You are on page 1of 112

M

aar
te
nRa
gge
rs

E
ENCOMU
PTERA
KN
NE
I E
TLSGV
EEN
Een computer kan niet lesgeven
Nieuwe media en maatschappijleer

Auteur: Maarten Raggers

Student nummer: 0769803

Begeleidend docent: Marcel Mooijman

Opleiding: Lerarenopleiding maatschappijleer,

Hogeschool Rotterdam

Datum: 11-3-2010
Inhoudsopgave

Samenvatting ............................................................................................................................. 4

Inleiding...................................................................................................................................... 6
Doelstelling ............................................................................................................................. 6
Onderzoeksvraag en deelvragen ......................................................................................... 6
Onderzoekmethode ............................................................................................................... 7
Definitiebepaling nieuwe media .......................................................................................... 9
Leeswijzer ................................................................................................................................ 9

Hoofdstuk 1 Nieuwe media op beleidsniveau .................................................................. 10


1.1 Inleiding ..................................................................................................................... 10
1.2 Huidige stand van zaken en gevolgen van het beleid ........................................ 10
1.2.1 Beleid overheid ................................................................................................. 10
1.2.2 De schoolorganisatie ........................................................................................ 14
1.3 Maatregelen en aanbevelingen op beleidsniveauniveau .................................... 23
1.4 Deelconclusie ............................................................................................................ 27

Hoofdstuk 2 Docenten en nieuwe media ........................................................................... 30


2.1 Inleiding ..................................................................................................................... 30
2.2 Huidige stand van zaken en de gevolgen. ............................................................ 31
2.2.1 Kennis en vaardigheden van docenten ......................................................... 31
2.2.2 Gebruik nieuwe media/ICT door de docent................................................ 35
2.2.3 Docent en organisatie....................................................................................... 39
2.3 Maatregelen en aanbevelingen op docentniveau ............................................... 41
2.4 Deelconclusie ............................................................................................................ 42

Hoofdstuk 3, Maatschappijleer methodes en digitale leermiddelen ............................ 46


3.1 Inleiding ..................................................................................................................... 46
3.2 Huidige stand van zaken en gevolgen .................................................................. 46
3.2.1 Maatschappijleer methodes ............................................................................ 46
3.2.2 Digitale leermiddelen ...................................................................................... 51
3.3 Maatregelen en aanbevelingen op leermiddelenniveau ..................................... 54
3.4 Deelconclusie ............................................................................................................ 55
2
Hoofdstuk 4 Leerlingen en nieuwe media. ....................................................................... 58
4.1 Inleiding ..................................................................................................................... 58
4.2 Huidige stand van zaken en de gevolgen ............................................................. 58
4.2.1 Plaats nieuwe media in de vrijetijdsbesteding van leerlingen .................. 58
4.2.2 Leerlingen en nieuwe media voor schoolactiviteiten.................................. 62
4.3 Maatregelen en aanbevelingen op leerlingniveau ............................................... 68
4.4 Deelconclusie ............................................................................................................ 69

Hoofdstuk 5 Conclusie en aanbevelingen.......................................................................... 71

Bijlage 1 Enquête docenten ................................................................................................... 73

Bijlage 2 Enquête organisatie................................................................................................ 91

Bijlage 3 Enquête leerlingen ................................................................................................. 99

Literatuurlijst ......................................................................................................................... 106

3
Samenvatting
Deze scriptie bevat het verslag van het onderzoek, dat in het kader van het afstuderen
aan de lerarenopleiding maatschappijleer aan de Hogeschool Rotterdam te Rotterdam
is uitgevoerd. Dit onderzoek is opgebouwd rondom de onderzoeksvraag : Welke maat-
regelen zijn er nodig om nieuwe media in het vak maatschappijleer te integreren?

Door middel van literatuurstudie en gehouden enquêtes onder eenentwintig maat-


schappijleerdocenten is de benodigde informatie verzameld. De onderzoeksvraag is
opgesplitst in vier deelvragen, die de vier niveaus binnen het onderwijsproces belich-
ten, te weten: beleid, docenten, leermiddelen en leerlingen. Hieronder volgen de be-
langrijkste conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek, waarbij verbanden zijn ge-
legd tussen de informatie vanuit de verschillende deelvragen.

• De docent is de spil in de maatregelen. Als de docent zich niet bij de maatrege-


len betrokken voelt/wordt en gemotiveerd is om deze uit te voeren zal op do-
centenniveau de maatregel vastlopen.
• Uitgaande van de docent zal zijn of haar kennis en kunde boven de faciliteiten
moeten worden gesteld. De nadruk moet hierbij liggen op de didactische ICT-
onderwijsvaardigheden, want hier zit de zwakste schakel. Binnen het ICT-
beleid van scholen moet ontwikkeling van kennis centraal staan. De vervolg-
stap moet facilitering zijn.
• De balans tussen lesgeven met of zonder nieuwe media moet worden bewaakt.
Leerlingen geven aan dat ze de afwisseling van les met een docent en les met de
computer fijn vinden. Het effectief leren en welzijn van de leerling moet uit-
gangspunt blijven. Het middel moet nooit het uitgaanspunt zijn.
• Bij maatschappijleer is juiste informatie vergaring erg belangrijk. Door de
komst van nieuwe media is er meer informatie beschikbaar, maar moet hier ook
kritischer naar gekeken worden. Leerlingen blijken hier niet altijd vaardig in te
zijn. Daarom moet er meer aandacht komen om te zorgen dat docenten compe-
tenties verwerven om de leerlingen informatievaardiger te maken. Zo moet het
opgenomen worden in het curriculum van lerarenopleidingen en een onderdeel
vormen van het ICT-beleid op scholen.
• Formeel moet in het curriculum van de lerarenopleidingen de kennisbasis ICT
worden vastgelegd.
• Een andere maatregel kan omschreven worden als vrijheid binnen kaders. Dui-
delijke kaders, maar wel vrijheid aan docenten. Dit vergroot het rendement. Er
moet een balans gevonden worden tussen die vrijheid en de kaders voor een
goed integratie van nieuwe media.
• Bij de keuze voor een bepaalde maatschappijleermethode moet onder andere
rekening worden gehouden welke methode het beste binnen de ICT-visie van
4

de school past.
• Docenten en uitgeverijen moeten dichter bij elkaar worden gebracht op ICT-
gebied. Maar eerst moet dit verder onderzocht worden door de uitgeverijen op
welke punten ze dit kunnen bewerkstelligen.
• Voor een goed integratieproces van nieuwe media blijft communicatie essenti-
eel. Communicatie tussen management en docent, docent en leerling, school en
ouders. Een degelijk communicatieplan (via nieuwe media) dient een onderdeel
uit te maken van het ICT-beleid binnen een school om alle partijen betrokken en
enthousiast te houden en samen het ICT-beleid naar een hoger plan te tillen.

5
Inleiding
Doelstelling
Dit onderzoek zal duidelijk maken aan welke voorwaarden moet worden voldaan om
nieuwe media te kunnen toepassen binnen het vak maatschappijleer. De keuze voor dit
onderwerp komt enerzijds voort uit een persoonlijke interesse, maar evenzeer vanuit
mijn ervaringen in de praktijk waar mij collega’s veelal huiverig tegenover de nieuwe
mogelijkheden stonden.

In eerste instantie heb ik informatie verzameld over de huidige stand van zaken aan-
gaande het gebruik van nieuwe media in de lessen maatschappijleer. Hierbij heb ik een
onderverdeling gemaakt in het beleid vanuit de school en overheid, de docenten, de
leermiddelen en de leerlingen. Op basis van deze gegevens heb ik conclusies getrokken
over de voorwaarden voor het gebruik en ben ik tot enkele praktijkgerichte aanbeve-
lingen gekomen.

Onderzoeksvraag en deelvragen

Onderzoeksvraag:

• Welke maatregelen zijn er nodig om nieuwe media in het vak maatschappijleer te


integreren?

Verantwoording deelvragen

Vanuit deze onderzoeksvraag is gekeken op welke niveaus maatregelen genomen


kunnen worden om de integratie van nieuwe media binnen het vak maatschappijleer
tot stand te brengen. Actoren binnen het onderwijsveld moeten deze maatregelen ne-
men.. Primair vindt het onderwijsproces plaats tussen de docent en de leerling. Om dit
onderwijsproces goed vorm te geven en te faciliteren zijn er nog twee actoren nodig.
Allereerst de beleidsmakers, zij zullen moeten zorgen voor de kaders en de voorzie-
ningen ten behoeve van een goed onderwijsproces. Op hoger niveau is dit de landelijke
overheid, ministerie van OCW en op lager niveau het management van scholen (direc-
tie). Tot slot zijn voor de facilitering van het onderwijsproces de producenten van
leermiddelen nodig, zij hebben via hun leermiddelen directe invloed op de les. Deze
vier actoren zijn vertaald naar vier niveaus die de vier deelvragen vormen, te weten:
beleidsniveau, docentenniveau, leermiddelenniveau en leerlingenniveau. Bij deze vier
deelvragen wordt er, waar mogelijk, een tweedeling gemaakt in interne en externe
factoren. Zo wordt bij de eerste deelvraag over het beleidsniveau de aanwezige facili-
teiten behandeld, zoals bijvoorbeeld het beleid dat ze hanteren (intern) en het beschik-
bare budget (extern). Bij de tweede deelvraag worden de kennis en vaardigheden van
de docent bekeken en ook de daarmee samenhangende factoren als opleiding (zowel
primair als latere bijscholing). Bij leermiddelen gaat dat over de mate van integratie en
6

praktische toepassing. Voor leerlingen ligt de nadruk op de plaats die nieuwe media
inneemt in het dagelijks leven en hun belevingswereld. En op welke manier het ge-
bruik nieuwe media in de les zo goed mogelijk kan aansluiten bij deze belevingswereld
van jongeren. Kan dit hun prestaties (al dan niet) gunstig beïnvloeden en zo een meer-
waarde vormen ten opzichte van de traditionele lessen?

Deelvragen:

1. Wat is de huidige stand van zaken op beleidsniveau betreffende de integratie


van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de gevolgen hiervan en
welke maatregelen moeten er genomen worden?
2. Wat is de huidige stand van zaken op docentniveau betreffende de integratie
van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de gevolgen hiervan en
welke maatregelen moeten er genomen worden?
3. Wat is de huidige stand van zaken op leermiddelenniveau betreffende de inte-
gratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de gevolgen
hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?
4. Wat is de huidige stand van zaken op leerling-niveau betreffende de integratie
van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de gevolgen hiervan en
welke maatregelen moeten er genomen worden?

Om het overzicht te bewaren zijn de vier deelvragen in vier opeenvolgende hoofd-


stukken beschreven. Het spreekt voor zich dat deze scheiding kunstmatig is en dat
deze vier factoren in de praktijk constant door elkaar lopen en elkaar beïnvloeden.

Onderzoekmethode
Bovengenoemde vier deelvragen zijn op verschillende wijze onderzocht. Zo ligt bij de
deelvraag leermiddelen literatuurstudie meer voor de hand en bij twee deelvragen
van docenten en leerlingen een enquête. Toch sluit de ene onderzoeksmethode, de an-
dere niet uit. Zo zijn docenten en scholen geënquêteerd over lesmethodes en is er ge-
bruikt gemaakt van eerder gemaakte studies over het effect van nieuwe media in les-
sen op leerlingen.

Literatuur- en bronnenonderzoek

Als onderzoeksmethode is ondermeer gebruik gemaakt van literatuurstudie en bron-


nenonderzoek. Hierbij zijn een aantal zaken opgevallen. Op het gebied van nieuwe
media en ICT-gebruik in het onderwijs is te putten uit een scala aan onderzoek. Er is
echter gebleken dat er weinig specifiek onderzoek naar het gebruik van nieuwe media
en ICT voor het vak maatschappijleer is gedaan. In de volgende hoofdstukken wordt,
waar nodig, aangeven of de gebruikte bronnen specifiek op maatschappijleer gericht
zijn of voor het voortgezet onderwijs als geheel.
7
Verder specifiek onderzoek heb ik gedaan naar de meest gebruikte maatschappijleer
methodes 1. Doel hiervan was om er achter te komen op welke manier nieuwe media en
ICT in de verschillende methodes worden toegepast en geïntegreerd. Om het onder-
zoek goed te kunnen uitvoeren was het noodzakelijk om toegang te krijgen tot het digi-
tale gedeelte van de methode, die een onderdeel vormen van de meest maatschappij-
leer methodes. Een probleem was dat deze, bijna allemaal, alleen toegankelijk waren
bij de aanschaf van een volledige methode met een digitale licentie erbij. Bij de desbe-
treffende uitgeverijen 2 verzoeken ingediend om toegang te krijgen tot het digitale deel
van de methode. De resultaten van deze vergelijking zijn opgenomen in een matrix om
de methodes op de zelfde kenmerken te beoordelen.

Enquêtes

De informatie uit de bestaande onderzoeken heb ik aangevuld met zelf afgenomen


enquêtes. Ik heb drie enquêtes opgesteld, overeenkomstig met drie van de vier eerder-
genoemde deelvragen, namelijk de onderwijsorganisatie 3, de docenten 4 en de leerlin-
gen 5. De vragen zijn opgesteld op basis van de deelvragentabel die de basis voor deze
scriptie vormt. De enquêtes in de definitieve vorm zijn ingevoerd in het digitale sys-
teem van de site thesistools 6. Via deze site is het mogelijk om de enquêtes via e-mail
naar de respondenten te versturen en de antwoorden geautomatiseerd te verzamelen.
Bij het uitzetten van de enquêtes bleek al snel dat het moeilijk werd om voldoende res-
pondenten te vinden binnen de groep management. Van de ongeveer twintig uitgezet-
te enquêtes is helaas maar een teruggekomen. Daarom besloot ik deze resultaten bui-
ten beschouwing te laten. Eenzelfde probleem trad op bij de leerlingen, Het was lastig
voor docenten om de enquêtes voor te leggen aan hun leerlingen. Gelukkig voor het
onderzoek was het mogelijk om het grootste deel van de gegevens die zou worden
verzameld uit de enquête voor leerlingen te verkrijgen uit eerder gedane publicaties.
De enquête die is afgenomen bij docenten heeft een redelijke respons opgeleverd. Uit-
eindelijk is de vragenlijst verspreid onder ongeveer honderd scholen. Na beëindiging
van de responsperiode hebben vijfentwintig respondenten de enquête ingevuld. Na
een correctie zijn hier eenentwintig reacties van overgebleven, afkomstig van twintig
verschillende scholen.

1 (Hagers, M., 2006), (Kievid, 2007), (Pols, 2007), (Wouda, Burgsma, Coffeng (red.), &
Lelieveld (red.), 2006), (Uitgeverij Essener, 2006)
2 Malmberg BV VO, Uitgeverij, ThiemeMeulenhoff Voortgezet Onderwijs, Noordhoff

Uitgevers VO en Essener, Uitgeverij


3 Bijlage 2: Enquête management

4 Bijlage 1: Enquête docenten

5 Bijlage 3: Enquête leerlingen


8

6 (Rixtel, 2006)
Onderzoeksproces

Zowel bij de enquêtes als bij het literatuuronderzoek ben ik tegen enkele problemen
gelopen. Zo bracht het opstellen, verspreiden en verwerken van de enquêtes meer
werk mee dan verwacht. Toch is het een belangrijke bron van informatie geweest voor
deze scriptie. Bij de literatuurstudie miste ik vooral de ervaring om snel aan relevante
informatie te komen, maar die vaardigheid heb ik in de afgelopen maanden zeker we-
ten te verwerven.

Definitiebepaling nieuwe media


De term “nieuwe media” is lastig eenduidig te definiëren. Vaak blijkt dat nieuwe me-
dia verschillend wordt uitgelegd. Tijdens onderzoek en het schrijven van deze scriptie
is “nieuwe media” gebruikt als een parapluterm voor onder andere computers met de
vereiste software en internetverbinding. Ook internetapplicaties die specifiek bedoeld
zijn voor maatschappijleer zoals een beamer voor bijvoorbeeld PowerPoint presenta-
ties, digitaal schoolbord, digitale foto- en videoapparatuur. Verder kwalificeren we
mobiele apparatuur als een smartphone of andere digitale mobiele apparatuur welke
toepassing kan vinden in het onderwijs proces ook als nieuwe media. Wanneer in deze
scriptie de term ICT-gebruikt wordt kan deze gelezen worden als nieuwe media en
visa versa. Een televisie met een videorecorder hoort hier bijvoorbeeld niet
bij. Apparatuur als deze worden in deze scriptie benoemd als “oude media”.

Leeswijzer
Hoofdstuk 1 zal in gaan op de eerste deelvraag en ingaan op het beleid en financiering
van zowel overheidswege als de school organisatie .
Hoofdstuk 2 zoekt het antwoord op de tweede deelvraag en bekijkt het onderwerp
vanuit de ogen van de docenten met alles mogelijk en onmogelijkheden.
Hoofdstuk 3 behandeld de derde deelvraag, die in het teken staat van de maatschappij-
leer methode en een korte verkenning van het huidige gebruik van digitale leermidde-
len door docenten maatschappijleer.
Hoofdstuk 4 is het afsluitende theoretische hoofdstuk en hier wordt de rol van de leer-
ling verder belicht in het kader van nieuwe media.
Hoofdstuk 5 Omvat de eindconclusie over het gehele verslag.
9
Hoofdstuk 1 Nieuwe media op beleidsniveau
1.1 Inleiding

In dit hoofdstuk staat de eerste deelvraag van het onderzoek centraal. Er wordt be-
schreven wat op beleidsniveau de huidige stand van zaken is en de gevolgen hiervan
zijn. Het wordt afgesloten met wat eventuele maatregelen dan wel randvoorwaarden
kunnen zijn, om nieuwe media te integreren in het vak maatschappijleer. Er worden
twee beleidsniveaus onderscheiden: de landelijke overheid en de schoolorganisatie.
Eerst zal gekeken worden welk beleid er binnen de landelijke overheid bestaat. Hierbij
zal aan zowel het inhoudelijke als de financiële component aandacht worden besteed.
Bij de schoolorganisatie draait het voornamelijk om de vraag: welke plaats nieuwe me-
dia inneemt in het beleid van de school en op welke wijze deze is beschreven. Ook zal
aandacht worden besteed aan de daadwerkelijke uitvoering en inzet van het beleid. De
informatie, die wordt gebruikt is voornamelijk afkomstig uit literatuurstudie. Indien
anders, zal dit worden vermeld. Zoals al eerder beschreven zijn de bevindingen voor
het gehele voortgezet onderwijs. Als het alleen om het vak maatschappijleer gaat
wordt dit apart vermeld. Aangezien er op beleidsniveau nauwelijks onderscheid
wordt gemaakt tussen de verschillende vakken is deze informatie relevant voor het
onderzoek.

1.2 Huidige stand van zaken en gevolgen van het beleid

1.2.1 Beleid overheid

Om een goed beeld te krijgen van het overheidsbeleid op het gebied van het gebruik
van nieuwe media in het onderwijs en specifiek voor maatschappijleer wordt dit on-
derwerp opgesplitst in een tweetal onderdelen. Er wordt ingegaan op welke manier de
overheid zich inhoudelijk en financieel bezighoudt met deze vraagstukken

Inhoudelijk en financieel

Wanneer er gekeken wordt hoe het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW) inhoudelijk vorm geeft aan het beleid over ICT en nieuwe media vallen er een
aantal zaken op. Ten eerste wordt er in het ICT-beleid niet specifiek gesproken over
verschillende vakken en de daarmee ook niet over maatschappijleer. De beleidsvoering
is opgezet voor het voortgezet onderwijs als geheel.
10
Financiering voortgezet onderwijs

De begroting voor het voortgezet onderwijs is opgedeeld in een aantal posten. De al-
lergrootste post betreft de onderwijsuitvoering. Zo is 82% van de totale begroting 7
(bijna zes en een half miljard euro) voor het voortgezet onderwijs gereserveerd voor
“de personele component 8” 14% beslaat de materiële component. Het betreft hier za-
ken als het gebouwonderhoud, water en energie. Ook leermiddelen en ICT-faciliteiten
worden gefinancierd uit deze pot. De overige 4% wordt aan verdere uitvoering van het
beleid besteed, waaronder ICT-programma’s (verderop in dit hoofdstuk).

Tabel 1 Budgettaire gevolgen van het beleid artikel 3 (x €1 000) (Ministerie van OCW, 2009)
In Nederland wordt het voortgezet onderwijs gefinancierd door middel van een nor-
matieve lumpsum-bekostiging 9. Dit betekent, dat een school zelf kan bepalen op welke
manier ze het geld uitgeeft. Natuurlijk moet de instelling wel rekening houden met een
aantal wettelijke kaders zoals bijvoorbeeld afspraken in de cao en sociale lasten. Ook
de regelgeving rond arbeidsomstandigheden (ARBO) moeten natuurlijk worden nage-
leefd 10. Als gevolg hiervan is het mogelijk, dat er tussen de verschillende individuele
scholen grote verschillen bestaan in het bestedingspatroon betreffende nieuwe media
en ICT in het onderwijs. Door deze wijze van financieren kan en wordt er weinig in-
vloed door de overheid uitgeoefend op de mate van het gebruik van nieuwe media in
de lessen. Het ministerie van OCW ziet het belang er wel degelijk van in. 11 Zeker nadat
de afgelopen jaren steeds meer wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de wijze
waarop deze middelen het meest effectief kunnen worden ingezet in het onderwijs.
Om de scholen te ondersteunen bevat het beleid van het ministerie een aantal stimule-
ringsmaatregelen, waarbij de wens van de scholen: het verbeteren van de leereffectivi-
teit, als belangrijk uitgangspunten geldt. Ten eerste “subsidieert OCW de stichting
Kennisnet langdurig, op basis van een jaarlijks activiteitenplan.” 12

7 (Ministerie van OCW, 2009, p. 77)


8 (Ministerie van OCW, 2009, p. 277)
9 (Ministerie van OCW, 2007)

10 (Centraal Planbureau, 2000, p. 15)


11

11 (Ministerie OCW, 2008)

12 (Ministerie van OCW, 2009, p. 87)


Over stichting Kennisnet 13
Kennisnet is het expertisecentrum, als het gaat om ICT in het onderwijs. Kennisnet
ziet het als opdracht om scholen en onderwijsinstellingen onafhankelijke diensten
aan te bieden bij het effectief inzetten van ICT. Zo kan de kwaliteit van leren verder
toenemen. “Hierbij leveren we hoge kwaliteit en is het ons doel om flexibel in te spe-
len op de behoeftes in het onderwijs”.

Activiteitenplan Kennisnet 2010 14


Stichting kennisnet heeft haar doelstellingen voor 2010 aan de hand van een aantal
ontwikkelingslijnen opgesteld. Voor het voortgezet onderwijs zijn dat de volgende:
- In 2010 versterkt Kennisnet de bestuurders en directies zodat zij ICT als integraal
onderdeel in de onderwijsvisie gaan hanteren.
- In 2010 versterkt Kennisnet de (aankomend) docent in het VO, zodat hij zijn ICT-
competenties beter kan inzetten in het primaire proces.
- In 2010 stimuleert Kennisnet het door de docent arrangeren, inzetten en delen
van digitaal leermateriaal in het primaire proces.

Naast deze reguliere subsidie kunnen we lezen in de begrotingsstaten 15 van het minis-
terie van OCW, dat zij nog twee aanvullende programma's subsidieert.

Het eerste betreft het innovatie programma van surfnet en kennisnet. 16


Het doel van het programma is het ontwikkelen van innovatieve en educatieve ICT-
toepassingen. Het gaat hier om toepassingen, waarover het hele onderwijs op grote
schaal in Nederland kan beschikken. Resultaten voortgekomen uit het programma 17
zijn inmiddels op verschillende plaatsen in het onderwijs toegepast. Een aantal andere
projecten hebben voornamelijk verkennend gewerkt om de mogelijkheden van bepaal-
de technologieën te onderzoeken voor onderwijstoepassingen. Één voorbeeld van een
succesvol project is bijvoorbeeld “Expert op afstand 18” waarbij de docent in de les ge-
bruik kunnen maken van experts op een bepaald vakgebied via “videoconferencing.”

Het tweede is een programma ,gericht op het stimuleren van het gebruik van bestaand digitaal
lesmateriaal. Het heeft als doel om het gebruik van bestaand digitaal lesmateriaal in alle
lagen van het onderwijs te stimuleren. Dit gebeurt door ervoor te zorgen, dat docenten
toegang hebben tot de verschillende digitale leermiddelen. Daarnaast worden docen-
ten gestimuleerd om zelf materiaal te ontwikkelen, samen te stellen en deze ook te

13 (Stichting Kennisnet, 2009)


14 (Stichting Kennisnet, november 2009)
15 (Ministerie van OCW, 2009, p. 81)

16 (Surfnet|Kennisnet, 2009)
12

17 (Surfnet Kennisnet inovatieprogramma, 2010)

18 (Kennisnet, 2008)
delen met andere collega's. Dit sluit mooi aan bij een onderzoek van de onderwijsin-
spectie waarbij de helft van de respondenten aangeeft behoefte te hebben aan moge-
lijkheden om programma's zelf op maat te maken. 19 Een voorbeeld van een hieruit
voortgekomen project is het eind 2009 in bèta geopende platform Wikiwijs.

Over Wikiwijs 20
“Wikiwijs wordt in Nederland een plek op Internet, waar elke leraar leermateriaal
kan vinden, gebruiken en aanpassen, van basis- tot universitair onderwijs. Je kunt
ook leermateriaal zelf ontwikkelen, bewaren en delen met collega's. Wikiwijs is een
platform waar leraren kennis over en ervaring met open leermiddelen kunnen uit-
wissen en zo nodig professionele ondersteuning vinden.”

De gedachte achter deze manier van investeren door het ministerie is, dat wanneer
kennis en toepassingen op grote schaal ontwikkeld worden, dit resulteert in een ontlas-
ting van de scholen bij het vormgeven integreren en toepassen van nieuwe media bin-
nen de organisatie.

13

19 (Inspectie van het onderwijs, maart 2008, p. 19)


20 (Wikiwijs, 2009)
1.2.2 De schoolorganisatie

In dit tweede deel van het hoofdstuk wordt de overstap gemaakt van de overheid naar
de schoolorganisatie. De huidige stand van zaken, het beleid en uitvoering van nieuwe
media in de les wordt daarna onder de loep genomen. Tijdens het onderzoek is geen
specifieke informatie naar voren gekomen betreffende schoolbeleid, dat gericht is op
nieuwe media voor het vak maatschappijleer.

Visie en beleid ICT

Uit het vorige deel van dit hoofdstuk bleek dat scholen een grote vrijheid hebben bij
het besteden van het geld en de inrichting van het onderwijs. Er bestaat tussen de lera-
ren onderling, maar ook bij verschillende onderwijsorganisaties een veelheid aan idee-
en over wat de juiste en beste manier is
Belang directie computergebruik in
om het onderwijs in te richten. Het kan
de lessen
op deze manier dus voorkomen dat er
100% 5
tussen de verschillende schoolorganisa- 10
22 21
ties grote verschillen bestaan op gebied 80%
van de inzet van nieuwe media in de
les. Dit leidt tot de vraag hoeveel be- 60% 70
67
lang scholen aan het gebruik van ICT 58 64
40%
en nieuwe media in de les toekennen?
Aan een groot aantal ICT-managers is 20%
de vraag gesteld hoe hun directie hier 20 23 24
15
over dacht, zeker in vergelijking met 0%
andere onderwerpen die ook aandacht 2005 2006 2008 2009
vragen binnen de schoolorganisatie 21.
Zeer belangrijk Belangrijk
Bij de resultaten van de afgelopen jaren,
Niet zo belangrijk
vallen een aantal zaken op. Na een aan-
tal jaren van groei van het aantal direc- Grafiek 1Op basis van gegevens TNS-nipo1
ties dat dit onderwerp belangrijk tot zeer belangrijk vond, is deze trend in 2009 tot stil-
stand gekomen. Desalniettemin vindt 79% van de directies nog steeds dat ICT en
nieuwe media niet mogen ontbreken in de lessen. In de grafiek is het onderzoek in
beeld gebracht. Uitgaande van deze gegevens kijken we wat de gevolgen zijn en hoe
het ICT-beleid van de scholen zich vertaalt in de praktijk. We besteden eerst aandacht
aan de visie van onderwijsinstellingen op dit thema. In het rapport van “Kennisnet
Vier in balans” wordt gesteld: “Het is belangrijk om vanuit een heldere visie over de
inrichting en organisatie van leerprocessen, richting te geven aan de keuze voor ICT 22.”
Uit onderzoek blijkt dat in 2009 maar iets meer dan de helft van de scholen beschikt
over een uitgewerkte visie betreffende het computergebruik in het onderwijs. Een der-
14

21 (TNS-nipo, maart 2009, p. 14)


22 (Stichting Kennisnet, 2009, p. 45)
de van de organisaties geeft aan bezig te zijn met het ontwikkelen hiervan. In de bijge-
voegde tabel is af te lezen, dat ten opzichte van 2008 het aantal scholen, die beschikken
over uitgewerkte visies licht gedaald is.

Heeft uw school op centraal niveau een visie geformuleerd met


betrekking tot ict

100% 4 4
10 11
Weet niet
80%
26 30
60% Nee, nog niet

40% Nee, maar we zijn er mee bezig


60 54
20% Ja

0%
2008 2009

Grafiek 2 Op basis van gegevens TNS-nipo 23

Wanneer er vervolgens wordt gekeken naar de vertaling in het beleid van de school,
valt op te merken dat het aantal scholen, dat daadwerkelijk een beleidsplan heeft op dit
thema de afgelopen jaren licht is toegenomen. Echter kan er ook geconstateerd worden
dat 41% van de organisaties wel een plan heeft, maar deze volgens in de kast laten lig-
gen.

Gebruik ict beleidsplannen

2009 45 41 11 2
2008 53 27 20
2006 52 32 16
2005 59 31 10

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Gebruikt beleidsplan Ongebruikt beleidsplan Geen beleidsplan Weet niet

Grafiek 3 Op basis van gegevens (TNS-nipo, maart 2009, p. 19)


15

23 (TNS-nipo, maart 2009, p. 17)


Over het gewicht van de verschillende thema's binnen het beleid is binnen de school-
organisaties van het voortgezet onderwijs geen overeenstemming tussen beleidsma-
kers en docenten. Tijdens het onderzoek bij het onderwijsgevend personeel kwam naar
voren, dat de ICT-infrastructuur het belangrijkste onderwerp was om aandacht aan te
besteden 24. Het management is al jaren van mening, dat kennis en vaardigheden de
meeste aandacht verdiend 25. Verder in dit verslag zal dieper worden ingegaan op de
huidige stand van zaken betreffende deze thema's en gekeken worden hoe deze in
verhouding staat tot de ervaringen van docenten.

Financiering

Met het ICT-beleid zijn vaak grote


Meerjarige financieringplannen ict
sommen geld gemoeid. Hierbij moet school organisaties
rekening gehouden worden met een
investeringshorizon van meerdere ja- 100% 2 5 3
23 14
ren. Een ander aandachtspunt is de 80% 25 26
snelle veroudering van de techniek en 60%
het nodige onderhoud. Het onderwijs 83
40% 77 73
lijkt dit terdege te beseffen, aangezien 69
20%
ruim acht op de tien scholen beschikt
0%
over een meerjarig financieringsplan
2005 2006 2008 2009
waarin de bekostiging van ICT en
nieuwe media wordt geregeld. Het Ja Nee Weet niet

percentage is in de afgelopen jaren Grafiek 4 Op basis van gegevens (TNS-nipo, maart 2009)
zichtbaar toegenomen. Ondanks dit,
blijkt uit onderzoek van de onderwijsinspectie, dat 65% van de scholen de financiën,
als een knelpunt ervaart om de ICT-voorziening en op peil te houden. Daarnaast wordt
in ditzelfde onderzoek ook aangegeven dat ongeveer 60% van de ondervraagde ICT-
managers de kosten van educatieve software als een probleem zien om deze middelen
volwaardig in te zetten 26. Wel is gebleken dat er onder ICT-managers grote tevreden-
heid bestaat over het rendement, dat is behaald als gevolg van de investeringen. 83%
van de respondenten geeft aan tevreden tot zeer tevreden te zijn met de resultaten. 27

24 (TNS-Nipo, februari 2009, p. 40)


25 (TNS-nipo, maart 2009, p. 29)
16

26 (Inspectie van het onderwijs, maart 2008, p. 16)

27 (TNS-nipo, maart 2009, p. 35)


Vertaling beleid

In dit deel wordt de vertaling gemaakt van het beleid naar de praktijk gezien vanuit
het gezichtspunt van de ICT-managers. Als eerste wordt er gekeken naar de afspraken
en verantwoordelijkheden, welke er binnen de schoolorganisaties bestaan. Meteen valt
daarbij op dat in 71% van de gevallen de keuze van de leerstof en de wijze van ICT-
gebruik bij de docenten ligt en dus niet centraal geregeld is. Bij een groot deel van de
scholen is wel een ICT-coördinator aanwezig. Deze is verantwoordelijk voor de desbe-
treffende voorzieningen. Het maken van afspraken op welke wijze ICT wordt ingezet
in het didactisch proces is nog lang geen gemeengoed in het voortgezet onderwijs. In
slechts 28% van de onderzochte scholen blijken afspraken te zijn gemaakt over de inzet
van ICT bij het merendeel van de lesstof 28.

We kunnen zien, dat er betreffende dit onderwerp vanuit het management nog een
slag te maken is. Zo wordt er in tweederde van de gevallen aan docenten ruimte, mid-
delen en ondersteuning geboden om te experimenteren en uitvoering mogelijk te ma-
ken in de eigen lessen. Eerder kwam naar voren, dat kennis en vaardigheden prioriteit
moet krijgen. Dat vertaalt zich hier dan ook weer naar het stimuleren van de teampro-
fessionalisering. In slechts 35% van de scholen wordt hier regelmatig aandacht aan
besteed.

Werkwijze met ict situaties die regelmatig tot vaak voorkomen

Stand van zaken van ICT gebruik wordt met


45%
docenten besproken
Management stelt tijd en middelen
65%
beschikbaar om de plannen met ICT te…
Docenten krijgen ondersteuning bij de
65%
uitvoering van ICT in het onderwijs
Afspraken over onze werkwijze met ICT in het
53%
onderwijs worden bewaakt
Stimuleren van teamprofessionalisering op het
35%
gebied van onderwijskundig gebruik van ICT
Management volgt wat docenten doen op het
49%
gebied van ICT onderwijs
Docenten krijgen ruimte om met ICT in het
68%
onderwijs te experimenteren

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Grafiek 5 Gebaseerd op gegevens (TNS-nipo, maart 2009)


17

28 (TNS-nipo, maart 2009, pp. 11-12)


Als laatste punt moet opgemerkt worden dat de afspraken en communicatie op ICT-
gebied nog aandacht nodig hebben. In ongeveer de helft van de gevallen wordt de do-
cent op de hoogte gehouden over de gesteldheid van het gebruik van ICT binnen de
school. Een groot deel van de docenten hecht echter veel belang aan een breed gedra-
gen en duidelijk ICT-beleid 29 Daarnaast is het behoorlijk zorgwekkend, dat op bijna de
helft van de scholen niet wordt gecontroleerd hoe er wordt omgesprongen met de ge-
maakte afspraken. Gevolg hiervan kan zijn dat het beleid van de schoolorganisatie op
gebied van ICT een vrijblijvend karakter houdt en hierdoor stuk inbedding verloren
gaat.

18

29 (Stichting Kennisnet, 2009, p. 52)


Motieven van onderwijsorganisaties

Het is belangrijk om te weten, wat ICT en nieuwe media bijdragen aan het onderwijs
proces en waarom scholen deze middelen inzetten. In het voortgezet onderwijs wor-
den digitale leermiddelen voornamelijk gebruikt als vervanging van de gedrukte leer-
middelen 30. De belangrijkste doelstellingen voor scholen zijn het aantrekkelijker maken
van het onderwijs voor studenten en het creëren van een leerrijke omgeving. In iets
minder dan de helft van de gevallen wordt aangegeven dat ICT / nieuwe media wor-
den gebruikt om het onderwijs efficiënter in te richten. Om onderwijs op maat aan de
leerlingen te kunnen bieden wordt er in iets meer dan een derde van de gevallen ge-
bruikgemaakt van deze middelen 31. Aangezien slechts een kwart evalueert met toetsen
op maat, met gebruikmaking van ICT is bij de meeste onderwijsorganisaties dit nog
onontgonnen gebied. Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten op leerresultaten
van leerlingen bij het gebruik van ICT/ nieuwe media. De resultaten zijn niet eendui-
dig over positieve of negatieve effecten. Meer onderzoek is nodig om beter uitsluitsel te
geven 32. Voor deze vraag heeft kennisnet het onderzoeksproject ”leren met meer ef-
fect 33” opgezet. Specifiek onderzoek naar maatschappijleer is niet bekend.

Toetsen op maat 8 17 50 20 5

Bevorderen samenwerkend leren 8 30 54 8

Verzorgen adaptief onderwijs / onderwijs op maat 4 35 47 6 62

Efficiënter inrichten van het onderwijs 9 36 44 7 4


Intensivering communicatie tussen leraren en
studenten 16 35 30 14 41

Bevorderen gebruik voor remedierende toepassingen 14 38 40 5 21

Bevorderen zelfstandig leren 13 41 43 12

Individualisering van het leerproces 14 43 41 11

Creëren leerrijke omgeving 13 54 29 22

Aantrekkelijker onderwijs voor studenten 19 53 26 11

0% 20% 40% 60% 80% 100%


Sterk Behoorlijk Enigszins Niet Is geen doel Weet niet

30 (Onderwijsraad, 2008, p. 36)


31 (TNS-nipo, maart 2009, p. 21)
19

32 (Onderwijsraad, 2008, p. 32)

33 (Kennisnet, 2008)
Facilitering scholen m.b.t. nieuwe media

We sluiten deze inventarisatie van de stand van


10
zaken af door aandacht te besteden aan de gesteld-

Aantal leerlingen per computer


9
heid van de faciliteiten. Hierbij zal zowel kwalita- 8
tief en kwantitatief worden gekeken naar de voor- 7
6
zieningen. In het voortgezet onderwijs als geheel is 5
één computer op zes leerlingen gemiddeld. Deze 4
zijn bedoeld om te gebruiken in lessituaties bij alle 3
2
verschillende vakken. Wanneer er verder gekeken 1
wordt hoe de computerfaciliteiten verdeeld zijn 0
over verschillende scholen vallen een aantal zaken
op. Zo is de schoolgrootte een factor in het aantal
computers, die gemiddeld beschikbaar zijn per
leerling. Direct valt op dat naarmate de school gro- Leerlingen aantal school
ter wordt het aantal leerlingen dat een computer
moet delen ook groeit. Zoals te zien is in de tabel Grafiek 6 op basis gegevens (Inspectie van
bestaat het meest opvallende verschil tussen een het onderwijs, maart 2008, p. 14)
zeer kleine school (minder dan 300 leerlingen) en
een zeer grote school. Op de kleine school moeten vier leerlingen een computer delen,
daarentegen maken op de grote school meer dan twee keer zoveel leerlingen gebruik
van dezelfde faciliteiten.

Leerlingen per computer


Leerlingen van een school, waar alleen vmbo
onderwijs wordt aangeboden hebben de be-
8
schikking over één computer per vijf leerlin-
7
gen. Scholen met havo/vwo onderwijs en een
6 combinatie van vmbo, havo en vwo moeten
5 het met beduidend minder doen. Gemiddeld
4 één computer per zeven leerlingen.
Er bestaan geen grote verschillen tussen de
3
verschillende scholen, wat betreft het aantal
2
internet aansluitingen. Zo goed als elke com-
1 puter, die in het onderwijs gebruikt wordt is
0 verbonden met het wereld wijde web.
Breed VMBO Havo/vwo

Grafiek 7 op basis van (Inspectie van het onderwijs,

maart 2008, p. 14)


20
Overige voorzieningen

De verdere voorzieningen op het gebied van nieuwe media en ICT, zoals digitale
schoolborden en andere onderwijsmiddelen worden behandeld in hoofdstuk drie. Hier
zullen we ook verder ingaan op het huidig gebruik en verdere mogelijke toepassingen
in de onderwijspraktijk.

Toereikendheid ICT-voorzieningen

Over de mate van de toereikendheid van de ICT-voorzieningen op scholen verschillen


de meningen sterk tussen docenten en managers. 34
De grootste afwijking zit in de behoeft,e die bestaat om direct deskundige hulp te krij-
gen wanneer er problemen zijn met de computer of het netwerk. Ongeveer een kwart
van de managers erkent dit. Daartegenover geeft meer dan de helft van docenten aan
behoefte te hebben aan deze deskundige hulp in het geval van acute problemen met de
ICT. Verder lopen de opvattingen uiteen betreffende extra computer, die nodig zijn in
de school. Zo ziet 46% van de managers de noodzaak van het oplossen van dit pro-
bleem in. Daarentegen vinden 65% van de docenten, dat meer computers noodzakelijk
zijn om te gebruiken in de onderwijssituatie van alledag. Ook over de betrouwbaar-
heid van de internetaansluiting is in menig onderwijsorganisatie geen overeenstem-
ming tussen de beleidsmakers en de werkvloer. Er zit hier een gat van 15% tussen de
opvattingen van de verschillende partijen.

Percentage leraren en managers met (zeer grote) behoeften op het gebied


van hardware en infrastructuur

Extra computers zoals laptops 46%


65%
Grotere betrouwbaarheid aansluiting Internet 39%
54%
Directe deskundige hulp als de computer of… 25%
56%
Snelle en veilige verbinding vanuit huis met… 40%
54%
Breedband internet voorzieningen 41%
36%
Draadloos netwerk 21%
41%

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Managers Leraren

Grafiek 8 Op basis van gegevens TNS-nipo 35


21

34 (Stichting Kennisnet, 2009, pp. 38-39)


35 (TNS-nipo, maart 2009, p. 12)
Vervolgens kijken we naar het onderhoud en beheer van de ICT-voorzieningen en
kunnen constateren, dat het management hier zeer tevreden over is. Al jaren ligt het
niveau vrij hoog en met een kleine afname in 2009 tot 85%, wordt beheer en onderhoud
met(ruim) voldoende beoordeeld 36. Dit vertaalt zich onder meer in de mate van ver-
vanging van computers in 2009 . 22% van de computers was aan vervanging toe en
23% werd daadwerkelijk vervangen.

Percentage scholen waarin volgens het management het beheer en en


onderhoud (ruim) voldoende zijn geregeld
100%
90% 92% 92% 92%
85%92% 87% 85%
92% 92%
80% 79%85% 87% 85%
70% 79%
68%
60% 68%
50%
40%
30%
20%
10%
0%
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010

Grafiek 9 Op basis van gegevens (TNS-nipo, maart 2009)

22

36 (TNS-nipo, maart 2009, p. 35)


1.3 Maatregelen en aanbevelingen op beleidsniveauniveau

Aanbevelingen Overheid

• Om een bepaald kennisniveau te garanderen is voor ieder schoolvak op het voort-


gezet onderwijs een kennisbasis 37 ontwikkeld met de minimale vakinhoudelijke
eisen voor de desbetreffende lerarenopleidingen. Tegelijk met het opstellen hier-
van is er ook een kennisbasis ICT 38 opgesteld door het ADEF (Algemeen
Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten). Om de digitale didacktiek beter te
borgen zou het goed zijn om er voor te zorgen dat de kennisbasis ICT deel zou
uitmaken van de minimale opleidingseisen van elke lerarenopleiding. Juist de
nieuwe jonge docenten kunnen de rol van aanjagers vervullen. Zo kan het
natuurlijk verloop optimaal benut worden.

Aanbevelingen: Visie en beleid schoolorganisatie

• Breed gedragen visie


Om zorg te dragen voor een goede uitvoering van het beleid rondom nieuwe me-
dia is het van belang, dat er draagvlak in de hele organisatie bestaat. Een breed ge-
dragen visie op het gebruik van nieuwe media en ICT is hierbij essentieel. Docen-
ten hebben in het onderzoek ook aangegeven, dat hier grote behoefte toe bestaat en
hierbij graag een rol willen vervullen. De schoolorganisatie zou er goed aan doen
om het proces van visievorming en –verandering in een aantal fases op te delen en
hierbij een bottum-up aanpak na te streven.

o Fase 1: Inventariseren ideeën en opvattingen


Het uitgangspunt hierbij is om een laagdrempelige ingang te bieden voor alle
docenten. Het is in deze eerste fase belangrijk, dat iedereen meedoet en ieders
niveau, ideeën en opvatting het vertrekpunt zijn van verdere stappen. Deze
brede betrokkenheid zal later de basis vormen bij de uitvoering.
o Fase 2: Vertaling naar concept op basis van mogelijkheden
Er vindt nu een vertaling plaats naar een concept, waarin de onderwijskundige
visie en de uitkomsten van fase 1 worden samengebracht. De doelstelling hier-
bij is dat er een basis en handvaten ontstaan, die voor alle betrokkenen duide-
lijkheid verschaft. Een tweede doel is er voor zorgen dat docenten zich betrok-
ken gaan voelen bij het proces en uitvoering.
o Fase 3: Praktische inzet
Nadat er een kader is gecreëerd kan er een stap verder worden gezet en geke-
ken worden naar hoe de toepassing in de praktijk kan plaatsvinden. Hierbij
kunnen bijvoorbeeld workshops worden georganiseerd over verschillende
23

37 (Gezamelijke lerarenopleidingen, 2009)


38 (ADEF, Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten, 2009)
middelen, waarbij de onderwijskundige toepassing en effect kan worden be-
handeld. Het is ook goed om succesvolle voorbeelden van andere scholen te la-
ten zien.
o Fase 4: Vertaling naar het vak.
Geen vak is gelijk het is daarom goed om per vaksectie te kijken hoe de verta-
ling naar het vak kan plaatsvinden en welke concrete doelstellingen hieraan
gekoppeld kunnen worden. Op deze manier kunnen afspraken met elkaar ver-
geleken en eventueel bijgesteld worden.

• In de praktijk blijkt dat het ICT--beleidsplan vaak niet wordt toegepast noch geëva-
lueerd. Het zou goed zijn om ICT en nieuwe media cyclisch deel te laten uitmaken
van het kwaliteitszorgplan van de school.

• Om de vertaling van onderwijsvisie naar de praktijk te borgen moet de schoolorga-


nisatie faciliteren, stimuleren en initiëren, zodat de docenten kennis en vaardighe-
den ontwikkelen en bijhouden op het gebied van nieuwe media en digitale didac-
tiek. In de huidige praktijk ligt het overgrote deel van de verantwoordelijkheid bij
de docent. Door dit te verschuiven naar de schoolorganisatie worden de onderlinge
verschillen gereduceerd. De school moet in het persoonlijke ontwikkelplan van de
individuele docent plaats inruimen voor zowel (digitale) didactische als (prakti-
sche) computervaardigheden. Aanbevelingen voor activiteiten rondom dit onder-
werp zijn terug te vinden in de aanbevelingen van hoofdstuk 2.

Aanbevelingen financiën

De financiën voor nieuwe media/ICT blijken een groot struikelblok voor de schoolor-
ganisaties te zijn. Hieronder een aantal aanbevelingen voor dit thema.

Opensource software
• Software licenties zijn een grote kostenpost voor schoolorganisaties. Er zijn diverse
opensource software toepassingen vrij beschikbaar. Deze goed bruikbare pro-
gramma’s kunnen voor de organisatie een behoorlijke kostenbesparing opleveren.
Een bekend voorbeeld is: openoffice.org Dit is een volwaardig office pakket. Er is
ook gratis toetsingssoftware of programmatuur om beeld te bewerken beschikbaar.
Als school zal er moeten worden gekeken in welke mate dit kan bijdragen aan kos-
tenreductie en past binnen de ICT-visie van de organisatie.
24
Gratis digitale leermiddelen
• Er komen steeds meer digitale leermiddelen beschikbaar via internet en deze wor-
den ook steeds beter vindbaar. De tijd, dat de school alleen afhankelijk was van de
uitgever ligt achter ons. Vaak is het goed om deze als aanvulling of gedeeltelijke
vervanging naast de methode te gebruiken om er voor te zorgen, dat de eindter-
men geheel afgedekt zijn. Met het oog op tijdsbesparing is het verstandig, dit bin-
nen vaksecties, dan wel school overstijgend te organiseren. Zo kan er van elkaars
werk worden geprofiteerd. Een nieuw platform om dit te ondersteunen is Wiki-
wijs 39 en zal eind 2011 volledig operationeel zijn.

Alternatieve investeringen
• Door budgettaire beperkingen is het voor scholen vaak niet mogelijk om in één
keer een grote investering te doen. Wanneer de wens bestaat om als school bijvoor-
beeld meerder digitale schoolborden aan te schaffen kan er ook aan alternatieve
manieren van financieren worden gedacht, zoals bijvoorbeeld het leasen van digita-
le schoolborden via verschillende aanbieders om zo investeringen te spreiden. Ook
zijn er mogelijkheden voor scholen om niet de meest recente apparatuur te kopen.
Aangezien vaak binnen de school niet de volledige capaciteit van de nieuwste
computers vereist is kan op de aanschaf zo een besparing gerealiseerd worden.

Regelingen
• Er zijn verschillende regelingen voor scholen, die in de vorm van geld en/of kennis
kunnen ondersteunen in het ontwikkelen van bijvoorbeeld applicaties, die een
waardevolle bijdrage leveren aan het onderwijs. Voorbeelden hiervan zijn SURF-
net Kennisnet innovatieregeling 40 en de innovatie impuls Onderwijs 41. Regelingen
als deze zijn aan verandering onderhevig, daarom is het belangrijk dat er binnen de
organisatie afspraken worden gemaakt op welke manier de informatie up-to-date
gehouden wordt.

Aanbevelingen communicatie

Ouders
• Zorg ervoor dat ontwikkelingen zichtbaar zijn voor de ouders en betrek en enthou-
siasmeer ze ook bij het proces. Wees consequent en maak ook hier gebruik van de
digitale mogelijkheden. Dit kan eenvoudig per e-mail, maar al iets moderner met
een twitter account en/ of een Hyve voor de school. Moedig ouders aan om de
school te volgen. Zorg dat er regelmatig nieuwe berichten zijn om de aandacht vast
te houden.

39 (Wikiwijs, 2009)
25

40 (SURFnet kennisnet, 20010) 2010

41 (Inovatieimpulsonderwijs, 2010)
Leerlingen
• Communiceer met de leerlingen over de ontwikkelingen op ICT-gebied binnen de
school. Gebruik kanalen en toepassingen, die de leerlingen vaak gebruiken, zoals
Twitter,Hyves en Youtube. Maak bijvoorbeeld met de leerlingen items over de
school en publiceer deze op het Youtube kanaal van de school. Dit wekt de interes-
se van ouders, die hun kinderen willen volgen. Het is leuk en leerzaam voor de
leerlingen aangezien verschillende vaardigheden hierbij worden aangesproken.

Aanbevelingen facilitair

Lokaal configuratie en roostering


• Het is lastig voor docenten, wanneer zij een les meerdere keren geven in lokalen
met verschilde hardware configuraties. De docent moet dan deze les op verschil-
lende manieren voorbereiden, waarbij kostbare tijd verloren gaat. Hierbij zal snel
de keuze gemaakt worden om dan maar geen nieuwe media toe te passen. Het is
dan ook aan te bevelen om te streven om lokalen overeenkomstig uit te rusten met
apparatuur. Wanneer er vervolgens bewust geroosterd wordt is dit makkelijker in
te plannen. Hierdoor ontstaat er voor de docent een meer stabiele situatie, waarin
hij gestimuleerd wordt om de digitale mogelijkheden beter te benutten.

Cloud computing
• De school moet nadenken over het gebruik van Cloud computing 42 . Dit is een
technologie, die de afgelopen jaren sterk in ontwikkeling is, waarbij ICT-
voorziening en als dienst worden aangeboden via de cloud of te wel het internet. In
het onderwijs wordt deze techniek nog niet veel toegepast. Het SURFnetkennisnet
innovatie programma onderzoekt op het moment 43 wat de mogelijkheden voor het
onderwijs zijn. Mogelijke voordelen hiervan zijn;
o Er is bij de school minder technische kennis nodig aangezien de systemen
als bijvoorbeeld servers, extern worden beheerd en onderhouden. Techni-
sche problemen zullen waarschijnlijk minder vaak voor komen.
o Het gebruik is makkelijker schaalbaar. Dit betekent dat een school flexibeler
is in hoeveel computers er worden ingezet. Doordat software en toepassin-
gen extern worden gedraaid hoeven computers over veel minder capaciteit
te beschikken en zullen dus goedkoper zijn.
o De school betaalt voor wat wordt gebruikt, dus groeit of krimpt de school
dan kan relatief eenvoudiger worden ingespeeld op deze beweging.
26

42 (Surfnet Kennisnet inovatieprogramma, 2010)


43 Eerste kwartaal 2010
1.4 Deelconclusie

In deze deelconclusie zal de eerste deelvraag ”Wat is de huidige stand van zaken op be-
leidsniveau betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de
gevolgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?” aan de hand van de
bijbehorende onderzoeksvragen worden beantwoord.

OV: Welke beleid bestaat er vanuit de overheid op het gebied van de inzet van nieuwe media in
de les?
OV: Is er een verband te vinden tussen het overheidsbeleid en de inzet van nieuwe media bij het
vak maatschappijleer?
OV: Is er een verband te vinden tussen de Overheidsfondsen/budget welke beschikbaar zijn om
nieuwe media in te zetten voor het vak maatschappijleer?

• Het ministerie van OCW vindt het belangrijk dat ICT en nieuwe media een plek in
het Nederlandse onderwijs hebben. Leerlingen moeten worden voorbereid op de
toekomst en ICT neemt inmiddels een zeer belangrijke rol in het dagelijks leven
van iedereen. De overheid heeft wat betreft de invulling van het onderwijs een te-
rughoudende rol. Het ministerie is van mening, dat de scholen aan de hand van de
eigen onderwijsvisie de ruimte moeten krijgen om de voorgeschreven kennis naar
eigen inzicht over te brengen. De onderwijsorganisatie krijgt hiervoor een budget,
dat vastgesteld wordt aan de hand van aantal indicatoren zoals het aantal leerlin-
gen en zorgleerlingen. Door deze vrijheid ontstaan er tussen de scholen grote ver-
schillen in de mate en wijze van inzet van nieuwe media in de les. De overheid
heeft er voor gekozen een stimulerende rol in te nemen. Dit gebeurt door geld te
investeren in bijvoorbeeld Kennisnet. Deze stichting ontwikkelt o.a. digitale leer-
middelen, doet onderzoek naar digitale didactiek en stimuleert het gebruik actief.
De school heeft de mogelijkheid om gebruikt te maken van de expertise, toepassin-
gen en stimuleringsregelingen van kennisnet. Hiermee wordt de organisatie binnen
de eigen visie en identiteit ondersteund in het gebruik van nieuwe media. Aange-
zien in de beleidvoering niet specifiek gesproken wordt over de diverse schoolvak-
ken, geldt dit beleid ook voor de lessen maatschappijleer.

OV: Welke plek neemt het gebruik van nieuwe media in het beleid van de school

• Zowel de overheid als de schoolorganisaties vinden, dat leerlingen onderwezen


moeten worden in en met het gebruik van ICT. Het is daarom goed om te constate-
ren, dat 86% van de scholen beschikken over een beleidsplan, waarin de plannen en
voornemens zijn vastgelegd op dit gebied. Er zal nog wel aandacht besteed moeten
worden aan het daadwerkelijke gebruik aangezien 4 van de 10 plannen op de plank
blijven liggen.
27
• Er bestaat een kloof tussen de leraren en het management betreft het gebruik van
nieuwe media en ICT. Het management is van mening, dat in het beleid het zwaar-
tepunt moet liggen bij kennis en vaardigheden van de docenten. De praktijkerva-
ringen sluiten lang niet altijd aan bij het beeld en prioriteiten van de directie. (In
hoofdstuk 2 wordt verder ingegaan op de mening van docenten.

OV: Is er een verband te vinden tussen het beleid van de schoolorganisatie en de inzet van
nieuwe media
OV: Is er een verband te vinden in de School fondsen/budget welke er beschikbaar is om nieuwe
media in te zetten voor het vak maatschappijleer

• Door de lumpsum financiering hebben scholen grote vrijheid in keuzes die


worden gemaakt betreft nieuwe media. Tussen verschillende scholen bestaan
hierdoor grote verschillen. Hieruit is al af te leiden, dat de beleidskeuze van de
school verband houdt met de inzet. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat
factoren als (bij)scholing van docenten, faciliteiten, ondersteuning een rol spe-
len. Uit het onderzoek bleek echter, dat er meer ICT wordt ingezet naarmate er
meer computers per leerling beschikbaar zijn. Er zijn echter te veel onbekende
variabelen in dit onderzoek om deze stelling volledig te kunnen onderbouwen.
Verder onderzoek bij individuele scholen is nodig voor meer valide resultaat.
Specifieke resultaten voor maatschappijleer zijn niet beschikbaar.

OV: Welke ruimte krijgen docenten vanuit de organisatie om nieuwe media in te zetten in de les

• Het blijkt dat docenten vaak zelf verantwoordelijk zijn voor de inzet en gebruik
van ICT en nieuwe media in de les. Hoewel scholen hen meestal wel de ruimte
en de middelen ter beschikking stellen om het in de les te integreren, ontbreekt
het vaak aan één centrale visie uitgedragen door de schoolorganisatie.

OV: Wat zijn de motieven van scholen om nieuwe media te gebruiken

• De scholen zetten deze middelen in om de lessen aantrekkelijker te maken voor


de leerlingen (72%) en een leerrijke omgeving te kunnen bieden (69%). Het effi-
ciënter inrichten van het onderwijs is voor minder dan de helft van de scholen
een reden de mogelijkheden, die ICT en nieuwe media bieden te gebruiken.

OV: Tegen welke grootste knelpunten loopt de organisatie op bij de inzet van nieuwe media.
• Het grootste obstakel is van financiële aard. Het ontbreekt scholen vaak aan
middelen om de ICT-faciliteiten op peil te houden en educatievesoftware aan te
kopen.
• Een secundair probleem betreft de inhoudelijke didactische ondersteuning en
scholing van docenten bij het gebruik van nieuwe media.
28
OV: Hoe is de hardware voor van nieuwe media in de school gefaciliteerd
• In deze conclusie van het eerste hoofdstuk wordt de facilitering beperkt tot de
computers, internet en netwerkverbinding binnen de schoolorganisatie. Op
overige leermiddelen zal verder worden ingegaan in hoofdstuk 2 en 3. Het aan-
tal leerlingen dat een computer moet delen varieert sterk tussen verschillende
scholen. Een bepalende factor hierbij is de grootte van de school. Zo moeten 4
leerlingen een computer delen op een kleine school (< 300) terwijl grote scholen
( > 1500 ) slechts 1 computer beschikbaar is voor 9 leerlingen. Tussen verschil-
lende onderwijs types zijn het aantal computers ook niet gelijk verdeeld. Scho-
len met alleen VMBO hebben een verhouding van 1:5 terwijl instellingen met
uitsluitend havo/vwo het moeten stellen met 1:7. Vrijwel alle computers zijn
voorzien van een internet verbinding.

OV: Welke maatregelen kunnen er worden genomen op beleidsniveau om nieuwe media te inte-
greren in het vak maatschappijleer.
• De maatregelen zijn in 4 thema’s gebundeld, die ieder kort aangestipt zullen
worden.
• De belangrijkste maatregel binnen het thema Visie en Beleid is, dat docenten be-
trokken worden bij de ontwikkeling van de visie over nieuwe media door mid-
del van een zogenaamde bottom-up-aanpak. Verder is het van belang om zorg
te dragen voor de borging, continueren en uitvoer van het beleid.
• De aanbevelingen rondom de financiën richten zich enerzijds op het realiseren
van besparingen door huidige middelen af te zetten tegen vrij verkrijgbaar ma-
teriaal. Anderzijds wordt er geadviseerd om beschikbare regelingen te benutten
en hier ook tijd voor vrij te maken. Verder kan er gekeken worden naar alterna-
tieve vormen van financiering en het mogelijk maken om grote investeringen
als school toch te kunnen dragen.
• Om de integratie van nieuwe media succesvol te laten verlopen is het goed om
leerlingen en hun ouders te betrekken bij het proces. Goede communicatie is
hierbij essentieel om de ontwikkelingen consequent door te voeren. Het ver-
dient de aanbeveling om hierbij gebruik te maken de nieuwe media die voor-
handen zijn zoals Youtube en Twitter.
• Tenslotte zou het uniformeren van lokaal configuraties ervoor kunnen zorgen
dat docenten altijd dezelfde faciliteiten tot hun beschikking hebben. Dit verge-
makkelijkt ook het maken van de roosters.
29
Hoofdstuk 2 Docenten en nieuwe media
2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zal de tweede deelvraag centraal staan: “Wat is de huidige stand van
zaken op docentniveau betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer,
wat zijn de gevolgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?“. De gege-
vens voor dit hoofdstuk komen grotendeels uit de resultaten van een zelf uitgevoerde
enquête onder maatschappijleer docenten. 21 docenten van 20 verschillende scholen
vulden deze enquête in. De
gemiddelde leeftijd van de Aan welk niveau geeft u les?
geënquêteerde maatschappij-
leer docenten betrof 42 jaar. De
Alleen VMBO
leeftijden liepen hierbij uiteen 5%
van 22 tot 56 met een mediaan
Alleen HAVO
van 42. Het gemiddelde aan-
tal jaren leservaring onder 33%
Alleen VWO
deze groep docenten is 13 met
52%
een mediaan van 12. Iets meer VMBO,HAVO en
dan de helft van de docenten VWO
geeft aan alleen vmbo klassen HAVO en VWO
10%
les te geven, tegen een derde 0%
van de docenten die dit aan
alle niveaus doen. Voor een
combinatie havo en vwo en alleen havo verzorgen respectievelijk 5 en 10% van de do-
centen de lessen maatschappijleer. Voor vergelijkend materiaal en aanvullende data is
daarnaast van literatuuronderzoekgebruik gemaakt. In de opbouw van het hoofdstuk
zal eerst worden gekeken naar de huidige stand van zaken en waar mogelijk wat de
gevolgen daar van zijn. Naar aanleiding van deze informatie zullen er dan een aantal
aanbevelingen worden gedaan. Het hoofdstuk zal worden afgesloten met de deelcon-
clusie van de tweede deelvraag.
30
2.2 Huidige stand van zaken en de gevolgen.

2.2.1 Kennis en vaardigheden van docenten

In dit onderdeel van het hoofdstuk staan de kennis en vaardigheden en de


(on)mogelijkheden van de docent centraal. Op de vraag of docenten maatschappijleer
zelf de kennis en vaardigheden van ICT en nieuwe media toereikend vinden om deze
actief te gebruiken in de les, ontstaat een zeer divers beeld. Het blijkt dat 40% van de
docenten van mening is, dat zij onvoldoende geschoold zijn in de digitale didactiek en
ICT-vaardigheden. Uit cijfers van de onderwijsinspectie naar ICT-gebruik in het voort-
gezet onderwijs 44 blijkt
Zijn uw kennis en vaardigheden toereikend dat, die een sterke over-
zijn om actief gebruik te maken van nieuwe
media in uw lessen maatschappijleer? eenkomst vertonen met de
gegevens uit het eigen on-
derzoek. De onderwijsin-
25 15 20 30 10
spectie keek hierbij naar
alle vakgebieden en on-
0% 20% 40% 60% 80% 100%
derwijsvormen. Opvallend
gegeven hierbij is, dat on-
Niet toereikend 1 2 3 4 5 Heel toereikend
afhankelijk van school-
grootte en onderwijstype,
de docenten over het algemeen genomen over dezelfde basisvaardigheden beschikken.
Gemiddeld 85% van alle docenten in het voortgezet onderwijs beheersen in voldoende
tot goede mate de ICT-basisvaardigheden. Dit staat tegenover 80% van de maatschap-
pijleer docenten. Dit uit zich onder andere in een voldoende tot zeer goede beheersing
van de computer in het algemeen en software zoals Microsoft Word. Ditzelfde beeld
vinden we ook terug betreffende de beheersing van didactische ICT-vaardigheden:
60% bij maatschappijleer docenten en gemiddeld 65% bij alle docenten voortgezet on-
derwijs.

Voor meer specifieke ICT-toepassingen is duidelijk een lager beheersingsniveau te


zien. Slechts een kwart van de ondervraagden geeft aan goed zijn weg te weten in
software bedoeld voor foto- en videobewerking.
Ook meer onderwijs ondersteunende applicaties zoals toetsingssoftware “Hot pota-
toes” kunnen nog niet rekenen op grote belangstelling en gebruik. Ongeveer een kwart
van de maatschappijleerdocenten kan hiermee overweg. 60% geeft aan deze software
niet te kennen of er niet mee overweg te kunnen.
31

44 (Inspectie van het onderwijs, maart 2008, p. 18)


Toetsings software zoals Hot Potatoes 5 5 15 15 35 25
Spelen van games 5 30 20 35 10
Video bewerkings software 5 10 5 20 45 15
Beeldbewerkings software 5 5 16 32 32 11

Basis vaardigeheden
MS Powerpoint 20 35 10 25 5 5
MS Word 25 45 20 10
De computer algemeen 20 35 25 20

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Vaardig 5 4 3 2 1 Onbekend Niet vaardig

Het internetgebruik en daarbij horende vaardigheden geven, evenals bij het voorgaan-
de, een positief beeld. Voor 80% van de maatschappijleerdocenten is surfen op internet
en het zoeken in zoekmachines geen enkel probleem. Ook de vaardigheden voor het
vinden van geschikte media om in de les te kunnen gebruiken is voor driekwart van de
ondervraagden geen obstakel.
Bijna de helft van alle respondenten geeft aan vaardig tot zeer vaardig te zijn in het
gebruik van netwerksites zoals Hyves 45 of Facebook 46. Het gebruik van Messenger
programma's zoals MSN47 is duidelijk minder wijdverspreid (30%).

Messenger programma's 15 15 15 20 25 10
Netwerksites gebruiken 21 26 16 11 16 11
Geschikte media vinden voor de les 55 20 10 10 5
Zoeken met zoekmachines 65 15 15 5
Surfen op internet 60 20 10 10

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Niet vaardig 5 4 3 2 1 Onbekend Vaardig

45 (Hyves (Startphone ltd.), 2004)


32

46 (Facebook, 2004)

47 (Microsoft)
Verwerving en onderhouden kennis

Verwerving kennis

Nadat de kennis en vaardigheden van de docentenmaatschappijleer zijn beschreven,


gaan we nu kijken hoe deze kennis en vaardigheden zijn verworven. Uit de enquête
komt naar voren dat 7 van de 10 docenten maatschappijleer de kennis verwerft door
zelfstudie. Een derde van de respondenten geeft aan, dat een bijscholing die werd aan-
geboden door de schoolorganisatie heeft bijgedragen in de digitale scholing. Slechts
18% benoemt de opleiding als bron van kennis op dit onderwerp. Mogelijk is dit te
verklaren doordat de digitale didactiek nog niet zo lang een plaats in het curriculum
van de lerarenopleidingen 48 inneemt. Onder de respondenten is slechts een klein aantal
recentelijk afgestudeerd. Verder wordt collegiale hulp genoemd in de enquête.

Verwerving kennis nieuwe media in de les.


Anders
18%
Door zelfstudie of cursussen in mijn vrije tijd
71%
Tijdens bijscholing die aangeboden werd door
35%
de school
Tijdens mijn opleiding
18%

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Onderhouden kennis en vaardigheden

De ontwikkelingen op het gebied van nieuwe media en ICT gaan overal heel snel en
dus ook in het onderwijs. Het is dan ook van groot belang, dat kennis en vaardigheden
goed op peil gehouden Hoe houdt u uw kennis en vaardigheden op
worden. Maatschappijleer het gebied van nieuwe media op peil?
100%
docenten doen dit in drie- 76%
80%
kwart van de gevallen door
60%
zelfstudie. Als tweede 29% 35%
40% 24%
wordt het lezen van vak- 20%
bladen genoemd, zoals bij- 0%
voorbeeld “Maatschappij Bijscholing Zelfstudie Vakbladen Anders,
en politiek” van de Neder- zoals namelijk
landse vereniging voor bijvoorbeeld
Maatschappij
maatschappijleer docenten.
en politiek
Met 29% neemt de bijscho-
ling, die door scholen wordt georganiseerd tenslotte een bijna gelijkwaardige plaats in.
33

48 (Marx, van Gennip, & Kral, 2007)


Verder wordt het “interne leren” van directe collega’s ook als een goede aanvulling op
de eigen kennis en kunde genoemd. Voor een enkeling geldt, dat de kennis geheel niet
wordt bijgehouden.

Eén van de belangrijke factoren/ drijfveren in het bijhouden van de kennis van ICT en
nieuwe media is de mate van belang die zij hieraan geven. Ongeveer de helft van de
maatschappijleer docenten vindt het belangrijk tot heel belangrijk dat deze kennis op
peil blijft. 35% van de geënquêteerden staat hier redelijk neutraal in. Een grote minder-
heid is van mening dat dit een onbelangrijk thema is om aandacht aan te besteden.

Hoe belangrijk vindt u het dat uw kennis en vaardigheden op het gebied


van nieuwe media op peil blijven?

25% 35% 5% 10%

Heel belangrijk 4 3 2 1 Onbelangrijk

Wanneer we in de volgende paragraaf kijken hoe nieuwe media in de les wordt ge-
bruikt is het goed om te weten hoe de docent maatschappijleer hier tegenaan kijkt en
mee bezig is. Ongeveer tweederde geeft aan, dat zij niet actief op zoek gaan naar in-
formatie hiervoor. Wanneer dit bij toeval op hun pad komt, nemen ze er wel kennis
van. 59% hecht er duidelijk meer belang aan. 24% van deze groep docenten gaat actief
op zoek naar informatie over de laatste ontwikkelingen en 35% probeert deze ontwik-
kelingen ook daadwerkelijk uit.(De docenten konden bij deze vraag meerdere
antwoorden geven).

Hoe staat u tegenover de nieuwe ontwikkelingen op het vlak van de


nieuwe media? Deze vraagt peilt vooral naar nieuwe media in het
algemeen zoals bijvoorbeeld You Tube, Twitter, Hyves, Web 2.0, ..

Ik probeer de nieuwe ontwikkelingen


35%
regelmatig uit
Ik volg de berichtgeving over de
24%
ontwikkelingen op de voet
Als ik er toevallig op stuit, neem ik er kennis
65%
van
Dat interesseert me niet 6%

0% 20% 40% 60% 80% 100%


34
2.2.2 Gebruik nieuwe media/ICT door de docent

Uit het eigen onderzoek onder maatschappijleer docenten blijkt, dat 8 op de 10 docen-
ten gebruik maakt van nieuwe media/ICT in de les. Deze percentages wijken niet veel
af van het landelijk gemiddelde van rond de 85% 49 voor alle vakken in het voortgezet
onderwijs.

Gebruikt u nieuwe media in uw lessen maatschappijleer?

81% 19%

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

Ja Nee

De allerbelangrijkste reden voor vrijwel alle maatschappijleer docenten om nieuwe


media in te zetten is om zo de actualiteit op een meer aansprekende manier in de les te

De belangrijkste reden waarom ik in mijn lessen gebruik maak van


nieuwe media: Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Anders, namelijk 6%

Omdat het de leereffectiviteit vergroot 53%

Omdat op die manier de leerstof dichter


94%
aansluit op de belevingswereld van de leerling
Omdat het de interactie met mijn leerlingen
53%
versterkt
Omdat ik daarmee de actualiteit op een
100%
aansprekende manier in de les kan brengen
Omdat daardoor de verschillende leerstijlen
65%
beter kan aanbieden

0% 20% 40% 60% 80% 100%

gebruiken. Het is te verwachten, dat dit bij andere schoolvakken anders ligt, aangezien
juist actualiteit een kern van het vak maatschappijleer vormt. De daarop volgende
meest genoemde reden (94%) is de leerstof dichter bij de belevingswereld van de leer-
ling brengen. Dit wordt ook als belangrijk argument door veel schoolorganisaties ge-
noemd(zie hoofdstuk 1).Tweederde is van mening dat het inzetten van deze middelen
bijdraagt aan het beter laten aansluiten van de les op verschillende “leerstijlen 50”.De
helft van de docenten vindt dat door deze manier van lesgeven de leereffectiviteit ver-
35

49 (Inspectie van het onderwijs, maart 2008, p. 15)


50 (Geerlings & van der Veen, 2002)
groot wordt. Vele wetenschappelijke onderzoeken naar het effect van nieuwe me-
dia/ICT op de leereffectiviteit zijn niet altijd eenduidig over de resultaten en effecten 51.
Specifiek onderzoek naar de effecten bij maatschappijleer zijn voor zover bekend niet
beschikbaar. Er is dus meer onderzoek nodig om uitsluitsel te kunnen geven op deze
vraag.

Naast de positieve redenen is het minstens zo belangrijk te weten, wat de belangrijkste


argumentatie is om geen gebruik te maken van nieuwe media. In de onderstaande
tabel zijn de antwoorden van alle respondenten verwerkt. De belangrijkste reden voor
maatschappijleerdocenten om geen gebruik te maken van nieuwe media is het ontbre-
ken van de geschikte faciliteiten. Zo noemden de geënquêteerden bijvoorbeeld het ge-
brek aan vaste lokalen. In de verschillende ruimtes zijn niet overal dezelfde faciliteiten
beschikbaar. Hierdoor moeten er verschillende lessen worden voorbereid, wat weer
meer tijd kost. Dit houdt ook verband met een andere belangrijke reden: het kost extra
tijd om een les met nieuwe media voor te bereiden. Bij maatschappijleer is het actueel
houden van het lesmateriaal een tijdsintensieve klus. Ruim één vijfde is van mening
dat de eigen kennis en vaardigheden niet toerijkend zijn om op een goede manier van
de mogelijkheden gebruik te maken. Opvallend hierbij is dat uit eerdere vragen naar
voren is gekomen, dat ongeveer 40% van de docenten vindt dat de eigen kennis en
vaardigheden niet toerijkend zijn. Blijkbaar wordt ondanks dit tekort door de helft
(20%) van deze mensen dit niet als reden gezien om af te zien van het gebruik. Slechts
6% denk niet dat nieuwe media/ ICT van toegevoegde waarde is bij de les en maakt er
dan ook geen gebruik van.

De belangrijkste reden waarom ik geen nieuwe media in mijn lessen


gebruik: Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Anders, namelijk 35%

Omdat ik het niet van toegevoegde waarde vindt 6%


Omdat de methode die ik gebruik het niet
0%
ondersteund
Omdat mijn kennis en vaardigheden niet toereikend
29%
zijn
Omdat er op mijn school niet voldoende faciliteiten
47%
beschikbaar zijn
Omdat de voorbereiding mij extra tijd kost 29%

0% 20% 40% 60% 80% 100%


36

51 (Onderwijsraad, 2008, p. 32)


Het blijkt dat tijd, kennis en vaardigheden belangrijke obstakels zijn bij de keuze om
nieuwe media in de les te gebruiken. Om deze reden werd aan alle docenten gevraagd
of zij met gebruiksklaar materiaal wel vaker gebruik van nieuwe media zouden ma-
ken. Denk hierbij
bijvoorbeeld aan in-
Zou u kiezen 90% 10%
teractieve opdrachten
Ja of actueel video ma-
Zou u vaker kiezen 94% 6% Nee teriaal dat naadloos
aansluit bij de stof en
0% 20% 40% 60% 80% 100% de methode. Zowel
bij gebruikers als bij
niet-gebruikers zijn de resultaten heel duidelijk. 94% van de docenten die al gebruik
maken van deze middelen geeft aan vaker gebruik te gaan maken wanneer deze lesma-
terialen zo in te zetten zijn. Van de kleine groep niet-gebruikers (19%) geeft 90% aan
bij kant-en-klaar materiaal wel gebruik te gaan maken van de nieuwe media.

Als de omstandigheden, zoals de faciliteiten en de eigen kennis en vaardigheden goed


geregeld zijn, is 90% van de niet-gebruikers bereid om gebruik te gaan maken van de
van de digitale mogelijkheden. Slechts 10% van de maatschappijleer docenten ziet het
gebruik dan nog steeds niet zitten.

Stel dat u niet door externe factoren belemmerd zou worden (zoals bijvoorbeeld
een gebrek aan technische faciliteiten of een tekort aan vaardigheden), zou u
dan wel gebruik maken van nieuwe media tijdens uw lessen?

Ja
90% 10%
Nee
0% 20% 40% 60% 80% 100% 37
Frequentie
Wanneer we vervolgens gaan kijken hoe vaak van deze nieuwe media in de les gebruik
gemaakt wordt, zien we bij maatschappijleer een behoorlijk frequent gebruik. In meer
dan 50% van de gevallen
Van de mensen die gebruik maken van nieuwe
wordt minimaal in de helft
media. Hoe vaak maakt u tijdens uw lessen
van alle lessen gebruik- maatschappijleer gebruik van nieuwe media?
gemaakt van deze digitale Zelden
middelen. In 12% van de 12% 12%
gevallen wordt zelfs bij In één op de vier
lessen
elke les nieuwe media 18% In ongeveer de
ingezet. Ter vergelijking 34% helft van de lessen
met onderzoek van de In meer dan de
onderwijsinspectie 52 naar 24% helft van de lessen
In elke les
de frequentie van het ge-
bruik van ICT in de les
blijken deze cijfers wederom grotendeels overeenkomen met het gemiddelde gebruik
in het voortgezet onderwijs. Het bleek dat het landelijk gemiddelde lag op bijna 54%
van de docenten, die regelmatig gebruikmaken van ICT/nieuwe media toepassingen
en 36% dit incidenteel inzet.

Wat betreft de gebruiksfrequentie blijkt er tussen scholen van verschillende grootte


duidelijke verschillen te bestaan. Het totale gebruik van ICT en nieuwe media bij de
scholen blijft ongeveer gelijk. Maar bij een kleine school (<300 leerlingen) wordt er va-
ker ICT gebruikt (71%) dan op een grote school (44%) of zeer grote school (51%).

Gebruik ICT vo naar schoolgrootte


100%
80% 44
51 51 56
60% 71

40%
38 44 35
20% 37
20
11 12 14 7 9
0%
> 1.500 1.000-1.500 670-1.000 300-670 <300

Nooit Incidenteel Regelmatig

Grafiek 10 op basis van gegevens (Inspectie van het onderwijs, maart 2008)
38

52 (Inspectie van het onderwijs, maart 2008, pp. 15-16)


2.2.3 Docent en organisatie

Ondersteuning vanuit de organisatie

In het eerste hoofdstuk is er al gekeken naar de manier, waarop schoolorganisaties het


gebruik van nieuwe media en ICT proberen te stimuleren en een plaats te geven in het
onderwijs. In dit hoofdstuk bekijken we dezelfde vragen alleen nu vanuit de maat-
schappijleerdocent. Op de vraag of het Wordt u vrij gelaten vanuit de
gebruik van nieuwe media en ICT actief organisatie om nieuwe media in uw
bevorderd wordt vanuit de organisatie les maatschappijleer te gebruiken?
geeft 48% van de respondenten aan, dat
de specifieke bijscholing op dit gebied
als belangrijke bevorderingsmaatregel Ja
geldt. Ook bij de keuze van maatschap- 95%
pijleer methodes wordt in 33% van de
Nee
gevallen rekening gehouden met welke
mate nieuwe media en ICT een plek
daarbij innemen. Slechts in een klein
5%
gedeelte van de gevallen (10%) wordt er
vanuit de organisatie geen actie onder-
nomen om deze thema's een prominente plek in het onderwijs te geven. Opvallende
uitschieter met 67% is het uitgebreid faciliteren om nieuwe media te kunnen gebrui-
ken. Het is daarom opvallend, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben kunnen lezen,
dat de mening van docenten en bestuurders uit elkaar liggen wanneer het de toerei-
kendheid van de voorzieningen betreft.

Wordt het gebruik van nieuwe media in de les actief bevorderd vanuit
de organisatie?

Ja, op een andere manier, namelijk 5%

Nee, dat wordt niet gedaan 10%


Ja, door te kiezen voor methodes die gebruik
33%
maken van nnieuwe media

Ja, door bijscholing aan te bieden 48%


Ja door uitgebreide faciliteiten ter beschikking
67%
te stellen

0% 20% 40% 60% 80%

Grafiek 11 Op basis van gegevens (TNS-Nipo, februari 2009)


39
Bijna de helft van docenten is van mening, dat de ICT-voorziening en matig tot slecht
zijn geregeld op de school. Slechts 16% van de respondenten vindt de kwaliteit goed
tot uitstekend 53.

ICT voorzieningen op school toereikend voor functioneren als docent

Uitstekend Goed Voldoende Matig Slecht Weet niet

3% 3% 32% 38% 11% 2%

40

53 (TNS-Nipo, februari 2009, p. 45)


2.3 Maatregelen en aanbevelingen op docentniveau

Aanbevelingen Kennis en vaardigheden

Er komt uit het onderzoek naar voren, dat er bij docenten vooral een tekort is aan digi-
taal didactische kennis en vaardigheden. Dit vormt een obstakel bij het toepassen van
nieuwe media in de les. Onderstaand een aantal aanbevelingen om dit te verbeteren:

• Een buddysysteem, waarbij drie docenten (met veel tot weinig ervaring met
nieuwe media) actief van elkaar leren. Op deze manier werken de docenten te-
vens aan de teamprofessionaliteit. Het is de bedoeling, dat de vaardige docent
de iets minder vaardige docent helpt en deze op zijn beurt de nog iets minder
nieuwe media geoefende docent begeleidt. De vaardige docenten kunnen mee-
doen aan nieuwe cursussen. Zo blijft elke docent zich ontwikkelen. Daarnaast
wordt de belasting in tijd voor docenten verdeeld, die komt niet meer alleen bij
de minst vaardige docent te liggen. Door onderzoek 54 wordt ook ondersteund,
dat door geleerde kennis zelf weer over te dragen deze beter wordt verankerd.
• Leerlingen geven lessen in nieuwe media aan docenten. De vaardigheden van
leerlingen zijn op digitaal gebied vaak verder ontwikkeld, dan die van docen-
ten. Zij kunnen bijvoorbeeld uitleggen hoe je een website moet bouwen of wat
de mogelijkheden zijn van Hyves en Youtube. Zowel de docent als de leerling
(d.m.v. presenteren/lesgeven etc.) leert hiervan en van beide kanten kan er
meer begrip voor elkaar ontstaan.
• Docenten up-to-date houden. De school moet er door een regelmatige update
voor zorgen, dat de docenten op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelin-
gen op het gebied van nieuwe media in het algemeen en specifiek voor het on-
derwijs. Om dit te verzekeren is het goed om binnen de vaksectie één docent
aan te wijzen, die ontwikkelingen bijhoudt en mogelijk ook overlegt met andere
vaksectiespecialisten. Door uitwisseling met andere vaksecties kan men van el-
kaar leren en ontstaat er een completer beeld van de laatste ontwikkelingen en
mogelijkheden. Sociale netwerksites (Facebook, Hyves) zijn goed bruikbaar bij
deze uitwisseling. Bovendien leren docenten met zulke sites beter om te gaan.
• Samen nieuw materiaal ontwikkelen. Gebrek aan tijd wordt door docenten als
reden aangevoerd om nieuwe media niet of minder te gebruiken in de les. Bin-
nen de school zal een betere informatiestroom op gang moeten komen zodat de
ontwikkelde materialen uitgewisseld en gedeeld kunnen worden. Zo kost het
per docent minder tijd en dit zal het gebruik van nieuwe media stimuleren. Als
er meer materiaal ontwikkeld is, zullen de minder vaardige docenten hier ook
makkelijker gebruik van maken en dit zal tijdwinst opleveren.
41

54 (Denessen, Simon, Dobbelsteen, & van Schilt, 2008)


2.4 Deelconclusie

In deze deelconclusie zal de eerste deelvraag “Wat is de huidige stand van zaken op do-
centniveau betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de
gevolgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden? “ aan de hand van de
bijbehorende onderzoeksvragen worden beantwoord.

OV: Hoe is het gesteld met de kennis en vaardigheden van de docent met betrekking tot het ge-
bruik van nieuwe media in de les?

• De kennis en vaardigheden van de maatschappijleer docenten uit het eigen on-


derzoek blijkt niet veel af te wijken van resultaten van onderzoeken onder do-
centen van alle schoolvakken. Van de maatschappijleer docenten vindt 80% dat
de eigen ICT-basisvaardigheden van hoog niveau zijn. Bij verdergaande com-
putervaardigheden zoals foto- en videobewerking, het spelen van games en
toetsingssoftware is nog duidelijk ruimte voor verbetering te zien. Voor 8 op de
10 docenten maatschappijleer is het vinden van de juiste informatie en media
geen enkel probleem. Ook sociale netwerksites zijn voor de helft van respon-
denten geen opstakel. Over de digitale didactische kennis en vaardigheden om
ICT en nieuwe media op een goede manier in te zetten als een onderdeel van de
les zijn de docenten minder positief. Volgens 40% schiet deze tekort en er is be-
hoefte aan meer goede voorbeelden en het uitwisselen van ervaringen.

OV: Op welke wijze verwerft en onderhoud de docent de kennis en vaardigheden op het gebied
van nieuwe media?

• Vrijwel alle docenten zijn op enige wijze -zij het in verschillende mate en inte-
resse- bezig met het verwerven en onderhouden van de eigen kennis en vaar-
digheden. De helft van de respondenten vindt dit belangrijk tot heel belangrijk.
Hieruit kan worden geconcludeerd, dat voor de helft van de docenten zelfstu-
die de aangewezen methode is om kennis en vaardigheden op te doen en/of
te onderhouden. Voor ongeveer een kwart van alle maatschappijleer docenten
speelt de school een rol in de digitale scholing door middel van het aanbieden
van bijscholing. Voor 18% is dit ook de manier om up-to-date te blijven. Slechts
12% van de docenten benoemt de eigen opleiding als de bron voor de digitale
scholing. Dit is mogelijk te verklaren door het lage aantal recentelijk afgestu-
deerde docenten in de steekproef. Eén vijfde van de docent leest vakbladen met
het oog op dit thema. Collegiale ondersteuning wordt verder een aantal keer
genoemd als methode om op de hoogte te blijven.
42
OV: Hoe is het gesteld met de bereidwilligheid van docenten om nieuwe media in te zetten in de
les?

OV: Op welke wijze is de individuele docent bezig met het gebruik van nieuwe media in de les?

• Op dit moment maakt 81% van de docenten gebruik van nieuwe media. In
ruim 60% van de gevallen wordt het in minimaal de helft van de lessen ge-
bruikt. Voor specifiek gebruik van toepassingen wordt in hoofdstuk 3 ingegaan.
Uit de enquête blijkt dat wanneer de omstandigheden geoptimaliseerd worden
zoals bijvoorbeeld goede faciliteiten en scholing, ruim 90% bereid is om deze
middelen in te zetten.

OV: Wat zijn oorzaken/motivaties voor de mate van bereidwilligheid van docenten om nieuwe
media in te zetten?

• De drie belangrijkste redenen om nieuwe media in te zetten in de les zijn:(1)


Actualiteiten op een aansprekende manier in de les gebruiken (100%),(2) de les-
sen dichter bij de belevingswereld van de leerlingen brengen (93%), (3) de les
beter laten aansluiten bij verschillende leerstijlen.(65%)
De drie belangrijkste redenen om nieuwe media niet in te zetten zijn: (1) Be-
perkte of niet goed functionerende faciliteiten (47%), (2) Onvoldoende kennis en
vaardigheden (29%) en (3)de extra tijd die het kost om een les met nieuwe voor
te bereiden (29%)

OV: Is er een verband te vinden tussen de inzet van nieuwe media en de facilitering?

• Er zijn een aantal elementen die een rol spelen bij het verband tussen de facili-
teiten en de inzet van nieuwe media. Ten eerste blijkt, dat van de docenten die
in de helft of meer van de lessen nieuwe media inzet, op een school werkt die
in tweederde van de gevallen ondersteuning biedt door middel van het verzor-
gen van goede faciliteiten. Voor dezelfde groep geldt ook, dat bijna 8 van de 10
docenten beschikt over een digitaal schoolbord. Van de docenten die geen ge-
bruik maken van nieuwe media heeft er geen enkele de beschikking over een
digitaal schoolbord. Volgens de docenten wordt in de helft van deze scholen
het gebruik ook niet gestimuleerd, bijvoorbeeld door goede faciliteiten ter be-
schikking te stellen. Verder geeft deze groep nog aan dat het hoofdzakelijk de
beperkte faciliteiten zijn die hen weerhouden nieuwe media te gebruiken. Een
veelgenoemd probleem zijn lokalen met verschillende ICT-configuraties. Een
verband tussen de inzet van nieuwe media en de facilitering lijkt dus aanneme-
lijk. Deze stelling word ook ondersteund door onderzoeksresultaten van de on-
derwijsinspectie waaruit blijkt dat naarmate er minder leerlingen zijn, die een
computer moeten delen, het gebruik ervan stijgt.
43
OV: Is er een verband te vinden tussen de leeftijd van de docent en de inzet van nieuwe media
in les?

OV: Is er een verband te vinden tussen jaren leservaring en de inzet van nieuwe media in de
les?

• Een direct verband tussen de leeftijd en jaren leservaring van de docent en de


inzet van nieuwe kan niet zo makkelijk gemaakt worden aangezien er enorm
veel variabelen zijn om rekening mee te houden. Hiermee rekeninghoudende
kunnen we uit de gegevens van de enquête opmaken dat de gemiddelde leeftijd
van docenten, die geen gebruik maken van nieuwe media in de les 46,5 jaar is
tegen 41,2 jaar voor de mensen, die ze wel inzetten. Verder is er nog gekeken
naar de beoordeling van het eigen kennis niveau. De docenten die zich beoor-
delen met zwak tot zeer zwak zijn gemiddeld 47,8 jaar. De docenten die samen
gemiddeld bijna 10 jaar jonger zijn geven zichzelf een goed tot zeer goed. Er
zijn dus aanwijzingen voor een verband tussen leeftijd en de inzet van nieuwe
media, maar dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Een zelfde trend is
er ook waar te nemen bij een vergelijking van het aantal jaren leservaring in
verhouding tot de inzet van nieuwe media.

OV: Is er een verband te vinden tussen kennis en vaardigheden niveau en de inzet van nieuwe
media en ICT in de les?

• Om dit verband aan te tonen kijken we eerst naar de gebruiksfrequentie van


nieuwe media in de les in verhouding met de graad van kennis en vaardighe-
den. Zoals in de onderstaande tabel te lezen is, blijkt dat naarmate het kennis-
niveau stijgt de gebruiksfrequentie diezelfde beweging maakt. Ook hier geldt
dat er weer meerdere variabelen zijn die hier invloed op uitoefenen, maar er
kan worden gesteld dat er verband bestaat tussen kennis/vaardigheden en de
inzet van nieuwe media.

Verband kennis/vaardigheden en inzet frequentie


3,5
3
2,5
2 Kennis/vaardigheden
niveau
1,5 maatschappijleer
docenten
1
Geen gebruik Gebruikt Gebruikt
maximaal helft minimaal helft
van de lessen van de lessen
44
OV: Kunnen er maatregelen worden genomen met betrekking tot kennis en vaardigheden van
de docenten?

• De aanbevelingen op het docentniveau concentreren zich op het verwerven van


kennis en vaardigheden en op samenwerking. Als rode draad binnen de aanbe-
velingen staat vooral het met en van elkaar leren. Dit kan bijvoorbeeld door een
buddy systeem waarbij men als het ware ‘getrapt’ leert van elkaar. De vaardig-
heden en kennis van de leerlingen kan benut worden door hen zelf les te laten
geven. Ook via socialmedia kan men elkaar snel en eenvoudig op de hoogte
houden van de nieuwe ontwikkelingen. Het is een manier om ervaringen uit te
wisselen en direct ervaring op te doen met deze (nieuwe) techniek. Tenslotte
kan de uitwisseling van materiaal docenten met minder ervaring helpen om ze
ook te laten beschikken over goed materiaal. Hierdoor wordt er tijd bespaard
op ontwikkeling en voorbereiding.

45
Hoofdstuk 3, Maatschappijleer methodes en digitale leermiddelen
3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zal de derde deelvraag centraal staan: “Wat is de huidige stand van zaken
op leermiddelenniveau betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer,
wat zijn de gevolgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?”. De gege-
vens waar dit hoofdstuk op gebaseerd is, zijn voor een groot deel verkregen uit de re-
sultaten van een enquête onder maatschappijleer docenten. Voor vergelijkend materi-
aal en aanvullende data zijn de vijf meest gebruikte methodes voor maatschappijleer
vergeleken op het gebruik van ICT en nieuwe media en de gegevens opgenomen in
een matrix. Daarnaast is er een korte globale verkenning gemaakt naar het gebruik
digitale leermiddelen door docenten maatschappijleer. Het hoofdstuk wordt afgesloten
met aanbevelingen en het formuleren van de deelconclusies.

3.2 Huidige stand van zaken en gevolgen

3.2.1 Maatschappijleer methodes

Ervaringen docenten met nieuwe media in methodes

In de enquête onder 21 maatschappijleerdocenten van 20 verschillende scholen is ge-


vraagd, welke maatschappijleermethode zij gebruiken. Omdat één docent soms aan
drie verschillende niveaus lesgeeft, met een overeenkomstig aantal verschillende me-
thodes, komt het totaal methodegebruik uit op 35. Helaas is het niet mogelijk om alle
vragen op te splitsen per methode, omdat er bij de gebruikers van meerdere methodes
geen splitsing is gemaakt is per methode, als zij naar hun mening gevraagd werd.
Daarbij is bij een aantal methodes het aantal gebruikers erg laag, waardoor de toeval-
factor te groot uitvalt om valide uitspraken te kunnen doen hierover. Vervolg onder-
zoek onder een grotere steek-
proef is dan ook wel wenselijk. Welke methode gebruikt u?
Meerdere antwoorden mogelijk.
De meeste uitkomsten betreffen
gemiddelden over alle methodes 100% 7%
18%
en zijn bedoeld om een totaal 80% 20%
56% Blikopener
beeld te krijgen. Themas is de 60% 45% Impuls
meest gebruikte methode, bij alle
40% 73% Team
drie de niveaus, maar wordt
20% 44% Themas
vooral op het vmbo het meest 36%
gebruikt. Daarnaast is Delphi 0% Delphi
een veelgebruikte methode voor VMBO HAVO VWO
havo en vwo.
46
Negen op de tien docenten geeft aan dat de methode, waar zij mee werken, gebruik
maakt van nieuwe me-
Maakt uw methode gebruik van nieuwe media dia. De mening over de
manier waarop nieuwe
Nee, maar ik mis dat ook media wordt aangebo-
10% niet.
den bij de methode,
Nee en ik ervaar dat als loopt uiteen. Bijna de
45% een gemis. helft (45% van het to-
Ja, maar ik ben niet taal) is hier tevreden
tevreden over hetgeen over, terwijl een even
45%
dat wordt aangeboden. groot deel hier helmaal
Ja en ik ben tevreden
over wat er wordt niet tevreden over is. De
aangeboden. 10% die aangeeft, dat de
methode geen nieuwe
media bevat is geheel afkomstig bij Themas gebruikers. Dit is opvallend omdat we
verder in dit hoofdstuk zullen zien dat deze opvatting niet klopt. Wanneer de metho-
de opdrachten of aanwijzingen bevat om nieuwe media te gebruiken, gebruikt 94%
van de docenten het af en toe, tegen 6% nooit.

Van welk soort nieuwe media maakt uw methode gebruik? Er zijn hier
meerdere antwoorden mogelijk.

Opdrachten op internet die de kennis


100% toetsen die in de methode wordt
82% aangeboden
80%
65% Opdrachten op internet die inhaken op de
60% 53% actualiteit

40%
Een webpagina met informatie (zowel
20% tekst als beeld)

0%

Als de docent nieuwe media uit de methode gebruikt, dan is dit opeenvolgend voor:
opdrachten op internet, die gegeven kennis uit de methode toetsen, opdrachten op het
internet over de actualiteit en een webpagina met bijvoorbeeld achtergrond informatie.
47
Bevat de methode die u gebruikt hulpmiddelen die specifiek voor u als
docent bedoeld zijn? Zoals bijvoorbeeld (actueel) online videomateriaal
dat u tijdens de les kan tonen.

35% 65% Ja
Nee
0% 20% 40% 60% 80% 100%

Aanvullend is er gevraagd of de methode hulpmiddelen bevat die specifiek voor de


docent bedoeld zijn. In slechts 35% van de gevallen is de docent op de hoogte van der-
gelijke faciliteiten. Op dit onderwerp zal we verderop in het hoofdstuk worden ingaan,
waar een vergelijking is gemaakt tussen de vijf meest gebruikte methodes.

Wat mist u in het aanbod op het gebied nieuwe media in de methode die
u nu gebruik? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

Ik mis niets. 47%

Kant en klare lessen die gebruik maken van het


35%
digitale schoolbord
Online materiaal dat ik op kan nemen als
41%
onderdeel van mijn eigen lessen, zoals…
Opdrachten voor leerlingen die ze zelfstandig
6%
buiten de les om kunnen uitvoeren
Opdrachten voor leerlingen in de les die
29%
inhaken op de actualiteit

0% 20% 40% 60%

De helft van de docenten mist niets qua nieuwe media in de maatschappijleer metho-
des. Bij de overige docenten bestaat voornamelijk de behoefte aan materiaal dat in de
les gebruikt kan worden. Zoals opdrachten, die aansluiten bij de actualiteiten, materi-
aal, die als onderdeel van de les gebruikt kan worden bijvoorbeeld actuele videofrag-
menten. Ook bestaat de wens bij een derde van de geënquêteerden voor kant en klaar
materiaal, dat gebruikt kan worden op het digitale schoolbord.
48
Vergelijking integratie nieuwe media maatschappijleer methodes

Zoals in de inleiding genoemd, zijn voor dit hoofdstuk de vijf meest gebruikte Maat-
schappijleermethodes vergeleken, te weten: Thema’s (Essener) 55, Delphi (ThiemeMeu-
lenhoff) 56, Blikopener (Malmberg) 57, Impuls (Wolters-Noordhof) 58 en Team (Thieme-
Meulenhoff) 59. Om deze methodes te vergelijken op het gebied van ICT en nieuwe me-
dia zijn er een tal van criteria geformuleerd. Voor de overzichtelijkheid is er voor ge-
kozen alle informatie in onderstaande matrix te beschrijven.

Alle vijf genoemde methodes hebben een eigen digitaal deel. Door de uitgeverijen
worden duidelijke keuzes gemaakt in hoeverre het geïntegreerd wordt in de methode.
Bij sommigen is het digitaal onderdeel iets extra, terwijl bij anderen het een geïnte-
greerd onderdeel van de lesmethode vormt. Overeenkomstig is, dat alle digitale on-
derdelen een mogelijkheid bieden de eigen kennis/ voortgang te controleren middels
oefentoetsen, waarbij ze achteraf ook feedback over het behaalde resultaat krijgen. De
opzet van de toetsen, verschilt wel per methode, qua omvang van de toets en de wijze
van vraagstelling.

Alle methodes werken met internetopdrachten binnen het eigen digitale onderdeel. De
uitvoering wisselt tussen simpele opzoekopdrachten op internet tot complete online-
lessen met animaties en de mogelijkheid om lesteksten te laten voorlezen. Een aantal
methodes bieden extra hulpmiddelen aan om bijvoorbeeld de lesstof te verwerken,
informatie te vinden of algemene studievaardigheden te ontwikkelen. De toegang tot
de websites voor leerlingen variëren, van vrije toegang voor iedereen onafhankelijk of
je gebruiker bent of niet, of alleen toegang voor gebruikers van de methoden (via in-
logcode) of dat er een losse licentie (naast die van de methode) moet worden gekocht.

Vrijwel elke methode bevat extra’s voor de docent om te gebruiken. Een aantal hebben
lesideeën, of aanvullende opdrachten om te kunnen gebruiken. Eén methode biedt
vergaande ondersteuning voor de docent, door middel van lesplanners met didactische
tips en lesideeën per hoofdstuk. Er worden lesideeën aangereikt om de lesstof op een
alternatieve manier aan te bieden door gebruikmaking van ICT. Op één methode na
hebben alle methodes- zij het tegen betaling- de mogelijkheid om gebruik te maken van
toetsdatabases. Op één methode na zijn er bij de methodes extra’s voor de docenten te
vinden, zoals actualiteitentoetsen en andere hulpmiddelen en handleidingen. De toe-
gang voor de docenten is overeenkomstig met de hierboven beschreven toegang voor
leerlingen.

55 (Uitgeverij Essener, 2006)


56 (Kievid, 2007)
57 (Hagers, M., 2006)
49

58 (Pols, 2007)

59 (Wouda, Burgsma, Coffeng (red.), & Lelieveld (red.), 2006)


Methode Delphi (havo/vwo, Thieme-Meulenhoff) Thema’s (vmbo, havo en vwo, Essener)
Voor de leerling
Algemene beschrijving Delphi van uitgeverij ThiemeMeulenhoff gebruikt de site delphi-online.nl. Als platform Thema’s van uitgeverij Essener gebruikt de methodesites themasvmbo.nl, themashavo.nl,
voor de digitale activiteiten behorende bij de methode. Het is een strak en eenvoudig themasvwo.nl Als basis voor de online ondersteuning van de methode. Daarnaast beschikt de
vormgegeven site, die in eerste instantie meteen de bezoeker laat inloggen. site van Essener zelf ook nog over een aantal bronnen en opdrachten. De thema sites zijn gehele
geanimeerd met flash. Een hoop beweging komt de duidelijkheid niet altijd ten goede.
Toetsing Per hoofdstuk zijn er digitale proeftoetsen beschikbaar met ieder tussen de 20 en 30 Per thema is er een proeftoets beschikbaar bestaande uit tien vragen. Aan het einde van de toets
vragen. Bij ieder antwoord wordt er direct feedback gegeven. verschijnt de uitslag en kan deze geprint worden.

Actualiteit Er worden actuele opdrachten aangeboden. Dit betekent niet dat ze ook actueel zijn. Stof Er is een tweewekelijkse rubriek over de actualiteiten van de afgelopen weken. Dit aan de hand
uit de hoofdstukken wordt gelinkt aan bijvoorbeeld een nieuws bericht dat ook een paar van foto's, cartoons, video's en uitspraken.
jaar oud kan zijn.
Internet opdrachten In het boek van Delphi wordt af en toe verwezen naar de internet opdrachten. De Er worden een aantal verschillende type opdrachten aangeboden per thema en hoofdstuk.
opdrachten online zijn vrijwel identiek afgezien van een aantal zoekaanwijzingen bij de Voorbeelden zijn memorie,waar of niet waar, verschillende testjes.
opdrachten in het boek. Iedere vraag wordt in een los Wordbestand weer gegeven.

Links/verwijzingen bij stof Veel opdrachten zijn voorzien van links voor relevante websites. Er zit bij de methode een grote hoeveelheid links op trefwoord georganiseerd naar relevante
informatie bij de onderwerpen.
Zelfstandigheid Leerlingen kunnen zelfstandig werken aan de opdrachten, waar ook vanuit het boek Leerlingen kunnen in principe zelfstandig aan opdrachten werken thuis en op school.
naar verwezen wordt. Ook de proeftoets is geheel zelfstandig te maken. Resultaten van de testjes en oefeningen kunnen meestal achteraf geprint worden.

Extra hulpmiddelen Er is een begrippenlijst beschikbaar waar de begrippen uit het boek kort en bondig Geen extra hulpmiddelen.
worden uitgelegd. Bij de plus licentie is het boek digitaal beschikbaar en ook het
opdrachten boek is digitaal beschikbaar en online in te vullen en op te slaan.
Toegang De basistoegang is vrij toegankelijk. De plus licentie moet los gekocht worden. Op twee thema’s na is er een toegangscode nodig behorende bij de methode.
Voor de docent
Les ideeën / les In de docentenhandleiding die in het beveiligde deel van de site zit bevat een aantal Op de site van Essener worden extra opdrachten aangeboden aanvullend op de methode. De
ondersteunend materiaal aanwijzingen maar voornamelijk voor niet ICT-gerelateerde opdrachten. opdrachten zijn vaak een combinatie van opzoeken van vragen en soms verwijzingen naar
externe testjes.

Toetsing Wanneer een plus licentie wordt gekocht zijn er elektronische toetsen beschikbaar die Er is voor docenten een toetsen database beschikbaar bij de methode om makkelijk toetsen te
automatisch nagekeken kunnen worden. kunnen samenstellen.
Informatie voorziening en Er wordt een nieuwsbrief verstuurd met updates over de docentensite. Er worden door Essener gebruikersdagen georganiseerd. Gebruikers kunnen met elkaar en de
training uitgever discussiëren en ervaringen uitwisselen.

Links Er staan op de site bij de les ideeën aparte links naar relevante bronnen benoemd.

Extra Er zijn geen specifieke onderdelen voor docenten gericht op actualiteiten beschikbaar. Essener geeft zes keer per jaar een actualiteitentoets uit. Deze bestaat uit nieuwsberichten, die
meerdere dagen in het nieuws zijn geweest en gaan meestal over politiek.

Toegang De basis licentie is vrij toegankelijk voor de plus licentie moet betaald worden. Via een code is het voor de methodegebruiker toegankelijk.
Methode Team (vmbo, Thieme-Meulenhoff) Impuls “I-modules”(vmbo,Wolters-Noordhof )
Voor de leerling
Algemene beschrijving Team-web.nl is de digitale ondersteunende site bij de methode Team van Impuls is een mixed media methode. Dit betekent, dat de leerlingen en docent kunnen kiezen
ThiemeMeulenhoff. Binnen de pagina kan er gekozen worden voor de richting, niveau. We uit elementen, die uitkomen bij de onderwijswens. De ICT-component is helemaal verweven
behandelen de pagina’s behorende bij de laatste uitgave van vmbo-kgt. De site heeft een met het papieren deel. Er zijn een paar vaste onderdelen in de I-modules: Een casus om de
vaste opbouw, waarbinnen er kan worden doorgeklikt naar verschillende hoofdstukken. geleerde begrippen toe te passen, diagnostische toets en internetopdrachten.
Toetsing Ieder hoofdstuk heeft een oefentoets voor de leerling. Deze toets heeft verschillende Bij elk hoofdstuk zit een oefentoets, 10 vragen waar de leerling 15 minuten de tijd voor heeft.
vraagvormen, zoals meerkeuze invuloefeningen en vele anderen. Aan het einde krijgt de Per vraag is krijgt de leerling feedback. Aan het einde volgt een overzicht van de resultaten.
leerling de resultaten te zien en de goede antwoorden bij vragen die niet goed zijn
Actualiteit Er is binnen deze site geen ruimte ingericht om aandacht te besteden aan actualiteiten. Er is een nieuwstikker, met een link naar een website waar elke twee weken nieuwe berichten
en opdrachten staan.

Internet opdrachten Bij een aantal hoofdstukken is een online les gemaakt. Hier wordt doormiddel van De methode bevat zes hoofdstukken, elk hoofdstuk is op de vaste manier opgebouwd met de
animaties uitleg gegeven over de stof. Bij ieder filmpje/onderdeel zijn vragen opgenomen. volgende opdrachten: Anders leren, ICT-opdracht, Test jezelf en Keuzeopdrachten. Bij de
Hierbij moet de leerling gebruik maken van werkbladen die worden uitgeprint. Verder ICT-opdrachten zitten vragen a.d.h.v. filmpjes en foto's. Die de leerling in een apart
heeft ieder hoofdstuk internetopdrachten, waar leerlingen uit het boek naar verwezen Wordbestand moet invullen. Bij elke opdracht kan de leerling zien wat de status is (bijv.
worden. afgerond/mee bezig). Werkt vanuit één omgeving.
Links/verwijzingen bij stof Links en verwijzingen zijn in de opdrachten verwerkt. Indien nodig zit er bij de anders-leren opdracht, links van websites die ze kunnen gebruiken
voor de opdracht.
Zelfstandigheid Leerlingen kunnen de site grotendeels zelfstandig gebruiken. Zowel op school als thuis. Leerlingen kunnen dit heel zelfstandig doorwerken. Is duidelijk wat de leerling moet doen en
wordt door de opdrachten heen geleid. Daarnaast staat onder het tabblad extra info, en de
link naar algemene vaardigheden. Bij algemene vaardigheden staan verschillende opdrachten
stapsgewijs uitgewerkt waar de leerling aan moet denken bij uitwerking van die opdracht.
Extra hulpmiddelen Onder tabblad extra info, staat nog extra uitleg over Word, Excel en PowerPoint. Ook staat
daar een begrippenlijst. Tot slot staan daar nog vakvaardigheden, met uitleg over met welke
vraagstukken maatschappijleer zich bezig houdt.
Toegang De toegang voor leerlingen is vrij. Er is geen login nodig. Het is vrij voor beschikbaar via de website van de uitgever.
Voor de docent
Les ideeën / les In het openbare docentendeel is een overzicht van de webopdrachten beschikbaar. Op het Er is voor ieder hoofdstuk een lijst met actuele informatie en bronnen beschikbaar.
ondersteunend materiaal afgesloten docenten deel zijn handleidingen beschikbaar met o.a. lesaanwijzingen. Didactische tips,een les planner voor 2 uur per week en ideeën om de lesstof alternatief aan te
bieden. Naast dit vakinhoudelijk materiaal worden er ook nog lesideeën aangereikt voor het
aanleren van algemene vaardigheden zoals onderzoek doen en informatie verzamelen.
Toetsing Binnen de methode is geen digitale toetsing beschikbaar. Tegen meerprijs zijn er toetsen leverbaar op cd-rom bij deze methode.

Informatie voorziening en Er wordt een nieuwsbrief verspreid bij deze methode. Er wordt een nieuwsbrief verspreid om gebruikers op de hoogte te houden van de
training ontwikkelingen. Door Noordhoff uitgevers worden verschillende trainingen gegeven m.b.t.
tot het lesgeven met nieuwe methodes en met gebruikmaking van ICT.
Links Specifiek op docenten gericht zijn er geen extra links beschikbaar. Er worden een aantal vak en onderwijs gerichte links aangeboden naar bijvoorbeeld
maatschappijleer specifieke sites. Ook wordt er bijvoorbeeld aandacht gegeven aan
auteursrechten in het onderwijs.
Extra Hierbij wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde “maatschappijleerschijf” dit is een Noordhoff heeft voor de mens en maatschappij vakken een nieuwstikker ontwikkelt. Deze
hulpmiddel om complexe vragen te verduidelijken. Deze schijf is te downloaden van de nieuwstikker brengt elke twee weken vier nieuwe berichten uit met daaraan gekoppeld
site. opdrachten om uit te voeren door de leerlingen. Deze kunnen worden verstuurd naar het
mailadres van de docent. Hier moet de docent uiteraard wel voor worden aangemeld.
Toegang Een docent heeft op het docentdeel na vrij toegang tot alles. Om in het afgesloten Toegang tot de i-modules voor het vmbo is zowel voor docent als leerling vrij toegankelijk.
docentdeel te komen kan een code worden aangevraagd door gebruikers van de methode.
Methode Blikopener “E-pack”(vmbo-Malmberg)
Voor de leerling
Algemene beschrijving Het E-pack van de methode Blikopener van uitgeverij Malmberg biedt uitgebreide ondersteuning bij het boek. Per hoofdstuk en
paragrafen zijn er opdrachten, lessen en toetsen beschikbaar voor de leerling.

Toetsing Digitale oefentoetsen met verschillende vraagvormen per paragraaf georganiseerd. Na de toets krijgt de leerling meteen het
resultaat te zien met mogelijkheid om te printen

Actualiteit Er is een actualiteitentoets, die gemiddeld eens per twee maanden wordt bijgewerkt. Bij controle eind februari 2010 was de meest
recente van november/december 2009.

Internet opdrachten Per paragraaf zijn er computerlessen beschikbaar voor de leerling. Deze kan zelfstandig worden doorgewerkt. De lessen bevatten
leertekst met de optie om voor te laten lezen en verschillende soorten opdrachten die hierbij aansluiten. Opdrachten per
paragraaf die aansluiten bij het onderwerp. Er zijn opzoekopdrachten via externe bronnen,testjes en ook combinatie opdrachten.

Links/verwijzingen bij stof Er is bij iedere paragraaf een flinke hoeveelheid met links naar sites en organisaties die iets met het onderwerp van doen hebben.

Zelfstandigheid Leerlingen zijn met het ePack in staat om zelfstandig buiten de les om aan de stof te werken. Maar de docent kan er ook voor
kiezen om leerlingen bewust bepaalde opdrachten te laten uitvoeren als verdieping of toetsing.

Extra hulpmiddelen Studiehulp: Dit is een applicatie die bronnen van de Winklerprins encyclopedie beschikbaar maakt om te gebruiken binnen de
methode. Tevens bevat het lessen over bijvoorbeeld presenteren en leren interviewen. Daarnaast is er een forum aan gekoppeld
om als leerling vragen te stellen aan andere gebruikers en aangesloten docenten.
Toegang Er moet voor het ePack een losse licentie worden gekocht.
Voor de docent
Les ideeën / les Niet specifiek digitaal maar er worden per paragraaf lesideeën gegeven met vaak extra opdrachtjes voor in de klas.
ondersteunend materiaal

Toetsing De toetsingsdatabase, die is gebruikt bij de site, is in het docentengedeelte te downloaden voor het programma digitoets.

Informatie voorziening en e-zine; docentendagen; ICT-training; methodetraining;- implementatietraining;


training

Links In het onderdeel vaklinks zijn verwijzingen te vinden naar een aantal vakspecifieke en algemene onderwijs sites. Ook wordt er
gelinkt naar sites en organisaties specifiek voor ICT en onderwijs. Helaas verwijzen er van deze laatste een aantal naar niet meer
werkende sites of zijn pagina's dubbel gelinkt.
Extra Docentenboek en handleiding voor de studiehulp applicatie is te downloaden.

Toegang Er moet voor het ePack een losse licentie worden gekocht.
3.2.2 Digitale leermiddelen

Digitale leermiddelen zijn nieuw naast alle bestaande methodes en boeken. Het is be-
langrijk dat de docent bij de keuze goed kijkt welk middel het beste werkt voor de klas
en de over te brengen stof. Digitale leermiddelen moeten een middel zijn om een doel
te bereiken en niet een doel op zich. Zoals al in de inleiding is aangegeven is zal er in
dit deel van het hoofdstuk gekeken naar de digitale leermiddelen specifiek voor maat-
schappijleer. De wereld van digitale leermiddelen is enorm in beweging en veranderd
heel snel. Het is daarom ook niet het doel van dit deel van het hoofdstuk om een op-
somming te geven van wat er op het moment beschikbaar is. Leidend hierbij zijn de
resultaten van de enquête over het huidige gebruik van nieuwe media door docenten
maatschappijleer.

Huidige stand van zaken digitale leermiddelen en maatschappijleer

Zoals in hoofdstuk 2 staat gebruikt ongeveer 80% van de maatschappijleer docenten in


een bepaalde mate nieuwe media en digitale leermiddelen in de les.

Van welke nieuwe media maakt u gebruik wanneer u deze in de les


maatschappijleer toepast?
Digitaal schoolbord
6%
22% Online video
24% Zoeken op internet

Interactieve
16%
opdrachten
Anders, namelijk
32%

De top 4 van meest gebruikte toepassingen voor de les zijn: (1) Het zoeken op internet.
Voor maatschappijleer is het belangrijk om goed op de hoogte te zijn van de actualitei-
ten, zoekopdrachten gaan dan ook vaak deze hoek in. Belangrijk hierbij is dat leerlin-
gen informatie en bronnen leren beoordelen op de geldig en bruikbaarheid. In hoofd-
stuk 4 zal dieper op dit onderwerp worden in gegaan. Op (2) staat het uitvoeren van
interactieve opdrachten op internet. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een webquist, maar
ook online lessen met toetsjes vallen hieronder. (3) Een ongeveer even groot percenta-
ge maakt gebruik van een digitaal schoolbord, die ondersteunend is bij de uitvoering
van de lessen. Door deze techniek beschikbaar te hebben ontsluit dat weer meer moge-
lijkheden voor de docent om digitale leermiddelen te gebruiken in de les. (4) Het ge-
bruik van online video zoals van websites als YouTube 60 of meer op het onderwijs ge-
51

60 (Youtube)
richte educatieve videosite Teleblik 61 wordt door 16% van de docenten gebruikt. In de
overige 6% van de gevallen werd door de docenten aangegeven dat zij gebruikmaken
van de opdrachten die gekoppeld zijn aan de maatschappijleer methodes. Het blijkt dat
socialmedia zoals Hyves 62, Facebook 63 of Twitter64 niet of heel weinig worden toege-
past tijdens de lessen. Ook het gebruik van games in de les is nog een onbekend gebied
voor de maatschappijleer docenten.

Digitale schoolborden

Dit leermiddel wordt apart behandeld omdat digitale schoolborden één van de snelst
groeiende nieuwe mediums zijn in het onderwijs. Dit didactisch hulpmiddel werkt
voorwaardenscheppend
voor tal van nieuwe digi- Ik gebruik het digitale schoolbord voor...
tale werkvormen en mo-
PowerPoint
gelijkheden. Volgens on-
derzoek van Bureau Into-
9% (Online)video
mart is gebleken, dat “Als 21%
de verwachtingen van
Kant en klare lessen voor het
scholen zelf uitkomen, 28% digitale schoolbord
vrijwel iedere school voor
25% Zelfgemaakt lessen voor het
voortgezet onderwijs digitale schoolbord
(98%) over twee jaar zal 12%
Het laten zien van websites
beschikken over één of
5%
meerdere digitale school- Anders namelijk
borden. “ 65
Het blijkt, dat 60% van de
maatschappijleerdocenten kan beschikken over een digitaal schoolbord. Dit betekent
niet noodzakelijkerwijs, dat zij ook in alle lessen gebruik kunnen maken van dit mid-
del.

61 (Teleblik, 2010)
62 (Hyves (Startphone ltd.), 2004)
63 (Facebook, 2004)
52

64 (Twitter)

65 (Intomart GfK, 2009)


Om dit verder te onderzoeken is er gevraagd met welke frequentie er gebruikgemaakt
wordt van het digitale schoolbord Het blijkt, dat wanneer er een digitaal schoolbord
beschikbaar is, hier ook veel-
Hoe vaak maakt u gebruik van het digitale vuldig gebruik van gemaakt
schoolbord?
wordt. In ongeveer tweederde
van de gevallen wordt er mi-
Zelden
8% 8% nimaal in de helft van alle les-
sen gebruikgemaakt van het
In één op de vier lessen
17% bord. In 8% wordt hij zelfs
25%
In ongeveer de helft van elke les ingezet. Wanneer het
de lessen digitale schoolbord gebruikt
In meer dan de helft van wordt in lessituaties is dat
42% de lessen voornamelijk voor het laten
In elke les zien van websites. Het tonen
van PowerPoint presentaties
en het laten zien van video-
fragmenten. Hieruit af te leiden is, dat de interactieve functies en mogelijkheden van
het digitale schoolbord nog niet optimaal benut worden. Zo wordt door slechts een
minderheid van de docenten gebruikgemaakt van de lessen specifiek bedoeld voor dit
type medium. Mogelijke oorzaak hiervan kan zijn dat wanneer docenten op zoek zijn
naar materiaal, ze dat vaak op gecentraliseerde verzamelplaatsen doen. 66 Bij een korte
inventarisatie op bekende verzamel sites digibordopschool.nl 67 en Digibordhulp.nl 68
blijkt dat de beschikbaarheid en vindbaarheid van lessen voor het vak maatschappij-
leer nog zeer gering is. Het vindbaar maken van goed kwalitatief materiaal is een pro-
bleem, wat volgens de docenten één van de belangrijkere zaken zijn, die moeten wor-
den geregeld om digitaal leermateriaal voor de grote massa beschikbaar te krijgen.

66 (Onderwijsraad, 2008)
53

67 (Digibordopschool.nl , 2009)

68 (Digibordhulp.nl, 2008)
3.3 Maatregelen en aanbevelingen op leermiddelenniveau

Aanbevelingen methodes

De vijf meest gebruikte methodes binnen het vak maatschappijleer werken alle vijf op
enigerlei wijze met een digitaal onderdeel.

• Veel digitale onderdelen voor de leerlingen zijn vrijblijvend, het ICT-gedeelte is


moeilijk te overzien voor de docent. Het zou goed zijn te onderzoeken of het
een meerwaarde heeft als de docenten eenvoudiger de voortgang van de leer-
lingen kunnen monitoren binnen het digitale gedeelte van de methode.
• Actualiteit is een belangrijk onderdeel van maatschappijleer. Actualiteit wekt
de suggestie, dat die recent en nieuws is. Echter op sommige digitale onderde-
len staan berichten van een aantal maanden geleden. Een aanbeveling is daar-
om om duidelijker onderscheid te maken tussen actualiteit en een nieuwsar-
chief of iets dergelijks binnen het digitale gedeelte.
• Uit de enquête is gebleken dat de helft van de docenten niet tevreden is met de
inhoud van de ICT-component van de methode. Om meer duidelijkheid te krij-
gen zal er meer onderzoek gedaan moeten worden waar deze onvrede uit be-
staat en wat er aan gedaan kan worden.
• Door de docenten worden kant-en-klare lessen voor de digitale schoolborden
gemist. Hier zouden de methodes via hun digitale omgeving beter op in kun-
nen spelen. Door lessen te ontwikkelen, die naadloos aansluiten op de methode.
• Uit de enquêtes blijkt dat niet alle docenten goed op de hoogte zijn van de mo-
gelijkheden van het digitale onderdeel bij de methode. Ze geven aan dat de me-
thode bepaalde onderdelen niet bevat, terwijl het in het digitale onderdeel wel
degelijk opgenomen is. Een aanbeveling voor de uitgeverijen is, om de bekend-
heid bij de scholen/ docenten van de digitale mogelijkheden bij de methode te
onderzoeken en hier zo nodig meer voorlichting over te geven.

Aanbevelingen digitale leermiddelen

• Er zijn veel meer mogelijkheden voor het digitale schoolbord, dan waar het nu
vaak voor wordt gebruikt. Om het volledige potentieel te benutten zullen do-
centen er voor moeten worden opgeleid/getraind om met het bord om te gaan.
• Het is opgevallen, dat er weinig toepassingen voor digitale schoolborden speci-
fiek voor maatschappijleer (vindbaar) zijn. Het zou goed zijn om ruimte te cre-
ëren voor de toepassingen op de bekende verzamelsites voor digitale school-
borden.
54
3.4 Deelconclusie

OV: Op welke wijze zijn maatschappijleermethodes ingericht op het gebruik van nieuwe media.

• Afhankelijk van de keuze van de uitgever, wordt nieuwe media als inte-
graal onderdeel aangeboden of als extra ter ondersteuning en verdieping.
Bij het merendeel van de methodes kunnen leerlingen hier zelfstandig aan
werken. Opvallend is dat van digitale toetsing weinig gebruikt wordt, ter-
wijl elke methode een vorm van digitale toetsing aanbiedt. Een aantal me-
thodes bieden niet alleen vakinhoudelijke kennis aan, maar ook hulp bij in-
strumentele vaardigheden. Tussen de maatschappijleermethodes zit er een
duidelijk verschil bij de toegang tot het digitale component bij de methode.
Voor twee methodes moet een extra licentie gekocht worden, andere zijn
vrij toegankelijk voor iedereen en weer andere alleen toegankelijk voor ge-
bruikers (via inlogcode).

OV: Is er een oorzaak te vinden tussen de integratie van nieuwe media in een methode en de
inzet van nieuwe media in de les.

• Uit de gegevens verkregen uit de gehouden enquêtes, kan over deze deel-
vraag geen uitsluitsel over gegeven worden. Aangezien veel docenten
meerdere methodes gebruiken en hier in de vraagstelling geen onderscheid
tussen is gemaakt.

OV: Wat is de huidige stand van zaken op het gebied van digitale leermiddelen voor maatschap-
pijleer

• De vijf meest gebruikte maatschappijleermethodes maken alle vijf op eni-


gerlei wijze gebruik van digitale leermiddelen. Qua digitale leermiddelen
maken de docenten het meeste gebruik van zoeken op internet, vaak om de
leerlingen op de hoogte te laten blijven van de actualiteit en om leerlingen
hun informatievaardigheden verder te laten ontwikkelen. Daarnaast ge-
bruiken de docenten interactieve opdrachten op internet en het digitale
schoolbord. Vervolgens wordt online video van websites als Youtube of Te-
leblik gebruikt. In de overige gevallen maken docenten gebruik van op-
drachten die gekoppeld zijn aan de maatschappijleermethodes. In de toe-
komst is de verwachting dat socialmedia (Hyves, Facebook, Twitter) en
games toegepast zullen worden in de les. Dit is nu nog een onbekend ge-
bied voor de maatschappijleerdocenten. Waar nog wensen liggen van
maatschappijleerdocenten op het gebied van nieuwe media worden de vol-
gende drie onderwerpen genoemd: lessen voor het digitale schoolbord,
kant-en-klare toepassingen in de les en interactieve opdrachten waar leer-
55

lingen zelfstandig aan kunnen werken. De mogelijkheden van het digitaal


schoolbord worden nu amper benut, het wordt meer gebruikt als veredelde
beamer. Op verzamelwebsites voor digitale schoolborden zijn heel beperkt
interactieve lessen voor maatschappijleer aanwezig, daarnaast erg moeilijk
vindbaar. Voor andere vakken is meer beschikbaar en is dit ook beter vind-
baar.

OV: Is er een oorzaak te vinden voor de mate van inzet van nieuwe media in de huidige stand
van zaken van de digitale leermiddelen.
• Van de geënquêteerde docenten gebruikt 42% in ongeveer de helft van de
lessen het digitale schoolbord. Een groep docenten heeft behoefte aan meer
kant- en-klare lessen voor het digitale schoolbord. Het probleem zit niet zo
zeer in de beschikbaarheid, maar vaak de mogelijkheid om het te kunnen
vinden en te beoordelen op kwaliteit. Negen van de tien docenten geeft aan
dat nieuwe media deel uitmaakt van de door hun gebruikte methode.
Slechts de helft van deze groep is tevreden over de inhoud hiervan. Wan-
neer de methode opdrachten of aanwijzingen bevat om nieuwe media te
gebruiken, gebruikt 94% van de docenten het af en toe, tegen 6% nooit.

OV: Kunnen er maatregelen worden genomen op het gebied van digitale leermiddelen voor
maatschappijleer
• Er zijn veel meer mogelijkheden voor het digitale schoolbord, dan waar het
nu vaak voor wordt gebruikt. Om het volledige potentieel te benutten zul-
len docenten er voor moeten worden opgeleid/getraind om met het bord
om te gaan.
• Het is opgevallen dat er weinig toepassingen voor digitale schoolborden
specifiek voor maatschappijleer (vindbaar) zijn. Het zou goed zijn om ruim-
te te creëren voor de toepassingen op de bekende verzamelsites voor digita-
le schoolborden.

OV: Kunnen er maatregelen worden genomen met betrekking tot lesmethoden


• Onderzoeken van de mogelijkheden om het makkelijker te maken voor de
docent om de leerresultaten van de online schoolactiviteiten van de ver-
schillende individuele leerlingen te volgen.
• Actualiteit is een belangrijk onderdeel van maatschappijleer. Actualiteit
wekt de suggestie, dat die recent en nieuws is. Echter op sommige methode
sites staan berichten van een aantal maanden geleden. Een aanbeveling is
daarom om duidelijker onderscheid te maken tussen actualiteit en een
nieuwsarchief.
• Uit de enquête is gebleken dat de helft van de deelnemende docenten niet
tevreden is met de inhoud van de ICT-component van de methode. De uit-
geverij doet er goed aan om uit te zoeken waar de frictie zit.
56
• Door de docenten worden kant-en-klare lessen voor de digitale schoolbor-
den gemist. Hier zouden de methodes via hun digitale omgeving beter op
in kunnen spelen. Door lessen te ontwikkelen, die naadloos aansluiten op
de methode.
• Docenten zin niet altijd op de hoogte van de inhoud en mogelijkheden van
het digitale methode deel. Er ligt een kans voor de uitgeverijen om de do-
centen hierover voor te lichten.

57
Hoofdstuk 4 Leerlingen en nieuwe media.
4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk betreft de vierde deelvraag “Wat is de huidige stand van zaken op leerling-
niveau,betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer, wat zijn de ge-
volgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?” De gegevens zijn ver-
kregen uit literatuurstudie. Bij de start van de het onderzoek was het de bedoeling om
meer eigen gegevens te verzamelen middels een enquête 69. Helaas zijn er niet genoeg
respondenten gevonden om valide resultaten te verkrijgen. In dit hoofdstuk wordt er
gekeken naar de huidige stand van zaken en mogelijke gevolgen van het ICT-gebruik
bij leerlingen. Vervolgens komen de nieuwe media die de leerling in de dagelijkse
vrijetijdsbesteding gebruikt aan bod. De ervaring van leerlingen bij het gebruik van
nieuwe media voor in de dagelijkse vrijetijdsbesteding en voor schooltaken staat daar-
na centraal. Deze informatie wordt vertaald in een aantal aanbevelingen. Om vervol-
gens het hoofdstuk af te sluiten met de deelconclusie van deze laatste deelvraag.

4.2 Huidige stand van zaken en de gevolgen

4.2.1 Plaats nieuwe media in de vrijetijdsbesteding van leerlingen


We starten deze paragraaf door eerst aandacht te besteden aan de plaats, die (nieuwe)
media inneemt in de totale vrijetijdsbesteding van een jongere. In tegenstelling tot een
groot deel van de docenten zijn de meeste jongeren opgegroeid met nieuwe media zo-
als computers, internet en mobiele apparatuur. In de grafiek kunnen we constateren,
dat jongeren in ongeveer 40% van hun vrije tijd bezig zijn met een vorm van “media-
consumptie”.

Dagbesteding vrije tijd jongeren in verhouding tot elkaar.


Huiswerk
12%
Hobby
13%
(nieuwe)Media
40% Internetten
18% Tv
kijken
Contact
15%
familie
22%
Video games
Luieren Lezen 7%
7% 6%

Grafiek 12 Op basis van gegevens (van Rooij, Meerkerk, Schoenmakers, van den Eijnden, & van de Mheen, 2008)
58

69 Zie bijlage 3
Waarmee houden leerlingen op het gebied van nieuwe media zich bezig ?

Er zijn tal van applicaties, waar jongeren zich op de computer mee bezig kunnen hou-
den. Uit onderzoek 70 in 2009 en de drie jaren ervoor ontstaat een duidelijk beeld, welke
applicatie het meest in trek is. In 2009 bestaat de top drie uit: Youtube 71, surfen en
MSN. Profielsites, zoals Hyves zijn populairder geworden en (web) bloggen juist min-
der. Jongeren e-mailen nog steeds veel. De jongere geeft hierbij wel aan dat dit voor-
namelijk wordt gebruikt voor wat langere en meer formele contacten. 72 Tot slot blijft
het online communiceren via MSN en profielsites met elkaar erg belangrijk. De profiel-
sites hebben een opvallende groei doorgemaakt van 40% de afgelopen 4 jaar 73.

Gebruik jongeren bepaalde aplicaties

Bloggen 50%
Online games 58%
Offline games 65%
E-mailen 76%
Downloaden 79%
Profielsites 81%
MSN 86%
Surfen 90%
YouTube 95%

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Grafiek gebaseerd op gegevens (van Rooij, Schoenmakers, Meerkerk, & van de Mheen, 2009)

De vaardigheden van jongeren met betrekking tot online nieuwe media zijn in 2006,
2007 en 2008 gemeten 74. Over het algemeen is het percentage jongeren, dat een be-
paalde applicatie op internet beheerst, gegroeid in deze twee jaar. Opvallend in
deze twee jaar is het percentage jongeren, dat een aantal applicaties beheerst een stij-
ging vertoont in 2007, maar vervolgens weer daalt in 2008. Dit geldt voor het down-
loaden van een bestand, gebruiken van een webcam, chatten op een chatsite en (web)
bloggen. Mogelijk is dit te verklaren door trends, een verschuiving van interesses bin-
nen de internetapplicaties. Een uitleg over deze nieuwe online media zal later in het
hoofdstuk worden gegeven.

70 (van Rooij, Schoenmakers, Meerkerk, & van de Mheen, 2009, p. 4)


71 (Youtube)
72 (Kanters, van Vliet, Ringersma, Zwaan, & Kokkeler, 2008)

73 (van Rooij, Schoenmakers, Meerkerk, & van de Mheen, 2009)


59

74 (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm

2006,2007 en 2008, 2008, p. 25)


Online vaardigheden jongeren

Ik kan een eigen homepage of profielsite… 71%


Ik kan webloggen 52%
Ik kan MSN en 93%
Ik kan een bestand van Internet downloaden 86%
Ik kan gebruikmaken van een zoekmachine 97%
Ik kan surfen op Internet 97%

0% 20% 40% 60% 80% 100%

Grafiek 13 Gegevens gebaseerd op (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008, 2008, p. 25)

Internettoegang jongeren?
Uit onderzoek 75 blijkt, dat bijna alle jongeren thuis toegang tot het internet hebben. In
2006 was dit 96,6%, twee jaar later is dit 99,1%. Dit blijkt voornamelijk te komen door-
dat meer niet-westerse allochtonen toegang tot internet hebben gekregen. In die twee
jaar is de internettoegang onder deze bevolkingsgroep met bijna 13% gestegen. Tegelij-
kertijd is er een hoger percentage huishoudens met draadloos internet gekomen. Ten
opzichte van twee jaar geleden is in 2008 het percentage jongeren dat thuis toegang
heeft tot draadloos internet gegroeid van bijna 10% tot ruim 40%. Het aantal jongeren,
dat toegang tot het internet heeft via de mobiele telefoon is de laatste jaren explosief
gestegen blijkt uit cijfers van CBS onderzoek 76. Sinds 2005 is de toegang tot internet op
de mobiele telefoon meer dan verdubbeld naar 45% van de jongeren.

Tijdbesteding jongeren en nieuwe media?


In Nederland besteden de jongeren tussen 2006 en 2009 gemiddeld twee uur meer per
week aan internet, zo blijkt uit onderzoek 77. Dit komt neer op vijftien uur per week ge-
middeld. Meisjes lijken iets minder tijd door te brengen met internet, dan jongens. Stu-
denten op HAVO/VWO besteden gemiddeld acht uur minder per week aan internet
dan degenen op het VMBO. Dit zou door omgevingsfactoren kunnen komen, zoals de
sociaal economische status van het gezin, waardoor er minder mogelijkheden zijn voor
andere activiteiten.

75 (van Rooij, Meerkerk, Schoenmakers, van den Eijnden, & van de Mheen, 2008, p. 3)
60

76 (CBS, 2009)

77 (van Rooij, Schoenmakers, Meerkerk, & van de Mheen, 2009, p. 3)


Beschrijving meest gebruikte applicaties

Zoals al eerder is vermeld zijn jongeren met veel verschillende applicaties actief zowel
on- als offline. Om duidelijk te krijgen wat deze verschillende toepassingen omvatten,
volgt een beschrijving 78 van de door jongeren meest gebruikte applicaties.

Naar informatie zoeken of surfen


Surfen of zoeken naar informatie is één van de kernactiviteiten op het internet. Hiervoor wordt
altijd een zogenaamde “webbrowser” applicatie gebruikt. Bekende voorbeelden zijn Internet
Explorer (Microsoft), Firefox (Mozilla), Safari (Apple) en Chrome (Google). Deze activiteit is
belangrijk en wordt steeds belangrijker: browsers worden namelijk steeds krachtiger en kunnen
nu ook simpele programma’s draaien.
Instant Messengin (MSN-en / Live messenger)
MSN / Live messenger is de meest populaire applicatie onder jongeren voor instant messen-
ging. Bij instant-messenging communiceren ze direct met elkaar door middel van korte tekstbe-
richten. In feite is dit een meer persoonlijke vorm van de ouderwetse anonieme chatbox; slechts
goedgekeurde vrienden verschijnen op de lijst met contacten. Audio en videomogelijkheden zijn
er tegenwoordig ook, waarmee de concurrentie met de internettelefonie wordt aangegaan (Sky-
pe).
Downloaden van muziek, films, foto’s of programma’s
Met de toenemende bandbreedte van internetverbindingen in Nederland wordt het steeds ge-
makkelijker om allerlei zaken te downloaden: muziek, foto’s, softwareprogramma’s en zelfs
complete speelfilms behoren tot de mogelijkheden. Hoewel legale downloaddiensten in Europa
in opkomst zijn (Steam, Itunes), gaat het nu nog regelmatig om illegaal materiaal.
Profielsites. Hyves,Facebook, CU2,Sugababes, etc.
Met profielsites wordt gedoeld op websites, waar jongeren een profiel over zichzelf maken met
allerlei informatie over hobby’s, interesses en dergelijke. Deze profielen zijn steeds vaker afge-
schermd voor onbekenden en kunnen met elkaar verbonden worden, zodat er online sociale
netwerken van bekenden en vrienden ontstaan. Bekende voorbeelden zijn Hyves en Facebook.
Online forums worden hier in dit onderzoek ook meegenomen.
Weblog maken/ bezoeken, b.v. MSNspaces of web-log.nl
Het maken of bezoeken van een weblog (bijvoorbeeld MSN-spaces of web-log.nl) is een variant
op de profielsites. Het kenmerkende verschil is dat een weblog niet zozeer een profiel van de
persoon geeft, maar meer een soort elektronisch dagboek is. Mensen schrijven in hun weblog
ervaringen op, om ze via het internet met anderen te delen.
Youtube of andere video diensten
Sites met streaming video – videomateriaal, dat in één keer afgespeeld wordt vanaf het internet
naar de computer, is één van de meest populaire internetapplicaties. Het gaat hier om allerlei
materiaal, maar vooral korte filmpjes en muziekvideo’s.
61

78 (van Rooij, Schoenmakers, Meerkerk, & van de Mheen, 2009, p. 4)


4.2.2 Leerlingen en nieuwe media voor schoolactiviteiten
In 2008 wijst onderzoek uit 79 dat 10% van de leerlingen dagelijks op school van het
internet gebruik maakt. Ruim 30% gebruikt dit medium bijna wekelijks op school.
Daarnaast gebruiken de leerlingen MSN, e-mail en SMS voor een snelle communicatie
over leszaken. Vaak wordt MSN en e-mail in combinatie gebruikt en werken leerlingen
samen aan bijvoorbeeld werkstukken en presentaties. Nadat er een werkverdeling is
gemaakt mailen ze de(tussentijdse) resultaten naar elkaar. MSN wordt door hen vooral
gebruikt om op een snelle manier praktische informatie van elkaar te verkrijgen. Leer-
lingen ervaren dit niet als favoriete bezigheid, wel handig.

Uit hetzelfde onderzoek 80 blijkt, dat de leerlingen geen behoefte hebben aan communi-
catie met hun docenten via MSN, Hyves of andere digitale vrijplaatsen. Dit soort inter-
netgebruik is voor de leerlingen onderling.
Soms wordt er door middel van e-mail gecommuniceerd met de docent. De frequentie
hangt vooral af van het snel en adequaat antwoorden van de docent, en de behoeften
van de leerling.
Hoe vaak zit je op school op internet?

13,3% 10,1% Bijna iedere dag

Bijna iedere week


9,1%
Ong. 1 keer p.maand
30,4%
Enkele keren per jaar
16,1%
Minder dan enkele keren p.j.

21,0% Nooit

Grafiek 14 , op basis van gegevens (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008, 2008, p. 7)

Internet gebruik thuis voor school


De frequentie, dat leerlingen een huiswerkopdracht krijgen, waarvoor ze thuis op in-
ternet gaan, ligt niet hoog. Ruim 40% zegt, ongeveer één keer per maand. Gevolgd
door bijna 25% die dit enkele keren per jaar doen. Ongeveer één vijfde van de leerlin-
gen krijgt bijna wekelijks zo’n opdracht mee.

79 (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm
62

2006,2007 en 2008, 2008, p. 7)


80 (Kanters, van Vliet, Ringersma, Zwaan, & Kokkeler, 2008, p. 23)
Hoe vaak krijg je op school een huiswerkopdracht waarvoor je thuis
op internet gaat?

2,1% 20,9% 43,6% 24,8% 6,1% 2,6%

0% 20% 40% 60% 80% 100%


Bijna iedere dag Bijna iedere week

Ong. 1 keer p.maand Enkele keren per jaar

Minder dan enkele keren p.j. Nooit

Grafiek 15 Gebaseerd op (van Rooij, Meerkerk, Schoenmakers, van den Eijnden, & van de Mheen, 2008)

Er is onderzoek 81 gedaan voor welke schoolactiviteiten leerlingen thuis in de afgelopen


maanden internet hebben gebruikt. Het meest (85%) wordt internet in dit geval ge-
bruikt voor schoolopdrachten waarbij leerlingen informatie moeten zoeken. De meeste
leerlingen gebruiken Google voor het zoeken naar de antwoorden bij de opdrachten.
Afhankelijk van de gevraagde informatie wordt Wikipedia, (een bekende encyclopedi-
sche site) gebruikt als belangrijke informatiebron. In het onderzoek van Kanters 82 vin-
den leerlingen het benoemen van andere internetbronnen om de informatie te verkrij-
gen erg moeilijk. Bij de enquêtes en interviews met de leerlingen gaven ze aan dat zij
voorzichtig omgaan met de informatie op Wikipedia, omdat iedereen daar informatie
kan opzetten en aanpassen. De vraag is of dit een sociaal wenslijk antwoord is of dat
leerlingen in de praktijk van alledag ook daadwerkelijk hiermee rekening houden. De-
ze stelling wordt door Schravensande 83 ondersteund: “Bij het beoordelen van zoekre-
sultaten, zoals websites, kijken jongeren vooral naar de verwachte bruikbaarheid.
Daarbij worden kwaliteitsaspecten – validiteit, betrouwbaarheid en actualiteit – vaak
buiten beschouwing gelaten. Omdat de zoekstrategieën van jongeren niet zijn uitge-
kristalliseerd, moeten daarom vraagtekens bij de objectiviteit van de geselecteerde in-
formatiebronnen worden geplaatst.” Daarnaast blijkt uit onderzoek 84 ,dat op veel
scholen geen (systematische) aandacht uit gaat naar het zeker voor maatschappijleer
belangrijke verwerven van digitale informatievaardigheden.
Na informatie zoeken, staat samen aan een opdracht te werken (bijna 60%) op de
tweede plek van meest gebruikte mogelijkheden om thuis aan schoolactiviteiten te
werken. Ruim een kwart van de leerlingen gebruikt internet thuis om een oefentoets
mee te maken. Verder is het gebruik meer van praktische aard, bijvoorbeeld om contact
te hebben met medeleerlingen over een opdracht (43%), schooltaken digitaal in leveren
(30%) of het huiswerk opzoeken (21%).

81 (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm
2006,2007 en 2008, 2008, p. 13)
82 (Kanters, van Vliet, Ringersma, Zwaan, & Kokkeler, 2008, p. 21)
63

83 (Schravesande, 2008)

84 (Stichting Kennisnet, 2009, p. 62)


Voor welke schoolactiviteiten heb je in de afgelopen maanden thuis
internet gebruikt?
Samen met andere leerlingen aan een
opdracht werken
Informatie zoeken
59,2%
85,3% Via de mail een vraag stellen aan de
15,3% leraar of lerares
Via de mail een vraag stellen aan iemand
7,6% anders bijv. expert
29,7% Via de mail een huiswerkopdracht
43,0% inleveren
Contact met medeleerlingen over
21,1%
schooltaken
26,3% Opzoeken wat het huiswerk is
6,2%
Oefentoets maken
9,6%
7,7% Kant en klare werkstukken opzoeken om
3,8% te kopiëren
Websites bouwen en bijhouden

0% 20% 40% 60% 80% 100% Anders

Ik heb internet niet gebruikt voor


schooltaken

Grafiek 16 Op basis gegevens (van Rooij & van den Eijnden, 2008, p. 13)

Bijna tweederde is het (helmaal)oneens met de stelling: thuis leer ik meer op de com-
puter dan uit schoolboeken. Voor de meerderheid van de leerlingen levert ICT op dit
moment geen grote bijdrage aan het schoolwerk thuis.

Thuis leer ik meer op de computer dan uit schoolboeken

4,9%
22,2% 10,0%
Helemaal eens
Eens

22,0% Niet eens/niet oneens


Oneens
Helemaal oneens
40,9%

Grafiek 17 Op basis van gegevens (van Rooij & van den Eijnden, 2008, p. 18)
64
Hoe ervaren leerlingen nieuwe media in les
Leerlingen denken in een derde van de gevallen dat het gebruik van internet een posi-
tief effect heeft op de schoolprestaties. Een kwart van de ondervraagde jongeren zijn
het hier (helemaal) mee oneens. Dit zegt overigens niets over de daadwerkelijke geme-
ten resultaten aangezien de onderzoeken niet eenduidig zijn over effecten 85. Het betreft
de beleving van de leerling.

Eerder is er geconstateerd, dat de belangrijkste online schoolactiviteit van leerlingen


het zoeken van informatie is. Gevraagd naar aangereikte tips van docenten voor het
zoeken naar informatie, zijn ze daar overwegend positief 86. 36,5% is neutraal en bijna
40% vindt dat de school goed slaagt in het geven van tips.

Door internet haal ik betere schoolprestaties

7,0% 6,6%

19,7% Helemaal eens


28,4% Eens
Niet eens/niet oneens
Oneens
Helemaal oneens

38,2%

Grafiek 18 Op basis van gegevens (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008, 2008, p. 15)

Wanneer het aan de leerling zou liggen worden schoolboeken nog niet vervangen door
internet. Slechts iets meer dan 20% van de leerlingen denken, dat het internet op dit
moment de plaats volledig kan innemen van schoolboeken 87.

85 (Onderwijsraad, 2008)
86 (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm
2006,2007 en 2008, 2008, p. 14)
65

87 (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm

2006,2007 en 2008, 2008, p. 17)


Veel schoolboeken die ik nu gebruik, zijn door internet te vervangen

6,2%
16,2%

16,2%
Helemaal eens
Eens
Niet eens/niet oneens
Oneens
31,8%
Helemaal oneens
29,6%

Grafiek 19 Op basis van gegevens (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008, 2008, p. 17)
Vier op de tien leerlingen ervaart het gebruik van internet voor schooltaken niet als
saai 88. Ongeveer een kwart van hun medeleerlingen is dit niet met ze eens. Ze geven in
het onderzoek aan dat het internet niet leidt tot extra interesse, het wordt zelfs saai
bevonden . Nog eens een derde van de respondenten staat neutraal in dit onderwerp.

Gebruik van internet is saai

11,1% 7,6%

Helemaal eens
16,4%
Eens
Niet eens/niet oneens
29,4%
Oneens
Helemaal oneens

35,5%

Grafiek 20 Op basis van gegevens (van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008, 2008, p. 19)

In hoofdstuk 1 hebben scholen aangegeven dat juist het onderwijs meer aantrekkelijk
maken één van de belangrijkste redenen is om nieuwe media in te zetten. Waarschijn-
66

88(van Rooij & van den Eijnden, Monitor internet en jongeren resultaten in tabelvorm
2006,2007 en 2008, 2008, p. 19)
lijk is het zo, dat de uitvoering van de scholen op ICT-gebied, nog niet op één lijn zitten
met de beleving van de leerling.

Breder getrokken ervaren leerlingen de lessen met behulp van nieuwe media positief 89.
Als motivatie wordt aangegeven, dat door deze manier van les krijgen er afwisseling
en een toegankelijke manier om nieuwe informatie te verkrijgen ontstaat. Wel wordt
opgemerkt, dat de leerlingen zeker niet altijd achter de computer les willen krijgen.
Het belangrijkste argument hierbij is, dat persoonlijk contact met de leraar heel belang-
rijk blijft voor de leerling. Daarnaast worden ook de sociale contacten met andere leer-
lingen heel belangrijk gevonden. Een regelmatige afwisseling tussen schoolwerk op de
computer en les door de leraar is volgens de meeste leerlingen de juiste manier.

67

89 (Kanters, van Vliet, Ringersma, Zwaan, & Kokkeler, 2008, p. 25)


4.3 Maatregelen en aanbevelingen op leerlingniveau

Door het karakter van dit hoofdstuk zijn de aanbevelingen beperkt. Dit hoofdstuk
moet meer gezien worden als onderzoekend. Over verschillende onderwerpen die in
dit hoofdstuk worden behandeld, zijn er al bij de andere hoofdstukken aanbevelingen
gedaan.

• Zoals in het hoofdstuk naar voren is gekomen zijn informatie verwervingsop-


drachten een belangrijk onderdeel van het school internet gebruik van leerlin-
gen. Voor maatschappijleer is het van belang, dat leerlingen leren om een on-
derwerp vanuit verschillende invalshoeken te bekijken, dus ook diverse en va-
lide bronnen leren gebruiken. De aandacht, die scholen momenteel aan (digita-
le) informatievaardigheden besteden, wisselt sterk. Niet alleen tussen scholen,
maar ook binnen de school. De mate, waarin op informatievaardigheden wordt
gestuurd komt voort uit persoonlijke voorkeuren en interesses van leraren. Dit
is niet verankerd in het curriculum en/ of de competenties van leraren. De aan-
beveling is dan ook, om als school informatievaardigheden formeel op te ne-
men in het curriculum, zodat leerlingen bij alle vakken hier profijt van hebben.
Ten tweede moeten de competenties rond informatievaardigheden van docen-
ten geborgd worden. Deze kunnen in het scholingsprogramma opgenomen
worden, zoals voorgesteld in de aanbevelingen van hoofdstuk 2.

68
4.4 Deelconclusie

In deze vierde en laatste deelconclusie zal de onderzoeksvraag“Wat is de huidige stand


van zaken op leerling-niveau,betreffende de integratie van nieuwe media in het vak maatschap-
pijleer, wat zijn de gevolgen hiervan en welke maatregelen moeten er genomen worden?” wor-
den beantwoord aan de hand van de onderstaande deelvragen. Deze deelconclusie is
grotendeels gebaseerd op onderzoek, die voor alle lessen in het voortgezet geldt, niet
specifiek voor maatschappijleer.

OV: Welke plek neemt nieuwe media in de dagelijkse vrije tijdbesteding van de leerling.

• Media in het algemeen neemt ongeveer 40% van de dagelijkse vrije tijd van de
leerling in beslag. Onder media wordt zowel internet, games en tv gerekend.
Aangezien verschillende media steeds meer in elkaar overlopen (veel jongeren
kijken bijvoorbeeld tv via uitzendinggemist.nl) worden deze hier samen gere-
kend. Vrijwel alle jongeren zijn aangesloten op het internet en de helft heeft in-
ternet toegang via de mobiele telefoon. Vooral communicatie toepassingen zijn
populair. Zoals sociaalnetwerk sites als Hyves en Facebook. Daarnaast wordt er
veel gebruik gemaakt van messenger programma’s als MSN om te chatten en
sociale contacten te onderhouden. Video pagina’s als Youtube worden ook
steeds populairder. Onder deze groep kijkt 95% regelmatig een filmpje.

OV: Wat ervaren leerlingen bij het gebruik maken van nieuwe media tijdens het vak maat-
schappijleer

• Over het algemeen ervaren leerlingen de lessen met behulp van nieuwe media
positief. Als motivatie wordt aangegeven, dat door deze manier van les krijgen
er afwisseling ontstaat. Toch vindt ongeveer een kwart, dat lessen met internet
saai zijn. Persoonlijk contact met de leraar blijft heel belangrijk blijft voor de
leerling. Hij wil niet altijd achter de computer les hebben. Een goede afwisse-
ling is wenselijk.

OV: Welke plek neemt nieuwe media en ICT in bij het schoolwerk buiten de les?

• De top vijf van meest gebruikte toepassingen zijn (1) schoolopdrachten (85%)
waarbij leerlingen informatie moeten zoeken. (2) Samen aan een opdracht te
werken (bijna 60%) Verder is het gebruik meer van praktische aard.
(3)Bijvoorbeeld contact hebben met medeleerlingen over een opdracht (43%),
(4) schooltaken digitaal in leveren (30%) of (5) het huiswerk opzoeken (21%).
Ruim 40% zegt, ongeveer één keer per maand. Gevolgd door bijna 25% die dit
enkele keren per jaar doen. Ongeveer één vijfde van de leerlingen krijgt bijna
wekelijks zo’n opdracht mee.
69
OV: Is er een oorzaak te vinden in het vertoonde gedrag van leerlingen en leerprestaties bij het
inzetten van nieuwe media in de les.

• De ICT-vaardigheden van leerlingen zijn over het algemeen goed. Ondanks dat
leerlingen dit zelf niet aangeven, blijkt dat belangrijke vaardigheden om voor
maatschappijleer informatie te verzamelen en te beoordelen slechts door een
minderheid goed wordt beheerst. Structurele lessen om informatievaardighe-
den bij de leerlingen aan te leren ontbreken op veel scholen. Ondanks dat, on-
derzoek niet eenduidig is over de resultaten van ICT-gebruik heeft een derde
van de leerlingen het idee, dat nieuwe media een positief effect heeft op de
school prestaties. Een kwart van de ondervraagde jongeren zijn het hier (hele-
maal) mee oneens en denken het tegenovergestelde.

70
Hoofdstuk 5 Conclusie en aanbevelingen
Gedurende deze scriptie zijn de vier deelvragen op het gebied van beleid, docent,
leermiddelen en leerling doorlopen. Elke hoofdstuk is afgesloten met de voor die deel-
vraag specifieke conclusie en aanbeveling. In dit hoofdstuk worden deze vier specifie-
ke conclusies met elkaar verbonden en wordt er een overstijgende conclusie gegeven
die antwoord geeft op de onderzoeksvraag van dit rapport: “Welke maatregelen zijn er
nodig om nieuwe media in het vak maatschappijleer te integreren?”

• Voorafgaand aan de specifieke maatregelen, is het belangrijk vast te stellen dat


de docent spil moet zijn in deze maatregelen. Op beleidsniveau, leermiddelen-
niveau of leerlingenniveau kunnen tal van aanbevelingen bedacht worden.
Maar als de docent hierbij niet betrokken wordt en voelt of gemotiveerd is zal
hier de integratie van nieuwe media in het vak maatschappijleer staken.
• Uitgaande van de docent zal zijn of haar kennis en kunde boven faciliteiten
moeten worden gesteld. Als de docent geen kennis heeft van digitale school-
borden zal deze ook niet om die faciliteiten vragen. En nieuwe media wordt
niet in het vak maatschappijleer geïntegreerd als een hele school vol met digita-
le schoolborden hangt, maar de docenten maatschappijleer niet weten hoe ze
hier mee moeten omgaan. In het beleid van scholen op het gebied van ICT zal
daarom altijd uitgegaan moeten worden van het huidige kennisniveau van do-
centen op ICT-gebied en daar een passende maatregel als scholing of een bud-
dysysteem opgezet moeten worden. De nadruk moet hierbij liggen op didacti-
sche ICT-onderwijsvaardigheden, want wanneer er gesproken wordt over ken-
nistekort, bij deze vaardigheden de zwakke schakel zit. Als vervolgstap kan
worden gekeken of de faciliteiten toereikend zijn. Want een kundige docent, wil
zijn kennis en vaardigheden benutten en gevraagde faciliteiten moeten dan ook
ter beschikking worden gesteld om een goede integratie te bewerkstelligen.
• Door meer gebruik te maken van ICT, krijgen leerlingen een groter informatie-
aanbod, waarin ze kunnen zoeken. Een bijkomend aspect hiervan is dat leerlin-
gen meer getraind moeten worden in het maken van goede schiftingen in deze
informatie. Omdat naast de hoeveelheid, ook de kwaliteit een groter vraagteken
is. Al vinden leerlingen van zichzelf vaak dat ze genoeg informatievaardig zijn
om dit aan te kunnen, uit onderzoek van Schravensande 90 blijkt dat dit vaak
niet het geval is. Docenten hebben hier vaak niet genoeg competenties voor om
de informatievaardigheden bij de leerlingen goed verder te ontwikkelen. Ter-
wijl bij een vak als maatschappijleer goede informatievaardigheden essentieel
zijn. De overheid heeft hierin een rol, door dit vast te leggen in het curriculum
van lerarenopleiding, zodat de leraar hier voldoende zelf in is geschoold om dit
71

90 (Schravesande, 2008)
aan de leerlingen over te brengen. Daarnaast zal dit opgenomen moeten wor-
den in het scholingsbeleid van de school.
• Formeel moet in het curriculum van de lerarenopleidingen de kennisbasis ICT
worden vastgelegd. Op deze manier wordt het natuurlijk verloop binnen het
docententeam benut. De hierboven genoemde competenties om leerlingen in-
formatievaardigheden aan te leren moeten hier onderdeel van zijn.
• Een andere maatregel kan omschreven worden als vrijheid binnen kaders. Het
beleid van de school op het gebied van nieuwe media moet eenduidig zijn en
strak worden uitgevoerd, omdat management moet zorgen voor een eenduidi-
ge lijn binnen het docententeam. Docenten geven aan behoefte te hebben aan
een duidelijke ICT-visie binnen de school met goede doorvertaling naar de
praktijk. Binnen deze kader moeten docenten vrijheid krijgen. Ten Brummel-
huis 91 “argumenteert, dat de mate waarin leraren in staat worden gesteld om
ICT binnen de eigen onderwijsaanpak te integreren, het rendement van ICT in
het onderwijs blijkt te vergroten”. Tussen die vrijheid en kaders zal een goede
balans moeten worden gezocht voor de goede integratie van nieuwe media.
• Bij de visie van de school op ICT-gebied is het tevens van belang de balans tus-
sen lesgeven met of zonder nieuwe media moet worden bewaakt. Leerlingen
geven aan dat ze de afwisseling van les met een docent en les met de computer
fijn vinden. Dit moet evenredig verdeeld blijven. Het effectief leren en welzijn
van de leerling moet uitgangspunt blijven en niet uitgaan van het middel.
• De verschillende methodes van maatschappijleer hebben verschillende manier
van aanpak om nieuwe media binnen hun methode te integreren. De school,
met de docent als spil, moet er zorg voor dragen dat de methode binnen de
ICT-visie van de school past. De keuze voor een bepaalde methode moet op
grond daarvan worden gemaakt.
• De docent lijkt onbekend en ontevreden met (bepaalde) mogelijkheden van het
digitale deel van de maatschappijleermethodes. Docenten en uitgeverijen moe-
ten dichter bij elkaar worden gebracht op ICT-gebied. Maar eerst moet dit ver-
der onderzocht worden door de uitgeverijen op welke punten ze dit kunnen
bewerkstelligen.
• Tot slot blijft voor een goede integratie van nieuwe media communicatie essen-
tieel. Communicatie tussen management en docent, docent en leerling, school
en ouders. Een degelijk communicatieplan (via nieuwe media) dient een on-
derdeel uit te maken van het ICT-beleid binnen een school om alle partijen be-
trokken en enthousiast te houden en samen het ICT-beleid naar een hoger plan
te tillen.
72

91 (ten Brummelhuis, 2006)


Bijlage 1 Enquête docenten

73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
Bijlage 2 Enquête organisatie

91
92
93
94
95
96
97
98
Bijlage 3 Enquête leerlingen

99
100
101
102
103
104
105
Literatuurlijst
ADEF, Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten. (2009, November).
Kennisbasis ICT. 1.0. ADEF.

CBS. (2009, november 17). ICT gebruik van personen naar persoonskenmerken. Opgeroepen
op Februari 27, 2010, van statline.cbs.nl:
http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=71098ned&D1=
33,35-40,44-47,51-54,58,63-133&D2=0-3&D3=a&HD=100227-2220&STB=T,G2,G1

Centraal Planbureau. (2000). Financieringstromen primair onderwijs en voortgezet


onderwijs. Den Haag: Centraal Planbureau.

Denessen, E., Simon, V., Dobbelsteen, J., & van Schilt, J. (2008). Dyad Composition
Effects on Cognitive Elaboration and Student Achievement. The Journal of Experimental
Education .

Digibordhulp.nl. (2008). Voortgezet onderwijs. Opgeroepen op februari 28, 2010, van


digiborhulp.nl: http://ww.digibordhulp.nl

Digibordopschool.nl . (2009). Digibordopschool. Opgeroepen op Februari 28, 2010, van


Digibordopschool.nl : http://www.digibordopschool.nl

Docenten maatschappijleer Hogeschool Rotterdam. (2008). Schrijfnorm


maatschappijleer versie 2. Hogeschool Rotterdam.

Facebook. (2004). facebook. Opgeroepen op Februari 8, 2010, van www.facebook.com:


http://www.facebook.com/facebook

Geerlings, T., & van der Veen, T. (2002). Lesgeven en zelfstandig leren. Assen: Van
Gorcum.

Gezamelijke lerarenopleidingen. (2009). Kennisbasis Aardrijkskunde,Geschiedenis,


Economie, Gezondheidszorg & Welzijn, Goedsdienst & Levensbeschouwing, Maatschappijleer,
Omgangskunde.

Hagers, M. (2006). Blikopener / m1 vmbo-kgt. Den Bosch: Malmberg.

havo. (2008). Opgeroepen op februari 28, 2010, van delphi-online.nl:


http://www.delphi-online.nl

Hermes, J., Naber, P., & Dieleman, A. (2007). Leefwerelden van jongeren. Thuis, school,
media en populaire cultuur. Bussum: Coutinho.

Hyves (Startphone ltd.). (2004). Publieke homepage. Opgeroepen op februari 8, 2010, van
106

www.hyves.nl: http://www.hyves.nl
Inovatieimpulsonderwijs. (2010). Home. Opgeroepen op februari 16, 2010, van
Inovatieimpulsonderwijs.nl: http://www.Inovatieimpulsonderwijs.nl

Inspectie van het onderwijs. (maart 2008). Ict in het basis- en voortgezet onderwijs.
Utrecht: Inspectie van het onderwijs.

Intomart GfK. (2009). Onderzoek naar gebruik van en belangstelling voor Multi-user Virtual
Environments. Hilversum: Intomart.

Kanters, E. (2008). Wat punt nul...? Amersfoort: BMC.

Kanters, E., van Vliet, H., Ringersma, D., Zwaan, D., & Kokkeler, B. (2008). Wat punt
nul...? Amersfoort: BMC.

Kennisnet. (2008). expert op afstand. Opgeroepen op januari 28, 2010, van


expertopafstand.Kennisnet.nl: http://expertafstand.Kennisnet.nl

Kennisnet. (2008). Leren met meer effect. Opgeroepen op Januari 30, 2010, van
http://www.onderwijsregelingen.nl:
http://www.onderwijsregelingen.nl/documenten/Regeling-Leren-met-meer-effect-
v2-0.pdf

Kievid, J. d. (2007). Delphi 2e fase Havo en VWO. Zutphen: ThiemeMeulenhof B.V.

Martens, P. R. (2009). De docent als enthousiaste ontwerper van eigen digitaal


leermateriaal. In Essaybundel "hier heb ik niks aan!" (pp. 84-88). Zoetermeer: Kennisnet.

Marx, T., van Gennip, G., & Kral, M. (2007). Onderwijs met ict - studenten
lerarenopleiding. Nijmegen: ITS.

Microsoft. (sd). MSN messenger. Opgeroepen op 8 Februari, 2010, van MSN messenger:
http://www.microsoft.com/netherlands/windowslive/views/productdetail.aspx?pr
oduct=messenger

Ministerie OCW. (2008, maart 10). Over-ICT-in-het-onderwijs. Opgeroepen op januari 27,


2010, van www.minocw.nl: http://www.minocw.nl/ict/480/Over-ICT-in-het-
onderwijs.html

Ministerie van OCW. (2007, september 12). Bekostiging voortgezet onderwijs. Opgeroepen
op december 15, 2009, van www.minocw.nl:
http://www.minocw.nl/bekostigingvo/476/Over-bekostiging-voortgezet-
onderwijs.html

Ministerie van OCW. (2009). Memorie van toelichting Vaststelling van de


begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor
107

het jaar 2010. Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2010 , nr. 2 . ’s-Gravenhage: Sdu Uitgevers.
Onderwijsraad. (2008). Onderwijs en open leermiddelen. Den Haag: Onderwijsraad.

Pennings, D. L., Esmeijer, D. J., & Leendertse, D. M. (juli 2008). Leermiddelen voor de 21e
eeuw. Delft: TNO Informatie en Communicatietechnologie.

Pols, J. v. (2007). Impuls VMBO. Groningen: Noordhoff Uitgevers B.V.

Rixtel, J. v. (2006). Home. Opgeroepen op oktober 26, 2009, van thesistools.com:


http://www.thesistools.com

Schravesande, E. (2008). De betrouwbaarheid van zelfstandig verzameld bronmateriaal.


Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Stichting Kennisnet. (november 2009). (ver)rijk onderwijs, natuurlijk met ict! Zoetermeer:
Stichting Kennisnet.

Stichting Kennisnet. (2009, December 30). Over Kennisnet. Opgeroepen op December 30,
2009, van Kennisnet.nl: http://over.kennisnet.nl

Stichting Kennisnet. (2009). Vier in Balans Monitor 2009. Zoetermeer: Kennisnet.

SURFnet kennisnet. (20010). Innovatieregeling 2010. Opgeroepen op Februari 17, 2010,


van Onderwijsregelingen.nl:
http://www.onderwijsregelingen.nl/overzicht_regelingen/regelingen/27

Surfnet Kennisnet inovatieprogramma. (2010). Cloud Computing. Opgeroepen op


Februari 20, 2010, van Surfnet kennisnet Innovatieprogramma:
http://www.surfnetkennisnetproject.nl/innovatie/cloudcomputing

Surfnet|Kennisnet. (2009). voorpagina. Opgeroepen op januari zes, 2010, van Surfnet|


Kennisnet innovatie programma: http://www.Surfnetkennisnetproject.nl

Teleblik. (2010). Teleblik. Opgeroepen op Februari 28, 2010, van Home:


http://www.teleblik.nl

ten Brummelhuis, A. (2006). Aansluiting onderwijs en digitale generatie. In J. de Haan,


& C. v. Hof, Jaarboek ICT en Saemleving 2006; de digitale generatie. Amsterdam: Boom.

TNS-nipo. (maart 2009). Positiever beeld ict in primair onderwijs dan in voortgezet
onderwijs. Amsterdam: TNS-Nipo.

TNS-Nipo. (februari 2009). Succesvolle inzet ict vereist meer kennis en kunde van docent.
Amsterdam: TNS-Nipo.

Twitter. (sd). Home. Opgeroepen op Februari 22, 2010, van Twitter.com:


http://www.twitter.com
108
Uitgeverij Essener. (2006). Thema's maatschappijleer / 1 vmbo-kgt. Abcoude: Uitgeverij
Essener B.V.

van Gennip, H., van Rens, C., & Smeets, E. (september 2009). Didactiek en Leiderschap in
Balans 2009. Nijmegen: ITS (Onderdeel Radboud Universiteit Nijmegen).

van Rooij, J., Schoenmakers, T. M., Meerkerk, G.-J., & van de Mheen, D. (2009). Wat
doen jongeren op internet en hoe verslavend is dit? IVO. Rotterdam: IVO.

van Rooij, T., & van den Eijnden, R. (2008). Monitor internet en jongeren resultaten in
tabelvorm 2006,2007 en 2008. Rotterdam: IVO.

van Rooij, T., Meerkerk, G.-J., Schoenmakers, T., van den Eijnden, R., & van de Mheen,
D. (2008). Ontwikkelingen in het internetgebruik van Nederlandse Jongeren. Rotterdam: IVO.

Voogt, L. (2009). Haal meer uit het digitale schoolbord! Nijmegen: KPC groep.

Walraven, A. (2008). Becoming a critical websearcher; Effects of instruction to foster.


Heerlen: proefschrift Open Universiteit Nederland.

Wikiwijs. (2009, november negen). Veel gestelde vragen. Opgeroepen op januari zes,
2010, van Wikiwijs: productie.wikiwijs.nl

Wouda, S., Burgsma, R., Coffeng (red.), L., & Lelieveld (red.), J. (2006). Team voor
leerwegen. Zuthpen: ThiemeMeulenhof.

Youtube. (sd). Youtube. Opgeroepen op Februari 5, 2010, van Youtube:


http://www.youtube.com

109