You are on page 1of 3

Aardrijkskunde H4 Het Nederlandse landschap, paragraaf 1;

Visuele benadering: alles wat je waarneemt als je vanuit een bepaald punt een gebied overziet.
Natuurlijke bouwstenen vormen de basis; daarin zit al de nodige variatie. Tot de belangrijkste
hoort reliëf, de grondsoort en bodem, het klimaat en de flora en fauna nu cultuurlandschap.
Bij het ontstaan van het cultuurlandschap speelde de landbouw een hoofdrol; belangrijke
menselijke bouwstenen zijn daarom het bodemgebruik en de verkaveling. Daarnaast zijn ook
de bewoningsvorm en de infrastructuur belangrijk.
- Met de term bodemgebruik wordt meestal het agrarisch bodemgebruik bedoeld.
- Verkaveling; de manier waarop een gebied in afzonderlijke stukjes is verdeeld; blok- stroken-
en modern-rationeleverkaveling.
- Bewoningsvorm; de manier waarop woningen en nederzettingen in het landschap zijn
gegroepeerd.
Onderscheid tussen dorp en stad wegdorp; de bebouwing ligt in een rechte lijn langs een
dorp/weg/dijk of kanaal, geconcentreerd dorp; ligt alles op een kluitje.
- infrastructuur; alle voorzieningen die nodig zijn voor de verbindingen tussen plaatsen( i,p,g)
In de menselijke bouwstenen hebben zich na 1900 belangrijke veranderingen voorgedaan:
- tot ongeveer 100 jaar geleden werd het bodemgebruik bepaald door eigenschappen van
de bodem zoals zand; van nature onvruchtbaar voor de akkerbouw; bemesten) de
veeteelt stond dus in dienst van de akkerbouw. Veengebieden waren weer te nat voor
akkerbouw; alleen veeteelt mogelijk.
- Tegenwoordig zijn boeren veel minder afhankelijk van het soort bodem. Kunstmest
verbetert de vruchtbaarheid van de bodem ook de grondwaterstand kan worden
geregeld. Bijna elke agrarische productie kan op bijna elke grond worden uitgeoefend.
Gevolgen van het uiterlijk van het landschap:
- Vroeger werd de verkaveling aangepast aan de natuurlijke omstandigheden, gevolg: kavels
kregen onregelmatige vormen.
- Tegenwoordig wordt de verkaveling aangepast aan de mogelijkheden van de
landbouwmachines; grote rechthoekige land waarop efficiënt kan worden gewerkt;
motenrationele verkaveling.
De bewoningsvorm is op twee manieren veranderd:
- door suburbanisatie veranderde het uiterlijk van veel dorpen; sinds 1960 zijn veel
woonwijken uitgebreid die tegen het nieuwe dorp aangeplakt, ongeveer allemaal het
zelfde
- de steden groeiden na 1950 steeds verder; nieuwe steden in het landelijk gebied:
groeikernen.
- Tegenwoordig worden nieuwe woningen zoveel mogelijk dichtbij de stad gebouwd.
De wegen, de dijken en de waterlopen in NL kennen twee hoofdvormen; een deel loopt niet
volgens een rechte lijn door het landschap; oude infrastructuur. Tegenwoordig is men niet
meer afhankelijk van de natuur; gaat erom dat je zo doelmatig mogelijk van het ene punt naar
het andere punt gaat;rechtlijnigeI.
Bij de veranderingen in b,v,b en i heeft de regionale schaal plaats gemaakt voor een nationale
of zelfs internationale schaal; het streekeigene verdwijnt.
De verschillen tussen bouwstenen worden kleiner; nieuwe woonwijken zien er overal in NL het
zelfde uit en in de landbouw rukt de modern-rationele verkaveling op ; alle boeren willen grote
kavels.
Toch ontstaan er ook nieuwe verschillen; de rol van verstedelijking is toegenomen. Er kwam
een einde aan de sterke scheiding tussen platteland en stad. Natuur en recreatie bepalen de
inrichting en daarmee het uiterlijk van het landschap.
- Het pleistoceen werd gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden(glacialen) en warmere
perioden(interglacialen). Tijdens een glaciaal daalde de gemiddelde temp. op de wereld een
aantal graden Celsius, gevolg: veel water werd opgeslagen in de vorm van (land) ijs. De
gletsjers in o.a. Scandinavië breidden zich dan uit naar het zuiden.
In het hele pleistoceen is dat een keer of tien gebeurd. Tenminste tijden één van de ijstijden
bereikte het ijs zelfs NL; Saaleijstijd; lag het noorden onder een laag van ijs (150 m!) voor;
preglaciaal, postglaciaal.
>Preglaciaal; In het zuidoosten stroomden de rivieren brij snel; kwam door het daar aanwezige
reliëf

Daardoor werden alleen de zwaardere afzettingen zoals grind en grof zand afgezet.
Naarmate de rivieren noordelijker kwamen, daalde de stroomsnelheid, in de kustvlakken
werden tientallen meters dikke lagen fijn zand en klei afgezet, deze rivierafzettingen worden de
puinwaaier genoemd.
> Het Saale: In de droge rivierdalen ondervond het de minste tegenwerking; snelst. In de loop
van het Saale werden de gletsjers breder en hoger waardoor de rivierdalen werden uitgediept.
Wanneer later het ijs is verdwenen houd je op de plek waar het ijs lag tongbekkens over; een
door het landijs uitgediept rivierdal(de Gelderse Vallei)/ Door de druk van het ijs werden de
zijkanten van de rivierdalen opzij geduwd. Op deze manier ontstonden stuwwallen(Veluwe)
Het ijs nam veel stenen mee, werden gedeeltelijk onder het ijs verpulverd; keileem; een
mengsel van tot leem vermalen keien vermengd met nog heel gebleven stenen, zwerfstenen.
> postglaciaal; het gebied van het huidige NL en de huidige Noordzee maakte deel uit van een
poolwoestijn; de ondergrond bevroor tot enkele metersdiep, daardoor droogde de bovenlaag
uit en kon de wind het losse zand wegblazen, zo werd over de keileem, de stuwwallen en de
puinwaaier een laag dekzand neergelegd.
Het fijnere zand, eigenlijk meer stof, werd hoger in de lucht geblazen, in heuvelachtige gebied
werd de kracht van de wind gebroken en zakten de stofdeeltjes naar beneden.(Limburg); löss.
Vooral dekzand in Oost- en Zuid-Nederland,tot ong. 1900 landbouwsysteem ; veeteelt in dienst
van akkerbouw.
- Op de zandgronden woonden de meeste mensen bij elkaar in een dorp; vaak op de overgang
van natte, lage gronden naar hoge, droge zandgronden.
De akkers(essen in D en T, engen in U en G) lagen in de buurt van de dorpen. Van nature
waren deze zandgronden onvruchtbaar en was bemesting noodzakelijk werd geleverd door
schapen en koeien.
De dieren graasden op gemeenschappelijke weidegrond; groengronden(graslanden) die bij
riviertjes lagen.
De schapen haalden hun voedsel van de heide, de woeste gronden mest werd vermengd met
heideplaggen en bosstrooisel; als er genoeg mest was opgespaard, werd dit verdeeld over de
es.
Na jaren bemesten had dit tot gevolg dat het bouwland hoger kwam te liggen dan de
omgeving.
- Na 1900 verdween op de zandgronden dit karakteristieke landbouwsysteem; door de
toename van de bevolking werden steeds meer akkers ontgonnen waardoor er weinig
woeste grond over bleef voor de schapen kunstmest; veel heidevelden werden
ontgonnen tot nieuwe akkerbouwgrond.
- Na 1950 komt de akkerbouw steeds meer in dienst van de veeteelt te staan; op de
zandgronden specialiseert men zich in de bio-industrie.
B111 bestaansmiddelen ;
- primaire sector; bestaansmiddelen die hun regelrecht uit de natuur halen; landbouw,
visserij.
- Secundaire sector; zorgen voor verwerking van primaire producten ; industrie,
elektriciteitB.
- Tertiaire sector ; bedrijven die diensten verlenen; dienstensector.
B115 landbouw;
- Akkerbouw: voedselgewassen(granen) en niet-eetbare gewassen(katoen) –
- Tuinbouw: vorm van akkerbouw maar dan met speciale gewassen(groente, fruit, bloemen)
- Veeteelt: het fokken en houden van dieren voor bepaalde producten.
- Bosbouw: het kweken van bomen.
B118: landbouw en inrichting. Door specialisatie blijven er of alleen weilanden, of alleen akkers
over. Op die akkers wordt vaak maar een product verbouwd gemengd bedrijf heeft het
allebei.
Een gevolg van specialisatie: herinrichting van een landbouwgebied ruilverkaveling: het
opnieuw inrichting van een landbouwgebied om de opbrengsten van het land te vergroten.
Maatregelen:
- het ruilen van akkers en weilanden, zodat elke boer zijn kavels aaneengesloten heeft en zo
dicht mogelijk.
- vergroting van akkers en weilanden, waardoor je ze gemakkelijker met machines kunt
bewerken.
- verbetering van de afwatering van drassige gronden,
- verharding van zandwegen.
B119 Bio-industrie: niet aan grond gebonden landbouwbedrijven: kopen hun voer, nadelen:
- Dieronvriendelijk karakter: dieren leven dicht op elkaar, weinig bewegingsruimte en nooit in
de buitenlucht.
- Mestprobleem: waar laat je de mest als je geen of weinig land hebt?
B120 Landbouw en natuur : economisch belang staat voorop, tegenwoordig heeft ook natuur
een grote rol; boeren werken nu vaak mee aan het onderhoud van landschap en natuur
landinrichting: herinrichting met aandacht voor landbouw, natuurbehoud en recreatie noem je
landinrichting.

B126: sociale infrastructuur: hiermee worden alle diensten bedoeld die een bedrijf nodig heeft
om goed te produceren.
B82 kringloop van het water: het voortdurend overgaan van water van de ene toestand in de
andere.
Bij de korte kringloop valt de neerslag regelrecht in zee terug, lange kringloop valt de neerslag
op het land en gaat het water via een omweg terug naar zee. Rivieren spelen hierbij een
belangrijke rol.
B83 stroomgebied: het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren.
De rode lijn rond het stroomgebied heet de waterscheiding: de grens tussen twee
stroomgebieden.
Woestijnrivieren die een deel van het jaar droogvallen(wadi’s) schommelingen in de
waterafvoer: regiem.
B84 verval en verhang; het hoogteverschil tussen twee plaatsen langs een rivier noem je het
verval(groot verval; snel) verhang; het verval per kilometer. Vb; lengte van de rijn tussen de
Duitse grens en hoek van Holland is 150 km, het verhang van de rijn is dan 12 m: 150 km=0.08
m per km