-
dels E en F-fig. 35 omhoog; goed vergrendeld is in de rails op de
vloer.
– til de bank van de vloer en verwijder
hem.

ALFABETISCH
REGISTER
43
EN BEDIENING
DASHBOARD STUURWIEL
Het stuurwiel kan in axiale richting wor-
den versteld.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
VEILIGHEID

❒ ontgrendel de hendel fig. 37 door hem


naar het stuur te trekken (stand 2);
❒ plaats het stuur in de gewenste stand;
F0N0020m F0N0021m
EN RIJDEN

fig. 36 fig. 37
STARTEN

❒ vergrendel de hendel door hem naar


voren te drukken (stand 1).
❒ omlaag verplaatsen: druk op de knop ATTENTIE
A en duw de hoofdsteun omlaag.
Het stuur mag alleen wor-
LAMPJES EN
BERICHTEN

Om de hoofdsteunen voor te verwijde- den versteld als de auto stil-


ren, moet u gelijktijdig de knoppen A en staat.
B aan de kant van de twee steunen in-
drukken en de hoofdsteunen uittrekken.
GEVALLEN
NOOD-

ATTENTIE ATTENTIE
De hoofdsteunen moeten zo Het is streng verboden om
worden ingesteld dat ze het demontage-/montagewerk-
ONDERHOUD
EN ZORG

hoofd ondersteunen en niet de nek. zaamheden uit te voeren, waarvoor


Alleen in deze positie bieden ze be- wijzigingen in de stuurinrichting of de
scherming. stuurkolom vereist zijn (bijv. bij mon-
tage van een diefstalbeveiliging).
TECHNISCHE
GEGEVENS

Hierdoor kunnen de prestaties van


het systeem, de garantie en de veilig-
Voor het optimaal benutten van de hoofd- heid in gevaar worden gebracht en
steun, moet de rugleuning zo zijn ingesteld voldoet de auto niet meer aan de
dat u rechtop zit en dat uw hoofd zich zo typegoedkeuring.
ALFABETISCH

dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt.


REGISTER

44
EN BEDIENING
DASHBOARD
SPIEGELS

BINNENSPIEGEL fig. 38

VEILIGHEID
De binnenspiegel is voorzien van een be-
veiligingsmechanisme, waardoor de spie-
gel bij een krachtig contact met een inzit-
tende losschiet.
F0N0022m F0N0024m

EN RIJDEN
fig. 38 fig. 39

STARTEN
Met het hendeltje A kan de spiegel in twee
standen worden gezet: normale of anti-
verblindingsstand.

LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
F0N0023m
fig. 40

ONDERHOUD
EN ZORG
BUITENSPIEGELS

Verstellen fig. 39

TECHNISCHE
Handbediende verstelling

GEGEVENS
De twee spiegelglazen kunnen met de
hand afgesteld worden.

ALFABETISCH
REGISTER
45
BELANGRIJK Als de spiegel met de hand
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
is ingeklapt, dan kunt u de spiegel met de
Het spiegelglas van de on- hand weer terugplaatsen; als de spiegel
derste spiegel is parabolisch daarentegen elektrisch is ingeklapt, kan de
waardoor het blikveld wordt vergroot. spiegel elektrisch weer worden uitgeklapt.
Hierdoor lijkt de omvang van de ob-
VEILIGHEID

jecten die men in de spiegel ziet, klei-


ner en ontstaat de indruk dat deze Ontwaseming/ontdooiing (indien
objecten verder verwijderd zijn dan in aanwezig)
werkelijkheid. De buitenspiegels zijn voorzien van ver-
F0N0159m
warmingselementen die worden inge-
EN RIJDEN

fig. 41
STARTEN

schakeld als de achterruitverwarming


Inklappen wordt ingeschakeld (door op de knop ()
Elektrische verstelling te drukken).
Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgangen)
LAMPJES EN

De elektrische verstelling is alleen mogelijk BELANGRIJK De functie is voorzien van


BERICHTEN

kunnen de buitenspiegels worden inge-


als de contactsleutel in stand MAR staat. klapt door ze van stand 1-fig. 40 in stand een tijdschakeling, waardoor de functie na
U kunt de spiegel verstellen door de knop 2 te zetten. enige minuten automatisch wordt uitge-
B in een van de vier standen te zetten: ÿ1 schakeld.
spiegel links, ⁄ 2 spiegel rechts ¤ 3 groot-
GEVALLEN

hoekspiegel links, Ÿ 4 groothoekspiegel


NOOD-

rechts
Nadat u de knop in een stand hebt gezet, Tijdens het rijden moeten de ATTENTIE
kunt u de gekozen spiegel verstellen door spiegels altijd in stand 1-fig. 40 De spiegel aan de bestuur-
ONDERHOUD

de knop in de richting van de pijlen te be-


EN ZORG

staan. derszijde is bol, waardoor de


wegen. afstandswaarneming iets wordt beïn-
vloed.

Elektrisch inklappen
TECHNISCHE
GEGEVENS

(indien aanwezig)
Druk op de tuimelschakelaar A-fig. 41:
op zijde 1 om de spiegel uit te klappen en
ALFABETISCH

op zijde 2 om de spiegel in te klappen.


REGISTER

46
VERWARMING EN VENTILATIE

EN BEDIENING
DASHBOARD
F0N0025m

VEILIGHEID
EN RIJDEN
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
fig. 42

ALFABETISCH
REGISTER
1. Vast luchtrooster boven - 2. Verstelbare luchtroosters in het midden - 3. Vaste luchtroosters aan zijkant - 4. Verstelbare
luchtroosters aan zijkant - 5. Luchtroosters onder voor zitplaatsen voor.

47
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0026m
EN RIJDEN

fig. 43
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-

F0N0027m
fig. 44 fig. 45 F0N0028m
ONDERHOUD
EN ZORG

VERSTELBARE EN REGELBARE BEDIENINGSKNOPPEN fig. 45 Draaiknop B voor het


LUCHTROOSTERS AAN DE ZIJ- inschakelen/regelen van de
KANT EN IN HET MIDDEN Draairing A voor regeling van de aanjager
fig. 43-44 luchttemperatuur (menging van p 0 = aanjager uitgeschakeld
TECHNISCHE
GEGEVENS

A Vaste luchtroosters voor de zijruiten. warme/koude lucht)


1-2-3 = aanjagersnelheid
B Verstelbare luchtroosters aan de zijkant. Rode gebied = warme lucht
4 - = aanjager op maximale snelheid
C Vaste luchtroosters. Blauwe gebied = koude lucht
ALFABETISCH
REGISTER

D Verstelbare luchtroosters in het midden.


E Regelknop voor de luchtopbrengst.
De luchtroosters A en C zijn niet ver-
stelbaar.
48
Draairing C voor de luchtverdeling VENTILATIE VAN HET SNELLE VERWARMING VAN

EN BEDIENING
DASHBOARD
INTERIEUR INTERIEUR
¶ voor lucht uit de uitstroomopeningen
in het midden en aan de zijkanten; Ga voor een goede ventilatie van het in- Ga voor een snelle verwarming als volgt
terieur als volgt te werk: te werk:
ß voor luchttoevoer naar de beenruim-
ten en voor een iets lagere tempera- ❒ draai de ring A in het blauwe vlak; ❒ draai de ring A in het rode vlak;

VEILIGHEID
tuur uit de uitstroomopeningen op het
dashboard (“bilevel”-stand); ❒ schakel de luchtrecirculatie uit door ❒ schakel de luchtrecirculatie in door de
de knop D in stand Ú te zetten; knop D in stand Ò te zetten.
© voor verwarming bij lage buitentem- ❒ draai de ring C in stand ¶; ❒ draai de ring C in stand ©;
peraturen: voor maximale luchttoe-

EN RIJDEN
STARTEN
voer naar de beenruimten; ❒ draai de knop B op de gewenste snel- ❒ draai de knop B in stand 4 - (maxi-
heid. male aanjagersnelheid).
® voor verwarming van de beenruimten
en ontwaseming van de voorruit; Vervolgens kan een stand gekozen wor-
VERWARMING VAN HET

LAMPJES EN
den waarbij het comfort optimaal blijft.

BERICHTEN
- voor een snelle ontwaseming van de INTERIEUR
voorruit. Draai de knop D in stand Ú om de
Ga als volgt te werk: luchtrecirculatie uit te schakelen en het
beslaan van de ruiten te voorkomen.
Draaiknop D voor het in-/ ❒ draai de ring A in het rode vlak;
uitschakelen van de BELANGRIJK Bij een koude motor moet

GEVALLEN
❒ draai de ring C in de gewenste stand;

NOOD-
luchtrecirculatie enige minuten worden gewacht totdat de
❒ draai de knop B op de gewenste snel- vloeistof van het systeem de optimale be-
Als u de knop D in stand Ò draait, drijfstemperatuur heeft bereikt.
wordt de luchtrecirculatie ingeschakeld. heid.

ONDERHOUD
EN ZORG
Als u de knop D in stand Ú draait,
wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
49
Beslaan van de ruiten voorkomen
EN BEDIENING
DASHBOARD
Als het buiten extreem vochtig is en/of bij
regen en/of bij grote verschillen in interi-
eur- en buitentemperatuur, raden wij u de
volgende procedure aan om het beslaan van
VEILIGHEID

de ruiten te voorkomen:
❒ draai de ring A in het rode vlak;
❒ schakel de luchtrecirculatie uit door
F0N0185m de knop D in stand Ú te zetten; F0N0043m
EN RIJDEN

fig. 46 fig. 47
STARTEN

❒ draai de ring C in stand - met de


mogelijkheid stand ® in te schake-
SNELLE ONTWASEMING/ len als de ruiten niet beslaan; ONTWASEMING/ONTDOOIING
ONTDOOIING VAN DE RUITEN ACHTERRUIT EN BUITEN-
❒ draai de knop B op de 2e snelheid.
LAMPJES EN

VOOR (VOORRUIT EN SPIEGELS (indien aanwezig) fig. 47


BERICHTEN

ZIJRUITEN) Druk op de knop A voor het inschake-


Ga als volgt te werk: len van deze functie: als deze functie wordt
❒ draai de ring A in het rode vlak; ingeschakeld, gaat het lampje op de knop
branden.
GEVALLEN

❒ schakel de luchtrecirculatie uit door


NOOD-

de knop D in stand Ú te zetten; De functie is voorzien van een tijdscha-


❒ draai de ring C in stand -; keling, waardoor de functie na 20 minuten
automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt
❒ draai de knop B in stand 4 - (maxi- de functie eerder uitschakelen door nog-
ONDERHOUD
EN ZORG

male aanjagersnelheid). maals de knop A in te drukken.


BELANGRIJK Voor een snelle ontwase- BELANGRIJK Plak geen stickers of ande-
ming/ontdooiing moet als er een extra re plaatjes op de elektrische weerstands-
verwarming aanwezig is (onder de zitplaats draden aan de binnenzijde van de achter-
TECHNISCHE
GEGEVENS

voor of achter bij Panorama- en Combi- ruit, om beschadiging van de achterruit-


nato uitvoeringen), deze verwarming, in- verwarming te voorkomen.
dien ingeschakeld, worden uitgeschakeld
door op de knop F (lampje gedoofd) op
ALFABETISCH

het schakelaarpaneel te drukken fig. 46.


REGISTER

Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een


stand gekozen worden waarbij het com-
fort optimaal blijft.
50
RECIRCULATIE INSCHAKELEN BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie AIRCONDITIONING,

EN BEDIENING
DASHBOARD
kunnen, afhankelijk van de werking van het
Draai de knop D in stand Ò . systeem (“verwarming” of “koeling”), de HANDBEDIEND
Het verdient aanbeveling om de luchtre- gewenste omstandigheden sneller bereikt (indien aanwezig)
circulatie in te schakelen in de file of in tun- worden.
nels. Hiermee wordt voorkomen dat ver-

VEILIGHEID
Het is echter niet raadzaam deze functie BEDIENINGSKNOPPEN fig. 48
vuilde lucht het interieur bereikt. Het is in te schakelen op regenachtige of koude
niet raadzaam dit systeem langdurig te la- dagen, omdat dan de ruiten aan de bin-
ten werken, omdat anders, vooral als u nenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan. Draairing A voor regeling van de
met meerdere personen in de auto zit, de luchttemperatuur (menging van

EN RIJDEN
kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten

STARTEN
warme/koude lucht)
beslaan.
Rode gebied = warme lucht
Blauwe gebied = koude lucht

LAMPJES EN
BERICHTEN
Draaiknop B voor het
inschakelen/regelen van de
aanjager

GEVALLEN
p 0 = aanjager uitgeschakeld

NOOD-
1-2-3 = aanjagersnelheid
4 - = aanjager op maximale snelheid

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
51
Draaiknop D voor het in-/
EN BEDIENING
DASHBOARD
uitschakelen van de
luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt (lampje op de knop
brandt), schakelt de luchtrecirculatie in.
VEILIGHEID

Als u nogmaals op de knop drukt (lampje


op de knop gedoofd), schakelt de lucht-
recirculatie uit.
EN RIJDEN
STARTEN

Knop E voor het in-/uitschakelen


van de airconditioning
Als u op de knop drukt (lampje op de knop
brandt), schakelt de airconditioning in.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Als u nogmaals op de knop drukt (lampje


op de knop gedoofd), schakelt de aircon-
ditioning uit.
GEVALLEN
NOOD-

fig. 48 F0N0029m VENTILATIE VAN HET


INTERIEUR
ONDERHOUD
EN ZORG

Ga voor een goede ventilatie van het in-


Draairing C voor de luchtverdeling ® voor verwarming van de beenruimten terieur als volgt te werk:
en ontwaseming van de voorruit;
¶ voor lucht uit de uitstroomopeningen ❒ draai de ring A in het blauwe vlak;
in het midden en aan de zijkanten; - voor een snelle ontwaseming van de
voorruit. ❒ schakel de luchtrecirculatie uit door
TECHNISCHE
GEGEVENS

ß voor luchttoevoer naar de beenruim- de knop D in stand Ú te zetten;


ten en voor een iets lagere tempera-
tuur uit de uitstroomopeningen op het ❒ draai de ring C in stand ¶;
dashboard (“bilevel”-stand);
❒ draai de knop B op de gewenste snel-
ALFABETISCH

© voor verwarming bij lage buitentem-


REGISTER

heid.
peraturen: voor maximale luchttoe-
voer naar de beenruimten;

52
AIRCONDITIONING (koeling) VERWARMING VAN HET SNELLE ONTWASEMING/

EN BEDIENING
DASHBOARD
Ga voor een snelle koeling als volgt te INTERIEUR ONTDOOIING VAN DE RUITEN
werk: Ga als volgt te werk: VOOR (VOORRUIT EN
ZIJRUITEN)
❒ draai de ring A in het blauwe vlak; ❒ draai de ring A in het rode vlak;
Ga als volgt te werk:

VEILIGHEID
❒ schakel de luchtrecirculatie in door de ❒ draai de ring C op het gewenste sym-
knop D in stand Ò te zetten; bool; ❒ draai de ring A in het rode vlak;
❒ draai de ring C in stand ¶; ❒ draai de knop B op de gewenste snel- ❒ draai de knop B in stand 4 - (maxi-
heid. male aanjagersnelheid);
❒ schakel de airconditioning in door de

EN RIJDEN
STARTEN
knop E in te drukken; het lampje op de ❒ draai de ring C in stand -;
knop E gaat branden; ❒ schakel de luchtrecirculatie uit door
SNELLE VERWARMING VAN de knop D in stand Ú te zetten.
❒ draai de knop B in stand 4 - (maxi- INTERIEUR

LAMPJES EN
male aanjagersnelheid).

BERICHTEN
BELANGRIJK Voor een snelle ontwase-
Ga voor een snelle verwarming als volgt ming/ontdooiing moet als er een extra
Regeling van de koeling te werk: verwarming/airconditioning aanwezig is
❒ draai de ring A naar rechts voor ver- ❒ draai de ring A in het rode vlak; (onder de zitplaats voor of achter bij Pano-
rama- en Combinato uitvoeringen), deze
hoging van de temperatuur; ❒ schakel de luchtrecirculatie in door de

GEVALLEN
verwarming, indien ingeschakeld, worden

NOOD-
❒ schakel de luchtrecirculatie uit door knop D in stand Ò te zetten. uitgeschakeld door op de knop F (lampje
de knop D in stand Ú te zetten; ❒ draai de ring C in stand ©; gedoofd) op het schakelaarpaneel te druk-
ken fig. 49.
❒ draai de knop B voor verlaging van de ❒ draai de knop B in stand 4 - (maxi-

ONDERHOUD
EN ZORG
aanjagersnelheid. male aanjagersnelheid). Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een
stand gekozen worden waarbij het com-
BELANGRIJK Als u op de knop E van de Vervolgens kan een stand gekozen wor- fort optimaal blijft.
aircocompressor drukt, wordt de functie den waarbij het comfort optimaal blijft.
alleen ingeschakeld als de aanjager ten Draai de knop D in stand Ú om de BELANGRIJK De airconditioning kan goed

TECHNISCHE
GEGEVENS
minste op de eerste snelheid is ingescha- luchtrecirculatie uit te schakelen (lampje gebruikt worden om de ruiten sneller te
keld (draaiknop B). op de knop gedoofd). ontwasemen, omdat de lucht wordt ont-
vochtigd. Stel de bedieningsorganen in zo-
BELANGRIJK Bij een koude motor moet als hiervoor beschreven en schakel de air-
enige minuten worden gewacht totdat de

ALFABETISCH
conditioning in door de knop E in te druk-

REGISTER
vloeistof van het systeem de optimale be- ken; het lampje op de knop gaat branden.
drijfstemperatuur heeft bereikt.

53
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
EN BEDIENING
DASHBOARD
Draai de knop D in stand Ò;
Het verdient aanbeveling om de luchtre-
circulatie in te schakelen in de file of in tun-
nels. Hiermee wordt voorkomen dat ver-
VEILIGHEID

vuilde lucht het interieur bereikt. Het is


niet raadzaam dit systeem langdurig te la-
ten werken, omdat anders, vooral als u
F0N0185m F0N0043m
met meerdere personen in de auto zit, de
EN RIJDEN

fig. 49 fig. 50 kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten


STARTEN

beslaan.
Beslaan van de ruiten voorkomen ONTWASEMING/ BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie
Als het buiten extreem vochtig is en/of bij ONTDOOIING ACHTERRUIT EN kunnen, afhankelijk van de werking van het
LAMPJES EN

BUITENSPIEGELS
BERICHTEN

regen en/of bij grote verschillen in interi- systeem (“verwarming” of “koeling”), de


eur- en buitentemperatuur, raden wij u de (indien aanwezig) fig. 50 gewenste omstandigheden sneller bereikt
volgende procedure aan om het beslaan van Druk op de knop A voor het inschake- worden.
de ruiten te voorkomen: len van deze functie: als deze functie wordt Het is echter niet raadzaam deze functie
❒ draai de ring A in het rode vlak; ingeschakeld, gaat het lampje op de knop in te schakelen op regenachtige of koude
GEVALLEN
NOOD-

branden. dagen, omdat dan de ruiten aan de bin-


❒ schakel de luchtrecirculatie uit door nenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
de knop D in stand Ú te zetten; De functie is voorzien van een tijdscha-
keling, waardoor de functie na 20 minuten
❒ draai de ring C in stand - met de
ONDERHOUD

automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt


EN ZORG

mogelijkheid stand ® in te schake- de functie eerder uitschakelen door nog-


len als de ruiten niet beslaan; maals de knop A in te drukken.
❒ draai de knop B op de 2e snelheid. BELANGRIJK Plak geen stickers of ande-
TECHNISCHE

re plaatjes op de elektrische weerstands-


GEGEVENS

BELANGRIJK De airconditioning is zeer


bruikbaar om het beslaan van de ruiten draden aan de binnenzijde van de achter-
te voorkomen bij een hoge luchtvochtig- ruit, om beschadiging van de achterruit-
heid, omdat de in het interieur gevoerde verwarming te voorkomen.
lucht wordt ontvochtigd.
ALFABETISCH
REGISTER

54
ONDERHOUD VAN HET AIRCONDITIONING, Deze functies kunnen handmatig worden

EN BEDIENING
DASHBOARD
SYSTEEM gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt
AUTOMATISCH regelen door naar wens een of meer func-
Schakel in de winter de airconditioning 1 (indien aanwezig) ties te selecteren en te wijzigen. Op deze
keer per maand gedurende 10 minuten in. manier worden de functies die handma-
Laat voor het zomerseizoen de werking tig zijn gewijzigd niet langer automatisch

VEILIGHEID
van de airconditioning door de Fiat-dealer ALGEMENE INFORMATIE door het systeem geregeld. Het systeem
controleren. grijpt alleen in om veiligheidsredenen (bijv.
De automatische airconditioning regelt de kans op beslaan).
temperatuur, de luchtopbrengst en de
luchtverdeling in het interieur. De tem- De handmatige instellingen hebben voor-

EN RIJDEN
STARTEN
peratuurregeling is gebaseerd op “tempe- rang boven de automatische instellingen
De airconditioning maakt ge- ratuurgelijkheid”: d.w.z. dat het systeem en blijven in het geheugen opgeslagen tot-
bruik van het koelmiddel continu werkt om het comfort in het in- dat de gebruiker de regeling weer over-
R134a. Bij lekkage is dit mid- terieur constant te houden en eventuele laat aan de automatische werking door op-

LAMPJES EN
verschillen in de weersomstandigheden

BERICHTEN
del niet schadelijk voor het nieuw op de knop AUTO te drukken, be-
milieu. Gebruik in geen geval andere buiten te compenseren, ook zonnestraling halve in de gevallen dat het systeem om
middelen, zoals R12, omdat anders de (gesignaleerd door een zonnestralings- veiligheidsredenen ingrijpt.
componenten van het systeem be- sensor).
Als handmatig een functie wordt ingesteld,
schadigd kunnen worden. De automatisch gecontroleerde parame- blijven de andere functies echter automa-

GEVALLEN
NOOD-
ters en functies zijn: tisch geregeld.
❒ luchttemperatuur uit de uitstroom- De luchttemperatuur in het interieur
openingen; wordt altijd automatisch geregeld op ba-

ONDERHOUD
sis van de ingestelde temperatuur op het
❒ luchtverdeling uit de uitstroom-

EN ZORG
display (behalve als het systeem is uitge-
openingen; schakeld of in enkele omstandigheden als
❒ aanjagersnelheid (traploze regeling van de compressor is uitgeschakeld).
de luchtstroom);

TECHNISCHE
GEGEVENS
❒ inschakeling van de compressor (voor
koelen en drogen van de lucht);
❒ luchtrecirculatie.

ALFABETISCH
REGISTER
55
De volgende parameters en functies kun-
EN BEDIENING
DASHBOARD
nen handmatig worden ingesteld en ge-
wijzigd:
❒ luchttemperatuur;
❒ aanjagersnelheid (traploze regeling);
VEILIGHEID

❒ luchtverdeling in zeven standen;


❒ inschakelen van de compressor;
❒ snelle ontwaseming/ontdooiing;
EN RIJDEN
STARTEN

❒ luchtrecirculatie;
❒ uitschakelen van het systeem.
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-

F0N0200m
fig. 51
ONDERHOUD
EN ZORG

BEDIENINGSKNOPPEN fig. 51 F Drukknop voor in-/uitschakelen com-


pressor.
A Knop AUTO voor automatische re-
geling van alle functies. G Drukknop voor luchtrecirculatie.
TECHNISCHE
GEGEVENS

B Keuzeknop voor luchtverdeling H Drukknoppen voor verlagen/verhogen


aanjagersnelheid.
C Display
I Draaiknop voor verlagen/verhogen
D Drukknop functie MAX DEF temperatuur.
ALFABETISCH
REGISTER

E Drukknop voor uitschakelen systeem.

56
GEBRUIK VAN Tijdens de volledig automatische werking Als tijdens de volledige automatische wer-

EN BEDIENING
DASHBOARD
AIRCONDITIONING van het systeem, moeten alleen de vol- king (FULL AUTO) de luchtverdeling en/of
gende functies eventueel handmatig wor- de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of
den ingeschakeld: de inschakeling van de compressor en/of
Het systeem kan op verschillende manie- de recirculatie, dan verdwijnt het opschrift
ren worden ingeschakeld, maar wij raden ❒ Ò luchtrecirculatie, om de recirculatie FULL. Op deze manier worden de func-

VEILIGHEID
u aan te beginnen met het indrukken van altijd in- of uitgeschakeld te houden; ties niet langer automatisch geregeld maar
de knop AUTO en vervolgens de draai- ❒ Z voor een snelle ontwaseming/ont- moeten met de hand worden bediend,
knop te draaien om op het display de ge- dooiing van de ruiten voor, de achter- totdat u opnieuw de knop AUTO indrukt.
wenste temperatuur in te stellen. ruit en de buitenspiegels. Als een of meer functies handmatig zijn in-

EN RIJDEN
geschakeld, dan blijft de regeling van de

STARTEN
Op deze wijze begint het systeem geheel Tijdens de volledig automatische werking
automatisch te werken, zodat zo snel mo- luchttemperatuur automatisch plaatsvin-
van het systeem kunt u op ieder moment den, behalve als de compressor is uitge-
gelijk de ingestelde temperatuur wordt be- de ingestelde temperatuur, de luchtver-
reikt. Het systeem regelt de temperatuur, schakeld: in dat geval kan er geen lucht in
deling en de aanjagersnelheid wijzigen het interieur worden gevoerd waarvan de
de luchthoeveelheid en de luchtverdeling

LAMPJES EN
BERICHTEN
m.b.v. de desbetreffende knoppen: het sys- temperatuur lager is dan de buitentempe-
in het interieur, de recirculatiefunctie en teem zal automatisch de eigen instellingen
het inschakelen van de aircocompressor. ratuur.
wijzigen en aanpassen aan de nieuwe in-
stellingen.

GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
57
BEDIENINGSKNOPPEN Deze functie kan worden ingeschakeld als Voor het uitschakelen van de functie is het
EN BEDIENING
DASHBOARD
u het interieur wilt verwarmen, waarbij voldoende om de draaiknop voor de tem-
Draaiknop maximaal van het vermogen van het sys- peratuur naar links te draaien en de ge-
regeling teem gebruik wordt gemaakt. Als deze wenste temperatuur in te stellen.
luchttemperatuur (I) functie wordt ingeschakeld, wordt de tem-
peratuur niet meer automatisch geregeld; ❒ Functie LO (maximale koeling):
VEILIGHEID

de lucht wordt maximaal verwarmd en de wordt ingeschakeld als de draaiknop van


Als u de draaiknop aanjagersnelheid en de luchtverdeling wor- de temperatuur naar links wordt gedraaid,
rechts- of linksom draait, wordt de den door het systeem bepaald. voorbij de minimale waarde (16 °C).
gewenste interieurtemperatuur ver-
hoogd of verlaagd. Als de motorkoelvloeistof niet warm ge- Deze functie kan worden ingeschakeld als
EN RIJDEN
STARTEN

noeg is, schakelt het systeem niet onmid- u het interieur wilt koelen, waarbij maxi-
De ingestelde temperatuur wordt op het dellijk de maximale aanjagersnelheid in, om maal van het vermogen van het systeem
display weergegeven. de toevoer van te koude lucht in het in- gebruik wordt gemaakt. Als deze functie
Als u de knop helemaal naar rechts of he- terieur te beperken. wordt ingeschakeld, wordt de tempera-
LAMPJES EN
BERICHTEN

lemaal naar links draait, tot aan de uiter- Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle tuur niet meer automatisch geregeld; de
ste waarden HI of LO, wordt respectie- handmatige instellingen toegestaan. lucht wordt maximaal gekoeld en de aan-
velijk de functie van de maximale verwar- jagersnelheid en de luchtverdeling worden
ming of de maximale koeling ingeschakeld: door het systeem bepaald. Als deze func-
tie is ingeschakeld, zijn alle handmatige in-
❒ Functie HI (maximale verwarming):
GEVALLEN

stellingen toegestaan.
NOOD-

wordt ingeschakeld als de draaiknop van de Voor het uitschakelen van de functie is het
temperatuur naar rechts wordt gedraaid, voldoende om de draaiknop voor de tem-
voorbij de maximale waarde (32 °C). peratuur naar rechts te draaien en de ge-
ONDERHOUD
EN ZORG

wenste temperatuur in te stellen.


TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

58
Drukknoppen ˙ Lucht uit de luchtroosters in de been- ▲ Lucht uit deluchtroosters voor ont-

EN BEDIENING
DASHBOARD
luchtverdeling (B) ▼ ruimte (warmere lucht) en de uit- ˙ waseseming/ontdooiing van de voor-
stroomopeningen in het midden en ▼ ruit en de zijruiten voor, uit de uit-
Als u op een van deze aan de zijkant van het dashboard (koel- stroomopeningen in het midden en
knoppen drukt, kunt u ere lucht). Deze luchtverdeling is bij aan de zijkant van het dashboard en uit
zonder nuttig in de gematigde seizoen- de luchtroosters in de beenruimte.

VEILIGHEID
handmatig een van de
zeven instellingen voor de lucht- en (voor- en najaar) als de zon Deze luchtverdeling zorgt voor een
verdeling kiezen: schijnt. goede luchtverspreiding waarbij het
comfort zowel in de zomer als in de
▲ Lucht uit de luchtroosters voor ont- ▲ Lucht uit de uchtroosters in de been- winter behouden blijft.
▼ lruimte en de luchtroosters voor ont-

EN RIJDEN
dooiing/ontwaseming van de voorruit

STARTEN
en de zijruiten voor. waseming/ontdooiing van de voorruit De ingestelde luchtverdeling wordt aan-
en zijruiten voor. Deze luchtverdeling gegeven door een brandend lampje op de
˙ Lucht uit de luchtroosters in het mid- zorgt voor een goede verwarming van geselecteerde knoppen.
den en aan de zijkant van het dash- het interieur en voorkomt het even-
Voor het hervatten van de automatische

LAMPJES EN
BERICHTEN
board voor een koele luchtstroom op tuele beslaan van de ruiten.
het lichaam en het gezicht bij warm werking van de luchtverdeling na een
weer. ▲ Lucht uit de luchtroosters voor ont- handmatige instelling, moet de knop AU-
˙ waseming/ontdooiing van de voorruit TO worden ingedrukt.
▼ Lucht uit de luchtroosters in de been- en de zijruiten voor en de uitstroom-
ruimte voor en achter. Met deze lucht- openingen in het midden en aan de zij-

GEVALLEN
NOOD-
verdeling kan in een zo kort mogelij- kant van het dashboard. Met deze
ke tijd de lucht in het interieur wor- luchtverdeling wordt het interieur vol
den verwarmd, omdat warme lucht doende gekoeld (in de zomer) en blijft
opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk het comfort behouden.

ONDERHOUD
EN ZORG
gevoel.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
59
Drukknoppen De aanjager kan worden uitgeschakeld, Knop AUTO
EN BEDIENING
DASHBOARD
regeling maar alleen als u de aircocompressor hebt (A) (automatische
aanjagersnelheid (H) uitgeschakeld met de knop F-fig. 51. werking)
BELANGRIJK Voor het hervatten van de
Als u op de uiteinden automatische werking van de aanjager na Als u de knop AUTO
VEILIGHEID

van knop H drukt, wordt een handmatige instelling, moet de knop indrukt, regelt het
de aanjagersnelheid verhoogd of verlaagd AUTO worden ingedrukt. systeem automatisch de hoeveelheid en
en daarmee de hoeveelheid lucht die in de verdeling van de naar het interieur
het interieur wordt gevoerd om de BELANGRIJK Als de auto met hoge snel- toegevoerde lucht en worden alle
heid rijdt, wordt door de rijwind de lucht-
gewenste temperatuur te handhaven. voorafgaande handmatige instellingen
EN RIJDEN

opbrengst in het interieur verhoogd; dit


STARTEN

wordt niet door de streepjes van de aan- opgeheven.


De aanjagersnelheid wordt weergegeven
door verlichte staafjes op het display: jagersnelheid weergegeven. Dit wordt aangeven door het verschijnen
van het opschrift FULL AUTO op het dis-
❒ Maximum aanjagersnelheid = alle play voor.
LAMPJES EN
BERICHTEN

staafjes verlicht
Als er een of meerdere handmatige in-
❒ Minimum aanjagersnelheid = één staaf- stellingen zijn uitgevoerd (luchtrecircula-
je verlicht. tie, luchtverdeling, aanjagersnelheid of uit-
schakeling aircocompressor), dooft het
GEVALLEN
NOOD-

opschrift FULL op het display om aan te


geven dat het systeem niet langer alle func-
ties automatisch regelt (behalve de tem-
peratuur die altijd automatisch wordt ge-
ONDERHOUD

regeld).
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

60
BELANGRIJK Als het systeem vanwege Drukknop in-/ Deze mogelijkheden kunnen worden in-

EN BEDIENING
DASHBOARD
handmatige instellingen de gewenste tem- uitschakelen geschakeld door meerdere keren op de
peratuur niet meer kan garanderen en luchtrecirculatie (G) recirculatieknop G te drukken.
handhaven, knippert de ingestelde tem-
peratuur om aan te geven dat het systeem BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie
De luchtrecirculatie kunnen de gewenste omstandigheden
een probleem heeft gesignaleerd; daarna

VEILIGHEID
werkt als volgt: (verwarming of koeling van het interieur)
dooft het opschrift AUTO.
❒ handmatig ingeschakeld (recirculatie sneller worden bereikt.
Voor het hervatten van de automatische altijd ingeschakeld); het lampje op de
werking van het systeem na een handma- knop G en het symbool í op het
tige instelling (een of meerdere), moet de

EN RIJDEN
display branden;

STARTEN
knop AUTO worden ingedrukt.
❒ geforceerde uitschakeling (recirculatie
altijd uitgeschakeld met luchttoevoer
van buiten); lampje op de knop en het

LAMPJES EN
symbool êop het display gedoofd.

BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
61
Het is echter niet raadzaam deze functie Drukknop in-/ BELANGRIJK Met uitgeschakelde airco-
EN BEDIENING
DASHBOARD
handmatig in te schakelen op regenachti- uitschakelen compressor is het niet mogelijk lucht in
ge of koude dagen, omdat dan de ruiten aircocompressor het interieur in te voeren met een tem-
aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kun- (F) peratuur die lager is dan de buitentempe-
nen beslaan, vooral als de airconditioning Als u op de knop √ ratuur; bovendien kunnen (in bijzondere
niet is ingeschakeld. omstandigheden) de ruiten zeer snel be-
VEILIGHEID

drukt, wordt de
aircocompressor, indien ingeschakeld, slaan omdat de lucht niet gedroogd kan
Bij lage buitentemperaturen wordt de re- worden.
circulatie uitgeschakeld (met luchttoevoer uitgeschakeld en dooft het symbool op
van buiten) om het beslaan van de ruiten het display. De uitschakeling van de aircocompressor
te voorkomen. Als u op de knop drukt als het lampje blijft in het geheugen opgeslagen, ook na
EN RIJDEN
STARTEN

gedoofd is, wordt de inschakeling van de het afzetten van de motor.


Bij lage buitentemperaturen raden wij u
aan om de recirculatiefunctie niet te ge- compressor weer automatisch door het U kunt de automatische regeling van de
bruiken, omdat hierdoor de ruiten sneller systeem geregeld; dit wordt aangegeven aircocompressor weer inschakelen door
kunnen beslaan. door een brandend symbool op het nogmaals de knop √ in te drukken (in dat
LAMPJES EN
BERICHTEN

display. geval werkt het systeem alleen als ver-


Als u de aircocompressor uitschakelt, warming) of de knop AUTO.
wordt de recirculatie uitgeschakeld om het
eventuele beslaan van de ruiten te voorko-
GEVALLEN

men. Ook als het systeem de ingestelde


NOOD-

temperatuur kan handhaven, verdwijnt het


opschrift FULL van het display. Als het sys-
teem de ingestelde temperatuur echter niet
meer kan handhaven, gaat de temperatuur
ONDERHOUD
EN ZORG

knipperen en dooft het opschrift AUTO.


TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

62
Als bij uitgeschakelde compressor de bui- Drukknop voor BELANGRIJK De functie voor snelle ont-

EN BEDIENING
DASHBOARD
tentemperatuur hoger is dan de ingestel- snelle ontwaseming/ waseming/ontdooiing van de ruiten blijft
de temperatuur, kan het systeem niet aan ontdooiing van de ongeveer 3 minuten ingeschakeld nadat de
de wens voldoen. Dit wordt als volgt aan- voorruit en de motorkoelvloeistof een geschikte tempe-
gegeven: de ingestelde temperatuur knip- zijruiten voor (D) ratuur heeft bereikt om de ruiten snel te
pert enkele seconden op het display en ontwasemen.

VEILIGHEID
Als u deze knop
vervolgens dooft het opschrift AUTO. indrukt, schakelt de klimaatregeling Als de functie is ingeschakeld, gaan het
Als de compressor is uitgeschakeld, kan automatisch alle functies in die lampje op de betreffende knop en het
de aanjagersnelheid handmatig op nul wor- noodzakelijk zijn voor het snel lampje op de knop van de achterruitver-
den gezet (geen enkel staafje verlicht). ontdooien/ontwasemen van de voorruit warming branden; op het display dooft het

EN RIJDEN
STARTEN
en de zijruiten voor. D.w.z. dat het opschrift FULL AUTO.
Als de compressor bij draaiende motor
wordt ingeschakeld, kan de aanjagersnel- systeem:
heid niet onder de minimale waarde (één ❒ de aircocompressor inschakelt wan-
staafje verlicht) zakken. neer de klimatologische omstandighe-

LAMPJES EN
BERICHTEN
den dit toestaan;
❒ de luchtrecirculatie uitschakelt;
❒ de maximale luchttemperatuur HI in

GEVALLEN
beide zones instelt;

NOOD-
❒ een aanjagersnelheid inschakelt op ba-
sis van de koelvloeistoftemperatuur,
om toevoer van nog te koude lucht

ONDERHOUD
voor de ontwaseming van de ruiten, te

EN ZORG
beperken;
❒ de luchtstroom naar de luchtroosters
voor de voorruit en de zijruiten voor

TECHNISCHE
GEGEVENS
leidt;
❒ de achterruitverwarming inschakelt

ALFABETISCH
REGISTER
63
Als de functie is ingeschakeld, kunnen al- Systeem
EN BEDIENING
DASHBOARD
leen de aanjagersnelheid en de uitschake- uitschakelen OFF (E)
ling van de achterruitverwarming hand-
matig worden geregeld.
Als u op de knop B drukt of op de recir- Het systeem schakelt
VEILIGHEID

culatieknop G of op de knop van de com- uit en het display dooft


pressor F of op de knop AUTO A, wor- als u op de knop E drukt.
den de functies die hiervoor waren inge- Als het systeem is uitgeschakeld:
steld, weer geactiveerd.
F0N0185m ❒ is het display gedoofd;
EN RIJDEN

fig. 52
STARTEN

❒ wordt de ingestelde temperatuur niet


BELANGRIJK Voor een snelle ontwase- weergegeven;
ming/ontdooiing moet, als er een extra ❒ is de recirculatie ingeschakeld, waarbij
verwarming/airconditioning aanwezig is
LAMPJES EN
BERICHTEN

geen lucht van buiten binnenkomt (re-


(onder de zitplaats voor of achter bij Pano- circulatielampje brandt);
rama- en Combinato uitvoeringen), deze
verwarming, indien ingeschakeld, worden ❒ is de compressor uitgeschakeld;
uitgeschakeld door op de knop F (lampje
gedoofd) op het schakelaarpaneel te druk- ❒ is de aanjager uitgeschakeld.
GEVALLEN
NOOD-

ken fig. 52.


ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

64
Als u de volledig automatische werking van EXTRA VERWARMING

EN BEDIENING
DASHBOARD
het systeem weer wilt inschakelen, druk
dan op de knop AUTO. (indien aanwezig)
Enkele uitvoeringen beschikken bovendien
over extra verwarming onder de be-

VEILIGHEID
stuurdersstoel. Deze kan worden inge-
schakeld met de knop F op het schake-
laarpaneel fig. 53.
F0N0185m

EN RIJDEN
fig. 53

STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
65
EN BEDIENING
DASHBOARD AUTONOME EXTRA ATTENTIE Het systeem bestaat uit:
VERWARMING De extra verwarming ver- ❒ een dieselbrander voor het verwar-
bruikt, hoewel in geringe ma- men van de koelvloeistof, met een ge-
(indien aanwezig) te, evenals de motor brandstof. Om luidgedempte uitlaat;
mogelijke vergiftiging en verstikking ❒ een doseerpomp verbonden met de
VEILIGHEID

De auto kan als optional worden uitgerust te voorkomen, mag de extra verwar-
met twee verschillende typen autonome brandstofleidingen van de auto voor
ming nooit, ook niet voor een korte brandstoftoevoer naar de brander;
verwarming: één die volledig automatisch periode, worden ingeschakeld in een
werkt en één die geprogrammeerd kan afgesloten ruimte zoals een garage of ❒ een warmtewisselaar verbonden met
worden. werkplaats die niet is uitgerust met de slangen van het koelsysteem van de
EN RIJDEN
STARTEN

een afzuigsysteem voor uitlaatgassen. motor;


AUTOMATISCHE UITVOERING
De extra verwarming wordt automatisch
ingeschakeld als de motor wordt gestart PROGRAMMEERBARE
LAMPJES EN
BERICHTEN

en afhankelijk van de buitentemperatuur UITVOERING


en de koelvloeistoftemperatuur. Uitscha-
keling vindt altijd automatisch plaats. De extra verwarming werkt volledig on-
afhankelijk van de werking van de motor
BELANGRIJK Als in periodes met lage bui- en zorgt ervoor dat:
GEVALLEN
NOOD-

tentemperaturen het systeem inschakelt, ❒ het interieur van de auto wordt op-
controleer dan of het brandstofniveau bo- gewarmd bij uitgezette motor;
ven het reserveniveau staat. Als dit niet
het geval is, kan het systeem blokkeren en ❒ de ruiten worden ontdooid;
ONDERHOUD

moet u zich tot de Fiat-dealer wenden.


EN ZORG

❒ de koelvloeistof van de motor en ver-


volgens de motor zelf voor het star-
ten wordt opgewarmd.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

66
De extra verwarming verwarmt (in de De opbrengst van de circulatiepomp

EN BEDIENING
DASHBOARD
winter) het interieur, houdt het op tem- wordt ook gecontroleerd door de elek-
peratuur en laat gedurende een vastge- tronische regeleenheid, zodat de op-
stelde tijd de koelvloeistof van de motor warmperiode tot een minimum beperkt
circuleren. Bij het starten van de motor blijft. Als het systeem in werking is, scha-
bent u zo verzekerd van een optimale kelt de regeleenheid de aanjager van het

VEILIGHEID
temperatuur van de motor en van het in- verwarmingssysteem in het interieur in op
terieur. de tweede snelheid.
De extra verwarming kan automatisch Het vermogen van de brander wordt au-
F0N0150m worden ingeschakeld als het systeem ge- tomatisch door de elektronische regel-

EN RIJDEN
fig. 54

STARTEN
programmeerd is met de digitale timer, of eenheid geregeld op basis van de koel-
handmatig door op de toets “directe ver- vloeistoftemperatuur.
❒ een regeleenheid verbonden met het warming” van de timer te drukken.
verwarmings-/ventilatiesysteem van
het interieur, die de automatische Nadat de verwarming hetzij handmatig

LAMPJES EN
BERICHTEN
werking ervan mogelijk maakt; hetzij automatisch is geactiveerd, schakelt
de elektronische regeleenheid de circula-
❒ een elektronische regeleenheid voor tiepomp in en wordt de brander ontsto-
controle en regeling van de in de ver- ken op een vastgestelde en gecontroleer-
warming geïntegreerde brander; de manier.

GEVALLEN
NOOD-
❒ een digitale timer A-fig. 54 voor het
handmatig inschakelen van de verwar-
ming of om het inschakeltijdstip te
programmeren.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
67
BELANGRIJK De extra verwarming is uit- Extra verwarming inschakelen
EN BEDIENING
DASHBOARD
gerust met een thermische beveiliging die
de brander uitschakelt bij oververhitting
door een te laag koelvloeistofniveau of Als de auto is uitgerust met automatische
koelvloeistoflekkage. Als dit het geval is, airconditioning, stelt de regeleenheid de
moet na het repareren van het defect in temperatuur en de luchtverdeling in bij het
VEILIGHEID

het koelsysteem en/of het bijvullen van de inschakelen van de standverwarming.


koelvloeistof en voordat de verwarming Bij handbediende airconditioning/verwar-
weer wordt ingeschakeld, de programma- ming moet voor een maximale werking
keuzetoets worden ingedrukt. van de verwarming gecontroleerd worden F0N0151m
EN RIJDEN

fig. 55
STARTEN

De verwarming kan spontaan uitgaan door of de draaiknop voor het regelen van de
gebrek aan brandstof of als tijdens de wer- luchttemperatuur in het interieur in de
king de vlam dooft. Voer in dat geval de stand “warme lucht” staat. Digitale timer fig. 55
procedure uit voor het uitschakelen en Om het interieur voor te verwarmen, 1) Branderindicatie
LAMPJES EN
BERICHTEN

probeer de verwarming weer in te scha- moet u de draaiknop van de luchtverde-


kelen; als de verwarming dan nog niet ling in stand © zetten. 2) Displayverlichting
werkt, wendt u dan tot de Fiat-dealer. 3) Voorkeuzenummer
Om de voorruit te ontdooien, moet u de
draaiknop van de luchtverdeling in stand 4) Toets klokje
- zetten.
GEVALLEN
NOOD-

5) Toets voor vooruitzetten tijd


Voor beide functies moet u de draaiknop
voor de luchtverdeling in stand ® zetten. 6) Programma-keuzetoets
7) Toets voor terugzetten tijd
ONDERHOUD
EN ZORG

8) Toets voor directe inschakeling ver-


warming
9) Controlelampje voor het instellen/
TECHNISCHE

aflezen van de tijd


GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

68
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0152m F0N0153m F0N0154m

EN RIJDEN
fig. 56 fig. 57 fig. 58

STARTEN
Directe inschakeling Instellen van de juiste tijd Programmeren van de
van de verwarming fig. 56 ❒ Druk op toets 4: het display en het inschakeltijd fig. 58

LAMPJES EN
BERICHTEN
Druk op toets 8 van de timer als u het sys- controlelampje 9-fig. 57 worden ver- De inschakeltijd kan van 1 minuut tot 24
teem handmatig wilt inschakelen: het dis- licht. uur van te voren worden geprogram-
play en het controlelampje 1 worden ver- ❒ Druk binnen 10 seconden op toets 5 meerd. U kunt drie verschillende inscha-
licht en blijven verlicht zolang het systeem of 7 totdat de juiste tijd is geselec- keltijden kiezen, waarvan er echter slechts
in werking is. één kan worden geactiveerd.

GEVALLEN
teerd.

NOOD-
Als het display dooft, blijft de huidige tijd Programmeren van de inschakeltijd:
Geprogrammeerde inschakeling
van de verwarming opgeslagen. ❒ druk op toets 6: op het display wor-
Als toets 5 of 7 ingedrukt wordt gehou- den het symbool 10 of de juist inge-

ONDERHOUD
Voordat de inschakeling van het systeem stelde tijd en het nummer 3 van de

EN ZORG
wordt geprogrammeerd, moet de klok op den, verspringen de cijfers van het klokje
sneller voor- of achteruit. daarvoor ingestelde tijd 10 seconden
tijd worden gezet. verlicht.
Aflezen van de juiste tijd fig. 57

TECHNISCHE
GEGEVENS
Druk om de juiste tijd af te lezen op toets
4. De tijd verschijnt ongeveer 10 secon-
den op het display en gelijktijdig wordt het
controlelampje 9 verlicht.

ALFABETISCH
REGISTER
69
BELANGRIJK Als u de andere vooraf in- Uitschakelen van de verwarming
EN BEDIENING
DASHBOARD
gestelde tijden wilt oproepen, druk dan
binnen 10 seconden een of meer keren op Het systeem kan, afhankelijk van de ma-
toets 6. nier waarop het is ingeschakeld (automa-
tisch of handmatig) op twee manieren
– druk binnen 10 seconden op toets 5 of worden uitgezet:
VEILIGHEID

7 totdat de gewenste inschakeltijd is ge-


selecteerd. ❒ automatisch, aan het eind van de
vastgestelde inschakeltijd (60 minuten
BELANGRIJK Als de tijd is opgeslagen: met rood verlicht display);
❒ verdwijnt de inschakeltijd; F0N0155m ❒ handmatig, door opnieuw op de
EN RIJDEN

fig. 59
STARTEN

knop “directe verwarming” van de ti-


❒ verschijnt het voorkeuzenummer 3; mer te drukken (toets 1).
Oproepen van een van de
❒ wordt het display verlicht. In beide gevallen doven het controlelampje
geprogrammeerde inschakeltijden
van de verwarming en de verlichting van
LAMPJES EN

BELANGRIJK Als de brander wordt in- fig. 59


BERICHTEN

geschakeld: het display, schakelt de aanjager van het


Druk een of meerdere keren op toets 6 verwarmingssysteem in het interieur uit
❒ gaat de branderindicatie 1 op het dis- totdat op het display het nummer 3 van en wordt de verbranding onderbroken.
play branden; de vooraf ingestelde inschakeltijd ver-
schijnt. Na 10 seconden verdwijnt de tijd De vloeistof-circulatiepomp blijft nog on-
❒ dooft het voorkeuzenummer 3.
GEVALLEN
NOOD-

van het display maar blijft in het geheu- geveer 2 minuten werken om de grootste
gen opgeslagen en worden het nummer warmte van de verwarming af te voeren;
Uitschakelen van de 3 en het display verlicht. ook in deze fase is het mogelijk de ver-
geprogrammeerde inschakeltijd warming weer in te schakelen.
BELANGRIJK De geprogrammeerde in-
ONDERHOUD

fig. 58
EN ZORG

schakeltijd kan worden gewijzigd of gewist


Als u de geprogrammeerde inschakeltijd volgens de hiervoor beschreven instruc-
wilt wissen, druk dan kort op toets 6: de ties.
verlichting van het display dooft en het
TECHNISCHE
GEGEVENS

nummer 3 van de vooraf ingestelde tijd


verdwijnt.
ALFABETISCH
REGISTER

70
❒ Schakel de verwarming tijdens het tan- ❒ Houdt u voor de controle van het ni-

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
ken en in de nabijheid van tankstations veau van de koelvloeistof aan hetgeen
De extra verwarming ver- altijd uit om brandgevaar en/of ont- beschreven is in de paragraaf “Koel-
bruikt, hoewel in geringe ma- ploffingen te voorkomen. vloeistof” in het hoofdstuk “Onder-
te, evenals de motor brandstof. Om houd van de auto”. Het water in het
mogelijke vergiftiging en verstikking ❒ Parkeer niet boven brandbaar materi- motorkoelsysteem moet ten minste

VEILIGHEID
te voorkomen, mag de extra verwar- aal zoals papier, gras of droge blade- 10% antivries bevatten.
ming nooit, ook niet voor een korte ren: brandgevaar!
periode, worden ingeschakeld in een ❒ Wendt u voor onderhoud en repara-
❒ De temperatuur in de nabijheid van de ties uitsluitend tot de Fiat-dealer en ge-
afgesloten ruimte zoals een garage of verwarming mag niet boven 120°C ko-
werkplaats die niet is uitgerust met bruik uitsluitend originele onderdelen.

EN RIJDEN
men (na spuitwerkzaamheden kan de

STARTEN
een afzuigsysteem voor uitlaatgassen. temperatuur van de carrosserie in een
moffeloven boven deze waarde uit- ONDERHOUD
BELANGRIJK De standverwarming scha- stijgen). Hogere temperaturen kunnen Laat de extra verwarming regelmatig (in
de componenten van de elektronische

LAMPJES EN
kelt uit als de accuspanning laag is, zodat ieder geval voor het winterseizoen) con-

BERICHTEN
de motor nog kan worden gestart. regeleenheid beschadigen. troleren door de Fiat-dealer om verze-
❒ Tijdens de werking bij een stilstaande kerd te zijn van een veilige en economi-
BELANGRIJK Voordat u het systeem in- sche werking en een lange levensduur van
schakelt, moet gecontroleerd worden of motor verbruikt de verwarming elek-
trische energie van de accu; daarom is de verwarming.
het brandstofniveau boven het reserve-

GEVALLEN
een goede werking van de dynamo bij

NOOD-
niveau staat. Als dit niet het geval is, kan
het systeem blokkeren en moet u zich tot draaiende motor noodzakelijk om de
de Fiat-dealer wenden. accu weer voldoende op te laden.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
71
❒ Als u de draaiknop D in stand “geheel
EN BEDIENING
DASHBOARD
warm” (draaiknop in het rode gebied)
zet, komt er warme lucht uit de uit-
stroomopeningen voor de beenruim-
te achter (onder de stoelen van de 2e-
3e rij bij de Panorama-uitvoering en uit
VEILIGHEID

het rooster aan de zijde van de linker


wielkuip bij de Combinato uitvoerin-
gen).
F0N0233m F0N0185m
EN RIJDEN

fig. 60 fig. 61
STARTEN

EXTRA VERWARMING ACHTER ❒ Als u de draaiknop D in stand “geheel


(Panorama- en Combinato koud” (draaiknop in het blauwe ge-
bied) zet, komt er lucht met de bui-
LAMPJES EN

uitvoeringen - indien aanwezig)


BERICHTEN

tentemperatuur uit de uitstroomope-


De Panorama- en Combinato uitvoerin- ningen voor de beenruimte achter
gen beschikken over een hoofdverwar- (onder de stoelen van de 2e-3e rij bij
mingssysteem en een extra verwarming de Panorama-uitvoering en uit het
(optional), waarvan de bedieningsknop rooster aan de zijde van de linker wiel-
GEVALLEN
NOOD-

zich in de hemelbekleding boven de twee- kuip bij de Combinato uitvoeringen).


de rij stoelen fig. 60 bevindt.
U schakelt deze verwarming in door op
de knop F-fig. 61 op het schakelaarpaneel
ONDERHOUD
EN ZORG

te drukken.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

72
EXTRA AIRCONDITIONING ❒ Als u de draaiknop D in stand “geheel BELANGRIJK Als de compressor van de

EN BEDIENING
DASHBOARD
ACHTER koud” (draaiknop in het blauwe ge- hoofdairconditioning wordt ingeschakeld
(Panorama- en Combinato bied) zet, komt er koude lucht uit de (door knop E in te drukken), wordt au-
uitvoeringen - indien aanwezig) uitstroomopeningen op de hemelbe- tomatisch de 1e aanjagersnelheid inge-
kleding. schakeld, ook als de aanjager van de extra
De Panorama- en Combinato uitvoerin- airconditioning in stand 0 staat, om ijs-

VEILIGHEID
gen beschikken over een hoofdverwar- ❒ Als u de draaiknop D in stand “geheel vorming en daarmee beschadiging van
ming/aircondtioning en een extra aircon- warm” (draaiknop in het rode gebied) deze component te voorkomen.
ditioning (optional), waarvan de bediening zet, komt er warme lucht (bij warme
zich in de hemelbekleding boven de twee- motor) uit de uitstroomopeningen
de rij stoelen fig. 60 bevindt. voor de beenruimte achter (onder de

EN RIJDEN
STARTEN
stoelen van de 2e-3e rij bij de Pano-
U schakelt deze airconditioning in door op rama-uitvoering en uit het rooster aan
de knop F-fig. 61 op het schakelaarpaneel de zijde van de linker wielkuip bij de
te drukken. Deze airconditioning werkt al- Combinato uitvoeringen).

LAMPJES EN
leen als de hoofdairconditioning is inge-

BERICHTEN
schakeld. ❒ Als u de draaiknop D in een tussen-
liggende stand zet, wordt de lucht ver-
deeld over de uitstroomopeningen op
de hemelbekleding en de uitstroom-
openingen voor de beenruimte achter,

GEVALLEN
NOOD-
en wijzigt de temperatuur.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
73
EN BEDIENING
DASHBOARD BUITENVERLICHTING
Met de linker hendel bedient u de buiten-
verlichting.
De buitenverlichting werkt uitsluitend als
VEILIGHEID

de contactsleutel in stand ON staat.

VERLICHTING UIT fig. 62


Draaiknop in stand å. F0N0030m F0N0032m
EN RIJDEN

fig. 62 fig. 64
STARTEN

DIMLICHT fig. 64
Draai de draaiknop in stand 2.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Op het instrumentenpaneel gaat het con-


trolelampje 3 branden.
GEVALLEN
NOOD-

F0N0031m
fig. 63
ONDERHOUD
EN ZORG

BUITENVERLICHTING fig. 63
Draai de draaiknop in stand 6.
Op het instrumentenpaneel gaat het con-
TECHNISCHE
GEGEVENS

trolelampje 3 branden.
ALFABETISCH
REGISTER

74
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0033m F0N0034m F0N0035m

EN RIJDEN
fig. 65 fig. 66 fig. 67

STARTEN
GROOTLICHT fig. 65 GROOTLICHTSIGNAAL fig. 66 RICHTINGAANWIJZERS fig. 67
Trek de hendel naar het stuurwiel, als de Trek de hendel naar het stuurwiel (1e on- Zet de hendel in de vergrendelde stand:

LAMPJES EN
BERICHTEN
draaiknop reeds in stand 2 staat (2e on- vergrendelde stand), ongeacht de stand
vergrendelde stand). van de draaiknop. Op het instrumenten- ❒ omhoog (stand 1): inschakeling rech-
paneel gaat het controlelampje 1 bran- ter richtingaanwijzer;
Op het instrumentenpaneel gaat het con-
trolelampje 1 branden.
den. ❒ omlaag (stand 2): inschakeling linker
richtingaanwijzer.

GEVALLEN
NOOD-
Als de hendel opnieuw naar het stuurwiel
wordt getrokken, dooft het grootlicht en Op het instrumentenpaneel knippert het
wordt het dimlicht weer ingeschakeld. controlelampje F of D.
De richtingaanwijzers schakelen automa-

ONDERHOUD
tisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.

EN ZORG
Als u kort richting aan wilt geven, voor het
uitvoeren van een handeling waarvoor het
stuurwiel slechts weinig hoeft te worden

TECHNISCHE
GEGEVENS
verdraaid, dan drukt u de hendel iets om-
hoog of omlaag zonder dat de hendel ver-
grendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat
deze automatisch terug.

ALFABETISCH
REGISTER
75
Als de hendel wordt bediend, gaat het
EN BEDIENING
DASHBOARD
controlelampje 3 op het instrumen-
tenpaneel branden en verschijnt er een be-
richt op het display (zie het hoofdstuk
“Lampjes en berichten”) gedurende de tijd
dat de functie actief blijft. Het lampje gaat
VEILIGHEID

branden als de hendel voor het eerst be-


diend wordt en blijft branden totdat de
functie automatisch uitschakelt. Telkens
als de hendel wordt bediend, wordt alleen
F0N0036m F0N0037m
EN RIJDEN

fig. 68 de inschakeltijd van de verlichting ver- fig. 69


STARTEN

lengd.
“FOLLOW ME HOME” SYSTEEM Inschakelen fig. 69
Uitschakelen
Draai de draaiknop in stand 2 A : op deze
LAMPJES EN
BERICHTEN

Met dit systeem kan de ruimte voor de au- Houd de hendel langer dan 2 seconden manier gaan, afhankelijk van de sterkte van
to een bepaalde tijd worden verlicht. naar het stuur getrokken. het buitenlicht, de buitenverlichting en de
dimlichten automatisch branden.
Inschakelen fig. 68 SCHEMERSENSOR (automatisch
inschakelende koplampen) Uitschakelen
GEVALLEN
NOOD-

U schakelt deze functie in door de con- (indien aanwezig)


tactsleutel in stand OFF te draaien of uit Als via de sensor het commando voor uit-
te nemen, en de linker hendel binnen 2 mi- Deze sensor is in staat om de verschillen schakeling wordt gegeven, wordt het dim-
nuten na het uitzetten van de motor naar in sterkte van het omgevingslicht waar te licht uitgeschakeld en vervolgens, na on-
ONDERHOUD

het stuur te trekken. nemen op basis van de ingestelde gevoe- geveer 10 seconden, de buitenverlichting.
EN ZORG

ligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe De schemersensor is niet in staat om mist


Telkens als u de hendel bedient, blijft de minder buitenlicht er nodig is om de ver-
verlichting 30 seconden langer branden, te signaleren. Daarom moet bij mist de
lichting in te schakelen. De gevoeligheid verlichting handmatig worden ingescha-
tot een maximum van 210 seconden; hier- van de sensor kan worden ingesteld via keld.
TECHNISCHE

na schakelt de verlichting automatisch uit.


GEGEVENS

het “Setup-menu” van het display.


ALFABETISCH
REGISTER

76
RUITEN REINIGEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
RUITENWISSERS/-SPROEIERS
Deze werken uitsluitend als de contact-

VEILIGHEID
sleutel in stand ON staat.
De rechter hendel kan in vijf verschillen-
de standen worden gezet fig. 70:
A: ruitenwissers uitgeschakeld F0N0039m

EN RIJDEN
fig. 71

STARTEN
B: wissen met interval.
Gebruik de ruitenwissers niet
Draai als de hendel in stand B staat, de om opgehoopte sneeuw of ijs
draaiknop F in een van de vier interval- van de voorruit te verwijde-

LAMPJES EN
BERICHTEN
standen: ren. In die omstandigheden
, = zeer lang interval grijpt, als de ruitenwissers te zwaar
worden belast, de beveiliging in, die er-
-- = lang interval voor zorgt dat de ruitenwissers enkele
seconden worden uitgeschakeld. Als

GEVALLEN
--- = gemiddeld interval

NOOD-
hierna de werking niet wordt hervat,
---- = kort interval wendt u dan tot de Fiat-dealer.
F0N0038m
fig. 70
C: langzaam continu wissen;
“Intelligente wis-/wasregeling”

ONDERHOUD
EN ZORG
D: snel continu wissen; In stand E werken de ruitenwissers, zo- Als u de hendel naar het stuur trekt (on-
E: tijdelijk snel wissen (onvergrendelde lang u de hendel met de hand in deze stand vergrendelde stand), schakelen de ruiten-
stand). houdt. Als u de hendel loslaat, springt de- sproeiers in fig. 71.
ze direct weer in stand A en schakelen de

TECHNISCHE
Als u de hendel langer dan een halve se-

GEGEVENS
ruitenwissers automatisch uit.
conde aangetrokken houdt, dan worden
BELANGRIJK Vervang de wisserbladen in een beweging de ruitenwissers/-sproei-
volgens de aanwijzingen in het hoofdstuk ers ingeschakeld.
“Onderhoud en zorg”.

ALFABETISCH
Als u de hendel loslaat, maken de ruiten-

REGISTER
wissers nog 4 slagen.
Na 5 seconden volgt nog een extra reinigings-
slag.
77
REGENSENSOR Uitschakelen fig. 72
EN BEDIENING
DASHBOARD
(indien aanwezig) Zet de hendel in stand B of draai de start-
De regensensor bevindt zich achter de /contactsleutel in stand STOP. Als de mo-
binnenspiegel en staat in contact met de tor daarna wordt gestart (sleutel in stand
voorruit. De sensor zorgt ervoor dat de MAR), schakelt de regensensor niet weer
VEILIGHEID

frequentie van de slagen van de ruiten- in, ook niet als de hendel in stand B is blij-
wissers, tijdens het wissen met interval, ven staan. Voor het inschakelen van de re-
automatisch wordt aangepast aan de hoe- gensensor moet de hendel in stand A of C
veelheid regen op de ruit. worden gezet en daarna in stand B of de
knop voor het instellen van de gevoeligheid
EN RIJDEN
STARTEN

BELANGRIJK Houd de ruit in de omge- worden gedraaid. Als de regensensor op


ving van de sensor schoon. deze wijze opnieuw wordt ingeschakeld,
maken de ruitenwissers ten minste 1 slag,
Inschakelen fig. 72 ook bij een droge ruit.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Plaats de rechter hendel een stand naar De regensensor signaleert automatisch


beneden (stand B). het verschil tussen dag en nacht en past de
Als de regensensor wordt ingeschakeld, werking aan.
maken de ruitenwissers 1 slag.
GEVALLEN
NOOD-

Als u de draaiknop F draait, kunt u de ge-


voeligheid van de regensensor verhogen.
F0N0038m
fig. 72
ATTENTIE
ONDERHOUD

Door waterstrepen kunnen


EN ZORG

Als de gevoeligheid van de regensensor de ruitenwissers ongewenst


verhoogd wordt, maken de ruitenwissers inschakelen.
1 slag.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij KOPLAMPSPROEIERS
TECHNISCHE
GEGEVENS

ingeschakelde regensensor, werkt het nor- (indien aanwezig)


male reinigingsprogramma. Daarna hervat De “verzonken” koplampsproeiers zijn in
de regensensor zijn normale automatische de voorbumper van de auto gemonteerd
werking. en treden in werking als u, bij ingeschakeld
ALFABETISCH
REGISTER

dimlicht, de ruitensproeiers inschakelt.


BELANGRIJK Controleer regelmatig of de
koplampsproeiers schoon en in goede
staat zijn.
78
CRUISE-CONTROL SNELHEID OPSLAAN

EN BEDIENING
DASHBOARD
(snelheidsregelaar - Ga als volgt te werk:
indien aanwezig) ❒ zet de draaiknop A in stand ON en
trap het gaspedaal in tot de auto met
de gewenste snelheid rijdt;

VEILIGHEID
Dit is een elektronisch hulpmiddel, waar- ❒ plaats de hendel ten minste 1 seconde
door de auto (bij een snelheid boven 30 omhoog (+) en laat vervolgens de hen-
km/h) op lange, rechte en droge trajec- del los: de snelheid van de auto is op-
ten en bij weinig verandering in de rij-om- F0N0040m geslagen en het gaspedaal kan worden

EN RIJDEN
fig. 73

STARTEN
standigheden (bijv. snelwegen), met een losgelaten.
constante en vooraf ingestelde snelheid SYSTEEM INSCHAKELEN Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan
blijft rijden zonder het gaspedaal te hoe- de snelheid simpel verhoogd worden door
ven bedienen. Het gebruik van dit systeem fig. 73
het intrappen van het gaspedaal: als u daar-

LAMPJES EN
BERICHTEN
biedt geen voordelen in druk verkeer. Ge- Draai de draaiknop A in stand ON. na het gaspedaal loslaat, wordt terugge-
bruik dit systeem niet in de stad. keerd naar de opgeslagen snelheid.
Het systeem kan niet worden ingescha-
keld in de 1e versnelling of de achteruit.
Het is raadzaam het systeem alleen te ge- OPGESLAGEN SNELHEID

GEVALLEN
bruiken in de 4e of hogere versnelling. OPROEPEN

NOOD-
Op afdalingen kan bij ingeschakelde crui- Als het systeem is uitgeschakeld door bij-
se-control de snelheid iets oplopen ten voorbeeld het intrappen van het rem- of
opzichte van de opgeslagen snelheid. koppelingspedaal, kan de opgeslagen snel-

ONDERHOUD
EN ZORG
Het systeem is ingeschakeld als het lamp- heid op de volgende manier worden op-
je Ü op het instrumentenpaneel brandt geroepen:
en het betreffende bericht verschijnt. ❒ geef geleidelijk gas, totdat de snelheid
ongeveer gelijk is aan de opgeslagen

TECHNISCHE
GEGEVENS
snelheid;
❒ schakel de versnelling in die ingescha-
keld was op het moment van het op-
slaan van de snelheid;

ALFABETISCH
REGISTER
❒ druk op de knop RES B.

79
OPGESLAGEN SNELHEID SYSTEEM UITSCHAKELEN Het systeem schakelt in de volgende ge-
EN BEDIENING
DASHBOARD
VERHOGEN vallen automatisch uit:
Het systeem kan als volgt door de be-
Dit kan op twee manieren: stuurder worden uitgeschakeld: ❒ als het ABS of ESP in werking treedt;
❒ trap het gaspedaal in en sla vervolgens ❒ door de draaiknop A in stand OFF te ❒ als er een storing in het systeem is.
draaien;
VEILIGHEID

de nieuwe snelheid op;


of ❒ door de motor uit te zetten;
❒ plaats de hendel omhoog (+). ❒ door het rempedaal in te trappen of
de handrem aan te trekken; ATTENTIE
Telkens als de hendel wordt bediend,
EN RIJDEN
STARTEN

wordt de snelheid iets verhoogd (onge- ❒ door het koppelingspedaal in te Als de cruise-control tijdens
veer 1 km/h). Als de hendel omhoog trappen; het rijden is ingeschakeld,
wordt gehouden, verandert de snelheid zet dan nooit de versnellingspook in
❒ door een verzoek tot sequentieel de vrijstand.
traploos.
LAMPJES EN

schakelen bij automatische versnel-


BERICHTEN

lingsbak;
OPGESLAGEN SNELHEID
VERLAGEN ❒ als de snelheid van de auto onder de ATTENTIE
vastgestelde limiet komt;
Dit kan op twee manieren: Bij een storing of een afwij-
❒ door het gaspedaal in te trappen; in dit
GEVALLEN

kende werking van de cruise-


NOOD-

❒ schakel het systeem uit en sla vervol- geval wordt het systeem niet werke- control, moet de draaiknop A in stand
gens de nieuwe snelheid op; lijk uitgeschakeld, maar heeft het ac- OFF worden gezet. Laat het systeem,
of celeratie-verzoek voorrang op het sys- na controle van de zekering, door de
teem; de cruise-control blijft inge-
ONDERHOUD

Fiat-dealer controleren.
EN ZORG

❒ plaats de hendel omlaag (–) totdat de schakeld en het systeem stelt, na de


nieuwe snelheid is bereikt die auto- acceleratie, de hiervoor opgeslagen
matisch wordt opgeslagen. snelheid weer in, zonder dat de knop
RES hoeft te worden ingedrukt.
Telkens als de hendel wordt bediend,
TECHNISCHE
GEGEVENS

wordt de snelheid iets verlaagd (ongeveer


1 km/h). Als de hendel omlaag wordt ge-
houden, verandert de snelheid traploos.
ALFABETISCH
REGISTER

80
PLAFONDVERLICHTING ❒ ongeveer 3 minuten bij het openen van

EN BEDIENING
DASHBOARD
de zijdeuren;
PLAFONDVERLICHTING VOOR ❒ ongeveer 10 seconden bij het ver-
MET SPOTJES grendelen van de portieren.
De werking van de brandduurregeling

VEILIGHEID
Met de schakelaar A-fig. 74 kunnen de
plafondlampjes worden in- en uitgescha- wordt onderbroken als de contactsleutel
keld. in stand MAR wordt gedraaid.

Met de schakelaar A-fig. 74 in het midden, BRANDDUURREGELING BIJ HET UITSTAPPEN


F0N0041m

EN RIJDEN
worden de lampjes C en D in-/uitgescha- fig. 74

STARTEN
Als de contactsleutel uit het start-/con-
keld bij het openen/sluiten van de voor- tactslot wordt verwijderd, gaan de pla-
portieren. BELANGRIJK Controleer voordat u de fondlampjes op de volgende manier bran-
Met de schakelaar A-fig. 74 naar links ge- auto verlaat of beide schakelaars in de den:
middelste stand staan. Op deze manier

LAMPJES EN
BERICHTEN
drukt, blijven de lampjes C en D altijd uit-
zullen de lampjes van de plafondverlichting ❒ ongeveer 10 seconden binnen 2 mi-
geschakeld. nuten na het uitzetten van de motor;
doven bij het sluiten van de portieren, en
Met de schakelaar A-fig. 74 naar rechts ge- voorkomt u dat de accu ontlaadt. ❒ ongeveer 3 minuten bij het openen van
drukt, blijven de lampjes C en D altijd in- een portier;
Als de schakelaar in de rechter stand is blij-

GEVALLEN
geschakeld.
❒ ongeveer 10 seconden bij het sluiten

NOOD-
ven staan, schakelt de verlichting 15 minu-
Het inschakelen/doven van de verlichting ten na het uitzetten van de motor automa- van een portier.
gaat geleidelijk. tisch uit.
De brandduurregeling schakelt automa-
Met de schakelaar B-fig. 74 bedient u de tisch uit als de portieren worden ver-

ONDERHOUD
Brandduurregeling van de

EN ZORG
spotjes; bij uitgeschakelde plafondverlichting grendeld.
wordt met de schakelaar: plafondverlichting
❒ in linker stand, het spotje C ingescha- Bepaalde uitvoeringen hebben, om het in-
keld; en uitstappen vooral in het donker te ver-

TECHNISCHE
GEGEVENS
gemakkelijken, 2 brandduurregelingen.
❒ in rechter stand, het spotje D inge-
schakeld. BRANDDUURREGELING BIJ HET INSTAPPEN
De plafondlampjes gaan op de volgende

ALFABETISCH
manier branden:

REGISTER
❒ ongeveer 10 seconden bij het ont-
grendelen van de voorportieren;

81
EN BEDIENING
DASHBOARD BEDIENINGSORGANEN

WAARSCHUWINGSKNIPPER-
LICHTEN fig. 78
VEILIGHEID

Druk op de schakelaar A, ongeacht de


stand van de contactsleutel.
Als het systeem is ingeschakeld, knippert
F0N0042m F0N0220m
het lampje in de schakelaar. Gelijktijdig
EN RIJDEN

fig. 75 fig. 77 gaan op het instrumentenpaneel de con-


STARTEN

trolelampjes Î en ¥ branden.
AFNEEMBARE Druk voor uitschakeling nogmaals op de
PLAFONDVERLICHTING schakelaar.
LAMPJES EN

(indien aanwezig) fig. 77


BERICHTEN

Het gebruik van de waarschuwingsknip-


Deze kan als vast licht gebruikt worden en perlichten is afhankelijk van de wetgeving
als zaklamp. Als de afneembare plafond- van het land waarin u zich bevindt. Houdt
verlichting in de vaste houder zit, wordt u aan de voorschriften.
de batterij van de zaklamp automatisch op-
GEVALLEN
NOOD-

geladen. Het opladen van de plafondver-


lichting bij stilstaande auto en met de con-
fig. 76 F0N0219m tactsleutel in stand STOP of uitgenomen,
is beperkt tot 15 minuten.
ONDERHOUD
EN ZORG

PLAFONDVERLICHTING
ACHTER IN LAADRUIMTE fig. 75
Deze bevindt zich boven de achterdeur.
Druk voor inschakeling op het lampenglas
TECHNISCHE
GEGEVENS

op het in de afbeelding aangegeven punt.

PLAFONDVERLICHTING AAN
DE ZIJKANT IN LAADRUIMTE
ALFABETISCH
REGISTER

(indien aanwezig) fig. 76


Druk voor inschakeling op het lampenglas
op het in de afbeelding aangegeven punt.

82
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0044m F0N0046m F0N0007m

EN RIJDEN
fig. 78 fig. 80 fig. 80a

STARTEN
MISTACHTERLICHT fig. 80
Druk op knop 4. Het mistachterlicht

LAMPJES EN
BERICHTEN
werkt alleen als het dimlicht of de buiten-
verlichting en mistlampen voor (indien
aanwezig) zijn ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat het con-
trolelampje 4 branden.

GEVALLEN
NOOD-
Druk voor uitschakeling nogmaals op de
fig. 79 F0N0045m knop of schakel het dimlicht en/of de mist- fig. 81 F0N0043m

lampen voor (indien aanwezig) uit.

ONDERHOUD
EN ZORG
MISTLAMPEN VOOR Het gebruik van het mistachterlicht is af- ACHTERRUITVERWARMING
(indien aanwezig) fig. 79 hankelijk van de wetgeving van het land (indien aanwezig) fig. 81
waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voor-
Druk bij ingeschakelde buitenverlichting schriften. Druk op de knop A voor inschakeling. Bij
op knop 5.

TECHNISCHE
ingeschakelde achterruitverwarming zorgt

GEGEVENS
PARKEERVERLICHTING een tijdschakeling ervoor dat de verwar-
Op het instrumentenpaneel gaat het con- ming na ongeveer 20 minuten uitschakelt.
trolelampje 5 branden. Deze verlichting schakelt in als u de con-
Druk voor uitschakeling nogmaals op de tactsleutel in stand PARK draait.

ALFABETISCH
REGISTER
knop. Om de contactsleutel in stand
Het gebruik van de mistlampen is afhanke- PARK te zetten, moet u de knop
lijk van de wetgeving van het land waarin u A-fig. 80a indrukken.
zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.
83
EN BEDIENING
DASHBOARD NOODSCHAKELAAR
VOOR ONDERBREKING
BRANDSTOFTOEVOER
EN ELEKTRISCHE
VEILIGHEID

VOEDING
De auto is uitgerust met een brandstof-
F0N0047m
noodschakelaar. De schakelaar springt om- F0N0048m
EN RIJDEN

fig. 82 hoog bij een ongeval, waardoor de toevoer fig. 84


STARTEN

van brandstof wordt gestopt en de motor af-


slaat. Als de brandstofnoodschakelaar in- ATTENTIE
schakelt, wordt niet alleen de brandstoftoe-
voer gestopt, maar schakelen ook de waar- Als u na een ongeval een
LAMPJES EN
BERICHTEN

schuwingsknipperlichten, de buitenverlichting brandstoflucht ruikt of merkt


en de plafondverlichting in, worden alle por- dat het brandstofsysteem lekt, scha-
tieren/deuren ontgrendeld en verschijnt op kel dan de schakelaars niet weer in,
het instrumentenpaneel een bericht; druk zodat brand wordt voorkomen.
voor de uitschakeling op de knop A. Er is bo-
GEVALLEN
NOOD-

vendien een extra veiligheidsschakelaar aan- Brandstofnoodschakelaar weer


wezig die inschakelt bij een ongeval, waar- inschakelen fig. 84
fig. 83 F0N0132m door de elektrische voeding wordt onder-
broken. Hierdoor wordt brandstoflekkage Druk om de brandstofnoodschakelaar
ONDERHOUD

weer in te schakelen op knop A.


EN ZORG

bij leidingbreuken en vonkvorming bij be-


PORTIERVERGRENDELING fig. 82 schadiging van de elektrische componenten Veiligheidsschakelaar voor
U kunt de centrale portiervergrendeling van de auto voorkomen.
elektrische voeding weer inschakelen
inschakelen door de knop A op de mid- BELANGRIJK Vergeet niet na een botsing de (Schoolbus/Minibus) fig. 85
TECHNISCHE

denconsole in te drukken, onafhankelijk


GEGEVENS

sleutel uit het contactslot te nemen om te De schakelaar bevindt zich op de pluspool


van de stand van de contactsleutel. Druk voorkomen dat de accu ontlaadt.
voor het ontgrendelen van de portie- van de accu. Ga als volgt te werk om de
Als u na het ongeval geen brandstoflekkage schakelaar weer in te schakelen:
ren/deuren op de knop B. waarneemt en geen beschadiging van de elek-
trische componenten van de auto (bijv. de ❒ druk om de brandstofnoodschakelaar
ALFABETISCH

Op het paneel voor de ruitbediening bevindt


REGISTER

koplampen) en de auto kan nog verder rij- weer in te schakelen op knop A;


zich een knop D waarmee u de laadruimte
onafhankelijk kunt ver-/ontgrendelen fig. 83. den, schakel dan de brandstofnoodschake- ❒ druk om de schakelaar voor de elek-
laar en de veiligheidsschakelaar voor de elek- trische voeding weer in te schakelen op
trische voeding (indien aanwezig) weer in, knop B.
84 volgens de hierna beschreven procedure.
INTERIEURUITRUSTING

EN BEDIENING
DASHBOARD
BOVENSTE DASHBOARDKASTJE
-KOEL/WARMHOUDVAK
(indien aanwezig) fig. 86

VEILIGHEID
Til voor het gebruik het deksel op zoals is
afgebeeld.
F0N0127m
Als de auto is uitgerust met airconditio- F0N0049m

EN RIJDEN
fig. 85 fig. 86

STARTEN
ning, kan het vak met flessenhouder ge-
koeld/verwarmd worden via een uit-
ATTENTIE stroomopening die verbonden is met de
airconditioning.
Voordat u de schakelaar voor

LAMPJES EN
BERICHTEN
de elektrische voeding weer
inschakelt, moet zorgvuldig worden DASHBOARDKASTJE fig. 87
gecontroleerd of er geen brandstof- Trek aan de handgreep A om het dash-
lekkage is en of de elektrische com- boardkastje te openen.
ponenten (bijv. de koplampen) niet

GEVALLEN
NOOD-
zijn beschadigd. DASHBOARDKASTJE MET SLOT
fig. 88 F0N0050m
fig. 87
ATTENTIE Draai om het slot te ver-/ontgrendelen de

ONDERHOUD
sleutel rechts-/linksom. Trek aan de hand-

EN ZORG
Voordat u de brandstofnood-
schakelaar weer inschakelt, greep om het dashboardkastje te openen.
moet zorgvuldig worden gecontroleerd De omvang van het dashboardkastje is van
of er geen brandstoflekkage is en of de dien aard dat er een laptop in kan worden

TECHNISCHE
elektrische componenten (bijv. de kop-

GEGEVENS
geplaatst.
lampen) niet zijn beschadigd.

ALFABETISCH
BELANGRIJK Bij andere uitvoeringen dan

REGISTER
de Schoolbus/Minibus is de knop B vervan- fig. 88 F0N0051m
gen door een zekering; wendt u voor ver-
vanging van die zekering tot de Fiat-dealer.
85
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0052m F0N0128m F0N0134m


EN RIJDEN

fig. 89 fig. 91 fig. 92


STARTEN

VAKKEN ACHTER fig. 91


In ieder portier bevindt zich een opberg-/
LAMPJES EN
BERICHTEN

documentenvak.

OPBERGVAK ONDER
PASSAGIERSSTOEL VOOR
GEVALLEN
NOOD-

Ga voor het gebruik van het vak als volgt


te werk:
fig. 90 F0N0053m
❒ Open de klep A en verwijder deze zo- fig. 93 F0N0218m

als aangegeven in fig. 92;


ONDERHOUD
EN ZORG

OPBERGVAK ❒ draai de vergrendelknop B linksom en SCHEIDINGSWAND


Het opbergvak A-fig. 89 bevindt zich in verwijder deze zodat het vak kan uit- De auto kan zijn uitgerust met een schei-
het midden van het dashboard. schuiven. dingswand met of zonder schuifruit.
TECHNISCHE
GEGEVENS

Het opbergvak B-fig. 90 bevindt zich U kunt de schuifruit van de scheidingswand


rechts op het dashboard, onder het dash- fig. 93 openen/sluiten met de knop A.
boardkastje.
Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van
een beschermrooster, dat op het ruitje
ALFABETISCH
REGISTER

van de wand in de laadruimte is geplaatst.

86
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0054m F0N0055m F0N0146m

EN RIJDEN
fig. 94 fig. 95 fig. 96

STARTEN
BEKERHOUDER – AANSTEKER fig. 95 ASBAK fig. 96
BLIKJESHOUDER fig. 94 Deze bevindt zich in het midden op het De uitneembare kunststof asbak kan in de

LAMPJES EN
BERICHTEN
De beker/blikjeshouder is in het midden dashboard. beker/blikjeshouder geplaatst worden in
op het dashboard geplaatst. het midden op het dashboard.
Druk voor het inschakelen van de aanste-
ker de knop A in, als de contactsleutel in BELANGRIJK Gebruik de asbak niet als
stand MAR staat. prullenbak voor papiertjes; als deze in con-

GEVALLEN
tact komen met smeulende peuken kan er

NOOD-
Na ongeveer 15 seconden springt de knop brand ontstaan.
in de beginstand en is de aansteker klaar
voor gebruik.
BELANGRIJK Controleer altijd of de aan-

ONDERHOUD
EN ZORG
steker na het indrukken ook uitschakelt.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ATTENTIE
De aansteker wordt erg
heet. Gebruik de aansteker
voorzichtig en voorkom dat hij ge-

ALFABETISCH
bruikt wordt door kinderen: risico op

REGISTER
brand en/of brandwonden.

87
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0056m F0N0058m F0N0190m


EN RIJDEN

fig. 97 fig. 99 fig. 100


STARTEN

SCHRIJF/LEESTAFELTJE BOVENSTE OPBERGRUIMTE IN


(indien aanwezig) CABINE fig. 100 (indien aanwezig)
LAMPJES EN
BERICHTEN

In het midden van het dashboard, boven Deze ruimte bevindt zich boven in de be-
de inbouwplaats van de autoradio, bevindt stuurderscabine en is geschikt voor het
zich een schrijftafeltje A-fig. 99; op enkele opbergen van lichte voorwerpen.
uitvoeringen kan het schrijftafeltje gebruikt
worden als leestafeltje door het aan de Maximale belasting:
GEVALLEN
NOOD-

achterzijde omhoog te trekken en de – op één plaats ...................................10 kg


steun op het dashboard te laten rusten, – verdeeld over de gehele ruimte ..20 kg
fig. 98 F0N0057m zoals afgebeeld.
Op uitvoeringen met airbag aan passa-
ONDERHOUD
EN ZORG

ZONNEKLEPPEN fig. 97 gierszijde is het schrijftafeltje vast inge-


bouwd.
De zonnekleppen zitten aan beide zijden
naast de binnenspiegel. Ze kunnen voor
TECHNISCHE

de voorruit of voor de zijruit worden ge-


GEGEVENS

draaid.

STEKKERDOOS (indien aanwezig)


ALFABETISCH

Deze is in het midden op het dashboard


REGISTER

geplaatst, naast de aansteker fig. 98.


Open voor gebruik de dop A.

88
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0191m F0N0149m F0N0217m

EN RIJDEN
fig. 101 fig. 102 fig. 103

STARTEN
OPBERGRUIMTE IN CABINE TAFEL OP BANK (indien aanwezig) ACHTERUITRIJCAMERA EN
(ALKOOF) fig. 101 Trek voor gebruik aan het lipje A-fig. 102 MONITOR (indien aanwezig)

LAMPJES EN
(indien aanwezig)

BERICHTEN
en klap de tafel neer. Met de achteruitrijcamera fig. 103 kan de
De opbergruimte bevindt zich boven de De tafel is voorzien van twee bekerhou- bestuurder de omgeving achter de auto zien
zonnekleppen en is zo ontworpen dat u ders en een steunvlak met kaartenklem. via een monitor A-fig. 104 die in het inte-
er snel lichte voorwerpen in kunt opber- rieur van de auto is geplaatst.
gen (bijv. documenten, wegenkaarten

GEVALLEN
Het systeem bestaat uit een videocame-

NOOD-
enz.). ra die in een kunststof huis is geplaatst op
de achtertraverse van het dak, waarin ook
het derde remlicht is opgenomen, en een
monitor in een kunststof huis bij het bo-

ONDERHOUD
EN ZORG
venste dashboardkastje.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
89
Aanwijzingen voor het gebruik
EN BEDIENING
DASHBOARD
Als de lens van de videocamera vuil is of
met ijzel is bedekt (aan de buitenzijde), rei-
nig de lens dan met een zachte doek. Ge-
bruik absoluut geen andere voorwerpen
VEILIGHEID

voor het reinigen van de lens, om kras-


sen te voorkomen.
Ook voor het reinigen van de monitor is
F0N0214m F0N0215m
het raadzaam een zachte, droge doek te
EN RIJDEN

fig. 104 fig. 105 gebruiken. Stof kan van de monitor wor-
STARTEN

den verwijderd met een daarvoor ge-


De monitor is voorzien van de toetsen ALGEMENE OPMERKINGEN schikte zachte kwast. Gebruik geen enkel
(On/Off, lichtsterkte, achtergrondverlich- oplosmiddel voor het reinigen.
ting); om de monitor te gebruiken moet u
LAMPJES EN

Gezichtsveld
BERICHTEN

Bij een ongeval kan het glas van de moni-


de ontgrendelknop bedienen en de mo- tor breken. Raak in dit geval de vloeistof
nitor uitklappen. Het gezichtsveld kan variëren afhankelijk
van de stand van de auto (bijv. een volbe- die er uitstroomt niet aan. Mocht dit ge-
De monitor geeft een gespiegelde weer- laden auto), afhankelijk van de specificaties beuren, was dan snel de verontreinigde
gave (“mirror”) van het zicht naar achte- van de auto en afhankelijk van de weers- delen met water en zeep.
GEVALLEN
NOOD-

ren. Als de monitor niet gebruikt wordt, omstandigheden (helder, regen, sneeuw en
kan deze worden ingeklapt bij het boven- mist); bij weinig buitenlicht of bij een vol-
ste dashboardkastje. beladen auto, kan het gezichtsveld beperkt
zijn.
ONDERHOUD

INSCHAKELING
EN ZORG

Het gebied dat de camera bestrijkt, is on-


Het systeem schakelt in als de contact- geveer 3 m lang en maximaal 5,5 m breed
sleutel in het contactslot zit en u de ach- fig. 105.
teruit inschakelt of als u de betreffende
TECHNISCHE
GEGEVENS

toets indrukt; als de auto in beweging is,


bijvoorbeeld tijdens achteruitrijden, werkt
het systeem tot een snelheid van ongeveer
15 km/h en schakelt uit als de snelheid bo-
ven ongeveer 18 km/h komt. Als de ach-
ALFABETISCH
REGISTER

teruit wordt uitgeschakeld, wordt het


beeld nog ongeveer 5 seconden op de mo-
nitor weergegeven.

90
BERICHTEN OP HET SCHERM TACHOGRAAF

EN BEDIENING
DASHBOARD
In de volgende gevallen wordt er infor-
matie op het scherm weergegeven: Raadpleeg voor de werking en het gebruik
van de tachograaf de gebruikshandleiding
❒ Na het inschakelen van de achteruit, die door de fabrikant is bijgeleverd.
wordt 5 seconden een waarschu-

VEILIGHEID
wingsbericht weergegeven. Het is wettelijk verplicht de tachograaf in
de auto te installeren als het gewicht van
❒ Als de snelheid boven ongeveer 18 de auto (met of zonder aanhanger) meer
km/h komt en alleen als de inschakel- dan 3,5 ton bedraagt.
F0N0216m toets is ingeschakeld (ON), verdwijnt

EN RIJDEN
fig. 106

STARTEN
het beeld en verschijnt ongeveer 5 se- BELANGRIJK Iedere verandering aan het
conden een waarschuwingsbericht dat controle-instrument of aan het signaal-
BEDIENINGSTOETSEN het systeem in stand-by staat. overbrengingssysteem die invloed heeft op
De bedieningstoetsen van de monitor de registratie door het controle-instru-
❒ Als de snelheid boven ongeveer 18

LAMPJES EN
ment, vooral als dit bedoeld is om te frau-

BERICHTEN
fig. 106: km/h komt en de achteruit is inge- deren, is strafbaar.
❒ Lichtsterkteregeling: 2 toetsen schakeld, verdwijnt het beeld en ver-
schijnt een waarschuwingsbericht dat BELANGRIJK Het is raadzaam de rode ze-
❒ Achtergrondverlichting instellen: 2 blijft weergegeven totdat de snelheid kering van 10A met het nummer F39 (ze-
toetsen onder ongeveer 15 km/h komt. In dat keringenkast dashboard) te verwijderen,

GEVALLEN
NOOD-
geval wordt het beeld weer weerge- als de auto langere tijd niet gebruikt wordt
❒ Toets ON/OFF: hiermee kunt u de (meer dan 10 dagen). Dit geldt voor alle
beelden van de videocamera ook zien geven.
uitvoeringen die uitgerust zijn met een ta-
als de achteruit is uitgeschakeld U kunt de taal wijzigen waarin de berich- chograaf, met uitzondering van de Mini-

ONDERHOUD
U kunt terugkeren naar de standaardcon- ten worden weergegeven. Druk hiervoor, bus-uitvoering.

EN ZORG
figuratie door de toets ON/OFF ongeveer bij uitgeschakeld systeem, gelijktijdig op de
toets ON/OFF en een willekeurige ande- BELANGRIJK Als een tachograaf in de au-
3 seconden ingedrukt te houden als het to geïnstalleerd is en de auto 5 dagen niet
systeem is uitgeschakeld. In dat geval knip- re toets en selecteer vervolgens de taal in
het menu met de toets ON/OFF. Als u de wordt gebruikt, is het raadzaam de min-
pert de toets ON/OFF 2 keer om de han-

TECHNISCHE
GEGEVENS
gewenste taal geselecteerd hebt, wacht pool van de accu los te koppelen om te
deling te bevestigen. acculading te behouden.
dan 3 seconden zodat de taal wordt op-
geslagen.

ALFABETISCH
REGISTER
91
EN BEDIENING
DASHBOARD BELANGRIJKE AANWIJZINGEN PORTIEREN
Gebruik geen schuurmiddelen of oplos-
middelen voor het reinigen van het appa- CENTRALE PORTIERVER-/
raat. Gebruik voor het reinigen van de bui- ONTGRENDELING
tenkant van het apparaat een vochtige
VEILIGHEID

doek of eventueel speciale producten


voor het onderhoud van synthetische ma- PORTIERVERGRENDELING VAN
terialen. BUITENAF
De tachograaf wordt door geautoriseerd Druk bij gesloten portieren op de knop Ø
F0N0060m
op de afstandsbediening fig. 107 of steek
EN RIJDEN

personeel geïnstalleerd en verzegeld: voer fig. 107


STARTEN

geen werkzaamheden uit aan het systeem de metalen baard in het slot van het
en de bijbehorende voedings- en registra- bestuurdersportier en draai de sleutel
tiekabels. rechtsom.
LAMPJES EN

Alleen als alle portieren gesloten zijn,


BERICHTEN

De bezitter van de auto waarin de tacho-


graaf is geïnstalleerd, moet de tachograaf wordt de portiervergrendeling ingescha-
periodiek laten keuren. Het systeem moet keld. Als een of meerdere portieren niet
ten minste iedere twee jaar gekeurd en ge- vergrendeld zijn na het indrukken van de
test worden op de juiste werking. knop Ø op de afstandsbediening fig. 107,
GEVALLEN

gaan de richtingaanwijzers en het lampje


NOOD-

Zorg ervoor dat na iedere controle het op de knop A-fig. 110 ongeveer 3
plaatje wordt vernieuwd en dat het de seconden snel knipperen. F0N0145m
voorgeschreven gegevens bevat. fig. 108
Als de portiervergrendeling is ingescha-
ONDERHOUD

keld, zijn de knoppen A en B fig. 110 uit-


EN ZORG

geschakeld. Als u de knop Ø op de afstandsbediening


fig. 107 twee keer kort indrukt, schakelt
het dead lock-systeem in (zie de paragraaf
“Dead lock-systeem”).
TECHNISCHE
GEGEVENS

Portierontgrendeling van buitenaf


Druk kort op de knop Æ fig. 107 of Ë
fig. 108, afhankelijk van de uitvoering,
ALFABETISCH
REGISTER

voor het op afstand ontgrendelen van de


voorportieren. Gelijktijdig wordt de pla-
fondverlichting tijdelijk ingeschakeld en

92
Bij een onderbreking in de elektrische voe-

EN BEDIENING
DASHBOARD
ding (doorgebrande zekering, losgekoppel-
de accu enz.) kunnen de portieren/deuren
altijd met de hand worden vergrendeld.
Als u harder dan 20 km/h rijdt, worden al-

VEILIGHEID
le portieren automatisch vergrendeld als in
het setup-menu deze functie is ingescha-
keld (zie de paragraaf “Multifunctioneel dis-
play” in dit hoofdstuk).
F0N0059m F0N0047m

EN RIJDEN
fig. 109 fig. 110

STARTEN
TOETS LAADRUIMTE fig. 111
knipperen de richtingaanwijzers twee
keer. Als u de metalen baard in het slot De vergrendeling wordt aangegeven door
van het bestuurdersportier linksom draait een lampje op de toets.
fig. 109, kunt u alle portieren/deuren ont-

LAMPJES EN
BERICHTEN
grendelen. Het lampje gaat in de volgende gevallen
branden:
Portierver-/ontgrendeling vanuit ❒ iedere keer nadat met de toets zelf of
het interieur met de toets Ø op het dashboard het
commando voor vergrendeling is ge-

GEVALLEN
NOOD-
Druk op de knop A-fig. 110 om de por- geven;
tieren/deuren te vergrendelen en op de F0N0132m ❒ als het instrumentenpaneel wordt in-
knop B om de portieren/deuren te ont- fig. 111
geschakeld;
grendelen. De portieren (voor en achter) ❒ de afstandsbediening;
❒ als een van de voorportieren wordt

ONDERHOUD
worden centraal ver-/ontgrendeld. Als de

EN ZORG
❒ het portierslot; geopend;
portieren/deuren vergrendeld zijn, brandt
het lampje op de knop A; als de knop B kunt u de portieren/deuren niet meer ont- ❒ als de portieren bij 20 km/h worden
wordt ingedrukt, worden alle portie- grendelen met de knop A-fig. 110 op het vergrendeld (indien ingeschakeld in het
ren/deuren ontgrendeld en dooft het schakelaarpaneel op het dashboard. menu).

TECHNISCHE
GEGEVENS
lampje. Als de portieren/deuren zijn ont-
grendeld, is het lampje gedoofd; als de BELANGRIJK Als de centrale portierver- Het lampje dooft als een van de deuren
knop wordt ingedrukt, worden alle por- grendeling is ingeschakeld en een van de van de laadruimte wordt geopend of als
tieren/deuren vergrendeld. De portier- voorportieren wordt van binnenuit geo- het commando voor portierontgrendeling
wordt gegeven (laadruimte of centraal), of

ALFABETISCH
vergrendeling wordt alleen ingeschakeld pend met de handgreep, dan wordt de por-

REGISTER
als alle portieren goed gesloten zijn. tiervergrendeling uitgeschakeld. Als een van als via de afstandsbediening of het por-
Als de portieren/deuren zijn vergrendeld de achterdeuren van binnenuit wordt geo- tierslot het commando voor ontgrende-
met behulp van: pend met de handgreep, dan wordt de be- ling wordt gegeven.
treffende deur ontgrendeld.
93
DEAD LOCK-SYSTEEM Systeem inschakelen
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
(indien aanwezig) Het systeem schakelt op alle portieren/
Als het dead lock-systeem is
Dit veiligheidssysteem verhindert de wer- ingeschakeld, kunnen de deuren automatisch in als de knop Ø op
king van: portieren op geen enkele wijze van de sleutel met afstandsbediening fig. 107
binnenuit worden geopend. Contro- twee keer snel wordt ingedrukt.
❒ de binnenhandgrepen;
VEILIGHEID

leer daarom, voordat u de auto ver- Als het systeem is ingeschakeld, knipperen
❒ de ont-/vergrendelknoppen A-B fig. 110; laat, of er geen personen meer aan de richtingaanwijzers 3 keer en knippert
hierdoor kunnen de portieren niet van bin- boord zijn. Als de batterij van de sleu- het lampje op de knop A-fig. 110 op het
nenuit worden geopend bij een inbraakpo- tel met afstandsbediening leeg is, kan schakelaarpaneel op het dashboard.
het systeem alleen worden uitge-
EN RIJDEN

ging (bijvoorbeeld bij het inslaan van een


STARTEN

ruit). schakeld door de metalen baard van Het systeem schakelt niet in als een of meer-
de sleutel in beide portiersloten te dere portieren niet goed gesloten zijn: zo
Het dead lock-systeem biedt dus de bes- steken en te draaien, zoals hiervoor wordt voorkomen dat een persoon via het
te bescherming tegen inbraakpogingen. is beschreven: in dat geval blijft het geopende portier het interieur van de auto
LAMPJES EN

Daarom raden wij u aan om iedere keer


BERICHTEN

systeem alleen op de achterdeuren kan betreden en, als het portier vervolgens
als u de auto verlaat, het systeem in te ingeschakeld. wordt gesloten, de auto niet meer kan ver-
schakelen. laten.

Systeem uitschakelen
GEVALLEN
NOOD-

Het systeem schakelt in de volgende ge-


vallen automatisch op alle portieren uit:
❒ als de contactsleutel in het bestuurders-
ONDERHOUD

portier wordt gestoken en de sleutel


EN ZORG

rechtsom wordt gedraaid;


❒ als de portieren/deuren op afstand
worden ontgrendeld;
TECHNISCHE
GEGEVENS

❒ als de contactsleutel in stand MAR


wordt gedraaid.
ALFABETISCH
REGISTER

94
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0061m F0N0240m F0N0176m

EN RIJDEN
fig. 112 fig. 112a fig. 113

STARTEN
SCHUIFDEUR ZIJKANT Trek voor het openen van de zijschuifdeur OPSTAPTREDE fig. 113
de handgreep A omhoog en begeleid de (indien aanwezig)
deur bij het openen.

LAMPJES EN
BERICHTEN
Als u de zijschuifdeur van de passagiers-
In geheel geopende stand wordt de zijdeur ruimte of de laadruimte opent, schuift aan
ATTENTIE door een vangmechanisme opengehou- de onderzijde een opstapje uit om ge-
Als de auto wordt gepar- den. Bedien om de deur te sluiten, de makkelijker in te stappen.
keerd met geopende schuif- handgreep A aan de buitenkant (of de

GEVALLEN
NOOD-
deuren, controleer dan of deze goed handgreep aan de binnenkant) en duw de
vergrendeld zijn. deur dicht.
Zorg er in ieder geval voor dat de ATTENTIE
geopende deur op de juiste wijze is vast- Controleer voordat u weg-

ONDERHOUD
EN ZORG
gehaakt aan het vangmechanisme. rijdt of het opstapje weer ge-
heel is ingeschoven. Omdat de bewe-
ATTENTIE ging van het opstapje gekoppeld is
SCHUIFRAAM ZIJKANT (indien
Verplaats de auto niet bij ge- aanwezig) fig. 112a aan die van de schuifdeur, wordt het
opende schuifdeuren.

TECHNISCHE
niet volledig inschuiven van het op-

GEGEVENS
Houd voor het openen de twee handgre- stapje, net als eventueel geopende
pen B naar elkaar gedrukt en schuif de ruit achterdeuren, aangegeven door een
open. brandend lampje ´ op het instru-
mentenpaneel.

ALFABETISCH
Als u de twee handgrepen loslaat, kan de

REGISTER
schuifruit in een tussenliggende stand wor-
den gezet.

95
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0129m F0N0130m F0N0131m


EN RIJDEN

fig. 114 fig. 115 fig. 116


STARTEN

DUBBELE ACHTERDEUR Linker deur met de hand openen


fig. 116
LAMPJES EN

Rechter deur van buitenaf openen


BERICHTEN

Trek de handgreep C in de richting van de


Draai de sleutel linksom fig. 109 of druk pijl.
op knop ∞ van de afstandsbediening en De twee achterdeuren zijn ieder voorzien
trek de handgreep A-fig. 114 in de rich- van een klemveer die de opening van de
ting van de pijl.
GEVALLEN

deur tot 90 graden beperkt.


NOOD-

Rechter deur van buitenaf sluiten


F0N0132m
fig. 117
Draai de sleutel rechtsom of druk op de
ONDERHOUD

knop Á van de sleutel met afstandsbedie-


EN ZORG

ning. Sluit eerst de linker deur en dan de Elektrisch vergrendelen van


rechter. binnenuit fig. 117
Sluit de twee achterdeuren (eerst de lin-
TECHNISCHE

ker, dan de rechter) en druk op de knop


GEGEVENS

D op het paneel voor de ruitbediening.


ALFABETISCH
REGISTER

96
ELEKTRISCHE

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Het systeem van klemveren RUITBEDIENING
is ontwikkeld voor een beter
gebruikscomfort; bij een botsing of fig. 119
een windstoot kunnen de veren los-

VEILIGHEID
haken en kunnen de deuren onver- In de armsteun van het portier aan be-
wacht dichtvallen. stuurderszijde zijn de bedieningsschake-
laars gemonteerd waarmee u, als de con-
tactsleutel in stand MAR staat, de zijrui-
F0N0188m ten bedient:

EN RIJDEN
fig. 118

STARTEN
A openen/sluiten zijruit linksvoor;
Het is mogelijk de openingshoek van de B openen/sluiten zijruit rechtsvoor.
twee deuren te vergroten om makkelijker
in en uit te laden. Druk hiervoor op de

LAMPJES EN
BERICHTEN
knop A-fig. 118; u kunt nu de deuren on-
geveer 180 graden openen.

GEVALLEN
NOOD-
ATTENTIE
Als de deuren 180 graden

ONDERHOUD
geopend zijn, zijn ze niet

EN ZORG
meer vergrendeld. Open de deuren
niet 180 graden als de auto op een
helling staat of bij veel wind.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
97
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE MOTORKAP
Onzorgvuldig gebruik van de
elektrische ruitbediening kan OPENEN
gevaarlijk zijn. Controleer voor en tij-
dens het bedienen van de ruit altijd of Ga als volgt te werk:
VEILIGHEID

de passagiers niet kunnen worden ❒ open het bestuurdersportier om de


verwond door de bewegende ruiten, ontgrendelhendel van de motorkap te
hetzij direct door contact met de ruit, bereiken;
hetzij door voorwerpen die door de
F0N0062m ruit worden meegesleept of geraakt. ❒ trek de hendel fig. 120 in de richting
EN RIJDEN

fig. 119
STARTEN

Verwijder altijd de sleutel uit het con- van de pijl;


tactslot als u de auto verlaat om te ❒ trek aan het hendeltje A-fig. 121, zo-
Automatische werking voorkomen dat een onverwachte in-
(indien aanwezig) als aangegeven in de afbeelding;
schakeling van de elektrische ruitbe-
LAMPJES EN

❒ til de motorkap op en trek gelijktijdig


BERICHTEN

Enkele uitvoeringen hebben een automa- diening gevaar oplevert voor de ach-
tische bediening omhoog/omlaag van de tergebleven passagiers. de steunstang fig. 122 uit de klem D;
zijruit aan bestuurderszijde en alleen om- steek vervolgens het uiteinde C-fig.
laag van de zijruit aan passagierszijde. 123 van de stang in de zitting E op de
motorkap.
Portier aan passagierszijde voor
GEVALLEN

De automatisch continue werking van de


NOOD-

ruit wordt ingeschakeld als u langer dan In de armsteun van het voorportier aan
een halve seconde op een van de bedie- passagierszijde zit een drukschakelaar om
ningsschakelaars drukt. De beweging stopt aan die zijde de ruit te bedienen.
als de ruit aan het einde van zijn slag is (of
ONDERHOUD
EN ZORG

als u nogmaals op de schakelaar drukt).


BELANGRIJK Als de contactsleutel in
stand STOP staat of is uitgenomen, dan
kunnen de ruiten nog ongeveer 3 minuten
TECHNISCHE
GEGEVENS

worden bediend. Het systeem wordt ech-


ter onmiddellijk uitgeschakeld als een van
de portieren wordt geopend.
ALFABETISCH
REGISTER

98
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Om veiligheidsredenen moet
de motorkap tijdens het rij-
den altijd goed gesloten zijn. Contro-
leer daarom altijd of de motorkap

VEILIGHEID
goed vergrendeld is. Als u tijdens het
rijden merkt dat de motorkap niet
goed is vergrendeld, stop dan onmid-
dellijk en sluit de motorkap op de juis-
F0N0063m F0N0065m te wijze.

EN RIJDEN
fig. 120 fig. 122

STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
ATTENTIE
Als de steunstang verkeerd
geplaatst wordt, kan de mo-

GEVALLEN
NOOD-
torkap onverwacht dichtvallen.

F0N0064m F0N0066m
fig. 121 fig. 123

ONDERHOUD
EN ZORG
BELANGRIJK Controleer of de armen van ❒ laat de motorkap tot op ongeveer 20
de ruitenwissers tegen de ruit aanstaan cm van de motorruimte zakken, laat de
voordat u de motorkap optilt. motorkap vallen en controleer of de ATTENTIE
motorkap goed is gesloten door de mo- Voer deze handeling alleen

TECHNISCHE
GEGEVENS
SLUITEN torkap op te tillen. De motorkap mag uit als de auto stilstaat.
Ga als volgt te werk: niet alleen door de beveiliging vergren-
deld zijn. Druk in dit laatste geval de
❒ houd de motorkap met een hand om- motorkap niet dicht, maar til hem op-
hoog, trek met de andere hand de nieuw op en herhaal de handeling.

ALFABETISCH
REGISTER
stang C-fig. 123 uit de zitting E en
plaats de steunstang terug in de klem BELANGRIJK Controleer altijd of de mo-
D-fig. 122; torkap vergrendeld is om te voorkomen
dat deze tijdens het rijden opengaat.
99
EN BEDIENING
DASHBOARD IMPERIAAL/ ATTENTIE
SKIDRAGER Verdeel de lading gelijkmatig
en houd tijdens de rit reke-
Voor het monteren van de steunen van ning met een verhoogde zijwindge-
een imperiaal/skidrager bij de voorberei- voeligheid.
VEILIGHEID

ding voor de uitvoeringen H1 en H2, moe-


ten de daarvoor bestemde pennen wor-
den gebruikt aan de randen van het dak
fig. 124. Overschrijd nooit het maximum
F0N0138m draagvermogen (zie het hoofd-
EN RIJDEN

fig. 124
STARTEN

De auto’s met lange wielbasis zijn voor- stuk “Technische gegevens”).


zien van 8 pennen; de auto’s met korte
of medium wielbasis zijn voorzien van 6 BELANGRIJK U dient zich strikt aan de
pennen; de auto’s met extra lange wiel- aanwijzingen te houden die in het pakket
basis zijn voorzien van 10 pennen. zijn meegeleverd. De montage moet altijd
LAMPJES EN
BERICHTEN

door deskundige personen worden uitge-


ATTENTIE voerd.
Controleer na enkele kilo-
meters opnieuw of de beves-
GEVALLEN
NOOD-

tigingsbouten nog goed vastzitten.


ONDERHOUD
EN ZORG

Houdt u zorgvuldig aan de


wettelijke bepalingen be-
treffende de maximale afme-
TECHNISCHE
GEGEVENS

tingen.
ALFABETISCH
REGISTER

100
KOPLAMPEN Koplampen verstellen fig. 125

EN BEDIENING
DASHBOARD
De koplampen kunnen worden versteld
KOPLAMPEN AFSTELLEN met de knoppen Ò en  op het schake-
laarpaneel.
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk
Op het display van het instrumentenpa-

VEILIGHEID
voor het comfort en de veiligheid van uzelf
en de overige weggebruikers. Voor opti- neel wordt de stand aangegeven.
maal zicht en zichtbaarheid moeten de BELANGRIJK Controleer de afstelling van
koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. de koplampen telkens als het gewicht van
Wendt u voor controle of afstelling tot de F0N0067m de lading wijzigt.

EN RIJDEN
fig. 125

STARTEN
Fiat-dealer.
KOPLAMPVERSTELLING MISTLAMPEN VOOR
AFSTELLEN (indien aanwezig)
De stand kan worden geregeld als de con-

LAMPJES EN
BERICHTEN
tactsleutel in stand MAR staat en de dim- Wendt u voor controle of afstelling tot de
lichten zijn ingeschakeld. Als de auto be- Fiat-dealer.
laden is, helt hij achterover. Het gevolg is
dat de lichtbundel meer naar boven KOPLAMPAFSTELLING IN HET
schijnt. In dit geval moet de stand van de BUITENLAND

GEVALLEN
NOOD-
koplampen worden gecorrigeerd.
De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik
in het land waarin de auto is verkocht. In
die landen waarin aan de andere zijde van
de weg wordt gereden, moet om het te-

ONDERHOUD
EN ZORG
gemoetkomende verkeer niet te verblin-
den, de vorm van de lichtbundel worden
gewijzigd door het aanbrengen van een
speciaal daarvoor ontwikkelde sticker.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
101
EN BEDIENING
DASHBOARD ABS ATTENTIE STORINGSMELDINGEN
Het ABS maakt zoveel mo-
Als u niet eerder in een auto met ABS hebt gelijk gebruik van de be- Storing in ABS
gereden, raden wij u aan het systeem eerst schikbare grip maar kan deze niet
een paar keer uit te proberen op een glad Bij een storing brandt het waarschuwings-
verhogen. Daarom moet op gladde lampje > op het instrumentenpaneel en
VEILIGHEID

wegdek. Verlies hierbij de veiligheid niet uit weggedeelten altijd voorzichtig wor-
het oog en houdt u aan de wetgeving van verschijnt er een bericht (indien aanwezig)
den gereden en mogen er geen on- op het multifunctionele display (zie het
het land waarin u zich bevindt. Bovendien nodige risico’s worden genomen.
raden wij u aan de volgende aanwijzingen hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
aandachtig te lezen. In dat geval blijft het remsysteem normaal
EN RIJDEN
STARTEN

Het ABS dat geïntegreerd is in het rem- ACTIVERING VAN HET werken, maar zonder de mogelijkheden
systeem, voorkomt dat tijdens het remmen SYSTEEM van het ABS. Rijd voorzichtig naar de
de wielen blokkeren, ongeacht de condi- dichtstbijzijnde Fiat-dealer om het systeem
Als het ABS in werking is getreden, merkt te laten controleren.
tie van het wegdek en de pedaaldruk, en de bestuurder dit aan een trilling in het
LAMPJES EN
BERICHTEN

verhindert daarmee het doorslippen van rempedaal, die gepaard gaat met enig ge-
een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de luid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw
auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops. snelheid aan te passen aan de beschikbare
Het systeem wordt gecompleteerd met grip op het wegdek.
GEVALLEN

een elektronische remdrukverdeling EBD


NOOD-

(Electronic Braking force Distribution), die ATTENTIE


de remdruk verdeelt tussen de voor- en
achterwielen. Als het ABS in werking
treedt, dan is de grip van de
ONDERHOUD

BELANGRIJK Voor een maximale werking banden op het wegdek beperkt: u


EN ZORG

van het remsysteem is een inrijperiode no- dient uw snelheid te verlagen en aan
dig van ongeveer 500 km (bij een nieuwe te passen aan de beschikbare grip.
auto of nadat de remblokken/-schijven zijn
vervangen): in deze periode moet bruusk,
TECHNISCHE
GEGEVENS

herhaaldelijk en langdurig remmen wor-


den vermeden.
ALFABETISCH
REGISTER

102
Storing in EBD BRAKE ASSIST ESP-SYSTEEM

EN BEDIENING
DASHBOARD
(remregeling bij noodstops
Bij een storing branden de waarschu-
geïntegreerd in ESP) (indien
(Electronic Stability
wingslampjes > en x op het instru-
mentenpaneel en verschijnt er een bericht aanwezig) Program)
(indien aanwezig) op het multifunctionele Dit systeem, dat niet kan worden uitge- (indien aanwezig)

VEILIGHEID
display (zie het hoofdstuk “Lampjes en be- schakeld, herkent noodstops (op basis van
richten”). de snelheid waarmee het rempedaal Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de
In dit geval kunnen bij krachtig remmen de wordt ingetrapt) en verhoogt de druk in auto als de wielen hun grip verliezen,
achterwielen vroegtijdig blokkeren waar- het remcircuit aanzienlijk, waardoor snel- waardoor de auto beter op koers blijft.
ler en krachtiger door het systeem wordt

EN RIJDEN
door de auto kan slippen. Rijd zeer voor-

STARTEN
De werking van het ESP is uitermate nuttig
zichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer geremd. als de grip op het wegdek wisselt.
om het systeem te laten controleren. De Brake Assist wordt bij uitvoeringen die Naast het ESP-, ASR- en Hill Holder-sys-
zijn uitgerust met ESP, uitgeschakeld bij teem beschikt de auto ook over MSR (re-
een storing in het ESP (lampje á brandt

LAMPJES EN
BERICHTEN
geling van het afremmen op de motor tij-
en er verschijnt een bericht op het multi- dens terugschakelen) en HBA (automati-
ATTENTIE functionele display - indien aanwezig). sche remdrukverhoger bij noodstops) (in-
Als het waarschuwingslamp- dien aanwezig).
je x op het instrumenten-

GEVALLEN
paneel gaat branden (op het multi-

NOOD-
functionele display verschijnt ook een ACTIVERING VAN HET
bericht - indien aanwezig), stop dan ATTENTIE SYSTEEM
onmiddellijk en wendt u tot de Fiat- Als het ABS in werking Bij activering gaat het lampje á op het in-

ONDERHOUD
dealer. Als er vloeistof lekt uit het hy- treedt, merkt u dat aan een strumentenpaneel knipperen, om de be-

EN ZORG
draulische systeem, wordt de werking trilling in het rempedaal. Verlaag de stuurder er op te wijzen dat de auto de
van zowel het conventionele remsys- remdruk niet maar houd het rempe- stabiliteit en de grip dreigt te verliezen.
teem als het ABS in gevaar gebracht. daal juist goed ingetrapt; op deze ma-
nier hebt u de kortste remweg in re-

TECHNISCHE
GEGEVENS
latie tot de conditie van het wegdek.

ALFABETISCH
REGISTER
103
INSCHAKELING VAN HET HILL HOLDER-SYSTEEM Storingsmeldingen
EN BEDIENING
DASHBOARD
SYSTEEM Dit in het ESP geïntegreerde systeem helpt Bij een storing in het systeem brandt het
Het ESP wordt automatisch ingeschakeld bij het wegrijden op een helling. waarschuwingslampje á (zie hoofdstuk
als de motor wordt gestart en kan niet “Lampjes en berichten”).
Het systeem schakelt automatisch in als:
worden uitgeschakeld. BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is
VEILIGHEID

❒ omhoog: de auto stilstaat op een hel- geen handrem; verlaat dus nooit de auto
STORINGSMELDINGEN ling van meer dan 5% met draaiende zonder de handrem aan te trekken, de
motor, ingetrapt rem- en koppelings- motor uit te zetten en de eerste versnel-
Bij een storing in het ESP wordt het sys- pedaal en versnellingsbak in vrij of als
teem automatisch uitgeschakeld en gaat ling in te schakelen.
een andere versnelling dan de achter-
EN RIJDEN
STARTEN

het lampje á op het instrumentenpaneel uit is ingeschakeld.


continu branden en verschijnt er een be-
richt op het multifunctionele display (in- ❒ omlaag: de auto stilstaat op een helling
dien aanwezig) (zie het hoofdstuk “Lamp- van meer dan 5% met draaiende motor, ATTENTIE
ingetrapt rem- en koppelingspedaal en
LAMPJES EN

jes en berichten”) . Bovendien gaat ook Voor de juiste werking van


BERICHTEN

het lampje in de ASR-knop branden. als de achteruit is ingeschakeld. het ESP- en ASR-systeem is
Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot Tijdens het wegrijden zorgt de regeleen- het noodzakelijk dat de banden van
de Fiat-dealer. heid van het ESP ervoor dat de wielen ge- alle wielen van hetzelfde merk en ty-
remd blijven, totdat het noodzakelijke mo- pe zijn. De banden moeten in per-
GEVALLEN

ATTENTIE fecte conditie zijn en de voorge-


NOOD-

torkoppel is bereikt om weg te rijden (of


De prestaties van het ESP- maximaal 2 seconden), zodat u meer tijd schreven afmetingen hebben.
systeem mogen de bestuur- heeft om uw rechter voet van het rem-
der er niet toe verleiden onnodige en pedaal naar het gaspedaal te verplaatsen.
ONDERHOUD

onverantwoorde risico’s te nemen. De


EN ZORG

rijstijl moet altijd zijn aangepast aan Als u na 2 seconden niet bent weggere-
het wegdek, het zicht en het verkeer. den, schakelt het systeem automatisch uit
De verantwoordelijkheid voor de ver- en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd.
keersveiligheid ligt altijd en overal bij Tijdens deze fase kunt u een typisch geluid
TECHNISCHE
GEGEVENS

de bestuurder van de auto. horen. Dit geluid betekent dat de auto ie-
der moment in beweging kan komen.
ALFABETISCH
REGISTER

104
ASR-SYSTEEM (Antislip Regulator)

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Het ASR-systeem controleert de trek- Voor de juiste werking van
kracht van de auto en grijpt automatisch het ESP- en ASR-systeem is
in als een of beide aangedreven wielen het noodzakelijk dat de banden van
dreigen door te slippen. alle wielen van hetzelfde merk en ty-

VEILIGHEID
Afhankelijk van de oorzaak van het door- pe zijn. De banden moeten in per-
slippen, worden er twee verschillende re- fecte conditie zijn en de voorge-
gelsystemen geactiveerd: schreven afmetingen hebben.
❒ als beide aangedreven wielen doorslip- F0N0077m

EN RIJDEN
fig. 126

STARTEN
pen, vermindert de ASR het motor-
vermogen;
MSR-systeem (regeling van Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat
❒ als slechts een aangedreven wiel door- motorremwerking) het lampje op de schakelaar branden en
slipt, zorgt het ASR-systeem ervoor verschijnt er op het multifunctionele dis-

LAMPJES EN
BERICHTEN
dat het wiel automatisch wordt afge- Dit systeem, dat geïntegreerd is in het play een bericht (indien aanwezig).
remd. ASR-systeem, verhoogt bij bruusk terug-
schakelen het motorkoppel, zodat over- Op uitvoeringen met alleen een ARS-sys-
Het ASR-systeem is vooral nuttig onder matige vertraging van de aangedreven wie- teem, blijft bij uitschakeling (ASR OFF) het
de volgende omstandigheden: len wordt voorkomen. Dit heeft vooral lampje V altijd branden.

GEVALLEN
NOOD-
❒ doorslippen van het binnenste wiel in voordelen op een wegdek met weinig grip, Als het ASR-systeem tijdens het rijden
bochten, door verandering van de wiel- waarop de stabiliteit van de auto snel ver- wordt uitgeschakeld, schakelt het auto-
belasting of door te felle acceleratie; loren kan gaan. matisch weer in als de auto opnieuw
wordt gestart.
❒ te hoog vermogen naar de wielen, ook

ONDERHOUD
EN ZORG
In-/uitschakeling van het systeem Schakel het ASR-systeem uit als u met
in samenhang met de condities van het fig. 126
wegdek; sneeuwkettingen rijdt: onder deze om-
Het ASR-systeem schakelt automatisch in standigheden levert het doorslaan van de
❒ acceleratie op gladde wegen en bij als de motor wordt gestart. aangedreven wielen juist meer trekkracht

TECHNISCHE
sneeuw en ijzel;

GEGEVENS
op.
Tijdens het rijden kan de ASR worden uit-
❒ verlies van grip op natte weggedeelten geschakeld en vervolgens weer worden in-
(aquaplaning). geschakeld door de schakelaar A op het
schakelaarpaneel op het dashboard in te

ALFABETISCH
drukken fig. 126.

REGISTER
105
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE EOBD-SYSTEEM BELANGRIJK Na het verhelpen van de sto-
ring moet de Fiat-dealer voor een comple-
De prestaties van het sys- te controle van het systeem, tests uitvoe-
teem mogen de bestuurder Met het EOBD-systeem (European On
Board Diagnosis) kan een doorlopende ren op een testbank en, zo nodig, een
er niet toe verleiden onnodige en on- proefrit maken die eventueel een langere
verantwoorde risico’s te nemen. De diagnose worden uitgevoerd op die com-
afstand kan omvatten.
VEILIGHEID

rijstijl moet altijd zijn aangepast aan ponenten op de auto die van invloed zijn
het wegdek, het zicht en het verkeer. op de emissie.
De verantwoordelijkheid voor de ver- Bovendien meldt het systeem, door het
keersveiligheid ligt altijd en overal bij branden van het lampje U op het instru-
de bestuurder van de auto. mentenpaneel en het verschijnen van een
EN RIJDEN
STARTEN

Als u de contactsleutel in
bericht op het multifunctionele display (be- stand MAR draait en het
paalde uitvoeringen - zie hoofdstuk lampje U gaat niet branden
“Lampjes en berichten”) dat de betreffen- of het gaat branden of knip-
Voor de juiste werking van het ASR-sys- de componenten defect zijn. peren tijdens het rijden (er verschijnt
LAMPJES EN
BERICHTEN

teem is het noodzakelijk dat de banden Het doel is: ook een bericht op het multifunctio-
van alle wielen van hetzelfde merk en ty- nele display - indien aanwezig), wendt
pe zijn. De banden moeten in perfecte ❒ de werking van het systeem controleren; u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-
conditie zijn en de voorgeschreven afme-
tingen hebben. ❒ signaleren wanneer door een storing de dealer. De werking van het lampje U
GEVALLEN

emissies boven de wettelijk vastgestel- kan worden gecontroleerd met behulp


NOOD-

de drempelwaarde uitkomen; van speciale apparatuur van de ver-


STORINGSMELDINGEN keerspolitie. Houdt u aan de wetgeving
❒ signaleren wanneer het noodzakelijk is van het land waarin u rijdt.
Bij een storing in de ASR wordt het sys- defecte componenten te vervangen.
ONDERHOUD

teem automatisch uitgeschakeld en gaat


EN ZORG

het lampje á op het instrumentenpaneel Het systeem beschikt verder nog over een
continu branden en verschijnt er een be- diagnosestekker die het mogelijk maakt, na
richt op het multifunctionele display (in- het aansluiten van speciale apparatuur, de
dien aanwezig) (zie het hoofdstuk “Lamp- door de regeleenheid opgeslagen storings-
TECHNISCHE
GEGEVENS

jes en berichten”) . Bovendien gaat ook codes en de specifieke parameters voor de


het lampje in de ASR-knop branden. diagnose en werking van de motor te lezen.
Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot Deze controle kan ook worden uitgevoerd
de Fiat-dealer. door de verkeerspolitie.
ALFABETISCH
REGISTER

106
PARKEERSENSOREN WERKING MET

EN BEDIENING
DASHBOARD
AANHANGER
(indien aanwezig)
De werking van de sensoren wordt auto-
Deze bevinden zich in de achterbumper matisch uitgeschakeld als de stekker van de
van de auto fig. 127 en attenderen de be- elektrische kabel van de aanhanger wordt

VEILIGHEID
stuurder via een repeterend geluidssignaal aangesloten op de stekkerdoos van de trek-
op de aanwezigheid van obstakels achter haak.
de auto. De sensoren worden automatisch weer
F0N0119m
ingeschakeld als u de aanhangerstekker

EN RIJDEN
ACTIVERING fig. 127

STARTEN
loskoppelt.
De sensoren worden automatisch geac- BELANGRIJK Als u de trekhaak perma-
tiveerd als de achteruit wordt ingescha- ❒ blijft constant als de gemeten afstand
onveranderd blijft, terwijl, als deze si- nent gemonteerd wilt houden als er geen
keld. aanhanger wordt getrokken, wendt u dan
tuatie zich voordoet bij de sensoren

LAMPJES EN
BERICHTEN
Als de afstand tot het obstakel achter de aan de zijkant, het signaal na 3 secon- tot de Fiat-dealer om het systeem aan te
auto kleiner wordt, neemt de frequentie den onderbroken wordt, om bij- laten passen, omdat de trekhaak als ob-
van het akoestische signaal toe. voorbeeld signalen te voorkomen als stakel kan worden waargenomen door de
u langs een muur rijdt. sensoren in het midden.

GEVALLEN
AKOESTISCH In wastunnels waar gebruik wordt ge-

NOOD-
WAARSCHUWINGSSYSTEEM Meetbereik maakt van stoom of hogedrukreiniging,
moeten de sensoren kort worden gerei-
Als de achteruit wordt ingeschakeld, klinkt Meetbereik in het midden: 140 cm ±10 cm nigd. Houd hierbij de straalpijp op meer
er automatisch een onderbroken geluids- Meetbereik aan de zijkanten: 60 cm ±20 cm dan 10 cm afstand.

ONDERHOUD
signaal.

EN ZORG
Als de sensoren meerdere obstakels signa- Voor een juiste werking van
De frequentie van het geluidssignaal: leren, dan reageren zij alleen op die obsta- het systeem mag er geen
kels die zich het dichtst bij de auto bevin-
❒ neemt toe als de afstand tot het ob- den. modder, vuil, sneeuw of ijs op
stakel kleiner wordt; de sensoren zitten. Wees

TECHNISCHE
GEGEVENS
voorzichtig bij het reinigen van de sen-
❒ klinkt ononderbroken als de afstand STORINGSMELDINGEN soren om krassen of beschadigingen te
tot het obstakel minder is dan onge- Eventuele storingen in de parkeersensoren voorkomen; gebruik geen droge, grove
veer 30 cm en stopt onmiddellijk als worden bij het inschakelen van de achter- of harde doek. De sensoren moeten
de afstand tot het obstakel groter

ALFABETISCH
uit aangegeven door het branden van het worden gereinigd met schoon water,

REGISTER
wordt; lampje t op het instrumentenpaneel (op waaraan eventueel autoshampoo is
het multifunctionele display verschijnt ook toegevoegd.
een bericht - indien aanwezig) (zie het
hoofdstuk “Lampjes en berichten”).
107
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE teem kunnen veroorzaakt worden AUTORADIO
door de aanwezigheid op de sensor
De verantwoordelijkheid tij- van: ijs, sneeuw, modder, meerdere (indien aanwezig)
dens het parkeren en ande- laklagen.
re gevaarlijke handelingen ligt altijd Raadpleeg voor de werking van de auto-
en overal bij de bestuurder. Contro- ❒ De sensor signaleert een niet be- radio het supplement dat bij dit instruc-
VEILIGHEID

leer als u de auto parkeert of zich staand object (“echo-storing”); dit tieboekje is geleverd.
geen personen (in het bijzonder kin- wordt veroorzaakt door mechanische
deren) of dieren in de buurt van de storingen, bijvoorbeeld: wassen van INBOUWVOORBEREIDING
auto bevinden. De parkeersensoren de auto, regen (met veel wind) en ha-
gel. AUTORADIO
moeten als een hulpmiddel voor de
EN RIJDEN
STARTEN

bestuurder beschouwd worden. De (indien aanwezig)


❒ De metingen van de sensor kunnen fig. 128-129
bestuurder moet tijdens eventueel ge- beïnvloed worden/zijn door ultraso-
vaarlijke parkeermanoeuvres altijd Het pakket bestaat uit:
ne systemen (bijv. luchtdrukremmen
volledig zijn aandacht behouden, ook van vrachtwagens of pneumatische ❒ kabels voor voeding van de auto-
LAMPJES EN
BERICHTEN

als de manoeuvres met lage snelheid hamers) die zich in de nabijheid be- radio;
worden uitgevoerd. vinden. ❒ kabels voor voeding van de luidspre-
kers voor;
❒ De prestaties van het parkeerhulp-
ALGEMENE OPMERKINGEN systeem kunnen ook beïnvloed wor- ❒ kabel voor voeding van de antenne;
GEVALLEN

❒ Controleer tijdens parkeermanoeu- den door de positie van de sensoren. ❒ 2 tweeter luidsprekers A in de
NOOD-

vres of zich geen obstakels boven of Bijvoorbeeld als de stand van de au- voorstijlen met elk een piekvermo-
onder de sensor bevinden. to wordt gewijzigd (door slijtage van gen van 30W;
schokdempers, wielophanging) of ❒ 2 mid-woofer luidsprekers B in de
❒ Obstakels die zich dicht bij de auto
ONDERHOUD

door de banden te verwisselen, de au- voorportieren, met een diameter


EN ZORG

bevinden, worden onder bepaalde to te zwaar te beladen of door spe-


omstandigheden niet door het sys- van 165 mm en met elk een piek-
ciale aanpassingen waardoor de auto vermogen van 40W;
teem gesignaleerd en kunnen dus de verlaagd wordt.
auto beschadigen of zelf beschadigd ❒ antennekabel voor radio.
❒ Obstakels aan de bovenzijde van de
TECHNISCHE

worden.
GEGEVENS

auto (in het bijzonder bij bestel- of


Hierna staan enkele omstandigheden ver- chassis/cabine-uitvoeringen) kunnen
meld die de prestaties van het parkeer- niet gesignaleerd worden omdat het
systeem kunnen beïnvloeden: systeem obstakels signaleert die de
ALFABETISCH

❒ Een verminderde gevoeligheid van de auto aan de onderzijde kunnen raken.


REGISTER

sensor en een vermindering van de


prestaties van het parkeerhulpsys-

108
EXTRA ACCESSOIRES ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE

EN BEDIENING
DASHBOARD
SYSTEMEN MONTEREN
Als u na aanschaf van uw auto accessoires De elektrische/elektronische systemen die
wilt monteren die constante voeding no- na aankoop van de auto en binnen de af-
dig hebben (autoradio, anti-diefstalsatel- tersales-service worden gemonteerd,

VEILIGHEID
lietbewaking enz.), of accessoires die de moeten voorzien zijn van het merkteken:
elektrische installatie zwaar belasten,
wendt u dan tot de Fiat-dealer. Deze kan
u de meest geschikte installaties aanraden
F0N0157m
uit het Fiat Lineaccessori-programma en

EN RIJDEN
fig. 128

STARTEN
controleren of de elektrische installatie
van de auto geschikt is voor het extra
stroomverbruik of dat het noodzakelijk
is een accu met een grotere capaciteit te Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage
monteren.

LAMPJES EN
van zend-/ontvangstapparatuur op voor-

BERICHTEN
waarde dat de montagewerkzaamheden
op de juiste wijze bij een gespecialiseerd
bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aan-
wijzingen van de fabrikant in acht moeten

GEVALLEN
worden genomen.

NOOD-
ATTENTIE
Let op bij de montage van BELANGRIJK Als door de montage van
fig. 129 F0N0158m
spoilers, lichtmetalen velgen systemen de kenmerken van de auto wor-
en niet standaard wieldoppen: ze den gewijzigd, kan het rijbewijs worden in-

ONDERHOUD
genomen door de bevoegde instanties en

EN ZORG
De autoradio moet worden ingebouwd kunnen de ventilatie van de remmen
op de plek van het opbergvak in het mid- verminderen en daarmee hun doel- eventueel de garantie komen te vervallen
den. De voedingskabels liggen achter dit matigheid tijdens krachtig en veel- bij defecten die veroorzaakt zijn door de
opbergvak. vuldig remmen; bijvoorbeeld tijdens bovengenoemde modificatie of op defec-
ten die direct of indirect daarvan het ge-

TECHNISCHE
een lange afdaling. Controleer bo-

GEGEVENS
vendien of de slag van de pedalen niet volg zijn.
ATTENTIE beperkt wordt (door matten enz.). Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze
Laat de aansluiting op de in- verantwoordelijk voor schade die het ge-
bouwvoorbereiding in de auto volg is van de installatie van accessoires die

ALFABETISCH
REGISTER
uitsluitend door de Fiat-dealer uitvoe- niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of
ren. Zo bent u verzekerd van het beste aanbevolen en die niet conform de gele-
resultaat en wordt voorkomen dat de verde instructies zijn geïnstalleerd.
rijveiligheid in gevaar wordt gebracht.
109
EN BEDIENING
DASHBOARD RADIOZENDAPPARATUUR TANKEN MET DE FIAT
EN MOBIELE TELEFOONS
DUCATO
Radiozendapparaten (mobiele telefoons,
27 mc en dergelijke) mogen alleen in de
auto worden gebruikt met een aparte an- WERKING BIJ
VEILIGHEID

tenne aan de buitenkant van de auto. LAGE TEMPERATUREN


BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke Bij lage buitentemperaturen kan de vloei-
apparaten in de auto (zonder buitenan- baarheid van de dieselbrandstof vermin-
tenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor deren door de vorming van paraffine,
F0N0245m
EN RIJDEN

fig. 129a - Uitvoeringen stuur links waardoor het brandstofsysteem niet meer
STARTEN

de gezondheid van de inzittenden, maar


kan ook storingen in de elektrische sys- goed werkt.
temen van de auto veroorzaken. Hierdoor Om dit probleem te voorkomen wordt er,
wordt de veiligheid in gevaar gebracht. afhankelijk van het seizoen, dieselbrand-
LAMPJES EN
BERICHTEN

Bovendien wordt de zend- en ontvangst- stof geleverd die speciaal voor de zomer,
kwaliteit aanzienlijk beperkt door de iso- voor de winter en voor zeer lage tempe-
lerende eigenschappen van de carrosserie. raturen (bergachtige/koude gebieden) is
ontwikkeld. Als dieselbrandstof wordt ge-
Houdt u bij het gebruik van mobiele tele- tankt die niet toereikend is voor de ge-
GEVALLEN

foons (GSM, GPRS, UMTS) met het offi- bruikstemperatuur, raden wij aan de die-
NOOD-

ciële EU-keurmerk, strikt aan de instruc- selbrandstof te mengen met het vorstbe-
ties die door de fabrikant van de mobiele veiligingsmiddel TUTELA DIESEL ART in
F0N0246m
telefoon zijn bijgeleverd. fig. 129b - Uitvoeringen stuur rechts
de verhouding die in de gebruiksaanwijzing
ONDERHOUD

van het middel is aangegeven. Doe eerst


EN ZORG

MONTAGEVOORBEREIDING het middel in de tank en voeg daarna de


TELEPASS OP DE dieselbrandstof toe.
REFLECTERENDE VOORRUIT Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stil-
(indien aanwezig) staat in bergachtige/koude gebieden, is het
TECHNISCHE
GEGEVENS

Als de auto is voorzien van een reflecte- raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter
rende voorruit, dan moet de Telepass plaatse beschikbaar is.
worden geïnstalleerd in het gebied dat in In dat geval is het bovendien raadzaam een
fig. 129a-129b is aangegeven.
ALFABETISCH

hoeveelheid brandstof in de tank te hou-


REGISTER

den die groter is dan 50% van de nuttige


inhoud.

110
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Gebruik uitsluitend diesel-
brandstof voor motorvoertui- Kom niet dicht bij de vul-
gen die voldoet aan de Euro- opening met open vuur of
pese specificatie EN590. Het een brandende sigaret: brandgevaar.
gebruik van andere producten of meng- Houd uw hoofd ook niet dicht bij de

VEILIGHEID
sels kan de motor onherstelbaar be- vulopening om te voorkomen dat u
schadigen en het vervallen van de ga- schadelijke dampen inademt.
rantie tot gevolg hebben. Mocht u on-
verhoopt een ander type brandstof
tanken, dan mag de motor niet worden F0N0068m

EN RIJDEN
fig. 130

STARTEN
gestart en moet de brandstoftank wor-
den afgetapt. Ook als de motor slechts
kort heeft gedraaid, moet naast de TANKDOP fig. 130
brandstoftank, ook alle brandstof uit Om te tanken moet u het klepje A ope-

LAMPJES EN
de brandstofleidingen worden afgetapt.

BERICHTEN
nen, vervolgens de dop B linksom los-
draaien nadat met de contactsleutel het
slot is ontgrendeld. De tankdop is voor-
zien van een koord C dat aan het klepje
TANKINHOUD vastzit, om verlies van de dop te voorko-

GEVALLEN
NOOD-
men.
Om te zorgen dat de tank volledig gevuld
wordt, moet u twee keer bijvullen nadat Door de hermetische afsluiting van de
het vulpistool voor de eerste keer afslaat. tank kan de druk in de tank iets verhoogd
Vul niet nog een keer bij om storingen in zijn. Het is daarom normaal als u bij het

ONDERHOUD
EN ZORG
het brandstofsysteem te voorkomen. losdraaien van de tankdop een sissend ge-
luid hoort.
Plaats tijdens het tanken de dop in de uit-
sparing op het tankklepje, zoals is afge-

TECHNISCHE
GEGEVENS
beeld in fig. 130.

ALFABETISCH
REGISTER
111
EN BEDIENING
DASHBOARD BESCHERMING VAN ATTENTIE
HET MILIEU Onder normale bedrijfsom-
standigheden bereikt de ka-
De emissiereductiesystemen voor diesel- talysator hoge temperaturen. Parkeer
motoren zijn: daarom niet boven brandbare mate-
VEILIGHEID

rialen (gras, droge bladeren, dennen-


❒ oxidatiekatalysator; naalden enz.): brandgevaar.
❒ uitlaatgasrecirculatie-systeem (EGR).
EN RIJDEN
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

112
VEILIGHEID

EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEIDSGORDELS ..................................................... 113
SBR-SYSTEEM ....................................................................... 114

VEILIGHEID
GORDELSPANNERS .......................................................... 115
KINDEREN VEILIG VERVOEREN .................................... 119
MONTAGEVOORBEREIDING VOOR

EN RIJDEN
STARTEN
“ISOFIX UNIVERSEEL”-KINDERZITJE ............................ 124
FRONTAIRBAGS ................................................................. 126
ZIJ-AIRBAGS ......................................................................... 128

LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
113
EN BEDIENING
DASHBOARD VEILIGHEIDSGORDELS

GEBRUIK VAN DE
VEILIGHEIDSGORDELS fig. 1
VEILIGHEID

Ga goed rechtop zitten, steun tegen de


rugleuning en leg dan de gordel om.
Trek de gordel uit en maak de gordel vast
door de gesp A in de sluiting B te druk- F0N0069m F0N0070m
EN RIJDEN

ken, totdat hij hoorbaar blokkeert. fig. 1 fig. 2


STARTEN

Als tijdens het uittrekken van de gordel de


rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel Als de auto op een steile helling staat, kan HOOGTEVERSTELLING fig. 2
een stukje teruglopen en trek de gordel de rolautomaat blokkeren; dit is een nor-
maal verschijnsel. Bovendien blokkeert de
LAMPJES EN
BERICHTEN

vervolgens weer geleidelijk uit.


rolautomaat als u de gordel snel uittrekt.
Druk, om de gordel los te maken, op de Hij blokkeert ook bij hard remmen, bot- ATTENTIE
knop C. Begeleid de gordel tijdens het te- singen en bij hoge snelheden in bochten. De hoogteverstelling van de
ruglopen om te voorkomen dat de gor- veiligheidsgordels mag alleen
GEVALLEN

delband draait. worden versteld als de auto stilstaat.


NOOD-

Via de rolautomaat wordt de lengte van ATTENTIE


de gordel automatisch aangepast aan het Druk tijdens het rijden niet
postuur van de drager, waarbij voldoende op de knop C-fig. 1.
Druk voor het afstellen op de knop A-fig.
ONDERHOUD

bewegingsruimte overblijft.
EN ZORG

2 en schuif de beugel B-fig. 2 omhoog of


omlaag.
De hoogte van de gordel moet altijd wor-
den aangepast aan het postuur van de in-
TECHNISCHE
GEGEVENS

zittende. Zo wordt de kans op letsel bij


een ongeval aanzienlijk verkleind.
De gordel is goed afgesteld als hij over de
schouder halverwege tussen nek en uit-
ALFABETISCH
REGISTER

einde van de schouder ligt.

114
SBR-SYSTEEM

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Controleer na het afstellen De auto is uitgerust met het SBR-systeem
altijd of de beugel in één van (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een
de vaste posities is geblokkeerd. Laat akoestisch waarschuwingssysteem dat, sa-
hiervoor de knop los en trek de gor- men met het knipperende lampje < op

VEILIGHEID
del omlaag, zodat het bevestigings- het instrumentenpaneel, de bestuurder
punt blokkeert, als dit nog niet heeft waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is
plaatsgevonden. omlegd.
F0N0156m
Het akoestische signaal kan tijdelijk (tot-

EN RIJDEN
fig. 3

STARTEN
dat de motor wordt uitgezet) worden uit-
geschakeld. Ga hiervoor als volgt te werk:
Veiligheidsgordel met rolautomaat
❒ maak de veiligheidsgordel aan be-
voor middelste zitplaats voor stuurderszijde vast;

LAMPJES EN
BERICHTEN
De middelste zitplaats van de tweezits- ❒ draai de contactsleutel in stand MAR;
bank is voorzien van een geïntegreerde
driepunts-veiligheidsgordel (rolautomaat ❒ wacht langer dan 20 seconden en
op stoel). maak dan ten minste een van de vei-
ligheidsgordels los.

GEVALLEN
NOOD-
Wendt u tot de Fiat-dealer om het sys-
teem permanent uit te schakelen.
Op uitvoeringen met een digitaal display

ONDERHOUD
kan het SBR-systeem uitsluitend weer

EN ZORG
worden geactiveerd door de Fiat-dealer.
Op uitvoeringen met multifunctioneel dis-
play kan het SBR-systeem ook weer wor-

TECHNISCHE
GEGEVENS
den geactiveerd via het setup-menu.

ALFABETISCH
REGISTER
115
EN BEDIENING
DASHBOARD GORDELSPANNERS ATTENTIE TREKKRACHTBEGRENZERS
De gordelspanner werkt Om de bescherming van de inzittenden bij
Voor een nog effectievere bescherming slechts eenmaal. Als de gor- een ongeval te vergroten, zijn de oprol-
zijn de veiligheidsgordels voor van de au- delspanners hebben gewerkt, moet u automaten van de gordels voor voorzien
to voorzien van gordelspanners. Dit sys- zich tot de Fiat-dealer wenden om ze van trekkrachtbegrenzers die tijdens een
VEILIGHEID

teem trekt bij een heftige botsing de gor- te laten vervangen. De geldigheid van frontale aanrijding de piekbelasting op de
del enige centimeters aan. Op deze wijze het systeem staat vermeld op een borst en schouders beperken.
worden de inzittenden veel beter op hun plaatje dat zich in het dashboard-
plaats gehouden en wordt de voorwaart- kastje bevindt: laat voor het verstrij-
se beweging beperkt. ken van deze termijn het systeem
EN RIJDEN
STARTEN

Als de gordelspanners hebben gewerkt, door de Fiat-dealer vervangen.


dan is dit herkenbaar aan een gordelslui-
ting die naar beneden is teruggetrokken;
de gordel wordt niet meer opgerold, ook
LAMPJES EN
BERICHTEN

niet als hij wordt begeleid.


Werkzaamheden in de buurt
BELANGRIJK Voor een maximale be- van de gordelspanners, waar-
scherming door de gordelspanner moet bij stoten, sterke trillingen of
de veiligheidsgordel zo worden omgelegd verhitting optreden (maxi-
GEVALLEN

dat hij goed aansluit op borst en bekken. maal 100°C gedurende ten hoogste 6
NOOD-

Tijdens de werking van de gordelspanner uur), kunnen de gordelspanners be-


kan er een beetje rook ontsnappen. De- schadigen of activeren: bij die omstan-
ze rook is niet schadelijk en duidt niet op digheden horen niet trillingen die voort-
ONDERHOUD

brand. gebracht worden door een slecht weg-


EN ZORG

dek of door contacten met kleine ob-


De gordelspanner behoeft geen enkel on- stakels zoals trottoirs. Als er iets aan de
derhoud of smering. gordelspanners moet gebeuren, dient u
Elke verandering van de oorspronkelijke zich tot een Fiat-dealer te wenden.
TECHNISCHE
GEGEVENS

staat zal de doelmatigheid verminderen.


Als de gordelspanner door extreme na-
tuurlijke omstandigheden (overstromin-
gen, vloedgolven) met water en modder
ALFABETISCH
REGISTER

in contact is geweest, dan moet de span-


ner worden vervangen.

116
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0120m F0N0121m F0N0122m

EN RIJDEN
fig. 4 fig. 5 fig. 6

STARTEN
ALGEMENE OPMERKINGEN Ook vrouwen die in verwachting zijn moe- Uiteraard moeten zwangere vrouwen het
OVER HET GEBRUIK VAN ten een gordel dragen: ook voor hen (zo- onderste deel van de gordel meer naar be-
wel voor de aanstaande moeder als het neden omleggen, zodat de gordel onder

LAMPJES EN
VEILIGHEIDSGORDELS

BERICHTEN
kind) is de kans op letsel bij een ernstig de buik langs loopt fig. 4.
De bestuurder is verplicht zich te houden ongeval kleiner als ze een gordel dragen.
aan de wettelijke voorschriften met be-
trekking tot het verplichte gebruik van de
veiligheidsgordels (en de inzittenden erop

GEVALLEN
ATTENTIE

NOOD-
attent te maken). Leg de veiligheidsgor-
del altijd om voordat u vertrekt. De gordelband mag nooit
gedraaid zijn. Het diagonale
gordelgedeelte moet via het midden

ONDERHOUD
van de schouder schuin over de borst

EN ZORG
liggen. Het horizontale gordelgedeel-
te moet over het bekken fig. 5 en niet
over de buik liggen. Gebruik geen
voorwerpen (wasknijpers, klemmen

TECHNISCHE
GEGEVENS
enz.) die een goed aansluiten van de
gordel op het lichaam verhinderen.

ALFABETISCH
REGISTER
117
EN BEDIENING ATTENTIE ATTENTIE ATTENTIE
DASHBOARD
Voor maximale veiligheid Als de gordel aan een zware Iedere gordel dient slechts ter
moet u de rugleuning recht- belasting wordt blootgesteld bescherming van een enkel
op zetten, tegen de leuning aan gaan (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), persoon: gebruik de gordel niet voor
zitten en de gordel goed laten aan- dan moet de gordel samen met de een kind dat bij een volwassene op
VEILIGHEID

sluiten op borst en bekken. Draag al- verankeringen, bevestigingspunten en schoot zit, waarbij de gordel beiden zou
tijd veiligheidsgordels zowel voor als de gordelspanners worden vervangen. moeten beschermen fig. 6. Plaats bo-
achter in de auto! Rijden zonder vei- Ook als de schade niet zichtbaar is, vendien geen enkel voorwerp tussen de
ligheidsgordels vergroot het risico op dan kan de gordel toch verzwakt zijn. gordel en het lichaam van een inzit-
ernstig letsel of dodelijke afloop bij tende.
EN RIJDEN
STARTEN

een ongeval.
LAMPJES EN
BERICHTEN

ATTENTIE
Het is streng verboden onder-
delen van de veiligheidsgordels
of gordelspanners te demonteren of
GEVALLEN
NOOD-

open te maken. Werkzaamheden aan


de veiligheidsgordels en gordelspanners
moeten worden uitgevoerd door ge-
kwalificeerd personeel. Wendt u altijd
ONDERHOUD

tot de Fiat-dealer.
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

118
HOE U DE KINDEREN VEILIG VERVOEREN

EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEIDSGORDELS IN
OPTIMALE STAAT HOUDT
Voor optimale bescherming bij een onge- Groep 0 gewicht tot aan 10 kg
Voor het juiste onderhoud van de veilig- val moeten alle inzittenden zittend reizen
heidsgordels moeten de volgende aanwij- en beschermd worden door goedgekeur- Groep 0+ gewicht tot aan 13 kg

VEILIGHEID
zingen zorgvuldig worden opgevolgd: de veiligheidssystemen. Groep 1 gewicht: 9-18 kg
❒ zorg dat de gordel goed uitgetrokken Dit geldt met name voor kinderen. Groep 2 gewicht: 15-25 kg
en niet gedraaid is; controleer ook of
de oprolautomaat zonder haperingen Dit is een wettelijk voorschrift volgens Groep 3 gewicht: 22-36 kg

EN RIJDEN
STARTEN
werkt; richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de
Europese Unie. Zoals u ziet is er een gedeeltelijke over-
❒ vervang de gordels na een ongeval, lapping tussen de groepen; daarom zijn in
ook al zijn ze ogenschijnlijk niet be- Het hoofd van kleine kinderen is in ver- de handel systemen verkrijgbaar die ge-
schadigd. Vervang de gordels ook als houding met de rest van het lichaam gro- schikt zijn voor verschillende gewichts-

LAMPJES EN
BERICHTEN
de gordelspanners in werking zijn ge- ter en zwaarder dan dat van volwassenen, groepen.
weest; terwijl spieren en botstructuur nog niet vol-
ledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten klei- Alle systemen moeten zijn voorzien van
❒ u kunt de gordels met de hand wassen ne kinderen door andere systemen be- de typegoedkeuring en van een goed vast-
met water en een neutrale zeep. Spoel schermd worden dan door de veiligheids- gehecht plaatje met het controlemerk, dat

GEVALLEN
ze uit en laat ze in de schaduw drogen. absoluut niet mag worden verwijderd.

NOOD-
gordels. De resultaten van het onderzoek
Gebruik geen bijtende, blekende of over de optimale bescherming van kleine
kleurende middelen. Vermijd het ge- Kinderen met een lengte van meer dan
kinderen zijn opgenomen in de Europese 1,50 m worden, met betrekking tot de vei-
bruik van alle chemische producten die ECE/R44-voorschriften die wettelijk ver-
het weefsel van de gordel kunnen aan- ligheidssystemen, gelijkgesteld met vol-

ONDERHOUD
plicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld wassenen en moeten dan ook normaal de

EN ZORG
tasten; in vijf groepen: veiligheidsgordels omleggen.
❒ voorkom dat vocht in de oprolauto-
maat komt: de werking van de oprol-
automaten is alleen gegarandeerd, als

TECHNISCHE
GEGEVENS
ze niet nat zijn geweest;
❒ vervang de gordels bij tekenen van slij-
tage of beschadigingen.

ALFABETISCH
REGISTER
119
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
Monteer absoluut geen kin-
derzitje achterstevoren op
de passagiersstoel voor als de airbag
aan passagierszijde is ingeschakeld.
VEILIGHEID

Als bij een ongeval de airbag in wer-


king treedt (opblaast), kan dit ernstig
letsel en zelfs de dood tot gevolg heb-
ben, ongeacht de zwaarte van het on-
geluk. Wij raden u aan kinderen altijd F0N0123m F0N0124m
EN RIJDEN

fig. 7 fig. 8
STARTEN

in een kinderzitje op de zitplaatsen


achter te vervoeren, omdat die plaat-
sen bij een ongeval de meeste be- GROEP 0 en 0+ GROEP 1
scherming bieden. Kinderen tot 13 kg moeten in zitjes wor- Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18
LAMPJES EN
BERICHTEN

den vervoerd die achterstevoren zijn ge- kg moeten worden vervoerd in kinder-
plaatst, waardoor het achterhoofd wordt zitjes met een kussen die naar voren zijn
gesteund en bij plotseling remmen de nek gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van
niet wordt belast. de auto zowel het kinderzitje als het kind
ATTENTIE op zijn plaats moet houden fig. 8.
Het wiegje moet op zijn plaats worden ge-
GEVALLEN
NOOD-

ZEER GEVAARLIJK Als het houden door de veiligheidsgordel van de


absoluut noodzakelijk is een auto fig. 7 en het kind moet op zijn beurt
kind op de passagiersstoel
voor te vervoeren, in een kin- worden beschermd door de gordel van
derzitje dat achterstevoren is het wiegje zelf.
ONDERHOUD
EN ZORG

geplaatst, moeten de airbags


aan passagierszijde worden ATTENTIE
uitgeschakeld (frontairbag en zij-air- De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u
bag voor de bescherming van borst- voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is ver-
kas/bekken (sidebag), indien aanwe- plicht deze instructies bij te leveren.
TECHNISCHE
GEGEVENS

zig) in het setup-menu. Controleer di-


rect of de airbags daadwerkelijk zijn
uitgeschakeld: het waarschuwings- ATTENTIE
lampje F op het instrumentenpaneel Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1.
moet continu branden. Bovendien Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordels ach-
ALFABETISCH

moet de stoel zo ver mogelijk naar


REGISTER

ter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan
achteren zijn geschoven om te voor- het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen
komen dat het kinderzitje eventueel tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt
in aanraking komt met het dashboard. u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.
120
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kun-

EN BEDIENING
DASHBOARD
nen net zoals volwassenen de veiligheids-
gordels omleggen.

ATTENTIE

VEILIGHEID
De afbeelding dient alleen
ter illustratie van de bevesti-
ging. Houdt u voor de montage van
het kinderzitje aan de instructies. De
F0N0125m F0M0126m

EN RIJDEN
fig. 9 fig. 10 fabrikant is verplicht deze instructies

STARTEN
bij te leveren.
GROEP 2 GROEP 3
Kinderen met een gewicht tussen 15 en Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en

LAMPJES EN
BERICHTEN
25 kg kunnen direct door de veiligheids- 36 kg is de borstomvang van dien aard dat
gordels van de auto worden beschermd de kinderen gewoon tegen de rugleuning
fig. 9. Kinderen moeten zo in de kinder- kunnen steunen en niet meer in een kin-
zitjes worden geplaatst, dat het diagonale derzitje hoeven te worden vervoerd.
gordelgedeelte schuin over de borst en

GEVALLEN
In fig. 10 wordt een voorbeeld gegeven

NOOD-
niet langs de nek ligt. Het horizontale gor-
delgedeelte moet over het bekken en niet van de juiste positie van het kind op de
over de buik van het kind liggen. achterbank.

ONDERHOUD
EN ZORG
ATTENTIE
De afbeelding dient alleen
ter illustratie van de bevesti-

TECHNISCHE
ging. Houdt u voor de montage van

GEGEVENS
het kinderzitje aan de instructies. De
fabrikant is verplicht deze instructies
bij te leveren.

ALFABETISCH
REGISTER
121
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES
EN BEDIENING
DASHBOARD
De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in
de auto. Zie de volgende tabellen:
VEILIGHEID

Groep Gewicht Uitvoering BESTEL, COMBINATO en PANORAMA


CABINE 1e EN 2e RIJ STOELEN ACHTER
Aparte stoel Passagier Passagier Passagier
EN RIJDEN
STARTEN

of tweezitsbank achter achter in het midden


(1 of 2 passagiers) aan linkerzijde aan rechterzijde

Groep 0, 0+ tot 13 kg U U U U
LAMPJES EN
BERICHTEN

Groep 1 9-18 kg U U U U

Groep 2 15-25 kg U U U U
GEVALLEN
NOOD-

Groep 3 22-36 kg U U U U

Legenda:
ONDERHOUD

U = geschikt voor “Universele” kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven “groepen”.
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

122
Hieronder zijn de richtlijnen voor 4) Controleer of de gordels goed zijn

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
een veilig vervoer van kinderen vastgemaakt door aan de gordelband te
trekken. Monteer absoluut geen kin-
aangegeven, waaraan u zich dient derzitje achterstevoren op
te houden: 5) Ieder veiligheidssysteem is bedoeld de passagiersstoel voor als de airbag
voor slechts één kind: vervoer nooit twee aan passagierszijde is ingeschakeld.

VEILIGHEID
1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op kinderen in een systeem. Als bij een ongeval de airbag in wer-
een van de zitplaatsen achter omdat de- 6) Controleer altijd of de gordel niet king treedt (opblaast), kan dit ernstig
ze plaatsen bij een ongeval de meeste be- langs de nek van het kind loopt. letsel en zelfs de dood tot gevolg heb-
scherming bieden. ben, ongeacht de zwaarte van het on-
7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geluk. Wij raden u aan kinderen altijd

EN RIJDEN
STARTEN
2) Als de airbag aan passagierszijde bui- geen afwijkende houding aanneemt of de in een geschikt kinderzitje op de zit-
ten werking wordt gesteld, moet altijd ge- gordels losmaakt. plaatsen achter te vervoeren, omdat
controleerd worden of het betreffende die plaatsen bij een ongeval de mees-
gele lampje op het instrumentenpaneel 8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, te bescherming bieden.
ook geen pasgeboren kinderen. Niemand

LAMPJES EN
continu brandt.

BERICHTEN
is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast
3) Houdt u bij de montage van het kin- te houden.
derzitje strikt aan de instructies. De fa-
brikant is verplicht deze instructies bij te 9) Na een ongeval moet het zitje door
leveren. Bewaar de instructies samen met een nieuw exemplaar worden vervangen.

GEVALLEN
NOOD-
het instructieboekje in de auto. Monteer
geen gebruikte kinderzitjes waarvan de ge-
bruiksaanwijzingen ontbreken.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
123
EN BEDIENING
DASHBOARD MONTAGEVOORBE-
REIDING VOOR
“ISOFIX UNIVERSEEL”-
KINDERZITJE
VEILIGHEID

De auto is voorbereid op de montage van


“Isofix Universeel”-kinderzitjes; een nieuw F0N0234m
EN RIJDEN

fig. 12
STARTEN

gestandaardiseerd Europees systeem voor


het vervoeren van kinderen.
In fig. 11 is een voorbeeld gegeven van
het kinderzitje.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Vanwege het verschillende bevestigings-


systeem, moet het kinderzitje aan de daar-
voor bestemde onderste metalen beugels
A-fig. 12 worden bevestigd. Deze bevin-
GEVALLEN

den zich tussen de rugleuning en zitting


NOOD-

achter. Bevestig daarna de bovenste gor-


del (bij het kinderzitje geleverd) aan de F0N0235m
F0N0236m
beugel B-fig. 13 aan de achterkant van de fig. 11 fig. 13
zitplaats.
ONDERHOUD
EN ZORG

Er kan ook een mengvorm worden geko- In het Fiat Lineaccessori-programma ATTENTIE
zen, een traditioneel kinderzitje en een is een “Isofix Universeel” “Duo Plus”-kin-
derzitje beschikbaar. Monteer het kinderzitje al-
“Isofix Universeel”-kinderzitje. leen als de auto stilstaat. Het
Zie voor meer informatie over de mon-
TECHNISCHE

kinderzitje is op de juiste wijze aan de


GEGEVENS

Bedenk dat bij Isofix Universeel-kinder-


zitjes, alle zitjes gebruikt kunnen worden tage en/of het gebruik van het kinderzit- beugels bevestigd als u het hoort ver-
die goedgekeurd zijn volgens de ECE je, het “Instructieboekje” dat bij het kin- grendelen. Houdt u in ieder geval aan
R44/03-richtlijn “Isofix Universeel”. derzitje wordt geleverd. de instructies voor de montage, de de-
montage en de plaatsing. De fabrikant
ALFABETISCH
REGISTER

van het kinderzitje is verplicht deze in-


structies bij te leveren.

124
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE ISOFIX UNIVERSEEL

EN BEDIENING
DASHBOARD
KINDERZITJES
In de volgende tabel worden, conform de Europese wetgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van de Iso-
fix Universeel-kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.

VEILIGHEID
Gewichtsgroep Richting Maat- Isofix-opstellingen in de auto
kinderzitje indeling Isofix zijkant achter 1e rij
PANORAMA COMBINATO

EN RIJDEN
STARTEN
In de rijrichting F IUF IUF
Draagwieg
In de rijrichting G IUF IUF

LAMPJES EN
Groep 0 tot 10 kg In de rijrichting E IUF IUF

BERICHTEN
In de rijrichting E IUF IUF

Groep 0+ tot 13 kg In de rijrichting D IUF IUF

GEVALLEN
NOOD-
In de rijrichting C IUF IUF(*)

In de rijrichting D IUF IUF

ONDERHOUD
In de rijrichting C IUF(*) IUF(*)

EN ZORG
Groep I tot 9
tot 18 kg In de rijrichting B1 IUF IUF

In de rijrichting A IUF IUF

TECHNISCHE
GEGEVENS
(*) Niet met tweezitsbank voor.
IUF: geschikt voor Isofix-kinderzitjes uit de universele klasse (met een derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd

ALFABETISCH
moeten worden en goedgekeurd zijn voor het gebruik door die gewichtsgroep.

REGISTER
125
EN BEDIENING
DASHBOARD FRONTAIRBAGS De frontairbags (bestuurder / passagier) De frontairbags kunnen in de volgende ge-
zijn geen vervanging voor de veiligheids- vallen niet worden ingeschakeld:
De auto is voorzien van frontairbags voor gordels, maar een aanvulling. Draag dus al-
tijd veiligheidsgordels. Bovendien is het ❒ bij frontale botsingen, met een ander
de bestuurder en de passagier. deel van de auto dan het front, tegen
dragen van veiligheidsgordels wettelijk ver-
De frontairbags (bestuurder / passagier) plicht in Europa (en in de meeste landen makkelijk vervormbare objecten (bijv.
VEILIGHEID

beschermen de inzittenden voor bij mid- daarbuiten). als het voorspatbord tegen de vangrail
delzware en zware frontale botsingen, komt of tegen grindhopen);
door het opblazen van een luchtkussen Als de frontairbags volledig opgeblazen
zijn, vullen zij het grootste deel van de ❒ als de auto onder andere auto’s of vei-
tussen de inzittende en het stuurwiel of ligheidsvoorzieningen schuift (bijvoor-
het dashboard. ruimte tussen het stuurwiel en de be-
EN RIJDEN

beeld onder vrachtwagens of de vang-


STARTEN

stuurder en het dashboard en de voor-


Als de airbags niet worden geactiveerd bij passagier. rail); omdat geen enkele aanvullende
andere soorten botsingen (zijdelings, van bescherming wordt geboden op de
achter, over de kop slaan enz), betekent Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordels. Als de airbags in de-
veiligheidsgordel heeft omgelegd, in con- ze gevallen niet geactiveerd worden,
LAMPJES EN

dit niet dat het systeem niet goed func-


BERICHTEN

tioneert. tact komen met een airbag die nog niet betekent dit niet dat het systeem niet
volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de goed functioneert.
Bij een frontale botsing zorgt een regel- inzittende minder door de airbag be-
eenheid ervoor, indien nodig, dat het kus- schermd.
sen wordt opgeblazen. Het kussen blaast
GEVALLEN
NOOD-

onmiddellijk op, waardoor het lichaam van


de inzittenden voor wordt opgevangen en
de kans op letsel beperkt wordt. Direct
daarna loopt het kussen weer leeg.
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

126
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Plaats geen stickers of andere
objecten op het stuurwiel, op
het deksel van de airbag aan passa-
gierszijde of op de zijkant van de hemel-

VEILIGHEID
bekleding. Plaats geen voorwerpen op
het dashboard aan de passagierszijde
(bijv. een mobiele telefoon), omdat de-
ze het correct openen van de airbag aan
passagierszijde kunnen hinderen en de F0N0071m F0N0072m

EN RIJDEN
fig. 14 fig. 15

STARTEN
inzittenden ernstig kunnen verwonden.
FRONTAIRBAG AAN FRONTAIRBAG AAN
BESTUURDERSZIJDE fig. 14 PASSAGIERSZIJDE (indien

LAMPJES EN
BERICHTEN
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen aanwezig) fig. 15
Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de
werking van de veiligheidsgordel vol- dat in een daarvoor bestemde ruimte in Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen
doende is) worden de airbags niet geacti- het midden van het stuurwiel is geplaatst. met een groter volume dan dat aan be-
veerd. Daarom is het gebruik van de vei- stuurderszijde. Het kussen is in een daar-
ligheidsgordels absoluut noodzakelijk, voor bestemde ruimte in het dashboard

GEVALLEN
NOOD-
want de gordel houdt de inzittende bij een geplaatst.
zijdelingse botsing in de juiste positie en
voorkomt dat de inzittende uit de auto
wordt geslingerd bij zware botsingen.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
127
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE FRONTAIRBAG EN ZIJ-AIRBAG ZIJ-AIRBAGS
(sidebag) (indien aanwezig) AAN
ZEER GEVAARLIJK: Mon-
teer absoluut geen kinder- PASSAGIERSZIJDE HANDMATIG De auto is uitgerust met zij-airbags voor
zitje achterstevoren op de UITSCHAKELEN (sidebags voor) aan bestuurders- en pas-
passagiersstoel voor als de sagierszijde (indien aanwezig) voor be-
VEILIGHEID

airbag aan passagierszijde is scherming van de borstkas en headbags


ingeschakeld (ON). Als bij voor (windowbags) (indien aanwezig).
Als het absoluut noodzakelijk is een kind
een ongeval de airbag in werking op de passagiersstoel voor te vervoeren, De zij-airbags (indien aanwezig) bescher-
treedt (opblaast), kan dit ernstig let- moeten de frontairbag en de sidebag (in- men de inzittenden bij middelzware en
sel en zelfs de dood tot gevolg heb- zware zijdelingse aanrijdingen, door het
EN RIJDEN

dien aanwezig) aan passagierszijde worden


STARTEN

ben. Als er geen andere mogelijkheid uitgeschakeld. opblazen van een luchtkussen tussen de
is, moet in ieder geval de airbag aan inzittende en de interieurdelen aan de zij-
passagierszijde uitgeschakeld worden Het waarschuwingslampje F op het kant van de auto.
als het kinderzitje op de passagiers- dashboard blijft continu branden totdat de
LAMPJES EN

Als de zij-airbags niet worden geactiveerd


BERICHTEN

stoel voor wordt geplaatst. Bovendien frontairbag en de zij-airbag (sidebag) (in-


moet de stoel zo ver mogelijk naar dien aanwezig) aan passagierszijde op- bij andere soorten botsingen (frontaal, van
achteren zijn geschoven om te voor- nieuw worden ingeschakeld. achter, over de kop slaan enz.), betekent
komen dat het kinderzitje eventueel dit niet dat het systeem niet goed func-
in aanraking komt met het dash- tioneert.
GEVALLEN

board. Ook als het niet wettelijk ver-


NOOD-

Bij een zijdelingse aanrijding zorgt een re-


plicht is, raden wij u aan, voor een op- ATTENTIE geleenheid ervoor, indien nodig, dat de
timale bescherming van de volwasse- Raadpleeg voor het hand- kussens worden opgeblazen. De kussens
nen, de airbag onmiddellijk weer in te matig uitschakelen van de blazen onmiddellijk op, waardoor het li-
ONDERHOUD

schakelen zodra er geen kinderen frontairbag en zij-airbag (sidebag) (in- chaam van de inzittenden wordt opge-
EN ZORG

meer vervoerd worden. dien aanwezig) aan passagierszijde, vangen en de kans op letsel beperkt
de paragrafen “Digitaal display” en wordt. Direct daarna lopen de kussens
“Multifunctioneel display” in het weer leeg.
hoofdstuk “Dashboard en bediening”.
TECHNISCHE
GEGEVENS

De zij-airbags (indien aanwezig) zijn geen


vervanging voor de veiligheidsgordels,
maar een aanvulling. Draag dus altijd vei-
ligheidsgordels. Bovendien is het dragen
van veiligheidsgordels wettelijk verplicht
ALFABETISCH
REGISTER

in Europa (en in de meeste landen daar-


buiten).

128
BELANGRIJK De frontairbags en/of zij-air-

EN BEDIENING
DASHBOARD
bags kunnen ook worden geactiveerd bij
krachtige stoten aan de onderzijde van de
carrosserie, bijvoorbeeld bij zware bot-
singen tegen drempels of stoepranden of
obstakels op het wegdek of als de auto te-

VEILIGHEID
recht komt in grote gaten of verzakkingen
in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbags in werking
F0N0140m F0N0133m treden, ontsnapt een beetje rook. Deze

EN RIJDEN
fig. 16 fig. 17

STARTEN
rook is niet schadelijk en duidt niet op
brand; bovendien kan het oppervlak van
ZIJ-AIRBAGS VOOR (SIDEBAGS) HEADBAGS (WINDOWBAGS) het opgeblazen kussen en het interieur van
fig. 16 (indien aanwezig) fig. 17 (indien aanwezig) de auto bedekt zijn met een laagje poeder:

LAMPJES EN
BERICHTEN
Deze sidebags zijn kussens die zich snel De headbag is een “gordijn”-systeem en dit poeder kan de huid en de ogen irrite-
opblazen en bevinden zich in de rugleuning bevindt zich aan de rechter- en aan de lin- ren. Als u hiermee in aanraking bent ge-
van de voorstoelen, en hebben tot doel de kerzijde in de hemelbekleding aan de zij- komen, moet u zich met neutrale zeep en
borstkas van de inzittenden te bescher- kant en is afgedekt met een afwerklijst. water wassen.
men bij middelzware en zware zijdelingse De geldigheidsduur van de pyrotechnische

GEVALLEN
De headbags bieden bescherming aan het

NOOD-
aanrijdingen. lading en van het spiraalmechanisme zijn
hoofd van de inzittenden voor tijdens een
zijdelingse aanrijding, dankzij het grote ef- vermeld op het betreffende plaatje in het
fectieve oppervlak van de kussens. dashboardkastje. Na deze periode moe-
ten ze door de Fiat-dealer worden ver-

ONDERHOUD
BELANGRIJK De inzittende wordt bij een vangen.

EN ZORG
zijdelingse botsing optimaal door het systeem
beschermd als hij/zij in de juiste positie in de BELANGRIJK Na een ongeval waarbij een
stoel zit. Hierdoor kunnen de zij-airbags op of meerdere airbags zijn geactiveerd, dient
de juiste wijze worden opgeblazen. u contact op te nemen met de Fiat-dealer

TECHNISCHE
GEGEVENS
om de geactiveerde airbags te laten ver-
vangen en de werking van het systeem te
laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties

ALFABETISCH
en de vervanging van de airbag moeten

REGISTER
door de Fiat-dealer worden uitgevoerd.

129
Aan het einde van de lange levensduur van ALGEMENE OPMERKINGEN
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
uw auto, moet u contact opnemen met de
Fiat-dealer om het systeem buiten wer- Steun niet met het hoofd, de
king te laten stellen, bovendien moet bij armen of de ellebogen tegen ATTENTIE
verkoop van de auto de nieuwe eigenaar het portier, de ruiten of in het gebied
van de headbag (Window Bag) om Als u de contactsleutel in
op de hoogte gesteld worden van het ge-
VEILIGHEID

verwondingen tijdens het opblazen te stand MAR draait en het


bruik en de instructies, en moet hij het in- lampje ¬ gaat niet branden of blijft
structieboekje ontvangen. voorkomen.
branden tijdens het rijden (op het
BELANGRIJK Het in werking treden van multifunctionele display verschijnt
de gordelspanners, de frontairbags en de ook een bericht - indien aanwezig),
EN RIJDEN
STARTEN

zij-airbags voor wordt door de elektro- dan is er mogelijk een storing in de


nische regeleenheid bepaald, afhankelijk veiligheidssystemen; in dat geval kun-
van het type ongeval. Als een van deze on- ATTENTIE nen de airbags of gordelspanners niet
derdelen niet in werking treedt, dan duidt geactiveerd worden bij een ongeval
Steek nooit het hoofd, de of, in een zeer beperkt aantal geval-
LAMPJES EN
BERICHTEN

dat niet op een storing in het systeem. armen of de ellebogen uit len, niet op de juiste wijze geactiveerd
het raam. worden. Voordat u verder rijdt, dient
u contact op te nemen met de Fiat-
dealer om het systeem direct te laten
controleren.
GEVALLEN
NOOD-

ATTENTIE
ONDERHOUD
EN ZORG

Bedek de rugleuning van de


stoelen voor en achter niet
met hoezen of kleden die niet zijn
voorbereid op het gebruik met side-
TECHNISCHE

bags.
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

130
EN BEDIENING
ATTENTIE ATTENTIE ATTENTIE

DASHBOARD
Reis niet met voorwerpen op Als de contactsleutel in stand Laat bij diefstal of een po-
schoot of voor de borst en MAR staat, kunnen, ook bij ging tot diefstal, bij bescha-
houd vooral geen pijp, potlood enz. uitgezette motor, de airbags inscha- diging of als de auto bij een overstro-
in de mond. Bij een ongeval waarbij kelen als de auto stilstaat en de au- ming onder water is geweest, het air-

VEILIGHEID
de airbag in werking treedt, kan dit to frontaal wordt aangereden door bagsysteem door een Fiat-dealer con-
ernstig letsel veroorzaken. een andere auto. Daarom mogen, troleren.
ook als de auto stilstaat, absoluut
geen kinderen op de passagiersstoel
voor worden geplaatst. Als de con-

EN RIJDEN
STARTEN
tactsleutel echter in stand STOP
ATTENTIE staat, wordt bij een ongeval geen en- ATTENTIE
Rijd altijd met beide handen kel beveiligingssysteem (airbag of gor- Als u de contactsleutel in
op de stuurwielrand, zodat delspanners) geactiveerd; als een sys- stand MAR draait, gaat het

LAMPJES EN
BERICHTEN
bij het in werking treden van de air- teem niet in werking treedt, betekent lampje F (met de frontairbag aan
bag, het systeem niet wordt gehinderd dit niet dat het systeem niet goed passagierszijde ingeschakeld) enkele se-
door obstakels. Rijd niet met voor- werkt. conden knipperen, om u eraan te her-
over gebogen lichaam, maar ga goed inneren dat de airbag aan passagiers-
rechtop zitten en steun tegen de rug- zijde bij een botsing wordt geactiveerd.

GEVALLEN
NOOD-
leuning. Hierna moet het lampje doven.

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
131
EN BEDIENING ATTENTIE ATTENTIE ATTENTIE
DASHBOARD
De stoelen mogen niet met Haak geen harde voorwer- De airbag is geen vervanging
water worden afgenomen of pen aan de kledinghaakjes voor de veiligheidsgordels,
met stoom worden gereinigd (met de en aan de steunhandgrepen. maar een aanvulling. Omdat de
hand of in een automatisch wasap- frontairbags niet worden geactiveerd
VEILIGHEID

paraat). bij frontale botsingen bij lage snel-


heid, bij zijdelingse aanrijdingen en als
de auto van achter wordt aangereden
of over de kop slaat, worden in deze
ATTENTIE gevallen de inzittenden uitsluitend
EN RIJDEN
STARTEN

De frontairbag treedt in wer- door de veiligheidsgordels beschermd.


king als de botsing zwaarder De gordels moeten dus altijd gedra-
is dan een botsing waarbij alleen de gen worden.
gordelspanners worden geactiveerd.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Bij aanrijdingen die tussen die twee


drempelwaarden inliggen, treden al-
leen de gordelspanners in werking.
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

132
S TA R T E N E N R I J D E N

EN BEDIENING
DASHBOARD
MOTOR STARTEN ............................................................. 134
PARKEREN ............................................................................ 136

VEILIGHEID
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK ........................................................... 136
AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN .......................... 137

EN RIJDEN
STARTEN
BRANDSTOFBESPARING ................................................. 138
TREKKEN VAN AANHANGERS...................................... 139
WINTERBANDEN .............................................................. 143

LAMPJES EN
BERICHTEN
SNEEUWKETTINGEN ....................................................... 143
AUTO LANGERE TIJD STALLEN ................................... 144

GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
133
EN BEDIENING
DASHBOARD MOTOR STARTEN Laat de contactsleutel niet in
MOTOR STARTEN
het contactslot zitten als de Ga als volgt te werk:
motor stilstaat, zodat de accu
niet onnodig wordt ontladen. ❒ trek de handrem aan;
De auto is uitgerust met een elektronische
startblokkering: zie bij startproblemen de ❒ zet de versnellingspook in de vrijstand;
VEILIGHEID

paragraaf “Fiat CODE” in het hoofdstuk ❒ draai de contactsleutel in stand MAR:


“Dashboard en bediening”. op het instrumentenpaneel gaan de
controlelampjes m en Y branden;
❒ wacht tot de lampjes Y en m ge-
EN RIJDEN
STARTEN

ATTENTIE doofd zijn. Hoe warmer de motor,


Het verdient aanbeveling om Het is zeer gevaarlijk om de hoe sneller het lampje dooft;
gedurende de eerste kilome- motor in afgesloten ruimten ❒ trap het koppelingspedaal geheel in,
ters niet de maximale presta- te laten draaien. De motor verbruikt
LAMPJES EN

zonder het gaspedaal in te trappen;


BERICHTEN

ties van uw auto te eisen (bijv. zuurstof en produceert koolmonoxi-


snel accelereren, langdurig rijden met de en andere giftige stoffen. ❒ draai de contactsleutel in stand AVV
hoge toerentallen, krachtig remmen direct nadat het lampje m gedoofd
enz.). is. Als u te lang wacht, zijn de voor-
gloeibougies weer afgekoeld. Laat de
GEVALLEN
NOOD-

sleutel los zodra de motor is aange-


ATTENTIE slagen.
Houd er rekening mee dat
de rem- en de stuurbekrach-
ONDERHOUD
EN ZORG

tiging niet werken zolang de motor


niet is aangeslagen, waardoor meer
kracht nodig is voor de bediening van
het rempedaal en het stuur.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

134
Als de motor bij de eerste poging niet MOTOR OPWARMEN NA HET MOTOR UITZETTEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in STARTEN
stand STOP voordat u opnieuw start. Draai de contactsleutel in stand STOP
Ga als volgt te werk: terwijl de motor stationair draait.
Als met de contactsleutel in stand MAR
het controlelampje Y samen met het ❒ rijd rustig weg, laat de motor niet met BELANGRIJK Het is beter om de motor
na een zware rit even “op adem” te laten

VEILIGHEID
waarschuwingslampje m blijft branden, hoge toerentallen draaien en trap het
raden wij u aan de sleutel in stand STOP gaspedaal niet bruusk in; komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit,
maar laat hem even stationair draaien.
te draaien en vervolgens weer in stand ❒ verlang de eerste kilometers geen Hierdoor kan de temperatuur in de mo-
MAR; als het lampje nog steeds blijft bran- maximale prestaties. Wij raden u aan
den, probeer het dan met de andere ge- torruimte dalen.
te wachten tot de wijzernaald van de

EN RIJDEN
STARTEN
leverde sleutels. koelvloeistoftemperatuurmeter begint
BELANGRIJK Als het lampje Y op het te bewegen.
instrumentenpaneel constant blijft bran- Gasgeven voordat u de motor
den, wendt u dan onmiddellijk tot de uitzet heeft geen enkel nut,

LAMPJES EN
BERICHTEN
Fiat-dealer. verspilt brandstof en is, voor-
BELANGRIJK Laat de start-/contactsleu- al voor motoren met turbo-
Houd er rekening mee dat de compressor, schadelijk.
tel niet in stand MAR staan als de motor rem- en de stuurbekrachtiging
is uitgezet. niet werken zolang de motor

GEVALLEN
NOOD-
niet is aangeslagen, waardoor
meer kracht nodig is voor de bediening
van het rempedaal en het stuur.
Als het lampje m gedurende

ONDERHOUD
60 seconden gaat knipperen

EN ZORG
na het starten of tijdens een
langdurige startpoging, dan
duidt dat op een storing in het voor- Probeer auto’s nooit te star-
gloeisysteem. Als de motor aanslaat,

TECHNISCHE
ten door ze aan te duwen, te

GEGEVENS
kunt u de auto op de gewone manier slepen of van een helling af te
gebruiken, maar wendt u zo snel mo- laten rijden. Op die wijze kan
gelijk tot de Fiat-dealer. er onverbrande brandstof in de kataly-
sator terechtkomen, waardoor deze

ALFABETISCH
REGISTER
onherstelbaar zal beschadigen.

135
EN BEDIENING
DASHBOARD PARKEREN GEBRUIK VAN DE
Ga als volgt te werk: HANDGESCHAKELDE
❒ zet de motor uit en trek de handrem VERSNELLINGSBAK
aan;
❒ schakel een versnelling in (de 1e als de
VEILIGHEID

Om de versnellingen in te schakelen, moet


weg omhoog loopt, de achteruit als de u het koppelingspedaal geheel intrappen en
weg omlaag loopt) en zet de voorwie- vervolgens de versnellingspook in de ge-
len iets uitgestuurd. wenste stand plaatsen (het schakelschema
Als de auto op een steile helling staat, F0N0073m
staat op de knop van de pook fig. 2).
EN RIJDEN

fig. 1
STARTEN

blokkeer de wielen dan met stenen of


wiggen. Laat de contactsleutel nooit in het Voor het inschakelen van de 6e versnelling
contactslot zitten omdat hierdoor de accu Als de handrem is aangetrokken en de (indien aanwezig) moet de pook naar
ontlaadt. Neem bovendien de sleutel altijd contactsleutel in stand MAR staat, gaat op rechts worden gedrukt om te voorkomen
uit het contactslot als u de auto verlaat. het instrumentenpaneel het waarschu- dat per ongeluk de 4e versnelling wordt in-
LAMPJES EN
BERICHTEN

wingslampje x branden. Handrem uit- geschakeld. Dit geldt ook voor het scha-
schakelen: kelen van de 6e naar de 5e versnelling.
ATTENTIE
❒ trek de hendel iets omhoog en druk BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij
Laat kinderen nooit alleen een stilstaande auto worden ingeschakeld.
achter in de auto. Neem de op de ontgrendelknop A;
GEVALLEN

Wacht bij een draaiende motor en een ge-


NOOD-

sleutel altijd uit het contactslot als u ❒ houd de knop A ingedrukt en en laat heel ingetrapt koppelingspedaal minstens
de auto verlaat en neem de sleutel de hendel zakken. Het lampje x op 2 seconden, voordat u de achteruit in-
mee. het instrumentenpaneel dooft. schakelt. Hiermee wordt voorkomen dat
de tandwielen beschadigen.
ONDERHOUD

Om onverwachtse bewegingen van de au-


EN ZORG

HANDREM fig. 1 to te voorkomen, moet bij het bedienen


De handrem is aan de linkerzijde van de van de handrem het rempedaal worden in-
bestuurdersstoel geplaatst. Om de hand- getrapt.
rem in te schakelen, moet u de hendel BELANGRIJK Trek de handrem alleen aan
TECHNISCHE
GEGEVENS

omhoog trekken zodat de auto blokkeert. als de auto stilstaat. Als de auto in bewe-
Op een vlakke ondergrond hoort de auto ging is, mag de handrem alleen worden
geblokkeerd te zijn als de handrem vier of aangetrokken bij een storing in het hy-
vijf tanden is aangetrokken. Op sterke hel- draulische systeem. Als de handrem in het
ALFABETISCH

lingen en bij een beladen auto moet de uitzonderlijke geval bij een rijdende auto
REGISTER

handrem negen of tien tanden worden moet worden aangetrokken, is het raad-
aangetrokken. zaam de handrem voorzichtig aan te trek-
BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat ken om te voorkomen dat de achterwie-
dan de Fiat-dealer de handrem afstellen. len blokkeren en de auto gaat slippen.
136
AANWIJZINGEN

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
VOOR HET LADEN Bij onregelmatigheden in het
wegdek of bij bruusk rem-
De door u gebruikte Ducato-uitvoering is men, kan de lading verschuiven en ge-
ontworpen en goedgekeurd op basis van vaar opleveren voor de bestuurder en

VEILIGHEID
vastgestelde maximum gewichten (zie de de passagiers: zorg er daarom voor
tabellen “Gewichten” in het hoofdstuk dat de lading goed vastzit voordat u
“Technische gegevens”): leeggewicht, nut- vertrekt. Hiervoor kunnen de haken
tig laadvermogen, totaalgewicht, maximum op de laadvloer gebruikt worden. Ge-
F0N0074m voorasbelasting, maximum achterasbelas- bruik voor het vastzetten van de la-

EN RIJDEN
fig. 2

STARTEN
ting, aanhangergewicht. ding metalen kabels, touwen of rie-
men, die stevig genoeg zijn om de la-
Ga als volgt te werk om de achteruit R ding op zijn plaats te houden.
vanuit de vrijstand in te schakelen: trek de
schuifring A onder de knop omhoog en

LAMPJES EN
BERICHTEN
verplaats de pook naar links en vervolgens ATTENTIE
naar voren. De opgegeven maximum ge-
wichten MOGEN NOOIT ATTENTIE
WORDEN OVERSCHREDEN. Let in
het bijzonder op het maximum toe- Ook als de auto schuin staat

GEVALLEN
ATTENTIE

NOOD-
gestane gewicht op de voor- en ach- of op een helling, kunnen bij
Om op de juiste wijze te teras bij het laden van de auto (in het het openen van de achterdeuren of
schakelen, moet u het kop- bijzonder bij speciale opbouwcon- van de zijdeur losse voorwerpen on-
pelingspedaal geheel intrappen. structies). verwachts naar buiten schuiven.

ONDERHOUD
Daarom mag er niets onder het pe-

EN ZORG
daal liggen dat dit kan verhinderen:
let erop dat de vloermatten niet zijn
dubbelgevouwen, waardoor de slag
van de pedalen kan worden beperkt. BELANGRIJK De maximum toegestane BELANGRIJK Bij uitvoeringen met zijbor-

TECHNISCHE
GEGEVENS
belasting van de sjorogen op de vloer is den rechts en links is het raadzaam, voor-
500 kg; de maximum toegestane belasting dat u de borden omlaag plaatst, de ont-
op het zijpaneel is 150 kg. grendelhendel weer in de sluitstand te
Laat uw hand tijdens het rijden plaatsen.

ALFABETISCH
REGISTER
niet op de pookknop rusten
omdat door de uitgeoefende
druk, ook als deze licht is, de in-
terne onderdelen van de versnellingsbak
na verloop van tijd kunnen slijten.
137
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE BRANDSTOFBESPARING Imperiaal/skidrager
Als u reservebrandstof in een Verwijder de imperiaal of skidrager als u
jerrycan wilt vervoeren, deze niet meer gebruikt. Ze verminderen
houdt u dan aan de geldende wetge- Hierna volgen enkele nuttige tips, waar- de aerodynamica van de auto, waardoor
ving. Gebruik alleen een goedgekeur- door het brandstofverbruik zo laag mo- het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik
VEILIGHEID

de jerrycan en bevestig deze op de gelijk blijft en de uitstoot van schadelijke voor het vervoer van volumineuze voor-
juiste wijze aan de ladingsjorogen. uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt werpen bij voorkeur een aanhanger.
Toch zal bij een ongeval de kans op wordt.
brand groter zijn. Stroomverbruikers
EN RIJDEN

ALGEMENE OPMERKINGEN
STARTEN

Gebruik de elektrische installaties alleen


als u ze nodig hebt. De achterruitverwar-
Onderhoud van de auto ming, extra koplampen, de ruitenwissers
Naast deze voorzorgsmaatregelen van al- Zorg voor een goed onderhoud van de en de aanjager van het ventilatie-/verwar-
LAMPJES EN

gemene aard, kan door het opvolgen van mingssysteem vragen veel stroom, waar-
BERICHTEN

auto door de controles en registraties die


enkele eenvoudige tips de veiligheid, het in het “Geprogrammeerd Onderhouds- door het brandstofverbruik toeneemt (tot
rijcomfort en de levensduur van de auto schema“ staan vermeld, te laten uitvoeren. aan 25% in stadsverkeer).
verbeterd worden:
Airconditioning
❒ verdeel de lading gelijkmatig over de Banden
GEVALLEN
NOOD-

laadvloer: indien de lading op een De airconditioning gebruikt zeer veel


plaats geconcentreerd moet worden, Controleer regelmatig, ten minste een
keer per maand, de spanning van de ban- energie, waardoor het brandstofverbruik
gebruik dan de laadvloer tussen de sterk toeneemt (tot gemiddeld 20%): ge-
twee assen; den: als de spanning te laag is, wordt de
bruik wanneer de buitentemperatuur het
ONDERHOUD

weerstand groter en neemt het verbruik


EN ZORG

toelaat, bij voorkeur de functies van het


❒ bedenk dat hoe lager de lading ligt, hoe toe.
ventilatiesysteem.
lager het zwaartepunt van de auto
komt te liggen. Hierdoor rijdt u veili- Overbodige bagage
ger: plaats daarom altijd de zwaarste Aerodynamische accessoires
TECHNISCHE

Rijd niet met een overbeladen bagage-


GEGEVENS

lading onderop; Het gebruik van niet goedgekeurde aero-


ruimte. Het gewicht van de auto (vooral
❒ bedenk ten slotte dat het dynamische in stadsverkeer) en de wieluitlijning heb- dynamische accessoires kan de aerodyna-
rijgedrag van de auto beïnvloed wordt ben grote invloed op het brandstofver- mica negatief beïnvloeden, waardoor het
door het vervoerde gewicht: hoe hoger bruik en de stabiliteit. brandstofverbruik zal toenemen.
ALFABETISCH

het gewicht des te langer de remweg


REGISTER

van de auto, vooral bij hoge snelheid.

138
RIJSTIJL Acceleratie TREKKEN VAN

EN BEDIENING
DASHBOARD
Starten Met vol gas optrekken kost veel brandstof AANHANGERS
Laat de motor als de auto stilstaat, niet en verhoogt de uitstoot van schadelijke
warmdraaien met stationair toerental en uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
ook niet met een hoog toerental: onder trekken en het toerental waarbij het maxi-
Voor het trekken van aanhangwagens of

VEILIGHEID
deze omstandigheden warmt de motor mum koppel wordt geleverd, niet te over-
schrijden. caravans moet de auto uitgerust zijn met
veel langzamer op, terwijl het verbruik en een trekhaak van een goedgekeurd type
de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. en een adequate elektrische installatie. De
Het is beter om rustig weg te rijden en GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN montage van de trekhaak moet door ge-
geen hoge toerentallen te gebruiken: op

EN RIJDEN
specialiseerd personeel worden uitge-

STARTEN
deze manier warmt de motor sneller op. Koude start voerd. Ook moet documentatie worden
Overbodige handelingen Bij korte ritten en regelmatig koud starten overhandigd m.b.t. het rijden met een aan-
bereikt de motor niet de optimale bedrijfs- hanger.
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat

LAMPJES EN
temperatuur. Hierdoor neemt niet alleen

BERICHTEN
voor een stoplicht of voordat u de mo- Monteer zo nodig speciale en/of extra ach-
tor afzet. Deze handeling heeft evenals het het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan teruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan
overschakelen met tussengas, geen enkel 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot de geldende verkeerswetgeving.
nut. Het kost brandstof en verhoogt de van uitlaatgassen.
Let er op dat het maximum klimvermogen
uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. van de auto door het gewicht van een aan-

GEVALLEN
Verkeerssituatie en conditie

NOOD-
Keuze van de versnellingen van het wegdek hanger of caravan wordt beperkt. Ook de
Gebruik als het verkeer en de weg het remweg wordt langer en u hebt langer de
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij file- tijd nodig om in te halen.
toelaten de hoogste versnelling. Het in- rijden, waarbij overwegend lage versnel-

ONDERHOUD
schakelen van een lage versnelling voor lingen worden gebruikt, of in de stad waar Schakel een lage versnelling in tijdens het

EN ZORG
een snelle acceleratie verhoogt het brand- zich veel verkeerslichten bevinden, zal het afdalen om te voorkomen dat u constant
stofverbruik. Bij het oneigenlijke gebruik brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. moet remmen.
van een hoge versnelling neemt het ver- Bochtige trajecten, bergwegen en een
bruik en de schadelijke uitlaatgasemissie Het gewicht van de aanhanger dat op de
slecht wegdek verhogen eveneens het

TECHNISCHE
trekhaak rust, moet worden afgetrokken

GEGEVENS
toe. Bovendien slijt de motor hierdoor brandstofverbruik.
sneller. van het laadvermogen van de auto. Om er
zeker van te zijn dat u het maximum toe-
Maximum snelheid Stilstaan in het verkeer laatbaar aanhangergewicht niet over-
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk schrijdt (aangegeven op de typegoedkeu-

ALFABETISCH
Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorweg-

REGISTER
toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom overgangen), is het raadzaam de motor uit ring), moet u er rekening mee houden dat
zoveel mogelijk met een gelijkmatige snel- te zetten. het maximum betrekking heeft op het to-
heid, vermijd overbodig remmen en op- tale gewicht van de aanhangwagen of ca-
trekken. Dit kost brandstof en verhoogt ravan, inclusief accessoires en bagage.
de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. 139
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die TREKHAAK MONTEREN moet rechtstreeks op de accu worden
EN BEDIENING
DASHBOARD
voor auto’s met aanhanger gelden. U mag aangesloten met een kabel met een dia-
in geen geval harder rijden dan 100 km/h. meter van minimaal 2,5 mm2.
De trekhaak moet door gespecialiseerd
Wij raden het gebruik aan van een ge- personeel aan de carrosserie worden be- BELANGRIJK De elektrisch geregelde
schikte stabilisator op de trekhaak van de vestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn rem of lier kan alleen gebruikt worden als
VEILIGHEID

aanhanger. opgenomen, moeten worden aangehou- de motor is ingeschakeld.


den. Deze richtlijnen worden eventueel Naast de op het schema aangegeven aan-
aangevuld door extra informatie van de fa- sluitingen, is slechts een aansluiting voor
brikant van de trekhaak. een eventuele elektrisch geregelde rem
EN RIJDEN

ATTENTIE toegestaan en een voor een 15W-gloeilamp


STARTEN

De te installeren trekhaak moet voldoen


Het ABS waarmee de auto aan de huidige ECE-normen 94/20 en voor de binnenverlichting van de caravan.
kan zijn uitgerust, werkt niet daarop volgende wijzigingen. Gebruik voor de aansluitingen de daarvoor
op het remsysteem van de aanhan- bestemde regeleenheid met een kabel met
ger. Wees daarom extra voorzichtig Voor iedere uitvoering moet een trekhaak
LAMPJES EN
BERICHTEN

worden gebruikt die geschikt is voor het een diameter van minimaal 2,5 mm2 vanaf
op gladde wegen. de accu.
maximale aanhangergewicht van de auto
waarop de trekhaak wordt bevestigd. BELANGRIJK De trekhaak vormt een on-
Voor de elektrische aansluiting moet een derdeel van de lengte van de auto; als een
trekhaak op uitvoeringen met lange wiel-
GEVALLEN

gestandaardiseerde stekkerverbinding
NOOD-

ATTENTIE worden gebruikt die kan worden beves- basis wordt geïnstalleerd, wordt de limiet
Voer in geen geval modifica- tigd op de daarvoor bestemde steun op van 6 meter voor de totale lengte van de
ties aan het remsysteem van de trekhaak. Bovendien moet op de auto auto overschreden; er kan dus alleen een
een regeleenheid voor de buitenverlich- afneembare trekhaak geïnstalleerd worden.
ONDERHOUD

de auto uit. Het remsysteem van de


EN ZORG

aanhanger moet geheel onafhanke- ting van de aanhanger worden geïnstal- Als vervolgens geen aanhanger aan de trek-
lijk van het hydraulisch remsysteem leerd. haak wordt gekoppeld, moet de trekhaak
van de auto worden bediend. verwijderd worden uit het frame dat de ori-
Voor de elektrische aansluiting moet een ginele lengte van de auto niet mag over-
7- of 13-polige 12VDC stekkerverbinding schrijden.
TECHNISCHE
GEGEVENS

(CUNA/UNI- en ISO/DIN-normen) wor-


den gebruikt, waarbij eventuele aanwij-
zingen van de fabrikant van de auto en/of BELANGRIJK Als u de trekhaak perma-
van fabrikant van de trekhaak moeten nent gemonteerd wilt houden als er geen
ALFABETISCH

worden opgevolgd. aanhanger wordt getrokken, wendt u dan


REGISTER

tot de Fiat-dealer om het systeem aan te


De eventueel aanwezige elektrisch gere- laten passen, omdat de trekhaak als ob-
gelde rem of ander systeem (bijv. een lier) stakel kan worden waargenomen door de
sensoren in het midden.
140
Montageschema Bestel-

EN BEDIENING
DASHBOARD
uitvoeringen fig. 3
De trekhaak moet op de punten aange-
geven met Ø bevestigd worden met in to-
taal 6 M10x1,25-bouten en 4 M12-bouten.

VEILIGHEID
M12
Bestaande opening De binnenste verstevigingsplaten aan het
frame moeten een minimale dikte hebben
M12 van 5 mm.
Bestaande opening

beladen
MAX. GEWICHT OP KOPPELING:

EN RIJDEN
STARTEN
100/120 kg afhankelijk van het draagver-
mogen (zie de tabel “Gewichten” in het
hoofdstuk “Technische gegevens”).

LAMPJES EN
BERICHTEN
M10 (3x) ATTENTIE
Bestaande moer
Na de montage van de trek-
haak moeten de boutgaten
worden afgedicht om te voorkomen

GEVALLEN
NOOD-
Trekkogel dat uitlaatgassen in het interieur kun-
nen dringen.

ONDERHOUD
EN ZORG
Voor de montage van de trekhaak moet
de bumper worden aangepast overeen-
M10 (3x) komstig de aanwijzingen in de montageset
Bestaande moer van de fabrikant.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
M12
Bestaande opening
F0N0189m
fig. 3
141
Montageschema Pick-up- en
EN BEDIENING
DASHBOARD
Cabine/chassis-uitvoeringen - fig. 4
De trekhaak specifiek voor de Pick-up- en
Cabine/chassis-uitvoeringen staat afge-
beeld in fig. 4. De trekhaak Ø moet op de
VEILIGHEID

aangegeven punten bevestigd worden met


in totaal 6 M10x1,25-bouten en 4 M12-
bouten.
MAX. GEWICHT OP KOPPELING:
EN RIJDEN
STARTEN

100/120 kg afhankelijk van het draagver-


mogen (zie de tabel “Gewichten” in het
hoofdstuk “Technische gegevens”).
LAMPJES EN
BERICHTEN

ATTENTIE
Na de montage van de trek-
haak moeten de boutgaten
worden afgedicht om te voorkomen
GEVALLEN

dat uitlaatgassen in het interieur kun-


NOOD-

nen dringen.
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

F0N0195m
fig. 4
142
WINTERBANDEN BELANGRIJK Als u winterbanden gebruikt SNEEUWKETTINGEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
waarvan de maximum toegestane snelheid
De Fiat-dealer kan u adviseren welke band lager is dan de topsnelheid van de auto (met Het gebruik van sneeuwkettingen is af-
het meest geschikt is voor het doel waar- een marge van 5%), dan dient u in het in- hankelijk van de voorschriften van het land
voor u deze wilt gebruiken. terieur van de auto een voor de bestuur- waar wordt gereden.
der duidelijk zichtbaar waarschuwings-

VEILIGHEID
De specifieke eigenschappen van winter- plaatje te plaatsen met de maximum toe- De sneeuwkettingen mogen alleen op de
banden verminderen aanzienlijk als de pro- gestane snelheid wanneer met die winter- voorwielen gemonteerd worden (aange-
fieldiepte minder is dan 4 mm. In dat ge- banden wordt gereden (overeenkomstig de dreven wielen). Wij raden u het gebruik
val is het veiliger ze te vervangen. EU-normen). aan van sneeuwkettingen uit het Fiat Li-
neaccessori-programma.

EN RIJDEN
STARTEN
Door de specifieke eigenschappen van Monteer op alle vier de wielen dezelfde
winterbanden zijn de prestaties onder banden (zelfde merk en profieldiepte) voor Controleer na enkele tientallen meters rij-
niet-winterse omstandigheden of wanneer meer veiligheid tijdens het rijden en rem- den of de kettingen nog goed gespannen
er lange afstanden op de snelweg worden men en voor een betere bestuurbaarheid. zijn.

LAMPJES EN
gereden, minder dan die van de standaard

BERICHTEN
gemonteerde banden. Beperk het gebruik Keer de draairichting van de banden niet BELANGRIJK Geef bij gemonteerde
van winterbanden tot die omstandigheden om. sneeuwkettingen voorzichtig gas om het
waarvoor ze zijn goedgekeurd. doorslippen van de aangedreven wielen te
ATTENTIE voorkomen of zoveel mogelijk te beper-
ken. Hierdoor wordt het breken van de

GEVALLEN
Bij winterbanden met de in-

NOOD-
kettingen voorkomen en daarmee be-
dicatie “Q” geldt een maxi- schadiging van de carrosserie en de me-
mum snelheid van 160 km/h; bij chanische onderdelen.
winterbanden met de indicatie “T”
geldt een maximum snelheid van 190 BELANGRIJK Gebruik dunne sneeuw-

ONDERHOUD
EN ZORG
km/h; bij winterbanden met de indi- kettingen.
catie “H” geldt een maximum snel-
heid van 210 km/h. Deze maximum
snelheden zijn in overeenstemming

TECHNISCHE
GEGEVENS
met de huidige wetgeving.

ALFABETISCH
REGISTER
143
AUTO LANGERE TIJD ❒ dek de auto af met een stoffen of een
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
ademende kunststof hoes. Gebruik
Beperk de snelheid als u STALLEN geen dichte plastic hoes, omdat het in
sneeuwkettingen gebruikt; en op de auto aanwezige vocht dan
rijd niet harder dan 50 km/h. niet kan verdampen;
Vermijd kuilen, stoepranden
VEILIGHEID

en andere obstakels en rijd, Tref de volgende maatregelen als de au- ❒ breng de bandenspanning 0,5 bar bo-
om de auto en het wegdek to enkele maanden niet wordt gebruikt: ven de normaal voorgeschreven span-
niet te beschadigen, geen lange stuk- ❒ zet de auto in een overdekte, droge ning en controleer deze regelmatig;
ken op sneeuwvrije wegen. en goed geventileerde ruimte; ❒ als u de accukabels niet loskoppelt,
EN RIJDEN

❒ schakel een versnelling in; moet de lading iedere maand gecon-


STARTEN

troleerd worden; laad de accu op als


❒ zorg ervoor dat de handrem is aange- de optische meter een donkere kleur
trokken; heeft zonder groen middenstuk;
❒ maak de minkabel los van de accu en
LAMPJES EN

❒ tap het koelsysteem van de motor niet


BERICHTEN

controleer de acculading. Gedurende af.


het stallen moet deze controle iede-
re drie maanden worden herhaald. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met
Laad de accu op als de optische meter een diefstalalarm, schakel dan het alarm
uit met de afstandsbediening.
GEVALLEN

een donkere kleur heeft zonder een


NOOD-

groen middenstuk (zie de paragraaf


“Accu opladen” in het hoofdstuk
“Noodgevallen”);
ONDERHOUD

❒ maak de gespoten plaatdelen schoon


EN ZORG

en behandel ze met een beschermen-


de was;
❒ reinig en conserveer de glimmende
TECHNISCHE
GEGEVENS

metalen delen met daarvoor geschik-


te middelen;
❒ smeer de wisserrubbers van de rui-
tenwissers en achterruitwisser in met
ALFABETISCH

talkpoeder en laat ze los van de ruit


REGISTER

staan;
❒ zet de ruiten een klein stukje open;

144
LAMPJES EN BERICHTEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
ALGEMENE OPMERKINGEN ........................................... 146 VERSLETEN REMBLOKKEN ............................................. 153
TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU ............................... 146 STORING HILL HOLDER ................................................. 153

VEILIGHEID
AANGETROKKEN HANDREM ...................................... 146
STORING PARKEERSENSOREN ..................................... 154
STORING AIRBAGSYSTEEM ............................................ 147
TE HOGE KOELVLOEISTOF- BUITENVERLICHTING EN DIMLICHTEN ................... 154
TEMPERATUUR ................................................................... 147 FOLLOW ME HOME .......................................................... 154

EN RIJDEN
STARTEN
ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN 148
MISTLAMPEN VOOR ......................................................... 154
TE LAGE MOTOROLIEDRUK ......................................... 148
OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE .............................. 148 RICHTINGAANWIJZER LINKS ....................................... 154

LAMPJES EN
BERICHTEN
NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN .......................... 149 RICHTINGAANWIJZER RECHTS ................................... 155
NIET OMGELEGDE VEILIGHEIDSGORDELS .............. 149 CRUISE-CONTROL ............................................................ 155
STORING EBD ..................................................................... 149
GROOTLICHT ..................................................................... 155
STORING IN INSPUITSYSTEEM ..................................... 150

GEVALLEN
NOOD-
AIRBAG PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD ......... 150 ASR-SYSTEEM ....................................................................... 155
STORING ABS ..................................................................... 150 STORING STUURBEKRACHTIGING ............................. 155
BRANDSTOFRESERVE ....................................................... 150 KANS OP GLADHEID ....................................................... 156

ONDERHOUD
EN ZORG
VOORGLOEI-INSTALLATIE ............................................. 151
BEPERKTE ACTIERADIUS ................................................ 156
STORING VOORGLOEI-INSTALLATIE ........................ 151
WATER IN BRANDSTOFFILTER .................................... 151 SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN ........................... 156

TECHNISCHE
STORING ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING KOELVLOEISTOFNIVEAU .................................................. 156

GEGEVENS
FIAT CODE ........................................................................... 151
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD ........................... 156
DEFECTE BUITENVERLICHTING .................................. 152
MISTACHTERLICHTEN ..................................................... 152 STORING AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING ...... 156

ALFABETISCH
REGISTER
ALGEMENE STORINGSMELDING ................................. 152 STORING AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK/
STORING ESP/ASR-SYSTEEM .......................................... 153 MAXIMUM OLIETEMPERATUUR IN
VERSTOPT ROETFILTER.................................................... 153 AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK ......................... 156
145
EN BEDIENING
DASHBOARD LAMPJES EN TE LAAG Aangetrokken handrem
BERICHTEN x REMVLOEISTOF-
NIVEAU (rood)
Het lampje gaat branden als de handrem
wordt aangetrokken.
AANGETROKKEN Als de auto in beweging is, hoort u bij
ALGEMENE OPMERKINGEN
HANDREM (rood) enkele uitvoeringen ook een akoestisch
VEILIGHEID

Naast het branden van het lampje, ver- signaal.


schijnt er bij bepaalde uitvoeringen ook Als u de contactsleutel in stand MAR
een specifiek bericht en/of klinkt er een draait, gaat het lampje branden. Na enke- BELANGRIJK Als het lampje tijdens het
akoestisch signaal. Deze meldingen zijn le seconden moet het lampje doven. rijden gaat branden, controleer dan of de
kort en uit voorzorg en moeten als een handrem niet is aangetrokken.
EN RIJDEN
STARTEN

aanvulling worden gezien en niet als al-


ternatief voor de informatie in dit in- Te laag remvloeistofniveau
structieboekje. Wij raden u daarom aan
dit instructieboekje goed door te lezen. Het lampje gaat branden als het rem-
LAMPJES EN
BERICHTEN

Houdt u bij een storing altijd aan de vloeistofniveau in het reservoir onder het
aanwijzingen die in dit hoofdstuk be- minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld
schreven worden. door lekkage in het remsysteem.
BELANGRIJK De storingsmeldingen die Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-
GEVALLEN

op het display verschijnen, zijn onderver- treffende bericht op het display.


NOOD-

deeld in twee categorieën: ernstige sto-


ringen en minder ernstige storingen.
De ernstige storingen worden langdurig ATTENTIE
Als het lampje x tijdens het
ONDERHOUD

“cyclisch” herhaald.
EN ZORG

De minder ernstige storingen worden ge- rijden gaat branden (op en-
durende een kortere tijd “cyclisch” herhaald. kele uitvoeringen verschijnt ook een
bericht op het display), stop dan on-
U kunt de weergavecyclus van beide ca- middellijk en wendt u tot de Fiat-
TECHNISCHE
GEGEVENS

tegorieën onderbreken door op de knop dealer.


MODE te drukken. Het lampje op het in-
strumentenpaneel blijft branden totdat de
storing is verholpen.
ALFABETISCH

Zie voor de berichten bij uitvoeringen met


REGISTER

Dualogic versnellingsbak, de informatie in


het bijgevoegde supplement.

146
STORING TE HOGE

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
¬ AIRBAGSYSTEEM
(rood)
Als u de contactsleutel in
stand MAR draait en het
ç KOELVLOEISTOF-
TEMPERATUUR
lampje ¬ gaat niet branden of blijft (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR branden tijdens het rijden, dan is er

VEILIGHEID
draait, gaat het lampje branden. Na enke- mogelijk een storing in de veilig- Als u de contactsleutel in stand MAR
le seconden moet het lampje doven. heidssystemen; in dat geval kunnen draait, gaat het lampje branden. Na enke-
Het lampje gaat constant branden bij een de airbags of gordelspanners niet ge- le seconden moet het lampje doven.
storing in het airbagsysteem. activeerd worden bij een ongeval of, Het lampje gaat branden als de motor te
in een zeer beperkt aantal gevallen,

EN RIJDEN
warm is.

STARTEN
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be- niet op de juiste wijze geactiveerd
treffende bericht op het display. worden. Voordat u verder rijdt, dient Als het lampje gaat branden, moeten de
u contact op te nemen met de Fiat- volgende maatregelen worden genomen:
dealer om het systeem direct te laten
❒ bij normale rij-omstandigheden:

LAMPJES EN
BERICHTEN
controleren.
stop de auto, zet de motor uit en con-
troleer of het niveau van de koel-
ATTENTIE vloeistof in het reservoir niet onder
Een defect lampje ¬ (lamp- het MIN-merkteken staat. Als dit wel
het geval is, wacht dan enkele minuten

GEVALLEN
je gedoofd) wordt aangege-

NOOD-
ven doordat het lampje voor de uit- zodat de motor kan afkoelen, open
geschakelde frontairbag aan passa- vervolgens langzaam en voorzichtig de
gierszijde F langer dan de normale dop, vul koelvloeistof bij en controleer
4 seconden knippert. of de koelvloeistof tussen het MIN-

ONDERHOUD
EN ZORG
en MAX-merkteken op het reservoir
staat. Controleer ook of er geen vloei-
stof weglekt. Als bij het starten van de
motor het lampje opnieuw gaat bran-
den, wendt u dan tot de Fiat-dealer;

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
147
❒ als de auto onder zware bedrijfs- TE LAGE Na de eerste constatering zal iedere keer bij
EN BEDIENING
DASHBOARD
omstandigheden wordt gebruikt MOTOROLIEDRUK het starten van de motor het lampje v
(bijvoorbeeld het bergopwaarts trek- v 60 seconden knipperen en daarna iedere 2
(rood)
ken van een aanhanger of met volbe- uur totdat de olie wordt ververst.
laden auto): verlaag de snelheid en OLIEKWALITEIT
breng, als het lampje blijft branden, de
VEILIGHEID

auto tot stilstand. Wacht 2 tot 3 mi- ONVOLDOENDE (rood)


nuten met draaiende motor en geef (indien aanwezig)
iets gas voor een snellere circulatie van ATTENTIE
de koelvloeistof. Zet vervolgens de Te lage motoroliedruk Als het lampje v knip-
EN RIJDEN

motor uit. Controleer het vloeistofni-


STARTEN

Als u de contactsleutel in stand MAR pert, wendt u dan onmiddel-


veau zoals hiervoor beschreven. draait, gaat het lampje branden. Het moet lijk tot de Fiat-dealer voor de verver-
BELANGRIJK Bij zware bedrijfsomstan- doven nadat de motor is gestart. sing van de motorolie en het uitscha-
digheden is het raadzaam de motor en- kelen van het betreffende lampje op
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be- het instrumentenpaneel.
LAMPJES EN
BERICHTEN

kele minuten te laten draaien met iets in- treffende bericht op het display.
getrapt gaspedaal voordat u de motor uit-
zet.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be- ATTENTIE
treffende bericht op het display. Als het lampje v tijdens
GEVALLEN
NOOD-

het rijden gaat branden (op


enkele uitvoeringen verschijnt ook
een bericht op het display), zet dan
ACCU WORDT NIET onmiddellijk de motor uit en wendt
ONDERHOUD

w VOLDOENDE
EN ZORG

u tot de Fiat-dealer.
OPGELADEN (rood)

Als u de contactsleutel in stand MAR


draait, gaat het lampje branden. Het moet Oliekwaliteit onvoldoende
TECHNISCHE
GEGEVENS

doven nadat de motor is gestart (als de


motor stationair draait, kan het voorko- Het lampje gaat knipperen (op enkele uit-
men dat het lampje iets later dooft). voeringen verschijnt ook een bericht op
het display) als het systeem motorolie van
onvoldoende kwaliteit constateert.
ALFABETISCH

Als het lampje blijft branden of knipperen:


REGISTER

wendt u onmiddellijk tot de Fiat-dealer.

148
NIET GOED GESLOTEN NIET OMGELEGDE STORING EBD

EN BEDIENING
DASHBOARD
´ PORTIEREN/LAAD-
RUIMTE (rood) < VEILIGHEIDSGORDEL
(rood) x > (rood)
(geel)

Als een of meerdere portieren of de laad- Het lampje op het instrumentenpaneel gaat Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de
waarschuwingslampjes x en >gaan bran-

VEILIGHEID
ruimte niet goed gesloten zijn, gaat het continu branden als bij stilstaande auto de
lampje branden (bepaalde uitvoeringen). veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet den, dan is er een storing in het EBD-sys-
goed is omgelegd. Als de auto rijdt en de teem of is het systeem niet beschikbaar; in
Op enkele uitvoeringen verschijnt op het veiligheidsgordel aan bestuurderszijde is dat geval kunnen bij hard remmen de ach-
display een bericht dat aangeeft dat het lin- niet goed omgelegd, dan gaat het lampje terwielen vroegtijdig blokkeren waardoor
ker/rechter voorportier of de deuren van

EN RIJDEN
STARTEN
knipperen en klinkt tegelijkertijd een akoes- de auto kan slippen. Rijd direct zeer voor-
de laadruimte open zijn. tisch signaal (zoemer). Het akoestische sig- zichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer
Als de auto in beweging is met geopende naal (zoemer) van het SBR-systeem (Seat om het systeem te laten controleren.
portieren, dan klinkt er een akoestisch Belt Reminder) kan permanent worden uit-
geschakeld door de Fiat-dealer. Op enke- Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-

LAMPJES EN
signaal.

BERICHTEN
le uitvoeringen kan het systeem weer wor- treffende bericht op het display.
den geactiveerd via het setup-menu.

GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
149
STORING IN AIRBAG STORING ABS (geel)
EN BEDIENING
DASHBOARD

U INSPUITSYSTEEM
(geel) F PASSAGIERSZIJDE
UITGESCHAKELD > Als u de contactsleutel in stand
(geel) MAR draait, gaat het lampje
Als u onder normale omstandig- branden. Na enkele seconden moet
heden de contactsleutel in stand MAR (indien aanwezig)
het lampje doven.
VEILIGHEID

draait, dan gaat het lampje branden. Het Het lampje F brandt als de frontairbag
lampje moet uitgaan als de motor is ge- aan passagierszijde is uitgeschakeld. Het lampje gaat branden als het systeem
start. defect of niet beschikbaar is. In dat geval
Als u bij ingeschakelde frontairbag aan pas- blijft het remsysteem normaal werken,
Als het lampje blijft branden of tijdens het sagierszijde de contactsleutel in stand maar zonder de mogelijkheden van het
EN RIJDEN
STARTEN

rijden gaat branden, dan duidt dit op een MAR draait, gaat het lampje F ongeveer ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u
storing in het inspuitsysteem. Dit kan tot 4 seconden branden en vervolgens 4 se- zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.
gevolg hebben dat de prestaties vermin- conden knipperen. Hierna moet het lamp-
deren, de auto slechter gaat rijden en het je doven. Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-
brandstofverbruik toeneemt. treffende bericht op het display.
LAMPJES EN
BERICHTEN

Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-


treffende bericht op het display. ATTENTIE
U kunt onder deze omstandigheden door- Het lampje F geeft boven-
RESERVEBRANDSTOF
GEVALLEN

rijden zonder te veel van de motor te ei- dien eventuele storingen van
NOOD-

sen of met hoge snelheid te rijden. Wendt


u in dit geval zo snel mogelijk tot de Fiat-
het lampje ¬ aan. Dit wordt aange-
geven door het langer knipperen van
ç (geel)

dealer. het lampje F dan de normale 4 se- Als u de contactsleutel in stand


conden. In dit geval kan het lampje MAR draait, gaat het lampje branden. Na
ONDERHOUD
EN ZORG

¬ geen storingen in de airbag-/gor- enkele seconden moet het lampje doven.


delspannersystemen aangeven. Voor-
dat u verder rijdt, dient u contact op Het lampje gaat branden als er nog onge-
te nemen met de Fiat-dealer om het veer 10/12 liter brandstof aanwezig is (af-
hankelijk van de uitvoering).
TECHNISCHE

systeem direct te laten controleren.


GEGEVENS

BELANGRIJK Als het waarschuwings-


lampje knippert, dan is er een storing in
het systeem. Wendt u in dit geval tot de
Fiat-dealer om het systeem te laten con-
ALFABETISCH
REGISTER

troleren.

150
VOORGLOEI- WATER IN STORING

EN BEDIENING
DASHBOARD
m INSTALLATIE
(Multijet-uitvoeringen - c BRANDSTOFFILTER
AANWEZIG (Multijet- Y ELEKTRONISCHE
STARTBLOKKERING -
geel) uitvoeringen - geel) FIAT CODE
(geel)
STORING VOORGLOEI-

VEILIGHEID
Als u de contactsleutel in stand MAR
INSTALLATIE draait, gaat het lampje branden. Na enke- Als u de contactsleutel in stand MAR zet,
(Multijet-uitvoeringen - le seconden moet het lampje doven. dan gaat het lampje één keer knipperen en
geel) dooft vervolgens.
Het lampje gaat branden als er water in
Voorgloeibougies

EN RIJDEN
het dieselfilter zit. Als het lampje, met de contactsleutel in

STARTEN
Als u de contactsleutel in stand MAR Op enkele uitvoeringen verschijnt het be- stand MAR, blijft branden, dan duidt dit
draait, gaat het lampje branden. Het lamp- treffende bericht op het display. op:
je dooft als de voorgloeibougies de voor- ❒ een mogelijke storing (zie “Fiat Code”

LAMPJES EN
af ingestelde temperatuur hebben bereikt.

BERICHTEN
in het hoofdstuk “Dashboard en be-
Start de motor zodra het lampje gedoofd diening”);
is. Water in het brandstofsys- ❒ een mogelijke inbraakpoging als een
BELANGRIJK Bij een hoge buitentempe- teem kan het inspuitsysteem diefstalalarm aanwezig is; in dat geval
ratuur kan het lampje zeer kort branden. ernstig beschadigen en de mo- dooft het lampje na ongeveer 10 se-

GEVALLEN
NOOD-
tor kan onregelmatig gaan conden.
Storing in voorgloei-installatie draaien. Als het lampje c gaat bran-
Het lampje gaat knipperen als er een sto- den (bij bepaalde uitvoeringen ver- Als bij een draaiende motor het lampje
ring is in de voorgloei-installatie. Wendt u schijnt ook een bericht op het display), Y knippert, dan wordt de auto niet be-

ONDERHOUD
wendt u dan zo snel mogelijk tot de veiligd door het systeem (zie de paragraaf

EN ZORG
zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.
Fiat-dealer om de condens te laten af- “Fiat Code” in het hoofdstuk “Dashboard
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be- tappen. Als het lampje direct na het en bediening”).
treffende bericht op het display. tanken gaat branden, bestaat de mo-
gelijkheid dat er tijdens het tanken wa- Wendt u tot de Fiat-dealer om alle sleu-

TECHNISCHE
tels in het geheugen te laten opslaan.

GEGEVENS
ter in de brandstoftank is gekomen: zet
in dat geval onmiddellijk de motor uit
en wendt u tot de Fiat-dealer.

ALFABETISCH
REGISTER
151
DEFECTE ALGEMENE Storing regensensor
EN BEDIENING
è
DASHBOARD

W BUITENVERLICHTING
(geel)
STORINGSMELDING
(geel)
(uitvoeringen met
multifunctioneel display)
Het lampje gaat branden (be- Het lampje gaat branden als er een storing
paalde uitvoeringen) als er een storing is Het lampje gaat bij de volgende omstan- is in de regensensor. Wendt u tot de Fiat-
VEILIGHEID

in een van de volgende systemen: digheden branden. dealer.


– buitenverlichting Storing motoroliedruksensor Op het display verschijnt het betreffende
bericht.
– remlichten
Het lampje gaat branden bij een storing in
EN RIJDEN
STARTEN

– mistachterlichten Storing parkeersensoren


de motoroliedruksensor. Wendt u zo snel
mogelijk tot de Fiat-dealer om de storing (uitvoeringen met
– richtingaanwijzers multifunctioneel display)
te laten verhelpen.
De storing kan betreffen: doorbranden Zie hetgeen beschreven is voor lampje t.
LAMPJES EN
BERICHTEN

van een of meer lampen, doorbranden van Brandstofnoodschakelaar


de bijbehorende zekering of een onder-
breking in de elektrische verbinding. Het lampje gaat branden als de brand-
stofnoodschakelaar inschakelt.
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-
treffende bericht op het display. Op het display verschijnt het betreffende
GEVALLEN
NOOD-

bericht.

MISTACHTERLICHTEN
4
ONDERHOUD

(geel)
EN ZORG

Het lampje gaat branden als de


mistachterlichten worden ingeschakeld.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

152
VERSTOPT STORING VERSLETEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
h ROETFILTER

Het lampje gaat branden als het


á ESP/ASR-SYSTEEM
(geel) d REMBLOKKEN (geel)

(indien aanwezig) Het lampje op het instrumen-


roetfilter verstopt is en de rijomstandig- tenpaneel gaat branden als de remblokken
STORING HILL

VEILIGHEID
heden verhinderen dat de regeneratie- voor versleten zijn; laat deze in dat geval
procedure automatisch wordt uitgevoerd. HOLDER zo snel mogelijk vervangen.
(geel)
Voor de regeneratieprocedure en vervol- (indien aanwezig) Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-
gens het reinigen van het filter raden wij u treffende bericht op het display.
aan te blijven rijden, totdat de weergave

EN RIJDEN
STARTEN
van het lampje verdwijnt. Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje branden. Na enke-
Op het display verschijnt het betreffende le seconden moet het lampje doven.
bericht.

LAMPJES EN
BERICHTEN
Storing ESP/ASR-systeem
Als het lampje niet dooft of tijdens het rij-
den blijft branden en het lampje in de ASR-
knop gaat branden, wendt u dan tot de
Fiat-dealer.

GEVALLEN
NOOD-
Op enkele uitvoeringen verschijnt het be-
treffende bericht op het display.
Opmerking Als het lampje knippert tij-

ONDERHOUD
EN ZORG
dens het rijden, dan geeft dit aan dat het
ESP in werking is getreden.

Storing Hill Holder-systeem

TECHNISCHE
GEGEVENS
Als het lampje gaat branden, is er een sto-
ring in het Hill Holder-systeem. Wendt u
in dat geval zo snel mogelijk tot de Fiat-
dealer.

ALFABETISCH
REGISTER
Op enkele uitvoeringen verschijnt een bij-
behorend bericht op het display.

153
STORING BUITENVERLICHTING MISTLAMPEN VOOR
EN BEDIENING
DASHBOARD

t PARKEERSENSOREN
(indien aanwezig)
3 EN DIMLICHTEN
(groen) 5 (groen)

(geel) Het lampje gaat branden als de


FOLLOW ME HOME mistlampen voor worden ingeschakeld.
(groen)
VEILIGHEID

Het lampje gaat branden als er een storing


is in de parkeersensoren. Buitenverlichting en dimlichten
Op enkele uitvoeringen gaat het lampje è Het lampje gaat branden als de buiten- RICHTINGAANWIJZER
F
branden. verlichting of het dimlicht wordt inge- LINKS (groen -
EN RIJDEN
STARTEN

schakeld.
Wendt u in dit geval tot de Fiat-dealer. knipperend)
Follow me home
Op enkele uitvoeringen verschijnt een bij- Het lampje gaat branden als de richting-
behorend bericht op het display. Het lampje gaat branden als dit systeem aanwijzerhendel omlaag wordt gezet of,
LAMPJES EN

wordt gebruikt (zie “Follow me home” in


BERICHTEN

tegelijkertijd met het lampje van de rech-


het hoofdstuk “Dashboard en bediening”). ter richtingaanwijzer, als de drukknop
Op het display verschijnt het betreffende voor de waarschuwingsknipperlichten
bericht. wordt ingedrukt.
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

154
RICHTINGAANWIJZER GROOTLICHT STORING STUUR-

EN BEDIENING
DASHBOARD
D RECHTS
(groen - knipperend) 1 (blauw)
g BEKRACHTIGING
(rood)

Het lampje gaat branden als de richting- Het lampje brandt als het grootlicht is in-
Als u de contactsleutel in stand MAR

VEILIGHEID
aanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, geschakeld.
draait, gaat het lampje op het instrumen-
tegelijkertijd met het lampje van de linker tenpaneel branden. Na enkele seconden
richtingaanwijzer, als de drukknop voor de moet het lampje doven.
waarschuwingsknipperlichten wordt inge- ASR-SYSTEEM
drukt.
V (indien aanwezig)
Als het lampje blijft branden, het bericht

EN RIJDEN
(geel)

STARTEN
op het display blijft weergegeven en er een
CRUISE-CONTROL akoestisch signaal (zoemer) klinkt, dan

Ü (indien aanwezig)
(groen)
Als u de contactsleutel in stand MAR
draait, gaat het lampje op het instrumen-
werkt de stuurbekrachtiging niet en is
meer kracht nodig voor het draaien van

LAMPJES EN
BERICHTEN
tenpaneel branden. Na enkele seconden het stuur. Wendt u tot de Fiat-dealer.
moet het lampje doven. Het lampje in de
Als u de contactsleutel in stand MAR ASR-knop gaat branden als het systeem
draait, gaat het lampje branden. Na enke- is uitgeschakeld. Het lampje knippert als
le seconden moet het lampje doven. het ASR-systeem inschakelt, om de be-

GEVALLEN
NOOD-
Het lampje op het instrumentenpaneel stuurder te waarschuwen dat het systeem
brandt als de draaiknop van de cruise-con- zich aanpast aan de grip op het wegdek.
trol in stand ON staat. Het lampje gaat branden, er verschijnt een
Op enkele uitvoeringen verschijnt een bij- bericht op het display en er klinkt een

ONDERHOUD
EN ZORG
behorend bericht op het display. akoestisch signaal (zoemer) als het ASR-
systeem defect is. Wendt u in dat geval zo
snel mogelijk tot de Fiat-dealer.
De berichten op het display verschijnen

TECHNISCHE
GEGEVENS
als handmatig de ASR-functie wordt in-/
uitgeschakeld (zie “ASR”-systeem in het
hoofdstuk “Dashboard en bediening”).
Op uitvoeringen met alleen een ASR-sys-

ALFABETISCH
REGISTER
teem, blijft bij uitschakeling (ASR OFF) het
lampje altijd branden.

155
KOELVLOEI- STORING KANS OP GLADHEID
EN BEDIENING
DASHBOARD

n STOFNIVEAU
(indien aanwezig)
(rood)
ΠAUTOMATISCHE
NIVEAUREGELING
(indien aanwezig)
(uitvoeringen met
multifunctioneel display)

(rood) Als de buitentemperatuur gelijk is aan of


Het lampje gaat branden als het niveau van
VEILIGHEID

lager wordt dan 3°C, dan knippert de tem-


de koelvloeistof in de radiateur onder het Als u de contactsleutel in stand MAR peratuuraanduiding om aan te geven dat
minimum niveau is gedaald. draait, gaat het lampje branden. Na enke- er kans op gladheid bestaat.
le seconden moet het lampje doven.
Op het display verschijnt het betreffende
Het lampje gaat branden als er een storing bericht.
EN RIJDEN
STARTEN

GEPROGRAMMEERD is in de automatische niveauregeling.

õ ONDERHOUD
(indien aanwezig) STORING
BEPERKTE ACTIERADIUS
(uitvoeringen met
t AUTOMATISCHE multifunctioneel display)
LAMPJES EN

Dit lampje gaat en blijft constant


BERICHTEN

branden en er verschijnen berichten over VERSNELLINGSBAK/


het geprogrammeerd onderhoud als een MAXIMUM Op het display verschijnt een bericht om de
servicebeurt moet worden uitgevoerd. OLIETEMPERATUUR gebruiker te waarschuwen als de actieradius
Het lampje dooft nadat de servicebeurt IN AUTOMATISCHE van de auto kleiner wordt dan 50 km.
GEVALLEN

door de Fiat-dealer is uitgevoerd of nadat VERSNELLINGSBAK


NOOD-

1000 km is afgelegd nadat een servicebeurt (indien aanwezig) SNELHEIDSLIMIET


had moeten worden uitgevoerd. (rood) OVERSCHREDEN
Als u de contactsleutel in stand MAR Op het display verschijnt een bericht als de
ONDERHOUD
EN ZORG

draait, gaat het lampje op het instrumen- ingestelde snelheidslimiet wordt over-
tenpaneel branden. Na enkele seconden schreden (zie “Multifunctioneel display” in
moet het lampje doven. het hoofdstuk “Dashboard en bediening”).
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat
TECHNISCHE
GEGEVENS

knipperen (op het display verschijnt ook


een bericht en er klinkt een akoestisch sig-
naal) als er storing is in de versnellingsbak.
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat
ALFABETISCH

constant branden (op het display verschijnt


REGISTER

ook een bericht en er klinkt een akoestisch


signaal) bij een te hoge temperatuur van de
transmissie-olie.
156
N O O D G E VA L L E N

EN BEDIENING
DASHBOARD
MOTOR STARTEN ............................................................. 158
WIEL VERWISSELEN .......................................................... 159

VEILIGHEID
SNELLE BANDENREPARATIESET
FIX & GO automatic ........................................................... 163
GLOEILAMP VERVANGEN .............................................. 168

EN RIJDEN
STARTEN
GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN . 170
GLOEILAMP INTERIEURVERLICHTING
VERVANGEN ........................................................................ 176

LAMPJES EN
ZEKERINGEN VERVANGEN ........................................... 177

BERICHTEN
ACCU OPLADEN ............................................................... 185
OPKRIKKEN VAN DE AUTO .......................................... 186
SLEPEN VAN DE AUTO .................................................... 186

GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
157
EN BEDIENING
DASHBOARD MOTOR STARTEN Ga voor het starten als volgt te werk:
❒ til het klepje A omhoog zodat de ver-
binding met de pluspool van de accu
NOODSTART bereikbaar is fig. 1.
Als het lampje Y op het instrumen- ❒ verbind de pluspolen (+ teken nabij de
VEILIGHEID

tenpaneel constant blijft branden, wendt pool) van de beide accu’s met een
u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer. startkabel;
STARTEN MET EEN HULPACCU ❒ sluit een tweede startkabel aan op de
fig. 1-2 F0N0075m minpool (–) van de hulpaccu en op de
EN RIJDEN

fig. 1
STARTEN

massa-aansluiting zoals afgebeeld in


Als de accu leeg is, kan de motor worden fig. 2;
gestart met een hulpaccu, die ten minste
dezelfde capaciteit moet hebben als de le- ❒ start de motor;
LAMPJES EN

ge accu.
BERICHTEN

❒ neem als de motor draait, de kabels in


Het is raadzaam de accu door de Fiat- de omgekeerde volgorde los.
dealer te laten controleren/vervangen. Als de motor na enkele pogingen niet
aanslaat, blijf dan niet proberen maar
GEVALLEN

wendt u tot de Fiat-dealer.


NOOD-

F0N0076m
fig. 2
ONDERHOUD
EN ZORG

ATTENTIE
Laat deze procedure door ge-
specialiseerd personeel uit-
voeren. Onjuiste handelingen kunnen
TECHNISCHE
GEGEVENS

leiden tot vonken. De vloeistof in de


accu is giftig en corrosief. Vermijd het
contact met de huid en de ogen. Kom
ook niet dicht bij een accu met open
ALFABETISCH

vuur of een brandende sigaret en ver-


REGISTER

oorzaak geen vonken.

158
BELANGRIJK Verbind de minklemmen ROLLEND STARTEN WIEL VERWISSELEN

EN BEDIENING
DASHBOARD
van de twee accu’s niet direct met elkaar:
eventuele vonken kunnen het explosieve Probeer auto’s nooit te starten door ze
gas ontsteken dat uit de accu kan ont- aan te duwen, te slepen of van een hel-
snappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd ling af te laten rijden. Op die wijze kan er
onverbrande brandstof in de katalysator ALGEMENE AANWIJZINGEN
aan boord van een andere auto, mogen

VEILIGHEID
tussen deze auto en de auto met de lege terechtkomen, waardoor deze onherstel- Voor het verwisselen van het wiel en voor
accu niet per ongeluk metalen delen met baar zal beschadigen. het juiste gebruik van de krik en het re-
elkaar in verbinding staan. BELANGRIJK Houd er rekening mee dat servewiel moeten de onderstaande voor-
de rem- en stuurbekrachtiging niet wer- zorgsmaatregelen in acht worden genomen.

EN RIJDEN
ken zolang de motor niet is aangeslagen,

STARTEN
waardoor meer kracht nodig is voor de
bediening van het rempedaal en het stuur.
ATTENTIE

LAMPJES EN
BERICHTEN
Attendeer het overige weg-
verkeer op de stilstaande au-
to m.b.v: de waarschuwingsknipper-
lichten, de gevarendriehoek enz. Tij-

GEVALLEN
dens het verwisselen van een wiel

NOOD-
moeten alle inzittenden de auto heb-
ben verlaten, vooral als de auto
zwaar beladen is, en op een veilige af-
stand van het verkeer wachten, tot-

ONDERHOUD
EN ZORG
dat het wiel verwisseld is. Trek de
handrem aan.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
159
Het is nodig te weten dat:
EN BEDIENING ATTENTIE ATTENTIE
DASHBOARD
Het reservewiel behoort bij De krik dient uitsluitend voor ❒ de krik 4,5 kg weegt;
de auto waarbij het geleverd het verwisselen van een wiel ❒ de krik geen afstelwerkzaamheden
is. Gebruik het reservewiel niet bij an- van de auto waarbij de krik geleverd vereist;
dere auto’s en monteer geen reserve- is of voor auto’s van hetzelfde model.
VEILIGHEID

wielen van andere auto’s. De wiel- Gebruik de krik niet voor het opkrik- ❒ de krik niet kan worden gerepareerd:
bouten behoren bij de auto: gebruik ken van andere auto’s. En beslist bij een defect moet de krik door een
de wielbouten niet bij andere auto’s nooit voor het uitvoeren van werk- krik van hetzelfde type worden ver-
en gebruik geen wielbouten van an- zaamheden onder de auto. Als de krik vangen;
dere auto’s. niet juist geplaatst wordt, kan de op-
EN RIJDEN

❒ buiten de slinger geen enkel ander ge-


STARTEN

gekrikte auto van de krik vallen. Op


een sticker op de krik is het maximum reedschap op de krik gemonteerd mag
hefvermogen aangegeven; de krik worden.
mag nooit voor een zwaardere last
LAMPJES EN

ATTENTIE
BERICHTEN

worden gebruikt.
Laat het verwisselde wiel zo
snel mogelijk repareren en
monteren. Smeer de schroefdraad
van de wielbouten niet met vet in,
GEVALLEN

voordat u ze monteert: de bouten ATTENTIE


NOOD-

kunnen loslopen. Maak het ventiel absoluut


niet open. Plaats geen enkel
stuk gereedschap tussen velg en band.
ONDERHOUD

Controleer regelmatig de spanning


EN ZORG

van de banden en van het reservewiel


en houdt u daarbij aan de waarden
die beschreven staan in het hoofdstuk
“Technische gegevens”.
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

160
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0193m F0N0194m F0N0163m

EN RIJDEN
fig. 3 fig. 4 fig. 6

STARTEN
Ga voor het verwisselen van een wiel
als volgt te werk:
❒ zet de auto stil op een plaats waar het

LAMPJES EN
BERICHTEN
verkeer niet in gevaar wordt gebracht en
in alle veiligheid het wiel kan worden ver-
wisseld. Zet de auto zo mogelijk op een
vlakke en stevige ondergrond;

GEVALLEN
❒ zet de motor uit en trek de handrem aan;

NOOD-
❒ schakel de eerste versnelling of de
achteruit in; fig. 5 F0N0186m
fig. 7 F0N0164m

❒ trek het veiligheidshesje met reflecte-

ONDERHOUD
rende strepen aan (wettelijk verplicht in

EN ZORG
bepaalde landen) voordat u de auto ver- ❒ verwijder bij uitvoeringen met licht- plaatst worden op het in fig. 4 aan-
laat; metalen velgen het geklemde wiel- gegeven punt en zo geplaatst worden
❒ attendeer het overige wegverkeer op de deksel; (45°) dat de krik niet in aanraking
stilstaande auto door middel van de wet- ❒ draai de wielbouten van het te ver- komt met het opstapje;

TECHNISCHE
GEGEVENS
telijk verplichte systemen van het land wisselen wiel ongeveer een slag los; ❒ waarschuw eventuele omstanders dat
waarin u rijdt (bijv. gevarendriehoek, ❒ draai het kartelwiel van de krik zo, dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor
waarschuwingsknipperlichten enz.); hij iets omhoog komt; dat ze zich niet in de nabijheid van de
❒ pak het verlengstuk en de wielsleutel uit ❒ zet de krik onder de kriksteun zo dicht auto bevinden en de auto vooral niet

ALFABETISCH
de gereedschapset onder de passagiers- mogelijk bij het te verwisselen wiel, bij

REGISTER
aanraken totdat de auto weer geheel
stoel (zie “Opbergvak onder passagiers- de in fig. 3 aangegeven punten. Bij uit- op de grond staat. Krik de auto op.
stoel voor” in het hoofdstuk “Dashboard voeringen met korte wielbasis met uit-
en bediening”); schuifbaar opstapje, moet de krik ge-
161
Nadat u de auto hebt opgekrikt:
EN BEDIENING
DASHBOARD
❒ Bij chassis/cabine-uitvoeringen: draai
met de bijgeleverde sleutel de bout van
de reservewielhouder aan de rechter
achterzijde van de auto los fig. 5;
VEILIGHEID

❒ Bij bestel-uitvoeringen: open de ach-


terdeur van de laadruimte 180° en ver-
wijder de dop uit de opening A-fig. 6
om het verlengstuk B-fig. 6 en de wiel- F0N0165m F0N0167m
EN RIJDEN

sleutel C-fig. 7 te kunnen plaatsen; fig. 7a fig. 8


STARTEN

– steek het verlengstuk B-fig. 6 in de


opening; ❒ monteer het reservewiel, waarbij de
– plaats de wielsleutel C-fig. 7 en gaten G-fig. 9 over de pennen H
moeten vallen. Zorg er bij het mon-
LAMPJES EN

draai de sleutel linksom zodat het


BERICHTEN

reservewiel zakt; teren van het reservewiel voor dat de


boutgaten en alle contactvlakken van
❒ trek met de wielsleutel C het wiel on- het reservewiel schoon zijn en geen
der de auto vandaan fig. 7a; onzuiverheden bevatten, omdat hier-
❒ draai de blokkeerknop D los en maak door na verloop van tijd de wielbou-
GEVALLEN
NOOD-

het wiel los van de steun E. ten kunnen loslopen;


fig. 7b F0N0166m ❒ draai de 5 wielbouten handvast;
❒ draai de wielsleutel zodat de auto zakt,
ONDERHOUD
EN ZORG

Ook de bewegende delen van de krik en verwijder de krik;


(schroefdraad en scharnieren) kunnen let- ❒ draai de wielbouten kruiselings vast, in
sel veroorzaken: vermijd contact met de- de volgorde die is aangegeven in het
ze onderdelen. Reinig uw handen zorg- schema in fig. 9.
TECHNISCHE
GEGEVENS

vuldig als deze met vet in contact zijn ge-


weest.
❒ draai met de sleutel F-fig. 8 de wiel-
bouten helemaal los en verwijder het
ALFABETISCH

wiel;
REGISTER

162
SNELLE

EN BEDIENING
DASHBOARD
BANDENREPARATIESET
FIX & GO automatic

VEILIGHEID
De snelle bandenreparatieset Fix & Go
automatic is voor in het interieur geplaatst
en bevat:
❒ een spuitbus A met afdichtvloeistof,
F0N0168m F0N0224m die voorzien is van:

EN RIJDEN
fig. 9 fig. 9a

STARTEN
– een vulbuis B;
Ter afsluiting:
– een sticker C met het opschrift
❒ haak het verwisselde wiel aan de steun “max. 80 km/h”. Na het repareren

LAMPJES EN
BERICHTEN
E-fig. 7b en draai de knop D-fig. 7b van het wiel moet deze sticker op
vast; een voor de bestuurder goed zicht-
❒ plaats de wielsleutel C-fig. 5 op het bare plaats worden aangebracht (op
verlengstuk B-fig. 4 en draai de sleu- het dashboard);
❒ een informatiefolder (zie fig. 11), voor

GEVALLEN
tel rechtsom om het wiel omhoog te

NOOD-
plaatsen; een correct gebruik van de snelle re-
F0N0223m
paratieset. De folder moet overhan-
fig. 9b digd worden aan het personeel dat de
behandelde band repareert;

ONDERHOUD
❒ controleer of het verwisselde wiel

EN ZORG
ATTENTIE ❒ een compressor D-fig. 10 met mano-
goed in de zitting onder de bodem-
Zowel bij bestel-uitvoeringen plaat is geplaatst (het hefsysteem is uit- meter en verbindingsstukken;
(fig. 9a) als bij chassis/cabi- gerust met een vangkoppeling; als de-
ne-uitvoeringen (fig. 9b) moet, na het ❒ adapters voor het oppompen van di-

TECHNISCHE
ze onjuist geplaatst is, kan de veiligheid

GEGEVENS
optillen/blokkeren van het verwissel- verse voorwerpen.
in gevaar worden gebracht);
de wiel, de sleutel worden verwijderd.
Draai de sleutel niet linksom om de ❒ verwijder het verlengstuk B-fig. 4 en
sleutel makkelijker te verwijderen, zo- berg het samen met de wielsleutel

ALFABETISCH
dat wordt voorkomen dat het ver- C-fig. 5, op in de gereedschapset;

REGISTER
grendelmechanisme loskomt. ❒ berg de gereedschapset op in het vak
onder de passagiersstoel.

163
HET IS NOODZAKELIJK TE
EN BEDIENING
DASHBOARD
Als u een lekke band krijgt,
kan de band gerepareerd wor- WETEN DAT:
den als de diameter van het De afdichtvloeistof bij buitentemperatu-
lek niet groter is dan 4 mm. ren tussen –20 °C en +50°C werkt.
VEILIGHEID

De afdichtvloeistof een houdbaarheidsda-


tum heeft.

F0N0177m
ATTENTIE
EN RIJDEN

fig. 10
STARTEN

ATTENTIE De compressor mag niet lan-


Het is niet mogelijk lekken ger dan 20 minuten achter
aan de zijkanten van de elkaar worden ingeschakeld. Gevaar
band te repareren. Gebruik de repa- voor oververhitting. De snelle repa-
LAMPJES EN
BERICHTEN

ratieset niet als de band beschadigd ratieset is niet geschikt voor perma-
is geraakt door het rijden met een le- nente reparatie; de gerepareerde
ge band. banden mogen daarom slechts tijde-
lijk worden gebruikt.
GEVALLEN
NOOD-

fig. 11 F0N0178m ATTENTIE Als de compressor uitschakelt als gevolg


Bij schade aan de velg (zo- van oververhitting, wacht dan enkele mi-
ONDERHOUD

danige vervorming van het nuten zodat de compressor kan afkoelen;


EN ZORG

ATTENTIE kanaal dat er lucht wegloopt) kan de druk daarna op de RESET-knop aan de zij-
Overhandig de informatie- band niet gerepareerd worden. Ver- kant van de compressor en schakel de
folder aan het personeel dat wijder de eventueel in de band bin- compressor weer in.
nengedrongen voorwerpen (schroe-
TECHNISCHE

de band repareert die behandeld is


GEGEVENS

met de bandenreparatieset. ven of spijkers) niet.


ALFABETISCH
REGISTER

164
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Vervang de spuitbus met de
De spuitbus bevat ethyleen- afdichtvloeistof na deze da-
glycol. Bevat latex: kan een al- tum. Spuitbussen en afdicht-
lergische reactie veroorzaken. Schade- vloeistof zijn schadelijk voor
lijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. het milieu. Houdt u voor het afvoeren

VEILIGHEID
Kan overgevoeligheid veroorzaken bij van deze producten aan de wettelijke
inademing en contact. Vermijd contact normen.
met ogen, huid en kleding. Spoel bij
contact onmiddellijk overvloedig met
water. Vermijd braken bij inslikken, F0N0179m

EN RIJDEN
fig. 12

STARTEN
spoel de mond uit, drink veel water en
raadpleeg onmiddellijk een arts. Houd
buiten het bereik van kinderen. Het OPPOMPEN VAN DE BAND
product mag niet gebruikt worden door

LAMPJES EN
BERICHTEN
astmatische patiënten. Adem de dam-
pen niet in tijdens het vullen en op- ATTENTIE
pompen. Raadpleeg onmiddellijk een Doe de handschoenen aan
arts bij allergische reacties. Bewaar de die bij de snelle bandenre-
spuitbus in de daarvoor bestemde ruim- paratieset zijn geleverd.

GEVALLEN
te, ver verwijderd van warmtebronnen.

NOOD-
De afdichtvloeistof heeft een houd-
baarheidsdatum.
❒ Trek de handrem aan. Draai de

ONDERHOUD
ventieldop van de band los, neem de

EN ZORG
vulbuis A-fig. 12 uit en draai de ring
B op het ventiel van de band;

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
165
Controleer de bandenspanning op de
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
manometer F-fig. 13. Voor een nauw-
keurige aflezing moet de compressor Plaats de sticker op een voor
worden uitgeschakeld; de bestuurder goed zichtba-
re plaats om aan te geven dat de
❒ als u er niet in slaagt binnen 5 minuten band behandeld is met de snelle ban-
VEILIGHEID

de bandenspanning op ten minste 3 denreparatieset. Rijd voorzichtig


bar te krijgen, koppel dan de com- vooral in bochten. Rijd niet harder
pressor los van het ventiel en de con- dan 80 km/h. Vermijd bruusk accele-
tactdoos en verplaats vervolgens de reren en remmen.
F0N0180m auto ongeveer 10 meter naar voren,
EN RIJDEN

fig. 13
STARTEN

zodat de afdichtvloeistof in de band


verdeeld wordt; pomp de band ver-
volgens weer op; ❒ stop na ongeveer 10 minuten en con-
troleer opnieuw de bandenspanning;
❒ als u er ook dan niet in slaagt om, bin-
LAMPJES EN
BERICHTEN

vergeet niet de handrem aan te


nen 10 minuten na inschakeling van de trekken;
compressor, de spanning op ten min-
ste 3 bar te brengen, mag niet verder
worden gereden, omdat de band te
erg beschadigd is en de reparatieset de ATTENTIE
GEVALLEN
NOOD-

vereiste wegligging niet kan garande- Als de bandenspanning on-


ren; wendt u tot de Fiat-dealer; der 3 bar is gedaald, mag
F0N0182m
fig. 14
❒ als de band is opgepompt tot een druk niet verder worden gereden: de snel-
le reparatieset Fix & Go automatic
ONDERHOUD

van 4 bar, vertrek dan onmiddellijk;


EN ZORG

❒ controleer of de schakelaar D-fig. 13 kan de vereiste wegligging niet ga-


van de compressor in stand 0 (uitge- randeren omdat de band te erg be-
schakeld) staat, start de motor, steek schadigd is. Wendt u tot de Fiat-
de stekker E-fig. 14 in de dichtstbij- dealer.
TECHNISCHE
GEGEVENS

zijnde contactdoos en schakel de com-


pressor in door schakelaar D-fig. 13 in
stand I (ingeschakeld) te zetten. Pomp
de band op tot een druk van 4 bar.
ALFABETISCH
REGISTER

166
❒ als een spanning van ten minste 3 bar

EN BEDIENING
DASHBOARD
wordt gemeten, herstel dan de cor-
recte bandenspanning die vermeld
staat in de paragraaf “Bandenspanning”
in het hoofdstuk “Technische gege-
vens” (met draaiende motor en aan-

VEILIGHEID
getrokken handrem) en rijdt verder;
❒ rijd zeer voorzichtig naar de dichtst-
bijzijnde Fiat-dealer.
F0N0181m F0N0184m

EN RIJDEN
fig. 15 fig. 17

STARTEN
ALLEEN VOOR HET PROCEDURE VOOR HET
ATTENTIE
CONTROLEREN EN VERVANGEN
U moet absoluut aangeven

LAMPJES EN
HERSTELLEN VAN DE VAN DE SPUITBUS

BERICHTEN
dat de band is gerepareerd SPANNING
met de snelle bandenreparatieset. Ga als volgt te werk voor het vervangen
Overhandig de informatiefolder aan De compressor kan ook worden gebruikt van de spuitbus:
het personeel dat de met de banden- voor het herstellen van de bandenspan- ❒ maak de koppeling A-fig. 17 los;
reparatieset behandelde band repa- ning. Maak de snelkoppeling C los en ver-

GEVALLEN
NOOD-
reert. bind de koppeling direct met het ventiel ❒ draai de te vervangen spuitbus links-
van de band fig. 15; op deze manier wordt om en trek de spuitbus omhoog;
de spuitbus niet met de compressor ver-
bonden en wordt de afdichtvloeistof niet ❒ plaats de nieuwe spuitbus en draai de

ONDERHOUD
spuitbus rechtsom;

EN ZORG
ATTENTIE in de band gespoten.
Als u andere banden ge- OPMERKING Als de band moet worden ❒ sluit de koppeling A aan en plaats de
bruikt dan de banden die bij opgepompt, verbind dan de snelkoppeling vulbuis B in de zitting.
de auto geleverd zijn, kan reparatie C met het ventiel van de band en druk op

TECHNISCHE
GEGEVENS
waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Als u de gele toets in het midden van de scha-
de banden vervangt, is het raadzaam kelaar van de compressor.
de door de fabrikant goedgekeurde
banden te monteren. Raadpleeg de
Fiat-dealer.

ALFABETISCH
REGISTER
167
EN BEDIENING
DASHBOARD GLOEILAMP ATTENTIE
VERVANGEN Modificaties of reparaties
aan de elektrische installatie
die niet correct worden uitgevoerd en
ALGEMENE AANWIJZINGEN waarbij geen rekening wordt gehou-
VEILIGHEID

❒ Als een lamp niet brandt, controleer den met de technische specificaties
dan eerst of de zekering niet doorge- van het systeem, kunnen storingen in
brand is, voordat u de lamp vervangt: de werking en zelfs brand veroorzaken.
zie voor de plaats van de zekeringen
EN RIJDEN

de paragraaf “Zekeringen vervangen”


STARTEN

in dit hoofdstuk;
❒ controleer voordat u een lamp ver- ATTENTIE
vangt of de contacten niet zijn geoxi- Halogeenlampen bevatten
LAMPJES EN

gas onder druk. Bij breuk


BERICHTEN

deerd;
kunnen er glassplinters wegschieten.
❒ vervang een defecte lamp door het-
zelfde type met hetzelfde vermogen;
❒ als u een gloeilamp in de koplamp
GEVALLEN

hebt vervangen, controleer dan om BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de


NOOD-

veiligheidsredenen altijd of de afstel- koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt
ling nog goed is. niet op een defect, maar is een natuurlijk ver- fig. 18 F0N0078m
schijnsel dat veroorzaakt wordt door een la-
ONDERHOUD

ge temperatuur en de luchtvochtigheids- B Gloeilampen met bajonetfitting: ver-


EN ZORG

Halogeenlampen mag u uit- graad, en verdwijnt snel als de koplampen wijder de lamp uit de houder door
sluitend aanraken op het me- worden ingeschakeld. De aanwezigheid van hem iets in te drukken en linksom te
talen gedeelte. Als u de bol met druppels aan de binnenzijde van de koplamp draaien.
uw vingers aanraakt, zal de duidt daarentegen op het binnendringen van
TECHNISCHE
GEGEVENS

lichtopbrengst van de lamp teruglopen water: wendt u tot de Fiat-dealer. C Buislampen: verwijder de lamp door
en kan ook de levensduur beperkt wor- hem uit de veercontacten los te ma-
den. Als u de bol per ongeluk toch hebt TYPEN GLOEILAMPEN ken.
aangeraakt, moet u de bol schoonwrij- Op de auto zijn verschillende typen gloei- D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp
ALFABETISCH

ven met een doekje met alcohol en daar- door de borgveer los te haken uit de
REGISTER

lampen gemonteerd:
na laten drogen. zitting.
A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien
van een klemfitting. Verwijder de lamp
door de lamp uit de houder te trekken
168
Lampen Figuur Type Vermogen

EN BEDIENING
DASHBOARD
Grootlicht D H1 55W
Dimlicht D H7 55W

VEILIGHEID
Buitenverlichting voor A W5W 5W
Mistlampen voor (indien aanwezig) – H1 55W
Richtingaanwijzers voor B PY21W 21W

EN RIJDEN
STARTEN
Richtingaanwijzers op voorspatbord A W16WF(*)/WY5W(▼) 16W(*)/5W(▼)
Richtingaanwijzers achter B PY21W 21W
Contourverlichting A W5W 5W

LAMPJES EN
BERICHTEN
Achterlichten B P21/5W 5W
Remlichten B P21/5W 5W
Derde remlicht B P21W 21W

GEVALLEN
NOOD-
Achteruitrijlichten – P21W 21W
Mistachterlichten – P21W 21W

ONDERHOUD
Mistachterlichten (bestel Heavy) – P21W

EN ZORG
21W
Kentekenplaatverlichting A C5W 5W
Plafondverlichting voor met kantelbaar lampenglas C 12V10W 10W

TECHNISCHE
GEGEVENS
Plafondverlichting achter C 12V10W 10W
(*) XL- en recreatie-uitvoeringen
(▼) alle andere uitvoeringen

ALFABETISCH
REGISTER
169
EN BEDIENING
DASHBOARD GLOEILAMP
BUITENVERLICHTING
VERVANGEN
VEILIGHEID

Zie voor het type lamp en het bijbeho-


rende vermogen de vorige paragraaf
“Gloeilamp vervangen”.

KOPLAMPUNITS fig. 19 F0N0079m F0N0082m


EN RIJDEN

fig. 19 fig. 21
STARTEN

In de koplampunits zijn de gloeilampen


voor de buitenverlichting, het dimlicht, het BUITENVERLICHTING fig. 21
grootlicht en de richtingaanwijzer opge-
nomen. Gloeilamp vervangen:
LAMPJES EN
BERICHTEN

De lampen zijn op de volgende wijze in de ❒ verwijder het beschermdeksel B-fig. 20


lichtunit geplaatst: door het linksom te draaien;
A richtingaanwijzers ❒ trek de geklemde lamphouder A los,
B buitenverlichting/dimlicht (duplolamp) verwijder de lamp B en vervang hem;
GEVALLEN
NOOD-

C grootlicht ❒ plaats de geklemde lamphouder A;


fig. 20 F0N0080m ❒ monteer het deksel B-fig. 20 door
het rechtsom te draaien en controleer
ONDERHOUD

of het goed vastzit (geborgd).


EN ZORG

Voor het vervangen van de gloeilamp van


het grootlicht, moet u de dop A-fig. 20
verwijderen.
Voor het vervangen van de gloeilamp van
TECHNISCHE
GEGEVENS

het dimlicht en de buitenverlichting, moet


u de dop B-fig. 20 verwijderen.
Voor het vervangen van de gloeilamp van
de richtingaanwijzers, moet u de lamp-
ALFABETISCH

houder C-fig. 20 verwijderen.


REGISTER

Monteer de deksels nadat de lampen ver-


vangen zijn, en controleer of de deksels
goed vastzitten (geborgd).
170
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0083m F0N0081m F0N0084m

EN RIJDEN
fig. 22 fig. 23 fig. 24

STARTEN
GROOTLICHT RICHTINGAANWIJZERS DIMLICHT
Gloeilamp vervangen: Gloeilamp vervangen: Met gloeilampen

LAMPJES EN
BERICHTEN
❒ verwijder het beschermdeksel A-fig. 20 ❒ draai de lamphouder A-fig. 23 links- Gloeilamp vervangen:
door het linksom te draaien; om en verwijder hem;
❒ verwijder het beschermdeksel B-fig. 20
❒ maak de stekker A-fig. 22 los; ❒ verwijder de lamp (met bajonetfitting) door het linksom te draaien;
door hem iets in te drukken en links- ❒ maak de stekker A-fig. 24 los;
❒ haak de borgveer van de lamp

GEVALLEN
NOOD-
om te draaien;
B-fig. 22 los; ❒ haak de borgveer van de lamp B-fig. 24
❒ vervang de lamp; los;
❒ trek de lamp C-fig. 22 uit de houder
en vervang hem; ❒ monteer de lamphouder, draai de ❒ trek de lamp C-fig. 24 uit de houder

ONDERHOUD
lamphouder rechtsom en controleer en vervang hem;

EN ZORG
❒ monteer de nieuwe lamp; hierbij moet
de nok van het metalen deel vallen in
of de houder goed vastzit. ❒ monteer de nieuwe lamp; hierbij moet
de uitsparing in de reflector; haak ver- de nok van het metalen deel vallen in
volgens de borgveer A vast en sluit de de uitsparing in de reflector; haak ver-
volgens de borgveer B vast en sluit de

TECHNISCHE
GEGEVENS
stekker B weer aan;
stekker A weer aan;
❒ monteer het deksel A-fig. 20 door ❒ monteer het deksel door het rechts-
het rechtsom te draaien en controleer om te draaien en controleer of het
of het goed vastzit (geborgd). deksel goed vastzit (geborgd).

ALFABETISCH
REGISTER
171
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0169m F0N0170m F0N0085m


EN RIJDEN

fig. 25 fig. 26 fig. 27


STARTEN

Op de flanken fig. 25 - 26 ❒ draai met de bijgeleverde kruiskop- MISTLAMPEN VOOR


schroevendraaier de schroeven los, (indien aanwezig)
Gloeilamp vervangen: maak de lamphouder los van de nok-
LAMPJES EN
BERICHTEN

❒ verplaats de spiegel met de hand, zo- ken en verwijder de lamphouder; Gloeilampen van mistlampen voor A-fig. 27
dat de twee bevestigingsschroeven A vervangen:
❒ draai de bol los en vervang de lamp B ❒ draai het stuurwiel geheel naar links;
bereikbaar worden; door hem linksom te draaien.
❒ draai de zelftappende bout los en open
GEVALLEN

het klepje op de wielkuipbescherming


NOOD-

voor;
❒ verwijder de bajonetdop;
❒ maak de stekker los;
ONDERHOUD
EN ZORG

❒ haak de borgveer van de lamp los;


❒ verwijder en vervang de lamp;
❒ monteer de nieuwe lamp; hierbij moet
de nok van het metalen deel vallen in
TECHNISCHE
GEGEVENS

de uitsparing in de reflector; haak ver-


volgens de borgveer vast en sluit de
stekker weer aan;
❒ monteer de bajonetdop.
ALFABETISCH
REGISTER

172
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
EN RIJDEN
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
F0N0086m F0N0087m F0N0088m
fig. 28 fig. 29 fig. 30

ONDERHOUD
EN ZORG
ACHTERLICHTUNITS Gloeilamp vervangen: ❒ monteer de lamphouder en draai de
fig. 28-29-30 ❒ open de achterdeur en draai de twee schroeven C vast;
schroeven A los; ❒ sluit de stekker B weer aan, plaats de
De lampen zijn op de volgende wijze in de ❒ trek de middelste stekker B los en
lichtunit geplaatst: lichtunit op de juiste wijze op de car-

TECHNISCHE
GEGEVENS
trek de lichtunit naar buiten; rosserie van de auto en draai de
A remlichten/achterlichten ❒ draai de schroeven met de bijgelever- schroeven A vast.
B richtingaanwijzers de schroevendraaier C los en verwij-
C achteruitrijlichten der de lamphouder;
D mistachterlichten (Bij de Bestel Heavy- ❒ verwijder de te vervangen lamp D, E,

ALFABETISCH
REGISTER
uitvoeringen zijn de mistachterlichten in F, G (met bajonetfitting) door hem
de bumper geïntegreerd, zie de para- iets in te drukken en linksom te draai-
graaf “Mistachterlichten Bestel Heavy”). en en vervang de lamp;

173
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID

F0N0239m F0N0241m F0N0242m


EN RIJDEN

fig. 30a fig. 30b fig. 30c


STARTEN

Pick-up- en chassis/cabine- MISTACHTERLICHTEN


uitvoeringen: (Bestel Heavy)
LAMPJES EN
BERICHTEN

❒ draai de vier schroeven H-fig. 30a los Gloeilamp vervangen:


en vervang de lampen: ❒ stel u zelf op achter het bumperhoek-
I: gloeilamp voor mistachterlicht (lin- stuk;
kerzijde); gloeilamp voor achteruitrij- ❒ draai de onderste bevestiging A tus-
GEVALLEN

licht (rechterzijde). sen het middelste bumperdeel en het


NOOD-

bumperhoekstuk los fig. 30b;


L: gloeilamp voor achterlicht.
❒ maak de achterlichtunit los en draai de fig. 30d F0N0243m
M: gloeilamp voor remlicht. bovenste bevestiging B-fig. 30b los;
ONDERHOUD

❒ draai de twee bevestigingen C aan de


EN ZORG

N: gloeilamp voor richtingaanwijzer. ❒ neem de lamphouder uit;


zijde van de achterdeur los; deze zijn
bereikbaar nadat de deur iets geopend ❒ draai de lamphouder E linksom (1/8
is fig. 30c; slag), verwijder de lamp met bajonet-
❒ draai de drie bevestigingen aan de zij- fitting door hem iets in te drukken en
TECHNISCHE
GEGEVENS

kant D op het zijpaneel los; deze zijn naar links te draaien en vervang ver-
bereikbaar nadat de lijst aan de zijkant volgens de lamp fig. 30d.
is verwijderd fig. 30c. Voor het ver-
wijderen van de lijst, moet u de drie
ALFABETISCH
REGISTER

onderste zelftappende bouten los-


draaien en voorzichtig de klikpennen
losmaken om te voorkomen dat ze
breken. Als een of meer pennen bre-
ken, moet u ze vervangen;
174
EN BEDIENING
DASHBOARD
VEILIGHEID
F0N0141m F0N0089m F0N0244m

EN RIJDEN
fig. 31 fig. 33 fig. 33a

STARTEN
KENTEKENPLAATVERLICHTING CONTOURVERLICHTING
fig. 33 (indien aanwezig)

LAMPJES EN
BERICHTEN
Gloeilamp vervangen: Gloeilamp vervangen:
❒ verwijder het lampenglas A op het ❒ bestel-uitvoeringen met extra
door de pijl aangegeven punt; lange wielbasis:
❒ maak de lamp los uit de veercontacten – draai de twee bevestigingsschroe-

GEVALLEN
aan de zijkant en vervang hem; contro-

NOOD-
ven C-fig. 33a los en verwijder de
leer of de nieuwe lamp goed vastzit in lichtunit;
de veercontacten;
fig. 32 F0N0142m – verwijder de lamphouder D aan de
❒ monteer het geklemde lampenglas. achterzijde van de unit door hem

ONDERHOUD
1/4 slag te draaien;

EN ZORG
DERDE REMLICHT fig. 31-32
– trek de geklemde lamp los en ver-
Gloeilamp vervangen: vang hem.
❒ draai de twee schroeven A-fig. 31 los; ❒ chassis/cabine-uitvoeringen met

TECHNISCHE
GEGEVENS
❒ trek de lichtunit naar buiten; laadbak:
❒ druk de lippen B-fig. 32 naar elkaar – verwijder de lamphouder aan de
en verwijder de lamphouder; achterzijde van de unit door hem
❒ verwijder de geklemde lamp en ver- 1/4 slag te draaien;

ALFABETISCH
REGISTER
vang hem. – trek de geklemde lamp los en ver-
vang hem.

175
EN BEDIENING
DASHBOARD GLOEILAMP
INTERIEURVERLICHTING
VERVANGEN
VEILIGHEID

Zie voor het type lamp en het bijbeho-


rende vermogen de paragraaf “Gloeilamp
vervangen”.

PLAFONDVERLICHTING VOOR F0N0090m F0N0092m


EN RIJDEN

fig. 34 fig. 36
STARTEN

Gloeilampen vervangen:
❒ verwijder het plafondlampje A-fig. 34
op de door de pijlen aangegeven punten;
LAMPJES EN
BERICHTEN

❒ open het beschermdeksel B-fig. 35;


❒ maak de lampen C-fig. 35 los uit de
veercontacten aan de zijkant en vervang
ze; controleer of de nieuwe lampen
GEVALLEN
NOOD-

goed vastzitten in de veercontacten;


❒ sluit het beschermdeksel B-fig. 35 en
F0N0091m F0N0093m
plaats het plafondlampje A-fig. 34 in fig. 35 fig. 37
de zitting; controleer of het goed ge-
ONDERHOUD
EN ZORG

borgd is. PLAFONDVERLICHTING ❒ maak de lamp F-fig. 37 los uit de veer-


ACHTER contacten aan de zijkant en vervang
hem; controleer of de nieuwe lamp
Gloeilampen vervangen: goed vastzit in de veercontacten;
TECHNISCHE
GEGEVENS

❒ verwijder het plafondlampje D-fig. 36 ❒ sluit het beschermdeksel E-fig. 37 en


op de door de pijlen aangegeven punten; plaats het plafondlampje D-fig. 36 in
❒ open het beschermdeksel E-fig. 37; de zitting; controleer of het goed ge-
borgd is.
ALFABETISCH
REGISTER

176
ZEKERINGEN

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
VERVANGEN Vervang een zekering nooit
door een zekering met een
hogere stroomsterkte (ampère);
ALGEMENE INFORMATIE BRANDGEVAAR.

VEILIGHEID
Het elektrische systeem wordt door ze-
keringen beveiligd: de zekering brandt
door bij een storing of bij oneigenlijk ge-
bruik van het systeem. ATTENTIE
F0N0094m

EN RIJDEN
fig. 38

STARTEN
Als een elektrisch onderdeel niet werkt, Als een hoofdzekering (ME-
controleer dan eerst of de zekering niet is GA-FUSE, MIDI-FUSE,
doorgebrand: de verbindingsstrip A-fig. 38 Vervang een defecte zekering MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u
mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het nooit door ander materiaal. dan tot de Fiat-dealer. Controleer,

LAMPJES EN
BERICHTEN
geval, dan moet u de zekering vervangen voordat u een zekering vervangt, of
door een exemplaar met dezelfde stroom- de contactsleutel uit het contactslot
sterkte (zelfde kleur). is genomen en alle stroomgebruikers
B zekering in goede staat; uit staan en/of zijn uitgeschakeld.

GEVALLEN
C zekering met doorgebrande strip.

NOOD-
ATTENTIE

ONDERHOUD
EN ZORG
Als de zekering opnieuw
doorbrandt, wendt u dan tot
de Fiat-dealer.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
177
TOEGANG TOT DE
EN BEDIENING
DASHBOARD
ZEKERINGEN
De zekeringen van de auto bevinden zich
in drie zekeringenkasten, op het dash-
board, op de rechter stijl in het interieur,
VEILIGHEID

en in de motorruimte.

Zekeringenkast op dashboard
fig. 40
F0N0095m
EN RIJDEN

fig. 39
STARTEN

De zekeringen in de zekeringenkast op het


dashboard zijn bereikbaar nadat de
schroeven A-fig. 39 zijn losgedraaid en
het deksel is verwijderd.
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

F0N0096m
fig. 40

178
Zekeringenkast in motorruimte

EN BEDIENING
DASHBOARD
fig. 42
De zekeringen in de zekeringenkast zijn
bereikbaar nadat het betreffende be-
schermdeksel fig. 41 is verwijderd.

VEILIGHEID
F0N0098m

EN RIJDEN
fig. 41

STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
F0N0097m
fig. 42

179
Zekeringenkast (optional) op de
EN BEDIENING
DASHBOARD
middenstijl rechts
(indien aanwezig) fig. 44
De zekeringen in de zekeringenkast zijn
bereikbaar nadat het betreffende be-
VEILIGHEID

schermdeksel fig. 43 is verwijderd.

F0N0172m
EN RIJDEN

fig. 43
STARTEN
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

F0N0171m
fig. 44

180
ZEKERINGENTABEL

EN BEDIENING
DASHBOARD
Zekeringenkast op dashboard

VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE

VEILIGHEID
Dimlicht rechts F12 7,5
Dimlicht links, Koplampverstelling F13 7,5

EN RIJDEN
Relais zekeringenkast motorruimte, relais zekeringenkast dashboard (+ via contactslot) F31 7,5

STARTEN
Interieurverlichting Minibus (noodverlichting) F32 10
Stekkerdoos achter F33 15

LAMPJES EN
BERICHTEN
Afwezig F34 –
Achteruitrijlichten, Servotronic-regeleenheid, Waterdetectiesensor in brandstoffilter F35 7,5
Regeleenheid centrale portiervergrendeling (+accu) F36 20

GEVALLEN
NOOD-
Bediening remlichten (primair), Derde remlicht, Instrumentenpaneel (+ via contactslot) F37 10
Relais zekeringenkast dashboard (+accu) F38 10

ONDERHOUD
EN ZORG
EOBD-stekker, Autoradio, Bediening A/C, Alarm, Tachograaf,
Webasto-timer (+accu) F39 10
Achterruitverwarming links, Verwarming spiegel bestuurderszijde F40 15

TECHNISCHE
GEGEVENS
Achterruitverwarming rechts, Verwarming spiegel passagierszijde F41 15
ABS, ASR, ESP, Bediening remlichten (secundair) (+ via contactslot) F42 7,5

ALFABETISCH
Ruitenwissers (+ via contactslot) F43 30

REGISTER
Aansteker, Stekkerdoos voor F44 20

181
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
EN BEDIENING
DASHBOARD

Bedieningsknoppen op bestuurdersportier, Bedieningsknoppen op passagiersportier F45 7,5


Afwezig F46 –
VEILIGHEID

Ruitbediening bestuurderszijde F47 20


Ruitbediening passagierszijde F48 20
Autoradio, Ruitbediening bestuurderszijde, Bedieningsorganen op dashboard,
EN RIJDEN
STARTEN

regeleenheid alarm, Regensensor (+ via contactslot) F49 7,5


Airbag (+ via contactslot) F50 7,5
Bediening A/C, Cruise-control, Tachograaf (+ via contactslot) F51 7,5
LAMPJES EN
BERICHTEN

Relais optional zekeringenkast F52 7,5


Instrumentenpaneel, Mistachterlicht (+accu) F53 7,5
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

182
Zekeringenkast in motorruimte

EN BEDIENING
DASHBOARD
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
ABS-pomp (+accu) F01 40

VEILIGHEID
Voorgloeibougies (+accu) F02 50
Start-/contactslot (+accu) F03 30
Webasto-regeleenheid (+accu) F04 20

EN RIJDEN
STARTEN
Aanjager met Webasto-systeem (+accu) F05 20
Hoge snelheid elektroventilateur (+accu) F06 40/60

LAMPJES EN
BERICHTEN
Lage snelheid elektroventilateur (+accu) F07 40/50
Aanjager (+ via contactslot) F08 40
Ruitensproeierpomp F09 20

GEVALLEN
NOOD-
Claxon F10 15
Elektronische inspuiting (secundaire componenten) F11 15

ONDERHOUD
EN ZORG
Grootlicht rechts F14 7,5
Grootlicht links F15 7,5
Elektronische inspuiting (+ via contactslot) F16 7,5

TECHNISCHE
GEGEVENS
Elektronische inspuiting (primaire componenten) F17 10
Regeleenheid motor (+accu) F18 7,5

ALFABETISCH
REGISTER
Aircocompressor F19 7,5
Koplampsproeierpomp F20 30

183
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
EN BEDIENING
DASHBOARD

Brandstofpomp F21 15
Elektronische inspuiting (primaire componenten) F22 20
Magneetkleppen van ABS F23 30
VEILIGHEID

Automatische versnellingsbak 8 (+ via contactslot) F24 15


Mistlampen F30 15
EN RIJDEN
STARTEN

Zekeringenkast (optional) op rechter middenstijl


LAMPJES EN
BERICHTEN

VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE


Afwezig F54 –
Stoelverwarming F55 15
GEVALLEN
NOOD-

Stekkerdoos passagiers achter F56 15


Extra verwarming onder stoel F57 10
ONDERHOUD

Contourverlichting F58 10
EN ZORG

Automatische niveauregeling (+accu) F59 7,5


Afwezig F60 –
TECHNISCHE
GEGEVENS

Afwezig F61 –
Afwezig F62 –
Bediening extra verwarming passagiers F63 10
ALFABETISCH
REGISTER

Afwezig F64 –
Aanjager extra verwarming passagiers F65 30

184
ACCU OPLADEN

EN BEDIENING
ATTENTIE ATTENTIE

DASHBOARD
De vloeistof in de accu is gif- Probeer een bevroren accu
BELANGRIJK De beschrijving voor het tig en corrosief. Vermijd het niet op te laden: eerst moet
opladen van de accu dient slechts ter in- contact met de huid en de ogen. Het de accu ontdooid worden, anders
formatie. Wendt u bij voorkeur tot een opladen van de accu moet worden loopt u het risico dat de accu ont-

VEILIGHEID
Fiat-dealer om deze werkzaamheden uit uitgevoerd in een goed geventileer- ploft. Als de accu bevroren is geweest,
te laten voeren. de ruimte, ver verwijderd van open moet door deskundig personeel wor-
We raden u aan de accu langzaam en met vuur en vonkvormende apparaten: den gecontroleerd of de cellen niet
een lage stroomsterkte (ampère) gedu- brand- en ontploffingsgevaar. beschadigd zijn en of de bak geen
rende ca. 24 uur op te laden. Als u de ac- scheuren vertoont, waardoor de gif-

EN RIJDEN
STARTEN
cu snel oplaadt met een hoge stroom- tige en corrosieve vloeistof kan weg-
sterkte, kan de accu worden beschadigd. lekken.
Ga voor het opladen als volgt te werk:
❒ maak de klem van de minpool van de

LAMPJES EN
BERICHTEN
accu los;
❒ sluit de kabels van het laadapparaat
aan op de accupolen; let hierbij op de

GEVALLEN
polariteit;

NOOD-
❒ schakel de acculader in;
❒ aan het einde van het opladen: schakel
eerst de acculader uit en koppel dan

ONDERHOUD
EN ZORG
de accu los;
❒ sluit de minklem weer aan op de accu.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
185
EN BEDIENING
DASHBOARD OPKRIKKEN VAN SLEPEN VAN DE AUTO
DE AUTO De auto is uitgerust met twee sleepogen.
Als de auto opgekrikt moet worden, moet
u zich tot de Fiat-dealer wenden. Deze be-
VEILIGHEID

schikt over een garagekrik of hefbrug.


ATTENTIE
Houd er rekening mee dat de
F0N00144m rem- en stuurbekrachtiging
EN RIJDEN

fig. 45
STARTEN

niet werken zolang de motor niet is


aangeslagen, waardoor meer kracht
De auto mag uitsluitend worden opgekrikt nodig is voor de bediening van het
door de hefarm van de garagekrik of de rempedaal en het stuur. Gebruik voor
hefbrug te plaatsen, zoals in de figuur is af-
LAMPJES EN
BERICHTEN

het slepen geen elastische kabels en


gebeeld. rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer
tijdens het slepen of de sleepkabel
geen carrosseriedelen kan beschadi-
gen. Houdt u bij het slepen van een
GEVALLEN

auto aan de wettelijke voorschriften.


NOOD-

Dit geldt zowel voor het slepen zelf als


voor het gedrag naar andere wegge-
bruikers.
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

186
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Schakel voordat de auto ge-
sleept wordt, het stuurslot uit
(zie de paragraaf “Start-/contactslot”
in het hoofdstuk “Dashboard en be-

VEILIGHEID
diening”). Houd er rekening mee dat
de rem- en stuurbekrachtiging niet
werken zolang de motor niet is aan-
geslagen, waardoor meer kracht nodig
F0N0134m is voor de bediening van het rempe- F0N0136m

EN RIJDEN
fig. 46 fig. 48

STARTEN
daal en het stuur. Gebruik voor het sle-
pen geen elastische kabels en rijd zo
gelijkmatig mogelijk. Controleer tij- Het sleepoog voor bevindt zich in de ge-
dens het slepen of de sleepkabel geen reedschapset in het vak onder de passa-
giersstoel.

LAMPJES EN
BERICHTEN
carrosseriedelen kan beschadigen.
Houdt u bij het slepen van een auto Ga voor het gebruik als volgt te werk:
aan de wettelijke voorschriften. Dit
geldt zowel voor het slepen zelf als ❒ Open de klep A en verwijder deze zo-
voor het gedrag naar andere wegge- als aangegeven in fig. 46;

GEVALLEN
bruikers. ❒ draai de vergrendelknop B linksom en

NOOD-
verwijder deze fig. 46 zodat het vak
fig. 47 F0N0135m kan openschuiven fig. 47;

ONDERHOUD
EN ZORG
ATTENTIE
Start de motor niet tijdens
het slepen van de auto.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
187
❒ pak de schroevendraaier uit de ge-
EN BEDIENING
DASHBOARD
reedschapset en verwijder hiermee de
dop C-fig. 48 op het aangegeven punt;
❒ pak het sleepoog D uit de gereed-
schapset en draai het op de schroef-
VEILIGHEID

draadpen fig. 48.

F0N0117m
EN RIJDEN

fig. 49
STARTEN

Het sleepoog achter B-fig. 49 bevindt zich


op het in de afbeelding aangegeven punt.
LAMPJES EN
BERICHTEN
GEVALLEN
NOOD-
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

188
ONDERHOUD EN ZORG

EN BEDIENING
DASHBOARD
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD .......................... 190
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA ...... 191

VEILIGHEID
PERIODIEKE CONTROLES .............................................. 195
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO................................ 195
NIVEAUS CONTROLEREN .............................................. 196

EN RIJDEN
STARTEN
LUCHTFILTER ...................................................................... 202
POLLENFILTER .................................................................... 202
ACCU ..................................................................................... 202

LAMPJES EN
BERICHTEN
WIELEN EN BANDEN ....................................................... 205
RUBBER SLANGEN ............................................................ 206
RUITENWISSERS/ACHTERRUITWISSER ...................... 206

GEVALLEN
NOOD-
CARROSSERIE ...................................................................... 208
INTERIEUR ............................................................................ 210

ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
189
EN BEDIENING
DASHBOARD GEPROGRAMMEERD BELANGRIJK De servicebeurten van het BELANGRIJK Het is raadzaam eventuele
Geprogrammeerd Onderhoud zijn door kleine defecten onmiddellijk door de Fiat-
ONDERHOUD de fabrikant voorgeschreven. Het niet uit- dealer te laten verhelpen en daarmee niet
voeren van deze servicebeurten kan het te wachten tot de volgende servicebeurt.
Doelmatig onderhoud is een beslissende vervallen van de garantie tot gevolg heb-
factor voor een lange levensduur, de bes- ben. Als de auto vaak wordt gebruikt voor het
VEILIGHEID

te prestaties en een zo zuinig mogelijk ge- trekken van aanhangers, moeten er kor-
bruik van de auto. De werkzaamheden van het Geprogram- tere intervallen worden aangehouden
meerd Onderhoud kunnen door alle Fiat- voor de werkzaamheden van het gepro-
Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks dealers tegen vaste tarieftijden worden grammeerd onderhoud.
controle- en onderhoudsbeurten samen- uitgevoerd.
EN RIJDEN
STARTEN

gesteld die, afhankelijk van de motoruit-


voering, iedere 40.000/45.000 km moeten Eventuele reparaties die nodig blijken tij-
worden uitgevoerd. dens het uitvoeren van de diverse inspec-
ties en controles van het geprogrammeerd
Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud, worden uitsluitend na toe-
LAMPJES EN
BERICHTEN

onderhoud niet volledig toereikend is om stemming van de klant uitgevoerd.


de auto in optimale staat te houden: zo-
wel in de beginperiode voor de service-
beurt bij 40.000/45.000 kilometer als daar-
na, tussen twee servicebeurten in, moet
GEVALLEN
NOOD-

regelmatig wat aandacht aan de auto wor-


den geschonken. Controleer bijvoorbeeld
regelmatig de bandenspanning en de vloei-
stofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij.
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

190
ONDERHOUDSSCHEMA

EN BEDIENING
DASHBOARD
(120 Multijet - 130 Multijet - 160 Multijet)
x 1000 km 45 90 135 180 225

VEILIGHEID
Banden op conditie en slijtage control. en bandenspanning eventueel herstellen ● ● ● ● ●
Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers
waarschuwingsknipperlichten, laadruimte, enz.) controleren ● ● ● ● ●

EN RIJDEN
STARTEN
Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en eventueel
sproeiermonden afstellen ● ● ● ● ●

Stand wisserbladen controleren en wisserbladen op slijtage controleren ● ● ● ● ●

LAMPJES EN
BERICHTEN
Remblokken op conditie en slijtage controleren en
werking van remblokslijtagesensor voor en achter controleren ● ● ● ● ●

Visueel de conditie controleren van:


Buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming,

GEVALLEN
NOOD-
uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.)
en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem
● ● ● ● ●

ONDERHOUD
EN ZORG
Conditie/spanning van div. aandrijfriemen voor hulporganen visueel controleren
(behalve uitvoeringen met automatische riemspanners) ● ●
Slag van handrem controleren en eventueel afstellen ● ● ● ● ●

TECHNISCHE
GEGEVENS
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren ● ● ● ● ●
Vergrendelmechanismen op vervuiling controleren en mechanismen smeren ● ● ● ● ●
Motorolie en oliefilter vervangen ● ● ● ● ●

ALFABETISCH
REGISTER
191
x 1000 km 45 90 135 180 225
EN BEDIENING
DASHBOARD

Brandstoffilter vervangen ● ● ● ● ●
Luchtfilterelement vervangen ● ● ● ● ●
VEILIGHEID

Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelsysteem -


remsysteem - stuurbekrachtiging - ruitensproeiers - enz.) ● ● ● ● ●
Distributieriem controleren (uitvoeringen 120 - 130 Multijet) ●
Aandrijfriem voor hulporganen vervangen ●
EN RIJDEN
STARTEN

Distributieriem vervangen (uitvoeringen 120 - 130 Multijet) (*) ●

Motormanagementsysteem controleren (m.b.v. diagnosestekker) ● ● ● ● ●


LAMPJES EN
BERICHTEN

Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden) ● ●


Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden) ● ● ● ● ●

(*) Of iedere 4 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair draaiende mo-
GEVALLEN
NOOD-

tor, stoffige omgeving of op wegen met zand en/of strooizout). Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilo-
meters
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

192
ONDERHOUDSSCHEMA (100 Multijet)

EN BEDIENING
DASHBOARD
x 1000 km 40 80 120 160 200
Banden op conditie en slijtage contro. en bandenspanning eventueel herstellen ● ● ● ● ●

VEILIGHEID
Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers,
waarschuwingsknipperlichten, laadruimte, enz.) controleren ● ● ● ● ●

Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en eventueel


● ● ● ● ●

EN RIJDEN
sproeiermonden afstellen

STARTEN
Stand wisserbladen controleren en wisserbladen op slijtage controleren ● ● ● ● ●

Remblokken op conditie en slijtage controleren en

LAMPJES EN
BERICHTEN
werking van remblokslijtagesensor voor en achter controleren ● ● ● ● ●

Visueel de conditie controleren van:


Buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming,
uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.)

GEVALLEN
NOOD-
en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem
● ● ● ● ●
Conditie van diverse aandrijfriemen voor hulporganen visueel controleren ● ●

ONDERHOUD
EN ZORG
Slag van handrem controleren en eventueel afstellen ● ● ● ● ●
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren ● ● ● ● ●
Vergrendelmechanismen op vervuiling controleren en mechanismen smeren ● ● ● ● ●

TECHNISCHE
GEGEVENS
Motorolie en oliefilter vervangen ● ● ● ● ●

Brandstoffilter vervangen ● ● ● ● ●

ALFABETISCH
REGISTER
193
x 1000 km 40 80 120 160 200
EN BEDIENING
DASHBOARD

Luchtfilterelement vervangen ● ● ● ● ●
Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelsysteem -
remsysteem - stuurbekrachtiging - ruitensproeiers - enz.) ● ● ● ● ●
VEILIGHEID

Aandrijfriem voor hulporganen vervangen ●


Motormanagementsysteem controleren (m.b.v. diagnosestekker) ● ● ● ● ●
Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden) ● ●
EN RIJDEN
STARTEN

Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden) ● ● ● ● ●

Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:


LAMPJES EN

❒ trekken van aanhangers of caravans;


BERICHTEN

❒ rijden op stoffige wegen;


❒ veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul;
❒ veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto
lang stilstaat;
GEVALLEN

❒ in de stad;
NOOD-

moeten de onderhoudsbeurten iedere 30.000 km worden uitgevoerd


ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

194
PERIODIEKE ZWAAR GEBRUIK VAN ❒ vergrendelmechanismen van motor-

EN BEDIENING
DASHBOARD
kap en laadruimte op vervuiling con-
CONTROLES DE AUTO troleren en mechanismen smeren;
Iedere 1.000 km of voor een lange reis Als de auto overwegend onder zware be- ❒ visueel de conditie controleren van:
controleren en eventueel bijvullen: drijfsomstandigheden rijdt, zoals: motor, versnellingsbak, aandrijfassen,

VEILIGHEID
uitlaat, brandstof- en remleidingen,
❒ niveau van de motorkoelvloeistof; ❒ trekken van aanhangers of caravans; rubber delen (stofkappen, hoezen
❒ niveau van de remvloeistof; ❒ rijden op stoffige wegen; enz.) en rubber slangen van rem- en
brandstofsysteem;
❒ niveau van de ruitensproeiervloeistof; ❒ veel korte ritten (minder dan 7-8 km)
❒ acculading en niveau van het elektro-

EN RIJDEN
STARTEN
en bij buitentemperaturen onder nul;
❒ conditie en spanning van de banden; lyt in de accu controleren;
❒ veel langdurig stationair draaiende
❒ werking verlichting (koplamp-/achter- motor of lange ritten bij lage snelhe- ❒ conditie van diverse aandrijfriemen
lichtunits, richtingaanwijzers, waar- den (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) voor hulporganen visueel controle-

LAMPJES EN
BERICHTEN
schuwingsknipperlichten enz.); of als de auto lang stilstaat; ren;
❒ werking ruitenwissers/-sproeiers en ❒ in de stad; ❒ pollenfilter controleren en eventueel
stand/slijtage wisserbladen voor en vervangen;
achter. is het noodzakelijk de volgende contro-
les vaker uit te voeren, dan in het On- ❒ luchtfilter controleren en eventueel

GEVALLEN
NOOD-
Iedere 1.000 km controleren en eventu- derhoudsschema staat aangegeven: vervangen.
eel bijvullen: motoroliepeil.
❒ remblokken voor (schijfremmen) op
Gebruik bij voorkeur producten van FL conditie en slijtage controleren;
Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd

ONDERHOUD
EN ZORG
op de Fiat-modellen (zie de “Vullingstabel”
in het hoofdstuk “Technische gegevens”).

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
195
EN BEDIENING
DASHBOARD NIVEAUS
CONTROLEREN
ATTENTIE
Rook nooit tijdens werk-
VEILIGHEID

zaamheden in de motor-
ruimte: er kunnen licht ontvlambare
gassen aanwezig zijn; brandgevaar.
EN RIJDEN
STARTEN

Belangrijk; tijdens het bijvul-


LAMPJES EN
BERICHTEN

len mogen de vloeistoffen met


verschillende specificaties niet fig. 1 - Uitvoeringen 100 Multijet
F0N0099m

gemengd worden: als de spe-


cificaties van de vloeistoffen verschil-
GEVALLEN

len, kan de auto ernstig beschadigd


NOOD-

worden.

1. Motorkoelvloeistof
ONDERHOUD
EN ZORG

2. Olie van stuurbekrachtiging


3. Ruitensproeiervloeistof
4. Remvloeistof
TECHNISCHE
GEGEVENS

5. Motorolie.
ALFABETISCH
REGISTER

F0N0100m
fig. 2 - Uitvoeringen 120 Multijet - 130 Multijet

196
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Rook nooit tijdens werk-
zaamheden in de motor-
ruimte: er kunnen licht ontvlambare
gassen aanwezig zijn; brandgevaar.

VEILIGHEID
EN RIJDEN
STARTEN
Belangrijk; tijdens het bijvul-
len mogen de vloeistoffen met
verschillende specificaties niet
gemengd worden: als de spe-

LAMPJES EN
BERICHTEN
cificaties van de vloeistoffen verschil-
len, kan de auto ernstig beschadigd F0N0210m
fig. 3 - Uitvoeringen 160 Multijet
worden.

1. Motorkoelvloeistof

GEVALLEN
NOOD-
2. Olie van stuurbekrachtiging
3. Ruitensproeiervloeistof
4. Remvloeistof

ONDERHOUD
EN ZORG
5. Motorolie.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
197
BELANGRIJK Na het bijvullen of het ver-
EN BEDIENING
DASHBOARD
versen van de olie, moet u de motor eni-
ge seconden laten draaien, vervolgens de
motor uitzetten en na enige minuten het
oliepeil controleren.
VEILIGHEID

ATTENTIE
Wees bij het uitvoeren van
werkzaamheden in de mo-
F0N0101m
fig. 5 - Uitvoeringen 120 - 130 MultijetF0N0102m
EN RIJDEN

fig. 4 - Uitvoeringen 100 Multijet torruimte extra voorzichtig als de mo-


STARTEN

tor nog warm is: gevaar voor ver-


MOTOROLIE fig. 4-5-6 branding. Onthoud dat bij een war-
me motor de elektroventilateur on-
Controleer het oliepeil als de auto op een verwacht kan inschakelen: kans op
LAMPJES EN
BERICHTEN

vlakke ondergrond staat en enige minuten verwonding. Pas op als u sjaals, das-
(circa 5) na het uitzetten van de motor. sen of loszittende kledingstukken
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- draagt: deze kunnen door de bewe-
en MAX-merkteken op de oliepeilstok B gende onderdelen worden gegrepen.
GEVALLEN

staan.
NOOD-

Het verschil tussen het MIN- en MAX- Vul nooit olie bij met andere
merkteken komt overeen met ongeveer fig. 6 - Uitvoeringen 160 Multijet F0N0211m
specificaties dan de olie waar-
1 liter olie. mee de motor is gevuld.
ONDERHOUD
EN ZORG

Als het olieniveau dicht bij of onder het MOTOROLIEVERBRUIK


MIN-merkteken staat, moet via de olie-
vulopening A motorolie tot aan het Als richtlijn geldt een maximaal motor-
MAX-merkteken worden bijgevuld. olieverbruik van ongeveer 400 gram per Afgewerkte motorolie en het
1000 km.
TECHNISCHE

vervangen motoroliefilter be-


GEGEVENS

Het olieniveau mag nooit het MAX-merk- vatten stoffen die schadelijk
teken overschrijden. De motor van een nieuwe auto moet nog
worden ingereden. Dit betekent dat het zijn voor het milieu. Het is
motorolieverbruik pas na de eerste 5.000 raadzaam om het verversen van de olie
÷ 6.000 km stabiliseert. en het vervangen van het oliefilter door
ALFABETISCH
REGISTER

de Fiat-dealer te laten uitvoeren. De


BELANGRIJK Het motorolieverbruik dealer beschikt over de uitrusting voor
hangt af van de rijstijl en de gebruiksom- het op milieuvriendelijke wijze en con-
standigheden van de auto. form de wettelijke bepalingen verwer-
198 ken van afgewerkte olie en oliefilters.
EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
Het motorkoelsysteem ge-
bruikt PARAFLU UP-koel- Het koelsysteem staat onder
vloeistof. Gebruik voor het druk. Vervang de dop zo no-
eventueel bijvullen vloeistof dig alleen door een exemplaar van
met dezelfde specificaties als waarmee hetzelfde type, anders kan de werking

VEILIGHEID
het motorkoelsysteem is gevuld. PA- van het systeem in gevaar worden ge-
RAFLU UP-koelvloeistof kan niet wor- bracht. Draai bij een warme motor de
den gemengd met welke andere koel- dop van het expansiereservoir nooit
vloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, los: gevaar voor verbranding.
F0N0103m mag de motor absoluut niet worden ge-

EN RIJDEN
fig. 7

STARTEN
start en moet u zich tot de Fiat-dealer
wenden.
KOELVLOEISTOF fig. 7
Het niveau van de koelvloeistof moet ge-

LAMPJES EN
BERICHTEN
controleerd worden bij een koude motor
en moet tussen het MIN- en MAX-merk-
teken op het expansiereservoir staan.
Een te laag niveau bijvullen door een

GEVALLEN
mengsel van gedemineraliseerd water en

NOOD-
50% PARAFLU UP van FL Selenia lang-
zaam via de vulopening A van het expan-
siereservoir te gieten, totdat het niveau
dicht bij het MAX-merkteken staat.

ONDERHOUD
EN ZORG
Een mengsel van PARAFLU UP en ge-
demineraliseerd water in een mengver-
houding van 50% beveiligt tot een tempe-
ratuur van -35°C.

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
199
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
Rijd niet met een leeg rui-
tensproeierreservoir: de rui-
tensproeiers zijn van fundamenteel
belang voor een optimaal zicht.
VEILIGHEID

ATTENTIE
F0N0105m Enkele in de handel verkrijg- F0N0107m
EN RIJDEN

fig. 8 fig. 9
STARTEN

bare ruitensproeiervloeistof-
VLOEISTOF VOOR fen zijn licht ontvlambaar. In de mo- Wees bij het openen van de dop bijzon-
torruimte bevinden zich warme on- der voorzichtig zodat er geen vuil in het
RUITENSPROEIERS derdelen die bij contact de vloeistof reservoir kan komen.
LAMPJES EN

VOOR/ACHTER EN
BERICHTEN

kunnen doen ontbranden. Gebruik voor het bijvullen altijd een trech-
KOPLAMPSPROEIERS fig. 8
ter met een ingebouwde filterzeef van ten
Verwijder de dop A en vul vloeistof bij. REMVLOEISTOF fig. 9 minste 0,12 mm.
Gebruik een mengsel van water en TU- BELANGRIJK De remvloeistof is hygro-
Draai de dop A los: controleer of het scopisch (trekt water aan). Als de auto
GEVALLEN

TELA PROFESSIONAL SC35 in de


NOOD-

remvloeistofniveau nog op het maximum overwegend wordt gebruikt in gebieden


volgende mengverhouding: niveau staat. met een hoge luchtvochtigheid, dan moet
30% TUTELA PROFESSIONAL Het niveau mag nooit het MAX-merkte- de vloeistof vaker worden vervangen dan
SC35 en 70% water in de zomer. in het “Onderhoudsschema” staat aange-
ONDERHOUD

ken overschrijden.
EN ZORG

geven.
50% TUTELA PROFESSIONAL Als vloeistof moet worden bijgevuld, dan
SC35 en 50% water in de winter. raden wij u aan de remvloeistof te ge-
Bij temperaturen onder –20°C, TUTE- bruiken die staat vermeld in de tabel
“Vloeistoffen en smeermiddelen” (zie het
TECHNISCHE

LA PROFESSIONAL SC35 onver-


GEGEVENS

dund gebruiken. hoofdstuk “Technische gegevens”).


Controleer visueel het niveau van de vloei- Voorkom contact tussen de
stof in het reservoir. zeer corrosieve vloeistof en de
OPMERKING Maak de dop van het re- lak. Als remvloeistof wordt ge-
ALFABETISCH
REGISTER

servoir A en het omringende oppervlak morst, moet de lak onmiddel-


zorgvuldig schoon. lijk met water worden afgespoeld.

200
Als het vloeistofniveau lager is dan voor-

EN BEDIENING
ATTENTIE

DASHBOARD
geschreven, vul dan bij met een van de
De remvloeistof is giftig en producten uit de tabel “Vloeistoffen en
zeer corrosief. Als per onge- smeermiddelen” in het hoofdstuk “Tech-
luk remvloeistof wordt gemorst, moe- nische gegevens”. Vul als volgt bij:
ten de betreffende delen onmiddellijk

VEILIGHEID
worden gewassen met water en neu- ❒ Start de motor en wacht tot het ni-
trale zeep en daarna met veel water veau van de vloeistof in het reservoir
worden afgespoeld. Bij inslikken dient stabiliseert.
onmiddellijk een arts te worden ge- ❒ Draai bij draaiende motor het stuur-
raadpleegd. F0N0109m

EN RIJDEN
fig. 10 wiel een aantal malen naar uiterst

STARTEN
rechts en uiterst links.
OLIE VAN DE ❒ Vul olie bij, totdat het niveau nabij het
ATTENTIE STUURBEKRACHTIGING fig. 10 MAX-merkteken staat en monteer de

LAMPJES EN
Het symbool π op het re-

BERICHTEN
Controleer of de olie van de stuurbe- dop.
servoir geeft aan dat synthe- krachtiging nog op het maximale niveau
tische remvloeistof en geen minerale staat. De controle moet worden uitge-
vloeistof moet worden gebruikt. Het voerd als de auto op een vlakke onder-
gebruik van minerale vloeistoffen grond staat en bij een stilstaande koude

GEVALLEN
moet absoluut worden vermeden,

NOOD-
motor. Controleer of het niveau nabij het ATTENTIE
omdat de rubbers in het remsysteem MAX-merkteken op de peilstok staat. De
door deze vloeistoffen worden be- Voorkom dat de olie van de
peilstok is vast met de dop van het reser- stuurbekrachtiging in con-
schadigd. voir verbonden (gebruik voor de contro- tact komt met warme delen van de

ONDERHOUD
le bij een koude motor het aangegeven ni-

EN ZORG
motor: de olie is licht ontvlambaar.
veau op de zijde 20 °C van de peilstok).

TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
201
EN BEDIENING
DASHBOARD
Het olieverbruik van de stuur- LUCHTFILTER Als de optische meter voor de controle
van de lading en het niveau van het elek-
bekrachtiging is zeer laag; als trolyt niet op de accu aanwezig is, mag de
na het bijvullen de olie binnen Laat het luchtfilter vervangen door de Fiat-
dealer. controle uitsluitend door gekwalificeerd
korte tijd weer moet worden personeel worden uitgevoerd.
bijgevuld, moet het systeem door de
VEILIGHEID

Fiat-dealer op eventuele lekkage wor- Om de acculading te controleren, moet


den gecontroleerd. POLLENFILTER u de twee schroeven losdraaien en het
deksel openen. Sluit na het controleren
Laat het pollenfilter vervangen door de van de acculading, het deksel zorgvuldig,
Fiat-dealer. waarbij afknellingen en kortsluiting moe-
EN RIJDEN
STARTEN

Houd bij draaiende motor het ten worden voorkomen.


stuurwiel niet langer dan 8 se- Zie de volgende tabel.
conden aaneengesloten tegen ACCU
het einde van de slag ge-
LAMPJES EN
BERICHTEN

draaid; dit veroorzaakt geluid en het De accu van de auto is “onderhoudsarm”:


systeem kan beschadigd worden. onder normale omstandigheden hoeft het ATTENTIE
elektrolyt niet bijgevuld te worden met ge- De vloeistof in de accu is gif-
destilleerd water. tig en corrosief. Voorkom
contact met de huid en de ogen.
GEVALLEN
NOOD-

De accu is in de cabine achter de peda- Houd open vuur en vonkvormende


len geplaatst. De accu is bereikbaar nadat apparaten verwijderd van de accu:
het beschermdeksel is verwijderd. brand- en ontploffingsgevaar.
Het is raadzaam de accu door de Fiat-
ONDERHOUD
EN ZORG

dealer te laten controleren/vervangen.

ACCULADING CONTROLEREN
fig. 12
TECHNISCHE
GEGEVENS

De acculading kan gecontroleerd worden ATTENTIE


door de kleur van de optische meter A Als de accu werkt met een
(indien aanwezig) op het deksel van de zeer laag vloeistofniveau,
accu te controleren. ontstaat onherstelbare schade aan de
ALFABETISCH

accu en kan de accu openbarsten.


REGISTER

202
EN BEDIENING
DASHBOARD
Onoordeelkundige montage Accu’s bevatten zeer schade-
van elektrische en elektroni- lijke stoffen voor het milieu.
sche apparatuur kan ernstige Het is raadzaam om de accu
schade toebrengen aan de door de Fiat-dealer te laten
auto. Als u na aanschaf van uw auto vervangen. De dealer beschikt over de
accessoires wilt monteren (diefstal-

VEILIGHEID
alarm, mobiele telefoon enz.), wendt u uitrusting voor het op milieuvriende-
dan tot de Fiat-dealer. Deze kan u de lijke wijze en conform de wettelijke be-
meest geschikte installaties aanraden palingen afvoeren van de accu.
en controleren of het noodzakelijk is
F0N0110m een accu met een grotere capaciteit te

EN RIJDEN
fig. 12

STARTEN
monteren.
Helderwitte kleur Elektrolyt bijvullen Wendt u tot de
Fiat-dealer ATTENTIE

LAMPJES EN
Als u de auto langere tijd

BERICHTEN
Donkere kleur Accu niet voldoende Accu opladen stalt in extreem koude om-
zonder groen opgeladen (het is raadzaam dit door de standigheden moet, om bevriezing te
middenstuk Fiat-dealer te laten uitvoeren) voorkomen, de accu worden verwij-
Donkere kleur Niveau elektrolyt en Geen enkele handeling derd en op een verwarmde plaats

GEVALLEN
met groen acculading voldoende worden bewaard.

NOOD-
middenstuk

ONDERHOUD
ACCU VERVANGEN BELANGRIJK Wij raden u aan de accula- BELANGRIJK Als een tachograaf in de au-

EN ZORG
ding voor het begin van de winter te con- to geïnstalleerd is en de auto 5 dagen niet
Als de accu vervangen wordt, moet een troleren, om de mogelijkheid van bevrie- wordt gebruikt, is het raadzaam de min-
originele accu met dezelfde specificaties zing van het elektrolyt te voorkomen. pool van de accu los te koppelen om te
worden geïnstalleerd. Voer deze controle vaker uit als de auto acculading te behouden.

TECHNISCHE
GEGEVENS
Als de accu vervangen wordt door een ac- overwegend voor korte trajecten wordt
cu met andere specificaties, vervallen de gebruikt, of als accessoires zijn gemon-
onderhoudsintervallen die in het “Onder- teerd die permanent, ook bij uitgeschakeld
houdsschema” staan aangegeven. contact, stroom verbruiken. Dit geldt in
het bijzonder voor achteraf aangebrach-

ALFABETISCH
Voor het onderhoud van de nieuwe accu

REGISTER
dient u zich strikt te houden aan de aan- te accessoires.
wijzingen van de fabrikant van de accu.

203
❒ voorkom zoveel mogelijk het gebruik Als u na aanschaf van uw auto accessoires
EN BEDIENING ATTENTIE
DASHBOARD
van stroomverbruikers als de motor wilt monteren die constante voeding no-
Bij werkzaamheden aan de uitstaat (autoradio, waarschuwings- dig hebben (diefstalalarm enz.), of acces-
accu of in de buurt van de knipperlichten enz.); soires die de elektrische installatie zwaar
accu, moet u uw ogen altijd bescher- belasten, raden wij u aan contact op te ne-
men met een speciale bril. ❒ maak voordat werkzaamheden aan de men met de Fiat-dealer. Deze kan u de
VEILIGHEID

elektrische installatie van de auto wor- meest geschikte installaties uit het Fiat
den uitgevoerd, eerst de klem van de Lineacccessori-programma aanraden en
minpool van de accu los; controleren of de elektrische installatie
PRAKTISCHE TIPS OM DE ❒ de klemmen moeten altijd goed zijn be- van de auto geschikt is voor het extra
LEVENSDUUR VAN DE ACCU
EN RIJDEN

vestigd. stroomverbruik of dat het noodzakelijk


STARTEN

TE VERLENGEN is een accu met een grotere capaciteit te


BELANGRIJK Een accu die gedurende lan- monteren.
Om het snel ontladen van de accu te voor- gere tijd minder dan 50% geladen is (op-
komen en de levensduur te verlengen, tische meter donker zonder groen mid- Enkele van deze stroomverbruikers blij-
LAMPJES EN

dient u de volgende aanwijzingen nauw-


BERICHTEN

denstuk), raakt door sulfatering bescha- ven continu stroom verbruiken ook bij
keurig op te volgen: digd. Hierdoor loopt de capaciteit en het een uitgezette motor, waardoor de accu
❒ wanneer u de auto parkeert, contro- startvermogen terug. geleidelijk ontlaadt.
leer dan of de portieren, deuren en de Ook is de accu dan gevoeliger voor be-
motorkap goed gesloten zijn. Hiermee vriezing (reeds bij temperaturen van cir-
GEVALLEN
NOOD-

wordt voorkomen dat de interieur- ca –10°C). Als u de auto langere tijd niet
verlichting blijft branden; gebruikt, zie dan “Auto langere tijd stal-
❒ schakel de interieurverlichting uit: de len” in het hoofdstuk “Starten en rijden”.
auto is in ieder geval uitgerust met een
ONDERHOUD
EN ZORG

systeem voor automatische uitscha-


keling van de interieurverlichting;
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER

204
WIELEN EN BANDEN ❒ banden verouderen, ook als zij weinig

EN BEDIENING
DASHBOARD
of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het
De spanning van de banden, inclusief het loopvlak en op de wangen geven aan
noodreservewiel, moet regelmatig, om de dat de band verouderd is. Banden die
twee weken en voor een lange rit, wor- langer dan zes jaar onder een auto ge-
monteerd zijn, moeten dan ook door

VEILIGHEID
den gecontroleerd: de bandenspanning
moet bij koude banden worden gecon- een specialist worden gecontroleerd.
troleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het
noodreservewiel;
Tijdens het rijden neemt de bandenspan-
ning toe; zie voor de juiste waarde van de F0N0111m ❒ monteer nooit gebruikte banden of

EN RIJDEN
fig. 13

STARTEN
bandenspanning de paragraaf “Wielen” in banden, waarvan de herkomst onbe-
het hoofdstuk “Technische gegevens”. kend is;
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt ❒ bij de montage van een nieuwe band
❒ Voorkom bruusk remmen, met spin- moet ook het ventiel vernieuwd worden;

LAMPJES EN
een onregelmatige slijtage van de banden

BERICHTEN
nende wielen optrekken, harde con-
fig. 13: tacten tussen banden en stoepranden, ❒ om een gelijke slijtage van de banden
A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van kuilen en andere obstakels. Het lang- op de vooras en de achteras te ver-
het loopvlak. durig rijden op een slecht wegdek kan krijgen, is het raadzaam de banden om
de banden beschadigen; de 10.000 / 15.000 km van as te ver-

GEVALLEN
B te lage spanning: te grote slijtage aan wisselen. Hierbij moeten de banden

NOOD-
de zijkanten van het loopvlak. ❒ controleer de banden regelmatig op aan dezelfde zijde van de auto gemon-
scheuren in de wangen en bulten of teerd blijven, zodat een omkering van
C te hoge spanning: te grote slijtage in slijtplekken op het loopvlak. Als u de-
het midden van het loopvlak. de draairichting wordt voorkomen.
ze gebreken constateert, wendt u dan

ONDERHOUD
EN ZORG
Banden moeten worden vervangen als de tot de Fiat-dealer;
profieldiepte van het loopvlak minder is ❒ rijd nooit met een te zwaar beladen
dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de ATTENTIE
auto: hierdoor kunnen de banden en
bepalingen van het land waarin u rijdt. de velgen ernstig beschadigd worden; Bedenk dat ook de weglig-

TECHNISCHE
GEGEVENS
ging afhankelijk is van een
❒ stop zo snel mogelijk bij een lekke juiste bandenspanning.
band en verwissel het wiel om be-
schadiging van de band, de velg, de
wielophanging en de stuurinrichting te

ALFABETISCH
REGISTER
voorkomen;

205
EN BEDIENING
DASHBOARD
ATTENTIE RUBBER SLANGEN RUITENWISSERS
Door een te lage banden-
spanning wordt de band te Houd voor de rubber slangen van het
rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeu- WISSERBLADEN
heet, waardoor er onherstelbare in-
wendige schade aan de band kan ont- rig de voorschriften van het “Onder- Maak de wisserbladen regelmatig schoon met
VEILIGHEID

staan. houdsschema” in dit hoofdstuk aan. een schoonmaakmiddel; wij raden


Ozon, hoge temperaturen en het gedu- TUTELA PROFESSIONAL SC 35 aan.
rende langere tijd ontbreken van vloeistof Vervang de wisserbladen als het rubber ver-
in een systeem zorgen ervoor dat de slan- vormd of versleten is. Het verdient aanbe-
gen uitdrogen en scheuren, waardoor het
EN RIJDEN

veling ten minste één maal per jaar de wis-


STARTEN

ATTENTIE betreffende systeem kan gaan lekken. serbladen te vervangen.


Verwissel de banden niet Daarom is zorgvuldige controle noodza-
kruiselings, waarbij de ban- kelijk. Met enkele simpele voorzorgsmaatrege-
den van de rechterzijde aan de lin- len is het mogelijk beschadigingen van het
LAMPJES EN
BERICHTEN

kerzijde en omgekeerd worden ge- rubber te voorkomen:


monteerd. ❒ wanneer de temperatuur onder 0°C
is gedaald, moet gecontroleerd wor-
den of er geen ijs tussen wisserblad en
ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij
GEVALLEN
NOOD-

ATTENTIE met een anti-vriesmiddel;


Voer bij lichtmetalen velgen ❒ verwijder eventueel opgehoopte sneeuw
geen spuitwerkzaamheden van de ruit: om de wisserbladen te be-
ONDERHOUD

uit die een temperatuur vereisen bo- schermen en oververhitting van de rui-
EN ZORG

ven 150°C. De mechanische eigen- tenwissermotor te voorkomen;


schappen van de wielen kunnen hier-
door in gevaar worden gebracht. ❒ schakel de ruitenwissers niet in op een
droge ruit.
TECHNISCHE
GEGEVENS

ATTENTIE
Rijden met versleten ruiten-
wisserbladen is gevaarlijk,
ALFABETISCH
REGISTER

omdat hierdoor het zicht onder slech-


te atmosferische omstandigheden
aanzienlijk wordt beperkt.

206
KOPLAMPSPROEIERS

EN BEDIENING
DASHBOARD
Controleer regelmatig of de koplamp-
sproeiers schoon en in goede staat zijn.
De koplampsproeiers werken automatisch
als het dimlicht brandt en de ruiten-

VEILIGHEID
sproeiers worden ingeschakeld.

F0N0137m F0N0112m

EN RIJDEN
fig. 14 fig. 15

STARTEN
Ruitenwisserbladen vervangen fig. 14 RUITENSPROEIERS
Ga als volgt te werk:

LAMPJES EN
Voorruit (ruitensproeiers) fig. 15

BERICHTEN
❒ til de wisserarm A van de voorruit en
plaats het wisserblad onder een hoek Als de ruitensproeiers niet werken, con-
van 90° ten opzichte van de arm; troleer dan eerst het niveau in het rui-
tensproeiertankje (zie de paragraaf “Ni-
❒ verwijder het geklemde wisserblad B veaus controleren” in dit hoofdstuk).

GEVALLEN
NOOD-
van de arm A;
Controleer vervolgens of de ruiten-
❒ monteer het nieuwe wisserblad en sproeiermonden niet verstopt zijn. Deze
controleer of het geborgd is. kunnen zonodig met een speld worden

ONDERHOUD
doorgeprikt.

EN ZORG
De stralen van de ruitensproeiers kunt u
richten door de sproeiermonden af te
stellen met behulp van een platte schroe-
vendraaier.

TECHNISCHE
GEGEVENS
De stralen moeten op ongeveer 1/3 van de
bovenkant van de ruit worden gericht.

ALFABETISCH
REGISTER
207
EN BEDIENING
DASHBOARD CARROSSERIE De belangrijkste zijn: CARROSSERIEGARANTIE
❒ de toepassing van aangepaste spuit-
technieken en lakproducten die de au- Bij de auto is de carrosserie tegen door-
BESCHERMING TEGEN to de benodigde weerstand tegen roest roesten van alle originele componenten
ATMOSFERISCHE INVLOEDEN en schurende elementen verlenen; van de carrosserie en van alle dragende
VEILIGHEID

De belangrijkste oorzaken van roest zijn: ❒ het gebruik van verzinkte (of voorbe- delen gegarandeerd.
❒ luchtverontreiniging; handelde) plaatdelen met een hoge Voor de specifieke voorwaarden van deze
corrosiebestendigheid; garantie wordt verwezen naar de “Service-
❒ zoutgehalte in de lucht en luchtvoch- en garantiehandleiding”.
tigheid (gebieden aan zee, warm en ❒ het aanbrengen van een gespoten be-
EN RIJDEN
STARTEN

vochtig klimaat); schermende waslaag op de onderzijde,


in de wielkuipen, in de motorruimte en TIPS VOOR HET BEHOUD VAN
❒ omgevings-/seizoensinvloeden. verschillende holle ruimtes, met een DE CARROSSERIE
Ook de invloed van schurende elementen, hoog beschermend vermogen;
LAMPJES EN
BERICHTEN

zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, ❒ het aanbrengen van een bescher- Lak
modder en steenslag op de lak en de on- mende kunststof laag op kwetsbare De lak heeft behalve een esthetische func-
derzijde moet niet worden onderschat. delen: onderzijde van de portieren, tie ook een beschermende functie.
Fiat heeft voor uw auto de beste techno- binnenzijde van de spatborden, naden,
randen enz.; Daarom moeten beschadigingen van de lak-
GEVALLEN

logische oplossingen toegepast om de car-


NOOD-

laag, zoals krassen, onmiddellijk worden bij-


rosserie efficiënt tegen roest te bescher- ❒ toepassing van “open” holle ruimtes gewerkt om roestvorming te voorkomen.
men. om condensvorming te voorkomen en Het bijwerken dient met de originele lak te
binnendringend water af te voeren, worden uitgevoerd (zie “Plaatje met infor-
ONDERHOUD

waardoor roest van binnenuit wordt matie over de carrosserielak” in het hoofd-
EN ZORG

voorkomen. stuk “Technische gegevens”).


Het normale onderhoud van de auto be-
perkt zich tot wassen, waarbij de frequen-
TECHNISCHE

tie afhankelijk is van het gebruik van de au-


GEGEVENS

to en van de omgeving. Het is raadzaam


de auto vaker te wassen bij sterke lucht-
verontreiniging of bij het rijden over wegen
met strooizout.
ALFABETISCH
REGISTER

208
De juiste wasmethode: Was de auto nooit in de zon of als de mo- Ruiten

EN BEDIENING
DASHBOARD
torkap nog warm is: de glans van de lak
❒ verwijder de antenne van het dak als kan afnemen.
Gebruik voor het schoonmaken van de
u de auto in een wastunnel wast, om ruiten een daarvoor geschikt schoon-
te voorkomen dat deze beschadigt; De kunststof carrosseriedelen kunnen op maakmiddel. Gebruik een schone, zachte
dezelfde wijze worden gewassen als de doek om krassen en beschadigingen te
❒ spoel de auto eerst met een water- voorkomen.

VEILIGHEID
gespo