You are on page 1of 22

HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 1

Pinksteren: de HEILIGE GEEST komt over de apostelen


Giotto di Bondone (1266/7 – 8 januari 1337) Padua

WIE ONTVING DE DOOP MET DE HEILIGE GEEST,


IN HANDELINGEN HOOFDSTUK TWEE, DE 12 OF DE 120?
Guido Biebaut, mei 2009 (bewerkt dec. 2009)
Alle rechten voorbehouden
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 2

Inleiding

Om precies te bepalen wie het doopsel van de Heilige Geest op de dag van Pinksteren ontving in
Handelingen 2 is een degelijke studie van die tekst nodig. Voor een juist inzicht in de
bovennatuurlijke rol van de Heilige Geest, en dat is van essentieel belang, is meer nodig dan het
volgen van een bepaalde traditie. Dit Bijbelgedeelte is in Pinksterkringen misbruikt om zaken te
leren die niet stroken met de werking van de Heilige Geest. Ware het niet dat dit zoo was, men
hoefde er niet te diep op in te gaan. Er zijn echter nog meerdere voorbeelden, waar een groep één
of meerdere teksten wat laat zeggen dat theologisch nergens op slaat. Mormonen beweren op basis
van 1 Corinthe 15:29 dat gelovigen zich moeten laten dopen in de plaats van hun ongelovige
voorouders zodat die ook nog door God gezegend kunnen worden. Dat zegt die tekst niet, maar het
bouwen van dure tempels is bij deze mensen vooral daarbij gekoppeld. Ook Jehovah’s Getuigen
hebben met de regelmaat van een klok iets van schriftinleg die de toets van het onderzoek niet
overleefd. Een voorbeeld: men moet in zijn prediking “van deur tot deur gaan” en men doet dat per
twee. Het zou in Mat.10:14 staan: “En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort,
verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af.” Zal men daar zijn leer op bouwen,
op een gebod dat Jezus tijdelijk aan zijn apostelen gegeven heeft? Maar ook Handelingen 2:46 of
5:46 leren dat niet! Lukas 10:7b zegt wat anders: “Gaat niet van het ene huis naar het andere.”
Dezen die leren dat we nog de sabbat moeten onderhouden geven er als bewijstekst bij, dat Jezus
ook de wet heeft onderhouden. Maar Jezus was besneden, moeten we het dan ook laten doen,
mannen broeders! Is de wet van Mozes echt niet vervuld?

We moeten met Handelingen 1 en 2 dus meer dan nauwkeurig omgaan. Meer dan die
hoofdstukken dus maar eens door te lezen. Sommigen zeggen dat de 120 discipelen die in de
bovenruimte, of ergens anders, verzameld waren, allen het doopsel van de Heilige Geest ontvingen
(Handelingen 1:12-15). Ze konden volgens deze uitleg ook in diverse talen spreken (Handelingen
2:1-4). Anderen zeggen bovendien dat alle Christenen naar diezelfde gave moeten streven
vandaag. Dit zijn twee citaten, één voor elk van deze visies:
• “Maar de overdracht van de Heilige Geest was niet beperkt tot de Twaalf. Het werd
uitgebreid tot de broeders van de Heer, de moeder van Jezus, de vrome vrouwen die
tijdens de prediking van dienst waren, en de hele broederschap van honderd en twintig
zielen die waren samengekomen in die kamer. - Vergelijk Handelingen 1:13,14. Ze werden
“allen” gevuld met de Geest, en spraken in tongen; Handelingen 2:3 WIL 95: “Er
verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.”
Petrus zag in het voorval dat de beloofde uitstorting van de Geest op “alle vlees,” zonen
en dochters, jonge mannen en oude mannen was gekomen.” (Philip Schaff, kerkhistoricus,
uit zijn ‘History of the Christian church’, volume I § 24, wij onderlijnen.)
• William Marrion Branham de Pinkstertheoloog, die beweerde in zichzelf de vijf ambten uit
Epheze te bezitten, heeft enkele malen gepreekt met de titel ‘Een paradox.’ Uit zijn versie
uitgesproken in Jeffersonville Ind. citeren we (het zijn onze hoofdletters): “164 Al diegenen
die daar in de bovenzaal waren, kwamen eruit, sprekend in een andere taal, waggelend als
dronken mensen, wankelend en tekeer gaand. Vrouwen, Zijn eigen moeder en zij allemaal
in de bovenzaal, ze kwamen eruit, iets BRABBELEND waarvan niemand in het begin kon
begrijpen wat ze aan het doen waren. Er hadden zich gespleten tongen van vuur op hen
gezet. Gespleten betekent "verdeeld". Niemand begreep wat ze aan het doen waren. Ze
waren maar wat aan het BRABBELEN en gedroegen zich alsof ze dronken waren.” -
http://www.vrijezending.nl/ wij onderlijnen.
Drs. Gijs van den Brink is Pinkstertheoloog, Hij schreef in 1994 een artikel ‘Opwekking en
gemeenschap’ waaruit we dit citeren: “Petrus vertelt ons in Hand.2:16-18 waar het bij de
pinksteropwekking om gaat. Alle gelovigen worden profeten! Zonen, dochters, jonge mensen, oude
mensen, slaven en slavinnen. God maakt geen onderscheid in geslacht, in leeftijd of in sociaal
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 3

milieu! Allen zullen profeten zijn, d.w.z. een directe relatie met God hebben en door de Heilige
Geest God grootmaken en getuigen van de Here Jezus. (…) Terugkomend op onze openingsvraag
`staan we aan de vooravond van een opwekking?' We moeten m.i. op grond van de zojuist
genoemde kenmerken van massale bekering, eerbied voor God, gemeenschapszin en een
eenvoudig leven helaas zeggen dat we eerder het tegendeel zien. (…) Als deze drie elementen
aanwezig zijn, verootmoedigend gebed, roeping en gemeenschap, ook al is het bij kleine groepen,
dan mogen ook wij in Nederland anno 1994 een nieuwe uitstorting van Gods Geest verwachten.”
– van www.elim.nl/nl/lifestyleopwekking.html Dat is een visie die we niet kunnen delen want wat
met Pinkstereen is geschied is een éénmalige gebeurtenis. Ze heeft met om het even welke latere
reveil niets te maken. Dit is een belofte die aan een specifieke groep mensen is gedaan. Aan die
belofte moet worden voldaan op een bepaalde tijd - niet lang daarna - en op een bepaalde plaats,
Jeruzalem. Niemand mag beweren, dat deze belofte nu nog opnieuw plaats moet vinden! Of is
gericht tot hen die in Gods naam vergaderen sinds Pinksteren. Want zij hebben niet gewacht zoals
de apostelen in “Jeruzalem”, niet vele dagen na de hemelvaart van Jezus.

Anderen, waaronder wijzelf, zeggen dat alleen de twaalf apostelen “gedoopt” werden in de Geest.
“Gevuld worden” of “vervuld” worden van de Heilige Geest heeft meestal niets te maken met
spreken in tongen volgens Hand.4:8,31 / Hand.6:3,5,8 / Hand.7:55 / Hand.9:17 / Hand.11:24 /
Hand.13:9,52 / Luc.1:15,41,67 / Luc.4:1 / Joh.14:26 / Joh.20:22 / Rom.15:13 / Eph.3:19 /
Eph.5:18. “Vervuld” worden of “gevuld” zijn wijst ook niet altijd op gaven van God, maar ook
naar onze geestelijke faculteiten of de invloed dat iets op de mens heeft. Hand.3:10: “en zij
werden met verbazing en ontzetting vervuld.” Hand.5:17: “en zij werden vervuld met na-ijver.”
Hand.13:45: “werden zij vervuld met nijd.” Hand.13:52: “de discipelen werden vervuld met
blijdschap en met de heilige Geest.” Dit zijn twee Nederlandse theologen die de visie aanhouden,
dat slechts de 12 apostelen prominent zijn met de Pinksterdag.

• Dr. Jos Keulers één van de belangrijkste Katholieke exegeten uit de jaren 1940-60, schreef
een commentaar ‘De Handelingen der Apostelen’ voor de uitgeverij J. J. Romen & Zonen
in 1952. We citeren er uit: “Dat ook de 120 van 1, 15 aanwezig waren, is niet zeker. Het is
immers mogelijk, dat de pericope van 1, 15-26 niet op de juiste plaats staat of daarin een
bijeenkomst van geheel uitzonderlijke aard verhaald wordt. Alleen de aanwezigheid van de
apostelen, van Jezus’ broeders en de vrouwen (onder wie de H. Maagd) staat dus vast.” –
Commentaar bij 2:1. “Alle aanwezigen (niet alleen de apostelen) werden vervuld met de H.
Geest. Dit is de innerlijke verandering, welke er in hen bewerkt wordt. Wat betekent dit
vervuld worden met de H. Geest? De verschillende teksten, waarin over de H. Geest
gesproken wordt, geven duidelijk te kennen, dat deze niet altijd in dezelfde mate of met
hetzelfde doel geschiedt.” – Commentaar bij 2:4. “De apostelen waren Galileërs; alleen
de verrader was een Judeër.” - Commentaar bij 2:7, wij onderlijnen. (Een andere
Katholieke visie, deze van het volksgeloof, is weergegeven in appendix I)

• Dr. J. M. S. Baljon was hoogleraar te Utrecht en schreef onder andere ‘Commentaar op de


Handelingen der Apostelen’, Uitg. J. van Boekhoven, Utrecht ,1903. We citeren er dit uit:
“Naar het redebeleid moeten onder allen (pantes) verstaan worden de honderd twintig
personen van 1 :15, doch daar H. 2 zich voordoet als ene vervulling van 1:8, moeten de
hier bedoelde personen de twaalven zijn. Duidelijk wordt dit 2:7,14 aangegeven.” –
Commentaar bij 2:1, wij onderlijnen. “Klaarblijkelijk is hier aan de twaalven, niet aan de
honderd twintig gedacht. Wat ene verwarring zou dat gegeven hebben! Wanneer twaalf
tegelijk spraken, was dat al vreemd genoeg.” – Commentaar bij 2:7, wij onderlijnen.

Daaruit volgt al naar onze overtuiging dat het NIET Gods voornemen is dat alle Christenen in
talen spraken en thans spreken. Welke positie is onderwezen in de Bijbel? Een zorgvuldig
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 4

onderzoek van deze twee hoofdstukken is dus gewenst. Een lang citaat dat het slechts de 12 zijn
van John William McGarvey, theoloog uit de 19de eeuw, hebben we hierover in appendix II.

HEBBEN ALLE 120 DISCIPELEN DE “DOOP VAN DE HEILIGE GEEST ONTVANGEN?”

Op 4 juli 2009 halen we dit op bij: www.ontmoeting.be/preken/handelingen/hand2_1_18.html


“Dit is het”! “Voor ù is de belofte”! De laatste vraag: Wilt ù het? Vandaag! Pinksteren was niet
alleen 2.000 jaren geleden. Pinksteren is ook vandaag! Pinksteren was niet alleen voor christenen
van de eerste eeuw. Pinksteren is voor christenen van de éénentwintigste eeuw! Pinksteren is niet
alleen voor anderen. Pinksteren is voor ù! Opw. 452 “Kom, o Heil'ge Geest van God, wij
verwachten U. Kom, o Heil'ge Geest van God; bedauw ons hart opnieuw. Openbaar de Vader,
Heilig Jezus' Naam. Leid ons in de waarheid. Bind ons saam. Kom, o Heil'ge Geest van God, wij
verwachten U. Kom, o Heil'ge Geest van God; bedauw ons hart opnieuw.” Maar dit soort uitleg
klopt niet met de teksten van Handelingen 1 en 2!

Op http://www.derots-vpg.be/Studies/7_3.html, een Pinkstersite op het Internet, lezen we:


“Een paar dagen later, exact 50 dagen na de kruisiging, doopte God de apostelen met de Heilige
Geest tijdens een bidbijeenkomst. Pinksteren betekent de vijftigste dag. Dus de pinksterbeweging
bestaat uit mensen die dezelfde ervaring delen als die van de apostelen en vele andere volgelingen
2000 jaar geleden op de Pinksterdag.” - 4 juli 2009. Wij onderlijnen het begrip “Dus” om aan te
geven dat zoiets meerdere bruggen te ver zijn en alleen maar inlegkunde is van de Bijbeltekst.

Een zeer belangrijk te bespreken vers IN DEZE PROBLEMATIEK is HANDELINGEN 2:7. De


grote menigte van Joden, die in Jeruzalem waren verzameld om deel te nemen aan de
Pinksterweek, erkenden dat de mensen die op een bovennatuurlijke wijze in diverse talen spraken,
ALLEMAAL (blijkbaar zonder enige uitzondering) uit Galilea waren! Galilea was een streek meer
dan 100 à 120 kilometers het noorden van Jeruzalem. Een plaats voorbij de “afgestoten“ provincie
Samaria. Dus ook een, bij Jeruzalem vergeleken, volledig verschillend district in Palestina.

Overweeg eens hoe moeilijk het voor iedereen op die dag zou geweest zijn elkaar te verstaan.
Want de meesten van hen waren buitenlanders zegt Handelingen 2:5-11. Over de plaats van
oorsprong van alle 120 die genoemd zijn in Handelingen 1:15 zou men meer nauwkeurigheid
wensen. Maar hebben we die uitleg al niet uit de Bijbel zelf! De menigte die het spreken in tongen
hoorde stelde een retorische vraag: “En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet
al dezen, die daar spreken, Galileeërs?” Het antwoord is duidelijk. Iedereen wist dat wie aan het
spreken was, dus allen die de doop van de Heilige Geest ontvangen hadden, allen uit Galilea
afkomstig waren (Handelingen 2:7).

Maar hoe konden zij bepalen waar deze “sprekers” vandaan waren? De eerste mogelijke manier
om zulk een gevolgtrekking te maken was, door te luisteren naar hun dialect. Wij weten
bijvoorbeeld dat mensen uit Galilea moeite hadden met het uitspreken van bepaalde klanken. F.F.
Bruce, schreef: ‘The Book Of The Acts’ en citeren de voetnoot n° 15 bij 2:7 die luidt als volgt:
“Het Galilese dialect was bekend voor het verwarren van meerdere gutturale klanken.” - uitgave
1979, blz.59. Petrus werd erkend aan zijn accent als van Galilea afkomstig. Zie Mat.26:73 met
Marcus 14:70 vergeleken! Een voorbeeld van verschil in uitspraak tussen de stammen onderling
hebben we al in de tijd van de Richteren, waar de Efraïmieten een andere uitspraak hebben voor
het woord “sjibboleth” dan de andere Joden (Richt.12:5,6). Er is nog een tweede reden waarom
men wist dat het om mensen ging die niet van Jeruzalem waren: Galileeërs droegen ook een
andere soort kleding dan de inwoners rond de hoofdstad.

Als dezen die het doopsel van de Heilige Geest ontvingen, dus die 120, allen Galileeërs waren, dan
zijn ze als groep gemakkelijk te identificeren? Maar, bekijk dan toch eens deze lijst van discipelen
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 5

die betrokken zijn bij de stad Jeruzalem, mannen en vrouwen die GEEN Galileeërs waren
(Handelingen 1:13-15).

(1) Maria, de moeder van Marcus, leefde in Jeruzalem, Handelingen 12:5,12


(2) Nicodemus leefde in Jeruzalem, Johannes 2:23-3:1,2
(3) Simon de (vroegere) lepralijder leefde in Bethanië, dat is een 2,8 kilometers ten
Oosten van Jeruzalem, Mat.26:6 (Marcus 14:3)
(4) Maria, Martha en Lazarus leefden ook in Bethanië, Johannes 11:1
(5) Zaccheus leefde in Jericho, ongeveer 25 kilometers ten NW van Jeruzalem, Lucas 19:1
(6) Joseph leefde in Arimathea, ongeveer 35 kilometers ten NW van Jeruzalem, Mat.27:57 /
Lucas 23: 50,51.
Hier zijn acht discipelen van Jezus die niet uit Galilea waren, maar het zullen er veel meer geweest
zijn! Zij leefden allen binnen of dicht bij Jeruzalem. Zijn die allemaal afwezig geweest op de dag
van Pinksteren toen de bovennatuurlijke macht van de Heilige Geest neerdaalde? Het zijn toch ook
Joden die goed hun Pinksteren moeten houden! Vergeet niet wat de menigte zegt: “Zie, zijn niet al
dezen, die daar spreken, Galileeërs?” Waren er op die dag slechts mensen van meer dan 100 à 120
kilometers daarvandaan, en de discipelen van Jezus die in de stad woonden niet? Maar van mensen
met een dialect uit de streek van Jeruzalem horen we niets! Op de een of andere manier wisten zij
dat niemand van de sprekers uit Jeruzalem was of uit de nabijheid! Dr. Jos Keulers, schrijft in zijn
‘De Handelingen der Apostelen’ uit 1952 in verband met de 120: “Volgens Joodse opvatting
golden 120 personen voor een grote menigte, die het recht had een raad (van 23 leden) te kiezen;
(vgl. Strack-Billerbeck II, blz.594 v.)” - Commentaar bij 1:15. “De apostelen waren Galileeërs;
alleen de verrader was een Judeër.” - Commentaar bij 2:7.

John Gill is een van de commentatoren die me het meest aanspreekt, maar hier kan ik hem niet
volgen: de 120 zijn volgens hem de 11 apostelen, de 70 discipelen die werden uitgezonden en nog
39 anderen. Ook Dr. Lightfoot heeft deze uitleg. Maar dit was toch maar een verwijzing naar
slechts een gedeelte! Er moeten nog meer gelovigen in Jeruzalem geweest zijn. Robert Jamieson,
A.R. Fausset en David Brown schreven ‘A Commentary on Acts.’ Ze geven aan dat het overgrote
deel van de gelovigen in Galilea was achtergebleven en verwijzen naar 1 Cor.15:6. B.W. Johnson,
schreef een ‘People’s New Testament’ en merkt op dat al deze 120 allen discipelen waren uit
Jeruzalem, maar niet al zijn discipelen waren. John Wesley, geeft in zijn ‘Notes on the Bible’ hier
te kennen dat er behalve deze 120 “in andere plaatsen” nog leerlingen waren, wel vijfhonderd
samen volgens 1 Cor.15:6. Laat ons niet geloven dat het om 120 personen uit Jeruzalem gaat, want
volgens de uitleg uit de Schrift waren dezen die gesproken hebben op die dag ALLEN
GALLILEEERS. Philip Schaff, de kerkhistoricus, heeft terecht opgemerkt over de discipelen: “de
meeste leerlingen kwamen zonder twijfel uit Galilea.” - ‘History of the Christian church’, volume I
(§ 24.) John William McGarvey (1829-1911), schreef een ‘Commentaar op de Handelingen van de
Apostelen’ en merkt op bij 1:15: “De terloopse vermelding dat het aantal namen, samen ongeveer
honderdtwintig, mag niet worden opgevat als met inbegrip van al dezen die geloofden in Jezus,
maar alleen van diegenen die er toen verzameld waren. Paulus stelt dat Jezus na zijn opstanding
werd gezien, door wel “vijfhonderd broeders tegelijk.” 1 Cor.15: 6. De honderd en twintig waren
menssen, wellicht, allen uit de stad Jeruzalem.” Meerdere commentatoren geven dus te kennen dat
de 120 allen leerlingen waren van Jezus die woonachtig waren in Jeruzalem. Maar de twaalf
apostelen waren dat in elk geval niet en alleen zij waren aan het woord!

Het bovengenoemde is sterk bewijsmateriaal. Het leert dat over de 120 discipelen, de doop van de
Heilige Geest NIET was neergedaald (Handelingen 2:4). De belofte van Jezus aan de apostelen
gaat in vervulling. “En toch, om de waarheid te zeggen: voor jullie eigen bestwil moet Ik
weggaan; doe Ik dat niet, dan zal de Helper niet komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar
jullie toezenden. En als Hij komt, zal Hij het ongelijk van de wereld aantonen, en laten zien wat
zonde, wat gerechtigheid en wat oordeel is.” – Johannes 16:7,8 WIL 95 Aan hen alleen had Hij de
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 6

belofte gedaan, op de dag van Hemelvaart, worden jullie ondergedompeld in de Heilige Geest.
Hetzelfde komt terug in Handelingen 1:4: “En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun
Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij)
van Mij gehoord hebt.” Met deze “hun” zijn hier alleen de apostelen bedoeld. In appendix III gaan
we uitvoerig wat zeggen over de “bovenzaal” waar de discipelen regelmatig samen waren.

ONTVINGEN DE TWAALF APOSTELEN DE DOOP VAN DE HEILIGE GEEST?

JA! De belofte van de doop van de Heilige Geest werd gemaakt aan slechts de apostelen volgens
Handelingen 1:2-5. Merk op dat de apostelen deze waren die: “worden bevolen om Jeruzalem niet
te verlaten” maar daar te wachten voor het doopsel van de Heilige Geest. Handelingen 1:4,5.

Want, wat zegt de belofte van de “Doop in de Heilige Geest” volgens Johannes de Doper?

Dit lezen we in het NT daarover:


“Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik (…) die zal u dopen
met de heilige Geest en met vuur.” (Matteüs 3:11)
“Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.” - (Marcus 1:8b)
“Hij, die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: op Wie u de Geest ziet
nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt.” - (Johannes 1:33)

Deze teksten uit de NBG’51 hebben het voorzetsel “met” in deze drie teksten, maar in de
oorspronkelijke tekst staat “in” (behalve in Lucas). Dat geeft de bedoeling van de gebeurtenis
beter weer, omdat het woord voor dopen (Grieks = baptidzo) onderdompelen betekent. Dan is
“in” gebruikt en niet “met.” Johannes gaat nog verder en maakt de tegenstelling van dopen “in
water” naar het dopen van de Messias: “in de heilige Geest.”

A. Johannes de Doper gaf de belofte van de “Doop van de Heilige Geest.” (Mat.3:1-11)
1. Johannes beloofde het doopsel van de Heilige Geest NIET aan iedereen.
2. De belofte van de doop van de Heilige Geest was een teken van de komst van de Messias.
Die man zou na Johannes komen en groter zijn dan de Doper.
3. De superioriteit van de Messias mag gezien worden in Zijn macht over de doop in de
Heilige Geest en het dopen met vuur.
B. Sommige mensen zeggen dat “gij” in Johannes een belofte is voor “allen” (Mat.3:11).
1. Let toch op wat er staat: dat “gij” die met de Heilige Geest gedoopt worden dezelfde “gij”
zijn die gedoopt met water door Johannes de Doper.
2. Wie werd hier gedoopt door Johannes de Doper met water?
3. Niet allen aangeduid met “gij” werden gedoopt door Johannes de Doper. “Maar de
Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen voor zichzelf de raad Gods, daar zij niet door
hem gedoopt waren.”- (Luc.7:30)
4. Niet alle “gij” werden gedoopt met de Heilige Geest. (Handelingen 1:26-2:4)
5. “Gij” omvat vandaag dus niet alle Christenen! De belofte werd gemaakt aan hen tot die
gedoopt werden door Johannes de Doper. Dus bepaald Jezus wie die “gij” zijn of waren.

C. “Gij” heeft een beperking in zich en slaat niet op iedereen.


Niemand gelooft dat allen die door Johannes werden gedoopt en tot hem kwamen de
Heilige Geest hebben ontvangen! Daarom moet “gij” zondermeer worden beperkt tot een
kleinere groep.
De voorspelling moet begrepen worden in het licht van zijn vervulling. Bijvoorbeeld:
a. Zaad van de Vrouw (Gen.3:15). Was dit voor iedere vrouw?
b. Zaad van Abraham (Gen.12:1-4). Was dit voor alle kinderen van Abraham?
c. Zaad van David (1 Sam.7 / Psalm 89). Was dit voor iedere zoon van David?
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 7

d. Zaad van Maria (Luk.1:30-33). Toch niet voor al haar zonen?


De vervulling in Handelingen twee beperkt de voorspelling. Dus!
1. Wij moeten naar de voorspelling en vervulling van Johannes kijken om te begrijpen wie
inbegrepen zijn in het “gij.”
2. Jezus beperkte het “gij” tot de apostelen binnen in de bovenzaal (Handelingen 1:4,5)
3. De data van het Pinksterfeest geven aan dat slechts 12 discipelen “de doop van Heilige
Geest ontvingen.” (Handelingen 2:4)
4. Dit was een resultaat van de vervulling van de belofte Jezus gaf aan zijn discipelen.
(Handelingen 1:8)
5. De Pinksterkerken kunnen geen gezag halen uit het woord van God voor hun uitleg. Zeker
niet dat vanuit het begin van Handelingen twee dit steeds opnieuw mag verwacht worden!

John Gill's ‘Exposition of the Bible’ geeft bij Handelingen 2:4: “En zij waren allen vervuld met de
Heilige Geest (...) Met de gaven van de Heilige Geest, die zij voordien hadden ontvangen van de
Geest, als een Geest van genade waren ze nu begiftigd met veel gaven, ze hadden alles in het
groot, met een grote overvloed; ze werden als recipienten boordevol; zij waren als het ware
bedekt tot aan de rand, er was een overvloed van gaven op hen, en nu waren ze met Hem gedoopt;
(Zie Gill, Handelingen 1:5). Niet alleen de twaalf apostelen, maar ook de zeventig discipelen, en
het kan alle honderd en twintig slaan die samen waren, ook vrouwen en mannen: (Handelingen
2:17,18).” Wij vinden ons hier dus ook niet in terug, ondanks deze grote commentator.

Dezen die samen waren op de dag van Pinksteren, om dit doopsel van de Heilige Geest te
ontvangen, zoals hen beloofd volgens Handelingen 1, zijn de elf apostelen en van daaruit volgend
ook Matthias (Handelingen 1:26). Deze “twaalf apostelen” zijn de meest dichtbijgelegen
antecedenten van de tekst van “ZIJ waren allen samen in één plaats” (Handelingen 2:1).

Daarom spreken enkele vertalingen ook met nadruk over “mannen” in Handelingen 2:15. Dat is
mogelijk vanuit het Griekse woord en vanuit de onmiddellijke context, Petrus en de andere
apostelen in het vorige vers. De Engelse vertalingen NASB, NIV, Amplified plus enkele andere
verstaan het Griekse voornaamwoord, Strong’s G 3778 – houtos, van “deze mannen.” Zie ook in
Hand.2:7 “deze” = hetzelfde woord. Zij spreken van de twaalf. De apostelen waren allen mannen,
maar het is onwaarschijnlijk dat alle 120 uit het slot van hoofdstuk één alleen mannen waren.
Vooral aangezien er ons specifiek vertelt is dat verscheidene vrouwen bijeen waren in de
opperruimte met de apostelen (Handelingen 1:14,15).

Hier zijn nog enkele andere vertalingen van Handelingen 2:15.


“These men are not drunk, as you suppose.” NIV
“For these men are not drunk, as you suppose.” ESV
“"For these men are not drunk.” NASB
“Want deze zijn niet dronken” SV-J
“Want deze mensen zijn niet dronken” NBG en WIL 95
“For these are not drunken” KJV en ASV
“These people are not drunk” GNB
“For these aren’t drunken” WEB
“Ces gens ne sont pas ivres” Louis Segond
“Denn diese sind nicht trunken” Luther

Petrus begint zijn preek met de woorden: “dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore.” -
(Handelingen 2:14). Dan volgt een korte inhoud van wat er aan de hand is. “Toen zij dit hoorden,
werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere APOSTELEN.”-
(Handelingen 2:37). Nadien bleven de gelovigen: “volharden bij het onderwijs der APOSTELEN
en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.”- (Handelingen 2:42) Het resultaat
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 8

was waarneembaar: “En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden
door de APOSTELEN”- (Handelingen 2:43) Het is dus duidelijk dat alleen de 12 spreken tot de
menigte op die bijzondere dag en later ook nog. Deze twaalf zijn Galileeërs. J.W. McGarvey zegt
hierover als besluit, “Alle apostelen waren van Galilea met uitzondering van Judas Iscariot”
(‘The Fourfold Gospel’, blz.221). Alfred Edersheim zegt: “zo zou de verrader alleen van
Judesche oorsprong zijn, de anderen zijn uit Galilea” (‘The Life and Times of Jesus the Messiah’,
Vol. I, blz.522).

ALLEN, NIET STEEDS “ALLEN”

Op http://picasaweb.google.com/Photo.Reportage.cfm staan enkele foto’s van een ‘Séminaire


prophétique de Houilles - 78 – France’ Als aftiteling staat erbij deze : “Après avoir reconnu la
véracité de la révélation, il recoit par l'imposition des mains ce que Dieu a en réserve pour lui.” =
“Na de waarheid van de openbaring te hebben aangenomen, ontvangt hij door het opleggen van
handen, datgene wat God in petto heeft voor hem.”

De Schrift geeft dat niet te kennen: het zijn slechts de apostelen die later de gave van talen aan
mensen overbrachten. Maar de leerlingen van die apostelen kunnen dit niet meer. Vandaag kan dus
niemand het meer!

Dezen die beweren dat de 120 de doop in de Heilige Geest hebben ontvangen verwijzen naar het
begrip “allen” uit Handelingen 2:1 en 2:4 dat het zou ondersteunen. Maar “allen” wil niet altijd
zeggen “allen” in de meest strikte zin van het woord. We zeggen er dus wat over! Dit is een tabel
uit Handelingen twee waar we de begrippen “allen” weergeven.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 9

Handelingen 2:1: “En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen (Strong n° 537= hapas) tezamen
bijeen.”
Handelingen 2:2: “En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige
windvlaag en vulde het gehele (Strong n° 3650=holos) huis, waar zij gezeten waren.”
Handelingen 2:4: “en zij werden allen (Strong n° 537= hapas) vervuld met de heilige Geest en
begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.”
Handelingen 2:7: “En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al (Strong n°
3956= pas) dezen, die daar spreken, Galileeërs?”
Handelingen 2:12: “En zij waren allen (Strong n° 3956 pas) buiten zichzelf en geheel met de zaak
verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen?”
Handelingen 2:14: “Gij Joden en allen (Strong n° 537= hapas) die te Jeruzalem woonachtig
zijt.”
Handelingen 2:17: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn
Geest op alle (Strong n° 537= hapas) vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren.”
Handelingen 2:32: “Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen (Strong n° 3956= pas)
getuigen zijn.”
Handelingen 2:36: “Dus moet ook het ganse (Strong n° 3956= pas) huis Israëls zeker weten, dat
God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.”
Handelingen 2:39: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen (Strong n° 3956=
pas), die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal.”
Handelingen 2:44: “En allen (hapas) die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren,
hadden alles gemeenschappelijk .”
Handelingen 2:45: “en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden
aan allen (Strong n° 3956= pas) die er behoefte aan hadden.”
Handelingen 2:47: “en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele (Strong n°
3650=holos) volk.”

Strong’s Grieks woord G 3956 = “pas” en het afgeleid begrip “hapas” Strong’s G 537 kunnen
twee zaken omschrijven volgens de woordenboeken:
1) individueel : a) elk, ieder, die er zijn, alle, het geheel, iedereen, alles, alles
2) collectief : a) een aantal van alle soorten

Laat het niet vergeten worden dat het Griekse “pas” niet altijd “allen” in de meest inclusieve zin
wil betekenen. Charles H. Spurgeon zei in een preek, ‘Particular Redemption’van 28 februari 1858
daarover. “De hele wereld ging achter hem aan.” “Is de hele wereld Christus achterna gegaan?”
Dan gingen allen in Judea naar de Jordaan, en werden allen gedoopt! Waren allen uit Judea, of
alle Jeruzalemieten gedoopt in de Jordaan? “Gij zijt van God, kleine kinderen”, en “Wij weten,
dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt.”Betekent dit de hele wereld en is hier
iedereen bedoeld? Zo ja, hoe kan er dan gezegd worden, dat er toch een aantal zijn die tot God
behoren?” Het woord “wereld” en “alle” worden gebruikt in ongeveer zeven of acht betekenissen
in de Schrift, en het is zeer zelden dat “iedereen = alle personen, individueel is.” De woorden
worden meestal gebruikt om aan te geven dat Christus heeft verlost: sommige van allerhande
soortgenoten. Sommige Joden, sommige heidenen, sommige rijken, sommige armen, en Hij heeft
de verlossing niet beperkt tot Jood of heiden.” (Verwijzingen naar 1 Joh.2:1 / 1 Joh.5:19.)

We vertalen wat van W. E. Vine's M.A., ‘Expository Dictionary of New Testament Words’ versie
uit 1940 (zonder copyright):
“Onderwerp: Alle
Bijvoeglijk naamwoord, 3956, pas>
In radicale zin “allen.” Gebruikt zonder het lidwoord, betekent dat “elke,” elke soort of ras. Zo
de Revised Version voetnoot in Eph.2:21, “elk gebouw,” en de tekst in Eph.3:15, “alle
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 10

geslachten,” en de Revised Version voetnoot van Hand.2:36, “elk huis;” of kan betekenen “de
hoogste graad,” het maximum van wat wordt genoemd, zoals “met alle vrijmoedigheid”
Hand.4:29. Voordat de juiste namen van landen, steden en naties, en vóórdat er collectieve
termen waren, zoals “Israël”, dan betekent “alle” zowel “het geheel”, of “en andere,” Mat.2:3 /
Hand.2:36. Gebruikt met het lidwoord, betekent dit dat het geheel van een object. In het meervoud
betekent het: “het geheel van de personen of dingen bedoeld.” Gebruikt zonder een zelfstandig
naamwoord wordt het vrijwel een voornaamwoord, zoals “iedere” of “iedereen.” In het
meervoud met een zelfstandig naamwoord is, betekent dat “iedereen.” Een vorm van het onzijdig
meervoud (panta) betekent “geheel en al samen, in alle opzichten, in alle dingen,” Hand.20: 35 /
1 Cor.9: 25. Het onzijdig meervoud zonder het lidwoord betekent: “alle dingen hoofdelijk,”
bijvoorbeeld, Joh.1:3 / 1 Cor.2:10; voorafgegaan door het lidwoord verwijst dat naar “alle
dingen,” als een geheel, bijv. Rom.11: 36 / 1 Cor.8: 6 / Eph.3: 9.”

Klinkt het wat ingewikkeld, dan is dit de regel: de onmiddellijke context bepaald of het gaat om
“allen” in een strikte zin of in een beperkte zin. We denken dat het gaat om de 12 apostelen. Volg
eens nauwkeurig de voornaamwoorden: “zij”, “hen” en “deze” doorheen Handelingen 2:1-15.
“Zij” (vers 1), “zij” (vers 2), “hen” (vers 3), “zij” (vers 4), “hen” (vers 6), “deze” (vers 7),” hen”
(vers 11), “zij” (vers 13), “deze” (vers 15). Het is duidelijk dat al deze verwijzingen over de 12
spreken. Handelingen 2:14 geeft daar een volledig beeld van: “Maar Petrus stond met de elven op,
en hij verhief zijn stem en sprak hen toe.”

• F.J. Foakes-Jackson & Kirsop Lake (edd.), schreven ‘The Beginnings of Christianity: Part
I: The Acts of the Apostles.’ En citeren er uit: “Allen - Wil dat verwijzen naar alle
christenen of alleen de apostelen. Wendt, Blass, en anderen volgen Chrysostomos (Homilie
IV) en denken dat het naar de 120 verwijst van 1:15. Zahn gaat verder en argumenteert
dat de vrouwen uitgesloten moeten worden bij de keuze van Matthias, maar niet van de gift
van de Geest. Anderzijds is de belofte van de Geest in 1:4 aan de apostelen gegeven en in
2:14 staat Petrus op met de andere apostelen alsof het op hen was dat de Geest was
neergekomen.” – Commentaar bij Hand.2:1– Wij onderlijnen.

• B. M. Newman & E. A. Nida, schreven: ‘A Translators Handbook on the Acts of the


Apostles’, 1972 een werk speciaal gemaakt voor vertalers. We citeren: “Alle gelovigen
geeft het Griekse word “allen” weer en het kan zowel verwijzen naar alle christenen of
alleen maar de apostelen. Het merendeel van de vertalingen kiezen voor een weergave die
dubbel kan geïnterpreteerd worden terwijl de TEV (Todays English Version) het expliciet
heeft weergegeven als de volledige christelijke gemeenschap. In een aantal talen kan men
het begrip “gelovigen” niet weergeven zonder erbij te spreken in wie men geloofd,
bijvoorbeeld “allen die in Jezus geloofden.” ER kunnen in enkele talen problemen zijn met
de vertaling van “allen” omdat het niet naar een absoluut “allen” kan verwijzen. Daarom
kan het mogelijk zijn te vertalen als “alle gelovigen” aldus verwijzend naar de gelovigen
die verondersteld werden één groep te vormen in Jeruzalem.” – Commentaar bij Hand.2:1.
– Wij onderlijnen.

• F.F. Bruce, schreef: ‘The Book Of The Acts’ en citeren: “Wat we ook mogen verstaan van
dit gevoelige fenomeen, er was geen twijfel dat er een inwendig gebeurtenis plaats had.“
ze werden allen met de Heilige Geest vervuld.” De geestelijke doop die Johannes had
voorspeld en die Jezus nog had bevestigd was nu een voldongen feit. De vervulling met de
Heilige Geest was een voorval dat meerdere malen werd herhaald (bijvoorbeeld 4:8,31 /
13:9); maar de “doop met de Geest” had slechts eenmaal plaats, eenmaal voor allen, voor
zover wat de gelovige gemeenschap betrof.”- Commentaar bij Hand.2:4 uitgave 1979. –
Wij onderlijnen.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 11

• Professor John Dick (1764-1833), schreef in het Engels ‘Lectures on the Acts of the
Apostles’ = ‘Lezingen over de Handelingen van de Apostelen.’ We vertalen er dit uit:
“Inderdaad, dit is te meer waarschijnlijk dan het andere, want het was niet aan alle
leerlingen, maar aan de apostelen, dat Christus de belofte gedaan heeft. Dat is nu vervuld
en omdat de gave van tongen, die bedoeld is als een kwalificatie voor het preken van het
evangelie is er geen reden om te denken dat het was weggelegd voor de vrouwen, en nooit
aan de huidige enthousiaste liefhebber.(...) En anderzijds, het was noodzakelijk dat de
apostelen voor de uitvoering van hun opdracht te prediken aan elk schepsel dit hadden.
Zonder de gave van tongen was hun dienst beperkt tot hun eigen landgenoten. Het lijkt niet
waarschijnlijk, dat in hun tijd en met hun gewoonten, een vreemde taal zo perfect aanleren
er niet in zat. Een echt discours kunnen geven bij het onderwerp godsdienst, dat vraagt een
degelijke kennis.” - Wij onderlijnen.

BELOFTE EN VERVULLING: JOËL 2 EN HANDELINGEN 2

Wie ervan overtuigd is dat alle 120 de doop van de Heilige Geest hebben ontvangen verwijzen ons
naar Handelingen 2:17-21 en dat God van Zijn Geest zal uitstorten op alle vlees. Petrus zou ons
dat zonder twijfel willen leren. Heinrich Meyer, één van de grote commentatoren uit de 19de
eeuw, leest in de profetie van Joël 2 aangehaald in Handelingen twee dat: “niet slechts de
apostelen maar allen in het NIEUWE volk van God overgoten is met de Geest.” – Commentaar bij
2:1. En voorzeker 50% van alle commentatoren redeneren op eenzelfde manier over dat gedeelte.
Maar staat het er werkelijk zo in die tekst? Dit staat er: “ZAL UITSTORTEN op alle vlees.” Dus
in elk geval in de toekomst. Als vrouwen en kinderen dus de Heilige Geest later ontvangen dan
de apostelen is deze profetie zondermeer vervuld!
“Alle vlees” slaat zeker niet op dieren of op “alle” Joden of op “alle” mensen. De gaven van de
Heilige Geest waren niet enkel bedoeld voor de Joden, of alleen voor mannen, of voor een
bepaalde klasse in de maatschappij. Dit hieronder geeft weer hoe variabel deze belofte is:
Handelingen 2:1-4 = de apostelen
Handelingen 6:8 = Stephanus
Handelingen 8:17 = Samaritanen
Handelingen 10:45 = heidenen
Handelingen 21:9 = vier dochters van Philippus
Handelingen 21:10 = Agabus, een bekend profeet in die dagen

HET VERSCHIL TUSSEN BELOFTE EN VERVULLING

Joël 2:28-32: Daarna zal het geschieden, dat Handelingen 2:17-21: En het zal zijn in de
Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, LAATSTE DAGEN, zegt God, dat Ik zal
uitstorten van mijn Geest op alle vlees;
en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouden zullen dromen dromen; en uw jongelingen zullen gezichten zien,
uw jongelingen zullen gezichten zien. en uw ouderen zullen dromen dromen:
29 18
Ook op de dienstknechten en op de ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn
dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn
uitstorten. Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
30
Ik zal wonderen geven in de hemel en op de 19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven
aarde, bloed en vuur en rookzuilen. en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur
en rookwalm.
31 20
De zon zal veranderd worden in duisternis De zon zal veranderen in duisternis en de
en de maan in bloed, voordat de grote en maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige
geduchte dag des HEREN komt. dag des Heren komt.
32
En het zal geschieden, dat ieder die de naam 21 En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 12

des HEREN aanroept, behouden zal worden, aanroept, behouden zal worden.
want op de berg Sion en te JERUZALEM zal
ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft;
en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die (Heb.12:22 zegt: “Maar gij zijt genaderd tot de
de HERE zal roepen. berg Sion, tot de stad van de levende God, het
hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van
engelen.”)

Behalve de 12 apostelen IS ER NIEMAND ANDERS VAN DE DISCIPELEN DIE HET


WOORD NEEMT OM TE GETUIGEN OP DIE PINKSTERDAG.
Op die dag spreekt geen ENKELE VROUW en GEEN ENKEL KIND? Geen enkele GRIJSAARD
heeft er Gods lof bezongen. Maar dat de twaalf “gedoopt zijn in de Heilige Geest wil zeggen dat
de belofte van Joël in vervulling gaat en dat de rest van de profetie binnen niet afzienbare tijd in
vervulling gaat. Pinksteren was het begin van een niet meer terug te draaien tijdperk.

Maar, Jezus beloofde de Heilige Geest aan alle gelovigen (Johannes 7:37-39). Het zou echter een
onrechtmatig gebruik zijn met deze passage te leren dat alle gelovigen:
1. gedoopt zijn in de Heilige Geest en
2. miraculeuze gaven door de Heilige Geest hebben ontvangen.

De Heilige Geest is niet een middel tot verlossing maar is een belofte nadat men gered is. (Begrijp
ons niet verkeerd want in de wedergeboorte is de Heilige Geest al werkzaam.) Jezus, heeft een
soortgelijke belofte gedaan aan de Samaritaanse vrouw (Johannes 4:10-14). Het levende water hier
besproken geeft een complete geestelijke voldoening, is verfrissing voor de ziel en de vervulling
van ons innerlijk verlangen. Deze volheid van spirituele vervulling is alleen te vinden in Christus
(Eph.1:3). “Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd
worden.” (Mat.5:6 WILL.).
Alle gelovigen hebben de Heilige Geest ontvangen en dat werkt als volgt:

 De Heilige Geest komt als een beloofde zegen tot de kinderen Gods.
 Omdat gij zonen zijt” (Gal.4:6) ontvangt ge de Heilige Geest.
 De Heilige Geest leidt zonen door “de wet van de Geest” (Rom.8:1-14).
 De Heilige Geest pleit voor ons als zonen (Rom.8:26,27).
 De Heilige Geest leidt ons het eeuwige leven binnen (Johannes 4:14).
 De Heilige Geest produceert in ons de “vrucht van de Geest” (Gal.5:16-25). .
 De Heilige Geest zal ons als zonen van God laten herrijzen. (Rom.8:11-25)
 De Heilige Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen zijn van God (Rom.8:14-17).
 Maar het ontvangen van de Heilige Geest betekent niet dat de gelovige wonderen kan
verrichten of in tongen spreken.

Het bewijs dat de Heilige Geest in de gelovigen werkzaam is zijn de vruchten van de Geest, niet de
macht om wonderen te bewerken of in vreemde talen te spreken. Bekijk eens deze drie zaken:

1. “Aan hun vruchten zul je ze dus kennen.” - (Mattheus 7:20 WIL.)


2. “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn
meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan
jullie heb meegedeeld.” (Johannes 15:15 WIL.).

3. “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid,
vertrouwen, 23 zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zulke dingen richt de wet zich niet. 24 Zij
die Christus Jezus toebehoren, hebben de zondige natuur gekruisigd, met zijn hartstochten en
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 13

begeerten. 25 Als wij leven door de Geest, laten we ons dan ook gedragen volgens de Geest.” -
(Galaten 5:22-25 WIL.).

Conclusie

Om al deze redenen kunnen we John Gill's ‘Exposition of the Bible’ bij Handelingen 2:1 niet
volgen. Hij zegt: “in twee oude exemplaren van Beza manuscripten, en in sommige anderen is te
lezen, “alle apostelen”: Matthias en de elf, met wie hij gerekend werd, over wie die het laatst
gesproken werd in Handelingen 1:26. Hoewel dit niet hoeft te worden beperkt tot de twaalf
apostelen, maar kan worden begrepen van de honderd en twintig. Op deze, alsook over de
apostelen, kan de Heilige Geest worden uitgegoten en dat zij kunnen spreken in tongen; omdat bij
deze veel bedienaars van het Evangelie waren, zoals de zeventig discipelen.”

Een zorgvuldige lezing van Handelingen, hoofdstukken 1 en 2 maakt het duidelijk dat het de
twaalf apostelen waren die de bovennatuurlijke gaven ontvingen. Dat getuigenis is bovendien
overweldigend. Toen de Heilige Geest kwam waren zij het die werden gedoopt en niet de 120
discipelen. Natuurlijk, iedereen, al die anderen, die in Christus werden gedoopt op die dag, dat is
dezen die een waterdoop kregen, ontvingen de Heilige Geest. Ze werden echter niet in/door de
Heilige Geest gedoopt. Er is geen aanwijzing dat de macht/gave om kinderen Gods te worden hen
toeliet om mirakelen uit te voeren of in tongen te spreken (Handelingen 2:38). We hebben het
recht niet de oorspronkelijke tekst in de Bijbel naar onze hand zetten, om de eigen opvattingen
daaruit te “bewijzen.” We moeten van de tekst uitgaan die we hebben. We behoren uit te gaan van
wat er staat en niet van wat wij of anderen willen dat er staat.

De Bijbel heeft iets aparts, je kunt er niet zomaar in lezen als in een wetenschappelijk boek dat je
in chronologische geordende uitleg wat leert over een taal of wiskunde of wat dan ook. In de
Schrift zijn door God, over een periode van honderden jaren, zaken geopenbaard. Van een bepaald
onderwerp krijg je maar een volledig beeld nadat de onderdelen naast elkaar gelegd werden. Dat
hebben we gedaan met betrekking tot de 12 of de 120. Als u, de lezer, tot andere conclusies kwam
met de nodige Bijbelse bewijsvoering dan horen we dat graag.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 14

APPENDIX I

Er is een enorm verschil tussen wat Katholieke theologen zeggen en wat pausen en het volksgeloof
zeggen over de plaats van Maria met Pinksteren. In het volksgeloof staat Maria centraal in dat
gebeuren, volgens de Bijbel zijn het de 12 apostelen van het Lam.

Duccio di Buoninsegna (1308), op hout geschilderd in Museo dell'Opera del Duomo, Siena
Maria staat centraal in het gebeuren. Dit is een on-Bijbelse visie.

In de Encycliek ‘Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld’ van Paus Johannes
Paulus II uitgegeven op 18 mei 1986 staat op blz.30: “Op de dag van Pinksteren vond alles wat
Christus in de afscheidsrede aangekondigd had, zijn meest precieze en directe bevestiging, in het
bijzonder de aankondiging waarover wij nu spreken: “De Helper zal de wereld het overtuigend
bewijs leveren van wat zonde is”. Op die dag daalde de beloofde Heilige Geest neer over de
apostelen die samen met Maria, de Moeder van Jezus, in gebed verenigd waren in hetzelfde
cenakel, zoals wij in de Handelingen van de Apostelen lezen: “Zij werden allen vervuld van de
Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken
gaf” (Hand. 2, 4).” – Wij onderlijnen.
In de Encycliek ‘Moeder van de Verlosser’, van Paus Johannes Paulus II, verschenen 25 maart
1987 lezen we op blz.49:
“De Kerk maakt als volk Gods haar pelgrimstocht naar de eeuwigheid in geloof temidden van alle
volken en naties vanaf de dag van Pinksteren. De Moeder van Christus die aanwezig was aan het
begin van de ”tijd van de Kerk” toen zij de heilige Geest afwachtte en ijverig in het gebed
volhardde temidden van de apostelen en leerlingen van haar Zoon, blijft de Kerk ”voorgaan” op
deze tocht door de geschiedenis van de mensheid heen. Zij is ook degene die precies als
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 15

dienstmaagd des Heren onophoudelijk meewerkt aan het heilswerk dat Christus, haar Zoon,
verricht.” – Wij onderlijnen.

Uit het ‘COMPENDIUM VAN DE CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK’ van 28 juni
2005, alinea 53 3 citeren we deze illustratie en tekst: “De icoon geeft het Bijbelse verhaal van
Pinksteren weer: (…) Op de afbeelding maakt zich vanuit de duif, symbool voor de heilige Geest,
een kegel van intens licht los, die Maria en de Apostelen omhult. Het is het licht dat de geest van
de Apostelen verlicht door hun de gaven mee te delen van wetenschap, wijsheid en inzicht in de
goddelijke werkelijkheden, maar ook de gaven van vroomheid, kracht, raad en vreze Gods.” – Wij
onderlijnen.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 16

In vele illustraties vooral van Katholieke zijde is er meestal een afbeelding van de “vurige tongen.”
We willen daarover toch wat zeggen. In de context van de doop met de Heilige Geest wordt
tweemaal iets dramatisch gezegd over vuur: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere
boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Ik
doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig
Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan is in
zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar
het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.” – Mattheus 3:10-12. Het vuur van deze tekst
kan geïdentificeerd worden volgens de context als het “onuitblusbaar vuur” = het vuur van de
eeuwige straf. Dit vuur kan het kaf en de onvruchtbare boom afbranden (Mattheüs 3:10,12 / Lucas
3:9,17). Het “onuitblusbaar eeuwige vuur” is de nog toekomstige bestemming van de
ongehoorzame en ongelovigen. Het is iets van het laatste oordeel waar de definitieve uitspraak
gedaan zal worden (Zie 2 Thes.1:7-10 / Mattheüs 25:41,46 / Handelingen 17:31 / Openbaring
20:12-15 / 21:8). Maar we denken persoonlijk dat dit niet samengekoppeld mag worden: vuur van
de Geest en vuur van de straf van God. Het is beter dit te bezien als twee varianten voor het
symbolische begrip “vuur.” Het kan in de gelovige een grote gloed teweegbrengen en ijver voor de
Heer opwekken. Maar voor de ongelovige is het een andere symboliek: straf van God.

APPENDIX II

John William McGarvey, schreef een ‘Commentary on Acts’ en heeft er een reeks argumenten
waarom we slechts van de 12 kunnen spreken die gedoopt werden in de Geest. Hij schrijft bij
Handelingen 2 (wij onderlijnen en benadrukken in zwarte tekst):
• “Het is belangrijk te bepalen wie de partijen zijn waarover Lucas verklaard: “Zij bleven
allen trouw en eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van
Jezus, en zijn broers.” – Hand.1:14 Daar hangt een vraag aan vast: of de honderd en
twintig discipelen, of alleen de twaalf apostelen, werden vervuld met de Heilige Geest.
Voor de commentatoren is de uitleg vrijwel uniform, “de honderd en twintig” zijn bedoeld.
Wie de eerste vier verzen van dit hoofdstuk zal lezen, merkt de aansluiting van het
voornaamwoord “zij” op. In een oogopslag neemt men het hele, antecedent en dus alle
partijen in het eerste vers als samen op één plaats. Zo zijn allen vermeld wie met de
Heilige Geest gevuld waren, en in andere tongen begonnen te spreken. De vraag is dus:
Wie waren gevuld met de Heilige Geest? Alles is dus afhankelijk van de betekenis van het
voornaamwoord in de verklaring: “ZIJ bleven allen trouw en eensgezind in gebed,
samen.” Allen die denken dat de honderd en twintig zijn bedoeld, keren terug naar het
vijftiende vers van het vorige hoofdstuk en beweren dat het antecedent daar ligt. Maar de
scheiding tussen het eerste en tweede hoofdstuk is nogal ongelukkig. Neem het laatste vers
van hoofdstuk een en ga naar het verband met het eerste vers van hoofdstuk twee. Dan
zullen we de ware en duidelijke antecedent veel dichter kunnen bepalen. Het zou dus als
volgt te lezen zijn: “Daarop lieten ZE hen loten, en het lot viel op Matthias, en zo werd hij
aan de elf apostelen toegevoegd. Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren ZIJ allen op
één plaats bijeen.” - WIL 95 Het is onbetwistbaar dat de verdeling van de tekst in
hoofdstukken alles bemoeilijkt en de nauwe grammaticale aansluiting van de woorden is
duidelijker wanneer men doorleest. Het is dan dat je merkt dat “ZE” uit het laatste vers
van hoofdstuk één en de “ZIJ” uit vers een van hoofdstuk twee dezelfden zijn. Dat zijn
zonder tegenspraak de apostelen. Dat voor de hand liggende feit is verborgen voor de
meeste van de commentatoren en lezers. Daarom mogen we zeggen dat de apostelen
alleen, gevuld werden met de Heilige Geest. Deze conclusie is niet alleen duidelijk uit de
context, maar ze is vereist door de bewoordingen van de belofte over de Heilige Geest. Het
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 17

was aan de apostelen alleen, tijdens de nacht van het verraad, dat Jezus had beloofd de
wonderbaarlijke hulp van de Geest te zenden.” (…)
• Bij vers 3 en 4 zegt McGarvey: “Simultaan met het geluid lezen we: “en er vertoonden
zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen;
en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te
spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.” Dit is de onderdompeling in de Heilige
Geest die door Jezus was beloofd, en waarvoor de apostelen hadden gewacht sinds zijn
Hemelvaart. Het is zeer belangrijk dat we begrijpen waaruit die gift bestond, en het
waarom.” (…)
• Er is in het Nieuwe Testament, geen definitie van de doop in de Heilige Geest. Maar we
hebben hier wat beters, een levendige beschrijving van het ontstaan ervan. De historicus
geeft ons een duidelijke weergave van de mannen die worden ondergedompeld in de Geest,
zodat, om dit te begrijpen, alles goed moeten lezen, en aannemen wat ze vertellen en wat ze
zien en horen. We zien vlammende tongen, zoals vuurvlammen, verdeeld op elk van de
twaalf apostelen. Na de uitdrukking “op ieder van hen,” dat een enkelvoud is wordt het
meervoud van “in tongen spreken” gebruikt. Maar de tongen gaan niet op allen, maar
slechts één tong op elke apostel, de term “verdeeld” heeft dat al gesuggereerd dat het voor
hen afzonderlijk bedoeld was. We zien en horen de twaalf samen spreken in talen die voor
hen onbekend waren. We zien een goddelijke macht aanwezig in deze mannen, want geen
enkele andere macht zou dat werk van het spreken in tongen kunnen overdragen. We horen
de onmiskenbare gevolgen van een goddelijke macht die op hun geest heeft ingewerkt.
Geen enkele andere macht had zo een kennis van een vreemde taal ineens hebben kunnen
overdragen op een mens. De doop met de Heilige Geest, bestaat er dus in dat ze zo vervuld
waren, van een wonderbaarlijke fysieke macht dat de uitoefening van hun intellectuele
vermogens wonderbaarlijk wijzigden. Als er sprake is van enige andere zaak die hen,
volgens de historicus, zou bewerkt hebben dan is er geen sprake van, en we hebben ook
geen recht om het aan te nemen. Hun vermogen om in andere talen te spreken is niet het
resultaat van iets dat rechtstreeks op hun tong inwerkt, maar het gevolg van de kennis
daarover die hen was bijgebracht.”

John W. McGarvey heeft dus sterke argumenten aangegeven om niet te geloven in een doop in de
Heilige Geest van de 120. Wat de Pinkstermensen erover leren lijkt sterk op het aanmaken van een
rookgordijn tussen twee legers. Wie echter bij de Bijbelteksten blijft zonder zijn teugels los te
laten en het wilde paard vrij te laten lopen, merkt dat hun visie niet Bijbels is maar een reeks losse
niet samenhangende besluiten.

Deze twaalf apostelen ontvingen de Heilige


Geest als eerste op het Pinksterfeest. Later op
de dag kregen na gedoopt te zijn, anderen
ook de Heilige Geest als onderpand van wat
hen nog te wachten staat na de Wederkomst.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 18

Tijdens een Katholieke


charismatische dienst lachen
enkelen hysterisch, anderen bassen
als honden of grollen als varkens
doen. Nog anderen rollen over de
vloer heen en weer. Dit gedrag is de
eerste maal gezien in Canada onder
Pinkstermensen van de Toronto
Blessing movement, begin van de
jaren 1990. / Foto van John Vennari

APPENDIX III

DE BOVENZALEN UIT HANDELINGEN 1 EN 2

Huizen in de Bijbel

De meeste huizen hadden platte daken, en de wet van Mozes vereiste dat de Israëlieten een
borstwering om hun dak aanbrachten om ongelukken te voorkomen (Deut.22:8). Wanneer het dak
een kleine helling had, kon het regenwater weglopen. Het dak werd gedragen door houten balken,
die van muur tot muur werden gelegd. Over deze balken werden in de andere richting kleinere
balken geplaatst, die daarna werden bedekt met takken, of riet. Daarover kwam dan een laag aarde
van een paar centimeter. Om alles bij elkaar te houden werd daarover een dikke pleisterlaag van
leem of een mengsel van leem en kalk gestreken. In zo een dak kon men gemakkelijk een gat
maken, zoals enkele mannen deden die een verlamde bij Jezus wilden neerlaten, om hem te
genezen (Marc.2:4). In grotere huizen werden de dakbalken ondersteund door rechtopstaande
houten palen. Meestal voerde een buitentrap naar het dak bij de steviger huizen. Of bij de armere
huizen had men een ladder.

In veel gevallen was het dus mogelijk, het dak te verlaten zonder het huis zelf binnen te hoeven
gaan. Daar veel huizen in de stad nogal dicht op elkaar waren gebouwd, was het dikwijls mogelijk
van het ene dak op het andere te springen. In dat verband geeft de zin van de opmerking van Jezus
in Mattheus 24:17 en Markus 13:15 een levendig beeld. Op het dak werd niet geleefd maar bij
bepaalde gelegenheden kroop men er op: om reparaties uit te voeren of bekendmakingen te maken.
Op de daken werd het vlas gedroogd (Joz.2:6), men had er gesprekken (1 Sam.9:25), wandelde er
in de koele avond rond (2 Sam.11:2) of sliep er zelfs (1 Sam.9:26). Als iemand op een dak zat trok
het de aandacht van het publiek (2 Sam.16:22 / Mat.10:27). Er zijn Bijbelse voorbeelden dat er
aanbidding beoefend werd op het dak (Jer.19:13 / Zech.1:5 / Hand.10:9).

In bepaalde rijkere huizen had het huis een dak- of bovenvertrek. In deze huizen gaf een
binnentrap toegang tot de bovenverdieping. Het was meestal een aangename en koele kamer die
vaak als logeerkamer werd gebruikt (1 Kon.17:19 / 2 Kon.1:2 / 4:10). Zeer uitzonderlijk waren er
ook huizen met twee verdiepingen dus met een echt bovenverdiep. Jezus vierde het laatste
paasfeest met zijn discipelen in zo een huis. Hij stelde toen de viering van het Avondmaal des
Heren in (Luc.22:11,12,19,20). Die plaats was een groot bovenvertrek, mogelijks een dakvertrek
of een kamer op een eerste verdiep.
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 19

Bovenzalen allerhande

Er zijn drie woorden voor die plaats in de Bijbel:


1. “`aliyah” (2 Koningen 1:2),
2. “anogeon” (Marcus 14:15 / Lucas 22:12),
3. “huperoon” (Handelingen 1:13 / 9:37,39 / 20:8).

In Richteren 3:20 vertaald de English Revised Version als “het zomerverblijf” en in de marge
staat: “Hebreeuws: ‘hoge koele kamer’” Het was waarschijnlijk een dakkamer. In 2 Kon.1:2 lag
klaarblijkelijk de “ hogere kamer” van Ahaziah op het 2de verdiep van het gebouw. De “hogere
kamers” van de tempel (1 Kron.28:11 en 2 Kron.3:9) zijn niet duidelijk aan te geven wat ze zijn.
Of de grote bovenzaal waar de scène van het Laatste Avondmaal zich afspeelt dezelfde is als in het
van Handelingen 1:13 is niet duidelijk. Zie hierover verder meer uitleg. Die plaats krijgt in de
Katholieke theologie ook de naam van “cenakel” (van het Latijnse “cenaculum”). Het woord is een
derivaat van het Latijnse woord “cena”, dat “dineren” betekent. Het was ook waarschijnlijk een
kamer voor het stapelen van etenswaren of goederen. De bovenkamer uit het boek Handelingen
20:8 was in Milete, een Griekse stad waar andere bouwstijlen gehanteerd werden dan in Palestina.

De bovenzaal is de plaats waar veel gebeurtenissen die in het Nieuwe Testament beschreven
worden plaatsvonden:

• de voetwassing (Johannes 13:4-11)


• sommige verschijningen na de opstanding van Jezus (Marcus 16:14 / Lucas 24:33 /
Johannes 20:19)
• het verzamelen zich van de discipelen na de Hemelvaart van Jezus (Handelingen 1:13)
• de verkiezing van Mattias als apostel (Handelingen1:15)
• de afdaling van de Heilige Geest op de discipelen met Pinksteren (Handelingen 2:1-4).
• en sommigen (?) zetten er ook de Raad van ouderlingen te Jeruzalem (Handelingen 15).

De “bovenzaal” uit de evangeliën

Zowel Marc.14:12–16 als Luc. 22:7–13 spreken over een man die een “waterkruik draagt.” Twee
discipelen moesten de man volgen. Zo konden zij de eigenaar van het huis ontmoeten voor wie de
man het water droeg. In deze passage is er een belangrijk punt waar we moeten bij stilstaan. Het
was voor een man hoogst ongebruikelijk om waterkruiken te dragen. Een man die een “waterkruik
draagt” zou voor de discipelen in het openbaar zeer gemakkelijk zijn uit te kiezen. De mannen
droegen nooit water, hoewel zij waterbussen hadden voor persoonlijk gebruik, gemaakt uit
dierenhuiden. Het transport van water van de put naar huis, was het werk van de vrouwen.
Herinnert u eens dat wanneer de bediende van Abraham, Eleazar, de mooie Rebecca ontmoette,
het aan een waterput was (Genesis 24:13–20). De vrouwen trokken het water uit de put. Vanuit de
ontmoeting van Mozes met zijn toekomstige weten we dat Mozes haar erbij hielp (Exodus 2:15–
17). Jezus ontmoette de Samaritaanse vrouw op een plaats bij de put van Jacob. Zij moest daar
water optrekken en naar huis dragen (Johannes 4:5-29). Nergens in de Schrift zult u Joodse
mannen vinden die waterdragers zijn, behalve hier. Was het een Romeinse slaaf? Jezus, geeft zijn
discipelen dus een zeer typerend en uitzonderlijk teken om de plaats te bepalen waar men het
Pesach zal vieren. Als vertegenwoordigers van Jezus moeten ze de eigenaar vertellen hoe de
regelingen van het Pascha in de “grote gastenkamer” moeten verlopen.

Zijn er twee soorten bovenzalen?


HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 20

Er is dus een verwijzing naar een “bovenzaal” in Marcus 14:15 en Lucas 22. Die beide verzen
gebruiken het Griekse naamwoord “anogeon” dat slechts in die twee passages in het Nieuwe
Testament gebruikt is. Deze kamer wordt specifiek beschreven als “grote” met het Griekse begrip
“megas.” In die ruimte werd door de twee discipelen alles voorbereid voor het Pascha. Dat was
voor de twaalf, Jezus en waarschijnlijk enkele vrouwen! Die “bovenzaal” werd ook beschreven als
“gastkamer” in de vorige verzen van Marcus 14:14 en Lucas 22:11 (Grieks “kataluma”). Deze
ruimte was daarom zeer waarschijnlijk een van die plaatsen die ter beschikking gesteld werden
voor groepen tijdens de perioden van de Joodse feesten. Laat ons altijd in gedachten houden dat
Jeruzalem tijdens de derde (of vierde) Tempelperiode een soort “conventiestad” was. Die grote
menigten vereisten tijdelijke huisvesting gedurende de jaarlijkse feesten. Toen er geen ruimte was
in de “herberg” voor Jozef en Maria in Lucas 2:7 was hebben we hetzelfde woord.

Hetzelfde Griekse begrip “kataluma” is dus vertaald als “herberg” terwijl het “gastenkamer” in
Marcus14:15 en in Lucas 22:12 wordt vertaald. In Handelingen 1:13 is er een andere term voor
een “opperzaal” een totaal verschillend Grieks woord. We lezen er: “En toen zij in de stad
gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal (het Grieks “huperoon”), waar zij verblijf hielden:
Petrus en Johannes en Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus,
de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. Deze allen bleven
eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met
zijn broeders. En in die dagen stond Petrus op onder de broeders – en er was een groep van
ongeveer honderd twintig personen bijeen.” - Handelingen 1:13–15 De term: de “bovenste kamer”
wijst naar een structuur met 2 of meer verdiepingen. Deze term komt nog voor in Handelingen
7:37,39 en 20:8.

Lucas heeft twee verschillende Griekse termen gebruikt voor een “bovenste kamer”: een in Lucas
22:12 en een ander in Handelingen 1:13. Is daardoor aangeven, dat het om andere “kamers” gaat?
Dat zou betekenen dat de “bovenkamer” (of gastenruimte van een herberg) uit Marcus 14:15 en
Lucas 22:12 anders was dan de “bovenkamer” (of bovenste kamer) uit Hand.1:13. Anderzijds, kan
Lucas gewoonweg een andere term hebben gebruikt voor de beschrijving van de kamer, zowel
waar het Pascha en Laatste Avondmaal werd gehouden als waar Pinksteren is gehouden. Het kan
niet duidelijk worden bepaald uit de tekst of de Griekse termen.

De context geeft niet aan of er alleen de 12 apostelen waren in de kamer of dat er meer mensen
waren. In de tekst staat “de discipelen.” Misschien is dat het aantal van “ongeveer 120” van Hand.
1:15, die zijn verzameld op dat moment. Maar laten we ons toch niet vergalopperen bij de term
“discipelen” want het is vooral bij Johannes een aanduiding voor zowel de apostelen als de
gewone leerlingen. In Johannes 20:24 staat dat “Thomas, een van de twaalf” is. Dat is zonder
onderscheid gelijk met de “andere discipelen” = “de twaalf.” Vergeet niet, het was de avond van
de opstanding dat Jezus sprak over de Heilige Geest volgens Johannes 20:19-22: “Toen het dan
avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren
gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen:
Vrede zij u! En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen
dan waren verblijd, toen zij de Here zagen.[Jezus] dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk
de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide
tot hen: Ontvangt de heilige Geest.”

Zou het redelijk zijn te veronderstellen dat er behalve de 12 apostelen nog andere leerlingen
aanwezig waren in Handelingen 2:1?
• Matthew Henry, schreef een ‘Commentary on Acts’, en geeft het volgende als opmerking
bij Hoofdstuk 2:1: “Ze waren toen allen met hetzelfde doel en op één plaats bij elkaar.
Welke plaats is ons niet verteld, het is ofwel zowel in de tempel, waar ze regelmatig aan de
openbare dienst deel namen (Luc.24:53), of in hun eigen bovenkamer, waar ze elkaar op
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 21

andere momenten ontmoeten. Maar het was in Jeruzalem. Want dit was de plaats die God
uitkoos, om zijn naam naar alle naties te laten gaan zoals in de voorspelling van het
“uitgaande woord van de Heer.” - Jes.2:3
• Clarke’s Commentary - ACTS 2 geeft het volgende commentaar: “Op één plaats.-Waar
dat is kunnen we niet zeggen: het was waarschijnlijk in de tempel. Het lijkt te zijn
aangegeven in het vers 46, waar wij zien dat ze dagelijks, met eenzelfde zin in de tempel
waren. Dit was het derde uur van de dag volgens vers 15, dat was het Joodse uur van het
ochtendgebed, zoals het negende uur deze van het avond gebed. Hoofdstuk twee, geeft als
het meest waarschijnlijk de tempel voor de plaats van samenkomst.”

Het bewijs is niet overtuigend, want zou dezelfde kamer logischerwijs dan zowel de twaalf
apostelen, Jezus en enkele vrouwen kunnen bevatten als de 120? Dat zou dan een uitzonderlijk
grote kamer moeten geweest zijn? De vraag is of er wel dergelijke grote bovenzalen zijn in die
dagen in Jeruzalem? Mogelijks wel, onder ofwel het beheer van de tempel of de Romeinen die
overal in de stad hun eigen huizen hebben! Maar had één van de discipelen in de stad een dergelijk
grote zaal ter beschikking! De Duitse theoloog Olshausen, gaat ervan uit dat die samenkomst in
één van de dertig ruime kamers rond de tempel plaatsvond. Josephus beschrijft ze als “oikoi” =
“huizen.” Dr. Jos Keulers, schrijft in zijn ‘De Handelingen der Apostelen’ uit 1952: “Dat de
bovenzaal deel zou hebben uitgemaakt van de tempelgebouwen (zo Lighfoot en Holzmann), is
ondenkbaar, daar de opperpriesters dit nooit zouden hebben toegestaan.” – Commentaar bij 1:13.
Of toch gehuurd met medeweten van iemand als Nicodemus van Jeruzalem of Jozef van
Arimathea? We hebben er geen bewijs voor maar het is niet onmogelijk.

De “bovenzaal” in Handelingen

Voor Jezus' hemelvaart reisde Jezus met de “de apostelen” vanaf de Olijfberg naar de stad
Jeruzalem naar de “bovenkamer” (Handelingen 1:4). Ze verbleven daar nog. Dat is duidelijk uit
Handelingen 1:12,13: “Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg,
die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan. En toen zij in de stad gekomen waren,
gingen zij naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus en Johannes en Jakobus en
Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de
Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus.” Let dan op dit, dat de “bovenkamer” een andere Griekse
term is dan in Marcus en Lucas. De afstand die ze afleggen is naar verluidt “een sabbatsreis” ver.
Deze rabbijnse term wordt alleen deze ene keer in de Schrift gebruikt. Veel wijzer zijn we dus niet.

Een sabbatsreis was een afstand van ongeveer 2.000 armlengten of ongeveer 1.000 meter. Dat is
natuurlijk afhankelijk van de lengte van een voorarm, maar het gaat om een schatting. Josephus de
Joodse geschiedschrijver merkt op dat de afstand vanaf de Olijfberg tot Jeruzalem 5 stadiën was
(ongeveer 1.000 meter, Josephus, ‘Oudheden van de Joden’ 20.8.6 [¶ 169]) of 6 stadiën was
(ongeveer 1.200 meter, Josephus, ‘Oorlogen van de Joden’ 5.2. 3 [¶ 70]). Dus afhankelijk van
waar op de Olijfberg men gaat rekenen is die reis 1.000 of 1.200 meter. Het zal dus niet ver van de
Tempel in Jeruzalem geweest zijn dat we de bovenzaal moeten lokaliseren.

De discipelen of de vrouwen waren zeker niet rijk. Je hoort dan in vele commentaren dat de kamer
waarin zij zich bevonden volgens Handelingen 1:16 dezelfde kamer is van Handelingen 1:13 de
Pinksterdag. Die kamer zou dan ongeveer 120 mensen kunnen bevatten. Jammer genoeg loopt
men dan toch te hard van stapel. Er staat in dat vers namelijk ECHT NIET dat ze met hun allen
“in een kamer” verzameld zijn. We moeten de Bijbel laten zeggen wat er staat en niet teveel aan
toevoegen dat ons argument ondersteund. Als het dezelfde kamer is als in de evangeliën, dan is het
huis gelegen in een welvarend gebied, een supergrote kamer en duur. Wat zegt vers 15: “En in die
dagen stond Petrus op onder de broeders – en er was een groep van ongeveer honderd twintig
personen bijeen – en hij sprak.” De plaats van deze vergadering is dus niet nader genoemd!
HANDELINGEN 1 en 2: de 12 en de 120 22

Johannes Calvijn merkt hier op, dat als ze in dezelfde zaal samenkwamen als in Handelingen 1:2
men de vergadering rechtstaande heeft gehouden bij gebrek aan plaats.

Als die plaats van samenkomst in de nabijheid van de tempel is dan lijkt het evengoed, zelfs beter,
theologisch te verantwoorden. Maar waarom dan beweren dat de 120 uit Handelingen 1 ook
allemaal, tot de laatste man en vrouw, zich daar op die plaats bevonden. Dat staat er namelijk niet
en inlegkunde heeft het er van gemaakt. Hebben we daar dan iets aan? Eigenlijk niet, dan dat men
die uitleg misbruikt om Handelingen twee zaken te laten zeggen die er niet in vervat zijn!