You are on page 1of 241

EEN CRIMINEEL LIEGT NIET ALTIJD...

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten


Peter R. de Vries

EEN CRIMINEEL
LIEGT NIET ALTIJD...
en andere waargebeurde misdaadverhalen

DE FONTEIN
Het merendeel van deze columns/verhalen is eerder gepubliceerd
in het weekblad Panorama.

isbn 978 90 261 2465 5


nur 330/401
© 2004 Uitgeverij De Fontein bv, Postbus 1, 3740 aa Baarn/
Peter R. de Vries, Postbus 5182, 1410 ad Naarden
Ontwerp omslag: Wil Immink
Typografie: V3-Services

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden


verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of
openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch,
mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever én van de auteur.
Inhoud

Voorwoord – Woede, verbazing en emotie... 9


De moord op Natascha Meijer 11
Wat ik de rest van de week doe... 14
Geen blunders in de Puttense moordzaak? 17
De nalatenschap van een gevangenbewaarder 20
Frans Meijer: bekeerd of verkeerd? 22
De moord op Nicky Verstappen 1 24
De vondst van Marion en Romy 27
Wat is er met Tanja Groen gebeurd? 30
De onbetrouwbare ooggetuige 32
Als ik minister van Justitie was... 35
De vergeten moord op Jantje Hertogs 38
Uit de dossiers van een misdaadverslaggever 40
Een verdwaalde kogel 42
De laatste nacht van Yvonne Honders 44
Het mysterie van Miriam Möller 46
De moord op Antonio Brizzi 49
Moordenaars zijn geboren leugenaars 52
De prijs voor een opgeloste moord 55
De trillende stem van een president 58
Lady-killers... 61
Een lage frustratietolerantie 64
De moord op Arthur Ghurahoo 67
De goede contacten met justitie 70
Het ‘mooie leven’ van de pedofiel 73
Misdaadverslaggever of schillenboer? 76
Een spookproces 79
Ben ik genoemd? 82
Helderziendheid of gezond verstand? 85
Killing for fun... 88
De moord op Cor van Hout 1 91

– 5 –
De moord op Cor van Hout 2 94
‘Een wijf met twee koters...’ De zaak-Bolhaar 97
Gezworen vijanden 100
Mijn naam is... 103
Een jongensdroom komt uit... 106
De moord op Nicky Verstappen 2 109
Uit liefde voor de prinses 112
Ik heb een alibi! 115
De lange arm der wet 118
Het mysterie rond de dood van Arno Betist 121
Van enig misdrijf is niet gebleken... 124
Twaalf jaar is 4.380 dagen 127
De moord op Wilma Bress – miss Lovett 130
De Schiedammer parkmoord 133
Van bajesklant tot scheepsmagnaat 136
Het recht in eigen hand... 138
De dubieuze methoden van HP/De Tijd 1 141
Een onvergetelijk tv-seizoen 144
De liegende korpschef 147
De moord op Lieke Snel 150
Wat is uw pincode? 153
Moord zonder lijk 156
Marteling via de tandtelefoon 159
De doem der verdenking 162
Prisoner 466/64 165
De dubieuze methoden van HP/De Tijd 2 168
Een civiele kwestie? 171
Just give me the facts...! 174
Het recht heeft zijn loop, of toch niet? 177
‘De Vries moet een kogel door zijn kop!’ 180
Mabel... ken je me nog??? 1 183
Mabel... ken je me nog??? 2 186
Een crimineel liegt niet altijd... 189
Bij de dood van Nico van U. 192
Mijn woord van eer... 195
De ontvoering die mijn leven veranderde 197
Koninklijke snelheidsduivels 201
De aantrekkingskracht van begraafplaatsen 204

– 6 –
De afloop van de paskamermoord 207
Meten met twee maten 210
De dood ten gevolge hebbende 213
Grote bestrijders van kleine criminaliteit 216
Het Ajax-shirt van Nicky Verstappen 219
Premier of minister van Justitie? 222
Een fatale e-mail? 225
De Baarnse moordzaken 228
Justitie als patiënt 231
Gerrit de Stotteraar is dood... 234
De Deventer moordzaak: schuldig of onschuldig? 237

– 7 –
Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten
Voorwoord
Woede, verbazing en emotie...

Dit boek beschrijft een periode van ruim anderhalf jaar, van half 2002 tot
het begin van 2004. En ik overdrijf geenszins als ik zeg dat dit misschien
wel de meest turbulente episode uit mijn journalistieke loopbaan is,
waarin ik – ook toevallig in 2003 – mijn 25-jarig jubileum als misdaadver-
slaggever vierde. Een periode met mooie successen en beloningen, maar
ook met gebeurtenissen die diep ingrepen in mijn persoonlijk leven.

De ‘geschiedschrijving’ begint met de afloop van de zaak-Bolhaar, de


drievoudige moord op Corrina Bolhaar en haar kinderen Sharon en
Donna in Amsterdam-Zuid in 1984, die door toedoen van mijn pro-
gramma is opgelost, terwijl deze op het punt stond te verjaren. De re-
portages hierover leverden de dader een levenslange gevangenisstraf
op en ons een Academy Award.

Maar dit boek beschrijft ook de moord op Heineken-ontvoerder Cor


van Hout, in januari 2003 in Amstelveen en de opwinding die ontstond
toen ik een rouwadvertentie plaatste en op zijn begrafenis een toe-
spraak hield. Hoe was ik bevriend geraakt met deze man? Kan dat wel
als je misdaadverslaggever bent? En wat betekende zijn dood voor mij?

Dan was er natuurlijk nog ‘Mabelgate’, het nu al legendarische inter-


view met voormalig bodyguard Charlie da Silva (‘Zij was die wijf van
die Lááánge man...’), dat ervoor zorgde dat Mabel Wisse Smit en prins
Friso geen aanspraak meer konden maken op de troon. Het nieuws
werd wekenlang door deze affaire beheerst: ‘Mabel ken je me nog?’

Maar er gebeurde nog veel meer in die anderhalf jaar. Nadat we vijf
jaar vruchteloos naar Marion en Romy van Buuren uit Bergen hadden
gezocht, werd hun graf eindelijk in de Egmondse duinen gevonden,
hemelsbreed slechts een paar kilometer van hun huis. De Twee van
Putten kregen van het hof in Leeuwarden een recordschadevergoe-

– 9 –
ding uitgekeerd voor de lange tijd die zij ten onrechte voor de moord
op Christel Ambrosius in de cel hadden gezeten. Heineken-ontvoer-
der Frans Meijer werd na een even lange juridische strijd aan Neder-
land uitgeleverd voor het resterende gedeelte van zijn straf, nadat ik
hem in 1994 in Paraguay had ontdekt. In Brabant voorkwamen we
met een even gewaagde als unieke verborgen camera-actie een drie-
voudige huurmoord in het onderwereldmilieu en lieten stap voor stap
zien hoe zo’n gruwelijk misdrijf werd beraamd en voorbereid.

Verder staat in dit boek ook beschreven wat er allemaal gebeurde toen
eind 2003 bekend werd dat ik nadacht – niet meer dan dat – over een
mogelijke politieke carrière. Minister of misdaadverslaggever?

En uiteraard ontbreekt ook de ‘Baarnse moordzaak’ niet, de verdwij-


ning van en moord op Hans en Ria Müller, die door speurwerk van
mijn tv-programma, eind 2003-begin 2004, aan het licht kwam.
Waarom zagen wij wel wat in deze merkwaardige verdwijningszaak
en de eveneens gealarmeerde politie niet?

Maar niet alles lukte in die bewogen anderhalf jaar. De moord op Ar-
thur Ghurahoo uit Utrecht bleef helaas onopgelost, er kwam nog geen
licht in de tragedies rond Nicky Verstappen, Marianne Vaatstra en
Andrea Luten, waar ik al veel langer dan die anderhalf jaar aan werk.
Van week tot week heb ik mijn ervaringen en gevoelens over al deze
zaken en onderwerpen beschreven. Persoonlijke observaties van op
zichzelf staande gebeurtenissen en incidenten, maar ook van langer lo-
pende affaires. Analyses van wat er goed en fout gaat in ons strafrecht,
doorspekt met mijn eigen filosofieën, opvattingen en verlangens in een
wereld die aantrekt en afstoot en al meer dan 25 jaar mijn werkterrein
vormt. Vaak wordt mij gevraagd hoe ik dat zo lang volhoud. Wat drijft
mij daarin? Wel, daar heb ik geen lang voorwoord voor nodig. Het ant-
woord is simpel. Drie woorden slechts: Woede... Verbazing... en Emo-
tie. En als u dat na lezing van dit boek begrijpt is mijn doel geslaagd.

Peter R. de Vries Hilversum 2004

Als u tips of informatie hebt over de onopgeloste (moord)zaken, dan


kunt u per e-mail contact met mij opnemen: prdv@xs4all.nl.

– 10 –
De moord op Natascha Meijer

In de zomer van 1993 kreeg ik een aangrijpende brief van Ilone Meijer,
een 58-jarige weduwe uit Rotterdam die zich eigenlijk had voorgeno-
men mij nooit te schrijven. Twaalf jaar geleden, op 23 juli 1990, was
haar dochter, de toen 21-jarige Natascha Meijer vermoord en de dader
daarvan was nooit gepakt. Ze wilde graag dat de recherche dat mis-
drijf nog eens onder de loep nam, nu er tegenwoordig met behulp van
dna zoveel meer mogelijk is. Ze wilde dat ‘netjes’ doen, in alle stilte
en niet via de media, zoals tegenwoordig zo vaak gebeurt. Dat laatste
wilde ze de nu 15-jarige dochter van Natascha, die drie jaar was toen
haar moeder werd vermoord, niet aandoen. Sindsdien voedt Ilone
zelf haar kleinkind op, in betrekkelijke anonimiteit en die moet zo
veel mogelijk gewaarborgd blijven. Media-aandacht draagt daar niet
aan bij, zo oordeelde zij terecht. Ze nam daarom twee jaar geleden, in
april 2000, contact op met de politie Rotterdam-Rijnmond en legde
nog eens uit wat er twaalf jaar geleden was gebeurd. Ze had Natascha
zelf gevonden in haar woning aan de Rotterdamse Beukelsdijk. Ilone
had onraad geroken toen haar dochter niet belde om even te informe-
ren hoe het met de kleine ging die een weekeindje bij oma logeerde.
Natascha was gewurgd, een vreselijke aanblik, maar toch was Ilone
blij dat zij zelf haar dochter had gevonden en zij het niet van een re-
chercheur aan de deur hoefde te horen.

Er is ooit een verdachte aangehouden, een goede bekende van Na-


tascha, maar deze is wegens gebrek aan bewijs weer vrijgelaten. Het
dossier werd na verloop van tijd, bij gebrek aan nieuwe sporen, geslo-
ten. Ilone Meijer vond echter dat ze de plicht had hier niet in te berus-
ten. Tegen Natascha’s dochtertje moest ze later kunnen zeggen dat
oma er alles, maar dan ook alles aan had gedaan om de moord op te
lossen. Om die reden vroeg ze het korps Rotterdam-Rijnmond dan
ook nog eens alle sporen na te lopen en met name nog eens goed te
kijken naar de mogelijkheden die nieuwe dna-technieken boden. In

– 11 –
juli 2000 kreeg ze van de korpsleiding een verheugend bericht. Men
schreef dat het dossier van Natascha ‘opnieuw bestudeerd zal worden’
en dat de bevindingen naar de hoofdofficier van justitie zouden wor-
den gezonden. Daarna bleef het lang stil. Maanden verstreken. En
toen Ilone Meijer op 18 januari 2001, zeven maanden nadat het on-
derzoek was toegezegd, een gesprek had met de Rotterdamse politie,
kreeg ze een enorme klap te verwerken. Ja, er waren zeker dna-spo-
ren, vertelde men haar, waar men nog iets mee kon, maar nee, er was
voorlopig geen recherchecapaciteit om daar mee aan de slag te gaan.
En dus had de korpsleiding ‘besloten het onderzoek naar Natascha’s
dood niet te heropenen’. In een brief werd haar toegelicht dat het ‘gro-
te werkaanbod enerzijds en het krappe aantal rechercheurs ander-
zijds’ dit hadden veroorzaakt.

Ilone Meijer schreef boos en teleurgesteld een brief aan ‘Den Haag’,
aan GroenLinks en D66, waarin ze vroeg of het klopt dat je in Neder-
land als slachtoffer geen gehoor vindt als je je keurig bij het juiste lo-
ket meldt. Letterlijk schreef ze: ‘Dan krijg je te horen dat ze geen tijd
hebben voor oude zaken: nummer trekken en op je beurt wachten.
Moet dat zo? Ik wil geen sensatie, ik wil niet zielig doen, ik wil niet
alle media over me heen trekken. Ik wil gewoon een eerlijke kans.
Maar dan sta je dus gewoon voor een dichte deur.’ De politici schre-
ven terug dat haar brief hun ‘geraakt’ had en dat ze goed begrepen dat
het voor nabestaanden ‘niet te verkroppen is’ dat er een tekort aan re-
cherchecapaciteit is. Maar daarna volgden lange alinea’s waarin werd
uitgelegd dat het nu eenmaal niet anders kan en dat er ‘op termijn
echt wel verandering komt in deze onbevredigende situatie’. Geen
spoeddebat. Geen Kamervragen. Geen actie. Niets. In Nederland ma-
ken politici zich nu eenmaal liever druk om een paar vrijgelaten bolle-
tjesslikkers die met 300 gram cocaïne in hun maag ons land binnen-
komen, dan over een moeder wier dochter is vermoord. Dat is de
bittere werkelijkheid.

Inmiddels zijn er twee jaar verstreken en is er niets gebeurd. Ilone


Meijer wordt er ‘helemaal gek’ van. In een vriesvak van het Foren-
sisch Instituut liggen dna-sporen van een moord geduldig te wachten
tot deze verjaart. Haar begrip is nu op. Haar geduld ook. En dus zette
ze zich op 29 mei 2002 opnieuw aan tafel voor het schrijven van een

– 12 –
brief. Een brief die ze nooit hadden willen schrijven. Haar eerste regel
luidde: Geachte heer De Vries, na twee jaar van wachten op een ade-
quaat antwoord van justitie wend ik me nu tot u. Misschien, heel mis-
schien, kunt u iets voor mij doen...’

Naschrift: na publicatie van de column zijn er op het arrondisse-


mentsparket in Rotterdam verschillende besprekingen gevolgd tus-
sen Natascha’s moeder en ondergetekende. Dit heeft er in geresul-
teerd dat het onderzoek naar de moord toch is heropend, mede op
basis van aanvullend dna-onderzoek. Ten tijde van het drukken van
dit boek was er nog geen verdachte.

– 13 –
Wat ik de rest van de week doe...

Het maken van een misdaadprogramma op tv wordt door veel men-


sen onderschat. Het is al dikwijls gebeurd dat mensen argeloos tegen
mij zeiden: ‘Ik kijk elke donderdag naar je, maar wat doe je eigenlijk
de rest van de week?’ Alsof we ons programma op een achternamid-
dag in elkaar flansen en ’s avonds de ‘lucht’ in laten gaan. De werke-
lijkheid is anders. Het maken van een misdaadprogramma is one hell
of a job, waarvoor bijna een topsportersleven is vereist om het vol te
houden. De druk om een groot aantal – kwalitatief sterke – uitzendin-
gen week in week uit op de buis te krijgen, is aanzienlijk kan ik u ver-
tellen. Daar wordt met een team van productiemensen, redacteuren
en regisseurs keihard aan gewerkt. Nee, ik doe het dus allemaal niet
alleen, zoals ook veel mensen denken. Aan veel dossiers wordt door
ons maanden gewerkt. Veel research verdwijnt ook in de prullenbak,
waar dus niemand iets van ziet.

Het draaien van nauwgezette reconstructies, het overhalen van betrok-


kenen om mee te doen, de opnamen in de studio, het monteren en niet te
vergeten de nazorg vreet tijd. Het is geen showprogramma waar de gas-
ten graag met hun nieuwste cd’tje komen opdraven. Nee, de meeste be-
trokkenen zijn getraumatiseerd, schamen zich of hebben andere rede-
nen om niet mee te werken. Dat maakt het moeilijk. Met veel zaken zijn
wij al jaren bezig en er gaat geen week, soms geen dag, voorbij zonder
dat ik contact heb met de nabestaanden in die tragische zaken. Ja, dat is
ook zoiets: we zijn altíjd met zaken van leven en dood bezig, zelden een
vrolijke noot. Ook dat knaagt soms behoorlijk aan je geestelijke weer-
stand. De telefoon rinkelt onafgebroken: ’s avonds, in het weekeinde en
ook in de vakantie. Tegen nabestaanden en goede tipgevers kun je niet
zeggen: ‘Sorry, maar nu even niet...’ Werkdagen die vaak vroeg beginnen
en ’s avonds laat eindigen met zowel een krentenbollenlunch als kren-
tenbollendiner bij de benzinepomp. Processen en korte gedingen van
personen die uitzending willen voorkomen, af en toe een dreigementje.

– 14 –
Tussendoor moeten er dikke dossiers worden gelezen van soms dui-
zenden pagina’s. En dan heb ik het nog niet over de berg post en de e-
mailtjes die dagelijks binnenkomen met aangrijpende verzoeken om
hulp. We kunnen niet iedereen van dienst zijn, maar willen wel in ie-
der geval iedereen antwoorden. Dit alles doe ik dus de ‘rest van de
week’. En als u dit gelezen hebt, zult u begrijpen dat ik een zucht van
verlichting slaakte toen wij afgelopen week de laatste aflevering van
het tv-seizoen bij de zender afleverden. Het was weer gelukt! Daarna
volgde traditioneel een van de leukste avonden van het jaar: met alle
medewerkers op stap, ontspannen wat eten en drinken en terugblik-
ken op een van de meest enerverende tv-seizoenen van de laatste ja-
ren. Een jaar met klinkende successen, waarvan we door tijdgebrek
eigenlijk veel te weinig hebben genoten, zo stelden we vast toen we
bij een glas bier de onderwerpen nog eens bespraken: de slijpersfami-
lie Petalo, die met een verborgen camera-actie werd ontmaskerd als
een bende nietsontziende afpersers, die bedrijven voor miljoenen
heeft benadeeld. De leider van deze criminele organisatie hoorde
deze week zes jaar tegen zich eisen. De moord op Wendela Hagen-
doorn uit Huizen, die een jaar na dato door een gouden tip van ons
programma werd opgelost. Haar lijk was in de tuin door haar man be-
graven, die de op handen zijnde scheiding niet kon verkroppen. En, o
ja, de flitsauto’s van de politie die zelf veel te hard reden en door ons
met verborgen camera’s op heterdaad werden betrapt, een reportage
die ook 3vo-woordvoerder Bert Woudenberg de kop kostte en waar
heel autorijdend Nederland van heeft gesmuld! Maar we legden ook
de praktijken van een leraar en jeugdtrainer vast, die via internet en
met behulp van fikse bedreigingen een minderjarige jongen naar zijn
huis probeerde te lokken voor het hebben van seks. Ook hij is gearres-
teerd en later veroordeeld. En in een spannende race tegen de klok
hebben we de verjaring van de drievoudige moord op Corrina Bolhaar
en haar twee kinderen in Amsterdam-Zuid weten te voorkomen. Ook
hiervoor is een verdachte gepakt. We onthulden een levendige handel
in valse schilderijen van Herman Brood en in een ver land maakten
we een onthullende reportage over Bert S. die daar in een superge-
heim getuigenbeschermingsprogramma zit nadat hij drugsbaron
Henk Orlando R., alias de Zwarte Cobra, aan de politie had verraden.
We waren natuurlijk bij het herzieningsproces van de Puttense
moordzaak, de zaak der zaken, die in zo’n glorieuze vrijspraak is

– 15 –
geëindigd, nadat wij daar veertig uitzendingen aan hebben besteed.
En nog ben ik lang niet volledig, maar meer ruimte heb ik hier niet.
En eigenlijk ook geen tijd, want ik sta op het punt om een weekje naar
de zon te gaan en hoop daar even de rust te vinden om na te genieten
van een onvergetelijk seizoen. En dan ben ik, met uw goedvinden,
even niet bereikbaar! Nou ja, alleen voor hele dringende zaken dan...

– 16 –
Geen blunders in de
Puttense moordzaak?

Eigenlijk had ik me voorgenomen u voorlopig niet meer lastig te val-


len met de Puttense moordzaak. De dwaling is met een onherroepelij-
ke vrijspraak rechtgezet en binnenkort wordt door het gerechtshof in
Leeuwarden de schade van de Twee van Putten becijferd en na veertig
uitzendingen en talloze columns meende ik dat het geen kwaad kon u
even op adem te laten komen. De hoogste justitieambtenaar van ons
land, mr. Joan de Wijkerslooth, de voorzitter van het college van pro-
cureurs-generaal, heeft er echter voor gezorgd dat ik hierop moet te-
rugkomen. In het justitieblad Opportuun schreef de super-pg afgelo-
pen maand een column met als titel: ‘Hoezo blunders in de Puttense
moordzaak?’ Het is een ‘niets-aan-de-hand-artikel’ waarin de justitie-
baas zijn handen met een paar pennenstreken schoonwast. Ik zou
mijn met zeven jaar strijd verdiende bijnaam ‘Peter R. van Putten’
geen eer aandoen als ik De Wijkerslooth – ook in een column – niet
van repliek zou dienen.

Tijdens de strijd voor de herziening van de dwaling hebben we De


Wijkerslooth een paar keer aangeschreven en toen heb ik al gemerkt
dat we in hem niet bepaald een medestander hadden, om het zacht
uit te drukken. Meestal liet de beantwoording maanden op zich wach-
ten en veelal kregen we dan geen of maar half antwoord. Op een re-
ceptie heb ik hem daarover eens aan zijn jasje getrokken. Hij was not
amused door deze benadering en vanaf dat moment liet hij zich niet
meer in mijn gezichtsveld zien. Welnu, deze De Wijkerslooth schrijft
in Opportuun nu dat ‘ten onrechte gesproken wordt van een blunder’
in de Puttense zaak. Nee, het zit anders. Het ‘kan gebeuren dat de
rechter de bewijsmiddelen anders beoordeelt en tot vrijspraak komt.
Daar is niks mis mee’, stelt hij. En: ‘Het gaat om het dilemma van de
waardering van de bewijsmiddelen. Wat is overtuigend, wat niet?
Daarvoor bestaat geen formule met een wiskundigheid. Het gaat om
argumenten waarover men van mening kan verschillen. Hoezo blun-

– 17 –
ders?’ Argumenten waarover men van mening kan verschillen... Als-
of het in deze zaak om een studentendebat ging – nondeju! – met als
hoofdprijs een boekenbon, in plaats van tien jaar cel en vele geru-
ineerde levens. En daar is niks mis mee, meneer de voorzitter? Nou,
ik zal uw geheugen even opfrissen: met deze zaak was alles mis en na
het vernietigende arrest van het gerechtshof in Leeuwarden paste u
alleen maar het schaamrood op de kaken, in plaats van recht te praten
wat krom is. De zaak heeft vanaf het prille begin gerammeld, waarbij
de recherche nooit heeft gekeken of men de werkelijke daders te pak-
ken had. Nee, men was er louter op uit om tijdens ellenlange verho-
ren een halve bekentenis uit ze te persen, wat heel wat anders is.
Daarbij is tijdens de verhoren keihard gelogen om de verdachten aan
het wankelen te brengen. Er is gemanipuleerd met processen-verbaal,
ontlastend bewijs is weggelaten uit het dossier en met talloze aan-
toonbare feitelijke onjuistheden in de zogenaamde bekentenissen is
niets gedaan door de rechercheurs omdat dit ‘hun taak’ niet was, zo-
als een van hen tijdens het revisieproces schouderophalend formu-
leerde. Een ‘randdebiel’, die je nog de moord op Bonifatius bij Dok-
kum kon laten bekennen, zoals oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw
treffend zei, werd als kerngetuige opgevoerd, ondanks dat hij zijn ver-
klaringen telkens bijstelde of herriep. Aan vele sporen zijn verkeerde,
belastende conclusies verbonden en voor ontlastende sporen – een
spermadruppel op het been van het slachtoffer die onbetwist níét van
de verdachten was – zijn bizarre theorieën verzonnen. Alibi’s van
mogelijke andere verdachten zijn niet gecheckt, videobeelden van de
bekennende verhoren zijn ‘abusievelijk’ gewist en technische sporen
die in een andere richting konden wijzen, zijn gewoon weggegooid.
Een reconstructie die al in een vroegtijdig stadium onomstotelijk kon
aantonen dat het justitiescenario niet kon kloppen, is nooit gehou-
den. De verdachten is continu informatie uit andere verhoren voorge-
houden in een poging de bekentenissen te synchroniseren. Het mo-
tief voor de moord is ondanks de ‘volledige’ bekentenissen nooit
duidelijk geworden, het moordwapen is niet gevonden en talloze an-
dere vragen zijn nooit opgehelderd (hoe wist de dader waar hij de
sleutel van de voordeur in de schuur moest terughangen?) en zo kan
ik nog uren doorgaan. Maar volgens onze super-pg is daar dus alle-
maal ‘niets mis mee’ en is er niet geblunderd.

– 18 –
Ik zou willen dat ik in het nieuwe kabinet twee minuten minister van
Justitie mocht zijn. Meer tijd zou ik niet nodig hebben om De Wijker-
slooth en al die anderen die in deze zaak de ogen hebben gesloten, te
geven wat ze verdienen. Geloof me, daar zou ‘niets mis mee zijn...’

– 19 –
De nalatenschap van
een gevangenbewaarder

Ruim vijftien jaar geleden kwam ik bijna wekelijks in de Bijlmerbajes.


Cor van Hout, een van de Heineken-ontvoerders, zat daar nadat hij
door Frankrijk aan ons land was uitgeleverd. En omdat ik in die periode
met hem een boek schreef over de kidnapping van de bierbrouwer en
diens chauffeur, greep ik elke mogelijkheid aan om bij hem op bezoek
te gaan. Het boek werd in het diepste geheim geschreven en daarom
was het van groot belang dat ik hem persoonlijk kon spreken. Telefo-
nisch durfden we er niet over te praten. Van Hout had tijdens de recher-
cheverhoren altijd zijn mond dichtgehouden en moest op dat moment
nog terechtstaan. Justitie zou voor het manuscript van het boek – het
complete scenario van de ontvoering – bij wijze van spreken een moord
doen. Zodoende kwam ik zo vaak in de Bijlmerbajes dat ik het perso-
neel aardig leerde kennen en zij mij. Bij de bezoekersadministratie zat
altijd een vriendelijke Indische vrouw. Ik hoor haar nog zeggen: ‘Zo,
Peter, ben je er weer? Geef je toegangspas maar...’ En als ik even moest
wachten, wisselden we wat ditjes en datjes uit. In de jaren die volgden,
bracht ik in de Bijlmerbajes ook nog ontelbare bezoeken aan andere
gedetineerden en meestal kwam ik bij haar loket terecht.

De laatste jaren heeft het lot bepaald dat ik veel minder in de Bijlmer-
bajes kom en toen ik er weer eens kwam, zag ik haar niet meer. De
entree was ingrijpend verbouwd en ik zag veel nieuwe gezichten,
maar ja, zo gaat dat natuurlijk en ik besteedde er eigenlijk geen aan-
dacht aan. Ik kom in zoveel gevangenissen dat ik dat soort zaken on-
mogelijk kan bijhouden.

Een paar weken geleden fietste ik op een zaterdagmiddag door ’t


Gooi, toen een automobilist mij toeterend passeerde en druk naar mij
gebaarde. Ik nam aan dat hij mij van tv herkende en dus fietste ik,
nadat ik mijn hand even had opgestoken, gewoon door. Honderd me-
ter verderop zette hij echter zijn auto stil, stapte uit en hield mij staan-

– 20 –
de. ‘Hé, Peter... ken je me niet meer?’ Ik moet bekennen dat ik het
niet meer direct wist, maar het was Hans Hittenhausen, hoofdbe-
waarder van de Bijlmerbajes, met wie ik in die bewuste periode regel-
matig contact had. Hij was een bewaarder met natuurlijk gezag die
het klappen van de zweep kende. Zo’n type waarvan de ‘zware jon-
gens’ nog wat aannamen. Hij was inmiddels gepensioneerd – met
meer dan veertig dienstjaren afgezwaaid! – en 74 jaar oud. Tot mijn
verrassing bleek hij getrouwd met de vriendelijke Indische vrouw van
de bezoekersadministratie. Op straat ontspon zich een leuk gesprekje
en het bleek dat Hans min of meer naar mij op zoek was. ‘Ik ben niet
meer de jongste,’ begon hij, ‘en ik heb thuis nog wat leuke spullen
staan uit de tijd dat ik bewaarder was in het huis van bewaring aan de
Weteringschans, je weet wel, het zogenaamde Lloyd-Hotel, dat allang
geleden is gesloopt. Ik heb altijd tegen mijn vrouw gezegd: als er mij
iets gebeurt moet je die spullen aan Peter de Vries geven!’

Hij gaf me zijn adres en we spraken af dat ik gauw een keer zou langsko-
men bij hem en zijn vrouw Sylvia. Afgelopen week was het zover. Ik
werd hartelijk ontvangen en Hans Hittenhausen sleepte een verhuis-
doos de kamer in met prachtige memorabilia van dit roemruchte voor-
malige huis van bewaring, unieke voorwerpen, waarvan ik direct wist
dat ze een mooi plaatsje in mijn kantoor zullen krijgen. En, u begrijpt,
bij alles wist Hans kostelijke anekdotes te vertellen over de tijd dat de
huizen van bewaring nog niet vol zaten met junks en gestoorde gedeti-
neerden met wie geen woord te wisselen valt. Pronkstuk, vond ik zelf,
was een origineel celluik – gemaakt van smeedijzer en massief hout –
nog compleet met een zware koperen sleutel van Lips, waardoor de ge-
detineerde zijn eten en andere zaken van de bewaarder kreeg aange-
reikt. In prima staat, maar net gebutst en gekrast genoeg om te beseffen
dat er een roerige geschiedenis van tientallen jaren aan vastzit. Een brok
symboliek! En als ik zoiets in mijn handen heb, komen er allemaal vra-
gen bij me op en gaat mijn verbeelding aan het werk. Wie hebben alle-
maal die koperen sleutel omgedraaid? En welke beruchte gedetineer-
den hebben allemaal gefrustreerd, boos, verlangend en berouwvol naar
de binnenkant van dat luikje gekeken en daar dagelijks hun eten door
aan gepakt? Misschien kunt u zich dit allemaal niet voorstellen, maar ik
zie dat allemaal voor me. Ik ben dan ook heel blij dat Hans en Sylvia mij
hebben uitverkoren om deze bijzondere nalatenschap te beheren!

– 21 –
Frans Meijer: bekeerd of verkeerd?

Heineken-ontvoerder Frans Meijer komt naar huis. Ruim zeventien


jaar nadat hij ontsnapte uit het Pieter Baan Centrum in Utrecht en bijna
acht jaar nadat ik hem voor Panorama opspoorde in het Zuid-Ameri-
kaanse Paraguay. Na een langdurige juridische touwtrekkerij heeft het
hooggerechtshof daar afgelopen week beslist dat Meijer, alias ‘Stekel’,
kan worden uitgeleverd aan ons land om het resterende deel van zijn ge-
vangenisstraf uit te zitten. Ik moet zelf nog zien dat het daadwerkelijk
gebeurt – want niets is zo onvoorspelbaar als de levensloop van Frans
Meijer – maar volgens het persbericht gaat het om een vaststaand feit.
En net als bij voorgaande gelegenheden toen er nieuws was over de
voortvluchtige ontvoerder, werd ik door veel media gebeld met de vraag
wat ik er van dacht. Deze keer wilde men vooral weten of ik geloof dat
Meijer echt een overtuigde christen is geworden in Paraguay, of dat dit
een geraffineerd spel van hem is. Toen ik, in 1994, in Paraguay was, en
hem uitgebreid sprak, bleek mij dat hij zich had aangesloten bij de loka-
le Templo Evangelista. Zelfs op het dashboard van zijn auto lag een bij-
bel en Meijer beweerde elke dag voor Alfred Heineken en diens chauf-
feur Ab Doderer te bidden. Hij zei toen: ‘Ik was een zondaar, een heel
grote zelfs. Maar ik ben een ander mens geworden. Ik rook niet, ik drink
niet. Ik werk hard voor mijn vrouw en kinderen. Het is een wonder,
maar God heeft mij, een man die niets waard was, gerepareerd.’

Toch was Meijer allesbehalve blij dat ik hem daar in Paraguay had op-
gespoord, al dan niet met Gods hulp... Ik herinner me dat ik ’s avonds
met hem in een restaurant ergens ging eten, nadat ik hem ’s morgens
op straat had geconfronteerd. We reden over slechte wegen en door
de volstrekte duisternis er naartoe, toen ‘Stekel’ de auto parkeerde
langs een doodstille weg, ergens in de middle of nowhere, een hache-
lijke situatie. Ik realiseerde me dat niemand zich in dit land druk zou
maken om een ‘vermiste’ Nederlandse journalist. Meijer wilde weten
wie hem had verraden en werd behoorlijk dreigend. Onopvallend

– 22 –
keek ik waar de deurklink zat, zodat ik ieder moment uit de auto zou
kunnen rollen. Meijer was boos en wilde weten hoe ik hem had ge-
vonden: ‘Ik ben verraden, verkocht... bijna niemand wist dat ik hier
zat. Zeg op, wie heeft je getipt? Ik móét dat weten!’ Meijer draaide
zich naar mij toe. Zijn eerder zo rustige oogopslag was veranderd.
Zijn ogen fonkelden boosaardig. Zijn stem klonk verbitterd en
scherp. Zijn lichaam spande zich zichtbaar en hij priemde zijn vinger
in mijn richting. ‘Je maakt me kapot,’ zei hij grimmig.

Het liep uiteindelijk goed af, al had ik zelf heel erg het gevoel dat Meijer
langdurig in tweestrijd stond wat hij moest doen. Toen we na een lang
gesprek thuiskwamen, was hij weer gekalmeerd en bij mijn vertrek
vouwde hij zijn handen en bad hardop: ‘Heer, weest u zo goed en be-
geleidt deze man op zijn verre reis naar huis, opdat hij behouden aan-
komt.’

Terug in Nederland, had ik direct na aankomst een nachtelijk gesprek


met een andere Heineken-ontvoerder, Cor van Hout, met wie ik een dik
boek over de kidnap heb geschreven. Hij was ‘verkankerd’, dat de
schuilplaats van zijn vriend Meijer was ontdekt en vroeg mij of ik van
publicatie wilde afzien. Ik antwoordde ontkennend. Van Hout zei mij
toen: ‘Toen jij daar in Paraguay was, Peter, heeft Frans mij in paniek op-
gebeld en gevraagd: “Wat moet ik doen? Moet ik ’m laten gaan, of...?”’
Wat het ‘of...’ betekende, behoefde geen nadere toelichting. Van Hout
vervolgde: ‘Ik heb toen op hem ingepraat en gezegd: “Nee, Frans, laat
hem gaan... laat ’m gaan.” Het brein van de ontvoering zweeg even en
keek me doordringend aan: ‘Dat is de reden dat je nu hier staat...’

Nu, acht jaar later, denk ik nog wel eens na over die situatie en stel me
dan de vraag wat nu precies de tweestrijd van Frans Meijer heeft be-
slecht. Was het de hand van God, waardoor hij naar eigen zeggen nu
wordt geleid, of was het meer de wil van Cor van Hout, zijn bloedgab-
ber, volgens velen toch eerder een afgezant van de duivel? Wel, laat ik u
dit zeggen: Ik geloof echt wel in de oprechte bekering van Frans Meijer,
maar houd het er toch op dat het Cor van Hout was die hem niet in ‘ver-
zoeking’ bracht en hem op dat moment ‘verloste van het boze’...

Wordt vervolgd

– 23 –
De moord op Nicky Verstappen 1

Het is deze week – half augustus 2002 – precies vier jaar geleden dat
de 11-jarige Nicky Verstappen tijdens een vakantiekamp in het Lim-
burgse Brunssum werd vermoord. Het jongetje verdween tegen het
ochtendgloren uit zijn tent en werd pas anderhalve dag later dood te-
ruggevonden, met alleen een rode pyjamabroek aan. De zaak is nooit
opgelost en houdt mij sindsdien bezig. Ik heb er talloze uitzendingen
aan gewijd en er indirect voor gezorgd dat het vastgelopen en stopge-
zette rechercheonderzoek werd heropend.

Het politiewerk heeft met name in het begin zwaar te wensen overge-
laten. Er zijn behoorlijke fouten gemaakt. Het tentenkamp was al af-
gebroken voor er technisch onderzoek was gedaan, bepaalde sporen
zijn niet of veel te laat onderzocht en het tijdstip van overlijden is heel
lang verkeerd ingeschat, wat gevolgen heeft gehad voor een goede ali-
bicontrole. Een halfjaar na de moord werd ik door Peter en Berthie
Verstappen benaderd, met de vraag of ik hen wilde helpen. Zij wisten
niet meer wie zij nog konden vertrouwen, toen gaandeweg ook nog
eens bleek dat de leiding van het kamp voor een groot gedeelte uit lie-
den bestond die... eh, hoe zeg ik dat beschaafd... die zich seksueel niet
geheel als een missionaris hadden gedragen.

Met Peter en Berthie is sindsdien een hecht contact gegroeid: er gaat


al jaren geen week voorbij – en in bepaalde perioden zelfs geen dag –
zonder dat we elkaar spreken. We nemen de nieuwste ontwikkelin-
gen door, bespreken het politiewerk, eventuele tips, maar natuurlijk
ook de groeiende wanhoop en twijfel of de dader van dit misdrijf ooit
nog gepakt zal worden. Ruim een jaar geleden heb ik Peter en Berthie
vergezeld tijdens een onderhoud met de recherchetop en de hoofdof-
ficier van justitie. Het was de formele sluiting van het onderzoek en
men wilde nog eens toelichten wat er allemaal was gedaan. Tijdens
dat gesprek legden we het verzoek op tafel om het complete recher-

– 24 –
chedossier in te kunnen zien. Aangezien er in de aanloop fouten wa-
ren gemaakt, wilden we wel eens zien wat er nu allemaal precies wel,
maar zeker ook wat er niet was onderzocht de afgelopen jaren. Ik ver-
beeld me niet dat ik het beter weet dan de recherche, maar inmiddels
hebben we ook duizenden uren onderzoek in de zaak zitten en kan
een ogenschijnlijk onbetekenend detail in het dossier misschien toch
voor een nieuw gezichtspunt zorgen. Ik vind het een meer dan ge-
rechtvaardigd verlangen van de ouders om – na vier jaar onderzoek –
eens zelf tegen het licht te houden wat de politie heeft ondernomen.
De tijd is voorbij dat slachtoffers monddood maar moesten afwachten
of het de edelachtbare heren beliefde om wat te zeggen. Kijk, als een
delict net is gepleegd en het rechercheonderzoek volop loopt, dan be-
grijp ik dat de politie dingen achterhoudt en geen opening van zaken
kan geven. Maar als er jaren zijn verstreken en het dossier op de
plank ligt, is de tijd aangebroken om te laten zien wat je hebt gedaan
en nagelaten. De hoofdofficier bevestigde aanvankelijk dat de inzage
geregeld zou kunnen worden, maar toen daar later concreet om werd
gevraagd, werden er toch allerlei barrières opgeworpen en duurde het
weken eer er op telefoontjes en verzoeken een reactie kwam. Nee,
men wilde het dossier toch maar niet laten lezen, gezien de vele priva-
cygevoelige aspecten. Er moest nog eens goed over worden nage-
dacht. Maanden verstreken. Er werd toen besloten dat de advocaat
van Peter en Berthie, mr. Benedict Ficq uit Amsterdam, de stukken op
het parket mocht komen inzien. Nee, de familie zelf niet en ik al he-
lemáál niet. Maar ja, in de praktijk werkt het natuurlijk niet als je in
Amsterdam kantoor houdt om dan in Maastricht tussen de bedrijven
door een dossier van 22 uitpuilende ordners te gaan bestuderen.
Weer verstreek er veel kostbare tijd. Het had veel weg van een ont-
moedigingstactiek. Benedict Ficq regelde vervolgens een bevriende
advocaat uit Maastricht, mr. Jos Coumans, die het monnikenwerk op
zich zou nemen. Hij mocht het dossier in een kamertje van het paleis
van justitie bestuderen, maar mocht geen stukken meenemen of ko-
piëren. Dat maakte het tot een zeer moeizaam, weinig zinvol karwei.
Aan Coumans zelf lag het uiteraard niet. Hij deed zijn uiterste best en
las regelmatig een paar uurtjes, maar echt opschieten deed het niet.
De zaak zelf en de betrokkenen kende hij niet en dus is het soms ook
moeilijk om te bepalen wat interessant is en wat niet, wat wel en niet
klopt. Ons bepaalde passages voorhouden kon al niet, want kopieën

– 25 –
maken was immers verboden. Afgelopen week bracht hij ons voorlo-
pig verslag uit en kwam deze handicap naar voren. Er wachten boven-
dien nog heel veel leesuren en er is al zoveel tijd verstreken met amb-
tenarij en ander geneuzel. Jos Coumans maakte een gebaar dat
machteloosheid uitdrukte. Ik zag de wanhoop en frustratie op Peter
en Berthies gezicht. Hun kind, hun oogappel, hun enige zoon is ver-
moord, er zijn talloze fouten in het onderzoek gemaakt, inmiddels zit
de vierde of vijfde officier van justitie op de zaak en er wordt maar
gedraald en gewacht. En als de ouders daar iets van zeggen, wordt
hen telkens voorgehouden dat ze toch moeten begrijpen ‘dat het zo
werkt’. Het is om knet-ter-knet-ter-knet-ter-gek van te worden!

Naschrift: Jos Coumans heeft in samenspraak met Peter en Berthie


zijn leeswerk uiteindelijk gestaakt. Ondanks vele gesprekken en dito
verzoeken is het complete dossier nimmer ter beschikking gesteld van
de ouders of de advocaat in Amsterdam. De zaak is nog onopgelost.

– 26 –
De vondst van Marion en Romy

Vrijdag 2 augustus 2002 was de laatste dag van mijn zomervakantie,


maar omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan, checkte ik ’s
morgens na het ontbijt toch even mijn e-mail om te zien of er nog
nieuws was. Er stond een berichtje op dat de politie Noord-Holland
Noord die middag om vier uur in Alkmaar een persconferentie beleg-
de. Waarover stond er niet bij, maar ogenblikkelijk flitste het door mijn
hoofd: Marion en Romy van Buuren! Een paar haastige telefoontjes be-
vestigden mijn bange vermoedens. Zelden heb ik nieuws met zoveel
opluchting en tegelijkertijd zoveel afschuw ontvangen. Vijf jaar na hun
spoorloze verdwijning waren de stoffelijke resten van de 18-jarige Ma-
rion en haar kleine Romy eindelijk, eindelijk gevonden. Ze zijn door
Okan O. vermoord en in de duinen begraven tussen Egmond en Ber-
gen. De laatste jaren wisten we wel dat ze niet meer konden leven, maar
bleven we toch altijd een sprankje hoop houden... Het waren vijf jaar
waarin we met Hans en Corrie van Buuren, de ouders van Marion, alles
op alles hebben gezet om hun lot te achterhalen.
Samen met collega Kees van der Spek heb ik met meer dan be-
roepsmatige ijver – zeg maar gerust met persoonlijke gedrevenheid –
honderden sporen en tips nagetrokken in binnen- en buitenland. We
hebben intens verlangd naar de ontknoping van dit drama, maar nu
Marion en Romy eindelijk ‘thuis’ komen, is de verslagenheid toch heel
groot. Als ik het nieuws snel aan familie, vrienden en collega’s doorver-
tel, voel ik hoe vijf jaar betrokkenheid mijn emoties aanspreken.

Ik denk aan de heftige confrontaties met Okan O., beroepscrimineel


en notoir vrouwenmishandelaar. Hij blufte, pochte, dreigde en loog.
Hij bezwoer zijn onschuld, ontkende de grove mishandelingen van
Marion, terwijl de belastende aanwijzingen zich opstapelden. We
hebben het hem lastig gemaakt, ja, zelfs zo lastig dat hij in een inter-
view met Nieuwe Revu, toen hij al ernstig ziek was, vertelde dat hij
mij – als een van zijn laatste daden – had willen doodschieten.

– 27 –
Ik denk aan de talloze, aangrijpende oproepen die Corrie van
Buuren in mijn programma aan Okan heeft gedaan om aan de slo-
pende onzekerheid een einde te maken. We wilden zijn geweten
geen rust gunnen en bleven door de jaren heen druk op de zaak zet-
ten. Uiteindelijk bleek dit op de broer van Okan effect te hebben: hij
kon niet langer met zijn verschrikkelijke geheim leven en onthulde
aan Corrie en Hans wat hij zelf had gezien en gehoord op die fatale
dag.

Ik denk aan het schokkende moment dat de zieke Okan, in mei 1998,
in het gevangenishospitaal overleed zonder dat hij nog iets over Ma-
rion en Romy had gezegd en wij ons machteloos en vol onbegrip za-
ten te verbijten.

Ik denk aan de reis die ik met Corrie van Buuren in het najaar van
2000 naar Turkije heb gemaakt omdat steeds meer geruchten opdo-
ken dat Romy daar bij familie was ondergebracht. Na een hachelijke
reis in het gebied van Koerdische opstandelingen en geflankeerd door
tanks van het Turkse leger, kwamen we in zijn geboorteplaats Mazgirt
terecht. En daar, hoog in de bergen, stond ik met Corrie naast het graf
van Okan O., waar hij zijn geheim bewaarde. We waren zo dichtbij,
maar tegelijkertijd zo veraf... Corrie kreeg er een huilbui die mijn keel
dichtkneep.

Ik denk aan de bijzondere en collegiale samenwerking met Tros Ver-


mist en De Telegraaf. We hebben regelmatig overleg gepleegd en in-
formatie en fotomateriaal uitgewisseld om de zoekacties en het speur-
werk nieuwe impulsen te geven, daar waar in de journalistiek
normaal gesproken vaak afgunst en eigenbelang regeert. Zo kan het
dus ook.

Ik denk aan de honderden tips van paragnosten die we in de loop der


tijd hebben binnengekregen en die er stuk voor stuk naast zaten en
waarin soms schaamteloos resoluut werd beweerd dat Marion en
Romy nog zouden leven. Ze hebben niet alleen ontzettend veel tijd
gekost, die beter besteed had kunnen worden, maar wat erger is: ze
hebben Corrie en Hans vaak ook valse hoop gegeven.

– 28 –
Ik denk aan de voortreffelijke mensen van de politie Noord-Holland
Noord, met wie we steeds goed contact hebben gehad en die echt alles
hebben gegeven om de zaak op te lossen.

Ik denk aan de laatste momenten van Marion en Romy en vraag me af


hoe Okan O. dit ooit heeft kunnen doen. Welke duivel heeft bezit van
je genomen als je je eigen dochtertje vermoordt en samen met haar
moeder als oud vuil in een kuil in de duinen dumpt? En hoe kun je
daar jarenlang hooghartig over zwijgen en iedereen die naar Marion
en Romy op zoek waren uitmaken voor leugenaars, profiteurs en
persratten?

Maar ik denk vooral aan Corrie en Hans van Buuren, die zoveel heb-
ben getrotseerd, die zoveel moesten ondergaan, maar nooit hebben
opgegeven.

En toen ik vrijdagmiddag bij hen thuis in Bergen kwam en we elkaar


lang omhelsden, vermoedde ik dat we op dat moment hetzelfde dach-
ten. We dachten aan dat afschuwelijke misdrijf, de onvermoeibare in-
zet waarmee we vijf jaar naar de oplossing hebben gezocht en aan het
verdriet nu we de waarheid kennen. Een moord betekent bloed, zweet
en tranen...

– 29 –
Wat is er met Tanja Groen gebeurd?

De witte kist stond op drie meter afstand van me, in het gangpad van
de rooms-katholieke kerk in Bergen, waar op vrijdagmiddag 9 augus-
tus 2002 de uitvaartdienst werd gehouden. De stoffelijke resten van
Marion en Romy van Buuren lagen in één kist: moeder en dochter,
die vijf jaar onvindbaar onder het stuifzand van de duinen tussen Ber-
gen en Egmond begraven hadden gelegen, werden gelukkig nu niet
van elkaar gescheiden. Gedurende de hele dienst moest ik steeds naar
die kist kijken, het gaf me een onwerkelijk gevoel. Normaal gespro-
ken kom ik bij een levensdelict pas in beeld als het slachtoffer allang
is begraven. Bij Marion en Romy was dat anders. Vijf jaar lang heb-
ben we naar hen gezocht en nu lagen ze zo maar op drie meter af-
stand, alsof ik ze bijna aan kon raken.

Schuin achter mij in de bomvolle kerk zaten, zo zag ik, Adrie en Cor-
rie Groen uit Schagen. Adrie kwam me voor het begin van de dienst
even een hand geven en met zijn vrouw wisselde ik snel een paar
woorden. Zij zijn de ouders van de 18-jarige Tanja Groen, die deze
maand precies negen jaar verdwenen is, na een feestje op een studen-
tensociëteit in Maastricht. Mijn programma heeft jaren geleden een
aantal keren aandacht besteed aan dit mysterie, maar de zaak is nim-
mer opgelost en nadien is het langzaam stil geworden. Adrie en Cor-
rie Groen en Hans en Corrie van Buuren waren tot verleden week lot-
genoten en omdat ze in dezelfde regio wonen, waren ze elkaar vaak
tot steun. Ik schrijf dat ze lotgenoten ‘waren’, omdat Corrie en Hans
van Buuren hun dochter en kleinkind nu terug hebben, terwijl de on-
zekerheid over Tanja nog steeds voortduurt. En dat is hemeltergend.
Ik zal nooit vergeten dat Corrie Groen enkele jaren geleden te gast
was in mijn programma en we na afloop nog even napraatten. In de-
zelfde uitzending had ik ook enkele ouders van vermoorde kinderen
geïnterviewd. Na de opnamen bracht Corrie toen aangrijpend onder
woorden wat de vermissing van hun Tanja met haar deed. ‘Ik durf het
haast niet hardop te zeggen,’ zei ze snikkend, ‘maar weet je dat ik ge-

– 30 –
woon jaloers ben op de ouders die weten dat hun kind om het leven is
gebracht? Zij weten waar ze aan toe zijn en wij nog steeds niet...’ Ja-
loers op de ouders van een vermoord kind. Laat dat zinnetje maar
eens tot u doordringen... dan besef je het onbeschrijfelijke leed van
deze mensen. En toch... toch waren ze in de kerk vrijdag bij de in-
drukwekkende en prachtige plechtigheid. Ik verbeeldde me dat ik een
klein beetje kon begrijpen hoe zij zich moesten voelen, maar zij wa-
ren er voor Hans en Corry van Buuren, hoewel er tijdens de dienst
een groot gekarteld mes door hun ziel moet hebben gesneden. Ma-
rion en Romy zijn gevonden, maar waar is hun Tanja? Toen er tijdens
een van de gebeden werd gevraagd of de politie en de pers in de nabije
toekomst ook haar beste krachten wilden blijven geven aan de zaken
waarin de slachtoffers nog niet zijn gevonden, keek ik even naar
Adrie Groen en zag zijn ogen vochtig glanzen.

Na de condoleances zochten we elkaar weer op. ‘Wat denk je...’ vroeg


Adrie Groen voorzichtig aan me, bescheiden als hij altijd is, ‘zou je
nog eens iets aan de verdwijning van Tanja kunnen doen? Bij Marion
en Romy is wel gebleken dat publiciteit enorm kan helpen. Ja, ik weet
wel, er is in onze zaak niet veel te melden...’ Hij maakte een hulpeloos
gebaar, alsof hij zich daarvoor bijna wilde verontschuldigen. ‘Er is
geen nieuws helaas. En ja, dan blijft het stil, hè...’ Ik ging bij mezelf
snel na wanneer wij voor het laatst aandacht aan de verdwijning van
Tanja hadden besteed. Ik schatte het op ruim tweeënhalf jaar, en voel-
de me enigszins beschaamd. En daar, staand in die condoleanceka-
mer, beloofde ik mezelf direct gehoor te geven aan de oproep uit de
kerk en de zaak van Tanja bij de eerst voorkomende gelegenheid uit
de vergetelheid te trekken: onder meer in deze column. Bij de vondst
van Marion en Romy past geen berusting. Nee, die moet juist een
aanmoediging zijn om volop door te gaan en ook helderheid te bren-
gen in andere openstaande mysteries. En dus vraag ik u mij inlichtin-
gen te verschaffen over het lot van Tanja Groen, die op 31 augustus
1993 verdween. Zij reed die avond op de fiets van Maastricht naar het
naburige Gronsveld waar ze op kamers woonde, maar is daar nooit
aangekomen. Wat is er met Tanja gebeurd? Laat haar ouders dat na
negen lange jaren weten...

– 31 –
De onbetrouwbare ooggetuige

Samen met mijn zoontje bezoek ik alle thuiswedstrijden van Ajax en


het komt dikwijls voor dat wij tijdens de wedstrijd briesend opvliegen
als de scheidsrechter een zuivere penalty over het hoofd ziet, een dui-
delijk geval van buitenspel negeert of een gemene tackel niet ziet.
Hoe kan iemand zó blind zijn, roepen we dan boos. Eenmaal thuis
zetten we gauw Studio Sport aan om die blunders nog eens terug te
zien. Maar het is al menigmaal voorgekomen dat we, zittend op het
puntje van de stoel, op het gewraakte moment (‘let op, let op...’) in de
zitting terugvielen en een paar toontjes lager mompelden: ‘Hmm...
O... Nou ja...’ In het stadion zag het er allemaal net iets anders uit. Dit
soort onschuldige incidentjes bevestigen mij altijd dat je voorzichtig
moet zijn met wat je denkt te hebben gezien. In het strafrecht luistert
zoiets natuurlijk nog veel nauwer en niet zelden staat er bij een oog-
getuigenis een lange celstraf of vrijspraak op het spel. Maar net als in
de sport ziet men het in politiezaken niet altijd even scherp. Sterker
nog, ik zeg wel eens: er is niets zo onbetrouwbaar als de verklaring
van een ooggetuige.

De afgelopen weken ben ik in Assen aanwezig geweest bij het proces


tegen Richard K., die er van wordt verdacht dat hij in mei 1993 de 15-
jarige Andrea Luten uit Ruinen heeft vermoord. Het bewijs tegen de
verdachte stratenmaker was dun. Technisch bewijs was er niet en K.
zelf ontkende in alle toonaarden. Veel hing daarom af van de reeks
ooggetuigen die door de advocaat van de verdachte, mr. Bram Mosz-
kowicz, waren opgeroepen. Deze werden aan een pittig verhoor on-
derworpen en dat leverde pijnlijke staaltjes van het tekortschietende
menselijk waarnemingsvermogen op. Andrea Luten is voor het laatst
gezien toen zij, vanuit school op weg naar huis, op een fietspad met
een jongen stond te praten. Deze was op de brommer of op de fiets en
de recherche gaat ervan uit dat hij de moordenaar is geweest. Een
aantal mensen had het tweetal gezien en had daar direct na de moord

– 32 –
verklaringen over afgelegd. Zo was er een man die in 1993 had ver-
klaard dat de jongen een zilverkleurige bril op had en kort, stekelig
opgeknipt donkerblond haar had. Wat voor vervoermiddel de ver-
dachte had, wist hij toen niet. Dat had hij niet gezien, zo verklaarde
hij in het door hem ondertekende proces-verbaal. Op basis van zijn
verhaal werd een compositietekening gemaakt – met bril – die vol-
gens hem goed leek. Bij een confrontatie had hij zelfs gezegd: ‘Wat
mij het meest opvalt is die bril, die herken ik met zekerheid.’ Toen het
vastgelopen onderzoek naar de moord op Andrea twee jaar geleden
werd heropend, werd de man opnieuw gehoord en raad eens wat hij
nu verklaarde? Nee, bij nader inzien had de jongen toch geen bril op
gehad... En kort, opgeknipt, stekelig, donkerblond haar? Nee hoor,
het ging om lichtblond haar met een ‘matje’ in de nek. En er was nu
ineens ook sprake van een vervoermiddel: de jongen was op de fiets,
hij kon zich nu zelfs herinneren dat beide rijwielen in dezelfde rich-
ting op het fietspad stonden. Met het verstrijken van de jaren was zijn
geheugen kennelijk niet aangetast, maar juist opgefrist met scherpe
details en nuanceringen. Rara, hoe kan dat? De man had er geen ver-
klaring voor, terwijl mr. Moszkowicz er fijntjes op wees dat zijn ver-
haal kennelijk ‘passend’ moest worden gemaakt op de verdachte die
nu terechtstond en die geen bril, maar destijds wel een ‘matje’ in de
nek had. Weer een ander kon in 1993 niet beschrijven wat voor kle-
ding de onbekende jongen aanhad, maar lepelde in 2000 op dat het
om een leren jas en lichte broek ging. Eén vrouw had de verdachte
een jaar geleden op een oude klassenfoto niet herkend, maar zei toen
ze een jaar later dezelfde foto nog eens zag – en Richard K. inmiddels
verdacht was – heel beslist: ‘Ja, absoluut, dat is ’m!’ Wat is zo’n omme-
zwaai waard? Weer een ander meende dat de verdachte op een brom-
mertje was. In 1993 had hij verklaard dat het waarschijnlijk een da-
mes-Puch was. In 2002 schrok hij er niet voor terug om te verklaren
dat het ook ‘heel goed’ een zogenaamde off-the-road-brommer ge-
weest kon zijn (die de verdachte Richard K. had...), wat ongeveer het-
zelfde is als een driewieler voor een racefiets verslijten. Weer een an-
dere getuige bekende dat zij opzettelijk een vals tijdstip van haar
waarneming had opgegeven, om zo te verbloemen dat zij die dag te
laat op haar werk was gekomen, wat uiteraard belangrijker is dan de
oplossing van de moord op een 15-jarig meisje. Ik had dolgraag ge-
zien dat de zaak van Andrea Luten eindelijk was opgelost, maar de

– 33 –
ooggetuigen bezorgden mij rillingen, terwijl het in de rechtszaal
bijna tropisch warm was. Er wordt in ons land wel eens geklaagd over
bijdehante advocaten, maar in dit proces werd mij eens te meer dui-
delijk dat zij onmisbaar zijn om politie en justitie te controleren. De
Engelsen zeggen het mooi: ‘A man easily believes what he desires...’
Iemand gelooft makkelijk datgene wat hij verlangt... en dat zien we
helaas maar al te vaak in de rechtszaal gebeuren. Conclusie: we kun-
nen onze ogen vaak niet geloven en getuigen nog minder...

Naschrift: Richard K. is in 2002 door de rechtbank in Assen vrijge-


sproken van de moord op Andrea Luten. Het Openbaar Ministerie is
niet in hoger beroep gegaan, waardoor de uitspraak onherroepelijk is.
K. heeft schadevergoeding ontvangen voor de tijd dat hij in arrest
heeft gezeten. De moord op Andrea is nog steeds onopgelost.

– 34 –
Als ik minister van Justitie was...

Er is in 2002 een nieuwe regering gevormd en tot mijn verbijstering


heeft de Lijst Pim Fortuyn de post van minister van Justitie daarin la-
ten schieten. Heel de verkiezingstijd had men de mond vol over mis-
daadbestrijding, openbare ordeproblemen, preventie en veiligheid en
de nieuwe koers die we daarin moeten varen, om vervolgens de sleu-
telpost daarin gewoon aan Piet Hein Donner van het behoudende cda
over te laten. Nieuwe politiek? Laat me niet lachen, het is oude wijn in
nieuwe zakken en zelfs die zakken zijn volgens mij nog tweedehands.
Het lpf heeft hiermee een giga-kans laten liggen om werkelijk iets te
veranderen in de maatschappij. En omdat ik niet tot de categorie bet-
weters wil behoren die alleen becommentarieert hoe het niet moet,
maar nooit aangeeft hoe het wel moet, zal ik u eens wat onderdelen
van mijn ‘praktijk-politiek’ ontvouwen.

Om te beginnen zou ik meteen het gebruik van softdrugs legaliseren.


We moeten van het belachelijke systeem af dat de verkoop in de cof-
feeshops wordt gedoogd, maar de leveranciers van de stuff aan de
achterdeur worden gearresteerd. En als we dat doen, kunnen we di-
rect stoppen met het aan de lopende band bijbouwen van gevangenis-
sen, waar immers 60 procent van de gedetineerden ‘drugsgerela-
teerd’ is. Drugsgebruik is een volksgezondheidsprobleem (zoals
roken dat ook is) en geen strafrechterlijke kwestie. Alcohol veroor-
zaakt bijvoorbeeld veel meer misdaad, schade en problemen, terwijl
de distributeurs daarvan een koninklijke onderscheiding krijgen in
dit land... en de overheid miljarden aan accijnzen incasseert. Weg met
die hypocrisie dus! Het bespaarde geld en de bespaarde mankracht
moeten worden ingezet voor echte misdaad. Dat betekent dat de poli-
tie weer verplicht is bij elke inbraak en elke geweldpleging bij u langs
te komen. Nu staat u vaak voor een dichte deur en als ze al komen is
dat vaak pas na een paar dagen. Als een bolletjesslikker, die een paar
ons drugs in zijn maag heeft, wordt vrijgelaten, staat het land op zijn

– 35 –
kop, terwijl dat een vorm van ‘misdaad’ is zonder slachtoffers, maar
als er bij je thuis wordt ingebroken en de politie komt niet eens kij-
ken, is dat algemeen geaccepteerd. Ik snap het niet, u wel?

In ‘mijn’ kabinet zouden we ook niet lang discussiëren over de vraag


of dna ingezet kan worden als hulpmiddel bij het opsporen en oplos-
sen van misdrijven. Natuurlijk! Nu zijn we vaak tienduizenden man-
uren kwijt aan ‘klassiek’ recherchewerk (getuigen horen, telefoons af-
tappen, buurtonderzoeken), terwijl veel misdrijven gewoon in het
laboratorium kunnen worden opgelost. Privacyproblemen? Ja, bij de
mensen die iets te verbergen hebben. Gelooft u mij, eenieder die on-
schuldig is werkt heel graag mee om een ernstig misdrijf op te lossen,
met als bijkomend effect dat de dader niet nog eens toe kan slaan.
Moet u kijken wat dat bespaart! Het klinkt allemaal heel simpel – en
dat is het ook – maar de huidige lichting politici is bang om zich aan
koud water te branden en verschuilt zich achter niet terzake doende
argumenten.

En natuurlijk moet er wel degelijk veel meer ‘blauw’ op straat. Nu


concentreert al het politiewerk zich tijdens de kantooruren, terwijl de
misdaad natuurlijk grotendeels ’s avonds en ’s nachts plaatsvindt. Er
zijn echter vele regio’s waar ’s nachts maar één surveillancewagen
rondtoert, die niet zelden voor een gesprongen rioleringsbuis of een
kat in de boom uren uit de running is. Dus geen gezeur over 4000
politiemensen erbij, dat is nog geen eens een halve veldwachter per
tien dorpen, nee, 25.000 komt eerst. En dan verbind ik daar ook nog
aan dat de politie zich voortaan niet meer met flauwekul van bloe-
mencorso’s, carnavalsoptochten, Koninginnedagfeesten en voetbalaf-
zettingen moet bezighouden, nee, ze moeten echt politiewerk doen
en dus wordt ook alle ceremoniële ‘rimram’ als de politieblaaskapel
meteen afgeschaft. Snelheidsovertreders mag de politie alleen nog
verbaliseren als het om een heterdaadje gaat. Verder moeten de con-
troles en de afhandeling daarvan volledig worden overgelaten aan een
geprivatiseerde instantie. De politie moet weer daar zijn, waar zij no-
dig is. En iedereen die bij de politie, brandweer, ambulancedienst
werkt krijgt er bij mij minimaal 350 euro per maand bij. Het moet een
goedbetaalde eer zijn om de maatschappij te dienen, in plaats dat
men zich de kop van jut voelt. Overuren worden niet meer in vrije tijd

– 36 –
uitbetaald – zodat er weer niemand bereikbaar is! – maar gewoon in
geld. En omdat er toch publieksbegeleiding moet zijn bij allerlei eve-
nementen introduceer ik een sociale dienstplicht van een jaar voor
alle jongens en meisjes, waarbij zij voor nuttige maatschappelijke za-
ken worden ingezet. Moet u eens opletten hoe ons land daarvan op-
knapt en dan heb ik nog lang niet alle ideeën genoemd. Het kost na-
tuurlijk geld, veel geld, maar dat kan grotendeels gefinancierd
worden uit de ook niet misselijke besparingen. En voor echte veilig-
heid moet u ook wel iets over hebben, natuurlijk. Kijk, dan verzet je
werkelijk de bakens. Alles wat er nu gebeurt, is krabbelen in de marge
van de kantlijn. Sluw kiezersbedrog dat niets uithaalt. En als we de
komende jaren zo blijven doormodderen als nu het geval is, vrees ik
dat ik me er op een goede dag nog eens echt mee ga bemoeien. En dat
kon wel eens eerder gebeuren dan u denkt, want deze week ontving ik
– als overtuigd republikein – toevallig een uitnodiging van de Repu-
blikeinse Moderne Partij om eens te komen praten. Misschien dat ik
dat toch maar eens doe... Eens kijken of zij wel ooit een minister van
Justitie durven te leveren!

– 37 –
De vergeten moord op Jantje Hertogs

Jantje Hertogs uit Den Haag. Zegt die naam u iets? Ik durf te wedden
van niet. Maar als ik zeg: Meindert Tjoelker en Joes Kloppenburg...
weet ik zeker dat u direct paraat hebt dat zij twee dodelijke slachtof-
fers van zinloos geweld zijn, bijna nationale symbolen. En toch is die
onbekende Jantje Hertogs, een 20-jarige Haagse fietskoerier, een van
de ergste slachtoffers van zinloos geweld van de laatste jaren. Nu wil
ik voorop stellen dat je natuurlijk niet kunt wedijveren in leed, maar
wat Jantje Hertogs is overkomen tart toch bijna ieder voorstellingsver-
mogen en het merkwaardige is dat daar nooit veel aandacht aan is
besteed. Jan was de avond van de 27e mei 2002 na zijn werk met een
paar vrienden wat gaan drinken in het café Chetto’s Place aan de
Haagse Herengracht, waar ze een biertje dronken en een potje dart
speelden. Helemaal niets aan de hand. Om halftwaalf die avond werd
Jan op zijn gsm gebeld door zijn moeder Marianne, die hem maande
naar huis te komen omdat hij de volgende ochtend weer vroeg op
moest. Omdat hij in het café geen goede ontvangst had en het wat
rumoerig was, liep Jan om kwart voor twaalf even naar buiten om zijn
ouders terug te bellen en te zeggen dat hij eraan kwam. Meteen daar-
na pleegde hij ook nog een belletje met een vriend, maar dat duurde
slechts een paar tellen omdat diens batterij leeg was. En toen gebeur-
de het. Jan stond nog op de stoep van het café, toen er vanuit de duis-
ternis een man op hem afsprong en hem van dichtbij, zonder een
woord te zeggen en zonder enige aanleiding onder vuur nam. Een
dodelijk salvo: een paar kogels troffen de Haagse fietskoerier in zijn
benen, een andere schampte zijn schedel en ten slotte drong er één
precies onder zijn oog zijn hoofd binnen. Een paar uur later overleed
Jan. De dader was de 35-jarige Enver P., een man die al twaalf jaar ille-
gaal in ons land verbleef en die volledig over de rooie was gegaan toen
een vriendin hem had afgewezen. Kennelijk meende hij dat iemand –
wie dan ook – deze vernedering moest bezuren. Dat werd dus Jantje
Hertogs, die toevallig op de stoep stond te bellen, maar het had even-

– 38 –
goed iemand anders kunnen zijn. Dader en slachtoffer kenden elkaar
niet, hadden elkaar nooit gezien en er was werkelijk geen woord ge-
wisseld tussen de twee, nee, er was zelfs nog geen handgebaar ge-
maakt. Zinloos geweld in de overtreffende trap.

Afgelopen week zat Marianne Hertogs, de moeder van Jan, bij mij op
kantoor om over deze laffe daad te praten. ‘Had ik maar niet opgebeld
dat hij thuis moest komen, dan had hij nou nog geleefd,’ zei ze vol –
onterechte – schuldgevoelens. En ook: ‘Joes Kloppenburg zei nog
“kappen nou” tegen de dader die hem even later zou doodschoppen
en ook Meindert Tjoelker had het eerst mondeling aan de stok gekre-
gen met de jongens die hem te grazen namen, maar mijn Jantje zei
helemaal niets. Geen woord. Hij heeft die man waarschijnlijk niet
eens gezien, hij was volstrekt kansloos.’ Ze kan zich nog opwinden
over de veelgehoorde reactie: Jantje was op de verkeerde tijd op de ver-
keerde plaats en trof de verkeerde persoon. ‘Wat nou verkeerde tijd,
verkeerde plaats? Kom zeg! Het was nog geen eens twaalf uur en Jan-
tje deed helemaal niks. Er was er maar één op de verkeerde tijd op de
verkeerde plaats: de schutter, die hier helemaal niet had mogen zijn
en al ruim tien jaar illegaal in ons land verbleef, terwijl er toch al de
nodige incidenten waren geweest.’

Uiteindelijk is er in Den Haag, enige weken na Jans dood, wel een


stille tocht geweest, maar de zaak is door de media nooit echt opge-
pakt. Waarschijnlijk komt dat doordat de Haagse politie de dagen na
de moord over de toedracht zweeg. Waarschijnlijk kon men de bizar-
re gang van zaken nauwelijks geloven en hield men er rekening mee
dat er misschien toch iets meer aan de hand was. Jantjes moeder, Ma-
rianne, exploiteert in de Haagse rosse buurt een aantal ‘ramen’ en een
Haagse ambtenaar, die destijds het dralen probeerde goed te praten,
mompelde iets in de trant van: ‘Ja maar... in uw... eh... milieu...’ alsof
dat alles verklaarde. Nou, in het milieu van Marianne Hertogs was het
toevallig wel heel gewoon dat zij om halftwaalf bezorgd opbelde om
haar zoon van twintig jaar naar huis te dirigeren, een jongen van on-
besproken gedrag met een prima opvoeding, die hard voor de kost
werkte. Waar hebben we het over?

Jantje Hertogs. Die naam moet u voortaan iets zeggen...

– 39 –
Uit de dossiers van een
misdaadverslaggever

In de zomer van 2002 is mijn tv-redactie naar een nieuw kantoor ver-
huisd en, tjonge jonge, wat heeft zoiets een voeten in de aarde. Maar
toen alle kasten en archiefruimten waren uitgeruimd werd wel prach-
tig zichtbaar waar wij ons de afgelopen zeven jaar mee bezig hebben
gehouden: honderden zaakdossiers, duizenden processen-verbaal,
tienduizenden e-mailtjes en brieven. Het was een berg papier die ik
niet voor mogelijk had gehouden, maar die achteraf gezien eigenlijk
goed verklaarbaar is. Vanaf de eerste dag dat mijn programma op de
buis kwam, ontvangen wij veel post. Dat is in de loop der jaren een
stroom geworden die nooit meer is opgedroogd. Tegenwoordig ko-
men er elke dag vele tientallen e-mailtjes binnen en na uitzendingen
of bij bijzondere gebeurtenissen – de moord op Pim Fortuyn – zelfs
honderden. Deze worden allemaal gelezen en na beantwoording keu-
rig door mijn secretaresse Sylvia van der Poel gearchiveerd. Daar-
naast krijgen we dagelijks ook dikke stapels brieven, veelal noodkre-
ten om hulp, die niet zelden vergezeld gaan van dikke dossiers en
uitpuilende ordners. Ook deze worden allemaal door mij bekeken en
krijgen vroeg of laat uiteindelijk het paraaf ‘filen’ (archiveren) mee.
Eerst komen ze dan in een archiefkast op de redactie terecht waar ze
nog zo voor het grijpen liggen. Na verloop van tijd verhuizen ze naar
een aparte archiefkamer op dezelfde etage, waar de minder courante
documentatie ligt, om ten slotte de gang naar de zolder te maken,
waar ze normaal gesproken nooit meer vanaf komen. Tenzij je dus
verhuist... En dan hebben we natuurlijk ook nog de bijna onafzienba-
re rijen ordners – kasten vol – met dossierstukken van allerlei zaken.
En als u weet dat een gemiddelde moordzaak algauw tot een stuk of
zeven propvolle ordners – een verhuisdoos vol – leidt, en wij boven-
dien van onze eigen correspondentie ook nog kopieën bewaren, be-
grijpt u wel dat ik de hoeveelheid archief bijna in strekkende kilome-
ters moet uitdrukken en er een flink bos voor tegen de vlakte is
gegaan om zoveel papier te produceren.

– 40 –
Overigens moet me wel van het hart dat met name de verzenders van e-
mails wel eens enig correspondentiefatsoen bijgebracht mag worden.
Elke dag krijgen we wel mailtjes waarin van ons – nota bene – een dienst
of gunst wordt gevraagd, zonder dat er sprake is van een fatsoenlijke
aanhef (‘beste Peter’) of van een correcte afsluiting (‘met vriendelijke
groeten’). Nee, plompverloren wordt er in bijna commando-achtige taal
opgetikt wat men wil weten (‘graag snel antwoord!’), alsof we een soort
dienstverleningsloket zijn dat altijd tot antwoorden verplicht is.

Maar goed, nu we gingen verhuizen was het dus eens tijd om te kij-
ken wat er van al dat papierwerk mee moest, want tot dusver was er
nooit een snipper weggegooid. En dus keken we afgelopen week alles
nog eens door en werd ik geconfronteerd met honderden oude zaken
en duizenden briefwisselingen. Heel veel correspondentie met wat ik
ooit de ‘drie E’s’ heb genoemd: Echtscheidingsaffaires, Erfafschei-
dingsoorlogen en Erfenisruzies, een brievencategorie die bij ons heel
gauw het predikaat ‘filen’ krijgt en waar de inhoud me niet van bij blijft.
Die brieven hebben de schifting afgelopen week dan ook niet overleefd.
Maar bij vele andere stukken kon ik een kreet van herkenning niet on-
derdrukken: ‘O ja, daar zijn we ook nog mee bezig geweest. Verhip, dat
we dat ook nog hebben... Hé, dat is die zaak van X... Ach... kijk nou, dat
is een brief van Y...’ En gelukkig vond ik in de papierberg ook nog een
paar keer iets terug – een foto, een brief, een dossierstuk – dat ik verlo-
ren waande en nu van een definitief einde in de hongerige muil van de
papiervernietiger kon redden. Bijna liefkozend – want ja, wie niet van
dossiers houdt moet geen misdaadverslaggever worden! – liet ik som-
mige stukken door mijn handen gaan. Dossiers waar we de afgelopen
jaren uitzendingen van hebben gemaakt, maar ook zaken waar we om
een of andere reden niets mee hadden gedaan, konden zodoende nog
een keer op mijn aandacht rekenen. Ik kwam dossiers tegen die waren
afgeschreven omdat het verhaal niet deugde, de feiten niet klopten of
de personen erachter onbetrouwbaar waren, maar mijn oog viel ook op
kwesties die een beter lot hadden verdiend, maar om praktische en
journalistieke redenen het tv-scherm toch niet hadden gehaald. En nu
ik sommigen verhalen weer eens doorlas gingen ze toch weer voor me
leven. Een aantal heb ik er daarom apart gelegd en die zal ik in de ko-
mende hoofdstukken uit de vergetelheid trekken alvorens ik er in mijn
nieuwe kantoor weer ‘filen’ op krabbel...

– 41 –
Een verdwaalde kogel

In een eerdere column berichtte ik u over de moord op Jantje Hertogs uit


Den Haag, die in mei 2002 door een wildvreemde werd doodgeschoten,
toen hij voor een café stond te telefoneren. De dader was op tilt geslagen
na een ruzie met een vriendin en had zijn woede op de 20-jarige Jantje
gekoeld door een pistool op hem leeg te schieten. Ik schreef: ‘Dader en
slachtoffer kenden elkaar niet, hadden elkaar nooit gezien en er was wer-
kelijk geen woord gewisseld tussen de twee, nee, er was zelfs nog geen
handgebaar gemaakt. Zinloos geweld in de overtreffende trap.’
Op het moment dat ik dat tikte, kon ik me niet heugen dat ik het
ooit zouter had gegeten, maar toen ik onlangs voor onze kantoorver-
huizing mijn archiefkasten leeg moest maken, stond ik ineens met
het dossier van de Amsterdammer Ronald Cramer in mijn handen.
Zijn gewelddadige dood is zonder twijfel een van de meest bizarre en
tragische kwesties die ik in mijn programma heb behandeld, maar er
is sindsdien niet veel ruchtbaarheid meer aan de zaak gegeven. Ik
pakte er een stoel bij, liet de verhuizing even voor wat hij was, en las
de stukken opnieuw door....

Ronald Cramer kwam op 1 april (!) 1997 om het leven toen hij in zijn
auto op het Hildo Kropplein in de hoofdstedelijke Zeeburgbuurt reed.
De 38-jarige Amsterdammer ging die vroege morgen in zijn Fiat Tipo
naar zijn werk. Na jaren van werkloosheid was hij bij een slachtbe-
drijf op proef aangenomen. Cramer had er zin in en reed, ondanks
het vroege tijdstip, goedgemutst weg van zijn woning aan de Walen-
kampstraat. Zijn toekomst zag er weer goed uit. Nog geen honderd
meter verder, toen hij op het Hildo Kropplein een stilstaande taxi pas-
seerde, klonken er echter een paar knallen. De ruit in het linkervoor-
portier van de Fiat Tipo versplinterde en de auto kwam 20 meter ver-
der tegen een boom tot stilstand: Ronald Cramer was op zijn eerste
werkdag door zijn hoofd geschoten en overleed vrijwel direct. Uit het
rechercheonderzoek kwam vervolgens een samenloop van omstan-

– 42 –
digheden naar voren die elk realiteitsbesef tart. Nee, de schutter had
het niet op Ronald gemunt, nee, hij had ook niet op hem gemikt... Dat
kon ook eigenlijk niet, want Cramer was een man van onbesproken
gedrag die zich bepaald niet in de verkeerde kringen ophield. Nee, de
Amsterdammer werd slachtoffer van het noodlot en wel op een wijze
waar je geen kansberekening op kunt loslaten. Zonder het te weten
was hij met zijn auto het toneel van een drugsruzie opgereden, waar-
bij de bendeleden elkaar juist onder vuur namen. Twee van hen wa-
ren met de taxi gekomen die Cramer juist passeerde. De kogel die
voor een van de drugsdealers was bedoeld, zwaaide af en raakte de
nietsvermoedende Amsterdammer in zijn hoofd... Als hij een halve
seconde eerder of later van huis was gegaan, als hij geen 50 kilometer
maar 49 kilometer per uur had gereden, was er niets gebeurd – het is
gekmakend als je erover nadenkt! – maar Ronald Cramer had die och-
tend alles, maar dan ook alles tegen. Ik heb geprobeerd me een voor-
stelling te maken van het ongeloof waardoor het gezin van Cramer
moet zijn getroffen toen kort na zijn vertrek de politie aan de deur
stond met dit verhaal. Dat is gewoonweg niet te bevatten...

Bladerend door het dossier herinnerde ik me weer alle schokkende fei-


ten. De schutter was een zekere André S., een man met een strafblad zo
lang als een traploper, die nota bene al eens eerder een onschuldige par-
does had doodgeschoten. In mei 1987 was hij betrokken bij een ge-
ruchtmakende overval op het pompstation Den Ruygen Hoek langs de
A4 bij Nieuw Vennep. De 51-jarige pompbediende Jan van der Linden
raakte in gevecht met de drie overvallers en werd door S. doodgescho-
ten, met een kogel in zijn hoofd en in zijn buik. Dit alles voor een buit
van 2800 gulden. S. beweerde voor de rechtbank dat hij ‘niet gericht
had willen schieten’ en alleen maar had willen dreigen. Er werd tbs te-
gen hem geëist, maar dit werd niet opgelegd en zeven jaar later stond
André S. weer buiten. Zo gaat dat in ons strafrecht. Om drie jaar later in
de Amsterdamse Zeeburgbuurt opnieuw een keer te schieten ‘zonder
te richten’ en Ronald Cramer fataal in diens hoofd te raken. We zijn in-
middels vijf jaar verder en het zal me niet verbazen als S. alweer vrij is
of bijna vrij komt. Tegelijkertijd betwijfel ik of de nabestaanden van
Ronald Cramer alweer een meter zijn opgeklauterd uit de peilloos die-
pe put waar zij die vroege ochtend in zijn geworpen door een verdwaal-
de kogel, afgevuurd door een idioot...

– 43 –
De laatste nacht van Yvonne Honders

De afgelopen jaren heb ik meer dan 350 afleveringen van mijn program-
ma gemaakt. En hoewel ik gezegend ben met een geheugen als een pot,
gebeurt het toch wel dat ik bepaalde zaken na verloop van tijd niet
scherp meer voor de geest kan halen. Niet elke zaak spreekt je evenveel
aan en niet elk dossier kent talloze follow ups waardoor ze je beter bij-
blijven. Toen ik een poosje geleden in verband met een kantoorverhui-
zing ons archief aan het uitmesten was, liet ik alle zaken – ook die niet
tot een uitzending hadden geleid – weer eens door mijn handen gaan.
Dat ging grotendeels routinematig, maar toen ik ineens het dossier van
een 40-jarige blonde vrouw uit Amsterdam vasthield, stopte ik meteen
met sorteren. ‘Yvonne Honders... ja... potverdomme!’ mompelde ik in
mezelf. En die krachtterm sloeg niet op haar, maar op het halfbakken
onderzoek dat justitie had gedaan en het feit dat de verdachten in haar
zaak de dans op schandelijke wijze waren ontsprongen. Een van de eer-
ste dingen die ik zag was een brief van haar zoon Mischa die mij destijds
schreef: ‘De moord is nooit opgelost omdat kennelijk niemand de waar-
heid écht wilde weten.’ Hij had gelijk en de zaak zit mij daarom nog al-
tijd dwars, maar laat ik u eerst de feiten geven.

Het lijk van Yvonne Honders werd in de vroege ochtend van donder-
dag 1 maart 1990 door een kwekerijmedewerker in een ondiepe sloot
van de Aalsmeerderweg bij Burgerveen gevonden. De grafisch ont-
werpster was grotendeels ontkleed, op een trui en een sok na. Ze was
verdronken, maar er was duidelijk een misdrijf in het spel. Recher-
cheonderzoek wees al snel uit dat ze die nacht in een Amsterdamse
kroeg om kwart voor vijf met twee mannen was weggegaan, de 35-jari-
ge K. en de 31-jarige S. Drie uur later werd ze dertig kilometer verder-
op dood gevonden. Het duo werd gehoord en vertelde dat ze met
Yvonne inderdaad de Haarlemmermeerpolder waren ingereden. De
een zat achter het stuur, de ander zat met haar op de achterbank wat
te ‘rotzooien’. Bij een bruggetje op de Aalsmeerderweg waren ze ge-

– 44 –
stopt. Er was om onduidelijke redenen mot ontstaan en Yvonne was
boos uitgestapt. En hoewel het ijskoud en pikdonker was hadden de
twee mannen haar gewoon in het holst van de nacht achtergelaten in
de belachelijke veronderstelling dat ze ‘wel een lift zou krijgen’. Er
was niets gebeurd. Zeiden ze. Yvonne was geheel gekleed toen ze
wegreden en ze leefde nog, beklemtoonden de twee. Nader verhoor
leerde dat hun relaas rammelde. De mannen logen om S. te bescher-
men, die met deze schuinsmarcheerderij niet bij zijn eigen vrouw
kon aankomen. Na enige verhoren werd het verhaal ietwat bijgesteld.
Yvonne was uitgestapt zonder broek en wellicht was ze in het water
gevallen – en verdronken – toen ze deze in het donker probeerde aan
te trekken, suggereerden de twee mannen nu. Dat correspondeerde
echter niet met de door de technische recherche gevonden sporen.
Yvonne lag 15 meter van het bewuste bruggetje af. Haar legging lag
aan de overkant op het talud. Haar laarsjes stonden wel op de brug,
keurig naast elkaar. Het gekke was echter dat er op het blubberige
brugdek geen enkel voetspoor van haar, maar wél van K. en S. werden
gevonden. Van Yvonne trof de recherche alleen een knie- en duimaf-
druk aan, wat het vermoeden rechtvaardigde dat zij half in de auto,
half uit de auto heeft gehangen en er waarschijnlijk een schermutse-
ling heeft plaatsgevonden voor zij te water raakte. Tijdens een van de
laatste verhoren vertrouwde S. de rechercheurs toe, zo las ik in het
oude dossier: ‘Als ik vertel wat er precies op de brug is gebeurd, ben ik
lange tijd van de straat...’ Je zou zeggen: dat is een goed alibi om er
nog eens wat pittige verhoren tegenaan te gooien. Maar geloof het of
niet: hier stopte het dossier. De mannen werden op vrije voeten ge-
steld. De zaak werd geseponeerd ‘wegens onvoldoende aanwijzingen
van schuld’. Ongelooflijk. Verbijsterend. Schokkend. ‘De zaak is
nooit opgelost, omdat kennelijk niemand de waarheid wilde weten,’
schreef haar zoon Mischa mij verbitterd. Dat laatste is niet helemaal
waar. Nu, twaalf jaar na het misdrijf, wil ik nog steeds dolgraag weten
wat er met Yvonne Honders is gebeurd. En ik vraag me af of K. en S.
kunnen leven met wat er is gebeurd en hun rol daarbij. Zou er nog
een kansje zijn dat S. nu wel wil vertellen wat er ‘precies op de brug is
gebeurd’? Ik ben bang van niet. Want daar is moed voor nodig en ie-
mand die om vijf uur ’s nachts een vrouw halfnaakt op een bruggetje
in de donkere polder achterlaat en gewoon naar huis gaat, is geen ke-
rel maar een lafaard. Of moet ik in dit geval zeggen: een moordenaar?

– 45 –
Het mysterie van Miriam Möller

Deze maand [november 2002] precies zes jaar geleden rolde ik in een
bizar voorval, waarvan ik me vandaag de dag nog steeds afvraag wat
daarvan precies de bedoeling was en wat er nu wel en wat er nu niet
waar was. Ik werd met die geschiedenis onlangs weer geconfron-
teerd, toen ik bij onze kantoorverhuizing in een kast met niet-actueel
dossiermateriaal een proces-verbaal vond van de recherche in Veen-
endaal, waar ik in november 1996 aangifte van het hele verhaal had
gedaan.

Het begon ermee dat ik werd gebeld door ene B., een beroepscrimi-
neel uit Veenendaal. Hij vroeg of ik direct naar hem toe wilde komen,
omdat hij in een noodsituatie verkeerde en een onthullend verhaal te
vertellen had. Toen ik met collega Erwin Otten bij zijn huis kwam,
werden we door de gestreste B. ontvangen. De lampen in zijn woning
waren uit, hij had een pistool in zijn handen en liep als een getergd
roofdier heen en weer. Bij ieder geluidje richtte hij zijn wapen op de
deur en hield een wijsvinger op zijn lippen om ons tot absolute stilte
te manen. De sfeer was zo dreigend dat Erwin en ik overwogen op de
grond, achter de divan, dekking te zoeken, want we verwachtten dat
er ieder moment een kogelsalvo door de ramen kon komen.

Toen B. wat kalmeerde, vertelde hij ons dat hij die week bij een moord
op een Belg betrokken was geraakt in een plaatselijke seksclub, die ei-
gendom was van een notoire onderwereldfiguur. B. had de man niet
zelf gedood, maar was wel ingeschakeld om hem in een rol tapijt op
een braakliggend terrein in de buurt te dumpen. De Belg was een
schuldeiser van de seksclubeigenaar en om van zijn gezeur af te zijn
had men hem laten ‘hemelen’, zoals B. dat uitdrukte. Hij was nu ech-
ter bang dat de moordenaars hem ook zouden opruimen omdat hij te
veel wist en daarom had hij mij erbij gehaald, zei hij. Hij wilde ons de
plek wijzen waar het lijk lag. Na veel geharrewar kwam het een paar

– 46 –
dagen later tot een nieuwe afspraak, in een café. B. had erop gestaan
dat we elkaar daar zouden ontmoeten. Een paar keer benadrukte hij –
telefonisch – dat we bij binnenkomst moesten doen alsof we elkaar
goed kenden. Ik vond dat zeer merkwaardig, maar besloot het alle-
maal maar op me af te laten komen. Toen Erwin Otten en ik op het
afgesproken tijdstip arriveerden, parkeerde daar ook net een andere
auto, waar een imposant figuur uitstapte: de seksclubeigenaar, de
man die B. als moordenaar had genoemd... Hij keek ons met grote,
verbaasde ogen aan. Dat kon natuurlijk geen toeval zijn en ik kreeg
steeds meer het gevoel dat ik een pion in een of ander onderwereld-
schaakspel was geworden. Het was duidelijk de bedoeling dat de man
mij zou zien, waarschijnlijk om hem onder druk te zetten. Ik vroeg
B., die al binnen zat, om opheldering, maar hij was nog zenuwachti-
ger dan anders. Een paar minuten later liepen we naar buiten en ik
vroeg B. nogmaals wat dit allemaal te betekenen had. Hij werd kwaad
en schreeuwde: ‘Jullie bekijken het maar... De man om wie het gaat
zit binnen en hij heeft jullie nu gezien!’ Ik zei: ‘Ja, vind je het gek, dat
heb je toch zelf zo geregisseerd!?’ B. werd nog bozer en liet ons daar
staan. Het was een krankzinnig voorval, maar ik zat er wel mee in
mijn maag. Was er echt iemand vermoord of was het een verzinsel?
B. reageerde niet meer op telefoontjes en de seksclubeigenaar vertrok
even later ook met onbekende bestemming. Erwin en ik bleven achter
en wisten niet wat we van de kwestie moesten denken. Ik stapte daar-
om maar naar de plaatselijke recherche. Zij konden misschien uitzoe-
ken of er een Belg vermist was en of deze bekend was in de seksclub.
Mijn verhaal werd door een rechercheur belangstellend uitgetikt en
dat proces-verbaal vond ik dus een paar weken geleden terug. Van B.
zelf heb ik nooit meer iets gehoord en dus vraag ik me nog altijd af
wat er nu aan de hand was. Er is nooit gebleken dat er werkelijk een
moord is gepleegd. Er is geen sprake van een vermiste Belg en er is
ook nooit een lijk in een rol tapijt gevonden. Maar wel een ander lijk...
Op een andere plaats. Ruim een halfjaar later werd in Rotterdam in
de bosjes langs de Maetelinckweg het lijk gevonden van de 28-jarige
prostituee Miriam Möller. De drugsverslaafde vrouw was op een on-
gelooflijke manier met meer dan zeventig messteken (!) toegetakeld.
Ik kreeg een schok toen ik hoorde wie Miriam precies was. Het was
de vrouw van... B. Het stel leefde al gescheiden van elkaar en er is
nooit een spoor gevonden dat B. ook maar iets met de dood van de

– 47 –
moeder van zijn kind te maken had, maar gek blijft het allemaal wel.
De moord op Miriam is nog steeds onopgelost en zodoende zit ik nog
steeds met heel veel vraagtekens, B.!

Naschrift: na publicatie van de column heeft B. alsnog contact met


mij opgenomen en toen toegegeven dat het verhaal van het lijk in het
tapijt een verzinsel was. Hij wilde met onze komst naar Veenendaal
de seksclubeigenaar met wie hij in onmin verkeerde en voor wie hij
bang was, onder druk zetten. Hij meende dat deze niets meer zou
durven ondernemen als hij had gezien dat B. en ik elkaar ‘goed ken-
den’. De moord op Miriam Möller is nog altijd onopgelost. De recher-
che gaat ervan uit dat zij om het leven is gebracht door een klant.

– 48 –
De moord op Antonio Brizzi

De eerste helft van de kwart eeuw dat ik misdaadverslaggever ben, heb


ik me voornamelijk toegelegd op het in kaart brengen van de onderwe-
reld, de georganiseerde misdaad en internationale drugshandel. Ik las
duizenden processen-verbaal, bezocht honderden rechtszaken, was
vaste (bezoek)klant bij tientallen gedetineerden in gevangenissen en
wist na verloop van tijd precies wie er wat voorstelde in de penoze. De
topdogs kende ik bij naam en toenaam en ik kreeg inzicht in hun
denkwijze, hun jargon en hun manier van werken. In de tweede helft
van mijn carrière verlegde die aandacht zich. Daar waar ik in het be-
gin van mijn loopbaan ’s nachts nog wakker gemaakt kon worden
voor een heroïnevangst van vier kilo, verloor ik nu langzaam maar
zeker elke interesse in de drugshandel. Ik zal de zendtijd van mijn
programma echt niet verspillen aan de modus operandi van een
drugsbende. Niet meer interessant! En het zoveelste onderwereldkop-
stuk? Ach... ook daar is de sjeu een beetje van af. Ze zijn allemaal even
een poosje de grootste, de belangrijkste, de hardste, de rijkste en weet
ik veel wat meer, om vervolgens weer plaats te maken voor een ander
die precies dezelfde kwalificaties krijgt. Als mijn hulp wordt ingeroe-
pen voor het oplossen van een onderwereldliquidatie, sta ik evenmin
meteen in de startblokken. Nee, ik besteed nu liever aandacht aan een
onopgeloste kindermoord, een mysterieuze verdwijning, een gerech-
telijke dwaling of een misstand waar onschuldige burgers het slacht-
offer van zijn geworden.

Ik realiseerde me deze verschuiving toen ik onlangs mijn dossiers


van het laatste decennium weer eens doorbladerde. Maar gek genoeg
bleef ik toen toch stilstaan bij de ordners van uitgerekend een onder-
wereldafrekening: die op Antonio Maria Romano Brizzi uit Moerge-
stel, in Brabant kortweg aangeduid als ‘d’n Brizzi’. Antonio werd in
april 1994 doodgeschoten en ondanks een overvloed aan concrete
sporen is de zaak nooit opgelost. Mede daarom houdt hij mij nog al-

– 49 –
tijd bezig. Brizzi was een stratenmaker die zich letterlijk in het milieu
omhoog gevochten had – drugs, prostitutie, geweld, incasso’s – en daar-
mee de status van jetsetcrimineel had verworven. Hij was de eigenaar
van het dynastieachtige landgoed Dennenhoef in Moergestel, vlak bij
Tilburg. Een boksfanaat. Schatrijk. Kleurrijk. Keihard. Erg lang heeft
hij niet van zijn rijkdom kunnen genieten, want op 26 april 1994, toen
hij veertig jaar oud was, kwam zijn moordenaar op bezoek.

Brizzi was thuis met zijn vriendin Simone en hun kindje, toen er
’s avonds rond een uur of negen aan de poort werd aangebeld. Een
man vertelde dat hij met zijn witte Fiat Panda op een modderpad
naast het landgoed vastzat en vroeg om hulp. Antonio ging met hem
mee en trok hem los met een trekkertje die op zijn landgoed stond.
De twee dronken daarop nog even een biertje in de keuken en maak-
ten een praatje. Simone vertrok even later met haar dochtertje naar de
huisarts omdat de kleine oorpijn had. Ze had de dokter gebeld en die
had gezegd dat ze nog even langs kon komen. Ze reed vrijwel tegelij-
kertijd met de witte Panda het erf af richting Moergestel en zag in
haar spiegeltje dat de onbekende man achter haar aanreed, maar even
later verloor ze hem uit het oog. Toen ze tegen halfelf thuiskwam,
vond ze Antonio in het portaal van de woning, badend in het bloed,
dodelijk getroffen door enkele kogels. Er had een worsteling plaatsge-
vonden en op de grond lag een bril van een duur, goudkleurig mon-
tuur van Dior, dat ze onmiskenbaar herkende als die van de Fiat-be-
stuurder. Kennelijk was de man nadat hij vertrokken was omgekeerd,
teruggegaan en had Antonio doodgeschoten. Was het verhaal van de
vastzittende auto een truc van een huurmoordenaar geweest om op
het landgoed te komen? Twee jaar na de moord heb ik over deze
moord een hele uitzending gemaakt. Ik heb alle betrokkenen gespro-
ken en het politiedossier secuur bestudeerd. Velen – ook bij de politie
– verdachten de vriendin van Antonio, die juist op het moment van de
moord naar de huisarts was en de erfgename van zijn miljoenen was.
Zij vonden dat allemaal net iets te toevallig en meenden dat zij met de
moordenaar had samengespannen. Ik heb Simone uitvoerig gespro-
ken en kwam daarentegen tot de conclusie dat zij op alle punten in
haar verklaring – tot in de kleinste details – de waarheid had gespro-
ken en zeer waarschijnlijk helemaal van niets wist. Ze had een witte
Fiat Panda gezien, verklaarde ze, en toen de politie op het modder-

– 50 –
paadje bandensporen aantrof, bleken die ook inderdaad van een Fiat
Panda te zijn en zo waren er nog veel meer punten die allemaal klop-
ten. Ondanks het feit dat van de gevonden bril in Nederland slechts 71
exemplaren waren verkocht, werd de eigenaar niet getraceerd. En on-
danks een banden- en een voetspoor, gevonden kogels en hulzen, een
duidelijk signalement (een spleet tussen de tanden) van de schutter
en een duidelijk automerk, werd de moordenaar van ‘d’n Brizzi’ nooit
gevonden. Dat heeft me altijd een beetje dwarsgezeten. En hoewel het
dus vrijwel zeker een onderwereldliquidatie betreft, kom ik voor de
oplossing daarvan nog graag ’s nachts mijn bed uit...

– 51 –
Moordenaars zijn geboren leugenaars

Hoe het komt weet ik niet, maar moordenaars zijn bijna ook altijd ge-
boren leugenaars. In een poging hun afschuwelijke daden te verbloe-
men, zijn ze vaak tot fabelachtige acteerprestaties in staat en wordt ie-
dere betrokkenheid met een mix van dramatiek, geveinsde
verontwaardiging en gespeeld verdriet ontkend. Met name bij een
aantal zogenoemde partnerdodingen heb ik de afgelopen jaren to-
neelstukjes gezien die in Hollywood zo een oscarnominatie zouden
opleveren. Toen Marion en Romy van Buuren uit Bergen vijf jaar gele-
den verdwenen, bezwoer Okan O. dat hij daar niets mee te maken
had. Onlangs werden hun stoffelijke resten in de duinen gevonden,
daar begraven door Okan. Paul van O., die recent tot zestien jaar cel
werd veroordeeld voor de moord op zijn vrouw Angelique uit Aals-
meer, kan spontaan een trillende onderlip, een brekende stem en een
opwellende traan in zijn ooghoek oproepen als hij mensen wil laten
geloven dat hij niets met de moord te maken heeft. En ook Moham-
med A., die in 1995 zijn ex-vriendin Christina Conte vermoordde en
haar lijk ergens heeft begraven, kan zo op de toneelacademie met zijn
ontkenningen. Allemaal zijn ze er een meester in om zich tegelijker-
tijd aangeslagen en verongelijkt voor te doen en zich vol onbegrip af
te vragen hoe het toch mogelijk is dat zij van zo’n afschuwelijk mis-
drijf worden beschuldigd.

Een sterk staaltje daarvan heb ik meegemaakt in de zaak van Wendela


van der Poel, die op 25 januari 2001 na een gesprek over de ophanden
zijnde echtscheiding met haar man Pieter H. spoorloos verdween. De
aanwijzingen dat de Huizense architect hier iets mee te maken moest
hebben stapelden zich hoog op. Merkwaardig was dat hij zelfs zijn ei-
gen kinderen een toelichting op zijn verdachte gedrag weigerde en
dat hij zich steeds op zijn zwijgrecht beriep. Je zou zeggen: als je
vrouw is verdwenen en je weet werkelijk van niets, dan grijp je iedere
mogelijkheid aan om je onschuld van de daken te schreeuwen. Sa-

– 52 –
men met collega Chantal van Schuylenburg verdiepte ik me op ver-
zoek van Wendela’s kinderen in de zaak en algauw concludeerden wij
op basis van het feitenmateriaal dat er in het Gooise plaatsje een we-
reldwonder moest hebben plaatsgevonden als Pieter er níéts mee te
maken had. H. werd ook twee keer door de recherche gearresteerd,
ontpopte zich tijdens de verhoren als een begenadigd leugenaar en
gaf geen krimp. En dus moest hij ook twee keer worden vrijgelaten.
Voor onze uitzending probeerde ik een interview met hem te krijgen,
maar dat weigerde hij. Wel kreeg ik hem telefonisch te spreken. Hij
speelde zijn rol toen weergaloos en ik zal niet gauw vergeten dat hij er
zelfs niet voor terugdeinsde om – met brok in de keel – zijn eigen kin-
deren verwijten te maken omdat zij hem niet vertrouwden, terwijl hij
drommels goed wist dat ze de spijker boven op z’n kop sloegen. In
plaats daarvan jammerde hij dat zijn kinderen hem verdacht maakten
en chanteerden. Het is dat ik de architect niet door de telefoon kon
zien, maar ik vraag me nu nog af hoe rood zijn kaken op dat moment
waren. Zijn eigen hachje ging boven het verdriet van zijn kinderen.
Zijn advocaten lieten zich vervolgens ook niet onbetuigd. In de aan-
loop naar de uitzending werd er heel wat afgesteggeld en liet men
weten dat als ik de goede naam van H. zou aantasten op basis van
enkele ‘nietszeggende beschuldigingen’, ik voor alle gevolgen zou op-
draaien. En in een interview met een krant, na de uitzending, liet men
dreigend weten dat ik ‘op mijn tellen moest passen’. Architect Pieter
had niets met de verdwijning te maken en de recherche moest eens
ophouden met dat eenzijdige onderzoek en de journalisten met hun
tendentieuze verhalen! Ferme taal met een portie bluf, maar af en toe
is er gelukkig ook nog zoiets als gerechtigheid. En dit diende zich bij
mij aan in de vorm van een aannemer uit Huizen, die ooit bij mij thuis
had gewerkt, en die mij na de uitzending de gouden tip gaf. Een kennis
van hem had gezien dat Pieter daags na de verdwijning ’s morgens in
alle vroegte in de tuin stond te graven. De architect reageerde nerveus
en ietwat betrapt toen hij werd gegroet. De man had zich afgevraagd
wat Pieter daar zo vroeg deed, maar was door een toevallige samenloop
van omstandigheden nooit door de recherche tijdens het buurtonder-
zoek gehoord. Ik vond het een verdacht verhaal en nam contact op met
de politie. Ik drong er op aan de man alsnog te horen en toch nog eens
goed in de tuin te kijken, waar overigens al uitvoerig was gezocht. Zulks
geschiedde...En jawel, kort daarop werd Wendela gevonden, gestort in

– 53 –
beton, naast de funderingsmuur van de woning van Pieter, bijna zoals
je van een architect zou mogen verwachten. Afgelopen week zag ik H.
voor de rechtbank, waar vijftien jaar cel tegen hem werd geëist. Een
grijzende, traag bewegende man, met een gedoofde blik in zijn ogen.
Pieter had niet alleen met een snoer zijn vrouw gewurgd, maar met zijn
leugens tegelijkertijd de band met zijn kinderen voor eeuwig doorge-
sneden. De kinderen hadden niet alleen hun moeder, maar ook hun
vader verloren. In zijn laatste woord bood de ooit zo maatschappelijk
geslaagde verdachte iedereen excuus aan. Zijn laatste woorden waren:
‘Waarom ging alles wat mooi was zo fout...?’
Kennelijk is de bittere wáárheid nu toch ook tot hem doorgedrongen.

– 54 –
De prijs voor een opgeloste moord

Een jaar of zeven geleden ben ik genomineerd geweest voor ‘de bron-
zen luis’, een journalistieke tv-prijs van de kro. De prijs was bedoeld
voor kritische tv-makers, die hun oren niet lieten hangen naar de ge-
vestigde orde. Ik had de nominatie verdiend met een reportage waar-
in werd aangetoond dat je op Curaçao bij de autoriteiten op valse
naam een echt Nederlands paspoort kon krijgen, wat in de onderwe-
reld natuurlijk goud waard was. Ik was er in geslaagd om vier echte
paspoorten op valse namen te bemachtigen. De controle op persoons-
gevens was bij de officiële instanties op Curaçao een lachertje. Er ont-
stond een fikse rel over onze bevindingen, er volgde een spoeddebat
in de Tweede Kamer en de staatssecretaris van Justitie zat met het
schaamrood op de kaken bij mij in de studio. Een prachtige, onthul-
lende reportage... meer luis in de pels kun je nauwelijks zijn. Maar
wie schetste mijn verbazing toen bij de feestelijke uitreiking van de
prijs niet ik of de eveneens genomineerde Bart de Graaff met de bron-
zen luis naar huis ging, maar... Hanneke Groenteman. Nu kun je
Hanneke duizend lovende kwalificaties toedichten, maar natuurlijk
niet dat zij een luis in de pels is.

Sindsdien heb ik niet zoveel op met tv-prijzen en houd ik mezelf voor


dat een opgeloste moord, een opgerolde bende of een rechtgezette ge-
rechtelijke dwaling in feite veel mooiere ‘onderscheidingen’ zijn en
daar hebben we er als programma de afgelopen jaren inmiddels flink
wat van verzameld.

Toen ik medio 2002 dan ook bericht kreeg dat mijn uitzending over
de bijna verjaarde moorden op Corrina Bolhaar en haar twee kinde-
ren Sharon en Donna in 1984 in Amsterdam-Zuid tot de laatste zes in
de categorie ‘Informatie’ van de Nederlandse Academy Awards was
doorgedrongen, haalde ik aanvankelijk mijn schouders op: ‘Oké, we
zitten er bij, maar zullen nog wel afvallen.’ Was dat een gebrek aan

– 55 –
zelfvertrouwen in mijn eigen reportage? Nee, geenszins, het gaf al-
leen mijn argwaan aan. In alle onbescheidenheid mag ik wel zeggen
dat ik onze uitzending zelf meteen een topper vond. We waren er na
veel justitiële tegenwerking en in een spannende race tegen de klok in
geslaagd om de verjaring van de gruwelijke moorden te stuiten. Bo-
vendien hadden we nieuwe getuigen opgespoord, waardoor de re-
cherche een verdachte kon aanhouden, die in voorlopige hechtenis
werd gezet in afwachting van zijn proces. De reportage, die ik samen
met collega Kees van der Spek heb gemaakt, bevatte in feite de ideale
journalistieke mix: kennis van zaken, vasthoudendheid, speurzin en
resultaat.

Een paar maanden later, begin september, werden de laatste drie kan-
didaten bekendgemaakt en toen wij er nog steeds bij zaten, kreeg ik
pas het gevoel dat onze reportage dat prestigieuze gouden beeldje
misschien toch wel eens in de wacht kon slepen. Aan het einde van de
maand vond de prijsuitreiking plaats tijdens een galadiner. En ja, u
voelt ’m al aankomen: ‘En de winnaar is... Peter R. de Vries met de
drievoudige moord in Amsterdam!’ Even later stond ik, keurig in
smoking, op het podium om de Academy Award in ontvangst te ne-
men. En laat ik eerlijk wezen, dat was toch een heel leuk moment! Ik
had veel willen zeggen, toen ik daar stond, maar de organisatoren
hadden streng laten weten dat de winnaars ‘hooguit twintig seconden’
konden speechen, anders zou de tv-uitzending veel te lang worden:
een kuchje, een ‘eh’ en een diepe ademhaling en het is voorbij. Ik heb
er nog ruim twee minuten bij gesmokkeld, zodat ik mijn medewer-
kers Sander Dekkers (‘de beste productieleider van Hilversum’), regis-
seur Ary Schouwenaar (‘een kanon’) en Kees van der Spek (‘een super-
talent’) kon noemen. Zij zorgen er samen met onze andere
redactieleden voor dat mijn programma jaar in jaar uit spraakmakend
is. Wat ik daar op het podium helaas niet meer kon zeggen – en daar-
om hier doe – is dat sbs6 en Endemol ook een enorm compliment
verdienen. Zij hebben mij de afgelopen zeven jaar altijd gegeven waar
ik om vroeg en dat is met een vaste crew van achttien man niet gering,
kan ik u verzekeren. Mijn programma is een van de duurste tv-pro-
ducties. En nooit heeft men, na bijvoorbeeld de 35e uitzending van de
Puttense moordzaak tegen mij gezegd: ‘Peter, zo is het wel genoeg...’
Nee, altijd vertrouwen, altijd ruim baan. Daar kan de publieke om-

– 56 –
roep nog een puntje aan zuigen! Zij verdienen daarvoor absoluut ook
een gouden trofee. Maar toen ik na de uitreiking met sbs 6-baas Fons
van Westerloo en Endemol-topman Paul Römer sprak en zij even kib-
belden waar de net gewonnen Academy Award zou komen te staan,
bij de zender of bij de producent, zei ik, terwijl ik de prijs achter mijn
rug verborg: ‘Wedden dat hij bij mij thuis komt te staan...?’

– 57 –
De trillende stem van een president

De afgelopen zeven jaar ben ik ontelbare keren bij Anja Dubois in


Putten thuis geweest. Ik zeg opzettelijk Anja, want haar man Herman
zat het grootste gedeelte van die periode in de gevangenis en was er
dus niet. Ik weet nog goed dat ik er de eerste keer kwam. Ik wilde een
uitzending maken over de Puttense moordzaak en moest bepaalde
dingen weten over de verdachten. Ik werd ontvangen in een keurig
rijtjeshuis. Anja was nerveus, maar wel overtuigd van de onschuld
van haar Herman, omdat ze zich goed kon herinneren dat hij op het
tijdstip van de moord bij haar thuis op de bank naar het schaatsen
had zitten kijken.

Dat ene bezoek is niet zonder gevolgen gebleven, zoals het ook niet
bij één uitzending over deze zaak is gebleven. Inmiddels kan ik bijna
geblinddoekt naar hun straatje rijden. In het begin moest Anja even
wennen aan een bekende Nederlander bij haar over de vloer, maar al
snel was het heel gewoon dat we de laatste ontwikkelingen kwamen
bespreken, stukken van de advocaten doornamen, de inhoud van een
op stapel staande uitzending voorlegden of de resultaten van een uit-
gezochte tip kwamen melden. En tijdens al die bezoeken, in de elkaar
opvolgende jaren, zag ik dat keurige rijtjeshuis langzaam maar zeker
achteruitgaan. Aan kleine dingetjes merkte ik dat Anja de eindjes aan
elkaar moest knopen en dat dit soms absoluut niet meeviel. Zelf zei ze
er eigenlijk nooit iets over, of het moest met een grapje zijn. Echtgenoot
in cel, opgroeiende kinderen en hoge reiskosten voor gevangenisbe-
zoek: het trok een zware wissel op het huishouden. Kapotte dingetjes
werden niet gerepareerd, versleten meubilair werd niet vervangen. Er
werd sober geleefd, maar de kinderen zagen er altijd verzorgd uit. Dat
ging voor alles. Rekeningen stapelden zich op. Soms bespeurde ik tij-
dens mijn bezoeken wel eens wanhoop in de ogen van Anja. Maar
haar kinderen waren dan al naar bed. Nooit tranen waar zij bij waren.
Integendeel, hun leven moest doorgaan, zo gewoon mogelijk al was

– 58 –
het eigenlijk onmogelijk. Als je man – onschuldig – in de gevangenis
zit, iedereen je scheef aankijkt, je bovendien ook nog eens jarenlang
op de rand van het bestaansminimum leeft en je dat ongeluk toch zo
veel mogelijk van je kinderen weet weg te houden, dan... dan ben je
een moeder die een standbeeld verdient!

Deze gedachten gingen door me heen toen ik in oktober 2002 op de


persbanken van het gerechtshof in Leeuwarden zat te wachten op de
uitspraak in de schadeclaimprocedure die na de vrijspraak in de Put-
tense zaak was aangespannen. Ik keek naar Herman en Anja, die een
paar meter van me af zaten en voor wie na zeven ongelukkige, arme
jaren nu een ander tijdperk in aantocht was. Daar waar ik – in april
van dit jaar – vol spanning de uitspraak van het herzieningsproces
had aangehoord, zat ik nu volmaakt rustig en vol vertrouwen op een
bevredigende afloop. Ik had er geen enkele twijfel over dat dit ge-
rechtshof, dat tijdens het hele proces een fonkelend sieraad voor onze
rechtspraak was geweest, zich van een rechtvaardige, barmhartige
kant zou laten zien. De voorzitter mr. H.M. Poelman had al eerder
getoond niet alleen scherpzinnig te zijn, maar ook menselijk. En ja
hoor, in zijn uitspraak beklemtoonde hij nog eens de ernst van deze
gerechtelijke dwaling en de bijna onbenoembare gevolgen die dat
voor Herman Dubois en Wilco Viets en hun familieleden heeft ge-
had. Vervolgens wees hij de twee een schadevergoeding toe die vijf
keer hoger is dan gangbaar, allebei zo’n 900.000 euro. Beide man-
nen zijn daarmee – in guldens – dik miljonair. Maar had u er zeven
jaar voor willen zitten, onder de zwaarst denkbare beschuldiging: de
lustmoord op een jonge vrouw? Terwijl je kinderen op school worden
uitgejouwd? Je vrouw met moeite de eindjes aan elkaar knoopt? Presi-
dent mr. Poelman moet gevoeld hebben dat echt leed niet in geld is
uit te drukken, toen hij de formele uitspraak afsloot met de volgende,
informele woorden: ‘Ik hoop dat u steeds minder naar gisteren en
steeds meer naar de dag van morgen zult kijken. Ik wens u en de
uwen voor de toekomst alle goeds...’ Ik hoorde een lichte trilling in
zijn stem. Dit was de bezegeling van méér dan een vrijspraak. Een
zeldzaam moment. Een ster aan een hemel, die zeven jaar donker
was geweest. Herman en Wilco vertelden mij na afloop dat deze zin,
uit de mond van deze president, hen meer waard was dan het toege-
kende miljoen. Toch hoop ik dat zij zich geen moment bezwaard zul-

– 59 –
len voelen om het geld, dat hen meer dan toekomt, uit te geven voor
een aangenamer leven. De nachtmerrie is voorbij. In huize Dubois en
Viets hoeft voortaan geen ‘nee’ meer te worden verkocht.

Ik reed vanaf Leeuwarden fluitend, met een warm gevoel naar huis.
Blij voor de Vier van Putten. Ziezo, dacht ik, dat is rechtgezet. En nu
komt de echte dader aan de beurt!

– 60 –
Lady-killers...

In Den Haag diende in september 2002 het proces tegen de 41-jarige


verpleegster Lucy de B., verdacht van ruim een dozijn ziekenhuismoor-
den op baby’s en bejaarden met de injectienaald. Ik schrijf ruim een
dozijn, omdat de ene krant het merkwaardig genoeg houdt op dertien
moorden, terwijl de andere consequent van veertien levensdelicten
spreekt, alsof je de tel kwijtraakt met zoiets. Hoe dan ook, de verpleeg-
ster verwierf zich met deze score al snel de bijnaam ‘De Engel des
Doods’ en vrijwel alle media pakten groots uit. En sinds er uitvoerig
over haar wordt bericht heb ik menigmaal mensen horen opmerken:
‘Goh, dat hoor je toch niet vaak, hè, dat een vrouw van zoiets wordt ver-
dacht?’ De brute moordenaar is in de ogen van de meeste mensen bijna
altijd een man. En dat is niet zo gek, want uit onderzoek blijkt inder-
daad dat vrouwen minder crimineel en gewelddadig zijn dan mannen.
Waarschijnlijk heeft dat vooral met fysieke eigenschappen te maken.
Maar, geïnteresseerd in het ‘zwakke geslacht’ als ik ben, heb ik in de
loop der jaren een lijstje bijgehouden – wereldwijd – van wat er gebeurt
als vrouwen wél het slechte pad op gaan... Nou, pas op, dan zijn ze vaak
gemener, bloeddorstiger en sluwer dan mannelijke criminelen. Kwistig
met gif, roofzuchtig hebberig en ziekelijk jaloers. Gelooft u mij: de
vrouw is best wel een ‘zware jongen’. Een kleine greep:

• Voor een van de meest gruwelijke vrouwenmisdaden uit de we-


reldgeschiedenis kunnen we dicht bij huis blijven, maar moeten
we wel even terug in de tijd: Maria van der Linden-Swanenburg
vermoordde in Leiden tussen 1866 en 1883 met haar bus ratten-
kruid maar liefst 102 personen, onder wie haar eigen ouders en
zes van haar kinderen, op wie ze een levensverzekering had afge-
sloten. Vanwege haar ‘liefdadigheid’ stond ze aanvankelijk bekend
als ‘Goeie Mie’, maar nadien werd dat ‘de Leidse gifmengster’. Ze
werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en stierf in de
gevangenis. Een natuurlijke dood.

– 61 –
• Amy Archer, de eigenaresse van een bejaardenhuis in Windsor
Connecticut, deed ongeveer hetzelfde. Binnen vijf jaar stierven er
45 bejaarden, die een hoog inschrijfgeld hadden betaald dat aan de
directrice toeviel bij hun overlijden. Amy gebruikte arsenicum.

• En wie kent niet Bonnie (Parker) & Clyde (Barrow)? In de jaren


dertig trok dit beruchte duo door de Verenigde Staten en liet een
spoor van berovingen, overvallen, afpersingen en moorden achter
zich. In 1933 liepen ze in een fatale hinderlaag, maar toen waren er
al wel dertien dodelijke slachtoffers te betreuren.

• Iets minder beroemd, maar zeker zo gewelddadig is Kate ‘Ma’ Bar-


ker, die aan het hoofd van een familiebende stond en gespeciali-
seerd was in ontvoeringen, bankroven en moord. Ze werd bij een
wildwestschietpartij met de fbi in Florida doodgeschoten.

• Ook Groot-Brittannië had een verpleegster die niet van de spuit


kon afblijven. Mary Ann Cotton vergiftigde haar eigen familie en
vijftien patiënten met haar ‘goede zorg’. Ook hier waren de verze-
keringspenningen het motief.

• Eveneens in Engeland speelden de moorden van de nog maar 11-


jarige (!) Mary Flora Bell in 1968. Zij bracht in Newcastle twee klei-
ne kinderen, vier en drie jaar oud om het leven, een beruchte clas-
sic in crime. Een motief ontbrak.

• In Frankrijk was Helene Jegado de ‘Goeie Mie’ van het land en ook
zij was verpleegster. Zeker 23 mensen stierven door het toedienen
van arsenicum, nadat Helene aan hun bed had gestaan.

• Roemrucht zijn ook de zogenaamde ‘heidemoorden’ bij Saddle-


worth Moor in Engeland, gepleegd door Myra Hyndley en haar
vriend Ian Brady. Zij martelden en vermoordden vier kinderen en
maakten daar voor hun ‘genot’ bandopnamen van. Hun lijkjes
werden op de heide begraven. De zaak houdt in Engeland nog
steeds de gemoederen bezig.

• Ook in Nederland kennen we zo’n stel: Hannie P. en Ton P., die in

– 62 –
1982 de toen 9-jarige Digna van der Roest uit Groningen meelok-
ten, seksueel misbruikten, vermoordden en in een greppel in
Drenthe begroeven. Hannie P. is in de gevangenis overleden aan
een hartaanval.

• Voor de bloeddorstigheid van vrouwen staat Winnie Judd uit Phoe-


nix symbool. Zij vermoordde uit jaloezie haar twee vrouwelijke ka-
mergenoten en hakte de lijken in stukken. Ze propte deze in een
koffer, waar ze mee op reis ging. Zo zeulde ze haar vriendinnen
overal mee naartoe. Pas toen op een station er een donkere vloei-
stof uit de koffer droop, werd ze gepakt. En zo kan ik nog lang
doorgaan en verhalen vertellen over de misdaadklassiekers van
Denise Labbe, Daisy de Melker, Jean Harris, de Nederlandse Mar-
tha U., Pauline Dubuisson, Belle Gunness, Ruth Ellis en Henriette
Caillaux. Maar ze komen allemaal op hetzelfde neer: kijk uit voor
lady-killers!

Naschrift: Lucy de B. werd in maart 2003 door de rechtbank in Den


Haag veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. De rechtbank
achtte vier moorden bewezen en drie pogingen daartoe. Er zal nog
een hoger beroep dienen.

– 63 –
Een lage frustratietolerantie

Ruim vijf jaar geleden, op 9 februari 1997, kreeg ik een brief van Nel-
ly Mathilda uit Rotterdam. Ze schreef: ‘Hierbij vraag ik voor mijn 13-
jarige dochter Jelitsa uw aandacht voor het volgende. In september
1994 is op klaarlichte dag een fietser vermoord, in het centrum van
Rotterdam. Het was de vader van mijn dochter. Hoewel veel mensen
de schietpartij gezien hebben, is de dader niet gepakt. De politie is er
lang mee bezig geweest, maar doet er mijns inziens niets meer aan.
Volgens diverse bronnen loopt de dader gewoon rond in Rotterdam.
Mijn dochter gaat hier kapot aan en is erg depressief. Wilt u deze zaak
alstublieft in behandeling nemen?’

Een paar dagen later zat Nelly bij mij op kantoor en vertelde het com-
plete verhaal. Haar man, de 44-jarige Richenel Mathilda, was op 23
september 1994 zonder pardon doodgeschoten toen hij ’s avonds
met zijn fiets op het zebrapad van het Kruisplein per ongeluk een
voetganger schampte. Een incidentje dat elke dag overal voorkomt.
Maar de voetganger reageerde furieus, trok een pistool en vuurde
twee dodelijke kogels af op de verbouwereerde Richenel, die ter plek-
ke stierf. Het was koopavond en er waren talloze getuigen, maar de
schutter wist te ontkomen. Nelly en haar dochtertje Jelitsa bleven ont-
redderd en vol onbegrip achter en schreven mij tweeënhalf jaar later,
toen de zaak onopgelost bleef, bovengenoemde brief. Ik wilde graag
iets doen, voor zulke tragedies hoef je mij niet te motiveren. Ik nam
contact op met de Rotterdamse politie en vroeg of zij aan een uitzen-
ding wilden meewerken. Misschien zou dat tips opleveren. Nou, bij
de Rotterdamse recherche was de motivatie op dat moment al wel ver
te zoeken. Nee, een tv-uitzending zagen ze niet zitten. De zaak was al
‘op de plank gelegd’, zoals dat heet. Het betekent dat er niet meer aan
gewerkt werd. ‘We verwachten geen ontknoping meer in deze zaak,’
liet de woordvoerder weten. ‘Slechts een verdwaalde tip zou hier nog
licht in kunnen brengen.’ Ja, als je niks onderneemt hoef je geen ont-

– 64 –
knoping te verwachten, maar als je wel wat doet dwing je misschien
iets af, hield ik de woordvoerder voor. Het had geen effect. Ik kon pra-
ten als Brugman, maar men was niet te vermurwen. Door gebrek aan
concrete feiten en medewerking kwam de uitzending er daarom niet,
een boodschap die ik met tegenzin aan Nelly en haar dochter over-
bracht.

De jaren verstreken en ik hoorde niets meer over de Kruisplein-


moord. Totdat ik een paar maanden geleden bericht kreeg dat de poli-
tiemededeling van destijds over de ‘verdwaalde tip’ wel heel letterlijk
moest worden genomen. Acht jaar na dato had men de dader, de nu
33-jarige Endy R., alsnog aan weten te houden, maar vraag niet hoe...
Reeds in 1995 en 1996 bleken er bij de politie al tips van getuigen te
zijn binnengekomen dat R. er mee te maken moest hebben. Eén man
vertelde zelfs dat R. die bewuste avond bij hem langs was gekomen en
toen had opgebiecht dat hij iemand had neergeschoten na een ruzie
op het Kruisplein. Meer heb je niet nodig, zou je zeggen, maar de uni-
formpolitie verzuimde deze ‘gouden tip’ door te geven aan de recher-
che en hij ‘verdwaalde’ in het computersysteem. En weer wat later, in
1998, diende zich bij justitie een gedetineerde aan die zei te weten
wie de schutter was. Onder het motto voor-wat-hoort-wat, vroeg hij
strafvermindering als zijn tip juist zou zijn. Justitie toonde zich on-
buigzaam en ging hier niet op in. Je laat iemand niet wat eerder vrij
als hij een gruwelijke moord oplost, dat begrijpt u zeker wel. Pas in
2000 werd de zaak opnieuw onder de loep genomen en werd de ‘ver-
dwaalde’ tip ook weer bij toeval gevonden. De zaak wordt dan snel
opgelost. De dader hoort dat de politie hem wil spreken en meldt zich
vrijwillig op het bureau. Daar rolt er vrijwel direct een bekentenis uit
en dan pas krijgen Nelly en haar dochter Jelitsa eindelijk te horen wie
hun man en vader heeft doodgeschoten. Een echt motief was er niet.
De schutter heeft ‘gewoon’ uit ergernis geschoten, omdat Richenel
Mathilda hem in het voorbijfietsen raakte. R. heeft wat men in justi-
tietermen ‘een lage frustratietolerantie’ noemt. Een kleinigheid, een
scheldwoord, een geringe krenking van zijn ego is genoeg om hem
tot ontploffing te brengen. Richenel was het toevallige slachtoffer.
Een paar weken geleden is R. na een eis van twaalf jaar veroordeeld
tot acht jaar cel.

– 65 –
Afgelopen week sprak ik Jelitsa, die inmiddels een meid van negen-
tien jaar is. Ze had een brok in haar keel toen ze het over haar vader
had. ‘Ik had de moed eigenlijk al opgegeven,’ zei ze. Ze is daarom blij
met de oplossing, maar tegelijkertijd is ze kwaad, ontzettend kwaad:
‘De dood van mijn vader heeft me psychisch gesloopt, ik ben heel
lang van slag geweest. Het is een wond die nooit meer dichtgaat. En
waarom? Waarom allemaal? Omdat iemand mijn vader zomaar, echt
helemaal nergens om, doodschiet.’ De tranen welden op in haar
ogen. ‘Het leven is... is niet eerlijk,’ zei ze snikkend. Ik zweeg. Nor-
maal is zo’n zinnetje een makkelijk uitgesproken cliché. Nu klonk ie-
der woord van haar als een zweepslag...

– 66 –
De moord op Arthur Ghurahoo

Op zondag 4 mei 1986, kort na de dodenherdenking, werd op het mi-


litaire terrein Fort Vechten bij Bunnik het stoffelijk overschot gevon-
den van de toen 11-jarige Arthur Ghurahoo. Het jongetje was op deze
afgelegen locatie in een greppel gedumpt, nadat hij seksueel was mis-
bruikt en gewurgd met een stukje touw. Arthur had die middag bui-
ten gespeeld in de Utrechtse Oudwijk en was even na vijf uur waar-
schijnlijk door de dader meegelokt. Op zijn lijkje en kleding werden
spermasporen gevonden. Het misdrijf is inmiddels ruim zestien
jaar geleden en is nog steeds onopgelost. Over anderhalf jaar ver-
jaart de zaak en dan ontloopt de dader definitief zijn straf. Aan de
inzet van de politie heeft het niet gelegen dat de zaak nooit is opge-
helderd. Er is door een groot rechercheteam aan gewerkt, dat er dui-
zenden manuren aan heeft besteed en er zeer op gebrand was om de
dader te pakken. De recherche werd in die tijd nog niet geholpen
door dna-technieken en daarom besloot men de zaak twee jaar gele-
den nog eens opnieuw te laten onderzoeken door een zogenaamd
cold caseteam. En dat deed een bijzondere ontdekking: uit dna-ver-
gelijkingen bleek dat Arthurs moordenaar in de omgeving van
Utrecht zeker nog zes jongetjes heeft misbruikt. Deze knaapjes
hadden het delict overleefd en met behulp van hun verklaringen is
een compositietekening gemaakt. De politie was optimistisch over
de kansen en ook de zwaar getroffen familie Ghurahoo durfde weer
te hopen dat zij antwoord zouden krijgen op de allesoverheersende
vraag wat er met hun Arthur was gebeurd. Maar toch liep het onder-
zoek na verloop van tijd weer vast. Het leek wel alsof de dader in het
niets was verdwenen. In de beginjaren tachtig waren zijn sporen bij
zeven misdrijven aangetroffen maar daarna nooit meer. Wat was er
met hem gebeurd? Was hij dood, geëmigreerd, getrouwd, gedeti-
neerd? Het bleef een raadsel en het rechercheteam werd weer afge-
bouwd.

– 67 –
In de zomer van dit jaar werd ik benaderd door Julien Ghurahoo, de
drie jaar oudere broer van Arthur, met de vraag of ik bereid was iets
aan de zaak te doen. Hij had dit besproken met de rechercheleiding
en die stonden er positief tegenover. ‘Ons gezin, de recherche en ve-
len anderen willen een beroep doen op de publiciteit die u kunt cre-
eren, waardoor de zaak misschien nu wel opgelost kan worden. U
krijgt medewerking van alle instanties,’ schreef hij mij. Ik had het
onderzoek naar de moord op Arthur altijd gevolgd en wilde hier graag
gehoor aan geven. Samen met collega Kees van der Spek maakte ik
snel een afspraak met het rechercheteam om eens te horen of men
werkelijk wilde samenwerken. Welnu, dat was het geval, we konden
inzage in het dossier krijgen om zodoende een gedetailleerde reporta-
ge te maken. Men zag het – terecht – als een laatste kans om nog iets
aan de zaak te doen voordat deze verjaart. In ruil zegde ik toe dat jus-
titie de uitzending vooraf mocht bekijken en een vetorecht zou krij-
gen als er onwelgevallige informatie in zou staan. Ik keek ernaar uit
om aan de zaak te werken, maar daags voordat we met het leeswerk
zouden beginnen, belde er een officier van justitie die alle gemaakte
afspraken afblies. Niks dossier lezen! Geen sprake van! Dat was tegen
de regels. Ik vroeg of ik dan misschien wel een uitvoerige uiteenzet-
ting van het rechercheteam over hun doen en laten in de afgelopen
zestien jaar kon krijgen. Zonder die basisgegevens zou ik moeilijk
een evenwichtige uitzending kunnen maken, zo hield ik justitie voor.
Maar ook die tussenweg vond geen genade in de ogen van de officier
van justitie: ‘Nee, dat is niet gebruikelijk...’ Niet gebruikelijk? Ik hield
de officier voor dat wij in ontelbare zaken uiteenzettingen hebben ge-
kregen van de recherche. Er is niets wat dat verbiedt. Sterker nog, ik
kon haar voorbeelden noemen van zaken waarin we zelfs volledige
inzage in het dossier hadden gehad. Maar ik had net zo goed tegen
een muur kunnen praten, want hoewel de officier mijn argumenten
op geen enkele manier kon weerspreken, hield zij voet bij stuk. Dit tot
woede van de familie Ghurahoo, die natuurlijk niet snapt dat justitie
de laatste kans op een oplossing laat lopen om... ja waarom eigenlijk?
Het is goed beschouwd allemaal proceduregeneuzel en ambtenarij,
die voorbijgaat aan het leed van de nabestaanden. Julien kwam de
stand van zaken bij mij op kantoor bespreken. Hij was aangeslagen
door de opstelling van justitie. Bij binnenkomst overhandigde hij mij
een enveloppe. ‘Van mijn moeder... Ik weet zelf ook niet wat erin zit,’

– 68 –
zei hij. Ik ritste de enveloppe open. Er zat een briefje in en een foto.
‘Peter, help ons het beest te traceren, die onze zoon zo onmenselijk
heeft vermoord. Arthurs moeder,’ stond er. Ik keek naar de foto en
zag dat het er één van Arthur was, de laatste die ooit was gemaakt. Hij
lag opgebaard in zijn kist. Een mooi donker jongetje, met een pleister
op zijn voorhoofd, de ogen voor altijd gesloten. Hij had een blauw
spencertje aan met een witte zijden blouse. Ik kon even niets zeggen,
het kippenvel kroop over mijn hele lijf. En het zei mij dat die uitzen-
ding er gaat komen. Met of zonder medewerking van justitie...

Naschrift: de uitzending is er inderdaad gekomen en heeft een be-


hoorlijk aantal tips opgeleverd. Het rechercheteam kon daarmee weer
aan de slag. De gouden tip zat er echter niet bij en na enkele maanden
moest het onderzoek opnieuw worden stopgezet. Ruim anderhalf
jaar later heeft de regionale omroep in Utrecht – wel met medewer-
king van justitie! – opnieuw een poging gewaagd, maar ook dit leidde
niet tot de oplossing. De moord op Arthur verjaart in mei 2004.

– 69 –
De goede contacten met justitie

De avond voordat Christel Ambrosius in januari 1994 in Putten werd


vermoord, ging zij met een paar vriendinnen en een Portugese ken-
nis, ene Filipe Lopes, stappen. Toen na het misdrijf de vraag rees van
wie de spermadruppel op haar bovenbeen was, verzuimde justitie
ruim zeven jaar lang na te trekken of dat misschien die jongen was.
Talloze andere bekenden en vrienden moesten hun dna afstaan,
maar Lopes was de dag van de moord uit ons land vertrokken en werd
volkomen ongemoeid gelaten. Pas tijdens het herzieningsproces bij
het hof in Leeuwarden, in februari 2002, opperde de aanklager zélf
dat de Portugees wel eens de ‘donor’ van het sperma kon zijn.

Na de vrijspraak van de Twee van Putten bleef die mysterieuze Filipe


Lopes mij intrigeren en ik besloot onlangs een onderwerp aan hem te
wijden in mijn tv-programma. Een maand voor uitzending schreef ik
daarom een brief aan de persofficier in Zutphen met vragen over het
onderzoek. Er kwam geen enkele reactie. Twee weken later schreef ik
hem opnieuw een brief met het verzoek alsnog te reageren. Ook nu
taal noch teken. Zo zijn onze manieren in Zutphen. Ondertussen
werkte ik met collega Kees van der Spek druk aan de reportage, waar-
in de kernvraag was waar deze Lopes tegenwoordig uithing. De tijd
begon nu een beetje te dringen en dus besloot ik enkele dagen later de
officier van justitie maar op te bellen en toen kreeg ik hem eindelijk te
spreken. Veel zeggen deed hij overigens niet en over de positie van
Felipe Lopes in het onderzoek zweeg hij zelfs helemaal toen ik daar
expliciet naar vroeg.

Pas luttele uren voor onze uitzending kreeg ik een belletje van een
politiefunctionaris die meldde dat Lopes al enige dagen daarvoor was
opgespoord en aan een dna-test meewerkte. ‘Nou daar bent u dan
lekker op tijd mee,’ mopperde ik, ‘de uitzending is al helemaal opge-
nomen. Daar kan ik nu niks meer aan veranderen.’ De studio was

– 70 –
dicht, de camera-, geluids- en lichtmensen waren al naar huis en de
band van de uitzending lag al kant en klaar gemonteerd bij sbs 6.
Daar konden we niets meer aan veranderen. En dus ging het Lopes-
onderwerp de lucht in zoals het was gemaakt, compleet met een ver-
zoek om inlichtingen over zijn verblijfplaats.

Twee weken na dato (!) kwam me dat te staan op een brief op hoge po-
ten van de plaatsvervangend hoofdofficier in Zutphen, mr. B.W.M.
Hendriks. Hij was ‘buitengewoon onaangenaam getroffen’ dat we het
onderwerp toch hadden uitgezonden. Er had van mij meer ‘zorgvul-
digheid en improvisatievermogen’ verwacht mogen worden, stelde hij
in zijn schrijven. En dat ik het telefoongesprek met de persofficier op
de band had opgenomen was in strijd met de ‘normale omgangsvor-
men’, schreef hij. Geen woord van excuus dat men zelf wekenlang
niet op eenvoudige verzoeken om commentaar had gereageerd. Ver-
bouwereerd schreef ik hem terug dat hij wel een toontje lager mocht
zingen als hij de voorgeschiedenis kende. Of behoort het soms wel tot
de normale omgangsvormen op het parket om een keurig schriftelijk
verzoek om inlichtingen gewoon onbeantwoord te laten? Ik legde hem
uit dat het point-of-no-return al gepasseerd was toen zijn medewerker
een paar uur voor uitzending belde en dat dit bij een 55 minuten-du-
rend programma – dat niet live wordt uitgezonden – heel normaal is in
Hilversum. ‘U bent hier voor het grootste gedeelte zelf schuldig aan,’
liet ik hem in mijn fax weten. Nu kreeg ik de dag er na al antwoord –
tjonge zeg! – van mr. Hendriks en ondanks mijn uitleg stelde hij kort-
weg, zonder ook maar één punt feitelijk te weerleggen: ‘Uw brief geeft
mij geen aanleiding terug te komen op mijn eerder ingenomen stand-
punt.’ Nu werd ik pissig. Ik vroeg hem in een tweede briefje of hij
soms enige kennis had over het productieproces van een televisiepro-
gramma. Hoe kon hij verwachten dat wij op de valreep van alles kon-
den improviseren, daar waar zijn eigen organisatie niet eens een sim-
pele brief binnen drie weken kan beantwoorden? ‘Of denkt u soms
ook dat de krant nog aangepast kan worden zolang deze nog niet bij u
thuis op de mat ligt, maar wel al is gedrukt?’ vroeg ik hem.

Mr. Hendriks reageerde weer direct: ‘U mag uit mijn brief afleiden
dat mijn standpunt zeer weloverwogen is ingenomen.’ Weer zonder
één enkel argument of toelichting. Ik ben officier van justitie en alles

– 71 –
wat ik doe is weloverwogen en juist, wat u ook aanvoert. En terwijl hij
de correspondentie nota bene zelf was begonnen sloot hij af met: ‘Ik
beschouw hiermee de discussie als gesloten en zal niet meer reageren
op brieven uwerzijds inzake deze kwestie.’ Meneer de magistraat zal
niet meer reageren... Arrogantie van de macht heet dat. Ik antwoord-
de hem niettemin nog een keer en schreef: ‘De zogenaamd “welover-
wogen ingenomen standpunten” van het Zutphense Openbaar Minis-
terie kennen we inderdaad vanuit de Puttense moordzaak... Daarbij
past ook de struisvogelpolitiek om een discussie eenzijdig gesloten te
verklaren als valide tegenargumenten niet meer voorhanden zijn.’
Wat een on-ge-loof-lijke eikel!

Naschrift: het dna van Felipe Lopes kwam niet overeen met dat van de
gevonden spermasporen. Hij heeft het land inmiddels weer verlaten.

– 72 –
Het ‘mooie leven’ van de pedofiel

De verpleegkundige Lucy de B. die begin 2003 voor meer dan een do-
zijn ‘ziekenhuismoorden’ terechtstond, werd in veel van die instellin-
gen ernstig gewantrouwd en verdacht van dubieuze handelingen met
patiënten. Maar nooit werden nieuwe werkgevers door de oude ge-
waarschuwd. Wim M., een particulier verpleger uit Groningen, is ge-
noemd bij vijf verdachte sterfgevallen in zijn naaste omgeving. Bij
zorginstanties, zoals bejaardenhuizen en ziekenhuizen, vertrok hij
met slaande deuren, processen en bedreigingen. Nooit werd hem een
strobreed in de weg gelegd bij nieuwe betrekkingen. Joos B., pa-
triarch van het jeugdwerk in het Limburgse Heibloem, was ooit als
leraar op een lagere school veroordeeld voor ontucht met kinderen.
Niettemin werkte hij later gewoon in een kinderhuis (!) en scharrelde
bovendien elke zaterdag op de voetbalclub vrijelijk rond bij de dou-
chende jeugdspelers. Velen wisten ervan, niemand trok aan de bel.
Sterker nog, hij kreeg later een koninklijke onderscheiding vanwege
zijn vele verdiensten voor het ‘jeugdwerk’.

Toen ik eind januari 2002 te maken kreeg met een leraar en sporttrai-
ner die via internet een minderjarige jongen naar zijn woning in Alk-
maar probeerde te lokken om daar seksuele handelingen met hem te
verrichten, besloot ik deze gang van zaken te doorbreken en ook de
school en de betrokken sportbond in te lichten. Ik wilde niet op mijn
geweten hebben dat deze man zijn activiteiten gewoon zou kunnen
voortzetten, terwijl ik wist dat er dingen waren gebeurd die het dag-
licht niet konden verdragen. Zoals gezegd ging het in deze zaak om
een leraar op een middelbare school, die ook trainer was van jeugdse-
lecties in de sportwereld. Op internet had hij – onder een schuilnaam
– gereageerd op een jongerensite en was zo in contact gekomen met
de 15-jarige David uit Amsterdam. Dit resulteerde er uiteindelijk in
dat hij de jongen en zijn moeder via internet en de telefoon intimi-
deerde en bedreigde als David niet aan zijn wensen zou voldoen. Da-

– 73 –
vids moeder schakelde ten einde raad ons programma in en vanaf dat
moment heb ik met collega Samantha Minne de chat-conversaties
tussen David en de leraar gevolgd en opgenomen. Terwijl de man er-
van op de hoogte was dat Davids moeder zich verzette tegen het inter-
netcontact, lokte hij de jonge scholier toch stiekem op een zaterdag
naar hem toe om bij hem thuis homovideo’s te bekijken en ‘wie weet
wat er dan nog allemaal gebeurt...’ De leraar, een veertiger, wist bo-
vendien drommels goed dat David minderjarig was (dat had David
een paar keer expliciet in de chat-conversatie vermeld) en hoewel hij
op dat moment zelf dagelijks voor een klas vol tieners stond,
schroomde hij niet zijn snode plannen gewoon door te zetten. Hij
mailde letterlijk naar David: ‘We zouden tijdens het filmkijken elkaar
kunnen betasten, uitkleden, aftrekken, pijpen en tongen. Of je ge-
neukt wilt worden wil ik je best leren, maar dat is aan jou.’ En op de
dag dat David bij de man op bezoek ging, belde de jeugdtrainer nog
een keer kwijlend op en vroeg of David misschien bij hem thuis een
sportbroekje kon aantrekken, want dat vond hij zo opwindend. (‘Ik
heb liever dat iemand in een korte broek zit dan in een slipje.’) Om
een lang verhaal kort te maken: op het moment dat David op het sta-
tion bij de man in de auto zou stappen, nam ik zijn plaats in en con-
fronteerde de leraar met zijn praktijken. Het bleek een huilebalk, die,
nadat hij van de eerste schok was bekomen, mij ervan beschuldigde
dat ik zijn ‘mooie leven kapotmaakte’. Dat hij daar zelf de hoofdschul-
dige van was, kwam niet bij hem op.

In de uitzending moesten wij hem, op last van zijn advocaat, die zelfs
– tevergeefs – een kort geding had aangespannen om de hele uitzen-
ding te verbieden, anonimiseren. En omdat dit kon betekenen dat hij
gewoon door zou gaan met het wekelijks trainen van jonge knaapjes
in korte broeken, besloot ik de betrokken sportbond in te lichten.
Deze bracht de zaak voor de tuchtcommissie die er onlangs uitspraak
in deed. Toen ik het verslag las, vroeg ik me af of de commissie de uit-
zending überhaupt wel had gezien. De jeugdtrainer jokte op essentië-
le punten, maar niemand had dat kennelijk in de gaten. Het slachtof-
fertje en zijn moeder werden niet gehoord en wij, die de uitzending
hadden gemaakt, evenmin. In de uitspraak staat nu dat ‘niet bewezen
kan worden dat hij de opzet heeft gehad de minderjarige tot seksuele
handelingen te brengen’. Ook stelt men vast dat er geen sprake zou

– 74 –
zijn van een strafbare uitlokking van een delict, iets wat natuurlijk al-
leen maar is voorkomen doordat wij tijdig hebben ingegrepen. Maar
ondertussen stond de man wel klaar bij het station om met David
naar huis te rijden en daar seksvideo’s te gaan bekijken van jongens
‘die alles met elkaar doen’. Het merkwaardige is dat in het verslag ook
de passage niet voorkomt dat de trainer opgewonden raakt van jon-
gens met sportbroekjes aan en David verzoekt om zo’n broekje mee te
nemen. Voor elke tuchtcommissie had dat alleen al voldoende moe-
ten zijn om een jeugdtrainer de eerstkomende 25 jaar te weren van de
club. Maar zie wat de tuchtcommissie heeft besloten. Men vindt uit-
eindelijk weliswaar dat de trainer zich schuldig heeft gemaakt aan
‘wangedrag’, maar veroordeelt hem vervolgens tot een geheel voor-
waardelijke schorsing van een halfjaar. Wat betekent dat hij direct
weer aan de slag kan met jongens in korte broekies...

Naschrift: voor de rechtbank in Alkmaar is de leraar/jeugdtrainer


veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, nadat de officier van justitie
een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en 180 uur
werkstraf tegen hem had geëist. Tijdens de zitting bleek dat hem nog
een soortgelijk incident ten laste werd gelegd, waarbij hij via internet
een nog maar 11-jarige scholier naar zich toe probeerde te lokken. De
vader van dit jongetje kreeg dit tijdig in de gaten en ging naar de afge-
sproken locatie. Daar zag hij de leraar in zijn auto. Omdat de chat-
conversatie niet bewaard was gebleven en er ditmaal ook geen filmop-
namen waren gemaakt, werd deze poging door de rechtbank niet
bewezen geacht. De leraar heeft ook tegen de werkstraf beroep aange-
tekend.

– 75 –
Misdaadverslaggever of schillenboer?

Toen ik negen jaar geleden – in 1995 – met mijn televisieprogramma


begon, druppelde de post langzaam binnen. Ik was er een kwartiertje
per dag mee bezig en schreef of dicteerde de antwoorden allemaal
zelf. Drie ordners bevatten de hele correspondentie van een tv-sei-
zoen. In de loop der jaren veranderde dat. De post ‘druppelt’ niet
meer, maar stroomt letterlijk binnen en is bij bepaalde gebeurtenissen
nauwelijks nog te behappen. Honderden brieven, tientallen faxen, dui-
zenden e-mails per maand, het beslaat meters in de archiefkasten.
Vooral na een uitzending staat mijn secretaresse Sylvia van der Poel ’s
morgens eerst een uur e-mailtjes uit te draaien. En als u weet dat men-
sen bij hun post ook vaak direct dossiers, bijlagen en rapporten mee-
sturen, begrijpt dat ik niet meer in een kwartiertje klaar ben met de
post. Na de moord op Pim Fortuyn kwamen er alleen al daarover 4500
e-mailtjes binnen, met allerhande theorieën, aanwijzingen, tips, vra-
gen en opmerkingen. Toch wil ik altijd alles wat er binnenkomt per-
soonlijk lezen. Vervolgens krabbel ik erop wat ermee moet gebeuren
(uitzoeken... opbellen... nadere informatie vragen... afspraak maken...
archief raadplegen... afwijzen... filen enzovoort) en dan zorgt Sylvia dat
het bij de verantwoordelijke redacteuren terechtkomt en uiteindelijk
weer op mijn bureau. Een gedeelte handel ik helemaal zelf af. Dat zijn
mensen of zaken waar ik intensief mee bezig ben, vertrouwelijke post
en contacten met tipgevers, advocaten of slachtoffers. Ik vind correcte
afhandeling van correspondentie superbelangrijk, het vormt de pa-
pieren navelstreng met onze kijkers en dat contact heeft al dikwijls
prachtige uitzendingen en grote scoops opgeleverd. Mijn ervaring is
ook dat zelfs als je verzoeken van mensen afwijst, zij dit heel goed
kunnen verteren als je maar inhoudelijk op hun brief ingaat en ook
tijdig antwoordt. Heel simpele principes, die eigenlijk overal – en ze-
ker bij de overheid! – zouden moeten gelden, maar die door de mees-
te briefschrijvers als ‘heel bijzonder’ worden ervaren.

– 76 –
De laatste jaren zit er ook steeds meer ‘fanmail’ bij de post... jawel!
Mensen die reageren op uitzendingen, op een stellingname in het
programma, op onze vasthoudendheid in bepaalde zaken. Kijkers die
ons aanmoedigen door te gaan, die ons feliciteren bij een behaald
succes, een compliment maken voor een mooie uitzending, of een ge-
signeerde foto willen hebben. Altijd leuk om te lezen natuurlijk, al
dicht men mij soms wel wat te veel kwaliteiten toe. Maar, hoe dan
ook, het zorgt ’s morgens toch voor een glimlach als je leest dat kij-
kers hopen dat je nog eens minister van Justitie wordt of zelfs pre-
mier, want, meneer De Vries, ‘het land heeft u nodig!’.

En hoewel het gros van de reacties erg positief is, zitten er natuurlijk
ook wel eens negatieve brieven bij van mensen die mij nog liever van-
daag dan morgen zien stoppen. Dat gaat soms in ronde (of moet ik
zeggen ‘platte’) bewoordingen waarin de afzenders mij allerlei niet
makkelijk te genezen ziekten toewensen. Het is meestal geen toeval
dat die berichten vooral binnenkomen als wij weer eens met een ver-
borgen camera-actie criminelen op heterdaad hebben betrapt. Ik be-
steed er nooit veel aandacht aan. Ik hoop dat het de afzender heeft op-
gelucht en ga vervolgens verder met de serieuze post. Maar soms zit
er ook wel eens iets bij waarvan de herkomst of oorzaak moeilijker te
herleiden is. Afgelopen week ontving ik een brief van iemand die het
allemaal kennelijk ook heel hoog zit, al weet ik niet waarom.

Geachte heer De Vries,


Vindt u uzelf niet een beetje arrogant worden, als u dat al niet was?
Volgens mij denkt u dat u een of andere special-agent bent, die maar
te pas en te onpas mensen kan aanhouden. Maar u deugt zelf voor
geen meter. En het zit u volgens mij dwars dat u nooit bent goedge-
keurd voor agent, want in uw hart wilt u dat toch heel graag zijn, of
niet soms, meneer de egotripper? Uw programma maakt mensen
juist crimineel, mensen gaan u haten en terecht. U weet trouwens
ook wel wat voor mensen u pakt, met dat flopprogramma. Maar
straks komt u vanzelf de ware tegen die de daad bij het woord voegt,
want ook u kunt te ver gaan, meneer De Vries! Criminelen horen nou
eenmaal bij het leven, als er geen crimineel was waren er ook geen
rechters, gevangenissen of cipiers nodig, de crimineel biedt al deze
mensen werk. En trouwens, zonder criminelen had u ook geen mis-

– 77 –
daadboeken kunnen schrijven, had u geen tv-programma gehad en
was u vast schillenboer geweest. Dus, meneer De Vries, houd een
beetje respect voor de gewone crimineel, want u leeft er zelf van. En
de echte criminelen regeren ons land, dat weet u zelf toch ook wel?
Hopelijk bent u niet te trots om dit ook even in uw klote programma
te melden. Met vriendelijke groeten, George.

De eerstkomende twee maanden ben ik van de buis, George, in ver-


band met een winterstop, maar ik neem aan dat deze klote column
ook goed is? Jij ook de beste wensen trouwens!

– 78 –
Een spookproces

Bijna tien jaar geleden, eind maart 1993, kwam de toen 31-jarige Jo-
han van Stiphout vrij uit de gevangenis De Geerhorst in Sittard, nadat
hij een celstraf van een jaar had opgeknapt voor wat vermogensdelic-
ten. Goedgemutst liep hij naar buiten, waar hij zou worden opgepikt
door zijn broer. Van Stiphout, bijgenaamd ‘Stip’, keek even om zich
heen, maar zag geen bekenden. Wel stopte er een Opel Kadett, met
twee mannen erin. Ze stapten uit en vroegen: ‘Ben jij soms Johan van
Stiphout?’ De net vrijgelaten gedetineerde veronderstelde dat zijn
broer verhinderd was en twee vervangers had gestuurd. ‘Ja, dat klopt,’
antwoordde Stip nietsvermoedend en op dat moment trok een van de
mannen een revolver en vuurde acht schoten af, waarvan er twee doel
troffen. Johan van Stiphout, net drie minuten vrij, was nog op het justi-
tieterrein slachtoffer van een liquidatiepoging geworden...

Een paar dagen later rinkelde mijn mobiele telefoon. Het was ‘Stip’
vanuit zijn kamer in het Maaslandziekenhuis in Sittard, waar hij voor
zijn schotwonden werd verpleegd. Via via was hij aan mijn nummer
gekomen. Of ik naar hem toe kon komen, hij voelde zich bedreigd en
de politie weigerde hem te bewaken, terwijl hij goed beschouwd maar
een paar honderd meter van de plaats delict af lag. Wie garandeerde
hem dat ze het karwei niet kwamen afmaken? Ik reed er snel naartoe.
De brutale liquidatiepoging was groot nieuws en ik wilde graag de
achtergronden van het slachtoffer zelf horen. En hoewel het inmid-
dels bijna tien jaar geleden is, herinner ik me nog goed hoe Van Stip-
hout in zijn bed zijn T-shirt optrok en mij twee verse kogelwonden
liet zien, met het nodige hechtwerk van de chirurg erbij. Boos en ge-
jaagd deed hij mij zijn verhaal over de toedracht en achtergronden
van de schietpartij. Na het gesprek kleedde hij zich aan en glipte het
ziekenhuis uit, de donkere nacht in. Hij voelde zich niet veilig en wil-
de weg. De volgende dag was Van Stiphout verdwenen en had ik een
mooi verhaal in de krant.

– 79 –
Zo begon mijn kennismaking met Johan van Stiphout, een beroeps-
crimineel, maar op zich geen onaardige vent en naar mij toe altijd eer-
lijk. Ik merkte wel dat hij nogal impulsief is, zich gauw tekortgedaan
voelt en een ultrakort ‘lontje’ heeft. Stip herstelde van de kogelwon-
den en eens in de zoveel tijd hoorde ik nog wat van hem. Ik begreep
dat hij regelmatig voor allerlei akkefietjes weer een straf uitzat, maar
dat hij nu telkens heelhuids het gevangenisterrein af kwam. De laat-
ste jaren vernam ik niets meer van hem en ik ging ervan uit dat hij op
zijn eigen wijze rommelde in het Brabantse onderwereldmilieu.

In de zomer van vorig jaar zag ik zijn initialen echter ineens weer in
de krant staan en kreeg ik ook een brief van hem uit het huis van be-
waring. Het ‘rommelen’ was behoorlijk uit de hand gelopen. Na een
drugsruzie was het op woensdag 20 juni op de Gasthuisring in Til-
burg tot een schietpartij gekomen, waarbij de 39-jarige Edwin Janse
om het leven was gekomen. De schutter was Johan van Stiphout, alias
Stip. Niet lang daarna belde hij me op en met dezelfde stortvloed van
woorden van tien jaar geleden probeerde hij me duidelijk te maken
dat er van de zaak niets klopte, dat de recherche slecht werk had gele-
verd en dat hij erin geluisd was. Hij had weliswaar geschoten, maar
dat was noodweer geweest. Anders was hij zelf nu dood geweest, stel-
de Van S. Hij was er ingeluisd en politie en justitie waren er niet erg
op gebrand om zijn versie van het verhaal aan te horen – laat staan te
geloven. Kon ik zo snel mogelijk komen? Ik hield de boot een beetje
af. In een brief legde ik hem uit dat mijn programma vooral aandacht
besteedt aan onopgeloste moorden en aan slachtoffers van misdrij-
ven, maar dat ik niet meer zo hard loop om de onderlinge vetes van
drugscriminelen te ontrafelen. Stip stuurde mij daarop zijn dossier
toe en een nieuwe brief waarin hij benadrukte dat hij mijn standpunt
goed begreep en dat hij in zijn leven ook bepaald geen ‘heilige’ was
geweest, maar dat zijn noodkreet geen loos alarm was. Ik zou zelf wel
zien dat er heel veel mis was zodra ik erin zou duiken. Ik belde zijn
advocaat om me een beetje te laten voorlichten over de hele gang van
zaken, maar door de drukte kwam het er niet van zijn zaak echt te
bestuderen. Maar kort voor de kerst van 2002 las ik in de krant een
rechtbankverslag van de zaak. Er stond dat de officier van justitie in
Breda achttien jaar (!) cel tegen Stip had geëist, maar ook dat hij zelf
niet bij de zitting aanwezig was geweest en zijn advocaat de verdedi-

– 80 –
ging had neergelegd en er dus geen pleidooi was gehouden. Johan
van Stiphout had terechtgestaan zonder dat er iets tegen het verhaal
van de aanklager was ingebracht. Dat was niets voor Van Stiphout. Ik
fronste mijn wenkbrauwen: wat was hier allemaal aan de hand? En
hoewel ik me zelf eigenlijk een ongestoord kerstreces had beloofd,
reed ik naar kantoor, haalde het dossier van Stip uit de kast en nam
dat mee naar huis. Soms kruipt het bloed waar het niet gaan kan...

Wordt vervolgd

– 81 –
Ben ik genoemd?

Mijn wekelijkse column in de Panorama wordt op de redactie van


mijn programma door alle redacteuren altijd gespeld. Nou, zult u
zeggen, dat is niet verbazingwekkend, het gaat altijd over misdaad
dus dat is gewoon ‘verplichte’ literatuur. Toch is dat niet de enige re-
den. Op de redactie wordt nauwlettend geturfd hoe vaak elke mede-
werker in mijn column wordt genoemd. Op ons planbord is zelfs een
rubriek ‘columnscore’ opgenomen, waarin wordt bijgehouden wie
het meest voorkomt. Koploper is collega Kees van der Spek, met wie
ik de Puttense zaak, de verdwijning van Marion en Romy van Buuren,
de moord op Nicky Verstappen, de moord op Corrina Bolhaar en haar
kinderen en nog enkele andere grote dossiers heb gedaan. De topsco-
re levert Kees niet alleen ‘naamsbekendheid’ op, maar resulteert ook
wel in pesterijtjes. Als wij samen weer eens op pad gaan, roept er al-
tijd wel een redacteur ‘homo!’ tegen hem. En als ik een medewerker
genoemd heb, krijg ik meestal wel een aardige reactie: ‘Leuk stukkie,
Peet!’ Maar als ik onverhoopt een naam heb weggelaten, terwijl de re-
dacteur op een vermelding rekende, blijft het stil. Als ik dan terloops
informeer of de column nog gelezen is, wordt er met een quasi-on-
geïnteresseerde blik geantwoord: ‘Neuu... waar ging die over?’

Dit ‘stukkie’ zal de columnscore behoorlijk veranderen. Hij gaat over


Samantha Minne, op onze redactie ‘Sam’ genoemd. Een jaar of tien
geleden werd ik door Samantha benaderd toen ze op de school voor
de journalistiek in Utrecht zat. Of ze me mocht interviewen. Ze wilde
dolgraag de misdaadjournalistiek in en wilde van mij daar alles over
horen. Het liefst wilde Sam meteen bij mij komen werken, maar ik
zei haar dat ze eerst elders ervaring op moest doen. Ik zag Samantha
later op een aftiteling van Pieter Storms voorbijkomen, hoorde haar
een regionaal radioprogramma presenteren en kwam haar een paar
keer bij een rechtszaak tegen. Haar voorliefde voor crime reporting
was niet gesleten en ruim vijf jaar geleden kwam ze daadwerkelijk op

– 82 –
de redactie bij me werken. Sindsdien heeft Samantha zich ontpopt tot
wat ik de ‘mohikanen’ van mijn redactie noem: vaste, hardwerkende
krachten, die altijd topkwaliteit leveren en met elkaar een hecht team
vormen op de barricaden van het misdaadfront.

Samen met Samantha heb ik roemruchte zaken gedaan. De moord


op Marianne Vaatstra in Zwaagwesteinde is er daar een van. Vanaf het
begin heeft ze zich daarin vastgebeten. We hebben er belangrijke, in-
drukwekkende dossiers over gemaakt en Samantha was voor Bauke
en Maaike Vaatstra een onmisbare steun en toeverlaat. Maar ook de
moord op Andrea Luten hebben we samen onderzocht en Sam teken-
de tevens voor de ontmaskering van de internet-pedofiel, die een min-
derjarige jongen voor seks naar zijn huis lokte. En zo kan ik nog tallo-
ze andere geruchtmakende reportages opnoemen. Sam werkte er vol
overgave aan en vond haar dossier ook altijd het belangrijkste van al-
lemaal. In haar enthousiasme stond ze ontelbare keren ongeduldig
aan mijn bureau om te vragen of ik haar ‘opzetje’ voor een onderwerp
al had gelezen. En als ik dan, een beetje nurks, zei: ‘Sam, vanavond
hebben we uitzending... vind je het erg als ik die even voor laat gaan?’,
stond ze vijf minuten na de opnamen weer voor me: ‘En...? Heb je het
nu gelezen???’

Van deze Sam kreeg ik onlangs een brief, ook weer met het verzoek of
ik die ‘direct’ wilde lezen. Ik maakte ’m nieuwsgierig open. Er stond:
‘Ik heb dit opgeschreven omdat ik zeker weet dat ik mijn emoties niet
kan bedwingen als ik het je persoonlijk zeg.’ Ze nam ontslag... In
haar brief legde Sam uit dat er iets was veranderd sinds ze twee jaar
geleden moeder was geworden van een prachtige zoon: Quint. ‘Er is
iets in mij geknakt, Peter, ik kan al die berichten over vreselijke mis-
daden, helemaal als het kindermoorden betreft, niet meer lezen. Ik
neem het mee naar huis. Ik lig ervan wakker. Ik trek het gewoon niet
meer...’ Ik had de laatste tijd wel aan Sam gemerkt dat het zwaar was
allemaal, maar haar brief drukte me met mijn neus op het feit dat we
weliswaar vol bezieling een moeilijk journalistiek genre beoefenen,
maar dat de voortdurende emotionele belasting daarvan zwaar is.
Loodzwaar. Té zwaar soms. We zijn altijd met dood en ellende bezig,
staan constant in nauw contact met getraumatiseerde nabestaanden
en worstelen jarenlang met onopgeloste tragedies. Samantha Minne,
een van mijn dierbare mohikanen, stopt er daarom noodgedwongen

– 83 –
mee. Ik zal je ontzettend missen, lieve Sam. En ik heb dit opgeschre-
ven omdat ik zeker weet dat ik mijn emoties niet kan bedwingen als
ik het je persoonlijk zeg. Heel erg bedankt voor alles wat je hebt ge-
daan...!

Noot voor de columnscore: Samantha Minne + 17!

– 84 –
Helderziendheid of gezond verstand?

In oktober vorig jaar was het wereldnieuws dat een sluipschutter in


de omgeving van Washington meer dan tien onschuldige slachtoffers
doodschoot bij benzinepompen en andere openbare gelegenheden.
Een motief leek te ontbreken en de moordenaar wist na elke aanslag
te ontsnappen. Het enige wat men wist was dat hij vermoedelijk in
een witte bestelauto met een ladder op het dak reed. Een paar keer
had hij een boodschap achtergelaten bij de plaats delict, waaruit opge-
maakt kon worden dat er nog meer slachtoffers zouden vallen. In die
tijd werd mij door de Nederlandse media mijn mening over de zaak
gevraagd. In het sbs 6-programma De Stem van Nederland voorspel-
de ik toen – in de tweede helft van oktober – dat de Washington sniper
snel gepakt zou worden, waarschijnlijk doordat hij zelf contact met
de politie zou opnemen. En ik voegde eraan toe dat vermoedelijk ook
zou blijken dat de witte bestelauto met ladder op het dak helemaal
niets met de misdrijven te maken had. Nogal gewaagd om zoiets te
zeggen. Maar zie wat er gebeurde... Nog geen week later werden John
Allen Muhammed (42) en John Lee Malvo (17) inderdaad gearres-
teerd. Een van hen had de politie zelf op het spoor gezet met een ano-
nieme, telefonische tip en – ja ja – de mannen hadden helemaal geen
witte bestelauto. Mijn voorspelling was voor honderd procent uitge-
komen en als ik mij had uitgegeven voor paragnost, had mijn wacht-
kamer vol cliënten gezeten en was ik alom geprezen om mijn trefze-
kere uitspraken. Mijn voorspelling had echter helemaal niets met
helderziendheid te maken. Het was een kwestie van gezond verstand
en een mix van kennis van zaken, ervaring en een nuchtere analyse
van de beschikbare feiten. Ik zal u dat kort uitleggen. De schutter
nam steeds meer risico en sloeg steeds vaker toe, terwijl de politie
steeds meer mankracht inzette. Dat moest wel fout lopen. De moor-
denaar liet bovendien berichten achter, ogenschijnlijk om de politie te
tarten. In werkelijkheid is dit vaak een noodkreet van een dader die
gepakt wil worden. Dat is al veel vaker vertoond en ik kon mij niet

– 85 –
voorstellen dat de moordenaar onopgemerkt in een wit bestelbusje
met een ladder op het dak kon blijven rijden, terwijl heel Amerika
daarnaar uitkeek. Dat moest dus wel een dwaalspoor zijn.

In feite geloof ik helemaal niet in helderziendheid, althans niet bij het


oplossen van misdrijven. Ik heb in een kwart eeuw crime-reporting
met heel wat helderzienden te maken gehad – ook de heel bekenden –
maar ik heb nog nooit, ik herhaal: nog nooit, meegemaakt dat een
helderziende, wichelroedeloper, piskijker, pendelaar of wat dan ook
een daadwerkelijke bijdrage aan de oplossing van een misdrijf heeft
geleverd. Het tegendeel wel... Op mijn kantoor liggen bijvoorbeeld
nog dikke stapels met resolute voorspellingen van paragnosten over
de verblijfplaats van Marion en Romy van Buuren. Volgens velen van
hen leefden zij nog, op allerlei plekken in het buitenland. Sommigen
hadden zelfs ‘contact’ met hen en verzekerden ons en de verontruste
familieleden van Marion en Romy dat het ‘heel goed’ met hen ging.
Afgelopen zomer werden Marion en Romy in een zandgraf in de dui-
nen bij Egmond gevonden. Ze waren daar al op de avond van hun ver-
dwijning begraven. Geen van de tientallen helderzienden had dit
voorspeld. En als ze toevallig met een voorspelling wel eens in de
buurt zitten, dan is dat meestal eerder een gevolg van een simpele fei-
tenanalyse, zoals hierboven beschreven, dan van een bijzondere gave.
Sommige paragnosten zijn in werkelijkheid niets meer dan handige
amateur-psychologen, die uit de lichaamstaal, kleding, vraagstelling,
dialect en andere kleine signaaltjes en uiterlijkheden van de bezoeker
aardig kunnen afleiden waar deze op uit is en uit wat voor milieu hij/
zij komt. Op het moment dat je aan iemands hand een trouwring ziet,
kun je veilig zeggen dat je een ‘relatie met een vrouw’ ziet. Eeltige
handen en een verweerd hoofd duiden op lichamelijk (buiten)werk
enzovoort, enzovoort. De meeste paragnosten zijn bovendien mees-
ters in het gaandeweg bijstellen en aanscherpen van hun voorspellin-
gen aan de hand van instemmend geknik, een opgetrokken wenk-
brauw of een vragende blik. Voor veel voorspellingen geldt bovendien
dat de kans dat je het goed raadt meer dan vijftig procent is, helemaal
als je geraffineerd, met een bepaalde omhaal van woorden, zowel op
rood als op zwart inzet. Het valt me bovendien altijd op dat de men-
sen die helderzienden consulteren zelf ook bereid zijn de waarheid
een handje te helpen als de voorspeller de plank misslaat. Ze maken

– 86 –
het verhaal gewoon passend. Als de helderziende zegt dat hij een ge-
zin ziet met drie kinderen en de betrokkene toevallig kinderloos ge-
scheiden is, roept deze: ‘Da’s ook frappant zeg, mijn achterbuur-
vrouw d’r zus heeft een gezin met drie kinderen... tjonge, hoe kon hij
dat nou weten.’ Nou, dat wist hij ook niet, kan ik u verzekeren. Afge-
lopen decembermaand kwamen er traditioneel veel helderzienden
aan bod in de media, om hun voorspellingen voor het nieuwe jaar te
laten horen. Ook hier zat weer menige ‘open deur’ bij, in de categorie
van... spanning rond Irak.... bloedige aanslagen in Israël... en sterfge-
vallen binnen het koningshuis. Een van die helderzienden is Anton
Pauwe. Ik heb hem links en rechts zien opdraven. Hij riep iets heel
opmerkelijks: ‘Peter R. de Vries moet oppassen... hij loopt gevaar... er
kan wel eens een aanslag op hem worden gepleegd.’ Daar stond ik paf
van, want zeg nou zelf, daar was toch niemand anders opgekomen?
(Zijn collega-paragnosten die dit de vier voorgaande jaren ook al voor-
speld hadden niet meegerekend...).

Naschrift: in 2003 is er op mij geen aanslag gepleegd. Die van de


fiscus niet meegerekend.

– 87 –
Killing for fun...

Op zondag 14 mei 2000, even voor halfzes in de ochtend, werden er


in een parkeergarage aan de Haagse Ouverturestraat in de wijk Loos-
duinen twee dode jongemannen gevonden. Het waren de 22-jarige
glazenwasser Daan de Blok en zijn 31-jarige stapvriend Alan Roos.
Beiden waren door hun achterhoofd geschoten, zoals bij een executie
gebeurt. En een koelbloedige executie was het ook, zo zou later blij-
ken. Compleet met nog een genadeschot. Daan en Alan waren samen
uit geweest die avond en hadden tegen vijf uur ’s nachts de disco-
theek ‘O’ in Kijkduin verlaten. Een halfuur later werden ze dood en
onder het bloed in de parkeergarage gevonden. Afgeknald. Zomaar.
Zonder motief. Op moederdag. De zaak staat sindsdien te boek als de
‘Loosduinse moordzaak’. De daders van deze laffe levensdelicten wer-
den enige tijd later gepakt. Het zijn de 51-jarige Kobus R. en zijn 31-
jarige zoon Tommix. Het bewijs tegen hen is waterdicht, maar het
motief voor deze weerzinwekkende daad is altijd een mysterie geble-
ven. Waarom moesten deze jonge kerels als honden worden doodge-
schoten? Tommix R. bekent weliswaar dat zijn dronken en gedrogeer-
de vader de pistoolschoten afvuurde, terwijl Daan en Alan in de auto
zaten, maar kan geen reden bedenken. Vaststaat dat vader en zoon de
jongens bij de discotheek een lift hadden gegeven en dat Kobus on-
derweg ineens in het Bargoens tegen zijn zoon opperde om even een
‘dinkerink’ op te halen, een vuurwapen... Even later waren Alan en
Daan dood. Vader R. ontkent tot op de dag van vandaag en zwijgt, tot
wanhoop van de nabestaanden. ‘Ik ben bang dat hier sprake is van
killing for fun,’ sprak de aanklager bij het gerechtshof toen hij het
ontbrekende motief besprak. Moorden voor de lol...Woorden die je
doen huiveren.

Als je kind, je vriend, je echtgenoot of je vader op zo’n even wrede als


zinloze manier de dood vindt, kom je daar als nabestaande nooit
meer overheen. Ik weet dat, omdat ik inmiddels heel wat ouders ken

– 88 –
die een zoon of dochter door bruut geweld zijn kwijtgeraakt. Iedereen
verwerkt zijn leed op zijn eigen manier, maar bijna allemaal zinken
ze weg in een peilloos diepe put van verdriet. Een put waaruit je bijna
nooit meer omhoogkrabbelt. Enkelen van die nabestaanden weten
hun onmacht, woede, haat en verdriet echter om te smeden tot
kracht... tot verzet... tot een luide stem. Een stem die spreekt namens
al die nabestaanden, namens al die ‘zomaar’ tot zwijgen gebrachte
slachtoffers. Een van die mensen is Martin Roos, de vader van Alan.
Door zijn tranen heen zag hij wat er allemaal misging toen de daders
werden gepakt en terechtstonden. Naast verdriet was er sprake van
ontzetting, ongeloof en onbegrip over de tekortkomingen waar hij en
zijn lotgenoten in de praktijk mee te maken kregen. De verdachte,
Kobus R., zweeg tijdens de rechtszaken, negen zittingen lang, maar
ging wel keer op keer in beroep. ‘Waarom mogen verdachten in hoger
beroep als ze toch niks te vertellen hebben?’ vroeg Martin zich af. Ie-
dere rechtszitting was voor hem en zijn familie een nieuwe kwelling.
En zij, de nabestaanden, wilden wel heel graag iets zeggen tijdens de
rechtszaak, maar dat verzoek werd afgewezen door de rechter! Kan
het nog krommer? En waarom kregen de daders alle juridische bij-
stand die zij nodig hadden, terwijl de nabestaanden zelf maar moes-
ten zien hoe zij zich redden en een eventuele advocaat zelf moesten
betalen? Roos merkte dat hij niet de enige was die zich hierover ver-
baasde en ergerde. Hij kwam steeds meer lotgenoten tegen met de-
zelfde klachten, die niemand scheen te horen: slechte begeleiding,
een gebrek aan rechtshulp, een tekort aan informatie, ja eigenlijk
overal dichte deuren. In een e-mail aan mij schreef Martin Roos:
‘Sinds 14 mei 2000 is mijn gezin niet meer “ons” gezinnetje. Sinds
de dag dat mijn zoon werd vermoord is de vreugde uit ons leven ver-
dwenen. Ik walg van het dagelijks geweld, waarbij het lijkt of iedereen
een vuurwapen bezit en gebruikt, zonder dat daar keihard tegen
wordt opgetreden. Ik word boos bij het lezen van de verslaggeving
over geweldsmisdrijven in de media. En het aantal slachtoffers blijft
ondertussen maar toenemen...’

Samen met een aantal anderen besloot Martin Roos in actie te ko-
men. Er volgden gesprekken met politici die zij op de tekortkomingen
wezen. En deze maand richtten zij de stichting Aandacht Doet Spre-
ken op, een belangenorganisatie voor en door alle slachtoffers en na-

– 89 –
bestaanden van ernstige geweldsdelicten. Martin Roos heeft mij, sa-
men met bijvoorbeeld politicus Boris Dittrich en officier van justitie
Fred Teeven verzocht zitting te nemen in het comité van aanbeveling.
Een verzoek waar ik geen seconde over hoefde na te denken, want zo is
de gruwelijke dood van Daan en Alan misschien niet helemaal zin-
loos...

Naschrift: Kobus R. is voor de twee moorden tot twintig jaar cel ver-
oordeeld. Zijn zoon Tommix kreeg twaalf jaar.

– 90 –
De moord op Cor van Hout 1

Ik wist dat het belletje een keer kon komen. Maar nooit wanneer. Het
kwam afgelopen vrijdagmiddag [24 januari 2003] even na halftwee,
toen ik net na de lunch weer aan mijn bureau zat te werken. Nooit eer-
der heb ik mijn bloed zo snel voelen wegtrekken. Het was Bas V. en ik
hoorde paniek in zijn stem: ‘Peter... Peter... Cor is neergeschoten! Het
is erg... een aanslag.’ Ik durfde de vraag nauwelijks te stellen, maar
deed het toch: ‘Hoe erg, Bas?’ Het bleef een seconde stil en Bas ant-
woordde met een lichte aarzeling: ‘Eh... ik denk dat hij dood is... hij is
dood, Peter.’

Cor is Heineken-ontvoerder Cor van Hout en Bas is Bas V., de vriend


van Cor annex bodyguard die afgelopen vrijdag in zijn gezelschap was
toen twee motorrijders op de Dorpsstraat in Amstelveen, voor een Chi-
nees restaurant, een spervuur van kogels op Van Hout afvuurden.

Nog geen halfuur later stond ik daar zelf ook, terwijl de politie haastig
een afzetting opbouwde om de samengedromde mensen op afstand
te houden. Nee, ook ik mocht niet dichterbij. Cor lag daar, tussen de
stoeprand en een geparkeerde Volkswagen, afgedekt door een paar-
dendeken. Een hoedje dat hij ophad, wiegde door de wind op de stoep
heen en weer. Rechercheurs in witte pakken deden hun werk. In een
cirkel rondom hem werden bordjes met nummers geplaatst die de ge-
vonden kogelhulzen markeerden. Na twee aanslagen die Van Hout
miraculeus overleefde, was de derde bijna onvermijdelijk geweest. En
toen was zijn geluk op. Twintig jaar na de ontvoering van Heineken –
in 1983 – was Het Tijdperk Cor van Hout ten einde gekomen.

En terwijl ik daar zo stond in die Amstelveense Dorpsstraat, passeer-


den vele momenten uit die twee decennia bij mij de revue. Ik heb Cor
ongelooflijk goed leren kennen. Sterker nog, in die jaren is een
vriendschap tussen ons gegroeid die eigenlijk niet kon: tussen een

– 91 –
ontvoerder en een journalist. Maar het gebeurde, als een chemische
reactie die niet te verhinderen is. Ik dacht terug aan de eerste brief uit
de beruchte Santé-gevangenis in Parijs die ik van hem kreeg toen hij
kort na de kidnap, in februari 1984, was gearresteerd. Er stond hem
een lange celstraf te wachten, maar desondanks sloot hij zijn brief af
met de humor die hem later zo zou kenmerken: ‘Wie zichzelf spaart,
krijgt nooit rente.’ Ik dacht aan het hachelijke avontuur dat ik met
hem meemaakte in het Caribisch gebied in 1986, toen de Fransen
hem daar in de slepende uitleveringsprocedure wilden onderbren-
gen. Met speedboten, helikopters en gammele vliegtuigjes werden we
van eiland naar eiland gesleept: Sint Maarten, Guadeloupe, het verla-
ten stroperseilandje Tintamarre. Er braken rellen uit. Overal werden
we opgejaagd door de woedende bevolking die wilde verhinderen dat
Europese criminelen op hun mooie eilanden werden gedumpt. Het
scheelde maar weinig of we werden gelyncht. Maar telkens werd ik
gefrappeerd door de humor en zelfspot waarmee Cor alles onderging
en de meest hachelijke momenten trotseerde. Ik dacht terug aan het
boek over de Heineken-ontvoering dat we in het diepste geheim heb-
ben geschreven. Tegen de politie zweeg hij, voor de rechtbank hield
hij zijn mond over de toedracht en voorbereiding van een van ’s we-
relds meest geruchtmakende misdrijven, maar mij vertelde hij gede-
tailleerd alle geheimen van de ontvoering. Stap voor stap. Het smeed-
de een band die nooit meer stuk ging, al heeft het misschien weinig
gescheeld toen ik in 1994 de voortvluchtige Heineken-ontvoerder
Frans Meijer in Paraguay opspoorde. Toen Frans Meijer telefonisch
aan Cor vertelde dat ik daar was en hem vroeg of hij mij ‘moest laten
gaan, of eh...’ antwoordde Cor (zo hoorde ik later van hem): ‘Laat hem
gaan, Frans... Laat hem gaan.’ Daarmee heeft hij vermoedelijk mijn
leven gered. Tweeënhalf jaar zagen we elkaar daarna niet, dat hoorde
bij zijn ‘code’, maar de chemie tussen ons was niet uitgewerkt. Na de
eerste – mislukte – aanslag op hem, in maart 1996 voor de deur van
zijn woning in de Deurloostraat in Amsterdam-Zuid, werd ons con-
tact weer hersteld.

En terwijl de technische recherche in de Amstelveense Dorpsstraat


elke kogel, elke splinter, elk bloedspatje registreerde, dacht ik aan die
honderden keren dat Cor mij had verrast met zijn spitsvondigheid,
zijn ongeëvenaard snelle geest, zijn fabelachtige geheugen en – dat

– 92 –
klinkt misschien gek – met zijn eerlijkheid. Nooit heb ik hem op een
leugen tegenover mij kunnen betrappen. ‘Ik hoef me niet beter voor
te doen dan ik ben, jij weet als geen ander wat ik heb gedaan,’ zei hij
daarover altijd schouderophalend. Ik dacht uiteraard ook terug aan
ons laatste telefoongesprek, de avond voor zijn dood. Ik reed in de
auto naar huis en Cor belde me op, zomaar voor een praatje. We
maakten een afspraak om snel wat te gaan eten. Aan het eind van het
gesprek, zei hij tegen mij: ‘Doe je wel voorzichtig?’ Hij had in de me-
dia het proces gevolgd tegen Louis H., de man die wordt beschuldigd
van de drievoudige moord op Corrina Bolhaar en haar twee kinderen
en door mijn programma voor de rechter is gekomen. In de rechts-
zaak was naar voren gekomen dat de verdachte mij had bedreigd.
‘Kijk uit, Peet...’ waarschuwde Cor, ‘de mensen hebben het wel altijd
over mij, maar volgens mij loop jij meer risico.’ ‘Ja ja...’ mompelde ik
terug. ‘Oké, ik zie je morgen wel,’ sloot Cor vervolgens het gesprek af,
zoals hij altijd doet, ook als je van tevoren wist dat je hem helemaal
niet ‘morgen’ zou zien. Maar dat was nu eenmaal de hem typerende
manier van afscheid nemen, van een gesprek beëindigen. En het
werd een afscheid. Ik zag hem ook, die volgende ‘morgen’: liggend in
een plas bloed in de Dorpsstraat van Amstelveen. Aan een turbulent
leven en aan een heel bijzondere vriendschap was een abrupt einde
gekomen...

– 93 –
De moord op Cor van Hout 2

U kunt mij van veel beschuldigen, maar niet dat ik hypocriet ben. En
om die reden plaatste ik afgelopen week ook een advertentie in de
krant, waarin tot uiting kwam dat ik bevriend was met de in Amstel-
veen doodgeschoten Heineken-ontvoerder Cor van Hout. Ik schreef
onder meer: ‘De meest bijzondere man die ik in mijn leven heb ge-
kend is dood. Misdaad bracht ons samen en misdaad trok ons uit el-
kaar.’ En ook zei ik ‘ja’ op het verzoek van zijn familie om op de begra-
fenis een toespraak te houden, maar ook als ze dat niet hadden
gedaan, had ik er als ‘officiële biograaf’ van Van Hout gesproken.

Dit alles was ‘nieuws’ in de media: Een misdaadjournalist die be-


vriend is met een beroepscrimineel. De Amsterdamse hoofdcommis-
saris Jelle Kuiper meende dat ik, ‘als crimefighter en hoeder van nor-
men en waarden, door het ijs was gezakt’. In veel commentaren klonk
door dat ik mijn sympathie voor Van Hout niet publicitair had mogen
verkondigen. Een aantal mensen zei letterlijk: ‘We begrijpen het wel,
maar je had het niet mogen zeggen.’ Kennelijk heeft men liever dat je
schijnheilig bent dan eerlijk. Hardop zeggen dat een crimineel een
‘heel bijzondere man’ is, is een taboe. Merkwaardig vond ik ook dat
heel veel mensen het woord ‘bijzondere’ voor zichzelf vertaalden naar
‘aardigste’ of ‘leukste’ of andere louter lovende kwalificaties, terwijl
de formulering ‘de meest bijzondere man’ door mij heel zorgvuldig
was gekozen. Het verwoordde een zeldzame combinatie van goede en
slechte eigenschappen en karaktertrekken die ik bij Van Hout in die
twintig jaar had waargenomen.

Ik heb de afgelopen week links en rechts uitgelegd waarom ik de ad-


vertentie heb geplaatst en waarom ik heb gesproken. Het is eigenlijk
een simpel verhaal. Ik ken Cor van Hout dit jaar twintig jaar. Als jong
verslaggever van De Telegraaf heb ik het hem en zijn mededaders na
de ontvoering knap lastig gemaakt. Er is, denk ik, niemand die zo veel

– 94 –
onthullende reportages over hen heeft geschreven. In de media werd
ik daarom wel hun ‘schaduw’ genoemd.

Cor van Hout, het brein van de kidnap, heb ik in de loop der jaren
beter leren kennen. Dat leidde ertoe dat we in 1987 een boek hebben
gemaakt over de Heineken-ontvoering, dat nog steeds een crime-clas-
sic is. De jarenlange contacten en het schrijven van het boek smeed-
den een bepaalde band tussen ons. Ik geef grif toe, dat dit niet alle-
daags is, maar soms laat de chemie tussen mensen zich niet regelen
en komen tegenpolen – een crimineel en een misdaadjournalist –
toch bij elkaar. Dat weerhield me er overigens nooit van om de door
hem gepleegde misdaden te veroordelen, maar juist het feit dat we
over en weer niet van ‘geslijm’ hielden, zorgde ervoor dat er een goed
contact ontstond en bleef. En ik ben naar buiten toe over onze relatie
ook altijd eerlijk en open geweest. In tientallen interviews is die spe-
ciale vriendschap ter sprake gekomen en heb ik uitgelegd dat nie-
mand alleen slecht of alleen goed is. Ook Van Hout niet. Niemand die
daar toen aanstoot aan nam, ook commissaris Jelle Kuiper niet. En
leidde mijn vriendschap met Van Hout ertoe dat ik vanaf dat moment
oogkleppen op had? Welnee, ondanks die vriendschap spoorde ik in
1994 de voortvluchtige Heineken-ontvoerder Frans Meijer op in Para-
guay. De Amsterdamse politie had hem tien jaar lang niet kunnen
vinden. Over door het ijs zakken gesproken! En ook latere misdrijven
door Van Hout zijn in mijn programma uitvoerig belicht en echt niet
altijd tot zijn genoegen, zo kan ik u verzekeren. Maar goed, nu Van
Hout vermoord is, is die vriendschap ineens een heikel punt. Het
gekke was wel dat men in de media vooral viel over het feit dát ik ging
spreken. Vrijwel niemand heeft mij gevraagd wát ik eigenlijk zou
gaan zeggen.

Ik kan u hier vertellen dat het een tamelijk lang verhaal is geworden,
waarin ik heb geschetst waarom Van Hout de ‘meest bijzondere man’
was die ik ooit heb ontmoet. Een man bij wie goed en slecht op onna-
volgbare wijze hand in hand gingen. Een man met ernstige tekortko-
mingen, maar ook met grote gaven. Een man die veel verkeerd heeft
gedaan, maar wel wist wat vriendschap was. Ik begon mijn speech
daarom ook als volgt:

– 95 –
In het milieu is de afgelopen jaren dikwijls gezegd dat hij zijn contact
met mij beter kon verbreken. ‘Het is niet goed voor je reputatie,’ zei
men. Hij weigerde en bleef mij zien.

In de journalistiek is mij de afgelopen week van alle kanten aangera-


den geen speech te houden op zijn begrafenis. ‘Dat is niet goed voor
je reputatie,’ klonk het. Ik weiger dat. Ik sta hier... En ik spreek. En ik
spreek hier voor een man die ik dit jaar twintig jaar heb gekend en van
wie ik nu niet en in de toekomst niet zal schromen te zeggen dat hij
mijn vriend geworden was: Cornelis van Hout.

Vriendschap verloochen je niet. Ook niet als je vriend dood is. Of nee,
juist niet als je vriend dood is...

– 96 –
‘Een wijf met twee koters...’
De zaak-Bolhaar

Het was muisstil op 5 februari 2003 rond één uur ’s middags in de


rechtszaal van de Amsterdamse rechtbank. Nabestaanden, politie-
mensen en pers zorgden ervoor dat er geen plaatsje meer vrij was. De
parketwachten hadden mij naar het uiterste puntje van de zaal gediri-
geerd, op de achterste rij. Zo ver mogelijk verwijderd van de verdach-
te. Er was een reële kans, meenden zij, dat deze mij zou aanvliegen
als het vonnis voor hem negatief was. Tijdens de rechtszittingen, in
de weken daarvoor, had hij er bijna elke vijf minuten wel een keer op
gehamerd dat het ‘hele circus’ rondom hem slechts een gevolg was
geweest van ‘Peter Riool de Vries, misdaadverslaggever’. Elke belas-
tende getuige had mijn programma gezien en loog er daarom op los,
zo verkondigde hij. Enige voorzichtigheid was daarom geboden bij de
uitspraak, zo meenden de parketwachten.

En dus zat ik op de achterste bank ook vol spanning te luisteren. Er


was ruim anderhalf jaar verstreken sinds ik in deze zaak politie en
justitie aanschreef met het verzoek een ultieme poging te wagen om
de gruwelijke moord op Corrina Bolhaar (33) en haar twee kinderen
Sharon (6) en Donna (9) in maart 1984 alsnog op te lossen. De jonge
moeder en haar twee kindertjes waren met grof geweld om het leven
gebracht in hun etagewoning aan de Argonautenstraat in Amster-
dam-Zuid. Merkwaardig genoeg was het derde kind van Corrina, de
toen nog maar 1-jarige Bryan, door de moordenaar ongemoeid gela-
ten, maar hij was wel in een klap zijn hele familie kwijt. Hoewel de
recherche vermoedens had over de dader werd de zaak nooit opgelost.
Begin vorig jaar zou de zaak definitief verjaren en zou de moordenaar
voor eeuwig vrijuit gaan. Naast mijn verzoek aan justitie deed ik daar-
om ook in mijn wekelijkse column in Panorama een oproep en
schreef: ‘Ik roep iedereen op die Corrina kende of anderszins iets van
de moord afweet zich bij mij te melden. Het is de laatste kans... laat
’m alstublieft niet verloren gaan.’

– 97 –
Dat was gelukkig niet tegen dovemansoren gezegd. Samen met colle-
ga Kees van der Spek begon ik aan een langdurig en intensief onder-
zoek, waarbij we iedere betrokkene opnieuw hoorden en vele tips na-
trokken. Het was een spannende, soms zeer emotionele race tegen de
klok, waarbij we aanvankelijk niet bepaald door politie en justitie wer-
den geholpen, to put it mildly. Men kende de zaak niet eens meer en
onze verzoeken werden formeel en onwelwillend afgewezen, hoewel
de nabestaanden – onder wie de inmiddels 19-jarige Bryan! – erop
hadden aangedrongen ons alle denkbare hulp te geven. Het zorgde
ervoor dat de contacten met de Amsterdamse politie en justitie een
poos onder het nulpunt kwamen. Maar dat had ik er graag voor over.

Om een lang verhaal kort te maken: we maakten desondanks twee ge-


ruchtmakende uitzendingen over de zaak en spoorden een kroonge-
tuige op die wist te melden dat de nu 47-jarige Amsterdammer Louis
H., een vriend van de vermoorde Corrina, de drievoudige moord tij-
dens een woordenwisseling wel eens tegen haar had toegegeven: ‘Ik
heb al eens een wijf met twee koters vermoord, dus als je nou niet op-
houdt...!’ Een belangrijk nieuw feit, waardoor de ophanden zijnde
verjaring op het nippertje juridisch kon worden gestuit. Louis H.
werd gearresteerd en het onderzoek werd op volle kracht heropend
door een zeer gedreven rechercheteam onder leiding van de al even
gedreven aanklaagster mr. Nicole Voorhuis. Er stroomden nieuwe
tips en getuigenissen binnen. H. werd zelfs nog gelinkt aan een vier-
de moord, op de 23-jarige Ierse Joanne Wilson, wier in stukken gesne-
den lijk in 1985 in het water bij de Willemsluizen in Amsterdam werd
teruggevonden. Het was allemaal zo belastend, dat Louis H. vorige
maand alsnog terecht moest staan in een in vele opzichten uniek pro-
ces. En hoewel hij alles ontkende en het moeilijk was om na zo lange
tijd de gebeurtenissen nauwkeurig te reconstrueren, wist officier van
justitie Nicole Voorhuis met alle belastende getuigenissen en aan-
toonbare leugens van H. een stevig web te weven waar de verdachte
behoorlijk in verstrikt raakte.

Maar het laatste woord was natuurlijk aan de rechters. President mr.
M.J. Diemer las het vonnis voor. Snel zocht ik nog even oogcontact
met enkele betrokkenen, onder wie Bryan, de enige overlevende van
het moorddrama, die een aantal stoelen van mij verwijderd zat. Toen

– 98 –
de president na een juridisch ‘aanloopje’ het schuldig uitsprak en er-
aan toevoegde dat het ‘onontkoombaar is dat aan de verdachte een le-
venslange gevangenisstraf zal worden opgelegd’, werd er door een
paar mensen heel even geklapt, wat overigens al snel smoorde in het
gesnik van enkele betrokkenen, die hun emoties de vrije loop lieten
nu het recht op de valreep toch nog zijn loop kreeg. Een ogenblik later
stond Bryan Bolhaar voor me. Zwijgend keken we elkaar aan. Hij gaf
me een hand en hield die lang en stevig vast. Het waren tien stille se-
conden, die meer zeiden dan duizend woorden...

– 99 –
Gezworen vijanden

Hoewel de berichtgeving rond de moord op Heineken-ontvoerder


Cor van Hout u misschien anders deed vermoeden, kan ik u verzeke-
ren dat je in de misdaadjournalistiek niet louter vrienden maakt. Ster-
ker nog, er is misschien wel geen vak waar je zoveel gezworen vijan-
den maakt als het mijne. Als misdaadverslaggever kom je aan de
meest essentiële verworvenheden in een mensenleven: geld, vrijheid
en eergevoel. En niet zelden zijn alledrie tegelijk in het geding. Denkt
u maar aan de geziene zakenman, die de cel indraait en wiens bezit-
tingen in beslag worden genomen.

Het zijn echter niet alleen verdachten of veroordeelden met wie je in


conflict komt. Ook met advocaten, officieren van justitie, persvoor-
lichters en politiemensen ‘lopen de belangen niet altijd parallel’, zoals
dat zo mooi heet. Dat leidt doorgaans tot behoorlijk wat gebekvecht
en heel soms tot jarenlange ijskoude, onverzoenlijke contacten. Als
crime-reporter moet je daar tegen kunnen. Je bent per slot van reke-
ning geen Florence Nightingale... Als je geen vijanden wilt maken,
moet je echt een ander beroep kiezen. Ik probeer zelf altijd eerlijk,
zonder aanzien des persoons te opereren en vooral de feiten te laten
spreken in plaats van de emoties of de persoonlijke voorkeuren. En
als het dan toch nog botst, dan is dat jammer, maar niet iets waarvan
ik in mijn kussen lig te bijten. Dan heeft het zo moeten zijn. Toch
komt het ook wel eens voor dat je de plank misslaat, je oordeel te voor-
barig is. Dat is me recentelijk overkomen in wat de Bolhaar-zaak is
gaan heten: de drievoudige moord op Corrina Bolhaar en haar twee
kinderen Sharon en Donna in de Amsterdamse Argonautenstraat in
1984. In een poging de zaak heropend te krijgen voordat deze defini-
tief zou verjaren, had ik in de loop van 2001 een paar stevige aanva-
ringen gehad met politie en justitie in Amsterdam. Men kende de
zaak niet meer, er werd niet meegewerkt en afspraken werden niet
nagekomen. Pas toen wij een kroongetuige opspoorden waardoor de

– 100 –
verjaring kon worden gestuit, was men bereid met ons te praten,
maar toen waren de verhoudingen al behoorlijk verzuurd. Het eerste
gesprek, op de kamer van officier van justitie mr. Nicole Voorhuis,
verliep daardoor uitermate stroef. Ik had het gevoel dat men graag
alle informatie van mij wilde overnemen, maar mij verder het liefst
buitenspel zag staan. Ik maakte niet veel later kennis met inspecteur
Bob Schagen, de chef van het rechercheteam en het boterde niet di-
rect tussen ons. Schagen ontfermde zich bijvoorbeeld over de door
ons aangedragen kroongetuige en liet haar weten dat zij ‘in het be-
lang van het onderzoek’ niet meer met mij mocht praten. Er leek iets
van een merkwaardige competitie tussen ons te ontstaan, terwijl we
toch allebei uit waren op een oplossing van de zaak. Het kwam uitein-
delijk tot een gesprek op mijn kantoor. Henk Zwartjes, de chef van
Bob Schagen, was voor de zekerheid meegekomen en het ging er on-
gezouten aan toe. We kwamen wel tot een paar goede afspraken,
maar toen de chef aan het eind van het onderhoud naar de van opwin-
ding rode gezichten van Bob Schagen en ondergetekende keek, zei
hij: ‘Tja.. ik vrees dat het tussen jullie nooit meer goed komt, maar la-
ten we het belang van de zaak altijd vooropstellen.’

En dat is gebeurd. De recherche ging aan de slag en deed dat bepaald


niet half. Er werd ontzettend veel overhoopgehaald, ontelbare getui-
gen gehoord en aanvullend technisch onderzoek gedaan. Het dossier
groeide en groeide. In de maanden die volgden had ik zelf ook zo nu
en dan contact met het team en zag dan gedreven rechercheurs, die
alles wat ze hadden uit de kast haalden. Ik liep Bob Schagen ook re-
gelmatig tegen het lijf, we hadden telefonisch contact en e-mailden zo
nu en dan over tips die bij ons binnen waren gekomen. En gaande-
weg maakte mijn ergernis plaats voor respect. ‘Hmm... Die Schagen
is zo slecht nog niet,’ mompelde ik tegen collega Kees van der Spek
toen we weer eens contact hadden gehad met de recherchechef. Ster-
ker nog, ik moest toegeven dat ik het eigenlijk een verdomd goede
politieman vind. Iemand die leeft voor zijn vak, zijn zaken wil oplos-
sen en als het nodig is ruziemaakt met een misdaadverslaggever. Ei-
genlijk dachten we over veel zaken hetzelfde, zo realiseerde ik mij in-
eens. En ik vond het dan ook erg leuk dat juist deze Bob Schagen bij
de uitspraak, in februari 2003, naast mij kwam zitten in de rechts-
zaal. Ik voelde en zag ook zijn oprechte emotie toen de rechters ver-
dachte Louis H. schuldig verklaarden en tot levenslange gevangenis-

– 101 –
straf veroordeelden. Hij was de eerste die ik de hand schudde en daar-
mee bewezen we meteen het ongelijk van zijn chef: het is wel degelijk
goed gekomen tussen ons... Ik neem mijn pet voor jou en je team af,
Bob!

– 102 –
Mijn naam is...

Ik wil u even voorstellen aan Michael van der S., een beroepscrimi-
neel. Nee, geen drugsdealer, bankrover of ontvoerder. Geen man ook
wiens initialen regelmatig in de krant bij grote affaires staan, maar
wel een doorgewinterde inbreker, met als specialisatie bedrijfspan-
den. Een kruimelaar die met enige regelmatig tegen de lamp loopt.
Ruim een jaar geleden werd hij in Lelystad in het winkelcentrum De
Botter op heterdaad betrapt bij zo’n kraak. De overmeestering door de
politie ging niet helemaal van een leien dakje: Van der S. verzette zich
nogal en brak de neus van de agent die hem de boeien wilde omdoen.
Omdat hij de gevolgen vreesde en al een behoorlijk strafblad had, be-
dacht hij in de politiecel dat hij het beste een valse naam kon opgeven:
die van zijn vriend Leen van Z., een jongen van onbesproken gedrag.
Misschien kon hij zo de dans nog een beetje ontspringen, want zijn
eigen strafblad zou ongetwijfeld strafverhogend werken, overwoog
hij terecht. De rechter heeft het niet zo op veelplegers. Er was alleen
een probleempje, Michael van der S. was niet meer helemaal zeker
over de geboortedatum van Leen. Was dat nu 9 of 10 februari 1972?
Tijdens het verhoor gokte hij op de 9e, maar even later kwam de re-
chercheur zijn cel binnen en zei bars: ‘Ik heb het gecheckt, maar je
liegt...!’ Van der S. meende dat hij door de mand was gevallen en aar-
zelde een ogenblik wat hij nu zou zeggen, toen de politieman ineens
grijnsde: ‘Je bent niet de 9e jarig maar de 10e... sukkel!’ Van der S.
herstelde zich snel en antwoordde: ‘O, ja... ha ha... ja tuurlijk... vergis-
sinkje!’ en bleef zich vervolgens Leen van Z. noemen. Maar daarmee
was hij er nog niet. De volgende hobbel die genomen moest worden,
was dat de inbreker zou worden voorgeleid aan de rechter-commissa-
ris, een man die Michael van der S. al vaak voor het hekje had gehad.
Het risico was groot dat hij direct zou zeggen: ‘Leen van Z.? Kom nou
toch, jij bent Michael van der S. Neem een ander in de maling!’ En
dus liet Van der S. door zijn vriendin een grote bril meenemen, die hij
tijdens de zitting in de raadkamer opzette. Dat hij er zo scheel mee

– 103 –
keek dat hij bijna alles omverliep, viel niemand op. En de rechter-
commissaris had geen moment argwaan over zijn identiteit. De
meeste verdachten kennen wel hun rechters van gezicht, maar de
meeste rechters kennen niet al hun verdachten nog in de loop der ja-
ren. Een beetje analoog aan: Iedereen kent Johan Cruijff, maar Johan
Cruijff kent niet iedereen...

Van der S. was niet ontevreden, maar realiseerde zich dat eerdaags
waarschijnlijk toch zou uitkomen dat hij bedrog had gepleegd, want
de politie had zijn vingerafdrukken afgenomen en het kon niet an-
ders of uit de justitiecomputer zou rollen dat hij niet was wie hij zei te
zijn. Maar ja, als je eenmaal hebt gelogen is het moeilijk om daar op
terug te komen en dus hield Michael zijn mond. Maar ook de compu-
ter gaf tot zijn verbazing in de dagen daarna geen kik, terwijl hij daar
toch tig keer in voorkwam. Van het politiebureau ging hij na tien da-
gen hechtenis naar het huis van bewaring, waar hij keurig als Leen
van Z. werd ingeboekt. En ook tijdens de rechtszitting ging alles won-
derbaarlijk goed. Niet Michael van der S., maar Leen van Z. kreeg zo-
doende niet meer dan dertig dagen celstraf plus twee maanden voor-
waardelijk en een proeftijd van twee jaar op zijn naam. Mede omdat
hij nog een blanco strafblad had, waar de rechter goedmoedig reke-
ning mee hield! Niemand die iets in de gaten had.

Na die detentie biechtte Michael toch maar alles op aan zijn vriend
Leen, die op dat moment dus zonder het te weten een strafblad had.
Deze was daar allesbehalve gelukkig mee en stapte alsnog naar de po-
litie, die vervolgens – tien maanden nadat Michael de valse naam had
opgegeven – hem van zijn bed lichtte. Op het bureau gaf Van der S.
nu alles toe. De bedrieger veronderstelde dat de zaak hoog zou wor-
den opgenomen, maar kreeg tot zijn verbazing de keus voorgelegd of
hij de zaak wilde laten voorkomen, of een schikking accepteerde van
750 euro. ‘Ik verwachtte een flinke douw,’ vertelde Michael mij on-
langs, ‘maar ik mocht gewoon meteen naar huis. Ik ging vervolgens
naar mijn advocaat, die voorstelde om niet de boete te accepteren,
maar de zaak voor te laten komen. En weet je wat er toen gebeurde?’
Ik moest het antwoord schuldig blijven, maar de vraag deed mij ver-
moeden dat aan de dwaze gebeurtenissen nog geen einde was geko-
men. En inderdaad: in plaats van de 750 euro boete maakte de rechter

– 104 –
er 250 euro van, die ook nog betaald mocht worden in vijf maandelijk-
se termijnen. Hoe mild en begripvol kan men zijn?

‘Ik heb slechts één vraag,’ zei Michael van der S., toen hij mij in geu-
ren en kleuren het hele verhaal deed. ‘Is dit alles nou een blunder of
niet van politie en justitie?’

Nou, ik dacht het wel, Michael!

– 105 –
Een jongensdroom komt uit...

In 1969, toen ik twaalf jaar oud was, speelde ik op het afscheids-


avondje van de lagere school in het toneelstuk een nieuwsgierige
journalist. Ik was blij met die rol, want terwijl de meesten van mijn
klasgenootjes brandweerman, piloot of agent wilden worden, werd ik
al getrokken door het nieuws en las dagelijks de misdaadberichten in
de krant.

In 1975, op de middelbare school, vulde ik bij beroepskeuze ‘journa-


list’ in. Dat leek mij een prachtjob, overal met je neus vooraan, ande-
ren vertellen wat er in de wereld gebeurt. Maar ik had er eerlijk ge-
zegd weinig vertouwen in dat ik dat ook zou worden. Want hoe kom
je bij ‘de pers’ terecht? Ik kende niemand uit die wereld en betwijfelde
of ze daar zaten te wachten op een gewone jongen uit Amstelveen
met een havo-‘pretpakket’.

In 1978, op 1 maart om precies te zijn, reed ik – net uit militaire


dienst en 21 jaar jong – in mijn derdehands okerkleurige Mini-Coo-
per trots, maar ook een tikkeltje nerveus naar de Haagse Redactie van
De Telegraaf. Het was mijn eerste werkdag bij ‘de krant’, als leerling-
journalist. Ja zeker, het was me toch gelukt erbij te komen, maar de
vraag was algauw hoe ik me er moest handhaven. Ik zal nooit verge-
ten hoe ik in het begin op de meest simpele stukjes (‘Bij een schiet-
partij in een kroeg in Den Haag is...’ of moest het zijn ‘In Den Haag is
bij een schietpartij in een kroeg...’?) uren zat te zweten en telkens
weer een nieuw vel in de Adler-schrijfmachine draaide en het oude
verfrommeld in de prullenbak mikte. Kon ik het eigenlijk wel, vroeg
ik me af. Ik keek bewonderend naar twee collega’s van mij, Henny
Korver en Ron Govaars, die week in week uit ogenschijnlijk met
speels gemak spannende, onthullende paginagrote reportages schre-
ven, soms vanuit het buitenland. Volbloed journalisten, gedreven,
vakkundig, met een netwerk aan relaties en altijd verhalend uit een

– 106 –
onuitputtelijke reeks smeuïge anekdotes over de dagelijkse journalis-
tenpraktijk. Tjonge, dacht ik, als je toch eens zulke reportages kon
schrijven, dat is machtig...

Ik mijmerde hoe mooi het zou zijn als je onthullende scoops zou sco-
ren, hoe je achter zaken zou komen die iedereen verborgen wilde
houden, mensen zou opsporen die verdwenen of ondergedoken wa-
ren, hoe je in vlammende reportages tegen onrecht zou kunnen strij-
den, hoe je zaken zou oplossen die altijd onopgehelderd waren geble-
ven, hoe je in een eigen column je mening of ervaring aan een groot
publiek kon presenteren, of heel misschien zelfs ooit wel eens een
boek zou schrijven over een geruchtmakende zaak... nou, dan heb je
het wel gemaakt hoor... Ik dacht eraan en boog mij achter m’n Haagse
bureautje weer over een ‘één-kolommertje’ over een steek- of schiet-
partij in een kroeg.

Maar na een poosje vond ik er mijn draai. De één-kolommers waren


al snel verleden tijd, de eerste primeurs een feit. Mijn eerste pagina-
grote reportage volgde niet lang daarna: door Peter de Vries stond er
toen nog gewoon boven. Die ‘R.’ kwam later pas. Ik legde mij toe op
misdaadverslaggeving en scoorde mooie scoops, die het nieuws haal-
den, mensen tot aftreden dwongen en tot Kamervragen leidden. Ver-
halen brachten mij regelmatig over de grens, mijn naam op de voor-
pagina met het alom begeerde toevoegsel ‘van onze speciale
verslaggever’. Henny Korver en Ron Govaars waren geen onaantast-
bare grootheden meer, maar gewoon aardige, naaste collega’s. Ik
schreef een boek over de Heineken-ontvoering, dat alle geheimen van
dit roemruchte misdrijf bevatte, nog voordat de daders waren be-
recht. Nog meer boeken volgden. Ik maakte een overstap naar de tijd-
schriftjournalistiek en kreeg een eigen, wekelijkse column in Panora-
ma. Ik stond aan de basis van het eerste misdaadprogramma op
televisie: Crime Time van de Tros. Ik speurde in 1994 de al tien jaar
voortvluchtige Heineken-ontvoerder Frans Meijer op in Paraguay.
‘Kuifje in Zuid-Amerika,’ schreef een weekblad over deze super-
scoop. En in 1995 kreeg ik mijn eigen misdaadprogramma op televi-
sie, onder mijn eigen naam: Peter R. de Vries, misdaadverslaggever.
Zeven jaar lang was het onder meer het podium voor mijn strijd te-
gen het onrecht in de Puttense moordzaak totdat in een herzienings-

– 107 –
proces de Twee van Putten definitief werden vrijgesproken en er straf-
rechtgeschiedenis werd geschreven. Maar het programma was ook
het decor voor de oplossing van onopgehelderde misdrijven, zoals de
drievoudige moord op Corrina Bolhaar en haar twee kinderen in Am-
sterdam-Zuid, waarvoor de dader tot levenslang werd veroordeeld. In
2002 werden deze inspanningen beloond met een heuse Academy
Award in de categorie Informatie en ik ontvang nu bijna elke dag wel
post van beginnende journalisten die willen weten hoe ik te werk ga
en die informeren naar smeuïge anekdotes uit de praktijk.

Ik moest daar afgelopen week allemaal aan denken. Waarom deze


week? Omdat het op 1 maart 2003 precies 25 jaar geleden was dat ik
in mijn Mini Cooper naar de Haagsche Redactie van De Telegraaf
reed en ik aan de vooravond van deze loopbaan stond. En toen ik alles
uit die kwarteeuw misdaadjournalistiek de revue liet passeren en me-
zelf weer even als leerling-journalist zag zitten zwoegen op één-ko-
lommertjes, dacht ik: jongensdromen komen soms wel degelijk uit...

– 108 –
De moord op Nicky Verstappen 2

Het is dit jaar [2003] alweer vijf jaar geleden dat op de Brunssummer-
heide de 11-jarige Nicky Verstappen uit Heibloem tijdens een jeugd-
kamp werd vermoord. Tegen het ochtendgloren was hij ineens uit
zijn tent verdwenen en hij werd vervolgens anderhalve dag later dood
en slechts gekleed in een pyjamabroek in een kerstbomenperceeltje
teruggevonden. Het jongetje is zeer waarschijnlijk het slachtoffer ge-
worden van een zedenmisdrijf. Ondanks een groot rechercheonder-
zoek (meer dan 50.000 manuren speurwerk), tientallen reportages in
mijn programma en een recordbeloning van 500.000 gulden
(226.890 euro), is de dader nooit gepakt. Bijna ongelooflijk als je
weet dat de moordenaar bijna onder de ogen van kampgenootjes en
begeleiders moet hebben toegeslagen en het bijna niet anders kan dat
iemand in het drukke recreatiegebied iets gezien moet hebben. Het
zit mij ont-zet-tend hoog dat de zaak onopgehelderd blijft. Ik ben er
nu jaren mee bezig en heb elke week wel contact met de wanhopige
ouders van Nicky: Peter en Berthie Verstappen. In mijn programma
is het ’t afgelopen seizoen stil geweest rond deze afschuwelijke
moordzaak, maar achter de schermen is de strijd onafgebroken en
volop doorgegaan.

In samenwerking met de Amsterdamse advocate mr. Benedicte Ficq


is inzage gevraagd in de lijvige dossiers, zodat we zelf konden consta-
teren wat er wel en niet is gedaan in het onderzoek. En dat is niet on-
belangrijk, want in de beginfase, toen Nicky net was gevonden, zijn er
door de recherche grove, niet terug te draaien fouten gemaakt. Inmid-
dels zit geloof ik ook al de vijfde officier van justitie op de zaak en hoe-
wel de recherche er na een slechte start alles aan heeft gedaan om de
dood van het 11-jarig scholiertje op te helderen, heeft dat de zaak na-
tuurlijk geen goed gedaan. Het Openbaar Ministerie in Maastricht
was dan ook bepaald niet happig om de dossiers op tafel te leggen
toen wij daarom vroegen. Er heeft de afgelopen anderhalf jaar het no-

– 109 –
dige getouwtrek plaatsgevonden tussen Maastricht en Amsterdam en
slechts met mondjesmaat werden er gegevens verstrekt, meestal pas
als door de advocaat een dreigende toon was aangeslagen. Ondertus-
sen verstreken dan wel weken en maanden, want direct gereageerd of
teruggebeld werd er nooit. Plechtige beloften waren er in de afgelo-
pen jaren genoeg, maar harde bewijzen van goede wil maar hoogst
zelden.

We hebben in de loop der tijd van alles geprobeerd om de zaak vlot te


trekken. De koningin is aangeschreven door Peter en Berthie, zelfs de
navo met de vraag of satellieten boven het (militaire) gebied op de
Brunsummerheide op het moment van de moord toevallig foto’s had-
den gemaakt. De kans op succes was uiterst klein, maar bij gebrek aan
houvast werd elk strohalmpje vastgepakt. Nooit kwam er een antwoord
terug waarmee de zaak kon worden opengebroken. We hebben – soms
tegen beter weten in – tientallen onwaarschijnlijke tips nagetrokken,
zijn in huizen van bewaring bij gedetineerden langs geweest en heb-
ben talloze brainstormsessies bij de advocaat op kantoor gehad, waarbij
we alle mogelijkheden en theorieën keer op keer doornamen.

Afgelopen week stond er in het kantoor van mr. Benedicte Ficq weer
zo’n bijeenkomst met Peter en Berthie Verstappen in de agenda. Niet
omdat we íéts te bespreken hadden, maar eigenlijk – wrang gezegd –
omdat we níéts te bespreken hadden. ‘Ik vrees dat de mogelijkheden
zijn uitgeput,’ zei Bendicte Ficq somber. ‘We hebben alles gedaan en
geprobeerd... Ik weet werkelijk niet wat we nu nog zouden kunnen
doen. We zijn uitgeput in onze mogelijkheden. Ik vind het vreselijk
om te moeten zeggen, maar zo ligt het...’ Ze maakte een machteloos,
verontschuldigend gebaar. Bij Berthie, van wie ik weet hoe ze ge-
kweld en gepijnigd wordt door de onopgeloste dood van haar zoon,
zag ik de tranen opwellen. Peter Verstappen, die elke dag het graf van
zijn oogappel bezoekt, keek als verdoofd voor zich uit. Het was even
stil in de advocatenkamer... maar toen keken ze alledrie in mijn rich-
ting. Wist ik misschien nog iets, vroegen hun ogen. Ik schudde mijn
hoofd. Nee... ik wist het ook niet meer. Alles, ja alles was inderdaad
geprobeerd. Hoe kan het nou toch, zo vroeg ik me hardop af, dat de
zaak niet is opgelost, ondanks al het speurwerk en de recordbelo-
ning? Al pratende kwam ik op het antwoord: het enige waar het ons

– 110 –
steeds aan ontbroken heeft in al die jaren, is dat kleine beetje geluk
geweest. Nooit zat het eens echt mee, nooit kwam die ene gouden tip,
die ene getuige die iets bijzonders had gezien, dat ene technische
spoortje. Dat ene gelukje waardoor geen enkele moordzaak wordt op-
gelost als dat ontbreekt. En daarom vraag ik u nu, als een soort laatste
redmiddel, mede namens de radeloze ouders van Nicky: alstublieft,
alstublieft, bezorg ons dat ene gelukje...

– 111 –
Uit liefde voor de prinses

De meest vileine, doortrapte zin die ik de afgelopen jaren heb ge-


hoord, komt niet uit de mond van een doorgewinterde crimineel, of
van een slinkse advocaat, maar is uitgesproken door de woordvoerder
van de Rijksvoorlichtingsdienst. Dit naar aanleiding van de gerucht-
makende serie ‘Oranjebitter’, in weekblad hp/De Tijd waarin de in
ongenade gevallen prinses Margarita en haar echtgenoot Edwin de
Roy van Zuydewijn in 2003 pikante onthullingen deden over ons ko-
ningshuis. Die zin luidt als volgt:

Uit liefde voor Prinses Margarita geeft de Koninklijke familie geen


reactie op de beschuldigingen die de dochter van Prinses Irene heeft
geuit in hp/De Tijd.

Uit liefde voor prinses Margarita... Wie zei er ook alweer dat de leu-
gen regeert?
In werkelijkheid betekent dit zinnetje dat men Margarita het liefst
met de krankzinnigheidsverklaring van een toegewijde hofarts voor
de rest van haar leven in een dwangbuis in een verlaten paleisvleugel
had opgesloten. Uit liefde voor prinses Margarita... Ja, men had haar
graag doodgeknuffeld. Uit liefde voor prinses Margarita... O, wat
heeft men heimwee naar de tijden dat dit uitgedrukt kon worden met
een lepeltje arsenicum in de royal tea en anders wel met een levens-
lange verbanning naar een uithoek in onze koloniën. Uit liefde voor
prinses Margarita... als blikken konden doden in de koninklijke fami-
lie, waren de prinses en haar geliefde allang geleden geëvaporeerd.
Uit liefde voor prinses Margarita... is karaktermoord op haar echtge-
noot natuurlijk geoorloofd, nee sterker nog, noodzakelijk.

Het hangt er misschien van af welke krant je leest, maar persoonlijk


mag ik die Edwin de Roy van Zuydewijn wel. Hij is intelligent, heeft
lef en gaat dwars door de vermolmde hofetiquette heen. Daar houd ik

– 112 –
wel van. De man is een doorzetter die zich door niemand de mond laat
snoeren en als het moet ook lak heeft aan zijn tante, de koningin. En
hoewel hij en prinses Margarita aanvankelijk werden afgeschilderd als
een stel paranoïde huilebalken, wijs ik er toch maar even op dat ze op
vrijwel alle punten gelijk hebben gekregen. Ondanks plechtige ontken-
ningen was er wel degelijk een bvd-onderzoek naar hen ingesteld. On-
danks plechtige ontkenningen was er wel degelijk informatie van de
sociale dienst gelekt naar de vader van Margarita. Nog even en er zal
ook wel duidelijk worden dat er hier en daar toch gesprekjes zijn afge-
luisterd – al dan niet via een ‘schroef’ in de muur – wat nu nog plechtig
wordt ontkend. Maar, zo dacht men aan het hof natuurlijk: uit liefde
voor prinses Margarita zijn een paar klinkklare leugens geoorloofd. Ik
zie helemaal voor me hoe de koude oorlog tegen dit stel is gevoerd. Het
zijn in koninklijke families de spelletjes die men als geen ander be-
heerst. Virtuoos bijna. In welgekozen formuleringen zeggen wat je
voor geen meter meent: uit liefde voor prinses Margarita...

Natuurlijk is het waar dat men het paar heeft dwarsgezeten, gesard en
zwart heeft gemaakt. Uit liefde voor prinses Margarita heeft men
journalisten zogenaamde pikante primeurtjes (‘De Roy van Zuyde-
wijn verkeert in financiële problemen’) ingefluisterd, die ervoor zorg-
den dat er links en rechts deuren dichtsloegen en zij personae non
grata werden. De Roy van Zuydewijn werd afgeschilderd als nep-ba-
ron, wanbetaler en zelfs zijn doctorstitel werd in twijfel getrokken, in
de meeste gevallen zonder een flinter van bewijs. Hoe doeltreffend de
‘Oranjecampagne’ werkte, bleek wel toen de advocaat van Edwin en
Margarita, professor mr. Slagter, bekendmaakte ‘een zaak’ tegen hof
en staat te beginnen. Uit liefde voor prinses Margarita werd hem door
zijn geachte confrères direct de wacht aangezegd en moest hij zijn
kantoor ontruimen. Zo werkt dat.

Het meest lachwekkende vond ik nog dat de jeugdzondes van Edwin


werden uitgemeten. Om aan te tonen dat hij geen geschikte partij was
voor Margarita werd aangevoerd dat hij in zijn tienerjaren een inslui-
ping in een sportkantine op zijn geweten had. Met als waarschijnlijke
buit een Marsreep, een zak chips en een lekke trainingsbal, maar dat
verhinderde niet dat hij bijna als een draaideurcrimineel werd afge-
schilderd. Dit alles uit liefde voor prinses Margarita uiteraard...

– 113 –
Iemand met zo’n verleden, dat kan toch niet, was de suggestie die
daarvan uitging. Nou, het tegendeel is waar. Er is bijna geen betere
aanbeveling denkbaar voor het Oranje-huis, zou ik haast zeggen. In
een dynastie, waarvan de fundamenten zijn gelegd door voorvaderen
die, laat ik het mild formuleren, altijd hun eigen uitleg aan de tien
geboden gaven, is zo’n kruimeldiefverleden natuurlijk nooit een se-
rieus beletsel. En voor wie daaraan twijfelt, citeer ik nog maar even
paus Gregorius vii, toen deze een conflict had met de Duitse keizer
Hendrik vi: ‘Wie weet niet dat keizers, koningen en hertogen allen af-
stammen van misdadigers en dat hun rijkdom en macht berusten op
door misdaad verkregen goederen?’ En zo is het maar net.

Uit liefde voor prinses Margarita... De leugen regeert. Aan ons Oran-
jehof.

– 114 –
Ik heb een alibi!

Behalve misdaadverslaggever ben ik ook Bekende Nederlander, ofwel


bn’er. In het prille begin vond ik het wel mooi dat mensen elkaar aan-
stootten en zeiden: ‘Hé kijk, daar hebbie die misdaadjournalist.’ Dat
ze me toen ook regelmatig voor Pieter Storms uitmaakten, nam ik op
de koop toe. Inmiddels, zo kan ik u vertellen, komt het me vaak de
neus uit en verlang ik terug naar de tijd dat ik overal kon binnenstap-
pen zonder dat alle hoofden zich abrupt omdraaien en er een druk
gefluister begint. Tegenwoordig word ik zelfs aan mijn stem herkend.
Als ik me in een telefoongesprek neutraal voorstel als ‘De Vries’ (wat
toch de meest voorkomende naam van Nederland is), blijft het negen
van de tien keer aan de andere kant even stil (denkpauze) en klinkt
het vervolgens: ‘Toch niet Peter R.?’

In het voetbalstadion werd ik onlangs tijdens de wedstrijd (!) op mijn


rug getikt door een man die twee rijen achter mij zat en zwaar leu-
nend op de toeschouwer voor hem mij een mobiele telefoon aanreik-
te. Ik keek hem verbaasd aan: wat was de bedoeling? ‘Mijn vrouw is
een enorme fan van je,’ schreeuwde hij boven het voetbalgejoel uit.
‘Ze gelooft nooit dat jij hier voor me zit... zou je iets tegen haar kun-
nen zeggen?’

En als ik op reis ben, liggen mijn reisgenoten in een deuk om de me-


depassagiers die schijnbaar achteloos de omgeving staan te filmen,
maar ondertussen verwoede pogingen doen mij in de zoeker te krij-
gen. Dit valt vooral op bij interessante locaties als de bagageband, bij
de toiletten of de rij voor de paspoortcontrole. Als men het gewoon
vraagt, werk ik mee, maar aan dat stiekeme gedoe heb ik een hekel. Ik
heb er dan ook een feilloos gevoel voor ontwikkeld om mijn rug naar
de camera toe te draaien juist als deze naar mij toe zwenkt en te doen
alsof ik niets in de gaten heb.

– 115 –
Overal zijn Nederlanders op de wereld, weet ik inmiddels wel, en je
kunt je dus nergens misdragen. Een paar jaar geleden was ik voor een
reportage in Caïro in verband met de moord op de Amsterdamse
Karin Maarleveld. Haar moordenaar was naar zijn geboorteland ge-
vlucht, waar wij hem opspoorden. Toen de missie was geslaagd, was
het tijd voor wat ontspanning en ’s avonds laat liep ik met collega
Kees van der Spek een kashba in. Via vele kruipdoor-sluipdoorwegge-
tjes, markten en winkeltjes, kwamen we in een achteraf-zaakje te-
recht waar je waterpijp kon roken. ‘Zullen we dat eens doen?’ stelde
Kees voor. Ach welja, even lekker gek doen in een ver land! En even
later lurkte ik – niet-roker van het jaar 2001 – lachend aan een water-
pijp. Op dat moment werd het gordijn opengetrokken en stond daar
een blonde vrouw, die verbouwereerd en in plat Amsterdams uit-
schreeuwde: ‘Nou zeg, kijk-nou-es, daar zit Peter R. de Vries!’

Niets ontgaat de mensen. Als ik – toevallig – een keer over de Wallen


in Amsterdam wandel, word ik de volgende dag door zeker drie men-
sen gebeld die mij met quasi-plagerige stem en vet gegrinnik vragen:
‘Wat hoor ik nou? Was je in de warme buurt gisteren?’

En als ik naar de sauna ga, leidt dat ook altijd tot speciale aandacht.
Eerst de blik van herkenning en dan zakken de ogen meteen nieuws-
gierig en met het oog van een keurmeester naar... eh... heuphoogte,
want men moet thuis natuurlijk wel een duidelijk ‘signalement’ kun-
nen geven. Meestal kijkt men elkaar daarna met een bepaalde blik
weer aan, die ik niet verder zal beschrijven omdat ik hier geen recla-
me voor mezelf wil maken... (In het ijskoude dompelbad ga ik nooit,
ik wil ook weer niet dat de ‘getuigen’ een verkeerde indruk krijgen als
ik er net uitkom.)

Als ik bij de dokter een inenting moet halen, doen de assistentes dat
giechelend en blozend. En ik wéét gewoon dat ze ’s avonds thuis aan
tafel zeggen, alsof het om een bijzondere onthulling gaat: ‘Raad nou
eens wie ík vandaag een prik in z’n kont heb gegeven?’ Het hoort bij
het Bekende Nederlanderschap.

Nu zijn dat natuurlijk maar incidenten, zult u zeggen, maar ik verze-


ker u: elke week heb je er wel een paar van dit kaliber waar je jezelf

– 116 –
hoogst ongemakkelijk onder voelt. En dan heb ik het nog maar niet
over de mensen die je toevallig tegenkomt en die er nadrukkelijk blijk
van geven dat ze je echt wel hebben herkend. En dan, alsof ze ter plek-
ke een lumineuze inval hebben, roepen: ‘Nou, ik heb een alibi
hoor...!’ Uit angst dat ik het misschien toch niet gehoord heb wordt
dat vervolgens nog drie keer herhaald, eer ze schaterend om hun ei-
gen spitsvondigheid weglopen. Ik schat dat ik dat de afgelopen acht
jaar zo’n 57.000 keer heb meegemaakt...

– 117 –
De lange arm der wet

Heineken-ontvoerder Frans Meijer is weer thuis. Achttien jaar nadat


hij Nederland ontvluchtte en bijna tien jaar nadat ik hem in een bui-
tenwijk van Asunción in Paraguay ontdekte, landde hij op zondag 30
maart 2003 op Schiphol om het restant van zijn straf uit te zitten. Het
is dan op zeven maanden na twintig jaar geleden dat Alfred Heineken
en zijn chauffeur Ab Doderer werden ontvoerd. Er is een generatie in
Nederland bij gekomen die niets van het meest geruchtmakende mis-
drijf aller tijden af weet. Alfred Heineken is inmiddels overleden.
Hoofddader Cor van Hout, de boezemvriend van Meijer, is onlangs in
Amstelveen geliquideerd. Er is veel veranderd in de jaren dat Meijer,
bijgenaamd ‘Stekel’, is weggeweest. Het enige wat ongewijzigd is ge-
bleven, is zijn vonnis van twaalf jaar cel, waarvan justitie nu wil dat
hij het staartje – zo’n twee jaar – nog uitzit.

‘Ach, de arm der wet is lang en geduldig,’ zei de Amsterdamse recher-


chechef Henk Terhaar laconiek tegen mij, toen Meijer na slechts een
jaar vastgezeten te hebben ontsnapte en ik hem vroeg of hij ervan uit-
ging dat de Heineken-ontvoerder ooit nog opgespoord zou worden.
Commissaris Terhaar is allang met pensioen, maar ik ben zijn woor-
den niet vergeten. Hij heeft gelijk gekregen.

Dat Frans Meijer er uiteindelijk voor heeft gekozen zijn verzet tegen
de uitlevering te staken, heeft mij nogal verrast. Zijn geloof in God,
heimwee naar Amsterdam en de moord op ‘bloedgabber’ Cor van
Hout zouden hem het laatste zetje hebben gegeven, zo verklaarde hij.
Volgens gevangenisdominee Joop Spoor, met wie hij een innige band
heeft opgebouwd, zou hij pas echt berouw kunnen tonen als hij terug
zou keren in Nederland. Het is Meijer zijn eigen beslissing uiteraard,
maar ik voorspel dat hij binnen een maand spijt heeft van deze stap.
In de Paraguayaanse gevangenis had hij het – ondanks de nogal opge-
pompte berichtgeving in de media – zo slecht nog niet. Hij mocht

– 118 –
elke dag bezoek van zijn vrouw en kinderen ontvangen, eten binnen
laten komen en hij had zelfs een mobiele telefoon in zijn cel. In Ne-
derland is van dat alles geen sprake en krijgt hij één – streng afgeme-
ten – bezoekuurtje per week. En waar staat in de bijbel, dominee
Spoor, dat je eerst terug moeten keren naar de ‘plaats delict’ wil je be-
rouw door God serieus genomen worden?

Ik heb Frans Meijer zelf recent telefonisch een keer gesproken. Dat was
een bijzonder gesprek, want nadat ik hem in 1994 in Paraguay op zijn
schouder tikte en vroeg: ‘Hallo, Frans.... Hoe gaat het met je?’ had ik
nooit meer contact met hem gehad. Cor van Hout had er kort voor zijn
dood persoonlijk voor gezorgd dat Meijer mij te woord wilde staan: ik
kon hem rechtstreeks bellen. Ik was wel benieuwd hoe het gesprek zou
verlopen. Goed beschouwd was ik de aanstichter van de ellendige om-
standigheden waarin hij nu al jaren verkeerde. Door mij zat hij al jaren-
lang in uitleveringsdetentie. Door mij was hij gescheiden van vrouw en
kinderen. Er is weinig inlevingsvermogen voor nodig om te beseffen dat
ik niet de populairste persoon uit zijn leven ben, maar aan de stem van
Meijer was dat niet te merken toen ik hem sprak. Het was wel een bij-
zonder, soms merkwaardig gesprek. Frans sprak nogal onsamenhan-
gend en sprong van de hak op de tak, in vaak slecht Nederlands. Na een
aanloopje hadden we het ook over De Dag die hij sinds zijn ontsnapping
uit het Pieter Baan Centrum in 1985 altijd had gevreesd. De dag die mij
een van de grootste scoops uit mijn loopbaan bezorgde. Dat ging zo:

Ik: ‘Wat dacht je nou, toen ik in 1994 ineens daar achter je stond?’
Meijer: ‘Huhuh.’
Ik: ‘Zie je dat moment nog voor je?’
Meijer: ‘Ja, ik dacht, nu is het afgelopen... ik wist toen eigenlijk niet
wie je was, maar ik begreep het... Maar je hebt me wel in de bossen
laten lopen met mensen achter me aan, met politiemensen, met In-
terpol, hele toestanden.’
Ik: ‘Dat was het gevolg ervan?’
Meijer: ‘Ja, jaren van vluchten, ja, van echt in de jungle zitten.’
Ik: ‘Heb je toen ik daar was overwogen om te voorkomen dat ik iets
met het verhaal kon doen?’
Meijer: ‘Nee, ik ben een vrij mens. Jij bent ook een vrij mens. Ik
spreek nu ook met je omdat ik helemaal niets tegen je heb.’

– 119 –
Ik: ‘Geen rancune?’
Meijer: ‘Nee, het leven gaat door.’
Ik: ‘Is het zo simpel allemaal?’
Meijer: ‘Ja, maar wat vind jij ervan?’
Ik: ‘Nou, ik wil in ieder geval als je je straf hebt uitgezeten in Amster-
dam nog wel een keer met je praten over alles wat er de afgelopen ja-
ren gebeurd is.’
Meijer: ‘Nou, dat vind ik heel netjes. Dat zal ik zeker doen.’
Ik: ‘Werkelijk?’
Meijer: ‘Ja... waarom ook niet.’

– 120 –
Het mysterie rond de dood van
Arno Betist

Dagelijks bereiken mij per mail, post en telefoon verzoeken om hulp of


advies. Elke brief lees ik zelf en veel van de opbellers sta ik te woord.
Meestal voel ik wel snel aan of een relaas iets is of niet. Vijfentwintig
jaar ervaring als misdaadverslaggever zijn daarbij een welkome hulp.
De kortste brieven zijn vaak de beste, zo weet ik, mensen die veertien
dicht beschreven schoolschriftblaadjes nodig hebben en in de kantlijn
nog wat aanvullingen krabbelen, hebben ondanks deze lengte meestal
minder ‘verhaal’. En toch... toch word ik – ook na 25 jaar – nog regelma-
tig overvallen door twijfel. Mijn grootste angst bij het beoordelen van
brieven en telefoontjes is dat ik een heuse scoop over het hoofd zie,
omdat ik misschien te ongeduldig ben, te routinematig te werk ga, me
laat leiden door onbewuste vooroordelen of bijvoorbeeld niet door de
onbeholpen formuleringen heen lees. Intuïtie, kennis en ervaring zijn
een aardig kompas, maar wijzen je niet altijd de juiste weg.

Zo kreeg ik een halfjaar geleden een brief van de 23-jarige Rosetta J.,
over de merkwaardige dood van haar vriend Arno Betist uit Hellevoet-
sluis. De toen 21-jarige Arno was na een nacht stappen en enig (niet
overmatig!) alcohol- en drugsgebruik dood gevonden in de woning van
de 43-jarige Huib K., met wie hij de laatste tijd veel optrok. Dat was een
merkwaardige relatie. De veel oudere K. drong zich op, gedroeg zich als
een twintiger, wilde mee naar feesten, vertelde sterke verhalen, was ja-
loers en rommelde ook in cocaïne, anabolen en xtc. Rosetta had over
zijn aanwezigheid nooit zo’n goed gevoel gehad, maar K. kon nogal
dwingend en overtuigend zijn en ach, haar boomlange en beresterke
Arno liep natuurlijk ook niet in zeven sloten tegelijk. Maar toen zij op
zaterdagmiddag 29 december 2001 bij Huib K. haar vriend wilde opha-
len, werd zij geconfronteerd met een vreemd tafereel. Beiden lagen op
de bank. Uit te slapen van een lange nacht stappen, beweerde K. Maar
Rosetta zag direct dat er iets mis was: haar vriend Arno zag blauw en
was koud. Hij was dood. Een gezonde vent van 21 jaar.

– 121 –
De politie nam aan dat hij na een drugsparty was ‘weggeflipt’ en deed
niet of nauwelijks onderzoek. Sectie werd niet verricht, er werd zelfs
geen bloed afgenomen. Huib K. werd even als getuige gehoord, maar
meer ook niet. Huiszoeking bleef achterwege. Pas na de begrafenis
realiseerde Rosetta zich dat Huib K. in gesprekken wel eens had op-
geschept dat hij in staat was om een perfecte moord te plegen. Ze had
dat toen als grootspraak gezien. Ze herinnerde zich ook zijn stoïcijn-
se, ongeëmotioneerde en haast ongeïnteresseerde gedrag nadat ze
had ontdekt dat haar vriend dood was. Is dat een normale reactie als je
echt van niets weet? Ze wist dat K.’s naam werd genoemd in verband
met inbraken, brandstichtingen, drugshandel en dubieuze contacten.
Dit alles zorgde ervoor dat Rosetta mij schreef dat ze vermoedde dat
Huib K. haar vriend had vermoord en door een gebrekkig onderzoek
de dans dreigde te ontspringen.

Ik belde Rosetta op en hoorde het verhaal aan. Ik was een beetje scep-
tisch, eerlijk gezegd. Ik zag het motief niet en K. mocht dan een rare
snuiter zijn die zich als veertiger inliet met jeugd die zijn kinderen
hadden kunnen zijn, maar daarom ben je nog niet meteen een moor-
denaar. En het gebeurt natuurlijk wel vaker dat er op party’s een ver-
keerd pilletje wordt geslikt. Ik beloofde Rosetta niettemin dat ik Huib
K. eens na zou trekken. Hij was volgens haar bij veel misdaden be-
trokken geweest en dat moest te verifiëren zijn. Uit dat onderzoekje
rolde echter nauwelijks iets relevants en ik begon daarom een beetje
te denken dat Rosetta zich mogelijk niet bij de tragische, onnodige
dood van haar vriend kon neerleggen en het voor de verwerking nodig
had iemand de schuld daarvan te geven: de excentrieke K. Ik liet haar
weten niet veel meer te kunnen doen, nu de eerste research niets tast-
baars had opgeleverd.

Kort daarop kreeg ik een nieuwe brief van Rosetta, die mij beleefd,
maar ook ondubbelzinnig schreef: ‘Ik twijfel echt niet aan uw des-
kundigheid, maar ik zeg wel dat er iets helemaal niet klopt. Huib K. is
slim, levensgevaarlijk en weet hoe hij uit handen van de politie moet
blijven. Geloof me, hij leidt iedereen om de tuin en gaat gewoon door
met zijn misdaden.’ De kwestie gaf me weliswaar een onbehaaglijk
gevoel, maar uiteindelijk kon ik er niets mee en ik sloot het dossier.

– 122 –
Half januari van dit jaar kreeg ik weer bericht van Rosetta. In de Rot-
terdamse wijk Charlois was de 52-jarige juwelier Jean Chouiki ver-
moord in zijn zaak. De dader had hem beestachtig afgetuigd, de sche-
del ingeslagen en geprobeerd de winkel in brand te steken om alle
sporen uit te wissen. ‘Weet u wie er voor gearresteerd is?’ schreef ze.
Inderdaad: het was Huib K. uit Hellevoetsluis. ‘Gelooft u nu wel dat
ik gelijk heb?’ vroeg Rosetta...

Naschrift: Huib K. verklaarde na zijn aanhouding dat de moord op


de juwelier verband hield met een mislukte heroïnedeal. Hij zou en-
kele tientallen kilo’s aan Jean Chouiki hebben geleverd, die nooit be-
taald waren. Daarvoor kwam hij verhaal halen, naar zijn zeggen, en
liep alles uit de hand. Politie en justitie namen dit verhaal niet serieus
en gingen uit van een roofmoord, waarbij de heer Chouiki zich heftig
heeft verzet. Nog voor Huib K. voor de moord op de juwelier terecht
moest staan, pleegde hij op 24 juni 2003 in zijn cel in het Rotterdam-
se huis van bewaring zelfmoord door zichzelf op te hangen. Het is
nooit duidelijk geworden of hij in het overlijden van Arno Betist op
een of andere manier de hand heeft gehad.

– 123 –
Van enig misdrijf is niet gebleken...

Bestaat de perfecte moord? Het wordt me dikwijls gevraagd en als ik


het beaam, hangt men meestal aan mijn lippen voor een handvol
smeuïge voorbeelden. Maar het kenmerk van een perfecte moord is
nu juist dat hij perfect is en dus weten wij er niks van af! Het betekent
in de praktijk dat het stoffelijk overschot nooit is gevonden, of dat het
wel is aangetroffen, maar dat de recherche geen misdrijf heeft gecon-
stateerd en het overlijden heeft afgedaan als een natuurlijke dood,
een ongeluk of zelfmoord. Aantallen zou ik niet durven noemen,
maar omdat sommige daders jaren later wel eens alsnog hun misdrijf
bekennen, of andere bij latere, nieuwe delicten een foutje maken,
weten we dat een perfecte moord geen illusie van op hol geslagen de-
tectiveschrijvers is.

In de vorige column beschreef ik de merkwaardige dood van Arno


Betist uit Hellevoetsluis, die na een party niet meer wakker werd op
de bank bij zijn twintig jaar oudere stapvriend Huib K. Dit bleek een
dubieuze figuur, die later werd gepakt voor een roofmoord op een ju-
welier in Rotterdam en uiteindelijk in zijn cel zelfmoord pleegde. Op
het lijk van Arno was echter geen sectie verricht. Er was geen bloed af-
genomen en getuigen waren niet of nauwelijks gehoord. Ik kan me
niet aan de indruk onttrekken dat men soms tamelijk lichtvaardig
oordeelt dat er geen misdrijf in het spel is. Ik ontvang zeker een keer
per maand een brief van nabestaanden die zo’n zaak bij mij aankaar-
ten en om nader onderzoek vragen. Ik sta dan regelmatig versteld hoe
snel de politie alles opruimt en tot de orde van de dag overgaat.

Zo werd ik afgelopen week benaderd door de moeder van de 21-jarige


Nathalie Janssen uit Landgraaf. Haar dochter was dood op het toilet
bij een vriend aangetroffen. Opvallend was dat er nogal wat bloed
werd aangetroffen. Maar de politie trok de conclusie dat er sprake was
van een overdosis drugs. Toen de familie op het politiebureau kwam

– 124 –
en vroeg of er sectie was verricht en of de drugs waren onderzocht,
werd ze eerst van het kastje naar de muur gestuurd. Vervolgens kre-
gen zij later te horen dat er geen sectie had plaatsgevonden, maar wel
een bloedonderzoek. Voor de uitslag moest ze met de officier van jus-
titie bellen. Deze liet vervolgens na veel heen en weer bellen weten
dat er helemaal geen bloed geprikt was. Maar niettemin stond voor
hem vast dat het hier een overdosis betrof en er geen rechercheonder-
zoek nodig was. ‘Van enig misdrijf is niet gebleken,’ zo luidt de stan-
daardzin bij justitie waarmee men in dit soort zaken de dossiers sluit.

De moeder van Nathalie betwijfelt dat zeer. Ze wees mij erop dat haar
dochter nog maar kort geleden in het nieuws was geweest toen ze van
haar vrijheid was beroofd door twee ‘vrienden’, ene Alex en Tony. Om-
dat ze iets ‘te bijdehand’ was geweest, had dit duo haar drie dagen ge-
gijzeld in een kelder en haar de hoofdrol gegeven in wat een vijfster-
ren-horrorfilm had kunnen zijn. Zij hadden Nathalie niet alleen flink
geslagen, maar ook gedreigd één van haar vingers af te snijden. Ze
mocht zelf ‘kiezen’ welke... terwijl ondertussen met veel misbaar een
groot mes werd geslepen. Het gebeurde uiteindelijk niet, maar de
dreiging was niet minder beangstigend. Daarna kwamen Tony en
Alex met een jankende cirkelzaag op haar af en zou een van haar han-
den worden geamputeerd. Omdat de twee mannen stijf stonden van
de drugs was het voor Nathalie volkomen ongewis of het werkelijk
zou gebeuren of niet. De twee waren er doorgedraaid genoeg voor.
Uiteindelijk nam het tweetal haar in de auto mee naar België. Ze
hoorde hen onderweg bespreken dat haar hoofd er afgehakt zou wor-
den, maar niet voordat haar ogen, oren en tong verwijderd waren. Ter
plekke aangekomen moest Nathalie zelf haar graf graven, terwijl de
twee toekeken en lugubere toespelingen maakten over het afgrijselij-
ke lot dat haar stond te wachten. Nathalie ontsnapte aan de dood toen
de gedrogeerde Tony en Alex een ufo (!) meenden te zien en even af-
geleid waren. Nathalie wist te vluchten en de politie te waarschuwen.
De twee mannen werden afgelopen februari door de rechtbank in
Maastricht veroordeeld.

De getraumatiseerde Nathalie kwam vervolgens in aanraking met ene


B. In zijn huis is ze ook dood gevonden. Deze B. behoorde tot de
vriendenperiferie van de veroordeelde Alex en Tony en dat zorgt er

– 125 –
mede voor dat de moeder van Nathalie argwaan heeft. Nadat haar
dochter dood was gevonden had B. gezegd dat er geen spullen van
Nathalie meer in zijn huis lagen, maar later werden er toch nog een
handtas, telefoon en bankpas aangetroffen. Inmiddels is het te laat
om alsnog nader onderzoek te doen. Nathalie is gecremeerd en alle
eventuele sporen zijn daarmee gewist. Ik zeg hier niet dat zij is ver-
moord, absoluut niet. Maar ik zeg wel dat er – gezien haar verleden –
veel meer onderzoek naar haar dood had moeten plaatsvinden. Als je
zegt dat ‘van enig misdrijf niet is gebleken’, moet je er wel eerst be-
hoorlijk naar hebben gekeken!

– 126 –
Twaalf jaar is 4.380 dagen

Hebben wij in Nederland eersterangs en tweederangs burgers? Is in


ons land het ene mensenleven meer waar dan het andere? Is het leven
van een captain of industry, een bekende kunstenaar of een toekom-
stig minister-president meer waard dan het leven van een werkloze,
een prostituee of een kind? Ik vind van niet. Klassenjustitie is bijna
erger dan misdaad zelf. En dat vormt de voornaamste reden dat ik mij
uitstekend kan vinden in het oordeel van de Amsterdamse rechtbank
die Volkert van der G. in het voorjaar van 2003 voor de moord op
lijstrekker Pim Fortuyn heeft veroordeeld tot achttien jaar celstraf,
waarvan hij er daadwerkelijk twaalf moet zitten.

Ieder mens is gelijk in mijn optiek en het verdriet van nabestaanden


wordt ook niet kleiner of groter als hun kind of ouder een maatschap-
pelijke zwaargewicht was of niet. Volkert van der G. heeft een afschu-
welijk, verwerpelijk misdrijf gepleegd en heeft daar een naar Neder-
landse begrippen zware straf voor gekregen. Voor een enkelvoudige
moord wordt vrijwel nooit levenslang gegeven en de rechtbank in
Amsterdam heeft in mijn ogen terecht aan dit uitgangspunt vastge-
houden. Ons recht is gebaseerd op gelijkheid, niet op voorkeur, wille-
keur of emotie. Hoewel elke zaak verschillend is, moet er toch een be-
paalde ‘lijn’ – zeg maar een bepaalde consequentheid – in de
bestraffing van daders zichtbaar blijven.

Ik heb in mijn loopbaan heel veel contacten gehad met ouders van
vermoorde kinderen en kinderen van vermoorde ouders. Deze mis-
drijven waren bepaald niet minder afschuwelijk dan de moord op
Pim Fortuyn, integendeel zelfs in sommige gevallen. Ik zou deze
ouders en kinderen niet kunnen uitleggen waarom de dader van dat
misdrijf is veroordeeld tot negen, elf, veertien of zestien jaar en Vol-
kert van der G. ineens levenslang krijgt... Dat zou pas onrecht zijn.

– 127 –
Natuurlijk kun je je afvragen of de straffen voor moord en doodslag in
zijn algemeenheid wel hoog genoeg zijn. Maar dat is een andere dis-
cussie en een vraag die men zich veel eerder had moeten stellen. Het-
zelfde geldt voor de verontwaardiging die de kop opstak toen (weer
eens) in het nieuws kwam dat eenderde deel van de opgelegde straf in
mindering wordt gebracht op de werkelijk uit te zitten tijd (achttien
jaar is twaalf jaar). De Haagse politici die hier ineens over op de publi-
citaire trom sloegen verdienen een paar harde zweepslagen, want dit
is een praktijk die al tientallen jaren geldt en waar de rechters ook re-
kening mee houden. Als men wil dat iemand zes jaar zit, wordt hij tot
negen jaar veroordeeld, zo simpel is dat. En als men daar zoveel be-
zwaar tegen heeft, waarom hebben deze volksvertegenwoordigers
dan kabinet na kabinet verzuimd daar verandering in aan te brengen?
Politieke verontwaardiging gaat vaak samen met een selectief geheu-
gen en een gebrek aan daadkracht, zo blijkt wel weer.

En twaalf jaar daadwerkelijk zitten is ook weer niet zo’n peulenschil-


letje als veel mensen denken. Dat is 4.380 dagen, waarin je niet of
nauwelijks zeggenschap over jezelf hebt. Zeshonderdvierentwintig
weken lang. Weet u nog wat u de afgelopen twaalf jaar allemaal hebt
gedaan? Waar u op vakantie bent geweest? Kunt u opnoemen wie er
met voetballen landskampioen werden of de Champions League
wonnen? Wedden van niet? Ga ook eens na hoe vaak u de afgelopen
twaalf jaar seks hebt gehad en dronken bent geweest. Hoe vaak u bent
verhuisd of van baan veranderd. Wat u twaalf keer met de kerstdagen
en oud en nieuw hebt gedaan. Twaalf jaar lijkt misschien niet veel,
maar is feitelijk onoverzienbaar lang. In twaalf jaar doorlopen je kin-
deren de gehele lagere school en de middelbare school. Het zijn 4.380
dagen waarin je wordt gecommandeerd. Het zijn 4.380 dagen waarin
je vrouw en kind – die onschuldig waren – vele vernederingen moe-
ten slikken als ze één keer per week een uurtje op bezoek komen. Om
over het gepest op school en de vernietigende blikken in de buurt
maar te zwijgen. Het zijn 4.380 dagen waarin je langzaam maar ze-
ker ‘bajesmaf’ wordt, want ik heb nog nooit iemand na zo’n lange tijd
geestelijk verkwikt naar buiten zien komen. Tegen mensen die den-
ken dat het allemaal wel meevalt, zeg ik wel eens: ga eens drie weken
– langer hoeft echt niet – met een paar goede vrienden in een iets te
klein en gehorig vakantiehuisje zitten, terwijl het slecht weer is. Je

– 128 –
mag doen wat je wilt, lekker eten en drinken, spelletjes, tv-kijken en
bezoek ontvangen. Je mag alleen niet naar buiten. Nou, geloof me:
binnen drie weken is de spanning om te snijden, komen de muren op
je af en is de kans groot dat je elkaar nóóit meer wilt zien. In de gevan-
genis vergaat het Volkert twaalf jaar lang zo – en die zit niet met vrien-
den.

Wie mij hier, na deze uiteenzetting, denkt te betrappen op medelijden


met Volkert van der G. vergist zich. De man heeft zijn daad willens en
wetens uitgevoerd en moet van mij tot de laatste dag krijgen wat daar
op staat. Maar ook niet meer dan dat...

Naschrift: Volkert van der G. is ook in hoger beroep tot achttien jaar
cel veroordeeld. De straf is inmiddels onherroepelijk.

– 129 –
De moord op Wilma Bress – miss Lovett

Een poosje geleden heb ik eens een top tien samengesteld van moor-
den die ik het liefste opgelost zou zien. Op zich gun ik natuurlijk alle
nabestaanden evenveel dat het levensdelict op hun dierbaren wordt
opgehelderd, maar doordat ik veel aan een bepaalde zaak heb ge-
werkt, of de achterblijvers goed heb leren kennen, heb ik onwillekeu-
rig toch een voorkeur ontwikkeld op basis waarvan de top tien tot
stand is gekomen. Een aantal ervan kunt u wel raden: de moord op
Nicky Verstappen in het Limburgse Heibloem, Andrea Luten in het
Drentse Ruinen en Marianne Vaatstra in het Friese Veenklooster bij-
voorbeeld. Maar er stonden ook levensdelicten op die niet iedereen
meteen meer iets zeggen: de 10-jarige Petertje Oort uit Purmerend,
de 15-jarige Nicole van der Hurk uit Eindhoven en de 30-jarige Gonda
Smit uit Hoogezand. De moord op de 18-jarige Jessica Richel uit Et-
ten-Leur in 1991, werd zeer onlangs gelukkig alsnog opgehelderd en
kan van mijn lijstje af.

Omdat mijn top tien in alfabetische volgorde werd gepubliceerd,


stond de moord op Wilma Bress in juli 1989 in Delft op nummer 1.
En toevallig (?) leverde dat misdrijf ook de meeste reacties en tips op.
Er zit er één bij waar ik graag meer van wil weten, maar eerst zal ik u
vertellen waarom de moord op Wilma een van de meest geheimzinni-
ge is die ik ooit onder de loep heb genomen.

De 32-jarige studente medicijnen werd in de vroege zondagochtend


van 16 juli 1989 in de Muyskenlaan in Delft gevonden, niet ver van
haar woning. Haar bronskleurige fiets lag naast haar en was bespat
met bloed. Wilma was doodgestoken en gezien het sporenbeeld
moest de dader in een acute staat van razernij zijn geweest. De recher-
che begon uiteraard een uitgebreid onderzoek en deed een merkwaar-
dige ontdekking. Wilma was lid van een amateurtoneelgezelschap en
had de avond van de moord – voordat ze naar huis fietste – een stuk

– 130 –
opgevoerd over de beruchte Londense slager/seriemoordenaar
Sweeney Todd. Wilma vertolkte daarin de rol van miss Lovett. En wat
gebeurde er met deze miss Lovett? Nou, die werd vermoord door de
slager, met een mes... Wat op het toneelpodium werd gespeeld, werd
enkele uren later buiten bloedige werkelijkheid. Was dat toeval of zat
haar moordenaar die avond in het publiek? Het is een vraag die nooit
werd beantwoord. Hoelang de recherche ook speurde: er werd geen
motief, geen moordwapen en geen dader gevonden. Wilma Bress was
een vrouw van onbesproken gedrag, die niet in verkeerde kringen ver-
keerde en de zaak bleef altijd een groot mysterie.

Mijn top tien bracht echter wat pennen in beweging. Onder meer een
van een oud-rechercheur, die het nog altijd dwarszit dat de moord
niet is opgelost. Hij had daar overigens wel een – pijnlijke – verkla-
ring voor. Om te beginnen had het volgens hem te lang geduurd voor-
dat er een Recherche Bijstand Team (rbt) was geformeerd. Ten twee-
de vond de moord plaats midden in de zomervakantie, wat veel
wisselingen van de teamleden tot gevolg had en dat is niet bevorder-
lijk voor een moordonderzoek. En toen het tot een uitzending van
Opsporing Verzocht kwam, zo schrijft de ex-politieman, duurde het
veel te lang eer alle tips werden nagetrokken. ‘Tot een goed en gede-
gen onderzoek is het dus niet gekomen,’ zo concludeert hij. Aan goe-
de wil had het niet ontbroken. Wel aan de juiste middelen en man-
schappen. Jammer en wrang.

Maar het is nog niet te laat. Een moord verjaart na achttien jaar, dus
het kan nog... Ik kreeg ook een mailtje van een man die beweerde dat
er op de nacht van de moord op de Kloosterkade in Delft – dicht bij de
plaats delict – een ‘snuifparty’ aan de gang was. Een van de gasten had
zijn neus diep in de ‘poeder’ gedrukt en maakte een nogal doorge-
draaide indruk. Hij had een mes uit de keukenla gegrist en had grijn-
zend gedreigd: ‘De eerste de beste die ik tegenkom steek ik dood...’
Vervolgens had hij het pand verlaten. De andere aanwezigen waren of
te versuft om te reageren, of hadden hem lacherig uitgezwaaid. Wat
een grappenmaker! Maar luttele tijd later was wel Wilma Bress in de-
zelfde buurt vermoord. Enkele feestgangers hadden achteraf wel arg-
waan – het mes was nooit meer in de keukenla teruggelegd! – maar
hadden uit angst voor de persoon in kwestie gezwegen. Hij werd om-

– 131 –
schreven als niet bepaald ‘een lekkere jongen’. Bovendien stonden ze
ook niet te trappelen om op te biechten dat ze die nacht zelf flink aan
de cocaïne hadden gezeten.

Hoe dan ook, de vraag is nu: wie weet er meer van de moord op Wil-
ma Bress, de snuifparty in de Kloosterkade en de jongen met het mes?
En denk eraan: wie wat weet heeft nooit een alibi om te zwijgen!

Naschrift: de oproep heeft tot diverse reacties geleid, tot uit Austra-
lië toe van mensen die destijds iets met Wilma Bress te maken heb-
ben gehad, of op een of andere manier bekend waren met de situatie
in de Kloosterstraat. De gouden tip is echter nooit binnengekomen.
De moord op Wilma Bress is nog steeds onopgelost en verjaart in juli
2007.

– 132 –
De Schiedammer parkmoord

Op 22 juni 2000 werd in het Beatrix Park in Schiedam de 10-jarige


Nienke Kleiss vermoord. Haar 11-jarige vriendje Maikel overleefde het
drama maar ternauwernood door zich in een reflex ‘dood’ te houden.
Beide kinderen waren door een pedofiel de struiken in genomen en
hadden zich moeten uitkleden. Nienke was seksueel misbruikt voor
ze werd gewurgd. Maikel was met een mes gestoken. De dader had
hem ook een schoenveter om zijn keel geknoopt en voor dood achter
gelaten. Maar Maikel leefde nog, sloeg alarm en kon getuigen wat er
was gebeurd. De dader was een zeer bleke man, met een opvallend
pokdalig gezicht, opengekrabde pukkels, een gouden oorring en een
baseballpetje. Het is een van de meest schokkende kindermoorden
van de laatste jaren.

Enige tijd na het misdrijf werd de toen 31-jarige Kees B. gearresteerd.


Hij was in de buurt van de plaats delict toen Michael er naakt uit de
struiken kwam. Hij was naar eigen zeggen uit zijn werk op weg naar
huis door het park gefietst en juist toen hij passeerde was Maikel te-
voorschijn gekomen. B. was de man die met zijn gsm ter plekke de
politie heeft gewaarschuwd en vervolgens keurig zijn – juiste – perso-
nalia opgaf. Dat werd hem later noodlottig, toen de recherche ontdek-
te dat hij in het park ook wel eens kinderen had benaderd met seksu-
ele motieven. Na zwaar verhoord te zijn gaf B. toe dat hij de dader
was, een verklaring die hij overigens de dag erna weer introk, maar
wat de rechercheurs opmerkelijk genoeg verzuimden te verbaliseren.
Dat de politie Kees B. verdacht vond is goed te begrijpen. Ik zou er
ook op aanslaan als een pedofiel toevallig in de buurt van de plaats
delict is waar zojuist twee kinderen slachtoffer zijn geworden van een
horrorcrime. Maar er was één groot probleem: Kees B. voldeed voor
geen millimeter aan het door Maikel opgegeven signalement. De
Vlaardinger is niet pokdalig, had geen opengekrabde pukkels, droeg
geen oorring en ook geen petje. Bovendien werd hij ook na de ontdek-

– 133 –
king van het misdrijf op de plaats delict niet door Maikel herkend –
toen B. de politie belde – als de man door wie hij en Nienke waren
misbruikt. En ook werd er geen snipper technisch bewijs tegen hem
gevonden. Je zou zeggen: einde verhaal dan... Maar dat was niet het
geval. Kees B. werd tot in hoogste instantie veroordeeld tot achttien
jaar cel en tbs. Alle bezwaren, tegenstrijdigheden, ontlastende getui-
genissen werden door de rechters niet zwaar genoeg bevonden om de
twijfel op te roepen die in de rechtspraak tot vrijspraak leidt (in dubio
pro reo).

Vanuit zijn cel schreef Kees B. mij de afgelopen jaren tientallen brie-
ven, waarin hij bezwoer dat hij onschuldig was en met deze veroorde-
ling niet langer kon leven. De brieven zorgden er mede voor dat ik
zijn zaak niet kon vergeten. Twee jaar geleden heb ik over dit misdrijf
een uitzendingvullend programma gemaakt en de veroordeling van
B. gaf mij een onbehagelijk gevoel. Zat de juiste man wel vast? Of was
iedereen zo geschokt door de ernst van het delict en zo vooringeno-
men door het feit dat B. een pedofiel was, dat men niet meer kritisch
genoeg was? Een van de dingen die mij deed twijfelen, was dat Kees
in mijn ogen nauwelijks de tijd kon hebben gehad om de moord te
plegen. Er stond vrij nauwkeurig vast wanneer hij op de fiets van zijn
werk was vertrokken en het exacte tijdstip van zijn 112-belletje was
ook bekend. Er bleef dan bitter weinig tijd over om alle handelingen
te plegen. Bovendien werd ook nog duidelijk dat B. niet de enige pe-
dofiel in het park was. Sterker nog, de man die toevallig naast hem
stond toen Maikel naakt de struiken uitkwam, had op dat gebied ook
een pittig verleden, zo ontdekten wij tijdens onze research twee jaar
geleden. En deze man heeft niet lang daarna om onduidelijke redenen
zelfmoord gepleegd. Toen hoorden wij pas dat zijn eigen broer direct
na de moord op Nienke al naar de recherche in Schiedam was gestapt
met het verhaal dat zijn familielid – hem kennende – daar echt niet toe-
vallig in de buurt was geweest en zij hem maar eens aan de tand moes-
ten voelen. De verklaring is nooit in het dossier opgenomen.

Ik was dan ook blij toen ik hoorde dat de befaamde rechtspsycholoog


dr. Peter van Koppen een reconstructie van de Schiedammer park-
moord zou maken op basis van het dossier waarover recht was ge-
sproken. De uitkomst loog er niet om. Er zijn enorme fouten gemaakt

– 134 –
door aanklagers en rechters. Er is sprake van misleiding, opzettelijke
verdraaiing, verwijtbare nonchalance, niet-uitgerechercheerde sporen,
weggelaten ontlastend bewijs en een inderdaad rammelende tijdlijn.
Hebben we dit allemaal in de Puttense moordzaak ook al niet gehoord?
‘De kans dat Kees B. dit misdrijf niet heeft gepleegd is groter dan dat hij
het wel heeft gedaan,’ concludeerde professor Van Koppen.

En hoe reageerden de justitiële autoriteiten op deze zorgwekkende


bevindingen? Laat ik het maar de Putten-reflex noemen: in zuinige
verklaringen werd gesteld dat het om bekende feiten ging (ja nogal
wiedes: het ging om hetzelfde dossier dat aanklagers en rechters op
hun tafel hadden!) en dat deze geen aanleiding tot nadere stappen ga-
ven. In de Puttense moordzaak toverde men dat soort formuleringen
ook altijd tevoorschijn. Voor de goede orde: ik zeg hier (nog) niet op
deze plaats dat Kees absoluut niet de dader is, maar ik zeg wel dat het
bewijs ervoor ernstige, zeer ernstige tekortkomingen vertoont waar-
van ik – als ik rechter was geweest – ’s nachts in mijn kussen zou lig-
gen te bijten...

– 135 –
Van bajesklant tot scheepsmagnaat

Twintig jaar geleden – zo rond 1983 – kreeg ik als jong Telegraaf-ver-


slaggever een brief van een gedetineerde, die nadien door mijn artike-
len landelijke bekendheid zou verwerven als de Paperclip. Het ging om
de toen 34-jarige stuurman Piet V. uit Werkendam, die op behendige
wijze was ontsnapt uit het huis van bewaring De Noordsingel in Rotter-
dam. Met een simpel stukje ijzerdraad had hij het slot van de buiten-
deur van de penitentiaire inrichting open gewurmd en was ervandoor
gegaan – zijn bijnaam was geboren. In zijn brief schetste V. hoe een en
ander in zijn werk was gegaan. Het leverde mij een smeuïg verhaal op
en vanaf dat moment bleef de – voortvluchtige – Paperclip mij van zijn
spannende wederwaardigheden op de hoogte houden. Gevolg was een
reeks van artikelen waarvan de ene helft van Nederland smulde en de
andere helft zich van ergernis zat te verbijten. Want V. bleek een ware
meesteruitbreker, ja zeg maar een ontsnappingsartiest, en wist keer op
keer als hij weer was gepakt opnieuw op behendige wijze te ontsnap-
pen. En telkens was ik de eerste die het wist. ‘Ik ben d’r weer uit hoor,’
zei hij dan door de telefoon. Soms nog in hetzelfde weekeinde waarin
hij was opgepakt. paperclip ontglipt justitie opnieuw, paperclip
weer watervlug, de paperclip ontsnapt weer uit cel, paperclip is
zelfs sneller dan arrestatieteam waren krantenkoppen boven arti-
kelen van mijn hand uit die tijd. De internationaal gezochte V. maakte
het helemaal bont toen hij zich voor gevangenissen liet fotograferen,
terwijl hij argeloze bewaarders een vuurtje vroeg en justitie op deze wij-
ze pijnlijk tartte door de foto’s aan mij toe te zenden. En later, toen hij
weer vastzat en aan het einde van zijn straf proefverlof kreeg, stuntte
hij opnieuw. Hij was door omstandigheden te laat teruggekeerd en
nieuw verlof zou waarschijnlijk worden geweigerd, de regels waren op
dat punt streng. Dus wat deed de uitbreker? Hij brak nu ín zonder dat
iemand het in de gaten had. Bij het appèl de volgende ochtend troffen
de verbaasde bewaarders Piet gewoon in zijn cel, die met een uitgestre-
ken gezicht zei: ‘Goedemorgen, bewaarder, goed geslapen...?’

– 136 –
In de tijd dat hij voortvluchtig was zat stuurman V. meestal op de grote
vaart. Een prachtig mobiel onderduikadres. Tegen de verdrukking in
bouwde hij samen met zijn vrouw Adrie een bestaan op als schipper van
een vrachtschip. Nadat hij het laatste restje van zijn straf – eindelijk –
had uitgezeten voer hij door heel Europa. Voor misdaad had hij geen tijd
meer. Af en toe kreeg ik hem nog aan de lijn. Dan vertelde hij dat het ’m
voor de wind ging. De oude schuit was vervangen voor een nieuwere.
Later meldde hij dat er nu twee schepen in de vaart waren en toen ik
hem eens twee jaar niet gesproken had, berichtte hij dat er nu vijf sche-
pen van hem de rivieren afzakten. Het werd een successtory zoals de
reclassering niet vaak heeft meegemaakt. En toen ik de Paperclip enkele
jaren later weer eens sprak, vertelde hij dat hij zich nu aan het toeleggen
was op het ontwerpen en laten bouwen van hypermoderne binnenvaart-
schepen. Die dekselse gedetineerde was een handige zakenman gewor-
den. En vandaag de dag doet Piet V. zaken met twintig werven in negen
landen (waaronder China en Rusland) die schepen volgens zijn ontwer-
pen bouwen. Gevaarten van 170 meter lengte. Een paperclip gebruikt de
voormalige bajesklant alleen nog om de miljoenencontracten te bunde-
len die hij aan de lopende band afsluit.

Varen doet hij nu niet meer, maar toen ik onlangs voor een reportage
over de mysterieuze dood van een 16-jarige jongen een binnenvaart-
schip nodig had om te verifiëren of je vanaf de brug een stoffelijk
overschot kon zien liggen dat op een taluud aan de walkant had gele-
gen, was dat geen enkel probleem. De volgende dag monsterden we
bij Puttershoek op een van zijn schepen aan en Piet V. zelf stond
grijnzend in de stuurhut.

Bij die gelegenheid vertelde Piet me dat hij in mei 2003 een gloed-
nieuw, imposant kantoor zou openen in Werkendam en hij vroeg me
een beetje verlegen of ik misschien bereid was de officiële opening te
verrichten. Ik hoefde daar niet over na te denken. Ik deed het afgelo-
pen zaterdag for old time sake: vanwege die goede oude tijd dat Piet-
de-Paperclip mij spraakmakende primeurs bezorgde, omdat hij met
een schip meteen klaarstond toen ik hem onlangs een gunst vroeg,
maar ook – of misschien wel vooral – omdat ik groot respect heb voor
een man die bewees dat je met een verleden ook een glansrijke toe-
komst kunt hebben!

– 137 –
Het recht in eigen hand...

Rond de kerstdagen van 2002 schreef ik een hoofdstuk over beroeps-


crimineel Johan van Stiphout, in Brabant kortweg ‘Stip’ genoemd. Ik
had hem in 1993 leren kennen toen hij werd neergeschoten bij de ge-
vangenis in Sittard, op de dag dat hij na het uitzitten van een celstraf
werd vrijgelaten. Hij overleefde de aanslag en wilde zijn verhaal toen
aan mij kwijt. In de jaren daarna hoorde ik zo nu en dan wat van hem.
Het is een man met een eigen gedragscode, maar als je die door hebt,
ach, dan is hij de beroerdste niet. Vorig jaar juni werd Stip niettemin
in Tilburg gearresteerd, nadat hij bij een drugsruzie de 39-jarige
Edwin Janse had doodgeschoten. Hij meende zelf dat het zelfverdedi-
ging – noodweer – was en dat de politie hem er met rommelwerk had
ingeluisd. Of ik de zaak wilde onderzoeken. Ik antwoordde hem toen
dat ik niet erg happig was op het ontrafelen van uit de hand gelopen
narcoticaconflicten en hield het bij wat heen-en-weergeschrijf. Aan
het einde van het jaar las ik toen in de krant dat de zaak voor de recht-
bank in Breda was geweest en dat Van Stiphout na een eis van acht-
tien jaar tot vijftien jaar cel was veroordeeld, zónder dat hij zelf bij de
zitting aanwezig was geweest, zijn advocaat tijdens de zitting de ver-
dediging had neergelegd en er géén pleidooi voor hem was gevoerd.
Ik kon het nauwelijks geloven, zoiets gebeurt toch niet in ons land? Ik
beëindigde mijn verhaal toen met de mededeling dat ik ondanks het
kerstreces toch naar de redactie was gereden om het dossier van Van
Stiphout te bestuderen.

Een halfjaartje later diende het hoger beroep in deze zaak in Den
Bosch en nu was ik er wel bij. Ik wilde hier wel eens meer van weten.
Van Stiphouts nieuwe advocaat mr. Mike van den Bosch, schetste bij
de opening van het proces wat er was gebeurd. De dag voor de rechts-
zitting was Van Stiphout in opdracht van de officier van justitie om
halfacht uit zijn cel in het huis van bewaring in Roermond gehaald
om op transport te worden gesteld naar het politiebureau van Breda,

– 138 –
zodat hij de volgende dag op tijd in de rechtbank daar aanwezig zou
zijn. Het komt nogal eens voor dat een gedetineerde te laat wordt aan-
gevoerd en dat wilde de aanklager kennelijk voorkomen. Maar moet
je daarvoor iemand al een dag van tevoren om halfacht ’s morgens uit
zijn cel halen? Dat doet overdreven aan en de Brabantse gedetineerde
verzette zich er dan ook tegen. Van Stiphouts protest was begrijpelijk,
zo stelde mr. Van den Bosch. Zijn cliënt was nog druk bezig met het
tikken van zijn laatste woord, ’s middags zou de advocaat nog op be-
zoek komen om de laatste puntjes op de i van het pleidooi te zetten en
Stips vriendin zou nog schone kleren voor de zitting brengen. Dat
kon Van Stiphout bij dit scenario allemaal op zijn buik schrijven en
dus weigerde hij mee te gaan. De officier dreigde vervolgens dat hij
door een arrestatieteam met geweld zou worden meegenomen en dat
Van Stiphout daar alleen aan kon ontkomen als hij afstand deed van
zijn recht om persoonlijk op de zitting aanwezig te zijn. Noodge-
dwongen en opgefokt en gefrustreerd door de gang van zaken zette
Stip een handtekening. Diezelfde middag liet zijn gealarmeerde advo-
caat echter per fax aan de officier van justitie weten dat daar geen
sprake van kon zijn: cliënt wilde uiteraard wél op de zitting zijn! Die
handtekening was op deze manier niet geldig. De aanklager liet ech-
ter weten dat er geen vervoer meer kon worden geregeld, ook de vol-
gende ochtend niet. En dus begon de rechtszitting zonder Van Stip-
hout, terwijl het hier toch niet om een winkeldiefstalletje ging. Zijn
advocaat stelde toen nogmaals dat zijn cliënt absoluut aanwezig wilde
zijn en vroeg om hem op te laten halen. De rechtbank wees het ver-
zoek af. De raadsman, die vond dat hij zo zijn werk niet naar behoren
kon doen, legde daarop de verdediging neer en vroeg de rechters een
andere strafpleiter aan te wijzen. Echter, ook dat gebeurde niet en dus
vond er een spookproces plaats zónder verdachte, zónder advocaat,
zónder pleidooi. Maar wél met een zeer hoge straf: vijftien jaar.

Advocaat Van den Bosch eiste nu dat het proces bij de rechtbank over
moest worden gedaan en dan uiteraard wel in aanwezigheid van de
verdachte. Ik hoorde het hele relaas verbluft aan. Als zoiets in bana-
nenrepublieken gebeurt gaan we met spandoeken de straat op, maar
over deze kwestie had ik in de landelijke kranten geen regel gelezen.
Wat dat betreft zijn we soms erg selectief in onze verontwaardiging.
Het hof trok zich terug voor beraad en toen de raadsheren na een uur

– 139 –
terugkwamen geschiedde er toch nog gerechtigheid. Het hof oordeelde
dat het van ‘zo’n wezenlijke betekenis is voor de verdachte om tijdens
het onderzoek ter terechtzitting zelf het woord te voeren of door zijn
raadsman te laten voeren’, dat er sprake was geweest van een ‘ongeldig
proces’. Het moet worden overgedaan. In een rechtstaat als de onze een
unieke, ongekend harde oorvijg voor de rechtbank en officier van justi-
tie in Breda, die onbeschaamd zélf deden waarvoor Van Stiphout nota
bene terecht moest staan: het recht in eigen hand nemen...

Naschrift: inmiddels is het proces opnieuw gevoerd en is Van Stip-


hout veroordeeld tot een celstraf van negen jaar, zes jaar minder dan
het oorspronkelijk opgelegde vonnis.

– 140 –
De dubieuze methoden van hp/de tijd 1

Als presentator van een televisieprogramma ben je regelmatig het


doelwit van leuke-stukjes-schrijvers. Het zijn meestal columnisten
die zich op hun zolderkamer uitleven in puntige stukjes en commen-
taren. Het gaat niet zozeer om de inhoud als wel om de rake formule-
ring, die moet onderstrepen hoe scherpzinnig en erudiet de schrijver
zelf is. Het gros van die cursiefjesschrijvers heeft zelf nooit wat in het
journalistieke veldwerk gepresteerd, maar dat mag de pret niet druk-
ken. Integendeel, ik heb soms wel eens de indruk dat een bepaalde
wereldvreemdheid bijna voorwaarde is. De horizon van een aantal
reikt niet verder dan de bovenkant van hun televisiescherm. Ik laat
het meestal gaan, soms kan ik er wel om lachen ook.

Maar ik pik niet alles. Begin januari 2003 verscheen er een omslagar-
tikel in weekblad hp/De Tijd over mij. hoe betrouwbaar is peter r.
de vries? stond er met koeienletters op de cover. Binnen in het blad
waren er maar liefst tien volledige pagina’s ingeruimd om hp-verslag-
gever Stan de Jong in de gelegenheid te stellen zijn ongenoegen over
mij te spuien. Inzet was mijn bemoeienis met wat de ‘Deventer
moordzaak’ is gaan heten. Het betreft de gruwelijke moord op de rij-
ke weduwe Jacqueline Wittenberg (60) in de koekstad, in september
1999. Ik heb daar twee uitzendingen aan gewijd en liet daarin zien
dat er zowel belastende als ontlastende feiten en omstandigheden
waren die er uiteindelijk toe hebben geleid dat hoofdverdachte Ernst
L. – de financieel adviseur van de weduwe – in hoger beroep tot twaalf
jaar gevangenisstraf is veroordeeld, nadat hij eerst door de rechtbank
was vrijgesproken. Ik zeg niet dat hij schuldig is, maar ook niet dat hij
onschuldig is. Dit was tegen het zere been van hp-reporter Stan de
Jong die er rotsvast van overtuigd is dat hier sprake is van een gerech-
telijke dwaling. En wie daar niet klakkeloos in mee gaat deugt niet. En
dus stond er boven het artikel de kop de dubieuze methoden van
peter r. de vries. De publicatie ging vergezeld van een heuse recla-

– 141 –
mecampagne op tv waarin werd gesproken van de dubieuze metho-
den van een tv-detective, want hp/De Tijd weet wel wat verkoopt...
Wat dat betreft verschilt het niets van de roddelbladen. Het verbijste-
rende was dat in die tien pagina’s beschuldigende tekst geen regel,
maar dan ook werkelijk geen regel weerwoord voorkomt, wat toch les
1 van de journalistiek is. Hoewel De Jong zich in het artikel wel talloze
dingen over mij afvraagt, heeft hij mij nooit gebeld en nooit om com-
mentaar gevraagd, waarschijnlijk onder het motto: I allready made up
my mind, don’t mix me up with facts! En dat was jammer, want dan
had ik hp/De Tijd kunnen behoeden voor een aantal gênante uit-
glijers: het artikel wemelde van de aantoonbaar feitelijke onjuisthe-
den, tendentieuze gevolgtrekkingen en niet onderbouwde veronder-
stellingen.

Ik liet het er dit keer niet bij zitten en mijn advocaat dwong hp/De
Tijd twee weken later tot een behoorlijke correctie in het blad. Ook
diende ik tegen de hoofdredactie en Stan de Jong een klacht in bij de
Raad voor de Journalistiek. Na twee schriftelijke ronden, vond er ook
nog een mondelinge behandeling plaats. Ik zat al in het pand van de
Nederlandse Vereniging voor Journalisten in Amsterdam te wachten,
toen Stan de Jong binnenkwam: een kale man, met een schichtige
blik. Hij zag mij zitten en zei: ‘O... kijk, Peter R. de Vries.’ Vervolgens
stapte hij met uitgestoken hand op mij af en zei op een toon alsof hij
verwachtte dat ik reikhalzend naar een kennismaking met hem had
uitgezien: ‘Ik ben Stan de Jong!’ Ik bleef zitten en hield mijn hand in
mijn broekzak. ‘Gaan we nu ineens popi doen?’ vroeg ik slechts. De
Jong was merkbaar van zijn stuk gebracht en antwoordde: ‘O, nou ik
dacht dat het een kwestie van fatsoen was.’ ‘Fatsoen...? Nou, als er ie-
mand is met wie ik het niet over fatsoen wil hebben, ben jij het,’ kaat-
ste ik terug. Wat had hij nou gedacht, dat ik na een ratterig artikel van
tien pagina’s zonder één letter wederhoor hem vriendelijk de hand
zou schudden? Of had De Jong aan het rijtje beschuldigingen aan
mijn adres soms ook nog schijnheiligheid willen toevoegen?

De hoofdredactie van hp/De Tijd had – dapper – verstek laten gaan


bij de zitting. Ik schreef hen later in een briefje dat te betreuren, want
dan was men er getuige van geweest hoe hun verslaggever flink door
de mangel werd gehaald en op kritische vragen en opmerkingen van

– 142 –
de leden van de raad niet of nauwelijks een antwoord wist. De vlekken
stonden tijdens de behandeling duidelijk zichtbaar in zijn nek. Ik
kreeg prompt een schrijven van de adjunct-hoofdredacteur terug
waarin deze tot mijn verbazing vooral viel over het feit dat ik de ‘aan-
geboden hand’ van De Jong had geweigerd. ‘Over uw omgangsvor-
men kan ik kort zijn: geen niveau,’ schreef de wegblijver verontwaar-
digd. hp/De Tijd als zedenmeester. Nou, eens kijken hoe het met hun
omgangsvormen is gesteld als zij de procedure onverhoopt verliezen.
Binnenkort doet de Raad voor de Journalistiek uitspraak in deze zaak
en dan weten we van wat voor ‘niveau’ hp/De Tijd en Stan de Jong
zélf zijn en wie van ons er nou ‘dubieuze methoden’ op na houdt...

Wordt vervolgd

– 143 –
Een onvergetelijk tv-seizoen

Het is begin juni 2003 en het televisieseizoen zit er deze week weer
op voor mij en hoe boeiend, bevredigend en spannend het ook weer
geweest is, dat gaat altijd gepaard met een zucht van verlichting. De
druk om elke week de deadlines te halen en een programma te maken
dat aan hoge verwachtingen voldoet, is behoorlijk voelbaar. Tot de
laatste minuut wordt er aan de inhoud geschaafd, woorden op een
goudschaaltje gewogen, beelden ge(her)monteerd, gesproken met
slachtoffers en nabestaanden en gesteggeld met lastige advocaten. De
kwetsbaarheid van televisie maken is – vind ik – dat heel Nederland je
werk ziet en daar ook een oordeel over heeft. Overigens ook nog als ze
het programma niet eens hebben gezien – bij voorkeur zelfs. Dat is
aan een kant heel leuk, maar soms ook wel eens benauwend. Ik be-
nijd wel eens mensen die een baan hebben waarin ze soms een week-
je of twee een beetje ‘onzichtbaar’ kunnen blijven zonder dat iemand
het in de gaten heeft. Aan de andere kant realiseer ik me goed dat er
ook heel veel mensen belangrijk, onmisbaar werk doen, waar ze nooit
publiekelijk voor worden geprezen of beloond en dat ik dus bof.

Als ik de balans opmaak over het seizoen 2002-2003, dan overheerst


toch de voldoening over wat we weer hebben bereikt en waar u alle-
maal ooggetuige van bent geweest. We openden spectaculair met een
verborgen camerareportage die we in de ‘stille’ zomermaanden had-
den gedraaid: de voorbereiding van drie heuse huurmoorden in het
Brabantse criminele circuit. De man die de lugubere klus moest kla-
ren, tipte ons en vanaf dat moment legden we alles – nog nooit ver-
toond! – stap voor stap met de verborgen camera vast. De opdrachtge-
vers, Albert K. en zijn vrouw Yolanda, werden gearresteerd en staan
binnenkort voor de rechter. Dat laatste is met de 47-jarige crimineel
Louis H. al gebeurd. Hij is in februari door de Amsterdamse recht-
bank tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor de gruwelijke
moord op Corrina Bolhaar en haar kinderen Sharon en Donna in

– 144 –
1984 in de Argonautenstraat in Amsterdam-Zuid. De zaak werd door
ons toedoen heropend toen hij op het punt stond te verjaren en de
dader voor altijd vrijuit zou gaan. Wij vonden een kroongetuige, die
verklaarde dat H. het misdrijf aan haar had opgebiecht en daardoor
ging de zaak rollen. Een prachtig succes waarvoor we eind 2002 met
een Academy Award in de categorie Informatie inderdaad publieke-
lijk zijn geprezen.

Maar ik denk ook met genoegen terug aan de ontmaskering van de


oplichters die in de regio van Nijmegen een nepfirma hadden opge-
richt en door het hele land vrachtwagenladingen goederen bestelden
zonder ooit een cent te betalen. Ook hier bewees de verborgen camera
fantastische diensten. Door ons toedoen werden de oplichters opge-
rold. We maakten ook een eind aan de praktijken van een bende geld-
wisselaars die er telkens met de inleg van hun ‘klanten’ vandoor gin-
gen en zodoende tonnen buit maakten. Ook deze mannen werden
door ons betrapt en vervolgens door de politie aangehouden, maar
justitie moest hen helaas – op juridische gronden – weer snel laten
lopen. Maar de Rotterdamse jongens die er een broodwinning van
hadden gemaakt om mensen hun geld af te pakken – vaak duizenden
euro’s – als zij een bestelling goedkope mobiele telefoons kwamen
ophalen, kregen door onze reportage weer wel de hoofdprijs. Zij zijn
inmiddels veroordeeld. Blij was ik ook met de heropening van het po-
litieonderzoek naar de verdwenen Bebe Pana uit het Brabantse Nue-
nen. Haar man beweerde dat zij was teruggekeerd naar haar vader-
land de Filippijnen, maar wij toonden – onder meer na een bezoek
aan de Filippijnen – aan dat zijn verhaal van leugens en bedrog aan
elkaar hing en Bebe waarschijnlijk in Nederland slachtoffer is gewor-
den van een misdrijf. Justitie in Den Bosch heeft de zaak weer in on-
derzoek. En hopelijk komt het binnenkort ook zover in de zaak van de
vermoorde Nienke Kleiss in het Schiedamse Beatrixpark, waar wij
een extra lange uitzending aan wijdden. Ik betwijfel al een paar jaar of
de tot achttien jaar veroordeelde Kees B. wel echt de dader is. Het be-
wijs tegen hem was flinterdun en toen de befaamde rechtspsycholoog
professor P. van Koppen dit jaar in een schokkend wetenschappelijk
rapport tot de conclusie kwam dat het zeer goed mogelijk is dat de
verkeerde persoon vastzit, sprongen we daar bovenop. Wordt zeker
vervolgd... Verder heeft u ons het afgelopen seizoen natuurlijk weer

– 145 –
bezig gezien met de verdere ontrafeling van de Puttense moordzaak,
de dood van Nicky Verstappen uit het Limburgse Heibloem en tallo-
ze, talloze andere kwesties. Als u dit leest zult u misschien zeggen:
was het hele seizoen dan één groot succes? Nee, dat was het niet. Ze-
ker niet zelfs. Op 24 januari werd in Amstelveen Heineken-ontvoer-
der Cor van Hout doodgeschoten. De meest bijzondere man die ik
ooit heb ontmoet. Een man met wie ik een boek heb geschreven en
die mijn vriend was, hoe merkwaardig u dat misschien ook zult vin-
den. Ik heb u in vorige hoofdstukken uitgelegd hoe dat is ontstaan.
Na elke uitzending mis ik zijn telefoontje, zijn commentaar, zijn
kwinkslagen. In de zomermaanden zagen we elkaar altijd vaker dan
de rest van het jaar, als ik hard aan het werk ben. Het tv-seizoen ein-
digt, de zomer staat op punt van beginnen. En als ik dus zeg dat het in
meer dan één opzicht een seizoen was dat ik niet zal vergeten, zult u
mij begrijpen...

Naschrift: Albert K., de man die opdracht gaf tot het plegen van drie
huurmoorden, is door de rechtbank in Den Bosch na een eis van ne-
gen jaar tot acht jaar cel veroordeeld. Hij heeft hoger beroep aangete-
kend.

– 146 –
De liegende korpschef

Tot 24 januari 2003 had ik in de ogen van Jelle Kuiper, de hoofdcom-


missaris van het korps Amsterdam-Amstelland, ‘de reputatie van een
crimefighter’. Dat in 25 jaar misdaadverslaggeving opgebouwde ima-
go werd voor hem bijna letterlijk aan flarden geschoten toen Heine-
ken-ontvoerder Cor van Hout op die dag werd vermoord en ik open-
lijk uitkwam voor het feit dat ik met hem bevriend was geraakt. Ik
kende Cor bijna twintig jaar, we hadden samen het best verkochte
misdaadboek van Nederland geschreven en dat had tussen ons een
bijzondere band gesmeed. In tientallen interviews heb ik daarover de
afgelopen tien jaar tekst en uitleg gegeven, maar kennelijk is dat de
principiële korpschef altijd ontgaan, want na de moord op Van Hout
zei hij ineens dat ik voor hem ‘door het ijs was gezakt’.

Toen ik de korpsleiding maanden later uitnodigde om in mijn pro-


gramma te komen praten over het schrikbarende feit dat een groot
aantal Amsterdamse dienders van het voormalige bureau Warmoes-
straat was betrapt op het slikken, snuiven en dealen van harddrugs –
ook onder diensttijd! – werd mij duidelijk dat de dood van Van Hout
ook nog anderszins een staart kreeg. Woordvoerster Elly Florax liet
in eerste instantie weten dat ze de korpsleiding zeker zou adviseren
om hun visie te komen geven, maar daags voor de uitzending sloeg
ze in een fax een heel andere toon aan. Jelle Kuiper of zijn plaatsver-
vanger Joop van Riesen zou niet naar de studio komen. Ze ant-
woordde dat mijn vriendschap met de Heineken-ontvoerder er de
reden van was dat de korpsleiding niet meer aan mijn programma
wilde meewerken en daarom niet zou verschijnen. ‘Van jouw nau-
we, niet zakelijke betrokkenheid bij iemand die als een grote crimi-
neel bekendstond neemt de korpsleiding afstand,’ schreef ze. En
ook: ‘Integriteit en professionaliteit zijn zaken die ons korps hoog
in het vaandel staan.’

– 147 –
Nou prima.... Ik wil niemand dwingen om te komen, maar wat ik niet
begreep was waarom de Amsterdamse politie de afgelopen acht jaar
dan wél volop aan mijn programma heeft meegewerkt, terwijl mijn
vriendschap toen ook algemeen bekend was. Enige hypocrisie was ze
kennelijk niet vreemd, of heeft het wellicht iets te maken met het hen
onwelgevallige onderwerp van slikkende en dealende dienders? In
onze reportage kwam naar voren dat agenten soms volkomen stoned
in de surveillanceauto zitten en dan letterlijk en figuurlijk de weg
kwijt zijn: één van hen kon zelfs de Kalverstraat niet meer vinden
toen daar een arrestant moest worden opgehaald. Televisiekijkend
Nederland wreef z’n ogen uit. De schokkende feiten konden door Kui-
per & Co nauwelijks bestreden worden, want het dossier was gemaakt
door het Bureau Interne Onderzoeken van... de Amsterdamse politie.

Toen de uitzending veel rumoer veroorzaakte, meende Jelle Kuiper


dat hij in een intern korpsbericht zijn afwezigheid ook aan zijn ruim
drieduizend ondergeschikten moest uitleggen. Daarin verkondigde
hij letterlijk: ‘Wij zijn overigens als korpsleiding uitgenodigd om in
het programma een reactie te geven. Dat doe ik niet, omdat Peter R.
de Vries openlijk uitkomt voor zijn vriendschappen met grote crimi-
nelen en met zo iemand wil ik niet aan tafel zitten.’ Hé, da’s
vreemd.... vriendschappen... met grote criminelen... meervoud...
sinds wanneer ben ik daar voor uitgekomen? Ik ben altijd eerlijk ge-
weest over mijn relatie met Cor van Hout, maar verder heb ik in de
onderwereld geen vrienden. Ik schreef Elly Florax dan ook een brief
waarin ik haar vroeg mij aan te geven wanneer de korpschef mij dat
had horen zeggen en wie die ‘grote criminelen’ dan wel zijn. En als
Kuiper daar het antwoord schuldig op moest blijven, zo hield ik haar
vast voor, dan verwachtte ik een rectificatie. Want een korpschef staat
altijd voor de waarheid, toch? Ik wist natuurlijk dat de hoofdcommis-
saris zijn bewering nooit kon hardmaken, maar werd door her mas-
ters voice toch nog verbijsterd. Elly Florax berichtte: ‘Waar het om
gaat is dat de boodschap van de hoofdcommissaris aan de korpsleden
duidelijk is.’ En: ‘Van rectificatie zal geen sprake zijn.’ Aha... het gaat
er dus om dat de boodschap duidelijk is? En of het toevallig ook waar
is wat de hoogste politiechef uitkraamt, is kennelijk niet van belang!
Dus dat is wat Florax met ‘integriteit en professionaliteit’ bedoelt...
Gewoon in je leugens volharden! Eerst heeft de hoofdcommissaris ja-

– 148 –
renlang niks in de gaten, maar als hij dan eindelijk wakker wordt,
hoort en ziet hij dingen die ik helemaal nooit heb gezegd of gepubli-
ceerd. Nou, als de processen-verbaal van de Amsterdamse recherche
net zo nauwkeurig zijn als de korpsberichten van de hoogste baas,
mogen we ons hart wel vasthouden. Eens kijken wat de rechter zegt
als er verklaard wordt: ‘Ja, edelachtbare, misschien is de verdachte
wel onschuldig en is het door ons vergaarde bewijs onjuist, maar dat
is het punt niet, waar het om gaat, is dat de boodschap duidelijk is...’

Ook een nieuwe brief waarin ik op het gemanipuleer met de waarheid


wees, werd met een eenregelige fax beantwoord: ‘Er bestaat geen aan-
leiding om op ons eerder ingenomen standpunt terug te komen.’ De
principiële hoofdcommissaris is in werkelijkheid zo’n type die liever
zijn rechterarm afhakt dan dat hij een keertje ongelijk bekent. Een
karaktereigenschap waarmee je aan de top van de politie komt, zo
blijkt wel. Enfin, u zult ze voortaan moeten missen in mijn program-
ma, want Jelle Kuiper wenst niet dat er nog iemand in beeld mee-
werkt. Eigenlijk ben ik daar niet eens ongelukkig mee, moet ik u zeg-
gen. Ik rook niet, gebruik nooit drugs en hecht nogal aan de waarheid
en de kans dat je met de Amsterdamse politie iemand die liegt, snuift,
slikt of dealt over de vloer krijgt is reëel. En daar wil ìk niet mee aan
tafel zitten. Is die boodschap ook duidelijk, Jelle?

– 149 –
De moord op Lieke Snel

Ruim 35 jaar geleden, op maandag 8 juli 1968, speelden Gijs, Peter,


Gerard en Stan, vier tienerjongens uit het Limburgse dorp Maasniel
’s middags in de bossen bij Swalmen. Het was zomervakantie en in
de buurt van de plaatselijk bekende Lepjesberg was het een eldorado
voor spelende kinderen. Zij bouwden er hutten, schoten met pijl en
boog en ravotten met elkaar in het struikgewas. Een van de jongens
sloeg tijdens het spelen met een stok naast een bospad in de dichte
begroeiing en toen het bladerdek uit elkaar week zagen de vier vrien-
den tot hun schrik een gedeelte van een kale menselijke schedel,
compleet met oogkas, boven de grond uitsteken. De schrik maakte
plaats voor nieuwsgierigheid en opwinding. Het was vast een soldaat,
die tijdens de oorlog hier begraven was, dachten ze. De jongens be-
gonnen dan ook verwoed te graven, in de verwachting dat zij mis-
schien wel helmen, een verrekijker, wapens en munitie zouden vin-
den. Pas toen zij op zo’n anderhalve meter van de schedel moderne
puntige, leren laarsjes van een klein maatje blootlegden, begrepen zij
dat dit geen soldaat was, maar het lijk van een vrouw.

De volgende dag stonden de vier jongens met foto in de krant, als ont-
dekkers van het onbekende lijk. Al vlug bleek dat het om de 16-jarige
Elisa (roepnaam Lieke) Snel ging, een meisje dat ruim een halfjaar
eerder spoorloos was verdwenen toen zij in Maastricht voor haar
moeder boodschappen ging doen. Ze was de dochter van een Neder-
lands echtpaar dat net over de grens in het Belgische dorp Klein-Ter-
naaien woonde. Met drie tientjes en een boodschappennetje was zij
met de bus naar Maastricht gereisd en daar ook uitgestapt – bevestig-
den getuigen – maar sindsdien ontbrak ieder spoor van het meisje. In
het bosgraf, dat bestond uit plaggen en bladeren, werd het bood-
schappennetje teruggevonden, de tientjes ontbraken. Hoewel het lijk
goed was verstopt, droeg het bosgraf sporen van haast. Lieke was vrij-
wel zeker het slachtoffer van een zedenmisdrijf geworden, maar het

– 150 –
stoffelijk overschot was al zo ver vergaan dat dit niet met zekerheid
kon worden vastgesteld. Hoewel de recherche ervan uitging dat zij
door een bekende van haar was vermoord, werd het misdrijf nimmer
opgelost en verdween het langzaam maar zeker uit de publiciteit.

Stan Wieriks, een van de vier jongetjes die het lijk destijds vonden, is
nu een 49-jarige man, een psychiatrisch verpleegkundige die zelf een
gezin heeft. Medio 2003 benaderde hij mij met de vraag of ik mis-
schien wist wat het politieonderzoek naar het lijk had opgeleverd. Een
plakboek met krantenknipsels dat hij jarenlang had bewaard was tot
zijn spijt tijdens een verhuizing verloren gegaan. Het was de laatste
tastbare herinnering. Stan vertelde me dat de lugubere vondst op die
mooie zomerdag de afgelopen decennia altijd in zijn gedachten is ge-
bleven. ‘In eerste instantie besefte ik helemaal niet dat we een dood,
vermoord meisje hadden gevonden. We waren vooral stoer, we ston-
den met de foto in de krant en werden door leeftijdsgenootjes vol ont-
zag aangekeken. Ach, wat weet je als dorpsjongen van veertien... Pas
later drong tot me door dat het eigenlijk heel schokkend was: verdom-
me, er is veel meer gebeurd dan ik toen dacht.’ In zijn werk in de ge-
zondheidszorg is Stan nadien ook dikwijls met de dood geconfron-
teerd, onder meer door ziekten en zelfmoorden, maar toch heeft hij
dat altijd anders, ja beter, kunnen verwerken dan de vondst van de
vermoorde Lieke. ‘Ik merkte dat ik nieuwsgierig werd naar het meis-
je, me afvroeg uit wat voor gezin ze kwam, wat voor leven ze had ge-
leid.’ Gaandeweg realiseerde Stan zich ook dat hij en zijn drie vrien-
den per toeval een ‘goede daad’ hadden verricht. Wat zou er gebeurd
zijn als zij die middag niet precies op die plek met een stok in het
struikgewas hadden geslagen? Stan: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Lieke
dan waarschijnlijk nooit gevonden was en haar ouders tot op dit mo-
ment in onzekerheid hadden verkeerd. In die zin geeft het me toch
wel een heel fijn gevoel dat wij die ontdekking hebben gedaan.’ Hoe
buitenissig de vondst was, bleek wel toen Stan Wieriks het incident
uit zijn jeugd pas onlangs vertelde aan zijn eigen zoon, die nu dertien
jaar is en bijna de leeftijd heeft van zijn vader destijds. ‘Hij keek me
met grote ogen aan toen ik het hem vertelde. Hij kon bijna niet gelo-
ven dat ik dat had meegemaakt. En dat heeft mijzelf, na al die verstre-
ken jaren, ook weer doen beseffen wat we eigenlijk hebben beleefd.’

– 151 –
De moord op Lieke Snel is inmiddels verjaard. Ze ligt begraven in het
Belgische grensdorp Klein-Ternaaien. Wie brengt er nog licht in dit
drama dat vier Limburgse jongens bij toeval ontdekten en dat hun le-
ven sindsdien heeft beïnvloed?

– 152 –
Wat is uw pincode?

Op maandag 14 april 2003 werd er ’s morgens om een uurtje of elf


aangebeld bij een woning in de Van Eykstraat in Vianen. De bewoon-
ster, de 87-jarige weduwe Annie, schuifelde naar de deur, waar een
meisje van een jaar of tien voor stond met een doosje bonbons in haar
handen. Ze stelde zich netjes voor en vertelde dat ze bij haar oma, die
volgens haar verderop in de straat woonde, aan de deur was geweest,
maar dat deze niet thuis was. Het meisje vroeg of Annie misschien
een briefje voor haar wilde schrijven, zodat ze oma kon laten weten
dat ze op bezoek was geweest en dat het doosje chocolade bij haar
stond. De bejaarde weduwe hoorde het relaas vertederd aan en liet
haar binnen om het briefje te schrijven. Met bibberige hand voldeed
ze aan de keukentafel aan het verzoek, terwijl het kind met grote ogen
de woning rondkeek. En toen het meisje vroeg of Annie misschien
ook een biljet van vijftig euro kon wisselen, omdat ze nog een bood-
schapje moest doen, pakte ze zonder argwaan haar portemonnee en
liet deze daarna op de tafel liggen, terwijl het aardige meisje honderd-
uit babbelde en nieuwsgierig door de woning liep. Vlak voordat het
kind wegging vroeg ze nog om het telefoonnummer van Annie, zodat
ze later even kon informeren of oma de chocolade werkelijk had op-
gehaald. Ook dat schreef Annie bereidwillig op. Vrolijk uitgezwaaid
door de weduwe liep het meisje even later het huis weer uit.

Diezelfde middag werd Annie opgebeld. Een zware mannenstem


stelde zich voor als politieman van de regio Utrecht en zei de bejaarde
vrouw dat haar bankpasjes waren gevonden en dat ze die waarschijn-
lijk had verloren. ‘Maar geen zorgen, mevrouwtje...’ voegde hij eraan
toe, de politie had alles al geregeld en de pasjes direct bij de bank la-
ten blokkeren. Voor de formaliteiten moesten ze alleen haar pincode
nog even weten, vertelde de opbeller op geruststellende toon. Annie
pakte direct haar portemonnee en zag tot haar grote schrik dat de po-
litieman gelijk had: de pasjes waren verdwenen. En omdat ze een

– 153 –
week of twee geleden voor het laatst gepind had, wist ze niet meer
wanneer ze dan precies kwijtgeraakt konden zijn. Maar wat een geluk
dat ze nu gevonden waren! En ja, wat doe je als 87-jarige vrouw als er
zo’n behulpzame politieman opbelt? Juist, dan geef je natuurlijk je
pincode...

Nadat de politie had opgehangen nam Annie contact op met haar


kleindochter Angelique en vertelde in geuren en kleuren dat de poli-
tie had opgebeld omdat ze haar bankpasjes had verloren, maar dat
deze gelukkig ook weer waren gevonden. Angelique, een gisse meid
die op de markt staat, rook echter direct onraad en belde de politie.
‘Nee, mevrouw, natuurlijk vragen wij geen pincodes door de telefoon!’
kreeg ze te horen. En nee, er waren helemaal geen bankpasjes van
oma Annie gevonden... Had de politie daarover gebeld? Nee hoor, dat
kon niet...

Hier was geraffineerd bedrog in het spel en alle puzzelstukjes vielen


in elkaar toen oma het relaas van die ochtend deed: het aardige meisje
aan de deur, het ronddrentelen in het huis, het wisselen van het geld,
tot en met het vragen van het telefoonnummer. Er was haast geboden.
Nu moesten de pasjes écht geblokkeerd worden. Snel racete Angeli-
que met oma naar de bank, maar het was al te laat. De daders hadden
meteen geld opgenomen en niet zo weinig ook. Bij een bruidszaak (!)
was voor 2500 euro aan kleding afgerekend en er was ook nog eens
2000 euro gepind. Geld dat oma Annie voor haar eigen begrafenis
had gespaard, omdat zij nou eenmaal niemand – zelfs haar kinderen
niet – tot last wil zijn, ook niet op haar laatste reis.

Kleindochter Angelique kaartte de hele kwestie een paar maanden ge-


leden bij me aan. Ik vond het een schofterige streek en wilde graag
helpen. Ik zag daar ook wel mogelijkheden toe, want bij de pinauto-
maat waren er waarschijnlijk video-opnamen gemaakt en die konden
we natuurlijk in mijn programma tonen. Ik belde de recherche in
Utrecht, maar daar wimpelde men dat aanbod af. ‘Nee, dank u wel,
we doen ons eigen onderzoek,’ klonk het op een nogal afgemeten
toon alsof men alles liever had dan dat wij ons ermee zouden be-
moeien. Eerlijk gezegd betwijfelde ik een beetje of er van hun onder-
zoek veel terecht zou komen, want meestal loopt de recherche niet zo

– 154 –
hard bij ‘kleine’ oplichtingszaken, maar dat was uiteindelijk een ver-
gissing. Het bleek om een professionele bende te gaan van zes man-
nen en een paar vrouwen die op deze wijze al meer dan honderd
slachtoffers had gemaakt. De politie rekende hen een poosje later in
en vond bij huiszoekingen onder meer de bankpasjes van oma Annie
terug. En nu maar hopen dat de daders de volle mep krijgen, want lie-
den die zich met dit soort praktijken bezighouden zijn in mijn ogen
de échte klootzakken van onze samenleving!

– 155 –
Moord zonder lijk

De meest pijnlijke, gênante vergissing die je kunt maken, is iemand


dood verklaren, die nog springlevend is. Hoewel het voor de per-
soon in kwestie natuurlijk altijd beter is dan het omgekeerde: dat je
levend gewaand wordt, maar in werkelijkheid dood bent. Zo werd in
Leeuwarden in het voorjaar van 2003 nog een man wegens diefstal
tot een werkstraf van 240 uur en een boete van 28.000 euro veroor-
deeld, die al in juni 2002 was begraven. Foutje van de burgerlijke
stand. Kwalijker was het incident dat eind maart 2003 in Rotterdam
plaatsvond. Buren klaagden er over stank in een woning aan de
Krabbendijkestraat en toen de politie ging kijken, troffen zij tussen
de afgetrapte inboedel, rommel en huisvuil het in vergaande staat
van ontbinding verkerende lijk van de 59-jarige hoofdbewoner Dirk
Schoof aan. Tenminste, dat dachten ze.... Schoof stond bekend als
een zonderlinge, afgegleden figuur en de omstandigheden van zijn
dood pasten daar goed bij. Het stoffelijk overschot had er al zo lang
gelegen dat het niet meer geschikt was voor een visuele identificatie.
Op 2 april werd Schoof ten grave gedragen door een handjevol opge-
trommelde familie, met wie hij nauwelijks meer contact had, maar
die toch voor een passend afscheid hadden gezorgd: bloemen en toe-
spraken.

Een paar dagen na de plechtigheid rinkelde bij een familielid de tele-


foon: het was de overleden Dirk Schoof! De 59-jarige Rotterdammer
zat springlevend in een huis van bewaring wegens een aantal niet be-
taalde boetes en had in zijn cel in de regionale krant een overlijdensbe-
richt van zichzelf gelezen. Er was een afschuwelijke fout gemaakt.Wat
bleek: Dirk had tijdens zijn gedwongen afwezigheid z’n woning ter be-
schikking gesteld aan een vriend, Johan Noordzij, en deze leeftijdge-
noot was er een natuurlijke dood gestorven. Heel pijnlijk allemaal. Niet
alleen was de verkeerde persoon begraven, maar diens nabestaanden
waren door de naamsverwisseling ook nog eens volkomen onkundig

– 156 –
van zijn dood gebleven en hadden geen afscheid kunnen nemen.
Schoof zelf kon er overigens best om lachen, zo gaat het verhaal, hij
hoorde nu wie er op zijn begrafenis waren geweest, welke woorden er
waren gesproken, maar bijvoorbeeld ook wie er weg waren gebleven.
Altijd nuttig om te weten in de jaren die je nog resteren.... Volgens de
gemeente Rotterdam is inmiddels alles weer ‘rechtgezet’ en is de ech-
te dode herbegraven.

Nog erger dan het bovenstaande verhaal is misschien wel dat je ver-
oordeeld wordt voor een moord die je niet hebt gedaan. Sterker nog,
voor een moord die niet eens is gepleegd. In april van 2003 ontstond
er in Rockhampton in Australië grote opschudding toen midden in
een geruchtmakend moordproces het vermeende slachtoffer onge-
deerd bleek te zijn. De 51-jarige Leonard John Fraser stond in Queens-
land terecht op de beschuldiging dat hij vier jaar eerder de 14-jarige
Natasha Ryan om het leven had gebracht. Haar lijk was weliswaar
nooit gevonden, maar niemand twijfelde eraan dat het meisje was
vermoord. De familie had herdenkingsdiensten gehouden en in de
vier jaar die inmiddels sinds haar verdwijning waren verstreken, was
er ook nooit meer een levensteken geweest. Maar tijdens het proces
kreeg de politie ineens een tip dat het moordslachtoffer op nauwelijks
een kilometer afstand van haar ouderlijk huis in Rockhampton woon-
de bij een 26-jarige vriend. Toen de politie ging kijken trof men er in-
derdaad een jonge vrouw aan die sprekend leek op de verdwenen Na-
tasha, die natuurlijk nu vier jaar ouder was. Er werd opgewonden
gebeld met haar moeder en gezegd: ‘We hebben haar gevonden!’
Deze veronderstelde aanvankelijk dat hiermee werd bedoeld dat het
stoffelijk overschot van haar dochter eindelijk boven water was geko-
men en kreeg bijna een hartverlamming toen haar werd bericht dat
Natasha still alive was. Kort daarna werd zij met haar ouders her-
enigd. Het vriendje was een goede bekende van de ouders en van de
politie. Hij was in 1995 al eens gearresteerd toen Natasha van huis
was weggelopen en hij obstructie pleegde bij het politieonderzoek.
Kennelijk was niemand op het idee gekomen om nog eens bij hem te
gaan kijken na haar nieuwe verdwijning eind 1998. En Natasha Ryan
zelf durfde na verloop van tijd uit schaamte en angst niets meer van
zich te laten horen. Zo waren de jaren verstreken.

– 157 –
Wat had dit voor consequenties voor Leonard Fraser, die immers te-
rechtstond voor de moord op Natasha? Nou, de officier liet de aan-
klacht direct vallen, dat kon ook moeilijk anders natuurlijk. Beteken-
de dit dat hij, overladen met excuses en voorzien van een royale
schadevergoeding, vrijuit ging? Nee, dat niet. Fraser zat op het mo-
ment van het proces al een straf uit van levenslang voor de verkrach-
ting van en moord op een 9-jarig meisje en werd beschuldigd van nóg
drie andere moorden op vrouwen. En van hen waren de lijken wel ge-
vonden...

– 158 –
Marteling via de tandtelefoon

In oktober 2002 kreeg ik een e-mailtje van een zekere Richard L. uit
een Brabants dorp. ‘Ik zit met een probleem,’ opende hij zijn bericht.
‘Ik ben het slachtoffer van een slimme, nieuw soort misdaad: geeste-
lijke gevangenschap en mentale marteling. In mijn geval is een aftas-
ting van het frequentiebereik en een extractie van een tandtelefoontje
uit mijn linkerbovenkies nodig.’ Hè?! Wat? Ik las het nog keer en
zuchtte diep. Ja, het stond er echt. Daar heb je er weer zo één, dacht ik
en ik stond op het punt om het mailtje te verfrommelen. Voor dat
soort onzin heb ik geen tijd. Maar tegelijkertijd raakte mijn nieuws-
gierigheid toch enigszins geprikkeld en vroeg ik me af hoe de schrij-
ver zijn bizarre verhaal zou uitbouwen... En dus zag ik van mijn voor-
nemen af en las dat het geheime zendertje in zijn kies stiekem was
geplaatst door de dorpstandarts, die hiervoor was geïnstrueerd door
de geheime diensten. Via dit zendertje werd hij gestuurd, gemarteld
en geïndoctrineerd. U zult hier misschien van opkijken en lachen te-
gelijkertijd, maar ik verzeker u dat er ongelooflijk veel mensen rond-
lopen in Nederland die menen dat zij het doelwit zijn van geheime
diensten. Ja heus, de wereld is één groot complot!

Elke week meldt zich wel iemand bij de redactie van mijn program-
ma, die bloedserieus meent dat hij wordt bespioneerd, afgeluisterd,
gevolgd en geterroriseerd door geheim agenten van de cia, de kgb, de
aivd (de voormalige bvd) of alledrie tegelijk. Ik ben jaren geleden wel
eens in Amsterdam bij iemand thuis geweest die haar woning van
onder tot boven met aluminiumfolie had afgeplakt om radiogolven te
‘immuniseren’ en de door de veiligheidsdienst in de cementvoegen
van de buitenmuur verborgen microfoontjes te storen. De slachtof-
fers zijn ervan overtuigd dat hun telefoon wordt afgetapt, hun post
wordt onderschept, iedere stap buiten de deur wordt geobserveerd en
dat bezoek aan hen feilloos wordt geregistreerd. Via krampachtige
omwegen nemen ze soms contact met mij op en fluisteren zenuw-

– 159 –
achtig en snel hun verhaal, want, o wee, als ‘ze’ horen dat het slachtof-
fer mij benaderd heeft, nou, dan is het einde nabij! De dagelijkse jour-
naaluitzendingen op televisie zijn in hun beleving niet bedoeld om de
bevolking te informeren, maar worden gebruikt om geheim agenten
te instrueren. Ja, de kwinkslagen van Philip Freriks zijn in werkelijk-
heid geraffineerd gekozen ‘codewoorden’ en de brede armgebaren
van weerman Erwin Krol voor de kaart van Nederland zeggen niet zo-
zeer iets over de weersvoorspelling, maar zijn voor bepaalde ‘cellen’
verplaatsingsopdrachten. En weet wel u dat de groenteboer en de sla-
ger op de hoek ook ingeschakeld zijn en dat zij hun appels en karbo-
naadjes bewerken met chemische middelen die je geestelijke weer-
stand afbreken, waardoor je een weerloos instrument in de handen
van de geheime dienst wordt?

Op het moment dat je daar bij zo iemand één kritische vraag over
stelt, of één relativerende opmerking maakt, staat voor de ‘slachtof-
fers’ vast dat je ook bent gerekruteerd door een van de spionagenet-
werken en wordt het contact meestal abrupt verbroken.

Ik legde de brief van Richard L. glimlachend terzijde en vergat zijn


probleem algauw. Maar begin dit jaar ontving ik opnieuw post van
hem. Hij had het er niet bij laten zitten en had nu ook het ministerie
van Binnenlandse Zaken, waar de Nederlandse Veiligheidsdienst on-
der ressorteert, aangeschreven. Hij meldde daarin dat niet alleen hij,
maar nu ook zijn broer, door het geïmplanteerde tandtelefoontje in de
macht van de geheime dienst was geraakt. ‘Conditionering via de
ether,’ noemde hij het zelf. Als ‘bewijs’ had hij de afsprakenkaart van
zijn tandarts bijgevoegd, een ticket van Singapore Airlines en een e-
mail aan de Amerikaanse ambassade. Tja. Hij schreef het ministerie
dat hij via de zender in zijn kies werd klaargestoomd als crimineel die
voor de overheid bepaalde diensten kon verrichten. De transformatie
van burger tot boef werd aangestuurd door politieagenten uit zijn ge-
boortedorp. Een paar weken later kreeg L. officieel antwoord van de
minister van Binnenlandse Zaken – ja, dan weet u waar hij zich alle-
maal mee bezig (moet) houden: ‘Ik kan u verzekeren dat de aivd de
door u beschreven methode niet hanteert,’ liet de bewindsman offici-
eel weten. Alsof Richard daar ook maar één woord van zou geloven.
‘Ik hoop hiermee uw vraag naar tevredenheid te hebben beantwoord,’

– 160 –
sloot de minister niettemin ambtelijk af. Nou, dat was natuurlijk niet
het geval, want Richard L. nam wederom contact met mij op. Of wij
niet behulpzaam konden zijn bij het verwijderen van het zendertje in
zijn gebit. Als wij die konden ontmantelen, zouden we aan de hand
van herkenningstekens, serienummers, gebruikte technologie en
niet te vergeten de ingeschakelde frequentie tot de kern van het spio-
nagenetwerk kunnen doordringen, voorspelde Richard. Of ik daar
iets op kon laten horen?

Ja, Richard, ik zal erover nadenken... Ik stuur wel een berichtje via je
kies, oké?

– 161 –
De doem der verdenking

Op donderdagochtend 13 juni 1991 werd op het talud van de Moer-


vaart in Bergen op Zoom, vlak bij vuilstort De Kragge, het stoffelijk
overschot gevonden van Jessica Richel. Het 18-jarige meisje woonde
in het naburige Etten-Leur en had de avond daarvoor in een sportcen-
trum een zonnebankje genomen, was vervolgens op de fiets naar huis
gegaan en was daarna verdwenen. Jessica was half ontkleed, gewurgd
en haar keel bevatte overdwars twee diepe snijwonden. Desondanks
had de moordenaar ook nog eens twee plastic tassen over haar hoofd
gedaan. Op grond van gevonden spermasporen ging de recherche uit
van een zedenmisdrijf, maar helemaal zeker was dat niet.

In de eerste jaren van mijn programma heb ik me veelvuldig met


deze gruwelijke misdaad beziggehouden en heb ik Jessica’s moeder
Conny en haar (stief)vader Rien goed leren kennen. In 1996 riepen
ze mijn hulp in toen de moord onopgelost dreigde te blijven. Op dat
moment was stiefvader Rien al gearresteerd geweest, op verdenking
dat hij zélf de hand had gehad in dit gruwelijke misdrijf. Zijn aanhou-
ding gebeurde op nogal dubieuze gronden, maar dat wist de buiten-
wereld uiteraard niet. Door een fout van een ambtenaar was in een
dossier – ten onrechte – opgenomen dat Rien zijn stiefdochter mis-
handelde. Toen duidelijk werd dat dit een vergissing betrof, moest hij
weer worden vrijgelaten, maar was het kwaad al geschied: jarenlang
werd hij door velen gemeden en met een schuin oog aangekeken. Het
was voor hen het bijna klassieke verhaal: stiefvader misbruikt doch-
ter. Ook binnen de politie waren er mensen die bleven geloven dat
Rien er meer van wist. Voor Jessica’s moeder Conny was de moord op
haar dochter en de verdenking van haar echtgenoot een kruis dat voor
een mens te zwaar was. Ik heb gezien hoe zij en Rien kapotgingen.

In 1996 besteedde ik een uitzending aan de zaak en deed een oproep


aan getuigen om zich te melden. Dat leverde goede tips op. Ik werd

– 162 –
benaderd door een vrouw die zei dat haar ex-man, de toen 45-jarige
Ier Don C. uit St. Willebrord, de gruwelmoord tegen haar had opge-
biecht. Hij had haar allerlei tot dan onbekende bijzonderheden over
het misdrijf verteld, zei ze, onder meer over de kleur van Jessica’s on-
dergoed. Ze meldde dat hij ’s nachts vaak met zijn Mercedes ging toe-
ren en dat ze dan niet wist waar hij uithing. Volgens haar hadden ze
het op een intiem moment ooit eens over geheimen met elkaar gehad
en toen zou C. haar in het oor hebben gefluisterd: ‘Weet je wat exci-
ting is? De laatste vijf minuten uit iemands leven... en dan in hun
ogen kijken en weten dat ze doodgaan.’ Zoiets kon alleen een moor-
denaar vertellen. Het was een lugubere, maar serieuze getuigenis van
de ex-vrouw en ik speelde deze door aan de recherche, die een uitge-
breid onderzoek begon. Een aantal weken later, op de avond van onze
tweede uitzending over de moord, werd C. gearresteerd. Het was een
spectaculaire doorbraak en iedereen was opgetogen. Toch moest de
van meet af aan ontkennende Don C. na zeventien dagen hechtenis
worden vrijgelaten. Zijn dna kwam niet overeen met het gevonden
sperma. Wel bleef hij voor justitie nog verdacht, zo zei men in een
persbericht, maar dat was meer bedoeld als eervolle aftocht dan dat
het nog een aanknopingspunt bood. Langzaam maar zeker zakte de
arrestatie van Don C. daarna weg in de vergetelheid.

Pas in april 2003 – bijna twaalf jaar na de moord – werd de zaak echt
opgelost, nadat het Landelijk Team Kindermoorden (ltk) zich met de
zaak ging bemoeien en een aantal waardevolle aanbevelingen deed
aan het rechercheteam dat de zaak onderzocht. De 35-jarige Cornelis
de R. werd aangehouden en zijn dna kwam wél overeen met de aan-
getroffen sporen. Ik was er ontzettend blij mee en kreeg Conny hui-
lend aan de telefoon. Eindelijk, eindelijk was het zover... en eindelijk
werd stiefvader Rien definitief van alle blaam gezuiverd.

Niet lang daarna ontving ik echter ook een brief van andere betrokke-
nen, de familie van de eerder verdachte Don C. ‘Godzijdank is de
moord op Jessica opgelost, maar zij is niet het enige dodelijke slacht-
offer in deze zaak,’ schreven zij verbitterd. ‘Don wilde de schande van
zijn arrestatie geheimhouden voor zijn familie en vrienden. Hij heeft
onschuldig een paar weken vastgezeten tussen zware criminelen. Dit
heeft enorme impact gehad op zijn leven. Hij is gestorven aan een

– 163 –
hartaanval, maar wij twijfelen er niet aan dat dit is veroorzaakt door de
stress van deze zaak,’ aldus de familie. Volgens hen was de getuigenis
van de ex-vrouw een berekenende wraakoefening in plaats van een
goed bedoelde bijdrage. ‘En wat ons verbaast en ziek maakt is dat wij
een oom en broer verloren hebben en niemand maar dan ook niemand
aan hem of aan ons ooit een verontschuldiging heeft aangeboden.’

Na zo’n brief ben je even stil. Ik heb hen teruggeschreven en later op-
gebeld. We hebben een goed gesprek gehad. Je kunt misschien niet
zeggen dat een hartaanval vier jaar na dato in relatie staat tot een onte-
rechte arrestatie, maar wat ik wel alsnog nadrukkelijk zeg is dit: Don
C. was onschuldig, net zo onschuldig als stiefvader Rien... Wat hen is
overkomen is een regelrecht drama. En dat spijt mij oprecht, beste
familie...

– 164 –
Prisoner 466/64

Het klinkt misschien gek, maar ik word aangetrokken door gevange-


nissen en huizen van bewaring. Terwijl de meeste mensen alles doen
om er vandaan te blijven, wil ik er altijd graag een kijkje nemen. In de
loop der jaren ben ik in Nederland honderden keren – misschien wel
meer dan duizend keer – in gevangenissen op bezoek geweest. Het is
altijd prettig als je in de maatschappelijke discussies over het gevan-
geniswezen (het zijn hotels... er kunnen makkelijk twee man op een
cel) weet waar je het over hebt. Ik heb wel eens eerder geschreven dat
mijn topografische kennis van Nederland voor een groot deel samen-
hangt met de plaatsen waar penitentiaire inrichtingen zijn gevestigd.
Ook als ik op vakantie in het buitenland ben, probeer ik gevangenis-
bezoek in mijn reis op te nemen. Een paar jaar geleden, tijdens een
rondreis door Amerika, deed ik speciaal San Francisco aan voor een
bezoek aan Alcatraz, bijgenaamd ‘The Rock’, misschien wel ’s we-
relds meest beruchte gevangenis. The Rock is een eiland voor de
Amerikaanse kust waar vanaf 1934 ’s lands grootste gangsters wer-
den opgesloten in een maximum security-regiem. Na tal van inciden-
ten en spectaculaire ontsnappingspogingen – met soms dodelijke af-
loop – werd de gevangenis in 1963 op last van de minister van Justitie
Robert Kennedy gesloten. Sindsdien is het een museum en het was fas-
cinerend om er een middag in de celblokken rond te lopen. Het zag er-
uit als in de film: lange, verveloze galerijen met ‘open’ cellen, waar al-
leen een dik traliehekwerk voor schoof. De cel was, schat ik, niet groter
dan tweeënhalve meter bij anderhalve meter. Een minuscuul opklapta-
feltje aan de muur. Een bed, een open wc-pot (waar iedereen op de gale-
rij bij gebruik van kon ‘meegenieten’) en een boekenplankje aan de
muur. Dat was alles. En daar hebben diverse criminelen soms tiental-
len jaren doorgebracht. Ik kwam er in de cellen van beruchte, wereld-
wijd bekend geraakte criminelen, zoals kidnapper ‘Machine Gun’ Kelly,
politiekiller Alvin ‘Creepy’ Karpis, ontsnappingkoning Roy Gardner,
maffialeider Al Capone en moordenaar Robert ‘the Birdman’ Stroud,

– 165 –
over wiens detentie een beroemde film is gemaakt. Ik hoorde er op
een geluidsbandje haast ongelooflijke verhalen van ex-gedetineerden
over het harde gevangenisbeleid. Twee weken volledige isolatie, in
een pikdonkere cel, was een zeer gangbare straf voor een kleine over-
treding. Een van hen vertelde dat gedetineerden dan om niet gek te
worden een knoop van hun shirt trokken en deze door de donkere cel
wierpen. Vervolgens tastten zij, kruipend op handen en voeten, de
vloer af op zoek naar het knoopje en was er weer een kwartiertje om...

In de zomer van 2003 was ik in Zuid-Afrika op vakantie en had ik


mijn zinnen gezet op een bezoek aan Robbeneiland, bijgenaamd de
‘Hell Hole’, waar onder anderen ‘prisoner 466/64’ Nelson Mandela
achttien jaar in de zwaarbewaakte gevangenis heeft gezeten. Robben-
eiland ligt ruim tien kilometer buiten Kaapstad in de oceaan. Ont-
snappen zonder boot was onmogelijk, net als op Alcatraz. Het is een
bezoek geweest dat mij zeer heeft geraakt. Het was enerzijds ontroe-
rend, maar anderzijds voelde ik grote woede in mij opkomen over het
enorme onrecht, de stelselmatige vernederingen, de treiterijen en
ontberingen die deze man zijn aangedaan door de blanke regering in
een misdadige poging hun eigen belangen te beschermen. Voor de
veroordeelden in Alcatraz gold dat zij daadwerkelijk zware misdrijven
hadden gepleegd en dus straf verdienden. Nelson Mandela daarente-
gen zat uitsluitend om een denkbeeld. ‘We are fighting for the noblest
cause on earth, the liberation of mankind,’ schreef een andere politie-
ke gevangene op Robbeneiland ooit treffend. En terwijl Alcatraz in
1963 werd gesloten, werd de ‘Hell Hole’ op Robbeneiland juist in die
periode geopend. Het celletje van Mandela was nog kleiner dan dat op
Alcatraz. Jarenlang moest hij gewoon op een matje op de koude be-
tonvloer slapen, ondervoed, gesloopt door dwangarbeid en ook ’s win-
ters slechts gekleed in een korte broek en open sandalen. Een keer
dertig minuten bezoek per halfjaar, dat voor het minste of geringste
kon worden ingetrokken. Brieven aan zijn familie die niet werden ver-
stuurd of bezorgd. Zijn geest moest gebroken worden en op die taak
heeft men zich op Robbeneiland vol verve gestort, achttien jaar lang.
In totaal heeft Mandela zelfs 27 jaar in gevangenschap gezeten. De
enige reden dat de donkere Zuid-Afrikaan het overleefde, was dat hij
bereid was voor zijn principes te sterven... En zie wat er gebeurde
toen de geschiedenis eindelijk, eindelijk een wending nam. Nelson

– 166 –
Mandela, die alle recht van de wereld had om blanken tot in de eeu-
wigheid te haten, sloot zijn vijanden in de armen. En toen hij zelf als
president het roer in handen kreeg, voerde hij geen wraakpolitiek,
was er geen sprake van verbittering of discriminatie. Integendeel: hij
maakte oprechte gebaren van verzoening en vriendschap naar iedere
Zuid-Afrikaan. Om de grootsheid daarvan te kunnen begrijpen, moet
je misschien eerst voor de tralies van cel nummer 5 in de B-sectie van
de maximum security prison Robbeneiland hebben gestaan, zoals ik
onlangs. Toen ik daar de levensgeschiedenis van Mandela op me liet
inwerken, besefte ik meer dan ooit dat hij tot de allergrootsten op aar-
de behoort, het levende bewijs dat moed en vastberadenheid uiteinde-
lijk triomferen over de kracht van het kwaad. En dat is een ervaring
die ik niet had willen missen en die eigenlijk iedereen zou moeten
meemaken...

– 167 –
De dubieuze methoden van hp/de tijd 2

Een aantal hoofdstukken geleden berichtte ik over een controverse


die ik aan het uitvechten was met het weekblad hp/De Tijd en zijn
verslaggever Stan de Jong. hp/De Tijd had in januari 2003 een om-
slagartikel aan mij gewijd met als kop: hoe betrouwbaar is peter r.
de vries? In maar liefst tien dichtbedrukte pagina’s mocht ‘onder-
zoeksverslaggever’ Stan de Jong zijn frustraties de vrije loop laten. De
Jong hyperventileerde over twee uitzendingen van mijn programma
over de ‘Deventer moordzaak’. Slachtoffer was de 60-jarige weduwe
Jacqueline Wittenberg en hoofdverdachte was haar financieel advi-
seur Ernst L. die door het gerechtshof tot twaalf jaar cel was veroor-
deeld, nadat hij eerder door de rechtbank was vrijgesproken. In de
uitzendingen waren de voors en tegens van die veroordeling belicht,
maar kennelijk niet naar de zin van De Jong die zonder enige reserve
– alsof hij er op de plaats delict zelf is bij geweest – meent dat L. on-
schuldig is en slachtoffer van een gerechtelijke dwaling. Ik zeg niet
dat Ernst L. schuldig is, maar ook (nog) niet dat hij onschuldig is. Zo
simpel ligt het helaas niet in deze zaak. Voor De Jong betekende dit in
zijn schotschrift echter dat ‘ik erop gebrand was’ om Ernst L. in de ge-
vangenis te houden, terwijl ik heel goed wist dat hij onschuldig was. En
waarom? Omdat ik het niet zou kunnen verkroppen dat er na mijn in-
spanningen in de Puttense moordzaak nog een revisie – een herzie-
ningsproces – in een strafzaak zou komen: de Deventer moordzaak
dus. Hoe verzin je het, vraag je je af. Nou, De Jong kostte het geen enke-
le moeite, pagina na pagina wist hij dit soort stellingen te fabriceren,
met als hoofdkop: de dubieuze methoden van peter r. de vries.
Omdat niemand dit mocht ontgaan, gooide hp/De Tijd er ook nog een
reclamespotje op tv tegenaan. En hoewel het verhaal de lengte van een
traploper had, stond er geen regel, maar dan ook geen regel weerwoord
van mij in. Gevolg was dat het artikel tal van feitelijke en makkelijk aan-
toonbare onjuistheden bevatte, die bij één belletje direct ontzenuwd
hadden kunnen worden. Maar ja, dat was niet de bedoeling van hp/De

– 168 –
Tijd. Je moet een mooi verhaal natuurlijk niet ‘stuk checken’. Twee
weken later moest het blad – na tussenkomst van advocaten – een
pijnlijke, hoofdredactionele rechtzetting publiceren.

Maar daarmee liet ik hp/De Tijd niet wegkomen. Een correctiekader


tegenover tien pagina’s insinuaties was nog wat in onbalans. Ik dien-
de daarom ook nog een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek en
de zitting daar werd voor Stan de Jong een verbaal bloedbad. Hij werd
er zwart op wit met het bewijs van zijn onjuistheden om de oren ge-
slagen. Met rood hoofd, stotterend en stamelend probeerde hij alsnog
recht te praten wat krom was. Voorzitter mr. J.B. Fleers, lid van de
Hoge Raad, hoorde het bijna meewarig, maar ook met een zekere irri-
tatie aan en zei op een cruciaal punt in het artikel van Stan de Jong:
‘Laten we nou wel wezen, meneer De Jong, uw verhaal stort toch als
een kaartenhuis in elkaar?’ De Jong kwam in zijn repliek niet verder
dan wat gehakkel. Voor het begin van de zitting had De Jong mij op
de gang nog opgewekt de hand willen schudden, die ik weigerde: van
iemand die me in tien pagina’s ongefundeerde beschuldigingen poot-
je probeert te lichten zonder één woord wederhoor, accepteer ik alleen
een hand als hij zijn verontschuldigingen aanbiedt. De hoofdredac-
teur van hp/De Tijd was kwaad over mijn weigering en schreef in een
brief: ‘Over uw omgangsvormen kan ik kort zijn: geen niveau.’ Ik ant-
woordde toen op deze plek: ‘Eens kijken hoe het niveau van hp/De
Tijd is als de Raad voor de Journalistiek uitspraak doet.’ Welnu, die
uitspraak is in de zomer van 2003 gedaan en was voor iedereen die de
feiten en achtergronden kende bepaald geen verrassing: hp/De Tijd
en Stan de Jong hebben op alle punten verloren. De klacht is volledig
gegrond verklaard. De lezer van hp weet echter niets van die uit-
spraak af, want het zo op goede omgangsvormen gestelde weekblad
heeft daar niets van gepubliceerd, terwijl dat in de rest van de journa-
listiek een goed gebruik is. Maar niet bij hp/De Tijd dus. Als men een
ander de maat neemt, zijn tien pagina’s zonder weerwoord nauwe-
lijks genoeg, maar als men zelf wordt gewogen en te licht bevonden,
dan zwijgt men. De lafbekken. Over ‘geen niveau’ gesproken. In Het
Parool, die aandacht aan de kwestie besteedde, meesmuilde De Jong
na het smadelijke verlies: ‘Wij erkennen de Raad voor de Journalis-
tiek niet. Mijn hoofdredacteur noemt die een Mickey Mouse-recht-
bank.’ Ook bleef hij ondanks alle aangetoonde fouten roepen dat hij

– 169 –
alles ‘nauwgezet’ had onderzocht, kennelijk niet beseffende dat hij
daarmee alleen maar meer door de mand viel. ‘Waar het mij om gaat,’
zo vervolgde hij plechtig, ‘is dat de journalistiek de aanjager moet zijn
in het controleren van justitie.’ Wat een giller! Dat je zoiets durft te
zeggen nadat je net zelf zo’n brevet van onvermogen hebt uitgereikt
gekregen. Als er iets gecontroleerd moet worden, Stan de Jong, dan
zijn het wel de ‘canards’ van jou en hp/De Tijd, zeg maar de ‘Donald
Duck-journalistiek’...

– 170 –
Een civiele kwestie?

Als je slachtoffer bent geworden van een misdrijf en toevallig een


kenteken hebt onthouden, een aardige beschrijving van de daders
kunt geven, of misschien zelfs wel een naam of adres van hen weet,
verwacht je dat de politie daar als de wiedeweerga achteraan gaat. ‘It
goes without saying,’ zeggen de Engelsen treffend. Maar in Neder-
land ‘goes’ dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Het feit dat het col-
lege van procureurs-generaal in Den Haag op dit gebied onlangs –
met ingang van 1 maart 2003 – een zogenaamde ‘aanwijzing’ heeft
gegeven aan politie en justitie om dit soort delicten altíjd aan te pak-
ken, geeft al aan dat dit kennelijk niet staande praktijk was.

Integendeel, uit eigen praktijk kan ik u schrijnende voorbeelden noe-


men van slachtoffers die met concreet feitenmateriaal over daders op
het politiebureau werden afgepoeierd in plaats van geholpen. Vaak
weigert men botweg de aangifte op te nemen en alleen als het slacht-
offer op zijn strepen gaat staan, noteert men – zuchtend – zijn relaas
om dat vervolgens onder in een la te laten verdwijnen, ook al is er vol-
doende bewijsmateriaal, zijn er bovendien ooggetuigen en zijn de
verdachten met naam en toenaam bekend. Het spoort de recherche
dikwijls niet echt aan om in actie te komen. Wat zegt u? De verdach-
ten snel met hun daden confronteren voordat ze bewijsmateriaal ver-
donkermanen of verklaringen op elkaar afstemmen? ‘Mevrouwtje,
wij bepalen zélf de volgorde van onze werkzaamheden...’ En dus
wordt daar vaak wekenlang mee gewacht. Papier is geduldig. Om ver-
volgens te rapporteren dat de precieze loop van de gebeurtenissen
niet meer te achterhalen is (omdat er te veel tijd sindsdien is verstre-
ken). Zaak gesloten! Dat soort dingen, in eindeloze varianten, krijg ik
elke dag op mijn bureau. Ik herinner me de ondernemers die een
paar jaar geleden werden afgeperst door de zigeunerfamilie Petalo.
Deze bende rekende voor simpel slijpwerk van wat boortjes of zaag-
bladen tienduizenden euro’s en als er niet snel werd betaald, werden

– 171 –
de directieleden en hun echtgenoten thuis onder druk gezet met niet
misselijke dreigementen. Hun zaak zou in vlammen opgaan en zij-
zelf – of hun kinderen! – zouden worden gemolesteerd. Een golf van
terreur, maar aangifte opnemen, ho maar. Nee, dit was een ‘civiele’
kwestie en geen strafrechterlijke, zo hield men de slachtoffers ijskoud
voor. Het is niet meer dan een gewoon zakelijk geschil over een beta-
ling. En daar is de politie niet voor, daarvoor moet u een advocaat in-
schakelen, goedemiddag! Pas toen wij met de verborgen camera de
afpersingspraktijken aantoonden werd er een speciaal team gefor-
meerd, 200 aangiften (!) genoteerd en werden de Petalo’s gearres-
teerd en uiteindelijk veroordeeld.

Met name oplichters, fraudeurs, flessentrekkers en helers hebben vrij


spel in Nederland. De politie is niet geïnteresseerd. De zaken kosten
te veel tijd en omdat de gemiddelde rechercheur vaak niet eens weet
wat btw is, vindt men de kwesties ook gauw te ingewikkeld. Maar ook
in geweldszaken is men soms onbegrijpelijk passief. Op mijn bureau
ligt het dossier van een man die vorig jaar op een pleintje bij zijn wo-
ning rumoer hoorde en naar buiten liep omdat hij dacht dat er een aan-
rijding had plaatsgevonden. Misschien kon hij hulp bieden. In plaats
daarvan kwam hij terecht in een parkeerruzie en werd door drie man
als ‘bemoeial’ in elkaar gekleund: zijn oogkas werd stuk getrapt en hij
liep talloze verwondingen aan hoofd, nek en rug op. Maanden van li-
chamelijk ongerief, huilbuien en arbeidsongeschiktheid volgden. De
daders hadden in blinde woede – terwijl hij al weerloos op de grond lag
– op hem ingetrapt. Zelf had hij geen onvertogen woord gezegd. Zo’n
dertig omstanders waren getuigen. Enkelen noteerden het kenteken
van de auto waarmee de daders wegreden. Anderen noemden de na-
men van de betrokkenen, die in de buurt al vaker van zich hadden doen
spreken, als u begrijpt wat ik bedoel. De politie kwam en noteerde alles
braaf. Je hoeft geen hardliner te zijn om te zeggen: ‘Oké, direct naar
de woning waar die auto thuishoort en de inzittenden meenemen
naar het politiebureau voor een verklaring.’

Maar niets van dat alles. Het leek er wel op alsof de betrokken politie-
functionaris alles aangreep om maar niet die kant op te hoeven. De
verdachten werden pas weken later (!) schriftelijk uitgenodigd om een
keer naar het bureau te komen om hun verhaal te doen. Eén van hen

– 172 –
kwam opdagen – ‘Kopje koffie, misschien?’ – en kon na een korte,
bijna nietszeggende verklaring weer naar huis. De anderen lieten ge-
woon verstek gaan, zonder dat dit consequenties had. Het dossier
werd vervolgens wekenlang voor pietluttigheden tussen politie en
justitie heen en weer gestuurd zonder dat er iets gebeurde. Het
slachtoffer, dat telkens aan de bel trok, werd als een ‘zeurpiet’ be-
schouwd. Na heel veel geharrewar, lang wachten en vooral door de
publicitaire druk is nu onlangs pas besloten dat de verdachten alsnog
vervolgd worden.

En de politiek maar denken dat het met de misdaadbestrijding de


goede kant op gaat, omdat het aantal aangiften daalt...

– 173 –
Just give me the facts...!

Het is augustus 2003 en dat betekent dat na een zomerstop het nieu-
we televisieseizoen voor de deur staat en dat mijn redactie weer op
volle kracht een nieuwe reeks programma’s voorbereidt. Na de vakan-
tie beginnen we altijd met een vergadering: welke onderwerpen – ‘dos-
siers’ in ons jargon – gaan we wel en niet doen? We inventariseren eerst
welke ‘oude’ zaken nog voor een follow-up in aanmerking komen en
schakelen dan snel over naar de nieuwe onderwerpen. De selectie is
streng en best moeilijk. We krijgen elk seizoen honderden aanvragen
om hulp, maar kunnen met zo’n twintig afleveringen per jaar maar een
beperkt aantal mensen van dienst zijn. Daarbij is ook enige variëteit
een vereiste: geen tien moordzaken achter elkaar, maar liefst ook een of
twee verborgen camera-acties, een zwendelaffaire, een mysterieuze
verdwijning of een zedenzaak. En zo zijn er nog wel wat meer journa-
listieke criteria waar we rekening mee moeten houden.

Tijdens de vergadering dragen de redacteuren dossiers voor waar ze


al even aan gesnuffeld hebben en die dus een eerste – oppervlakkige –
toets der kritiek hebben doorstaan. Dat zegt echter nog niets, want de
aanwezigen luisteren scherp, zoeken zwakke plekken in het verhaal
en zijn niet te beroerd een idee flink af te kraken. Veel onderwerpen
worden al pratende ‘afgeschoten’: omdat het relaas toch niet helemaal
klopt, er dingen zijn verzwegen, de tipgever een ander een hak pro-
beert te zetten of de rol van de aanbrenger zelf niet deugt. Tijdens
zo’n onderwerpensessie realiseer ik me altijd weer dat een kwart
eeuw misdaadverslaggeving er voor heeft gezorgd dat mijn mens-
beeld niet bepaald rooskleurig meer is. Ik geloof niemand op zijn
blauwe ogen. Ik heb te vaak meegemaakt dat mensen op het geluk
van hun kinderen bezwoeren dat ze onschuldig waren, terwijl het te-
gendeel later onomstotelijk kwam vast te staan. Met de ‘goede in-
borst’ van mensen hoef je bij mij niet aan te komen. Ik weet dat ze
elkaar om niks te vernieling in schoppen, dat ze hun (ex-)geliefden de

– 174 –
nek omdraaien, minderjarigen misbruiken en mishandelen, voor een
paar honderd euro vrienden en buren verraden, bedriegen en ruïne-
ren, dat ze zwendelen, frauderen en in heel veel omstandigheden
over de simpelste dingen liegen dat het gedrukt staat. Slechte mensen
zijn vaak fabelachtig goede acteurs, die anderen met hartstocht zand
in de ogen strooien. Ik wil daarom altijd eerst feiten zien, eer ik ie-
mand geloof en dan nog blijf ik vaak op mijn hoede. U zult dit mis-
schien overdreven en ietwat zwartgallig vinden, maar ik verzeker u
dat deze opstelling mij vaak behoedt voor teleurstellingen. Tegen
mensen die zeggen dat ik cynisch ben, antwoord ik altijd: ‘Nee hoor,
helemaal niet, ik ben gewoon realistisch!’

Met name jonge, nieuwe redacteuren hebben wel de neiging een zaak
nogal eens op onzakelijke – en in feite onjournalistieke – gronden te
beoordelen: op emoties, op intuïtie en de indruk die de verdachte
wekt (‘hij was echt ontroerd, toen hij zijn verhaal vertelde, ik geloof
niet dat hij dat kan spelen’). Nou, reken maar van yes, zeg ik dan. Vaak
heeft een dader ruim de tijd gehad om zich in zijn rol in te leven en
dat betekent ook dat hij bijna op commando een paar tranen tevoor-
schijn kan persen. En als hij dat goed doet, blijft hij misschien uit de
bak. Ik houd mijn redacteuren altijd voor dat er vaak niets zo bedrieg-
lijk is als een gevoelsmatige beoordeling. Maar daarvoor moet je mis-
schien eerst tegenover iemand hebben gezeten die met vochtige ogen
en dichtgeknepen keel bezweert dat de – spoorloos verdwenen – le-
venspartner vrijwillig van huis is vertrokken en dat er echt geen ruzie
heeft plaatsgevonden. Hij weet van niks, sterker nog, hij heeft onver-
moeibaar meegedaan aan de zoekacties. Na een paar maanden blijkt
dan dat het slachtoffer in zijn tuin begraven ligt met een verbrijzelde
schedel of samengesnoerde keel. Een huwelijk uit de categorie tot de
dood ons scheidt... Misschien moet je eerst tegenover een man heb-
ben gezeten die heftig ontkent dat hij meer weet van de verdwijning
van een 15-jarige zoon van kennissen, maar waarvan later komt vast te
staan dat hij het lijk van de jongen een poosje in de vriezer van zijn
woning heeft bewaard en het vervolgens later in een zandverstuiving
heeft begraven, waarna hij ook nog de ouders probeerde af te persen.
Ja, misschien moet je eerst de gladde babbel van een beroepsoplichter
hebben aangehoord, die zonder scrupules tientallen mensen van hun
spaargeld en toekomst berooft. En wat ook helpt, is als je voor de

– 175 –
rechtbank hoort hoe een verdachte plechtig belooft dat het ‘écht nooit
meer zal gebeuren’ en de betrokkene vervolgens nog tig keer met de-
zelfde praatjes opnieuw voor het hekje staat. Of anders moet je eens
met ‘eerlijke boeven’ praten die twee vingers in de lucht steken en
claimen (‘erewoord, Peter!’) dat ze alleen in hasj handelen, maar een
halfjaar later met een trucklading vol cocaïne of heroïne worden ge-
pakt enzovoort, enzovoort...
En dus laat ik me niet graag leiden door uiterlijkheden, tranen of een
gloedvol verteld verhaal. Het gaat om feiten. Om bewijs. Wat dat betreft
ben ik een aanhanger van special agent Dick Barton uit het beroemde
programma Dragnet. De fbi-agent werd elke aflevering wel geconfron-
teerd met een getuige, slachtoffer of dader die z’n relaas opsmukte met
niet terzake doende omwegen en details. Barton, op en top no-nonsen-
se, maakte dan een bezwerend gebaar en knauwde in prachtig Ameri-
kaans ongeduldig: ‘Interesting story ma’am... but I need facts. Just give
me the facts... Júúúst give me the facts.’ En zo is het.

– 176 –
Het recht heeft zijn loop, of toch niet?

Wanneer komt een zaak in aanmerking voor behandeling in mijn


programma? In het vorige hoofdstuk schreef ik dat het nieuwe televi-
sieseizoen eraan komt en dat in de redactievergadering de keuze van
nieuwe ‘dossiers’ dus weer aan de orde is. Omdat het aantal hulpver-
zoeken het aantal uitzendingen vele malen overtreft moeten er heel
wat onderwerpen sneuvelen. De lat ligt behoorlijk hoog en 25 jaar
misdaadverslaggeving heeft ervoor gezorgd, zo stelde ik, dat ‘ik geloof
in feiten, niet in blauwe ogen’. En dat geldt voor mijn redactie ook.
Gevolg is dat het er op bijeenkomsten best heftig toe kan gaan. Op de
openingsvergadering discussieerden we merkwaardig genoeg niet
het langst over een gruwelijke moord, een mysterieuze verdwijning,
een aangrijpende zedenzaak of een spannende verborgen camera-ac-
tie, maar over een ordinaire drugssmokkel. Collega Ilan Sluis presen-
teerde het dossier van John G. en zijn vrouw Godelieve van S., die in
mei 2002 op Schiphol werden ingerekend omdat er in hun bagage
dertig kilo cocaïne werd gevonden, ter waarde van miljoenen euro’s.
Het echtpaar was zes dagen op vakantie geweest op Aruba en bij te-
rugkeer was men bij een routinecontrole in de bagagekelder op twee
verdachte tassen gestoten. Er zat in totaal dertig kilo ‘wit goud’ in.
Toen de 44-jarige G. en zijn even oude vrouw het vliegtuig uitstapten
werden zij meteen aangehouden, want de tassen stonden op hun
naam. Ik zag bij de redacteuren wat wenkbrauwen omhoog gaan: so
what’s the point? Collega Ilan gebaarde dat het verhaal nog niet af
was... Het echtpaar ontkende na de arrestatie dat de tassen van hen
waren, zij wisten helemaal niets van de smokkel af. Zij beweerden dat
iemand op Aruba de bagage op hun naam moest hebben ingecheckt.
Het leek erop alsof de marechaussee ietwat overhaast had toegesla-
gen. Men had niet gewacht tot het echtpaar bij de bagageband op he-
terdaad betrapt kon worden op het moment dat zij de tassen er zelf
vanaf zouden pakken en aanstalten zouden maken ermee door de
douane te lopen. Evenmin had men gecontroleerd of er vingerafdruk-

– 177 –
ken of dna van hen op de tassen zaten. De rechtbank in Amsterdam
had niet veel geloof gehecht aan het verhaal van de twee en had hen ver-
oordeeld tot vier jaar cel. Binnenkort stond het hoger beroep op de rol
en in afwachting daarvan hadden ze via hun advocaat contact gezocht
met ons programma. Ze meenden dat de rechtbank de ontlastende fei-
ten zonder deze echt aandacht te geven terzijde had geschoven.

‘Hadden ze naast deze twee tassen nog een andere koffer in het vlieg-
tuig?’ vroeg ik. Ilan antwoordde dat het paar een zesdaags vakantie-
tripje naar Aruba had gemaakt en alleen handbagage bij zich had ge-
had. Collega Chantal van Schuylenburch snoof direct: ‘Pfff... Wie gaat
er nou naar Aruba met alleen maar handbagage, dat vind ik heel ver-
dacht.’ Ik vond dat ook wel tegen hen spreken, maar eindredactrice
Anne Marie Wegman schudde haar hoofd: ‘Ach, waarom, je hebt daar
niet veel nodig.’ Verslaggever Kees van der Spek beaamde dat: ‘Als ik
naar Thailand ga, neem ik ook alleen maar een rugzak als handbaga-
ge mee.’ Maar dat was nog niet alles. Bij controle van de tickets van
het echtpaar bleek dat daar twee zogenaamde claimtags ingeplakt wa-
ren: kleine bonnetjes met een zogenoemde barcode die bij verlies van
de bagage noodzakelijke informatie over de eigenaren en de vluchtbe-
stemming bevatten. Bovendien had de klm-stewardess op het ticket
van John G. gekrabbeld dat zijn tas was gepooled met die van zijn
vrouw, wat betekende dat één tas van hem was, maar dat die op het
ticket van zijn vrouw was geregistreerd. ‘Nou, dan is het toch duide-
lijk...’ zei redacteur Marjon Rozema, die behoorlijk wat reiservaring
heeft, schouderophalend. Ik vond dat ook bezwarend. Waarom zou
een stewardess claimtags inplakken en die aantekeningen maken als
iemand helemaal geen bagage bij zich heeft? Stel dat het ervaren rei-
zigers betrof, dan zou dat alleen maar opvallen, met alle risico’s van
dien. Bovendien, zo bleek uit het dossier, was de klm-stewardess
goed gescreend en had een onberispelijke staat van dienst. Dat is wel-
iswaar geen garantie voor een deugdzaam leven, maar toch... Ilan
Sluis had de ietwat ondankbare taak de zaak te verdedigen, terwijl hij
zelf de zwakke plekken ook wel zag. ‘Oké, oké,’ repliceerde hij, ‘maar
vergeet niet dat vanaf de Antillen wel eerder “spookbagage” is geko-
men,’ zei hij, ‘en er is ook ooit corruptie bij het grondpersoneel vast-
gesteld. Bovendien zijn de verdachten heel keurige mensen, zonder
financiële problemen, met een baan en een eigen huis. Hun advocaat

– 178 –
mr. Charles Starmans gelooft ook dat ze echt onschuldig zijn...’ Ver-
slaggever Evert Nijkamp grinnikte: ‘Ja, dat zegt hij bij elke cliënt!’. En
zo werd er nog een poos door gediscussieerd, zonder dat we er echt
uitkwamen of deze mensen nu tragische slachtoffers waren of door-
trapte daders.

Toen ze niet lang daarna terecht moesten staan voor het Amsterdam-
se gerechtshof ging ik daarom met Ilan samen kijken. En inderdaad,
het paar zag er bepaald niet uit als Bonnie & Clyde, hun wanhoop leek
echt. Maar ja, drugssmokkelaars zijn natuurlijk niet altijd haveloze
junks met een strafblad, maar soms ook geslaagde burgers die tijdens
een vakantietrip bezwijken voor een aantrekkelijk aanbod en de slag
van hun leven willen slaan. Hun keurige voorkomen is dan juist een
mooie dekmantel – denken ze. ‘Het wordt vrijspraak, op zeker,’ voor-
spelde mr. Starmans mij zelfverzekerd voor hij de rechtszaal binnen-
ging. Onder zijn arm had hij een reclasseringsrapport dat er gewag
van maakte dat men de overtuiging had dat het tweetal onschuldig
was. Het komt niet vaak voor dat de reclassering zich ongevraagd
daarover uitlaat. Tijdens de zitting ontspon zich vervolgens tussen de
procesdeelnemers een discussie die met onze redactievergadering
was te vergelijken. Twee weken later deed het hof uitspraak: schuldig.
Het vonnis: 48 maanden cel voor beiden. Ik streepte het onderwerp
door op mijn denkbeeldige lijstje voor het nieuwe seizoen. ‘Het recht
heeft zijn loop gehad,’ zei ik tegen mezelf, maar heel overtuigend
klonk het eerlijk gezegd niet...

– 179 –
‘De Vries moet een kogel door zijn kop!’

De Amsterdamse officier van justitie mr. Koos Plooy staat op de do-


denlijst van de onderwereld. Een aantal Albanese huurmoordenaars
wil hem van kant maken, zo maakte het hoofdstedelijke Openbaar
Ministerie zélf bekend in de nazomer van 2003. Plooy, aanklager in
geruchtmakende, grote zaken, werd op dat moment al bijna een
maand 24 uur per dag bewaakt. De informatie werd door justitie be-
stempeld als ‘zeer betrouwbaar en geloofwaardig’. Gevolg was dat alle
media het nieuws van de dreigende aanslag als een vaststaand feit
presenteerden. Criminologen, rechtsgeleerden en Kamerleden riepen
verontrust dat er nu toch ‘echt een grens werd overschreden’ en de
onderwereld zich kennelijk ‘onschendbaar waant’. En hoewel justitie
niet kon aangeven uit welke hoek de dreiging kwam – en dus ook niet
wat dan het motief was – was er niemand die een kritische kantteke-
ning maakte, althans niet in de pers. Wie zegt dat de tip ‘betrouwbaar
en geloofwaardig’ is als je niet bij benadering kunt aangeven wie er
achter zit? Kan het niet een treitereitje zijn geweest van iemand die
wist dat hij werd afgeluisterd en in een fake-telefoontje even de boel
op stelten wilde zetten? Voor 25 eurocent kun je dan ongelooflijk veel
lol hebben... Want wat heb je eraan om een officier van justitie te ver-
moorden? De Amsterdamse strafpleiter mr. Nico Meijering was de
enige die vraagtekens plaatste bij het verhaal en hij kreeg prompt bij
de Orde van Advocaten een klacht aan zijn broek van de hoofdofficier
van justitie mr. L. de Wit. Als het om het eigen hachje gaat, reageert
het parket met de gevoeligheid van een open zenuw.

Men is echter niet altijd zo kordaat, kan ik u uit eigen ervaring vertel-
len. Op 3 april van dit jaar kreeg ik bezoek van een beroepscrimineel
die een lange gevangenisstraf heeft uitgezeten voor een moord. Ik
had hem in de gevangenis tien jaar geleden ooit een keer geïnter-
viewd. Mede daarom onthulde hij mij dat hij onlangs was aangezocht
om een aanslag op mijn leven te plegen. Een Amsterdamse moorde-

– 180 –
naar, die mede door mijn toedoen achter de tralies was gekomen, had
hem tienduizenden euro’s geboden om deze klus te klaren. De wraak-
zuchtige gedetineerde had mijn bron bovendien informatie gegeven
over locaties waar ik regelmatig kom – wat klopte als een bus! – en
waar hij het beste kon toeslaan. De opdrachtgever had hem meerma-
len gezegd: ‘Die De Vries moet een kogel door zijn kop, die moet ge-
strekt.’ Het was wat je noemt een ‘zeer betrouwbaar en geloofwaar-
dig’ verhaal. Met naam en toenaam, verteld door een bron die zich
blootgaf. Ik nam contact op met de Amsterdamse politie die de be-
wuste moordzaak had behandeld en zelfs een speciaal team in het le-
ven had geroepen om eerdere dreigementen van de verdachte aan het
adres van de politie te onderzoeken. Tot mijn verbazing wilde men
mijn aangifte niet opnemen en werd ik afgepoeierd met de medede-
ling: ‘Ga maar naar de politie Gooi- en Vechtstreek, want in die regio
is jouw kantoor gevestigd.’ Daar wist men echter weer niks van de
zaak af en dus weigerde ik dit omslachtige alternatief, vooral omdat
de aangifte uiteindelijk toch bij dezelfde officier van justitie op het
bureau zou belanden, want Hilversum en Amsterdam vallen onder
één parket. Na een protestbrief van mij werd de aangifte alsnog op 26
april 2003 in Amsterdam opgenomen. Gezien de ernst van de zaak
zou ik snel nader horen, werd mij beloofd. Het bleef echter stil. Dood-
stil. Weken verstreken. Maanden zelfs. Toen ik half juni nog niets had
gehoord, ging ik eens bellen, maar al snel bleek mij dat men weinig
trek had mij te woord te staan, ik werd van de een naar de ander ver-
wezen. Niemand durfde iets te zeggen. Ook de verantwoordelijke of-
ficier van justitie mr. G. Oldenkamp gaf niet thuis. Na veel geharre-
war werd ik uiteindelijk gebeld door rechercheur Van Koningsveld,
die op 23 juni bij mij op kantoor langskwam. Hij was lid van dat spe-
ciale politieteam dat de bedreigingen van de verdachte onderzocht en
analyseerde. Wat hij vertelde was onthutsend en ontluisterend. Hij
zei mij eerlijk dat hij pas mijn aangifte had gezien nadat ik met rond-
bellen was begonnen. Al die tijd was er naar zijn zeggen ‘helemaal
niets’ met de zaak gedaan en had deze ‘onder in een la’ gelegen. Mijn
woede hierover vond hij heel begrijpelijk, maar hij hief zijn handen
machteloos omhoog: ‘Ik kan er ook niks aan doen.’ Verbijsterd dien-
de ik een schriftelijke klacht in bij hoofdofficier mr. L. de Wit, ja inder-
daad dezelfde man die zo in zijn wiek was geschoten over de kritische
opmerkingen van advocaat Nico Meijering. Een week later kreeg ik

– 181 –
een brief met een hoog smoesgehalte van De Wit terug, waarin hij pro-
beerde recht te praten wat krom was. Ja, er waren wat capaciteitsproble-
men geweest, rechercheur Van Koningsveld was op vakantie geweest
en daardoor had alles nogal wat tijd gekost, maar er was nu ‘goede nota
genomen’ van mijn brief. Ja ja. Een paar weken later informeerde ik bij
de recherche of mijn bron – die de aanslag moest plegen – al eens was
gehoord over de kwestie. U raadt het al, het antwoord was ‘nee’. Con-
clusie: het leven van een officier van justitie is meer waard dan dat van
een journalist. Klassenjustitie heet dat geloof ik...

Naschrift: justitie is nooit meer op de aangifte teruggekomen en


heeft geen aanvullend onderzoek ingesteld. De bron die het verhaal
aandroeg is nooit gehoord.

– 182 –
Mabel... ken je me nog??? 1

Op 12 oktober 1983 vond in de Amsterdamse Uiterwaardenstraat een


liquidatie plaats die de misdaadgeschiedenis in zou gaan als de ‘ha-
ringkarmoord’. De 29-jarige Chileen E. Astudillo werd door twee ko-
gels getroffen toen hij bij een viskraam stond. Het slachtoffer was
niet helemaal onvoorbereid, want hij droeg een kogelvrij vest toen hij
zijn harinkie bestelde, maar werd niettemin toch fataal in zijn hals
geraakt. De schutter reed op een motor en wist te ontkomen, maar
werd later toch gepakt. Het was de toen 27-jarige Chileen Charlie da
Silva, die op deze rigoureuze manier een drugsoorlog wilde beslech-
ten, waarin ook al ontvoeringen en wildwestschietpartijen hadden
plaatsgevonden. Da Silva werd tot acht jaar cel veroordeeld en toen hij
zo’n anderhalf jaar vastzat werd ik in mei 1985 benaderd door zijn
jonge en toen nog onbekende advocaat Oscar Hammerstein uit Am-
sterdam. Het driejarig zoontje Christopher van Da Silva was onver-
wachts overleden en justitie gaf hem geen toestemming de begrafe-
nis bij te wonen. Ik schreef er in De Telegraaf een artikel over en dat
was mijn eerste contact met ‘Charlie de Chileen’, zoals hij in het mi-
lieu werd genoemd. Een dag later besliste de kortgedingrechter dat
hij alsnog de plechtigheid mocht bijwonen: zoveel hardvochtigheid
was nu ook weer niet nodig. En hoewel mijn artikel geen invloed
heeft gehad op de beslissing van de rechter – zo neem ik aan – was Da
Silva mij toch erkentelijk omdat het menselijke aspect erin de boven-
toon voerde.

In de jaren die volgden, ving ik zo nu en dan een glimp op van Da Sil-


va. In de Scheveningse gevangenis zat hij toevallig onder meer met
Heineken-ontvoerder Cor van Hout, bij wie ik regelmatig op bezoek
kwam. Hij kwam dan altijd even gedag zeggen. Later, na zijn vrijla-
ting, hoorde ik dat hij de bodyguard van maffiabaas Klaas Bruinsma
was geworden, die zo’n onverschrokken schutter goed in zijn gelede-
ren kon gebruiken. Toen in een onder mijn verantwoordelijkheid ver-

– 183 –
schenen artikel in het weekblad Aktueel een keer werd gesteld dat
Bruinsma niet alleen in softdrugs dealde maar ook in harddrugs en
de maffiabaas in woede ontstak, regelde Da Silva een ‘sussend’ ge-
sprek tussen ons. Door Da Silva heb ik Bruinsma in totaal een keer of
twaalf ontmoet, wat mij een aardig inzicht gaf in Nederlands eerste
echte drugsbaron. En toen Bruinsma in 1991 voor het Amsterdamse
Hiltonhotel werd geliquideerd, vertelde de Chileen mij dat hij via
hem twee uit het museum in Leerdam gestolen oude meesters in be-
zit had – een Frans Hals en een Jacob van Ruijsdael – en dat hij deze
voor 500.000 gulden cash aan justitie wilde ‘terugverkopen’. Ik kon
nauwelijks geloven dat het waar was, justitie zou toch geen gestolen
waar van een veroordeelde moordenaar afnemen? Dat zou volledig
haaks staan op het beleid dat altijd luidkeels werd verkondigd. Da Sil-
va was echter geen man van loze praatjes en hij liet mij bij een gehei-
me bespreking in een motelkamer zijn, waar ik met eigen oren hoor-
de dat justitie hem inderdaad een half miljoen voor de schilderijen
ging betalen. Niet lang daarna verdween hij – met dat geld – naar zijn
geboorteland en in de elf jaar die volgden had ik maar sporadisch con-
tact met hem. Hij belde eens in de paar jaar op om te informeren hoe
het ging en wat de stand in de onderwereld was. In Chili dreef hij een
bonafide handel, de georganiseerde misdaad in Nederland was voor
hem voorbij en ik was Charlie da Silva zodoende bijna vergeten.

Maar niet helemaal... want toen in Nederland bekend werd dat Mabel
Wisse Smit, de verloofde van onze reserve-kroonprins Friso, een
vriendschappelijk contact met Klaas Bruinsma had gehad, moest ik
ogenblikkelijk weer aan hem denken. Volgens Mabel stelde het con-
tact met Bruinsma niet veel voor en had zij ogenblikkelijk de banden
verbroken toen haar duidelijk werd dat de Amsterdammer crimineel
was. Er doken – anonieme – geruchten op dat dit zeer bezijden de
waarheid was, maar bewijs ontbrak. Zij stelde ook dat zij nooit wat
had gezien of gemerkt van criminele activiteiten en daarvan wist ik
meteen dat dit niet waar kon zijn. Ik had Bruinsma en zijn entourage
zelf een aantal keren ontmoet en de misdaad walmde er als het ware
van af: bodyguards met wapens, snelle auto’s, veel contant geld, dure
hotels en geen baan... Dat moest Mabel ook gezien hebben als zij niet
stekeblind was.

– 184 –
Charlie da Silva was de laatste jaren de rechterhand van Bruinsma en
week nooit van diens zijde: als er iemand is die wat over deze vriend-
schap kan zeggen, is hij het, zo realiseerde ik me. Zou hij Mabel (nog)
kennen? Met veel moeite wist ik weer met hem in contact te komen
en polste hem voorzichtig over het verleden: ‘Bedoel je soms die defti-
ge, blonde vrouw, met een dubbele naam,’ vroeg Charlie al snel, ‘die
een stuk jonger was dan Klaas? Die ook Spaans sprak?’ Een paar da-
gen later zat ik met collega Kees van der Spek en cameraman Marco
Hoogenboom in het vliegtuig naar Santiago voor een weerzien met Da
Silva. Hij vertelde ons daar een onthullend verhaal, waaruit helder naar
voren komt dat Mabel Wisse Smit en Klaas Bruinsma véél dikker be-
vriend waren dan zij wilde doen geloven en dat ze bepaald niet is weg-
gelopen van wat wapengekletter binnen de organisatie van Bruinsma.
Ze was gewoon een gangsterliefje, stelde Da Silva, dat daar nu nog
over liegt ook.

Op de terugweg, op tien kilometer hoogte, dacht ik aan de gevolgen


die dit verhaal zou krijgen in Nederland. Het leed geen twijfel dat het
rumoer zou veroorzaken. Alle eerdere verhalen waren anoniem en
niet veelzeggend. Nu stond er een voormalig bodyguard op met een
stevige ‘staat van dienst’, dat kon niemand negeren. Ik vroeg me ook
af hoe bijvoorbeeld de Amsterdamse politie zou reageren. Toen ik bij
de dood van Heineken-ontvoerder Cor van Hout in een rouwadver-
tentie bevestigde dat ik bevriend met hem was – wat al tien jaar lang
bekend was en waar ik nooit over had gelogen! – sprong de korpslei-
ding op tilt en verbrak de contacten. Hoe zou men dat in dit geval
doen? dacht ik. Weigert men nu voortaan ook om te verschijnen bij
koninklijke ontvangsten waar Mabel Wisse Smit bij is? Worden aller-
lei faciliteiten bij een werkbezoek van haar aan Amsterdam nu inge-
trokken? Wordt de nieuwjaarsbijeenkomst in het paleis op de Dam
nu geboycot? Eens kijken of de korpsleiding nu ook principieel is. En
de keuze is heel simpel: óf je bent consequent, óf je bent hypocriet...

– 185 –
Mabel... ken je me nog??? 2

De eerste week van oktober 2003 was niet alleen de meest turbulente
uit het leven van reserve-koningin Mabel Wisse Smit, maar ook in het
mijne scoorde hij 9,0 op de schaal van Richter. Het komt niet vaak
voor dat een journalistieke scoop zoveel opwinding veroorzaakt en
het Nederlandse persleger in opperste staat van paraatheid brengt.
Het interview in Chili met Charlie da Silva, de voormalig bodyguard
van Klaas Bruinsma, zorgde voor een ongekende ‘media-blitz’. Oké,
toen ik in 1994 in Paraguay de voortvluchtige Heineken-ontvoerder
Frans Meijer opspoorde, wilde ook iedereen het naadje van de kous
weten. En toen justitie bij mij thuis ooit een inval deed omdat ik ge-
stolen floppy’s met geheime politie-informatie had geopenbaard,
werd ik een paar dagen plat gebeld. De uiteindelijke vrijspraak van de
Twee van Putten, in april 2002, was natuurlijk ook een mediahappe-
ning en toen ik medio 2000 in het Limburgse dorpje Helden bemid-
delde bij een gijzeling van een boerengezin door twee criminelen,
moest ik mij ongeveer een week lang schrap zetten en ook mijn toe-
spraak op de begrafenis van de doodgeschoten Heineken-ontvoerder
Cor van Hout, begin 2003, vulde menige column en televisierubriek.
Maar toch leggen al deze hectische gebeurtenissen het uiteindelijk af
tegen het mediacircus dat op gang kwam toen het dertig-seconden-
spotje van bodyguard Charlie da Silva afgelopen week op tv kwam:
een soort Al Capone, die een geweer en een riem vol jachtpatronen
nonchalant over de schouder liet bungelen en de tv-kijker in een soort
steenkolen-Nederlands toesprak, nadat hij zijn donkere zonnebril
traag had afgezet: ‘Hai... ik ben Charlie. Ik was die bodyguard van die
Lange... Klaas Bruinsma... Overal waar hij ging, ging ik ook.... Ma-
bel... ken je me nog? Ik jou wel...!’ De zonnebril ging weer op en hij
beende langzaam met mij het beeld uit. De telefoon rinkelde en blééf
rinkelen. Iedereen wilde weten wat we precies gingen brengen en
welke consequenties dat voor het Oranjehuis zou hebben. Het was
moeilijk om geconcentreerd te blijven, terwijl de reportage nog niet

– 186 –
eens helemaal af was. Er liep nog een gevoelige correspondentie met
de Rijksvoorlichtingsdienst en Mabel Wisse Smit, waardoor we de in-
houd steeds weer iets moesten aanpassen. Collega Kees van der Spek,
die met mij mee naar Chili was geweest en de regie deed, was de laat-
ste dagen tot de nachtelijke uurtjes in de montagekamer bezig. Dit
wel er in... dat niet... dat ietsje korter... verdorie, waar is dat quootje
nou gebleven?... O jee, dat document moet er nog in!.... Waar blijft die
reactie van de rvd nou!... Moet die foto gebalkt worden...?

En ondertussen probeerden de media onophoudelijk mij voor de uit-


zending een nieuwtje af te troggelen. Uiteindelijk was het program-
ma pas twee uur voor uitzending echt gereed. Voor het eerst in negen
jaar kwam sbs-directeur Bart in ’t Hout de band vooraf in de monta-
gekamer bekijken, want ja... het koningshuis... dit ligt wel heel gevoe-
lig. Daarna kon de band naar de sbs-uitzendstraat in Amsterdam wor-
den gebracht. (‘Draai een extra kopie, je weet nooit wat er onderweg
gebeurt!’) De spanning liep hoog op. Ik ben na 25 jaar misdaadjour-
nalistiek niet zo snel meer uit mijn evenwicht, maar ik schroom er
niet voor om toe te geven dat ik voor deze uitzending best zenuwach-
tig was. Ik realiseerde me dat een klein foutje genadeloos zou worden
afgestraft, dat als een verkeerde toon werd aangeslagen de bood-
schapper zou worden aangevallen, ja, dat als we echt een blunder
zouden maken, het voor mij en mijn team einde oefening kon beteke-
nen. In de talrijke e-mailtjes die ons voor de uitzending bereikten,
werd daar ook nadrukkelijk op gewezen: ‘Peter, je hebt de afgelopen
jaren de strijd aangebonden met politie, justitie en vele criminelen,
maar waar je nu aankomt is het Koninklijk Huis... Dat is van een an-
dere orde. Hopelijk weet je wat je doet...’ klonk het bijna dreigend.

Een paar seconden na afloop van het programma ging de telefoon


weer. Het was mijn oude baas Fons van Westerloo, die juist naar con-
current rtl 4 is overgestapt: ‘Potverdomme, Peter... Ik ben stinkend
jaloers op sbs!’ Daarna was het niet meer te stoppen. Radio, televisie,
kranten, buitenlandse pers. Tientallen verzoeken om in programma’s
te komen. Om u even een kleine, lang niet volledige illustratie te ge-
ven: Op vrijdag begon het met een optreden in rtl-Boulevard, daarna
Stem van Nederland. Afschminken? Nee, laat maar zitten, de taxi
staat buiten al klaar voor Barend&Witteman en daarna moet ik snel

– 187 –
door naar Nova. Onderweg haastige telefonische interviews met kran-
ten, radiostations en nieuwsrubrieken. Toen ik ’s avonds laat uitge-
woond thuiskwam draaide er een uitgebreid overzicht van ‘Mabelga-
te’ op een van de Journaals. De huistelefoon rinkelde, in mijn jaszak
piepte mijn gsm dat er weer een sms’je binnenkwam. ‘En, hoe was
het vandaag...?’ vroeg mijn vrouw.

– 188 –
Een crimineel liegt niet altijd...

Eigenlijk had ik me voorgenomen om het niet opnieuw te hebben over


Mabel Wisse Smit, maar in plaats daarvan weer over te gaan op busi-
ness as usual, de échte misdaad. Maar zoals u ziet heb ik de verleiding
niet kunnen weerstaan. De week na onze twee uitzendingen over de
opzienbarende contacten tussen onze ‘reserve-koningin’ en maffiabaas
Klaas Bruinsma werd ik overal waar ik kwam aangeklampt met de
tekst: ‘Nou, je hebt wel geschiedenis geschreven hoor...’ Daarnaast
werd ik gebeld en gemaild door media uit de hele wereld die mijn story
wilden horen: van de bbc tot de New York Times en ook uit Zuid-Ame-
rika waar ik ‘kroongetuige’ Charlie da Silva geïnterviewd had, stapelden
de aanvragen zich op. En ja, als je dan in ieders ogen geschiedenis hebt
geschreven en de kranten nog bijna dagelijks bol staan over de affaire
doet het toch wat onwerkelijk aan om dan over te schakelen op de ge-
wone ‘poldermisdaad’ waar ik normaal mee bezig ben, of niet soms?
En dus vergast ik u toch maar op wat belevenissen en observaties uit
die memorabele week half oktober 2003.

Surfend op internet zag ik dat over Mabelgate inderdaad in alle uithoe-


ken van de wereld werd bericht. Ruim twaalf jaar na de dood van Klaas
Bruinsma is zijn naam meer in het nieuws dan ooit. Het is een typische
gewaarwording om in bijvoorbeeld El Mercurio, een grote Zuid-Ameri-
kaanse krant, uitvoerig te lezen over wat je zelf hebt aangeslingerd. Er
wordt volop geschreven over ‘la relación amorosa de la Mabel Wisse
Smit con un jefe de la mafia holandesa’ (de liefdesrelatie tussen Mabel
Wisse Smit en een Hollandse maffiabaas) en uiteraard speelt ook ‘ex
guardaespaldas de mafioso, el chileno Charlie da Silva’, (de Chileense
ex-maffiabodyguard Charlie da Silva) een grote rol in de verhalen.

De affaire bevestigde weer eens mijn stelling dat een crimineel niet
altijd liegt en eerzame burgers niet altijd de waarheid spreken. Na
mijn eerste uitzending werd de getuigenis van Da Silva door sommi-

– 189 –
gen in twijfel getrokken. Wie zegt dat een crimineel de waarheid
spreekt? schamperden critici. Mijn antwoord daarop is: in Nederland
zitten er zo’n 15.000 mensen gedetineerd. Het gros daarvan is gepakt
en veroordeeld door de verklaringen van een andere crimineel. Dan
noemen we het altijd wettig en overtuigend... Het klinkt misschien
gek, maar ik vind een crimineel vaak betrouwbaarder en geloofwaar-
diger dan mensen van onbesproken gedrag. Criminelen als Da Silva
geven gewoon toe dat ze boef zijn en hoeven niet meer de schone
schijn op te houden voor hun sociale omgeving. Geslaagde burgers
hebben dat belang vaak wel. Als zij toegeven dat zij een misstap heb-
ben begaan, onoorbaar gedrag hebben vertoond, stort hun zorgvuldig
opgebouwde decor in, wenden vrienden zich af, worden belangrijke
zakelijke overeenkomsten geannuleerd. Reden genoeg om er een leu-
gen tegenaan te gooien, dunkt mij. Ik heb dat al dikwijls gezien. Niet-
temin menen veel mensen nog dat een crimineel bij elke ademstoot
liegt en wordt er bijna tot in het oneindige geloof gehecht aan de
kronkelige uitvluchten van een in opspraak geraakte notabele. Even
leek het erop dat het in deze kwestie ook zo zou gaan. Een verstrooide
professor criminologie beweerde – op vragen van de pers – dat hij ei-
genlijk nog nooit van Da Silva had gehoord en dat hij dus op zijn
hoogst een onbetekenende meeloper kon zijn. Andere betrokkenen –
een medebendelid – uit het leven van Klaas Bruinsma lieten opteke-
nen dat hij volgens hen nooit een relatie met Mabel had gehad (ze
kenden haar wel...!) en er stond een vriendin van de reserve-koningin
op die stelde dat niet Mabel, maar zijzelf de grote liefde van de maffia-
baas was geweest. In de toon en bejegening van de pers was direct
een verandering merkbaar. Eerst had men een paar dagen achter de
onthulling aangelopen, maar dat verveelde natuurlijk. Nu werd er fa-
natiek geaasd op een ‘eigen’ nieuwtje dat de affaire een wending kon
geven en dus werd de verstrooide professor bijna omarmd in plaats
van kritisch ondervraagd. Het verhaal van het medebendelid dat Da
Silva ‘een flapdrol’ was en er in zijn ogen helemaal geen relatie tussen
Mabel en Klaas Bruinsma was geweest, haalde eveneens groot het
nieuws, maar niemand merkte op dat in oude kranten en boeken dui-
delijk staat dat deze crimineel in die tijd gebrouilleerd was met de
maffiabaas en al helemaal niet meer tot diens entourage behoorde.
Dus hoe kon hij weten of er in die periode wel of niet een relatie was
geweest? Het leek er echter op of die argumenten er niet toe deden.

– 190 –
En ik geef het toe, een ochtend lang, was ik door invloed van de tegen-
krachten en het ‘enthousiasme’ waarmee de pers daarop reageerde,
even uit het veld geslagen. Maar tegelijkertijd was ik er rotsvast van over-
tuigd dat we goed zaten. Wij hadden Da Silva en de andere getuigen
toch gesproken? Mabel had toch moeten toegeven dat zij op Bruinsma’s
boot de Neeltje Jacoba had overnacht? En Da Silva was toch aantoonbaar
een vooraanstaand figuur in de ‘hofhouding’ van Bruinsma, die overal
met zijn neus bovenop had gezeten? Wat lulde die professor nou eigen-
lijk?! De naam van ‘Charlie de Chileen’ kwam – in combinatie met Klaas
Bruinsma – volop in oude processen-verbalen, krantenartikelen en
true-crime-boeken voor. We hadden foto’s van hem broederlijk naast
Bruinsma. Samen met collega Kees van der Spek, die ook met mij naar
Chili was geweest, weerlegde ik in onze tweede uitzending punt voor
punt – en feitelijk – alle contraverhalen. Er bleef niets van over. Toen
premier Balkenende de volgende dag in Den Haag een persconferentie
hield over de zaak, zat mijn voltallige redactie gespannen voor de buis.
Op het moment dat de premier meldde dat Mabel Wisse Smit hem – on-
danks vele indringende gesprekken – ‘onjuist en onvolledig’ had geïn-
formeerd, ja, had voorgelogen, kruisten de blikken van Kees van der
Spek en mij elkaar een paar – veelbetekenende – seconden...
Zaterdagavond, de dag erna, praatte ik Charlie da Silva telefonisch
bij. Hij had alles natuurlijk van veraf gevolgd en alle verwikkelingen
waren grotendeels aan hem voorbijgegaan. Hij kon zich niet goed
voorstellen dat er mensen waren die aan zijn verhaal hadden getwij-
feld. Hij was toch de bodyguard van ‘die Lange’? Hij verbleef toch met
hem en Mabel op de Neeltje Jacoba, het schip van Bruinsma? Uiter-
aard, allemaal waar, maar toen ik hem vertelde dat het desondanks
best een spannende week was geweest, klonk hij oprecht een beetje
verbaasd en ook een beetje geërgerd: ‘Maar, Peter, wat dachten zij
dan, dat een crimineel altijd liegt?’
Aan het slot van het gesprek vroeg hij wat ik nu ging doen. Ik zei
hem dat het mijn eerste vrije avond in drie weken was, dat ik doodmoe
was en nu een fles wijn ging opentrekken. Chileense wijn uiteraard...

Naschrift: de regering zag vanwege deze affaire af van het indienen


van de zogenaamde toestemmingswet voor het huwelijk van prins
Friso en Mabel Wisse Smit. Dit betekende dat het paar geen aan-
spraak meer kon maken op hun plaats in de troonopvolging. Mabel-
gate deed de monarchie enige tijd wankelen.

– 191 –
Bij de dood van Nico van U.

Het was een klein bericht in de krant van 9 juni 2003: vrouw schiet
echtgenoot dood. De 37-jarige Amsterdamse Françoise van den B.
had na een heftige woordenwisseling in hun woning aan de Visse-
ringstraat haar 45-jarige partner met acht schoten om het leven ge-
bracht. De naam van de man kwam niet in het bericht voor. Wel werd
er melding van gemaakt dat hij na het uitzitten van een langdurige
celstraf voor geweldsdelicten pas onlangs weer op vrije voeten was ge-
komen. Sindsdien was het constant hommeles rond de woning aan
de Visseringstraat geweest en was dikwijls de politie gewaarschuwd
om erger te voorkomen. Ik las het berichtje wel in de krant, maar be-
steedde er verder geen aandacht aan. Pas weken later hoorde ik wie
het slachtoffer was: één van Nederlands meest roemruchte onderwe-
reldfiguren. Zijn naam – Nico van U. – zegt u waarschijnlijk niets,
maar hij was in zijn leven betrokken bij in ieder geval drie geruchtma-
kende moordzaken. Ik heb hem een aantal keren ontmoet en opge-
zocht in de gevangenis, omdat hij beweerde onschuldig te zijn. Later
werd mij duidelijk dat Van U. altijd alles ontkende, onder het aloude
onderwereldmotto: bekennen is om straf vragen. Welnu, ook zonder
te bekennen heeft Van U., stoffeerder van beroep, meer dan de helft
van zijn leven vastgezeten: 23 van de in totaal 45 jaar.

Het begon in 1977, toen de 20-jarige Van U. samen met een aantal
vrienden de illegaal in ons land verblijvende Turk Ibrahim Usal zo-
maar, ‘voor de grap’, in het water van de Amsterdamse Singel gooide.
Ze hadden dat soort ‘geintjes’ wel vaker uitgehaald en dat was altijd
goed afgelopen. Maar Usal, vader van vier jonge kinderen, kon niet
zwemmen en verdronk. De vrienden waren allang doorgelopen. De
tragische en volstrekt onnodige dood van de Turk deed veel stof op-
waaien. Er werd via De Telegraaf 250.000 gulden ingezameld, waar-
mee in Turkije voor zijn nabestaanden een huis werd gebouwd. Van
U. en zijn vrienden werden veroordeeld tot twee jaar cel. Daarna bleef

– 192 –
het even stil rond Nico van U., maar in 1986 haalde hij weer het
nieuws met de zogenoemde ‘Pinkstermoord’. In dat weekeinde werd
in het Westelijk Havengebied in Amsterdam de 39-jarige Johan Mel-
ler met een riotgun door het hoofd geschoten, terwijl hij in zijn blau-
we Citroën zat. Er was dwars door de autodeur heen geknald. Van U.
werd de volgende dag gearresteerd, maar ontkende als vanouds hard-
nekkig. Het bewijs tegen hem was flinterdun en justitie stond op het
punt hem vrij te laten. Maar op dat moment presenteerde het Gerech-
telijk Laboratorium een onthullend rapport: op een trui van de stof-
feerder, die nota bene al was gewassen, had men minuscule blauwe
lakschilfertjes van de Citroën aangetroffen. Toen Van U. van dichtbij
met een riotgun door de autoportier heen schoot, waren deze op zijn
trui gesprongen. Ontkennen hielp nu niet meer en Nico werd weer
veroordeeld.

Begin 1993 was hij weer op vrije voeten en hij deed al snel opnieuw
van zich spreken. Op 15 maart van dat jaar werd na een ruzie in een
bordeel aan de Binnenhaven in Den Helder brandgesticht, waarbij
een prostituee om het leven kwam. Nico van U., inmiddels 36 jaar
oud, werd gearresteerd. Ook nu ontkende hij alle schuld en vanuit de
penitentiaire inrichting in Scheveningen ontving ik van hem een
noodkreet: ‘Ik zit nu écht met een groot probleem, Peter... Ik ben ab-
soluut onschuldig en word er ingeluisd. Help me alsjeblieft!’ Ik ben
daarop bij hem op bezoek gegaan, maar vond eerlijk gezegd geen aan-
knopingspunten om iets met de zaak te doen. Van U. werd door het
gerechtshof tot negen jaar cel veroordeeld en verdween voor de zo-
veelste keer voor lange tijd achter de tralies. Ik zag of hoorde jaren-
lang niets meer van hem, zijn laatste brief aan mij dateert van 1996,
zo zag ik in mijn dossier.

Pas begin dit jaar, op de begrafenis van Heineken-ontvoerder Cor van


Hout, zag ik hem opnieuw, toen hij na afloop op mij afstapte. Hij
droeg een keurig pak, zag eruit als een boekhouder en aanvankelijk
herkende ik hem niet eens. Hij was net als Van Hout in de Amster-
damse Staatsliedenbuurt opgegroeid en had tijdens zijn lange deten-
tie ook een paar keer met hem vastgezeten. Nico begon met mij over
een moordzaak waar ik in mijn programma aandacht aan had be-
steed. Hij had met de verdachte vastgezeten en liet doorschemeren er

– 193 –
meer van te weten. De betrokkene had aan hem advies gevraagd hoe
je het beste een lijk kon wegwerken. ‘Ben je bereid dat aan de recher-
che te vertellen?’ vroeg ik, want het ging in die bewuste zaak ook juist
om een weggewerkt stoffelijk overschot. Van U. glimlachte. ‘Weet je
nou nog niet, dat ik nooit beken en nooit met de politie praat?’ Hij
veranderde van onderwerp en sprak zijn verontrusting uit over de
reeks van liquidaties in de hoofdstad. ‘Het gaat hard... de een na de
ander. Je kunt niet eens meer zonder risico over straat.’ Een halfjaar
later werd hij zelf doodgeschoten. Thuis. Door zijn vrouw. Met zijn ei-
gen pistool.

Naschrift: Françoise van den B. werd in december 2003 door de


rechtbank in Amsterdam veroordeeld tot een celstraf van twee jaar,
nadat de officier van justitie wegens doodslag zeven jaar had geëist.
De rechtbank overwoog dat Françoise stelselmatig door Van U. was
mishandeld en bedreigd en was van oordeel dat de vrouw zich die be-
wuste avond in een hachelijke positie bevond toen er opnieuw ruzie
was ontstaan en Nico van U. haar bedreigde met zijn vuurwapen.
Toen zij hem het wapen tijdens een schermutseling had weten te ont-
futselen, schoot zij hem met acht kogels dood.

– 194 –
Mijn woord van eer...

In november 1983 – twintig jaar geleden – speelde in Amsterdam de


ontvoering van bierbrouwer Alfred Heineken en diens chauffeur Ab Do-
derer. Het was een zaak waar de hele wereldpers op dook en die ik, als
jong verslaggever, voor De Telegraaf versloeg. Het was een tijd waarin de
persvoorlichting nog niet zo goed was gestructureerd als nu. Als je te-
genwoordig een politieman belt, verslikt deze zich meteen en nog voor
je het begin van een vraag hebt kunnen stellen, ben je al doorverbonden
naar de afdeling persvoorlichting. Maar toen werkte dat nog niet zo en
kon je bijvoorbeeld als journalist nog een beetje door de gangen van het
hoofdbureau zwerven en een recherchekamer binnenstappen om met
de rechercheurs een praatje te maken. In die tijd had ik met enkele ‘zwa-
re jongens’ op het hoofdbureau goede contacten en tijdens de ontvoe-
ring zocht ik hen uiteraard op om wat informatie los te peuteren. Dat viel
niet mee, want de ontvoering had natuurlijk iedereen op scherp gezet.
Toch was er een oudere commissaris, die wel een zwak had voor die jon-
ge, ambitieuze verslaggever. We dronken een kop koffie en toen ik hem
vroeg hoe de zaak ervoor stond, twijfelde hij even, deed zijn kamerdeur
dicht en zei: ‘Ik wil je wel iets vertellen, maar dat moet dan onder ons
blijven, oké? Geen verhaal in de krant... puur als achtergrond voor je-
zelf.’ Ik had geen tijd om na te denken en knikte: ‘Erewoord!’ Vervolgens
ontboezemde de recherchechef mij voor welke problemen men stond
en wat er in grote lijnen voor contacten met de ontvoerders waren ge-
weest en wij filosofeerden daar een poosje over door. Ik voelde me tij-
dens het gesprek groeien! Terwijl er in de meeste media op los gegist
werd, wist ik van de hoed en de rand en opgetogen reed ik terug naar de
krant. En pas toen ik daar kwam, realiseerde ik me dat mijn handen wa-
ren gebonden en ik me slim had laten inkapselen. Ik had me iets laten
vertellen wat ik niet kon gebruiken. De politie hoefde niet bang te zijn
dat er gevoelige informatie zou uitlekken: ze hadden me monddood ge-
maakt door me gewoon alles te vertellen. Het werd nog erger toen een
collega met min of meer dezelfde informatie op de redactie kwam, die

– 195 –
hij uit heel andere bron had gehoord. Ik durfde het echter niet op te
schrijven, want erewoord is natuurlijk erewoord en ik zou ‘afbranden’
bij de commissaris als ik beweerde dat we het toevallig ook van iemand
anders hadden gehoord. Ik hoorde hem al brommen: ‘Ja ja...’ Ik was
languit in de grootste valkuil van mijn vak gedonderd! Gelukkig was de
informatie kort daarop alweer achterhaald en kon ik met mijn nieuwsga-
ring weer op volle kracht vooruit, maar ik nam me heilig voor me nooit
meer iets te laten vertellen wat ik niet kon gebruiken.

Als iemand mij sindsdien iets ‘geheims’ wil mededelen, maak ik een af-
werend gebaar: ‘Nee, vertel het dan maar niet... want als ik het later uit
een andere hoek hoor kan ik het tenminste gebruiken en anders niet.’
Het is een tactiek die me goed is bevallen. Zo heeft Heineken-ontvoer-
der Cor van Hout – om me maar tot dezelfde affaire te beperken – wel
eens op het punt gestaan me vertrouwelijk iets te vertellen over de ver-
blijfplaats van zijn voortvluchtige mededader Frans Meijer. Ik schudde
echter mijn hoofd en zei: ‘Nee, niet doen, Cor... misschien krijg ik nog
eens een andere tip en dan wil ik ermee aan het werk kunnen.’ En in-
derdaad, die andere tip kwam in 1994 en ik spoorde tijdens een gehei-
me, spannende missie Frans Meijer in Paraguay op. Toen ik terug-
kwam in Nederland was Van Hout zwaar ontstemd en riep me min of
meer ter verantwoording. Ik kon hem toen echter voorhouden dat hij
mij er nooit iets over had verteld en ik geen enkele belofte had geschon-
den. Dat hij het allesbehalve leuk vond, was begrijpelijk, maar er was
geen sprake van dubbelspel of verraad geweest. En dat zorgde ervoor
dat ons contact – na een afkoelingsperiode – in stand bleef.
Ik vertel dit allemaal omdat ik in november 2003 weer voor zo’n di-
lemma stond. Ik werd benaderd door een persoon die vertelde dat hij
veel wist van een onopgeloste moord waar ik in het verleden over had
gepubliceerd en lezers toen om informatie had gevraagd. Ik veerde
direct op, maar de betrokkene zei mij dat ik mijn ‘woord van eer’
moest geven dat ik zijn verhaal niet mocht opschrijven of doorgeven
aan de politie, want daaruit zou voor de dader zonder meer blijken
wie er loslippig was geweest en dat zou nog een leven kosten: het zij-
ne. Hij wilde het voornamelijk kwijt om zijn eigen geweten te ontlas-
ten. Ik aarzelde en dacht even aan bovengenoemde, eerdere ervarin-
gen. Je weet hoe het werkt, Peet, zei ik streng tegen mezelf. En toen...
toen gaf ik mijn erewoord en liet het me toch vertellen.

– 196 –
De ontvoering die mijn leven
veranderde

Op 9 november 1983 had ik ’s avonds juist tien kilometer hardgelo-


pen en wiste in de keuken met een handdoek het zweet van mijn ge-
zicht, toen om een paar minuten voor halfacht de telefoon rinkelde...
Hoe ik dat nu, op de kop af twintig jaar later, nog zo goed weet? Nou,
degene die belde was mijn baas, de chef nieuwsdienst van De Tele-
graaf, die opgewonden meldde dat rond zeven uur in het centrum van
Amsterdam bierbrouwer Alfred Heineken en diens chauffeur Ab Do-
derer waren ontvoerd en dat ik direct naar de krant moest komen. Het
was een mededeling die de loop van mijn journalistieke carrière –
maar eigenlijk ook wel mijn persoonlijke leven – enorm heeft beïn-
vloed. Er is geen misdaad – zelfs de Puttense moordzaak niet – waar
mijn naam zo mee wordt geassocieerd als de Heineken-ontvoering.
Ook nu, twintig jaar later, gaat er geen week voorbij zonder dat ik met
die gebeurtenis word geconfronteerd. De Heineken-ontvoering is de
story of my life geworden, zoals de Amerikanen dat zo mooi zeggen.
Ik schreef honderden onthullende reportages in de krant, publiceerde
er twee boeken over en Neerlands meest geruchtmakende misdrijf
allertijden bracht mij ook in contact met Cor van Hout, de primus in-
ter pares van de vijf kidnappers. Na de ontknoping van de ontvoering,
wilde ik dolgraag weten hoe Van Hout en zijn kompanen alles precies
hadden beraamd en uitgevoerd. Ik schreef hem begin 1984 een brief
toen hij in Parijs in de beruchte Santé-gevangenis zat, in afwachting
van zijn uitlevering aan Nederland. We waren even oud, beiden Am-
sterdammers, sportliefhebbers, Ajax-fan en niet-roker. We hadden
dus bepaalde dingen gemeen, maar waren ook – dacht ik – onverenig-
baar verschillend: hij was ontvoerder en ik was journalist. Ik vroeg
Van Hout of hij misschien bereid was om een interview aan mij te
geven. Er waren nog zoveel onopgehelderde geheimen in de ontvoe-
ringzaak, dat ik hem daar dolgraag eens over wilde spreken. Ik ver-
wachtte er niet veel van, maar niet geprobeerd was altijd kansloos.

– 197 –
Deze week las ik de correspondentie met hem in de Santé nog eens
terug. In zijn eerste brief in april 1984 (‘Ik hoop dat je mijn hand-
schrift een beetje kunt lezen, want ik zit op mijn bed te schrijven’)
meldde Van Hout dat hij mijn werk in De Telegraaf altijd wel gevolgd
had en dat hem dit wel aansprak, maar dat van een interview toch
echt geen sprake kon zijn. Hij beriep zich op zijn zwijgrecht bij de
politie, er liep nog een uitleveringsprocedure en een interview over de
toedracht van de ontvoeringszaak kon hem alleen maar schaden, zo
meende hij – niet ten onrechte overigens. Maar, zo schreef hij, als –
met hoofdletters – ik ooit een interview geef, dan is dat aan jou. Wel
vroeg hij mij of ik elke week misschien de maandag-Telegraaf kon
opsturen, zodat hij de voetbaluitslagen kon volgen. Ik ging ervan uit
dat de uitlevering aan Nederland hooguit een paar weken kon duren
en stuurde hem vanaf dat moment elke dag in een enveloppe de
krant: Maison d’ Arrêt, Rue de la Santé 42 Cel 309 Cedex 14 – 75014
Paris. De reden dat ik dit adres nog zo gemakkelijk reproduceer is dat
de uitlevering helemaal niet snel verliep, maar door juridische touw-
trekkerij bijna twee jaar (!) duurde en ik al die tijd – ook in mijn va-
kanties – dagelijks dit adres op een enveloppe met krant erin krabbel-
de: beloofd is beloofd...

In de sombere Santé-gevangenis was het een dagelijks lichtpuntje dat


Cor van Hout nooit is vergeten. Een kleine geste, met grote gevolgen.
Toen hij eind 1985 tijdens de uitleveringsprocedure om juridische re-
denen uit de Santé-gevangenis werd vrijgelaten en onder politiebewa-
king ‘huisarrest’ kreeg in een hotel bij Parijs, verzamelde zich daar de
hele wereldpers. Iedereen wilde een glimp van hem opvangen en het
liefst een interview hebben. In een kamertje van het hotel overlegde
Van Hout met zijn advocaat mr. Max Moszkowicz. Na een poosje
kwam er een gendarme naar buiten, op de parkeerplaats van het ho-
tel, waar ik met de rest van de pers al uren liep te koukleumen in af-
wachting van wat er komen ging. ‘Attention.... Monsieur Pe-tèr le
Vrii-eess?’ riep de politieman. Toen ik aarzelend mijn vinger opstak,
wenkte hij me naar binnen. Mijn collega’s en concurrenten keken me
verbaasd aan. Wat was dat, wat ging er gebeuren? In het hotel werd ik
naar een zaaltje geleid. Cor van Hout zat er. Hij stond op en gaf me
een hand. ‘Je hebt me al die tijd de krant opgestuurd. Ik dacht eerlijk
gezegd dat je er na een maand mee zou stoppen, want je had er eigen-

– 198 –
lijk niks aan. Ik zal nooit vergeten dat je het al die tijd hebt volgehou-
den. Ik weet dat er veel pers buiten staat. Maar ik geef maar één inter-
view. Aan jou.’ Beloofd was beloofd.

Deze voorgeschiedenis, die niet veel mensen kennen, legde in feite de


basis voor ons latere contact en de daaruit weer voortvloeiende
vriendschap. Een contact dat me in staat stelde de inside-story van de
kidnap in een dik boek vast te leggen, dat het best verkochte true-cri-
me-boek van Nederland is geworden en waar al die ‘onopgehelderde
geheimen’ door hem toch nog uit de doeken zijn gedaan. Tijdens en
na zijn gevangenisstraf bleef ik contact met Cor van Hout houden en
ontstond er ondanks onze ‘onverenigbare’ achtergronden toch een
heel bijzondere vriendschap. Een vriendschap die voortduurde tot hij
op 24 januari van dit jaar in Amstelveen op straat werd geliquideerd.

Kort voor zijn dood ontdekte ik bij toeval dat de loods aan De Heining
in het Westelijk Havengebied, waar de ontvoerders Alfred Heineken
en Ab Doderer drie weken gevangen hielden, door de nieuwe eige-
naar helemaal in ‘ongerepte’ staat is gehouden. De speciaal gemetsel-
de celletjes staan er nog, compleet met matras, een chemisch toilet,
een intercommetje, geluidswerend schuimrubber langs de muren en
een kaal peertje aan het plafond. Precies twintig jaar na de kidnap
ging ik er opnieuw een kijkje nemen. Terug naar november 1983. Te-
rug naar het misdrijf dat zo bepalend voor mijn toekomst is geweest.
De loods zag eruit alsof de tijd had stilgestaan. Alleen spinnenraggen,
stof en vuil maakten duidelijk dat dit niet zo is. Ik vond het indruk-
wekkend en liet alles op mij inwerken. In het boek had ik alles in tekst
verwoord, nu zag ik het ook weer in beelden voor me. Hier was het
dus allemaal gebeurd. Hier hadden Alfred Heineken en zijn chauf-
feur Ab Doderer drie weken in angst en spanning gezeten over hun
lot. Hier hadden de vijf ontvoerders alles beraamd en gehoopt dat het
losgeld hen een nieuwe toekomst zou brengen... Toen ik een uurtje
later weer in mijn auto stapte, reed ik door naar de laatste rustplaats
van Cor van Hout. De loods op de Heining en de begraafplaats Vre-
denhof worden nagenoeg met één rechte weg – de Haarlemmerweg –
met elkaar verbonden, als een symbolische navelstreng tussen het
begin en het einde van een geruchtmakende misdaadcarrière. He-
melsbreed een stukje van zeven kilometer, dat ik in enkele minuten

– 199 –
aflegde, maar waarin ik in feite een tijdperk van twintig bewogen ja-
ren overbrugde. Er scheen die dag een mooi herfstzonnetje en de bo-
men op de begraafplaats hadden prachtige kleuren. Het was er aange-
naam stil en zittend op een bankje bij het graf van Cor van Hout
mijmerde ik waarom de dingen in het leven gaan zoals ze gaan...

– 200 –
Koninklijke snelheidsduivels

Op woensdag 5 november 2003 was ik voor opnamen vanuit ’t Gooi


onderweg naar Zaandijk, toen ik op de A1 – richting Amsterdam – in
mijn achteruitkijkspiegel snel dichterbij komende blauwe zwaailichten
opmerkte. Het waren drie motoragenten, die drie gewone personen-
auto’s escorteerden. Er werd met duizelingwekkende snelheid gereden.
Omdat ik in het verleden wel eens vaker hoogwaardigheidsbekleders
en leden van het Koninklijk Huis heb meegemaakt die – gedekt door
een zwaailicht – alle verkeersregels aan hun laars lapten, was ik waak-
zaam. Voor wie moest er zo ruim baan worden gemaakt? Toen de co-
lonne passeerde kon ik zo gauw niks ontdekken en zette de achtervol-
ging in. Ik noteerde de kentekens van de drie auto’s: 10-lk-zt,
rz-xx-65 en 37-gk-gx. Van de A1 draaide de colonne de A10 op door
de Zeeburgertunnel. Er werd gereden alsof de duivel hen op de hielen
zat. Mijn snelheidsmeter liep op tot boven de tweehonderd kilometer
(!) per uur. Als een wervelstorm raasde men over het wegdek, de ove-
rige auto’s die niet harder dan honderd mochten, als herfstbladeren
aan de kant blazend. Bij de afslag Volendam – Amsterdam-Centrum
zag ik dat er zich ineens een auto met een aa-kenteken bij het gezel-
schap voegde, wat betekende dat er een lid van het Koninklijk Huis in
het spel was. Ik kon echter niet zien wie er in die auto zat en omdat ik
zelf naar Zaandijk moest, haakte ik op dat moment af. Terug op de re-
dactie liet dit voorval mij niet los. Waarom moest er zo achterlijk hard
worden gereden? Als er brand was in een van de paleizen: oké. Als
prinses Maxima vroegtijdig barensweeën had: heel begrijpelijk. Als er
sprake was van een aanslag of terroristische dreiging: go ahead! Maar
als dit niet aan de orde was, rijst natuurlijk de vraag waar dit soort
wegpiraterij op slaat. Als u en ik op diezelfde weg 105 kilometer rij-
den, ligt er immers een week later een acceptgiro van het Justitieel
Incassobureau op de mat onder het mom dat we de verkeersveilig-
heid in gevaar hebben gebracht.

– 201 –
Ik stuurde daarom een fax naar de Rijksvoorlichtingsdienst en vroeg
hen mij mede te delen wat de aanleiding was ‘om op een weg waar
maximaal honderd kilometer is toegestaan, gedurende lange tijd
meer dan het dubbele te rijden’. Ook wilde ik weten voor wie het es-
corte precies bedoeld was en wat de bestemming was die dit gejakker
noodzakelijk maakte. Het schriftelijke antwoord van directeur Eef
Brouwers was zeer kort: ‘De rvd kan de vragen die u ons toezond niet
beantwoorden. Met vriendelijke groeten...’ Nu werd ik een beetje nij-
dig. Hoezo niet beantwoorden? Wat is dat voor flauwekul? Ik belde
Brouwers op om een nadere toelichting. Zijn uitleg was dat de rvd
‘vanwege veiligheidsredenen niet bevoegd’ is om mededelingen te
doen over waar en waarom auto’s van het Koninklijk Huis rijden. ‘Dat
is een principekwestie,’ aldus Brouwers. Of dit een vrijbrief inhield
voor de chauffeurs om zich naar believen ongestraft als Formule-1-
coureurs te kunnen misdragen was een vraag die ik niet bij hem maar
bij ‘andere instanties’ moest neerleggen, zei hij. Dat deed ik dus. Ik
schreef ook een fax naar het Korps Landelijke Politiediensten (klpd),
waar de motorescorte formeel onder valt. Woordvoerder Alek de Jong
antwoordde in een schriftelijke reactie behoedzaam: ‘Ik deel u mede
dat het klpd over beveiligingsopdrachten geen mededelingen doet.
Dit ter ondersteuning van het veiligheidsconcept en de persoonlijke
levenssfeer van de te beveiligingen personen.’ En over de verdubbe-
ling van de toegestane snelheid: ‘Ik kan u mededelen dat in het onder-
havige geval het beveiligingsconcept overschrijding van de maxi-
mumsnelheid noodzakelijk maakte. Met de meeste hoogachting...’
Ambtelijk afpoeieren heet dat! Op deze manier kan dus niemand ver-
haal halen waarom er zo idioot hard werd gereden.
De volgende dag keek ik nieuwsgierig in de krant of er iets stond
over de geboorte van een Oranjenazaat, of over een verijdelde terreur-
aanslag op een lid van het Koninklijk Huis, maar nee, niets van dat al-
les. Wel zag ik een verhaal waarin stond dat prins Bernhard die bewuste
ochtend in het centrum van Amsterdam de Erasmusprijs had uitge-
reikt aan voedselexpert Alan Davidson. Koningin Beatrix en prins Wil-
lem Alexander waren er ook bij, zo bleek uit de tekst. Evenals Pieter van
Vollenhoven, die jarenlang heeft geijverd voor het bevorderen van... de
verkeersveiligheid! Voor deze gezellige bijeenkomst moest dus meer
dan tweehonderd kilometer per uur worden gereden... Alsof de geno-
digden verontwaardigd waren opgestapt als de prins door de verkeers-

– 202 –
drukte een paar minuten later was gekomen, zoals alle gewone auto-
mobilisten op de A1 dagelijks meemaken. Wie dan te hard rijdt, krijgt
van de politie te horen dat hij maar eerder thuis moet vertrekken en
krijgt gewoon een vette prent. Wat dat betreft wordt er in ons land ken-
nelijk royaal met twee maten gemeten.
Het incident vond toevallig juist plaats toen een publieke discussie
de kop opstak of onze monarchie in de media niet te veel op de hak
wordt genomen, bijvoorbeeld in de vorm van persiflages in satirische
programma’s. Volgens premier Jan Peter Balkenende en minister van
Justitie Piet Hein Donner was het Oranjehuis na het ontstaan van
Mabelgate zo vaak het mikpunt van bijtende spot dat dit de status van
het koninkrijk daadwerkelijk schade kon doen. Balkenende deed min
of meer een verzoek om de leden van het Koninklijk Huis met meer
respect te behandelen in de pers. Met meer respect? Dat is de wereld
op zijn kop zetten. Ik zou zeggen: wie geen onderwerp van spot wil
worden, moet om te beginnen zichzelf niet bespottelijk gedragen!

– 203 –
De aantrekkingskracht van
begraafplaatsen

In de zomer van 2003 schreef ik in een column met de titel Prisoner


466/64 over de cel van Nelson Mandela, dat ik word aangetrokken
door gevangenissen en daar graag een kijkje in neem als ik de kans
krijg. Ik veronderstel dat iedereen wel begrijpt dat ik daar als mis-
daadverslaggever in geïnteresseerd ben. Maar het zijn niet alleen ge-
vangenissen die mij intrigeren. Op het gevaar af dat u het ietwat mor-
bide vindt: ook begraafplaatsen doen dat. Veel mensen vinden het een
naargeestige plek, die ze liever mijden, onder het voor de hand liggen-
de motto dat ze er nog lang genoeg kunnen verblijven... Ik vind be-
graafplaatsen echter boeiend, het is een locatie die – in strijd met de
essentie ervan – veel vertelt over het leven. Als ik op een kerkhof ben,
bekijk ik altijd de graven en lees de teksten op de stenen. Ze leren je
iets over plaatselijke gewoonten, welke familienamen er regionaal in
zwang zijn en de teksten op de grafstenen vertellen vaak veel over het
verleden van de mensen die er hun rustplaats hebben. Soms word je
door geboorte- en sterfdata op graven gewaar dat families in korte tijd
zwaar getroffen zijn. De uitgebeitelde sterfdata wijzen ook met een
zekere regelmaat op grote tragedies als bijvoorbeeld man en vrouw,
vader en zoon of broer en zus op dezelfde dag om het leven zijn geko-
men. Als je daar, zoals ik, oog voor hebt, is een begraafplaats een
boeiende plek waar je moeiteloos uren kunt vertoeven.

Toen ik afgelopen zomer in Zuid-Afrika op vakantie was en in een


landelijk gebied op weg naar de beroemde Drakensbergen bij het
plaatsje Mooi Rivier een kerkje zag staan met twee rijen graven,
moest ik dan ook even stoppen. Mijn vrouw en kinderen bleven liever
in de auto zitten, maar ik wandelde het begraafplaatsje op. Het kerkje
was vervallen. Bij de ingang knerpte in de wind een roestig uithang-
bord: St. Andrews Anglican Church – Next service on... Er was geen
datum ingevuld. De laatste kerkdienst was al heel lang geleden ge-
houden. Voor de kerkramen waren de luiken dichtgetimmerd, op de

– 204 –
deuren zaten grote, door de tijd verweerde sloten. Ik vroeg me af wie
er hier, op dit verlaten kerkhofje waren begraven. De graven dateer-
den van zo’n vijftig jaar geleden en aan de (dubbele) namen te zien
ging het om blanken van voorname afkomst. Er lagen ongeveer 35
mensen begraven en ik liep ze allemaal even langs. Ik mijmerde on-
dertussen of het nou toeval of voorzienigheid was dat ik, zo’n vijftig
jaar na dato, hier op mijn rondreis langskwam, een tussenstop maak-
te en aan hun graf stond...

Juist op dat moment zag ik op een nogal pompeuze grafsteen iets bij-
zonders staan. Ene Donald Carmichael Swan lag er begraven, 52 jaar
oud. Zijn sterfdatum was 14 november 1958. En dat was precies de
dag dat ik, duizenden kilometers verderop, in mijn geboorteplaats
Aalsmeer mijn tweede verjaardag vierde. Frappant, dacht ik, op het
moment dat hier Donald Swan door zijn bedroefde nabestaanden ten
grave werd gedragen, blies ik misschien twee kaarsjes op mijn ver-
jaardagstaart uit. Maar ach, elke dag overlijden er natuurlijk mensen
en worden er nieuwe geboren, dat gaat al bijna zo vanaf het begin der
mensheid. Maar er viel me nog iets op: op de steen van Donald Swan
stond Accidentally killed. Per ongeluk gedood. Hmmm... dat zet je er
niet op als je aan een ziekte of een auto-ongeluk bent overleden, zei
mijn misdaadverslaggeverintuïtie. Wat zou het wel zijn? De tekst
deed vermoeden dat Swan door onvoorspelbaar onheil op tamelijk
jonge leeftijd was getroffen. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, maar
mijn kinderen drukten ongeduldig op de claxon: de stop had lang ge-
noeg geduurd. Ik nam snel een paar foto’s van het graf en de reis werd
voortgezet. Toen ik terug in Nederland de vakantiefoto’s bekeek, dook
de grafsteen weer op. Ik keek op internet of er iets over Donald Carmi-
chael Swan en de St. Andrews Church in Mooi Rivier op stond. Dat
was niet het geval, maar omdat ik toch graag wilde weten wat er was
gebeurd, vroeg ik onze documentalist Muriëlle Hansen eens wat on-
derzoek te doen. Het viel niet mee. Het was een dun bevolkt gebied,
de regionale kranten gingen niet zover terug in de tijd en ook de kerk-
besturen beschikten niet over informatie. En van de St. Andrews
Church was helemaal geen kerkenraad of wat dan ook meer te vin-
den. De maanden verstreken en ik veronderstelde dat we er niet ach-
ter zouden komen, hoewel Murielle mij verzekerde dat ze nog wat wel
‘spoortjes’ had. Afgelopen vrijdag kwam ze glunderend naar me toe

– 205 –
en overhandigde me een brief van iemand uit Mooi Rivier. Hij schreef
dat Donald Swan een vooraanstaand man in de regio was geweest, die
veel voor de kerk had betekend. Tijdens een jachtpartij was hij over
een hek geklommen en was de trekker van zijn geweer ergens achter
blijven haken en de aldus – per ongeluk – afgevuurde hagelpatroon
had hem dodelijk getroffen: Accidentally killed. Tragiek in het kwa-
draat. En wanneer kreeg ik dit bericht te horen? U zult het misschien
niet geloven: op 14 november, mijn geboortedag en dus Donalds sterf-
dag... Fascinerend vind ik zoiets. Want wie had nou ooit kunnen den-
ken dat dit verdrietige jachtincident en het voortijdige einde van Do-
nald Carmichael Swan in Mooi Rivier 45 jaar later in Nederland door
mij aan de vergetelheid zou worden ontrukt en gepubliceerd? Toch
voorzienigheid?

– 206 –
De afloop van de paskamermoord

Er is niets wat zoveel woede in mij kan oproepen als onrecht. Wat dat
betreft ben ik in het goede vak terechtgekomen. Nu zijn er natuurlijk
verschillende soorten onrecht, maar onrecht dat wordt aangedaan of
veroorzaakt door autoriteiten die nota bene juist zijn aangesteld om dat
te voorkomen, spant bij mij de kroon. Overheden, zoals politie en justi-
tie, die burgers bepaalde dingen opleggen en verbieden, maar zelf ver-
volgens een loopje met dezelfde rechtsregels nemen, werken bij mij als
de bekende rode lap. En helemaal des duivels kunnen ze mij krijgen als
politie en justitie uit onkunde en desinteresse falen en blunderen, maar
vervolgens alles doen en laten om dat te verdoezelen, ook al ruïneert dat
levens en reputaties van volstrekt onschuldigen. Om die reden heb ik
me zeven jaar lang in de Puttense moordzaak vastgebeten. Uit een
combinatie van woede, verbazing en emotie, de drie drijfveren die er-
voor zorgen dat ik dit werk al meer dan 25 jaar doe.

Toen ik in het voorjaar van 2003 kennisnam van de precieze achtergron-


den van de ontknoping in de ‘Zaanse paskamermoord’, wist ik dan ook
direct dat ik daar een uitzending over móést maken. Nooit heb ik zo’n
aaneenschakeling van flaters gezien. Nooit is er in een zaak zoveel on-
kunde en machtsmisbruik op elkaar gestapeld. Even heel kort: na de
moord op de 21-jarige Sandra van Raalten – in november 1984 – werd
de toen 33-jarige fietsenhandelaar Rob van Zaane gearresteerd, die vol-
komen onschuldig was en ook een sterk alibi had. Een verdachte die
reeds direct in beeld kwam en beantwoordde aan het signalement dat
getuigen hadden opgegeven, werd volledig ongemoeid gelaten. Eén re-
chercheur, Sjoerd Bos, die er telkens voor pleitte dat deze man echt eens
goed aan de tand moest worden gevoeld, werd openlijk tegengewerkt,
belachelijk gemaakt en uiteindelijk afgeserveerd en op non-actief gezet.
Gelieg, gemanipuleer en ongelooflijk stuntelig recherchewerk
zorgden er vervolgens voor dat Rob van Zaane werd veroordeeld en
pas in hoger beroep – door toedoen van zijn advocaat mr. Piet Doe-

– 207 –
dens – werd vrijgesproken. Politie en justitie bleven daarna ijskoud
roepen dat hij toch de dader was. Van Zaane ging zodoende zeventien
jaar lang gebukt onder de doem der verdenking en werd overal nage-
wezen als lustmoordenaar. Hij verdween uit zijn geliefde Zaandam
en ‘dook onder’ in Amsterdam, waar de zaak hem op gezette tijden
nog steeds bleef achtervolgen. Totdat door toedoen van de moeder
van Sandra van Raalten het onderzoek in 2001 werd heropend en
door nieuw dna-onderzoek onomstotelijk bleek dat de werkelijke da-
der heel iemand anders was: de man die men al de eerste week na de
moord in het vizier had gehad, maar steeds had laten lopen. Na deze
pijnlijke ontknoping kon geen van de politie- en justitiefunctionaris-
sen die de plank zo afschuwelijk hadden misgeslagen een excuus
over de lippen krijgen. Sterker nog, ze hebben inmiddels allemaal
promotie gemaakt en toen ik hen voor mijn uitzending benaderde,
verscholen zij zich laf achter hun persvoorlichter: Nee, op zo’n oude
zaak konden zij nu niet meer terugkomen in hun nieuwe functie....
Rob van Zaane moet zich ondertussen gek procederen om alsnog een
schadevergoeding te krijgen. En Sjoerd Bos, de vakman die het alle-
maal haarscherp had gezien, zat inmiddels ‘afgebrand’ thuis op
wachtgeld. Ook hij kon niet aan de uitzending meewerken, vertelde
hij mij telefonisch. De zaak en de onrechtvaardige behandeling die
hem nadien ten deel was gevallen, hadden hem zo aangegrepen dat
het oprakelen daarvan voor hem te veel emoties zouden oproepen.

Voor mijn uitzending zocht ik ook contact met de moeder van Sandra
van Raalten, die de zaak weer aan het rollen had gebracht. Ik wilde
haar graag interviewen. Ze schreef me echter een brief waarin ze uit-
legde dat ze daar vanaf zag. Ze was verbitterd, de gebeurtenissen had-
den haar zwaar beschadigd. ‘Ik leef al negentien jaar in een nachtmer-
rie. Ik ben de afgelopen jaren achterdochtig geworden jegens media
om de oppervlakkige berichtgeving. Destijds had men mij behulp-
zaam kunnen zijn, maar toen meldde men zich niet. Ik heb daarom
besloten dat ik alleen de strijd moet voeren om de waarheid boven ta-
fel te krijgen.’ Over het politieonderzoek schreef ze: ‘Mijn dochter is
door politie/justitie groot onrecht aangedaan. Alsof het niet gruwelijk
genoeg was, hebben zij haar naam en nagedachtenis door het slijk
gehaald, omdat ze in hun absurde scoringsdrang de realiteit volko-
men uit het oog verloren (...) Het kostbare en prachtige leven van

– 208 –
mijn kind is vernietigd en justitie heeft door haar “slordige” aanpak
deze tragedie vergroot. Mijn dochter had door haar persoonlijkheid
en verschijning helaas met veel afgunst te maken. Dat kwam de poli-
tie wel goed uit en zo lieten ze een beeld ontstaan als zou mijn doch-
ter het onheil wel over zichzelf hebben afgeroepen.’ Over wat dat met
haar zelf gedaan heeft, schrijft ze: ‘Wij, haar familie, waren machte-
loos. Naast het verdriet maakte woede zich van mij meester. Ik heb
me de afgelopen jaren ingespannen om de waarheid boven tafel te
krijgen. Ik ben het mijn dochter verschuldigd omdat ik wist wie ze
was. Ik wil eerherstel voor mijn dochter. Ik wil dat degenen die ver-
antwoordelijk zijn voor deze non-prestatie haar openlijk in ere her-
stellen. Hiervoor strijd ik nu met justitie. Voor deze strijd heb ik al
mijn verstand en kracht nodig.’ Het was een brief die ik het liefst bij al
die politie- en justitieklungelaars aan de voordeur had gespijkerd.

Eind 2003 hebben we zonder haar medewerking de missers in de ‘pas-


kamermoord’ in een twee uur durende reportage in mijn tv-program-
ma belicht: een schokkend, verontrustend document. Mijn slottekst
moest ik een keer overdoen omdat ik mijn emoties over zoveel onrecht
even niet de baas kon, terwijl het slachtoffer van al dat onrecht, Rob van
Zaane, naast mij zat. De uitzending leidde tot een dikke stapel reacties
van kijkers, die evenzeer verontwaardigd waren. Er zat ook een brief bij
van de moeder van Sandra van Raalten. Ze schreef mij dat ze de uitzen-
ding met waardering had bekeken en dat ze de strijd voor eerherstel
van haar dochter zou blijven voortzetten. ‘Ik wil u hiermee laten weten
dat ik wat meer moed heb gekregen na uw uitzending en ik hoop dat dit
ook geldt voor de andere onschuldige betrokkenen.’
Ook ontving ik een hartelijke brief van oud-rechercheur Sjoerd Bos
en zijn dochter. Zij hadden naar de uitzending gekeken, een beetje
bang voor wat er komen ging. Maar na afloop was Bos – wiens rol uit-
voerig aan bod kwam – zo vaak door vrienden, familieleden en oud-col-
lega’s gebeld dat het ‘wel oudjaar leek’, schreef hij. ‘Dit is de rehabilita-
tie waar wij zo lang op hebben gewacht... Uw uitzending heeft mij en
mijn familie ontzettend goed gedaan. Het heeft ons zeer geëmotio-
neerd, maar op een manier waar we ontzettend blij mee zijn.’

Begrijpt u dat deze twee briefjes voor mij van meer betekenis zijn dan
de vloedgolf van reacties na mijn scoop over reserve-koningin Mabel
Wisse Smit?

– 209 –
Meten met twee maten

Als in Bangladesh een veerboot kapseist en er zijn 220 doden te be-


treuren, is dat hooguit een ‘stoppertje’ op de buitenlandpagina in de
krant. Als in Kazachstan een vliegtuig neerstort en alle 94 inzitten-
den komen om het leven, is de kans groot dat u daar niets van hoort.
Als in Bangkok in de uitpuilende Bang Kwang Prison jarenlang de
mensenrechten worden geschonden, gaat dat aan ons voorbij. Ten-
zíj... Tenzij er op de veerboot toevallig een Nederlander is aangemon-
sterd, in het vliegtuig een Hollandse toerist meevloog en een van de
gedetineerden in de gevangenis uit Amsterdam afkomstig is. In dat
geval staat het ‘nieuws’ dagenlang op de voorpagina’s. Het is een
merkwaardig soort ‘chauvinisme’, dat mij dikwijls opvalt. Wij Neder-
landers zijn sterren in het meten met twee maten. Het lijkt wel alsof
een ramp niet van belang is zolang er geen Nederlander bij betrokken
is. En dat we mensonterende toestanden kunnen negeren als er geen
landgenoot het slachtoffer van is.

In dat licht heb ik met verwondering kennisgenomen van de dubbele


moraal waarmee eind 2003 in ons land is gereageerd op de levenslan-
ge gevangenisstraf voor Amsterdammer Machiel Kuijt in Thailand
wegens heroïnesmokkel. Mind you: als in ons land een Antilliaanse
bolletjesslikker onverhoopt zijn straf ontloopt, leidt dat in de Tweede
Kamer tot een spoeddebat dat de minister van Justitie bijna de kop
kost. Als een vermeende drugshandelaar wegens gebrek aan bewijs
wordt vrijgesproken, wordt dat nieuws tandenknarsend ontvangen en
strafrechtadvocaten staan bij de gemiddelde krantenlezer in laag aan-
zien omdat zij nogal eens wijzen op onvolkomenheden in ons straf-
recht. De gevangenissen in Nederland bekritiseert men alom vanwe-
ge het veronderstelde hotelcomfort dat de gedetineerden er genieten.
Maar wat gebeurt er als een Nederlander in Thailand (in hoger be-
roep) wordt veroordeeld? O, wee... In dat geval gaat iedereen klakke-
loos uit van zijn onschuld zonder de exacte feiten te kennen. De rech-

– 210 –
ters die dan tot een schuldigverklaring zijn gekomen, worden afge-
schilderd als een stelletje analfabete imbecielen en televisiepresenta-
toren vragen zich in talkshows hardop af hoe ‘we’ Machiel vrij kun-
nen krijgen. Er wordt gesteld dat het aangekondigde staatsbezoek van
Beatrix aan Thailand onder deze omstandigheden geen doorgang
mag vinden. Justitieminister Donner laat weten dat hij ‘zo snel moge-
lijk’ een uitwisselingsverdrag met Thailand wil en de minister van
Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer, roept de Thaise ambassadeur
direct op het matje. En voor het diskwalificeren van de ‘middeleeuw-
se’ gevangenis waar Machiel in is ondergebracht komen de media bij-
voeglijke naamwoorden tekort.

Begrijpt u mij goed: als Machiel werkelijk onschuldig is, verdient hij
alle denkbare hulp en is iedere dag in de cel er één te veel. Maar mijn
punt is dat ik nergens heb gelezen dat hij misschien ook wel eens
schuldig zou kunnen zijn en dus gewoon mis heeft gegokt... Thaise
rechters zijn zeker streng, maar het is lariekoek om hun rechtspraak
als achterlijk te karakteriseren. In Nederland worden dagelijks Tur-
ken, Marokkanen, Antillianen en Chinezen veroordeeld wegens
drugssmokkel terwijl ze heftig schuld ontkennen en onze taal niet
machtig zijn. Toch hoor ik daar nooit tegen protesteren – laat staan
dat de politiek zich er mee bemoeit – terwijl onze rechtspraak bepaald
ook niet feilloos is. Trekt u die vonnissen wel eens in twijfel? Ik krijg
vaak brieven van deze gedetineerden op mijn bureau waarin ze stel-
len dat het onderzoek eenzijdig of onvolkomen is geweest, hun ver-
klaringen verkeerd zijn vertaald of begrepen en de politie en de rech-
ters niet geïnteresseerd waren in ontlastend bewijs. Maar dan zegt de
goegemeente dat hun advocaten niet zo moeten ‘zeuren’. Overigens
komt het ook in Nederland voor dat iemand eerst wordt vrijgesproken
en later tot achttien of twintig jaar wordt veroordeeld. Nooit een span-
doek over gezien. En als een buitenlandse regeringsleider zou over-
wegen om zijn voorgenomen staatsbezoek aan Nederland vanwege
onze dubieuze rechtspraak te annuleren, zou iedereen verontwaar-
digd op zijn voorhoofd wijzen. En wat zou er, denkt u, gebeuren als
onze ambassadeur in bijvoorbeeld Marokko ‘op het matje zou worden
geroepen’ door de minister van Buitenlandse Zaken daar omdat een
Marokkaan in Amsterdam tot een lange gevangenisstraf zou zijn ver-
oordeeld? Nou, ik weet het wel: de kranten zouden kolommen tekort-

– 211 –
komen om erop te wijzen dat onze rechtspraak onafhankelijk is en de
stap van de minister een brutale en onaanvaardbare inmenging in
ons strafrecht is.

In de media wordt dagelijks veel nadruk gelegd op de ‘barbaarse’ om-


standigheden van Machiel in de ‘horror-gevangenis’, waar hij tussen
‘lustmoordenaars en verkrachters’ vastzit. Kennelijk staat voor de
pers de schuld van deze gedetineerden wel vast... Wat schijnbaar ie-
dereen van die ‘gruwelgevangenis’ ontgaat, is dat Machiel Kuijt er
bijna ongelimiteerd bezoek mag ontvangen: de hele Nederlandse
pers is er al langs geweest, soms zelfs met fotograaf en cameraploeg.
Moet een Turkse journalist in Nederland eens proberen... Dan staat
hij voor een dichte gevangenisdeur. Ook kwam ik in diverse kranten
foto’s tegen van Machiels verblijf in de Thaise Klong Premgevangenis
toen hij nog niet was veroordeeld. We zien een afgetrainde Machiel
Kuijt met bokshandschoenen aan ‘te midden van zijn trainingsmaat-
jes kickboksen’. Hier in Nederland zitten verdachten vaak gewoon 23
uur per dag achter de deur. Niks sport. Tot slot: ik gun Machiel een
snelle thuiskomst. Van mij hoeft niemand te zitten voor een pond
drugs. Maar een beetje consequente benadering van dit probleem zou
ik wel op prijs stellen...

Naschrift: tijdens haar bezoek aan Thailand hebben koningin Bea-


trix en de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken Bot, de kwestie
van Machiel Kuijt en enkele andere gedetineerden met een Neder-
landse achtergrond ter sprake gebracht. Gevolg was dat twee veroor-
deelden direct werden vrijgelaten en dat werd toegezegd dat ‘de lange
hogerberoepsprocedure van Kuijt zou worden bespoedigd’. Tevens
werd er overeenstemming bereikt over het afsluiten van een nieuw
verdrag tussen Thailand en Nederland. De verwachting is dat als
Machiel Kuijt opnieuw wordt veroordeeld, hij zijn straf dan in Neder-
land mag uitzitten. Deze wordt dan omgezet naar Nederlandse maat-
staven.

– 212 –
De dood ten gevolge hebbende

In de vroege ochtend van 14 januari 1993 werd in een appartement aan


het Opheusdenhof in Holendrecht, onder de rook van Amsterdam, het
lijk gevonden van de 40-jarige Rob Vis. De Amsterdammer was samen
met zijn vrouw Elène exploitant van een escortbureau en hij was het
slachtoffer geworden van wat men in de volksmond een roofmoord
noemt. Inbraaksporen waren er niet in de woning, maar er waren siera-
den verdwenen en een cd-speler en een autotelefoon. Vis had de daders
waarschijnlijk zelf binnengelaten – er waren geen braaksporen – wat
de recherche deed vermoeden dat hij hen moest kennen. Aan de spo-
ren kon de politie zien dat Rob als een leeuw voor zijn leven had ge-
vochten. De woning was besmeurd met bloed. Hij had 21 messteken
opgelopen, had gebroken nekwervels en was uiteindelijk dood neerge-
vallen, dwars door een glazen salontafel heen.

Pas twee jaar later kreeg de recherche vat op de zaak toen de gestolen
sieraden werden aangeboden bij een bank van lening. Hoofdverdach-
ten waren Danny M., Brian P. en Patrick H., een trio twintigers dat op
het slechte pad was geraakt. Sterker nog, Brian P. en Danny M. waren
slechts een week voor de moord op klassieke wijze uit de Bijlmerbajes
ontsnapt met aan elkaar geknoopte lakens... Ze hadden een schuil-
adres gevonden in de hoofdstedelijke Vechtstraat en daar lag ook de
link met Rob Vis. Want in die woning kwam ook Nicole J., een escort-
meisje dat voor Rob en Elène Vis had gewerkt en die zelfs enige tijd in
het appartement aan het Opheusdenhof had gewoond en daar nog
een sleutel van had... En ja, als je net ontsnapt bent uit de gevangenis
heb je geld nodig. En Rob Vis zou niet onbemiddeld zijn, in zijn wo-
ning moest het een en ander te halen zijn. Nicole J. wees hen letterlijk
de weg, al is altijd onduidelijk gebleven of zij zelf is meegegaan naar
de woning op het fatale tijdstip of niet. Danny M., Patrick H. en Nico-
le J. werden gearresteerd, maar legden tegenstrijdige verklaringen af
en schoven de schuldvraag heen en weer. De twee mannen werden

– 213 –
veroordeeld tot zes en vijf jaar cel, wegens ‘het medeplegen van dief-
stal met geweld, de dood ten gevolge hebbende’. Doodslag – de opzet
om iemand van het leven te beroven – kon niet bewezen worden, wat
hen een relatief lage straf opleverde. Vandaag de dag waren ze zo
‘goedkoop’ niet weggekomen, is mijn overtuiging. Nicole J. kreeg
voor haar hand- en spandiensten twee maanden en 240 uur werk-
straf. Maar er was nog een derde man bij het misdrijf betrokken: de
toen 25-jarige Brian P., een van de twee gedetineerden die uit de Bijl-
merbajes was ontsnapt. Hij slaagde erin jarenlang uit handen van
justitie te blijven. Pas bijna tien jaar (!) na de moord op Vis werd hij
min of meer bij toeval door een arrestatieteam in de Amsterdamse
Pijp opgepakt, toen hij opdook in een onderzoek naar een drugsben-
de. Gevolg was dat hij eind 2003 nog berecht moest worden, terwijl
de anderen hun straffen er allang op hadden zitten.

In de aanloop van het proces zochten Elène Vis, de weduwe van Rob,
en hun zoon Robert, die acht jaar was toen zijn vader werd omge-
bracht, contact met mij. Hoewel het misdrijf inmiddels bijna elf jaar
geleden was, merkte ik wel dat het voor hen allemaal nog als de dag
van gisteren was. Moeder en zoon leven nog dagelijks met tal van on-
beantwoorde vragen, bijvoorbeeld over de rol van Nicole J. Was zij er
nu wel of niet bij? Zo ja, dan was zij met haar lichte straf veel te ge-
makkelijk weggekomen. Ze hoopten dat de nu 36-jarige Brian P. tij-
dens de rechtszitting opheldering zou geven over de toedracht. Op 4
december 2003 diende de zaak voor de Amsterdamse rechtbank en ik
was aanwezig. Er was nauwelijks belangstelling. Er zat één parket-
wacht in de zaal, twee Amsterdamse rechercheurs, een justitiemede-
werker, een Parool-verslaggever en Robert en Elène. En dan natuur-
lijk nog verdachte Brian P. en zijn advocaat mr. Fred Staehle. De
zitting was in feite een hamerstuk. We hebben in ons land wel eens
kritiek op rechtspraak in het buitenland, maar ik verzeker u dat ieder-
een daar juist weer gek opkijkt als men hoort dat zo’n levensdelict in
precies anderhalf uur wordt afgedaan, letterlijk op een achternamid-
dag. Ik heb voor een snelheidsovertreding wel eens langer in de zaal
gezeten bij de politierechter. Er werd geen enkele getuige gehoord en
Brian P. beriep zich tot teleurstelling van Elène op zijn zwijgrecht. En
ja, dan gaat het rap. De president nam in twaalf minuten een sa-
menvatting van het dossier door. De officier van justitie hield in exact

– 214 –
veertien minuten haar requisitoir en eiste acht jaar cel. Advocaat Fred
Staehle maakte er nog het meeste werk van door 55 minuten het woord
te voeren, maar iedereen in de zaal wist dat hij voor een verloren zaak
pleitte, aangezien de mededaders in het verleden al schuldig waren be-
vonden. Uitspraak over veertien dagen. Na negentig minuten stonden
we weer buiten. Elène Vis en ik keken elkaar even aan. Ze oogde som-
ber, teleurgesteld. We konden niet zeggen dat het recht zijn loop niet
had gehad, maar een beetje ontgoochelend was die loop wel...

Naschrift: Brian P. werd veroordeeld tot zes jaar. Dezelfde straf die
zijn mededaders Danny M. en Patrick H. opgelegd hadden gekregen.

– 215 –
Grote bestrijders van kleine
criminaliteit

Er gaat bijna geen week voorbij of ik lees in de krant wel een interview
met de korpsleiding van de Amsterdamse politie, hoofdcommissaris
Jelle Kuiper, ‘De Denker’ en zijn onafscheidelijke commissaris Joop
van Riessen, ‘De Doener’. Het zijn vaak nogal propagandistisch ge-
toonzette verhalen, waarin ‘proefballonnetjes’ worden opgelaten of
een nieuwe – uiteraard ferme – aanpak wordt geïntroduceerd van
vooral de kleine criminaliteit.

Omdat ik een knipselarchief bijhoud, heb ik eens ruim een jaar in De


Telegraaf teruggebladerd, waardoor ik een aardig inzicht kreeg in wat
De Denker & De Doener belangrijk vinden. Een kleine selectie:

5 september 2002. Onder de kop keiharde aanpak jeugdcrimina-


liteit wordt gemeld dat er 1500 jeugdige criminelen zijn die in de
hoofdstad misdrijven als straatroof, overvallen en inbraak plegen. Jel-
le Kuiper: ‘Van hen zijn er circa 1000 bij ons bekend en we zullen al-
les inzetten om zo veel mogelijk van deze gasten op te sporen en op te
pakken.’

10 september 2002. amsterdam wil junks dumpen op platteland


kopt de krant nog geen week later. En volgens commissaris Joop van
Riessen kan met dit plan ‘de misdaad een gevoelige slag worden toe-
gebracht’, want rond de 3000 verslaafden maken de Amsterdamse
binnenstad onveilig. Volgens Van Riessen is het tijd voor ‘een keihar-
de aanpak’.

27 november 2002. De cellen zitten kennelijk nog niet vol. Want


naast jeugdige criminelen en verslaafden moeten nu ook fietsendie-
ven achter slot en grendel meldt de krant. Hoofdcommissaris Jel-
le Kuiper: ‘Het is ons ernst.’ Hij roept slachtoffers van fietsendieven
op om vooral aangifte te doen.

– 216 –
17 december 2002. Niet alleen fietsendieven moeten in het oog wor-
den gehouden, ook automobilisten: alle autokentekens rond am-
sterdam op foto. Commissaris Van Riessen meldt dat de politie ‘dui-
zend man wil vrijmaken om 24 uur per dag 200 agenten op straat te
hebben die zich bezighouden met de controle van het inkomend
stadsverkeer’. De politie als ‘poortwachter’, zegt Van Riessen.

3 januari 2003. politie deelt minder bonnen uit. Maar... moet er


volgens Kuiper ‘naar streven zo veel mogelijk mensen daadwerkelijk
staande te houden en op hun wangedrag aan te spreken’. De hoofd-
commissaris wil dat Amsterdam er 400 cellen bij krijgt.

18 februari 2003. volwassen veelpleger wacht heropvoeding.


Omdat de ‘opvoedingskampen’ voor hardleerse jongeren volgens Kui-
per succesvol zijn, heeft de politie voor volwassen criminelen die va-
ker in de fout gaan dezelfde aanpak ‘in gedachten’, aldus de krant.

9 april 2003. politie start jacht op winkeldieven. De politie is


werkelijk onvermoeibaar. Commissaris Van Riessen meldt dat voor
een ‘groot offensief’ tegen winkeldieven een ‘enorme politiemacht’ is
opgeroepen: een ‘vliegende brigade op scooters die langs roofroutes
extra surveilleert’.

2 mei 2003. illegale crimineel moet worden weggepest. Jelle Kui-


per legt uit dat ‘doorgewinterde illegale criminelen steeds tien dagen na
hun vrijlating door de Amsterdamse politie worden opgepakt en steeds
weer vastgezet, ook als ze op dat moment niets hebben gedaan’.

6 oktober 2003. politie maakt jacht op ‘terroristen’ in verkeer.


Jelle Kuiper legt in de krant uit dat agressieve weggebruikers thuis
zullen worden opgespoord en aangehouden. Het beleid wordt ver-
scherpt, waarschuwt hij.

25 november 2003. politie jaagt fel op fietsers zonder licht. Jel-


le Kuiper meldt dat hij zijn manschappen in een ultieme poging heeft
gemaand het verkeersgedrag bij fietsers te verbeteren. Ook hier moet
sprake zijn van een ‘heropvoeding’.

– 217 –
En zo kan ik nog wel even doorgaan, want ik ben lang niet volledig
geweest. Het zijn soms bijna amusante artikelen. Bij elk plan wordt
in ronkende bewoordingen gesteld dat de Amsterdamse politie met
‘man en macht’ zal optreden..., ‘koortsachtig alles in het werk stelt
om...’, een ‘klopjacht heeft geopend op...’, of een ‘slag heeft toege-
bracht aan...’

Enfin, de ‘keiharde aanpak’ heeft ervoor gezorgd dat wildplassers,


fietsendieven, hardleerse junks/illegalen, burgers die hun vuilnis te
vroeg buitenzetten en automobilisten die een lange neus naar de poli-
tie trekken zich nu beter aan de regels houden. Bravo, Jelle Kuiper en
Joop van Riessen, grote bestrijders van de kleine criminaliteit! En dat
we van sommige van de met veel bravoure aangekondigde plannen
helemaal nooit meer iets hebben vernomen, zullen we welwillend
vergeten. Maar mag ik De Denker & De Doener er wel aan herinneren
dat we in Amsterdam de laatste jaren ook nog een enorme reeks liqui-
daties hebben gehad, waarbij met machinepistolen (soms onschuldi-
ge) mensen op klaarlichte dag op drukke locaties werden neerge-
maaid? En dat geen van die liquidaties door jullie is opgelost?!

– 218 –
Het Ajax-shirt van Nicky Verstappen

Op mijn kantoor hangt boven de vergadertafel een origineel Ajax-


shirt, met daarop de handtekening van Jari Litmanen. Het hangt zo
prominent dat het bij negen van de tien bezoekers die ik ontvang de
opening van het gesprek vormt. ‘Goh, leuk zeg...’ is meestal de reac-
tie, waarbij men ervan uitgaat dat ik uit liefde voor Ajax en als fan van
Litmanen het shirt heb opgehangen. Nou is het waar dat ik al decen-
nia lang tot de ‘rood-witte schare’ behoor en het is ook vrij algemeen
bekend dat ik alle thuiswedstrijden van Ajax bezoek, maar daarom
hangt dat shirt van de populaire ajacied daar niet. Nee, als ik dat van
Jari had gekregen, zou het nu op de kamer van mijn zoon hebben ge-
hangen, die eveneens een fervent Ajax-supporter is en meer heeft met
dat soort memorabilia. Aan dit Ajax-shirt zit echter een verhaal vast.
Een speciaal verhaal. Daarom hangt het op mijn kantoor en kijk ik er
elke dag naar.

Het shirt was eigenlijk voor Nicky Verstappen, een 11-jarige jongetje
uit Heibloem in Limburg. Nicky was een fanatiek talentje bij de voet-
balclub in zijn woonplaats en zijn jonge leventje werd beheerst door
die vermaarde club uit Amsterdam. Nicky had een Ajax-pyjama, een
Ajax-dekbed, een Ajax-tas en aan de muur hingen posters van zijn fa-
voriete ajacieden. Ja, eigenlijk alles bij Nicky was rood-wit. In voetbal-
partijtjes met zijn clubgenootjes was Nicky altijd Jari Litmanen, de
begaafde spelverdeler. Zijn droom was ooit zelf nog eens deel uit te
maken van het eerste elftal van de Amsterdamse club. Een droom die
nooit meer uit kan komen, want Nicky werd in de zomer van 1998 op
11-jarige leeftijd vermoord tijdens een jeugdkamp op de Brunssum-
merheide. ’s Morgens vroeg was hij ineens uit zijn tent verdwenen.
Na een intensieve zoekactie werd hij anderhalve dag later, slechts ge-
kleed in een pyjamabroek, dood teruggevonden achter het hekje van
een kerstbomenperceeltje, zo’n twaalfhonderd meter van het jeugd-
kamp af. Hij is waarschijnlijk het slachtoffer geworden van een sek-

– 219 –
sueel misdrijf. Op zijn graf in Heibloem prijkt nu een in brons gego-
ten logo van ‘zijn’ Ajax...

Toen Nicky om het leven kwam, schreef zijn tante een brief naar het
bestuur van Ajax. Zou het misschien mogelijk zijn dat de club een
echt shirt met een handtekening van Jari Litmanen zou verzorgen,
zodat dit in de kist bij Nicky kon worden mee begraven? Het bestuur
reageerde – uiteraard – positief, maar het was vakantietijd en het
duurde even eer alles was geregeld. Het shirt arriveerde daardoor net
na de teraardebestelling en kon dus niet worden mee begraven. Nic-
ky’s ouders koesterden het shirt vervolgens op de Ajax-slaapkamer
van hun kind, die zij jarenlang volledig intact lieten. Dat Jari Litma-
nen zich bekommerde om de tragische dood van hun zoontje deed
hen heel erg goed.

Kort na de moord kreeg ik contact met de ouders van Nicky: Peter en


Berthie Verstappen. Ik heb talloze uitzendingen aan de onopgeloste
moord gewijd en veel speurwerk gedaan naar de omstandigheden
waaronder deze is gepleegd. De moord op Nicky is een van de zaken
waarin ik mij heb vastgebeten en waarvoor ik alles wil doen om deze
op te lossen. Sinds de eerste kennismaking – eind 1998 – is er vrijwel
geen week meer voorbijgegaan zonder dat Peter en Berthie en ik el-
kaar spraken of zagen. Ik ben vaak bij hen thuis geweest en waar-
schijnlijk heb ik meer dan duizend telefoongesprekken met hen ge-
voerd. Over de stand van het onderzoek, over het dossier, de politie,
tips, mogelijkheden en onwaarschijnlijkheden, de dader, maar uiter-
aard ook over hun peilloos diepe verdriet en het dagelijkse gemis van
hun oogappel.

Het afgelopen voorjaar kwamen Peter, Berthie en Nicky’s zusje Fem-


ke bij mij op de redactie voor een opname van een uitzending. Ze
hadden een groot pakket bij zich. ‘Dit is voor jou,’ zei Berthie. ‘Het
was eigenlijk voor Nicky, maar we willen dat jij het nu krijgt.’ Enigs-
zins verlegen pakte ik het uit. Het was het ingelijste shirt van Jari Lit-
manen, dat in de kist bij Nicky had moeten liggen. Ik weet niet of u
dat goed kunt aanvoelen, maar mij ontroerde het enorm dat Peter en
Berthie juist mij dat shirt gaven. Het is een gebaar dat eigenlijk niet in
woorden is uit te drukken. Sindsdien hangt het shirt dus boven mijn

– 220 –
vergadertafel en kijk ik er elke dag naar. En als gasten zeggen: ‘Hé, dat
is het shirt van Jari Litmanen’, denk ik altijd: nee, dat is het shirt van
Nicky Verstappen... Dat de moord nog steeds niet is opgelost, zit me
ontzettend dwars, zeker nu ik weet dat de politie – zoveel jaar na dato
– weinig meer kan doen en Peter en Berthie zichtbaar lijden onder
het verlies aan hoop. In de laatste week van 2003 pakte ik op kantoor
mijn spullen voor het kerstreces. Voor ik de deur afsloot keek ik nog
even naar binnen. Mijn blik bleef hangen op het ingelijste shirt van
Jari. Hij hielp Peter en Berthie op het zwaarste moment in hun leven.
Wie helpt mij om in 2004 deze moord op te lossen...?

– 221 –
Premier of minister van Justitie?

Het waren slechts een paar – schijnbaar onbeduidende – regeltjes in


een groot interview. Maar wat een gevolgen! In het kerstnummer van
2003 van het weekblad Elsevier werd aan de hand van een interview
met mij vier pagina’s lang teruggeblikt op het bijna verstreken jaar. Aan
het eind daarvan werd ook even naar mijn toekomst geïnformeerd.
Bleef ik de rest van mijn loopbaan doen wat ik nu deed: tv-journalistiek
bedrijven? Nee, daarvoor was ik nog te jong, antwoordde ik. Voor mijn
65e zal ik de bakens echt nog wel eens verzetten. In niet meer dan vier
regeltjes opperde ik misschien wel eens een landelijke politieke partij
te beginnen, die zich richt op veiligheid. Meer niet. Het idee speelde de
laatste anderhalf, twee jaar inderdaad wel eens in mijn gedachten. Met
een paar mensen had ik wat ruwe ideeën besproken. Na een korte ople-
ving onder Pim Fortuyn zag ik de politiek weer verzanden in het ge-
bruikelijke gekissebis en handjeklap. Om niet tot de stuurlui aan de wal
te behoren, moest ik er misschien zelf eens iets aan doen, dacht ik.
Ideeën genoeg. Met name op politie- en justitiegebied weet ik na 25 jaar
misdaadverslaggeving wel waar de schoen wringt.

Enfin, het Elsevier-interview verscheen en van allerlei kanten kreeg ik


aardige reacties op het verhaal. Maar niemand begon over de ‘politie-
ke’ slotalinea. En toen belde Joost de Haas van De Telegraaf: ‘Klopt de
quote in Elsevier dat je overweegt om iets in de politiek te gaan doen?’
‘Ja, dat klopt, maar een beslissing daarover is nog niet genomen,’ ant-
woordde ik. Joost vroeg nog even door en kondigde aan dat hij er
‘misschien toch een stukje aan zou wijden’. En inderdaad, de volgen-
de ochtend stond het groot op de voorpagina van De Telegraaf (peter
r. de vries gaat landelijke politiek in) en de hel barstte los. Om
kwart over acht stonden er al 32 gemiste oproepen in het schermpje
van mijn mobiele telefoon en de hele landelijke pers wilde verhaal
halen. Ik zette snel de tv aan en viel in het rtl-nieuwsoverzicht dat
meldde dat ik de politiek in ging. Het radiojournaal even later idem

– 222 –
dito. Elk radioprogramma hing aan de lijn, kranten en televisierubrie-
ken wilden interviews. Het nos-journaal vroeg wanneer zij langs kon-
den komen. De eindredacteur van Nova vroeg of ik die avond in zijn
programma ‘de aftrap van mijn campagne’ wilde nemen. Goeie gena-
de! Ik werd gebeld door parlementaire verslaggevers die vroegen of ik
minister van Justitie wilde worden of – ja heus – minister-president?
Had ik al namen van andere kandidaat-ministers misschien? Op hoe-
veel zetels rekende ik? Dertig of veertig? In radioprogramma’s werd
ik die middag aangekondigd met de introductie: ‘Peter R. de Vries,
van misdaadverslaggever tot minister-president.’ Een paar van mijn
redactieleden, die net rustig met kerstreces waren gegaan, belden ge-
schrokken op: ‘Wat gebeurt er allemaal? Je hebt toch net je contract
bij sbs 6 verlengd?’

Opiniepeiler Maurice de Hond becijferde in een snelle peiling dat ik


direct – zonder een dag campagne te voeren – aanspraak kon maken
op tien zetels. En als de campagne zonder incidenten op stoom zou
komen, tja, dan lag er nog veel meer in het verschiet. De kranten kwa-
men die avond en de volgende morgen met koppen als peter r. de
vries is serieuze bedreiging en peter r. de vries bestormt bin-
nenhof. En ik moest mijn ogen even uitwrijven toen ik teksten las
als: ‘De kans bestaat dat Nederland aan de vooravond staat van een
nieuwe politieke omwenteling, nu Peter R. de Vries overweegt serieus
de politieke arena te betreden. Zijn komst zou de bestaande verhoudin-
gen overhoop kunnen halen.’ Mat Herben van de lpf liet in een reactie
weten dat ik meer dan welkom was bij zijn partij en dat hij als fractielei-
der eventueel een stapje opzij wilde doen... en zo reeg het nieuws zich
aan elkaar. Dat ik zelf een nadrukkelijk voorbehoud maakte en keer op
keer zei dat het niet meer dan een overweging was en dat de beslissing
nog absoluut niet was gevallen, raakte in de berichtgeving onderge-
sneeuwd. Via de e-mail en de fax kwamen berichten binnen van beken-
de en onbekende Nederlanders die mijn voornemen enthousiast be-
groetten en vervolgens aanboden om eens ‘vrijblijvend te filosoferen’
over wat plannetjes en standpunten die zijzelf hadden. In telefonische
interviews probeerde men te achterhalen wat mijn ideeën waren over
de hypotheekrenteaftrek, het pelsdierenfokbeleid en de code-Tabaks-
blat voor de topinkomens binnen het bedrijfsleven.

– 223 –
En wat er verder gebeurt als je mogelijk de politiek in gaat, bleek me
wel toen ik die avond in Nova zat om alles toe te lichten. Het was een
goed gesprek, maar na afloop hoorde ik van een redacteur dat er tij-
dens de uitzending een oud-klasgenoot van mij – anoniem – had op-
gebeld naar de redactie. Die De Vries heeft het zo over veiligheid en
preventie, zei hij, maar wist Nova wel dat ik zelf op de middelbare
school uit de lerarenkamer regelmatig tentamenvragen pikte als de
leraren er niet waren? ‘Klopt dat?’ vroeg de redacteur. ‘Natuurlijk!’
antwoordde ik. ‘Als ik dat niet had gedaan, was ik nu een soort Bal-
kenende geweest...’

– 224 –
Een fatale e-mail?

Er wordt mij wel eens gevraagd welke krant of welk tijdschrift in mijn
ogen het beste misdaadnieuws brengt. Is dat De Telegraaf met zijn
primeurs, het beschouwende nrc Handelsblad, Panorama met zijn
lange staat van dienst, of bijvoorbeeld Vrij Nederland met zijn onthul-
lingen? Ik zal u zeggen: geen van alle. Het beste en meest complete
misdaadnieuws wordt gebracht door de ‘Knipselkrant’ van mijn eigen
programma! Het bevat alles over misdaad – nieuws, achtergronden,
commentaren, interviews, recensies – uit alle kranten en tijdschriften
van die dag. Onze documentaliste Muriëlle Hansen ‘knipt’ alles uit,
kopieert dat op A4-formaat en bindt het tot een dikke knipselkrant.
Als je die gelezen hebt, weet je echt alles wat er zich in de onderwe-
reld heeft afgespeeld. Elk artikeltje wordt bovendien gerubriceerd in
een computersysteem en als ik dus een brief binnenkrijg die refereert
aan een steekpartij of een aanranding op een camping in Cadzand of
Zierikzee vier jaar geleden, dan legt Muriëlle de knipsels daarvan tien
minuten later op mijn bureau. Een onmisbaar naslagwerk.

In december 2003 zat ik in onze knipselkrant te lezen en viel mijn oog


op een rechtbankverslag in het Utrechts Nieuwsblad over de moord op
de 29-jarige Miranda Rijswijk uit de Domstad, die in maart van vorig
jaar door haar echtgenoot Jan Willem E. was gewurgd. Het stel was nog
maar heel kort getrouwd toen haar stoffelijk overschot in een vakantie-
huisje in het Belgische Haan werd aangetroffen. Miranda stond be-
kend als een labiele vrouw, met wisselende relaties en constante geld-
zorgen. Ze was halsoverkop getrouwd toen E. haar een meer florissante
toekomst schilderde, ook al kende ze hem nog maar vijf weken. Het
huwelijk was gedoemd te mislukken – en dat deed het dus ook.

De 38-jarige E. beweerde tegen de politie dat hij een woedeaanval had


gekregen toen Miranda zich wilde onttrekken aan hun plan om geza-
menlijk zelfmoord te plegen. Om aan hun mistroostige bestaan te

– 225 –
ontsnappen hadden ze met elkaar afgesproken uit het leven te stap-
pen, stelde Jan Willem E. Voor dat doel had hij rattengif gekocht. De
finale van hun leven moest plaatsvinden in het vakantiehuisje dat zij
voor twee weken hadden gehuurd. Maar kennelijk had Miranda zich
op het laatste moment bedacht. Wat er toen gebeurd was, kon hij zich
niet herinneren... Zijn eigen zelfmoordpoging was mislukt, verklaar-
de hij. Toen hij na een uur of vijf weer bij zijn positieven kwam was
Miranda dood. Gedood, om precies te zijn. Gewurgd. De officier van
justitie kwam tijdens de zitting dan ook met een heel ander verhaal,
zo las ik. Niemand had er ooit iets van gemerkt of gehoord dat Miran-
da levensmoe was, zei hij. Nee, er was heel iets anders aan de hand.
De aanklager maakte er melding van dat Jan Willem E. kinderporno-
foto’s op zijn pc had opgeslagen en dat Miranda dit toevallig had ont-
dekt, samen met een aantal halfblote foto’s van haar eigen jonge kin-
deren uit een vorige relatie.

En terwijl ik het artikel belangstellend zat te lezen, zag ik ineens dat


mijn eigen naam erin voorkwam. Er stond: ‘Toen de Utrechter Jan-
Willem E. hoorde dat iemand een e-mail had gestuurd naar het televi-
sieprogramma van Peter R. de Vries met daarin de onthulling over de
kinderporno, bleef er volgens het Openbaar Ministerie voor hem
maar een uitweg over: Miranda moest dood.’ Hé... Wat!?? Ik kreeg
een schok. Had iemand ons hierover een e-mail gestuurd? En was
Miranda vermoord toen dat uitkwam? Het zei me niets, terwijl ik dat
dan toch had moeten weten. Omdat we binnenkomende e-mailtjes
net zo opslaan als alle krantenknipsels, vroeg ik mijn secretaresse Syl-
via van der Poel om dit eens na te slaan. En inderdaad, even later
bleek dat een vriendin van Miranda ons vijf weken voor de moord had
aangeschreven. Ze attendeerde ons daarin op Jan Willem E., die ze
beschreef als een ziekelijke fantast. De man gaf zich uit als ‘geheim
agent’, schreef ze. Hij ‘werkte’ op de gekste tijden, maar zijn vrouw
zag merkwaardig genoeg nooit een salarisstrookje. Ze maakte er mel-
ding van dat de goedgelovige Miranda door hem werd geterroriseerd:
E. controleerde haar permanent, ze mocht niets en hij maakte haar
wijs dat in het huis film- en afluisterapparatuur was verborgen, waar-
door hij – op afstand – precies wist wat ze deed. Ook schreef ze dat de
computer van E. ‘volstond met meisjes’ die hij zogenaamd voor zijn
werk als zedenrechercheur nodig had. De vriendin sloot af met: ‘Ik

– 226 –
heb geen bewijzen, maar hij is echt een gevaarlijk mannetje. Als ik
het mis heb is er iets mis met mijn instinct.’

Dit was dus het mailtje dat volgens de aanklager de trigger was voor
de moord op Miranda. Waarschijnlijk had Miranda tijdens een van de
vele ruzies tegen E. iets geroepen in de trend van: ‘Wacht jij maar af...
Peter R. de Vries is van jouw praktijken al op de hoogte! Mijn vriendin
heeft hem gemaild.’ Uit onze administratie bleek dat we de ontvangst
van het mailtje van Miranda’s vriendin hadden bevestigd, maar dat
we niet in actie waren gekomen. In de stroom van dagelijkse e-mail-
tjes was dit bericht door mij niet als echt alarmerend opgevat. Het
ging om volwassen mensen en het was niet Miranda zelf geweest die
aan de bel trok, maar haar vriendin. E. kwam weliswaar over als een
huistiran, maar dat wilde nog niet zeggen dat we daar als misdaad-
programma meteen op af moesten. En dat zijn computer ‘volstond
met plaatjes van meisjes’, zag ik ook niet meteen als bewijs van een
kinderpornonetwerk. Maar ja, achteraf gezien bleek nu natuurlijk dat
er met het inschattingsvermogen van haar vriendin inderdaad niets
mis was. Maar wat koop je voor een dergelijk gelijk, als je vriendin is
vermoord? Het maakt het alleen maar extra tragisch...

Noot: Jan Willem E. is veroordeeld tot vier jaar cel plus tbs. De recht-
bank in Utrecht achtte niet bewezen dat het motief van de moord
school in het mailtje dat naar mijn programma was verstuurd. Er
werd niet uitgesloten geacht dat er een soort van zelfmoordplan had
bestaan.

– 227 –
De Baarnse moordzaken

Op vrijdag 27 oktober 1961 werd er in de tuin van een kapitale Gooise


villa door een werkman bij toeval het lijk, of beter gezegd de skeletres-
ten, gevonden van de 14-jarige Theo Mastwijk. De jongen was enige
tijd vermist geweest en werd nu op de bodem van een oude put ge-
vonden. Hij was vermoord en daarna was zijn stoffelijk overschot be-
dekt met ongebluste kalk, waardoor het ontbindingsproces snel was
gegaan. De moordenaars waren – zo bleek later – twee rijkeluiszoon-
tjes die in de villa woonden. Zij hadden Mastwijk enige tijd in hun
huis verstopt nadat de jongen van huis was weggelopen. De politie
had nooit veel aandacht aan de aangifte van vermissing besteed en de
twee knullen hoopten dat niemand de moord zou opmerken. Zij had-
den er niet op gerekend dat de oude put ooit nog eens zou worden
leeggespit, anders hadden zij misschien wel de perfecte moord ge-
pleegd. Het misdrijf werd nu echter een cause célèbre, een van de
weinige crime-klassiekers die ons land kent en die in de volksmond
bekend werd als ‘de Baarnse moordzaak’. Ooit heb ik nog eens over-
wogen er een boek over te schrijven.

Ik moest daar automatisch aan denken toen collega Kees van der
Spek eind november naar me toe kwam met de mededeling dat er op
de redactie een interessant telefoontje uit Baarn was binnengeko-
men. Een bewoner had gemeld dat een bejaard echtpaar – Hans (69)
en Ria (63) Müller – bij hem in de straat al vier jaar niet meer gezien
was, maar dat hun huishouden al die tijd bestierd werd door een wat
zonderlinge oppas, ene Paul de R. Deze man maaide jarenlang het
gras, deed kleine klusjes en reed permanent rond in de auto van de
Müllers, maar wist naar zijn zeggen niet waar het echtpaar uithing als
de buren daarnaar informeerden. Hij kon geen adres of telefoonnum-
mer geven en beweerde alleen dat ze waarschijnlijk ‘ergens in België’
zaten, mogelijk bij een religieuze sekte. Wie houdt er nu vier jaar lang
een woning bij zonder te weten waar de bewoners zijn en wanneer ze

– 228 –
terugkomen? Da’s vreemd. Een buurtbewoner had zich op verschil-
lende tijdstippen twee keer persoonlijk en één keer telefonisch bij de
politie in Baarn vervoegd, maar daar was men telkens afgepoeierd
zonder dat er ook maar iets gebeurde. ‘Dat zal zo’n vaart niet lopen,
mevrouw,’ had men laconiek aan het loket gezegd.

Kees had echter snel wat telefoontjes gepleegd en aanvullend onder-


zoek gedaan. ‘Peet, ik denk dat dit een gekke zaak is,’ zei hij, ‘Nie-
mand heeft die mensen de afgelopen vier jaar nog gezien, de huisarts
niet, de garagehouder niet, de bank niet... Daar moeten we echt even
naar kijken.’ Ik was het met hem eens. ‘Laten we er maar op af gaan,’
antwoordde ik, ‘misschien kunnen we het verhaal in één dag ontzenu-
wen als we dat stel ergens kunnen lokaliseren en wie weet waar we an-
ders op stuiten...’ En dus togen Kees en ik naar Baarn. Een halve dag
later hadden we het verhaal echter niet doorgeprikt, integendeel, de
argwaan en verdenkingen waren alleen maar toegenomen. In de wo-
ning van Hans en Ria Müller hadden we die bewuste oppas Paul de R.
aangetroffen, die zich daar geriefelijk had ingekwartierd. Er hing was-
goed te drogen en zijn administratie en pc stonden er ook. De man
maakte een nerveuze indruk. Hij beweerde dat hij geen telefoonnum-
mer of adres van de Müllers had, omdat ze dat uit privacy-overwegin-
gen niet wilden. ‘Maar wat doet u dan als het huis afbrandt?’ vroeg ik.
‘Dan moet u hen toch kunnen waarschuwen?’ De R. haalde zijn schou-
ders op: tja.... ‘En het is toch ook niet normaal dat u vier jaar lang dit
huis verzorgt zonder te weten hoelang dat nog gaat duren, dat kan toch
van niemand worden verwacht?’ ‘Ach...’ mompelde De R. Hij beweerde
dat Hans Müller regelmatig langskwam om post te halen. Alleen had
niemand dat ooit gezien. En... Kees en ik zagen in een hoek een stapel
post liggen, gericht aan Hans Müller en sommige stukken waren meer
dan twee jaar oud! Toen we daar iets van zeiden, haastte Paul de R. zich
om te zeggen dat de Müllers dat stapeltje telkens vergaten en legde hij
het meteen midden op de tafel, zo van: nu kunnen ze het niet meer
over het hoofd zien. Uit ons onderzoek bleek dat de meeste betalingen
(gas en licht, gemeentelijke belastingen enzovoort) via automatische
incasso’s gingen en dat Paul de R. via een getypt briefje van de Müllers
bij de bank gemachtigd was om alles te regelen. Het merkwaardige was
dat hij dit tegenover ons keihard ontkende. Waarom?

– 229 –
De R. had een raar verhaal en loog aantoonbaar op een aantal punten.
Je hoefde geen Sherlock Holmes te zijn om te vermoeden dat er iets
niet pluis was. Na nog een paar dagen onderzoek hadden Kees en ik
geen twijfel meer: de Müllers waren vrijwel zeker dood, waarschijnlijk
vermoord. En Paul de R. wist er meer van. Ik nam contact op met de re-
cherche van het regiokorps Utrecht en zette tijdens een bespreking op
mijn kantoor de zaak uiteen en presenteerde alle verdachte feiten die
wij hadden ontdekt. Er werd nu direct een groot rechercheteam gefor-
meerd. Dit onderzoek leidde er half januari 2004 toe dat de stoffelijke
overschotten van Hans en Ria Müller in de grond van de kinderboerde-
rij waar De R. de beheerder van was werden gevonden. Hij werd zelf
gearresteerd. Nieuwsgierigheid en gezond verstand van twee journalis-
ten wonnen het uiteindelijk van gemakzucht en desinteresse van de
plaatselijke politie. En in de volksmond is er ruim veertig jaar na dato
weer sprake van een roemruchte ‘Baarnse moordzaak’...

Naschrift: het bleek niet de eerste keer dat Paul de R. in verband


met een moordzaak werd genoemd. In 1970 was hij er al van verdacht
de Haarlemse weduwe Tina Akersloot te hebben vermoord, bij wie hij
een kamer had gehuurd. De toen 68-jarige vrouw was half februari
van dat jaar spoorloos verdwenen. Omwonenden hadden haar in de
auto van De R. zien stappen. Daarin werd later een nieuw aangeschaf-
te schep met zand erop gevonden. Ook werden er bloedsporen in de
auto aangetroffen. Omdat men destijds nog geen dna-onderzoek kon
doen, kon men niet bewijzen dat dit bloed van Tina Akersloot was. En
omdat men ook haar stoffelijk overschot niet kon vinden en er dus
sprake was van een moord-zonder-lijk, werd De R. wegens gebrek aan
bewijs op vrije voeten gesteld. Het lijk van Tina Akersloot is nooit ge-
vonden. Ook in de Haarlemse zaak bleek Paul de R. zich na de ver-
dwijning van Tina Akersloot in haar woning te hebben geïnstalleerd.
Het rechercheteam dat de moord op de Müllers onder zich heeft,
noemt het onderzoek waarschijnlijk mede daarom het ‘Koekoek-dos-
sier’. Een koekoek is een vogel die in het nest van een ander een ei legt
en als dat is uitgebroed werkt het opgroeiende jong de oorspronkelij-
ke bewoners eruit door de eieren of andere jongen over de rand te kie-
peren.

– 230 –
Justitie als patiënt

Mr. Joan de Wijkerslooth is als voorzitter van het college van procu-
reurs-generaal de machtigste justitiebaas van Nederland, de minister
niet meegerekend, maar die bemoeit zich ook niet met de dagelijkse
praktijk. De Wijkerslooths wil is wet, zou je kunnen zeggen. Hij is su-
perieur op de twee vierkante meter van zijn bureaublad, maar jam-
mer is – volgens zijn critici – dat hij nooit de kruitdampen van het
slagveld heeft opgesnoven. In een vorig leven was hij landsadvocaat
bij een chique Haags kantoor en stond ver van de dagelijkse opspo-
ringspraktijk af, een terrein waarop hij nu juist de lijnen uit moet zet-
ten. Eind 2003 lag De Wijkerslooth een weekje in het ziekenhuis en
schreef over zijn ervaringen daar een column in het justitievakblad
Opportuun. De super-pg had vanuit zijn bed goed om zich heen geke-
ken, schreef hij, en meent dat de ziekenhuisorganisatie nog heel wat
kan leren van zijn eigen Openbaar Ministerie.

Volgens De Wijkerslooth gaat het er in het ziekenhuis erg bureaucra-


tisch toe. Hij schrijft: ‘Ik heb meegemaakt dat men bij mij in één
nacht de nodige keren bloed kwam prikken. Dezelfde laborant vroeg
mij – bij wijze van controle – steeds weer naar mijn geboortedatum.
Zouden wij dat verstandiger doen? Ik denk het wel. De kans dat wij
vijf keer een brief naar het slachtoffer sturen, is niet denkbeeldig,
maar bij het om duikt op enig moment toch een denkende geest op
die hardop de vraag stelt of twee brieven niet genoeg zijn.’

De vraag rijst in hoeverre De Wijkerslooth helder zicht heeft op wat er


in zijn eigen organisatie gebeurt – en wordt nagelaten! – want ik zal
hem één ding vertellen: als je van justitie iets wilt weten, hoor je meest-
al helemaal niets. Laat staan twéé brieven! En als je al binnen een paar
maanden (...) een reactie ontvangt, is dit vaak een antwoord op een
vraag die je helemaal niet hebt gesteld! De Wijkerslooth beklaagt zich
er voorts over dat veel ziekenhuispersoneel niet weet waarom bepaalde

– 231 –
handelingen worden verricht en dat op de automatische piloot doen. ‘Ik
hoop en denk dat het bij ons anders werkt. Bij ons weten mensen die
iets moeten doen, waarom het moet gebeuren. Zij kunnen zelf naden-
ken en het initiatief nemen om een proces te veranderen,’ aldus de su-
per-pg in zijn column. Nou, ik moet hem teleurstellen: ik ken geen or-
ganisatie waarin de medewerkers zich zo vaak en zo rigide beroepen op
het feit dat ‘de regels nu eenmaal zo zijn’ en ‘we dit al vijftien jaar zo
doen’, zonder dat ze weten waarom, als justitie! Goeiedag zeg!

En dat het echt geen kwaad kan om meer dan één keer de personalia
van iemand te checken, meneer De Wijkerslooth, bleek mij in januari
2004 wel weer, toen ik met Sandra van der Meulen uit Utrecht sprak.
Zij woont daar in de Sparstraat en kreeg op woensdag 21 januari on-
verwachts bezoek van de politie. Zeven man sterk. Met een busje en
een politiehond. De straat werd afgezet. Ze hadden een ‘machtiging
binnentreden’ bij zich die ze de verbouwereerde Sandra onder de
neus duwden. Of ze even in huis mochten rondkijken. Sandra zag
toen dat de machtiging op naam stond gesteld van H. Vermeulen.
Niet van der meulen dus, maar vermeulen. Ze protesteerde en zei
meteen dat zij dat helemaal niet was, dat er een vergissing in het spel
was. De politiemensen verzuimden naar haar legitimatie te vragen
waarmee simpel kon worden vastgesteld wie er gelijk had en gingen
onverdroten door. (U weet wel, op die automatische piloot, meneer
De Wijkerslooth!) Het huis werd tot op de zolder geïnspecteerd. Men
was op zoek naar een voortvluchtige gedetineerde, die verdacht werd
van een aantal inbraken. Een vriendin die toevallig langskwam werd
de toegang geweigerd: geen contacten met derden. Buurtbewoners
schoolden buiten nieuwsgierig samen: ‘Zo, die Sandra zeg... Dat
moet wel ernstig zijn als zelfs de straat wordt afgezet,’ was de teneur.
Er werd in huis uiteraard geen voortvluchtige gedetineerde gevonden
en de politie vertrok, Sandra in verwarring, maar ook kwaad, achterla-
tend. Pas op het politiebureau ontdekte men vervolgens dat zij volko-
men gelijk had. Ze moesten inderdaad niet bij Van der Meulen zijn,
maar bij Vermeulen. Er was een blunder gemaakt. Je zou zeggen,
meneer De Wijkerslooth, minimaal twee excuusbrieven, waarin ook
voor de buurt duidelijk wordt gemaakt dat Sandra volkomen onschul-
dig is. Maar nee, er werd alleen even naar Sandra zelf gebeld, waarbij
er kort en karig excuus werd gemaakt. Prettige dag nog hoor...

– 232 –
Toen ik hierover aan de bel trok bij de politie Utrecht, zei de woord-
voerder: ‘Wat jammer dat ze daarvoor u benadert en niet ons... want
volgens de betrokken politieman was het telefoongesprek met haar
juist heel goed verlopen.’ Kijk, dat bedoel ik dus. Niet de moeite ne-
men er zelf even naartoe te gaan met een bloemetje (de huiszoeking
gebeurde toch ook niet telefonisch!?) en ruiterlijk excuus te maken...
Nee, in plaats daarvan blijft men halsstarrig van de eigen – verkeerde
– denkbeelden uitgaan dat een telefoontje wel genoeg is en is men
verbaasd dat het door hen niet serieus genomen slachtoffer dan maar
met mij contact opneemt. Ik weet één ding: Als mr. De Wijkerslooth
in het ziekenhuis door zijn eigen mensen was geopereerd, dan was
nu zijn verkeerde been afgezet en zouden ze dat nog steeds niet in de
gaten hebben gehad...

– 233 –
Gerrit de Stotteraar is dood...

Er gaat bijna geen week voorbij of ik word gebeld door allerhande


media of instanties die van mijn expertise gebruik willen maken. Het
zijn meestal kranten, tijdschriften, talkshows of actualiteitenrubrie-
ken die zelf weinig aan misdaadverslaggeving doen en geen eigen
‘netwerk’ hebben. Zij vragen mij of ik hen voor een reportage of we-
tenschappelijk onderzoek kan helpen aan ex-tbs-patiënten, voormali-
ge uitbrekers, pedofielen, vrouwen van bajesklanten, moordenaars-
met-spijt, jeugddelinquenten die toch goed terecht zijn gekomen,
roofovervallers of oplichters. Sommigen schijnen te denken dat ik
een soort van ‘castingbureau’ voor de onderwereld ben.

Zo werd ik een aantal jaren geleden gebeld door de letterkundige Ha-


gar Peeters, die voor haar doctoraalstudie wilde weten of ‘Gerrit de
Stotteraar’ nog leefde. ‘Nee.’ antwoordde ik, ‘die is volgens mij dood.’
Ruim een jaar later verscheen van de hand van Hagar Peeters het
boek Gerrit de Stotteraar – Biografie van een boef. In de inleiding
schreef zij: ‘Misdaadjournalist Peter R. de Vries dacht dat hij een paar
jaar geleden bij een auto-ongeluk in Thailand om het leven was geko-
men, maar in de winter van 1997 belde ik bij Gerrit de Stotteraar aan
en hij bleek nog springlevend.’ Ik had mij vergist. Ik had Gerrit de
Stotteraar verward met Schorre Gerrit, een andere illustere onderwe-
reldfiguur. Beiden heetten Gerrit en beiden had een bijnaam die sloeg
op hun stem of spraak.

Veel mensen zullen niet (meer) weten wie Gerrit B., alias ‘De Stotte-
raar’ was, maar in de jaren veertig tot zestig was hij misschien wel
Neerlands bekendste crimineel, een plaag voor opsporingsinstanties
en een wanhoop voor gevangenisdirecties. Vandaag de dag is het ove-
rigens moeilijk voorstelbaar dat B. zo’n grote reputatie genoot, want
goed beschouwd was hij niet meer dan wat wij nu een ‘draaideurcri-
mineel’ zouden noemen. Hij leefde van inbraken en insluipingen en

– 234 –
heeft nooit een overval gepleegd, niet in drugs gehandeld, noch een
ontvoering beraamd of een ander aansprekend delict op zijn naam
gezet. Sterker nog, De Stotteraar was niet veel meer dan een kruimel-
dief. Hij opereerde in de arme buurten en schroomde er niet voor om
een trouwpak, lakens of andere huishoudelijke artikelen te pikken en
kleine sieraden van betrekkelijk weinig waarde. Waar ontleende hij
dan zijn bekendheid aan, zult u zich afvragen. Welnu, Gerrit de Stot-
teraar was niet alleen een notoire, geoefende inbreker, maar vooral
ook een begenadigd uitbreker. Talloze keren zag hij kans op onna-
volgbare wijze te ontsnappen uit een politiebureau, huis van bewa-
ring of gevangenis. Hoe hij dat precies flikte heeft hij nooit willen
ophelderen, wat er mede voor zorgde dat er een waas van geheimzin-
nigheid om hem heen hing. Populair was Gerrit de Stotteraar overi-
gens allerminst in die tijd. Het feit dat hij schaamteloos stal van men-
sen die – na de oorlog – toch al niks hadden, werd hem zwaar
aangerekend. Toen hij in oktober 1949 voor de vierde keer uitbrak,
ditmaal uit de Utrechtse strafgevangenis, bleek uit een nieuwsbericht
in De Telegraaf wel dat hij niet bepaald een Robin Hood-imago ge-
noot. Er stond: ‘Gerrit de Stotteraar behoort tot die onsociale wezens
die trachten te leven van de kleine man. Zijn werkmethode was in te
sluipen in huizen waarvan de bewoners even weg waren en de deur
open hadden gelaten. Hij schaamde zich niet bij de armste der armen
distributiebescheiden of andere voorwerpen van geringe waarde te
stelen, zelfs oude alleen wonende mensen waren voor hem niet vei-
lig, reden waarom hij bij de Amsterdamse politie als totaal asociaal
bekendstaat, al spreken uiteraard zijn legendarische ontvluchtingen
tot de verbeelding.’ Dat was dus 1949. In de decennia die volgden,
zou De Stotteraar nog dikwijls van zich doen spreken. In totaal werd
hij tot 25 jaar cel veroordeeld, waarvan hij er pakweg twaalf uitzat. Er
is alles met hem geprobeerd, zo blijkt uit het boek van Hagar Peeters,
een harde en zachte aanpak. Hij kreeg zelfs spraakles om van de han-
dicap af te komen die hem zijn bijnaam (en een minderwaardigheids-
complex) had bezorgd, maar niets hielp. In 1986 werd hij voor het
laatst gearresteerd en toen werd het stil, maar op dat moment was hij
ook al 66 jaar en dan wordt het misschien wat moeilijk om bij een
inbraak langs de regenpijp omhoog te klauteren, of bij een uitbraak
van een gevangenismuur naar beneden te springen.

– 235 –
Onlangs kreeg ik een mailtje van een man wiens moeder een van de
buren van De Stotteraar was aan de Kinkerstraat in Amsterdam, waar
overigens weinigen iets wisten van zijn turbulente verleden. Op 83-ja-
rige leeftijd was haar buurman ‘meneer B.’ in alle stilte overleden. Hij
heeft een paar dagen dood in zijn woning gelegen. Saillant is dat de
gewaarschuwde brandweer zijn huis niet binnen kon komen. Er za-
ten dikke sloten op de deur. Gerrit de Stotteraar, de man die altijd en
overal uitbrak, was opgesloten toen hij overleed... Toen ik dit nieuws
hoorde, zocht ik contact met Hagar Peeters, die destijds telefonisch
bij mij naar De Stotteraar had gevraagd en het boek over hem had ge-
schreven. Na mijn vergissing voelde het toch een beetje als ‘eerher-
stel’ dat ik degene was die haar nu meldde dat Gerrit de Stotteraar was
overleden. Ditmaal echt...

– 236 –
De Deventer moordzaak:
schuldig of onschuldig?

Er is half februari 2004 een (voorlopig?) einde gekomen aan de De-


venter moordzaak. Ernst L., de financieel adviseur van slachtoffer Jac-
queline Wittenberg, is door het gerechtshof in Den Bosch veroor-
deeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Hij is volgens het hof degene die
de gefortuneerde weduwe op 23 september 1999 in haar woning aan
de Zwolseweg in Deventer heeft gewurgd en doodgestoken. Aanvan-
kelijk was L., die altijd heeft ontkend, door de rechtbank in Zutphen
vrijgesproken van dit misdrijf. Later – in hoger beroep – werd hij door
het gerechtshof in Arnhem wel schuldig bevonden en tot twaalf jaar
veroordeeld. Dit arrest bleef ook bij de Hoge Raad in stand. In de ja-
ren die volgden rees er zoveel twijfel over de schuldvraag dat een her-
zieningsverzoek – op basis van enkele nieuwe feiten – door de Hoge
Raad gegrond werd verklaard en de zaak door het gerechtshof in Den
Bosch helemaal opnieuw moest worden behandeld. En dat is eind
2003 en begin 2004 gedurende een aantal zittingsdagen uitputtend
gebeurd. Er viel tijdens de behandeling bewijs af (een mes dat eerder
was aangemerkt als het moordwapen), maar er kwam ook nieuw be-
wijs (dna) bij en dat zorgde ervoor dat iedere zitting spannend was.

Ik heb me enige jaren daarvoor ook met de zaak beziggehouden. Ik


heb toen het complete politiedossier gelezen, ik ben op de plaats de-
lict geweest, heb getuigen en betrokkenen gesproken en heb ook
Ernst L. geïnterviewd toen die in de gevangenis vastzat. Ik was toen
van oordeel dat het bewijs tegen hem wankel was, maar ik meldde
ook dat er wel degelijk belastende feiten en verdachte omstandighe-
den tegen hem waren. ‘Ik durf niet te zeggen dat hij de dader is, maar
ook niet dat hij het niet is,’ formuleerde ik het steeds voorzichtig. Het
lijkt mij een gezonde, kritische houding, zeker als je er zelf niet bij
bent geweest op de plaats delict. Niettemin ben ik erop aangevallen
door andere media, die kennelijk zozeer wensten dat zij met de De-
venter moordzaak een gerechtelijke dwaling in handen hadden, dat

– 237 –
zij voortaan alles wat tegen L. pleitte behoedzaam weglieten of naar
de marge van de kantlijn bagatelliseerden. Voor hen leed het geen
enkele twijfel dat de financieel adviseur onschuldig was en dat werd
ook met zoveel woorden geschreven. Sterker nog, voor zijn onschuld
was aangetoond, schroomden zij er niet voor iemand anders in deze
moordzaak met naam en toenaam als dader aan te wijzen – over zorg-
vuldige journalistiek gesproken. In HP/De Tijd werd ik er begin 2003
in een artikel onder de kop dubieuze tv-journalistiek in de deven-
ter moordzaak, zelfs van beschuldigd dat ik er ‘op gebrand was’ om
Ernst L. in de gevangenis te houden, omdat ik het niet zou kunnen
verkroppen dat een ander na de Puttense moordzaak ook een gerech-
telijke dwaling aan het licht zou brengen. Om dat doel te bereiken,
zou ik volgens De Jong de inhoud van mijn uitzendingen bewust ten
nadele van Ernst L. hebben gemanipuleerd. Je vraagt je af hoe iemand
het verzint, maar het stond er werkelijk.

Toen de zaak in Den Bosch opnieuw moest worden behandeld, deden


HP/De Tijd en enkele andere media het voorkomen alsof de vrijspraak
daar alleen nog even moest worden opgehaald en de zitting slechts
een hamerstuk was. Ook toen er in de herzieningszaak nieuw en
sterk dna-bewijs tegen L. boven water kwam, was er volgens hen
geen vuiltje aan de lucht en speelde justitie ‘blufpoker’. Soms vroeg ik
me af of zij wel eens de moeite hadden genomen om het complete
dossier te lezen, als ik las en zag hoe gemakkelijk zij over de feiten en
omstandigheden van de Deventer moord heenwalsten. Het dagblad
Trouw, de actualiteitenrubriek Netwerk, (in mindere mate) het Alge-
meen Dagblad en voorop het weekblad HP/De Tijd liepen aan de lei-
band van een omstreden schriftkundig bureau uit Almere, dat zich op
de zaak had gestort en daar een rapport over had geschreven. Dit ver-
slag bevatte, naast een aantal behartenswaardige zaken, ook weten-
schappelijke apekool – anders kan ik het niet kwalificeren. Zo ver-
klaarde men dat een eenvoudige schrijftest – ze noemden het zelf een
‘waarheidstest’ – had uitgewezen dat L. de dader niet kon zijn. Nou,
dat is makkelijk... voortaan laten we moordverdachten een briefje
schrijven en dan weten we of ze het gedaan hebben of niet. Dat je een
vervalser of fraudeur op deze manier kunt ontmaskeren (hand-
schriftvergelijking) is een aanvaard gegeven, maar als je met een paar
krabbels de schuld of onschuld van een moordenaar, verkrachter of

– 238 –
geweldpleger kunt aantonen, zou dat het juridische novum van de
eeuw zijn, een Nobelprijs waard!! Maar in een interview met het ad
ging een van de schriftkundigen nog verder en beklemtoonde de on-
schuld van Ernst L. als volgt: ‘Ik zag het gewoon in zijn ogen, een klei-
ne flikkering die niet onecht kón zijn.’ En vervolgens vroeg ze zich
nog af waarom anderen toch niet zagen wat zij wel zag. Een kleine
flikkering die niet onecht kon zijn... Om te gillen gewoon! Maar het
werd klakkeloos afgedrukt. Zonder een kritische noot. Dat een van de
schriftkundigen ook geen brandschoon strafrechtelijk verleden had
en daarover in een uitzending van mijn programma eind 2002 aan-
toonbaar zat te liegen, vormde voor deze media ook nooit een waar-
schuwing het echtpaar wat minder te bewieroken en wat meer feite-
lijk tegemoet te treden. Integendeel, vooral HP/De Tijd-‘journalist’
Stan de Jong is in de Deventerzaak – vind ik – op werkelijk schaamte-
loos partijdige wijze te werk gegaan. De recherche wordt wel eens
‘tunnelvisie’ en ‘scoringsdrift’ verweten in onderzoeken, maar de ten-
dentieuze en soms ook feitelijk onvolledige en op sommige punten
aantoonbaar onjuiste artikelen van De Jong zijn in mijn ogen wat dat
betreft ongeëvenaard. In zijn opinie bestaat zelfs de theoretische mo-
gelijkheid niet dat L. toch de dader is. Voor elk feit, hoe belastend ook,
heeft hij een verklaring paraat.

Vlak voor de uitspraak – toen bekend was dat er behoorlijk wat dna en
een bloedspoortje van L. op de blouse van het slachtoffer Jacqueline Wit-
tenberg was gevonden – schamperde hij in zijn blad nog dat het bewijs
‘allesbehalve overtuigend’ is. Moet u eens raden wat hij had gezegd als
het dna en het bloed níét van Ernst L. was geweest, maar van een ande-
re, onbekende man. O la la... Dan waren het o-ver-dui-de-lijk daderspo-
ren geweest – dat kan een kind begrijpen! – en dan had De Jong triom-
fantelijk geroepen dat nu de onschuld van L. definitief en onomstotelijk
vaststond en de politie maar snel de donor van het dna en bloedspoortje
moest opsporen, want dan was de moordzaak opgelost! Maar nu het
dna wél van Ernst L. is, heeft het natuurlijk weinig tot niets te beteke-
nen... Heerlijk als je zo misdaadjournalistiek kunt bedrijven.

Ook schreef De Jong de week voordat het hof met het eindoordeel
kwam: ‘We gaan er vanuit dat de raadsheren van het hof in Den Bosch
onafhankelijk en deskundig zijn, en gezegend met een boerenver-

– 239 –
stand. Dan hebben we er alle vertrouwen in dat zij komende maandag
de enige juiste uitspraak doen: vrijspraak.’ Wel, bij de uitspraak bleek
maar weer eens hoezeer zijn beoordelingsvermogen tekortschiet. In
tegenstelling tot wat Stan de Jong beweert, is er tegen Ernst L. meer
bewijs dan in menig andere moordzaak (waar we nooit een regel over
lezen in HP/De Tijd en andere media) en echt niet alleen een druppel-
tje bloed, zoals ik in bepaalde media las. Eerder durfde ik niet te zeg-
gen of L. nu schuldig is of niet. Die helderheid kan ik nu wel verschaf-
fen. Op basis van het voorliggende bewijs is, om met De Jong te
spreken, ‘de enige juiste uitspraak gedaan’: een veroordeling. Als op
basis van dit bewijs aan de schuld van Ernst L. wordt getwijfeld, dan
dienen we de zaken van naar zo’n schatting 100 tot 150 andere moor-
denaars ook onmiddellijk te heropenen. Ik heb het arrest van het hof
in Den Bosch uiteraard nauwkeurig gelezen en uit het oordeel
spreekt inderdaad ‘onafhankelijkheid, deskundigheid en boerenver-
stand’. Precies de drie kwaliteiten die De Jong en HP/de Tijd missen...

– 240 –