1. INLEIDING 1.1.

Opdracht voor deze stage De Vereniging van Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) heeft via de Rijksuniversiteit Utrecht een stage aangeboden aan studenten communicatiekunde. Deze stage had risicocommunicatie als onderwerp: hoe vertelt een chemisch bedrijf zijn omwonenden wat de risico's zijn van dat bedrijf en hoe instrueer je mensen wat ze moeten doen in het geval er op die fabriek iets mis gaat? Als bedrijf waar ik deze stage zou vervullen, was Hydro Agri Sluiskil uitgekozen. Daarbij werden de volgende subdoelen gesteld: a. onderzoeken of de brochure en de ingesloten alarminstructiekaart begrijpelijk zijn voor de omwo nenden; b. op basis van de uitkomsten van a) aanbevelingen opstellen voor de verbetering van de brochure; c. op basis van de uitkomsten van a) en b) een ideaal model maken voor een dergelijke publikatie en een handleiding voor het samenstellen daarvan. Wegens bezwaren van de kant van de directie is deze stage in een vrij laat stadium afgeblazen. Daarna is geprobeerd om de stage voort te zetten op Dow Chemical Terneuzen, maar vanwege onder meer tijdsproblemen is op een gegeven moment voor een andere invulling van deze stage gekozen: nl. het beschrijven van een onderzoeksmethode die een bedrijf dat zijn omwonenden wil voorlichten, kan gebruiken bij de voorlichtingscampagne. Tevens worden summier enige empirisch gefundeerde tekstadviezen besproken. 1.2. Juridisch kader Op 10 juli 1976 ontsnapte in het Italiaanse Seveso ruim twee kilo dioxine uit een chemische fabriek, hetgeen ernstige gevolgen had voor het milieu en de omwonenden. Mede naar

1

aanleiding van dit ongeluk werd door de Europese Gemeenschap in 1982 een richtlijn uitgevaardigd om de risico's van dergelijke ongevallen te beheersen en de gevolgen van zulke ongelukken zoveel mogelijk te beperken. Per 15 september 1988 werd deze richtlijn in het Staatsblad opgenomen1. Deze richtlijn heet in het dagelijks spraakgebruik de postSeveso-richtlijn. Bedrijven die onder deze richtlijn vallen, zijn verplicht een Externe Veiligheids Rapportage (EVR) op te stellen en aan te bieden aan de autoriteiten. Bovendien staat in de nota van toelichting op dit besluit dat personen die gevaar lopen door een zwaar ongeval te worden getroffen, op passende wijze moeten worden voorgelicht over de getroffen veiligheidsmaatregelen en de manier waarop zij zich bij een ongeval dienen te gedragen. 1.3. Doelen van risicovoorlichting Welke doelen wil de risicovoorlichting bereiken? Otway (1987) noemt twee doelstellingen: het publiek beïnvloeden om een bepaald beleid op het gebied van de technologie te accepteren en het publiek duidelijk maken hoe ze zelf bepaalde risico's kunnen vermijden. Deze indeling is voor ons onderzoek wat al te grofmazig. Covello, Von Winterfeldt & Slovic (1987) onderscheiden vier doelstellingen: informeren over risico's; het propageren van gedragsverandering en het treffen van beschermende maatregelen; het verstrekken van rampwaarschuwingen en informatie in noodgevallen en tenslotte het uitwisselen van informatie en een gezamelijke aanpak van de problematiek door burgers en overheid. Vooral de eerste twee doelstellingen zijn voor deze stage van belang. Besluit van 15 september 1988, inzake de risico's van zware ongevallen, Staatsblad, 1988, nr. 432.
1

1

In het boek Overheidsvoorlichting bij rampen, een uitgave van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, worden de volgende hoofddoelen van rampenvoorlichting genoemd: a. m.b.t. kennis: een optimale bekendheid nastreven met het ontwikkelde basisalarmeringsscenario bij een ramp; b. m.b.t. attitudes: het nastreven van acceptatie van het basisalarmeringsscenario; c. m.b.t. gedrag: zorgen dat de doelgroep qua kennis en houding optimaal voorbereid is op acute voorlich ting tijdens een concrete gebeurtenis. Om die doelstellingen te realiseren, moeten volgens deze publikatie ook de volgende doelstellingen geformuleerd worden: a. het rampenbesef bij de doelgroep actualiseren; b. het versterken van het gezag van de rampbestrij ders; c. versterken van de geloofwaardigheid van de bescher mingsmogelijkheden. Nu heeft genoemde publikatie betrekking op alle mogelijke rampen die zich ooit in Nederland kunnen voordoen; zij richt zich niet specifiek op risico's van chemische industrie. De rol van het bedrijfsleven blijft in dit boek dan ook haast volledig buiten beschouwing; alleen het wenselijke optreden van de overheid voor en tijdens rampen wordt besproken. Anders is dat met Van Eijndhoven & Worrell (1991). Zij noemen drie doelen die belangrijk zijn bij de voorlichting over risico's van industriële ongevallen: a. het bevorderen van kennis en inzicht over risico dragende activiteiten; b. het scheppen van vertrouwen tussen diegene die informatie geeft over deze activiteiten en omwonenden; c. het beïnvloeden van gedrag van de bevolking in rampsituaties. Deze laatste indeling geldt min of meer als normatief in

1

Nederland, ook Stallen, De Boer, Van Eijndhoven, Van de Pligt, Weterings & Worrell (1990) gewagen ervan, evenals Van Eijndhoven, De Boer & Worrell (1990). Bedrijven proberen bij het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal zoveel mogelijk deze doelstellingen te halen. Vandaar dat deze doelen ook in ons onderzoek aangehouden worden. 1.4. Inhoud van de risicovoorlichting 1.4.1. Voorschriften van de Seveso-richtlijn Wat moet er allemaal in een brochure staan die omwonenden van een chemisch complex inlicht over mogelijke risico's en de zelfbescherming daartegen? Voor de chemische industrie is de eerder aangehaalde post-Seveso-richtlijn belangrijk. Bijlage VII van deze richtlijn specificeert de eisen die aan de informatie worden gesteld. In het voorlichtingsmateriaal moeten vermeld staan: a. de naam van het bedrijf en de lokatie; b. de identiteit van de persoon die de informatie verstrekt, te specificeren aan de hand van zijn functie; c. een bevestiging van het feit dat de vigerende en/of bestuursrechtelijke bepalingen op de lokatie van toepassing zijn en dat er een Externe Veiligheidsrapportage aan de autoriteiten is overhandigd; d. een uitleg in eenvoudige bewoordingen van de op de lokatie verrichte activiteiten; e. de gangbare benamingen / generische benamingen / algemene indeling in gevarenklassen op de lokatie van de chemische stoffen die een rol spelen bij een zwaar ongeval, met een indicatie van de belangrijkste gevaarsaspecten; f. algemene informatie over de risico's van een zwaar ongeval, waaronder de potentiële gevolgen voor de bevolking en het milieu; g. gedetailleerde gegevens over de wijze waarop de bevolking in kwestie bij een ongeval geïnformeerd en op de hoogte gehouden wordt;

1

h. gedetailleerde gegevens over door de bevolking in kwestie bij een ongeval te treffen maatregelen en de te volgen gedragslijn; i. een bevestiging van het feit dat door het bedrijf adequate maatregelen op de lokatie zijn getroffen, waaronder het leggen van de nodige contacten met de rampbestrijdingsdiensten, teneinde de te voorziene ongevallen het hoofd te bieden en de gevolgen ervan zo gering mogelijk te houden; j. een verwijzing naar het externe rampenplan dat is opgesteld om eventuele buiten de lokatie merkbare gevolgen van een ongeval te bestrijden. Hierin moet het advies zijn opgenomen om bij een ongeval in te gaan op iedere aanwijzing en ieder verzoek van de rampbestrijdingsdiensten; k. gedetailleerde gegevens over de plaatsen waar, met inachtneming van de in de nationale wetgeving neergelegde bepalingen inzake vertrouwelijkheid, nadere informatie kan worden verkregen, waaronder algemene inlichtingen over de preventieve veiligheidsmaatregelen bij de industriële activiteit en over het rampenplan. 1.4.2. Dosering van de informatie Hoe uitgebreid dient de informatie te zijn en zijn alle inhoudselementen die in de voorgaande paragraaf genoemd zijn, even belangrijk? Deze vragen prangen des te meer als men bedenkt dat de informatie complex is en de doelgroep heterogeen. Om een zo groot mogelijk deel van de doelgroep te bereiken is het volgens Van Eijndhoven, De Boer & Worrell (1990) belangrijk om de informatie te splitsen in primaire en secundaire informatie: de primaire informatie wordt algemeen verspreid, de secundaire informatie is op aanvraag beschikbaar. Ook Stallen e.a. (1990) wijzen op het belang van deze splitsing (p.62). De primaire informatie dient voor iedereen begrijpelijk te zijn: eenvoudig woordgebruik is dus een eerste vereiste. Verder dient deze informatie natuurlijk alle

1

punten uit de voorafgaande paragraaf te bevatten, maar men moet niet al te uitgebreid op die punten ingaan. Van Eijndhoven e.a. (1990) raden aan om de informatie duidelijk te structureren, o.a. m.b.v. tussenkopjes. Secundaire informatie kan geordend worden per onderwerp. Geïnteresseerden kunnen bijvoorbeeld informatie aanvragen over milieuvergunningen, de resultaten van risicoanalyses, preventieve overheids- en bedrijfsmaatregelen, geschiedenis van het bedrijf, produktinformatie en informatie over de post-Seveso-richtlijn (zie bijvoorbeeld Stallen e.a. (1990), bijlage 3). Om te bepalen aan hoeveel informatie de doelgroep behoefte heeft, is er maar één manier: onderzoek naar de informatiebehoefte bij het publiek (vgl. Van Eijndhoven & Worrell (1991), p.95, en Gutteling (1991), p.108-9, evenals Stallen e.a. (1990), p.50, evenals hoofdstuk 3 en bijlage III). 1.5. Wetenschappelijke inzichten omtrent risico-communicatie In bovenstaande paragrafen is besproken wat er in het voorlichtingsmateriaal moet staan en hoe je die informatie het beste kunt doseren. De inhoud van de voorlichting is wettelijk bepaald. De dosering ervan is een kwestie van inschatting; telkens zal onderzocht moeten worden wat de informatiebehoefte is van het publiek, zodat men niet overladen wordt met een overkill aan voorlichting, met het gevaar dat men ook het essentiële van de risicovoorlichting bij het oud papier dumpt: de alarminstructies. In deze paragraaf wordt verkend wat het wetenschappelijk onderzoek naar risico-communicatie aan aanbevelingen heeft opgeleverd die voor dit onderzoeksproject van belang zijn. Bedacht dient te worden dat niet al dat onderzoek rechtstreeks bruikbaar is. Zo vindt het onderzoek in de Verenigde Staten plaats in een geheel andere juridische en culturele context: waar in de VS zeer sterk de nadruk wordt

1

gelegd op 'the right to know', is in Europa een veel evenwichtiger verdeling tussen 'right to know' en 'need to know'. (vgl. Eijndhoven & Worrell (1991), p. 76). Het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de risico-communicatie heeft zich met name beziggehouden met de risico-perceptie, het presentatiewijze van de risicoinformatie, en een aantal bronkenmerken. Een goed, maar enigszins gedateerd overzicht van onderzoek naar risicocommunicatie is te vinden in Stallen, De Boer, Van Eijndhoven, Keren, Van de Pligt en Worrell (1988). Hieronder zullen de belangrijkste onderzoeksresultaten op genoemde gebieden worden besproken. 1.5.1. Onderzoek naar risico-perceptie Er is vrij veel onderzoek geweest naar de vraag hoe mensen risico's inschatten. Het begrip risico wordt vaak gedefinieerd als de ernst van de ongewenste gevolgen maal de kans dat deze gevolgen zich voordoen (zie ook Weterings (1992)). Een kenmerk van technologische (in casu chemische) risico's is de zeer kleine kans op een ongeval met ernstige en grootschalige consequenties, de zgn. 'low probability, high consequence risks'. Gutteling (1991) gaat in op de vraag waarom leken die risico's over het algemeen hoger inschatten dan experts, terwijl meer 'alledaagse' risico's, zoals die welke ontstaan door tabaksconsumptie en verwilderd verkeersgedrag, door leken juist worden onderschat (p. 14). Allereerst bespreekt hij het psychometrisch onderzoek dat risico-perceptie als onderwerp had. Dit onderzoek heeft voornamelijk betrekking op de cognitieve component van risico-beleving. Uit deze tak van onderzoek is gebleken dat risico-inschatting niet louter samenhangt met 'objectieve', kwantitatieve kansinformatie, maar ook met meer 'subjectieve' eigenschappen van technologieën: de mate van bedreigendheid en onbeheersbaarheid, de mate waarin de risico's bekend zijn en begrepen worden, en het aantal personen dat

1

aan het risico blootstaat. (Slovic, Fischhoff & Lichtenstein (1980), Slovic (1987)). Vlek & Stallen (1979) noemen nog een andere beoordelingsdimensie: de mate van georganiseerde beveiliging, die sterk samen zou hangen met factoren als 'persoonlijke onvermijdbaarheid' en 'onvoorstelbaarheid'. Daarnaast is er ook onderzoek verricht naar de motivationele en affectieve aspecten van risico-beleving. Attitudes omtrent risico-beleving blijken samen te hangen met psychologisch risico, technische en economische voordelen, sociaal-politieke gevolgen en milieu-effecten (Otway & Fishbein (1977)). Midden (1986) wijst op de belangrijke rol van veiligheidsaspecten bij gevoelens omtrent risico: weinig verrassend. Voor de emotionele verwerking van risicoinformatie is verder de mate waarin men zelf invloed denkt te kunnen uitoefenen op de voorkoming en beperking van erstige gevolgen van belang. (de zelfeffectiviteitsverwachting (Bandura (1977)) en de 'perceived control' (Ajzen & Madden (1986))). Verder is onderzoek gedaan naar de vraag of gevoelens van onveiligheid met betrekking tot industriële risico's samenhangen met bepaalde demografische variabelen: vrouwen vertonen meer gevoelens van onveiligheid dan mannen, en vinden die risico's ook minder acceptabel (Gutteling & Wiegman (1990), (1993)); en mensen die in de directe nabijheid van een chemisch complex wonen hebben minder gevoelens van onveiligheid dan mensen die er verder vandaan wonen en vinden de risico's ook meer acceptabel (Wiegman, Gutteling & Boer (1991)). 1.5.2. Presentatie van risico-informatie Belangrijk voor dit onderzoek is de vraag hoe je risicoinformatie aan het publiek presenteert. In de dagelijkse voorlichtingspraktijk bij bedrijven lijkt men er van uit te gaan dat het geven van getalsmatige informatie de angst bij de mensen zal wegnemen (de risico's zijn immers zeer klein).

1

Volgens Johnson & Luken (1987) speelt die getalsmatige informatie een te verwaarlozen rol bij de beoordeling van risico's. Vanuit de communicatiewetenschappen is onderzoek gedaan naar de vraag wat het effect is als informatie over één bepaald risico op verschillende manieren wordt gepresenteerd. Er zijn in het buitenland drie belangrijke onderzoeken in dit verband die het bespreken waard zijn: Slovic, Fischhoff & Lichtenstein (1978), Harding, Eiser & Kristiansen (1982) en Roth, Granger Morgan, Fischhoff, Lave & Bostrom (1990). Het onderzoek van Slovic laat zien dat de risicoinschatting van het publiek groter is als de risico-informatie ook als groot wordt gepresenteerd. Als je automobilisten meedeelt dat de kans dat men overlijdt aan één autoritje 1 op de 3.5 miljoen is, denkt men dat dat risico kleiner is dan wanneer je zegt dat dat risico op een lang automobilistenleven (zeg 50 jaar) ongeveer 1 op 100 bedraagt. Harding e.a. komen tot de conclusie dat een vergelijking van een risico met een ander risico tot een verkleining van de risicoschatting kan leiden, met name als die verschillende risico's ook nog eens visueel worden gepresenteerd, bv. in een vergelijkende grafiek. Roth komt tot de conclusie dat aanbevelingen over verbale vergelijkingen van verschillende risico's niet empirisch zijn gefundeerd; proefpersonen blijken anders op risico-informatie te reageren dan enthousiaste auteurs van communicatiehandboeken wel eens menen. Algemeen wordt aanbevolen alleen dan risico's met elkaar te vergelijken als ze in kwalitatief en kwantitatief opzicht overeenstemmen (Weterings (1992), maar ook hier ontbreekt de empirische ondergrond. Stallen e.a. (1988) besteden vrij veel aandacht aan het optimaliseren van de presentatie van kwantitatieve risico-informatie. Zij houden een pleidooi voor een algemeen te hanteren risico-index, een schaal van Beaufort voor industriële calamiteiten. In de reeds bestaande risico-

1

communicatiepraktijk worden die risico's echter heel anders verduidelijkt, nl. met behulp van zgn. risico-contouren voor het individuele risico en F/N-curves voor het groepsrisico. Deze twee kwantificeringen, als resultaten van risicoanalyse, staan ook altijd vermeld in de Externe Veiligheids Rapportage (EVR) van een bedrijf. Gutteling (1991) vergeleek twee manieren van risicopresentatie: vergelijkende kansinformatie (kans op ongeluk in fabriek werd vergeleken met een 'bekender' risico) en numerieke kansinformatie ('1 keer op 100 miljoen jaar'). Personen die de vergelijkende kansinformatie kregen, beoordeelden de nadelen als minder ernstig, maar dat leidde niet tot een positievere attitude, o.a. omdat de voordelen als minder positief werden gezien. Het aanbieden van numerieke kansinformatie alleen heeft geen enkel effect. Van Eijndhoven & Worrell (1991) komen tot de conclusie dat de empirische basis van de veronderstellingen van onderzoekers ten aanzien van de reacties van mensen op bepaalde vormen van risico-presentaties, zwak is. Zij raden aan om bij het publiek na te gaan aan welke risico-informatie het publiek behoefte heeft. Gezien in het licht van het onderzoek van Roth (1990) is dat een verstandige conclusie. De vraag is of informatie over risico's wel op een 'objectieve' manier te geven is. Het is goed voor het imago van je bedrijf als je kunt zeggen dat de kans op dood door een calamiteit op jouw fabriek voor een omwonende extreem klein is. Echter, het is alleszins aannemelijk dat mensen daar helemaal niet zo in geïnteresseerd zijn; veel belangrijker is de vraag voor de mensen óf zij risico lopen en of de gevolgen van een calamiteit hun ernstig zal schaden. Het is dan ook discutabel of het presenteren van risico-contouren, risico-vergelijkingen en risico-indexen wel relevante informatie voor de burger vormen. Toekomstig onderzoek zal zich dan ook mijns inziens moeten richten op de vraag of en zo ja aan welke (kwalitatieve of kwantitatieve) risico-

1

informatie men behoefte heeft. Overigens blijkt dat ook kwalitatieve informatie door het publiek vaak foutief geïnterpreteerd wordt. Pander Maat & Klaassen (1994) hebben onderzoek gedaan naar de wijze waarop kwalitatieve frequentieomschrijvingen van neveneffecten van medicijnen worden geïnterpreteerd. Uit dat onderzoek blijkt dat mensen over het algemeen frequenties van bijwerkingen veel te hoog inschatten. Ook als zo'n kwalitatieve omschrijving dan vervangen wordt door een andere omschrijving die duidt op een lagere frequentie, is het effect minimaal. 1.5.3. Onderzoek naar zenderkenmerken Onderzoek naar de bronkenmerken heeft zich vooral toegespitst op de kenmerken geloofwaardigheid en attractiviteit. McGuire (1969) verdeelt geloofwaardigheid in twee factoren: deskundigheid en betrouwbaarheid. Voor ons onderzoek is hierbij van belang dat de bron al gauw minder betrouwbaar wordt gevonden als de ontvanger meent dat de bron belang heeft bij het onderwerp, zelfs al is het een deskundige bron (McGuire (1985)). Aan de andere kant is het zo dat de betrouwbaarheid, en dus de geloofwaardigheid, van de bron toenemen als die een verhaal houdt dat tegen zij eigen belangen indruist (Eagly, Wood & Chaiken (1978)), wat ook enigszins het geval is bij risico-communicatie. Ook Gutteling (1991) heeft onderzoek gedaan naar de invloed van geloofwaardigheid van de zender. Het bleek in dit onderzoek weinig uit te maken of de overheid of het bedrijfsleven als zender in de voorlichting fungeerde: beide bleken ongeveer even geloofwaardig te worden gevonden. Het onderzoek naar de effecten van boodschapkenmerken wordt besproken in hoofdstuk 2, terwijl in hoofdstuk 3 het onderzoek naar ontvangersgebonden variabelen centraal staat. 1.5.4. Presentatie van veiligheidsadviezen

1

In de voorafgaande subpapragrafen is besproken wat de wetenschappelijke inzichten zijn waarmee men rekening moet houden als men mensen voorlicht over industriële risico's. Echter, de Seveso-richtlijn schrijft ook voor dat omwonenden geïnformeerd dienen te worden over de te volgen gedragslijn in het geval van een ernstige calamiteit. Allereerst is daar de vraag hoe uitgebreid de voorlichting daaromtrent moet zijn. Moeten vooraf slechts wat essentiële gedragsregels worden gegeven, en bij een echte ramp pas gedetailleerde informatie? Of is het handiger om dat juist andersom te doen: vooraf uitgebreide aanwijzingen, zodat bij een echte ramp volstaan kan worden met de meest essentiële dingen? Volgens het literatuuroverzicht van Stallen e.a. (1988) is daar in de literatuur heel weinig over bekend. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat men minder snel kennis neemt van uitgebreide boodschappen als daartoe geen urgentie bestaat, en als men toch kennis neemt, is de kans groot dat die weer gauw vergeten wordt. Stallen e.a. stellen dat de interesse in voorlichting over zelfbeschermende maatregelen laag zal zijn als verwacht dat: - er toch niets ernstigs zal gebeuren; - een eventueel ongeval fataal zal zijn; - de aanbevolen handelswijze onuitvoerbaar is; - dat men zich op een andere wijze kan beschermen. men

Het is dus zeer belangrijk om in de voorlichting mee te nemen dat een eventueel ongeval niet direct fataal hoeft te zijn, en dat de handelswijze om zichzelf te beschermen goed uitvoerbaar is. Verder is belangrijk dat de meest essentiële gedrags-informatie op een zelfstandige eenheid staat die gemakkelijk te bewaren is en die men snel kan raadplegen (lees: een alarminstructiekaart). 1.6. Planmatige aanpak

1

Het is van belang dat de voorlichting planmatig wordt aangepakt: de keuzen van bron, boodschap, medium en ontvanger worden zorgvuldig op elkaar afgestemd in het kader van bepaalde communicatiedoelen en van bepaalde verwachtingen over de doelgroep. Bij deze planmatige aanpak is de themakeuze essentieel: de kapstok om de informatie aan op te hangen. Stallen e.a. (1990) raden aan om als thema te kiezen: het bedrijf en de veiligheid van zijn omgeving (p.68). Een ander belangrijk punt is het in kaart brengen van de kenmerken van de doelgroep: uitgangspositie (kennis en verwachtingen omtrent het bedrijf en de overheid, informatiebehoefte), bereikbaarheid (bieden bestaande communicatienetwerken aanknopingspunten voor informatie-overdracht) en homogeniteit op demografische variabelen (Stallen e.a. (1988), p.12 vv., Stallen e.a. (1990), p.105). In verband met de te verwachten heterogeniteit van de doelgroep is de aanbeveling gedaan om de informatie uit te splitsen in een primair en een secundair deel (zie § 1.4.2.)

1.7. Beoordeling en effecten van voorlichtingsmateriaal In de voorafgaande paragrafen zijn de verplichte onderdelen van het voorlichtingsmateriaal voor omwonenden besproken en is ingegaan op de vraag op welke wijze deze informatie het beste te presenteren is. Het aldaar besprokene was echter grotendeels het produkt van laboratoriumonderzoek. Hoe werkt risico-voorlichting in het echte leven? Welke treden daar op? In 1989 is in Nederland op verschillende effecten plaatsen

begonnen met voorlichting over industriële risico's aan omwonenden. Bij deze campagnes werd gebruik gemaakt van een zogenaamde planmatige aanpak, die in de voorafgaande paragraaf besproken is. In Dordrecht (Du Pont de Nemours) en Elst (Luxan) werden als proefproject de eerste informatiecampagnes

1

gehouden. Een verslag van deze proefprojecten is te vinden in Stallen e.a. (1990). Daarna kwamen Akzo (Hengelo), GE Plastics2 (Bergen op Zoom) en een gezamenlijke voorlichtingscampagne van zo'n 30 bedrijven in het Botlek-gebied. Bij het proefproject bij Du Pont is het informatie-materiaal gepretest. Het bleek dat dit materiaal zeker niet te uitgebreid moest zijn (het informatiemateriaal bestond uit 3 A4-tjes met een instructiekaart). Verder kwam aan het licht dat men zeer behoedzaam moet omspringen met risicovergelijkingen; Du Pont had het risico dat een omwonende loopt, vergeleken met de kans dat één persoon dodelijk wordt getroffen door de bliksem. Men bleek dat een onderschatting van het risico te vinden. Ook bij Luxan bleek dat het niet raadzaam is al te stellig te doen over het ontbreken van bepaalde schadelijke eigenschappen van stoffen; het ontkennen of bagatelliseren van risico's door deze zenders werkt averechts. Dit kan gelegen hebben aan het mogelijke feit dat men deze voorlichting van deze bedrijven toch met een korreltje zout nam, maar mogelijk heeft ook informatie in de media over milieuschade die veroorzaakt wordt door chemische bedrijven een rol gespeeld ("Het is allemaal niet zo onschuldig"). Zulke informatie kan het effect van voorlichting over risico's enigszins relativeren en neutraliseren. De gevolgen van de voorlichtingscampagnes waren bij het project in Dordrecht de volgende: - de campagne leidde niet tot grotere onrust of angst onder de omwonenden - de campagne heeft niet geleid tot een toegenomen vertrouwen in de zorgvuldigheid van het beleid . Voor verslag van dit project leze men Evaluatie voorlichtingsproject GEP/EVR en gemeentelijke rampenbestrijding.
2

1

- de omwonenden vonden de informatie over hoe te handelen bij een ramp het belangrijkst; men bleek zeer weinig behoefte te hebben aan getalsmatige risico-informatie, kwalitatieve omschrijvingen zijn dus voldoende; - van de mogelijkheid om aanvullende informatie te verkrijgen werd zeer weinig gebruik gemaakt; - de kennis over maatregelen in het geval van een ramp en de wijze van alarmering nam door de campagne duidelijk toe. Bij de campagne in Hengelo is er geen (wetenschappelijk verantwoorde) effectmeting gehouden. Bij de campagne bij General Electric Plastic bleek dat slechts ongeveer de helft van de mensen behoefte had aan de informatie. Aangezien bij deze campagne geen voormeting vooraf is gegaan, zijn de andere resultaten van de meting niet interpreteerbaar, in die zin dat ze niets zeggen over het effect van de campagne. Van de campagne in het Botlekgebied is geen verslag van de effectmeting beschikbaar. Van Eijndhoven & Worrell (1991) geven aan dat er wat betreft het pretesten nog veel werk te doen valt: zij raden in ieder geval het pretesten van zo'n brochure aan en stellen verder dat het gewenst is om te experimenteren met verschillende vormen van risicocommunicatie. Voor zover na te gaan, zijn de hier besproken brochures zeer globaal gepretest. Een meer systematische benadering ligt voor de hand.

1

2. HET OPTIMALISEREN VAN BROCHURES I: DE TEKST CENTRAAL In de volgende twee hoofdstukken wil ik aangeven wat de bijdrage kan zijn van de communicatiekunde aan het optimaliseren van risico-communicatie. Daarbij zal ik mij niet zozeer bezighouden met het proces van risicovoorlichting. De lezer die wil weten hoe je een goede voorlichtingscampagne opzet, wordt verwezen naar Van Eijndhoven, De Boer en Worrell (1990). In dit en het volgende hoofdstuk wordt de vraag behandeld hoe je een voorlichtingsbrochure over risico's van de chemische industrie zo goed mogelijk opzet. Daarbij zijn tenminste twee factoren van belang: de tekst zelve èn de lezer van die tekst. De taalbeheersing is allereerst de discipline die geacht wordt adviezen te kunnen leveren aangaande inhoud, structuur en stijl van een tekst. Het onderzoek op deze gebieden, voor zover relevant voor deze stage-opdracht, zal kortelings besproken worden in dit hoofdstuk. Verder zal in dit hoofdstuk een methode gepresenteerd worden om de sterke en zwakke punten van de tekst tegen het licht te houden. In het volgende hoofdstuk wordt de optimalisatie van brochures vanuit het standpunt van de ontvangers bezien: hoe kom je erachter hoe je publieksgroep eruit ziet, wat ze van het onderwerp weten en hoe ze er tegenaan kijken. En, last but not least, hoe ontlok je proefpersonen commentaar over een voorlichtingstekst? 2.1. Effecten van tekstmanipulaties 2.1.1. Kenmerken van informatieve teksten In de taalbeheersingsliteratuur is behoorlijk wat onderzoek gedaan naar effecten van manipulaties met tekstkenmerken. Dit onderzoek zal in deze paragrafen summier besproken worden, voor zover dit van belang is voor risico-communicatie en voor zover er inderdaad effecten waarneembaar waren. Hoeken (1993) is een overzichtsartikel van belangrijke effecten van manipulaties met inhoud, stijl en structuur van

1

een tekst. Allereerst bespreekt hij het onderzoek op het gebied van de informatieve teksten. Deze teksten zijn voor ons van belang waar het gaat om de beschrijving van het produktieproces en de op de fabriek aanwezige gevaarlijke stoffen bijvoorbeeld. Een belangrijk punt is dat het opnemen van interessante maar niet relevante informatie het leren van de belangrijke informatie kan verstoren (Reder & Anderson (1980), Graves, Slater, Roen, Redd-Boyd, Duin, Furniss & Haseltine (1988)). Extra informatie wordt alleen onthouden als die gerelateerd is aan de hoofdpunten van de tekst (Reder (1982), Graves, Penn, Earle, Thompson, Johnson & Slater ((1991)). Met betrekking tot de structuur van informatieve teksten blijkt het zo te zijn dat informatie die hoog in de tekststructuur staat veel beter wordt onthouden dan informatie laag in de tekststructuur. Meyer (1985) wijst erop dat het doorgronden van de tekststructuur belangrijk is voor de efficiënte opslag van informatie. Schrijvers kunnen hun lezers behulpzaam zijn bij het doorgronden van de tekststructuur door die structuur te signaleren, bijvoorbeeld met tussenkopjes, vooraankondigingen en logische connectieven. Spyridakis & Standal (1987) voerden een onderzoek uit naar het effect van voornoemde tekstmanipulaties. Het bleek dat elk van de genoemde signalen het tekstbegrip kan verhogen, maar dit is afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de tekst. Lezers met veel voorkennis over het tekstonderwerp hadden de signalen niet nodig, terwijl bij erg moeilijke teksten de signalen alleen onvoldoende waren voor een goed tekstbegrip. Ook Hartley & Jonassen (1985) concluderen in hun overzichtsartikel dat kopjes een positief effect hebben op het onthouden van teksten. Met betrekking tot de stijl van informatieve teksten is er weinig te zeggen; er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar stilistische kenmerken die interesse opwekken.

1

2.1.2. Kenmerken van persuasieve teksten De bevindingen op het gebied van de persuasieve teksten zijn voor ons onderwerp van belang waar het gaat om het geruststellen van de burgers: de preventieve en repressieve maatregelen met betrekking tot calamiteiten geven geen aanleiding tot zorg. Ook bij het instrueren van de burgers voor het geval er werkelijk een ramp plaatsvindt, kent een persuasief aspect, namelijk daar waar het gaat om het overtuigen van de burger dat de aanbevolen handelswijze ook inderdaad effectief is wanneer je jezelf moet beschermen. Welke kenmerken maken een tekst persuasief? Als het gaat om de inhoud, zijn natuurlijk de soort gebruikte argumenten van belang. Hoeken wijst erop dat voor het kiezen van de juiste argumenten kennis van de opvattingen van het publiek nodig is: teksten die met argumenten komen aanzetten die de lezer totaal niet relevant vindt, hebben geen effect. Als er niet wordt ingegaan op punten die de lezer wel van belang vindt, leidt dat tot een stellingname die tegengesteld is aan die van de tekst. (Burgoon & Miller (1985)). Onderzoek van de opvattingen van het publiek zijn dus noodzakelijk (zie hoofdstuk 3). Voorts de vraag of conclusies in een tekst altijd geëxpliciteerd moeten worden. McGuire (1969) stelt dat het gebruik van expliciete conclusies ervoor zorgt dat de zender minder ambigu overkomt, hetgeen zijn geloofwaardigheid ten goede komt. Gutteling (1991) vond echter geen effect van dit tekstkenmerk. Als het gaat om de inhoud van persuasieve teksten is ook de vraag van belang hoever het standpunt van de zender mag afwijken van dat van de ontvanger. Zowel de theorie van Fishbein & Ajzen (1975), als de social judgment-theorie van Sherif & Hovland (1961), gaan er van uit dat er een ∩vormige relatie bestaat tussen attitudevernadering en discrepantie: zowel boodschappen met extreem weinig als met

1

extreem veel discrepantie hebben minder attitudeverandering tot gevolg dan wanneer de mate van discrepantie tussen beide extremen in ligt. McGuire bespreekt verscheidene onderzoeken waaruit blijkt dat informatie die tegen de mening van de lezer ingaan, wel degelijk wordt verwerkt, in tegenstelling tot wat vroegere psychologische theorieën wel eens suggereerden. Vooral onder de volgende voorwaarden wordt contrasterende informatie verwerkt: - wanneer het onderwerp controversieel is en de ontvanger zich bij dat onderwerp betrokken voelt (voor risicocommunicatie: bijvoorbeeld mensen uit de milieubeweging); - wanneer de ontvanger een groot zelfvertrouwen heeft; - wanneer de ontvanger verwacht dat de argumenten zwak zullen zijn; - wanneer de ontvanger zich nauwelijks bij het onderwerp betrokken voelt, maar wel geïnteresseerd is in nieuwe gegevens die mogelijk pleiten tegen het eigen standpunt (mogelijk de omwonenden van een chemisch complex); - wanneer het gevoel van eigenwaarde niet bedreigd wordt. Dan de aloude vraag of je in moet gaan op argumenten die tegen jouw betoog ingaan. Uit het overzicht van McGuire (1985) blijkt dat wanneer de ontvanger op de hoogte is van bestaande tegenargumenten (bijvoorbeeld bij risico-communicatie: risico's en milieuvervuiling als gevolg van de chemische industrie), deze tegenargumenten eerst benoemd en bestreden moeten worden alvorens het eigen standpunt te beargumenteren (bijvoorbeeld de voordelen van de chemische industrie: werkgelegenheid en bijdrage aan de economische groei). Ook de hoeveelheid argumentatie is van belang, maar McGuire wijst erop dat op grond van verricht empirisch onderzoek niet is aan te geven waar de grens ligt tussen genoeg en teveel argumentatie. Ook hier kan publieksonderzoek nuttige wetenswaardigheden opleveren.

1

het

Daarnaast is er onderzoek gedaan naar het effect van tijdsperspectief waarin de positieve en negatieve

gevolgen van chemische industrie geplaatst worden. Uit onderzoek blijkt dat individuen bij de beoordeling van de gevolgen van een activiteit zich in belangrijke mate baseren op de termijn waarin deze zich zullen voordoen. (Kok (1983)). Als een negatief gevolg zich verder in de tijd afspeelt, wordt het als minder ernstig beoordeeld. (Hass, Bagley & Rogers (1975)). Tegenover die risico's staan echter ook economische en technologische voordelen: werkgelegenheid en de ontwikkeling van nieuwe produkten bijvoorbeeld. Er is weinig onderzoek gedaan of het noemen van die voordelen effect heeft op de uiteindelijke attitude t.a.v. technologie. In het onderzoek van Gutteling kwam aan het licht dat men het optreden van voordelen waarschijnlijker acht als ze op lange termijn worden beschreven, hetgeen echter geen positievere attitude t.a.v. die technologie tot gevolg had. Hij raadt aan om op een evenwichtige manier voor- en nadelen van de betreffende technologie te bespreken. Gutteling (1993) beschouwt de voordelen van een technologie als een goed aanknopingspunt voor de praktijk van de risicovoorlichting. Met betrekking tot de structuur van persuasieve teksten merkt Hoeken op dat het gebruiken van kopjes de persuasieve kracht van een tekst vergroot, ondanks het feit dat kopjes in persuasieve teksten in zijn onderzoek niet leidden tot extra tekstbegrip. Andere onderzoeken naar effecten van de structuur van persuasieve teksten zijn mij niet bekend. Ook als het gaat om de stijl van persuasieve teksten is het werk van Hoeken van belang. Hoeken & Poulssen (1991) laten zien dat het direct aanspreken van de lezer en het opvoeren van concrete personen en instanties leidden tot positievere overtuigingen, zonder dat deze manipulaties tot extra tekstbegrip leidden. Bovendien hadden deze ingrepen

1

een hogere tekstwaardering tot gevolg, terwijl de tekst er volgens de proefpersonen duidelijker, eenvoudiger, rerlevanter geloofwaardiger en minder vrijblijvend door Ook het onderzoek van Hoeken & Van Wijk (1992) tigt dit resultaat: wanneer de lezer niet direct aangesproken, leidt dat tot een negatievere intentie werd. beveswordt om het

gepropageerde gedrag daadwerkelijk te vertonen. Dit effect trad overigens alleen op bij mensen met een lage 'need for cognition' (Cacioppo & Petty (1982)). Hoeken & Anderiesse (1992) hebben onderzoek gedaan naar effecten van retorische vragen. Uit dit onderzoek bleek dat een retorische vraag die voorafgaat aan de argumenten, onmiddellijk leidt tot een standpuntbepaling. De lezers nemen een standpunt in en zijn niet meer gevoelig voor de argumenten die volgen. Als daarentegen de retorische vraag ná de argumenten geplaatst wordt, wordt het standpunt van de lezer mede bepaald door de genoemde argumenten. Vragen achteraf leiden tot een positievere attitude door te fungeren als een stimulans om na te denken over de argumenten. Een volgend punt is de attractiviteit van het voorlichtingsmateriaal, hetgeen nauw samen kan hangen met het persuasieve vermogen. Voor alles moet immers voorkomen worden dat mensen de brochure ongelezen weggooien. McGuire (1985) heeft zich hiermee wederom beziggehouden. Allereerst is daar de kracht van de boodschap (forcefulness of delivery). Een dynamische, krachtige stijl kan van pas komen bij teksten waarin bronnen voorkomen met een groot prestige en een grote betrouwbaarheid en wanneer de ontvangers weinig betrokken zijn bij het onderwerp. Wanneer de voorlichter niet beschikt over zo'n bron en wanneer de ontvangers sterk betrokken zijn bij de zaak, doet de voorlichter er beter aan een bescheiden stijl te hanteren, dat heeft in dat geval meer persuasie tot gevolg. Een ander onderdeel van de attractiviteit is het

1

figuurlijk taalgebruik. Volgens McGuire is er empirische basis om te veronderstellen dat vooral metaforen effect sorteren. Een laatste aspect van attractiviteit is humor. McGuire laat zien dat humor aan de ene kant de aantrekkelijkheid van de bron vergroot, en ook de aandacht van de ontvanger doet toenemen, maar dat aan de andere kant de bron gemakkelijk zijn geloofwaardigheid kan verliezen en de aandacht van de ontvanger afgeleid kan worden van de werkelijke boodschap. Vanwege de ernst van het onderwerp lijkt risico-communicatie niet het aangewezen thema om grapjes over te maken. Tenslotte zou men als het gaat om attractiviteit kunnen onderzoeken of het toevoegen van klachtenlijnen helpt om de aandacht voor de folder en de 'bewaarbaarheid' ervan te vergroten. Daaromtrent is nog geen onderzoek verricht. 2.1.3. Kenmerken van instructieve teksten Brochures met risico's van de chemische industrie als onderwerp kennen ook een instructief gedeelte: de alarminstructies. Wat kan het taalbeheersingsonderzoek zeggen over de effecten van tekstmanipulaties in instructieve teksten? Als het gaat om de inhoud is allereerst de vraag van belang welke informatie per se opgenomen moet worden en welke weggelaten kan worden. Aan de ene kant zijn er de expounders, die beweren dat een instructieve tekst zo compleet mogelijk moet zijn, niet mag uitgaan van enige voorkennis en een uitgebreide bespreking moet geven van alle relevante punten. De minimalisten daarentegen stellen dat een instructieve tekst zo kort mogelijk moet zijn omdat anders de bereidheid om er kennis van te nemen snel afneemt. Haast al het onderzoek dat op dit gebied heeft plaatsgevonden, had betrekking op teksten die direct in de praktijk moest worden toegepast, zoals handleidingen bij software, gebruiksaanwijzingen, etc. Er is mij geen onderzoek bekend naar instructieve teksten die ontworpen zijn voor

1

zeer zeldzame gebeurtenissen. Een kenmerk van de alarminstructie is immers dat hier informatie gegeven wordt die zeer waarschijnlijk nooit gebruikt zal moeten worden. Het lijkt dan ook handig, zonder dat deze conclusie nu stoelt op experimenteel onderzoek, in deze de zijde der minimalisten te kiezen: alleen de essentiële alarminstructies. Als er een ramp gebeurt, kunnen op dat moment via radio en tv verdere aanwijzingen worden gegeven (in de essentiële alarminstructies is immers opgenomen dat men radio of tv moet aanzetten). Lentz (1991) wijst erop dat we de inhoud van een instructieve tekst vaststellen door het gewenste handelingsverloop van de ontvanger te reconstrueren. Dit houdt in dat de in de brochure aanbevolen handelswijze hetzelfde verloop moet hebben als in werkelijkheid: chronologische ordening van de handelingen dus. Als het gaat om de structuur van instructieve teksten, is de tegenstelling thema-oriëntatie versus handelingsoriëntatie van belang. Bij thema-georiënteerde teksten wordt het onderwerp op encyclopedische wijze besproken; vele kenmerken van het onderwerp worden genoemd. Echter, volgens Hoeken is het in instructieve teksten veel aannemelijker om een handelingsoriëntatie als uitgangspunt te nemen: de lezer moet snel kunnen opsporen wat hij moet doen en welke handelingen noodzakelijk zijn. Frase & Schwartz (1979) laten zien dat de verschillende handelingen in een instructieve tekst het best gepresenteerd kunnen worden als een opsomming, waarbij elke handeling voorzien is van een cijfer en de handelingen onder elkaar gezet worden (dus niet in doorlopende tekst). Lentz (1991) beveelt het werken met tekstblokken aan terwille van de overzichtelijkheid. Uit empirisch onderzoek naar markeringen van tekstgedeelten (Van Hout Wolters (1986)) valt op te maken dat

1

gemarkeerde passages beter onthouden worden en niet-gemarkeerde juist slechter. Wat betreft het totale recall effect treedt er geen significant effect op. Weinig onderzoek is nog gedaan naar de effecten van de vlakverdeling op de begrijpelijkheid van de tekst. Dit punt lijkt met name essentieel voor de alarminstructiekaart. Er is weinig onderzoek gedaan naar de invloed van stijlmanipulaties op de effectiviteit van instructieve teksten. Wright & Wilcox (1979) onderzochten de invloed van ontkenningen in instructies op de snelheid en adequaatheid waarmee instructies werden uitgevoerd. Instructies zonder ontkenningen leidden in alle gevallen tot de minste fouten en de snelste reacties. Ook werden instructies slechter onthouden als er ontkenningen in voorkwamen. Lentz (1991) wijst verder op het belang van de directe aanwprekingen in instructieve teksten; vorm adresseert de schrijver de tekst. 2.1.4. Adviezen voor brochures Op grond van de bevindingen die in dit en het vorige hoofdstuk zijn geschetst zijn onderstaande aanbevelingen te doen. Daarbij dient onmiddellijk te worden aangetekend dat deze adviezen relatief van karakter zijn: op elke aanbeveling valt wetenschappelijk gezien het nodige af te dingen; de waarheid in de taalbeheersing is nooit een kwestie van zwart of wit, maar helaas maar al te vaak een kwestie van grijsheid. Toch kunnen deze adviezen nuttig zijn voor mensen die een empirisch zwakke ondergrond weten te waarderen boven het drijfzand van vele communicatie-handboeken bij elkaar. - Splits de informatie in een primair en een secundair deel. De primaire informatie voor huis-aan-huis-verspreiding onder de omwonenden; de secundaire voor mensen die die informatie aanvragen. met behulp van de u-

1

- Neem in de primaire informatie alle punten op die in paragraaf 1.4.1. genoemd zijn, maar ga niet al te uitgebreid op elk onderdeel in. Uitgebreide informatie kan opgenomen worden in het secundaire materiaal, bv. informatie over milieuvergunningen, resultaten van de risico-analyse, door bedrijf en overheid getroffen preventieve en repressieve maatregelen, informatie over produktieproces en eindprodukten, over de post-Seveso-richtlijn, etc. - Getalsmatige risico-informatie zegt de meeste mensen buitengewoon weining. Wees er dus ook buitengewoon terughoudend mee. Wees ook voorzichtig met risico-vergelijkingen; ze kunnen tot onvoorziene reacties bij het publiek leiden. Kwalitatieve risico-informatie is voor het primaire voorlichtingsmateriaal voldoende. - Maak voldoende en verstandig gebruik van structuuraanduiders, zoals kopjes, vooraankondigingen en logische connectieven ('omdat, voordat', etc.). - Ga eerst in op mogelijke negatieve aspecten van de chemische industrie. Daarna kunnen de voordelen genoemd worden, vooral die op de lange termijn! - Spreek de lezer direct aan met 'u'. - Hanteer een rustige, niet al te jubelende stijl. - Metaforen kunnen dienstbaar zijn om moeilijke zaken te verduidelijken, maar wees voorzichtig als het om 'gevoelige' informatie gaat, zoals kwantitatieve risico-informatie. - Gebruik geen humor; ernstige zaken gaan niet samen met ridiculisering.

1

- Maak de alarminstructies niet te uitgebreid; alleen de meest elementaire handelingen zijn van belang. - Presenteer de alarminstructies in de volgorde zoals die door de mensen moet worden uitgevoerd: ga naar binnen, sluit ramen en deuren, zet regionale radio of tv aan en volg de aanwijzingen op. - Presenteer de alarminstructies puntsgewijs onder elkaar en voorzie ze van een romeins cijfer. - Gebruik zo mogelijk geen ontkenningen in de alarminstructies.

2.2. Beoordeling van brochures In hoofdstuk 1, 4e paragraaf werd besproken welke inhoudselementen een brochure over risico's van de chemische industrie dient te bevatten op grond van de Seveso-richtlijn. In paragraaf 2.1. werden enige empirisch gefundeerde tekstadviezen besproken welke als richtsnoer kunnen dienen bij het opstellen van zulk voorlichtingsmateriaal. In deze paragraaf zal nog een ander instrument uit de gereedschapskist van de taalbeheerser geplukt worden om de tekst te optimaliseren: een tekstgerichte pretest-methode. Voor het toepassen van deze methode is het dus noodzakelijk dat er al een tekst is die gepretest kan worden. In de pretest-wereld zijn twee hoofdstromingen te onderscheiden: lezersgerichte en tekstgerichte pretesten. Zoals Lentz & Pander Maat (1993) al aangeven, is het laatste woord over deze tweedeling nog niet gesproken. Beide methoden hebben hun voors en hun tegens. Om tot een zo optimaal mogelijke tekstbeoordeling te komen, is het dus handzaam beide in te zetten om zoveel mogelijk nuttige feedback op

1

het spoor te komen. Lentz & Pander Maat hebben een poging ondernomen een tekstgerichte methode voor het pretesten van voorlichtingsmateriaal over subsidieregelingen op te zetten. Daarbij geven ze zelf al aan dat hun methode ook niet optimaal is en daarom slechts één van meerdere wegen naar Rome is. Een bezwaar dat de auteurs tegen hun eigen methode inbrengen, is dat de betrouwbaarheid ervan te wensen overlaat: verschillende tekstevaluatoren komen met dezelfde methode tot verschillende diagnoses en remedies voor problemen met de tekst. Er is dus geen overeenstemming bij de tekstexperts over deze methode. Daarnaast is er een ander methodologisch bezwaar: het is nog maar de vraag of tekstproblemen die met behulp van deze methode gedetecteerd worden, overeenstemmen met de problemen die niet-professionele lezers bij het beoordelen van de tekst noemen. De methode is immers pas geslaagd te noemen als opgespoorde 'problemen' ook werkelijk problemen zijn; de methode mag enerzijds geen 'false alarms' afgeven, en moet anderzijds toch zoveel mogelijk werkelijke problemen blootleggen. Naar deze predictieve kwaliteit van de tekstevaluatiemethode is nog geen onderzoek gedaan. Dat relativeert de waarde van deze manier van teksten evalueren, maar brengt deze waarde geenszins terug tot het nulpunt. Integendeel, de auteurs laten zien dat hun methode zeker zinnige feedback kan geven op voorlichtingsteksten over subsidieregelingen. Uitgangspunt van hun methode is de functionele benadering: teksten zijn een middel voor het op gang brengen van communicatieprocessen bepaalde doelen van geondige analyse van vervullen, is dus een en deze processen zijn een middel om een organisatie te realiseren. Een de functies die de tekst moet gaan conditio sine qua non. Uitgaande van

Van Eijndhoven & Worrell (1991) hebben voorlichtingsbrochures over risico's van de chemische industrie de volgende

1

doelen: a) bevorderen van kennis en inzicht over risicodragende activiteiten (informeren over bedrijf, bedrijfsactiviteiten, gevaarlijke stoffen en risico's); b) het scheppen van vertrouwen tussen fabriek en omwonenden (informeren over preventieve en repressieve veiligheidsmaatregelen) en c) het beïnvloeden van het gedrag van de bevolking tijdens rampsituaties (informeren over de wijze waarop de bevolking bij een ongeval geïnformeerd wordt en welke maatregelen ze dan moeten nemen). De evaluatiemethode van Lentz & Pander Maat, aangepast voor onze tekstsoort, is een checklist, verdeeld in twee onderdelen: het eerste deel gaat over eisen die specifiek zijn voor de functies van de tekst, het tweede deel gaat over algemene eisen die aan teksten te stellen zijn. In bijlage I is te zien hoe het analyseschema van Lentz & Pander Maat kan worden omgebouwd naar een model dat geschikt is voor onze tekstsoort. Deze bijlage is tevens voorzien van een korte instructie, zodat ook personen die nog niet eerder met dit schema gewerkt hebben, het kunnen gebruiken. Hierbij moet aangetekend worden dat het schema in bijlage I zeer globaal is, voornamelijk vanwege de diversiteit in de reeds geproduceerde brochures. Om het schema te kunnen gebruiken in de alledaagse praktijk van de risico-voorlichting is een verdere studie naar de functies van zulke teksten van levensbelang. De checklist in bijlage I is dan ook niet meer dan een eerste aanzet tot. Voor een uitvoerige beschrijving en verantwoording van het oorspronkelijke model leze men Lentz & Pander Maat (1993).

1

3. HET OPTIMALISEREN VAN BROCHURES II: DE LEZER CENTRAAL In het vorige hoofdstuk zijn verschillende aanwijzingen besproken om de voorlichtingstekst zo doeltreffend mogelijk te maken; bovendien werd een evaluatiemethode aangeboden ter beoordeling van bestaande teksten. In dit hoofdstuk staat niet in de eerste plaats de tekst centraal, doch de lezer: welke demografische kenmerken bezit het lezerspubliek, welke kennis en attitudes hebben ze omtrent de chemische industrie, welke informatiebehoefte hebben ze als het gaat over risico's en hoe kun je lezers het beste een voorlichtingstekst laten beoordelen? Kennis van deze aspecten is nodig om de tekst zoveel mogelijk naar de smaak van de lezer in te richten. En daarmee wordt duidelijk dat de scheiding tussen dit en het vorige hoofdstuk een kunstmatige scheiding is: immers, kenmerken van de doelgroep en reacties van de doelgroep op een concept-voorlichtingstekst, zullen uiteindelijk medebepalend zijn voor het uiteindelijke voorlichtingsprodukt. Zowel kennis over teksten als kennis over de lezers sturen dus de opzet en inhoud van de tekst. Allereerst zal in dit hoofdstuk besproken worden hoe je de eigenschappen en opvattingen van je doelgroep beter leert kennen: het publieksonderzoek (§ 3.1). Vervolgens wordt ingegaan op de vraag hoe je de mening van het publiek over een concept-voorlichtingstekst kunt onderzoeken, namelijk met behulp van een lezersgerichte pretest-methode. (§ 3.2). 3.1. Het publieksonderzoek In hoofdstuk 1 en 2 is op verscheidene plaatsen het belang benadrukt van publieksonderzoek als men de omwonenden van een chemisch complex wil voorlichten over risico's. Zo'n vooronderzoek is nodig omdat je niet weet hoe mensen over zo'n faabriek als buurman denken. Bovendien kun en mag je er niet van uitgaan dat omwonenden van verschillende indus-

1

triële complexen die fabrieken op dezelfde wijze beoordelen. Immers, in het ene geval zal de relatie tussen fabriek en omwonenden goed zijn, bijvoorbeeld als er al lange tijd geen ernstige calamiteiten op die fabriek hebben plaatsgevonden en de fabriek de omwonenden al lange tijd voorlichting geeft over wat er op het bedrijf allemaal gebeurt. In andere gevallen zal de relatie tussen bedrijf en omwonenden niet zo goed zijn, bijvoorbeeld als er verscheidene grootschalige calamiteiten zijn geweest en als het bedrijf weinig openheid betracht naar de omwonenden toe. Al deze omstandigheden kunnen bepalen aan welke dingen in de voorlichtingsbrochure extra aandacht moet worden geschonken. 3.1.1. Inhoud van de enquete De uitgangssituatie verschilt dus per bedrijf. Vandaar dat het allereerst noodzakelijk is om te achterhalen hoe omwonenden tegen zo'n bedrijf aankijken. Het ideale middel om dat te bepalen, is natuurlijk de enquete. De enquete die ik in dit verslag heb ontworpen, is een compilatie van verschillende enquetes, aangevuld met eigen vragen die mij belangrijk toeschenen. Veel vragen heb ik ontleend aan de enquete die Gutteling, Boer & Wiegman (1986) hebben opgesteld. Verder heb ik ook gebruik gemaakt van de enquete die Gutteling (1991) heeft gebruikt. De enquete die zo uiteindelijk ontstond, is opgenomen in bijlage II. Deze enquete is niet meer dan een voorbeeld; in een praktijksituatie is het altijd raadzaam om niet al te stringent met voorbeelden om te gaan. Sommige vragen zullen voor het ene bedrijf van minder belang zijn, en in andere gevallen zal een bedrijf soms nog meer willen weten van zijn omwonenden. Cruciaal zijn mijns inziens de volgende punten: - algemene demografische kenmerken van de populatie, zoals leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, etc.; - kennis en vertrouwen van de populatie m.b.t. alarmeringsprocedures in het geval van een calamiteit; de

1

- kennis van de populatie over de gewenste handelswijze ten tijde van een ramp; - inschatting van de populatie van de kans op mogelijke industriële en andere rampen; - de perceptie van de populatie van de voor- en nadelen van een chemisch complex als buurman (werkgelegenheid, milieuverontreiniging, etc.); - vertrouwen van de populatie in het preventieve en repressieve veiligheidsbeleid van het onderhavige bedrijf en de overheid; - de informatiebehoefte bij het publiek en de gewenste vorm van risico-voorlichting (brochure, folder, informatieavond) en eventueel het effect van eerdere pogingen tot risico-voorlichting. 3.1.2. Uitvoering van de enquete Als proefpersonen van de enquete kunnen dienen alle volwassenen die in het gebied wonen waar het bedrijf de voorlichtringsbrochure over risico's wil/moet verspreiden. Wel moet de selectie van mensen die meedoen aan de enquete volstrekt aselect geschieden, wil men tenminste verantwoorde conclusies kunnen trekken. Dat betekent dat iedereen die tot de doelgroep behoort (dus alle mensen die voorgelicht moeten worden) in principe evenveel kans hebben om in de steekproef terecht te kunnen komen. Het is aan te raden om een grote groep mensen aan te schrijven: hoe groter de steekproef, hoe betrouwbaarder het statistisch resultaat. Om een zo hoog mogelijke respons te krijgen kan gebruik gemaakt worden van de 'Total Design Method' (zie Dillmann (1978) en Punter, Blaauwbroek & Oliemans (1989)). Deze methode houdt in dat de deelnemers een introductiebrief ontvangen met een enquete en antwoordenvelop. Na 7 dagen ontvangen de deelnemers die nog niet hebben gereageerd een briefkaart ter herinnering. Tenslotte ontvangen de deelnemers die na 21 dagen niet

1

hebben gereageerd opnieuw een brief met enquete en antwoordenvelop. Met deze methode kunnen responspercentages van 65 tot 70% bereikt worden (Dillmann (1978), Hox, De Leeuw & Duijx (1983)). Het is dus voor de administratie noodzakelijk dat elk enqueteformulier wordt voorzien van een codenummer dat coorespondeert met een adres. 3.1.3. Verwerking en implicaties van de enquete Per vraag kan gekeken worden welk percentage van de respondenten een bepaald antwoordalternatief kiest. Op die manier kan men een redelijke indruk krijgen wat men over het algemeen vindt van het bedrijf, wat men reeds weet over het aanbevolen gedrag ten tijde van een calamiteit en hoe de informatiebehoefte is. Een stap verder gaat het om correlaties tussen verschillende vragen op het spoor te komen. Zo zou men bijvoorbeeld er in genteresseerd kunnen zijn of mensen die werkzaam zijn in de chemische industrie meer weten van veilig gedrag bij een ramp dan andere mensen. Ook is op die manier bijvoorbeeld na te gaan of een positieve attitude t.a.v. een bedrijf samengaat met een grotere informatiebehoefte. Het berekenen van correlaties is een statistische klus die, als men geen ervaring heeft met statistische dataverwerking, beter kan uitbesteden aan een ervaren cijferaar. Na de verwerking van de resultaten komt de vraag wat er met deze resultaten gedaan zou moeten worden. De resultaten van de enquete kunnen de inhoud van een te ontwerpen brochure tot op belangrijke hoogte sturen. Als bijvoorbeeld blijkt dat men zeer weinig vertrouwen heeft in het preventiebeleid van het bedrijf aangaande ongelukken, kan men meer aandacht besteden aan de genomen veiligheidsmaatregelen en procedures. Blijkt men zeer weinig af te weten van wenselijk gedrag bij een ramp, dan is het zaak om daar in de brochure duidelijk en uitgebreid op in te gaan. Heeft men een te weinig positief beeld van de werkgelegenheid die door een

1

bedrijf geschapen wordt, dan zou men daar wat meer aandacht aan kunnen schenken. Ook krijgt men d.m.v. de enquete een goed inzicht in de informatiebehoefte: wil men uitgebreid of juist beknopt voorgelicht worden, stelt men een klachtenlijn op prijs, etc. 3.2. Een lezersgerichte pretest-methode In het vorige hoofdstuk is een tekstgerichte pretest besproken. Dat is één manier om feedback over een tekst te verzamelen. Nadelen van tekstgericht pretesten zijn onder andere de geringe betrouwbaarheid en onduidelijke validiteit. Vooral wat betreft het validiteitsprobleem lijkt een lezersgerichte pretestmethode hèt antwoord. Maar ook lezersgerichte methoden kennen nadelen. Zo is het nog maar de vraag of het metalinguïstisch vermogen van de proefpersonen dermate ontwikkeld is dat ze problemen met een tekst kunnen verwoorden. Vooral bij lager opgeleiden zal dit probleem spelen. Verder moet je maar afwachten of lezers zien dat er een probleem is met de tekst en of ze begrijpen waarin dat probleem bestaat. Verder zal niet alle commentaar van lezers verwerkt kunnen worden, in verband met functies die de tekst moet vervullen. Maar ondanks die methodologische bezwaren kunnen ook lezersgerichte pretest-methoden zinnig commentaar op de tekst opleveren. Om de bezwaren van zowel tekst- als lezergerichte pretestmethoden te ondervangen als de voordelen van beide methoden uit te buiten, is het raadzaam beide methoden in te zetten. Tekstevaluatie is een pioniersactiviteit: het is roeien met de riemen die je hebt. 3.2.1. De plus- en minmethode Een eenvoudig te hanteren evaluatie-methodiek die behoorlijk wat feedback kan opleveren, is de zogenaamde plus- en minmethode, beschreven door Vroom (1990), en verder besproken door Lentz (1991). Voor deze methode zijn ongeveer 15 proefpersonen uit de doelgroep voldoende. Hun wordt

1

duidelijk gemaakt dat hun medewerking aan het onderzoek bedoeld is voor het verbeteren van zwakke punten in de tekst. De proefpersonen mogen geenszins de indruk krijgen dat hun intelligentie getest wordt! De tekst kan het beste gepresenteerd worden als een produkt in ontwikkeling, dat nog verbetering van node heeft. Daarbij is het van belang dat de proefpersonen niet de indruk krijgen dat de onderzoeker de auteur is van de tekst, anders zouden ze uit beleefdheidsoverwegingen wel eens karig kunnen worden met commentaar. Het is de bedoeling dat de proefpersoon de tekst voorgelegd krijgt en tijdens het lezen van de tekst zoveel mogelijk plussen en minnen in de kantlijn zet: plussen voor die passages die men goed, duidelijk, aantrekkelijk en relevant vindt, en minnen voor passages die men onduidelijk, onaantrekkelijk en irrelevant vindt. Nadat de persoon dan alle plussen en minnen heeft gezet, volgt een nagesprek, waarbij alle plussen en minnen besproken worden. De onderzoeker probeert hier zoveel mogelijk commentaar van de proefpersoon te ontlokken. Nadat alle plussen en minnen besproken zijn, kan een vragenlijst doorgenomen worden, waarin de onderzoeker meer algemene vragen, twijfels en problemen aan de orde stelt. Een voorbeeld van zo'n vragenlijst vindt u in bijlage III. Naast de vijftien personen uit de daadwerkelijke doelgroep is het van belang ook enige proefpersonen (bijvoorbeeld vijf) te ronselen die niet tot de doelgroep behoren: mensen die niet in een bepaalde straal rond de fabriek wonen. Ook deze personen kan dan hun medewerking gevraagd worden aan de pretest, waarbij dan exact dezelfde procedure gevolgd wordt als bij de proefpersonen uit de doelgroep. Het commentaar van niet-omwonenden op zo'n brochure kan van belang zijn om te bepalen in hoeverre het oordeel van de omwonenden gestuurd wordt door voorkennis die ze van te voren al over die

1

fabriek hadden. Uit het verschil in commentaar tussen beide groepen proefpersonen is af te leiden wat speciaal van belang is als men omwonenden voorlicht.

3.2.2. Verwerking van de feedback Allereerst wordt al het commentaar van personen uit de doelgroep bij elkaar gezet. Hierbij zullen de sterke en de zwakke plekken van de tekst waarschijnlijk duidelijk aan het licht komen. Bij de interpretatie van het commentaar is het zaak om niet al te sterk te worden beïnvloed door kwantitatieve resultaten: als een passage vijf plussen en drie minnen krijgt, kan dat wel degelijk duiden op een probleem, waardoor herschrijving van dat tekstonderdeel noodzakelijk is. Verder wordt ook het commentaar van de personen die niet tot de doelgroep behoren verwerkt, en wordt er gekeken in hoeverre dat commentaar afwijkt van dat van personen uit de doelgroep. Als de onderzoeker besluit om op grond van een aantal minnen een passage te wijzigen, dan is het van belang de tekst als geheel in de gaten te houden. Als er bijvoorbeeld een passage geschrapt wordt, is misschien op een andere plaats wat meer toelichting nodig. Het reviseren van een tekst is nooit rücksichtlos verwerken van plussen en minnen. Na de revisie is van belang dat de tekst nog eens gecontroleerd wordt door opdrachtgevers en inhoudsdeskundigen. Staat alles in de tekst wat er juridisch gezien in moet staan? Worden alle beoogde functies door de herschreven tekst inderdaad vervult? Eventueel kan nog eens de checklist van Lentz & Pander Maat problemen op te sporen. gehanteerd worden om nieuwe

1

LITERATUUR Ajzen, I., & Madden, Th. J. (1986). Prediction of goaldirected behavior: attitudes, intentions, and perceived behavioral control. Journal of Experimental Social Psychology, 22, 453-474. Bandura, A. (1977). Self-efficacy: Toward a unifying theory of behavioral change. Psychological Review, 84, 191-215. Burgoon, M., & Miller, G. (1985). An expectancy interpretation of language and persuasion. In H. Giles & R. St. Clair (eds.), Recent advances in language, communication, and social psychology. London: Erlbaum. Cacioppo, J.T., & Petty, R.E. (1982). The need for cognition. Journal of Personality and Social Psychology, 42, 116131. Covello, V.T., Von Winterfeldt, D., & Slovic, P. (1987). Communicating scientific information about health and environmental risks: Problems ans opportunities from a social and behavioral perspective. In V.T. Covello, L.B. Lave, A. Moghissi & V.R.R. Uppuluri (eds.), Uncertainty in risk assessment, risk management, and decision making. New York: Plenum Publising Corporation. Dillmann, D.A. (1978). Mail and telephone surveys. New York: Wiley. Eagly, A.H., Wood, W., & Chaiken, S. (1978). Causal inferences about communicators and their effect on opinion change. Journal of Personality and Social Psychology, 36, 424-435.

1

Eijndhoven, J.C.M. van, Boer, J. de, & Worrell, C.W. (1990). De Seveso-richtlijn: Handboek voor de voorlichting over industriële risico's aan omwonenden. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken & Ministerie van VROM. Eijndhoven, C.J.M. van, & Worrell, C.W. (red.) (1991).

Communicatie over risico's van industriële activiteiten: praktijk en perspektief. Den Haag: Nederlandse Organisatie voor Technologisch Aspectenonderzoek. Fishbein, M., & Ajzen, I. (1975). Belief, attitude, intention and behavior: An introduction to theory and research. Reading, Mass.: Addison Wesley. Frase, L., & Schwartz, B. (1979). Typographical cues that facilitate comprehension. Journal of Educational Psychology, 61, 52-56. Graves, M., Slater, W., Roen, D., Redd-Boyd, T., Duin, A., Furniss, D., & Haseltine, P. (1988). Some characteristics of memorable writing: Effects of rewrites by text linguists, composition instructors, and popular magazine writers. Research in the Teaching of English, 22, 242-265. Graves, M., Prenn, M., Earle, J., Thompson, M., Johnson, V., & Slater, W. (1991). Improving instructional text: Some lessons learned. Reading Research Quaterly, 26, 110-122. Gutteling, J.M., & Wiegman, O. (1990). Reacties op milieurisico's: Invloed van sekse, opleidingsniveau, politieke voorkeur en woonafstand tot het risico-object. Gedrag en Organisatie, 3 (2), 101-116. Gutteling, J. (1993). Objectieve risico-informatie: kans op nadelen, voordeelgrootte en invloed op de beoordeling van

1

een milieurisico. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 48, 16-25. Gutteling, J.M. (1991). Contouren van risicovoorlichting. Enschede. Proefschrift. Gutteling, J.M., & Wiegman, O. (1993). Gender-specific reactions to environmental hazards in the Netherlands. Sex roles, 28, 433-447. Gutteling, J.M. (1993). A field experiment in communicating a new risk: effects of the source and a message containing explicit conclusions. Basic and Applied Social Psychology, 14, 295-316. Harding, C.M., Eiser, J.R., & Kristiansen, C.M. (1982). The representation of mortality statistics and the perceived importance of causes of death. Journal of Applied Social Psychology, 12, 169-181. Hartley, J., & Jonassen, D.H. (1985). The role of headings in printings and electronic text. In D,H. Jonassen (ed.), The technology of text: Vol. 2. Englewood Cliffs, N.J. 9-45. Hass, J.W., Bagley, G.S., & Rogers, R.W. (1975). Coping with the energy crisis: Effects of fear appeals upon attitudes toward energy consumption. Journal of Applied Psychology, 1, 565-574. Hoeken, H., & Van Wijk, C. (1992). Effects of content and style on persuasiveness. (Manuscript K.U. Brabant). Hoeken, H., & Poulssen, A. (1991). Aantrekkelijk taalgebruik in voorlichtingsteksten. 13, 213-224. Tijdschrift voor Taalbeheersing,

1

Hoeken, H., & Anderiesse, R. (1992). Het effect van de positie van retorische vragen op de overtuigingskracht van een persuasieve tekst. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 14, 257-269. Hout Wolters, B. van (1986). Markeren van kerngedeelten in studieteksten: Een proces-produktbenadering. Lisse: ... . Proefschrift. Houwen, R.J., Boer, H., Gutteling, J.M., & Wiegman, O. (1988). Voorlichting over risico's: bouwstenen voor een planmatige aanpak. Den Haag: Nederlandse Organisatie voor Technologisch Aspectenonderzoek. Hox, J.J., De Leeuw, E.D., & Duijx, A.W.M. (1983). "The postman rings twice": Een onderzoek naar de postenquetemethode van Dillmann. Methodenleer en statistiek, publikatienummer 21. Universiteit van Amsterdam, subfaculteit opvoedkunde. Johnson, F.R., & Luken, R.A. (1987). Radon risk information and voluntary protection: Evidence from a natural experiment. Risk Analysis, 7, 97-107. Kok, G.J. (1983). The further away, the less serious: Effect of temporal distance on perceived value and probability of a future event. Psychological Reports, 52, 531-535. Lentz, L., & Pander Maat ,................. Lentz, L. (1991). Voorlichtingsteksten. Interne publikatie Rijksuniversiteit Utrecht, afdeling taalbeheersing. McGuire, W.J. (1969). The nature of attitudes and attitude

1

change. In G. Lindzey & E. Aronson (eds.), Handbook of social psychology: Vol. 3, Reading, Mass: Addison-Wesley. McGuire, W.J. (1985). Attitudes and attitude change. In G. Lindzey & E. Aronson (eds.), Handbook of social psychology: Vol. 2. New York: Random House. Midden, C.J.H. (1986). Individu en grootschalige technologie: Een vergelijkend attitude onderzoek naar de opwekking van elektriciteit met kolen en uraan. Leiden. Proefschrift. Ministerie van Binnenlandse Zaken (1989). Overheidsvoorlichting bij rampen: Advies van de Commissie Grootschalige Incidenten en Rampen. 's Gravenhage. Otway, H.J., & Fishbein, M. (1977). Public attitudes and decision making. Laxenburg: IIASA. Otway, H.J. (1987). Experts, risk communication, and democracy. Risk Analysis, 7, 125-129. Pander Maat, H., & Klaassen, R. (1994). Side effects of side effect information in drug information leaflets.

Punter,

P.H.,

Blaauwbroek,

J.,

&

Oliemans,

A.J.

(1989).

Geurbelevingsonderzoek Rutte. Lucht en omgeving, 6, 11-14. Raad voor de Europese Gemeenschappen (1982). Richtlijn van de raad van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten. Publikatieblad der Europese Gemeenschappen, L 230/1-18.

1

Roth, E., Granger Morgan, M., Fischhoff, B., Lave, L., & Bostrom, A. (1990). What do we know about comparisons? Risk Analysis, 10, 367-374. making risk

Sherif, M., & Hovland, C.I. (1961). Social judgment: Assimilation and contrast effects in communication and attitude change. New Haven, Conn.: Yale University Press. Slovic, P. (1987). Perception of risk. Science, 236, 280285. Slovic, P., Fischhoff, B., & Lichtenstein, S. (1980). Facts and fears: Understanding perceived risks. In R.C. Schwing & W.A. Albers (eds.), Societal risk assessment, how safe is safe enough. New York: Plenum Press. Slovic, P., Fischhoff, B., & Lichtenstein, S. (1978). Accident probabilities and seat belt usage: A psychological perspective. Accident Analysis and Prevention, 10, 281-285. Stallen, P.J.M., Boer, J. de, Eijndhoven, J. van, Keren, G., Pligt, J. van de, & Worrell, C. (1988). Voorlichting over industriële risico's aan omwonenden deel 1: Achtergrond en ontwerp van een communicatieplan. Apeldoorn: TNO. Stallen, P.J.M., Boer, J. de, Eijndhoven, J. van, Pligt, J. van de, Weterings, R.A.P.M., & Worrell, C. (1990). Voorlichting over industriële risico's aan omwonenden deel 2: Verslag van twee proefnemingen. Amsterdam: Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse (IMSA). Vlek, C.A.J., & Stallen, P.J.M. (1979). Persoonlijke beoordeling van risico's: Over risico's, voordeligheid en aanvaardbaarheid van individuele, maatschappelijke en indus-

1

triële activiteiten. Groningen: Instituut voor Experimentele Psychologie. Vroom, B. Opzet en uitvoering van een pretest. Deel 1: theoretisch kader. Deel 2: de plus-en-min-methode. Brochure uitgegeven in het kader van de cursus pretesten van schriftelijk (voorlichtings)materiaal. Weterings, R.A.P.M. (1992). Strategisch gebruik van risicoinformatie: Het gebruik van informatie over technologische risico's door maatschappelijke groepen in besluitvorming en voorlichting. Utrecht. Proefschrift. Weterings, R.A.P.M. (1992). Strategisch gebruik van risicoinformatie: Het gebruik van informatie over technologische risico's door maatschappelijke groepen in besluitvorming en voorlichting. Utrecht. Proefschrift. Wiegman, O., Boer, H., Gutteling, J.M., Komilis, E., & Cadet, B. (1992). The development of reactions of the public to warning and emergency situations in France, Greece and the Netherlands. The Journal of Social Psychology, 132, 101116. Wiegman, O, Gutteling, J.M., & Boer, H. (1991). Verification of information through direct experiences with an industrial hazard. Basic and Applied Social Psychology, 12, 325-339.

1

BIJLAGE I: CHECKLIST PRETEST LENTZ & PANDER MAAT Onderstaande checklist kan gebruikt worden om problemen met de tekst op het spoor te komen. De lijst kan zowel door een voorlichtingsdeskundige worden gebruikt als door een inhoudsdeskundige. Het eerste deel gaat over eisen die specifiek zijn voor de functies van de tekst, het tweede deel heeft betrekking op algemene eisen die aan teksten te stellen zijn. Hierbij dient onmiddellijk te worden aangetekend dat dit schema zeer globaal is; verder onderzoek naar de functies en inhoudselementen, alsmede de gewenste stijl en vorm daarvan in een brochure over risico's van de chemische industrie, is ten zeerste noodzakelijk voor een vruchtbaar gebruik van dit schema. Over stijl, inhoud en vorm geeft dit schema veel minder aanwijzingen dan Lentz & Pander Maat. Dit tekent de beperkte opzet van mijn versie. Mogelijk kan onderstaande checklist een aanzet vormen tot verdere uitbouw en ontwikkeling van het tekstevaluatiesysteem van Lentz & Pander Maat. U gebruikt het schema als volgt: 1. U leest de tekst eenmaal grondig door. 2. Neem vervolgens het schema voor deel 1 erbij. In de meest linkse kolom staan de functies van de tekst vermeld. In de kolom daarnaast zijn de bijbehorende inhoudselementen afgedrukt. 3. Over alle inhoudselementen beantwoordt u nu de vragen die het schema stelt. U zoekt het inhoudselement op in de tekst. Neem daarbij de volgende punten in acht: - indien een inhoudselement niet in de tekst voorkomt, noteert u een liggend streepje. - indien een inhoudselement gespreid is over meerdere

1

segmenten, dan noteert u meerdere nummers. - indien een bepaald segment slechts gedeeltelijk bij een inhoudslement hoort, noteert u achter het betreffende segmentnummer een g van 'gedeeltelijk'. - markeer in de tekst de (delen van) segmenten die u bij inhoudselementen onderbrengt. 4. Na het identificeren van de tekstpassages over inhoudselementen volgt de beoordeling daarvan in de overige kolommen. Deel 1 functie inhoudselement segment(en) ........ ........ ........ plaats

oriënteren

1. titel 2. naam bedrijf + lokatie 3. kopjes met daarin subthema's

begin begin

motiveren

4. belang van de brochure voor de lezer 5. bevestiging van het feit dat bedrijf onder de Sevesorichtlijn valt en dat EVR aan autoriteiten is overhandigd 6. produkten 7. produktieprocessen 8. risico's van

........

begin

inzicht geven in risicodragende activiteiten

........

begin

........ ........ ........

1

gevaarlijke stoffen scheppen van vertrouwen tussen fabriek en omwonenden 9. preventieve maatregelen bedrijf (extern rampenplan) 10. idem overheid 11. repressieve maatregelen bedrijf 12. idem overheid 13. algemene risicoinformatie bedrijf (m.b.t. mens en milieu) 14. voordelen bedrijf: bv. werk instrueren: gedrag tijdens rampsituaties 15. alarmeringsprocedure bij ramp ........ eind + alarminstructiekaart idem idem einde ........

........ ........ ........ ........

........

16. informatievoorziening bij ramp 17. gedragslijn bevolking bij ramp 18. hoe extra informatie te krijgen is

........ ........ ........

1

no

stijl + inhoud

vorm

onvoldoende aanwezig

reviseren?

1 2 3

bedrijf en veiligheid? bedrijf bekend bij lezer? informatief?

opvallend? opvallend? opvallend?

0 0 0

.... .... ....

4

wordt lezer aangesproken? belang overtuigend aangetoond?

0

....

5

duidelijk aangegeven waarom het bedrijf EVR-plichtig is? aangegeven dat eindprodukten ook in dagelijks leven worden gebruikt? eenvoudig? duidelijk, eerlijk en onomwonden? duidelijk? voorbeelden? idem; verantwoordelijkheden bedrijf en

0

....

6

0

....

7 8

schema? schema?

0 0

.... ....

9 10

0 0

.... ....

1

11 12 13

overheid goed gescheiden? idem idem duidelijk, eerlijk, niet paniek zaaiend? niet alleen getallen gebruikt? eerlijk? gewezen op secundaire werkgelegenheid? lange termijn-voordelen?

0 0 0

.... .... ....

14

0

....

15

duidelijk en concreet beschreven? lezer direct aangesproken? idem; radio-frequenties vermeld? duidelijk? lezer direct aangesproken? alleen elementaire punten? logische volgorde? ontkenningen vermeden? contactpersoon + volledig adres, incl. telefoon, duidelijk vermeld? apart kader? puntsgewijs onder elkaar?

0 0

.... ....

16 17

0

....

18

0

....

In deel 1 zijn alleen die passages behandeld die u gemarkeerd had. Ook de ongemarkeerde passages die dan nog overblijven, kunnen worden beoordeeld. Bekijk voor elk segment welke inhoud het heeft en of het een nuttige functie in de tekst vervult. Elk segment kunt u vervolgens weer beoordelen op stijl, vorm en plaats. Indien nodig wordt het gere-

1

viseerd. Daarnaast zijn er algemene eisen te stellen aan teksten, ongeacht de functies die ze moeten vervullen; eisen op het gebied van stijl, opbouw en vormgeving. Daarover gaat deel 2 van deze checklist. Dit schema hanteert u als volgt: - In de eerste kolom wordt telkens een eis aan de orde gesteld in de vorm van steekwoorden, waar met ja of nee op valt te antwoorden. Omcirkel het juiste antwoord. - Zijn er problemen, dan gaat u naar de tweede kolom. Daarin worden de tekstplaatsen ingevuld die niet aan de norm voldoen. - Wanneer in de tweede kolom een probleem vermeld is, ga dan door naar de derde kolom om aan te geven welke wijziging nodig is.

Deel 2

1

A. Stijleisen

waar? (segment)

revisie

1. spelfouten?

ja / nee

....... .......

2. fouten met leestekens? ja / nee 3. ingewikkelde zinnen met meerdere bijzinnen? ja / nee 4. naamwoordstijl gebruikt? ja / nee

.......

splits zinnen

.......

vervoegde werkwoorden gebruiken

5. tangconstructies? ja / nee

........

bijzinnen of aparte zinnen maken

6. wijdlopige stijl

ja / nee

........

wat kan weggelaten worden? aanspreken lezer, meer 'gewone' woorden uitleggen

7. formele/saaie stijl? ja / nee

.........

8. vaktermen zonder uitleg? ja / nee 9. met verschillende termen naar één zaak verwezen?

.........

.........

één term kiezen en consequent gebruiken welke oplossingen?

10. andere stijlproblemen? ja / nee

.........

1

B. Opbouweisen

zo nee, waar niet? .........

hoe reviseren?

1. waar nodig paragraaftitels en tussenkopjes? ja / nee 2. Dekken titels en kopjes de lading? ja / nee 3. Hebben deze kopjes zo nodig de vraagvorm? (bv. 'Wat moet u zelf doen?') ja / nee 4. begint er een nieuwe alinea wanneer er een nieuw onderwerp wordt aangesneden? ja / nee 5. Zijn alineagrenzen goed zichtbaar? ja / nee

welke kopjes toevoegen? hoe veranderen? zo nodig in vraagvorm overbrengen

.........

.........

.........

alineagrenzen aanpassen

.........

inspringen en/of witregels

6. waar nodig signaalwoorden aanwezig? (daarom, ten eerste, etc.) ja / nee 7. andere opbouwproblemen? ja / nee

.........

signaalwoorden toevoegen

.........

welke oplossingen?

1

C. Vormeisen

zo nee, waar niet?

hoe reviseren?

1. Helder gebruik van afwisseling van lettertypes (vet of cursief voor sleutelwoorden, groot voor kopjes)? ja / nee 2. Bij kopjes van verschillend niveau: is het niveuverschil goed zichtbaar aan de plaats en het lettertype v.d. kopjes? ja / nee 3. lettertype van de gewone tekst groot genoeg? ja / nee 4. marges groot genoeg? ja / nee 5. functioneel gebruik van kleuren? ja / nee 6. Tabellen en schema's voorzien van titel? ja / nee 7. Andere vormgevingsproblemen?

.........

lettertypes afwisselen

.........

welke wijziging is gewenst?

.........

grotere letters grotere marges

.........

.........

welke wijzingen gewenst? titel geven

.........

.........

welke oplossingen?

1

1

BIJLAGE II: ENQUETE VOOR PUBLIEKSONDERZOEK A. Hieronder staan enkele vragen naar leeftijd, geslacht, dagbladabonnementen e.d. 1. Wat is uw geboortejaar? 2. Bent u man of vrouw? 3. Wat 0 0 0 0 0 0 19.... 0 man 0 vrouw

is de hoogste opleiding die u geheel hebt afgemaakt? lager onderwijs/basisonderwijs LAVO: Lager Algemeen Voortgezet Onderwijs LBO: Lager Beroeps Onderwijs ULO, MULO, 3-jarige HBS, MAVO MBO: Middelbaar Beroeps Onderwijs 5-jarige HBS, HAVO, Gymnasium, Lyceum, Atheneum, MMS 0 HBO: Hoger Beroeps Onderwijs 0 Universiteit of Hogeschool

4. Welke landelijke dagbladen leest u? 0 Telegraaf 0 Algemeen Dagblad 0 Volkskrant 0 NRC-Handelsblad 0 ander dagblad, namelijk: .................... 0 geen 5. Welke regionale dagbladen leest u? Verschillende mogelijkheden noemen. 6. Welke werkzaamheden verricht u overdag? 0 huisvrouw → ga naar vraag 8 0 deeltijdbaan 0 volledige baan 0 gepensioneerd → ga naar vraag 8 0 arbeidsongeschikt of werkloos → ga naar vraag 8 7. Bent u zelf werkzaam in de chemische industrie 0 ja 0 nee 8. Kent u mensen in uw naaste omgeving die werkzaam zijn in de chemische industrie (bv. familie, vrienden, kennissen)? 0 ja 0 nee

1

B. De kans op een ramp op een chemische fabriek is klein. Toch is die kans nooit helemaal uit te sluiten. De volgende vragen gaan over uw reacties in het geval van een ernstig ongeluk. 1. Hoeveel vertrouwen heeft u er in dat u tijdig zult worden gewaarschuwd, als er een ramp op een chemische fabriek dreigt te gebeuren? 0 zeer weinig vertrouwen 0 weinig vertrouwen 0 weet niet 0 veel vertrouwen 0 zeer veel vertrouwen 2. Als er een ramp dreigt te gebeuren, wie zal u dan waarschuwen, denkt u? 0 het bedrijf waar de ramp gebeurt 0 de gemeentelijke overheid 0 de provinciale overheid 0 de rijksoverheid 3. Als er een ramp dreigt te gebeuren, op welke manier denkt u dan dat u gewaarschuwd wordt? U kunt voor elke mogelijkheid aangeven hoe waarschijnlijk u die acht door een kruisje te geven in de kolom van uw keuze. 1 2 3 4 5 1 door de alarm-sirene door een geluidswagen door de politie door een bericht op de radio door een bericht op de tv door iemand in de buurt 4. De alarm-sirene wordt elke eerste maandag van de maand om 12.00 uur getest. Kunt u de sirene goed horen op de plaats waar u meestal bent op die tijd? 0 nee 0 weet niet 0 ja 5. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon = = = = = 2 beslist niet waarschijnlijk niet weet niet waarschijnlijk wel beslist wel 3 4 5

1

hoort als het niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur is, weet u dan wat dat betekent? 0 nee, dat weet ik niet 0 nee, dat weet ik niet zo goed 0 ja, dat weet ik 0 ja, dat weet ik goed 6. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, welke van de onderstaande mogelijkheden komen dan volgens u in aanmerking? (Per mogelijkheid een antwoord in één van de kolommen aankruisen) ja er is luchtalarm er is oorlogsdreiging er wordt een test gedaan er dreigt gevaar 7. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, hoe groot is dan volgens u de kans op gevaar? 0 geen gevaar 0 kleine kans op gevaar 0 matige kans op gevaar 0 grote kans op gevaar 0 gevaar is zeker 8. Als u driemaal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, hoe beoordeelt u dan de onderstaande beweringen? (Per bewering uw mening geven, door een kruisje te zetten in de kolom van uw keuze) 1 = erg mee oneens 2 = mee oneens 3 = weet niet 4 = mee eens 5 = erg mee eens 1 aan die sirenetoon moet veel belang worden gehecht die sirenetoon is een betrouwbare waarschuwing dan is er iets ernstigs aan de hand dan is er een grote kans op gevaar dan is er sprake van een bedreiging voor mij en mijn gezin 2 3 4 5 nee weet niet

1

dan loop ik zelf gevaar dan kan ik mijzelf in veiligheid brengen dan kan ik het gevaar voorkomen door zelf maatregelen te nemen 9. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, weet u dan wat u het beste kunt doen? 0 nee, dat weet ik niet 0 nee, dat weet ik niet goed 0 ja, dat weet ik 0 ja, dat weet ik goed 10. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, wat kunt u dan het beste doen? (Per mogelijkheid een antwoord aankruisen) ja naar buiten gaan naar binnen gaan of binnen blijven zo snel mogelijk weggaan naar radio 1 luisteren naar de regionale radio luisteren naar Nederland 1 kijken ramen en deuren dichtdoen ramen en deuren opendoen ventilatie uitzetten ventilatie aanzetten naar de politie bellen naar de brandweer bellen alarmnummer 06-11 bellen 11. Kunt u Radio 1 direct vinden op uw radio? 0 ja 0 nee 12. Kunt u de regionale omroep direct vinden op uw radio? 0 ja 0 nee nee weet niet

1

13. Als u drie maal achter elkaar een langgerekte sirenetoon hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, denkt u dat u zich dan kunt beschermen tegen eventueel onheil? 0 nee, je kunt dan absoluut niets meer doen om jezelf te beschermen 0 nee, waarschijnlijk kun je dan niet veel meer doen om jezelf te beschermen 0 weet niet 0 ja, waarschijnlijk kun je dan nog maatregelen nemen om jezelf te beschermen 0 ja, dan kun je zeker nog maatregelen nemen om jezelf te beschermen 14. Als u drie maal achter elkaar een lange sirenetoon hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, welke gevoelens zou u dan hebben? (per mogelijkheid een antwoord in de kolom van uw keuze aankruisen) 1 = beslist niet 2 = waarschijnlijk niet 3 = weet niet 4 = waarschijnlijk wel 5 = beslist wel In zo'n situatie 1 voel ik mij nerveus voel ik mij gespannen voel ik mij angstig voel ik mij bang voel ik mij veilig voel ik mij op mijn gemak maak ik me niet druk doe ik alsof er niets aan de hand is 2 3 4 5

1

15. Als u drie maal achter elkaar een langgerekt sirenesignaal hoort, en het is niet de eerste maandag van de maand 12.00 uur, wat zou u dan waarschijnlijk doen? (per mogelijkheid een antwoord aankruisen in de kolom van uw keuze) 1 = beslist niet 2 = waarschijnlijk niet 3 = weet niet 4 = waarschijnlijk wel 5 = beslist wel In zo'n situatie zou ik 1 naar buiten gaan naar binnen gaan of binnen blijven zo snel mogelijk weggaan naar Radio 1 luisteren naar de regionale radio luisteren naar Nederland 1 kijken ramen en deuren dichtdoen ramen en deuren open doen ventilatie uitzetten ventilatie aanzetten naar de politie bellen naar de brandweer bellen het alarmnummer 06-11 bellen 16. Bent u wel eens persoonlijk rechtstreeks betrokken geweest bij een ernstig incident? 0 nee, nog nooit 0 ja, een natuurramp (bv. watersnood 1953, grootschalige bosbrand, aardbeving, etc.) 0 ja, een verkeersramp (bv. vliegtuigongeluk, treinonge luk) 0 ja, een technologische ramp (bv. chemisch of nucleair) 2 3 4 5

1

C. De volgende vragen gaan over uw inschatting van een aantal mogelijke rampen die in Nederland zouden kunnen plaatsvinden. 1. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio een zware storm voordoet, waardoor er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 2. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio op grote schaal voedselvergiftiging voordoet, waardoor er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 3. Hoe groot is volgens u de kans dat er binnen 5 jaar in uw regio een vliegtuig neerstort, waardoor er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 4. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio een overstroming voordoet, waardoor er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 5. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio een ongeluk voordoet, waarbij door het vrijkomen van giftige stoffen er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein

1

0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 6. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio een ongeluk met een tankauto voordoet, waarbij er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot 7. Hoe groot is volgens u de kans dat er zich binnen 5 jaar in uw regio een ongeluk in een kerncentrale voordoet, waarbij er veel doden vallen? 0 deze kans is zeer klein 0 deze kans is klein 0 deze kans is niet zo groot 0 deze kans is groot 0 deze kans is zeer groot

D. De volgende vragen gaan over uw mening over maatschappelijke kwesties 1. Hoe belangrijk vindt u het dat er bij produktie van bepaalde goederen geen gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke chemische stoffen? 0 helemaal niet belangrijk 0 niet belangrijk 0 geen mening 0 belangrijk 0 heel belangrijk 2. Hoe belangrijk vindt u het dat fabrieken alleen nuttige produkten produceren? 0 helemaal niet belangrijk 0 niet belangrijk 0 geen mening 0 belangrijk 0 heel belangrijk 3. Hoe belangrijk vindt u het dat luchtverontreiniging wordt tegengegaan? 0 helemaal niet belangrijk 0 niet belangrijk 0 geen mening 0 belangrijk 0 heel belangrijk 4. Hoe belangrijk vindt u werkgelegenheid in uw regio? 0 helemaal niet belangrijk

1

0 0 0 0

niet belangrijk geen mening belangrijk heel belangrijk

E. Een belangrijke chemische industrie in uw omgeving is fabriek X. Deze fabriek produceert de produkten Y en Z. Hieronder staan een aantal voor- en nadelen van de produktie van produkten Y en Z. Wlit u per vraag uw mening geven? 1. Wat vindt u van de volgende stelling: Fabriek X maakt bij zijn produktie gebruik van chemische stoffen die gevaar kunnen opleveren voor de omgeving. 0 helemaal mee oneens 0 oneens 0 weet niet 0 mee eens 0 helemaal mee eens 2. Wat vindt u van de volgende stelling: Fabriek X zorgt voor nuttige produkten. 0 helemaal mee oneens 0 oneens 0 weet niet 0 mee eens 0 helemaal mee eens 3. Wat vindt u van de volgende stelling: De produkten Y en Z zijn onmisbaar in het dagelijks leven. 0 helemaal mee oneens 0 oneens 0 weet niet 0 mee eens 0 helemaal mee eens 4. Wat vindt u van de volgende stelling: De produktie op fabriek X zorgt voor luchtverontreiniging. 0 helemaal mee oneens 0 oneens 0 weet niet 0 mee eens

1

0 helemaal mee eens 5. Wat vindt u van de volgende stelling: Fabriek X levert een belangrijke bijdrage aan de werkgelegenheid in deze regio. 0 helemaal mee oneens 0 oneens 0 weet niet 0 mee eens 0 helemaal mee eens

6. Heeft u last van geluidshinder die veroorzaakt wordt door fabriek X? 0 nee, nooit 0 praktisch nooit 0 af en toe 0 regelmatig 0 vaak 0 heel vaak 7. Heeft u last van stankoverlast die veroorzaakt wordt door fabriek X? 0 nee, nooit 0 praktisch nooit 0 af en toe 0 regelmatig 0 vaak 0 heel vaak 8. Wat vindt u de grootste nadelen van fabriek X? (bij deze vraag kunt u meerdere antwoorden aankruisen) 0 de kans op bodemvervuiling op lange termijn 0 de kans op luchtverontreininging op lange termijn 0 de kans op waterverontreiniging op lange termijn 0 de kans op een plotselinge ramp op het bedrijfsterrein 0 de kans op een plotselinge ramp bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van en naar DOW

F. De volgende vragen hebben betrekking op uw mening over het veiligheidsbeleid van fabriek X. 1. Hoe groot acht u de kans dat er op fabriek X een ramp gebeurt met ernstige gevolgen voor de omgeving? 0 heel klein 0 klein 0 weet niet

1

0 groot 0 heel groot 2. Hoeveel vertrouwen hebt u in fabriek X om rampen te voorkomen? 0 zeer weinig vertrouwen 0 weinig vertrouwen 0 weet niet 0 veel vertrouwen 0 zeer veel vertrouwen het veiligheidsbeleid van

3. Welke van de volgende vier instanties vindt u het meest geloofwaardig als het gaat om informatie over risico's voor de omgeving die fabriek X veroorzaakt? 0 milieuverenigingen 0 de (gemeentelijke) overheid 0 fabriek X zelf 0 een onafhankelijke onderzoeksinstelling 4. Welke van de volgende vier instanties vindt u het meest deskundig als het gaat om informatie over risico's voor de omgeving die fabriek X veroorzaakt? 0 milieuverenigingen 0 de (gemeentelijke) overheid 0 fabriek X zelf 0 een onafhankelijke onderzoeksinstelling 5. Welke van de volgende vier instanties vindt u het meest betrouwbaar als het gaat om informatie over risico's voor de omgeving die fabriek X veroorzaakt? 0 milieuverenigingen 0 de (gemeentelijke) overheid 0 fabriek X zelf 0 een onafhankelijke onderzoeksinstelling 6. Welke van de volgende vier instanties vindt u het minst eenzijdig als het gaat om informatie over risico's voor de omgeving die fabriek X veroorzaakt? 0 milieuverenigingen 0 de (gemeentelijke) overheid 0 fabriek X zelf 0 een onafhankelijke onderzoeksinstelling 7. Welke van de volgende vier instanties trekken u het meeste aan als het gaat om informatie over risico's voor de omgeving die fabriek X veroorzaakt? 0 milieuverenigingen 0 de (gemeentelijke) overheid 0 fabriek X zelf 0 een onafhankelijke onderzoeksinstelling 8. Denkt u dat fabriek X adequaat zal reageren als er op haar terrein een ernstig ongeluk plaatsvindt? 0 nee, absoluut niet

1

0 0 0 0

nee, waarschijnlijk niet weet niet ja, waarschijnlijk wel ja, absoluut wel

9. Denkt u dat de overheid adequaat zal reageren als er op fabriek X een ernstig ongeluk plaatsvindt? 0 nee, absoluut niet 0 nee, waarschijnlijk niet 0 weet niet 0 ja, waarschijnlijk wel 0 ja, absoluut wel

G. De volgende vragen gaan over uw mening over de voorlichting over risico's. Bovendien zijn we benieuwd wat er volgens u aan die voorlichting nog allemaal verbeterd kan worden. 1. Hieronder staan weer een aantal uitspraken. Wilt u bij elke uitspraak weer aangeven in hoeverre u het met die bewering eens bent? 1 = erg mee oneens 2 = mee oneens 3 = weet niet 4 = mee eens 5 = erg mee eens 1 ik vind het belangrijk om vooraf te weten wat ik moet doen als de sirene gaat ik stel er belang in om vooraf te weten welke beschermingsmaatregelen ik moet nemen als de sirene gaat ik vind het belangrijk om vooraf te weten, hoe ik kan nagaan wat er aan de hand is als de sirene gaat als er een artikel over rampenplannen in de krant staat, lees ik dat als ik een folder in de bus krijg over wat je moet doen als er een ramp gebeurt, bewaar ik die als ik een kaart krijg met informatie over wat je het beste kunt doen als de sirene 2 3 4 5

1

gaat, bewaar ik die het lijkt mij nuttig om vooraf te weten wat je moet doen als de sirene gaat 2. Heeft u in het verleden ooit een voorlichtingsbrochure van fabriek X ontvangen over mogelijke risico's en wat u moet doen als er een ramp dreigt? 0 ja 0 nee → ga naar vraag 8 0 weet niet → ga naar vraag 8 3. Had 0 0 0 u behoefte aan de informatie die in die brochure stond? ja nee weet niet

4. Vond u de informatie in die brochure voldoende? 0 nee, absoluut niet; ik had veel meer willen weten 0 nee, ik had wel wat meer willen weten 0 weet niet 0 ja, ik vond dat ik met die brochure voldoende werd ingelicht 0 ja, absoluut; meer informatie had het bedrijf niet kunnen geven 5. Vond u die brochure begrijpelijk? 0 nee, absoluut niet 0 nee 0 weet niet 0 ja 0 ja, heel erg 6. Heeft u de bijbehorende alarmistructiekaart bewaard? 0 ja 0 nee 0 weet niet 7. Ligt deze kaart op een plek waar u hem direct zou kunnen vinden? 0 ja 0 nee 8. Vindt u risico's en 0 nee, 0 nee 0 weet dat fabriek X vaker voorlichting moet geven over hoe u zich daartegen kunt beschermen? absoluut niet niet

1

0 ja 0 ja, absoluut 9. Op welke manier(en) zou fabriek X deze voorlichting het beste kunnen geven? (meerdere antwoorden mogelijk) 0 via een beknopte folder 0 via een wat meer uitgebreide brochure 0 via een alarminstructiekaart 0 via een voorlichtingsbijeenkomst voor omwonenden 0 door een telefoonlijn te openen voor vragen over risi co's H. Fabriek X geeft niet alleen voorlichting over risico's. De volgende vragen gaan over de voorlichting over andere aspecten van fabriek X. 1. Op welke manier(en) komt u thans aan uw kennis over fabriek X? (bij deze vraag kunt u meerdere antwoorden aankruisen) 0 via de krant 0 via mondelinge contacten met werknemers 0 via voorlichtingsbrochures en -folders van X 0 via de open dagen van X 0 op een andere manier, nl.: .......................... 2. Vindt u dat u voldoende weet over fabriek X? 0 nee, ik zou er veel meer over willen weten → ga naar vraag 3 0 nee, ik zou er wel wat meer over willen weten → ga naar vraag 3 0 weet niet → ga naar vraag 5 0 ja, ik heb geen behoefte aan meer informatie → ga naar vraag 5 3. Over welk(e) aspect(en) van fabriek X zou u meer willen weten? (meerdere antwoorden mogelijk) 0 het veiligheidsbeleid van X 0 het milieubeleid van X 0 de produkten die X maakt 0 de produktieprocessen die bij X in gebruik zijn 0 de werkgelegenheid waarvoor X in de regio zorgt 0 anders, nl.: .................................... 4. Op moeten 0 0 0 0 0 welke manier zou fabriek X die voorlichting volgens u geven? (meerdere antwoorden mogelijk) via de kranten via eigen voorlichtingsbrochures en -folders via open dagen via voorlichtingsbijeenkomsten door een telefoonlijn te openen voor algemene informa tie 0 anders, nl.: .........................................

1

5. Heeft u verder nog opmerkingen over fabriek X, de risico's ervan of de voorlichting erover? ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── ───────────────────────────────────────────────────────────── Vriendelijk bedankt voor uw medewerking!

1

BIJLAGE III: INTERVIEWVRAGEN BIJ DE PRETEST

1. Vindt U dat de brochure de zaken feitelijk weergeeft? Zo ja, waar blijkt dat uit? 2. Vindt U dat fabriek X in deze brochure risico's probeert weg te redeneren? Zo ja, waar blijkt dat uit? 3. Vindt U deze brochure aantrekkelijk? Waarom wel/niet? 4. Vindt U deze brochure angstaanjagend of juist geruststellend? Waarom? 5. Vindt U deze brochure begrijpelijk? 6. Vindt U dat deze brochure te weinig, genoeg of teveel informatie geeft? Wat mist er? Wat staat er te veel? 7. Welke gedeelten van de brochure vindt U het belangrijkst? Waarom? 8. Welke Waarom? gedeelten van de brochure vindt U overbodig?

9. Wat vindt U van de schema's en foto's die in deze brochure staan? Waarom?

1

1