You are on page 1of 4

Rome, 19 februari 2020

VASTENBRIEF 2020
“DE TRANSFORMERENDE KRACHT VAN HET GEBED”

Beste zusters en broeders in Sint Vincentius,

De genade en vrede van Jezus zij altijd met ons!

In deze vastentijd blijven we nadenken over de grondslagen van de spiritualiteit van


de H. Vincentius a Paulo. Wat de H. Vincentius tot een mysticus van de caritas heeft
gemaakt, is het feit dat het gebed centraal stond in zijn leven. Hoe begrijp ik het gebed?
Wat betekent het gebed voor mij?

Afhankelijk van het antwoord kan het gebed enerzijds een last worden die dag na dag
moet worden vervuld. Het kan een reeks teksten, formuleringen, lichaamshoudingen
en regels zijn die ik moet volgen. In dat geval wordt het gebed uiteindelijk nutteloos,
iets wat me persoonlijk niet aanspreekt, geen deel uitmaakt van de realiteit van mijn
leven. De H. Vincentius zei echter “dat er niet veel te verwachten was van een man die niet
graag met God spreekt. En verder, als men de Heer niet dient zoals het zou moeten, dan is dat
omdat men niet voldoende gehecht is aan God, en zijn genade niet met volle
vertrouwen heeft gevraagd.”1

Anderzijds, als het gebed onmisbaar wordt voor mijn leven, iets wat onlosmakelijk
verbonden is met mijn persoon, met wat ik denk, zeg en doe, dan wordt het een
transformerende kracht. Het gebed is een gemoedstoestand, een voortdurende relatie
met Jezus die betekenis geeft aan mijn bestaan. Ik vind er de oriëntatie van mijn leven,
mijn roeping, mijn missie en de antwoorden op de vragen die zich in mijn leven
voordoen. Omdat het gebed zijn bron in God heeft, maakt zijn transformerende kracht

1 Louis Abelly, « La vie du vénérable serviteur de Dieu Vincent de Paul », Boek III, hoofdstuk zes, p. 50
in mij voortdurend “alles nieuw”. De transformerende communicatie is de natuur van
God.

“God, wanneer hij zichzelf wil meedelen, doet dat moeiteloos, op een gevoelige
manier, heel zacht, zoet, verliefd; laten we hem daarom vaak en met veel
vertrouwen om dit geschenk van het gebed vragen. God van zijn kant vraagt
niet liever; laten we tot Hem bidden, maar met veel vertrouwen, en laten we
er zeker van zijn dat Hij het ons uiteindelijk zal schenken, door zijn grote
barmhartigheid.”2

Het gebed is de plaats waar ik Jezus ontmoet, waar ik met Jezus spreek, waar ik naar
Jezus luister en deel met Jezus. Hier stel ik vragen aan Jezus, waar ik mezelf in alle
vertrouwen aan Hem overlever. Als ik alles wat ik denk, zeg en doe realiseer in een
persoonlijke relatie met Jezus, dan worden al mijn gedachten, woorden en daden
gebed. Ik sta voor Iemand. Ik ben met Iemand. Ik spreek, luister en deel met Iemand
die “de Liefde” van mijn leven is en op wie ik vurig verlang te gelijken. Zo’n relatie
vereist nederigheid om mezelf voor Hem open te stellen en Hem het recht te geven
mijn leven te leiden.

“Geloof me, mijn heren en broeders, geloof me, het is een onfeilbare stelregel
van Jezus Christus, die ik u vaak van zijnentwege heb verteld, dat zodra een
hart leeg is van zichzelf, God het vult; het is God die erin woont en handelt;
en het is het verlangen van de schaamte die ons van onszelf leeg maakt, het is
de nederigheid, de heilige nederigheid. Dan zullen niet wij handelen, maar
God in ons, en alles komt goed.”3

Dag of nacht, of ik wakker ben of in slaap, ik blijf dus voortdurend in contact met
Jezus, in voortdurend gebed. Dat is de betekenis van de aansporing van Sint Paulus
tot de Thessalonicenzen: “bid onophoudelijk”4 of de oproep van de H. Vincentius aan de
Dochters van Liefde: “... bid, als je kunt, op elk uur, of stop zelfs helemaal niet met te bidden,
want het gebed is zo uitstekend dat men het niet te veel kan doen.”5 Alles wordt gebed en
alles wordt Liefde wanneer mijn grootste zorg deze goddelijke relatie is.

“Jezus Christus heeft gezegd: Zoek allereerst het koninkrijk van God en zijn
gerechtigheid, en al deze dingen, die je nodig zult hebben, zullen je erbij
worden gegeven. Dat is de basis voor ieder van ons die de volgende
prioriteiten heeft: de geestelijke dingen die betrekking hebben met onze relatie
met God zijn belangrijker dan de tijdelijke zaken; de spirituele gezondheid is
belangrijker dan de lichamelijke, de eer van God is belangrijker dan menselijke
bevestiging.”6

2 Coste XI, 221-222; conferentie 129, repetitie van het gebed van 4 augustus 1655
3 Coste XI, 312; conferentie 141, “Over de priesters” [september 1655]
4 1 Thessalonicenzen 5,17
5 Coste IX, 414; conferentie 37, “Over het gebed”, 31 mei 1648
6 Gemeenschappelijke regels voor de Congregatie van de Missie, hoofdstuk II, 2 (17 mei 1658)
Inderdaad, het gebed transformeert mijn waardenhiërarchie en mijn relatie tot de
mensen, objecten, plaatsen en tijd. Mijn prioriteiten worden anders dan die van de
wereld, zelfs als ik er woon. De brief aan Diognetes geeft een beschrijving van de eerste
christenen die ook op mij van toepassing zou moeten zijn:

“De christenen onderscheiden zich, noch door het land, noch door de taal,
noch door de gewoonten van andere mensen. Want ze wonen niet in hun
eigen steden, gebruiken geen buitengewoon dialect, hun manier van leven is
niet speciaal. Hun leer is niet gebaseerd op verbeelding of de droom van
angstige geesten; zij maken zichzelf niet, als zovele anderen, kampioenen van
een leer van menselijke oorsprong.

Ze bewonen de Griekse steden en de barbaarse steden elk volgens zijn lot; ze


voldoen aan de lokale gebruiken wat betreft kleding, voedsel en de rest van
hun bestaan, terwijl ze de buitengewone en echt paradoxale wetten van hun
manier van leven manifesteren. Ze wonen elk in hun eigen vaderland, maar
als vreemdelingen die er gehuisvest zijn. Ze vervullen al hun plichten als
burgers en dragen alle lasten als vreemden. Elk vreemd land is hun vaderland
en elk vaderland is voor hen als een vreemd land. Ze trouwen zoals iedereen,
ze hebben kinderen, maar ze laten hun pasgeboren baby’s niet achter. Ze delen
hun maaltijd, maar niet hun vrouwen. Ze leven in het vlees, maar ze worden
niet beheerst door de verlangens van het vlees. Ze brengen hun leven op aarde
door, maar ze zijn hemelse burgers. Ze gehoorzamen aan de gevestigde wetten
maar hun manier van leven is perfecter dan de wetten.

Ze houden van iedereen, maar iedereen vervolgt hen. Men kent ze niet, maar
men veroordeelt ze; men doodt ze, maar zo vinden ze opnieuw het leven. Ze
zijn arm maar maken velen rijk. Ze zijn behoeftig, maar ze hebben alles in
overvloed. Ze worden veracht, maar in die minachting vinden ze hun glorie.
Ze worden belasterd, maar vinden er hun rechtvaardiging. Men mishandelt
ze, maar zegening is hun antwoord. Eerbied is hun antwoord op belediging.
Als ze het goed doen, worden ze gestraft als misdadigers. Terwijl ze worden
gekastijd, verheugen ze zich alsof ze de gave van het leven ontvangen.”7

De hierboven beschreven christenen zouden nooit hebben kunnen overleven, trouw


kunnen gebleven zijn, ongelooflijk lijden en vervolging hebben overwonnen en in alle
omstandigheden getuige tot de dood zijn geweest, als hun gebedsleven geen diepe
relatie was geweest met de Liefde van hun leven. Jezus was hun alles en begeleidde
daarom al hun keuzes. Dit houdt in dat we Hem kennen en “in Zijn geest binnentreden”,
volgens de raad die de H. Vincentius aan zijn medebroeders gaf:

“Bij gelegenheid vroegen we ons af: “Hoe oordeelde onze Heer over deze en
gene zaak? Hoe gedroeg hij zich bij deze of gene ontmoeting? Wat zei hij en

7 Lezingendienst, woensdag van de vijfde week van Pasen, hoofdstuk 5, “Christenen in de wereld”
wat deed hij rond deze of gene onderwerpen?” Zodat we heel ons gedrag
zouden aanpassen aan zijn stelregels en voorbeelden. Laten we daarom deze
beslissing nemen, heren, en laten we gerust op deze koninklijke weg gaan,
waar Jezus Christus onze gids en onze leider zal zijn; en laten we ons
herinneren wat hij zei: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn
woorden en Zijn waarheden zullen nooit voorbijgaan” (vgl. Mattheüs 24,35).
Broeders, laten we onze Heer zegenen, en laten we proberen te denken en te
oordelen zoals Hij, en doen wat Hij door Zijn woorden en door Zijn
voorbeelden heeft aanbevolen. Laten we in Zijn geest binnenkomen om Zijn
werken binnen te gaan; want het volstaat niet het goede te doen, maar het
moet goed gedaan worden, in navolging van Onze Heer, van wie gezegd
wordt: Bene omnia fecit, dat Hij alles goed heeft gedaan (vgl. Marcus 7 , 37).
Nee, het is niet voldoende om te vasten, de regels na te leven, zich bezig te
houden met de functies van de missie; maar het moet gebeuren in de Geest
van Jezus Christus, dat wil zeggen met perfectie, voor de doeleinden en op de
manier Hij zelf heeft gedaan.”8

Een voorbeeld van Jezus dat ik moet aannemen betreft zijn gebed. Jezus bad vaak door
zich terug te trekken op een eenzame plaats waar hij alleen kon blijven met God de
Vader. Door de geschiedenis heen en tot op de dag van vandaag, hebben veel heiligen
en andere christenen tijd genomen van hun dagelijkse verplichtingen en diensten om
naar de “woestijn” te gaan om alleen met Jezus te zijn, en ze doen dat nog.

Kan ik naast het gebed, dat ik al dagelijks, wekelijks, maandelijks of jaarlijks in


gemeenschap of individueel beoefen, andere manieren vinden om naar de “woestijn”
te gaan, om mijn intieme relatie met Jezus te verdiepen? De woestijn kan een plek zijn
waar ik fysiek naartoe ga, of een gemoedstoestand die geen concrete plek is. Waar kan
ik deze woestijn vinden? Hoe vaak kan ik daarheen gaan? Hoe lang kan ik daar
blijven?

Moge ons gebed een geschenk worden dat we elkaar aanbieden. Laten we getuigen
zijn van de “transformerende kracht van het gebed”.

Je broer in de H. Vincentius,

Tomaž Mavrič, CM,


Voorzitter van het uitvoerend comité van de Vincentiaanse familie

Vertaling: Generale Diensten Broeders van Liefde

8 Coste XI, 52-53; conferentie 35, “Over de voorzichtigheid”