HET EFFECT VAN ILLUSTRATIES EN LEESVAARDIGHEID OP HET BEGRIP VAN TECHNISCHE TEKSTEN BIJ 11- EN 12-JARIGEN

Arjan Deij doctoraalscriptie communicatiekunde vakgroep Nederlands RU Utrecht

1e begeleider: dr. H. van den Bergh 2e begeleider: drs. J. Schilperoord

Samenvatting In deze studie wordt onderzocht of toevoeging van illustraties in relatief technische teksten leidt tot meer tekstbegrip. Daarbij is nagegaan of een eventueel effect van illustraties afhankelijk is van (a) een specifiek inhoudelijke relatie tussen tekst en illustratie en (b) het leesvaardigheidsniveau van de proefpersonen. Van twee (relatief technische) teksten werden drie versies gemaakt: zonder illustraties, met inhoudelijke en met niet-inhoudelijke illustraties. Zeventig leerlingen van de hoogste klas van de basisschool maakten een tekstbegriptoets over één van deze teksten. Bovendien werd middels een cloze-toets hun leesvaardigheid gemeten. Bij beide teksten blijken de inhoudelijke illustraties meer verhelderend te worden gevonden dan niet-inhoudelijke, maar slechts bij één tekst hebben de inhoudelijke illustraties meer tekstbegrip tot gevolg, en dan alleen nog maar bij de minder leesvaardige proefpersonen. Een tekst met niet-inhoudelijke plaatjes deed de vragen erover gemakkelijker lijken dan een tekst zonder plaatjes.

1

VOORWOORD Deze scriptie is geschreven in het kader van mijn afstudeerproject bij de afdeling communicatiekunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Al in een eerdere fase van mijn opleiding had ik mij verdiept in een fenomeen dat in de taalbeheersing naar mijn mening te weinig aandacht krijgt: illustraties. Toen betrof het vooral literatuurstudie. Het leek mij echter zeer zinvol om bestaande ideeën omtrent illustraties te toetsen aan de praktijk, en zo is het idee voor deze scriptie geboren. Vanaf deze plaats wil ik mijn oprechte dank uitspreken aan diegenen die hebben bijgedragen aan het welslagen van deze scriptie. In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar mijn begeleider Huub van den Bergh, die mij tijdens het schrijven van deze scriptie steeds heeft gestimuleerd en geholpen bij alle fasen in de uitvoering van mijn onderzoek. Zijn hulp bij de statistische verwerking van de onderzoeksdata mag daarbij zeker niet ongenoemd blijven. Ook Joost Schilperoord wilde ik bedanken voor zijn commentaar in latere fasen van dit onderzoek. Verder is een woord van dank op zijn plaats voor de personen die mij in de beginfase van dit project ideeën hebben geleverd voor een goede uitvoering van dit project: dr. J. Peeck van de vakgroep psychonomie en Ferdi Kishna. Niet in de laatste plaats gaat mijn dank ook uit naar de 70 leerlingen en hun docenten van de volgende basisscholen in Zeist: de Griffensteijn, de Hoeksteen, de Kerckeboschschool, de St. Paulusschool en de St. Willebrordusschool. Zonder hun belangeloze medewerking kunnen worden. had dit project niet uitgevoerd

Ik hoop dat deze scriptie de aandacht van taalbeheersers voor illustraties zal doen toenemen. Zeist, maart 1994 Arjan Deij

INHOUD

Samenvatting............................................. Voorwoord................................................ 1. Inleiding............................................. 1.1. Effecten van illustraties........................... 1.2. Inhoud van de illustraties.......................... 1.3. Leesvaardigheid en illustratie-effecten............. 1.4. Hypothesen..........................................

2 3 6 6 7 9 9

2. Methode van onderzoek................................. 12 2.1. Proefpersonen....................................... 12 2.2. Materialen.......................................... 12 2.2.1. 2.2.2. 2.2.3. 2.2.4. Teksten........................................... Illustraties...................................... Vragen............................................ Cloze-test........................................ 12 12 13 14

2.3. Procedure........................................... 15 3. Resultaten............................................ 16 3.1. De tekstbegripvragen................................ 16 3.2. De invloed van leesvaardigheid...................... 19 3.3. De waarderingsvragen ............................... 21 4. Discussie............................................. 24 Literatuur............................................... 29 Bijlagen................................................. 33 Bijlage 1. Katroltekst met niet-functionele illustraties ...................................... 34 Bijlage 2. Katroltekst met functionele illustraties...... 40

3

Bijlage 3. Tekstbegripvragen bij de katroltekst.......... 45 Bijlage 4. Motorentekst met niet-functionele illustraties .................................. Bijlage 5. Motorentekst met functionele illustraties..... Bijlage 6. Tekstbegripvragen bij de motorentekst......... Bijlage 7. De evaluatievragen bij beide teksten.......... Bijlage 54 60 66 72

8. Cloze-toets ter meting van de leesvaardigheid ................................... 75

3

1. INLEIDING In deze studie is onderzocht of illustraties in relatief technische teksten voor leerlingen van groep 8 van de basisschool een positief effect hebben op de mate van begrip van zo'n tekst. Bovendien is nagegaan of een eventueel effect afhankelijk is van (a) een specifiek inhoudelijke relatie tussen tekst en illustratie en (b) het leesvaardigheidsniveau van de proefpersonen. 1.1. Effecten van illustraties Het effect van illustraties is onderzocht voor een grote verscheidenheid aan soorten teksten, soorten illustraties en soorten lezers. De lezer die zich grondig wil verdiepen in het onderzoek naar het gebruik van illustraties wordt verwezen naar Levie & Lentz (1982), Willows & Houghton (1987) en Mandl & Levin (1989). De meeste studies tonen een positief effect van illustraties aan met betrekking tot tekstbegrip en -retentie. Levie en Lentz komen in hun uitgebreide review-artikel tot de conclusie dat illustraties in 98% van de gevallen een positief effect hebben, waarvan 85% significant1. Reid, Briggs & Beveridge (1983) tonen het effect van plaatjes aan in teksten met een biologisch onderwerp voor 14-jarigen. Rusted & Hodgson (1985) maken duidelijk dat illustraties vooral nuttig zijn in zakelijke teksten voor 9-jarigen. Moore & Skinner (1985) tonen ook een effect van plaatjes aan, maar alleen bij abstracte tekstpassages in verhalende teksten, niet bij concrete passages. Reinking, Hayes & McEneaney (1988) laten zien dat plaatjes effect hebben in biologische en geografische teksten voor 12- tot 14-jarigen. Purnell & Solman (1991) concluderen dat tekst gecombineerd met illustraties meer effect heeft dan illustraties zonder tekst, hoewel die laatste conditie het nog altijd beter doet
1

Levie & Lentz (1982), p. 213.

3

dan alleen tekst. In het onderzoek van Gambrill & Jawitz (1993) tenslotte, scoren 10-jarigen die plaatjes kregen aangeboden bij een verhalende tekst, hoger dan leerlingen die de tekst zonder plaatjes kregen aangeboden. Maar er zijn ook studies die geen effect van illustraties kunnen aantonen, zoals Thomas (1978), die 10-jarigen natuurkundige teksten heeft voorgelegd. In het hierboven aangehaalde onderzoek van Moore & Skinner maakt het bij concrete tekstpassages niet uit of er wel of geen illustraties bijstaan. Reid & Beveridge (1986) kunnen geen overalleffect van illustraties bij 13-jarigen aantonen, wel een effect voor leerlingen die goed zijn in het onderwerp van de tekst (biologie). Ook in het onderzoek van Kanselaar, Boonman, Peeck, Bos, Kramer & Zwijgers (1987) is geen faciliterend effect aangetoond van plaatjes in teksten over houten gevelbekledingen voor leerlingen in hout- en bouwtechniek. 1.2. Inhoud van de illustraties Het onderzoek in dit veld laat dus zien dat het effect van illustraties niet onder alle omstandigheden gelijk is. Dit roept de vraag op wanneer illustraties effectief zijn. Willows, Borwick & Hayvren (1981) veronderstellen dat het effect afhankelijk is van de eigenschappen van de plaatjes zelf, de proefpersonen en de tekst. Schallert (1980) legt vooral de nadruk op de criteria waaraan de illustraties moeten voldoen. Volgens haar zijn illustraties pas zinnig als ze informatie afbeelden die centraal staat in de tekst, nieuwe inhoud aanbieden die belangrijk is voor het begrijpen van de totale boodschap van de tekst en wanneer ze de structurele relaties laten zien die in de tekst worden genoemd. Is het effect van een illustratie direct afhankelijk van een inhoudelijke relatie tussen tekst en illustratie? Er zijn studies die zo'n veronderstelling aannemelijk maken.

3

Inleiding Goldstein & Underwood (1981) komen in hun review-artikel tot de slotsom dat het effect van een plaatje afhangt van de representativiteit van dat plaatje met betrekking tot de tekstinhoud. Daarbij dient wel aangetekend te worden dat zij zich voornamelijk richten op beginnende lezers. Levie & Lentz (1982) menen dat illustraties geen effect hebben op het leren van niet-geïllustreerde informatie, wel op geïllustreerde informatie. Hayes & Readence (1983) concluderen dat bij 13-jarigen illustraties effectiever zijn naarmate de tekst meer afhankelijk is van die illustraties. Waddill, McDaniel & Einstein (1988) kunnen bij adolescenten alleen een effect van plaatjes voor gellustreerde informatie aantonen, niet voor niet-geïllustreerde informatie. Genoemde studies suggereren een nauwe relatie tussen de inhoud van de tekst, de inhoud van de illustratie en het effect van die illustratie. Echter, er zijn ook studies die laten zien dat een effect van illustraties niet altijd afhankelijk is van een één-op-één-relatie tussen de inhoud van de tekst en de inhoud van de illustratie. Dit zijn voornamelijk die studies die aantonen dat illustraties een positief effect hebben op het begrip van zaken die niet geïllustreerd zijn. Moore & Skinner (1985) bijvoorbeeld laten zien dat plaatjes 11jarigen helpen om impliciete informatie af te leiden uit verhalende abstracte tekstpassages. Rusted & Hodgson (1985) tonen aan dat illustraties bij 9-jarigen effect hebben voor niet-afgebeelde inhoudselementen in zakelijke teksten. In een zeer recent onderzoek bij jonge kinderen (1e en 3e klas) komen Small, Lovett & Scher (1993) tot dezelfde conclusie; hoewel zij wel aangeven dat er wel enigszins een verband moet blijven tussen inhoud van het plaatje en de tekst: totaal irrelevante plaatjes hebben geen effect.

7

Inleiding

1.3. Leesvaardigheid en illustratie-effecten Willows e.a. (1981), Levin (1983) en ook Peeck (1987) stellen dat het effect van illustraties ook afhangt van allerlei lezerskenmerken, waaronder leesvaardigheid. Sommige empirische onderzoeken tonen aan dat slechte lezers meer van plaatjes profiteren dan goede lezers, bijvoorbeeld Wardle (1977), die natuurkundige teksten heeft gebruikt voor 12/13jarigen. Goldstein & Underwood (1981) komen in hun reviewartikel tot dezelfde conclusie, zij het dat hun conclusies vooral betrekking hebben op beginnende lezers. Ook Reinking, Hayes & McEneaney (1988) vinden hetzelfde resultaat, voor 13/14-jarigen die teksten met biologische of geografische onderwerpen te lezen kregen. Maar ook hier wijzen niet alle onderzoeken eenduidig in dezelfde richting. Thomas (1978) combineert het leesvaardigheidsniveau van 10-jarigen met hun resultaten voor natuurkunde. Daarbij blijkt geen interactie op te treden tussen het (gecombineerde) vaardigheidsniveau en illustraties. Ook Kanselaar e.a.(1987) vinden geen interactie-effect bij een tekst over gevelbekledingen voor personen rond de 17 jaar. Donald (1983) komt met een merkwaardig resultaat: voor wat oudere leerlingen (± 9 jaar) blijken illustraties voor slechte lezers inderdaad effectiever dan voor goede lezers, maar bij beginnende lezers (± 7 jaar) zijn plaatjes juist effectiever voor goede lezers. 1.4. Hypothesen Uit het bovenstaande literatuuroverzicht wordt duidelijk dat illustraties niet per definitie een positief effect hebben op tekstbegrip en -retentie. Twee factoren die van invloed lijken te zijn op de mate van effect van illustraties zijn (a) de inhoudelijke relatie tussen tekst en illustratie en

7

Inleiding (b) het leesvaardigheidsniveau van de proefpersonen. De onderzoeksresultaten zijn niet ten volle eenduidig omtrent de richting van deze twee genoemde factoren. Vandaar dat voor dit onderzoek een experiment werd opgezet om de effecten van deze factoren op de mate van tekstbegrip na te gaan. Daarbij werden de volgende effecten verwacht: 1. In het merendeel van de hierboven genoemde onderzoeken bestaat er een nauw verband tussen de inhoud van de illustraties en die van de tekst. Hoe irrelevanter het plaatje m.b.t. de tekst, hoe geringer het effect, lijkt de trend te zijn. De verwachting voor ons onderzoek is dan ook dat het toevoegen van functionele (i.e. inhoudelijk relevante) illustraties aan een tekst meer tekstbegrip tot gevolg zal hebben dan het toevoegen van niet-functionele (inhoudelijk niet relevante) illustraties. Het aanbieden van niet-functionele illustraties zal niet meer tekstbegrip tot gevolg hebben dan het laten lezen van de tekst zonder enige vorm van illustratie. 2. Functionele illustraties betekenen een extra route tot de informatie die ook al in de tekst aangeboden wordt; de 'lezer' krijgt een tweede kans. Voor dit onderzoek is derhalve de verwachting billijk dat toevoeging van functionele illustraties aan een tekst zeker zal leiden tot meer begrip van die zaken die zowel in de tekst als in de functionele illustraties worden weergegeven. 3. Een geringe mate van leesvaardigheid leidt tot minder begrip van de tekst. 4. Personen die moeite hebben met het begrijpen van geschreven tekst krijgen met behulp van de functionele illustraties een alternatieve toegang tot de relevante informatie. De verwachting is dan ook dat het aanbieden van functionele illustraties in een tekst zal leiden tot meer tekstbegrip bij personen met een geringe leesvaardigheid dan

7

Inleiding het presenteren van niet-functionele illustraties of het achterwege laten van elke vorm van illustratie. Nietfunctionele illustraties bieden zo'n tweede 'toegangsroute' immers niet. Toevoeging van functionele illustraties zal voor minder leesvaardigen zeker leiden tot meer begrip van die zaken die zowel in de tekst als in de functionele illustraties worden weergegeven. Verder is het niet onaannemelijk dat het aanbieden functionele illustraties in een tekst ook gevolgen van zal

hebben voor de perceptie van zo'n tekst en de vragen daarover. Immers, het feit dat men de informatie uit de tekst nog eens helder samengevat ziet in een schematische tekening zou tot gevolg kunnen hebben dat men de tekst minder moeilijk gaat vinden, evenals de vragen daarover. Mogelijk maken schematische tekeningen de tekst ook interessanter. De volgende effecten werden daarom verwacht: 5. Het opnemen van functionele illustraties in een tekst zal tot gevolg hebben dat men de tekst gemakkelijker en interessanter vindt dan een tekst waarin of niet-functionele of helemaal geen illustraties zijn opgenomen. Plaatsing van niet-functionele illustraties in een tekst zal tot gevolg hebben dat men de tekst wel interessanter maar niet gemakkelijker vindt dan een tekst zonder illustraties. 6. Het opnemen van functionele illustraties zal tot gevolg hebben dat men de vragen gemakkelijker vindt dan wanneer niet-functionele of helemaal geen illustraties in de tekst zijn opgenomen. 7. Wanneer er geen illustraties in de tekst staan zullen ze wèl op prijs worden gesteld. 8. Functionele illustraties zullen meer verhelderend worden gevonden dan niet-functionele illustraties.

7

Inleiding

7

2. METHODE VAN ONDERZOEK 2.1. Proefpersonen Aan dit experiment deden 70 leerlingen uit groep acht van de basisschool mee: 31 jongens en 39 meisjes. De gemiddelde leeftijd bedroeg 11 jaar. Zij waren afkomstig van vijf basisscholen in Zeist. 2.2. Materialen 2.2.1. Teksten De teksten die voor dit experiment werden gebruikt, waren beide afkomstig uit de Informatie-reeks, een serie boekjes voor kinderen tussen de 10 en 14 jaar. De ene tekst ging over de werking van katrolsystemen (Raat (1982)), de andere over de aandrijving van stoom- en benzinemotoren (Leniger (1981)). Beide teksten werden enigszins ingekort, en voorzien van een inleiding en een slot die afkomstig waren van schrijver dezes. Verwijzingen naar illustraties werden geschrapt. De tekst over katrollen telde ± 1000 woorden, de tekst over aandrijving van stoom- en benzinemotoren ± 1100. Bepaalde passages van de teksten werden herschreven, opdat ook de tekst zonder illustraties begrijpelijk zou blijven. De uiteindelijke teksten die zo ontstond, werden voorgelegd aan twee jongens van 12 jaar, die oordeelden dat beide teksten, hoewel enigszins pittig, goed te begrijpen waren voor mensen van hun leeftijd. Twee volwassenen met ruime ervaring in het lesgeven aan en testen van kinderen uit onderhavige leeftijdsklasse, kwamen tot dezelfde conclusie. 2.2.2. Illustraties Er werden in dit experiment twee soorten illustraties gebruikt: functionele en niet-functionele. De functionele toonden de schematische werking van bepaalde principes of het beschreven systeem en lieten waar nodig de onderlinge

11

Methode van onderzoek samenhang tussen de afzonderlijke componenten zien. De nietfunctionele waren geen schematische afbeeldingen, maar bijvoorbeeld foto's of tekeningen van het beschreven apparaat, foto's van toepassingen in andere werktuigen, of tekeningen van personen die betrokken waren bij de ontwikkeling van het apparaat. De tekst over katrollen in de conditie met functionele illustraties kreeg zes plaatjes: één die de werking van de gulden regel uitlegde, en vijf die de essentie toonden van verschillende in de tekst beschreven katrolsystemen. Dezelfde tekst in de conditie met niet-functionele illustraties kreeg drie plaatjes: een foto van een ophaalbrug, een foto met drie verschillende katrolsystemen en een foto van een hijskraan in bedrijf. De tekst over de aandrijving van stoom- en benzinemotoren kreeg in de conditie met functionele illustraties drie plaatjes: een tekening die de werking van zuiger en krukas vergeleek met een persoon bovenop de trapper van een doortrapfiets, een complexe schematische voorstelling van de werking van een stoommachine en een schematische tekening van de carburateur. In de conditie met niet-functionele illustraties kreeg deze tekst vier plaatjes: een tekening van James Watt, een tekening van een stoommachine, een foto van een stoomlocomotief en een tekening van een benzinemotor. Op deze manier ontstond er een 2 x 3 factorial design, met als factoren tekst (over katrollen of over motoren) en soort illustraties (functionele, niet-functionele en helemaal geen illustraties). 2.2.3. Vragen Voor beide teksten werd een lijst met multiple-choicetekstbegripsvragen ontworpen. Deze lijsten waren voor alle

11

Methode van onderzoek drie de illustratiecondities gelijk. Er waren vragen die kennis toetsten die expliciet in de tekst te vinden was, maar ook vragen die inzicht probeerden te meten. Deze laatste vragen gingen dus over toepassingen van eigenschappen en principes die in de tekst te vinden waren. Er werden geen vragen gesteld over informatie die alleen in de illustraties te vinden was. Over de tekst over de aandrijving van stoom- en benzinemotoren werden 19 vragen gesteld. Daarvan waren er negen die betrekking hadden op informatie die alleen in de tekst te vinden was en tien die betrekking hadden op informatie die niet alleen in de tekst, maar ook in de functionele plaatjes te vinden was. Over de tekst over katrollen werden twintig vragen gesteld. De helft daarvan had betrekking op informatie die alleen in de tekst te vinden was. Ook werden er algemene vragen gesteld naar hoe moeilijk en interessant men de tekst vond en hoe moeilijk men de tekstbegripsvragen vond. In de beide condities met illustraties werd bovendien gevraagd of de plaatjes duidelijk waren en of ze hielpen bij het begrijpen van de tekst. In de conditie zonder illustraties werd gevraagd of men dacht dat plaatjes de tekst duidelijker zouden hebben gemaakt. De antwoorden op deze algemene vragen kon men geven op een zevenpuntsschaal. 2.2.4. Cloze-test Om de leesvaardigheid van de leerlingen te meten werd gebruik gemaakt van een zelf ontworpen cloze-test. De tekst hiervoor was ook afkomstig uit een boekje uit de Informatiereeks, ging over strandjutten (Van der Horst (1986)) en telde zo'n 400 woorden. De moeilijkheidsgraad van deze tekst leek op een zeer aanvaardbaar niveau te liggen. In deze tekst werd om de vijf woorden een woord weggelaten. Alleen

11

Methode van onderzoek die woorden die letterlijk in de tekst stonden, werden goed gerekend. Synoniemen en dergelijke werden dus niet gehonoreerd. 2.3. Procedure Als eerste maakten de proefpersonen de tekstbegriptoets. Tegen de leerlingen werd gezegd dat de tekstbegriptoets bedoeld was om te meten hoe goed ze konden lezen. Het principe van meerkeuzevragen werd hun eerst mondeling uitgelegd. Ze kregen de opdracht eerst nauwkeurig de tekst te lezen en daarna de vragen te maken. Aanbevolen werd om tijdens het beantwoorden van de vragen gebruik te maken van de tekst. De tijd die ze voor deze opdracht kregen, bedroeg drie kwartier. Personen die eerder klaar waren, kregen een schrijfopdracht over het nut van illustraties. De teksten waren vooraf gesorteerd op conditie, zodat de leerlingen tijdens het uitdelen van tekst en vragen at random aan één van de zes condities werd toegewezen. Voorop de bundel tekstbegripvragen zat nog een schriftelijke instructie over het meerkeuzeprincipe, dat ook al mondeling was uitgelegd. Na afloop werd iedereen bedankt. Ongeveer een week later werd de leesvaardigheidstest afgenomen. Hun werd meegedeeld dat ook deze test bedoeld was om hun leesvaardigheid te meten. De werkwijze bij een clozetoets werd hun eerst mondeling uitgelegd, en bovendien was er een schriftelijke toelichting bij de cloze-test gevoegd. Voor deze toets kregen ze een kwartier de tijd. Na afloop werd iedereen wederom bedankt.

11

3. RESULTATEN 3.1. De tekstbegripvragen De vragen op de tekstbegriptoets zijn dichotoom gescoord: goed of fout. Elk goed antwoord leverde één punt op. In tabel 1 zijn de gemiddelde scores te zien op de tekstbegripvragen in de verschillende condities, de bijbehorende standaarddeviaties alsmede de betrouwbaarheid van de toetsen bij beide teksten. Tabel 1: De gemiddelde score op alle tekstbegripvragen (X) en de standaarddeviatie hiervan (σ) per conditie en een betrouwbaarheidsschatting (Cronbachs α) per tekst. conditie katroltekst X zonder illustraties niet-functionele illustr. functionele illustraties 9.50 σ 3.00 α 0.60 motorentekst X 10.20 σ 2.99 α 0.74

9.42

2.39

11.40

3.58

12.00

3.58

10.80

4.02

Uit tabel 1 blijkt dat bij de tekst over katrollen de versie met functionele illustraties het best gemaakt werd, terwijl de beide andere versies van deze tekst ongeveer dezelfde score behaalden. Bij de tekst over stoom- en benzinemotoren daarentegen zien we dat de versie met niet-functionele illustraties het beste resultaat opleverde, terwijl de versie met functionele illustraties niet zo gek veel beter scoorde dan de versie zonder illustraties. Om te bepalen of de geobserveerde verschillen in de

14

Resultaten gemiddelde scores aan het toeval te wijten zijn, is er een regressie-analyse uitgevoerd. Het alfa-niveau werd daarbij, zoals te doen gebruikelijk, op 5% gesteld. In tabel 2 zijn de belangrijkste toetsingsresultaten weergegeven. Tabel 2: Resultaten van de regressie-analyse m.b.t. alle tekstbegripvragen. (β: regressiegewicht; se:

standaardfout; p: overschrijdingskans) katroltekst conditie geen illustraties niet-functionele illustr. functionele illustraties β 9.50 se 0.91 p motorentekst β 10.25 se 0.91 p

-0.08

1.28

0.94

1.17

1.28

0.37

2.50

1.31

0.60

0.57

1.31

0.66

In tabel 2 zijn telkens de versies zonder illustraties als ijkpunt gekozen voor de vergelijking met de andere versies. Zo is te zien dat de katroltekst met niet-functionele illustraties 0.08 punten lager scoorde dan de versie zonder illustraties, terwijl de motorentekst met functionele plaatjes 0.57 punten hoger scoorde dan de niet-gellustreerde versie van die tekst. De p-waarden in de tabel maken duidelijk dat er geen significante effecten optreden (noch tekst, noch illustratie-conditie). Het percentage verklaarde variantie tussen de proefpersonen op grond van de conditieindeling, bedraagt 8,32%; verwaarloosbaar dus. Hiermee kan een deel van hypothese 1 verworpen worden; op grond van deze hypothese zou men immers verwachten dat de scores in de

14

Resultaten conditie met functionele illustraties hoger zouden zijn dan die in de conditie met niet-functionele illustraties. Wel blijkt het zo te zijn dat de scores in de condities met niet-functionele illustraties en zonder illustraties gelijk zijn, zoals voorspeld door hypothese 1. In de toets waren ook vragen opgenomen die zowel te beantwoorden waren met behulp van de tekst als met behulp van de functionele illustraties (de 'plaatjesvragen'). In beide teksten waren er tien van zulke vragen aanwezig. Gemiddeld over beide teksten werden vijf ervan correct beantwoord. De katroltekst met functionele illustraties scoorde iets hoger op deze vragen (gemiddeld 6 correct) en de motorentekst met niet-functionele illustraties scoorde ook iets hoger (gemiddeld 5.4). Nagegaan werd of de condities met betrekking tot deze vragen verschillend scoorden. In tabel 3 ziet U de resultaten van de uitgevoerde regressie-analyse. Tabel 3: Resultaten van de regressie-analyse m.b.t. de vragen die betrekking hadden op zowel tekst als functionele illustraties (β: regressiegewicht; se: standaardfout; p: overschrijdingskans) conditie katroltekst β zonder illustraties niet-functionele illustr. functionele illustraties 4.67 se 0.54 p motorentekst β 4.50 se 0.54 p

-0.50

0.77

0.52

0.92

0.77

0.23

1.33

0.79

0.09

0.50

0.79

0.54

14

Resultaten

Van de geobserveerde verschillen is er dus niet één significant. Dus ook onze tweede hypothese moet verworpen worden: de score op deze 'plaatjesvragen' in de conditie met functionele illustraties is immers niet significant hoger dan de scores in de beide andere condities. 3.2. De invloed van leesvaardigheid Profiteren slechte lezers meer van functionele illustraties dan goede lezers? Om deze vraag te beantwoorden werd een leesvaardigheidstoets aan de leerlingen voorgelegd, bestaande uit 81 items. De woorden die ze ingevuld hadden, werden alleen goedgerekend als ze overeenkwamen met de woorden in de originele tekst, waarbij spellingfouten buiten beschouwing bleven. In tabel 4 zijn de uitslagen te zien voor de zes experimentele condities. Tabel 4: Het gemiddeld aantal fouten op de leesvaardig heidstoets (X) en de standaarddeviatie hiervan (σ) conditie katroltekst X zonder illustr. niet-functionele illustraties functionele ill. 34.90 13.20 38.00 14.50 34.80 37.60 σ 8.57 12.30 motorentekst X 36.70 34.20 σ 10.60 11.40

Met behulp van een regressie-analyse werd vervolgens nagegaan in hoeverre de scores op de leesvaardigheidstoets de resultaten op de tekstbegriptoets konden verklaren. In tabel

14

Resultaten 5 zijn de uitslagen van deze analyse te zien. vaardigheid is in deze tabel als covariaat beschouwd. Lees-

Tabel 5:

Resultaten van de regressie-analyse m.b.t. de factor leesvaardigheid (β: regressiegewicht; se: standaardfout; p: overschrijdingskans) katroltekst β se 1.22 1.07 0.74 p motorentekst β 15.84 0.79 se 1.27 1.07 0.40 p

conditie

zonder illustr. niet-functionele illustraties functionele ill.

14.80 0.35

2.52

1.10

.02 *

0.77

1.10

0.48

Als op basis van de gegevens in bovenstaande tabel de invloed van leesvaardigheid op de scores op de tekstbegriptoets wordt berekend, blijkt het covariaat leesvaardigheid 28% van de verschillen in scores te kunnen verklaren (β: 0.15; se: 0.03; p: <.001). En dus krijgt onze derde hypothese steun: een lagere score op de leesvaardigheidstoets leidt tot een lagere score op de tekstbegriptoets. Als het effect van leesvaardigheid uitgezet wordt tegen de verschillende illustratie-condities, blijkt dat er geen verschil aangetoond kan worden tussen de verschillende condities: mensen met een verschillende mate van leesvaardigheid profiteren niet in verschillende mate van verschil-

14

Resultaten lende soorten illustraties. Alleen voor de katroltekst met functionele illustraties is een effect waar te nemen (p: .02), maar er is geen significant overall-effect. Verder is nagegaan of verschil in leesvaardigheid van invloed was op de mate waarin die vragen correct werden beantwoord, die zowel met behulp van de tekst als met behulp van de functionele illustraties te beantwoorden waren. Ook hier kon een effect voor de factor leesvaardigheid worden aangetoond (β: -0.08; se: 0.02; p: <.001). Ook is tenslotte geanalyseerd of mensen van verschillend leesvaardigheidsniveau in verschillende mate profiteerden van de aanwezigheid van de verschillende soorten illustraties bij de beantwoording van de zgn. 'plaatjesvragen'. Dit bleek echter niet het geval. Op grond van voorafgaande resultaten moeten wij ook de vierde hypothese verwerpen: leerlingen met een geringe leesvaardigheid in de conditie met functionele illustraties scoren immers niet beter op de tekstbegriptoets dan proefpersonen met een vergelijkbare mate van leesvaardigheid in beide andere condities, ook niet op de 'plaatjesvragen'. Alleen voor de katroltekst met functionele illustraties gaat de vierde hypothese op, maar dan nog enkel voor de totale tekstbegriptoets, niet voor de 'plaatjesvragen'. 3.3. De waarderingsvragen Bij de tekstbegriptoets zaten achter de tekstbegripsvragen ook waarderingsvragen. Dit waren ook meerkeuzevragen, maar dan met zeven alternatieven, die varieerden van een zeer negatief tot een zeer positief antwoord, zodat men met betrekking tot deze vragen kan spreken van Likert-schalen. Gekeken werd of de verschillende condities de vragen ook verschillend beantwoordden. Voor deze analyses werd telkens een ANOVA uitgevoerd. Het alfa-niveau werd ook hier weer op

14

Resultaten 5% gesteld. In tabel 6 zijn de gemiddelde resultaten te zien op deze vragen voor de beide teksten. De waarde 1 vertegenwoordigt in deze tabel de uiterst negatieve pool (bijvoorbeeld heel moeilijk/oninteressant/onduidelijk) en de waarde 7 de uiterst positieve pool (heel gemakkelijk, etc.)

Tabel 6:

De gemiddelde score op de waarderingsvragen (X) en de standaarddeviatie daarvan (σ) voor beide teksten.

factor

katroltekst X σ 1.24 1.90 1.32 2.12

motorentekst X 3.21 5.15 3.24 4.65 σ 1.43 1.91 1.23 1.50

moeilijkheid tekst interesse in tekst moeilijkheid vragen nut illustraties m.b.t. tekstinhoud duidelijkheid plaatjes

2.88 4.64 2.64 4.80

5.55

1.39

4.75

1.55

Bij statistische toetsing bleken er geen verschillen tussen de condities te zijn met betrekking tot de ervaren moeilijkheid van de tekst en de interesse in het besprokene. En daarmee blijft er van onze vijfde hypothese weinig heel; deze stelde immers dat men de versies met functionele illustraties minder moeilijk en interessanter zou vinden dan de versies met niet-functionele illustraties, en dat teksten met niet-functionele illustraties niet gemakkelijker maar wel interessanter zouden worden gevonden dan teksten zonder illustraties. Alleen de veronderstelling dat teksten met

14

Resultaten niet-functionele illustraties niet gemakkelijker zullen worden gevonden dan teksten zonder illustraties, komt dus uit. De vragen in de conditie zonder illustraties werden moeilijker gevonden dan de vragen in de conditie met nietfunctionele illustraties (t=-2.20 bij df=43; p=0.03), terwijl er geen verschil was tussen de condities zonder illustraties en de condities met functionele illustraties, hoewel men in de condities zonder illustraties de vragen iets moeilijker vond (t=-1.45 bij df=41; p=0.15). En daarmee krijgt de zesde hypothese geen steun; die verwachtte immers dat alleen de vragen bij teksten met functionele illustraties makkelijker zouden worden gevonden, terwijl er geen verschil voorspeld was tussen de conditie met nietfunctionele illustraties en de overige condities. Functionele illustraties werden nuttiger geacht voor het begrijpen van de tekstinhoud dan niet-functionele illustraties (respectievelijk X=3.75 en X=5.70; F(1,39)=15.61; p<.000), daarbij was er geen verschil voor beide teksten. En daarmee krijgt onze achtste hypothese royale steun. Verder bleek dat de functionele plaatjes bij de katroltekst duidelijker werden gevonden dan de niet-functionele plaatjes bij dezelfde tekst (respectievelijk X=6.20 en X=4.90; t=2.31 bij df=18; p=0.03). Ook kwam aan het licht dat de functionele illustraties bij de katroltekst duidelijker werden gevonden dan de functionele illustraties bij de tekst over stoom- en benzinemotoren. (respectievelijk X=6.20 en X=4.70; t=-2.61 bij df=18; p=0.02). In de condities zonder illustraties tenslotte was men voor beide teksten van mening dat illustraties de tekst 'wel wat duidelijker' zouden hebben gemaakt. En daarmee krijgt onze zevende hypothese steun: illustraties worden op prijs

14

Resultaten gesteld als ze er niet zijn.

21

Discussie 4. DISCUSSIE In deze studie konden geen overall-effecten van functionele illustraties worden aangetoond; ook niet met betrekking tot de vragen die zowel betrekking hadden op de tekst als op de functionele illustraties. Voor de factor leesvaardigheid daarentegen kon wel een effect worden aangetoond: hoe slechter de score op de cloze-toets, hoe slechter de score op zowel de gehele toets als alleen de 'plaatjesvragen'. Functionele illustraties bleken alleen bij de katroltekst voordelig te zijn voor slechte lezers. Bij de tekst over motoren was er geen effect van de functionele illustraties; er was ook geen overall-effect. Niet-functionele illustraties blijken geen effect te hebben op de mate van tekstbegrip. Met betrekking tot de perceptie van de proefpersonen aangaande de tekst, vragen en illustraties valt het volgende op te merken. De beide teksten in alle drie de condities werden ongeveer even moeilijk gevonden; illustraties hebben dus niet tot gevolg dat mensen een tekst makkelijker gaan vinden. Ook wordt een tekst door de aan- of afwezigheid van bepaalde illustraties niet interessanter dan de niet-gellustreerde variant. Wel was opvallend dat de vragen bij een tekst in de conditie met niet-functionele illustraties makkelijker werden gevonden dan in de conditie zonder illustraties, terwijl de vragen niet beter beantwoord werden. Verder werden de functionele illustraties meer verhelderend worden gevonden dan de niet-functionele illustraties. De functionele illustraties bij de katroltekst werden duidelijker gevonden dan dezelfde soort illustraties bij de tekst over motoren. In de conditie zonder illustraties werden illustraties wel op prijs gesteld. In deze studie kon geen positief effect van functionele

22

Discussie illustraties op de mate van tekstbegrip worden aangetoond, in tegenstelling tot de verschillende studies die in de inleiding besproken zijn die wel een effect konden vinden. Leesvaardigheid bleek echter wel een redelijk deel van de verschillen in scores te verklaren (28%). Mensen met een gebrekkige leesvaardigheid bleken alleen bij de katroltekst profijt te hebben van de functionele illustraties. De vraag is waarom dit effect slechts bij één tekst kon worden aangetoond. Waarom werkten functionele illustraties niet voor minder vaardige lezers die de tekst over stoom- en benzinemotoren hadden? De redenen die hieronder voor dit feit aangevoerd worden, zijn voor een belangrijk deel speculatief. Toch denk ik dat het nuttig is om over mogelijke oorzaken na te denken, vooral gezien het feit dat vele studies wel een effect gevonden hebben voor inhoudelijke (i.e. functionele) illustraties. Op het eerste gezicht kunnen daarbij drie factoren van belang zijn: de teksten, de illustraties en de vragen die over de teksten gesteld werden. Echter, de factor tekst lijkt niet verantwoordelijk te zijn voor het verschil in resultaten: uit de antwoorden op de waarderingsvragen blijkt dat men beide teksten ongeveer even moeilijk en even interessant vond. De illustraties daarentegen kunnen mijns inziens wèl verantwoordelijk worden gesteld voor het ontbreken van een effect. Daarbij spelen minstens twee factoren een rol: het aantal plaatjes bij elke tekst en de hoeveelheid informatie die elk plaatje afzonderlijk bevatte. Als we kijken naar de functionele illustraties die in beide teksten gebruikt werden, valt het verschil in aantal op: in de tekst over katrollen stonden zes plaatjes, in de tekst over stoom- en benzinemotoren drie. Verder bleek dat de functionele plaatjes bij de laatste tekst minder duidelijk werden gevonden

22

Discussie dan de plaatjes bij de katroltekst. De plaatjes bij de tekst over stoom- en benzinemotoren waren ook vrij complex; ze bevatten (te) veel informatie. De tweede illustratie bijvoorbeeld liet een groot gedeelte van de stoommotor zien in twee verschillende toestanden. Voor de proefpersonen is het dan bij het beantwoorden van de vragen waarschijnlijk niet direct duidelijk waar ze de relevante informatie kunnen vinden, iets wat vermoedelijk vooral de minder leesvaardige proefpersonen parten zal hebben gespeeld. Ook de derde illustratie, die de werking van de carburateur liet zien, toonde verschillende onderdelen en functies in één keer: benzinetoevoer, mengkamer, sproeier en luchtinlaat. De eerste illustratie vergeleek de werking van zuiger en krukas met een doortrapfiets; de bijbehorende namen van de onderdelen ontbraken echter, zodat niet in één keer duidelijk was wat nu precies met wat correspondeerde. In vergelijking daarmee steken de functionele illustraties bij de katroltekst gunstig af. Bij deze tekst werden de verschillende soorten katrollen en katrolsystemen telkens apart geïllustreerd, waar bovendien bij een volgend plaatje vaak werd voortgebouwd op de informatie van vorige plaatjes, in tegenstelling tot de illustraties bij de motorentekst, die veel meer los van elkaar stonden. De illustraties bij de katroltekst waren ook minder complex en de betekenis van de onderdelen was waarschijnlijk ook duidelijker, vanwege het feit dat die onderdelen vaak benoemd werden in de illustratie. Bovendien waren er bij deze tekst twee keer zo veel illustraties als bij de motorentekst. Het lijkt erop dat ook op het gebied van illustraties de wijsheid opgaat die ook elders in het land van de cognitieve psychologie wordt verkondigd: beter vele malen een klein beetje informatie aangeboden dan enkele malen veel informatie uitgestort.

22

Discussie Ook de vragen die bij de teksten gesteld werden, kunnen mogelijk als verklaring dienen voor het verschil in resultaten, en dan met name de hoeveelheid vragen die per plaatje gesteld werden. Bij de tekst over stoom- en benzinemotoren werden er bijvoorbeeld bij de tweede illustratie zes vragen gesteld; het is goed denkbaar dat proefpersonen dan, met name de minder vaardige lezers, door de bomen het bos niet meer zien, ook al omdat de informatie die aangeboden is in de illustratie zelf, vrij complex is. Verder werden er bij deze tekst twee vragen gesteld over de wat vage eerste illustratie en twee over de laatste illustratie, die ook vrij complex was. Bij de vragen bij de katroltekst waren de vragen beter gespreid: daar werden per illustratie maximaal twee vragen gesteld, terwijl die illustraties veel minder complex waren. Proefpersonen kunnen dan veel beter de relevante informatie uit het plaatje selecteren. Kortom, het ontbreken van een overall-effect voor functionele illustraties in mijns inziens te wijten aan de volgende factoren: het aantal gebruikte plaatjes (hoe meer hoe beter), de hoeveelheid informatie per plaatje (hoe minder hoe beter) en het aantal vragen dat per illustratie gesteld is (hoe meer vragen, hoe slechter resultaat). Er is dus geen effect van illustraties op de mate van tekstbegrip, maar de aanwezigheid van bepaalde soorten illustraties bleek wel de perceptie over die tekst of over de vragen te veranderen. Functionele illustraties worden meer verhelderend worden gevonden dan niet-functionele illustraties. Niet-functionele illustraties bij een tekst hebben weliswaar tot gevolg dat de vragen bij die tekst makkelijker worden geacht, maar dit heeft geen betere resultaten tot gevolg. Dit gevoegd bij het feit dat functionele illustraties bij één van de twee teksten hun nut

22

Discussie hebben getoond voor minder goede lezers, kan ons leiden tot de veronderstelling dat functionele illustraties hun nut kunnen hebben voor zwakke lezers, mits de illustraties niet al te veel informatie bevatten; de opnamecapaciteit als het gaat om plaatjes lijkt niet al te groot te zijn. Nietfunctionele plaatjes blijken in dit onderzoek van belang ontbloot te zijn als het gaat om het verbeteren van het begrip van de tekst. Een inhoudelijke relatie tussen tekst en illustratie schijnt hier dus een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om effect van een illustratie voor zwakke lezers te mogen verwachten. Kwantitatieve spreiding van inhoudelijk relevante illustraties is mogelijk een andere noodzakelijke voorwaarde voor succes. Deze conclusie biedt interessante mogelijkheden voor vervolgonderzoek, waarin dan niet de vraag centraal staat of illustraties functioneel danwel niet-functioneel moeten zijn, maar veeleer of weinig functionele illustraties met veel informatie inderdaad minder tekstbegrip tot gevolg hebben dan meerdere functionele illustraties die elk niet zoveel informatie herbergen. En daarmee is tevens de richting aangegeven die het onderzoek naar het effect van illustraties naar mijn bescheiden mening moet opgaan: niet de vraag óf illustraties effect hebben is belangrijk, maar wanneer ze effect hebben. Die voorwaarden voor succes zijn, zoals bijvoorbeeld Willows e.a. (1981) hebben duidelijk gemaakt, afhankelijk van de eigenschappen van de plaatjes, de proefpersonen en de tekst. Er is genoeg incidenteel onderzoek op deze gebieden verricht, het wachten is nu op systematisch onderzoek naar deze factoren, om zo te komen tot een meer 'integrale' visie op het nut van illustraties onder verschillende omstandigheden, opdat de veronderstellingen die in dit hoofdstuk zijn geopperd, op hun waarde kunnen worden getoetst.

22

LITERATUUR Donald, D.R. (1983). The use and value of illustrations as contextual information for readers at different progress and developmental levels. British Journal of Educational Psychology, 53, 175-185. Gambrill, L.B., & Jawitz, P.B. (1993). Mental imagery, text illustrations, and children's story comprehension recall. Reading Research Quaterly, 28, 265-276. and

Goldstein, R., & Underwood, G. (1981). The influence of pictures on the derivation of meaning from children's reading materials. Journal of Research in Reading, 4, 6-16. Hayes, D.A., & Readence, J.E. (1983). Transfer of learning from illustration-dependent Research, 76, 245-248. Horst, P.J. van der text. Journal of Educational

(1986).

Strandjutten.

Gorinchem:

De

Ruiter. Informatie-reeks 632. Kanselaar, G., Boonman, J.H., Peeck, J., Bos, K., Kramer, S., & Zwijgers, R. (1987). Effectiviteitsstudie kennisoverdracht: het effect van illustraties bij het lezen van teksten uit 'Bouwen Nu'. Utrecht: RU Utrecht, vakgroep onderwijskunde. Leniger, W.E. (1981). De benzinemotor. Gorinchem: De Ruiter. Informatie-reeks 217. Levie, W.H., & Lentz, R. (1982). Effects of text illustrations: a review of research. Educational Communication and Technology Journal, 30, 195-232.

26

Literatuur Levin, J.R. (1983). Pictorial strategies for school learning: practical illustrations. In M. Pressley & J.R. Levin (eds.), Cognitive strategy research: Educational applications (pp. 213-237). New York: Springer-Verlag. Mandl, H., & Levin, J.R. (eds.)(1989). Knowledge acquisition from text and pictures. Amsterdam: Elsevier. Moore, P.J., & Skinner, M.J. (1985). The effects of illustrations on children's comprehension of abstract and concrete passages. Journal of Research in Reading, 8, 45-56. Peeck, J. (1987). The role of illustrations in processing and remembering illustrated text. In Willows, D.M., & Houghton, H.A. (eds.), The Psychology of Illustration. Volume 1: Basic Research. (pp. 115-151). New York: SpringerVerlag. Purnell, K.N., & Solman, R.T. (1991). The influence of in

technical illustrations on students' comprehension geography. Reading Research Quaterly, 26, 277-296. Raat, H. (1982). Hefbomen en katrollen. Gorinchem:

De

Ruiter. Informatie-reeks 256. Reid, D.J., Briggs, N., & Beveridge, M. (1983). The effect of picture upon the readability of a school science topic. British Journal of Educational Psychology, 53, 327-335. Reid, D.J., & Beveridge, M. (1986). Effects of text illustration on children's learning of a school science topic. British Journal of Educational Psychology, 56, 294-303.

26

Literatuur

Reinking, D., Hayes, D.A., and poor readers' use of

& McEneaney, J.E. (1988). Good explicitly cued graphic aids.

Journal of Reading Behavior, 20, 229-243. Rusted, J., & Hodgson, S. (1985). Evaluating the picture facilitation effect in children's recall of written texts. British Journal of Educational Psychology, 55, 288-294. Schallert, D.L. (1980). The role of illustrations in reading comprehension. In R.J. Spiro, B.C. Bruce & W.F. Brewer (eds.), Theoretical issues in reading comprehension: Perspectives from cognitive psychology, linguistics, artificial intelligence, and education (pp. 503-524). Hillsdale, NJ: Erlbaum. Small, M.Y., Lovett, S.B., & Scher, M.S. (1993). Pictures facilitate children's recall of unillustrated expository prose. Journal of Educational Psychology, 85, 520-528. Thomas, J.L. (1978). The influence of pictural illustrations with written text and previous achievement on the reading comprehension of fourth grade science students. Journal of Research in Science Teaching, 15, 401-405. Waddill, P.J., McDaniel, as adjuncts M.A., to & Einstein, A G.O. (1988).

Illustrations

prose:

text-appropriate

processing approach. Journal of Educational Psychology, 80, 457-464. Wardle, K.F. (1977). Textbook illustrations: do they aid reading comprehension? Paper presented at the annual convention of the American Psychological Association, San

26

Literatuur Francisco. Willows D.M., Borwick, D., & Hayvren, M. (1981). The content of school readers. In T.G. Waller & G.E. MacKinnon (eds.), Reading research: Advances in theory and practice. (vol. 2, pp. 97-175). New York: Academic Press. Willows, D.M., & Houghton, H.A. (eds.). (1987). The psychology of illustration: Vol. 1. Basic Research. New York: Springer Verlag.

26

BIJLAGEN

28

Bijlagen

Bijlage 1. Katroltekst met niet-functionele illustraties KATROLLEN Al eeuwen zoekt de mens naar hulpmiddelen om het tillen van lasten minder zwaar te maken. Eén van die hulpmiddelen is de katrol. Met katrollen kan men voorwerpen ophijsen en laten zakken. Ze worden gebruikt op zeilschepen om het tuig te bedienen en bij allerlei soorten takels en hijskra- Figure 1. Katrollen vind je ook bij de ophaalbrug nen. In deze tekst worden vier soorten katrollen besproken: de vaste en de losse katrol, de gewone takel en de Spaanse takel. Voordat we deze soorten gaan bespreken, moeten we eerst uitleggen volgens welk principe katrollen werken. Dat principe staat bekend als de gulden regel en daarover gaat de volgende paragraaf. De gulden regel Om het principe van de gulden regel uit te leggen, beginnen we met een eenvoudig voorbeeld. Stel, iemand wil een vat met olie één meter omhoog rollen. Eerst doet hij dat tegen een steile helling die twee meter lang is. Daarvoor moet hij met veel kracht tegen het vat duwen. Nu neemt hij een helling die ook één meter omhoog gaat, maar die vier meter lang is.

28

Bijlagen Deze helling is dus maar half zo steil als de eerste helling. Het rollen gaat veel gemakkelijker. Hij moet nu maar de helft van de kracht gebruiken die hij eerst gebruikte. Hadden we nu ook minder energie nodig? Nee. Bij energie gaat het niet alleen om de kracht. Het gaat ook om de afstand. De minder steile helling is vier meter lang. De kleinere kracht moet langer volgehouden worden. De kracht werd twee keer zo klein, maar de weg werd twee keer zo lang. Dit wordt ook gezegd in de gulden regel: Wat men wint aan kracht, verliest men aan weg. De vaste katrol Het eenvoudigste type is de vaste katrol. Het is een wiel dat is opgehangen aan een plafond of aan een balk. In het wiel is een gleuf waardoor een touw loopt. Het wiel is draaibaar om een as. Door aan de ene uiteinde van het koord te trekken, gaat het andere eind omhoog. De katrolschijf draait, maar de katrol als geheel blijft op zijn plaats hangen. Vandaar de naam vaste katrol. Met een vaste katrol kunnen we een last van beneden af ophijsen. Dit is gemakkelijker dan dat we van bovenaf iets zwaars omhoogtrekken. Het voordeel van een vaste katrol is niet dat we met een kleine kracht een grote kracht uitoefenen. De kracht blijft gelijk. Volgens de gulden regel moeten we dan ook geen weg verliezen. Dat klopt. Als we één meter koord naar beneden trekken, gaat de last één meter omhoog. Het aantrekkelijke van de vaste katrol is dat zij de richting van de kracht omkeert. De losse katrol De last is het voorwerp dat opgehesen moet worden. Bij de vaste katrol is de last aan het ene uiteinde van het katrol-

28

Bijlagen koord gebonden. Bij de losse katrol wordt de last aan de katrol zelf gehaakt. Een losse katrol is niet vast opgehangen. Zij beweegt met de last omhoog en omlaag. Vandaar de naam losse katrol. Het ene uiteinde van het katrolkoord wordt aan een balk bevestigd. Aan het andere uiteinde trekken we de katrol met de last eraan op. Nu wordt de richting van de kracht niet veranderd. Om een voorwerp op te hijsen moeten we het van boven optrekken. De losse katrol heeft de goede eigenschap dat ze de kracht waarmee we aan het touw trekken groter maakt. We nemen een gewicht van 50 kg. Dat kunnen we optrekken met een kracht van slechts 25 kg. Onze kracht wordt verdubbeld. Ook dit is te verklaren met de gulden regel. We hijsen de last van 50 kg. één meter omhoog. Daarvoor moeten we twee meter touw optrekken. Tussen de last en de balk gaat het katrolkoord twee keer heen en weer. Daarom moeten we de dubbele hoeveelheid touw optrekken. Wat we wonnen aan kracht, verliezen we aan weg. Toch is het gemakkelijk om een losse katrol te gebruiken. We hoeven ons dan minder in te spannen. Vaste en losse katrol samen Met een vaste katrol wordt de richting van een kracht omgekeerd. De losse katrol is een soort hefboom. Zij maakt onze kracht groter. Met geringe inspanning hijsen we een zwaar pak op. Het beste kunnen we deze twee katrollen samen gebruiken. We krijgen dan een echte takel. Een takel is altijd een combinatie van vaste en losse katrollen.

28

Bijlagen

Afbeelding 2. Katrollen

28

Bijlagen

De eenvoudigste takel bestaat dus uit één vaste en één losse katrol. De losse katrol verdubbelt onze kracht. Door de vaste katrol kunnen we een doos van beneden naar boven hijsen. Vanaf de last lopen twee katrolkoorden naar boven. De weg wordt twee keer zo groot. We winnen dus geen energie. Moeten we zwaardere pakken optillen, dan nemen we er een katrolschijf bij, bijvoorbeeld een takel met twee vaste katrollen en één losse. Voor een last van 60 kg. hoef je maar met een kracht van 20 kg. te trekken. De kracht wordt drie keer zo groot gemaakt. Maar er lopen nu drie touwen van de last naar boven. We moeten dus drie keer zoveel touw inhalen.

28

Bijlagen

Afbeelding 3. Ook in deze hijskranen zijn katrolsystemen te vinden

Spaanse takel Door de gulden regel kun je nagaan hoeveel kracht er wordt bespaard. Lopen er meer touwen tussen de katrollen heen en weer, dan wordt de last lichter. Neem bijvoorbeeld de Spaanse takel. Hier lopen vier koorden van de last naar boven. Om de last één meter op te hijsen, moeten we vier meter touw naar ons toe trekken. De last wordt dan ook vier keer zo licht. Anders gezegd: onze kracht wordt vier keer zo groot. Met deze takel kunnen zware dingen toch worden opgehesen.

28

Bijlagen Voor een normale verhuizing kun je een vaste katrol gebruiken. Maar als je een piano hebt op de derde verdieping, moet er een speciale pianoverhuizer komen met zo'n takel. De katrol nu Katrollen zijn al honderden jaren in gebruik om het de mensen makkelijker te maken. Vroeger moest men de katrol met de hand bedienen, zodat men toch nog steeds een behoorlijke inspanning moest leveren. Tegenwoordig echter worden katrollen in werking gesteld door machines. De mens hoeft maar net meer op de goede knoppen te drukken en de juiste handels te bedienen. De techniek doet de rest!

28

Bijlagen Bijlage 2. Katroltekst met functionele illustraties KATROLLEN Al eeuwen zoekt de mens naar hulpmiddelen om het tillen van lasten minder zwaar te maken. Eén van die hulpmiddelen is de katrol. Met katrollen kan men voorwerpen ophijsen en laten zakken. Ze worden gebruikt op zeilschepen om het tuig te bedienen en bij allerlei soorten takels en hijskranen. In deze tekst worden vier soorten katrollen besproken: de vaste en de losse katrol, de gewone takel en de Spaanse takel. Voordat we deze soorten gaan bespreken, moeten we eerst uitleggen volgens welk principe katrollen werken. Dat principe staat bekend als de gulden regel en daarover gaat paragraaf. de volgende

De gulden regel Om het principe van de gulden regel uit te leggen, beginnen we met een eenvoudig voorbeeld. Stel, iemand wil een vat met olie één meter omhoog rollen. Eerst doet hij dat tegen een steile helling die twee meter lang is. Daarvoor moet hij met veel kracht tegen het vat duwen. Nu neemt hij een helling die ook één meter omhoog gaat, maar die vier meter lang is. Deze hel-

28

Bijlagen ling is dus maar half zo steil als de eerste helling. Het rollen gaat veel gemakkelijker. Hij moet nu maar de helft van de kracht gebruiken die hij eerst gebruikte. Hadden we nu ook minder energie nodig? Nee. Bij energie gaat het niet alleen om de kracht. Het gaat ook om de afstand. De minder steile helling is vier meter lang. De kleinere kracht moet langer volgehouden worden. De kracht werd twee keer zo klein, maar de weg werd twee keer zo lang. Dit wordt ook gezegd in de gulden regel: Wat men wint aan kracht, verliest men aan weg. De vaste katrol Het eenvoudigste type is de vaste katrol. Het is een wiel dat is opgehangen aan een plafond of aan een balk. In het wiel is een gleuf waardoor een touw loopt. Het wiel is draaibaar om een as. Door aan de ene uiteinde van het koord te trekken, gaat het andere eind omhoog. De katrolschijf draait, maar de katrol als geheel blijft op zijn plaats hangen. Vandaar de naam vaste katrol. Met een vaste katrol kunnen we een last van beneden af ophijsen. Dit is gemakkelijker dan dat we van bovenaf iets zwaars omhoogtrekken. Het voordeel van een vaste katrol is niet dat we met een kleine kracht een grote kracht uitoefenen. De kracht blijft gelijk. Volgens de gulden regel moeten we dan ook geen weg verliezen. Dat klopt. Als we één meter koord naar beneden trekken, gaat de last één meter omhoog. Het aantrekkelijke van de vaste katrol is dat zij de richting van

28

Bijlagen de kracht omkeert. De losse katrol De last is het voorwerp dat opgehesen moet worden. Bij de vaste katrol is de last aan het ene uiteinde van het katrolkoord gebonden. Bij de losse katrol wordt de last aan de katrol zelf gehaakt. Een losse katrol is niet vast opgehangen. Zij beweegt met de last omhoog en omlaag. Vandaar de naam losse katrol. Het ene uiteinde van het katrolkoord wordt aan een balk bevestigd. Aan het andere uiteinde trekken we de katrol met de last eraan op. Nu wordt de richting van de kracht niet veranderd. Om een voorwerp op te hijsen moeten we het van boven optrekken. De losse katrol heeft de goede eigenschap dat ze de kracht waarmee we aan het touw trekken groter maakt. We nemen een gewicht van 50 kg. Dat kunnen we optrekken met een kracht van slechts 25 kg. Onze kracht wordt verdubbeld. Ook dit is te verklaren met de gulden regel. We hijsen de last van 50 kg. één meter omhoog. Daarvoor moeten we twee meter touw optrekken. Tussen de last en de balk gaat het katrolkoord twee keer heen en weer. Daarom moeten we de dubbele hoeveelheid touw optrekken. Wat we wonnen aan kracht, verliezen we aan weg. Toch is het gemakkelijk om een losse katrol te gebruiken. We hoeven ons dan minder in te spannen.

28

Bijlagen Vaste en losse katrol samen Met een vaste katrol wordt de richting van een kracht omgekeerd. De losse katrol is een soort hefboom. Zij maakt onze kracht groter. Met geringe inspanning hijsen we een zwaar pak op. Het beste kunnen we deze twee katrollen samen gebruiken. We krijgen dan een echte takel. Een takel is altijd een combinatie van vaste en losse katrollen. De eenvoudigste takel bestaat dus uit één vaste en één losse katrol. De losse katrol verdubbelt onze kracht. Door de vaste katrol kunnen we een doos van beneden naar boven hijsen. Vanaf de last lopen twee katrolkoorden naar boven. De weg wordt twee keer zo groot. We winnen dus geen energie. Moeten we zwaardere pakken optillen, dan nemen we er een katrolschijf bij, bijvoorbeeld een takel met twee vaste katrollen en één losse. Voor een last van 60 kg. hoef je maar met een kracht van 20 kg. te trekken. De kracht wordt drie keer zo groot gemaakt. Maar er lopen nu drie touwen van de last naar boven. We moeten dus drie keer zoveel touw inhalen.

28

Bijlagen

Spaanse takel Door de gulden regel kun je nagaan hoeveel kracht er wordt bespaard. Lopen er meer touwen tussen de katrollen heen en weer, dan wordt de last lichter. Neem bijvoorbeeld de Spaanse takel. Hier lopen vier koorden van de last naar boven. Om de last één meter op te hijsen, moeten we vier meter touw naar ons toe trekken. De last wordt dan ook vier keer zo licht. Anders gezegd: onze kracht wordt vier keer zo groot. Met deze takel kunnen zware dingen toch worden opgehesen. Voor een normale verhuizing kun je een vaste katrol gebruiken. Maar als je een piano hebt op de derde verdieping, moet er een speciale pianoverhuizer komen met zo'n takel.

De katrol nu Katrollen zijn al honderden jaren in gebruik om het de mensen makkelijker te maken. Vroeger moest men de katrol met de hand bedienen, zodat men toch nog steeds een behoorlijke inspanning moest leveren. Tegenwoordig echter worden katrollen in werking gesteld door machines. De mens hoeft maar net meer op de goede knoppen te drukken en de juiste handels

28

Bijlagen te bedienen. De techniek doet de rest!

28

Bijlagen Bijlage 3. Tekstbegripvragen bij de katroltekst 1. Waarvoor worden katrollen gebruikt? 0 om zeilschepen te besturen 0 om voorwerpen omhoog of omlaag te brengen 0 als middel om de spieren te trainen bij body-buil ding 0 om de gulden regel toe te passen 2. Welke uitspraak is juist? 0 katrollen zorgen ervoor dat het tillen van lasten zwaarder wordt 0 katrollen worden bij zeilschepen gebruikt om het schip te besturen 0 katrollen worden bij zeilschepen gebruikt tuig te bedienen 0 katrollen worden niet gebruikt in hijskranen om het

3. Geval 1: de helling gaat 1 meter omhoog en is 4 meter lang. Geval 2: de helling gaat 2 meter omhoog en is 9 meter lang. In beide gevallen wil een man een vat olie van 50 kg. omhoog rollen. In welk geval zal dat voor de man het gemakkelijkst gaan? 0 0 0 0 het gaat in geval in geval in beide in beide gevallen even makkelijk 1 2 gevallen is het niet mogelijk het vat omhoog te rollen

28

Bijlagen

4. Geval 1: de helling is 1 meter hoog en 4 meter lang. Geval 2: de helling is 1 meter hoog en 1 meter lang. In beide gevallen wil de man een vat olie van 50 kg. naar boven rollen. In welk geval gebruikt de man de minste energie? 0 in beide gevallen gebruikt de man evenveel energie 0 in geval 1 0 in geval 2 0 het kost in beide gevallen helemaal geen energie 5. Wat zegt de gulden regel? 0 hoe minder kracht je wilt gebruiken om met behulp van een katrol iets omhoog te tillen, hoe meer energie je nodig hebt 0 hoe meer kracht je gebruikt om met behulp van een katrol iets omhoog te tillen, hoe meer weg je gebruikt 0 hoe meer kracht je gebruikt om met behulp van een katrol iets omhoog te tillen, hoe minder energie je nodig hebt 0 hoe minder kracht je wilt gebruiken om met behulp van een katrol iets omhoog te tillen, hoe meer weg je nodig hebt 6. Welke uitspraak is juist? 0 met een vaste katrol kun je een last van bovenaf ophijsen 0 bij een vaste katrol is de katrolschijf niet te bewegen, maar de katrol als geheel wel 0 een vaste katrol is op een vast punt opgehangen aan een plafond of balk 0 bij een vaste katrol wordt één uiteinde van het

28

Bijlagen katrolkoord altijd aan plafond of balk bevestigd

7. Welke uitspraak is juist? 0 het nadeel van de vaste katrol is dat je ook één meter koord naar beneden moet trekken om de last slechts één meter omhoog te kunnen takelen 0 het voordeel van een vaste katrol is dat je met weinig kracht een zwaar gewicht kunt optillen 0 een nadeel van de vaste katrol is dat je veel kracht moet gebruiken om een klein gewicht te kunnen optillen 0 het voordeel van een vaste katrol is dat je vanaf beneden een last omhoog kunt takelen 8. Welke uitspraak is juist? 0 bij de losse katrol hangt de last aan het ene uit einde van het katrolkoord 0 bij de losse katrol hangt de last aan de katrol zelf 0 de losse katrol is op een vast punt opgehangen aan een plafond of balk 0 bij de losse katrol hangt de last aan beide zijden van het katrolkoord 9. Welke uitspraak is juist? 0 het voordeel van de losse katrol is dat ze de kracht waarmee aan het touw getrokken moet worden, twee keer zo groot maakt 0 het voordeel van de losse katrol is dat je vanaf beneden een last omhoog kunt takelen 0 het nadeel van de losse katrol is dat je altijd met een kracht van 25 kg. aan het touw moet trekken, ook als de last bv. maar 10 kg. weegt 0 het voordeel van de losse katrol is dat je minder

28

Bijlagen touw moet ophalen in vergelijking met de vaste katrol

10. Welke uitspraak is juist? 0 om een last van 50 kg. omhoog te hijsen, moeten we bij een losse katrol 2 keer zoveel touw optrekken als bij een vaste katrol 0 om een last van 50 kg. omhoog te hijsen, moeten we bij een vaste katrol 2 keer zoveel touw optrekken als bij een losse katrol 0 om een last van 100 kg. omhoog te trekken, moeten we bij de losse katrol 4 keer zoveel touw optrekken als bij een vaste katrol 0 om een last van 100 kg. omhoog te trekken, moeten we bij de vaste en de losse katrol evenveel touw optrek ken 11. Welke uitspraak is juist? 0 hoe meer katrollen in een takel, hoe minder touw je moet inhalen om een last omhoog te hijsen 0 een takel is een combinatie van één vaste en één losse katrol 0 vanaf de last bij een takel lopen hooguit twee katrolkoorden naar boven 0 een takel is een combinatie van vaste en losse katrollen

28

Bijlagen

12.

We

gebruiken

een

takel

met

één

vaste en één losse

katrol. De last die omhoog gehesen moet worden weegt 80 kg. Deze last moet 2 meter omhoog getakeld worden. Welke van de volgende vier uitspraken is dan juist? 0 om die last twee meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 80 kg. aan het touw trekken, ter wijl we twee meter touw moeten inhalen 0 om die last twee meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 40 kg. aan het touw trekken, ter wijl we vier meter touw moeten inhalen 0 om die last twee meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 80 kg. aan het touw trekken, ter wijl we vier meter touw moeten inhalen 0 om die last twee meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 40 kg. aan het touw trekken, ter wijl we twee meter touw moeten inhalen 13. We gebruiken een takel met twee vaste katrollen en één losse. Nu willen we een last van 90 kg. 3 meter omhoog takelen. Welke van de volgende uitspraken is dan juist? 0 om die last drie meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 30 kg. aan dat touw trekken, ter wijl we 6 meter touw moeten inhalen 0 om die last drie meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 45 kg. aan dat touw trekken, ter wijl we 6 meter touw moeten inhalen 0 om die last drie meter omhoog te takelen, moeten we

28

Bijlagen met een kracht van 30 kg. aan dat touw trekken, ter wijl we 9 meter touw moeten inhalen 0 om die last drie meter omhoog te takelen, moeten we met een kracht van 90 kg. aan dat touw trekken, ter wijl we 3 meter touw moeten inhalen

14. Welke uitspraak is juist? 0 als je een takel gebruikt om 50 kg. omhoog te hij sen, heb je meer energie nodig dan wanneer je een vaste katrol gebruikt om een last van 50 kg. omhoog te takelen. 0 als je een takel gebruikt om 50 kg. omhoog te hij sen, heb je minder energie nodig dan wanneer je een vaste katrol gebruikt om een last van 50 kg. omhoog te takelen. 0 als je een takel gebruikt om 50 kg. omhoog te hij sen, heb je evenveel energie nodig als wanneer je een vaste katrol gebruikt om een last van 50 kg. omhoog te takelen. 0 als je een takel gebruikt om 50 kg. omhoog te hij sen, heb je meer kracht nodig dan wanneer je een losse katrol gebruikt om een last van 50 kg. omhoog te take len. 15. Welke uitspraak is juist? 0 hoe minder touwen er tussen de katrollen heen en weer lopen, hoe meer touw we moeten ophalen 0 hoe minder touwen er tussen de katrollen heen en weer lopen, hoe lichter de last wordt 0 hoe meer touwen er tussen de katrollen heen en weer lopen, hoe minder touw we moeten ophalen om de last omhoog te trekken

28

Bijlagen 0 hoe meer touwen er tussen de katrollen heen en weer lopen, hoe lichter de last wordt

16. Welke uitspraak is juist? 0 het aantal katrollen van een takel is gelijk aan het aantal koorden dat vanaf de last naar boven loopt 0 het aantal katrollen van een takel is altijd één minder dan het aantal koorden dat vanaf de last naar boven loopt 0 het aantal katrollen van een takel is altijd één meer dan het aantal koorden dat vanaf de last naar boven loopt 0 het aantal katrollen heeft niets te maken met het aantal koorden dat vanaf de last naar boven loopt 17. Welke uitspraak is juist? 0 de Spaanse takel heeft drie katrollen, koorden die vanaf de last naar 0 de Spaanse takel heeft vier katrollen 0 de Spaanse takel heeft vijf katrollen, koorden die vanaf de last naar

en vier boven lopen en vier boven lopen

0 bij de Spaanse takel lopen soms vier koorden vanaf de last naar boven, maar soms ook meer dan vier koor den

28

Bijlagen

18. We gebruiken een Spaanse takel om een last van 160 kg. 2 meter omhoog te hijsen. Welke van de volgende uitspraken is dan juist? 0 om die last 2 meter omhoog te trekken, moeten we met een kracht van 160 kg. aan het touw trekken, terwijl we 2 meter touw naar ons toe moeten halen 0 om die last 2 meter een kracht van 40 kg. 8 meter touw naar ons 0 om die last 2 meter een kracht van 40 kg. 4 meter touw naar ons 0 om die last 2 meter een kracht van 80 kg. 8 meter touw naar ons omhoog te trekken, moeten we met aan het touw trekken, terwijl we toe moeten halen omhoog te trekken, moeten we met aan het touw trekken, terwijl we toe moeten halen omhoog te trekken, moeten we met aan het touw trekken, terwijl we toe moeten halen

19. Welke uitspraak is juist? 0 om een zware last van bijvoorbeeld 160 kg. 1 meter omhoog te hijsen kun je het beste een takel met één vaste en één losse katrol gebruiken 0 om een zware last van bijvoorbeeld 160 kg. 1 meter omhoog te hijsen kun je het beste een vaste katrol ge

28

Bijlagen bruiken 0 om een zware last van bijvoorbeeld 160 kg. 1 meter omhoog te hijsen kun je het beste een losse katrol ge bruiken 0 om een zware last van bijvoorbeeld 160 kg. 1 meter omhoog te hijsen kun je het beste een Spaanse takel gebruiken

20. Welke uitspraak is juist? 0 tegenwoordig worden katrollen voornamelijk met machines bediend, vroeger gebeurde alleen met de hand 0 katrollen zijn pas in deze eeuw uitgevonden dat

0 katrollen werden alleen vroeger gebruikt; nu gebrui ken we hijskranen 0 alleen de Spaanse takel wordt tegenwoordig nog gebruikt; andere soorten takels en katrollen niet meer

28

Bijlagen Bijlage 4. Motorentekst met niet-functionele illustraties DE AANDRIJVING VAN STOOM- EN BENZINEMOTOREN Wat is een motor? Een motor is een apparaat dat energie, onzichtbare kracht, uit een vloeistof of vaste stof kan omzetten in een kracht die de mens kan gebruiken. We zouden onze eigen spieren motoren kunnen noemen. Zij halen energie uit het eten en stellen ons in staat te bewegen, dingen op te tillen, enzovoorts. Een stoommachine gebruikt stoom om een as - een metalen staaf - in beweging te zetten. De benzinemotor gebruikt daar benzine voor. Die draaiende as kan dan weer worden gebruikt om iets aan te drijven. Om bijvoorbeeld een auto te laten rijden. We zullen nu eens nagaan hoe stoom en benzine zo'n as in beweging kunnen zetten. Afbeelding 1. James Watt, de uitvinder van de stoommachine

De stoommachine

28

Bijlagen De benzinemotor was niet de eerste motor die door de mens werd uitgevonden. Die eer komt toe aan de stoommachine. Dat is een machine die stoomdruk verandert in een draaiende beweging. Die stoom wordt verkregen door buiten de eigenlijke stoommachine in een ketel water te koken. Nu hebben grote natuurkundigen als Boyle en Gay-Lussac al honderden jaren geleden ontdekt dat stoom meer ruimte nodig heeft dan het water waaruit het is ontstaan. Is die ruimte er niet, doordat de waterketel is afgesloten, dan wordt de stoom samengeperst. De stoom komt onder druk te staan. Denk maar aan de fluitketel, waaruit de fluitje! stoom alleen maar kan ontsnappen door het

Afbeelding 2. Een stoommachine

Cilinder en zuiger De stoom wil dus graag weg uit die dichte ketel. Dat heeft uitvinders op het idee van de stoommachine gebracht. Ze maakten een buis die aan één kant dicht zat, de cilinder. En verder een soort metalen kurk, de zuiger, die daar precies inpaste. De zuiger kon heen en weer glijden in de cilinder. In het midden van de zuiger werd een stang, de drijfstang, vastgemaakt. Die stak door de open kant van de cilinder naar buiten. Het andere einde van de drijfstang werd vastgemaakt aan een ingewikkeld gevormde as, de krukas.

28

Bijlagen

Als een kinderfietsje Vroeger heb je misschien wel eens op een doortrapfietsje gereden. Zo'n kinderfietsje waarvan de trappers altijd draaien als het achterwiel draait. Daar is de werking van de stoommachine heel goed mee te vergelijken. Wanneer je op zo'n doortrapper flink vaart hebt gezet, kun je jezelf op en neer laten dansen door op één pedaal te gaan staan en je been stijf te houden. De trapper blijft ronddraaien en je bovenlichaam gaat op en neer. De tussenschakel is je stijf gehouden been. Nu vervangen we de trapper door de krukas, je been door de drijfstang en je bovenlichaam door de zuiger. De zuiger zetten we in de cilinder. Draaien we nu de krukas rond, dan gaat de zuiger op en neer in de cilinder. Natuurlijk geldt ook het omgekeerde: drukken we de zuiger op en neer in de cilinder, dan gaat de krukas draaien. Als we nu alleen nog zorgen dat de stoom de zuiger op en neer drukt, hebben we een stoommachine. De draaiende krukas kunnen we dan gebruiken om iets aan te drijven. Bijvoorbeeld een locomotief.

28

Bijlagen

Afbeelding 3. Een stoomlocomotief

28

Bijlagen

Twee pijpjes Aan de dichte kant van de cilinder, de bovenkant, zijn twee pijpjes gemonteerd met kranen erin. Het pijpje met kraantje één verbindt de cilinder met de stoomketel. Het pijpje met kraantje twee houdt gewoon in de open lucht op. Dat is de uitlaatpijp. De kranen kunnen we open of dicht zetten. Staat nu de zuiger bovenin de cilinder, dan zetten we de kraan van pijpje één open. De stoom uit de ketel kan nu door pijpje één ontsnappen naar de cilinder. De stoom drukt nu hard tegen de zuiger en duwt die zuiger naar beneden. De stoom kan niet tussen de cilinder en de zuiger door ontsnappen. Zodra de zuiger beneden is, draaien we de kraan van pijpje één snel dicht. Zo kan er geen nieuwe stoom meer naar de cilinder ontsnappen. Tegelijk zetten we de kraan van pijpje twee open. Zo kan de stoom die in de cilinder zit, naar buiten. Vliegwiel Om de zuiger nu weer naar boven te krijgen, is aan de krukas een zware metalen schijf, het vliegwiel, vastgemaakt. Die schijf heeft zoveel vaart gekregen, dat hij de zuiger weer omhoog drukt. Net zoals je zelf door de trapper van je doortrapfiets omhoog werd gedrukt. Is de zuiger weer boven, dan sluiten we kraan twee en openen kraan één. De stoom uit de ketel drukt de zuiger weer naar beneden. Dus als we op de juiste momenten de kranen openen en sluiten, kan de stoom steeds de zuiger naar beneden drukken. Het draaiende vliegwiel zorgt dat de zuiger weer omhoog komt. De stoommachine draait.

28

Bijlagen

De benzinemotor In de benzinemotor vinden we dezelfde zuiger, cilinder, drijfstang en krukas. Alleen is de stoomketel vervangen door de benzinetank. En natuurlijk moeten we zorgen dat de vloeibare benzine de taak van het stoom kan overnemen. Iedereen weet dat benzine zeer licht ontvlambaar is. Je hoeft er maar een brandende lucifer bij te houden en er ontstaat een groot vuur. Wanneer je echter benzine heel fijn gaat verstuiven en je mengt die uiterst kleine druppeltjes benzine met lucht ontstaat een mengsel dat kan ontploffen. Dus net als buskruit als je daar een lucifer bij houdt. In de benzinemotor wordt nu boven de zuiger in de cilinder zo'n ontplofbaar mengsel van lucht en benzine aangestoken om de zuiger naar beneden te drukken. Carburateur en bougie Nu gebeurt dat natuurlijk niet vanzelf. We hebben verschillende apparaten nodig om het ontplofbare mengsel te vormen en aan te steken. Het mengsel ontstaat in de carburateur. Dat is een apparaat waarin de benzine heel fijn wordt verstoven door de sproeier. Daarna wordt de verstoven benzine vermengd met lucht. Het aansteken van het mengsel gebeurt door de bougie. Dit Afbeelding 4. Een benzinemotor

28

Bijlagen apparaatje is voorzien van twee staafjes, die vlak bij elkaar staan. Wanneer je elektrische stroom naar de bougie voert, springt er een vonk over van het ene staafje naar het andere. De bougie wordt in de bovenkant van de cilinder geschroefd. We noemen die bovenkant de verbrandingsruimte, omdat het mengsel daar verbrandt. Stoom of benzine of nog wat anders? Een stoommachine is betrouwbaar en heeft een lange levensduur. Toch zijn er nadelen: de machine heeft erg veel brandstof nodig en het duurt lang voor de machine echt startklaar is om te draaien, dat duurt wel zes uur. De benzinemotor gebruikt veel minder energie en hij start in een mum van tijd. Maar ook aan benzine zit een nadeel. Benzine wordt namelijk gemaakt uit olie, en de hoeveelheid olie die nog in de aarde zit, vermindert snel. Daarom zoekt men nu driftig naar andere energiebronnen, zoals atoomenergie en zonne-energie. De hoeveelheid energie die je daarvan kunt krijgen is eigenlijk onuitputtelijk. Maar voorlopig zal de benzinemotor nog nummer één blijven.

28

Bijlagen Bijlage 5. Motorentekst met functionele illustraties DE AANDRIJVING VAN STOOM- EN BENZINEMOTOREN Wat is een motor? Een motor is een apparaat dat energie, onzichtbare kracht, uit een vloeistof of vaste stof kan omzetten in een kracht die de mens kan gebruiken. We zouden onze eigen spieren motoren kunnen noemen. Zij halen energie uit het eten en stellen ons in staat te bewegen, dingen op te tillen, enzovoorts. Een stoommachine gebruikt stoom om een as - een metalen staaf - in beweging te zetten. De benzinemotor gebruikt daar benzine voor. Die draaiende as kan dan weer worden gebruikt om iets aan te drijven. Om bijvoorbeeld een auto te laten rijden. We zullen nu eens nagaan hoe stoom en benzine zo'n as in beweging kunnen zetten. De stoommachine De benzinemotor was niet de eerste motor die door de mens werd uitgevonden. Die eer komt toe aan de stoommachine. Dat is een machine die stoomdruk verandert in een draaiende beweging. Die stoom wordt verkregen door buiten de eigenlijke stoommachine in een ketel water te koken. Nu hebben grote natuurkundigen als Boyle en Gay-Lussac al honderden jaren geleden ontdekt dat stoom meer ruimte nodig heeft dan het water waaruit het is ontstaan. Is die ruimte er niet, doordat de waterketel is afgesloten, dan wordt de stoom samengeperst. De stoom komt onder druk te staan. Denk maar aan de fluitketel, waaruit de stoom alleen maar kan ontsnappen door het fluitje! Cilinder en zuiger De stoom wil dus graag weg uit die dichte ketel. Dat heeft

28

Bijlagen uitvinders op het idee van de stoommachine gebracht. Ze maakten een buis die aan één kant dicht zat, de cilinder. En verder een soort metalen kurk, de zuiger, die daar precies inpaste. De zuiger kon heen en weer glijden in de cilinder. In het midden van de zuiger werd een stang, de drijfstang, vastgemaakt. Die stak door de open kant van de cilinder naar buiten. Het andere einde van de drijfstang werd vastgemaakt aan een ingewikkeld gevormde as, de krukas. Als een kinderfietsje Vroeger heb je misschien wel eens op een doortrapfietsje gereden. Zo'n kinderfietsje waarvan de trappers altijd draaien als het achterwiel draait. Daar is de werking van de stoommachine heel goed mee te vergelijken. Wanneer je op zo'n doortrapper flink vaart hebt gezet, kun je jezelf op en neer laten dansen door op één Afbeelding 1. De werking van zuiger en krukas pedaal te gaan staan en je been stijf te houden. De trapper blijft ronddraaien en je bovenlichaam gaat op en neer. De tussenschakel is je stijf gehouden been. Nu vervangen we de trapper door de krukas, je been door de drijfstang en je bovenlichaam door de zuiger. De zuiger zetten we in de cilinder. Draaien we nu de krukas rond, dan gaat de zuiger op en neer in de cilinder. Natuurlijk geldt ook het omgekeerde: drukken we de zuiger op en neer in de cilinder, dan gaat de krukas draaien. Als we nu alleen nog zorgen dat de stoom de zuiger op

28

Bijlagen en neer drukt, hebben we een stoommachine. De draaiende krukas kunnen we dan gebruiken om iets aan te drijven. Bijvoorbeeld een locomotief.

Afbeelding 2. de werking van de stoommachine

Twee pijpjes Aan de dichte kant van de cilinder, de bovenkant, zijn twee pijpjes gemonteerd met kranen erin. Het pijpje met kraantje één verbindt de cilinder met de stoomketel. Het pijpje met kraantje twee houdt gewoon in de open lucht op. Dat is de uitlaatpijp. De kranen kunnen we open of dicht zetten. Staat nu de zuiger bovenin de cilinder, dan zetten we de kraan van pijpje één open. De stoom uit de ketel kan nu door pijpje één ontsnappen naar de cilinder. De stoom drukt nu hard tegen de zuiger en duwt die zuiger naar beneden. De stoom kan niet tussen de cilinder en de zuiger door ontsnappen. Zodra de zuiger beneden is, draaien we de kraan van pijpje één snel dicht. Zo kan er geen nieuwe stoom meer naar de cilinder ontsnappen. Tegelijk zetten we de kraan van

28

Bijlagen pijpje twee open. Zo kan de stoom die in de cilinder zit, naar buiten.

Vliegwiel Om de zuiger nu weer naar boven te krijgen, is aan de krukas een zware metalen schijf, het vliegwiel, vastgemaakt. Die schijf heeft zoveel vaart gekregen, dat hij de zuiger weer omhoog drukt. Net zoals je zelf door de trapper van je doortrapfiets omhoog werd gedrukt. Is de zuiger weer boven, dan sluiten we kraan twee en openen kraan één. De stoom uit de ketel drukt de zuiger weer naar beneden. Dus als we op de juiste momenten de kranen openen en sluiten, kan de stoom steeds de zuiger naar beneden drukken. Het draaiende vliegwiel zorgt dat de zuiger weer omhoog komt. De stoommachine draait. De benzinemotor In de benzinemotor vinden we dezelfde zuiger, cilinder, drijfstang en krukas. Alleen is de stoomketel vervangen door de benzinetank. En natuurlijk moeten we zorgen dat de vloeibare benzine de taak van het stoom kan overnemen. Iedereen weet dat benzine zeer licht ontvlambaar is. Je hoeft er maar een brandende lucifer bij te houden en er ontstaat een groot vuur. Wanneer je echter benzine heel fijn gaat verstuiven en je mengt die uiterst kleine druppeltjes benzine met lucht ontstaat een mengsel dat kan ontploffen. Dus net als buskruit als je daar een lucifer bij houdt. In de benzinemotor wordt nu boven de zuiger in de cilinder zo'n ontplofbaar mengsel van lucht en aangestoken om de zuiger naar beneden te drukken. Carburateur en bougie benzine

28

Bijlagen Nu gebeurt dat natuurlijk niet vanzelf. We hebben verschillende apparaten nodig om het ontplofbare mengsel te vormen en aan te steken. Het mengsel ontstaat in de carburateur. Dat is een apparaat waarin de benzine heel fijn wordt verstoven door de sproeier. Daarna wordt de verstoven benzine vermengd met lucht. Het aansteken van het mengsel gebeurt door de bougie. Dit apparaatje is voorzien van twee staafjes, die vlak bij elkaar staan. Wanneer je elektrische stroom naar de bougie voert, springt er een vonk over van het ene staafje naar het andere. De bougie wordt in de bovenkant van de cilinder geschroefd. We noemen die bovenkant de verbrandingsruimte, omdat het mengsel daar verbrandt. Stoom of benzine of nog wat anders? Een stoommachine is betrouwbaar en heeft een lange levensduur. Toch zijn er nadelen: de machine heeft erg veel brandstof nodig en het duurt lang voor de machine echt startklaar is om te draaien, dat duurt wel zes uur. De

Afbeelding 3. carburateur

werking

van

de

28

Bijlagen benzinemotor gebruikt veel minder energie en hij start in een mum van tijd. Maar ook aan benzine zit een nadeel. Benzine wordt namelijk gemaakt uit olie, en de hoeveelheid olie die nog in de aarde zit, vermindert snel. Daarom zoekt men nu driftig naar andere energiebronnen, zoals atoomenergie en zonne-energie. De hoeveelheid energie die je daarvan kunt krijgen is eigenlijk onuitputtelijk. Maar voorlopig zal de benzinemotor nog nummer één blijven.

28

Bijlagen Bijlage 6. Tekstbegripvragen bij de motorentekst 1. Wat is het belangrijkste kenmerk van een motor? 0 0 0 0 een een een een motor motor motor motor gebruikt gebruikt gebruikt gebruikt benzine energie om kracht op te wekken stoom water

2. Wat was de eerste motor die door de mens werd uitgevonden? 0 de waterketel 0 de benzinemotor 0 de stoommachine 0 de raketmotor 3. Wat hebben Boyle en Gay-Lussac ontdekt? 0 dat stoom opgewekt kon worden door water te koken 0 dat de stoommachine de druk verandert in een draai ende beweging 0 dat stoom meer ruimte nodig heeft dan de hoeveelheid water waaruit het is ontstaan 0 dat de stoom ervoor zorgt dat de fluitketel fluit 4. Welke uitspraak is juist? 0 de cilinder past precies om de zuiger 0 de zuiger past precies om de cilinder 0 de cilinder is een holle buis die zowel van boven als beneden gesloten is 0 de zuiger is een holle buis die zowel boven als beneden gesloten is

28

Bijlagen

5. Welke uitspraak is juist? 0 de drijfstang is de verbinding tussen de krukas en de stoomketel 0 de drijfstang is de verbinding tussen de zuiger en de cilinder 0 de drijfstang is de verbinding tussen de cilinder en de krukas 0 de drijfstang is de verbinding tussen de zuiger en de krukas 6. Welke uitspraak is juist? 0 je bovenlichaam op de fiets is te vergelijken met de cilinder van de stoommachine 0 een been dat de trapper ronddraait is te vergelijken met de zuiger van de stoommachine 0 de trapper van je fiets kun je vergelijken met de krukas van de stoommachine 0 de trapper van je fiets is te vergelijken met de drijfstang van de stoommachine 7. Welke uitspraak is juist? 0 de krukas van de stoommachine kun je vergelijken met je been op de trapper van de fiets 0 de drijfstang van de stoommachine kun je vergelijken met je bovenlichaam op de trapper van de fiets 0 de zuiger van de stoommachine kun je vergelijken met de trapper van de fiets 0 de drijfstang van de stoommachine kun je vergelijken met je been op de trapper van de fiets

28

Bijlagen

8. Welke uitspraak is juist? 0 de uitlaatklep verbindt de cilinder met de stoomke tel 0 de uitlaatklep zit aan de bovenkant van de cilinder 0 de kraan van de uitlaatpijp staat altijd open, anders ontploft de motor 0 de uitlaatpijp zit aan de onderkant van de cilinder 9. Welke uitspraak is juist? 0 als de kraan van pijpje één openstaat, duwt de stoom uit de stoomketel de zuiger naar beneden 0 als de kraan van pijpje twee openstaat, duwt de stoom uit de stoomketel de zuiger naar beneden 0 als de kraan van pijpje één openstaat, duwt de stoom uit de stoomketel de zuiger omhoog 0 als de kraan van pijpje één openstaat, staat kraan twee ook altijd open 10. Welke uitspraak is juist? 0 hoe meer stoom er in de cilinder zit, hoe lager de zuiger in de cilinder staat 0 hoe minder stoom er in de cilinder zit, hoe lager de zuiger in de cilinder staat 0 hoe meer stoom er in de cilinder zit, hoe hoger de zuiger in de cilinder staat 0 de hoeveelheid stoom in de cilinder heeft niets te maken met de stand van de zuiger in de cilinder

28

Bijlagen

11. Welke uitspraak is juist? 0 zodra de zuiger beneden is, gaat de stoom tussen de cilinder en de zuiger door weer naar buiten 0 zodra de kraan van pijpje één dichtgedraaid is, kan de stoom uit de cilinder naar buiten 0 zodra de zuiger beneden is, wordt kraan twee dicht gedraaid 0 zodra de kraan van pijpje één dichtgedraaid is, komt er geen extra stoomdruk meer op de zuiger 12. Welke uitspraak is juist? 0 als de zuiger beneden is, duwt de stoom uit kraantje één hem weer omhoog 0 als de zuiger beneden is, drukt het vliegwiel de zuiger met behulp van de drijfstang weer omhoog 0 als de zuiger beneden is, duwt de drijfstang hem automatisch weer omhoog 0 als de zuiger boven is, duwt het vliegwiel de zuiger weer naar beneden 13. Welke uitspraak is juist? 0 bij de benzinemotor is de taak van de krukas overge nomen door de benzinetank 0 bij de benzinemotor is het vliegwiel vervangen door een benzinetank 0 benzine is voor een benzinemotor wat stoom voor een stoommachine is 0 een benzinemotor heeft geen vliegwiel

28

Bijlagen

14. Welke uitspraak is juist? 0 als je benzine vermengt met lucht ontstaat er een mengsel dat kan ontploffen 0 als je benzine gaat verstuiven kan het niet meer in brand vliegen 0 als je benzine heel fijn gaat verstuiven, kan het ontploffen als het vermengd wordt met lucht 0 als je benzine heel fijn gaat verstuiven, ontstaat er buskruit 15. Welke uitspraak is juist? 0 in een benzinemotor wordt de zuiger naar beneden ge drukt door een ontploffing van buskruit 0 in een benzinemotor wordt de zuiger naar boven gedrukt door een ontploffing van lucht en verstoven benzine 0 in een benzinemotor wordt de zuiger naar beneden ge drukt door een ontploffing van stoom en verstoven benzine 0 in een benzinemotor wordt de zuiger naar beneden ge drukt door benzine een ontploffing van lucht en verstoven

16. Welke uitspraak is juist? 0 het ontplofbare mengsel in een benzinemotor wordt gemaakt in de carburateur

28

Bijlagen 0 de carburateur spuit het ontplofbare mengsel in de verbrandingsruimte 0 de carburateur zorgt voor de stroomtoevoer naar de bougie 0 de carburateur ontsteekt het ontplofbare mengsel van de benzinemotor

17. Welke uitspraak is juist? 0 de sproeier spuit de benzine in de cilinder 0 de sproeier verstuift de benzine en daarna komt de verstoven benzine in de mengkamer 0 de sproeier verstuift de benzine en spuit die in de bougie, die de benzine aansteekt 0 de sproeier steekt het ontplofbare mengsel aan 18. Welke uitspraak is juist? 0 de bougie zorgt voor het maken van het ontplofbare mengsel 0 de bougie steekt het ontplofbare mengsel aan 0 de bougie zorgt voor de stroomtoevoer naar de carbu rateur 0 de bougie is een staafje dat een vonk afsteekt zodat het ontplofbare mengsel wordt aangestoken 19. Welke uitspraak is juist? 0 stoommachines kunnen heel snel opgestart worden 0 benzinemotoren zijn veel betrouwbaarder dan stoomma chines 0 benzinemotoren gaan veel langer mee dan stoommachi nes 0 benzinemotoren gebruiken veel minder energie dan stoommachines

28

Bijlagen Bijlage 7. De evaluatievragen bij beide teksten 1. vragen die in alle drie de condities werden gesteld 1. Hoe moeilijk vond je de tekst? 0 heel moeilijk 0 moeilijk 0 nogal moeilijk 0 geen mening 0 nogal makkelijk 0 makkelijk 0 heel makkelijk 2. Vond je de tekst interessant? 0 absoluut niet interessant 0 niet interessant 0 niet zo heel interessant 0 0 0 0 geen mening nogal interessant interessant heel interessant

3. Wat vond je van de vragen die bij deze tekst gesteld werden? 0 heel moeilijk 0 0 0 0 0 moeilijk nogal moeilijk geen mening nogal makkelijk makkelijk

0 heel makkelijk

28

Bijlagen

2. vraag die gesteld werd in de conditie zonder illustraties In deze tekst staan geen plaatjes. Denk je dat plaatjes je geholpen hadden bij het begrijpen van de tekst? 0 nee, plaatjes zouden de tekst helemaal niet duide lijker hebben gemaakt 0 nee, plaatjes zouden de tekst niet duidelijker hebben gemaakt 0 nee, plaatjes zouden de tekst waarschijnlijk niet veel duidelijker gemaakt hebben 0 geen mening 0 ja, misschien zouden plaatjes de tekst wel wat duidelijker gemaakt hebben 0 ja, plaatjes zouden de tekst duidelijker gemaakt hebben 0 ja, plaatjes zouden de tekst veel duidelijker ge maakt hebben 3. vragen die gesteld werden in de beide condities met illustraties 1. Hielpen de plaatjes je bij het begrijpen van de tekst? 0 nee, absoluut niet 0 nee 0 0 0 0 0 nee, niet zo heel erg geen mening ja, een beetje ja ja, heel erg

28

Bijlagen

2. Vond je de plaatjes bij deze tekst duidelijk? 0 nee, helemaal niet duidelijk 0 nee, niet duidelijk 0 nee, niet zo heel duidelijk 0 geen mening 0 ja, nogal duidelijk 0 ja, duidelijk 0 ja, heel duidelijk

28

Bijlagen Bijlage 8. Cloze-toets ter meting van de leesvaardigheid In deze toets was elk vijfde woord weggelaten. Dit woord is in onderstaande tekst gecursiveerd weergegeven.

STRANDJUTTEN Er ligt van alles op het strand Als je op het strand loopt, zie je allerlei dingen liggen. We bedoelen niet de rommel die badgasten hebben achtergelaten, maar stukken hout, vaten, flessen, enzovoort. Die worden bij vloed door de zee op het strand gegooid. Vloed is hoog water. Als het eb (laag water) wordt, blijft alles op het strand liggen. Meestal hebben deze spullen niet veel waarde, maar toch hebben sommige mensen er belangstelling voor. Ze gaan speciaal op het strand kijken of er iets bijzonders bij is. Ze zoeken naar waardevolle dingen langs de vloedlijn. Dat is de lijn tot waar het water komt bij vloed. Je kunt de vloedlijn duidelijk zien door de aangespoelde planten, schelpen, kwallen en voorwerpen. Het is een duidelijk zichtbare langgerekte strook over het strand. Mensen die op het strand naar waardevolle dingen

zoeken, heten strandjutters of gewoon jutters. Vroeger waren er veel van die strandjutters. Ook nu nog zijn er mensen die zich met jutten bezighouden. Als ze iets bijzonders vinden, nemen ze dat mee. Verboden mee te nemen De dingen die op het strand aanspoelen, komen meestal van schepen. Het kan zijn dat de bemanning de spullen overboord heeft gegooid omdat ze niet meer nodig waren. Maar het komt ook voor dat er een schip vergaat. Zo'n schip wordt soms

28

Bijlagen door de storm uit elkaar geslagen. Bij zwaar weer slaat wel eens deklast overboord. Na enige tijd spoelt er dan van alles op het strand aan. Grote stukken hout, maar ook andere spullen die aan boord waren, zoals flessen, kisten en vaten. Als je op het strand een plank vindt, kun je die misschien voor de kachel gebruiken. Daar zal niemand iets van zeggen. Maar mag je aangespoelde flessen of een vat olie meenemen? Nee, dat mag niet. En dat is wel te begrijpen. Ze zijn immers eigendom van iemand anders. Als je op straat iets waardevols vindt, mag je het ook niet houden. Zo'n vondst moet je melden bij de politie. Plunderen Al zo lang er schepen bestaan, zijn er strandjutters. Vroeger namen ze alles mee wat ze konden gebruiken. Maar al snel werd dat verboden. Die maatregel was wel nodig, want de kustbewoners maakten misbruik van een schipbreuk. Iedereen probeerde zoveel mogelijk spullen te bemachtigen. Het gebeurde zelfs dat aangespoelde schepen werden leeggeplunderd. Je begrijpt dat dit niets met jutten te maken heeft. Dit is gewoon diefstal. "Jutten is geen jatten," zeggen de jutters zelf wel eens.

28

Bijlagen

28

Bijlagen

28