You are on page 1of 46

Tenlastegelegd:

1. (Mede)plegen verduistering van (subsidie)geld door een ambtenaar (artikel 2:348 jo 2:302
jo 1:116 jo 1:123 CSr);
2. (Mede)plegen valsheid in geschrifte al dan niet door een ambtenaar (artikel 2:184 lid 1 en
2 jo 1:116 jo 1:123 CSr);
3. Valsheid in geschrifte al dan niet door een ambtenaar (artikel 2:184 lid 1 en 2 jo 1:116
CSr).
4. Primair: Medeplegen van moord (art. 2:262 jo 1:123 CSr).
Subsidiair: Uitlokking van moord (art. 2:262 jo 1:123 CSr).

I Inleiding
Indien ik ooit een zaak heb bepleit die een inleiding behoeft, dan is het deze. De heer George
Jamaloodin heeft zich thans voor U te verantwoorden ter zake de hem verweten feiten. Hij zou
zich, aldus de steller van de tenlastelegging, schuldig hebben gemaakt aan een viertal feiten.
De persoon Jamaloodin is al onherstelbaar beschadigd door de verdenkingen. In het bijzonder ook
in de zaak ‘Maximus’. Concreet is hem al geruime tijd zijn vrijheid ontnomen en is zowel zijn
bedrijfsvoering als zijn familieleven onherstelbaar beschadigd, meer in het algemeen is zijn
aanzien als mens voor altijd aangetast. Bovendien zijn er sedert de verdenking in de zaak
‘Maximus tegen Jamaloodin bekend werd, een aantal onverkwikkelijke incidenten gepasseerd.
Justitiële autoriteiten hebben zich tot nu toe met een volledig gebrek aan terughoudendheid over
deze strafzaak uitgelaten. Indien zij zulke uitspraken over een Nederlandse strafzaak zouden
hebben gedaan (zoals gebeurde in de zaak van de verdachte van de moord op Pim Fortuijn met
Nederlandse politici), dan zouden zij gegarandeerd en terecht op de vingers zijn getikt.
Het proces van cliënt moet nog beginnen. De visie van client op de beschuldigingen moet nog
worden uiteengezet. Doch klaarblijkelijk heeft de gehele rechterlijke macht, zijnde zowel zittende
als staande magistratuur hun oordeel over Jamaloodin ook publiekelijk al gevormd. Dergelijke
uitspraken doen afbreuk aan het vertrouwen van een verdachte, zijn verdediging en van onze
samenleving in het recht op een eerlijk proces. Gezien de bronnen waaruit deze uitspraken

Page 1 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
afkomstig zijn, dient men zich te realiseren dat cliënt en zijn verdediging alsook een groot deel
van onze samenleving, inmiddels ten zeerste betwijfelen of hij een eerlijk proces zal kunnen
krijgen.

Het gaat om onder andere de volgende uitspraken:


* Uitlating van officier van justitie mr. G. Rip gedaan ter zitting van 08 augustus 2014 in de zaak
van medeverdachte B.F:
“ ..Uit meldingen die de criminele Inlichtingendienst heeft gekregen en uit diverse
getuigenverklaringen blijkt dat de loterijbaas Robertico “Robbie” dos Santos en zijn halfbroer
Jamaloodin voor de moord op Helmin Wiels hebben betaald” (bijlage 1).
* het persbericht van 13 juli 2018, in het bijzonder de volgende passage:
“Het Hof concludeert dat de verdachte de moordopdracht van Jamaloodin heeft aangenomen, dat
hij over het daarvoor te betalen bedrag met Jamaloodin is gaan onderhandelen, dat hij via Pretu
een schutter (Kuwas) en een chauffeur (Bolle) heeft aangezocht, en dat hij het voor hen bestemde
geld aan Pretu heeft (door)gegeven. De bijdrage van de verdachte aan het geheel is daarmee van
zo’n wezenlijk belang dat sprake is van het medeplegen van de moord op Wiels” (bijlage 2).

Dit persbericht is overigens ook door het openbaar ministerie (OM) op hun officiële
facebookpagina overgenomen. Hoe zijn de hier bedoelde uitspraken en publieke mededelingen te
begrijpen in het licht van het adagium dat eenieder wordt vermoed onschuldig te zijn, totdat het
tegendeel door de rechter onherroepelijk bewezen is? Daarop heeft de heer Jamaloodin immers
ook recht, volgens het ook hier geldende Verdrag voor de Rechten van de Mens. Uw instituut en
ambtgenoten alsook het OM, denken daar kennelijk anders over. De typering als dader notabene
door de rechterlijke macht alvorens zijn berechting door datzelfde instituut in een officieel
persbericht, is derhalve misplaatste stemmingmakerij. Een rechterlijke macht geheel onwaardig.
Een van de twee geestelijke vaders van het idee om client voor zijn berechting al publiekelijk als
dader aan te wijzen is dus het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Blijkbaar schrikt de rechterlijke

Page 2 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
macht in deze zaak er ook niet voor terug om de eigen (misplaatste) percepties in een officieel
vonnis en persbericht op te voeren gebaseerd op twijfelachtige uitspraken van gehoorde personen. 1
In het licht van het voorgaande moet worden vastgesteld dat cliënt al ruim voor aanvang van zijn
proces door zowel de leider van het onderzoek, de zaaksofficier van justitie mr. G. Rip ten
overstaan van de nationale en internationale pers, alsook door de rechterlijke macht die hem nog
moet berechten als schuldige en “dader” wordt afgeschilderd. Tevens moet worden vastgesteld dat
het onderzoek bij uitstek gericht was op het “pakken” van de heer Jamaloodin, waarbij niet werd
geschroomd om gelijktijdig èn pressie op mensen uit te oefenen, èn/of hen duidelijk te maken dat
men belastende verklaringen tegen Jamaloodin wilde hebben.

Diverse personen hebben zelfs uitdrukkelijk verklaard dat zij onder druk zijn gezet of hen deals
zijn aangeboden om in deze zaak te verklaren. Bovendien blijken essentiële processtukken of te
zijn vernietigd of kwijt te zijn geraakt of worden met verklaringen in strijd met de waarheid voor
de verdediging achter gehouden. Bovendien constateer ik dat de waarheidsvinding door dit alles
ernstige schade heeft opgelopen, hetgeen de beoordeling van deze zaak uitzonderlijk lastig maakt.
Want welke verklaringen zijn aan te merken als verklaringen van personen omtrent feiten en
omstandigheden hen bekend uit eigen waarneming en ondervinding? Welk bewijsmateriaal is nog
als wettig aan te merken? Welk ontlastend materiaal is niet belicht of onderbelicht gebleven door
de eenzijdige opstelling van het onderzoeksteam?

Dit proces zou gericht moeten zijn op waarheidsvinding. Naast de constatering dat
waarheidsvinding door de wijze van onderzoek zo niet onmogelijk is gemaakt, dan toch ernstig
bemoeilijkt, dient men zich bovendien te realiseren welk effect is uitgegaan van de mededelingen
of ‘voorzetten’ van de opsporingsambtenaren aan de verhorende personen. Indien men de
suggestiviteit, die de vele verklaringen tekent, en de oncontroleerbaarheid van daarin opgenomen

1
Het gaat om E. Gumbs en G. Maria. Wij komen hier nog uitgebreid op terug.

Page 3 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
mededelingen, tegen die achtergrond beoordeelt, dan moet men de waarde van dergelijke
uitlatingen ernstig betwijfelen.

Inleidende mededelingen vooraf en voordelen bieden aan gehoorde personen, openen de weg naar
onjuiste en onware verklaringen van arme en of geestelijk beperkte mensen die voor voordelen
verklaren, wat de justitie van hen verlangt. En enkel om die reden de beschuldigende vinger op het
door de politie voorgehouden doel van onderzoek richten.

Het is dus ook om onder andere die reden dat de verdediging met klem weerspreekt dat de
beweerde belastende verklaringen tegen cliënt de werkelijkheid weerspiegelen. De suggestie of
bewering dat client achter deze moord zou zitten is uiteraard niet licht aannemelijk te achten. Men
zal zich bij het wegen van dergelijke verklaringen moeten realiseren dat dergelijke personen zijn
geselecteerd op hun kwetsbaarheid, al dan niet in financieel of geestelijke zin. En zeker niet op
hun verantwoordelijkheidsbesef, integriteit of hun vermogen om zelfstandig keuzes te maken.
Bovendien zal men zich realiseren dat het ook om veroordeelden en verdachten gaat, die bij een
weigering om te getuigen, de hen toegekende of beloofde voordelen op de tocht zien staan.
Een bij uitstek tekenend voorbeeld van het voorgaande treft U in de verklaringen van Julius
Boutisma en Givenchy Maria. Beiden verklaarden eerst een geheel ander verhaal aan de politie.
De reden waarom de politie is teruggegaan wordt in het proces-verbaal niet of niet duidelijk
aangegeven en is zelfs bedenkelijk. Vervolgens komen beiden met een geheel ander verhaal.
Boutisma evenals Maria lijkt zelfs een gave te bezitten welk geen enkel ander mens bezit. Naar
gelang de tijd voorbijgaat neemt zijn geheugen behoorlijk toe. Een onroerend goed afkomstig uit
misdrijf en een groot geldbedrag als geschenk, alles van het openbaar ministerie, kan kennelijk
wonderen verrichten.

Concreet is aan Boutisma nooit gevraagd waarom hij zo drastisch van verklaring is veranderd.
Ik geef U gegeven het voorgaande en wat nog komen gaat in overweging om het belastend
bewijsmateriaal tegen cliënt, zo U die kan vinden – het is ons met zijn zessen in ieder geval niet

Page 4 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
gelukt – zeer zorgvuldig te wegen, en U bij Uw oordeel anders dan het Hof in de zaak Fonseca,
niet te snel te verlaten op oncontroleerbare, suggestieve, twijfelachtige en door het opsporingsteam
op onaanvaardbare wijze beïnvloede verklaringen.

Ik heb in de voorprocedures al mijn bedenkingen geuit tegen de wijze waarop cliënt door in het
bijzonder de justitiële autoriteiten is bejegend, waarbij zijn volledige naam uitdrukkelijk en
herhaaldelijk als dader genoemd werd. Dat getuigt niet van magistratelijkheid. Ik meen dat zulks
geen pas geeft voor in het bijzonder een met rechtsprekende macht bekleed College.

Daarmee is gegeven dat de inzet voor het openbaar ministerie en dit Hof erg hoog is. Indien de
vervolging van cliënt zou stranden op één der formele of materiële vragen zou men aanzienlijk
gezichtsverlies lijden. De inzet voor cliënt is evenzeer hoog; zijn persoonlijke vrijheid om voor de
rest van zijn leven of een groot deel van zijn resterende levensjaren als vrije burger door het leven
te gaan staat op het spel.

Het staat voor de verdediging buiten elke twijfel vast, dat Jamaloodin bij het moordtraject, dat
thans voor U ligt, niet betrokken was. Mijn op dit uitgangspunt gebaseerd betoog zal culmineren
in een verzoek om de heer Jamaloodin – zo U tijdens de beraadslaging al zover zoudt komen –
integraal vrij te spreken van betrokkenheid bij de moord/doodslag van Helmin Wiels.
Ter inleiding op deze, in elk geval voor zover dat de vervolging van George Jamaloodin betreft,
opmerkelijke strafzaak kan de vraag worden opgeworpen, waarom cliënt zich hier vandaag voor
‘Maximus’ en Passaat’ heeft te verantwoorden voor de strafrechter. Tenzij het zo zou zijn, dat de
officieren van justitie de heer Jamaloodin op deze wijze de kans op rehabilitatie wensen te bieden,
ziet de verdediging daarvoor in het dossier geen enkele aanleiding. Meer dan een aantal
gefabriceerde bewijsmiddelen, ruimschoots onvoldoende om tot een veroordeling te komen, bevat
het dossier niet.

Page 5 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Dat Jamaloodin bekend was met Helmin Wiels en dat het politiek niet altijd tussen hun klikte, is
evident. Wiels had nogal meerdere aanvaringen met politiek Curaçao. Dat zij ook publiekelijk
discussies hebben gevoerd en elkaar over en weer hebben verweten evenzeer. Men kan zelfs het
vermoeden hebben dat het politiek niet meer boterde tussen de partij van Wiels, Pueblo Soberano
en de partij van Jamaloodin, MFK.

Echter uit geen enkele verklaring of bewijsmiddel, ook niet uit de twijfelachtige en onderling en
inhoudelijk tegenstrijdige verklaringen van Gumbs en Maria – over hun rol zal nog uitgebreid
worden gesproken -, kan echter blijken dat Jamaloodin, rechtstreeks dan wel indirect, willens en
wetens bij de zaak ‘Maximus’ betrokken is geweest. Men leze het dossier grondig erop na.
Desondanks heeft het openbaar ministerie besloten om de vervolging van Jamaloodin door te
zetten. Sterker nog, ondanks de sterke aanwijzingen dat Jamaloodin geen rol heeft gespeeld of
kunnen spelen in het doden van Wiels, heeft men uit pure wanhoop besloten om maar getuigen en
willekeurige derden voordelen te gaan bieden, of onder bedenkelijke omstandigheden te gaan
horen, die vervolgens een ander ‘nieuw verhaal’ van ‘horen zeggen’ hebben bedacht. 2 Het
openbaar ministerie heeft deze bedenkelijke werkwijze bedacht, daaraan leiding gegeven en heeft
getuigen aangezet om bewijsbaar leugenachtige verklaringen af te leggen.

Er bestaat zelfs – ondanks de stellige ontkenning van de zijde van het openbaar ministerie - alle
aanleiding om te vermoeden dat deze werkwijze enkel is gevolgd om in strijd met een eerlijk
proces toch bewijs tegen de heer Jamaloodin te kunnen verzamelen.

De negatieve publiciteit die werd gegenereerd naar aanleiding van deze zaak, alles slechts op basis
van gesuggereerde betrokkenheid bij strafbare feiten, heeft veel schade aan Jamaloodin en zijn
familie veroorzaakt. Zijn proces moest nog beginnen.

2
Getuigen Maria en Boutisma.

Page 6 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Wie heeft die publiciteit gevoed? Wie heeft de pers van informatie voorzien. Het antwoord is dit
Gemeenschappelijk Hof en dit openbaar ministerie. En, wellicht nog belangrijker, waarom werd
de pers op dat moment, voordat er zelfs maar een behandeling had plaatsgevonden, van informatie
voorzien die Jamaloodin al tot dader maakte. Ook deze vraag raakt aan de door UEA te
beantwoorden vragen. Het is geen vraag die slechts in de marge van de vervolging van cliënt een
rol speelt. Immers het zonder enig noemenswaardig onderzoek in zijn eigen strafzaak naar zijn
betrokkenheid, die voor Jamaloodin beschadigende informatie naar de pers versturen en bekend
maken zal een motief hebben gehad.

Het kan niet worden uitgesloten, dat het doorzetten van deze strafvervolging, ondanks het
ingediende duidelijk gemotiveerde bezwaar ex artikel 293 CSv een -noodzakelijk – vervolg daarop
is, zelfs ondanks het ook volgens diverse en alom gerespecteerde deskundigen, ontbreken van
redengevend materiaal dat Jamaloodin betrokken is bij het doden van Wiels.

Het zou weleens kunnen zijn, Edelachtbare, dat de inzet van deze omstreden werkmethodes door
de justitiële autoriteiten, meer te doen heeft met het redden van gezichtsverlies en de mogelijkheid
van het openbaar ministerie om de vervolging tegen cliënt door te kunnen zetten dan dat het doel
was om een eerlijk proces voor cliënt te bewerkstelligen.

Ik meen dat het hernieuwd horen van getuigen zoals Maria en Boutisma tegen beter weten in heeft
plaatsgevonden en dat zulks ook blijkt uit de door hun afgelegde verklaringen. Het heeft op deze
wijze toch, ik kan het niet anders zeggen - evenals de poging tot het aanbieden van de deal aan
medeverdachte Fonseca en het aanbieden van een deel van het beweerdelijk betaalde geld voor de
moord - de schijn van een wanhoopsactie in zich, om juist deze twee personen weer te gaan horen,
als men moet constateren dat zij eerst en overigens nog steeds geen verklaringen konden afleggen
waaruit op betrouwbare wijze (en/of onweerlegbaar) van strafbaar handelen van Jamaloodin zou
kunnen blijken. Overigens de verklaringen van Boutisma uit 2013, die ontlastend zijn voor

Page 7 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Fonseca en Jamaloodin, zijn door het OM niet eens aan het Maximus dossier gevoegd. Ik hoorde
U gisteren ook zeggen dat u deze verklaringen niet bent tegengekomen.

Ik zal op één en ander bij de bespreking van de getuigen, en bij de bespreking van de afzonderlijke
feiten, vanzelfsprekend nog uitgebreid ingaan. Deze inleidende opmerkingen sluit ik af met het
volgende. Zoals ik reeds aangaf ben ik van mening dat ieder rechtsreeks bewijs voor strafbaar
handelen van Jamaloodin in de zaken ‘Maximus’ en ‘Passaat’ ontbreekt. Anderzijds bevat het
dossier slechts zeer algemene, niet gespecificeerde verklaringen en documentatie - waaruit
overigens niet eens blijkt dat Jamaloodin van het moordtraject op de hoogte was - die ook niet met
een ‘beetje’ goede (of kwade) wil belastend kunnen worden uitgelegd.

In relatie bezien met feit 4 van de tenlastelegging, de moord/doodslag op Wiels zijn dergelijke
insinuerende en suggestieve verklaringen, die ook deels ongefundeerde conclusies bevatten
moeilijk te bestrijden voor een verdachte. Daarin schuilt dan ook het gevaar van, en ligt de
rechtvaardiging besloten van kritiek op, een vervolging die vrijwel uitsluitend op dergelijk
materiaal is gebaseerd.

Ik wijs er in dit verband op, dat het feit dat getuigen zeggen van bepaalde informatie op de hoogte
te zijn (geweest) niet betekent dat zij zouden hebben geweten dat Jamaloodin erbij betrokken is
geweest.

Laat staan, dat dit zou inhouden dat hij heeft deelgenomen aan het plan om Wiels te vermoorden.
Nergens kan blijken dat Jamaloodin zelfs zou hebben geweten dat Wiels zou worden vermoord.
Ik kom hier uiteraard in het verloop van mijn betoog terug.

Wij stellen ons als verdedigingsteam dus op het standpunt dat het de hoogste tijd is dat cliënt de
objectief kritische behandeling krijgt die hem als verdachte in een rechtstaat toekomt.

Page 8 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Na deze algemene inleiding zal ik thans overgaan tot vooreerst een korte bespreking van de
formele en materiele vragen en kaders. Het spreekt vanzelf dat ik omtrent bovengenoemde houding
later in mijn pleidooi uitgebreid zal komen te spreken.

II Processen-verbaal
Het hoeft geen betoog dat de integriteit van de strafrechtspleging en een goed verloop van het
strafproces in het gedrang komen in geval doelbewust onjuistheden in een op ambtseed
opgemaakte processen-verbaal, een strafvonnis of een persbericht afkomstig van justitiële
autoriteiten worden opgenomen. HR 4 februari 1997, NJ 1997, 308 m.nt. Schalken is niet
achterhaald door de recentere jurisprudentie. 3

Het voorgaande betekent dat niet uitgesloten is dat het rechtsgevolg van niet ontvankelijkheid van
het openbaar ministerie wordt verbonden aan het bewust onjuist informeren door de politie en
justitie, het vernietigen van cruciaal bewijsmaterieel of het ‘kwijtraken’ daarvan. Het onherstelbaar
schaden van de eerlijke behandeling van de zaak heeft al onherstelbaar plaatsgevonden.

Bij dit onderdeel ga ik in op de vormfouten bij samenstelling van het dossier. U zult met behulp
van het in artikel 413 CSv opgenomen kader moeten beoordelen of, zo ja: welk rechtsgevolg aan
die fout(en) moet worden verbonden. 4 Het strafdossier waarin alle belangrijke processtukken
moeten worden opgenomen vormen voor U als rechter het uitgangspunt voor Uw oordeel. Alle
relevante informatie - zowel belastend als ontlastend – moet aan het dossier worden toegevoegd. 5
Uit artikel 387 lid 2 CSV volgt dat een bewezenverklaring volledig mag worden gebaseerd op één
proces-verbaal. In een ambtsedig proces-verbaal wordt al met al een bijzonder vertrouwen

3
R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, (dissertatie Radboud
Universiteit Nijmegen 2014), Deventer: Kluwer 2014, p. 370 en p. 373-374.
4
HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, m.nt. Buruma (Afvoerpijp); HR 19 februari 2013, NJ 308, m.nt. Keulen (vervolg
afvoerpijp).
5
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 240-
241.

Page 9 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
gesteld.6 Het proces-verbaal is het fundament waarop ons strafproces met alle daarbinnen te nemen
beslissingen is gebaseerd. Een volledige en goede verslaglegging is dus onmisbaar.
De rechter moet – met het oog op controle – beschikken over alle voor enig door hem in het
eindonderzoek te nemen beslissing relevante informatie. Dit strafdossier is sowieso onvolledig
omdat er belangrijke processen-verbaal zijn vernietigd of kwijtgeraakt of nog steeds worden
achtergehouden.

Door de gekozen samenstelling van dit dossier wordt op een meer subtiele wijze getracht de
suggestie te wekken dat de verdachte schuldig is, bijvoorbeeld door weglating al dan niet door
vernietiging van ‘neutraal’ bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld de beweerdelijk ‘vernietigde’
geheime gesprekken tussen het RST en de getuige ‘van horen’ zeggen Gumbs. Of het weglaten
van tapverslagen of sms berichten, om zo te kunnen beweren dat de verdachte criminele afspraken
heeft gemaakt.

Hoe gaat U als rechter met deze vaste gegevens om? De wetgever heeft U in artikel 413 CSv de
ruimte hiervoor willen laten. Het vernietigen of kwijtraken van cruciale informatie brengt met zich
mee dat dit proces niet op basis van alle relevante informatie kan worden gevoerd. Wordt relevante
informatie uit het strafdossier vernietigd, weggelaten, kwijtgeraakt of wordt een proces-verbaal
onjuist opgemaakt, dan zijn deze belangen direct in het geding: de rechter en de verdediging
beschikken dan niet over de juiste informatie. Voor de verdachte kan dit ernstige gevolgen hebben.
Dit verzuim kan in deze zaak ook niet meer worden hersteld. Uit HR 4 februari 1997, NJ 1997,
308, m.nt. Schalken kan overigens worden afgeleid dat zelfs herstelbare vormverzuimen onder
omstandigheden tot niet ontvankelijkheid moet kunnen leiden. Kuiper noemt het begrijpelijk dat
de Hoge Raad ook in zo’n geval de toepassing van de sanctie van niet ontvankelijkheid vindt
passen.7

6
Zie G.P.M.F. Mols, ‘Het heilige proces-verbaal ‘, Strafblad 2013, p. 419.
7
Zie Kuiper 2014, p. 373.

Page 10 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Hier in deze zaak is bovendien sprake van een onvolledige uitwerking van berichten en contacten.
Er is dus sprake van een onvolledige uitwerking. Meerdere berichten zijn niet uitgewerkt. Aan de
wel uitgewerkte gesprekken wordt ten onrechte een voor de verdachte belastende inhoud
toegeschreven. Omdat veel gesprekken ‘leeg’ zijn gebleven of gehouden. Nog steeds zijn geen
herstelprocessen-verbaal toegevoegd. In deze zaak staat dus het volledig strafdossier ter discussie.
Ook de opgevoerde berichten. Een groot aantal is daarin niet of niet volledig opgenomen.
Waardoor een deel daarvan ten onrechte als belastend kan worden aangemerkt. Hierdoor is een
uiterst negatieve beeldvorming ontstaan, die tot de dag van vandaag heeft kunnen voortduren. Het
is bovendien ook niet mogelijk een onderscheid te maken tussen gesprekken en berichten.
Er lijkt hier overigens doelbewust te zijn gehandeld, waardoor de waarheidsvinding is belemmerd
en aan verdachte’s recht op een eerlijk proces is tekortgedaan. Van de gelegenheid tot herstel na
daarop te zijn gewezen in eerdere procedures in het vooronderzoek 8 is geen gebruik gemaakt.9
De verdachte is aanzienlijk in zijn belangen geschaad omdat deze processen-verbalen een grote
rol spelen of konden spelen en dit niet meer kan worden teruggedraaid.

Belang en nadeel nader beschouwd


Aan het belang dat de procedure op basis van juiste en volledige informatie wordt gevoerd moet
een belangrijke rol worden toebedeeld. De rechter moet een juiste beslissing omtrent het bewijs –
en dus de schuldvraag – kunnen nemen. De verdachte moet zich nu verdedigen in een zaak die
(deels) is gebaseerd op basis van onjuiste en onvolledige informatie. Als de verdediging de
vormverzuimen niet had opgemerkt, dan zou U evenals het geval is geweest met Hof in een
aanverwante procedure, een beslissing hebben genomen op verkeerde of incomplete informatie.
Het belang moet vooropstaan dat de rechter op basis van juiste en volledige informatie recht moet
kunnen spreken. De integriteit van de strafrechtspleging en een goed verloop van het strafproces
komen in het geding als het openbaar ministerie cruciaal procesmateriaal vernietigd. De verdachte

8
Artikel 104 CSV en 293 CSV-procedures.
9
Hof Den Haag 22 oktober 2010, ECLI:NL: GHSGR:2010: BQ8025.

Page 11 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
die is onderworpen aan de macht van de vervolgende instantie is van een dergelijke ernstige
schending, direct de dupe.

Het nadeel zit ook in de complicaties die de twijfels omtrent het waarheidsgehalte van de
processen-verbaal hebben teweeggebracht en tot een verhoogde inspanning van de verdediging
hebben geleid. De gevoelens van frustratie bij de verdachte kunnen als immaterieel nadeel worden
beschouwd. Een verdachte moet vertrouwen kunnen hebben in de juistheid van processen-verbaal,
het nadeel zit hem ook in de voortdurende onzekerheid of de juiste informatie in deze strafzaak
ooit boven water zal komen.

De verdachte heeft langdurig dwangmiddelen moeten dulden, hij is dus ook getroffen in het belang
dat beslissingen op basis van juiste informatie moeten worden genomen.

De verdachte is getroffen in het belang dat de geschonden norm beoogt te beschermen.


Bovendien is er door het vormverzuim ook een negatieve beeldvorming van verdachte ontstaan.
Het nadeel blijft bestaan door het nog steeds voortdurend gebruik van dit onjuist proces-verbaal.
De verdediging heeft grote inspanning moeten verrichten om te proberen de juiste informatie
boven tafel te krijgen. Dat heeft geleid tot meer dan 800 pagina’s.

Gaat het om doelbewust handelen zoals het vernietigen van kluisverklaringen, waar als het goed
is slechts een beperkt aantal mensen bij kunnen, dan is ook meteen het vertrouwen in een integer
vervolgingsapparaat aangetast. De vraag is dan wat de oorzaak hiervan is. Het gaat hier om willens
en wetens handelen. Ook als het een menselijke fout zou zijn, zijn de gevolgen ernstig voor deze
verdachte.

Er is geen sprake van een vergissing. Het gaat ook om een groot aantal onjuiste, door
onvolledigheid gerelateerde sms-gesprekken, waarbij het geen onbeduidend detail betreft.

Page 12 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Een te groot vertrouwen in het opsporingsapparaat vertroebeld de blik op datgene wat hier heeft
plaatsgevonden.

Verweren snijden soms hout en vragen om een serieuze respons. Het vermoeden van een onjuiste
weergave of van het verdonkermannen van bewijsmateriaal, vraagt om afdoende respons.
Hetzelfde geldt als er sprake is van vergissingen, gegeven de potentieel ernstige gevolgen voor de
verdachte.

In een serieuze zaak als deze mag zonder meer onfeilbaarheid worden gevraagd, nu de rechter,
gegeven het blinde vertrouwen, van de onfeilbaarheid van het ambtsedig proces-verbaal uitgaat.

III Ontlastend materiaal


Het belang dat een proces-verbaal een adequate weergave van de verkregen wetenschap geeft is
met het bovenstaande een gegeven. Door de gebrekkige weergave en het vernietigen of kwijtraken
van essentiële processtukken/informatie kan het vervolgingsapparaat worden verweten dat zij
doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven. Er is ook in dat opzicht sprake
van een ernstig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld.
Van de politie en het OM kan en moet worden verlangd dat zij in een zaak als deze ten aanzien
van de verslaglegging van de opsporing en met name ook van de ambtshandelingen in het
onderzoek, uiterste zorgvuldigheid in acht nemen ten einde de rechter en de verdediging in staat
te stellen te kunnen toetsen of het onderzoek heeft plaatsgevonden met inachtneming van de
vereisten die aan het opsporingsonderzoek en de verslaglegging daarvan zijn gesteld in de
wettelijke bepalingen en de geldende jurisprudentie.

De verdediging zal in dit pleidooi nog een aantal min of meer onoverkomelijke gebreken dan wel
onjuistheden vaststellen in dit zeer onoverzichtelijk en onvolledig dossier. Dit dossier is sowieso
onoverzichtelijk en moeilijk te hanteren.

Page 13 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Het dossier is evenals het Hof vonnis in de zaak Burney Fonseca, op essentiële punten voor de
bewijsvoering onvolledig, bevat op meerdere onderdelen onjuistheden en geeft blijk van ernstige
onzorgvuldigheden. De verdediging zal in het hiernavolgende aan haar stelplicht voldoen.
De verdediging zal aantonen dat op essentiële punten door normschending, de eerlijkheid van dit
proces is aangetast.

Daarnaast is bij herhaling gebruik gemaakt van onderzoeksmethoden, zoals het kopen van
verklaringen en herhaalde pogingen daartoe, die de eerlijkheid van het proces aantasten. Door het
gebruik van verklaringen die niet in vrijheid lijken te zijn afgelegd.

Ook het (trachten) gebruik of misbruik (te) maken van een mens met een duidelijke geestelijke
achterstand zonder de andere procespartijen te informeren moet ex artikel 6 EVRM, leiden tot
schending van de eerlijkheid van dit proces. Er is zelfs sprake van het vernietigen dan wel
‘verduisteren’ van ontlastend bewijsmateriaal, dat kennelijk is vernietigd of zogenaamd
‘zoekgeraakt’.

Relevante delen van verslagen of processen-verbaal blijken niet te zijn weergegeven in dit
strafdossier. Een zaak als deze roept meteen de vraag op of wij nog wel processen-verbaal van
politie mogen vertrouwen als de basis ervan op essentiële delen niet controleerbaar is. Als een ding
duidelijk is dan is dat, dat het controlesysteem binnen het RST althans van openbaar ministerie op
politie alles te wensen laat.

Want hoe is het mogelijk zonder dat iemand daarvoor verantwoordelijk voor wordt gesteld, dat
politiemensen cruciaal bewijsmateriaal zonder gevolgen gewoon mogen vernietigen. Het Hof doet
er nog een schepje bovenop, door iedereen het bos in te sturen met haar oordeel dat het ‘kennelijk’
gebaseerd is op een standaardprocedure, welke procedureregels het Hof nooit heeft gezien en die
tot de dag van vandaag niet geproduceerd kan worden, omdat die kennelijk gewoon niet bestaan.
Je moet er maar op komen. Vertrouwen is goed maar controle is altijd beter.

Page 14 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Juist dat is nu niet meer mogelijk. Het Hof heeft blijk gegeven van een ‘ongebreideld’ – ja, zelfs
onterecht – vertrouwen in de politie. Het Hof heeft zich naar mijn mening bij de neus laten nemen.
Het is bovendien hoogst zorgwekkend dat de politie (mogelijk) ontlastend bewijsmateriaal of
weglaat of wegmaakt. Beide handelingen zijn even ernstig.

Wij weigeren dat ook mee te gaan met een al te ambtelijk reflex die erop neerkomt dat het allemaal
niet zo ernstig is en dat het louter om een incident gaat. Als wij namelijk praten over uit een kluis
halen en vernietigen, dan hebben wij het natuurlijk niet over een kwestie van het slordig omgaan
met bewijs/sporenmateriaal. Zo een handeling kan alleen maar opzettelijk plaatsvinden. Zelfs als
dit een incident betreft is het in ieder geval een schandelijk en zwaar onrechtmatig incident. En het
is belangrijk dat de feitenrechter op dit incident de vinger legt. Dit kan niet worden afgedaan als
een teken van onprofessioneel politieoptreden. Dat ze de regels niet kennen geloof ik niet, het is
de instelling welke hier zorgen moet baren. De instelling in de zaak ‘Maximus’ geeft blijk van
onvoldoende rekenschap van waar een professionele opsporing en vervolgingsapparaat voor staat.
Omdat verslagen en processen-verbaal definitief verloren zijn gegaan, is sprake van een
onherstelbaar vormverzuim. Daarom zal de verdediging zich op het standpunt stellen dat het
openbaar ministerie in de vervolging van het tenlastegelegde niet ontvankelijk dient te worden
verklaard. Er is sprake van een zodanig verzuim in het voorbereidend onderzoek dat de
behandeling van deze zaak niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet en de
verdachte onherstelbaar in zijn belangen is geschaad.

Vaststaat dat de vernietigde en teloorgegane stukken zich niet meer lenen voor controle en
eventuele betwisting. Ook kunnen zij niet meer gebruikt worden om de bevindingen in het dossier
in het bijzonder ook met betrekking tot Gumbs te betwisten.

Als het goed is was de kluis bijvoorbeeld gesloten en alleen toegankelijk voor een beperkt aantal
personen. Ook indien de stukken niet in een kluis zijn opgeborgen, moet worden aangenomen dat
zij niet voor eenieder toegankelijk waren. Het openen van de kluis en het vernietigen van deze

Page 15 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
belangrijke stukken, kan alleen moedwillig zijn geschied. Daar zijn voldoende aanknopingspunten
voor. Er is ernaar gekeken en zij zijn vervolgens vernietigd. Niemand gaat een document als een
kluisverklaring vernietigen zonder er eerst naar te kijken. Zelf als dat door onvoorzichtigheid heeft
plaatsgevonden is er sprake van veronachtzaming van de te respecteren belangen van de verdachte.
Voorts moet gekeken worden naar het belang van de betreffende documenten, het belang welke
zij beogen te dienen en hun invloed op het verdedigingsrecht als gevolg van hun vernietiging dan
wel van het in het ongerede raken van de desbetreffende belangrijke documenten.

Allereerst dient de niet ontvankelijkheid te worden overwogen, eer bewijsuitsluiting van de


verklaringen van Gumbs in aanmerking komt.

In beginsel komt het meest in aanmerking als reactie op de toepassing van artikel 413 CSv, nu het
gaat om een onherstelbaar vormverzuim in het nadeel van de verdediging en deze niet
gecompenseerd kan worden, de niet ontvankelijkheid van het OM. Gumbs verklaarde immers dat
juist in die verslagleggingen hij geheel gedetailleerd heeft verklaard. Dat kan niet meer worden
getoetst.

IV Vernieling en kwijtraken van belangrijke stukken bewijs


Het gaat hier om vernielen en ‘kwijtraken’ van belangrijke stukken in deze strafzaak, welke door
opsporingsambtenaren zijn opgemaakt en vervolgens ter hand gesteld, die vernield of weggemaakt
zijn dan wel kwijtgeraakt.

Hierdoor is de ongestoorde gang van dit gerechtelijk proces en strafvorderlijke procedure


belemmerd. Dat is hier het geschonden belang. Het nadeel bestaat hieruit dat hierdoor de met
elkaar tegenstrijdige beweringen van Kiebert (in zijn processen-verbaal) en Gumbs (in zijn
verhoren) niet of niet volledig kunnen worden getoetst. Gumbs heeft immers verklaard, dat hij
juist in die verslagen van zijn gesprekken met het RST, alles veel gedetailleerder heeft verklaard.

Page 16 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Vernielen is een commissiedelict. Het is het verrichten van een bepaalde handeling waardoor
belangrijke processtukken zijn verdwenen.

Specifiek gaat het hier om het correcte verloop van deze strafzaak, waarvoor de volledigheid en
zuiverheid van het gepresenteerde bewijsmateriaal onmisbaar is. Het gaat dus om het wegmaken
van bewijsstukken. Degenen die de verslagen van de gesprekken met Gumbs onder zich hadden
en hebben vernietigd, moeten zich bewust zijn geweest van het belang van die stukken.
Die gespreksverslagen welke volgens Gumbs veel gedetailleerder waren dan het proces-verbaal
van Kiebert en zijn eigen verklaringen bestaan niet meer. Dit was een geschreven bewijsstuk die
gewoon is weggemaakt en aan de bestemming van bewijsstuk of processtuk is onttrokken. Door
het eerst onder zich houden en vervolgens opzettelijk vernielen ervan. Het betreft stukken die aan
de strafrechter konden en moesten worden overgelegd.

Deze verslagen die kennelijk in de vorm van een proces-verbaal zouden zijn opgemaakt - Kiebert
is immers een opsporingsambtenaar en heeft met Gumbs in die hoedanigheid gesproken – zijn dus
gewoon te niet gedaan. Zo deze handeling de schuldigen niet in het strafrechtelijk vaarwater van
de artikelen 2: 158 en 2: 349 CSr heeft gebracht, dan is het in ieder geval zwaar onrechtmatig en
een grove schending van het recht op een eerlijk proces.

Artikel 6 EVRM
Dit artikel waarborgt het recht op een eerlijk proces. Welnu, het recht op inzage in proces en
bewijsstukken brengt het Hof onder kenmerken van een eerlijk proces. Beperkingen mogen
nimmer inbreuk maken op het beginsel van gelijkheid van wapenen (equality of arms). Een
beginsel dat het Hof met zoveel woorden afleidt uit artikel 6 en dat in artikel 6 ook heel duidelijk
herkenbaar is, vooral in lid 3, waar een aantal verdedigingsrechten zijn opgesomd. Het OM
gebruikt hier nu slechts een deel van de door Gumbs gegeven verklaringen. Wij kunnen niet
uitsluiten, dat de beweerde verslagen van Gumbs, indien waar, een ander beeld schetsen dan het
OM ons wil voorhouden, dan wel nog meer tegenstrijdigheden aan de dag zouden leggen. En dat

Page 17 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
daarin de reden heeft gelegen om slechts een deel van de weergave van wat Gums te presenteren
en de rest te vernietigen. Dit terwijl het OM over veel meer kennis dan de rechter en de verdediging
beschikt. Zij kennen immers wel die verslagen en hebben ten onrechte daaruit een geselecteerde
versie en verhaal gepresenteerd zonder de andere procesdeelnemers de kans te beiden om dat
verhaal volledig en op juistheid te kunnen toetsen. Die kans is de andere procesdeelnemers
opzettelijk ontnomen.

Het OM komt in deze procedure bij herhaling met vernietigde stukken en kwijtgeraakte stukken
op de proppen om de waarheid te bemantelen.

Maatgevend is hier artikel 4 lid 1 CSv. Dit artikel moet zo worden gelezen, dat het daar genoemde
(‘de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de
politie en justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover
zij in verband met diens strafvervolging worden gebruikt’) in elk geval tot de processtukken
behoort. Kiebert relateert uit het gesprek- verslag van Gumbs. Dat betekent dat die verklaringen
van Gumbs buiten elke twijfel tegen Jamaloodin worden gebruikt. Jamaloodin heeft dan recht op
een integrale weergave van dat gesprek en niet een eenzijdig selectief opgemaakt stuk en ook nog
door slechts één van de verbalisanten. Dit laatste is op zich al erg verdacht. Het zou best zo kunnen
zijn, dat de andere verbalisant geen proces-verbaal wenste op te maken -zodat alleen Kiebert dat
heeft moeten opmaken – vanwege het feit dat hij voor deze kwestie geen verantwoordelijkheid
meende te kunnen nemen. Als dat zo zou zijn dan zou ik dat een begrijpelijke beslissing achten
(van die bepaalde rechercheur, wel te verstaan).

Wanneer een rechter en zeker een zittingsrechter in de zaak wordt gemengd behoort tot de
processtukken bovendien alles wat deze nodig heeft voor het onderzoek dat hij moet verrichten
met het oog op de op dat moment van hem verlangde beslissing(en).10

10
Vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000, 214/Reijntjes.

Page 18 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Hieruit wordt duidelijk, dat tot de processtukken niet alleen alles behoort, wat in het dossier is
gevoegd, maar ook alles wat daarin moet worden gevoegd. Bovendien moet alles (zo spoedig
mogelijk) aan het dossier worden toegevoegd wat de verdachte ontlast. Dus ook alle met elkaar
tegenstrijdige verklaringen. Zowel Gumbs als Kiebert hebben tegenstrijdige versies gegeven. De
verklaringen van Gumbs zijn bovendien ook onderling tegenstrijdig. Daar komen wij nog
uitgebreid op terug. De achtergehouden verklaring/verslag/proces-verbaal moet er logischerwijs
ook zo één van tegenstrijdigheden zijn, het kan niet anders.

Het kennelijke standpunt van het OM dat het recht op inzage beperkt is, tot wat zij als relevante
stukken beschouwen, is evident onjuist; wie zal dat immers beoordelen? In elk geval niet het OM,
dat is hiertoe niet bij machte en hiertoe dan ook niet geroepen. Uit het voorgaande volgt dat de
ingenomen houding, dat de officier van justitie de vrijheid heeft om te bepalen welke stukken als
processtukken worden aangemerkt, in haar algemeenheid onjuist is. Het OM heeft geen enkel recht
om essentiële stukken te vernietigen, zeker niet indien de rechter zich over die stukken nog niet
heeft uitgesproken. Bovendien is er mogelijk geen sprake van daadwerkelijk vernietigen van
stukken. Wij worden bij de neus genomen. Zij hebben die stukken nog. Wij leven niet meer in de
tijd van de ganzenveer. Zij zouden dan hun computer 2x hebben moeten deleten en ook geen back-
up systeem moeten hebben.

De mogelijkheid om de verdachte en zijn verdediging welk processtuk dan ook te onthouden


eindigt op het moment dat een dagvaarding wordt uitgebracht (art. 53 CSv). Een dergelijk stuk
mag hem in elk geval niet worden onthouden op het moment dat hij zich bij de rechter beklaagt
over zijn beschuldiging. Nu dat wel is gedaan, zitten wij nu met het onaannemelijke gevolg dat u
over dit bewijsmiddel tot een juist oordeel niet meer in staat bent. Ook u bent immers onvolledig
geïnformeerd.

Bovendien hebben de beweerde stukken geen status van een kluisverklaring. Ook hier worden wij
het bos ingestuurd. Vanaf het moment dat Kiebert verslag maakt van het gesprek en/of het verslag

Page 19 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
is er geen sprake meer van een kluisverklaring. Een kluisverklaring is een verklaring gebaseerd op
een afspraak van een persoons, dat die kluisverklaring alleen mag worden gebruikt bij een bepaalde
gebeurtenis of als die betreffende persoon toestemming geeft. Als het een maal is geopenbaard, al
dan niet direct is er natuurlijk geen sprake van een geheime verklaring meer. Dan wordt het onder
bovengenoemde omstandigheden een proces stuk.

De verdediging behoort niet alleen toegang te krijgen tot wat de rechter is voorgelegd, maar tot
alle ‘information which is essential for the assesment of his case’. Dit geldt al bij het enkel inzetten
van een dwangmiddel.11

Dit recht kan niet worden geblokkeerd door het eenvoudig vernietigen van bewijsmateriaal.
Rechter en verdediging moeten de verklaringen van Gumbs en ook het proces-verbaal van Kiebert
kunnen beoordelen. Daarvoor is noodzakelijk dat zij in het proces, over hetzelfde materiaal als het
OM hebben kunnen beschikken. Dat betekent alle verklaringen van Gumbs. Voor ‘verstoppertje’
spelen is er in het strafproces geen ruimte.

V Kroongetuige(n) en strafexecutie naar het recht van Curaçao

Maria is verblijf in Nederland en wellicht ook andere voordelen aangeboden. Boutisma die
verdacht werd van witwassen van drugsgelden, mocht het betreffende terrein behouden en zijn
moeder kreeg Naf 15.500, - in haar schoot geworpen in ruil voor belastende verklaringen. Aan
Fonseca is recent nog bij herhaling niet volledige tenuitvoerlegging van zijn rechterlijk vonnis
aangeboden. Overigens is dat een onrechtmatig aanbod omdat het zich op het terrein van de rechter
begeeft.

11
EHRM 9 januari 2003, nr.388822/97, Shishkov/Bulgarije, § 77.

Page 20 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Het wetboek van strafvordering van Curaçao kent, anders dan het Nederlandse, geen regeling
omtrent getuigen die tegen beloning een ander belasten (kroongetuigen). Het Gemeenschappelijk
Hof van Aruba en de Nederlandse Antillen heeft in 1993, toen nog in verband met het Wetboek
van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, beslist dat dit aan het doen van toezeggingen aan
getuigen niet in de weg hoeft te staan. 12 De Europese Commissie van de Rechten van de Mens
stelde zich op het standpunt dat het gebruik van bewijsmateriaal dat is verkregen door het doen
van toezeggingen aan getuigen in strijd kan komen met de eisen van een eerlijk proces, maar liet
in het midden onder welke omstandigheden dit het geval zou zijn.13

In een Arubaanse zaak heeft de Hoge Raad bijna 20 jaar geleden bevestigd dat voor het maken van
afspraken met getuigen – art. 1 Sv ten spijt - geen wettelijke grondslag nodig is, en dat moet worden
getoetst aan ‘de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit’ en aan andere beginselen van
een goede procesorde.14

Ook in de Nederlandse rechtspraak is sinds 1994 nog een aantal keren gebruik gemaakt van tegen
beloning verkregen getuigenverklaringen, maar er zijn wel nadere beperkingen gesteld, en
uiteindelijk is daar een vrij stringente wettelijke regeling tot stand gebracht.15

Wie de vraag wil beantwoorden in hoeverre thans op Curaçao, het doen van toezeggingen aan
getuigen nog toelaatbaar is, kan twee wegen inslaan. Hij kan stellen dat de situatie sinds 1993 niet
is veranderd, zodat toetsing, zowel aan proportionaliteit en subsidiariteit, als aan andere beginselen
van behoorlijk bestuur voldoende is – mits de afgelegde verklaring niet aan betrouwbaarheid heeft
ingeboet. Dat is echter absoluut niet vol te houden; ook bij ons heeft de tijd niet stil gestaan.
Daarom moet in elk geval rekening worden gehouden met de door de Hoge Raad tussen 1994 en

12
HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322.
13
ECRM 15 januari 1996, NJCM-bulletin 1996 p. 459 (Flanders/Nederland) en ECRM 7306/75 (X/Verenigd
Koninkrijk) en ECRM 18666/91 (Menessen/Italië).
14
HR 14 december 2000, NJ 2000, 164.
15
Wet van 12 mei 2005, Stb 2005, 254.

Page 21 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
2005 in Nederlandse strafzaken ontwikkelde opvatting. Het Gemeenschappelijk Hof heeft voor
deze lijn gekozen. Er is echter nog een derde, verdergaande, opvatting denkbaar. Het is zelfs
denkbaar om vooruit te grijpen naar het ontwerp voor een nieuw wetboek van strafvordering voor
Curaçao, maar dat zou alleen toelaatbaar zijn wanneer daarin een communis opinio is
weergegeven, en daarvan is tot nu toe niet gebleken.

Inmiddels is de Hoge Raad echter overgegaan tot een behoedzamere benadering en stelt nu: ‘Niet
onder alle omstandigheden is bij gebreke van een specifieke wettelijke regeling het sluiten van
overeenkomsten waarbij aan een medeverdachte bepaalde toezeggingen worden gedaan indien hij
naar waarheid verklaringen aflegt omtrent de betrokkenheid van hem en anderen bij bepaalde
strafbare feiten, onrechtmatig.’ De Raad wees bovendien een omstandigheid aan die tot
onrechtmatigheid zou leiden: ‘Het staat het openbaar ministerie niet vrij toezeggingen te doen
omtrent (het achterwege laten van) de executie van een rechterlijke beslissing, ook niet indien een
zodanige toezegging betrekking heeft op een mogelijk onderdeel – een gevangenisstraf die in duur
de tijd in uitleveringsdetentie en voorlopige hechtenis doorgebracht, overtreft – van een te
verwachten rechterlijke beslissing.’ In het gegeven geval verbond het daaraan echter geen
consequenties. Dat had echter te maken met het feit dat de Hoge Raad toen voor het eerst de
onrechtmatigheid van de handelwijze heeft vastgesteld, terwijl dat ten tijde van de handelwijze
niet eenduidig was.16 De in deze zaak gedane toezegging bleek te hebben geluid dat de getuige
‘niet verder feitelijk van zijn vrijheid (zou) worden beroofd, noch in het kader van een voorlopige
hechtenis, noch in het kader van de tenuitvoerlegging van een eventueel door de rechter op te
leggen gevangenisstraf’.

In zijn eigen strafzaak verbond het hof aan de onrechtmatigheid van de gedane toezegging wel
consequenties. Het verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging, en de Hoge Raad zag
daarin geen verkeerde rechtsopvatting. Ofschoon het door de Raad gewezen arrest niet uitblinkt

16
HR 6 april 1999, NJ 1999, 565 r.o. 5.2.2 en 5.2.3 m.nt. Schalken

Page 22 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
door helderheid, lijkt doorslaggevend te zijn geweest dat de rechter in een strafzaak tegen iemand,
die van het OM al te horen heeft gekregen dat een eventueel opgelegde straf niet (geheel) ten
uitvoer zal worden gelegd, min of meer voor joker komt te staan; hij kan immers niet meer
‘zelfstandig (beslissen) omtrent de strafoplegging’. Hieraan doet niet af dat de getuige/verdachte
door de begane onrechtmatigheid geenszins is geschaad (integendeel!). 17 De zaak van Fonseca is
nog aanhangig en aan Boutisma is zelfs straffeloosheid en dus volledige immuniteit aangeboden
en ook toegekend.

De Antilliaanse rechter bleek de Hoge Raad in een casus die sprekend lijkt op HR NJ 1999, 567
te volgen in de opvatting dat toezeggingen over de executie van een opgelegde straf onrechtmatig
zijn. Daar kan dus nu geen enkele twijfel over bestaan. Dat is precies wat aan Fonseca en zijn
familie in ruil voor verklaringen is aangeboden. Ook de toezegging aan iemand die niet binnen het
Koninkrijk resideerde en niet de Nederlandse nationaliteit bezat, dat, indien zij zelf zou worden
veroordeeld, niet zou worden geprobeerd om de straf buiten het Koninkrijk ten uitvoer te doen
leggen, achtte het Hof onrechtmatig – dit zou er immers toe leiden dat de gevolgen van
strafoplegging ‘hem hoegenaamd niet (zullen) hinderen’; strafvermindering was het gevolg, omdat
het bij ons de eerste keer was. 18 Het vonnis werd door de Hoge Raad in stand gelaten. In dezelfde
richting doordenkend zou zonder meer moeten worden aangenomen dat ook de toezegging aan
Fonseca om hem na 7 jaar, als hij 55 jaar is, op vrije voeten te stellen, onrechtmatig is. Het
vrijwaren van strafrechtelijke vervolging van Boutisma in ruil voor verklaringen is eveneens grof
onrechtmatig.

In de onderhavige zaak zou het OM dus ook hebben geprobeerd om met een nog niet
onherroepelijk veroordeelde gedetineerde, een deal te sluiten over de executie van de hem
opgelegde gevangenisstraf. Op grond van de jurisprudentie kan worden aangenomen dat een
dergelijke deal onrechtmatig is, en de poging om daartoe te komen dus ook.

17
HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 m.nt. Schalken (Karman).
18
GHvJ 7 september 2001, nr. 117/2001, ook te vinden in HR 8 april 2003, NJ 2003, 349.

Page 23 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Uiteraard kunnen ook vraagtekens worden gezet bij de geloofwaardigheid van een verklaring,
afgelegd door mensen zoals Maria en Boutisma, die of blijkens zijn eerdere veroordeling tot een
ernstig misdrijf of om verdere vervolging te voorkomen voor ook een ernstig misdrijf, bij een het
OM welgevallige verklaring groot belang hebben verkregen.

Dat geldt zeker ook voor Boutisma. Waarop wij in dit pleidooi, ook nader op in zullen gaan.
Bij zowel Boutisma en Fonseca en mogelijk ook bij Maria zijn bovendien andere doodzondes
begaan.

Kan worden aanvaard, dat Boutisma die verdacht werd van grootschalig witwassen voor zijn broer
Pretu, vrijuit gaat, alleen omdat hij na eerst gezegd te hebben niets van de zaak af te weten na een
lucratieve deal, besloten heeft te helpen anderen in het gevang te brengen of te houden. In
Nederland zou dat in ieder geval onmogelijk zijn. Niet alleen op basis van de wet, maar in
Nederland, was daarvoor al een richtlijn, dat geen immuniteit mag worden beloofd. Maar de
eilanden zijn het moederland niet. Volgens die richtlijnen mocht niet meer dan 30% korting bij de
strafeis worden beloofd. Los van de vraag dat de ‘gekochte’ verklaring van Boutisma niet
betrouwbaar is. Zijn verklaring is natuurlijk juist door de te verwachten wederdienst aan hem (een
stuk grond) en zijn moeder (cashgeld) bepaald. De belofte die aan Boutisma is gedaan, is al wegens
het ontbreken van wet of richtlijnen en dus enige toetsingsmogelijkheid, dus in ieder geval niet
toegelaten.

Op 5 juni 2019 heeft de Procureur-generaal een uitgebreid interview gegeven aan het dagblad
Amigoe, waarin werd toegegeven dat er deals met verdachten en getuigen worden gesloten
(bijlage 3).

Tegenwoordig wordt er in veel strafzaken amper meer serieus onderzoek gedaan. Er wordt links
en rechts met deals en geld gestrooid. Het is een ware pest geworden. Het is een koehandel. Ik wil

Page 24 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
natuurlijk niet het hele interview hier met u doornemen, maar een aantal zaken zijn mij direct
opgevallen.
- ‘Voor een deal hebben wij dan wel de rechter-commissaris nodig’.
- ‘We hebben zelf een interne procedure’.
- ‘Mensen waarmee we afspraken maken, ontkomen nooit aan een veroordeling’.

Wij hebben in ieder geval geen enkele betrokkenheid van een rechter-commissaris in dit dossier
kunnen vinden bij de mensen die of grof geld of goederen of andere voordelen van het OM hebben
gehad om in deze zaak te getuigen. De PG houdt het publiek dus bewust voor de gek. Aan
Boutisma en zijn moeder is zelfs algehele vrijwaring van vervolging gegeven.

Voor het overige geldt het volgende. Kennelijk meent deze PG dat hij en de rechter de taak van
onze wetgever mogen overnemen. Dat verdraagt zich slecht met onze democratie.
Diverse getuigen welke door het OM in deze zaak voordelen zijn aangeboden, hebben een flinke
hoeveelheid boter op hun hoofd en dus nogal wat te verliezen en hebben zich bereid verklaart om
een bijdrage te geven aan de ‘waarheidsvinding’ omdat het hen voordeel oplevert. Ik ga er nu even
aan voorbij dat dergelijke verklaringen niet direct tot de betrouwbaarste behoren die er zijn, maar
constateer.

De Hoge Raad liet bij herhaling weten dat een wettelijke regeling – in verband met de aan de deals
verbonden risico’s (onbetrouwbaarheid van verklaringen, oncontroleerbaarheid) onontbeerlijk
was. In Nederland bracht de wetgever al lang geleden de verlangde wetswijziging tot stand, maar
niet dan na langdurige discussies.

Wij kennen nog geen regeling van de kroongetuige. De door de Hoge Raad in 1998 aan de
wetgever gestelde termijn is, zo mogen wij aannemen, na 21 jaren, ruimschoots verlopen.

Page 25 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Gaat het dan aan om toch – op grondslag van eigen geheime interne procedures, zoals de PG in
zijn interview te kennen geeft – te doen wat de Nederlandse justitie alleen mag doen op grond van
uitdrukkelijke formele wetgeving?

Er is bij ons zelfs geen op voorhand vastgesteld beleid en er kan niet eens worden getoetst of dat
beleid blijft binnen de door de Nederlandse wetgever aangegeven kaders. Al zou ook dat niet
voldoende zijn.

Er zijn twee grote problemen:


In de eerste plaats kan geen enkele rechter toetsen of nagaan of het OM de eigen (geheime) regels
heeft nageleefd, en de verdediging moet zich daarover uitlaten. Dit betekent dus dat het beleid ook
niet eens openbaar is gemaakt. Interne procedures en richtlijnen neerkomende op geheime
trajecten, tellen uiteraard niet mee. Maar er is ook een ander punt. Hoe staat het met onze wetgever?
Je zou kunnen zeggen dat die zijn kans heeft gehad.

Op het gebied van strafvordering gaat de juridische structuur van het Koninkrijk uit van 4
afzonderlijke wetgevers. Impliciete aanvaarding van Nederlandse wetten is daarmee in strijd. 19
‘De totstandkoming in Nederland van een naar inhoud nieuwe regel(..) heeft niet reeds uit kracht
van het concordantiebeginsel tot gevolg dat de inhoud van die regel van rechtswege deel gaat
uitmaken van het in de Nederlandse Antillen (..) geldende recht’ (o.a. HR 29 oktober 1999, RvdW
1999, 157C). Met het concordantiebeginsel komen zij er dus echt niet.

Voorts is het hoogst onaannemelijk dat het EHRM de Nederlandse regels voor de Curaçaose
burgers voldoende kenbaar en het overheidsoptreden daarmee in voldoende mate voorzienbaar zal
achten.

19
HR 29 oktober 1999, RvdW 1999, 157C, German.

Page 26 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Voorzienbaarheid komt pas aan de orde wanneer een grondslag in het recht voorhanden is;
optreden zonder wettelijke grondslag en zelfs zonder enige kenbare regel wordt door haar
voorzienbaarheid overigens niet rechtmatig.

Voor zover het OM zich zou willen beroepen op ‘wetgeving in voorbereiding’, is de inhoud
daarvan nog geenszins zeker en bovendien nog niet gepubliceerd. Los van het feit dat het EVRM
een zodanige anticipatie niet toelaat.

In de bovengenoemde kroongetuigezaak20, heeft het Hof bepaald dat afspraken of pogingen


daartoe zorgvuldig moeten worden vastgelegd en wat dat betreft moet volledige openheid worden
betracht. Het Hof verlangt terecht te weten hoe de overeenkomst tot stand is gekomen om te
kunnen beoordelen of wat het OM opdist juist is. Het Hof vergt daaromtrent een goede
verslaglegging. Terecht constateert de verdediging, dat wat het OM aan Boutisma beloofde,
neerkwam op de toezegging, dat hij niet zal worden vervolgd of gestraft.

Verwerping van die deal en de verklaring is dan het noodzakelijk gevolg, omdat
a. De procespositie van de verdachte door die ‘gekochte’ verklaring in het geding is.
b. Er zowel bij Boutisma als de poging jegens Fonseca – de met een behoorlijke geestelijke
achterstand kampende Maria, blijft in nevelen gehuld – sprake is van een ernstige inbreuk op het
wettelijk systeem bij de berechting van strafzaken en de tenuitvoerlegging van rechterlijke
beslissingen.

Nu deze casus sprekend lijkt op HR NJ, 567 m.nt. Schalken en GHvJ 7 september 2001
(Monte/OM) zal de conclusie van niet –ontvankelijkheid hier niet misstaan.

20
GHvJ 7 september 2001, nr. 117/2001 Monte/OM.

Page 27 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Conclusie: Het OM is zich dus goed van bewust dat ons recht deze gehanteerde
opsporingsmethode niet toeliet en dat zij inbreuk maakten op fundamentele door het EHRM
gewaarborgde rechten. Toch heeft het willens en wetens getracht deze methode weer in te zetten,
omdat het van oordeel is dat op de eilanden, haar eigen recht in plaats kan worden gesteld van het
geldend recht. Dat kan in een democratische samenleving niet worden aanvaard. Het OM heeft
dusdoende op deze wijze (weer) inbreuk gemaakt op het wettelijk systeem, dat hem alleen al
daarom het recht tot strafvervolging moet worden ontzegd. Vergissen is menselijk, justitiële
vergissingen kunnen daarom vaak worden gecompenseerd met een lagere straf. Weloverwogen
schendingen van fundamentele rechten en pogingen daartoe, nadat je al eerder door de rechter bent
gewaarschuwd, is daarentegen onvergeeflijk.

Tot slot kan nog worden opgemerkt, dat de sanctie van strafvermindering, in wezen komt op
aanvaarding van de gewraakte methode. Daarvoor is bij recidive geen plaats. Deze sanctie is bij
dit OM al ineffectief gebleken en moet alleen al daarom worden verworpen.

VI De beperkt capabele verdachte/getuige


Getuigen of verdachten zoals Maria, met slechts beperkte c.q. onvolkomen capaciteiten, worden
ook wel kwetsbare getuigen genoemd. Het zijn onvoldoende capabele getuigen. Als zij ook nog
eens een drugs en/of alcoholprobleem hebben, spreekt men van ‘double trouble’.
De voor een effectieve participatie als getuige vereiste capaciteiten zijn onder meer geestelijke
gesteldheid, taalvermogen en intellectuele vermogens. De plicht voor de autoriteiten om hiermee
rekening te houden, vindt ondersteuning in artikel 13 Van het Verdrag inzake de rechten van
personen met een handicap.21

Waar de positie van Maria in zijn eigen strafzaak volgens ditzelfde OM reeds in het algemeen door
zijn geestelijke beperking, erg kwetsbaar was, geldt dit nog eens temeer in het bijzonder tijdens

21
Convention on the rights of persons with disabilities, New York, 13 december 2006 (Trb. 2007/169)

Page 28 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
getuigenverhoren. Die kwetsbaarheid is er a fortiori bij een mens met onvolkomen capaciteiten
als Maria.22

Uitgangspunten van eerlijkheid, waarachtigheid, effectiviteit en humaniteit vereisen dat in


strafprocedures daadwerkelijk rekening wordt gehouden met ieder mens die niet of slechts beperkt
capabel is. Deze informatie is in de zaak Fonseca bewust voor de rechters achtergehouden. Het
requisitoir van het OM in de ‘Hato shooting’ strafzaak van Maria liegt er echter niet om en spreekt
duidelijke taal.

Het zijn vooreerst het openbaar ministerie, rechters en advocaten die operationeel dienen te
voorkomen dat de eerlijkheid, waarachtigheid, effectiviteit en integriteit van het strafproces in
gevaar komt doordat personen als Maria met een duidelijke geestelijke achterstand (en zeker als
die ook nog drugsproblemen hebben) in het strafproces worden misbruikt.

You cannot have the cake and eat it too!


Als het OM zelf voor Maria in zijn strafzaak bepleit dat hij verminderd toerekeningsvatbaar moet
worden geacht vanwege zijn zeer lage intelligentie en kwetsbare persoonlijkheid en bewust is van
het feit dat Maria bovendien al langere tijd een zware drugsgebruiker is 23, dan bestaat er een
verplichting om de rechters en de verdediging in de ‘Maximus’ zaak van dit belangrijke gegeven
op de hoogte te stellen. Dit is namelijk van uitzonderlijk belang om te kunnen begrijpen waarom
Maria geheel verschillende en tegenstrijdige verklaringen aflegt in 2015 vergeleken met zijn
verklaringen in 2017 en 2018.

22
EHRM 17 juli 2014, Omelchenko/Ukraine, nr. 34592/06, par. 49 (Schriftelijke en getekende afstand door
aangehouden kwetsbare verdachte niet rechtsgeldig); EHRM 31 maart 2009, Plonka/Poland, nr. 20310/02, par. 37-
42 (Geen rechtsgeldige afstand door aangehouden alcoholistische verdachte)
23
Requisitoir van het OM in de Hato Shotting zaak d.d. 28/05/2015
http://www.dutchcaribbeanlegalportal.com/legaldocuments/finish/544-publications-about-laws-and-more/7653-
requisitoir-in-rechszaak-hato-shooting-d-d-28-mei-2015 en Persbericht ‘Dutch Caribbean Legal Portal’ d.d.
28/05/2015 Maria en Martina betuigen spijt in Hato Shooting zaak.

Page 29 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
De doelbewustheid van dit ernstige vormverzuim blijkt ook uit het feit dat het OM bij aanvang
van het horen van de getuige in 2017 en tot nu toe, geen enkele reden in het proces-verbaal heeft
opgenomen voor het wederom horen van deze kwetsbare persoonlijkheid, die al in 2015
uitgebreide verklaringen heeft afgelegd.

Alleen dit gegeven al had voldoende aanleiding moeten zijn om uit te leggen waarom deze
kwetsbare persoon weer zou moeten worden gehoord. Dat is naar de mening van de verdediging
in strijd met de verbaliseringsplicht weggelaten. De doelbewustheid blijkt dus ook uit het feit dat
in strijd met de verbaliseringsplicht van de reden voor dit opnieuw horen geen uitleg is gegeven.
De verdediging en de rechter moeten maar gissen. Alles duidt erop dat men specifiek Maria weer
is gaan horen, juist omdat hij gemakkelijk beïnvloedbaar is. Een andere reden is niet goed voor te
stellen. Dit OM gaat over lijken.

VII de onschuldpresumptie
Het Gemeenschappelijk Hof was als gevolg van de werking van artikel 6, tweede lid, EVRM, niet
vrij in (de formulering van) zijn oordeel over Jamaloodin (bijlage 2). Het Hof mocht met haar
bewoordingen, oordeel en behandeling van Jamaloodin geen afbreuk doen aan de
bevooroordeeldheid van de behandelende eerste strafrechter in de lopende strafzaak tegen
Jamaloodin.

De werking van de onschuldpresumptie leidt ertoe dat het Gemeenschappelijk Hof in een gelinkte
procedure op haar woorden had moeten letten. Het Gemeenschappelijk Hof heeft niet alleen de
suggestie gewekt te geloven in de schuld van Jamaloodin, maar heeft hem al publiekelijk
veroordeeld.

Het EHRM benadrukt steeds zoals hier onder zal blijken, ‘the importance of the choice of words’.
Een rechter mag melding maken van het feit dat iemand wordt vervolgd, maar niet stellen zoals
het Gemeenschappelijk Hof heeft gedaan, dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Hier treedt het

Page 30 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
belang van een onbevooroordeelde strafprocesgang sterk op de voorgrond. Het
Gemeenschappelijk Hof mag vrij geformuleerd, haar eigen rechters niet voor de voeten lopen. Hier
staat juist de reputatie van de verdachte op de voorgrond en niet de eigen propaganda.
Het is de vraag als de hoogste feitelijke rechter op de eilanden de onschuldpresumptie heeft
geschonden of die schending nog kan worden hersteld door een ‘lagere’ rechter in de
strafrechtketen.

Niet alleen is de onschuldpresumptie hier geschonden, maar de met artikel 6 EVRM strijdige
feitenvaststelling door het Gemeenschappelijk Hof is dragend voor de publieke opinie tegen de
verdachte.

Het voorgaande komt erop neer, dat de rechter die de gelegenheid heeft om iets te zeggen over de
schuld of onschuld van een verdachte terughoudend moet zijn. Dat geldt zeker voor een klein
eiland als deze. In feite eist de rechtspraak van het EHRM dat een rechter zich niet meer en
intensiever uitlaat over de feiten die raken aan de schuld van een belanghebbende dan strikt
noodzakelijk is.

Reikwijdte onschuldpresumptie
Het is niet duidelijk waarom de betreffende Hof combinatie namens het Gemeenschappelijk Hof
in een andere zaak om wat voor reden dan ook, zich in de positie heeft gebracht om iets te (moeten)
zeggen over feiten die raken aan de schuld of onschuld van Jamaloodin. Je zou kunnen zeggen dat
wij hier te maken hebben met parallelle procedures.

Beide strafzaken lopen zolang de verdachten zijn onderworpen aan een criminal charge. Grotere
voorzichtigheid is dan geboden. Gedurende die periode is de onschuldpresumptie zonder meer van
toepassing in de parallelle procedure. Is de criminal charge eenmaal aangevangen zoals in dit
geval, beide verdachten werden al geruime tijd vervolgd, dan mag een rechter in een gelinkte

Page 31 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
parallelle procedure wel de staat van beschuldiging aangeven, maar zelfs niet de suggestie wekken
die beschuldiging te geloven. Hier is het Gemeenschappelijk Hof veel verder gegaan.
Zolang er nog een strafprocedure loopt bij een andere rechter al dan niet bij een lagere keten, moet
elke rechter ervoor zorgen geen uitspraken te doen over de (on)schuld van de verdachte. Hij mag
in zijn bewoordingen zelfs niet suggereren in de schuld van de verdachte te geloven.

VIII Veroordeling voor moord op basis van inconsistente getuigenverklaringen


Wij hebben inmiddels natuurlijk de vonnissen van Fonseca in relatie tot het dossier bestudeerd.
Er is in het dossier ‘Maximus’ sprake van inconsistente verklaringen waarvan de
geloofwaardigheid onvoldoende of niet is onderzocht. In 3 van de 4 bewijspijlers komt ook
Jamaloodin voor.

De rechters hebben tot nu toe de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen niet of


onvoldoende in twijfel getrokken of hebben in gevallen waarbij zij dat wel hebben gedaan,
geweigerd de juiste consequenties eraan te verbinden. Hierdoor dreigt ook deze verdachte
substantieel te worden benadeeld ten opzichte van de vervolgende instantie. Door dit gegeven was
het recht op een eerlijk proces in deze ‘Maximus’ zaak tot nu toe, niet practical and effective.
Het is zoals gezegd, nu hoog tijd dat daar verandering in komt.

IX In dubio pro reo


Het voorafgaande onderzoek in deze zaak, kenmerkt zich door zowel een “tunnelvisie” als door
een hoge druk om deze zaak hoe dan ook op te lossen. Ten aanzien van cliënt is een uitgangspositie
gekozen en dat heeft vervolgens het hele traject bepaald. Deze verdachte heeft na zijn publiekelijke
veroordeling door het OM, nooit meer een onbevangen blik ontmoet. Dit mechanisme werkt tot
vandaag in deze rechtszalen door. Het OM gaat immers nog steeds uit van de stellige juistheid van
dit door hen gepresenteerde, zeer verwarrende dossier, welke door de politie is opgesteld. Wij
hopen echter, dat UEA meer oog zal hebben voor de wijze waarop de politie het dossier heeft
gestroomlijnd. Geen enkele zaak mag op grond van valse of onbetrouwbare verklaringen van

Page 32 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
derden, tot een veroordeling leiden. In deze zaak zitten veel voetangels en klemmen. Sinds de
schokkende uitkomsten in onder andere de zaken ‘Schiedamse parkmoord’, ‘Ina Post’ en dichter
bij huis ‘Spelonk’, weten wij nu zeker, dat er ook binnen dit Koninkrijk, mensen jarenlang in een
gevangenis kunnen zitten, als gevolg van juridische systeemfouten, terwijl zij onschuldig zijn. De
rechtsstaat eist naleving van het beginsel, dat de rechter de verdachte in beginsel het voordeel van
de twijfel geeft.

De vooringenomenheid jegens cliënt, welke ook uit dit dossier opdampt, moet onder ogen worden
gezien. Natuurlijk is dit vervelend om te stellen, maar het dossier lezend, is de beantwoording van
de hiermee verband houdende vragen, van levensbelang voor cliënt. Men heeft als gesteld geen
oog gehad voor ontlastende feiten en of de vele in het geheel niet met elkaar te verenigen
tegenstrijdige verklaringen, omdat men er al vrij snel van overtuigd was, dat Jamaloodin een
intellectuele dader moest zijn, althans een van hen. Andere mogelijkheden zijn daardoor niet of
onvoldoende onderzocht. Het meest verontrustend zijn, de twijfels, die door het OM en rechters in
de wind worden geslagen.

In de meeste zaken die in de literatuur worden beschreven, begon de dwaling door fouten in de
onderzoeksfase, die later in het strafproces niet werden gecorrigeerd. De overheersende factor is
de overijverige politie, door de publieke druk om intellectuele daders te produceren. De politie
probeert ervoor te zorgen dat het bewijs past in dat scenario, alles wat tegenspreekt wordt weg
verklaard of gewoon genegeerd. Ook door het Hof in de aanverwante strafzaak. De publieke druk
zorgt er vervolgens voor, dat het OM ook een zaak met zwak bewijs zal doorzetten. De
gruwelijkheid van het misdrijf zorgt er weer voor dat twijfel aan de schuld opzij wordt gezet. U
behoort een waarborg te zijn.

Het is hoe dan ook, zaak, dat UEA nauwlettend toezicht houdt. Bij u ligt immers de
verantwoordelijkheid voor de goede, dat is: rechtvaardige afloop van dit strafproces voor
Jamaloodin.

Page 33 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Deze verdachte moet niet alleen voor de rechter, maar via de media ook voor het volk terecht staan.
We nemen aan dat de magistratuur niet voor de druk van onder andere de publiciteit zwicht, maar
weten dat niet. Specifiek onderzoek daarnaar bestaat niet. Wel laat onderzoek naar justitiële
dwalingen zien, dat veel fouten die uiteindelijk tot vergissingen leiden, in het vooronderzoek
worden gemaakt wanneer de zaak om welke reden ook zeer geruchtmakend is en de
opsporingsinstanties zich gedwongen voelen snel en hoe dan ook met een ‘dader’ te komen. Dat
kan leiden tot wat men noemt “confirmation bias” in het onderzoek: het zich eenzijdig richten op
een bepaalde verdachte (wiens naam overigens dan al snel bekend en openbaar gemaakt wordt
zoals hier), in het bewijs daarnaartoe redeneren en onwillekeurig de ogen sluiten voor andere
mogelijkheden. Op deze wijze de onschuldpresumptie uit het oog verliezen in een gesloten
systeem als het onze, kan funeste consequenties hebben voor elke verdachte. Die zetten zich voort
bij de terechtzitting: ook de rechter kan dan in de valkuil van de “confirmation bias” vallen.
Deze zaak is een juridische Irma.

X Rationaliteit en emotie in schokkende strafzaken: de gevaren voor Jamaloodin.


Het strafproces moet ook in schokkende zaken de rationaliteit in het oog houden, een zekere
scepsis blijven tonen ten aanzien van de “feiten” en de bewijsvoering en de redelijke afweging
blijven behartigen van de meestal tegengestelde belangen.

Naarmate de afschuw voor de daad groter is, is de emotionele druk om tot een oplossing te komen
ook groter. Hierin schuilen in casu talloze gevaren voor de verdachte en voor een adequaat
strafproces en neemt de kans op een gerechtelijke dwaling toe. Het is daarom zaak te wijzen op de
gevaren voor mijn cliënt, die zijn gelegen in de waarheidsvinding en in dit strafproces zelf.

1. Het eerste gevaar is de valse verklaring, zoals die van bijvoorbeeld de getuige(n) Gumbs,
Maria en Boutisma. Het kan liggen aan hun geringe IQ zoals bij Maria, maar ook aan grote
onzorgvuldigheid van de politiemensen of het OM, die al gauw tevreden waren met bijvoorbeeld

Page 34 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
het op schrift gestelde en gekochte verklaring van Boutisma in 2017, zelfs als die verklaringen
zoals hier, “nergens op slaan” en lijnrecht tegenstrijdig zijn met zijn eerdere verklaringen uit 2015.
2. Het tweede gevaar is eveneens bekend en door veel rechtspsychologen omstandig
gedocumenteerd, namelijk de onbetrouwbaarheid van de getuigen. Dit dossier is daar een school
voorbeeld van.
3. In verband hiermee staat het derde gevaar. Verkeerde informatie over personen. Als
iemand in een geruchtmakende zaak is vermeld als behorend tot een verdachte groep, dan is het
kennelijk zeer moeilijk om dat aanvankelijk vermoeden ten aanzien van die groep of die verdachte
te laten varen, zelfs bij sterke contra-indicaties. Niet alleen Jamaloodin, maar ook Robbie dos
Santos, Schotte, Wilsoe en nog vele anderen worden na meer dan zes jaren nog steeds ten onrechte
gebrandmerkt en genoemd als verdachten in deze zaak.
4. Het vierde gevaar is het risico dat men loopt, indien men gebruik maakt van getuigenissen
van verdachten en veroordeelden, die wellicht eigen al dan niet geldelijke en andere belangen
nastreven dan een eerlijk proces voor hun soortgenoten.
5. Het vijfde gevaar ligt in het feit, dat als men geneigd is bij een schokkende daad als deze,
tot het uiterste te gaan, men geen of weinig moeite zal doen om tegengestelde informatie de juiste
weging te geven.
6. Een van de grootste gevaren echter is wat de Amerikaanse oud-Officier van Justitie en
advocaat Scott Turow, de “emotionalism of grave crimes” noemt (S. Turow, Ultimate Punishment,
a lawyers reflections on dealing with the death penalty, New York: Farrar, Straus and Giraux, 2003
pag. 34). Door de emotionele pressie, volgen het OM en politiemensen vaak een snel en plausibel
spoor en laten ze na andere sporen even grondig en even systematisch te onderzoeken. Dit is het
zesde gevaar, alternatieve hypothesen worden niet onderzocht. Men heeft hier te snel genoegen
genomen met de vage aanwijzingen die er te vinden zijn in ‘de straat’ en lang, veels te lang
doorgegaan met die aanwijzingen. Niet iedereen is Scherlock Holmes, maar in zaken, waar zoveel
op het spel staat, zou men meer zorgvuldigheid mogen verwachten.
7. Het zevende gevaar, is het onwillekeurig omkeren van de bewijslast. Iemand die van zo’n
ernstig, monsterlijk misdrijf wordt beticht, heeft de schijn snel tegen. Al het gewicht komt te liggen

Page 35 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
op aanwijzingen dat de verdachte persoon het ook inderdaad gedaan heeft, maar het bewijs is zwak.
Niet het systeem moet dan bewijzen dat de persoon schuldig is, maar de persoon moet met alle
middelen bewijzen dat hij/zij echt onschuldig is. Dat kan uitmonden in een onjuiste veroordeling.
Gisteren nog kwam dit aan de orde doordat U tegen Jamaloodin zei: “Wat heeft u in al die jaren
gedaan om te bewijzen wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden met de uniformen”. Hoewel dit
natuurlijk de omgekeerde wereld is, heeft Jamaloodin wel uit laten zoeken of de belastende uitleg
die het OM geeft aan de term ‘uniformen’, feitelijk juist kan zijn. Uit het onderzoek van mevrouw
Krielen kan geconcludeerd worden dat dit niet zo is. Waarom zou hij dan ook nog moeten
onderzoeken wat er toen wel heeft plaatsgevonden als de belastende uitleg al feitelijk onjuist blijkt
te zijn?
8. Het achtste en laatste gevaar voor Jamaloodin, is de geringe bereidheid tot nu toe bij de
hoofdrolspelers van het strafsysteem, om fouten te herkennen tegen alle redelijkheid in. Zelfs toen
tegenbewijzen zich bleven opstapelen.

PASSAAT
Teneinde een bijdrage aan deze zaak te kunnen leveren heb ik weer het dossier ‘Bientu’ en in het
bijzonder het deelonderzoek dossier ‘Passaat’ weer doorgenomen. Eigenlijk viel ik bij het weer
lezen van het dossier tegen de achtergrond van dit verwijt, van de ene in de andere verbazing en
rees bij mij de vraag, hoe het toch mogelijk is dat men deze zaak weer oppakt en doorzet.
In het bijzonder ook de in deze zaak zo belangrijke Aanschrijving is in feite identiek aan die in de
‘Bientu’ zaak. Het is zelfs dezelfde aanschrijving. Na nadere bestudering heb ik een beeld gevormd
van de namens cliënt te voeren verdediging. Er is namelijk al eerder een oordeel geveld over het
dossier ‘Passaat’. En dat weet ook het OM.

Het onderzoek ‘Passaat’ betreft een onderzoek dat al eerder, jaren geleden, vanaf 2011 gericht was
tegen cliënt destijds Minister van Financiën Jamaloodin en zijn broer. Gebleken is toen dat het

Page 36 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
onderzoek dossier geen spoor van bewijs van strafbare feiten bevatte en dus daarom al alleen tot
sepot kon of kan leiden. Van nieuwe feiten is niet gebleken.

Dat is al een eerste vervolgingsbeletsel. Reeds het beleid ten aanzien van Aanschrijvingen waar
het hier om gaat, werpt meteen al beletselen op die ten grondslag kunnen worden gelegd aan de
conclusie, dat het Openbaar Ministerie al meer dan voldoende tijd heeft gehad om het tegendeel te
bewijzen. Dat zal hun overigens onder andere op basis van de verklaring van de ter zake
deskundigen waaronder degene die heeft meegewerkt aan de opstelling van de betreffende
Aanschrijving niet lukken.

Vanwege deze onbezonnen actie van het Openbaar Ministerie en doordat het Openbaar Ministerie
al eerder op de hoogte is geraakt van de juiste feitelijke gang van zaken, is de conclusie
gerechtvaardigd, dat er andere motieven aan ten grondslag liggen om deze zaak die al jaren
compleet stilligt, voor het eerst na 8 jaren op een dagvaarding te doen verschijnen.

De zaak duurt al acht jaar en is al jaren geleden (2012) stilgelegd. Het is onmenselijk om de zaak
nu weer op te pakken. Te meer nu het Openbaar Ministerie weet dat de handelwijze met betrekking
tot de Aanschrijving niets strafbaars oplevert, gebruikelijk is en bovendien bekend bij de
autoriteiten. Het Openbaar Ministerie heeft zelfs de topambtenaar Lopes – Ramirez die cliënt als
belastingdeskundige toentertijd in deze heeft begeleid, al uitgebreid gehoord. Nooit eerder is
besloten om strafrechtelijk daadwerkelijk in te grijpen. Nu wordt cliënt 8 (!) jaren na de betreffende
Aanschrijving geconfronteerd met de ultieme poging om hem aan de schandpaal te nagelen. Een
bijzonder oneerlijke situatie. Het zou goed en juist zijn indien U ook aan deze onrechtvaardige
situatie snel een einde maakt.

De inkeerregeling en de Aanschrijving
De in de wet verankerde inkeerregeling biedt de belastingplichtige de mogelijkheid zijn fiscale
zonden op te biechten. De inkeerregeling geldt specifiek voor het fiscale recht. De inkeerregeling

Page 37 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
is gebaseerd op de Nederlandse wetgeving met als initiator op Curaçao, mr. F. Metry. Al in
2008/2009 werd hierover onder aanvoering van Metry in de Staten gediscussieerd. In 2011 heeft
de toenmalige regering van Curaçao op aandringen van gouverneur mr. Goedgedrag, de hand aan
de ‘chapi’ geslagen en gekozen voor een daadkrachtige benadering. De Minister van Financiën op
Curaçao heeft op de televisie en bij Aanschrijving van 7 april 2011 een bijzondere inkeerregeling
aangekondigd (bijlage 4).24 De Minister van Financiën keurde de Aanschrijving goed met ingang
van 7 april 2011, de datum waarop het geheel op de televisie is aangekondigd (bijlage 5).
Hoewel strikt genomen niet relevant voor het strafrecht wil de verdediging toch het onjuist beeld
corrigeren dat cliënt als Minister van Financiën de bijzondere inkeerregeling heeft aangekondigd
zodat zijn broer de heer Dos Santos daarvan gebruik kon maken. Die gedachtegang is gewoon niet
waar.

Zoals ook de heer J.G. Lopez Ramirez, Adjunct-Directeur-generaal Fiscale Zaken heeft verklaard,
is de nieuwe regeling niet in de ambtstermijn van cliënt ontwikkeld, maar al veel eerder. Het is
Statenlid de heer Metry die in 2009 het initiatief heeft genomen als onderdeel van het Belastingplan
2011. De heer Lopez Ramirez is ten overstaan van het RST op 22 augustus 2011 gehoord en heeft
als volgt over de in het wetsontwerp opgenomen ‘inkeerregeling’ verklaard (vraag 7):
‘Dat het onderdeel is van de Belastingvoorziening 2011 en dat die grotendeels is overgenomen
van het initiatiefvoorstel van de heer Metry. Dit voorstel is anderhalf jaar geleden (dus in 2009,
toevoeging ES) al ingediend door de Staten.’ 25 (bijlage 6)

In het dossier ‘Bientu’, met name het onderdeel ‘Passaat’, wordt veel aandacht geschonken aan de
inkeerregeling en de daaraan verbonden Aanschrijving. De vraag was, wat de betekenis van dit
dossier was voor de beoordeling in de zaak ‘Bientu’. Het niet verassende antwoord was: bitter
weinig. Daarmee is dan ook gelijk een argument beschikbaar voor het feit dat zowel het OM als

24
Onderdeel van dossier ‘Passaat’.
25
Pagina 00366 e.v dossier Passaat.

Page 38 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
het gerecht de zaak Passaat met haar Aanschrijving – die als zodanig niet eens op de dagvaarding
‘Bientu’ voorkwam – links hebben laten liggen.

Het verbaast dan ook dat het Openbaar Ministerie dit dossier na lange tijd weer uit de oude kast
heeft gehaald. Het Openbaar Ministerie heeft toentertijd immers degene gehoord die als
deskundige cliënt op het traject van de inkeer in het algemeen en voor wat betreft de aanschrijving
in het bijzonder heeft begeleid. De heer Lopez Ramirez is in het bijzonder ook over de
aanschrijving gehoord.26 Hij heeft mede de betreffende aanschrijving opgesteld.

De antwoorden van deze deskundige zijn helder en duidelijk. Er is niets aan de hand. Een
aanschrijving treedt volgens hem niet pas in werking na de officiële bekendmaking (vraag 38). Het
feit dat de aanschrijving de datum vermeldt waarop het door de Minister van Financiën is
aangekondigd, dus 7 april 2011 betekent helemaal niets (vraag 46). Er zijn volgens de heer Lopez
Ramirez zelfs aanschrijvingen die vooruitlopen op wetswijzigingen die op dat moment nog niet
eens rechtskracht hebben (vraag 51). Ook uit de gestelde vragen onder 70 en 71 blijkt dat er hier
niets aan de hand is. Uit de processen-verbaal blijkt niet dat cliënt iets verkeerds heeft gedaan en
zeker niet iets strafbaars. Er zijn dan ook op basis van dezelfde aanschrijving 11 verzoeken tot
inkeer ingediend (bijlage 7) en de overheid heeft op basis daarvan miljoenen geïnd.

Met name ook in een opgenomen telefoongesprek tussen cliënt en de heer Lopez Ramirez blijkt
dat er niets aan de hand is en dat cliënt alles te goeder trouw en in overleg met de deskundigen ter
zake heeft gedaan (bijlage 8).27

Ook het antwoord van het Hoofd van de Inspectie der Belastingen van Belastingdienst Curaçao is
veelzeggend. De vraag aan haar luidde als volgt:

26
Bijlage 6.
27
Deeldossier Passaat deel 2 bijlage 19 pagina’s 00468 t/m 00472.

Page 39 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
‘Indien uit onderzoek blijkt dat de Aanschrijving met dagtekening van 7 april 2011 in
werkelijkheid op een andere datum is opgesteld en/of ondertekend dan op 7 april 2011, welke
gevolgen heeft dat dan voor de geldigheid van de aanschrijving en – daarmee – voor de geldigheid
van het verzoek om inkeer d.d. 11 april 2011? Dit was haar antwoord: ..‘ Het kan mijns inziens
geen gevolgen hebben voor de geldigheid van de Aanschrijving.’ 28(Bijlage 9)

Wat het RST overigens (evenals het geval bij getuige Lopez Ramirez) niet heeft aangegeven, is
dat de mogelijkheid tot inkeer al op 7 april 2011 via de nationale televisie is aangekondigd (bijlage
4). Dat is immers een belangrijke omstandigheid.

Client heeft zich gedurende het hele traject laten voorlichten door gerenommeerde
belastingdeskundigen. Hij is als Minister van Financiën binnen de beoordelingsruimte gebleven
met zijn keuze voor de dag waarop de mogelijkheid in de media is aangekondigd (7 april 2011) en
kan bovendien niet gezegd worden dat de gemaakte keuze van redelijke grond is ontbloot.
Kortom dit handelen van het openbaar ministerie is ongepast, ongefundeerd en juridisch ook
buitenproportioneel. Het is duidelijk dat het Openbaar Ministerie anders dan de heer Lopez
Ramirez en mevrouw Isenia, niet vertrouwd is met fiscale gebruiken en kennelijk een persoonlijke
afkeer heeft van cliënt. Voor de verdediging is dit de enige verklaring voor het feit dat het OM na
8 jaren weer zoveel energie gaat steken in een jaren geleden al afgelegde zaak. Het is alsof de
officier van justitie ‘coute que coute’ wil voorkomen dat cliënt eindelijk met rust wordt gelaten.
Daarbij focust men zich na jarenlang stilzitten op een kansloze zaak. Uit het hele dossier ‘Passaat’
valt niet op te maken dat het Openbaar Ministerie ondanks al haar jarenlange pogingen enig
strafbaar feit heeft kunnen construeren.

Nu de officieren van justitie (mrs. Angela, Mul en van den Werff) niet tot de conclusie zijn
gekomen dat cliënt enig strafbaar feit heeft gepleegd althans een vervolging van cliënt niet hebben

28
Pagina 000326 van het dossier Passaat.

Page 40 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
aangedurfd en de rechter in de ‘Bientu’ zaak, evenmin in zijn oordeel over de inkeerregeling en de
Aanschrijving dit Passaat dossier heeft betrokken, kan de conclusie van de verdediging geen
andere zijn, dan dat het OM kost wat kost een oude zaak tegen cliënt wil optuigen.
Voor functionarissen die onafhankelijk en zonder aanziens des persoon moeten handelen een
onvergefelijke attitude. Op basis van het Passaat dossier en wat hier is aangevoerd, is duidelijk dat
de betreffende Aanschrijving voldoet. Verder is buiten twijfel dat de aanschrijving door eenieder
als geldig is erkend.

Het onderdeel van het omvangrijke proces-verbaal ‘Bientu’ dat betrekking heeft op de inkeer,
draagt dus de naam “Passaat”. Daarin wordt de aanschrijving van cliënt zoals gezegd in een kwaad
daglicht gesteld en is getracht te construeren dat de inkeermelding van de heer Dos Santos, een
‘één tweetje’ was met zijn halfbroer, cliënt, de toenmalige Minister van Financiën.
Dat kwade daglicht is niet op de dagvaarding gekomen omdat het eenvoudigweg geen feitelijke
basis had. Voor die conspiratie inhoudende de aanschrijving, heeft het Openbaar Ministerie geen
enkel bewijs gevonden en was het dossier Passaat daarmee ook van de baan. Derhalve zou dit
Passaat dossier eigenlijk geen verdere bespreking behoeven.

De aanschrijving van de Minister van Financiën van 7 april 2011 waarin hij bepaalt dat
belastingplichtigen – teneinde hen te stimuleren gebruik te maken van de inkeerregeling – zich al
kunnen melden voor de nieuwe inkeerregeling zou volgens het Openbaar Ministerie niet geldig
zijn. In de ‘Bientu’ zaak is onder andere op basis van getuigenverhoren gebleken dat dit een
volstrekt ondeugdelijke benadering is. Het dossier Passaat heeft dan ook niet meer dan een ruis
veroorzaakt en is terecht al vrij snel terzijde geschoven door zowel de behandelende officieren van
justitie als later de rechter. Naar onze mening moet ook UEA in navolging hiervan dit dossier
negeren, om de eenvoudige reden dat daaruit na diepgaand onderzoek, geen strafbare feiten naar
voren zijn gekomen. Het oordeel kan nu niet anders zijn.

Page 41 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Volledigheidshalve zijn hierbij nog een aantal adviezen van deskundigen overgelegd, waaruit
blijkt dat er daadwerkelijk niets aan de hand is (bijlage 10).

Het niet te overschatten processuele belang van cliënt, gelet op de reeds lang verstreken periode
waarin hij als verdachte werd aangemerkt en ook verhoord, staat als een paal boven water.
De OvJ kan, gelet op het lange tijdsverloop sedert het horen van cliënt als verdachte zich ook niet
(meer) verschuilen achter het vaak algemeen gehanteerde argument dat de stand van het onderzoek
niet kan worden prijsgegeven.

Wat in casu gebeurt is, is uit een oogpunt van een eerlijke en behoorlijke procesvoering,
onacceptabel. De schade en onzekerheid die cliënt lijdt is groot en is zeker niet meer weg te nemen.
Met alle respect, maar de stelling als zou cliënt valsheid in geschrifte hebben gepleegd, is een
onzinnige stelling. Bovendien is het ongelofelijk dat de officieren van justitie zonder enig nader
onderzoek en zonder enige behoorlijke afstemming met de belastinginspecteur proberen cliënt na
meer dan acht (8) jaren knock-out te slaan. Het credo is kennelijk: ‘uw cliënt moet niet denken dat
hij hiermee weg komt. Wij gaan gewoon door.”

De inkeermelding was het gevolg van een bekendmaking van een Aanschrijving door de Minister
van Financiën. Enige aanleiding om het Openbaar Ministerie op de hoogte te stellen van een
‘beweerde’ valsheid in geschrifte, had de Inspectie der belastingen niet. De Inspectie had het
Openbaar Ministerie immers niet bij dit dossier betrokken. Dat laatste is weer volstrekt logisch nu
aan de Aanschrijving en afkondiging geen gebreken kleefde. Daarom is het ook nooit tot een
vervolging van het Passaatdossier in de ‘Bientu’ zaak gekomen.

Uit dit proces-verbaal blijkt niet dat de inspecteur, mevrouw Isenia, de Aanschrijving aan het
Openbaar Ministerie heeft gestuurd met de opdracht de heer Jamaloodin te vervolgen. Integendeel.
Mevrouw Isenia heeft zoals blijkt uit hetzelfde proces-verbaal de heer Hensing medegedeeld dat
zij het Openbaar Ministerie in kennis heeft gesteld van het beroep op de inkeerregeling nadat zij

Page 42 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
had vernomen dat de heer Dos Santos in een strafrechtelijk onderzoek was betrokken en de
uitkomst van dat onderzoek wil afwachten teneinde een beslissing te kunnen nemen. Dat
onderzoek heeft in ieder geval geen bewijs van valsheid ten aanzien van het handelen van
Jamaloodin opgeleverd.

De handelswijze van mevrouw Isenia is dus compleet volgens het boekje geweest. Zo heeft
mevrouw Isenia in haar brief van 30 maart 2012 de Directeur Fiscale Zaken, mevrouw Mr. C.
Taylor, geïnformeerd dat tot 2 april 2012 elf inkeer meldingen zijn binnen gekomen (bijlage 11).
Bij brief van 14 mei 2012 bericht de Directeur Fiscale Zaken mevrouw Isenia dat er geen beletselen
zijn om de ingediende inkeermeldingen gebaseerd op de Aanschrijving af te handelen en op basis
van de eigen bevoegdheid de rechtsgeldigheid en de volledigheid van de inkeer te toetsen. Van
valsheid in geschifte of een ander strafbaar feit, was dus met betrekking tot de Aanschrijving geen
sprake.

Dat is een ontluisterende constatering. Dan wel laat deze houding na 8 jaren, zich alleen maar
verklaren door een totaal gebrek aan begrip van de Aanschrijving en het ambtelijk handelen.
Er is duidelijk sprake van een aversie tegen cliënt. Die blind gemaakt voor de noodzaak van een
onderzoek tegen client, niet alleen tegen het licht van deze zaak, maar juist binnen het kader van
de voor cliënt zo belangrijke eerdere uitkomsten van het Passaatdossier. Dat dossier is niet serieus
genomen. Zulks is te meer schrijnend nu het beroep op de Aanschrijving gebaseerd op de
inkeerregeling de start van de meeste onderzoek handelingen tegen de broer van cliënt was en het
eindresultaat voor wat betreft Passaat, bij het openbaar ministerie bekend was. Het onderzoek naar
de vraag of er sprake was van een ‘een – tweetje’ tussen verdachte en zijn halfbroer had immers
prioriteit nummer 1 gekregen. Dat daarbij nauw is samengewerkt met de belastinginspecteur is –
gelet het primaat van de belastingdienst en de regelgeving rondom de inkeer – niet meer dan
logisch en noodzakelijk. De conclusie van de verdediging kan geen andere zijn dan dat de
officieren van justitie kost wat kost deze zaak tegen cliënt weer willen optuigen.

Page 43 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Geen opzet
Op basis van het dossier concludeert de verdediging weer dat de Aanschrijving, zoals door diverse
deskundigen bevestigt, voldoet aan alle vereisten die wet en regelgeving stellen. Het is gedateerd
op de dag dat het publiekelijk is afgekondigd. Die afkondiging, moet worden gezien als een eerste
stap in een inkeertraject. Conform de vaste praktijk is de afkondiging, slechts een melding
gebaseerd op de dag dat het in een perspresentatie is afgekondigd. Vervolgens zijn velen met de
inspecteur nader in overleg getreden. Die bedoeling is door de vele deskundigen in het dossier,
ook expliciet naar voren gebracht. Meer is het niet.

Aldus kan dan ook niet na acht (!) jaren, de conclusie worden getrokken dat de Aanschrijving niet
aan de eisen van de inkeerregeling voldoet en vals is. Daarvoor had eerst in overleg met de
belastinginspecteur moeten worden getreden over de fiscale duiding daarvan. 29 Zeker voor client
zijn de gevolgen van deze onzinnige vervolging, geen ‘piece of cake’. Aan deze beschuldiging,
kleven de nodige haken en ogen. Belastingwetgeving is helaas voor ons leken, niet altijd even
duidelijk zodat overleg op dit punt met de geëigende instantie, de belastinginspecteur,
logischerwijs een noodzakelijk onderdeel van het proces had moeten vormen, meer dat heeft het
OM nooit aangedurfd.

Dat overleggen met de fiscus in deze gevallen heel gebruikelijk is, blijkt ook uit het feit dat andere
inkeerders, die gebruik hebben gemaakt van de volgens het OM ongeldige en valse Aankondiging
van de inkeerregeling, een fiscale overeenkomst met de Inspecteur hebben kunnen sluiten.
Verder is dus buiten twijfel dat de aankondiging met datum 7 april 2011 als geldig moet worden
erkend.

Gelet op de Aanschrijving van 7 april 2011 en de focus op dat moment op de in te keren privé
personen een begrijpelijke keuze van cliënt.

29
Zie onder andere het telefoongesprek tussen cliënt als Minister van Justitie en een van zijn adviseurs de heer
Lopez Ramirez; alsook de deskundigen rapportages van o.a. mr. Dingemans, strafrecht docent aan onze Universiteit.

Page 44 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
Conclusie “Passaat”
Het onderdeel van het omvangrijke proces-verbaal ‘Bientu’ dat betrekking heeft op deze kwestie
van de Aanschrijving draagt dus de naam “Passaat”. Daarin is dus tevergeefs gepoogd te
construeren dat de Aanschrijving door cliënt een ‘één tweetje’ was met zijn halfbroer (bijlage)
11.30

Dat kwade daglicht is niet op de dagvaarding van zijn broer terecht gekomen, ondanks het feit dat
het OM altijd heeft volgehouden dat het hier om medeplegen ging. Voor die conspiratie heeft het
Openbaar Ministerie naar eigen zeggen, geen bewijs gevonden en was daarmee ook het
Passaatdossier in de “Bientu’ zaak van de baan. Al daarom zou dit Passaat dossier eigenlijk geen
bespreking behoeven.

Nu dit dossier ziet op de aanschrijving, had verwacht mogen worden dat na meer dan 8 jaren, dat
daarin al een integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Dat alle relevante feiten al zouden zijn
onderzocht en vastgelegd. Zoals al eerder is toegelicht blijkt dat allang het geval te zijn geweest.
In plaats van het bovenstaande te aanvaarden dat de Aanschrijving in strafrechtelijk opzicht geldig
is, staat de focus volledig op de persoon van cliënt. De eerdere onderzoek handelingen en de
daaraan ten grondslag gelegde stellingen, welke onjuist zijn gebleken, worden gewoon
doodgezwegen. De aanschrijving van de Minister van Financiën van 7 april 2011 waarin hij
bepaalt dat belastingplichtigen – teneinde hen te stimuleren gebruik te maken van de
inkeerregeling – zich al kunnen melden voor de nieuwe inkeerregeling zou volgens de
aanvankelijke stelling van het Openbaar Ministerie niet geldig zijn. Dat hebben zij in het
onderzoek ‘Bientu’ op geen enkele wijze hard kunnen maken. Ook de belastingdienst heeft zich
hiervan niets aangetrokken en heeft vele inkeerders op basis van deze geldige Aanschrijving
afgehandeld en miljoenen geïnd. Alleen bij de halfbroer van verdachte is in verband met een toen

30
Zie ook Procesdossier Passaat pagina 871.

Page 45 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619
naar hem lopend onderzoek voor belastingontduiking, welke geen verband hield met deze
Aanschrijving, niet afgehandeld.

Een ondeugdelijk benadering dus. Overigens bestonden de strafrechtelijke én de fiscale


inkeerregeling al (lang) voordat de aanschrijving de aandacht vestigde op de nieuwe fiscale
inkeerregeling met fikse lagere belastingtarieven. Die vraag staat in deze strafrechtelijke procedure
echter geenszins centraal. Het dossier Passaat heeft in ‘Bientu’ niet meer dan ruis veroorzaakt voor
de vraag die vandaag aan de orde is. Naar onze mening kan dit dossier nog steeds gewoon worden
genegeerd. Eén omdat daaruit geen strafbare feiten naar voren zijn gekomen. Twee omdat dit
dossier onaangetast, zonder novum, niet na meer dan 8 jaren een andersluidend oordeel kan of mag
dragen (bijlage 12).

Deze zaak kan alleen maar tot vrijspraak leiden.

Page 46 of 46 om-jamaloodin.pleitGEA110619