You are on page 1of 51

Dagverlichting

Het gebruik van stippendiagram en computer
2
Colofon
Auteurs
Christa van Santen
ir. A.J. Hansen
Ontwerp omslag
Christa van Santen
Samenstelling en layout
ir. H. Mihl
C. Köhler
Uitgave
Publikatieburo Bouwkunde
Faculteit Bouwkunde
Technische Universiteit Delft
Berlageweg 1, 2628 CR Delft
ISBN: 90-5269-280-7
juni 2000
Inhoud
Daglicht en het gebruik van stippendiagram
Bezonning en zonwering
Normen en aanbevelingen op het gebied van daglicht
Computerprogramma's voor daglichtberekening
Aanbevolen literatuur
5
31
41
49
50
3
A. Openingen afgestemd op het klimaat.
4
Daglicht en het gebruik van stippendiagram
Daglicht komt binnen door bovenlichten en ramen. Een raam is een
gat-in-de-muur, het kan vele vormen hebben en is aan de buitenkant
mede bepalend voor het uiterlijk van de architectuur. In het interieur
telt de lichtinval.
Er is geschiedenis te schrijven over raamtypes vroeger en nu, in de
diverse landen. De functionele vorm in warme landen en daar waar
het zeer koud is.
Mensen hebben daglicht nodig, niet alleen om te kunnen zien, ook
voor het lichamelijk en psychisch wel bevinden. Gesproken wordt
van minstens 2 uur daglicht per dag als noodzaak.
Om te voorkomen dat om welke reden dan ook huizen en kantoren
worden gebouwd met als uitgangspunt enig uitzicht zonder te letten
op het daglicht, zijn er regels ontworpen. Normen die uitgaan van het
vloeroppervlak achter de ramen en de grootte van de ramen zelf.
Een architect wordt geacht bij het ontwerpen notitie te nemen van die
normen en er naar te handelen.
Een opvallende eigenschap van het daglicht is het dynamische
karakter; het is grillig en wisselvallig, vooral in ons klimaat met
wolken en wind.
Buiten worden verlichtingssterkten gemeten van 3000 lux op een
grauwe winterdag tot 80.000 lux midden op een zonnige dag in de
zomer. Het oog past zich gemakkelijk aan bij deze variaties. Niet
alleen de hoeveelheid licht wisselt per seconde, per minuut, per uur
en in de loop van de dag, ook de kleur van het licht verandert.
Afhankelijk van de atmosfeer beginnen we 's ochtends met koel of
enigszins warm licht, tussen de middag is het licht wit tot blauwachtig
en naarmate de dag vordert wordt het licht warmer van kleur.
5
6
Men moet uiterst attent en gevoelig zijn wil men deze kleur-
verschuivingen inderdaad waarnemen. Ervaren doen wij die wisselin-
gen wel degelijk, want de mens in de westerse samenleving heeft,
naarmate de dag vordert en men vermoeider wordt, behoefte aan
warm licht dat door het daglicht wordt verschaft.
Buiten hebben we nagenoeg geen hinder van verblinding van het
daglicht, al is het nog zo veel, tenzij men gevoelige ogen heeft.
Binnen kunnen grote helderheidscontrasten optreden tussen het
raam en de directe omgeving. In de lichttechniek spreekt men van
luminantiecontrasten. Een grote wand met een klein raam is voor het
oog donker met een licht "gat", waardoor verblinding ontstaat. Een
andere vorm van verblinding treedt op wanneer het raam ten op-
zichte van de ruimte zeer groot is. De oorzaak is de wijde ruimtehoek
waaronder men het raam tegen de heldere hemel ziet.
Indirecte verblinding ontstaat óf wanneer de zon op een tegenover-
liggende spiegelende gevel schijnt, óf op een wateroppervlak dat als
spiegel werkt.
Hinder kan ook optreden wanneer het raam zo hoog is dat men
onder een steile hoek het licht naar binnen krijgt.
Het is niet voor niets dat ramen boven deuren, die fungeren om de
gang of het trappenhuis te verlichten, met glas-in-Iood zijn gevuld of
zijn onderverdeeld in kleinere oppervlakken.
Openingen zoals ramen laten het daglicht binnen: grootte, vorm en
diepte van de neggen of dag kanten hebben invloed op de hoeveel-
heid licht en op de verdeling van het licht. Een rond raam geeft
nauwelijks ander licht dan een vierkant raam met hetzelfde opper-
vlak. Alleen als de zon binnenschijnt ontstaat een ander projectie-
beeld. De plaats van de opening, hoog of laag, heeft daarentegen
een grote invloed.
Een punt in de ruimte ontvangt het daglicht rechtstreeks van het
hemelgedeelte dat vanuit dat punt zichtbaar is, aangevuld met het
licht dat via reflecties tegen wanden, vloer en plafond het punt
bereikt. Het interieur (licht of donker gekleurd), de afmeting, plaats en
vorm van het raam en de conditie buiten bepalen samen de uiteinde-
lijke hoeveelheid daglicht binnen.
Het daglicht kan men op verschillende manieren manipuleren:
tegenhouden, verstrooien of richten. Men kan de kleur beïnvloeden
door het te laten vallen door gekleurd glas of gekleurde kunststof, of
door het te laten reflecteren tegen een getint oppervlak.
Het richten is bij diffuus daglicht slechts beperkt mogelijk. Anders is
het met de zon, die kan men beschouwen als een zeer sterke gloei-
lamp met een evenwijdige stralenbundel die wel goed is te richten.
Samenvattend kan men stellen dat de dagverlichting wordt beïnvloed
door vorm en afmetingen van de lichtopeningen en de plaats ervan in
gevels of dak.
Oriëntatie en eventuele belemmeringen zoals gebouwen tegenover
het raam, bomen, balkons en luifels spelen alle een rol in de licht-
verdeling en de hoeveelheid licht die binnenkomt.
Van grote invloed zijn verder de transparantheid van het glas, zonwe-
ringen en de kleuren van de wanden, de vloer en het plafond.
Het blijkt dat de architect op veel manieren het daglicht kan manipu-
leren. Om dit zinvol te doen is het goed wanneer naast de noodzake-
lijke kennis kan worden beschikt over enkele hulpmiddelen die een
steun geven bij het ontwerpen.
De laatste tijd lijkt het erop dat de belangstelling voor daglicht aan
het toenemen is. Dit zal te maken hebben met het besef dat zuinig
moet worden omgesprongen met de energie; daglicht krijgt men
(schijnbaar) cadeau.
In werkelijkheid is de zaak gecompliceerder: daglicht komt gratis
binnen, maar ramen geven warmteverlies in de winter. Om daglicht
een gunstig effect te laten geven op het energieverbruik is zorgvul-
dige afweging nodig van de verschillende factoren die hierop invloed
hebben, vooral ook de manier waarop daglicht en kunstlicht elkaar
vervangen of aanvullen.
De daglichttoetreding volgt uit het ontwerp, de kunstverlichting wordt
veelal aan derden overgelaten. Dit heeft tot gevolg dat de twee
soorten verlichting zelden op elkaar zijn afgestemd. Ontwerpers en
technici zouden elkaar moeten vinden in een vroeg stadium van het
project. Het mag niet zo zijn, dat de technici bepalen hoe groot de
ramen worden en waar de armaturen worden geplaatst alleen in
verband met de energiebesparing, waardoor de vormgeving wordt
beïnvloed buiten de wil van de architect.
Er zijn nog andere redenen om aandacht te schenken aan het
natuurlijke licht. De wisselvalligheid, de goede kleurweergave en de
variatie in de kleur van het licht geven het interieur een dynamisch
karakter. Vorm en plaats van de lichtopeningen zijn bepalend voor de
7
B. "Maison de Verre", te Parijs
(architecten: Chareau en Bijvoet, 1932)
Het interieur
8
C. "Maison de Verre", te Parijs
(architecten: Chareau en Bijvoet, 1932)
De gevel als daglichtelement. Helder
glas waar men uitzicht nodig heeft,
glazen bouwstenen voor diffuus licht.
9
Fig. 1.
In het "vrije veld" komt het daglicht van
alle kanten.
10
manier waarop het interieur - de architectuur van de binnenruimte -
wordt waargenomen.
De architect moet zich ervan bewust zijn dat hij bezig is met dag-
verlichting op het moment dat hij ramen in de gevel plaatst. Bij het
ontwerpen van bijvoorbeeld een woning dient hij/zij zich een beeld te
vormen van de verschillende ruimten, de functies waarvoor de
ruimten zijn bestemd en het daarvoor gewenste daglicht.
Een raam, of een lichtopening in het algemeen heeft behalve het
toelaten van daglicht nog andere betekenissen: het geeft de bewoner
de gelegenheid de buitenwereld waar te nemen en het kan, afhanke-
lijk van de oriëntatie, de zon naar binnen halen. Tenslotte is een
architect niet in de laatste plaats een ontwerper en dat zal mede tot
uitdrukking komen in de vormgeving van de lichtopeningen.
Het dienen van de functies mag hierdoor echter niet in het gedrang
komen.
Om met enige voorspellende waarde tijdens het ontwerpproces het
verband te vinden tussen het daglicht buiten en de hoeveelheid en
de verdeling van het daglicht binnen (de dagverlichting in de ruimte)
zijn enkele hulpmiddelen beschikbaar. Voor het werken "op papier"
zijn diagrammen en nomogrammen ontwikkeld, voor de computer
komen steeds meer programma's ter beschikking, tenslotte is er de
mogelijkheid een maquette van het ontwerp te onderzoeken onder
een kunsthemel, de daglichtkamer in het lichtlaboratorium van de
faculteit Bouwkunde, TUD.
Door de wisselvalligheid van de helderheidsverdeling van de hemel
is het niet mogelijk een altijd geldende berekening te maken voor het
binnenkomende daglicht.
Om toch enige voorspellingen te doen over het daglicht binnen bij het
ontwerpen van ramen en andere lichtopeningen wordt de verlichting
in een willekeurig gekozen punt in de ruimte uitgedrukt in een
verhoudingsgetal, de daglichtfactor.
De daglichtfactor is per definitie de verhouding tussen de
verlichtingssterkte in dat punt en de gelijktijdig aanwezige
verlichtingssterkte buiten op een plek zonder belemmeringen, zoals
dat heet "in het vrije veld", gemeten in het horizontale vlak.
Wanneer gesproken wordt over de verlichtingssterkte in een punt (in
de ruimte) dan moet daarbij worden aangegeven of het punt ligt in
Fig.2.
Door een raam valt slechts een gedeelte
van het daglicht.
Fig. 3.
Minimaal te verwachten verlich-
tingssterkte bij een bedekte hemel op
S2'-lN.B.
een (denkbeeldig) horizontaal vlak, een verticaal vlak of een vlak
onder een willekeurige helling.
Zonder nadere aanduiding kan men stellen dat bedoeld wordt het
horizontale vlak.
De daglichtfactor (DF) wordt uitgedrukt in procenten:
E punt in de ruimte
DF= x 100%
E vrije veld
Aan de definitie moet worden toegevoegd dat wordt uitgegaan van
een afgesproken luminantieverdeling van de hemel koepel. Immers
zou men de daglichtfactor in een gegeven situatie willen bepalen
door het gelijktijdig meten van de verlichtingssterkte buiten en in een
punt in de ruimte, dan zal blijken dat er een schommeling zit in deze
verhouding.
De daglichtfactor blijkt niet constant te zijn. Op twee verschillende
momenten kan buiten dezelfde verlichtingssterkte heersen terwijl het
licht dat door het raam binnenkomt in het ene geval van een relatief
helder gedeelte en in het andere geval van een relatief donker
gedeelte van de hemel afkomstig is.
In het gematigde gebied waarin Nederland ligt en waar de hemel -
statistisch gezien - voor een groot gedeelte van de daguren volledig
is bewolkt, ligt het voor de hand deze situatie als uitgangspunt te
kiezen. Bovendien is dat de omstandigheid waarin het minste dag-
licht aanwezig is en zit men dan met de berekeningen aan de veilige
kant.
De figuren geven een indruk van de hoeveelheid licht die is te ver-
wachten onder deze conditie.


1
30
f 25
" 20
15

/; "'ó; ,\
1/,

\\
/;
Ij

.\' ,\
1/1
/ ,\ ,\\
IJ
ïl
/
/'
0,'
\\'


ij


l/

\\
11. l 1\ \ \\
I/I, /,.- \
15
10 10
ijl
I/I \ \\ ,\\ 1/, 'I.
'/


I I I I I I I I I I I I I I
4 6 8 10 12 14 16 18 20 6 8 10 12 14 16 18 20
de dag
Op het oog lijkt de geheel bewolkte hemel egaal, resultaten van
metingen geven aan dat gemiddeld in het zenith de luminantie
driemaal zo hoog is als vlak boven de horizon. Deze verdeling komt
1 1
Fig. 4
Fig. 5
p
Fig. 6
Fig. 7
Fig. 8
12
tot uitdrukking in de formule:
Lh = 1 + 2 sin h x L zenith
3
Hierin is de Lh de luminantie van het gedeelte van de hemel dat
wordt waargenomen onder een verticale hoek h, en L zenith de lumi-
nantie in het gebied loodrecht boven de plaats van waarneming.
Verder wordt aangenomen dat bij deze "standaard bedekte hemel"
de luminantie onafhankelijk is van de oriëntatie, dat wil zeggen onder
deze conditie is de hemel op dezelfde hoogte rondom even helder.
Behalve direct van de hemel komt het daglicht binnen via reflecties
tegen belemmeringen zoals tegenover het raam gesitueerde gevels.
Hoewel dit aandeel meestal niet erg groot is mag het toch in rekening
worden gebracht.
Tenslotte krijgt een punt in de ruimte licht via reflecties tegen het
plafond, de wanden en de vloer. Naarmate de kleuren lichter zijn
wordt deze bijdrage groter.
Voor elk willekeurig (meet)punt in de ruimte geldt, dat de daglicht-
factor de optelsom is van:
• de hemelcomponent, het aandeel dat wordt geleverd door het
gedeelte van de hemel dat zichtbaar is vanuit het meetpunt
• de externe reflectiecomponent, de hoeveelheid daglicht afkomstig
van de belemmering zoals die wordt gezien vanuit het meetpunt
• de interne reflectiecomponent, het licht dat via reflecties tegen de
binnenoppervlakken op het meetpunt valt
De bepaling van de hemelcomponent en de externe reflectie-
component levert de minste problemen. Vanuit een willekeurig
gekozen punt worden de hemel en eventuele belemmeringen gezien
binnen bepaalde ruimtehoeken, die zijn te tekenen wanneer de
maten en de positie van de lichtopening bekend zijn.
Gaat men uit van een punt in een horizontaal vlak bijvoorbeeld op
tafelhoogte dan blijkt dat er door een hoog geplaatst raam meer licht
Fig. 9 en 10
Fig. 11
valt in dat punt dan wanneer hetzelfde raam laag in de gevel zit.
Hoe kleiner de hoek is ten opzichte van de normaal waaronder het
licht binnenkomt, hoe groter de verlichtingssterkte: de lichtstroom
verdeelt zich over een kleiner oppervlak.
Bovendien pakt men een relatief helder gedeelte van de hemel en
heeft een eventuele belemmering minder invloed.
Om de hemelcomponent te bepalen zijn er volgens projectie-
methoden diverse typen diagrammen ontwikkeld.
Het stippendiagram werkt volgens het principe dat de hemelkoepel
wordt onderverdeeld in een aantaloppervlakjes die elk evenveel
bijdragen tot de verlichting in een punt in het horizontale vlak.
Vervolgens wordt de onderverdeelde (halve) hemelkoepel geprojec-
teerd vanuit het middelpunt op een verticaal vlak. De begrenzing van
de ruimtehoek waaronder de hemel wordt waargenomen wordt in de
projectie aangeven door horizontale en verticale lijnen. Binnen deze
begrenzing wordt het aantaloppervlakjes geteld en dit is een maat
voor de hemelcomponent. In plaats van de oppervlakjes zelf bestaat
het diagram uit punten die elk een oppervlakje vertegenwoordigen.
o
13
01. Een smal raam geeft voldoende licht
op de tafel, de omgeving krijgt betrekke-
lijk weinig licht.
02. Het licht door het zijraam zorgt voor
een betere verdeling van het licht en
toont de plasticiteit van het interieur.
14
E. Een zeer breed raam spreidt het licht
over de gehele ruimte. Vooral de
zijwanden worden benadrukt.
F. De lichtkoepel is op zichzelf effectief
omdat het licht van boven komt. Een
nadeel is het grote contrast dat ontstaat
tussen de horizontale en verticale
verlichtingssterkte.
15
~
...
Q)
b
80
70
60
50
40
30
20
10
o
80 70 60 50 40302010010203040 50 60 70 80
1 1 1,1,1 , 1,1,1",111,1,1 , 1 1 1 1
\
;',
..
... ".'
".,1. •
... ~ ...
. . . .. ".
....
.
.' ..
· .
... ...
· .
.. ' ...
..
. ..
.' ....
: ~ ~ H ~
,' ....
. '.
.. ,
," .'
· ..
... ...
· .
... ...
::::
· .
: : : : ~ :
... ...
...
.. '
'"
...
.' .'
· .
' ..
... . . '
· .
. ::::
... .. ' :: ....
... ...
· .
... ...
.. " ..
..
....
... . ...
. ..
---r-- , I' 1'1'1'1 ' 1'1 ' 1' I '
.v. / .
/ :
j .
/
//
/
80 70 60 50 40302010010203040 50 60 70 80
b
80
70
1+ 60
r
40
30
20
10
0
i\) Daglichtdiagram voor horizontale vlakken en CIE·
hemel koepel.
Y<:: I I ~ - y
1 stip = Ehof in het vrije veld/1600
16 stippen = 1 % h.C.
TH De,ft Bouwkunde en Civiele Techniek (bouwfysica).
y en.5 in graden
In het hier gehanteerde diagram (Fig. 12) is uitgegaan van de stan-
daard bedekte hemel. De hemel koepel is onderverdeeld in 1600
oppervlakjes. In theorie kan maximaal de helft van de koepel worden
geprojecteerd, in de praktijk zou hiervoor het vlak oneindig uitge-
strekt moeten zijn. Daarom zijn niet alle vlakjes uitgebeeld.
Elke stip in het diagram stelt een van de 1600 oppervalkjes voor.
Voor elke stip geldt, dat de bijdrage aan de hemelcomponent gelijk
is aan 1/1600 = 1/16%.
Dat wil zeggen elk punt levert 1/16% van de verlichtingssterkte "in
het vrije veld". Om het tellen te vergemakkelijken is het diagram door
gebogen en rechte lijnen onderverdeeld in vakken die elk 16 stippen
bevatten. Elk vak vertegenwoordigt een hemelcomponent van 1 %.
Met behulp van het stippendiagram is de hemelcomponent in het
horizontale vlak te bepalen voor elk willekeurig gekozen punt in de
ruimte.
In het diagram is rekening gehouden met lichtverlies door enkel glas
(0,85). Voor dubbel glas moet een reductie op de gevonden waarde
worden ingevoerd van 0,85 (het lichtverlies door het algemeen
toegepaste dubbel glas bedraagt 0,85xO,85= circa 0,70).
De daglichtfactor (DF) = (HC + ERC). C + IRC
hierin is DF =
HC
=
ERC =
IRC
=
C =
daglichtfactor
hemelcomponent
externe reflectiecomponent
interne reflectiecomponent
het totaal aan lichtverlies door dubbel glas en
vervuiling
Voor dubbel glas en geringe vervuiling geldt bijvoorbeeld
C = 0,90.0,85 = 0,76
17
80 70
\
80
70
60
50
Voorbeeld 1
Een zeer eenvoudige situatie van een symmetrisch geplaatst raam
en meetpunten in de as van het raam. Voor meetpunt M2 zijn op het
diagram de hoeken uitgezet in de vorm van horizontale en verticale
lijnen, de horizontale hoek Y2= 32°, de verticale hoek O
2
= 40°. Het
aantal stippen bedraagt 76, de hemelcomponent
He = 76/16 = 4,8 %. Voor het punt M 1 bedraagt de He = 14,4% en
voor het punt achter in de ruimte M3' He = 1 %.
Zet men in een verticale langsdoorsnede deze waarden uit dan
ontstaat een beeld van het verloop van de hemelcomponent van vlak
achter het raam tot diep in de ruimte.
70 80
/
I
80
70
60
50
~ ~ - - r - - - ~ - - - - - - - - - - ~ - - ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ ~ - - - - ~ - - - - - - - - ~ - - ~ ~ + h ~ 0 2
30 30
20 20
10 10
o 0
80
Fig13.
Daglichtdiagram voor horizontale vlakken
en CIE-hemelkoepel.
Als voorbeeld is meetpunt M2 gegeven,
de punten M1 en M3 kunnen op dezelfde
wijze gevonden worden.
g2= 32'1
d
2
= 400
aantal stippen = 76
HC=4,8%
18
y <:=====::JI Cl ====>- Y
TH Delft Bouwkunde en Civiele Techniek (bouwfysica) .
80
1 stip = E
hor
in het vrije veld/1600
16 stippen = 1 % h.c.
y en 8 in graden
Verloop van de hemelcomponent
· . . . .. . .
· . . . . ...... . .. .
. . . .. ....... . .
. : . :: :::::::. :: : : .
: . : : : :: :::::: . : : . :
.: ::.:::::::::.:: .
. . ::::::::::: ..
. .
· ............... .
1',
meetpunt M,
16 stippen = 1 % h.c.
He = 14,4%
~ ....... ~
:::::: ::.::.
.............
. . .. ... .. . .. .
meetpunt M
2
He =4,8%
1'3 1'3
I
meetpunt M3
He= 1%
Fig.13.A.
1',
. .
Berekening van hemelcomponent met
behulp van figuur 13.
Tekeningen schaal 1: 100
15,
Voorbeeld 1
2,00 3,00 1,50
plattegrond
langsdoorsnede
1',
1',
1,50m
o
o
~ .
o
q
E
o
"
N
19
G. De hoge ramen werpen het daglicht
diep in de ruimte.
De dagkanten (luiken) geven een mooie
geleidelijke overgang van het licht.
20
Fig. 14
Fig. 15
Fig. 16
Voorbeeld 2
Een ruimte met hoog geplaatst raam. Er is geen belemmering,
vanuit een punt 5 meter achter het raam zijn 32 stippen zichtbaar, de
P,
Vanuit een punt 3 meter achter het raam worden 96 stippen geteld,
de hemelcomponent is 6%.
Vanuit hetzelfde punt zijn nu tengevolge van een belemmering nog
maar 64 stippen zichtbaar tegen de hemel, 96-64=32 stippen hebben
de belemmering als achtergrond. Er wordt 32/1600 gedeelte van de
hemel belemmerd. Aangenomen wordt dat de bijdrage van het
belemmerde gedeelte 10 % is van hetzelfde gedeelte wanneer er
geen belemmering was.
De externe reflectiecomponent is: ERC = 32/1600.0,10.100%=0,3%
21
22
Voor de bepaling van de interne reflectiecomponent zijn tabellen en
nomogrammen de "papieren" hulpmiddelen. De tabel is ontworpen
voor een ruimte van ca 30 m2, een borstwering van 0,90 m en een
belemmeringshoek van 20" en een plafondreflectie van 0,70 (een wit
plafond).
Voor sterk afwijkende afmetingen wordt een correctiefactor gegeven.
Verder is er een tabel die de invloed van afwijkende plafondreflecties
aangeeft.
Tabe/1 Minimale interne reflectiecomponent van de daglichtfactor.
Verhouding
glasopp.
vloeropp.
1 :50
1 :20
1 :14
1 :1 °
1 :6,7
1 :5
1 :4
1 :3,3
1 :2,9
1 :2,5
1 :2,2
1 :2
Reflectie vloer:
Glasopp.
als % van 0,1
vloeropp.
Reflectie wanden:
0,2 0,4 0,6 0,8
2 - - 0,1 0,2
5 0,1 0,1 0,2 0,4
7 0,1 0,2 0,3 0,5
10 0,1 0,2 0,4 0,7
15 0,2 0,4 0,6 1,0
20 0,2 0,5 0,8 1,4
25 0,3 0,6 1,0 1,7
30 0,3 0,7 1,2 2,0
35 0,4 0,8 1,4 2,3
40 0,5 0,9 1,6 2,6
45 0,5 1,0 1,8 2,9
50 0,6 1,1 1,9 3,1
N.B.: reflectie plafond = 0,7 belemmeringen = 20·
0,2
-
0,1
0,1
0,2
0,2
0,3
0,4
0,5
0,5
0,6
0,7
0,8
0,2 0,4
0,4 0,6 0,8 0,2 0,4 0,6 0,8
0,1 0,1 0,2 - 0,1 0,2 0,2
0,2 0,3 0,5 0,1 0,2 0,4 0,6
0,2 0,4 0,6 0,2 0,3 0,6 0,8
0,3 0,6 0,9 0,3 0,5 0,8 1,2
0,5 0,8 1,3 0,4 0,7 1,1 1,7
0,6 1,1 1,7 0,5 0,9 1,5 2,3
0,8 1,3 2,0 0,6 1,1 1,8 2,8
0,9 1,5 2,4 0,8 1,3 2,1 3,3
1,0 1,8 2,8 0,9 1,5 2,4 3,8
1,2 2,0 3,1 1,0 1,7 2,7 4,2
1,3 2,2 3,4 1,2 1,9 3,0 4,6
1,4 2,3 3,7 1,3 2,1 3,2 4,9
Tabe/2
Tabe/3
Tabe/4
Tabe/5
Correctiefactoren voor verschillende pla-
fond reflecties
Reflectie plafond Correctiefactor
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,7
0,8
0,9
1,0
1,1
Correctiefactoren voor ruimten met een
vloeroppervlak van ongeveer 10m
2
en
100m
2
Vloeropp.
Reflectie wanden
0,2
0,6
1,4
0,4
0,7
1,2
0,6
0,8
1,0
0,8
0,9
0,9
Correctiefactoren voor de gemiddelde in-
terne reflectiecomponent
Reflectie wanden Correctiefactor
0,2
0,4
0,6
0,8
1,8
1,4
1,3
1,2
Correctiefactoren voor glasvervuiling
Omgeving Verticaal Hellend
glas glas
schoon 0,9
industrieel 0,7
erg vuil 0,6
0,8
0,6
0,5
Horizon-
taal glas
0,7
0,5
0,4
23
D
Û
a:
I
3:
2
ei
0.
:::0-
I
0
Û
ë
<V
a:
'"
..
:::0-
e:
~
o e:
0,2
ë
0.'"
ei
"
E g>
I
e:
~ . ~
0.
0
~
c.
..
E
';:; E
0>
o e:
u E
u '"
.!! '"
Cl
'" Cl
~ ~
e:
. ~ c:

o 'C
'" -
'" "
"
;;::: E
e: '"
0
_"0
'"
~ E
e e:
;;;
'" '"
. ~ 2
>
EQi
~
"IJ
~
. ~ :g
0,02
0,01
C
B
A E
24
Links, Tabel 6
Nomogram voor de berekening van de
gemiddelde interne reflectiecomponent
/RG gemidd van de daglichtfactor voor
ramen in een of meer gevels
De interne reflectiecomponent is op een snelle manier te bepalen
met het nomogram. Het principe hiervan is dat de verbindingslijn
tussen punten op twee van de schalen een derde schaal snijdt in een
punt dat wordt afgelezen. Uit twee bekende waarden wordt zo een
derde waarde gevonden.
Het nomogram is geschikt voor ramen in een of meer gevels. In het
laatste geval worden de waarden die gevonden zijn voor elk raam bij
elkaar opgeteld.
Eerst berekent men:
1. de totale oppervlakte van de ruimtebegrenzing: ramen, vloer,
wanden en plafond (A)
2. de oppervlakte van de wanden (Aw)
3. het werkelijke glasoppervlak, de lichtopening (G)
4. de gemiddelde reflectie van alle oppervlakken in de ruimte (8)
Voor een (gangbare) plafond reflectie van 0,7 (wit) en een vloer-
reflectie van 0,15 (donkere vloer) vindt men de gemiddelde reflectie-
factor uit de tabel.
Hierna wordt het nomogram gehanteerd:
- G/A aangeven op schaal (A)
8 aangeven op schaal (8)
- de lijn door het punt op schaal A en het punt op schaal 8 snijdt
schaalC
- dit snijpunt geeft de interne reflectiecomponent wanneer er geen
belemmeringen zijn.
Is er een belemmering voor de ramen dan wordt nog een lijn getrok-
ken tussen de waarde op schaal C en de waarde voor de belemme-
ringshoek op schaal D. Het verlengde van deze lijn snijdt schaal E.
Dit geeft de interne reflectiecomponent bij een belemmering.
Toepassing op ons voorbeeld ( fig.15 en 16) Stel:
Het vloeroppervlak is 6 x 8 = 48 m
2
Het glasoppervlak is 2 x 5 = 1 ° m
2
Verhouding glasoppervlaklvloeroppervlak is 10/48 =0,2 of 1 :5
r
p1af
=0,7 r
wand
=0,6
rviOer =0,2
Volgens de tabellen:
IRC minimaal =1,1 %
IRC gemiddeld = 1,3 x 1,1 =1,4%
De minimale IRC heeft betrekking op de gebieden in de ruimte die
het verst van het raam zijn verwijderd.
25
26
0,2


ei
c.
o
0,15
0,1
0,09
0,08
0,07
0,06
0,05
0,04
0,03
<ij
E 0,02
.!::.
ei
c.

.,
'"
0>
c:
ij
1,5
0,5
0,4
0,3
0,2
0,015 0,15

Û
0::
;:::.
E
"
c:
0
c.

Ol

'" Q)
;:: E
E
., .,

.S :g
Û
0::
E
"
c:
o c:
c. "
E g>
0 ' ;::
" '"

" .,

_.0
'" -
c: " -'0
2

C
10
9
8
7
6
5
4
3
0,4
0,3
0,2
0,03
0,02
0,60
0,55
0,50
0,45
0,35
0
ü

.!!!
Ü
"
;::

0,30
'"
'0
0;
'0
'0
Ë
"
0>

0,20
0,25
B

A
0,01

50
40
.><
'"
o

Ol
c:
"ai
E
E
'"

30
10
o
D
reflectie v /d wanden
0,10 0,30 0,50 0,70
0,3 0,33 0,38 0.43 0.48
0.4 0,30 0,37 0,44 0,51
0,5 0,26 0,36 0,44 0,54
0,6 0,23 0,34 0.45 0,56
0,7 0,20 0,33 0.46 0,59
TabelB
Links, Tabel 7.
CD
..
3
ii
Q.
..
ä:
..
i
[
~
n
Q
Nomogram voor de berekening van de
gemiddelde interne reflectiecomponent
/Re gemidd. van de daglichtfactor voor
ramen in een of meer gevels
Met het stippendiagram is gevonden: HC = 64/1600.100% = 4%
Er is lichtverlies door dubbel glas en vervuiling (schone omgeving =
0,9).
Voor dubbel glas geldt een reductiefactor van 0,85 op de gevonden
waarde in het diagram.
De daglichtfactor is: OF = (HC + ERC).0,85 + IRC
OF = (4 + 0,3).0,9.0,85 + 1,1 = 4,4%
Bepaling van de interne reflectiecomponent uit het zelfde voorbeeld
met behulp van het nomogram:
Afmeting ruimte 1=8m, b=6m, h=2,8m
glasoppervlak 2 x 5 = 10m
2
1. A = 2 x 8 x 2,8 + 2 x 6 x2,8 + 2 x 6 x 8 = 174,4 m
2
2. Aw = 78,4 m
2
3. G = 10 m
2
4. Aw/A = 0,45 m
2
B = 0,48 (tabel)
Het nomogram geeft IRC gemiddeld = 1,6 (zonder belemmering)
Dit is iets hoger dan volgens de tabellen; deze zijn gebaseerd op een
belemmering van 20°
De belemmeringshoek in ons voorbeeld = 30°
De stippellijn in het nomogram geeft een IRC = 1,1 %
Maken wij met hetzelfde glasoppervlak een andere raamvorm, dan
verandert de hemelcomponent. Een raam dat breder is en minder
hoog geeft vooral achterin het vertrek lagere waarden hoewel de-
zelfde lichtstroom binnenkomt.
Balkons, loggia's en luifels reduceren de ruimtehoek waarbinnen de
hemel zichtbaar is en daarmee de hemelcomponent.
Verticale wandgedeelten buiten het raam, zoals de zijwanden van
een loggia zullen nog wat bijdragen als reflectievlak. In de praktijk zal
deze invloed niet worden meegerekend. Verhoudingsgewijs nemen
deze vormen van "belemmering" meer licht weg van de gedeelten
dicht bij het raam (de pui), dan van de gedeelten diep in de ruimte.
Het lichtverloop wordt als het ware afgevlakt.
27
28
Vereiste hoeveelheden licht
• Minimaal voor circulatie ruimten
• Minimaal voor werkruimten
• Optimaal voor werkruimten
• Minimale werkverlichting
• Algemene ruimten in de industrie,
ruw bankwerk en machinewerk
• Normaal werk,
middelmatig bankwerk en machine werk
• Tekenbureau, laboratoria,
algemene verlichting in diverse werkruimten
• Fijn bankwerk en machinewerk,
kleurbeoordeling
20 lux
200 lux
2000 lux
200 lux
300luxi .
wOning
500 lux
750 lux
1000 lux
In ruimtes waar alleen door heen wordt gelopen is 20 lux voldoende.
Waar gewerkt wordt is -afhankelijk van het soort werk- 200 tot 2000
lux nodig. Soms zelfs nog meer, zoals bij operaties.
Diverse experimenten zijn erop gericht samenhang te vinden tussen
hoeveelheid licht en zichtbaarheid, vermoeidheid en fouten bij het
werk. Gebleken is dat de zichtbaarheid toeneemt en de vermoeid-
heid en de hoeveelheid fouten afnemen naarmate men meer licht op
het werk heeft. De maximaal geaccepteerde hoeveelheid licht voor
een gemiddelde situatie, dus geen specialistisch werk, ligt rondom
2000 lux. Hoeveelheden licht hebben een nauwe relatie met de
leeftijd van de betrokken persoon. De gezichtscherpte blijkt nog maar
de helft te zijn op aO-jarige leeftijd ten opzichte van wat men had op
20-jarige leeftijd. Men kan concluderen dat tussen het 40e en 60e
jaar de gezichtsscherpte zeer snel afneemt en wel met 40%. Hoe
ouder men wordt, des te meer licht men nodig heeft voor hetzelfde
werk.
H1. Een raam in een kamer van de Faculteit
Bouwkunde, TU-Delft. Het vlakke stalen
profiel tekent zich donker af tegen de hemel.
H2. Het vlakke horizontale profiel is hier met
lichtgrijs karton afgedekt en het verticale
profiel is door een omhulsel van lichtgrijs
karton expressiever gemaakt. Dit heeft een
gunstige invloed op de lichtspreiding en
vermindert het contrast.
29
11. Nieuwbouw in het havengebied van
Amsterdam, Sumatrakade. Weinig
plasticiteit van de gevels.
12. Interieur met raam over de totale
breedte, waarvan één gedeelte geopend
kan worden. Hoogte en breedte zijn
eerder gekozen voor het uitzicht dan
voor de lichttoetreding.
30
N
... ' \ I
' -0-
//, ....
------fb-. 21
.. .. .., -.....

'I --_

--- &/ .. ,

Bezonning en zonwering
Tot nu toe hebben we gesproken over daglicht bij een volledig
bedekte hemel, als uitgangspunt voor berekeningen. Hoewel op onze
breedtegraad (52°N.B.) er meer dagen zijn met een bewolkte hemel,
is het toch noodzakelijk tegen de zon voorzieningen te treffen.
Wanneer men het aaneengeschakeld rekent zijn er per jaar vier a vijf
maanden zon.
In tropische landen is de zon een bijna constant aanwezige. Dit gaat
samen met een overmaat aan daglicht ( de zon staat gemiddeld
hoog aan de hemel) en aan warmte.
De overmaat rechtvaardigt toepassing van vaste zonweringen. Men
is in deze gebieden nu eenmaal gesteld op schaduw.
In de klimaatgebieden rondom de 50°breedtegraad en noordelijker
wordt de zon zeer op prijs gesteld, tegelijkertijd niet altijd geaccep-
teerd binnen bureaus, in winkels waar voedsel wordt verkocht of
anderszins op plekken waar de zon hinderlijk is of zelfs schadelijk
kan werken. Ook is opwarming, daar waar men lange tijd achtereen
moet zitten, niet altijd even aangenaam. Natuurlijk zijn daarvoor
maatregelen te treffen. Wanneer wij die er niet bij rekenen geeft het
volgende enige indicatie.
Als de zon onbelemmerd op het glas schijnt kan de temperatuur
binnen oplopen tot 35°à 40°. Dubbel glas is gunstig om energie te
sparen in de wintermaanden, in de zomer weert het geen warmte
van buiten. De temperatuur tussen de twee lagen loopt tengevolge
van de zonnestralen tot grote hoogte op. Ook als de zon niet meer
op de ruit schijnt geeft het glas nog warmte naar binnen af.
Vaste zonwering is effectief waar het gaat om het weren van de
warmte, de keerzijde is dat deze voorziening een nadelige invloed
heeft op de hoeveelheid daglicht. En op daglicht zijn wij zuinig.
31
32
Voor het weren van de zon maken wij bij voorkeur gebruik van
voorzieningen aan de buitenkant die bovendien beweegbaar zijn,
zodat wij zelf kunnen regelen of de zon al of niet wordt toegelaten.
Een onbeschermde ruit laat het zichtbare gedeelte van de zonnestra-
len bijna ongehinderd binnenkomen. Door reflecties tegen wanden,
vloeren en alles wat binnen is worden deze omgezet in warmte
(infrarood) stralen. Hierdoor ontstaat de sterke opwarming, het
"broeikas effect".
Zonwering aan de binnenzijde van het glas wordt op deze wijze
opgewarmd en geeft een groot gedeelte hiervan af aan het interieur.
Onder de vormen van vaste - niet regelbare - zonwering hoort het
zonlichtreflecterende glas, dat is glas met een opgedampte laag
(coating) . Als regel wordt deze opgebracht aan de spouwzijde van
een van de ruiten in dubbel glas.
Er zijn coatings die volledig doorzichtig zijn en zich nauwelijks on-
derscheiden van helder glas, in de zin van verkleuring van de buiten-
wereld. Daarnaast bestaan coatings die weliswaar het grootste deel
van het zonlicht terugkaatsen en dus veel warmte buiten houden
maar de buitenwereld verkleuren en een enigszins sombere sfeer
oproepen. Volgens onderzoekingen wordt dit vooral in kantoren als
onaangenaam ervaren. In landen met een veelal bedekte hemel is
vooral het grijze glas niet erg populair om twee redenen: er wordt
licht weggenomen ook in het donkere jaargetijde en de sombere
hemel wordt nog eens benadrukt. De glasindustrie zoekt naar oplos-
singen op dit gebied die zoveel mogelijk de warmte weren en daarbij
zo weinig mogelijk het daglicht reduceren en verkleuren.
Vaak gaat de voorkeur van de opdrachtgever uit naar helder glas in
een combinatie met andere middelen om de warmte te reguleren.
De keuze voor reflecterend glas heeft invloed op de architectonische
vormgeving. Vooral in dichtbewoonde gebieden vallen gebouwen
met deze toepassingen uit de toon.
Een principieel verschil met vaste zonwering zoals luifels en lamellen
is, dat direct zonlicht niet wordt geweerd maar gereduceerd. Die
reductie kan evenzeer verblinding veroorzaken, zodat men in veel
gevallen bovendien beweegbare jalouzieën ziet toegepast, in dat
geval aan de binnenzijde van het raam.
De zonnestralen worden op de meest rechtstreekse manier opgevan-
gen door luifels of balkons boven de ramen. Hiervoor zijn hulpmidde-
Fig. 17
len zoals diagrammen nodig om volgens wens voor een gedeelte van
het jaar op bepaalde uren van de dag - zoals de werkuren in een
kantoor of de lesuren in een school - het glasvlak af te schermen.
Met behulp van deze diagrammen kunnen de maat en de vorm van
de zonwering - in afhankelijkheid van het raam ontwerp en de oriën-
tatie - worden bepaald om aan de gestelde voorwaarde te voldoen.
Afhankelijk van diverse omstandigheden zoals (gedwongen) oriënta-
tie zal dit beter of minder goed lukken.
Er zijn veel variaties in typen zonwering. Zo kan men onderscheid
maken tussen vaste en beweegbare uitvoering. Zonwering kan zich
bevinden aan de buitenzijde of aan de binnenzijde van het glas,
hoewel de laatste optie zoals is aangetoond in de meeste gevallen
weinig effectief is.
Zonwering kan als een apart element worden aangebracht of een
onderdeel vormen van de architectuur, zoals luifels, loggia's en
dergelijke.
In de gespecialiseerde industrie wordt gezocht naar efficiënte
constructies en doelmatige toepassing van nieuwe (goedkope)
materialen.
Wij behandelen hier een aantal vaste en beweegbare varianten die
een gemiddelde vormen van de mogelijkheden in de bouwen het
aanbod van de fabrikant.
Vast aangebrachte (doorgaande) luifels (fig. 17, 18)
Gunstig voor gebouwen in tropische gebieden. De zon beweegt zich
van oost naar west omstreeks het verticale vlak. Noord- en zuid-
gevels kunnen het gehele jaar worden afgeschermd met vaste luifels.
Het daglicht dat wordt onderschept kan hier gemakkelijk worden
gemist.
33
34
Fig. 18
In gematigde gebieden op het noordelijk halfrond zijn deze beperkt
bruikbaar voor zuidgevels: de winterzon kan binnenkomen onder de
luifel door, de relatief hoge zonnestanden rond het middaguur in de
zomer worden geweerd. Wel moeten de luifels aan weerszijden
voorbij het raam doorlopen, anders schijnt de zon in voor- en namid-
dag langs de zijkanten van de luifel naar binnen.
Om volledige schaduw te geven aan ramen op het zuiden gedurende
het gehele jaar dient de luifel te worden aangevuld met een verticaal
element in de vorm van een rooster of een plaat getint glas langs de
rand. Dit belemmert het uitzicht en leidt al gauw tot veellichtverlies,
merkbaar in de donkere maanden.
Andere functies van luifels zijn: het reduceren van verblinding door
de schelle hemel, belangrijk voor ramen van ziekenkamers en het
reduceren van reflecties in etalages.
Vaste verticale elementen eventueel gecombineerd met luifels
(fig. 19)
Deze zijn effectief voor oostelijk of westelijk georiënteerde gevels,
vooral als de verticale elementen zijn gericht naar het noorden om
het zuidelijke zonlicht af te schermen. De elementen kunnen een
onderdeel vormen van de constructieve opzet van het gebouw.
Fig. 19 ~
l---
r---
Fig. 20
Vaste verticale schermen voor de ramen, evenwijdig aan het
gevelvlak (fig. 20)
Dit type kan bruikbare schaduw geven en hitte weren. De keuze van
de hoogte, de afstand tot de gevel en de positie van de onderrand
ten opzichte van het raam hangt af van de gewenst mate van zonwe-
ring.
Een vast louvre-systeem in de vorm van een luifel (fig.21)
Aluminium uitvoeringen worden op maat gemaakt. Het systeem kan
zo worden ontworpen dat evenveel schaduw wordt verkregen als bij
de vaste luifel; het heeft als voordeel dat er nog wat gereflecteerd
daglicht door naar binnenkomt.
D
Een vaste louvre-constructie waarvan het vlak evenwijdig loopt
aan de gevel (fig. 22)
Hierbij is een groot aantal variaties mogelijk in de plaatsing ten
opzichte van de ramen, in de onderlinge afstand en de helling van de
jalouzieën. Er is wel kans op belemmering van het uitzicht.
35
Fig. 22, 23 en 24
Fig.25, 26, 27, 28 en 29
36
Vast verticaal aangebracht geweven gaas van plat draad in van
te voren gekozen invalshoek (fig.23)
Naar wens kan maximale zonwering worden verkregen bij hoge of
lage zonnestanden. De zon kan doelmatig worden geweerd gedu-
rende het gehele jaar.
Draaibare louvres al of niet in combinatie met luifels (fig.24)
De beweegbare louvres vragen periodieke aanpassing aan het
veranderen van de zonnestand. Dit kan automatisch gebeuren door
middel van elektromotoren die worden gestuurd door lichtgevoelige
sensoren.
Het uitzicht wordt belemmerd en er zijn problemen bij het onderhoud
en het schoonmaken. In het algemeen een dure oplossing.
Louvres die kunnen worden opgetrokken (fig. 25)
Meestal worden deze gemaakt van aluminium, elektrisch of met de
hand te bedienen. Nuttig voor gebouwen waar een automatische
controle van het binnenklimaat is gewenst.
'-
'-
L
L
Zonneschermen en markiezen (fig. 26)
In tegenstelling tot zonneschermen zijn markiezen aan de zijkanten
gesloten. Het voordeel hiervan is dat ook lage, zijwaarts invallende
zon wordt geweerd. Een nadeel is, dat de warmte enigszins blijft
hangen onder de markies.
Zonneschermen en markiezen zijn gemaakt van diverse soorten
textiele weefsels, van doorschijnend tot volkomen dicht. Het
toepassingsgebied loopt uiteen van woningen tot utilitaire gebouwen.
Een goede controle op zon en schaduw is mogelijk: men kan zonne-
schermen en markiezen op sombere dagen optrekken. Wanneer ze
bestaan uit volledig ondoorschijnend materiaal en elektronisch
worden geregeld kunnen hinderlijke verschijnselen optreden bij
snelle wisseling van het weer. Het systeem is niet in staat de snelle
overgang te volgen, zodat tijdelijk een donkere ruimte ontstaat.
Verticale rolgordijnen aan de buitenzijde van het raam (fig. 27)
Meestal zijn er geleidingsprofielen aan de zijkanten als bescherming
voor sterke wind. Volledige schaduwwerking is te bereiken met dicht
geweven soorten. Transparante weefsels laten een beperkt uitzicht
toe. Dit betekent wel dat de zon, hoewel getemperd, in het interieur
een zichtbaar zon- en schaduwpatroon blijft veroorzaken. Opvallend
van diffuserende zonweringen is, dat een gelijkmatige lichtverdeling
ontstaat waarbij contrasten worden verminderd.
Horizontale louvres aan de binnenzijde van het glas die kunnen
worden opgetrokken (fig. 28)
Louvres of jalouzieën aan de binnenzijde zijn verkrijgbaar in ver-
schillende soorten en maten.
In neergelaten toestand zijn de lamellen te draaien, van geheel
geopend tot geheel gesloten. Dit kan met de hand gebeuren of met
kleine elektromotoren. In een uitvoering met sensoren die hun
commando's doorgeven aan de motoren wordt de stand van de
lamellen automatisch geregeld al naar gelang de positie van de zon.
De functie is eerder het regelen van het daglicht dan het weren van
de warmte.
Verticale louvres aan de binnenzijde, te draaien of weg te schui-
ven (fig. 29)
De werking is vergelijkbaar met die van de horizontale louvres, zij
zijn hoofdzakelijk te gebruiken voor de tempering van het licht.
37
38
Verticale rolgordijnen aan de binnenzijde van het raam
In wezen zijn twee typen te onderscheiden:
- textiele weefsels van transparant tot zeer dicht zoals beschreven
bij de rolgordijnen aan de buitenzijde, deze weren wel het licht
maar slechts ten dele de warmte.
- weefsels met opgedampte aluminiumlaag, die in staat zijn een
groot deel van het opvallende zonlicht naar buiten te reflecteren.
Hoewel minder effectief dan een goede buitenzonwering kan deze
keuze een oplossing bieden voor die gevallen waarin eisen
worden gesteld aan de warmtewering en buitenzonwering onge-
wenst of onmogelijk is.
Zonlicht reflecterende glassoorten
Enkelvoudige of dubbele beglazing kan van een coating worden
voorzien om de zonnewarmte te weren. Op het blanke glas wordt
door een continu elektromagnetisch procédé een dun laagje metaal-
oxyde aangebracht. De lichtreflectie kan variëren van 10% tot meer
dan 40%. Om beschadiging te voorkomen wordt meestal de reflecte-
rende laag naar de binnenkant van het gebouw gericht. Dit zonlicht-
reflecterende glas geeft door de kleur van de opgedampte laag een
verandering aan het spectrum van het binnenkomende licht.
Er bestaat ook zonlichtabsorberend glas dat door en door gekleurd
is. In de praktijk heeft men bijna altijd te maken met dubbelglas dat
bestaat uit een helder blad en een blad van reflecterend of absorbe-
rend glas.
Wat er ook wordt toegepast, er zal altijd een geringe tot sterke
verkleuring van het licht optreden, In de gegevens die door de
glasfirma's worden verstrekt wordt aan de mate van verkleuring een
getal toegekend, de kleur-index.
De kleur-index van blank dubbel glas is 96%, er treedt nagenoeg
geen verkleuring op. Van de absorberende en reflecterende glas-
soorten kan deze waarde dalen tot 80% voor de bronzen en groene
tinten.
Men is in staat neutrale zilverkleurige reflecterende soorten te maken
met een kleur-index van 93 en hoger. Het is bijzonder belangrijk op
deze waarden te letten voor die omstandigheden waarin verkleuring
niet mag optreden, zoals in musea.
Behalve verkleuring en/of versombering van het licht betekent het
streven om met deze glassoorten de warmte die binnenkomt te
reduceren, een verlies aan daglicht.
Men spreekt niet van lichtverlies maar van lichttransmissie, dat is de
hoeveelheid licht die nog overblijft.
Deze wordt uitgedrukt in de LTA waarde, een internationale codering.
De LTA kan variëren van 0,78 voor dubbel blank glas tot 0,10 of nog
minder voor absorberend of reflecterend glas. Dit betekent dat in het
gunstigste geval 78% van het licht binnenkomt en in het ongunstigste
geval minder dan 10%. In het algemeen wordt gestreefd naar het
ontwikkelen van coatings die zoveel mogelijk licht doorlaten bij een
zeker vermogen om de warmte te weren.
Wanneer om de een of andere reden in een plan wordt overgegaan
tot het toepassen van een dergelijke glassoort, verdient het aanbeve-
ling zeer zorgvuldig tewerk te gaan bij de keuze, door bestudering
van documentatie en het bekijken van glasmonsters. Vaak is het een
zoeken naar en compromis tussen de eisen die de adviseur voor de
klimatisering stelt aan de reductie van de binnenkomende warmte en
de voorwaarden die de ontwerper dient te stellen aan de kwaliteit en
de kwantiteit van het licht.
Voor het dimensioneren van elementen om de zon te weren kan
gebruik worden gemaakt van verschillende soorten diagrammen.
Uitgaande van de oriëntatie van de betreffende gevel en de eis die
men stelt aan het gedeelte van het jaar en de perioden van de dag
dat de zon moet worden geweerd, vindt men langs grafische weg de
vorm en afmetingen. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar de
vakliteratuur. Ook zijn er diverse computerpropramma's te gebruiken.
Een hulpmiddel is ook de bezonningssimilator in het lichtlaboratorium
van de faculteit Bouwkunde.
Met behulp van een maquette kan men - meer proefondervindelijk -
experimenteren met verschillende vormen van zonwering.
39
Aantekeningen
_ .._---_. __ .. _._----_._---
40
Normen en aanbevelingen op het gebied van
daglicht
In de periode na de tweede wereldoorlog, de tijd van de wederop-
bouw, werd de behoefte gevoeld kwaliteitseisen vast te leggen
waarbij de aandacht voorlopig tot woningen bleef beperkt. Dit in
verband met de urgentie en het grote belang van de naoorlogse
woningbouw en met het gevaar, dat het woningtekort door het
streven naar kostenbeperking en naar versnelling van de woningpro-
ductie zou leiden tot een ongeoorloofde daling van het kwaliteitspeil.
Het was voor het eerst dat besloten werd de eisen niet alleen te
richten op de technische aspecten maar ook op het gebied van de
bouwfysica, hoewel dat woord toen nog niet werd gebezigd.
Er werden commissies ingesteld voor Thermische eigenschappen en
ventilatie, Geluidwering en Verlichting. Wat het laatste punt betreft
ging het uitsluitend om dagverlichting.
De volledige titel van de norm voor dagverlichting luidde: Natuurkun-
dige grondslagen voor bouwvoorschriften, Deel 11, Dagverlichting van
woningen. Als de V 1069 (eigenlijk een voorlopige norm) heeft deze
jarenlang dienst gedaan voor het vaststellen van het minimaal
toelaatbare glasoppervlak.
De essentie van de norm was, dat in een drietal meetpunten, gele-
gen op 2 meter achter het (hoofd)raam een zekere eis werd gesteld
aan de hemelfactor. Onder de hemelfactor werd daarbij verstaan de
hemelcomponent voor een hemel die overal dezelfde helderheid
heeft.
De minimale waarden van de hemelfactor - uitgedrukt in procenten -
was afhankelijk van de diepte van het vertrek en het gebruik ervan.
Onderscheid werd gemaakt tussen woonkamer, slaapkamer en
keuken.
41
42
Hoewel terugkijkend kan worden geconstateerd dat de norm op een
vernuftige manier was samengesteld werd steeds meer de behoefte
gevoeld aan een nieuwe norm. Een belangrijke reden was, dat de
bouw in het algemeen en zeker ook de woningbouw van rechttoe
rechtaan doorzonwoning of rechthoekige kamer met raam steeds
maar variatie te zien gaf in vorm en plaats van de lichtopeningen,
zoals hellend glas, serres en dergelijke.
Een andere reden is, dat het streven naar minimalisering van
energieverbruik zou kunnen leiden tot beperking van de raamgrootte
en daarmee van het daglicht in de woning. Tenslotte bestond onze-
kerheid over de relatie tussen het voldoen aan de eisen van V 1069
en de tevredenheid van de bewoners.
Wat dit laatste punt betreft heeft het Bouwcentrum in 1979 meer dan
duizend huishoudens geënquêteerd, waarbij is gekozen voor een-
gezinswoningen met onderling verschillend karakter.
Enkele conclusies getrokken uit de analyses:
- er bestaat een nauw verband tussen het bewonersoordeel en de
feitelijke daglicht toetreding
- er is een duidelijk verschil in waardering van het daglicht voor
woonkamers, andere kamers en keukens
- er zijn geen grote verschillen in samenhang bij de toepassing van
de verschillende daglichtgrootheden:
eenvoudige beschrijvingsmethoden verklaren evengoed als
ingewikkelde
Op grond van deze ervaring is bij het ontwikkelen van de nieuwe
norm gekozen voor de verhouding glasoppervlak/vloeroppervlak als
grootheid. De lichttechnische betekenis van deze grootheid is, dat ze
de binnentredende lichtstroom ten opzichte van het vertrekoppervlak
geeft.
In de daglichtkamer (kunstmatige hemel) van de Faculteit Bouw-
kunde is onderzoek gedaan met behulp van maquettes om de
invloed na te gaan van diverse vormen van belemmeringen op het
gemeten en subjectief waargenomen daglichtniveau.
Op basis van ruim 650 waarnemingen zijn correctiefactoren afgeleid.
Deze factoren (met een maximale waarde van 1) corrigeren de
glasoppervlakte van een raam voor de invloed van externe belemme-
ringen.
Uit de eis van de norm volgt dat voor een gegeven ruimte een
minimaal glasoppervlak wordt gevraagd. Dit is de werkelijke opper-
vlakte van de ramen, op genoemde wijze gecorrigeerd. De totale
gecorrigeerde glasoppervlakte wordt in de norm equivalente daglicht-
oppervlakte genoemd.
In het ontwerpstadium bestond de norm uit twee gedeelten: de
minimale eisen en een bepalingsmethode om daaraan te voldoen,
ook in gecompliceerde situaties.
In de eis werd, gebaseerd op het bewonersoordeel , onderscheid
gemaakt tussen woonkamer, keuken en andere kamers, aangevuld
met voorwaarden voor gemeenschappelijke verkeersruimten en
portalen en gangen binnen de woning.
De afronding van de werkzaamheden van de normcommissie viel
samen met de totstandkoming van het Bouwbesluit, waarop later
wordt ingegaan.
Om de norm een plaats te geven in het Bouwbesluit werd overeen
gekomen een verkorte versie als eerste te laten verschijnen. Inmid-
dels is deze verkorte bepalingsmethode de standaardnorm geworden
waarnaar wordt verwezen in het Bouwbesluit. Wat betreft de invloed
van belemmeringen die het daglicht reduceren beperkt de verkorte
methode zich tot overstekken en overstaande belemmeringen.
De titel is:
NEN 2057 "Daglichtopeningen van gebouwen"
Bepalingsmethode voor de equivalente daglichtoppervlakte van
daglichtopeningen.
Bouwbesluit
Het Bouwbesluit is in 1992 in werking getreden. Als Algemene
Maatregel van Bestuur regelt het krachtens de Woningwet de techni-
sche voorschriften op het gebied van (brand)veiligheid, gezondheid
en energiezuinigheid van woningen en andere gebouwen. Het
Bouwbesluit verwijst naar normen, die daarmee een onderdeel
worden van de wettelijke bouwregelgeving. Zo worden eisen gesteld
met betrekking tot de daglichttoetreding.
Tegenover het aanvankelijke uitgangspunt van de norm, onderscheid
te maken tussen woonkamer, keuken en andere kamers wordt in het
Bouwbesluit een eis gesteld aan de equivalente daglichtoppervlakte
van 10% voor de lege, niet met wanden ingevulde ruimte. Dit geldt
per etage, waarbij voor elke in te vullen onderverdeling een glas-
oppervlak wordt vereist van tenminste 0,5 m2 per verblijfsruimte.
43
44
Verder maakt het Bouwbesluit onderscheid tussen belemmeringen
voor de lichtopening op eigen terrein en belemmeringen daarbuiten.
Alleen de belemmeringen op eigen terrein kunnen leiden tot correctie
(vergroting) van het glasoppervlak, terwijl belemmeringen teweeg
gebracht door bebouwing daarbuiten niet in rekening worden ge-
bracht.
De normcommissie kon daarin niet meegaan, omdat tenslotte een
belemmering zonder meer kan werken als onderschepper van het
daglicht. Wanneer hier tegenover geen verantwoordelijke stedebouw-
kundige bepalingen komen te staan inzake maximaal toelaatbare
belemmeringshoeken, kan dit leiden tot een ongewenste dichtheid
van de bebouwing.
Samenvattend ziet de eis uit het Bouwbesluit, waarin wordt verwezen
naar de NEN 2057 er als volgt uit.
Het equivalente daglichtoppervlak wordt met de volgende formule
berekend:
Ac = Ad x Cb x Cu
Ac = de equivalente daglichtoppervlakte
Ad = de doorlaat van een daglichtopening waarbij rekening is
gehouden met eventuele overstekken
Cb = de belemmeringsfactor, deze wordt gebruikt om de invloed te
verdisconteren van overstekken, overstaande belemmeringen
en aanbouwen die de toetreding van daglicht beperken:
(alleen belemmeringen op eigen terrein worden in rekening
gebracht)
Cu= de uitwendige reductiefactor welke een rol speelt in de
daglichttoetreding die plaatsvindt via een andere ruimte, zoals
bijvoorbeeld een serre
Voor het bepalen van Cb en Cu moeten eerst twee andere factoren
worden bepaald, namelijk alpha en bèta. Via een tabel kunnen dan
de waarden voor Cb en Cu worden afgelezen.
bovenkant van
de doorlaat
- _____ onderkant van
de doorlaat ten
belemmering
projectievlak -----:)I
minste 0,6 m
Belemmeringshoek a voor een belemmering bij een verticale daglichtopening
belemmering
projectievlak
l
Als de belemmeringen niet overal even hoog zijn, wordt
a bepaald als gemiddelde van de belemmeringshoek
binnen de zes deel hoeken van 10
0
l
De hoek waarbinnen belemmeringen in aanmerking
worden genomen bij de bepaling van de belemmeringsfactor
I
overstek
"-
I

bovenkant van
de doorlaat
midden tussen bov enk
onderkant van de doo
onderkant van
de doorlaat
ant en
rlaal
projee lievl ak
l
ten minste 0,6 m
I
Belemmeringshoek voor een overstek bij een
verticale daglichtopening
Voor verdere studie en de toepassing wordt verwezen naar de norm
NEN 2057, uitgave 1991 en paragraaf 5 uit het Bouwbesluit
"Daglichttoetreding" .
45
46
Arbeidsomstandighedenwet
Reeds in dertiger jaren verscheen de "Veiligheidswet 1934". Aanpas-
sing aan de eisen van de tijd deden de Arbeidsomstandighedenwet
(ARBO-wet) ontstaan. In 1994 verscheen een gewijzigde versie en in
1998 is een ontwerp-ARBO-wet in behandeling genomen.
Een van de doelstellingen van de wet is, de arbeid te "humaniseren".
De Arbeidsomstandighedenwet reikt verder dan aspecten van veilig-
heid en gezondheid voor de werknemer in zijn arbeidsomgeving.
Doelstelling is ook "het geestelijk en lichamelijk welzijn van de
(individuele) werkende mens te bevorderen, waardoor een gunstig
arbeidsklimaat kan worden verkregen".
Bij Algemene Maatregel van Bestuur is per juli 1997 het Arbeids-
omstandighedenbesluit van kracht geworden.
Het doel hiervan is de uniforme handhaving van de ARBO-wet te
bevorderen, gecontroleerd door de Arbeidsinspectie. Wij beperken
ons hier door een gedeelte weer te geven van het hoofdstuk dat
handelt over verlichting.
Arbeidsomstandighedenbeslu it
Hoofdstuk 6, Fysische factoren, afdeling 2 verlichting.
Artikel 6.3 Daglicht en kunstlicht
1. Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende
de aanwezigheid van werknemers door daglicht, door kunstlicht of
door beide voldoende en doelmatig verlicht.
2. Het kunstlicht is zodanig aangebracht dat gevaar voor ongevallen
is voorkomen.
3. De voor kunstlicht gebruikte kleur mag de waarneming van de
veiligheids- en gezondheidssignalering, bepaald bij of krachtens
afdeling 2 van hoofdstuk 8, niet wijzigen of beïnvloeden.
Artikel 6.4 Daglicht
1. In een uitwendige scheidingsconstructie van een besloten ruimte
waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid
wordt verricht, zijn doorzichtige lichtopeningen aangebracht
waardoor daglicht kan toetreden. Het gezamenlijk oppervlak van
de lichtopeningen bedraagt tenminste 1/20 van het vloeroppervlak
van die ruimte
2. De lichtopeningen mogen zich ook bevinden in de inwendige
scheidingsconstructie van de besloten ruimte, voorzover de
constructie niet de scheiding vormt met een andere besloten
ruimte als bedoeld in het eerste lid of met een ruimte als bedoeld
in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 5. (Bedoeld zijn
ontspanningsruimten, nachtverblijven, kleedruimten, was-
gelegenheden en doucheruimten, toiletten, eerste-hulp posten).
3. Het eerste of tweede lid geldt niet indien daaraan redelijkerwijs
niet kan worden voldaan. In dat geval wordt het vereiste mini-
mum oppervlak aan lichtopeningen zo dicht mogelijk benaderd.
At1ike/6.5 Weren van zonlicht
In een besloten ruimte waar arbeid wordt verricht kan rechtstreeks
invallend zonlicht worden geweerd.
Arbobeleidsregels
De Arbobeleidsregels verwijzen naar normen op het betreffende
gebied. In principe wordt voldaan aan de eisen, gesteld in het
Arbeidsomstandighedenbesluit indien de aanbevelingen in de norm
worden gevolgd.
Op het gebied van de (kunst)verlichting wordt verwacht, zich te
baseren op de NEN 3087 "Visuele ergonomie in relatie tot verlichting
- principes en toepassingen", 2e druk, september 1997.
Voor verdere informatie wordt verwezen naar de publicatie
"Arbeidsomstandighedenwet (ARBO-wet) 1994"
47
Aantekeningen
------- ----
.... _. __ ... __._-_.._ ..._ ... _ ....- .... - ....._ ... ........._ ... _._.......... _ .. _ ... _ ......... _ .............••......_ ......••••.... _ •.•.•••......•... ..•.•. _ . ~
.. _._ ...•. _-_ ...•.•. _--_._--- - ._-_ ..••_---
48
Computerprogramma's voor
dag lichtbereken i ng
In de afgelopen jaren is een ontwikkeling te zien op het gebied van
computerprogramma's voor daglichtberekeningen. Deze zijn in het
algemeen gebaseerd op het werken met de ons bekende standaard
bedekte hemel.De rekenmethodes berusten op de combinatie van
het directe aandeel van de zichtbare hemel (hemelcomponent) en
het gereflecteerde aandeel (interne reflectiecomponent). Uit vergelij-
kend onderzoek tussen een aantal programma's blijkt dat de resulta-
ten redelijk overeenkomen voor een eenvoudige rechthoekige ruimte
met een raam in een wand en lage of gemiddelde reflectiefactoren.
Bij extreem hoge reflecties van wanden, vloer en plafond (een "witte
ruimte") kunnen opmerkelijke verschillen optreden in de reken-
resultaten. Dit heeft te maken met het feit dat voor de berekening van
het indirecte aandeel verschillende rekenalgoritmen worden gebruikt.
De tot nu toe gangbare programma's zijn evaluatiemethoden: men
ontwerpt een lichtopening en gaat na of dit aan de gestelde voor-
waarden voldoet.
Een internationale ontwikkeling is het zoeken naar een nieuwe
klasse van programma's die een directe hulp vormen bij het ontwer-
pen: men stelt eisen aan het daglicht en het programma geeft moge-
lijke oplossingen voor plaats en afmetingen van de lichtopeningen.
De programma's kunnen bijvoorbeeld worden geïntegreerd met
autocad.
Wie meer wil weten over computerprogramma's op het gebied van
dagverlichting kan terecht bij de verschillende multimedia.
Zo is er een programma, waarin de relatie wordt gelegd tussen
raamvorm, raamplaatsing en lichtverdeling, op Internet te vinden, dat
is ontwikkeld op de faculteit Bouwkunde van de TUE, onder:
bf.fago.bwk.tue.nl/daylight
49
50
Aanbevolen literatuur
Atrium Buildings - Development and
Design
Richard Saxon
The Architectural Press, London (1986
2nd edition)
Daylighting Design and Analyses
Claude L. Robbins
Van Nostrand Reinhold Co., New Vork
(1986)
Concepts and Practice ol architectural
Daylighting
Fuller Moore
Van Nostrand Reinhold Co., New Vork
(1991 )
Sunlighting as lormgiver lor architecture
William M.C. Lam
Van Nostrand Reinhold Co., New Vork
(1986)
Simulating Daylight with architectural
Models
Marc Schiler e.a.
DMMA/Schiler, Los Angeles
Tageslicht & Architektuur
Dagmar Becker Epsten
Verlag C.F. Müller, Karlsruhe (1986)
Het simuleren van daglicht
Christa van Santen, ir. A.J. Hansen
Faculteit der Bouwkunde, Delft (1989)
Windows and Environment
Pilkington Brothers Limited (1969)
Daylighting
R.G. Hopkinson e.d.
Heinemann, London (1966)
Principles ol Natural Lighting
JA Lynes
Elsevier, Amsterdam (1968)
Daylight in Architecture
Benjamin H. Evans
Architectural Record Books, (1981)
Mc Graw-Hill Book Company, USA
Zichtbaar maken van schaduwpatronen
Christa van Santen, ir. A.J. Hansen
Faculteit der Bouwkunde, Delft (1989)
Daglicht Kunstlicht, een leidraad
Christa van Santen, ir. A.J. Hansen
Delft University Press (1989)
Daylight Performance ol Building
James + James (1999)