You are on page 1of 163

DIGITALE CAMERA

http://www.olympus.com/

Beknopte handleiding Blz. 2

HANDLEIDING
Bestudeer de namen van de

HANDLEIDING
cameraonderdelen en de basisstappen
Vestiging: Wendenstrasse 14 – 18, 20097 Hamburg, Duitsland
voor fotograferen en weergeven.
Tel.: +49 40 - 23 77 3-0 / Fax: +49 40 - 23 07 61
Afleveradres goederen: Bredowstrasse 20, 22113 Hamburg, Duitsland Inhoudsopgave Blz. 20
Correspondentieadres: Postfach 10 49 08, 20034 Hamburg, Duitsland
Europese Technische klantendienst:
Bezoek ook onze homepage http://www.olympus-europa.com
of bel ons GRATIS NUMMER*: 00800 - 67 10 83 00
voor België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland,
Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland.
* Sommige (mobiele) telefoon services / providers geven geen toegang of hebben een NL
extra voorvoegsel voor +800 nummers nodig.
Voor alle Europese landen die niet vermeld werden en als u ons niet kunt bereiken
op de hierboven vermelde nummers, a.u.b. gebruik maken van de volgende
BETAALDE NUMMERS: +49 180 5 - 67 10 83 of +49 40 - 237 73 48 99.
Onze technische klantendienst is van maandag tot en met vrijdag bereikbaar
tussen 09.00 uur en 18.00 uur (MET).

Geautoriseerde dealers

Netherlands: Olympus Nederland B.V. Belgium: Olympus Belgium N.V.


Industrieweg 44 Luxemburg: Boomsesteenweg 77
2382 NW Zoeterwoude 2630 Aartselaar
Tel.: 0031 (0)71-5821888 Tel.: (03) 870 58 00
www.olympus.nl

z Voordat u uw nieuwe camera in gebruik gaat nemen, leest u eerst de paragraaf


“Veiligheidsmaatregelen“ in deze handleiding.
z Voordat u belangrijke opnamen gaat maken, doet u er goed aan eerst enkele proefopnamen te
maken teneinde u met uw camera vertrouwd te maken.
z De afbeeldingen van het scherm en de camera zijn tijdens de ontwikkeling van het toestel
vervaardigd en kunnen op kleine punten afwijken van het toestel dat u in handen hebt.
© 2007 z De inhoud van deze handleiding is gebaseerd op firmwareversie 1.0 voor deze camera. Als er
aanvullingen op en / of wijzigingen van functies hebben plaatsgevonden vanwege een firmware-
Printed in Germany · OIME · 2.51 · 10/2007 · Hab. · E0460220 update voor de camera, kan de inhoud afwijken. Kijk voor de meest actuele informatie op de
Olympus-website.
Camera
4

Flitsschoen Connector voor externe flitser


gBlz. 81, 84 gBlz. 84
Ingebouwde flitser #-knop (flitser) gBlz. 77
gBlz. 78 w-knop (flitssterkteregelaar)
gBlz. 79
LIGHT-knop
gBlz. 14 MODE-knop gBlz. 40 – 44
Bedieningspaneel < / Y / j (afstandsbediening /
gBlz. 6, 26 zelfontspanner / repeterende opnamen)
gBlz. 59 – 61
WB witbalans
gBlz. 68
AF-knop gBlz. 52
F belichtingscorrectie G-knop (belichtingsmeting) gBlz. 46
gBlz. 47 COPY / < (Kopiëren / Printen) knop
gBlz. 92, 111
ISO-knop
gBlz. 50 Oogje voor de riem gBlz. 10

Ontspanknop VIDEO OUT-connector (VIDEO OUT)


gBlz. 16, 34 gBlz. 90

USB-connector
gBlz. 112, 116

Hulpdraaiknop (k)
gBlz. 26 – 30 DC-IN-connector
(gelijkspanning)
gBlz. 133
Witbalanssensor
gBlz. 68, 107
Klepje over de connector

Preview-knop
gBlz. 45 Connector voor
afstandsbedieningskabel
Markering voor gBlz. 131
lenskoppeling
gBlz. 12 Zelfontspanner / afstandsbedienings-
LED / ontvanger van
Lensvatting afstandsbedieningssignalen
(Bij het bevestigen van de lens verwijdert u eerst gBlz. 60, 61
de beschermkap van de camera die voorkomt
dat stof en vuil kunnen binnendringen.) Lensontgrendelknop
gBlz. 12
Spiegel
Lensvergrendelingspen
#UP-knop
(flitser omhoog)
gBlz. 78

2
NL
Basisgids
Oogkapje q (Weergave)-knop
gBlz. 131 gBlz. 18, 85
Zoeker
gBlz. 5 AEL / AFL-knop gBlz. 48, 98
LCD-monitor 0 beeldbeveiliging gBlz. 93
gBlz. 8, 9, 31

Oculairsluithendel gBlz. 61 Hoofddraaiknop (j)


gBlz. 26 – 30
Dioptrie-instelknop gBlz. 14
Pendelknop (acbd)
gBlz. 29
i gBlz. 29

<-knop
gBlz. 99
P-knop (autofocusveld)
gBlz. 55

Klepje van het kaartje


gBlz. 13

Sensor voor
omgevingslicht
gBlz. 107

Namen van onderdelen en functies


S (Wis)-knop
gBlz. 18, 94

INFO-knop
(informatiedisplay)
gBlz. 31 88 xD-picture-Card-sleuf
gBlz. 13
MENU-knop
gBlz. 29

Statiefaansluiting
Uitwerpknop gBlz. 13
u-knop (Live view)
gBlz. 30
CF-kaartsleuf gBlz. 13
SSWF-indicatielampje
gBlz. 14, 129

Cameraschakelaar
Indicatie-LED Dataverkeer
gBlz. 14
gBlz. 13, 16, 118
o (beeldstabilisator)-knop
gBlz. 63 Klepje van het batterijcompartiment
gBlz. 11
Vergrendelknop van het Klepje van het geheugenkaartje
batterijcompartiment gBlz. 13
gBlz. 11

3
NL
Directe knoppen

U kunt de volgende functies instellen. Terwijl u de directe knoppen ingedrukt houdt, verdraait
u de regelknoppen.
g“Gebruik van de directe knoppen“ (Blz. 26)

Stand Fotograferen MODE Witbalans WB gBlz. 68


gBlz. 40 – 44 j/k
j
WB-correctie WB + F
gBlz. 69
Afstandsbediening / zelfontspanner / j/k
repeterende opnamen < / Y / j
gBlz. 59 – 61 WB-bracketing WB + MODE
k gBlz. 71
j/k
Flitserfunctie # gBlz. 77
j Belichtingscorrectie F gBlz. 47
j/k
Flitssterkteregelaar w gBlz. 79
k
Hulpdraaiknop

Reset F + ISO gBlz. 33


j/k

ISO-waarde ISO gBlz. 50


j/k

Hoofddraaiknop

Beeldstabilisator o gBlz. 63
j/k

Belichtingsmeting G gBlz. 46 Autofocusveld P


k gBlz. 55
k

Autofocusstand AF gBlz. 52
j

AE-bracketing MODE + AF gBlz. 48


j/k

4
NL
Zoeker

Basisgids
Spotmeetgebied gBlz. 46
Autofocusveld
gBlz. 55

Diafragmawaarde Stand Fotograferen


gBlz. 40 – 43 gBlz. 40 – 45

Sluitertijd Aantal repeterende beelden


gBlz. 40 – 43 dat kan worden opgeslagen
gBlz. 59

Super FP-flitser
gBlz. 81 Beeldstabilisator
gBlz. 63

ISO-waarde
Lichtmeetstand gBlz. 50
gBlz. 46

Namen van onderdelen en functies

Witbalans
(Verschijnt bij een andere
instelling dan Auto bracketing
automatische witbalans.) gBlz. 48, 51, 71, 80
gBlz. 67
ISO-waarde
gBlz. 50
AE-lock gBlz. 48
Batterijcontrole
Regelen van de gBlz. 14
flitssterkte
gBlz. 79
Belichtingsmeter gBlz. 43
AF-teken Belichtingscorrectie-indicatie gBlz. 47
gBlz. 16, 58

Flitser gBlz. 78
(knippert: bezig met opladen, blijft continu zichtbaar: laden is klaar)

5
NL
Bedieningspaneel

Stand AF Belichtingsmeter gBlz. 43


gBlz. 52 Belichtingscorrectie-indicatie gBlz. 47

Auto bracketing Lichtmeetfunctie


gBlz. 48, 51, 71, 80 gBlz. 46

ISO-waarde Beeldkwaliteit
gBlz. 50 gBlz. 65

Stand Fotograferen Witbalans


gBlz. 40 – 45 gBlz. 67, 69

Beeldeffect (monochroom)
gBlz. 72

Flitserfunctie
gBlz. 75
Batterijcontrole
Sluitertijd gBlz. 14
gBlz. 40 – 43
Beeldstabilisator
Repeterende opnamen gBlz. 63
gBlz. 59
Ruisonderdrukking gBlz. 74

Zelfontspanner Autofocusveld
gBlz. 60 gBlz. 55

Diafragmawaarde
Aantal stilstaande beelden
gBlz. 40 – 43
dat kan worden opgeslagen
Afstandsbediening gBlz. 141
gBlz. 61

6
NL
Superbedieningspaneel

Basisgids
Op het onderstaande scherm, het superbedieningspaneel, kunt u de fotografeerinstellingen
niet alleen bekijken, maar ook aanpassen. Druk op de INFO-knop om op de LCD-monitor het
superbedieningspaneel op te roepen. g“Het superbedieningspaneel gebruiken“ (Blz. 28)
Mijn eigen instellingen Sluitertijd gBlz. 40 – 43
gBlz. 44
Belichtingscorrectie-indicatie gBlz. 47
Opladen van de flitser Belichtingsmeter gBlz. 43
gBlz. 78 Flitssterkte-indicatie gBlz. 79

RC-flitsstand m gBlz. 82
Super FP flash 1 gBlz. 81
Batterijcontrole
Auto bracketing 0
gBlz. 14
gBlz. 48, 51, 71, 80
Beeldstabilisator H, I gBlz. 63
Stand Fotograferen Ruisonderdrukking O gBlz. 74
gBlz. 40 – 44 AF-hulpverlichting T gBlz. 96
Waarschuwing interne temperatuur m
gBlz. 127

Datum gBlz. 15
Diafragmawaarde gBlz. 40 – 43

Belichtings-

250 F5.6 correctiewaarde


gBlz. 47

+2.0 Belichtingsniveau
gBlz. 43
RC FP BKT
2007. 12.16
Namen van onderdelen en functies
IS 1 NR AF
Beeldeffect
gBlz. 72

arge Kleurruimte
Normal gBlz. 104

Kaartje gBlz. 132 Beeldkwaliteit Aantal stilstaande beelden dat kan


gBlz. 65 worden opgeslagen gBlz. 141

Autofocusstand (AF) Scherpte N gBlz. 72


gBlz. 52 Contrast J gBlz. 72
Autofocusveld gBlz. 55 Kleurintensiteit T gBlz. 72
Flitssterkteregelaar gBlz. 79 Gradatie z gBlz. 73
Z&W-filter x gBlz. 72
Flitserfunctie gBlz. 75 Fototint y gBlz. 72

Afstandsbediening / Zelfontspanner / Repeterende


opnamen gBlz. 59 – 61
Lichtmeetstand gBlz. 46
ISO-waarde gBlz. 50

Witbalans, witbalanscorrectie De functies binnen dit kader kunt u instellen op


gBlz. 67, 69
het superbedieningspaneel.

7
NL
LCD-monitor (Live view)

Op de LCD-monitor kunt u naast de instellingen ook het zoekerbeeld bekijken (Live view). Druk
op de knop u om Live view te activeren. g“Live view gebruiken“ (Blz. 30)
Lichtmeetfunctie
Diafragmawaarde gBlz. 46
gBlz. 40 – 43
Sluitertijd Flitserfunctie
gBlz. 40 – 43 gBlz. 75
Beeldstabilisator
Uitgangspositie p gBlz. 57 gBlz. 63
RC-flitsstand q gBlz. 82
Flitssterkteregelaar r Flitser gBlz. 78
gBlz. 80 (knippert: bezig met opladen,
Super FP-flitsstand s blijft continu zichtbaar:
gBlz. 81 laden is klaar)
Auto bracketing t
gBlz. 48, 51, 71, 80 Belichtingscorrectiew
AE-lock u, gBlz. 48 aarde gBlz. 47

Stand Fotograferen
gBlz. 40 – 44 AF-teken
gBlz. 31, 58
Batterijcontrole
gBlz. 14

250 F5.6 +2.0


HP RC FP BKT AEL IS 1

WB
AUTO

ISO
AUTO
LN
38
Autofocusveld gBlz. 55 Kaartje gBlz. 132
Histogram Aantal stilstaande beelden dat
gBlz. 125 kan worden opgeslagen
gBlz. 141
Spotmeetgebied Beeldkwaliteit
gBlz. 46 gBlz. 65

ISO-waarde
Waarschuwing interne temperatuur
gBlz. 50
gBlz. 127
Repeterende opnamen gBlz. 59
Zelfontspanner gBlz. 60
Mijn eigen instellingen
Afstandsbediening gBlz. 61
gBlz. 44

Witbalans
gBlz. 67

8
NL
LCD-monitor (weergave)

Basisgids
U kunt het monitorbeeld omschakelen met de knop INFO.
g“Informatiedisplay“ (Blz. 88)
Beeldkwaliteit gBlz. 65 Scherpstelafstand gBlz. 134
(De scherpstelafstand wordt in eenheden van 1 mm
weergegeven.)

Batterijcontrole gBlz. 14
Stand Fotograferen
gBlz. 40 – 44

Kaartje gBlz. 132


Diafragmawaarde
gBlz. 40 – 43

Printreservering
Aantal prints Sluitertijd
gBlz. 109 gBlz. 40 – 43

Beveiligen Belichtingscorrectie
gBlz. 93 gBlz. 47

x10
LN [3648x2736,1/8] 1/250 F5.6
+2.0 45mm
ISO 100
0.0
Namen van onderdelen en functies
WB : AUTO A : 0
G: 0
NATURAL
’07.12.16 21:56 sRGB
100-0015 15 LN
Informatie over enkelbeeldweergave Opnamegegevens
Beeldkwaliteit
gBlz. 65
Bestandsnummer Beeldnummer
gBlz. 88 gBlz. 88

Kleurruimte
Datum en tijd gBlz. 104
gBlz. 15
Beeldeffecten
gBlz. 72
Autofocusveld gBlz. 55

Witbalanscorrectie
gBlz. 69
Histogram gBlz. 88
Regelen van de flitssterkte
gBlz. 79
Lichtmeetstand gBlz. 46
ISO-waarde
Witbalans gBlz. 67 gBlz. 50

9
NL
Het uitpakken van de doos

Bij de camera worden de volgende onderdelen meegeleverd.


Als er een onderdeel ontbreekt of beschadigd is, neemt u contact op met de dealer waarbij u de
camera hebt gekocht.

Camera Beschermkap van Camerariem BLM-1 lithium-ionbatterij


de camera

BCM-2 lithium-ionlaadapparaat USB-kabeltje Videokabel

OLYMPUS Master 2 Handleiding Garantiekaart


CD-ROM

Camerariem bevestigen

2
3

Breng de camerariem aan Trek de camerariem tenslotte Maak het andere uiteinde
zoals aangegeven door de strak om er zeker van te zijn dat van de camerariem op
pijlen (1, 2). deze goed vastzit (3). dezelfde manier vast aan
het andere bevestigingsoog.

10
NL
De batterij gereedmaken voor gebruik

Basisgids
Verwijder de beschermkap van
1 Batterij opladen de batterij.

Indicator voor laadtoestand BLM-1 lithium-


W ionbatterij
Rood licht: Bezig met opladen
Groen licht: Opladen voltooid.
(laadtijd: ca. 5 uur)

BCM-2 lithium-
ionlaadapparaat

Lichtnetkabeltje

Plaats de batterij zoals de pijl aangeeft. Stopcontact

2 Batterij inzetten

2 Klepje van het


Positionerings-
W

batterijcompartiment
3 markering

Vergrendelknop van het


batterijcompartiment Voorbereidingen voor het fotograferen

3 Sluit het klepje van het batterijcompartiment en schuif de vergrendelknop


naar E

Batterijvergrendeling

Batterij uitnemen

Druk op de batterijvergrendeling
om de batterij te ontgrendelen.
Houd de camera ondersteboven
om de batterij te verwijderen.

Wij raden u aan een reservebatterij bij de hand te houden voor als u langer door wilt gaan met
fotograferen en de gebruikte batterij leeg raakt.

11
NL
Een lens op de camera bevestigen

1 Verwijder de beschermkap van de camera Beschermkap van de camera


en de achterkap van de lens

Achterkap van de lens

2 2
1

2 Een lens op de camera bevestigen

• Houd de rode koppelingsmarkering op Markering voor


de lens tegenover de rode markering Koppelingsmarkering (rood) lenskoppeling (rood)
op de camera, en steek de lens in het
camerahuis (1).
• Draai de lens in de richting van de pijl
tot u een klik hoort (2).

Druk de lensontgrendelknop niet in. 1

3 Verwijder het lenskapje 3


(3, 4) 4
Lenskapje

De lens uit de camera verwijderen

Terwijl u de lensontgrendelknop (1) ingedrukt houdt,


draait u de lens in de richting van de pijl (2). 2

Lensontgrendelknop

12
NL
Het kaartje plaatsen

Basisgids
CompactFlash / Microdrive xD-Picture Card

Verschuif de vergrendeling van het Verschuif de vergrendeling van het


kaartsleufklepje (1) en open het klepje. kaartsleufklepje (1) en open het klepje.
Steek het contactvlak van het kaartje zo ver Steek het kaartje zover in de kaartsleuf totdat
mogelijk in de sleuf (2). het op zijn plaats klikt (2).
Klepje van het kaartje

2 2
1 1

CF-kaartsleuf W-markering xD-picture-Card-sleuf

Open het klepje van het kaartje nooit als de


Geheugenkaartje verwijderen indicatie-LED Dataverkeer knippert.

Voorbereidingen voor het fotograferen

CompactFlash / Microdrive xD-Picture Card

• Druk de uitwerpknop helemaal in om het • Druk zachtjes op het geplaatste kaartje en


kaartje uit te werpen. het springt eruit.
• Neem de kaart eruit. • Neem de kaart eruit.

Uitwerpknop Indicatie-LED Dataverkeer

13
NL
Camera inschakelen

1 Zet de cameraschakelaar op ON
• Om de camera uit te schakelen, zet u de cameraschakelaar op OFF.

Bedieningspaneel
LIGHT-knop Zodra u de camera inschakelt,
verschijnt de batterijcontrole-
Om de verlichting van het
indicatie op het
bedieningspaneel in- en uit te schakelen.
bedieningspaneel.

Licht continu op (klaar voor gebruik)

Knippert (moet worden opgeladen)

Cameraschakelaar

SSWF-indicator

Automatische stofreductie
Zodra u de camera inschakelt, wordt automatisch de functie stofreductie geactiveerd. Hierbij wordt met
behulp van ultrasone trillingen stof en vuil verwijderd van het filteroppervlak van het
beeldopneemelement. Tijdens deze reiniging knippert het SSWF-lampje (Super Sonic Wave Filter).

Dioptrie van de zoeker instellen


Zoeker

Stel de dioptrie van de zoeker in volgens


uw wensen.
Terwijl u door de zoeker kijkt, verdraait
u langzaam de dioptrieregelaar.
Zodra u het autofocusveld goed en scherp
kunt zien, bent u klaar.

Dioptrieregelaar Autofocusveld

14
NL
Datum en tijd instellen

Basisgids
Informatie over datum en tijd worden samen met de beelden
opgeslagen op het kaartje. De bestandsnaam is ook inbegrepen bij
de informatie over datum en tijd. Zorg ervoor dat u de juiste datum
en tijd instelt voor u de camera gebruikt.

1 Druk op de knop MENU Pendelknop


acbd
• Het menuscherm verschijnt op de LCD-monitor.

CARD SETUP MENU knop


CUSTOM RESET
PICTURE MODE
GRADATION NORM 5 Herhaal deze procedure tot u datum
N en tijd volledig heeft ingesteld
WB AUTO
CANCEL SELECT GO

2 Selecteer met ac de optie Y M D TIME


[Z] en druk daarna op d 2007 12 01 14 00 Y/M/D

’--.--.--
--:--
CANCEL GO
CF/xD CF
EDIT FILENAME
• De tijd verschijnt in 24-uurs formaat.
AUTO
ENG. 6 Selecteer met ac het

Voorbereidingen voor het fotograferen


VIDEO OUT NTSC datumformaat
CANCEL SELECT GO

3 Selecteer met ac de optie


[X] en druk daarna op d Y M D TIME
2007 12 01 14 00 Y/M/D

Y M D TIME CANCEL GO
Y/M/D
7 Druk op knop i
CANCEL
’07.12.01

4 Selecteer met ac de optie CF/xD


14:01
CF
[Y] en druk daarna op d EDIT FILENAME
AUTO
ENG.
VIDEO OUT NTSC
Y M D TIME CANCEL SELECT GO
2007 Y/M/D
8 Druk op de knop MENU
om het menu te verlaten
CANCEL

15
NL
Fotograferen

Zoeker Ontspanknop
1 Kijk door de zoeker en richt het
autofocusveld op het onderwerp

2 Stel scherp Dataverkeer-


LED

Druk de ontspanknop
half in.

Zoeker

Autofocusveld

Bedieningspaneel
Diafragma-
waarde

AF-teken Sluitertijd

• De scherpstelling is vastgezet als u een pieptoon hoort. Het AF-teken en en het autofocusveld
verschijnen in de zoeker.
• De door de camera automatisch gekozen combinatie van sluitertijd en diafragmawaarde
verschijnt.
• Het superbedieningspaneel verdwijnt zodra u de ontspanknop indrukt.

3 Maak de foto door de sluiter te ontspannen

Druk de ontspanknop helemaal in


(tot aan de aanslag).

• Het sluitergeluid klinkt en de foto wordt gemaakt.


• De indicatie-LED Dataverkeer knippert en de camera begint de foto op te nemen.

Zolang de dataverkeer-LED knippert, mag u de batterij of het kaartje beslist niet verwijderen. Doet
u dat toch, dan kunnen daardoor de opgeslagen beelden verloren gaan of kan dat verhinderen dat
de zojuist door u gemaakte foto’s worden opgeslagen.

16
NL
Basisgids
Vasthouden van de camera

Zorg dat u uw vingers en de


camerariem niet voor de lens, de
flitser en de witbalanssensor houdt.

Horizontale stand Verticale


stand

Het is mogelijk om de LCD-monitor als zoeker te gebruiken


Fotograferen en de compositie van het onderwerp te controleren, of om
terwijl u op de LCD- te fotograferen terwijl u een vergrote weergave op de
monitor kijkt LCD-monitor bekijkt.
g“Live view gebruiken“ (Blz. 30)

Ontspanknop
1 Druk op de knop u
(Live view)

• Het onderwerp wordt


weergegeven op de monitor.

Voorbereidingen voor het fotograferen


250 F5.6

u-knop

LN
38 2 Druk de ontspanknop
helemaal in

• De foto wordt gemaakt met scherpstelling.

Als de camera stopt te werken


Als de camera gedurende ongeveer 8 seconden niet bediend wordt terwijl de camera aan
staat, dooft de achtergrondverlichting van de monitor om de batterijen te sparen (als het
superbedieningspaneel verlicht wordt). Als daarna ongeveer een minuut lang geen
bediening plaatsvindt, schakelt de camera naar de sluimerstand (stand-by) en stopt te
werken. De camera wordt weer geactiveerd zodra u een van de knoppen indrukt
(ontspanknop, pendelknop, enz.).
g“BACKLIT LCD (timer achtergrondverlichting)“ (Blz. 101), “SLEEP“ (Blz. 101)

17
NL
Weergeven / Wissen

Als u op knop q (weergeven) drukt, verschijnt de


Beelden laatstgemaakte foto.
weergeven

Toont het beeld dat 10 opnamen geleden


q-knop is opgeslagen

Het vorige Geeft het


beeld volgende
verschijnt beeld weer
Pendelknop

Toont het beeld dat 10 opnamen later is opgeslagen

Telkens als u de hoofddraaiknop naar U draait, wordt het beeld


Close-up vergroot in stappen van 2x tot 14x.
weergeven

Hoofddraaiknop

Geef het beeld weer dat u wilt wissen en druk op knop S.


Selecteer met ac de optie [YES] en druk op knop i om het
Beelden wissen wissen te starten.

ERASE

YES
NO
CANCEL SELECT GO
S-knop

18
NL
Indicaties die in deze handleiding
gebruikt worden

Basisgids
In deze handleiding wordt met j de hoofddraaiknop op de achterzijde van de camera
bedoeld.
In deze handleiding verwijst k naar de hulpdraaiknop op de voorzijde van de camera.
De knoppictogrammen in deze handleiding verwijzen naar de pictogrammen op het
camerahuis. Zie “Namen van onderdelen en functies“ (gBlz. 2).
In deze handleiding worden overal de volgende symbolen toegepast.

Belangrijke informatie over factoren die tot storingen of problemen


x Opmerkingen bij de bediening kunnen leiden. Daaronder ook waarschuwingen
voor handelingen die u absoluut dient te voorkomen.

Handige informatie en tips voor een optimaal gebruik van uw


 TIPS camera.

g Verwijzingen naar pagina's met details of relevante informatie.

Zo maakt u optimaal gebruik van deze handleiding

Voor het zoeken naar informatie over de functies en knoppen van deze camera kunt u de
“Inhoudsopgave“ (Blz. 20), de “Index“ (Blz. 161) of de onderstaande verwijzingen raadplegen.
Zoek aan de hand van de situatie waarbij u foto's wilt maken de gewenste informatie op in deze

Voorbereidingen voor het fotograferen


handleiding.

Voor informatie over mogelijke fotografeerfuncties:


g“Fotogidsen“ (Blz. 34)
Voor informatie over de bediening van de camera:
g“Gebruik van de directe knoppen“ (Blz. 26)
“Het superbedieningspaneel gebruiken“ (Blz. 28)
“Gebruik van het menu“ (Blz. 29)
Voor het opzoeken van een functie in een lijst:
g“Menulijst“ (Blz. 143)
“Index“ (Blz. 161)

19
NL
Inhoudsopgave

Basisgids 2
Lijst met de namen van de cameraonderdelen en de basisstappen voor fotograferen en
weergeven.
Namen van onderdelen en functies ............................................................................................2
Camera .....................................................................................................................2
Directe knoppen........................................................................................................4
Zoeker.......................................................................................................................5
Bedieningspaneel .....................................................................................................6
Superbedieningspaneel ............................................................................................7
LCD-monitor (Live view) ...........................................................................................8
LCD-monitor (weergave)...........................................................................................9
Het uitpakken van de doos .....................................................................................10
Voorbereidingen voor het fotograferen ..................................................................................... 11
De batterij gereedmaken voor gebruik.................................................................... 11
Een lens op de camera bevestigen.........................................................................12
Het kaartje plaatsen ................................................................................................13
Camera inschakelen ...............................................................................................14
Datum en tijd instellen.............................................................................................15
Fotograferen ...........................................................................................................16
Weergeven / Wissen...............................................................................................18
Indicaties die in deze handleiding gebruikt worden ................................................19

1 Basisfuncties van de camera 26


Hier worden de basisfuncties van de camera beschreven.
De directe knoppen gebruiken ..................................................................................................26
Het superbedieningspaneel gebruiken .....................................................................................28
Het menu gebruiken .................................................................................................................29
Live view gebruiken ..................................................................................................................30
Het informatiedisplay omschakelen ........................................................................31
Bediening met vergrote weergave ..........................................................................32
De standaardinstellingen af fabriek terugzetten........................................................................32

2 Fotogidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen 34


Hier worden de fotografeermethodes voor diverse opnamesituaties beschreven.
Gidsen voor basisfuncties.........................................................................................................34
Scherpstellen – De ontspanknop bedienen ............................................................34
Helderheid – Belichtingscorrectie ...........................................................................35
Kleur – Witbalans....................................................................................................35
Handige instellingen – Functies aanpassen ...........................................................36
Een gids voor functies voor verschillende onderwerpen ..........................................................36
Landschapsfoto's nemen ........................................................................................36
Bloemen fotograferen .............................................................................................37
Nachtopnamen maken............................................................................................39

20
NL
3 Belichting 40
Hier worden de belichtingsfuncties beschreven die belangrijk zijn bij het fotograferen.
Deze functies dienen voor het bepalen van de diafragmawaarde, de sluitertijd en andere
instellingen aan de hand van het meten van de helderheid van het beeld.
Programmagestuurd fotograferen.............................................................................................40
Diafragmavoorkeuze.................................................................................................................41
Sluitertijdvoorkeuze .................................................................................................................42
Handmatig fotograferen (Manual) .............................................................................................43
Tijdopnamen .............................................................................................................................44
Fotograferen met My Mode-instellingen ...................................................................................44
Groothoek- en macro-onderwateropnamen..............................................................................45
Preview-functie .........................................................................................................................45
Lichtmeetmethode wijzigen ......................................................................................................46
Belichtingscorrectie...................................................................................................................47
AE-lock .....................................................................................................................................48
AE bracketing (belichting variëren) ...........................................................................................48
ISO-waarde instellen ................................................................................................................50
ISO-bracketing ..........................................................................................................................51

4 Scherpstellen fotografeerfuncties 52
Hier worden de scherpstelmethodes beschreven die bij diverse onderwerpen en
omstandigheden het meest geschikt zijn.
Autofocusstand selecteren .......................................................................................................52
S-AF (één keer scherpstellen) ................................................................................53
C-AF (continu scherpstellen) ..................................................................................53
MF (handmatig scherpstellen) ................................................................................54
De methoden S-AF en MF gelijktijdig gebruiken (S-AF+MF)..................................54
De methoden C-AF en MF gelijktijdig gebruiken (C-AF+MF) .................................54
Autofocusveld selecteren..........................................................................................................55
Een bepaald autofocuspunt vastleggen..................................................................57
Scherpstelgeheugen – Als scherpstellen op het onderwerp niet lukt .......................................58
Repeterende opnamen .............................................................................................................59
Fotograferen met de zelfontspanner.........................................................................................60
Fotograferen met de afstandsbediening ...................................................................................61
Anti-shock .................................................................................................................................63
Beeldstabilisator .......................................................................................................................63
Het effect van beeldstabilisator controleren met Live view .....................................64

21
NL
5 Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect 65
Beschrijving van de beeldinstelfucties bij digitale camera's
De beeldkwaliteit selecteren .....................................................................................................65
Opnameformaten ....................................................................................................65
De beeldkwaliteit selecteren ...................................................................................66
Witbalans selecteren ................................................................................................................67
Auto / Preset / Custom WB instellen.......................................................................68
Witbalanscorrectie ..................................................................................................69
De one-touch witbalans instellen (witbalans met één knop) ...................................70
WB bracketing (witbalans variëren) .........................................................................................71
Beeldeffecten ............................................................................................................................72
Gradatie ....................................................................................................................................73
Ruisonderdrukking ....................................................................................................................74
Ruisfilter....................................................................................................................................74

6 Flitsopnamen 75
Hier wordt beschreven hoe u kunt fotograferen met de ingebouwde of een externe flitser.
Flitserfunctie instellen ...............................................................................................................75
Fotograferen met de ingebouwde flitser ...................................................................................78
Regelen van de flitssterkte........................................................................................................79
Flash bracketing (flitssterkte variëren) ......................................................................................80
Fotograferen met een externe flitser.........................................................................................80
Gebruik van een externe elektronenflitser ..............................................................81
Super FP-flitser .......................................................................................................81
Fotograferen met het draadloze Olympus RC-flitssysteem ......................................................82
Gebruik van andere in de handel verkrijgbare flitsers...............................................................84
In de handel verkrijgbare flitsers die niet speciaal voor deze camera
zijn bedoeld ........................................................................................................84

7 Weergavefuncties 85
Beschrijft hoe u de gemaakte opnames kunt weergeven.
Enkel beeld / Gezoomd weergeven ..........................................................................................85
Lichtbakweergave.....................................................................................................................86
Indexweergave / Kalenderweergave ........................................................................................87
Informatiedisplay.......................................................................................................................88
Diashow ....................................................................................................................................89
Beelden roteren ........................................................................................................................89
Weergave op televisie...............................................................................................................90
Stilstaande beelden bewerken ..................................................................................................91
Beelden kopiëren ......................................................................................................................92
Beelden beveiligen ...................................................................................................................93
Beelden wissen.........................................................................................................................94

22
NL
8 De camera volgens uw wensen instellen 96
Beschrijft hoe u de camerainstellingen kunt aanpassen aan uw eigen wensen.
Custom Menu 1 ........................................................................................................................96
a AF / MF (autofocus / handmatig scherpstellen) ...................................................................96
AF ILLUMINAT. (hulplicht bij AF-scherpstellen) ......................................................96
FOCUS RING (scherpstelring)................................................................................96
C-AF LOCK (vergrendelde continue AF) ................................................................96
AF AREA POINTER (AF-scherpstelindicatie).........................................................96
AF SENSITIVITY (autofocustolerantie)...................................................................96
P SET UP (instelling)..........................................................................................97
RESET LENS (lens resetten)..................................................................................97
BULB FOCUSING (scherpstellen tijdens tijdopnamen) ..........................................97
b BUTTON / DIAL (knop / regelaar) ........................................................................................97
DIAL (regelaar) .......................................................................................................97
AEL / AFL (belichtings- / AF-scherpstelvergrendeling) ...........................................98
AEL / AFL MEMO (AEL / AFL vasthouden) ............................................................99
; FUNCTION ......................................................................................................99
MY MODE SETUP (MY MODE instellen) .............................................................100
BUTTON TIMER (knoptimer)................................................................................100
A .................................................................................................................100
c RELEASE / j (ontspanknopprioriteit) .............................................................................101
RLS PRIORITY S / RLS PRIORITY C (ontspanknopprioriteit S-AF / C-AF).........101
O fps (beelden per seconde) ...........................................................................101
d DISP / 8 / PC...................................................................................................................101
8 .........................................................................................................................101
SLEEP (sluimerstand)...........................................................................................101
BACKLIT LCD (timer displayverlichting) ...............................................................101
4 h TIMER (timer, na 4 uur automatisch uitschakelen) .........................................101
USB MODE (USB-functie) ....................................................................................102
LIVE VIEW BOOST (helderheid Live view-scherm verhogen) .............................102
FRAME ASSIST (hulplijnweergave) .....................................................................102
e EXP / e / ISO .................................................................................................................103
EV STEP (waarde EV-stap) ..................................................................................103
ISO STEP (waarde ISO-stap) ...............................................................................103
ISO-AUTO SET (ISO-AUTO instellen)..................................................................103
ISO-AUTO.............................................................................................................103
AEL-belichtingsmeting ..........................................................................................103
BULB TIMER (timer voor tijdopnamen) ................................................................103
f # CUSTOM.......................................................................................................................103
#X-SYNC (flitssynchronisatie) ............................................................................103
#SLOW LIMIT (ondergrens flitssynchronisatie)...................................................103
w+F...................................................................................................................104
g K / COLOR / WB.............................................................................................................104
ALL (alles) > ..................................................................................................104
COLOR SPACE (kleurenpalet) .............................................................................104
SHADING COMP. (donkere beeldhoeken corrigeren) .........................................104
K SET (beeldinstellingen) ..................................................................................105
PIXEL COUNT (aantal pixels)...............................................................................105
h RECORD / ERASE (opnemen / wissen)............................................................................105
QUICK ERASE (onmiddellijk wissen) ...................................................................105
RAW+JPEG ERASE (RAW + JPEG wissen)........................................................105
FILE NAME (bestandsnaam) ................................................................................106

23
NL
PRIORITY SET (prioriteit instellen).......................................................................106
dpi SETTING (dpi instellen) ..................................................................................106
i K UTILITY (hulpmiddelen) ..............................................................................................107
EXT. WB DETECT (andere witbalans detecteren)................................................107
Custom Menu 2 ......................................................................................................................107
CF / xD (geheugenkaarten) ..................................................................................107
EDIT FILENAME (bestandsnaam bewerken) .......................................................107
s (helderheid van de monitor aanpassen) ........................................................107
W (taal voor de monitor wijzigen)....................................................................107
VIDEO OUT (videostandaard instellen) ................................................................108
REC VIEW (instelling beeldcontrole na de opname) ............................................108
FIRMWARE ..........................................................................................................108

9 Printen 109
Beschrijft hoe u uw foto's kunt printen.
Printreservering (DPOF) .........................................................................................................109
Printreservering.....................................................................................................109
Enkel beeld reserveren .........................................................................................109
Alle beelden reserveren ........................................................................................ 110
Annuleren van de printreserveringsgegevens ...................................................... 111
Direct printen (PictBridge)....................................................................................................... 111
Camera aansluiten op een printer......................................................................... 112
Eenvoudig printen ................................................................................................. 112
Printen volgens de specificatie van de klant ......................................................... 113

10 Gebruik van de OLYMPUS Master software 115


Beschrijft hoe u de beelden van de camera naar uw computer overbrengt en ze daar
opslaat.
Werkvolgorde.......................................................................................................................... 115
Gebruik van de OLYMPUS Master-software .......................................................................... 115
Wat is OLYMPUS Master?.................................................................................... 115
De camera aansluiten op een computer................................................................................. 116
De OLYMPUS Master software activeren............................................................................... 117
In de camera opgeslagen beelden weergeven op een computer ........................................... 117
Beelden downloaden en opslaan.......................................................................... 117
Camera loskoppelen van de computer ................................................................. 118
Stilstaande beelden bekijken .................................................................................................. 119
Als u meer talen nodig heeft ................................................................................................... 119
Beelden overbrengen naar uw computer zonder OLYMPUS Master te gebruiken.................120

24
NL
11 Fotografeertips en onderhoud 121
Raadpleeg deze paragraaf voor het verhelpen van storingen en het onderhouden van de
camera.
Fotografeertips en -gegevens .................................................................................................121
Tips voordat u gaat fotograferen ...........................................................................121
Fotografeertips......................................................................................................122
Aanvullende fotografeertips en -gegevens ...........................................................124
Weergavetips ........................................................................................................126
Bekijken van foto's op een computer ....................................................................126
Foutcodes ...............................................................................................................................126
Onderhoud van de camera .....................................................................................................129
Reinigen en opbergen van de camera..................................................................129
Reinigingsfunctie – Stof verwijderen .....................................................................130
Pixel mapping – Controleren van de beeldbewerkingsfuncties ............................130

12 Informatie 131
Raadpleeg deze paragraaf voor informatie over leverbare accessoires, cameraspecificaties
en andere nuttige informatie over het fotograferen.
De belangrijkste leverbare accessoires ..................................................................................131
Info over het kaartje ................................................................................................................132
Toepasbare geheugenkaartjes..............................................................................132
Het geheugenkaartje formatteren .........................................................................133
Batterij en laadapparaat..........................................................................................................133
Lichtnetadapter .......................................................................................................................133
Uw laadapparaat in het buitenland gebruiken.........................................................................134
Verwisselbare lenzen ..............................................................................................................134
ZUIKO DIGITAL verwisselbare lens......................................................................134
ZUIKO DIGITAL – lensspecificaties ......................................................................135
Lijndiagram van het programma (P-stand).............................................................................136
Flitssynchronisatie en sluitertijd ..............................................................................................137
Waarschuwingsindicatie belichting .........................................................................................137
Flitsafstand..............................................................................................................................138
Vignettering bij flitsen met de ingebouwde flitser en een verwisselbare lens .........................138
Beschikbare flitsstanden in de diverse fotografeerstanden ....................................................139
Witbalans en kleurtemperatuur ...............................................................................................140
Beeldkwaliteit en bestandsgrootte / het aantal foto's dat kan worden opgeslagen.................141
Programmeerbare functies in My Mode en Uw eigen reset-instelling ....................................142
Menulijst..................................................................................................................................143
Begrippenlijst ..........................................................................................................................146
Technische gegevens .............................................................................................................149
Volgorde E-systeem................................................................................................................152
VEILIGHEIDSMAATREGELEN ..............................................................................................154
Index .......................................................................................................................................161

25
NL
1 Basisfuncties van de camera

U kunt de functies van deze camera op drie manieren instellen.


Het gebruik van de directe knoppen bij het bedienen van de camera Blz. 26
U kunt de functie-instellingen aanpassen door de hoofd- of hulpdraaiknop te verdraaien terwijl u
de directe knoppen ingedrukt houdt die aan een functie zijn toegewezen. Dit is handig als u de
camera bedient terwijl u door de zoeker kijkt, en ook om de camera snel te bedienen terwijl u
de instellingen op het bedieningspaneel controleert.
1 Instellen terwijl u op het superbedieningspaneel kijkt Blz. 28
U kunt de functies instellen terwijl de LCD-monitor het superbedieningspaneel weergeeft. Op
Basisfuncties van de camera

het superbedieningspaneel kunt u de huidige instellingen bekijken en onmiddellijk aanpassen.


Instellen in het menu Blz. 29
In het menu kunt u de fotografeer- en weergave-instellingen kiezen en de camerafuncties naar
wens aanpassen.
Beschrijvingen in deze handleiding

De gebruiksaanwijzingen van de directe knoppen, het superbedieningspaneel en het menu


worden in deze handleiding als volgt beschreven.
• “+“ geeft handelingen aan die tegelijkertijd worden uitgevoerd.
• ““ geeft aan dat u moet doorgaan met de volgende stap.
bijv.: bij het instellen van de lichtmeetmethode

Directe knop G+k

Superbedieningspaneel ip: [METERING]

Menu MENU[X][METERING]

Gebruik van de directe knoppen


U kunt de directe knoppen op twee manieren gebruiken.
Terwijl u een directe knop ingedrukt houdt,
verdraait u de hoofd- of hulpdraaiknop. Hulpdraaiknop
• Zodra u de directe knop loslaat, is de functie ingesteld.
• Sommige functies kunt u alleen met de hoofddraaiknop
(of met de hulpdraaiknop) instellen.

Hoofddraaiknop

26
NL
• De drie knoppen bij de flitser hebben elk twee
functies. Gebruik de hoofddraaiknop om de functies
in te stellen die bóven deze knoppen staan
aangegeven, en gebruik de hulpdraaiknop voor de
functies die náást de knoppen staan aangegeven.

Basisfuncties van de camera


Zodra u twee directe knoppen tegelijkertijd
hebt ingedrukt, verdraait u de hoofd- of
hulpdraaiknop.
• Zodra u de toetsen indrukt, wordt de bijbehorende
functie geselecteerd. Deze functie blijft ongeveer
8 seconden lang geselecteerd. Binnen die tijd
moet u de functie instellen met de draaiknop. Als
u gedurende die tijd de draaiknop niet bedient, wordt
de bestaande instelling voor die functie vastgelegd.

Terwijl u een functie instelt, verschijnt informatie over de instelling in de zoeker en ook
op het bedieningspaneel en het superbedieningspaneel. (In de onderstaande
screenshots is de instelling met knop G / AF afgebeeld.)

Zoeker
2007. 12.16 NR AF

arge
Normal
Bedieningspaneel Superbedieningspaneel

 TIPS
Als u het moeilijk vindt om de draaiknop te verdraaien terwijl u een directe toets
ingedrukt houdt:
j De knop blijft geactiveerd, ook laat u deze los. g“BUTTON TIMER“ (Blz. 100)

Voor details over de functies die met de directe knoppen kunnen worden vastgelegd,
zie “Directe knoppen“ (gBlz. 4).

27
NL
Het superbedieningspaneel gebruiken
Selecteer een functie op het superbedieningspaneel en verander de instelling.
1 Druk op de INFO-knop om op de LCD-monitor Hulpdraaiknop
het superbedieningspaneel op te roepen.
• Om het superbedieningspaneel uit te schakelen,
drukt u nogmaals op de INFO-knop.
• Om tijdens Live view het superbedieningspaneel
op te roepen, drukt u op knop i.
1 Hoofddraaiknop
Basisfuncties van de camera

2007. 12.16 NR AF

INFO-knop i-knop
p Pendelknop

arge
Normal

2 Druk op knop i. 3 Met p verplaatst u de cursor naar de


• Op het superbedieningspaneel verschijnt functie die u wilt instellen.
de cursor.

ISO METERING

arge arge
Normal Normal
Cursor De naam van de geselecteerde
functie verschijnt.

4 Wijzig de instelling met de hoofd- of hulpdraaiknop.


• Om het directmenu op te roepen dat op de plaats van de
cursor staat, drukt u op knop i. U kunt de instelling ook
in het directmenu wijzigen. Na het wijzigen van de METERING
instelling drukt u op knop i om de instelling te
bevestigen. Als u enkele seconden lang geen knop
bedient, wordt de actuele instelling bevestigd en verschijnt
het superbedieningspaneel.
g“BUTTON TIMER“ (Blz. 100)
SELECT GO
Directmenu

Meer details over de functies die u met het superbedieningspaneel kunt instellen, vindt
u onder “Superbedieningspaneel“ (gBlz. 7).

28
NL
Gebruik van het menu

1 Druk op de MENU-knop.
• Het menu verschijnt op de LCD-monitor.

CARD SETUP
CUSTOM RESET
PICTURE MODE
GRADATION NORM
N
i-knop 1
WB AUTO

Basisfuncties van de camera


CANCEL SELECT GO
p Pendelknop
MENU-knop

Onderaan op het scherm staan de bedieningsaanwijzingen.


CANCEL MENU : Druk op MENU om de instelling te annuleren.
SELECT : Druk bij de pendelknop op dac om de cursor te verplaatsen en een item
te selecteren.
De symbolen die op de LCD-monitor verschijnen, komen overeen met de
onderstaande pendelstanden.
t:a u:c 8:d 7:b
GO OK : Druk op i om uw instellingen te bevestigen.

2 Selecteer met ac een 3 Selecteer met ac een functie en ga met d naar


tabblad en stel het item in het instelmenu.
met d.

METERING METERING METERING METERING


RC MODE OFF RC MODE OFF RC MODE
0.0 0.0
AF MODE S-AF AF MODE S-AF AF MODE
AF AREA AF AREA AF AREA
ANTI-SHOCK z OFF ANTI-SHOCK z OFF ANTI-SHOCK
CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO

Tabblad De huidige instelling verschijnt op het Functie


scherm

Soorten tabbladen Screenshot van het menu van het


W Fotografeerfuncties instellen. geselecteerde tabblad Y
X Fotografeerfuncties instellen.
AF/MF
q Weergavefuncties instellen.
Y Fotografeerfuncties naar wens aanpassen. BUTTON/DIAL
Afhankelijk van de aan te passen functie is RELEASE/
deze functie onderverdeeld in 9 tabbladen DISP/8/PC
(A t / m I). EXP/e/ISO
Z Basisfuncties van de camera instellen.
#CUSTOM
CANCEL SELECT GO
Tabblad

4 Druk op i om uw instellingen te bevestigen.


• Druk meerdere keren op i om het menu te verlaten.
29
NL
Met de draaiknoppen een menu selecteren
• U kunt, naast de pendelknop, ook de draaiknoppen gebruiken om een functie te selecteren.
Met de hoofddraaiknop kunt u de cursor verticaal verplaatsen (net als met ac), en met de
hulpdraaiknop verplaatst u de cursor horizontaal (net als met bd).

CARD SETUP CARD SETUP


CUSTOM RESET CUSTOM RESET
PICTURE MODE k PICTURE MODE
GRADATION NORM GRADATION NORM

1 WB
N
AUTO WB
N
AUTO
CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO
Basisfuncties van de camera

j j
METERING
• Als u een functie selecteert en de RC MODE OFF
hoofddraaiknop verdraait, springt 0.0
u naar een ander tabblad en kunt S-AF
AF MODE
u daar een functie selecteren.
AF AREA
ANTI-SHOCK z OFF
CANCEL SELECT GO
• U kunt de werking van de hoofd- en hulpdraaiknop wijzigen. g“DIAL“ (Blz. 97)

Voor details over de functies die u met het menu kunt instellen, zie “Menulijst“
(gBlz. 143).

Live view gebruiken


U kunt de LCD-monitor ook als zoeker gebruiken. U kunt het belichtings- of witbalanseffect en
de compositie van het onderwerp bekijken terwijl u de foto maakt.
Sluit de oculairafsluiter om te voorkomen dat hierlangs binnenvallend licht de belichting zou
kunnen beïnvloeden tijdens het fotograferen met Live view. g“Oculairsluiter“ (Blz. 61)
1 Druk op de knop u. Oculairsluithendel
AEL / AFL-knop
• De spiegel klapt omhoog en het onderwerp
verschijnt op de LCD-monitor.
• Op het scherm verschijnt de melding dat
u het oculair moet afsluiten.
2 Maak een foto door de ontspanknop
helemaal in te drukken.

u-knop

30
NL
Scherpstellen tijdens Live view
250 F5.6
• Als u tijdens Live view de ontspanknop helemaal
indrukt, stelt de camera scherp en wordt de foto
gemaakt. De weergave van het beeld op de
monitor bevriest als de spiegel tijdens het
scherpstellen naar beneden gaat.
• Om vooraf scherp te stellen, houdt u knop
AEL / AFL ingedrukt en drukt u de ontspanknop in.
Zodra de camera heeft scherpgesteld, stopt het LN
AF-teken met knipperen. Zolang het AF-teken 38
knippert, is de camera nog niet klaar met
scherpstellen.
AF-teken 1
• Als u de AF-stand hebt ingesteld op S-AF, kan de

Basisfuncties van de camera


foto niet worden gemaakt voordat de camera heeft scherpgesteld.
• In de stand MF (handmatig scherpstellen) kunt u op knop AEL / AFL drukken om de
autofocus-scherpstelling te activeren.
Fotograferen met gekantelde LCD-monitor
U kunt de LCD-monitor kantelen ten opzichte van de
camera. Hiermee kunt u onder lastige hoeken
fotograferen terwijl u toch de compositie kunt
bepalen op de LCD-monitor.
• Draai de LCD-monitor langzaam in de gewenste
stand binnen zijn bewegingsbereik.

270°
Het informatiedisplay omschakelen
Telkens als u op INFO drukt, verschijnt er andere informatie op de LCD-monitor.
Informatiedisplay aan Informatiedisplay aan
Informatiedisplay aan + Hulplijnen*1 + Histogram
250 F5.6 250 F5.6 250 F5.6

LN
38 38 38

250 F5.6

38
Informatiedisplay uit Vergrote weergave *2

*1 Verschijnt als [FRAME ASSIST] (hulplijnweergave) is geactiveerd.


g“FRAME ASSIST (hulplijnweergave)“ (Blz. 102)
*2 Voor het werken met vergrote weergave, zie “Het werken met vergrote weergave”.

31
NL
Het werken met vergrote weergave
U kunt het onderwerp vergroot afbeelden op de LCD-monitor. Het handmatig scherpstellen
(MF) en het controleren van de scherpstelling is dan gemakkelijker.
250 F5.6

1 38
1 Gebruik p om het kader te bewegen en druk op de knop i.
Basisfuncties van de camera

• Het gebied binnen het kader wordt vergroot en weergegeven.


• Houd knop i ingedrukt om het verschoven vergrote kader weer in het midden te zetten.
2 Verander de vergrotingsfactor (5x / 7x / 10x) door de hoofddraaiknop te verdraaien.
• Met knop i annuleert u de vergrote weergave.
 TIPS
Het effect van de beeldstabilisator controleren:
j Druk op de o-knop en houd hem ingedrukt.
g“Het effect van beeldstabilisator controleren met Live view“ (Blz. 64)
Controleren van het onderwerp, ook bij weinig licht:
j Zie “LIVE VIEW BOOST“ (gBlz. 102).
x Opmerkingen
• Als er een sterke lichtbron binnen het scherm aanwezig is, kan het beeld donkerder
weergegeven worden, maar het wordt normaal opgeslagen.
• Als de functie Live bekijken langdurig wordt gebruikt, stijgt de temperatuur van het
beeldopneemelement waardoor beelden met een hoge ISO-gevoeligheid veel ruis en
oneffenheden in de kleur vertonen. Verlaag de ISO-gevoeligheid of schakel de camera een
tijdje uit.
• Live view stopt zodra u de lens vervangt.
• De volgende functies zijn niet beschikbaar tijdens het live bekijken.
C-AF / AE-lock / [AEL / AFL]

De standaardinstellingen af fabriek terugzetten


Normaliter blijven uw camera-instellingen (inclusief uw wijzigingen) bewaard als u de camera
uitschakelt. Om uw camera terug te zetten op de standaardinstellingen af fabriek, selecteert u
[RESET] (resetten). U kunt ook van tevoren uw eigen instellingen vastleggen onder [RESET1]
en [RESET2]. De camera-instellingen op dat tijdstip zijn opgeslagen in [RESET1] en
[RESET2]. Meer informatie over vooraf vast te leggen functies vindt u onder
“Programmeerbare functies in My Mode en Uw eigen reset-instelling“ (gBlz. 142).
[RESET1] / [RESET2] vastleggen

Menu MENU[W][CUSTOM RESET] (uw eigen reset-instelling)

1 Selecteer of u [RESET1] of [RESET2] wilt vastleggen, en druk op d.


• Als er al instellingen zijn vastgelegd, verschijnt [SET] naast [RESET1] / [RESET2]. Door [SET]
te selecteren, overschrijft u de vastgelegde instelling.
• Selecteer [RESET] om het vastleggen te annuleren.
2 Selecteer [SET] en druk op i.

32
NL
Reset-instellingen gebruiken

U kunt de camera op [RESET1] of [RESET2] instelling terugzetten of de standaardinstellingen


af fabriek herstellen.
[RESET] : Herstelt de standaardinstellingen af fabriek. Voor de
standaardinstellingen, zie “Menulijst“ (gBlz. 143).
[RESET1] / [RESET2] : Herstelt de vastgelegde instellingen.

Directe knop F + ISO


• Door de knoppen F en ISO tegelijkertijd en twee seconden lang ingedrukt te houden, wordt de
[RESET] uitgevoerd.
1
• Terwijl u de twee knoppen tegelijkertijd ingedrukt houdt, selecteert u met de draaiknop de gewenste

Basisfuncties van de camera


reset-instelling. Zodra u de knop loslaat, worden de instellingen gereset.

Zoeker : RESET
: RESET1
: RESET2

Bedieningspaneel

Menu MENU[W][CUSTOM RESET] (uw eigen reset-instelling)

1 Selecteer [RESET], [RESET1] of [RESET2] en druk


RESET1
op knop i.
2 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna
op knop i. YES
NO

CANCEL SELECT GO

33
NL
2 Fotogidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen

Gidsen voor basisfuncties


Om uzelf vertrouwd te maken met de camera kunt u beginnen met het maken van foto’s van
onderwerpen in uw omgeving zoals kinderen, bloemen, huisdieren. Als de foto’s u niet
bevallen, probeer dan een paar van de onderstaande instellingen bij te stellen. U kunt al betere
foto's maken door uzelf vertrouwd te maken met deze basisfuncties van de camera.

Scherpstellen – De ontspanknop bedienen


Een foto kan onscherp worden als u op de voorgrond,
2 achtergrond of op andere onderwerpen in het beeld in plaats van
op het gewenste onderwerp hebt scherpgesteld. Om wazige
foto's te voorkomen, moet u scherpstellen op het onderwerp dat
Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen

u wilt fotograferen. De ontspanknop kan half ingedrukt (half


indrukken) en helemaal ingedrukt (helemaal indrukken) worden.
Zodra u goed weet hoe de ontspanknop werkt, kunt u zelfs
scherpstellen op bewegende onderwerpen.

Half indrukken: Helemaal


indrukken:

g“Fotograferen“ (Blz. 16), “Focus lock – Als het scherpstellen


niet lukt (scherpstelgeheugen)“ (Blz. 58)
Zelfs als op het onderwerp is scherpgesteld, kan het beeld wazig
worden als u de camera beweegt terwijl de ontspanknop wordt
ingedrukt. Dit wordt “cameratrilling“ genoemd. Houd de camera
goed vast. De camera is vooral gevoelig voor beweging als met live bekijken gefotografeerd
wordt terwijl het onderwerp op de monitor bekeken wordt. U kunt het bewegen van de camera
verminderen door de beeldstabilisator te gebruiken.
g“Vasthouden van de camera“ (Blz. 17), “Beeldstabilisator“ (Blz. 63)
Naast het verkeerd scherpstellen en het bewegen van de camera kunnen onscherpe beelden
ook optreden als onderwerpen te snel bewegen. In dat geval gebruikt u een sluitertijd die bij de
beweging van het onderwerp past. U kunt de sluitertijd en het diafragma die in de zoeker, op
het bedieningspaneel en op de LCD-monitor verschijnen, bevestigen door de ontspanknop half
in te drukken.
g“Zoeker“ (Blz. 5), “Bedieningspaneel“ (Blz. 6), “Superbedieningspaneel“ (Blz. 7),
“LCD-monitor (Live view)“ (Blz. 8)

34
NL
Helderheid – Belichtingscorrectie
Aan de hand van de helderheid kiest de camera automatisch een
diafragmawaarde en sluitertijd. Dit wordt automatische belichting
genoemd. Maar in sommige gevallen kunt u met automatische
belichting alleen niet de gewenste foto maken. In dat geval kunt
u de instelling van de automatische belichting verhogen of
verlagen. Verhoog de belichtingswaarde om de helderheid van
een zomers strand of het wit van sneeuw te verbeteren. Verlaag
de belichtingswaarde als het te fotograferen gebied kleiner en
helderder is dan zijn omgeving. Als u niet zeker weet hoeveel
belichtingscorrectie nodig is, maak dan een aantal foto's met verschillende instellingen en
vergelijk de foto's.
g“Belichtingscorrectie“ (Blz. 47), “AE bracketing (belichting variëren)“ (Blz. 48) 2
Kleur – Witbalans

Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen


Afgezien van zonlicht bestaan er andere bronnen die het onderwerp verlichten, zoals
bijvoorbeeld gloeilamplicht en TL-licht. Deze soorten licht bevatten bepaalde kleuren; daarom
heeft hetzelfde witte onderwerp bij verschillende verlichtingen iets andere kleuren. Zelfs onder
hetzelfde zonlicht verschillen de kleuren op een foto afhankelijk van de luchtomstandigheden,
de schaduwen van bomen of gebouwen en andere factoren. Witbalans corrigeert de effecten
van deze soorten lichtbronnen automatisch en maakt fotograferen met de juiste kleuren
mogelijk. Normaal gesproken bereikt u de juiste kleuren als u de witbalans op [AUTO] zet.
Afhankelijk van de lichtomstandigheden bereikt u eventueel niet de gewenste kleuren. Pas in
dat geval de instelling overeenkomstig aan.
g“Witbalans selecteren“ (Blz. 67)
TL-licht Gloeilamplicht Schaduw van een boom

35
NL
Handige instellingen – Functies aanpassen
De camera beschikt over diverse fotografeerfuncties die u naar eigen inzicht kunt aanpassen.
Als u bijvoorbeeld met dezelfde instellingen meerdere foto's wilt maken van hetzelfde
onderwerp, kunt u deze instellingen vastleggen onder My Mode om ze later nog eens te
kunnen gebruiken. U kunt die vastgelegde My Mode-instellingen later weer gemakkelijk
oproepen om ermee te fotograferen. Om eerst scherp te stellen op het onderwerp en daarna de
compositie (beelduitsnede) te kiezen, kunt u [AEL / AFL] zó instellen dat u autofocus activeert
met knop AEL / AFL en deze scherpstelling en belichting vasthoudt door de ontspanknop half in
te drukken. U kunt ook andere camerafuncties volgens uw eigen wensen instellen door
bijvoorbeeld de functies te wijzigen die aan de draaiknoppen en aan knop < zijn toegewezen,
en door te wijzigen hoe lang de directe knoppen geselecteerd blijven.
g“MY MODE SETUP“ (Blz. 100), “Fotograferen met My Mode“ (Blz. 44),
2 “AEL / AFL“ (Blz. 98), “; FUNCTION“ (Blz. 99), “BUTTON TIMER“ (Blz. 100)
Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen

Een handleiding voor functies voor verschillende onderwerpen


Deze paragraaf beschrijft de functies die onder verschillende lichtomstandigheden voor de
diverse onderwerpen geschikt zijn.

Landschapsfoto’s nemen
Deze paragaaf beschrijft het maken van buitenopnamen van bossen, meren en stranden
overdag.
De stand Fotograferen veranderen

De juiste manier van fotograferen is afhankelijk van wat u wilt


vastleggen, bijvoorbeeld de stilte van een stilstaande scène of
de dynamiek van een bewegende scène.
• Om de diepte van een bos vast te leggen, stelt u op een groter deel
van het beeld scherp. Gebruik de stand A (diafragmavoorkeuze) en
sluit het diafragma zo ver mogelijk (d.w.z. verhoog de
diafragmawaarde).
• Om het moment vast te leggen (te “bevriezen“) waarop golven tegen
de rotsen slaan, gebruikt u de stand S (sluitertijdvoorkeuze) en kiest
u een snelle sluitertijd. Om een ruisende waterval of een stromende rivier vast te leggen, fotografeert
u met een lange sluitertijd.
Belichtingscorrectie kan zelfs bij verschillende standen voor het fotograferen worden gebruikt.
Controleer het beeld dat u hebt gefotografeerd en gebruik + of – om de belichtingstijd bij te
stellen om betere resultaten te behalen.
De witbalans aanpassen

De kleur van water op foto’s ziet er anders uit afhankelijk van of


het een meer is dat dichtbij staande bomen reflecteert of een
zeekust die omgeven is door een koraalrif. Om het subtiele
kleurverschil vast te leggen, kunt u de instelling van de witbalans
veranderen. Verander de instellingen voor verschillende situaties,
bijvoorbeeld stand [55300 K] voor zonnige dagen en stand
[27500 K] voor buitenopnamen in de schaduw op een zonnige
dag.

36
NL
Metingsmethode veranderen

Afhankelijk van de diepte van het water en de stand van de zon, kan de
helderheid van het water grote verschillen vertonen in de diverse delen
van dezelfde compositie. Ook de helderheid van bossen is
verschillend, afhankelijk van hoe de bomen elkaar overlappen. Als u
weet in welke bereiken u de correctie moet benadrukken in de
compositie van het beeld, dan kunt u de metingsmethode veranderen.
In de stand [G] (digitale ESP-meting), meet de camera automatisch
de helderheid binnen de compositie en bepaalt de belichting. Om de
belichting af te stemmen op een bepaald gebied binnen de compositie,
kiest u de stand [H] (lichtmeting met nadruk op het centrum) of de
stand [I] (spotmeting), u richt het lichtmeetveld op dat gebied binnen
de compositie en u meet dan de belichting.
Kleurintensiteit veranderen
2

Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen


Het kan gebeuren dat u de gewenste kleur niet kunt reproduceren, zelfs niet met het gebruik
van witbalans of belichtingscorrectie. In dat geval kunt u de instelling [SATURATION]
veranderen om de gewenste kleur te krijgen. De instelling [SATURATION] heeft twee niveaus,
hoge en lage instellingen. Als de instelling hoog is, worden er felle kleuren gebruikt.
g“Diafragmavoorkeuze“ (Blz. 41), “Sluitertijdvoorkeuze“ (Blz. 42), “Lichtmeetmethode
wijzigen“ (Blz. 46), “Belichtingscorrectie“ (Blz. 47), “Witbalans selecteren“ (Blz. 67),
“[SATURATION] (kleurintensiteit): De kleurdiepte van het beeld“ (Blz. 72)

Bloemen fotograferen
De juiste manier om bloemen te fotograferen is afhankelijk van wat u wilt vastleggen,
bijvoorbeeld een enkele bloem, een veld vol bloeiende bloemen, een diep rode roos of de lichte
kleur van een erwtje.
De autofocustolerantie wijzigen

U kunt het autofocusgebied kleiner maken, bijvoorbeeld om scherp te stellen op één


bloemblad, of op één bloem in een bloemperk.
In de standaardinstelling stelt de camera scherp op een iets groter gebied dan het
geselecteerde autofocusveld, maar afhankelijk van de instelling voor [AF SENSITIVITY] zal de
camera uitsluitend scherpstellen binnen het geselecteerde autofocusveld.
De witbalans aanpassen

Bloemen hebben heel verschillende kleuren, variërend van


licht tot fel. Afhankelijk van de kleur van de bloemen, worden
subtiele kleurnuances eventueel niet zo vastgelegd als u ze
ziet. In dat geval kunt u de lichtomstandigheden controleren en
de instelling van de witbalans veranderen. Op [AUTO] bepaalt
de camera automatisch het soort licht en fotografeert met de
juiste witbalans. Subtiele kleurnuances komen beter op de foto
als u de witbalansinstelling aan de lichtomstandigheden
aanpast, bijvoorbeeld door [55300 K] te gebruiken voor
zonnige dagen en [27500 K] voor een buitenopname in de
schaduw op een zonnige dag.

37
NL
Belichtingscorrectie gebruiken

Als u bloemen tegen een achtergrond fotografeert, kies dan


een zo eenvoudig mogelijke achtergrond om de vorm en de
kleur van de bloem te benadrukken. Als u lichte en witachtige
bloemen fotografeert, stelt u de belichtingscorrectie in op –
(min), zodat de bloem tegen de donkere achtergrond afsteekt.

De stand Fotograferen veranderen

De juiste manier om bloemen te fotograferen is afhankelijk van of u één


2 enkele bloem wilt benadrukken of een veld vol bloemen wilt vastleggen.
Om de gewenste scherptediepte in te stellen, zet u de camera op A
(diafragmavoorkeuze) en kiest u het gewenste diafragma.
Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen

• Naarmate u het diafragma verder opent (door een lagere diafragmawaarde


te kiezen), neemt de scherptediepte verder af waardoor het onderwerp
benadrukt wordt en de achtergrond onscherp is.
• Naarmate u het diafragma verder sluit (door een hogere diafragmawaarde
te kiezen), neemt de scherptediepte verder toe waardoor de foto op de
voorgrond en de achtergrond scherp wordt.
U kunt de preview-functie gebruiken om de veranderingen in de
scherptediepte te bevestigen als het diafragma veranderd wordt.
Live bekijken gebruiken

Bij het gebruik van een conventionele éénogige digitale spiegelreflexcamera met verwisselbaar
lenssysteem, moest u wachten om na het nemen van de foto het resultaat van de
belichtingscorrectie en de witbalansinstellingen te controleren. Met de functie Live bekijken van
deze camera kunt u echter de monitor gebruiken om het onderwerp dat u wilt fotograferen weer
te geven en te controleren.
Lenzen verwisselen

Als er maar weinig bloeiende bloemen zijn die ver uit elkaar staan, maakt u de foto met een
telelens. Met een telelens neemt u foto's waarin onderwerpen op verschillende afstanden
dichter bij elkaar lijken waardoor de indruk van een dicht begroeid bloemenveld ontstaat.
Door de telescoopfunctie van de zoomlens te gebruiken, bereikt u dit effect ook, maar het is
makkelijker om dit effect te bereiken als de scherpstelafstand groter is, bijvoorbeeld 150 mm of
200 mm, in plaats van 54 mm.
g“AF SENSITIVITY“ (Blz. 96), “Diafragmavoorkeuze“ (Blz. 41), “Live view gebruiken“
(Blz. 30), “Preview-functie“ (Blz. 45), “Belichtingscorrectie“ (Blz. 47), “Witbalans
selecteren“ (Blz. 67)

38
NL
Nachtopnamen maken (night scene)
Er zijn verschillende soorten nachtopnamen, variërend van het avondrood na een
zonsondergang en straatlicht in een donkere stad tot speciale lichteffecten en vuurwerk.
Het statief gebruiken

Omdat een langere sluitertijd nodig is om nachtopnamen te


maken, hebt u een statief nodig om het bewegen van de
camera tegen te gaan. Als u niet over een statief beschikt, moet
u de camera op een stabiele ondergrond zetten om het
bewegen van de camera tegen te gaan. Zelfs als de camera
beveiligd is, kan de camera bewegen als u de ontspanknop
indrukt. Daarom raden wij u aan de afstandsbediening of de
zelfontspanner te gebruiken. 2
De stand Fotograferen veranderen

Fotografeergidsen – Verbeter uw vaardigheid in het fotograferen


Nachtopnamen hebben verschillende helderheidsniveaus en de balans van de helderheid in de
compositie is niet uniform. Begin met het kiezen van stand A (diafragmavoorkeuze). Zet het
diafragma op een gemiddelde instelling (ongeveer F8 of F11) en laat de camera de sluitertijd
automatisch kiezen. Bij het maken van een nachtopname stelt de camera de belichting in
overeenkomstig de donkere gebieden die het grootste deel van de compositie innemen,
daardoor wordt de foto vaak witachtig (overbelicht), stel de belichtingscorrectie op –1 or –1,5 in.
Gebruik [REC VIEW] om de foto te controleren en het diafragma en de belichtingscorrectie zo
nodig in te stellen.
Beeldruis kan snel optreden als u met een lange sluitertijd fotografeert. Zet in dat geval
[NOISE REDUCT.] op [ON] om de ruis te onderdrukken.
Handmatig scherpstellen

In gevallen waarin u AF (autofocus) niet kunt gebruiken om op het


onderwerp scherp te stellen (omdat het onderwerp te donker is of als u
niet op tijd scherp kunt stellen, bijvoorbeeld tijdens vuurwerk), selecteert
u [MF] (handmatig scherpstellen) en stelt u met de hand scherp. Voor
nachtopnamen draait u de scherpstelring van de lens en controleert of
u de lichten van de nachtelijke scène duidelijk kunt zien. Om foto's te
maken van vuurwerk stelt u de scherpstelling van de lens op oneindig
tenzij u een telelens gebruikt. Als u ongeveer de afstand tot aan het
onderwerp weet, raden wij u aan om van tevoren scherp te stellen op
iets dat zich op dezelfde afstand bevindt.
g“Programmagestuurd fotograferen“ (Blz. 40),
“Diafragmavoorkeuze“ (Blz. 41), “Fotograferen met de afstandsbediening“ (Blz. 61),
“Autofocusstand selecteren“ (Blz. 52), “Ruisonderdrukking“ (Blz. 74),
“REC VIEW“ (Blz. 108)

39
NL
3 Belichting

Programmagestuurd fotograferen
Aan de hand van de helderheid van het onderwerp kiest de camera een optimale combinatie
van diafragmawaarde en sluitertijd.

Directe knop MODE + j[P] MODE-knop


j

• Zodra u de ontspanknop half indrukt, verschijnen de sluitertijd en de


diafragmawaarde in de zoeker en op het bedieningspaneel.
Stand Fotograferen

Sluitertijd
3
Belichting

Zoeker
AF-teken
Bedieningspaneel
Diafragmawaarde

Programma-aanpassing (%)
Door in de stand P de hoofd- of hulpdraaiknop te verdraaien, Programma-aanpassing
kunt u de combinatie van diafragma en sluitertijd wijzigen
terwijl de belichting optimaal blijft.
g“Lijndiagram van het programma (stand P)“ (Blz. 136)
Zoeker
• Na het maken van de foto blijft deze instelling actief. Om de
programma-aanpassing te annuleren, verdraait u de hoofd- of
hulpdraaiknop tot de fotografeerstandindicatie % in de zoeker en op het bedieningspaneel
verandert in P, of u schakelt de camera uit.
• Bij gebruik van een flitser is er geen programma-aanpassing mogelijk.
 TIPS
De sluitertijd en diafragmawaarde knipperen:
j De camera kan de foto niet optimaal belichten. Voor meer informatie, zie “Waarschuwingsindicatie
belichting“ (gBlz. 137).
Als u alleen met uw rechterhand de fotografeerstand wilt kunnen wijzigen:
j U kunt de fotografeerstand wijzigen met knop < en met de draaiknoppen.
g“; FUNCTION“ (Blz. 99)

40
NL
Diafragmavoorkeuze
De camera kiest automatisch de sluitertijd die past bij de diafragmawaarde die u hebt ingesteld.
Naarmate u het diafragma verder opent (door een lagere diafragmawaarde te kiezen), neemt
de scherptediepte verder af waardoor de achtergrond eerder onscherp wordt. Naarmate u het
diafragma verder sluit (door een hogere diafragmawaarde te kiezen), neemt de scherptediepte
toe. Gebruik deze modus als u veranderingen aan de weergave van de achtergrond wilt
toevoegen. Voordat u de foto gaat maken, kunt u met de preview-functie controleren hoe
scherp of onscherp de achtergrond in beeld komt. g“Preview-functie“ (Blz. 45)
Bij een lagere Bij een hogere
diafragmawaarde diafragmawaarde
(F-waarde) (F-waarde)

3
Directe knop MODE + j[A]

Belichting
• Stel de diafragmawaarde in met de hoofd- of
hulpdraaiknop. Diafragma verder openen
(F-waarde wordt lager)
Zoeker

Diafragmawaarde

Diafragma sluiten
(F-waarde is verhoogd)

Bedieningspaneel

 TIPS
De scherptediepte bij de ingestelde diafragmawaarde controleren:
j Zie “Preview-functie“ (gBlz. 45).
De interval van belichtingsstappen (EV-stappen) wijzigen:
j De belichtingsregeling kunt u instellen in stappen van 1/3 EV, 1/2 EV of 1 EV.
g“EV STEP“ (Blz. 103)
De sluitertijd knippert:
j De camera kan de foto niet optimaal belichten. Voor meer informatie, zie “Waarschuwingsindicatie
belichting“ (gBlz. 137).

41
NL
Sluitertijdvoorkeuze
De camera kiest automatisch de diafragmawaarde die past bij de sluitertijd die u hebt ingesteld.
Stel de sluitertijd in voor het soort effect dat u wilt bereiken. Met snelle sluitertijden kunt u
snelbewegende onderwerpen toch scherp op de foto krijgen, terwijl u met een trage sluitertijd
bewegingsonscherpte krijgt waarmee u een effect van snelheid of beweging kunt creëren.
Een korte Door een langere
sluitertijd kan een sluitertijd wordt
snelle actie een opgenomen
“bevriezen“ snelle actie
zonder onscherp. Deze
bewegingsonsche onscherpte roept
rpte. het gevoel van
een dynamische
beweging op.

3 Directe knop MODE + j[S]

• Stel de sluitertijd in met de hoofd- of hulpdraaiknop. Langere sluitertijd


Belichting

Zoeker

Sluitertijd

Kortere sluitertijd

Bedieningspaneel

 TIPS
De foto is onscherp:
j Tijdens macro- en telefoto-opnamen is het risico groot dat u de camera niet stil genoeg houdt
waardoor de opname onscherp wordt. Om dit te voorkomen, kiest u een snellere sluitertijd, of
gebruikt u een statief met 1 of 3 poten.
De interval van belichtingsstappen (EV-stappen) wijzigen:
j De belichtingsregeling kunt u instellen in stappen van 1/3 EV, 1/2 EV of 1 EV.
g“EV STEP“ (Blz. 103)
De diafragmawaarde knippert:
j De camera kan de foto niet optimaal belichten. Voor meer informatie, zie “Waarschuwingsindicatie
belichting“ (gBlz. 137).

42
NL
Handmatig fotograferen (Manual)
Hierbij kiest u zelf de gewenste combinatie van sluitertijd en diafragma. U kunt zien hoeveel het
afwijkt van de juiste belichting door de belichtingsmeter te gebruiken. Hierbij hebt u creatief de
vrije hand, zowel qua instellingen als qua belichting.

Directe knop MODE + j[M]

De diafragmawaarde instellen: Verdraai de De sluitertijd instellen: Verdraai de hulpdraaiknop.


hoofddraaiknop.

3
• Het aantal beschikbare diafragmawaarden hangt af van het gebruikte lenstype.

Belichting
• De sluitertijd kunt u instellen tussen 1/8000 en 60 seconden.
• In de stand M verschijnt de belichtingsaanduiding die het verschil aangeeft (binnen een bereik van
–3 EV tot +3 EV) tussen de belichting volgens uw handmatige instelling (diafragma en sluitertijd), en
de optimale belichting zoals de camera die heeft berekend. Als de belichtingsafwijking groter is dan
+3 of –3 EV, begint de hele belichtingsaanduiding te knipperen.

Onderbelichting

Overbelichting

Optimale belichting

Ruis in foto's
Tijdens het fotograferen met een lange sluitertijd kan er ruis op het scherm verschijnen. Deze
verschijnselen kunnen optreden als in delen van het beeldopneemelement die normaliter niet
aan licht worden blootgesteld, kleine elektrische stromen worden opgewekt die de temperatuur
in het beeldopneemelement of in de elektronica van het beeldopneemelement doen stijgen. Dit
kan ook gebeuren als u met een hoge ISO-waarde fotografeert bij extreem hoge
omgevingstemperaturen. Om deze ruis te reduceren, activeert de camera de
ruisonderdrukking.
g“Ruisonderdrukking“ (Blz. 74)

 TIPS
De foto is onscherp:
j Het gebruik van een statief met 1 of 3 poten wordt aanbevolen bij het fotograferen met een lange
sluitertijd.
De interval van belichtingsstappen (EV-stappen) wijzigen:
j De belichtingsregeling kunt u instellen in stappen van 1/3 EV, 1/2 EV of 1 EV.
g“EV STEP“ (Blz. 103)
U kunt de functies van de hoofd- en hulpdraaiknop verwisselen:
j U kunt overschakelen tussen de functies die zijn ingesteld met de hoofd- en hulpdraaiknop.
g“DIAL“ (Blz. 97)
x Opmerkingen
• Belichtingscorrectie is niet mogelijk in de stand M (handmatig).

43
NL
Tijdopnamen
Bij een tijdopname maakt u een foto waarbij de sluiter open blijft staan zolang u de
ontspanknop ingedrukt houdt.
U kunt ook tijdopnamen maken met een apart verkrijgbare afstandsbediening (RM-1) of
afstandsbedieningskabel (RM-CB1). g“Tijdopnamen met de afstandsbediening“ (Blz. 63)

Directe knop MODE + j[B]

• “BuLb“ verschijnt in de zoeker en op het bedieningspaneel.

 TIPS
Om een tijdopname automatisch te stoppen na een bepaalde tijdsperiode:
j U kunt voor tijdopnamen een maximumtijd instellen. g“BULB TIMER“ (Blz. 103)
Om tijdens fotograferen met handmatig scherpstellen de scherpstelling te vergrendelen:
j U kunt de scherpstelling vergrendelen zodat deze zelfs niet wijzigt als u de scherpstelring verdraait.
3 g“BULB FOCUSING“ (Blz. 97)
x Opmerkingen
Belichting

• De volgende functies zijn niet beschikbaar in de stand A.


Beeldstabilisator / repeterende opnamen / zelfontspanner / AE-bracketing / flits-bracketing

Fotograferen met My Mode


U kunt fotograferen met de camerainstellingen die u bij [MY MODE SETUP] hebt vastgelegd.
Daar kunt u twee verschillende combinaties van camerainstellingen vastleggen onder
[MY MODE1] en [MY MODE2]. g“MY MODE SETUP“ (Blz. 100)

Directe knop MODE + j[s] / [T]

Instelscherm

Als P is vastgelegd onder s Als S is vastgelegd onder T

44
NL
Groothoek- en macro-onderwateropnamen
De camera is optimaal ingesteld voor onderwateropnamen. I (groothoek-onderwater) is
bedoeld voor het fotograferen van landschappen onder water, en H (macro-onderwater) voor
close-up-opnamen onder water.
Om onder water groothoek- of macro-opnemen te kunnen maken, zet u [; FUNCTION]
op [I / H]. g“; FUNCTION“ (Blz. 99)

Directe knop MODE + j[I] / [H]

Instelscherm

In de stand I In de stand H

x Opmerkingen
• Voor onderwateropnamen moet u gebruikmaken van een in de handel verkrijgbare 3
onderwaterbehuizing.

Belichting
• De volgende functies zijn niet beschikbaar in de stand L.
[CUSTOM RESET] / [PICTURE MODE] / [MY MODE SETUP]

Preview-functie
De zoeker geeft het scherpstelgebied weer (scherptediepte) met de geselecteerde
diafragmawaarde.
Druk op de preview-knop om de preview-functie te
gebruiken.
• De preview-functie kunt u ook activeren met knop <
(standaardinstelling af fabriek).
• Als [; FUNCTION] is vastgelegd onder [LIVE PREVIEW] en
u drukt op <, schakelt de camera automatisch over op Live view
voor een preview van de foto op de monitor.
g“; FUNCTION“ (Blz. 99)

Preview-knop

45
NL
Lichtmeetmethode wijzigen
De camera kan de helderheid van het onderwerp op vijf k
manieren meten: Digitale ESP-meting, lichtmeting met G-knop
nadruk op het centrum en drie soorten spotmeting. j
Selecteer de methode die het meest geschikt is voor de
lichtomstandigheden.

Directe knop G+k

Superbedieningspaneel ip: [METERING]


i-knop
Menu MENU[X][METERING] MENU-knop

Instelscherm
3 G : Digitale ESP-meting
H : Lichtmeting met nadruk op het centrum
Belichting

I : Spotmeting
Zoeker IJ : Spotmeting – bij veel lichte partijen
IK : Spotmeting – bij veel schaduwpartijen

Bedieningspaneel

G Digitale ESP-meting
De camera meet de lichtniveaus en berekent de lichtniveauverschillen op 49 verschillende plaatsen
van het beeld. Deze methode wordt aanbevolen voor normaal fotograferen. Als u de
AF-gesynchroniseerde functie op [ESP+AF] zet, wordt het licht gemeten rondom het autofocusveld
waarop u scherpstelt.
H Lichtmeting met nadruk op het centrum
Deze meetmethode berekent het gemiddelde van de lichtniveaus van het
onderwerp en de achtergrond, maar het centrum van het beeld telt hier
zwaarder mee. Kies deze methode als u wilt voorkomen dat het
lichtniveau van de achtergrond de belichting van het onderwerp te sterk
beïnvloedt.
I Spotmeting
De camera meet het lichtniveau binnen een heel klein gebied dat in de
zoeker wordt aangegeven door het spotmetingskader. Gebruik deze
methode bij opnamen met fel tegenlicht.
IJ Spotmeting – bij veel lichte partijen
Als de achtergrond over het algemeen erg licht is, zullen bij een normale
automatische belichting de witte partijen grijs worden. Met deze
lichtmeetmethode gaat de camera een beetje overbelichten zodat de witte
partijen wit blijven. Het meetgebied is hetzelfde als bij spotmeting. : Lichtmeetgebied
IK Spotmeting – bij veel schaduwpartijen
Is achtergrond over het algemeen erg donker, dan worden de zwarte
partijen bij een normale automatische belichting grijs. Met deze
lichtmeetmethode gaat de camera een beetje onderbelichten zodat de zwarte partijen ook zwart
worden weergegeven. Het meetgebied is hetzelfde als bij spotmeting.

46
NL
Belichtingscorrectie
Soms kunt u betere resultaten krijgen als u de belichting die de camera heeft berekend,
handmatig bijregelt. Vaak komen heldere onderwerpen (zoals sneeuw) donkerder op de foto
dan ze in feite zijn. Door een beetje over te belichten (belichtingscorrectie richting +) gaan deze
tinten eruitzien zoals ze in werkelijkheid zijn. Op dezelfde wijze kunt u de tinten van donkere
onderwerpen corrigeren, maar nu in de richting –. U kunt de belichting stapsgewijs corrigeren
binnen een bereik van –5.0 EV tot +5.0 EV.

–2.0 EV ±0 +2.0 EV

Directe knop F+j/k


F-knop
Instellen in de
richting –
3

Belichting
• De belichtingscorrectie-indicatie verschijnt. Bij een
belichtingscorrectie met de waarde 0 verschijnt de
belichtingscorrectie-indicatie niet. Instellen in de richting +
Bij stappen van 1/3 EV Bij stappen van 1/2 EV

1/3 EV 1/2 EV
• Als de waarde van de belichtingscorrectie groter is dan het bereik van de belichtingscorrectie-
indicatie, gaat de indicatie kipperen in de zoeker en op het bedieningspaneel. Op het
superbedieningspaneel verschijnt links en rechts van de indicatie een rode vw.

 TIPS
De interval van belichtingsstappen (EV-stappen) wijzigen:
j Het interval van de EV-stap kan gekozen worden uit 1/3 EV, 1/2 EV of 1 EV.
g“EV STEP“ (Blz. 103)
De belichting alleen met behulp van de draaiknoppen instellen:
j Bij het instellen van de belichtingscorrectiewaarde hoeft u de F-knop niet in te drukken.
g“DIAL“ (Blz. 97)
x Opmerkingen
• Belichtingscorrectie is niet mogelijk in de standen M en A.

47
NL
AE-lock
De gemeten belichtingswaarde kunt u vasthouden met knop AEL / AFL (AE-lock). Gebruik
AE-lock als u een andere belichting wilt toepassen dan de gebruikelijke belichting bij deze
situatie. Door de ontspanknop half in te drukken worden normaliter zowel de scherpstelling
(AF – autofocus) als de automatische belichting AE vastgehouden, maar u kunt ook alleen de
belichting vasthouden door knop AEL / AFL in te drukken.
Als u op knop AEL / AFL drukt zodra de gewenste AEL / AFL-knop
meetwaarde wordt aangegeven, zal deze belichting
worden vastgehouden. Deze belichting wordt
vastgehouden zolang u knop AEL / AFL ingedrukt houdt.
Druk nu de ontspanknop in.
• Zodra u knop AEL / AFL loslaat, wordt de belichting niet langer
vastgehouden.

 TIPS
3 De belichting vasthouden:
j U kunt het resultaat van de lichtmeting ook vasthouden zónder
AE-lock
dat deze wordt geannuleerd als u knop AEL / AFL loslaat.
Belichting

g“AEL / AFL MEMO“ (Blz. 99)


Als u het het moeilijk vindt om knop AEL / AFL en de
ontspanknop tegelijkertijd in te drukken:
j U kunt dan de functies van de knoppen AEL / AFL en < Zoeker
omwisselen. g“A“ (Blz. 100)
AE-lock activeren met een ingestelde lichtmeetmethode:
j U kunt de gewenste lichtmeetmethode instellen aan de hand waarvan u de belichting wilt
vasthouden met AE-lock. g“AEL-lichtmeting“ (Blz. 103)

AE bracketing (belichting variëren)


De camera neemt automatisch meerdere opnamen en belicht hierbij elke opname telkens een
beetje anders. Zelfs in situaties waarbij het moeilijk is om een juiste belichting te krijgen
(bijv. bij tegenlicht of in het halfduister), kunt u uit de serie foto's met verschillende
belichtingsinstellingen (belichtings- en correctiewaarden) de foto kiezen die u het beste bevalt.
De foto's worden in deze volgorde gemaakt: Foto met optimale belichting, foto met
belichtingscorrectie in de richting –, foto met belichtingscorrectie in de richting +.
bijv.) Als BKT op [3F 1.0EV] gezet is

–1.0 EV ±0 +1.0 EV

48
NL
Belichtingscorrectiewaarde: 0.3, 0.7 of 1.0
• De belichtingscorrectiewaarde verandert zodra u de EV-stap wijzigt. g“EV STEP“ (Blz. 103)
Aantal beelden: 3 of 5

Directe knop MODE + AFj / k

Menu MENU[X][AE BKT]

Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

Aantal beelden EV-stap Aantal beelden EV-stap

Bracketing
3

Belichting
Correctiebereik
• Tijdens het fotograferen verschijnt de belichtingswaarde voor de
volgende opname.

Begin met fotograferen.


• Bij enkelbeeldopnamen wijzigt de belichting telkens als u de ontspanknop indrukt.
• Bij repeterende opnamen houdt u de ontspanknop ingedrukt tot het geselecteerde aantal foto’s is
genomen.
• Zodra u de ontspanknop loslaat, stopt het fotograferen met auto bracketing. Zodra bracketing stopt,
knippert 0 in de zoeker en op het bedieningspaneel, en op het superbedieningspaneel zal 0
groen oplichten.
Hoe corrigeert AE bracketing de belichting bij elk programma
Afhankelijk van het gekozen programma wordt de belichting als volgt gecorrigeerd:
P : Diafragmawaarde en sluitertijd
Stand A : Sluitertijd
Stand S : Diafragmawaarde
Stand M : Sluitertijd

 TIPS
AE bracketing toepassen op de belichtingswaarde die u hebt gecorrigeerd:
j Corrigeer de belichtingswaarde en gebruik daarna de functie AE bracketing. AE bracketing is nu
toegepast op de belichtingswaarde die u hebt gecorrigeerd.

49
NL
ISO-waarde instellen
Hoe hoger de ISO-waarde, hoe hoger de lichtgevoeligheid van de camera en hoe minder licht u
nodig hebt om te kunnen fotograferen. Bij hoge ISO-waarden gaat uw foto’s er echter korrelig
uitzien.
j ISO-knop
Directe knop ISO + j / k
k

Superbedieningspaneel ip: [ISO]

Menu MENU[W][ISO]

[AUTO] : De gevoeligheid wordt automatisch ingesteld


aan de hand van de lichtomstandigheden.
Bij [ISO-AUTO SET] kunt u de zowel de
3 standaardwaarde (die normaliter wordt
gebruikt voor het vaststellen van de optimale MENU-knop
belichting) als de maximale ISO-waarde
Belichting

i-knop
(de bovengrens van de automatische
ISO-instelling) vastleggen.
g“ISO-AUTO SET (ISO-AUTO instellen)“ (Blz. 103)
[100 – 3200] : Vast ingestelde ISO-waarde. [ISO STEP] kunt u instellen op [1/3 EV] of [1 EV].
g“ISO STEP“ (Blz. 103)
Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

Bij de instelling [AUTO] verschijnt de


standaardwaarde.

AUTO :
100 :
...
...

...

3200 :

• In de zoeker worden de waarden 125 en 1250 aangegeven als 120 en 1200.

 TIPS
In de stand M de ISO-waarde automatisch laten instellen:
j Normaliter werkt de stand AUTO alleen in de fotografeerstanden P / A / S maar u kunt deze stand
ook activeren voor andere fotografeerstanden. g“ISO-AUTO“ (Blz. 103)

50
NL
Indicatie na het instellen
Zoeker Bedieningspaneel

In de stand AUTO verschijnen de Bij een andere instelling dan AUTO


ISO-A- en de ISO-waarden die door verschijnt ISO. Bij een ingestelde
de camera zijn vastgesteld. Bij alle ISO-waarde van 2000 of hoger
andere instellingen verschijnt ISO en knippert de ISO-indicatie.
de ingestelde waarde. Bij een
ingestelde ISO-waarde van 2000 of
hoger knippert de ISO-indicatie.

ISO-bracketing 3

Belichting
De camera neemt, met een vaste sluitertijd en vast diafragma, meerdere foto's met telkens een
andere ISO-waarde. In totaal worden er 3 opnamen gemaakt met verschillende ISO-waarden:
één opname met de optimale belichting volgens de stand [AUTO]), één opname met
ISO-correctie in de richting –, en één opname met ISO-correctie in de richting +.
Belichtingscorrectiewaarde: 0.3, 0.7 of 1.0
• De belichtingscorrectie wordt ingesteld in stappen van 1/3 EV, ongeacht welke ISO-stap op de
camera is ingesteld.
Aantal beelden: 3

Menu MENU[X][ISO BKT]

x Opmerkingen
• Bij bracketing wordt geen rekening gehouden met de bij [ISO-AUTO SET]. Ingestelde
bovengrens van de ISO-waarde.

51
NL
4 Scherpstellen en opnamefuncties

Autofocusstand selecteren
Deze camera beschikt over drie autofocusstanden: AF-knop
j
S-AF, C-AF, en MF. U kunt foto’s maken door de S-AF- of
C-AF-functie met de MF-functie te combineren.

Directe knop AF + j

Superbedieningspaneel ip: [AF MODE]

Menu MENU[X][AF MODE]


i-knop
MENU-knop

Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

4
Scherpstellen en opnamefuncties

S-AF :
C-AF :
MF :
S-AF+MF :
C-AF+MF :

52
NL
S-AF (één keer scherpstellen)
Zodra u de ontspanknop indrukt, stelt de camera één keer scherp.
Als het scherpstellen mislukt, laat u de ontspanknop los en drukt u deze nogmaals half in. Deze
methode is geschikt voor het fotograferen van niet of nauwelijks bewegende onderwerpen.
Druk de ontspanknop half in. Zoeker
• Zodra de camera heeft scherpgesteld, stopt het AF-teken
met knipperen.
• U hoort een pieptoon zodra de camera klaar is met
scherpstellen. AF-teken

 TIPS
Bij weinig licht kan de camera in een AF-stand soms moeilijk automatisch scherpstellen:
j De ingebouwde flitser kan als AF-lichtbron fungeren. In de stand AF (autofocus) vergemakkelijkt dit
het scherpstellen bij het fotograferen bij weinig licht. g“AF ILLUMINAT.“ (Blz. 96)
Indien gewenst kunt u snel overschakelen van AF (autofocus) naar MF
(handmatig scherpstellen):
j Leg [MF] vast onder de knop < zodat u met knop < snel kunt overschakelen naar de stand MF.
g“; FUNCTION“ (Blz. 99)
U wilt toch een foto maken, ook al heeft de camera niet scherpgesteld op het onderwerp:
j Zie “RLS PRIORITY S / RLS PRIORITY C“ (gBlz. 101).
U wilt dat in de zoeker het AF-teken niet meer oplicht zodra de camera heeft
4
scherpgesteld:

Scherpstellen en opnamefuncties
j Het AF-teken in de zoeker licht rood op zodra de camera heeft scherpgesteld. U kunt de camera zo
instellen dat het AF-teken niet meer oplicht. g“AF AREA POINTER“ (Blz. 96)

C-AF (continu scherpstellen)


De camera herhaalt het scherpstellen terwijl de ontspanknop half ingedrukt blijft. Als het
onderwerp zich verplaatst, blijft de camera de scherpstelling continu aanpassen (Predictive
AF). Ook al beweegt het onderwerp of verandert u de compositie van de foto, de camera blijft
bezig met scherpstellen.
Druk de ontspanknop half in en blijf hem in deze stand houden.
• Zodra de camera klaar is met scherpstellen, stopt het AF-teken met knipperen.
• Het AF-teken licht niet meer op, ook al is de scherpstelling in orde.
• De camera blijft continu bezig met scherpstellen. Ook al beweegt het onderwerp, en zelfs als u de
compositie van de foto wijzigt: de camera blijft steeds bezig met scherpstellen.
• U hoort een pieptoon zodra de camera klaar is met scherpstellen. U hoort deze pieptoon niet meer na
de derde keer scherpstellen in de stand continu AF, ook al is er goed scherpgesteld.

 TIPS
De camera stelt scherp op iets dat vóór het onderwerp voorbijkomt:
j U kunt de camera zo instellen dat de scherpstelling niet verandert, ook al verandert de afstand tot
het onderwerp. g“C-AF LOCK“ (Blz. 96)

53
NL
MF (handmatig scherpstellen)
Hierbij kunt u met de hand scherpstellen op een onderwerp terwijl u door de zoeker kijkt.
Stel scherp met de scherpstelring.

 TIPS
De draairichting van de scherpstelring wijzigen:
j U kunt de draairichting van de scherpstelring naar eigen
voorkeur instellen: rechtsom of juist linksom naar de stand Dichtbij
oneindig. g“FOCUS RING“ (Blz. 96)
Bevestiging of daadwerkelijk is scherpgesteld op het
onderwerp (scherpstelhulp):
j Als u de lens handmatig scherpstelt op een onderwerp
(door de scherpstelring te verdraaien), stopt het AF-teken )
met knipperen zodra uw scherpstelling overeenkomt met de Scherpstelring
autofocusmeting van de camera. Als B is ingesteld met
[AF AREA], licht het AF-teken zodra in het middelste
autofocusveld is scherpgesteld op het onderwerp.

De methoden S-AF en MF gelijktijdig gebruiken (S-AF+ MF)


4 Met deze functie kunt u, zodra de camera heeft scherpgesteld met de methode S-AF, de
scherpstelling handmatig bijregelen met de scherpstelring. Als de ontspanknop niet ingedrukt
Scherpstellen en opnamefuncties

is, kan MF worden gebruikt.


• U kunt fijn scherpstellen met de scherpstelring als u de ontspanknop half ingedrukt hebt en AF
bevestigd is. U kunt ook fijn scherpstellen met de scherpstelring als de ontspanknop niet half
ingedrukt is.
x Opmerkingen
• Als u na het handmatig bijregelen met de scherpstelring de ontspanknop loslaat en opnieuw half
indrukt, wordt uw scherpstelling ongedaan gemaakt en stelt de camera opnieuw scherp.

De methoden C-AF en MF gelijktijdig gebruiken (C-AF+ MF)


Stel scherp met de scherpstelring en druk de ontspanknop half in om de C-AF-methode te
activeren.
• Zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt, kunt u niet handmatig scherpstellen (MF).
• Als u de ontspanknop niet indrukt, kunt u handmatig scherpstellen (MF).

 TIPS
Een andere manier om handmatig scherp te stellen in de stand C-AF:
j U kunt knop AEL / AFL instellen om C-AF te activeren. g“AEL / AFL“ (Blz. 98)
x Opmerkingen
• Als u na het handmatig bijregelen met de scherpstelring de ontspanknop loslaat en opnieuw half
indrukt, wordt uw scherpstelling ongedaan gemaakt en stelt de camera opnieuw scherp.

54
NL
Autofocusveld selecteren
Bij automatisch scherpstellen kan de camera gebruik maken van 11 autofocuspunten.
Selecteer het meest geschikte autofocuspunt voor het onderwerp en de compositie.
U kunt kiezen uit twee autofocusmethoden: De stand Alle autofocuspunten waarbij autofocus
alle 11 autofocuspunten gebruikt, en de stand Één autofocuspunt waarbij autofocus scherpstelt
op het gebiedje rondom het geselecteerde autofocuspunt.
B Alle autofocuspunten
Bij het automatisch scherpstellen op het onderwerp houdt de
camera het gemiddelde aan van de 11 autofocuspunten. Dit is
een geschikte methode bij het fotograferen van bewegende
onderwerpen of als u het scherpstellen aan de camera wilt
overlaten.

M Één autofocuspunt
(o Één klein autofocuspunt)
De camera stelt scherp op het ene geselecteerde
autofocuspunt. Dit is handig als u na het bepalen van de
4
compositie nauwkeurig wilt scherpstellen op het onderwerp.

Scherpstellen en opnamefuncties
Met M kunt u scherpstellen op een gebied dat wat groter is dan
één autofocuspunt, maar u kunt dit bereik alleen instellen binnen
het autofocuspunt. Als u [SMALL] hebt geselecteerd voor
[AF SENSITIVITY], verandert de indicatie in o.
g“AF SENSITIVITY“ (Blz. 96)
N Één dynamisch autofocuspunt
Als de camera niet kan scherpstellen op het geselecteerde
autofocuspunt, zal de camera scherpstellen op een naburige
autofocuspunt.
Geselecteerd
autofocuspunt

55
NL
P-knop
Directe knop P+k
k
• Zodra u de knop loslaat, zal het op dat moment geselecteerde
autofocusveld oplichten. Als u M of N hebt ingesteld,
kunt u het autofocuspunt selecteren dat u in dat geval wilt
gebruiken. Hoe u dat doet, leest u bij stap 2 in de volgende
paragraaf “Autofocuspunt selecteren“ (gBlz. 56).

Superbedieningspaneel ip: [AF AREA]P


+k

• Als u M of N hebt ingesteld, kunt u het autofocuspunt


selecteren met de draaiknop.
MENU-knop i-knop
Menu MENU[X][AF AREA]

• Als u M of N hebt ingesteld, kunt u het autofocuspunt selecteren met p.

Autofocuspunt selecteren

Selecteer het autofocuspunt dat u in de stand Één autofocuspunt wilt gebruiken.


4 1 Druk op knop P en laat deze weer los om een autofocuspunt te kunnen
selecteren.
2
Scherpstellen en opnamefuncties

Met de hoofd- of hulpdraaiknop of met de


pendelknop selecteert u het gewenste
autofocuspunt.
• De hoofddraaiknop werkt zoals de pendelknoppen ac,
en de hulpdraaiknop werkt zoals de pendelknoppen bd.
• Voor het selecteren van het autofocuspunt kunt u de
werking van de draaiknoppen en de pendelknop wijzigen.
g“P SET UP“ (Blz. 97)
• Druk op knop i om het autofocuspunt terug te zetten in
het midden.

56
NL
Een bepaald autofocuspunt vastleggen
Een vaakgebruikte stand voor het autofocusveld en de positie van het autofocuspunt kunt
u vastleggen. Deze vastgelegde instelling (de “uitgangspositie“) kunt u dan snel selecteren en
gebruiken.
Vastleggen

1 In het scherm bij stap 2 van “Autofocuspunt


selecteren“ (gBlz. 56) drukt u tegelijkertijd
op de knoppen < en F.
• De uitgangspositie wordt vastgelegd zodra de knoppen AF AREA HP
worden ingedrukt.
• De uitgangspositie kan niet worden vastgelegd vanuit
een menu.

SELECT
Geeft aan dat autofocuspunt
wordt vastgelegd.

Fotograferen 4
Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u de functie [P HOME] eerst toewijzen aan knop

Scherpstellen en opnamefuncties
<. g“; FUNCTION“ (Blz. 99)
1 Druk op de <-knop.
• De vastgelegde uitgangspositie wordt geselecteerd. Druk nogmaals op deze knop als u wilt
terugkeren naar de oorspronkelijke stand voor het autofocusveld.
x Opmerkingen
• Bij het vastleggen van de uitgangspositie wordt de autofocustolerantie niet opgeslagen.

57
NL
Focus lock – Als het scherpstellen niet lukt (scherpstelgeheugen)
De autofocus van de camera kan eventueel niet scherpstellen op het onderwerp als het
onderwerp zich niet in het midden van het beeld bevindt. Als dit gebeurt, kunt u het beste het
scherpstelgeheugen (focus lock) gebruiken. Gebruik dit als bij de compositie het onderwerp
buiten de 11 autofocuspunten valt, of bij een onderwerp waarop moeilijk kan worden
scherpgesteld.
1 Richt het autofocusveld op het Ontspanknop
onderwerp waarop u wilt scherpstellen
en druk de ontspanknop half in tot het
AF-teken verschijnt.
• De ingestelde scherpstelling wordt
vastgehouden. Het AF-teken en en het
autofocusveld verschijnen in de zoeker.
• Als het AF-teken nog steeds knippert,
drukt u de ontspanknop opnieuw half in.
• Zodra u de ontspanknop half indrukt,
verdwijnt het superbedieningspaneel. Indicatie-LED
Dataverkeer

4 Voorbeeld) De camera stelt scherp op het


middelste autofocuspunt.
Scherpstellen en opnamefuncties

Autofocusveld

AF-teken
2 Beweeg naar de gewenste samenstelling
met half ingedrukte ontspanknop en druk de
knop dan helemaal in.
• De indicatie-LED Dataverkeer knippert terwijl de foto
op het geheugenkaartje wordt opgeslagen.

58
NL
Als het onderwerp een geringer contrast heeft dan zijn omgeving
Als het contrast van het onderwerp gering is, als bijvoorbeeld de belichting niet voldoende is of
het onderwerp door mist niet goed zichtbaar is, kan er niet scherp gesteld worden. Stel scherp
(scherpstelgeheugen) op een onderwerp met een hoog contrast dat even ver van de camera
verwijderd is als het onderwerp dat u wilt fotograferen, kies daarna de gewenste uitsnede en
maak de opname.

Repeterende opnamen
Enkelbeeldopnamen o Telkens als u de ontspanknop indrukt, maakt de camera één
foto (in de stand Fotograferen).
Repeterende opnamen H l Zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt, maakt de camera
5 opnamen per seconde (in de stand JPEG).
Repeterende opnamen L O Zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt, maakt de camera
het ingestelde aantal opnamen per seconde
(g“O fps“ [Blz. 101]).
• Druk de ontspanknop helemaal in en houd deze ingedrukt.
De camera blijft achter elkaar door fotograferen tot u de knop
loslaat.
• De scherpstelling, de belichting en witbalans van de eerste Het aantal repeterende opnamen
opname (tijdens S-AF, MF) worden vastgehouden. dat kan worden gemaakt 4
x Opmerkingen

Scherpstellen en opnamefuncties
• Als tijdens repeterende opnamen de batterijspanningsindicator begint te knipperen, stopt de
camera met fotograferen en begint de gemaakte foto’s op te slaan op het geheugenkaartje.
Als batterijvoeding te laag is, kan de camera misschien niet alle foto’s opslaan.
Instelmethode
< / Y / j-knop
Directe knop </Y/j+k k

Superbedieningspaneel ip: [< / Y / j]

59
NL
Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

Enkelbeeldopnamen

Repeterende opnamen H :
Repeterende opnamen L :
Zelfontspanner 12 sec. :
Zelfontspanner 2 sec. :
Afstandsbediening :
Afstandsbediening 2 sec. :

• Anti-shock-indicatie:
Als anti-shock (trillingen voorkomen) is geactiveerd, knippert de weergave in de zoeker en op
het bedieningspaneel en verschijnt op het superbedieningspaneel het symbool D.
4
Fotograferen met de zelfontspanner
Scherpstellen en opnamefuncties

Deze functie maakt fotograferen met de zelfontspanner mogelijk. U kunt hierbij de camera zo
instellen dat de foto na 12 seconden of na 2 seconden wordt gemaakt. Bij fotograferen met de
zelfontspanner kunt u de camera het beste op een statief zetten.
Voor de instelmethode, zie “Repeterende opnamen“ (gBlz. 59).
Druk de ontspanknop helemaal in. Zelfontspanner-LED
• De foto is gemaakt.
• Als Y12s. is geselecteerd:
De zelfontspanner-LED brandt eerst ongeveer 10 seconden
continu, begint dan ongeveer 2 seconden lang te knipperen,
en daarna wordt de foto gemaakt.
• Als Y2s is geselecteerd:
De zelfontspanner-LED knippert ongeveer 2 seconden,
daarna wordt de foto gemaakt.
• Om de ingeschakelde zelfontspanner voortijdig te stoppen,
drukt u op de < / Y / j-knop.
x Opmerkingen
• Druk de ontspanknop niet in terwijl u recht voor de camera
staat omdat de camera dan bij een half-ingedrukte
ontspanknop gaat scherpstellen op het verkeerde onderwerp.

60
NL
Oculairsluiter
Als u fotografeert zonder door de zoeker te kijken, dek
dan het oculair af zodat er geen licht in de zoeker valt wat
de belichting zou kunnen beïnvloeden. Sluit het oculair
door de hendel naar boven te zetten.

Oculairsluithendel

Fotograferen met de afstandsbediening


Met behulp van de optionele afstandsbediening RM-1 kunt u een zelfportret of een opname bij
nachtlicht maken zonder dat u de camera hoeft aan te raken.
U kunt de camera zo instellen dat, na het indrukken van de ontspanknop op de
afstandsbediening, de foto onmiddellijk of na 2 seconden wordt gemaakt. Met de optionele
afstandsbediening kunt u ook tijdopnamen maken.
Voor de instelmethode, zie “Repeterende opnamen“ (gBlz. 59).
Zet de camera stevig op een statief, richt de 4
afstandsbediening op de ontvanger op de camera en

Scherpstellen en opnamefuncties
druk op de ontspanknop van de afstandsbediening.
• Als <0s is geselecteerd:
De scherpstelling en belichting worden vastgehouden,
het afstandsbedieningslampje knippert en de foto wordt
gemaakt.
• Als <2s is geselecteerd:
De scherpstelling en belichting worden vastgehouden,
de afstandsbedienings-LED knippert en na ongeveer
2 seconden wordt de foto gemaakt.
Afstandsbedieningslampje
Ontvanger van
afstandsbedieningssignalen

61
NL
Effectief bereik van de afstandsbediening
Richt de afstandsbediening op de ontvanger op de camera binnen het bereik dat hieronder
staat aangegeven.
Als sterk licht zoals direct zonlicht op de ontvanger van de afstandsbediening schijnt of als
TL-licht of apparaten, die elektrische golven of radiogolven uitstralen, in de buurt zijn, kan dit
het effectieve bereik verkleinen.

Ca. 3 m
(binnens
Ca. 2 m huis)
(buitens
huis)

Ca. 5 m (binnenshuis)
Afstands-
Ca. 3 m (buitenshuis)
bediening
huis)
(binnens
Ca. 3 m huis) Ontvanger van
(buitens
Ca. 2 m afstandsbedieningssignalen

4  TIPS
Het afstandsbedieningslampje knippert niet als u op de ontspanknop van de
afstandsbediening drukt:
Scherpstellen en opnamefuncties

j Het uitgezonden signaal bereikt de camera niet als de ontvanger op de camera wordt blootgesteld
aan fel licht. Houd de afstandsbediening dichter bij de camera en druk opnieuw op de ontspanknop
van de afstandsbediening.
j Het uitgezonden signaal bereikt de camera niet als de afstand tot de camera te groot is. Houd de
afstandsbediening dichter bij de camera en druk opnieuw op de ontspanknop van de
afstandsbediening.
j Het signaal wordt gestoord. Wijzig het zendkanaal zoals aangegeven in de handleiding van de
afstandsbediening.
Het fotograferen via de afstandsbediening uitschakelen:
j Na het fotograferen via de afstandsbediening wordt deze functie niet automatisch uitgeschakeld.
Druk op knop < / Y / j om de camera op [o] (enkelbeeldopnamen) te zetten, etc.
Gebruik van de ontspanknop op de camera tijdens het fotograferen via de
afstandsbediening:
j De ontspanknop op de camera werkt altijd, ook in de stand “Fotograferen via de
afstandsbediening“.
x Opmerkingen
• Er wordt geen foto gemaakt als de camera niet heeft kunnen scherpstellen op het onderwerp.
• Bij fel licht is het afstandsbedieningslampje moeilijk te zien waardoor u moeilijk kunt bepalen of
de foto wel gemaakt is.
• Met de afstandsbediening kunt u niet in- of uitzoomen.

62
NL
Tijdopnamen met de afstandsbediening

Zet de fotografeerstand op [A]. g“Tijdopnamen“ (Blz. 44)

Druk bij de afstandsbediening op knop W


om de sluiter te openen.
Zodra de bij “BULB TIMER“ Druk op knop T om de sluiter
(gBlz. 103) ingestelde tijd is te sluiten.
verstreken, gaat de sluiter
automatisch dicht.

Anti-shock – trillingen voorkomen


U kunt de interval instellen tussen het moment waarop de camera de spiegel omhoogklapt,
en het moment waarop de sluiter opengaat. Hiermee voorkomt u dat de camera tijdens de
opname trilt door het opklappen van de spiegel. Deze functie kan handig zijn bij astrofotografie
en microscoopfotografie of andere fotografische situaties waarin een zeer lange sluitertijd wordt
gebruikt en trilling van de camera tot een minimum moet worden beperkt.
1 MENU[X][ANTI-SHOCK z]
4
2 Selecteer de tijd (tussen 1 en 30 seconden) die moet verstrijken tussen het

Scherpstellen en opnamefuncties
omhoogklappen van de spiegel en het ontspannen van de sluiter en druk daarna
op i.
3 Anti-shock wordt apart toegevoegd aan de fotografeerfuncties
(enkelbeeldopnamen, repeterende opnamen, en opnamen met de zelfontspanner en
de afstandsbediening). Voor de instelmethode, zie “Repeterende opnamen“
(gBlz. 59).

Beeldstabilisator
U kunt het bewegen van de camera, dat snel optreedt als u in situaties met weinig licht
fotografeert of tijdens het fotograferen met een sterke vergroting, verminderen.
OFF Beeldstabilisator is uit.
I.S. 1 Beeldstabilisator is aan.
I.S. 2 Dit wordt gebruikt als u in horizontale richting beweegt om een wazige achtergrond te
krijgen. De horizontale beeldstabilisator is uitgeschakeld en alleen de verticale
beeldstabilisator is geactiveerd.
1 Druk op knop o, laat deze weer los, en kies daarna k
met de draaiknop de gewenste instelling.

o-knop

63
NL
Instelscherm
: OFF
: I.S. 1
Zoeker : I.S. 2

Bedieningspaneel

Het effect van beeldstabilisator controleren met Live view


U kunt de knop o ingedrukt houden tijdens het live
250 F5.6
bekijken om het effect van de beeldstabilisator op de IS 1
monitor te zien. In die positie kunt u de ontspanknop
helemaal indrukken om een foto te maken.
4 • Als [IMAGE STABILIZER] op [OFF] is gezet, activeert
het indrukken en ingedrukt houden van de knop o de
beeldstabilisator ([I.S. 1]).
Scherpstellen en opnamefuncties

• Door het loslaten van de knop o of het ingedrukt houden


van de knop o gedurende enkele seconden wordt de LN
beeldstabilisator uitgeschakeld. 38
Groen: beeldstabilisator actief
x Opmerkingen Rood: beeldstabilisator fout
• De beeldstabilisator kan geen grote bewegingen van de
camera corrigeren of bewegingen van de camera die
optreden als de sluitertijd op de langste tijd is ingesteld. In die gevallen raden wij het gebruik van
een statief aan.
• Bij het gebruik van een statief zet u [IMAGE STABILIZER] op [OFF].
• Als u een lens gebruikt met een beeldstabilisatiefunctie schakel dan de beeldstabilisatie van de
lens of van de camera uit.
• Bij het uitschakelen van de camera wordt de beeldstabilisator geactiveerd. De camera trilt dan
voor deze functie, dit is geen storing.
• Een rode H op de monitor geeft aan dat de beeldstabilisatorfunctie niet goed werkt. Als u zo
een foto maakt, is de compositie eventueel uit. Neem contact op met uw geautoriseerde
servicecentrum van Olympus

64
NL
5 Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

De beeldkwaliteit selecteren
U kunt de beeldkwaliteit kiezen waarmee de foto wordt opgeslagen. Kies de beeldkwaliteit die
het beste past bij het doel van de foto (printen, bewerken op een pc, bewerken voor een
website, enz.).
Opnameformaten

JPEG

Voor JPEG-beelden selecteert u een combinatie van resolutie (Y, X, W) en compressiefactor


(SF, F, N, B). Beelden zijn opgebouwd uit pixels (puntjes). Als u een beeld gaat vergroten,
ziet u bij een laag aantal pixels eerder een mozaïekpatroon verschijnen. Bij een beeld met een
groot aantal pixels neemt beeldbestand meer geheugenruimte in beslag waardoor u op het
geheugenkaartje minder beelden kunt opslaan. Het beeldbestand wordt kleiner naarmate
u een hogere compressie kiest. In dat geval is het beeld echter minder helder als u het gaat
weergeven.

Beeld met een hoog aantal pixels

Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect


Beeld met een laag aantal pixels

Beeld wordt helderder

Compressiefactor
Aantal SF F N B
Applicatie Aantal pixels
pixels (SuperFijn) (Fijn) (Normaal) (Basis)
1/2.7 1/4 1/8 1/12
Y (Large –
3648 x 2736 YSF YF YN YB
groot)
Het aantal pixels wordt hoger

3200 x 2400
Afhankelijk
van het X (middel) 2560 x 1920 XSF XF XN XB
gewenste
printformaat 1600 x 1200
1280 x 960
1024 x 768
W (Small –
Voor kleine WSF WF WN WB
klein)
afdrukken en
640 x 480
gebruik op
websites.

65
NL
RAW

Dit zijn onverwerkte gegevens waarvan de witbalans, scherpte, contrast of kleur niet veranderd
werden. Gebruik de OLYMPUS Master om ze als een beeld op de computer weer te geven.
RAW-gegevens kunnen niet weergegeven worden op een andere camera of met normale
software, en kunnen niet geselecteerd worden voor printreservering.
U kunt met deze camera opnamen bewerken die met de beeldkwaliteit RAW zijn gemaakt.
g“Foto’s bewerken“ (Blz. 91)

De beeldkwaliteit selecteren
JPEG
Voor JPEG-beelden kunt u 4 combinaties vastleggen van resoluties (Y, X, W) en
compressiefactoren (SF, F, N, B). In totaal zijn er 12 verschillende combinaties mogelijk.
g“K SET“ (Blz. 105)
U kunt kiezen tussen de resoluties X en W en het aantal pixels selecteren.
g“PIXEL COUNT“ (Blz. 105)
RAW + JPEG
Telkens als u een foto maakt, wordt tegelijkertijd een JPEG- en een RAW-beeld opgeslagen.
RAW
Slaat het beeld op in het bestandtype RAW.
Voorbeeld) De volgende 9 beeldkwaliteiten zijn beschikbaar als YF / YN / XN / WN zijn

5 RAW
vastgelegd
: RAW
JPEG : YF / YN / XN / WN
Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

RAW+JPEG : RAW+YF / RAW+YN / RAW+XN / RAW+WN

Superbedieningspaneel ip: [K]

Menu MENU[W][K]

 TIPS
Snel de beeldkwaliteit instellen: arge
Normal
j Als u [RAWK] vastlegt onder knop < kunt u, terwijl u knop
< ingedrukt houdt, met de draaiknop de beeldkwaliteit
instellen. Telkens als u op < drukt, schakelt u om tussen CARD SETUP
“alleen JPEG“ en “JPEG + RAW“. CUSTOM RESETRAW
g“; FUNCTION“ (Blz. 99) PICTURE MODE F
De bestandsgrootte bepalen en het aantal foto’s dat
GRADATION N
u per beeldkwaliteit kunt opslaan:
j “Beeldkwaliteit en bestandsgrootte / het aantal foto’s dat kan N
worden opgeslagen“ (gBlz. 141) WB N
CANCEL SELECT GO

66
NL
Witbalans selecteren
De kleurweergave varieert altijd naargelang de lichtomstandigheden. Als u bijvoorbeeld
daglicht en gloeilamplicht afwisselend op een blad wit papier laat schijnen, ziet u dat de kleur
wit telkens een andere tint heeft. Een digitale camera kan met zijn digitale processor de kleur
van het wit aanpassen zodat de keur er natuurlijker uitziet. Dit noemen we de witbalans. Met
deze camera kunt u de witbalans (WB) op vier manieren aanpassen.
Witbalans automatisch instellen [AUTO]
De camera detecteert dan in de beelden automatisch de witte partijen en past aan de hand
daarvan de kleurbalans aan. Gebruik deze stand bij normaal fotograferen.
Voorgeprogrammeerde witbalans [5] [2] [3] [1] [w] [x] [y] [n]
In deze camera zijn 8 verschillende kleurtemperaturen voorgeprogrammeerd die geschikt zijn
voor een groot aantal verlichtingssituaties, zowel binnenshuis als buitenshuis, inclusief TL,
gloeilampen en flitslicht. Gebruik bijv. een preset WB om meer rood te krijgen in een opname
van een zonsondergang, of creëer hiermee een warm effect bij kunstlichtopnamen.
Custom-witbalans [CWB] (zelf-ingestelde witbalans)
U kunt de kleurtemperatuur instellen tussen 2000 en 14000 K (graden Kelvin). Voor meer
informatie over de kleurtemperatuur, zie “Witbalans en kleurtemperatuur“ (gBlz. 140).
g“Auto WB / preset / custom WB instellen“ (Blz. 68)
Witbalans met één knop [V1] [V2] [V3] [V4]
U kunt voor bepaalde lichtomstandigheden de optimale witbalans instellen door de camera op
een wit object te richten, bijv. een wit stuk papier. De witbalans die zo wordt ingesteld, wordt
opgeslagen als een van de preset WB-instellingen. Er zijn vier “witbalansinstellingen met één
knop“ vastgelegd. g“Een one-touch witbalans instellen (witbalans met één knop)“ (Blz. 70) 5

Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect


WB-stand Lichtomstandigheden
Geschikt voor de meeste lichtomstandigheden (als in de zoeker een witte beeldpartij
AUTO
zichtbaar is) Gebruik deze stand bij normaal fotograferen
Voor buitenopnamen op een heldere dag, of voor meer rode tinten bij een een
5 5300 K
zonsondergang, of voor meer kleuren bij vuurwerk
2 7500 K Voor buitenopnamen in de schaduw op een heldere dag
3 6000 K Voor het fotograferen buiten op een bewolkte dag
1 3000 K Voor fotograferen bij gloeilamplicht
w 4000 K Voor fotograferen bij wit TL-licht
x 4500 K Voor fotograferen bij een neutrale witte TL-lamp
y 6600 K Voor fotograferen bij het licht van daglicht-TL-lampen
n 5500 K Voor flitsopnamen
V De bij “one-touche WB“ ingestelde kleurtemperatuur.
1–4 g“Een one-touch witbalans instellen (witbalans met één knop)“ (Blz. 70)
De kleurtemperatuur die is ingesteld in het menu Custom witbalans. Dit kunt
CWB u instellen tussen 2000 en 14000 K. Als hier geen waarde is ingesteld, staat deze
op 5400 K.

67
NL
Auto WB / preset / custom WB instellen
U kunt de witbalans instellen door de juiste kleurtemperatuur voor de heersende
lichtomstandigheden te kiezen.
F-knop
Directe knop WB + j / k WB-knop k

Superbedieningspaneel ip: [WB]


• U stelt uw eigen witbalans (CWB) in door [CWB] te selecteren en
dan met ingedrukte F-knop de draaiknop te verdraaien.

Menu MENU[W][WB]

MENU-knop
Instelscherm j i-knop
Zoeker

: AWB : #

Kleurtemperatuur : 5 : V

5 WB-stand
• Bij een eigen witbalansinstelling
: 2
: 3
: V
: V
verschijnt de kleurtemperatuur.
Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

: 1 : V
: > :
: >
: >

Bedieningspaneel

 TIPS
Als onderwerpen die niet wit zijn in het wit verschijnen:
j In de stand Auto WB kan de juiste witbalans niet worden bepaald als er binnen het zoekerbeeld
geen witte partijen voorkomen. Probeer het in dit geval met de instelling one-touche WB of met een
van de preset-WB-instellingen.
Witbalanssensor
De camera is voorzien van een witbalanssensor die de Witbalanssensor
kleurtemperatuur van het omgevingslicht vaststelt. De
witbalanssensor meet en berekent het infrarode en zichtbare
licht en bepaalt aan de hand daarvan de lichtbron: zonlicht,
TL, schijnwerper of een andere verlichting. Let op dat
u tijdens het fotograferen de sensor niet afdekt of
overschaduwd.

68
NL
Witbalanscorrectie
Hiermee kunt u de instelling van Auto WB en Preset WB bijregelen.

Directe knop WB + Fk: aanpassen in de A-richting /


j: aanpassen in de G-richting

• Voor de A-richting gebruikt u de hulpdraaiknop, en voor de G-richting de hoofddraaiknop.

Superbedieningspaneel ip: [>]

Menu MENU[W][WB]

• Selecteer de witbalans die u wilt bijregelen en druk op d.

De witbalans bijregelen in de richting A


(amber / blauw) AUTO >
Afhankelijk van de oorspronkelijke witbalans wordt A G
+2 –5
de beeldtint bij het bijregelen naar + oranje (amber),
en naar – blauwer.

De witbalans bijregelen in de richting G AEL


(groen / magenta) WB PREVIEW AFL
Afhankelijk van de oorspronkelijke witbalans wordt de A G GO
beeldtint bij het bijregelen naar + groener, en naar –
roder (magenta).
Instelmenu directe knoppen 5
• De witbalans kunt u in beide richtingen in 7 stappen

Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect


bijregelen.
Instelscherm
Voorbeeld) De richtingen A en G zijn allebei bijgeregeld naar –
Zoeker Bedieningspaneel
Bijregeling naar G: –2

Bijregeling naar A: –3

 TIPS
De aangepaste witbalans controleren:
j Na het instellen van de correctiewaarde richt u de camera op het onderwerp om testopnamen te
maken. Als u op knop AEL / AFL drukt, verschijnen de testbeelden die u met de huidige
witbalansinstellingen hebt gemaakt.
Alle instellingen van de witbalans in één keer aanpassen:
j Zie “ALL >“ (gBlz. 104).

69
NL
Een one-touch witbalans instellen (witbalans met één knop)
Dit komt van pas als de gewenste witbalans nauwkeuriger moet zijn dan de beschikbare preset
WB’s. Om de witbalans te bepalen richt u de camera op een wit vel papier dat verlicht wordt
door de gewenste lichtbron. De optimale witbalans voor deze lichtomstandigheden kunt u voor
maximaal 4 instellingen opslaan in de camera. Dit is handig als u een onderwerp niet alleen bij
natuurlijk licht fotografeert, maar ook bij andere lichtbronnen met verschillende
kleurtemperaturen.
Zet [; FUNCTION] van tevoren op [V]. (gBlz. 99)
1 Richt de camera op een wit vel papier.
• Houd het papier zó dat het de hele zoeker vult. Zorg dat er geen schaduwen zichtbaar zijn.
2 Terwijl u de <-knop ingedrukt houdt, drukt u de <-knop
ontspanknop in.
• Het scherm voor one-touch witbalans verschijnt.
3 Selecteer het nummer van de eenknops witbalans
die u wilt vastleggen en druk op i.
• De witbalans is nu vastgelegd.
• De vastgelegde witbalans wordt in de camera opgeslagen als
een van de preset WB's. De vastgelegde witbalans blijft
bewaard als u de camera uitschakelt.

 TIPS
Na het indrukken van de ontspanknop, verschijnt [WB NG RETRY]:
5 j Het vastleggen van de witbalans is mislukt om een van de volgende redenen: het beeld bevatte te
weinig wit, het beeld is te licht of te donker, of de kleuren zien er onnatuurlijk uit. Wijzig het
diafragma en de sluitertijd en herhaal de procedure vanaf stap 1.
Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

70
NL
WB bracketing (witbalans variëren)
Bij één opname worden automatisch drie foto’s genomen met verschillende witbalansen
(aangepast in de opgegeven kleurrichtingen). Eén foto heeft de opgegeven witbalans en de
andere tonen hetzelfde beeld, maar aangepast in verschillende kleurrichtingen.

Directe knop WB + MODEk: EV-stap in de richting A-B /


j: EV-stap in de richting G-M

• Voor de richting A-B gebruikt u de hulpdraaiknop, en voor de richting G-M de hoofddraaiknop.

Menu MENU[X][WB BKT]

Instelscherm
EV-stap in de richting G-M:
2 STEP

Zoeker
EV-stap in de richting A-B:
4 STEP Bedieningspaneel

• Kies tussen [OFF], [3F 2STEP], [3F 4STEP], en [3F 6STEP]


5
voor de EV-stap voor zowel de richting A-B (amber-blauw) als

Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect


de richting G-M (groen-magenta).
• Als u de ontspanknop helemaal indrukt, worden automatisch WB BKT
3 foto’s gemaakt die aangepast worden in de opgegeven
kleurrichtingen. A-B G-M

3F 4STEP 3F 4STEP
 TIPS
WB bracketing toepassen op de witbalans die u hebt
SELECT GO
ingesteld:
Instelmenu directe knoppen
j Stel eerst met de hand de witbalans in en gebruik vervolgens
WB bracketing. WB bracketing wordt toegepast op de
witbalans die u hebt aangepast.
x Opmerkingen
• Bij WB bracketing kan de camera geen repeterende opnamen maken als op het
geheugenkaartje onvoldoende geheugen beschikbaar is om het geselecteerde aantal beelden
op te slaan.

71
NL
Beeldeffecten
Hiermee kunt u beeldtonen selecteren om unieke effecten te creëren. Beeldparameters zoals
contrast en scherpte kunt u in iedere stand een beetje bijregelen. De veranderbare parameters
worden in elke stand beeldeffecten opgenomen.
[hVIVID] : Voor levendige kleuren.
[iNATURAL] : Voor natuurlijke kleuren.
[jMUTED] : Voor afgevlakte tinten.
[ZPORTRAIT]: Voor mooie huidtinten.
[MONOTONE] : Voor zwart / wit-tinten.
[CUSTOM] : Selecteer een beeldeffect, stel de parameters in en leg deze instelling
vast. Onder [CUSTOM] kunt u ook de gradatie vastleggen. Dit moet u in
het menu apart instellen bij [GRADATION]. g“Gradatie“ (Blz. 73)

Superbedieningspaneel ip: [PICTURE MODE] PICTURE MODE


CARD SETUP
CUSTOM RESEThVIVID
Menu MENU[W] iNATURAL
PICTURE MODE
[PICTURE MODE] GRADATION jMUTED
ZPORTRAIT
De aanpasbare parameters zijn ingedeeld per beeldeffect.
De afzonderlijke paramaters luiden als volgt: WB MONOTONE
[CONTRAST] : Het verschil tussen lichte en donkere CANCEL SELECT GO

5
partijen.
[SHARPNESS] : De beeldscherpte iNATURAL
[SATURATION]: De kleurdiepte van het beeld
[B&W FILTER] : Voor zwart / wit-foto’s. De filterkleur CONTRAST Lo Hi
Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

wordt lichter en de complementaire SHARPNESS Lo Hi

kleur wordt donkerder. SATURATION Lo Hi

[N: NEUTRAL] : Hiermee creëert u een normale


zwart / wit-foto.
[Ye: YELLOW] : Geeft mooi doortekende witte
wolken tegen een helderblauwe CANCEL SELECT GO
lucht.
[Or: ORANGE] : Accentueert de kleuren in blauwe luchten en zonsondergangen
lichtjes.
[R: RED] : Accentueert in sterke mate kleuren in blauwe luchten en de
helderheid van karmozijnrood gebladerte.
[G: GREEN] : Accentueert in sterke mate kleuren in rode lippen en groene
bladeren.
[PICT. TONE] : Kleurt zwart / wit-beelden.
[N: NEUTRAL] : Hiermee creëert u een normale CONTRAST
zwart / wit-foto.
[S: SEPIA] : Sepia
[B: BLUE] : Blauw Lo
0
Hi
[P: PURPLE] : Purper
[G: GREEN] : Groen

CANCEL SELECT GO

72
NL
Gradatie
Naast de [NORMAL] gradatie-instelling, kunt u 3 andere gradatie-instellingen selecteren.
[HIGH KEY] : Gradatie bij een helder onderwerp.
[LOW KEY] : Gradatie bij een donker onderwerp.
[AUTO] : Deelt het beeld op in kleinere gebieden en bepaalt voor elke gebied
afzonderlijk de helderheid. Dit werkt goed bij beelden waarin gebieden
met een hoog contrast voorkomen zodat de lichte partijen te helder, en de
donkere partijen te donker zouden worden.
[NORMAL] : Gebruik bij normale lichtomstandigheden de stand [NORMAL].

HIGH KEY LOW KEY


Geschikt voor onderwerpen Geschikt voor onderwerpen
met veel lichte tinten. met veel schaduwtinten.

Superbedieningspaneel ip: [GRADATION]


5
Menu MENU[W][GRADATION]

Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect


x Opmerkingen
• Contrastaanpassing werkt niet in de standen [HIGH KEY], [LOW KEY] en [AUTO].

73
NL
Ruisonderdrukking
Hiermee reduceert u de ruis die optreedt bij erg lange sluitertijden. Met name bij nachtelijke
opnamen gebruikt u lange sluitertijden en kan in de opnamen beeldruis verschijnen. Als de
sluitertijd lang is, wordt ruisonderdrukking geactiveerd en de camera onderdrukt automatisch
ruis om helderdere beelden te produceren. Daarbij duurt het maken van een foto echter
ongeveer twee keer langer dan normaal.

OFF ON

Menu MENU[W][NOISE REDUCT.]

• Na de opname start het proces waarmee de beeldruis


wordt onderdrukt.
• Tijdens het ruisonderdrukkingsproces knippert de
indicatie-LED Dataverkeer. U kunt pas een volgende foto

5
maken zodra de indicatie-LED Dataverkeer niet meer
brandt.
• [busy] verschijnt in de zoeker terwijl het Ruisonderdrukking [ON]
ruisonderdrukkingsproces bezig is.
Beeldkwaliteit, witbalans en beeldeffect

x Opmerkingen
• Tijdens repeterende opnamen wordt [NOISE REDUCT.] automatisch uitgeschakeld [OFF].
• Bij sommige lichtomstandigheden en onderwerpen werkt deze functie niet optimaal.

Ruisfilter
U kunt het ruisonderdrukkingsniveau selecteren. In de meeste gevallen kunt u [STANDARD]
gebruiken. [HIGH] wordt aanbevolen tijdens fotograferen met hoge gevoeligheid.

Menu MENU[W][NOISE FILTER]

74
NL
6 Gebruik van de flitser

Flitserfunctie instellen
De camera kiest de flitserfunctie aan de hand van diverse factoren zoals een reeks flitsen en
het flitsmoment. Welke flitserfuncties beschikbaar zijn, hangt af van het gekozen programma.
De flitserfuncties zijn ook beschikbaar op apart verkrijgbare externe flitsers.
Autoflitsen AUTO

Bij weinig licht of tegenlicht ontsteekt de flitser automatisch.


Om een onderwerp bij tegenlicht te fotograferen, richt u het autofocusveld op het onderwerp.
Flitssynchronisatiesnelheid / ondergrens
U kunt de sluitertijd veranderen die wordt gebruikt bij het ontsteken van de ingebouwde flitser.
g“#X-SYNC (flitssynchronisatie)“ (Blz. 103), “#SLOW LIMIT“ (Blz. 103)
Flitsen met onderdrukken van rode ogen ! / H

In de stand “Flitsen met onderdrukken van rode


ogen“ ontsteekt de hoofdflits pas na een reeks
inleidende flitsen. Hierdoor wennen de ogen van
de persoon aan het heldere licht waardoor de
kans op rode ogen wordt verkleind. In de
standen S / M / A zal de flitser altijd flitsen.
x Opmerkingen
De ogen van uw onderwerp zien er rood uit.
• Na de inleidende flitsen duurt het ongeveer 1 seconde voordat de sluiter ontspant. Houd de
camera stevig vast om te voorkomen dat de camera beweegt.
• Deze functie sorteert minder effect als het onderwerp niet recht naar de inleidende flitsen kijkt of 6
als de afstand tot het onderwerp te groot is. Ook persoonlijke lichamelijke kenmerken kunnen

Gebruik van de flitser


het effect beperken.
Trage synchronisatie (1e sluitergordijn) #SLOW

De trage synchronisatieflits is bedoeld voor lange sluitertijden. Normaliter kunt u bij het
fotograferen met een flitser geen al te lange sluitertijden instellen om camerabewegingen te
voorkomen. Maar als u een onderwerp tegen een nachtelijke achtergrond fotografeert, wordt
bij snellere sluitertijden de achtergrond te donker. Met trage synchronisatie kunt u zowel de
achtergrond als het onderwerp goed belichten. Omdat u met een lange sluitertijd werkt,
gebruikt u een statief om camerabewegingen te elimineren.

1e sluitergordijn
Normaliter ontsteekt de flitser direct nadat de sluiter volledig geopend is. Dit wordt het 1e
sluitergordijn genoemd. Tijdens flitsopnamen wordt deze methode gewoonlijk toegepast.

75
NL
Trage synchronisatie (2e sluitergordijn) #SLOW2 / 2nd CURTAIN

Bij een “2e sluitergordijn-flits“ ontsteekt de flitser pas net voordat de sluiter dichtgaat. Door het
flitsmoment te wijzigen, kunt u interessante effecten bereiken, bijvoorbeeld het suggereren van
beweging door de achterlichten van een rijdende auto als strepen weer te geven. Hoe langer
de sluitertijd, des te sterker zal het effect zijn. In de standen S / M / A zal de flitser altijd flitsen.
Als de sluitertijd op 2 seconden is gezet

2 seconden

2e sluitergordijn 2 0 1e sluitergordijn
sec. sec.
1e sluitergordijn: flitser ontsteekt
2e sluitergordijn: flitser ontsteekt
Sluiter gaat dicht Sluiter helemaal open

Trage synchronisatie (1e sluitergordijn) / flitsen met onderdrukken van


rode ogen / !SLOW

Als u trage synchronisatie combineert met het gebruik van de flitser, kunt u deze functie ook
gebruiken om rode ogen te onderdrukken. Als u een onderwerp tegen een nachtelijke
achtergrond fotografeert kunt met deze functie het verschijnsel “rode-ogen“ onderdrukken.
Aangezien de tijd tussen de inleidende flitsen en het fotograferen zelf in de 2e
sluitergordijnsynchronisatie lang is, is het moeilijk om rode ogen te onderdrukken. Daarom
staat alleen de instelling van de 1e sluitergordijnsynchronisatie ter beschikking.

6 Invulflits #

De flitser ontsteekt altijd, ongeacht de licht-


Gebruik van de flitser

omstandigheden. Deze functie is vooral nuttig


om schaduwen (bijvoorbeeld van boombladeren)
op het gelaat van personen, in situaties met
tegenlicht, enzovoort weg te werken. Maar ook
om kleurverschuivingen te corrigeren welke
veroorzaakt worden door kunstlicht, en dan met name door TL-licht.
x Opmerkingen
• Als de flits ontsteekt, is de sluitertijd ingesteld op 1/250 seconde of korter. Als u met de
invulflitsen een onderwerp tegen een lichte achtergrond fotografeert, kan de achtergrond
overbelicht zijn. In dit geval gebruikt u de optionele externe flitser FL-50R en fotografeert u in de
stand Super FP. g“Super FP-flitser“ (Blz. 81)
Flitser uit $

De flitser ontsteekt niet.


Zelfs in deze stand kunt u de flitser als AF-lichtbron gebruiken (mits de flitser omhoog staat).
g“AF ILLUMINAT.“ (Blz. 96)

76
NL
Handmatig flitsen (Manual)

Hiermee kunt u de ingebouwde flitser een vaste hoeveelheid licht laten afgeven. Bij handmatig
flitsen is de F-waarde die u moet instellen afhankelijk van de afstand tot het onderwerp.
Hoeveelheid licht naar
RG: gidsnummer (equivalent met ISO 100)
verhouding
VOL (1/1) 13
1/4 6.5
1/16 3.3
1/64 1.6

Bereken met de onderstaande formule de F-waarde die u moet instellen


RG x ISO-waarde
Diafragma (F-waarde) =
Afstand tot het onderwerp in meters

ISO-waarde
ISO-waarde 100 200 400 800 1600 3200
ISO-waarde 1.0 1.4 2.0 2.8 4.0 5.6

#-knop
Directe knop #+j j

Superbedieningspaneel ip: [FLASH MODE]


6
Gebruik van de flitser
Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

Flitserfunctie

• Meer informatie over het oproepen van instellingen vindt u onder “Beschikbare flitsstanden in
de diverse fotografeerstanden“ (gBlz. 139).

77
NL
Fotograferen met de ingebouwde flitser

1 Druk op knop #UP om de ingebouwde #UP-knop


flitser omhoog te laten springen.

2 Druk de ontspanknop half in. Flitser stand-by-teken


• Als # continu oplicht, is de flitser gebruiksklaar.
Als dit teken knippert, is de flitser bezig met
opladen. Wacht in dit geval tot het opladen
is voltooid.
Zoeker
3 Druk de ontspanknop helemaal in.

 TIPS
Een foto maken zonder te hoeven wachten tot de flitser is opgeladen:
j Zie “RLS PRIORITY S / RLS PRIORITY C“ (gBlz. 101).

6 x Opmerkingen
• Afhankelijk van de afstand tot het onderwerp en de gebruikte lens kan bij flitsopnamen
vignettering optreden (donkere hoeken).
Gebruik van de flitser

g“Vignettering bij flitsen met de ingebouwde flitser en een verwisselbare lens“ (Blz. 138)

78
NL
Regelen van de flitssterkte
U kunt de flitssterkte instellen tussen +3 en –3.
Bij sommige situaties krijgt u betere resultaten als u de flitssterkte aanpast, bijv. bij het
fotograferen van kleine objecten en bij een verre achtergrond. Op deze wijze kunt u het
contrast verbeteren (het onderscheid tussen lichte en donkere partijen) waardoor uw foto’s
levendiger worden.
k
Directe knop w+k w-knop

Superbedieningspaneel ip: [w]

Menu MENU[X][w]

Instelscherm
Zoeker Bedieningspaneel

 TIPS
De flitser alleen met behulp van de draaiknoppen instellen:
j Wijs de flitssterkteregeling toe aan de hoofd- of hulpdraaiknop. g“DIAL“ (Blz. 97)
6
x
Gebruik van de flitser
Opmerkingen
• Dit werkt niet bij handmatig flitsen.
• Dit werkt niet als de externe flitser is ingesteld op MANUAL.
• Als u de flitssterkte op de externe flitser hebt ingesteld, wordt dit gecombineerd met de
flitssterkte-instelling van de camera.
• Als u [w+F] hebt ingesteld op [ON], wordt de flitssterktewaarde opgeteld bij de
belichtingscorrectiewaarde. g“w+F“ (Blz. 104)

79
NL
Flash bracketing (flitssterkte variëren)
De camera maakt meerdere opnamen met telkens een andere hoeveelheid flitslicht. De
camera maakt telkens 3 opnamen met de volgende flitssterktes: optimale flitssterkte,
flitssterkte-aanpassing in de richting –, en flitssterkte-aanpassing in de richting +.

Menu MENU[X][FL BKT]

• De correctiewaarde is afhankelijk van de ingestelde EV-stap. g“EV STEP“ (Blz. 103)


• Bij enkelbeeldopnamen verandert de hoeveelheid afgegeven licht tijdens het flitsen elke keer dat de
ontspanknop wordt ingedrukt.
• Bij repeterende opnamen houdt u de ontspanknop ingedrukt tot het geselecteerde aantal foto’s is
genomen.
• Zodra u de ontspanknop loslaat, stopt het fotograferen met flits-bracketing. Zodra bracketing stopt,
knippert 0 in de zoeker en op het bedieningspaneel, en op het superbedieningspaneel zal 0
groen oplichten.

Fotograferen met een externe flitser


Naast de ingebouwde flitser kunt u ook gebruik maken van externe flitsers die geschikt zijn voor
deze camera. Hiermee beschikt u bij flitsopnamen over een groter aantal mogelijkheden bij
verschillende lichtomstandigheden.
De externe flitsers communiceren met de camera, zodat de flitserfuncties van de camera
worden uitgebreid met andere flitserfuncties zoals TTL-AUTO en Super FP. Monteer een voor
deze camera geschikte externe flitser op de flitsschoen van de camera. U kunt de flitser ook
bevestigen op de flitsbeugel op de camera en aansluiten met de optionele flitskabel.
Raadpleeg eveneens de handleiding van de externe flitser.

6 Beschikbare functies bij gebruik van externe flitsers


Optionele flitser FL-50R FL-50 FL-36R FL-36 FL-20 RF-11 TF-22
Gebruik van de flitser

TTL-AUTO, AUTO, MANUAL, TTL-AUTO, AUTO,


Flitsregeling TTL-AUTO, MANUAL
FP TTL AUTO, FP MANUAL MANUAL
RG (richtgetal) RG50 (85 mm*) RG36 (85 mm*)
RG20 (35 mm*) RG11 RG22
(ISO100) RG28 (24 mm*) RG20 (24 mm*)
RC-flitsstand 9 k 9 k k k k

* De brandpuntsafstand van de lens die gebruikt kan worden (kleinbeeldequivalent)

x Opmerkingen
• De optionele flitser FL-40 kunt u niet gebruiken.

80
NL
Gebruik van een externe elektronenflitser
Schakel de flitser altijd pas in nadat u hem op de camera hebt bevestigd.
1 Schuif het afdekkapje uit de flitsschoen Flitsschoenkapje
zoals aangegeven door de pijl in de
afbeelding.
• Bewaar het afdekkapje van de flitsschoen op
een veilige plek zodat u het niet verliest en zet
het na het fotograferen met flits weer op de
camera.

2 Schuif de flitser in de flitsschoen.


• Als de vergrendelpen uitsteekt, verdraait u de
vergrendelring zo ver mogelijk in de
tegengestelde richting van LOCK. Hierdoor
wordt de vergrendelpen naar binnen getrokken.
3 Schakel de flitser in.
Vergrendelpen Vergrendelring
• Als de laadindicator op de flitser gaat branden,
is het opladen voltooid.
• De flitser is gesynchroniseerd met de camera
bij sluitertijden van 1/250 seconde of korter.
4 Selecteer een flitserfunctie.
5 Selecteer de gewenste flitsregeling.
• Kies voor normaal gebruik de instelling
TTL AUTO.
6 Druk de ontspanknop half in.
• De camera en de flitser wisselen nu informatie
uit over de ISO-waarde, de diafragmawaarde
en de sluitertijd.
6
7 Druk de ontspanknop helemaal in.
Gebruik van de flitser
x Opmerkingen
• De ingebouwde flitser kan niet gebruikt worden
als er een externe flitser op de flitsschoen is
aangebracht.

Super FP-flitser
Super FP-flitsen is mogelijk met de flitsers FL-50R en Super FP-flitser
FL-36R. Gebruik een Super FP-flitser als normale flitsers
niet in combinatie met een snelle sluitertijd kunnen worden
gebruikt.
Ook invulflitsen met een ver geopend diafragma (zoals bij Zoeker
portretopnamen buitenshuis) zijn mogelijk met Super FP.
Meer informatie vindt u in de handleiding van de externe flitser.

81
NL
Fotograferen met het draadloze Olympus RC-flitssysteem
Met het draadloze Olympus RC-flitssysteem kunt u zonder kabels meerdere flitsers gebruiken.
Met dit flitssysteem kunt u foto’s maken met meerdere draadloze flitsers en deze flitsers in drie
groepen (A, B en C) aansturen. De ingebouwde flitser verzorgt de communicatie tussen de
camera en de externe flitsers.
Voor meer informatie over draadloos flitsen raadpleegt u de handleiding van de externe flitser.
Instelbereik bij draadloos flitsen
Plaats de draadloze flitser zó dat de RC-sensor ervan naar de camera wijst. De richtlijnen voor
het instelbereik vindt u hieronder. Het bereik is steeds afhankelijk van de omgeving waarin
u fotografeert.

RC-sensor Richting van


de flitslicht-
bundel 30
30°

Naar de camera
gericht 60
60° 30
30°
50
50°
10m
100°
100 50
50°
5m
6
Gebruik van de flitser

1 Plaats de flitser zoals aangegeven bij “Instelbereik bij draadloos flitsen“ en schakel
de flitser in.
2 Zet de flitser met zijn MODE-knop in de RC-flitsstand en stel op de flitser het kanaal
en de groep in.
3 Zet op de camera de RC-flitsstand op [ON].
• MENU[X][#RC MODE][ON]
• Het superbedieningspaneel schakelt over naar de RC-flitsstand
• Met de INFO-knop kunt u het superbedieningspaneel omschakelen.

82
NL
4 Op het superbedieningspaneel kunt u de flitsstand en de andere instellingen voor
elke groep aanpassen.
Flitssterktewaarde

Normaal flitsen / Super FP-flitsen


Groep • Selecteer Normaal flitsen of Super
• Selecteer de FP-flitsen.
flitsregelingsstand 2007. 12.16
en stel de flitssterkte Lichtsterkte van het
voor de groepen A, TTL +1.0 communicatiesignaal
B en C afzonderlijk M 1/8 LO • Zet de lichtsterkte van het
in. Voor MANUAL – communicatiesignaal op
OFF 2
(handmatig) [HI] (hoog), [MID] (medium),
selecteert u de of [LO] (laag).
flitssterkte. Kanaal
Flitsregeling Flitssterkte • Zet het communicatiekanaal op
hetzelfde kanaal dat u op de flitser
gebruikt.

5 Selecteer een flitserfunctie.


• In de RC-flitsstand kunt u niet flitsen met rode-ogen-reductie.
6 Druk op knop #UP om de ingebouwde flitser omhoog te laten springen.
7 Zodra u al deze voorbereidingen hebt getroffen, maakt u wat testopnamen om de
werking van de flitsers en de kwaliteit van de opnamen te controleren.
8 Begin vervolgens met fotograferen en controleer telkens de oplaadindicatie van alle
flitsers.
x Opmerkingen
• Hoewel u een onbeperkt aantal draadloze flitsers kunt gebruiken, raden wij u aan om per groep
niet meer dan 3 flitsers toe te passen om te voorkomen dat de flitsers elkaar gaan storen. 6
• In de RC-flitsstand worden de draadloze flitsers aangestuurd door de ingebouwde flitser.

Gebruik van de flitser


In deze stand kunt u de ingebouwde flitser echter niet gebruiken voor flitsopnamen.
• Voor synchronisatie met het 2e sluitergordijn moet de sluitertijd en anti-shock zijn ingesteld
op een tijd korter dan 4 seconden. Bij een langere sluitertijd of anti-shock-instelling zal het
draadloos flitsen mogelijk niet goed werken.

83
NL
Gebruik van andere in de handel verkrijgbare flitsers
Met deze camera kunt u de flitssterkte alleen maar goed instellen voor flitsers die geschikt zijn
voor deze camera, en dus niet voor andere soorten flitsers. Om een ander soort externe flitser
te gebruiken, monteert u deze in de flitsschoen en sluit u het synchronisatiekabeltje aan op de
connector voor externe flitser. Zet op de camera de fotografeerstand op M. Voor meer
informatie over flitsers die niet speciaal op deze camera zijn afgestemd, zie “In de handel
verkrijgbare flitsers die niet speciaal voor deze camera zijn bedoeld“ (gBlz. 84).
1 Schuif het kapje uit de flitsschoen om de externe Flitsschoenkapje
flitser te kunnen bevestigen.
2 Selecteer de fotografeerstand M (Manual) en stel
vervolgens de diafragmawaarde en de sluitertijd in.
• Zet de sluitertijd op 1/250 s of langzamer. Bij snellere
sluitertijden zijn andere, in de handel verkrijgbare flitsers
onbruikbaar.
• Bij een lange sluitertijd is de kans op onscherpe foto’s
groter.
3 Schakel de flitser in.
Connector voor externe flitser
• Zorg dat u de flitser pas inschakelt zodra deze op de
camera is bevestigd.
4 Stel op de camera de ISO- en diafragmawaarde zó in dat die overeenkomen met de
instelling van de flitser.
• Raadpleeg de handleiding van de flitser over mogelijke instellingen.
x Opmerkingen
• De flitser ontsteekt telkens als u de ontspanknop (helemaal) indrukt. Als u de flitser even niet

6 wenst te gebruiken, schakelt u de flitser gewoon uit.


• Controleer vooraf of de gebruikte flitser wel gesynchronisserd is met de camera.

In de handel verkrijgbare flitsers die niet speciaal voor deze camera zijn
Gebruik van de flitser

bedoeld
1) Sommige soorten externe flitsers werken voor de synchronisatieconnector met een
spanning van 250 Volt. Het gebruik van dit soort flitsers kan de camera beschadigen of niet
goed laten werken. Vraag bij de fabrikant van de flitser de specificaties op van de
flitssynchronisatieconnector.
2) Sommige soorten flitsers zijn voorzien van een synchronisatieconnector met een
omgekeerde polariteit. Dit soort flitsers zal bij deze camera niet werken. Neem contact op
met de fabrikant van de flitser.
3) Om flitsopnamen te kunnen maken, moet u de externe flitser kunnen instellen. Als u de
externe flitser in de stand Automatisch gebruikt, stelt u op de flitser en de camera dezelfde
waarden in voor het diafragma (F-waarde) en de lichtgevoeligheid (ISO).
4) Zelfs als de F-waarde en de ISO-gevoeligheid overeenkomen, is het mogelijk dat opnamen
toch niet altijd correct worden belicht. In dat geval past u de autofocuswaarde of ISO op de
flits aan of berekent u de afstand in de handmatige modus.
5) Gebruik een flitser met een openingshoek die overeenkomt met de brandpuntsafstand van
de lens. Bij een gewone kleinbeeldcamera is de brandpuntsafstand van een lens ongeveer
tweemaal zo groot als van een lens met dezelfde vergrotingsfactor die speciaal voor deze
camera is ontwikkeld.
6) Als een flitser of een andere flitseraccessoire over nog andere communicatiefuncties
beschikt dan die van de door ons aanbevolen flitsers, is het mogelijk dat deze functies niet
normaal werken en zelfs de camera-elektronica kunnen beschadigen.

84
NL
7 Weergavefuncties

Enkel beeld / Gezoomd weergeven


De basisprocedure voor het bekijken van foto's wordt hieronder beschreven.
Voordat u dit gaat doen, dient u echter eerst stap 1 hieronder uit te voeren. U kunt de camera
zó instellen dat deze na het maken van een foto automatisch overschakelt naar
enkelbeeldweergave. g“REC VIEW“ (Blz. 108)
1 Druk op knop q (enkelbeeldweergave). <-knop
• Het laatst opgenomen beeld verschijnt. j k
• Als u binnen ca. 1 minuut niets doet, schakelt
de LCD-monitor zichzelf uit. De camera schakelt
automatisch uit als er 4 uur niets wordt bediend
(fabrieksinstelling). Schakel de camera weer in.
2 Selecteer met p de beelden die u wilt bekijken.
U kunt ook met de draaiknop U selecteren voor
een vergrote weergave.

INFO-knop p q-knop

(Enkelbeeldweergave) (Gezoomd weergeven)


Druk op p om de close-up-

7
LN positie te veranderen.
Weergavefuncties

a : Toont het beeld dat 10 opnamen Druk op de knop INFO


geleden is gemaakt
c : Toont het beeld dat 10 opnamen (Weergave close-up-positie)
later is gemaakt Druk op p om het display
d : Toont het volgende beeld van de close-up-positie te
b : Toont het vorige beeld verplaatsen.

Druk op de <-knop
• Geeft het beeld 10x vergroot weer.

Druk op de knop INFO


(Vergrote weergave beeld-voor-beeld)
• Om te stoppen met de weergave drukt Druk op p om de close-ups
u op knop q. beeld voor beeld te
• Zodra u de ontspanknop half indrukt, bekijken.
kunt u weer fotograferen. • Druk op knop INFO
om terug te keren
naar vergrote
enkelbeeldweergave.
85
NL
Lichtbakweergave
U kunt het weergavebeeld en een ander beeld gelijktijdig aan de linker- en rechterkant van de
monitor. Dit is handig bij het controleren van beelden die u met bracketing hebt opgenomen.
1 Druk op knop P terwijl u een beeld bekijkt. <-knop
• Het beeld dat wordt bekeken, wordt aan de linkerkant j P-knop
van de monitor weergegeven en het volgende beeld
wordt aan de rechterkant weergegeven. Het beeld
wordt met dezelfde vergroting weergegeven als het
bekeken beeld.
• Het beeld aan de linkerkant is het referentiebeeld.
2 Selecteer een beeld met p.
• U kunt het beeld aan de rechterkant beveiligen,
wissen of kopiëren.
3 Druk op knop P.
• De camera keert terug naar de enkelbeeldweergave
van het beeld aan de linkerkant met de bekeken INFO-knop
vergroting.
MENU-knop i-knop

Functies tijdens de lichtbakweergave


• Door op de knop i te drukken wordt het beeld aan de
linkerkant vervangen door het beeld aan de rechterkant en
dit wordt dan het referentiebeeld.
• Met de draaiknop kunt u de vergroting van beide beelden
gelijktijdig veranderen.
• Door knop < of INFO in te drukken, kunt u het beeld aan
de rechterkant verplaatsen met knop p. Door op knop <
Referentiebeeld
of INFO te drukken, kunt u de positie van beide beelden
7 verplaatsen met knop p.

p : Selecteert het rechterbeeld p : Schuift het rechterbeeld op p : Schuift beide beelden


Weergavefuncties

synchroon op
* *

* * U kunt ook op dezelfde manier knop INFO


voor deze procedure gebruiken.

86
NL
Indexweergave / Kalenderweergave
Met deze functie kunt u op de monitor verschillende beelden tegelijkertijd weergeven.
Dit is handig als u tussen een aantal foto’s een bepaalde foto wilt opzoeken.
Telkens als u tijdens enkelbeeldweergave de draaiknop naar j
G draait, wijzigt het aantal beelden dat wordt weergegeven
van 4 naar 9 naar 16 naar 25.
b : Om naar het vorige beeld te gaan.
d : Om naar het beeld erboven te gaan.
a : Om naar het bovenste beeld te gaan.
c : Om naar het beeld eronder te gaan.
• Om terug te keren naar de enkelbeeldweergave draait u de
draaiknop naar U.

(Enkelbeeldweergave) (4-beelden indexweergave) (9-beelden indexweergave)

LN

7
Weergavefuncties

(Kalenderweergave) (25-beelden indexweergave) (16-beelden


indexweergave)

Kalenderweergave
Met kalenderweergave kunt u de op het geheugenkaartje opgeslagen beelden op datum
gesorteerd weergeven. Als u op één datum meerdere foto’s hebt gemaakt, verschijnt de foto
die op die dag als eerste is gemaakt.
Selecteer met p en druk op i om de beelden van de geselecteerde datum in de
enkelbeeldweergave op te roepen.

87
NL
Informatiedisplay
Hiermee kunt u gedetailleerde informatie over een foto
oproepen.
Informatie over de beeldhelderheid kunt u ook laten weergeven
met een histogram en highlight-weergave (lichte partijen).
Druk meerdere keren op de knop INFO tot de gewenste
informatie verschijnt.
• De instelling wordt opgeslagen en verschijnt als het
informatiedisplay de volgende keer opgeroepen wordt.

INFO-knop

Alleen beeld Informatie 1 Informatie 2


x10 x10
LN LN [3648x2736,1/8]

’07.12.16 21:56
100-0015 15 100-0015 15

Toont beeldnummer, Toont beeldnummer,


printreservering, printreservering, beveiliging,
beveiliging, beeldkwaliteit beeldkwaliteit, aantal pixels,
en bestandsnummer compressiefactor, datum en tijd,
en bestandsnummer

Opnamege
gevens
*Histogram Highlight-weergave
(lichte partijen)
7
Als in het histogram de balken rechts
hoger zijn dan links, is de foto misschien 1/250 F5.6
te licht (overbelicht). En als de balken +2.0 45mm
ISO 100
links hoger zijn dan rechts, is de foto 0.0
Weergavefuncties

misschien te donker (onderbelicht). WB : AUTO A : 0


G: 0
Corrigeer indien nodig de belichting of NATURAL
maak de foto nogmaals. sRGB
LN

Algemene
Histogram* informatie

x10 x10 x10


LN LN LN

Shadow-weergave Highlight-weergave Histogramweergave


(schaduwpartijen) (lichte partijen)
De onderbelichte partijen in De overbelichte partijen in de De verdeling van de helderheid
de foto knipperen. foto knipperen. van het opgenomen beeld verschijnt
in een histogram
(helderheidscomponentgrafiek).

88
NL
Diashow
Hierbij worden de beelden die op het kaartje zijn opgeslagen, één voor één weergegeven. De
diashow begint bij het beeld dat op het scherm staat, en laat de volgende beelden 5 seconden
lang op het scherm verschijnen. U kunt de diashow starten vanuit de indexweergave.
Het aantal beelden dat de diashow laat zien, kunt u instellen op 1, 4, 9, 16 of 25.
1 MENU[q][m]
2 Stel dit in met p.
[K] (1 -beeld) / [L] (4 -beelden) /
[M] (9- beelden) / [N] (16 -beelden) /
[O] (25 beelden)
3 Druk op i om de diashow te starten.
4 Druk op i om de diashow te stoppen.

x Opmerkingen
• Als u de diashow langer dan ca. 30 minuten op
batterijvoeding laat draaien, schakelt de camera zichzelf uit. Als u [L] selecteert

Beelden roteren
Met deze functie kunt u beelden roteren (kantelen) en ze tijdens enkelbeeldweergave verticaal
op de monitor laten weergeven. Dit is handig als u foto’s maakt met de camera in verticale
stand. De beelden worden automatisch in de juiste stand weergegeven, zelfs als de camera
gekanteld is.
1 MENU[q][y] F-knop
• Als deze op [ON] staat, worden verticaal opgenomen beelden
tijdens de weergave automatisch geroteerd en weergegeven.
U kunt ook op de knop F drukken om het beeld te roteren en
weer te geven.
• Na het roteren wordt het beeld in die positie opgeslagen op het 7
geheugenkaartje.
Weergavefuncties

Origineel beeld vóór het roteren

L N L N L N L N
F F F

89
NL
Weergave op een televisie
Gebruik de bijgeleverde videokabel om opgenomen beelden op uw televisie weer te geven.
1 Schakel eerst de camera en de televisie q-knop
uit en sluit de videokabel aan zoals
aangegeven in de afbeelding.
2 Zet de televisie aan en zet deze in op de
videostand. Raadpleeg voor informatie
over het omschakelen naar de
videostand de handleiding van uw Video-uitgangsconnector
televisie. VIDEO-OUT
3 Schakel de camera in en druk op knop
q (weergeven).
x Opmerkingen Videokabel
• Sluit de camera met de bijgeleverde
videokabel aan op de televisie.
• Zorg dat het type videosignaal van de
camera overeenkomt met dat van de
televisie. g“VIDEO OUT“ (Blz. 108)
• Zodra u de videokabel aansluit op de
camera, schakelt de cameramonitor Video-ingang
zichzelf uit.
• Bij sommige tv’s verschijnt de foto niet
in het midden van het televisiescherm.

7
Weergavefuncties

90
NL
Foto’s bewerken
Een gemaakte foto kunt u bewerken en opslaan als een nieuwe foto. Welke bewerkingen
u kunt uitvoeren, hangt af van de bestandsindeling (beeldkwaliteit) waarmee de foto is
opgeslagen.
Een JPEG-bestand kunt u ongewijzigd printen. RAW-bestanden kunt u echter niet onbewerkt
printen. Om een RAW-bestand te kunnen printen, moet u dit eerst met de RAW-
bewerkingsfunctie converteren naar een JPEG-bestand.
Als RAW-bestand opgeslagen beelden bewerken
De camera verwerkt de gegevens uit het RAW-bestand (bijv. met witbalans en scherpstelling),
en slaat de gegevens dan op als een nieuw JPEG-bestand. Terwijl u de opgeslagen beelden
controleert, kunt u ze desgewenst bewerken.
De beeldverwerking wordt uitgevoerd aan de hand van de actuele camerainstellingen.
Wijzig de camera-instellingen in uw voorkeursinstellingen voordat u gaat fotograferen.

JPEG-beelden bewerken
[Q] Om de foto te converteren naar 1280 x 960, 640 x 480 of 320 x 240 pixels.
[SHADOW ADJ] Maakt de schaduwpartijen lichter.
1 MENU[q][EDIT]
2 Selecteer een beeld met bd en druk daarna op i.
Bevestig het bestandstype vanaf hier.
• De camera herkent het bestandstype van de
beeldgegevens.
• Bij RAW+JPEG-beelden verschijnt een keuzemenu dat
u vraagt welk bestandstype u wilt bewerken.
3 Welk instelmenu verschijnt, hangt af van het
bestandstype van de beeldgegevens. Selecteer het
item dat u wilt bewerken en volg de onderstaande
stappen. CANCEL SELECT GO

RAW DATA EDIT


7
JPEG EDIT
Weergavefuncties

YES

SHADOW ADJ NO

CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO


• Het bewerkte beeld wordt als een ander beeld opgeslagen, los van het originele beeld.
• Om te stoppen met het bewerken drukt u op knop MENU.
x Opmerkingen
• In de volgende gevallen kunt u een JPEG-beeld niet bewerken:
Als het beeld is opgeslagen in het bestandstype RAW, als een beeld op een pc is bewerkt, als er
onvoldoende ruimte is op de geheugenkaart, als de foto met een andere camera is gemaakt.
• Bij het wijzigen van het aantal pixels ([Q]) kunt u nooit een groter aantal pixels kiezen dan dat
van de originele opname.

91
NL
Beelden kopiëren
Hiermee kunt u beelden van het ene naar het andere geheugenkaartje kopiëren, van
xD-Picture Card naar CompactFlash / Microdrive, en omgekeerd. U kunt dit menu selecteren
als er twee geheugenkaartjes in de camera zitten. Het geselecteerde kaartje is de bron van
waaruit u gaat kopiëren. g“CF / xD“ (Blz. 107)

Enkelbeeldkopie

1 Roep het beeld op dat u wilt kopiëren en druk op COPY / <-knop


COPY / <.
2 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna
op knop i.

Geselecteerde beelden kopiëren

Met deze functie kunt u in de stand enkelbeeld- of indexweergave meerdere beelden


selecteren en deze allemaal tegelijkertijd kopiëren.
1 Roep de foto’s op die u wilt kopiëren en druk
COPY SELECT
daarna op i.
• De geselecteerde beelden krijgen een rood kader.
• Om uw selectie ongedaan te maken, drukt u nogmaals
op i. YES
2 Druk op p om de volgende beelden weer te NO
geven die gekopieerd moeten worden en druk op
de knop i.
7 3 Zodra u de beelden die u wilt kopiëren hebt CANCEL SELECT GO
geselecteerd, drukt u op COPY / <.
4
Weergavefuncties

Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna op knop i.

Alle beelden kopiëren

1 MENU[q][COPY ALL]
2 Druk op d.
COPY ALL

3 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna


op knop i. YES
NO

CANCEL SELECT GO

92
NL
Beelden beveiligen
Beveilig de beelden die niet mogen worden gewist. Beveiligde beelden kunnen niet worden
gewist met de functie “enkel beeld / alle beelden wissen“.

Enkelbeeldbeveiliging

Roep het beeld op dat u wilt beveiligen en druk op 0-knop


knop 0.
• 9 (beveiligingsteken), verschijnt in de rechterbovenhoek van
het scherm.

De beveiliging opheffen
Roep de beveiligde beelden op en druk op knop 0.

i-knop

Geselecteerde beelden beveiligen

Met deze functie kunt u in de stand enkelbeeld- of indexweergave meerdere beelden


selecteren en deze allemaal tegelijkertijd beveiligen.
1 Roep de foto's op die u wilt beveiligen en druk daarna op knop i.
• De geselecteerde beelden krijgen een rood kader.
• Om uw selectie ongedaan te maken, drukt u nogmaals op i.
• Selecteer in de indexweergave met p de beelden die u wilt beveiligen en druk vervolgens op
knop i.
2 Druk op p om de volgende beelden op te roepen die u wilt beveiligen en druk op
knop i.
3 Zodra u de beelden hebt geselecteerd die u wilt beveiligen, drukt u op knop 0. 7
Alle beveiligingen annuleren
Weergavefuncties

Met deze functie kunt de beveiliging van meerdere beelden in één keer annuleren.
1 MENU[q][RESET PROTECT]
2 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna op knop i.
x Opmerkingen
• Bij het formatteren van het geheugenkaartje worden alle beelden gewist, ook de beveiligde
beelden.
g“Het geheugenkaartje formatteren“ (Blz. 133)
• Beveiligde beelden kunnen niet worden gekanteld, ook niet als u op knop F drukt.

93
NL
Beelden wissen
Hiermee kunt u opnamen wissen. U kunt kiezen tussen enkel beeld wissen, waarbij alleen het
momenteel weergegeven beeld wordt gewist; alle beelden wissen, waarbij alle beelden worden
gewist die op het kaartje staan; of geselecteerde beelden wissen, waarbij alleeen de
geselecteerde beelden worden gewist.
x Opmerkingen
• Als u het wissen van alle beelden of van geselecteerde beelden uitvoert voor beelden die met
RAW+JPEG zijn opgenomen, worden zowel de RAW- als ook de JPEG-beelden gewist. Als u
het wissen van een enkel beeld gebruikt, kunt u kiezen of u het JPEG-, RAW- of zowel het
RAW- als ook het JPEG-beeld wist. g“RAW+JPEG ERASE“ (Blz. 105)
• Beveiligde beelden kunt u niet wissen. Als u de beveiliging van de beelden opheft, kunt u ze wél
wissen.
• Eenmaal gewiste beelden kunt u niet meer herstellen. g“Beelden beveiligen“ (Blz. 93)
Wissen van een enkel beeld

1 Geef het beeld weer dat u wilt wissen en druk op


knop S.

S-knop

2 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna


ERASE
op knop i.

7
Weergavefuncties

YES
NO
CANCEL SELECT GO

94
NL
Geselecteerde beelden wissen

Hiermee kunt u in de enkelbeeldweergave of de


indexweergave de geselecteerde beelden in één keer ERASE SELECTED
wissen. BOTH RAW&JPEG ARE ERASED
1 Geef de foto weer die gewist moet worden en druk
YES
op de knop i.
• De geselecteerde beelden krijgen een rood kader. NO
• Om uw selectie ongedaan te maken, drukt u nogmaals
op i.
• Selecteer in de indexweergave met p de beelden die CANCEL SELECT GO
u wilt wissen en druk vervolgens op de knop i.
2 Druk op p om de volgende beelden weer te geven
die gewist moeten worden en druk op de knop i.
3 Zodra u de beelden hebt geselecteerd die u wilt
wissen, drukt u op knop S.
4 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna
op knop i.

Alle beelden wissen

1 MENU[W][CARD SETUP]
2 Selecteer met ac de optie [ALL ERASE] en druk
CARD SETUP
vervolgens op knop i.

ALL ERASE
FORMAT

CANCEL SELECT GO
7
3 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna
Weergavefuncties

op knop i. ALL ERASE


• Alle beelden worden gewist.

 TIPS YES
Onmiddellijk wissen: NO
j Als u “QUICK ERASE“ (gBlz. 105) op [ON] hebt gezet,
kunt u met knop S een beeld onmiddellijk wissen.
j U kunt de beginpositie van de cursor instellen op [YES]. CANCEL SELECT GO
g“PRIORITY SET“ (Blz. 106)

95
NL
8 De camera volgens uw wensen instellen

Via de custom-menu's kunt u de camera aan uw eigen wensen aanpassen. In Custom Menu 1
kunt u de fotografeerfuncties aanpassen, en in Custom Menu 2 de basisfuncties van de camera.
Custom Menu 1 bestaat uit 9 tabbladen (a t/m i) die weer zijn onderverdeeld volgens de
functies die u kunt instellen.

AF/MF A DIAL A DIAL AEL/AFL


BUTTON/DIAL B AEL/AFL S1/C2/M1 B AEL/AFL S-AFS-AF
RELEASE/ C AEL/AFL MEMO OFF C AEL/AFL MEMOC-AFOFF
DISP/8/PC D FUNCTION D FUNCTION MF
EXP/e/ISO E MY MODE SETUP --- E MY MODE SETUP
#CUSTOM F BUTTON TIMER OFF F BUTTON TIMER
CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO CANCEL SELECT GO
Selecteer met ac de optie [Y] Selecteer met ac het tabblad Selecteer met ac een functie
en druk daarna op d. a t/m i en druk daarna op d. en druk daarna op d.

Voor meer informatie over het gebruik van de menulijsten, zie “Gebruik van het menu“
(gBlz. 29).

Custom Menu 1a AF / MF


AF ILLUMINAT.

De ingebouwde flitser kan als AF-lichtbron fungeren. In de stand AF (autofocus)


vergemakkelijkt dit het scherpstellen bij het fotograferen bij weinig licht. Laat de flitser omhoog
springen om deze functie te gebruiken.
FOCUS RING

U kunt kiezen wat voor u de meest logische draairichting Dichtbij )


van de scherpstelring is.

8 C-AF LOCK
) Dichtbij
De camera volgens uw wensen instellen

Als bij het scherpstellen in de stand C-AF de optie C-AF LOCK op [ON] staat, zal de
scherpstelling niet veranderen, ook al wijzigt de afstand tot het onderwerp plotseling. Dit komt
van pas als u op een locatie fotografeert waarbij plotseling iets voor of achter het onderwerp
kan passeren.
AF AREA POINTER

Als deze optie is uitgeschakeld OFF, zal in de zoeker het AF-teken niet meer oplichten zodra de
camera heeft scherpgesteld.
AF SENSITIVITY

Als [AF AREA] op M staat, kunt u het bereik van het autofocuspunt instellen waarbinnen
wordt scherpgesteld.
[NORMAL] De camera stelt scherp op een gebied dat iets groter is dan het geselecteerde
autofocuspunt.
[SMALL] De camera stelt alleen scherp op het gebied binnen het geselecteerde
autofocuspunt. Als u [SMALL] hebt geselecteerd, verandert de
schermindicatie voor [AF AREA] in o.
96
NL
P SET UP

Bij het selecteren van het autofocuspunt kiest u hiermee hoe de draaiknoppen of de
pendelknop moeten werken.
[OFF] Stopt zodra u bij het kiezen van het autofocuspunt het uiteinde van de rij of
kolom bereikt.
[LOOP] Lus – zodra u bij het kiezen van het autofocuspunt het einde van de rij of kolom
bereikt, springt de cursor naar het andere uiteinde van de rij of kolom. Voordat
de cursor naar het andere uiteinde springt, worden eerst alle autofocuspunten
geselecteerd, en wordt [AF AREA] op B gezet.
[SPIRAL] Spiraal - zodra u bij het kiezen van het autofocuspunt het einde van de rij of
kolom bereikt, springt de cursor naar het andere uiteinde van de volgende rij of
kolom. Voordat de cursor naar het andere uiteinde springt, worden eerst alle
autofocuspunten geselecteerd, en wordt [AF AREA] op B gezet.
Voorbeeld) Bij het verspringen van linksboven naar rechts

[OFF] [LOOP] [SPIRAL]

Op B gezet. Op B gezet.

RESET LENS

In de stand [ON] wordt de scherpstelling van de lens steeds op oneindig gezet zodra u de
camera uitschakelt.

BULB FOCUSING

U kunt de camera zo instellen dat u de scherpstelling kunt aanpassen tijdens tijdopnamen in de


stand MF.
[ON] Tijdens de opname kunt u scherpstellen met de scherpstelring.
[OFF] Tijdens de opname is de scherpstelling vergrendeld.
8
Custom Menu 1b BUTTON / DIAL
De camera volgens uw wensen instellen

DIAL

In de standen P, A, S, of M kunt u aan de hoofd- en


hulpdraaiknop andere dan de standaardfuncties toewijzen. DIAL P
U kunt de functies van de hoofd- en hulpdraaiknop bij de
menubediening ook omwisselen met de standaardfuncties
P : [%] / [F] / [w]
A : [FNo.] / [F] / [w] Ps
S : [SHUTTER] / [F] / [w]
M : [SHUTTER] / [FNo.]
MENU : [F] / [G] CANCEL SELECT GO
Hulpdraaiknop Hoofddraaiknop

97
NL
• [F] bij [MENU] houdt in dat u met de draaiknop horizontaal
functies kiest (net als met bd). [G] houdt in dat u met DIAL MENU
de draaiknop verticaal functies kiest (net als met ac).

F G

CANCEL SELECT GO

AEL / AFL bd ac

U kunt in plaats van de ontspanknop ook de knop AEL / AFL gebruiken om scherp te stellen of
de belichting te meten.
Kies de functie van de knop die bij de handeling past als de ontspanknop ingedrukt is.
Selecteer [mode1] t/m [mode4] in elke scherpstelfunctie. (In de C-AF-functie kunt u alleen
[mode4] selecteren.)
Ontspanknopfunctie AEL / AFL-knopfunctie
Als u de AEL- / AFL-knop
Stand Half indrukken Helemaal indrukken
ingedrukt houdt
Scherpstellen Belichting Scherpstellen Belichting Scherpstellen Belichting
[S-AF]
modus1 S-AF Vastgehouden k k k Vastgehouden
modus2 S-AF k k Vastgehouden k Vastgehouden
modus3 k Vastgehouden k k S-AF k
[C-AF]
modus1 C-AF start Vastgehouden Vastgehouden k k Vastgehouden
modus2 C-AF start k Vastgehouden Vastgehouden k Vastgehouden
modus3 k Vastgehouden Vastgehouden k C-AF start k

8 modus4 k k Vastgehouden Vastgehouden C-AF start k


[MF]
De camera volgens uw wensen instellen

modus1 k Vastgehouden k k k Vastgehouden


modus2 k k k Vastgehouden k Vastgehouden
modus3 k Vastgehouden k k S-AF k

Basisfuncties
[mode1] Om tijdens het scherpstellen de belichting in te stellen. Zolang u de knop
AEL / AFL ingedrukt houdt, is AE-lock geactiveerd zodat u de scherpstelling en de
belichtingsinstelling apart kunt uitvoeren.
[mode2] Om de belichting pas in te stellen zodra u de ontspanknop helemaal indrukt.
Dit is handig in situaties waarbij de verlichting sterk wisselt, bijvoorbeeld op een
podium.
[mode3] Om scherp te stellen met de knop AEL / AFL in plaats van met de ontspanknop.
[mode4] Stel scherp met de knop AEL / AFL en stel de belichting in door de ontspanknop
helemaal in te drukken.

98
NL
AEL / AFL MEMO

U kunt de belichtinginstelling vergrendelen en vasthouden met knop AEL / AFL.


[ON] Druk op knop AEL / AFL om de belichtingsinstelling te vergrendelen en vast te
houden. Druk opnieuw op de knop om het behouden van de belichting te
annuleren.
[OFF] De belichting wordt alleen vastgehouden zolang u de knop AFL / AFL ingedrukt
houdt.

; FUNCTION

U kunt een functie toewijzen aan de knop <.


[PREVIEW] / [LIVE PREVIEW] (elektronisch)
Terwijl u de <-knop ingedrukt houdt, kunt u de preview-functie gebruiken.
g“Preview-functie“ (Blz. 45)
[V]
Druk op de <-knop om de witbalanswaarde te verkrijgen.
g“Een one-touch witbalans instellen (witbalans met één knop)“ (Blz. 70)
[P HOME]
Druk op knop < om naar de vastgelegde AF-uitgangspositie te gaan. Druk nogmaals
op deze knop als u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke stand voor het
autofocusveld. g“Een bepaald autofocuspunt vastleggen“ (Blz. 57)
[MF]
Druk op knop < om de AF-stand op [MF] te zetten. Druk nogmaals op deze knop als
u wilt terugkeren naar de oorspronkelijke AF-stand.
[RAWK]
Druk op < om voor de beeldkwaliteit heen en weer te schakelen tussen JPEG en
RAW+JPEG.
U kunt de beeldkwaliteit wijzigen door de hoofd- of hulpdraaiknop te verdraaien terwijl
u knop < ingedrukt houdt.
[P / A / S / M]
U kunt de fotografeerstand wijzigen door de hoofd- of hulpdraaiknop te verdraaien
terwijl u knop < ingedrukt houdt.
[TEST PICTURE]
Door op de ontspanknop te drukken terwijl u de <-knop indrukt, kunt u de zojuist
genomen foto op de monitor controleren zonder de foto op het kaartje te hoeven
opslaan. Dit is handig als u wilt kijken of een foto goed gelukt is zonder deze op te
8
slaan.
De camera volgens uw wensen instellen

[MY MODE]
Terwijl u knop < ingedrukt houdt, kunt u foto's maken met de camera-instellingen die u
eerder hebt vastgelegd onder [MY MODE SETUP]. g“MY MODE SETUP“ (Blz. 100)
[L]
Druk op < voor groothoek-onderwateropnamen en om heen en weer te schakelen
tussen groothoek- en macro-onderwateropnamen. In plaats daarvan kunt u ook
groothoek- of macro-onderwateropnamen selecteren door de MODE-knop ingedrukt te
houden en de hoofddraaiknop te verdraaien.
g“Groothoek- en macro-onderwateropnamen“ (Blz. 45)
[OFF]
Laat geen toewijzing van functies toe.

99
NL
MY MODE SETUP

U kunt twee vaakgebruikte instellingen opslaan onder My Mode. Er bestaan twee


hoofdmanieren om te fotograferen met de vastgelegde My Mode-instellingen.
• Met de MODE-knop kunt u de instellingen opgeven. g“Fotograferen met My Mode“ (Blz. 44)
• Wijs [MY MODE SETUP] toe aan de knop <. g“; FUNCTION“ (Blz. 99)
Om met de knop < te gaan fotograferen met de My Mode-instellingen, volgt u de stappen bij
“Uitvoeren“ hieronder en selecteert u van tevoren de gewenste My Mode-instelling.
Vastleggen
1) Selecteer [MY MODE1] of [MY MODE2] en druk op knop d.
2) Selecteer [SET] en druk op knop i.
• De huidige instellingen worden in de camera vastgelegd. Voor details over de functies die op
My Mode vastgelegd kunnen worden, zie “Programmeerbare functies in My Mode en Uw eigen
reset-instelling“ (gBlz. 142).
• Selecteer [RESET] om het vastleggen te annuleren.
Uitvoeren
1) Selecteer [MY MODE1] of [MY MODE2] en druk op de knop i.
2) Selecteer [YES] en druk op knop i.
• De geselecteerde My Mode is nu geactiveerd.
• Bij het fotograferen drukt u, terwijl u de knop < ingedrukt houdt, de ontspanknop in.

BUTTON TIMER

U kunt instellen dat de directe knop geactiveerd blijft, ook als u deze al hebt losgelaten.
[OFF] Alleen beschikbaar als u op de knop drukt.
[3SEC] / [5SEC] / [8SEC] De knop blijft geactiveerd gedurende het aangegeven aantal
seconden.
[HOLD] De knop blijft geactiveerd tot u deze nogmaals indrukt.
• Knoppen die u kunt instellen met [BUTTON TIMER]
ISO, F, WB, #, w, MODE, G, AF, BKT, < / Y / j

8 U kunt dan de functies van de knoppen AEL / AFL en < omwisselen. Als u [ON] selecteert,
zal de knop AEL / AFL gaan werken als <-knop, en zal de knop < gaan werken als
AEL / AFL-knop.
De camera volgens uw wensen instellen

• Deze instelling geldt ook voor de <-knop op de optionele batterijhouder als deze op de camera is
gemonteerd.

100
NL
Custom Menu 1c RELEASE / j

RLS PRIORITY S / RLS PRIORITY C

Normaliter kunt u geen foto maken terwijl AF (autofocus) bezig is met scherpstellen of terwijl de
flitser wordt opgeladen. Als u toch een foto wilt kunnen maken voordat de camera er helemaal
klaar voor is, gebruikt u de volgende instelling. U kunt deze sluiterprioriteit apart instellen in de
AF-stand.
RLS PRIORITY S Stelt de sluiterprioriteit in voor de S-AF-stand gBlz. 53.
RLS PRIORITY C Stelt de sluiterprioriteit in voor de C-AF-stand gBlz. 53.

O fps

Voor repeterende opnamen kunt u met [O] het gewenste aantal opnamen per seconde
instellen tussen [1 fps] en [4 fps] (1 resp. 4 beelden per seconde).

Custom Menu 1d DISP / 8 / PC

U kunt het piepgeluid, dat afgegeven wordt als de scherpstelling vastgezet wordt, uitschakelen
door op de ontspanknop te drukken.

SLEEP

Als de camera gedurende een bepaalde tijd niet wordt bediend, springt hij automatisch op
sluimerstand (stand by) om de batterijen te sparen. Zodra het superbedieningspaneel
gedurende een bepaalde tijd is weergegeven, gaat de achtergrondverlichting ervan uit. Na
verloop van nog een bepaalde tijd, schakelt de camera naar de sluimerstand. Met [SLEEP]
kunt u de sluimerstandtimer instellen op [1 MIN], [3 MIN], [5 MIN], of [10 MIN]. Met [OFF]
schakelt u de sluimerstand uit.
De camera komt weer uit de stand-by-stand zodra u een van de knoppen indrukt (ontspanknop,
pendelknop, enz.).

BACKLIT LCD (timer displayverlichting)

Om batterijen te sparen wordt, nadat het superbedieningspaneel gedurende een bepaalde tijd
8
is weergegeven, de achtergrondverlichting van de monitor uitgeschakeld en wordt de monitor
De camera volgens uw wensen instellen

donker. Selecteer de tijd waarna de achtergrondverlichting moet uitgaan: [8 SEC], [30 SEC],
of [1 MIN]. [HOLD] laat het achtergrondlicht constant aan.
Het achtergrondlicht van de monitor gaat weer aan zodra u een knop indrukt (ontspanknop,
pendelknop, enz.).

4 h TIMER (timer, na 4 uur automatisch uitschakelen)

U kunt de camera zichzelf automatisch laten uitschakelen als deze 4 uur lang niet wordt
bediend. De camera schakelt niet uit als hij op [OFF] gezet wordt.

101
NL
USB MODE

Met het bijgeleverde USB-kabeltje kunt u de camera rechtstreeks op een computer of printer
aansluiten. Als u van tevoren opgeeft op welk apparaat u de camera aansluit, kunt u de
instelprocedure voor de USB-aansluiting overslaan die normaliter verschijnt als u de kabel
aansluit op de camera. Voor meer informatie over hoe u de camera op een apparaat aansluit,
raadpleegt u “Camera aansluiten op een printer“ (gBlz. 112) en “Camera aansluiten op een
computer“ (gBlz. 116).
[AUTO]
Het selectiescherm voor de USB-aansluiting verschijnt telkens als u de camera op een
computer of printer aansluit.
[STORAGE]
Hiermee kunt beelden overbrengen naar een computer. Selecteer deze stand ook als
u via een pc-aansluiting de OLYMPUS Master software wilt gebruiken.
[MTP]
Hiermee kunt beelden overbrengen naar een computer waarop Windows Vista is
geïnstalleerd, zonder de OLYMPUS Master software te gebruiken.
[CONTROL]
Hiermee kunt u de camera via een pc bedienen met behulp van de optionele OLYMPUS
Studio-software.
[<EASY]
Voor aansluiting op een printer die compatibel is met PictBridge. Hiermee kunt u foto’s
rechtstreeks vanuit de camera afdrukken zonder dat u een pc nodig hebt.
g“Camera aansluiten op een printer“ (Blz. 112)
[<CUSTOM]
Voor aansluiting op een printer die compatibel is met PictBridge. Hierbij kunt u foto’s
printen met vooraf gekozen instellingen voor het aantal prints, de papiersoort enz.
g“Camera aansluiten op een printer“ (Blz. 112)

LIVE VIEW BOOST

Tijdens fotograferen met live bekijken, kunt u de monitor lichter maken voor gemakkelijkere
bevestiging van uw onderwerp.
[OFF]
Het onderwerp wordt weergegeven op de monitor met het helderheidsniveau dat is
8 aangepast aan de ingestelde belichting. U kunt, terwijl u vooraf via de monitor bevestigt,
een foto naar uw wens maken.
[ON]
De camera volgens uw wensen instellen

De camera past het helderheidsniveau automatisch aan en geeft het onderwerp op de


monitor weer voor gemakkelijkere bevestiging. Het effect van de aanpassingen van
belichtingscorrectie worden niet op de monitor weergegeven.

FRAME ASSIST (hulplijnweergave)

U kunt de lijnen op de LCD-monitor weergeven als hulpmiddel bij het bevestigen van de
samenstelling. Druk zo vaak op INFO tot de hulplijnen verschijnen.
g“Het informatiedisplay omschakelen“ (Blz. 31)

102
NL
Custom Menu 1e EXP / e / ISO

EV STEP

U kunt de EV-stap selecteren aan de hand waarvan de belichtingsparameters zoals de


sluitertijd, het diafragma en de belichtingscorrectie worden ingesteld: [1/3 EV], [1/2 EV],
of [1 EV].

ISO STEP

U kunt ook de EV-stap van de ISO-waarde selecteren: [1/3 EV] of [1 EV].

ISO-AUTO SET (ISO-AUTO instellen)

Als ISO is is ingesteld op [AUTO], kunt u de standaard ISO-waarde en de bovengrenswaarde


instellen.
[HIGH LIMIT]
Hiermee stelt u de bovengrens in van de automatisch variërende ISO-waarde. U kunt
de bovengrens instellen tussen 100 en 3.200 in stappen van 1/3 EV.
[DEFAULT]
Hiermee stelt u de standaardwaarde in waarmee normaliter goed belichte opnamen
mogelijk zijn. U kunt deze waarde instellen tussen 100 en 3.200 in stappen van 1/3 EV.

ISO-AUTO

U kunt de fotografeerstand instellen waarbij de instelling ISO [AUTO] wordt geactiveerd.


[P / A / S]
In de standen P / A / S wordt de instelling [AUTO] geactiveerd. Als u [AUTO] instelt
voor andere fotografeerstanden, wordt de ISO-waarde op 100 gezet.
[ALL]
De [AUTO] wordt hiermee geactiveerd voor alle fotografeerstanden. De optimale
ISO-waarde wordt dan automatisch ingesteld, ook in de stand M (Manual).

AEL-lichtmeting

U kunt de lichtmeetmethode instellen als u knop AEL / AFL indrukt om de belichting vast te
houden.
• In de stand [AUTO] wordt de lichtmeetmethode toegepast die u bij [METERING] hebt geselecteerd.
8
De camera volgens uw wensen instellen

BULB TIMER

U kunt voor tijdopnamen een maximumtijd (in minuten) instellen.


Custom Menu 1f # CUSTOM

#X-SYNC (flitssynchronisatie)

U kunt de sluitertijd instellen die wordt gebruikt als de flitser ontsteekt. U kunt deze sluitertijd
instellen tussen 1/60 en 1/250 seconde in stappen van 1/3 EV.
• Voor meer informatie over de flitssynchronisatie van in de handel verkrijgbare flitsers raadpleegt u de
handleiding van die flitser.

#SLOW LIMIT

U kunt de ondergrens (de langste sluitertijd) instellen die de camera bij flitsopnamen mag
gebruiken. U kunt deze sluitertijd instellen tussen 1/30 en 1/250 seconde in stappen van 1/3 EV.

103
NL
w+F

In de stand [ON] wordt deze waarde opgeteld bij de waarde van de belichtingscorrectie en
wordt de flitssterkteregeling geactiveerd.

Custom Menu 1g K / COLOR / WB

ALL >

U kunt in één keer dezelfde correctiewaarde toepassen op alle witbalansstanden.


[ALL SET] Bij alle witbalansen wordt dezelfde correctiewaarde toegepast.
[ALL RESET] De op alle witbalansen toegepaste correctiewaarde wordt hiermee in één
keer ongedaan gemaakt.
Als u [ALL SET] hebt geselecteerd
1) Selecteer de kleurrichting met bd.
Naar A: amber-blauw / Naar G: groen-magenta
2) Stel de correctiewaarde in met ac. g“Witbalanscorrectie“ (Blz. 69)
Zodra u knop AEL / AFL loslaat, wordt een testopname gemaakt. U kunt de aangepaste
witbalans controleren.
Als u [ALL RESET] hebt geselecteerd
1) Met knop ac selecteert u [YES].

COLOR SPACE

Hiermee kunt u selecteren hoe kleuren door de monitor of printer worden weergegeven. Het
eerste teken in de bestandsnaam geeft aan welk kleurenpalet op dat moment is ingesteld.
g“FILE NAME“ (Blz. 106)
[sRGB] Gestandaardiseerde kleurruimte voor Windows.
[Adobe RGB] Kleurruimte die u met Adobe Photoshop kunt instellen.

SHADING COMP. (donkere beeldhoeken corrigeren)

8 Bij gebruik van sommige lenzen kunnen de beeldhoeken schaduwen gaan vertonen. Deze
functie maakt donkere beeldhoeken lichter. Dit komt met name van pas bij gebruik van
groothoeklenzen.
De camera volgens uw wensen instellen

x Opmerkingen
• Deze functie werkt niet als op de camera een teleconverter of een tussenring wordt
gemonteerd.
• Bij hoge ISO-waarden kan de ruis in de beeldhoeken erg gaan opvallen.

104
NL
K SET

U kunt 4 combinaties vastleggen van de beschikbare Leg vier verschillende combinaties


3 resoluties en 4 compressiefactoren. Selecteer de van beeldinstellingen vast.
vastgelegde instelling met [K].
g“De beeldkwaliteit selecteren“ (Blz. 65) DSET

1 2 3 4

Y SF X F W N W SF
Selecteer het gewenste aantal pixels.
PIXEL COUNT Yarge

CANCEL SELECT GO
Selecteer de compressiefactor.
PIXEL COUNT

U kunt het aantal pixels selecteren voor de resoluties [X], [W].


[Xiddle] (medium) Selecteer [3200 x 2400], [2560 x 1920], of [1600 x 1200].
[Wmall] (klein) Selecteer [1280 x 960], [1024 x 768], of [640 x 480].

Custom Menu 1h RECORD / ERASE

QUICK ERASE

U kunt de foto die u zojuist hebt gemaakt, onmiddellijk wissen met knop S.
[OFF] Als u op knop S drukt, verschijnt het bevestigingsscherm waarin wordt gevraagd
of u de foto inderdaad wilt wissen.
[ON] Als u op knop S drukt, wordt de foto onmiddellijk gewist.

RAW+JPEG ERASE

Hiermee selecteert u hoe u RAW+JPEG-beeld wilt wissen. Met deze functie kunt u slechts één
beeld wissen.
[JPEG] Wist alle JPEG-beeldbestanden en laat alleen de RAW-beeldbestanden

[RAW]
staan.
Wist alle RAW-beeldbestanden en laat alleen de JPEG-beeldbestanden
8
staan.
De camera volgens uw wensen instellen

[RAW+JPEG] Wist beide soorten beeldbestanden.


x Opmerkingen
• Deze functie werkt alleen als u één beeld wist. Voor “alle beelden wissen“ of “geselecteerde
beelden wissen“ worden zowel RAW en JPEG gewist, ongeacht deze instelling.

105
NL
FILE NAME

Als u een foto maakt, slaat de camera die foto onder een unieke bestandsnaam op in een map.
Hoe bestandsnamen worden toegekend, ziet u in de onderstaande afbeelding.

Alle mappen Mapnaam


000 OLYMP

Mapnummer (100 – 999)


Bestandsnaam
Pmdd0000.jpg

Bestandsnummer (0001 – 9999)


Als u 9999 foto’s gemaakt heeft, wordt de teller teruggezet
Dag
op 0001 voor de volgende foto, bij het mapnummer wordt de
(01 – 31)
waarde 1 opgeteld om een nieuwe map te benoemen en aan
te leggen waarin het volgende beeld (bestand) is opgeslagen.
Maand
Kleurenpalet (10, 11, 12 wordt A, B, C)
P: sRGB
_: Adobe RGB

[AUTO]
Zelfs als u een nieuw kaartje plaatst, worden de mapnummers van het vorige kaartje
aangehouden. Als het nieuwe kaartje een beeld bevat met hetzelfde bestandsnummer
als een beeld dat op het vorige kaartje is opgeslagen, krijgen de beelden op het nieuwe
kaartje een bestandsnummer dat aansluit op het hoogste nummer van het vorige
kaartje.
[RESET]
Als er een nieuw kaartje ingestoken wordt, beginnen de mapnummers met 100 en
bestandsnummers met 0001. Als een kaartje dat foto’s bevat, ingestoken wordt,
beginnen de bestandsnummers met het nummer dat op het hoogste nummer op het
kaartje volgt.
• Als zowel het mapnummer als het bestandsnummer de maximumwaarde bereikt (999 / 9999),
kunt u op deze geheugenkaart helemaal geen foto’s meer opslaan, ook niet als de kaart nog
niet helemaal vol is. U kunt dan geen foto’s meer maken. Vervang het geheugenkaartje door
een nieuw.

PRIORITY SET
8 U kunt de beginpositie van de cursor ([YES] of [NO]) vastleggen voor de schermen
[ALL ERASE] of [FORMAT].
De camera volgens uw wensen instellen

dpi SETTING

U kunt voor foto’s van tevoren al de printresolutie instellen. Deze printresolutie wordt dan
samen met de foto op de geheugenkaart opgeslagen.
[AUTO] Automatisch, aan de hand van de ingestelde beeldresolutie.
[CUSTOM] Stel de gewenste waarde in. Druk op d om het instelmenu op te roepen.

106
NL
Custom Menu 1i K UTILITY

EXT. WB DETECT (andere witbalans detecteren)

U kunt de witbalanssensor uitschakelen die wordt gebruikt om de automatische witbalans te


bepalen. Dit is relevant als de lichtbron bij de sensor een andere is dan die waarmee het
onderwerp wordt verlicht.

Custom Menu 2

CF / xD

Als er in de camera twee geheugenkaarten zijn ingezet, CompactFlash en xD-Picture Card,


kunt u selecteren welke kaart moet worden gebruikt.

EDIT FILENAME

U kunt aan beeldbestanden een nieuwe naam geven zodat u ze gemakkelijker kunt
terugvinden en organiseren.
Welk deel van de bestandsnaam u kunt wijzigen, hangt af van de ingestelde kleurruimte.
g“COLOR SPACE“ (Blz. 104)
sRGB : Pmdd0000.jpg AdobeRGB : _mdd0000.jpg

U kunt het teken wijzigen in OFF,


A – Z of 0 – 9.

s (helderheid van de monitor aanpassen)

U kunt de optimale helderheid van de monitor instellen.


[AUTO] De omgevingslichtsensor meet het omgevingslicht en past aan de hand
daarvan de helderheid van de monitor aan.
[+7] – [–7] Selecteer met ac de gewenste helderheid van de monitor.

W (taal voor de monitor wijzigen)

Voor de schermteksten en de foutmeldingen kunt u naast het Engels ook andere talen kiezen.
• Met de bij uw camera geleverde OLYMPUS Master software kunt u uw camera van nog andere talen
8
voorzien.
De camera volgens uw wensen instellen

Voor meer informatie, zie “Help“ in de OLYMPUS Master software.


g“Gebruik van de OLYMPUS Master-software“ (Blz. 115)

107
NL
VIDEO OUT

Selecteer NTSC of PAL, afhankelijk van het videosysteem van uw tv-toestel.


In het buitenland moet u deze instelling misschien wijzigen als u de camera op een TV wilt
aansluiten en beelden wilt weergeven. Zorg dat u het juiste type videosignaal hebt
geselecteerd voordat u de videokabel aan gaat sluiten. Als u het verkeerde type videosignaal
hebt geselecteerd, worden de foto's niet goed weergegeven op uw televisie.
Types videosignaal in de belangrijkste landen en gebieden
Controleer het type videosignaal voordat u de camera op de tv aansluit.
NTSC Noord Amerika, Taiwan, Korea, Japan
PAL Europese landen, China

REC VIEW

U kunt de zojuist gemaakte foto weergeven op de monitor terwijl de foto op het


geheugenkaartje wordt opgeslagen, en u kunt instellen hoe lang de foto wordt weergegeven.
Dit is handig als u de foto die u zojuist heeft genomen even wilt controleren. Door de
ontspanknop half in te drukken terwijl u de foto controleert, kunt u onmiddellijk doorgaan met
fotograferen.
[1 SEC] – [20 SEC] Het aantal seconden dat de foto moet worden weergegeven. Dit kunt
u instellen in stappen van 1 seconde.
[OFF] De foto die op het geheugenkaartje wordt opgeslagen, wordt niet
weergegeven.
[AUTO q] Geeft de foto weer die wordt opgeslagen, en schakelt daarna over
naar de stand weergave. Dit is handig om een opname te controleren
en eventueel direct te wissen.

FIRMWARE

De firmwareversie van uw product verschijnt.


Als u informatie gaat inwinnen over uw camera of accessoires, of als u software wilt
downloaden, moet u opgeven welke versie van elk van de producten u gebruikt.
Druk op d. De firmwareversie van uw product verschijnt. Druk op i om terug te keren naar
8 het vorige scherm.
De camera volgens uw wensen instellen

108
NL
9 Printen

Printreservering (DPOF)
Printreservering
Het printreserveringssysteem biedt u de mogelijkheid om samen met de op het kaartje
opgeslagen beelden ook printgegevens (het aantal prints en datum- en tijdinformatie) op te
slaan.
De met printreservering opgeslagen beelden kunt u op de volgende manieren printen.
Laten printen door een voor DPOF ingerichte foto-ontwikkelcentrale
Hier kunnen foto’s geprint worden aan de hand van de printreserveringen.
Printen met een voor DPOF geschikte printer
Foto's kunnen rechtstreeks met een aangesloten printer worden afgedrukt zonder dat u een
pc nodig hebt. Voor meer informatie raadpleegt u de handleiding van de printer. Het is
mogelijk dat u, om te kunnen printen, een PC-kaartadapter nodig heeft.
x Opmerkingen
• Het is mogelijk dat DPOF-reserveringen die werden ingesteld met een ander apparaat, met
deze camera niet gewijzigd kunnen worden. Eventuele wijzigingen moet u dan aanbrengen met
het oorspronkelijke apparaat. Bovendien kunt u door nieuwe DPOF-reserveringen in te stellen
met deze camera, de vorige reserveringen die met een ander apparaat zijn ingesteld, wissen.
• Het is mogelijk dat bepaalde printers of fotospeciaalzaken niet over alle functies beschikken.
• Het bestandstype RAW kan niet worden geprint.

Enkel beeld reserveren


Om voor een foto een printreservering in te stellen, volgt u de bedieningsaanwijzingen.
1 MENU[q][<]

ON
EDIT

COPY ALL
RESET PROTECT
Bedieningsaanwijzingen CANCEL SELECT GO 9
2 Selecteer [<] en druk op i.
PRINT ORDER SETTING
Printen

CANCEL SELECT GO

109
NL
3 Selecteer met bd het beeld waarvoor u een
printreservering wilt instellen en selecteer met
ca het aantal prints.
• Om een printreservering voor meerdere foto’s in te stellen,
herhaalt u deze stap.
4 Druk op de knop i als u klaar bent.
• Het menu voor reservering van een enkel beeld verschijnt.
CANCEL SELECT GO
5 Selecteer de gewenste datumweergave en druk
op i.
[NO] De beelden worden zonder datum en tijd geprint.
[DATE] De foto’s worden geprint met de datum van NO
fotograferen.
[TIME] De foto’s worden geprint met het tijdstip van DATE
fotograferen. TIME

CANCEL SELECT GO
6 Selecteer [SET] en druk op i.
PRINT ORDER SETTING

SET
CANCEL

CANCEL SELECT GO
Alle beelden reserveren
Past printreservering toe op alle beelden die op het kaartje zijn opgeslagen. Het aantal prints is
ingesteld op 1.
1 MENU[q][<]
2 Selecteer [U] en druk op i.
3 Selecteer de gewenste datumweergave en druk op i.
[NO] De beelden worden zonder datum en tijd geprint.

9 [DATE]
[TIME]
De foto’s worden geprint met de datum van fotograferen.
De foto’s worden geprint met het tijdstip van fotograferen.
4 Selecteer [SET] en druk op i.
Printen

110
NL
Printreserveringsgegevens resetten
U kunt alle printreserveringsgegevens annuleren of alleen de gegevens voor geselecteerde
foto’s.
1 MENU[q][<]

Printreserveringsgegevens van alle foto’s annuleren

2 Selecteer [<] of [U] en druk op i. PRINT ORDER SETTING


3 Selecteer [RESET] en druk op i.
PRINT ORDERED
Annuleren van de printreserveringsgegevens van een
geselecteerde foto RESET

2 Selecteer [<] en druk op i. KEEP


3 Selecteer [KEEP] (bewaren) en druk op i.
4 Gebruik bd om het beeld te selecteren met
CANCEL SELECT GO
printreserveringsgegevens die u wilt annuleren
en druk daarna op c om het aantal prints op 0 te
zetten.
5 Druk op de knop i als u klaar bent.
6 Selecteer de gewenste datumweergave en druk op i.
• Deze instelling wordt op alle beelden met printreserveringsgegevens toegepast.
7 Selecteer [SET] en druk op i.

Direct printen (PictBridge)


Sluit u de camera met het USB-kabeltje aan op een voor PictBridge geschikte printer, dan kunt
u de opgeslagen beelden rechtstreeks printen. Om vast te stellen of uw printer wel of niet
geschikt is voor PictBridge raadpleegt u de handleiding van de printer.
PictBridge
De norm die het u mogelijk maakt om digitale camera’s en printers van verschillende
fabrikanten op elkaar aan te sluiten en u toelaat om foto’s rechtstreeks van de camera te
printen.
STANDARD
Alle printers die PictBridge ondersteunen beschikken over standaard printinstellingen.
Selecteer [STANDARD] in het instelmenu gBlz. 113 om de foto's met deze instellingen te
9
printen. Voor meer informatie over de standaardinstellingen van uw printer raadpleegt u de
Printen

handleiding ervan of neemt u contact op met de fabrikant van de printer.

• De beschikbare printfucnties en instellingen, zoals papierformaat, zijn afhankelijk van het type
printer. Voor meer informatie raadpleegt u de handleiding van de printer.
• Voor meer informatie over de soorten printerpapier, inktcassettes, enz., raadpleegt u de handleiding
van de printer.

x Opmerkingen
• Gebruik een volledig opgeladen batterij voor het printen.
• Beelden opgenomen met bestandstype RAW kunnen niet geprint worden.
• De camera kan de sluimerstand niet aannemen, omdat hij verbonden is met het USB-kabeltje.

111
NL
Camera aansluiten op een printer
Gebruik het meegeleverde USB-kabeltje om de camera aan te sluiten op een printer die
compatibel is met PictBridge.
1 Zet de printer aan en verbind met het USB-kabeltje de USB-connector van de
camera met de USB-poort van de printer.
• Voor meer informatie over hoe u de printer inschakelt en over de plaats van de USB-poort,
raadpleegt u de handleiding van de printer.

USB-kabeltje
USB-connector

2 Schakel de camera in.


• Het scherm voor het selecteren van de USB-verbinding wordt weergegeven.
3 Selecteer met p [EASY PRINT] of
USB
[CUSTOM PRINT].
STORAGE
Als u [EASY PRINT] selecteert
MTP
• Ga naar “Eenvoudig printen“ (gBlz. 112)
CONTROL
Als u [CUSTOM PRINT] selecteert EASY PRINT
• [ONE MOMENT] verschijnt terwijl camera en printer met
CUSTOM PRINT
elkaar verbonden worden.
Ga naar “Printen volgens de specificatie van de klant“ SELECT GO
(gBlz. 113)
x Opmerkingen
• Als het scherm na een paar minuten niet verschijnt, koppelt u het USB-kabeltje los start
u opnieuw vanaf stap 1.

9 Eenvoudig printen

1 Selecteer met bd de te printen foto’s om deze op de camera weer te geven.


Printen

• Geef de foto die u wilt printen op de camera weer en sluit


de camera met behulp van een USB-kabeltje op een
printer aan. Het scherm rechts verschijnt korte tijd.
2 Druk op de knop < (print).
• Het instelmenu voor het selecteren van de foto verschijnt
als het printen is voltooid. Om een andere foto te printen,
selecteert u met bd de gewenste foto en drukt u op <.
• Om af te sluiten, koppelt u het USB-kabeltje los van de
EASY PRINT START
camera terwijl het instelmenu voor selecteren van de foto
wordt weergegeven. PC / CUSTOM PRINT

112
NL
Printen volgens de specificatie van de klant

1 Volg de bedieningsaanwijzingen op voor het instellen van een printoptie.

PRINT MODE SELECT


PRINT
ALL PRINT
MULTI PRINT
ALL INDEX
PRINT ORDER
Volg de hier getoonde bedieningsaanwijzingen. EXIT SELECT GO

Printfunctie selecteren
Selecteer de manier van printen (printfunctie) De beschikbare printfuncties staan hieronder
vermeld.
[PRINT] Print geselecteerde foto's.
[ALL PRINT] Print u alle beelden die opgeslagen zijn op het kaartje en maakt van elke foto
een print.
[MULTI PRINT] Print meerdere kopieën van dezelfde foto als afzonderlijke beelden op een
enkel blad.
[ALL INDEX] Print een index van alle beelden die op het kaartje zijn opgeslagen.
[PRINT ORDER] Print overeenkomstig de printreservering die u gemaakt heeft. Als er geen
foto met printreservering bestaat, is deze functie niet beschikbaar.
(gBlz. 110)

De eigenschappen van het printpapier instellen


Deze instelling varieert afhankelijk van het type printer. Als alleen de STANDAARD-instelling van
de printer beschikbaar is, kunt u de instelling niet wijzigen.
[SIZE] Stelt het papierformaat in dat de printer
ondersteunt. PRINTPAPER
[BORDERLESS] Selecteert of de foto op een volledige
pagina wordt geprint of binnen een SIZE BORDERLESS
blanco kader.
STANDARD STANDARD

CANCEL SELECT GO 9
[PICS / SHEET] Selecteert het aantal beelden per blad.
Dit verschijnt als u de functie PRINTPAPER
Printen

[MULTI PRINT] hebt geselecteerd.


SIZE PICS/SHEET

STANDARD 16

CANCEL SELECT GO

113
NL
De beelden die u wilt printen selecteren
Selecteer de beelden die u wilt printen De geselecteerde foto’s kunnen later worden geprint
(reservering van een enkel beeld) of het beeld dat u geopend hebt kan rechtstreeks worden
geprint.
[PRINT] (f) Print de foto die nu wordt
weergegeven. Als er een foto met
een [SINGLE PRINT]-reservering
bestaat, zal alleen deze
gereserveerde foto worden
geprint.
[SINGLE PRINT] (t) Maakt een printreservering voor de
foto die nu wordt weergegeven.
Als u na het maken van een SELECT PRINT
[SINGLE PRINT]-reservering deze SINGLEPRINT MORE
printreservering ook op andere
foto's wilt toepassen, selecteert u met bd de gewenste foto’s.
[MORE] (u) Voor het instellen van het aantal prints en andere eigenschappen van
de nu weergegeven foto, en of u deze wilt printen of niet. Hoe u dat
doet, leest u bij “Printgegevens instellen“
gBlz. 114 in de volgende paragraaf.
Printgegevens instellen
Selecteert of u printgegevens zoals de datum en het tijdstip of de bestandsnaam op de foto wilt
afdrukken.
[<x] Voor het instellen van het aantal prints.
[DATE] Print de datum en het tijdstip die bij de foto PRINT INFO
zijn opgeslagen. 1
[FILE NAME] Print de bestandsnaam die bij het beeld is
DATE WITHOUT
opgeslagen.
FILE NAME WITHOUT

SELECT SET GO
2 Als u de foto’s die u wilt printen en de print- PRINT
gegevens hebt ingesteld, selecteert u [PRINT]
en drukt u op i.
[PRINT] Brengt de beelden die u wilt printen over PRINT
naar de printer.

9
[CANCEL] Annuleert de instellingen. Alle print- CANCEL
reserveringsgegevens gaan dan verloren.
Als u de printreserveringsgegevens wilt
behouden en andere instellingen wilt CANCEL SELECT GO
Printen

maken, drukt u op b. Hiermee keert


u terug naar de vorige instelling. PRINT

• Om te stoppen en het printen te annuleren, drukt u op de


knop i. CONTINUE
[CONTINUE] Het printen wordt voortgezet. CANCEL
[CANCEL] Het printen wordt geannuleerd. Alle
printreserveringsgegevens gaan dan
verloren. SELECT GO

114
NL
10 Gebruik van de OLYMPUS Master-software

Werkvolgorde
Sluit de camera met het USB-kabeltje aan op een computer. Met de meegeleverde
OLYMPUS Master-software kunt u nu eenvoudig beelden die op het kaartje zijn opgeslagen
overbrengen naar de computer.
Voor te bereiden
• CD-ROM met OLYMPUS Master 2 • Een computer die aan de systeemeisen voldoet.
• USB-kabeltje (Deze systeemeisen vindt u in de installatiehandleiding van
OLYMPUS Master.)
Installeren van OLYMPUS Master
(Raadpleeg de installatiegids die is meegeleverd met OLYMPUS Master)

De camera op de computer aansluiten met het meegeleverde USB-kabeltje (gBlz. 116)

Het programma OLYMPUS Master starten (gBlz. 117)

Gebruik van de OLYMPUS Master-software


Foto’s op uw computer opslaan (gBlz. 117)

De camera loskoppelen van de computer (gBlz. 118)

Gebruik van de bijgeleverde OLYMPUS Master-software


Wat is OLYMPUS Master?
OLYMPUS Master is een beeldbeheerprogramma met functies om beelden die u met uw
digitale camera gemaakt heeft te bekijken en te bewerken. Als u de software op uw computer
hebt geïnstalleerd, kan u gebruik maken van volgende mogelijkheden.
z Beelden overbrengen van de camera of z Beelden corrigeren met filters en
verwisselbare media naar uw computer correctiefuncties
z Beelden bekijken z Beelden bewerken
U kunt ook genieten van diashows en geluid U kunt beelden draaien, deelvergrotingen
afspelen. maken of de resolutie wijzigen.
z Beelden groeperen en organiseren
U kunt beelden in albums of mappen verdelen.
z Diverse printformaten
U kunt uw foto’s eenvoudig printen.
10
Overgebrachte beelden worden automatisch z De firmware van de camera actualiseren
op datum georganiseerd, waardoor u de z RAW-beelden bewerken
beelden die u zoekt snel kunt vinden.

Voor informatie over de andere mogelijkheden van OLYMPUS Master en voor details over het gebruik
van de software, raadpleegt u “Help“ in de OLYMPUS Master software.

115
NL
Camera aansluiten op een computer
Sluit de camera aan op uw computer met het meegeleverde USB-kabeltje
1 Met het meegeleverde USB-kabeltje verbindt u de USB-poort van de computer met
de USB-connector van de camera.
• De plaats van de USB-poort is afhankelijk van het soort computer. Voor meer informatie
raadpleegt u de handleiding van de computer.

Zoek dit teken.

Contact

USB-poort

USB-kabeltje Kleiner contact USB-connector

2
Gebruik van de OLYMPUS Master-software

Zet de cameraschakelaar op ON.


• Het scherm voor het selecteren van de USB-verbinding USB
wordt weergegeven. STORAGE
3 Selecteer met ac de optie [STORAGE]. MTP
Druk op knop i. CONTROL
4 De computer herkent de camera als een EASY PRINT
nieuw apparaat.
CUSTOM PRINT
Windows SELECT GO
• De eerste keer dat u de camera op uw computer aansluit,
herkent de computer automatisch de camera. Klik op “OK“ als de melding dat de installatie
voltooid is, verschijnt.
De computer herkent de camera als een “Verwisselbaar opslagmedium“ .
Macintosh
• iPhoto is de standaard software voor het beheren van beelden voor Mac OS. Sluit u uw digitale
Olympus-camera voor de eerste keer aan, dan wordt automatisch het applicatieprogramma
iPhoto opgestart. Sluit iPhoto en start OLYMPUS Master.
x Opmerkingen
10 • Sluit u de camera aan op een computer, dan zijn alle knoppen van de camera buiten bedrijf.

116
NL
Start de OLYMPUS Master-software
Windows

1 Dubbelklik op het pictogram “OLYMPUS Master 2“ op het bureaublad.


Macintosh

1 Dubbelklik op het pictogram “OLYMPUS Master 2“ in de map


“OLYMPUS Master 2“.
• Het venster “Bladeren“ verschijnt.
• Als OLYMPUS Master voor de eerste keer na installatie wordt opgestart, worden het eerste
instelmenu en het venster voor gebruikersregistratie van OLYMPUS Master weergegeven
vóór het venster “Bladeren“. Ga te werk volgens de aanwijzingen op het scherm.

OLYMPUS Master sluiten

1 Klik op “Afsluiten“ op elk venster.


• Daarmee sluit u het programma OLYMPUS Master.

Weergeven van gefotografeerde beelden op een computer


Beelden downloaden en opslaan

Gebruik van de OLYMPUS Master-software


1 Klik op “Beelden overbrengen“ in het venster
“Bladeren“ en klik dan op “Vanuit camera“ .
• Het venster voor het selecteren van de beelden die u vanuit de
camera wilt overbrengen wordt weergegeven. In dit venster
worden alle beelden getoond die in de camera opgeslagen zijn.

2 Selecteer “Nieuw album“ en voer een albumnaam in.


3 Selecteer de beeldbestanden en klik op de knop
“Transfer Images“ (Beelden overbrengen).
• Daarna verschijnt een venster dat aangeeft dat het downloaden
voltooid is.

4 Klik op de knop “Nu in beelden bladeren“.


• In het venster “Bladeren“ worden de beelden die gedownload zijn,
weergegeven.
10

117
NL
Camera loskoppelen van de computer

1 Controleer of de indicatie-LED Dataverkeer niet


meer knippert.

Indicatie-LED Dataverkeer

2 Geef op de computer aan dat u het USB-kabeltje wilt


verwijderen.
Windows
1) Klik op het pictogram “Hardware ontkoppelen of uitwerpen“
in de knoppenbalk.
2) Klik op de getoonde melding.
3) Klik op “OK“ in het venster “Opslaan voor verwijderen
hardware“.
Gebruik van de OLYMPUS Master-software

Macintosh
1) Het pictogram van de prullenbak verandert in een
verwijderpictogram als u het pictogram “Untitled“
(Zonder titel) of “NO_NAME“ (Naamloos) op het
bureaublad sleept. Sleep dit pictogram op het
verwijderpictogram en zet het daar neer.
3 Trek de plug van het USB-kabeltje uit de camera.
x Opmerkingen
• Voor gebruikers van Windows:
10 Als u op “Hardware loskoppelen of uitwerpen“ klikt, is het mogelijk dat er een waarschuwing
verschijnt. Gebeurt dat inderdaad, dan controleert u of de camera bezig is met het lezen van
beeldgegevens of dat applicatiesoftware actief is met het openen van camera beeldbestanden.
In dat geval sluit u de applicatiesoftware, klikt u weer op “Hardware loskoppelen of uitwerpen“
en verwijdert u het kabeltje.

118
NL
Stilstaande beelden bekijken

1 Klik op het tabblad “Album“ in het venster “Bladeren“ Thumbnail


en selecteer het album dat u wilt bekijken.
• Het geselecteerde albumbeeld wordt weergegeven in het
thumbnailgebied.
2 Dubbelklik op de thumbnail van het stilstaande beeld
dat u wilt bekijken.
• OLYMPUS Master schakelt om naar het venster voor het
bewerken van het beeld en het beeld wordt vergroot.
• Klik op “Terug“ om terug te keren naar het venster
“Bladeren“.

Als u meer talen nodig heeft

Gebruik van de OLYMPUS Master-software


Zorg ervoor dat de batterij geheel opgeladen is!
1 Controleer of uw computer is aangesloten op internet.
2 Steek de ene plug van het USB-kabeltje in de USB-poort van de computer.
3 Steek de andere plug van het USB-kabeltje in de USB-connector van de camera.
• De camera wordt automatisch ingeschakeld.
• De monitor van de camera wordt ingeschakeld, met daarin het instelmenu voor de
USB-aansluiting.
4 Selecteer [STORAGE] en druk op i.
5 Selecteer in het venster “Bladeren“ “Camera“, daarna “Camera actualiseren /
Taal voor de monitor toevoegen“.
• Het bevestigingsvenster voor het actualiseren wordt weergegeven.
6 Klik op “OK“.
• Het venster voor het actualiseren van de camera wordt weergegeven.
7 Klik op “Taal toevoegen“ in de weergave
van het actualiseren van de camera.
• Het venster “Taal voor de monitor van camera
toevoegen“ wordt weergegeven.

10

119
NL
8 Klik en selecteer een taal.
9 Klik op “Add“ (Toevoegen).
• De nieuwe taal wordt op uw camera gedownload.
Verwijder geen kabeltjes of batterijen terwijl de camera
hiermee bezig is.
10 Na het downloaden geeft het scherm van de camera “OK“ weer. U kunt de kabeltjes
verwijderen en de camera uitschakelen. Na het herstarten van de camera kunt u bij
[W] de nieuwe taal kiezen.

Beelden overbrengen naar uw computer zonder OLYMPUS Master te


gebruiken
Uw camera voldoet aan de normen voor USB Mass Storage Class. U kunt beelden
overbrengen naar een computer door de camera met het meegeleverde USB-kabeltje op een
computer aan te sluiten. Dit kan zelfs zonder dat u hiervoor OLYMPUS Master gebruikt. De
volgende besturingssystemen ondersteunen de USB-aansluiting:
Windows : 2000 Professional / XP Home Edition / XP Professional / Vista
Macintosh : Mac OS X v10.3 of een latere versie
x Opmerkingen
• Als op uw computer Windows Vista loopt, selecteert u [MTP] in stap 3 op bladzijde 116 om
Gebruik van de OLYMPUS Master-software

Windows Photo Gallery te kunnen gebruiken.


• In de volgende werkomgevingen is een geslaagde gegevensoverdracht niet gegarandeerd,
ook niet als de computer is uitgerust met een USB-poort.
• Computers met nieuw geïnstalleerde USB-poort met uitbreidingskaartje, enzovoort.
• Computers zonder een af fabriek geïnstalleerd besturingssysteem en zelfgebouwde
computers.

10

120
NL
11 Fotografeertips en onderhoud

Fotografeertips en -informatie
Tips voordat u gaat fotograferen

De camera schakelt niet in, zelfs niet als batterijen zijn geplaatst

De batterij is niet volledig opgeladen


• Laad de batterij op met het laadapparaat.
De batterijen werken tijdelijk niet vanwege een te lage temperatuur
• Bij lage temperatuur nemen de prestaties van batterijen af. Het opladen helpt niet om de camera in te
schakelen. Verwijder de batterij en warm deze op door deze een tijdje in uw zak te houden.

Er wordt geen opname gemaakt als de ontspanknop wordt ingedrukt

De camera is automatisch uitgeschakeld


• Om de batterijen te sparen als de camera niet bediend wordt, zal de camera na een vastgestelde tijd
in de sluimerstand gaan en niet langer meer werken. Om de camera weer te activeren, drukt u op de
ontspanknop of op een andere knop. De camera schakelt automatisch uit als er 4 uur niets wordt
bediend. De camera werkt niet tot hij weer ingeschakeld wordt.
g“SLEEP“ (Blz. 101), “4 h TIMER (timer, na 4 uur automatisch uitschakelen)“ (Blz. 101)
De flitser wordt opgeladen
• Als de flitser aan staat en het #-symbool in de zoeker knippert, betekent dit dat de flitser opgeladen
wordt. Wacht tot het knipperen stopt en druk dan op de ontspanknop.
Kan niet scherpstellen
• Als het AF-teken in de zoeker knippert, betekent dit dat de camera niet kan scherpstellen met AF.
Druk de ontspanknop weer in.
Ruisonderdrukking is geactiveerd
• Met name bij nachtelijke opnamen gebruikt u lange sluitertijden en kan in de opnamen beeldruis
Fotografeertips en onderhoud
verschijnen. De camera activeert de ruisonderdrukking na het fotograferen met lange sluitertijden.
Tijdens dit proces niet fotograferen. U kunt [NOISE REDUCT.] op [OFF] zetten.
g“Ruisonderdrukking“ (Blz. 74)

De datum en tijd zijn niet ingesteld

De camera wordt gebruikt met de instellingen van het moment van aanschaf
• De datum en tijd van de camera is niet ingesteld bij aanschaf. Stel de datum en tijd in voordat u de
camera gebruikt. g“Datum en tijd instellen“ (Blz. 15)
De batterij is uit de camera verwijderd
• De datum en tijd worden naar de standaardinstellingen af fabriek hersteld als ongeveer 1 dag geen
batterij in de camera zit. Deze instellingen kunnen eerder verloren gaan als de batterij maar
gedurende een korte tijd in de camera geladen is voordat deze eruit werd gehaald. Controleer,
voordat u belangrijke foto’s gaat maken, of de juiste datum en tijd zijn ingesteld.

11

121
NL
Fotografeertips

Scherpstellen op het object

Er zijn verschillende manieren om scherp te stellen, afhankelijk van het onderwerp.


Autofocusveld is niet scherpgesteld op het onderwerp
• Gebruik het scherpstelgeheugen (focus lock) om in het autofocusveld scherp te stellen op het
onderwerp. g“Focus lock – Als het scherpstellen niet lukt (scherpstelgeheugen)“ (Blz. 58)
Autofocus stelt scherp op een ander punt dan het onderwerp in het autofocusveld
• Zet [AF AREA] op M en stel scherp op het geselecteerde autofocusveld.
g“Autofocusveld selecteren“ (Blz. 55)
Het onderwerp beweegt snel
• Stel de camera scherp op een punt, dat zich op ongeveer dezelfde afstand bevindt als het object dat
u wilt fotograferen (door de ontspanknop half in te drukken), kader uw foto opnieuw af en wacht totdat
het object binnen het beeld verschijnt.
Haal uw onderwerp dichterbij met de macrolens
• Als u de macrolens gebruikt om het onderwerp dichterbij te halen, is het moeilijk om met AF scherp te
stellen als de vergrotingsfactor van het onderwerp groter is. Stel het handmatig scherpstellen (MF) in,
draai de scherpstelring en stel handmatig scherp. g“MF (handmatig scherpstellen)“ (Blz. 54)
Fotograferen onder slechte lichtomstandigheden
• De ingebouwde flitser kan als AF-lichtbron fungeren. In de stand AF helpt de flitser u scherp te stellen
onder slechte lichtomstandigheden, als de flitser omhoog staat.
g“Fotograferen met de ingebouwde flitser“ (Blz. 78), “AF ILLUMINAT.“ (Blz. 96)
Onderwerpen waarop de camera moeilijk kan scherpstellen

Het kan moeilijk zijn om met autofocus in de volgende situaties scherp te stellen.

AF-teken knippert
Deze onderwerpen
worden niet
scherpgesteld.
Fotografeertips en onderhoud

Object met weinig contrast Extreem fel licht in het Onderwerp met patronen
midden van het beeld die zich herhalen
AF-teken gaat branden
maar het onderwerp is
niet scherpgesteld.

Onderwerpen op Snel bewegende Het onderwerp valt niet


verschillende afstanden onderwerpen binnen AF AREA

Stel altijd scherp op iets dat een hoog contrast heeft en zich op dezelfde afstand als het
onderwerp bevindt, bepaal de compositie en neem de foto.

Foto’s maken zonder bewegingsonscherpte

11 Er zijn verschillende factoren die ervoor zorgen dat het beeld onscherp wordt.
Het onderwerp is te donker
• Verander de sluitertijd om deze aan de helderheid van het onderwerp aan te passen. Als de sluitertijd
lang is ingesteld om een donker onderwerp te fotograferen, is het goed mogelijk dat de opname
onscherp wordt als het onderwerp beweegt.
Verhoog de ISO-waarde. Bij een lange sluitertijd krijgt u sneller bewogen (onscherpe) opnamen.
Monteer de camera op een statief. Door de afstandsbediening (optioneel) voor het sluiten van de
sluiter te gebruiken, kan ook de bewegingsonscherpte verminderd worden.
De camera of uw hand beweegt als u op de ontspanknop drukt
• Druk voorzichtig op de ontspanknop of houd de camera stevig met beide handen vast.
• Gebruik de beeldstabilisatorfunctie. g“Beeldstabilisator“ (Blz. 63)
122
NL
Foto's maken met minder flits

In de stand autoflitsen gaat de flitser bij te weinig licht automatisch af. Als het object te ver weg
is, heeft de flitser geen invloed. Hier wordt beschreven hoe u in dergelijke situaties foto’s dient
te maken zonder de flitser.
De beeldstabilisatorfunctie instellen
• Deze functie vermindert het bewegen van de camera en maakt het mogelijk de camera vast te
houden en foto’s te nemen in situaties met weinig licht met de flitser uit.
g“Beeldstabilisator“ (Blz. 63)
Verhoog de ISO-waarde
• Verhoog de ISO-waarde. Het beeld kan korrelig worden. g“ISO-waarde instellen“ (Blz. 50)

Het beeld is te korrelig

Er zijn verschillende factoren die ervoor zorgen dat het beeld korrelig wordt.
Kies een hogere ISO-gevoeligheid
• Als u de ISO-waarde verhoogt, kan er “beeldruis“ optreden (puntjes met ongewenste kleuren of
onregelmatigheden in kleurvlakken), wat het beeld korrelig maakt. Deze camera is uitgerust met
een functie voor fotograferen met een hoge gevoeligheid met ruisonderdrukking. Door de
ISO-gevoeligheid te verhogen ontstaan echter korreligere beelden dan wanneer er een lagere
gevoeligheid wordt gebruikt. g“ISO-waarde instellen“ (Blz. 50)

Gemaakte foto’s zien er witachtig uit

Dit kan gebeuren als de foto met tegenlicht of semi-tegenlicht gemaakt is. Dit wordt veroorzaakt
door het verschijnsel dat lichtverstrooiing of lichtspiegeling wordt genoemd. Bedenk zoveel
mogelijk een compositie waarbij een sterke lichtbron niet in het beeld wordt opgenomen.
Een lichtvlek kan zelfs optreden als een lichtbron niet in het beeld aanwezig is. Gebruik een
zonnekap om de lens tegen de lichtbron af te schermen. Als een zonnekap niet helpt, gebruikt
u uw hand om de lens tegen het licht af te schermen. g“Verwisselbare lenzen“ (Blz. 134)

Foto’s maken met de juiste kleur


Fotografeertips en onderhoud
De oorzaak van verschillen tussen de kleuren op een foto en de werkelijke kleuren is de
lichtbron die het object verlicht. [WB] is de functie waarmee de camera de juiste kleuren kan
bepalen. In normale gevallen zorgt de [AUTO]-instelling voor de optimale witbalans, maar
afhankelijk van het onderwerp kan het beter zijn om te experimenteren met het wijzigen van de
[WB]-instelling.
• Als het onderwerp zich op een zonnige dag in de schaduw bevindt.
• Als het onderwerp wordt verlicht door zowel natuurlijk licht als verlichting binnen, bijvoorbeeld
wanneer het onderwerp zich vlakbij een raam bevindt.
• Als er geen witte partijen in het beeld voorkomen. g“Witbalans selecteren“ (Blz. 67)

Foto's maken van een wit strand of een sneeuwlandschap

In normale gevallen lijken witte onderwerpen, zoals sneeuw, donkerder dan gebruikelijk als de
foto gemaakt is. Er bestaan diverse manieren om het wit vast te leggen.
• Corrigeer de belichting in de richting van de [+]. g“Belichtingscorrectie“ (Blz. 47)
• Selecteer [nHI] (spotmeting bij veel lichte partijen).
11
Druk de ontspanknop half in op het midden van de zoeker waar u het wit wilt ophelderen.
Het gemeten deel in het midden wordt zo ingesteld dat het witter lijkt.
g“Lichtmeetmethode wijzigen“ (Blz. 46)
• Maak de foto’s met de functie AE-bracketing.
Als u niet weet hoe groot belichtingscorrectie moet zijn, probeer dan AE-bracketing. De
correctiewaarde verandert een beetje met elke druk op de ontspanknop. Als u een grotere
belichtingscorrectie instelt, kunt u de correctiewaarde vanaf deze waarde naar boven of naar
beneden veranderen en de foto nemen. g“AE bracketing (belichting variëren)“ (Blz. 48)

123
NL
Foto’s maken van een onderwerp met tegenlicht

Als de achtergrond in vergelijking met het onderwerp te licht is, wordt de belichting op de lichte
plekken beïnvloed en lijkt het onderwerp donkerder. Dit komt omdat de camera de belichting
bepaalt naar aanleiding van de helderheid van het hele scherm.
• Zet [METERING] op [n] (spotmeting) om de belichting van het onderwerp in het midden van het
beeld te meten. Om de compositie te veranderen, zet u het onderwerp in het midden van de beeld.
Terwijl u de knop AEL / AFL ingedrukt houdt, verandert u de compositie en drukt u de ontspanknop
in. g“Lichtmeetmethode wijzigen“ (Blz. 46)
• Activeer de flitser, zet de flitserfunctie op [#] (invulfiltsen) en neem de foto. U kunt een onderwerp
fotograferen met tegenlicht zonder dat het gelaat van het onderwerp donkerder lijkt. [#] (invulflitsen)
wordt gebruikt voor het fotograferen met tegenlicht en onder TL-licht en ander kunstlicht.
g“Flitserfunctie instellen“ (Blz. 75)
Foto ist te licht of te donker

Bij het maken van foto’s in de standen S of A kan de aangegeven sluitertijd of het aangegeven
diafragma gaan knipperen. Dit geeft aan dat er geen correcte belichting mogelijk is. Als u de
foto zo neemt, wordt de foto te licht of te donker. Als dat gebeurt, verandert u het diafragma of
de sluitertijd. g“Diafragmavoorkeuze“ (Blz. 41), “Sluitertijdvoorkeuze“ (Blz. 42),
“Waarschuwingsindicatie belichting“ (Blz. 137)
Onbekende heldere puntjes verschijnen op het onderwerp van de gemaakte foto

Dit kan worden veroorzaakt door vastgeraakte pixel(s) op het beeldopneemelement. Voer
[PIXEL MAPPING] uit. Als het probleem niet is opgelost, herhaalt u Pixel Mapping een paar
keer. g“Pixel mapping – Controleren van de beeldbewerkingsfuncties“ (Blz. 130)
Aanvullende fotografeertips en -gegevens
Het aantal foto’s dat gemaakt kan worden, verhogen

Het opgenomen beeld wordt op het geheugenkaartje opgeslagen. Hieronder wordt beschreven
hoe u meer beelden kunt opslaan.
• Verander de beeldkwaliteit.
Fotografeertips en onderhoud

De grootte van een beeld is afhankelijk van de beeldkwaliteit. Als u niet zeker weet hoeveel plaats
er op het kaartje beschikbaar is, verandert u de beeldmodus en neemt u de foto. Hoe kleiner de
resolutie en hoe hoger de compressiefactor, des te kleiner zal de omvang van het fotobestand
worden. Om de bestandsgrootte te beperken, combineert u een lage resolutie met een hoge
compressiefactor en legt u deze instelling vast met [K SET].
U kunt het aantal pixels nog verder terugbrengen door bij [PIXEL COUNT] een lager aantal pixels in
te stellen voor de resoluties [X] of [W].
g“De beeldkwaliteit selecteren“ (Blz. 65), “K SET“ (Blz. 105), “PIXEL COUNT“ (Blz. 105)
• Gebruik een kaartje met een grote opslagcapaciteit.
Het aantal beelden dat kan worden opgeslagen is afhankelijk van de capaciteit van het kaartje.
Gebruik een kaartje met een grote opslagcapaciteit.
Gebruik van een nieuw kaartje

Als u een kaartje gebruikt van een andere merk dan Olympus of een kaartje met een andere
11 toepassing, zoals voor een computer, wordt de melding [CARD ERROR] weergegeven. Om
het kaartje met deze camera te gebruiken, dient u de [FORMAT]-functie te gebruiken om het
kaartje te formatteren. g“Het geheugenkaartje formatteren“ (Blz. 133)
Gebruiksduur van de batterijen verlengen

Door uitvoering van een van de volgende handelingen terwijl u geen foto’s maakt, kan de
batterijvoeding uitgeput raken.
• Het herhaaldelijk half indrukken van de ontspanknop.
• De opgenomen beelden herhaaldelijk en langdurig weergeven.
• De functie Live view langdurig gebruiken.
124 Schakel de camera uit wanneer deze niet gebruikt wordt om de batterijen te sparen.
NL
Functies die niet vanuit menu’s geselecteerd kunnen worden

Het is mogelijk dat sommige functies niet geselecteerd kunnen worden vanuit de menu’s als de
pendelknop gebruikt wordt.
• Functies die niet ingesteld kunnen worden met de huidige stand Fotograferen.
• Functies die niet ingesteld kunnen worden vanwege een functie die al is ingesteld:
Combinaties van [l] en [NOISE REDUCT.], enz.
De optimale beeldkwaliteit selecteren

Beeldkwaliteiten worden in 2 hoofdtypes ingedeeld: RAW en JPEG. RAW-opnamen worden


opgeslagen zonder rekening te houden met de instellingen voor witbalans, contrast, enz. die
u voor de foto hebt ingesteld. JPEG neemt op als beelden die met deze instellingen rekening
houden. JPEG comprimeert ook beelden om de bestandsgrootte te verkleinen als u ze
opneemt. Voor JPEG-beelden kunt u 4 combinaties vastleggen van resoluties (Y, X, W) en
compressiefactoren (SF, F, N, B). In totaal zijn er 12 verschillende combinaties mogelijk.
Hoe hoger de compressiefactor, des te korreliger het beeld als het vergroot wordt tijdens de
weergave. Een grove leidraad voor het kiezen staat hieronder vermeld.
De fotografeerinstellingen nauwkeurig aanpassen op de computer
• [RAW]
Voor het printen van grote beelden op A3 / A4 /
Voor het bewerken en verwerken van beelden op een computer
• Resolutie Y en compressiefactor SF, F, N, of B
Voor het printen van beelden op ansichkaartformaat
• Resolutie X en compressiefactor SF, F, N, of B
Voor het versturen als bijlage bij een e-mail of voor het plaatsen op een website
• Resolutie W en compressiefactor SF, F, N, of B
g“Beeldkwaliteit en bestandsgrootte / het aantal foto’s dat kan worden opgeslagen“
(Blz. 141)
Om functies weer op de instellingen te zetten zoals deze bij aankoop waren
Fotografeertips en onderhoud
• De instellingen worden opgeslagen als de camera uitgeschakeld wordt.
• Om de standaardinstellingen af fabriek weer te herstellen, selecteert u [RESET] bij
[CUSTOM RESET SETTING]. U kunt twee soorten instellingen vastleggen die gereset worden.
Stel diverse functies van de camera in en leg ze vast onder [RESET1] of [RESET2] bij
[CUSTOM RESET]. g“De standaardinstellingen af fabriek terugzetten“ (Blz. 32)
De belichting bevestigen als de monitor buiten lastig te zien is

Het is mogelijk dat de monitor lastig te zien is en dat het moeilijk is om de belichting te
bevestigen, wanneer buiten gefotografeerd wordt.
Druk tijdens Live view zo vaak op INFO tot het histogram verschijnt.
Hieronder ziet u hoe u de histogramweergave makkelijk kunt aflezen.
Het histogram lezen
1 Als de grafiek hier veel pieken heeft, zal het beeld voornamelijk donker zijn. 1

11
2 Als de grafiek hier veel pieken heeft, zal het beeld voornamelijk wit zijn.
3 Het groene gedeelte in het histogram laat de verdeling van de
2
helderheid binnen het spotmeetgebied zien.
g“Live view gebruiken“ (Blz. 30)
Ingestelde functies op de camera opslaan zodat ze later gebruikt 3
kunnen worden

U kunt twee actuele camera-instellingen in [MY MODE SETUP] vastleggen. Bij het
fotograferen met My Mode selecteert u de fotografeerstand s / T. Door My Mode vast te
leggen onder de knop < kunt u onmiddellijk gaan fotograferen met My Mode.
g“Fotograferen met My Mode“ (Blz. 44),
“; FUNCTION“ (Blz. 99), “MY MODE SETUP“ (Blz. 100) 125
NL
Weergavetips

Kennis van instellingen en van andere informatie over gemaakte foto’s

Geef een beeld weer en druk op de knop INFO. Druk herhaaldelijk op de knop om de
hoeveelheid weergegeven informatie te wijzigen. g“Informatiedisplay“ (Blz. 88)
Bekijken van foto’s op een computer
Bekijken van de gehele foto op een computerscherm

Het formaat van de foto die wordt weergegeven op een computerscherm verandert afhankelijk
van de computerinstellingen. Als de monitorinstelling 1024 x 768 is en u Internet Explorer
gebruikt om een foto te bekijken met een resolutie van 2048 x 1536 op 100 %, kan niet de
gehele foto worden bekeken zonder te schuiven. Er zijn meerdere manieren waarop u de
gehele foto op het computerscherm kunt bekijken.
Bekijken van de foto met software voor het bladeren in beelden
• Installeer de OLYMPUS Master software van de meegeleverde CD-ROM.
Wijzigen van de monitorinstelling
• De pictogrammen op het bureaublad van de computer kunnen opnieuw worden geschikt. Voor meer
informatie over het wijzigen van de instellingen van uw computer, raadpleegt u de handleiding van uw
computer.
Opgenomen beelden in RAW bekijken

Installeer de OLYMPUS Master software van de meegeleverde CD-ROM. Met de


RAW-bewerkingsfunctie in OLYMPUS Master kunt u het RAW-beeld bewerken met de
camerainstellingen die tijdens de opname zijn toegepast, maar u kunt dan ook specifiekere
instellingen zoals witbalans en contrast aanpassen.

Foutcodes
Fotografeertips en onderhoud

Indicaties in Bedieningspaneel- Indicaties op de


Mogelijke oorzaak Oplossing
de zoeker indicaties monitor
U hebt geen kaartje Steek een kaartje erin of
Normal in de camera ge- steek een ander kaartje erin.
indication plaatst of het kaartje
NO CARD wordt niet herkend.
Er is een probleem Plaats het kaartje opnieuw in
met het kaartje. de camera. Blijft het
probleem bestaan, dan moet
u het kaartje formatteren.
Als het kaartje niet
CARD ERROR
geformatteerd kan worden,
kan dit niet gebruikt worden.
Opslaan op dit Met de computer werd het
11 kaartje is niet
toegestaan.
kaartje beveiligd tegen
schrijven (Alleen lezen).
Annuleer deze instelling met
WRITE PROTECT
de computer.
Het kaartje is vol. Vervang het kaartje door
Er kunnen geen foto’s een ander of wis overbodige
meer worden ge- beelden.
nomen of er kan geen Breng belangrijke beelden
informatie, zoals over naar een computer
CARD FULL printreservering, voordat u beelden gaat
meer worden wissen.
opgeslagen.
126
NL
Indicaties in Bedieningspaneel- Indicaties op de
Mogelijke oorzaak Oplossing
de zoeker indicaties monitor
Geen Vervang het kaartje door
geheugenruimte een ander of wis overbodige
meer beschikbaar. beelden.
Printreserveringen Breng belangrijke beelden
Geen indicatie Geen indicatie en nieuwe gegevens over naar een computer
CARD FULL kunnen niet op de voordat u beelden gaat
kaart worden wissen.
opgeslagen.
xD-Picture Card kan • Selecteer [xD CARD
niet worden gelezen CLEAN], druk op i en zet
of is niet de camera uit. Verwijder
geformatteerd. het kaartje en veeg het
CARD SETUP metalen contactvlak met
Clean the terminal of the
een zachte, droge doek
xD card with the dry cloth. schoon.
Geen indicatie Geen indicatie xD CARD CLEAN • Selecteer [FORMAT]
FORMAT [YES], en druk dan op i
SELECT GO om het kaartje te
formatteren. Bij het
formatteren worden alle
gegevens op het kaartje
gewist.
Er zijn geen foto’s op Het kaartje bevat geen
het kaartje foto’s.
Geen indicatie Geen indicatie opgeslagen. Foto’s opslaan en
NO PICTURE weergeven.
Er heeft zich een Gebruik de
probleem met de beeldbewerkingssoftware
geselecteerde foto om het beeld op een PC te
voorgedaan, bekijken.
waardoor dit beeld Lukt dat niet, dan is het
Geen indicatie Geen indicatie met de camera niet beeldbestand beschadigd.
PICTURE kan worden
ERROR weergegeven. Of het Fotografeertips en onderhoud
beeld kan met deze
camera niet worden
weergegeven.
Foto’s die met een Gebruik
andere camera zijn beeldbewerkingssoftware
genomen kunnen om de foto te bewerken.
Geen indicatie Geen indicatie THE IMAGE niet met deze
CANNOT BE camera bewerkt
EDITED worden.

Door langdurig Wacht even totdat de


gebruik van Live view camera automatisch wordt
of repeterende uitgeschakeld. Laat de
Interne opnamen is de interne temperatuur van de
cameratemperatuur interne temperatuur camera afkoelen, voordat u
Geen indicatie Geen indicatie is te hoog. van de camera de camera weer in gebruik
Wacht even totdat opgelopen.
de camera is
neemt.
11
afgekoeld, voordat
u deze gebruikt.
Het klepje van het Sluit het klepje van het
kaartje is open. kaartje.

CARD-COVER
OPEN

127
NL
Indicaties in Bedieningspaneel- Indicaties op de
Mogelijke oorzaak Oplossing
de zoeker indicaties monitor
De batterij is Laad de batterij op.
uitgeput.
Geen indicatie Geen indicatie
BATTERY
EMPTY
De camera is niet op Koppel de camera los en
de juiste wijze op de sluit hem opnieuw, maar nu
Geen indicatie Geen indicatie computer of printer goed, aan.
NO aangesloten.
CONNECTION
De papiervoorraad Leg een nieuwe voorraad
van de printer is op. papier in de printer.
Geen indicatie Geen indicatie
NO PAPER
De inktvoorraad van Vervang de inktcassette in
de printer is op. de printer.
Geen indicatie Geen indicatie

NO INK
Het papier in de Haal het papier dat de
printer is printer blokkeert uit de
Geen indicatie Geen indicatie vastgelopen. printer.
JAMMED
De papiercassette Bedien de printer niet, terwijl
van de printer is u instellingen op de camera
SETTINGS verwijderd of de maakt.
Geen indicatie Geen indicatie printer werd bediend,
CHANGED terwijl de instellingen
op de camera
gemaakt werden.
Fotografeertips en onderhoud

Er heeft zich een Schakel camera en printer


probleem met de uit. Controleer de printer en
Geen indicatie Geen indicatie printer en/of de hef eventuele storingen op
camera voorgedaan. voordat u beide apparaten
PRINT ERROR weer inschakelt.
Het is mogelijk dat Gebruik een computer om
foto’s die met andere de foto’s te printen.
camera’s gemaakt
Geen indicatie Geen indicatie zijn, niet vanuit deze
CANNOT PRINT camera geprint
kunnen worden.

11

128
NL
Onderhoud van de camera
Reinigen en opbergen van de camera

Reinigen van de camera


Schakel de camera uit en verwijder de batterij alvorens de camera te reinigen.
Camerahuis:
• Wrijf deze voorzichtig schoon met een zachte doek. Is de camera erg vuil, dan dompelt u de doek in
een mild sopje en wringt de doek goed uit. Wrijf de camera met de vochtige doek goed af en droog
deze vervolgens met een droge doek. Heeft u de camera op het strand gebruikt, dan wrijft u hem
schoon met een met schoon water bevochtigde en goed uitgewrongen doek.
Monitor en zoeker:
• Wrijf deze voorzichtig schoon met een zachte doek.
Lens, spiegel en scherpstelscherm:
• Verwijder stof van lens, spiegel en scherpstelscherm met een in de handel verkrijgbaar blaaskwastje.
Wrijf de lens met een lensreinigingsdoekje voorzichtig schoon.
Opslag
• Haal de batterij en het kaartje uit de camera als u denkt de camera langere tijd niet te gebruiken.
Berg de camera op op een koele, droge, goed geventileerde plaats.
• Plaats van tijd tot tijd de batterijen in de camera en controleer de functies van de camera.
Reinigen en controleren van het beeldopneemelement
Deze camera beschikt over een stofreductiefunctie om ervoor te zorgen dat er geen stof op het
beeldopneemelement komt en om stof of vuil van het oppervlak van het beeldopneemelement
te verwijderen met ultrasone trillingen. De stofreductie wordt geactiveerd als u de
cameraschakelaar op ON zet en als u Live view start of stopt. De stofreductiefunctie werkt op
hetzelfde moment als Pixel mapping, dat het beeldopneemelement en het
beeldbewerkingscircuit controleert. Omdat de stofreductie elke keer dat de camera aangezet
wordt geactiveerd wordt, moet de camera rechtop gehouden worden voor een effectieve
stofreductie. Het SSWF-indicatielampje knippert terwijl de stofreductie uitgevoerd wordt.
g“SSWF-indicator“ (Blz. 14) Fotografeertips en onderhoud

x Opmerkingen
• Gebruik geen sterke oplosmiddelen zoals benzine of alcohol of een met chemicaliën behandeld
reinigingsdoekje.
• Berg de camera niet op in ruimtes waar met chemicaliën gewerkt wordt, om de camera te
beschermen tegen roest.
• Laat u de camera met een vuile lens liggen, dan kan schimmelvorming op de lens optreden.
• Controleer alle onderdelen van de camera als u hem langere tijd niet heeft gebruikt. Maak een
proefopname om te controleren dat de camera naar behoren werkt, voordat u belangrijke foto’s
maakt.

11

129
NL
Reinigingsfunctie – Stof verwijderen
Als er stof of vuil op het beelopneemelement komt, kunnen er zwarte stippen op de foto
verschijnen. Neem contact op met uw geautoriseerde servicecentrum van Olympus om het
beeldopneemelement te laten reinigen. Het beeldopneemelement is een precisiecomponent
dat gemakkelijk beschadigd raakt. Als u het beeldopneemelement zelf renigt, dient u de
instructies hieronder op te volgen. Als de batterij tijdens het reinigen leegraakt, gaat de sluiter
dicht. Dit kan ertoe leiden dat het sluitergordijn en de spiegel stukgaan. Houd de
ladingstoestand van de batterij in het oog.
1 Verwijder de lens van de camera en zet de
cameraschakelaar op ON. CLEANING MODE
2 MENU[Y][i][CLEANING MODE] EXT. WB DETECT ON
3 Druk op d, druk daarna op de i-knop.
• De camera gaat in de reinigingsstand.
4 Druk de ontspanknop helemaal in.
• De spiegel gaat omhoog en het sluitergordijn gaat open.
5 Reinig het beeldopneemelement. CANCEL SELECT GO
• Blaas voorzichtig het stof van het oppervlak van het
beeldopneemelement met behulp van een in de handel verkrijgbaar blaaskwastje.
6 Zorg ervoor dat het blaaskwastje niet vast komt te zitten in het sluitergordijn als
u de camera uitschakelt om de reiniging te beëindigen.
• Als de camera uitschakelt, gaat het sluitergordijn dicht, waardoor de spiegel daalt.
x Opmerkingen
• Zorg ervoor dat het blaaskwastje (in de handel verkrijgbaar) het beeldopneemelement niet
raakt. Als het blaaskwastje het beeldopneemelement raakt, wordt het beeldopneemelement
beschadigd.
• Plaats het blaaskwastje nooit achter de lensvatting. Als de camera uitschakelt, gaat de sluiter
dicht, waardoor het sluitergordijn stukgaat.
• Gebruik niets anders dan het blaaskwastje. Als er hogedrukgas op het beeldopneemelement
wordt gespoten, bevriest het op het oppervlak van het beeldopneemelement, waardoor dit
Fotografeertips en onderhoud

beschadigd raakt.

Pixel mapping – Controleren van de beeldbewerkingsfuncties


Met de functie Pixel Mapping kan de camera het beeldopneemelement en de
beeldbewerkingfuncties controleren en bijstellen. Als u de monitor heeft gebruikt of continu
foto's gemaakt heeft, wacht dan minstens één minuut voordat u de functie pixel mapping
gebruikt om er zeker van te zijn dat de functie correct werkt.
1 MENU[Z][PIXEL MAPPING]
2 Druk op d, druk daarna op de i-knop.
• Tijdens Pixel Mapping verschijnt de [BUSY]-balk. Als het controleren van de
beeldbewerkingsfuncties afgesloten is, verschijnt het menu weer.
x
11 Opmerkingen
• Als u tijdens het controleren van de beeldbewerkingsfubcties de camera uitschakelt, begint
u opnieuw vanaf stap 1.

130
NL
12 Informatie

De belangrijkste leverbare accessoires


Bij deze camera kunt u de volgende Olympus-accessoires gebruiken.
Energievoorziening

HLD-4 Power-batterijhouder
Bevestig de Power-batterijhouder en gebruik deze als handgreep bij
het maken van foto’s waarbij u de camera verticaal houdt. Hiermee kunt
u de camera lange tijd achter elkaar gebruiken.

Om de Power-batterijhouder aan de
1 2 camera te bevestigen, verwijdert u het
batterijvakklepje van de camera zoals
links aangegeven.

BCM-1 laadapparaat voor lithium-ionbatterijen


Dit laadapparaat dient voor het opladen van de bij de camera geleverde
BLM-1 lithium-ionbatterij. In dit laadapparaat duurt het opladen ongeveer
2 uur.

Draadloze flitsers

FL-50R / FL-36R Olympus draadloos RC-flitssysteem


Deze externe flitsers produceren een grote hoeveelheid licht en kunnen worden
gebruikt als FP-flitser en bij het fotograferen met meerdere draadloze flitsers.

Kabeltje met afstandsbediening

RM-CB1 kabeltje met afstandsbediening


Deze afstandsbediening is handig bij het maken van macro- en
tijdopnamen. Sluit het kabeltje aan op de daarvoor bestemde connector op
de camera.
Informatie

Oogkapjes

DE-P3 / DE-N3 oogkapjes met dioptriecorrectie


Met deze oogkapjes hoeven bij- of verziende brildragers
bij het fotograferen geen bril te dragen.

12
Verwijder het optionele oogkapje
zoals hier aangegeven.

131
NL
Info over het kaartje
Toepasbare geheugenkaartjes
Met een “geheugenkaart“ bedoelen we in deze handleiding een opslagmedium. In deze
camera kunt u de volgende geheugenkaartjes gebruiken: CompactFlash, Microdrive en
xD-Picture Card (optioneel).
CompactFlash Microdrive xD-Picture Card
Een CompactFlash-kaart bevat Een Microdrive is in feite een Een xD-Picture Card is een
een chip met een groot compacte harde schijf met opslagmedium dat voornamelijk
flashgeheugen. Deze kaarten veel opslagruimte. U kunt alle in compacte camera’s wordt
zijn gewoon in de winkel microdrives gebruiken die gebruikt.
verkrijgbaar. CF+type II ondersteunen
(CompactFlash-
uitbreidingsnorm).

Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van een Microdrive


Een Microdrive is in feite een compacte harde schijf. Omdat deze harde schijf ronddraait, is een
Microdrive niet zo goed bestand tegen trillingen en schokken als andere geheugenkaartjes.
Houd hier rekening mee als u een Microdrive gebruikt (met name tijden het opslaan en
weergeven) door de camera niet bloot te stellen aan trillingen of schokken. Lees de volgende
voorzorgsmaatregelen voordat u een Microdrive gaat gebruiken.
Bestudeer ook de handleiding van uw Microdrive.
• Wees voorzichtig als u de camera neerzet terwijl deze bezig is met het opslaan van gegevens. Zet de
camera voorzichtig neer op een stabiel oppervlak.
• Gebruik de camera niet op plaatsen waar deze wordt blootgesteld aan trillingen of heftige schokken,
zoals op bouwplaatsen of in rijdende auto's op een slecht wegdek.
• Houd een Microdrive uit de buurt van sterke magnetische velden.
x Opmerkingen
• De gegevens op het kaartje zullen niet compleet worden gewist, zelfs niet na het formatteren
van het kaartje of het wissen van de gegevens. Indien u het kaartje verwijdert, dient u het te
vernietigen om verspreiding van persoonlijke informatie te voorkomen.
Informatie

12

132
NL
Het geheugenkaartje formatteren
Kaartjes van andere merken dan Olympus, en kaarten die op een computer zijn geformatteerd,
moet u eerst met deze camera formatteren voordat u ze kunt gebruiken.
Bij het formatteren worden alle gegevens gewist die op het kaartje staan, ook eventuele
beveiligde opnamen. Gaat u een gebruikt kaartje formatteren, controleer dan eerst of dit kaartje
geen opnamen bevat die u wilt bewaren.
1 MENU[W][CARD SETUP]
2 Selecteer met ac de optie [FORMAT] en druk
CARD SETUP
daarna op i.
3 Selecteer met ac de optie [YES] en druk daarna ALL ERASE
op knop i.
• Het kaartje wordt dan geformatteerd. FORMAT

 TIPS
CANCEL SELECT GO
Als u kaartjes in de twee kaartsleuven steekt:
j Selecteer het kaartje dat gebruikt moet worden in [CF / xD]. g“CF / xD“ (Blz. 107)

Batterij en laadapparaat
z Gebruik de enkele Olympus lithium-ion-batterij (BM-1).
Andere batterijen kunnen niet worden gebruikt.
z Het stroomverbruik van de camera varieert aanzienlijk, afhankelijk van het gebruik en
andere omstandigheden.
z Aangezien de volgende functies veel energie verbruiken, zelfs zonder fotograferen, zal de
batterij snel leeg zijn.
• Het vaak half indrukken van de ontspanknop in de stand Fotograferen waardoor de autofocus
herhaaldelijk wordt ingeschakeld.
• Live view gebruiken
• Langdurig weergeven van beelden op de LCD-monitor.
• Als de camera op een computer of printer aangesloten is.
z Als u een lege batterij gebruikt, kan de camera eventueel uitschakelen zonder dat de
waarschuwing “batterij bijna leeg“ verschijnt.
z Op het moment van aanschaf is deze batterij niet volledig opgeladen. Laad de batterij,
voor gebruik, met het daarvoor bestemde laadapparaat (BCM-2) op.
z De normale laadtijd van de bijgeleverde oplaadbare batterij is ongeveer 5 uur (schatting).
z Gebruik geen andere laadapparaten dan het hier beschreven apparaat.

Lichtnetadapter
Bij acties die lang kunnen duren, zoals lange diashows of bij het overzetten van foto’s naar een
computer, verdient het aanbeveling om de optionele lichtnetadapter AC-1 te gebruiken.
Informatie

Gebruik geen ander type lichtnetadapter.


x Opmerkingen
• Als de camera aan staat of is aangesloten op een ander apparaat, mag u de batterij niet
verwijderen of de lichtnetadapter loskoppelen. Dit kan de camerainstellingen en -functies
beïnvloeden.
• Raadpleeg de handleiding van de lichtnetadapter. 12

133
NL
Uw laadapparaat in het buitenland gebruiken
z Het laadapparaat en de lichtnetadapter kunt u aansluiten op stopcontacten met een
netspanning van 100 V tot 240 V AC (50 / 60 Hz), dus vrijwel overal ter wereld. Afhankelijk
van uw land of regio kan het stopcontact echter anders gevormd zijn waardoor het
laadapparaat een verloopstuk nodig heeft. Vraag naar de details bij uw plaatselijke
elektriciteitszaak of reisagentschap.
z Gebruik geen in de handel verkrijgbare reisadapters omdat het laadapparaat of de
lichtnetadapter dan misschien niet goed werkt.

Verwisselbare lenzen
Selecteer de lens waarmee u wilt fotograferen.
Gebruik een Four Thirds-lens (Four Thirds-lensvatting). Als u een andere lens dan de
aanbevolen types gebruikt, zal autofocus en de lichtmeting niet goed werken. Soms zullen ook
andere functies niet werken.
Four Thirds-lensvatting
Ontwikkeld door Olympus als lensvattingstandaard voor het Four-Thirds-systeem. Deze
compleet nieuwe verwisselbare lenzen met Four Thirds-lensvatting zijn speciaal voor digitale
camera's optisch opnieuw berekend en ontwikkeld.

ZUIKO DIGITAL verwisselbare lens


De verwisselbare Four Thirds-lenzen zijn ontworpen om bestand te zijn tegen hardhandig
professioneel gebruik. Bij het Four Thirds-systeem met een beeldverhouding van 4:3 kan een
lens compacter en lichter worden uitgevoerd.

Brandpuntsafstand en scherptedieptebereik van Four Thirds-lenzen

Vergeleken met een gewone kleinbeeldcamera krijgt u met een Four Thirds-camera bij
eenzelfde brandpuntsafstand en diafragma andere resultaten.
Scherpstelafstand
Met een lens van een kleinbeeldcamera gemonteerd op een Four Thirds-camera wordt de
effectieve brandpuntsafstand van die lens tweemaal zo groot als op de kleinbeeldcamera. Dit
houdt in dat Four Thirds-telelenzen zeer compact kunnen worden uitgevoerd. Een 14 – 50 mm
Four Thirds-lens komt bijvoorbeeld overeen met een 28 – 100 mm lens voor een
kleinbeeldcamera.
• Als u de beeldhoek van een Four Thirds-lens omrekent naar die van een kleinbeeldcamera, is het
perspectief hetzelfde als dat van een kleinbeeldcamera.
Scherptediepte
Een Four Thirds-camera kan een scherptedieptebereik halen dat tweemaal zo groot is dan dat
van een kleinbeeldcamera. Hierdoor kan er meer licht door de lens naar binnen vallen. Een
lichtsterkte van f2.0 van een Four Thirds-lens komt bijvoorbeeld overeen met een lichtsterkte
Informatie

van f4.0 van een kleinbeeldlens.


• U kunt hiermee de achtergrond even onscherp maken als bij een kleinbeeldlens.
x Opmerkingen
• Bij het bevestigen of verwijderen van het de beschermkap of de lens kunt u de lensvatting het

12 beste naar beneden laten wijzen. Hiermee voorkomt u dat er stofjes en dergelijke in de camera
terecht kunnen komen.
• Op stoffige plaatsen kunt u beter nooit de beschermkap verwijderen of de lens verwisselen.
• Richt met de lens op de camera, de lens nooit op de zon. Dit kan camerastoringen en zelfs
brand veroorzaken omdat het zonlicht door de lens gebundeld wordt zoals bij een vergrootglas.
• Zorg dat u de beschermkap van de camera en de achterkap van de lens niet kwijtraakt.
• Als er geen lens op de camera zit, kunt u het beste de beschermkap op de camera bevestigen
om te voorkomen dat er stof kan binnendringen.
134
NL
ZUIKO DIGITAL – lensspecificaties

„ Namen van onderdelen


1 Kapvatting
2 Filtervatting
3 Zoomring
4 Scherpstelring
5 Index lensvatting
6 Elektrische contacten
7 Voorkap van de lens
8 Achterkap van de lens
9 Zonnekap

„ Bevestigen van de kap „ Opbergen van de kap

• Fotografeert u een object in tegenlicht, gebruik dan de zonnekap.


„ Belangrijkste technische gegevens
Functies 12 – 60 mm 50 – 200 mm
Lensvatting FOUR THIRDS-lensvatting
Scherpstelafstand 12 – 60 mm 50 – 200 mm
Max. diafragma f2.8 – 4.0 f2.8 – 3.5
Beeldhoek 84° – 20° 24° – 6.2°
10 groepen, 15 groepen,
14 lenzen 16 lenzen
Configuratie van de lens
Meerlaagscoating
(gedeeltelijk enkellaags)
Irisinstelling f2.8 – 22 f2.8 – 22
Scherpstelbereik 0,25 m – ) 1,2 m – )
Scherpstelinstelling AF / MF wisseling
Gewicht (exclusief kapjes) 575 g 995 g
Informatie

Afmetingen (max. diameter x totale lengte) Ø 79,5 x 98,5 mm Ø 86,5 x 157 mm


Lenskapvatting Bajonet
Diameter filtervatting 72 mm 67 mm

12

135
NL
Geschikt voor gebruik met de optionele EX-25 tussenring onder de volgende voorwaarden.
De scherpstelling als EX-25 wordt gebruikt is MF (handmatig).
Vergroting
Lens, brandpuntsafstand Scherpstelbereik ( ): Berekend op basis van een
kleinbeeldcamera
Er kan niet gefotografeerd worden omdat er niet scherpgesteld kan worden
12 mm
12 – 60 mm op de objecten met deze brandpuntsafstand.
60 mm 21,0 cm – 25,5 cm 0,43 – 0,58x (0,86 – 1,16x)
Bruikbaar in het hele
50 – 200 mm 0,12 – 0,49x (0,24 – 0,98x)
zoombereik

„ Voorzorgsmaatregelen voor opslag


• Maak de lens na gebruik schoon. Verwijder stof en vuil van het oppervlak van de lens met een
blaaskwastje of kwastje. Gebruik in de handel verkrijgbare lensreinigingsdoekjes om vuil van de lens
te verwijderen. Gebruik geen organische oplosmiddelen.
• Doe altijd een kapje op de lens en berg hem op als u hem niet gebruikt.
• Niet opslaan bij insectenwerende middelen.
x Opmerkingen over het fotograferen
• De randen van foto’s zouden afgesneden kunnen worden als er meer dan één filter gebruikt
wordt of als er een dik filter wordt gebruikt.

Lijndiagram van het programma (P-stand)


In de stand P is de camera zo geprogrammeerd dat deze aan de hand van de helderheid van
het onderwerp automatisch de diafragmawaarde en de sluitertijd kiest zoals hieronder wordt
aangegeven. Het programma lijndiagram is afhankelijk van het type lens dat gebruikt wordt.
Bij gebruik van de
14 – 54 mm f2.8 – 3.5
zoomlens k
(brandpuntsafstand:
Diafragmawaarde

14 mm, ISO100)

j
Programma-aanpassing

Sluitertijd
Informatie

12

136
NL
Flitssynchronisatie en sluitertijd

Vaste
Stand Bovengrens
synchronisatie
Foto- Sluitertijd Flitssynchronisatie flitssynchroni-
als flitser
graferen satie*1
afgaat*2
1/ (brandpuntsafstand lens x 2) of
P 60 – 1/8000 sec. flitssynchronisatie, de traagste 1/250 1/60
hiervan
1/ (brandpuntsafstand lens x 2) of
A 60 – 1/8000 sec. flitssynchronisatie, de traagste 1/250 1/60
hiervan
S 60 – 1/8000 sec. De ingestelde sluitertijd 1/250 k
M 60 – 1/8000 sec. De ingestelde sluitertijd 1/250 k
*1 Kan in het menu worden aangepast: 1/60 – 1/250 g“#X-SYNC (flitssynchronisatie)“ (Blz. 103)
*2 Kan in het menu worden aangepast: 1/30 – 1/250 g“#SLOW LIMIT“ (Blz. 103)

Waarschuwingsindicatie belichting
Als de camera de juiste belichting niet kan instellen als u de ontspanknop half indrukt, knippert
de indicatie in de zoeker en op het bedieningspaneel.
Stand
Waarschuwings-
Foto- Status Actie
indicatie (knippert)
graferen
Het onderwerp is te donker. • Verhoog de ISO-waarde.
• Gebruik de flitser.

P
Het onderwerp is te helder. • Verlaag de ISO-waarde.
• Gebruik een in de handel
verkrijgbaar grijsfilter (ND-filter) om
de hoeveelheid licht te beperken.
Het onderwerp is onderbelicht. • Verlaag de diafragmawaarde.
• Verhoog de ISO-waarde.

A Het onderwerp is overbelicht. • Verhoog de diafragmawaarde.


• Verlaag de ISO-waarde of gebruik
een in de handel verkrijgbaar
grijsfilter (ND-filter) om de
hoeveelheid licht te beperken.
Informatie

Het onderwerp is onderbelicht. • Kies in dit geval een langere


sluitertijd.
• Verhoog de ISO-waarde.

S Het onderwerp is overbelicht. • Kies een snellere sluitertijd.


• Verlaag de ISO-waarde of gebruik
een in de handel verkrijgbaar
12
grijsfilter (ND-filter) om de
hoeveelheid licht te beperken.

• Welke diafragmawaarde hierbij gaat knipperen, hangt af van het type lens en de brandpuntsafstand van de
lens.

137
NL
Flitsbereik
Het flitsbereik bij gebruik van de ingebouwde flitser bij verschillende ISO- en
diafragmawaarden:
ISO-waarde
Flitsbereik (m)
3200 1600 800 400 200 100
f8 f5.6 f4 f2.8 f2 f1.4 9,3
f11 f8 f5.6 f4 f2.8 f2 6,5
f16 f11 f8 f5.6 f4 f2.8 4,6
Diafragmawaarde

f22 f16 f11 f8 f5.6 f4 3,3


f32 f22 f16 f11 f8 f5.6 2,3
f32 f22 f16 f11 f8 1,6
f32 f22 f16 f11 1,2
f32 f22 f16 0,8
f32 f22 0,6

Vignettering bij flitsen met de ingebouwde flitser en een verwisselbare lens


De ingebouwde flitser is geschikt voor gebruik met lenzen met een brandpuntsafstand tussen
14 en 150 mm. Bij gebruik van de ingebouwde flitser kan echter vignettering optreden
waardoor de brandpuntsafstand en het fotografeerbereik bij de volgende lenzen wordt beperkt.
Lens Scherpstelafstand Scherpstelbereik
ED14 – 42 mm f3.5 – 5.6 14 mm 1,2 m of meer
ED14 – 45 mm f3.5 – 5.6 14 mm 1,2 m of meer
ED14 – 54 mm f2.8 – 3.5 14 mm 1,2 m of meer
ED12 – 60 mm f2.8 – 4.0 SWD 14 mm 2,0 m of meer

• De hierboven vermelde fotografeerbereiken gelden alleen als er geen zonnekap is gemonteerd.


• De flitsregeling zal misschien niet goed werken bij macro-opnamen met de ingebouwde flitser op een
kortere afstand dan 0,5 m.
Informatie

12

138
NL
Beschikbare flitsstanden in de diverse fotografeerstanden

Stand Superbedienings- Flitser


Zoeker Bedienings- Ontstekings- Sluitertijd-
Foto- paneel- Flitserfunctie synchroni-
indicaties paneelindicaties moment limiet
graferen indicaties satie
#
Autoflitsen Ontsteekt
AUTO
automatisch in
Autoflitsen 1e sluiter- het donker en 1/30 s –
! (rode ogen gordijn bij tegenlicht * 1/250 s
onderdrukken)
# Invulflitsen Ontsteekt altijd
$ Flitser uit k k k
Trage
! synchronisatie
SLOW (rode ogen 1e sluiter-
onderdrukken) Ontsteekt
P gordijn automatisch in
# Trage het donker en
A
SLOW synchronisatie bij tegenlicht *
X # Trage 2e sluiter-
SLOW2 synchronisatie gordijn
Y
Handmatig flitsen
#
(Manual) 60 s –
FULL
(FULL) 1/250 s
Handmatig flitsen
#
(Manual)
1/4
(1/4) 1e sluiter-
Ontsteekt altijd
Handmatig flitsen gordijn
#
(Manual)
1/16
(1/16)
Handmatig flitsen
#
(Manual)
1/64
(1/64)
* Met de flitser in de stand Super FP detecteert de flitser het tegenlicht langer dan voor een normale flits
alvorens de flits te ontsteken. g“Super FP-flitser“ (Blz. 81)
Informatie

12

139
NL
Stand Superbedienings- Flitser
Zoeker Bedienings- Ontstekings- Sluitertijd-
Foto- paneel- Flitserfunctie synchroni-
indicaties paneelindicaties moment limiet
graferen indicaties satie
# Invulflitsen
1e
Invulflitsen 60 s –
sluiter- Ontsteekt altijd
H (rode ogen 1/250 s
gordijn
onderdrukken)
$ Flitser uit k k k

2e
2e Invulflitsen / trage
2e sluiter-
sluitergordijn synchronisatie
sluitergordijn gordijn
S
Handmatig flitsen
#
M (Manual)
FULL
(FULL)
A
Handmatig flitsen 60 s –
# Ontsteekt altijd
(Manual) 1/250 s
1/4 1e
(1/4)
sluiter-
Handmatig flitsen gordijn
#
(Manual)
1/16
(1/16)
Handmatig flitsen
#
(Manual)
1/64
(1/64)

Witbalans en kleurtemperatuur
Hoe hoger de kleurtemperatuur, hoe voller de blauwe
Roder Blauwer
tinten en hoe bleker de rode tinten, en omgekeerd:
hoe lager de kleurtemperatuur, hoe voller de rode
tinten en hoe bleker de blauwe tinten. De
gloeilamp
Warm-witte
Sfeerlicht

licht
Intensief-wit TL-
Wit TL-licht

Heldere dag

Bewolkt

Daglicht-TL-lamp
heldere dag
Schakering op

spectrumbalans van verschillende witte lichtbronnen


wordt aangeduid met een kleurtemperatuurwaarde,
een natuurkundige meetwaarde op basis van de
Kelvin-temperatuurschaal (K). De kleur van zonlicht
en van andere natuurlijke lichtbronnen en de kleur
van gloeilamplicht en ander kunstlicht kan worden • De kleurtemperaturen van de
aangegeven met het begrip kleurtemperatuur. lichtbronnen in de schaalverdeling
hierboven zijn bij benadering
Hieronder wordt uitgelegd waarom de
aangegeven
kleurtemperatuur van TL-licht dit licht eigenlijk
ongeschikt maakt als kunstlichtbron. In de
Informatie

kleurschakering van TL-licht zitten hiaten. Als deze hiaten klein zijn, kan er toch een
kleurtemperatuur worden berekend die we in dit geval een gecorreleerde kleurtemperatuur
noemen.
De preset WB’s 4000 K, 4500 K en 6600 K in deze camera zijn gecorreleerde
kleurtemperaturen, maar mogen strikt genomen geen “kleurtemperatuur“ worden genoemd.
12 Gebruik deze instellingen bij het fotograferen bij TL-licht.

140
NL
Beeldkwaliteit en bestandsgrootte / het aantal foto’s dat kan
worden opgeslagen
De in de tabel aangegeven bestandsgrootte is een schatting.
Aantal foto’s dat kan
Aantal pixels Bestandsgrootte worden opgeslagen
Beeldkwaliteit Compressiefactor Bestandsformaat
(PIXEL COUNT) (MB) (op een 1 GB
xD-Picture Card)
Verliesvrije
RAW ORF Ongeveer 11 1191
compressie
YSF 1/2.7 Ongeveer 6,8 1147
3648 x 2736
YF 1/4 Ongeveer 4,7 1211
YN 1/8 Ongeveer 2,2 1460
YB 1/12 Ongeveer 1,5 1687
XSF 1/2.7 Ongeveer 5,3 1187
XF 1/4 Ongeveer 3,7 1267
3200 x 2400
XN 1/8 Ongeveer 1,7 1597
XB 1/12 Ongeveer 1,1 1888
XSF 1/2.7 Ongeveer 3,6 1280
XF 1/4 Ongeveer 2,2 1466
2560 x 1920
XN 1/8 Ongeveer 1,1 1927
XB 1/12 Ongeveer 0,7 1361
XSF 1/2.7 Ongeveer 1,3 1799
XF 1/4 Ongeveer 0,8 1163
1600 x 1200 JPEG
XN 1/8 Ongeveer 0,5 2284
XB 1/12 Ongeveer 0,3 3198
WSF 1/2.7 Ongeveer 0,8 1230
WF 1/4 Ongeveer 0,5 1776
1280 x 1960
WN 1/8 Ongeveer 0,3 3366
WB 1/12 Ongeveer 0,2 4920
WSF 1/2.7 Ongeveer 0,5 1881
WF 1/4 Ongeveer 0,4 2665
1024 x1768
WN 1/8 Ongeveer 0,2 4920
WB 1/12 Ongeveer 0,1 7107
WSF 1/2.7 Ongeveer 0,2 4569
WF 1/4 Ongeveer 0,2 6396
1640 x 1480
WN 1/8 Ongeveer 0,1 10661
Informatie

WB 1/12 Ongeveer 0,1 12793

x Opmerkingen
• Het aantal beelden dat nog kan worden opgeslagen, is afhankelijk van het onderwerp en van
factoren zoals eventueel opgegeven printreserveringen. In de zoeker of op de LCD-monitor
verschijnt gewoonlijk het aantal foto’s dat u nog kunt maken, maar soms verandert dit aantal
niet, ook niet als u nieuwe foto’s maakt of opgeslagen beelden wist.
• De werkelijke bestandsgrootte is afhankelijk van het onderwerp.
12

141
NL
Programmeerbare functies in My Mode en Uw eigen reset-instelling

Vastleggen als Vastleggen als Vastleggen als Vastleggen als


Functie Functie
MY MODE custom reset MY MODE custom reset
Stand Fotograferen 9 k O fps k 9
F 9 9 8 k 9
Beeldstabilisator k 9 SLEEP k 9
< / Y / j* 9 9 BACKLIT LCD k 9
AF MODE 9 9 4 h TIMER k k
AF AREA 9 9 USB MODE k k
AE BKT 9 9 LIVE VIEW BOOST 9 9
ISO BKT 9 9 FRAME ASSIST k 9
WB BKT 9 9 EV STEP k 9
FL BKT 9 9 ISO STEP k 9
PICTURE MODE 9 9 ISO-AUTO SET k 9
GRADATION 9 9 ISO-AUTO k 9
K 9 9 AEL-lichtmeting k 9
NOISE REDUCT. 9 9 BULB TIMER k 9
#X-SYNC
WB 9 9 9 9
(flitssynchronisatie)
> 9 9 #SLOW LIMIT 9 9
METERING
9 9 w+F k 9
(lichtmeting)
ISO 9 9 ALL > k k
NOISE FILTER 9 9 COLOR SPACE 9 9
Flitserfunctie 9 9 SHADING COMP. 9 9
#RC MODE 9 9 K SET k 9
PIXEL COUNT
w 9 9 k 9
(aantal pixels)
AF ILLUMINAT. 9 9 QUICK ERASE k 9
FOCUS RING k 9 RAW+JPEG ERASE k 9
C-AF LOCK k k FILE NAME k k
AF AREA POINTER k k PRIORITY SET k k
AF SENSITIVITY k k dpi SETTING k k
CLEANING MODE
P SET UP k k k k
(Reinigingsfunctie)
RESET LENS k k EXT. WB DETECT 9 9
Informatie

BULB FOCUSING k k X k k
DIAL k 9 CF / xD k k
AEL / AFL k 9 EDIT FILENAME k k
AEL / AFL MEMO k 9 s k k
; FUNCTION k 9 W k k
12 MY MODE SETUP k k VIDEO OUT k k
BUTTON TIMER k k REC VIEW k 9
A k 9 PIXEL MAPPING k k
RLS PRIORITY S 9 9 FIRMWARE k k
RLS PRIORITY C 9 9

142 9: Kan worden vastgelegd. k: Kan niet worden vastgelegd. * Inclusief anti-shock.
NL
Menulijst
Fotografeermenu

Tabblad Functie Instelling Zie blz.


CARD SETUP Blz. 95
ALL ERASE / FORMAT
(kaartinstelling) Blz. 133
RESET
CUSTOM RESET RESET1 SET / RESET Blz. 32
RESET2 SET / RESET
hVIVID / iNATURAL* / jMUTED / ZPORTRAIT /
PICTURE MODE Blz. 72
MONOTONE / CUSTOM
GRADATION AUTO / NORMAL* / HIGH KEY / LOW KEY Blz. 73
RAW / YF / YN* / XN / WN / RAW + YF /
K Blz. 65
RAW + YN / RAW + XN / RAW + WN
AUTO* A –7 – +7, G –7 – +7
5 5300 K A –7 – +7, G –7 – +7
2 7500 K A –7 – +7, G –7 – +7
3 6000 K A –7 – +7, G –7 – +7
1 3000 K A –7 – +7, G –7 – +7
WB w 4000 K A –7 – +7, G –7 – +7 Blz. 67
x 4500 K A –7 – +7, G –7 – +7
y 6600 K A –7 – +7, G –7 – +7
n 5500 K A –7 – +7, G –7 – +7
V1 – 4 A –7 – +7, G –7 – +7
CWB 2000 K – 14000 K
ISO AUTO* / 100 – 3200 Blz. 50
NOISE REDUCT. OFF / ON* Blz. 74
NOISE FILTER OFF / LOW / STANDARD* / HIGH Blz. 74
e* ESP + AF* / ESP
J
METERING
5 Blz. 46
(lichtmeting)
5HI
5SH
#RC MODE OFF* / ON Blz. 82
w –3.0 – 0.0* – +3.0 Blz. 79
AF MODE S-AF* / C-AF / MF / S-AF + MF / C-AF + MF Blz. 52
Informatie

AF AREA B* / M / N Blz. 55
ANTI-SHOCK z OFF* / 1 SEC – 30 SEC Blz. 63
OFF* / 3 F 0.3 EV / 3 F 0.7 EV / 3 F 1.0 EV /
AE BKT Blz. 48
5 F 0.3 EV / 5 F 0.7 EV / 5 F 1.0 EV
A-B OFF* / 3 F 2 STEP /
WB BKT

FL BKT
G-M 3 F 4 STEP / 3 F 6 STEP
OFF* / 3 F 0.3 EV / 3 F 0.7 EV / 3 F 1.0 EV
Blz. 71

Blz. 80
12
ISO BKT OFF* / 3 F 0.3 EV / 3 F 0.7 EV / 3 F 1.0 EV Blz. 51
* Standaardinstellingen af fabriek

143
NL
Weergavemenu

Tabblad Functie Instelling Zie blz.


q m K/L/M/N/O Blz. 89
y OFF / ON* Blz. 89
RAW DATA EDIT
EDIT Blz. 91
JPEG EDIT Q / SHADOW ADJ
< </U Blz. 109
COPY ALL YES / NO Blz. 92
RESET PROTECT YES / NO Blz. 93
* Standaardinstellingen af fabriek

Custom Menu 1

Tabblad Functie Instelling Zie blz.


a AF / MF Blz. 96
AF ILLUMINAT. OFF / ON* Blz. 96
FOCUS RING b* / c Blz. 96
C-AF LOCK OFF* / ON Blz. 96
AF AREA POINTER OFF / ON* Blz. 96
AF SENSITIVITY NORMAL* / SMALL Blz. 96
P SET UP OFF* / LOOP / SPIRAL Blz. 97
RESET LENS OFF / ON* Blz. 97
BULB FOCUSING OFF / ON* Blz. 97
b BUTTON / DIAL Blz. 97
P %* / F / w
A FNo.* / F / w
S SHUTTER* / F / w
DIAL Hoofddraaiknop: SHUTTER / FNo.* Blz. 97
M
Hulpdraaiknop: SHUTTER* / FNo.
Hoofddraaiknop: F / G*
MENU
Hulpdraaiknop: F* / G
S-AF* mode1* / mode2 / mode3
AEL / AFL C-AF mode1 / mode2* / mode3 / mode4 Blz. 98
MF mode1* / mode2 / mode3
AEL / AFL MEMO OFF* / ON Blz. 99
PREVIEW* / LIVE PREVIEW / V / P HOME /
; FUNCTION MF / RAWK / P / A / S / M / TEST PICTURE /
Informatie

Blz. 99
MY MODE / L / OFF
MY MODE SETUP MY MODE1 / MY MODE2 Blz. 100
BUTTON TIMER OFF* / 3 SEC / 5 SEC / 8 SEC / HOLD Blz. 100
A OFF* / ON Blz. 100

12 c RELEASE / j
RLS PRIORITY S OFF* / ON
Blz. 101
Blz. 101
RLS PRIORITY C OFF / ON* Blz. 101
O fps 1 fps / 2 fps / 3 fps* / 4 fps Blz. 101

144
NL
Tabblad Functie Instelling Zie blz.
d DISP / 8 / PC Blz. 101
8 OFF / ON* Blz. 101
SLEEP OFF / 1 MIN* / 3 MIN / 5 MIN / 10 MIN Blz. 101
BACKLIT LCD 8 SEC* / 30 SEC / 1 MIN / HOLD Blz. 101
4 h TIMER OFF / 4 h* Blz. 101
AUTO* / STORAGE / MTP / CONTROL / <EASY /
USB MODE Blz. 102
<CUSTOM
LIVE VIEW BOOST OFF* / ON Blz. 102
FRAME ASSIST OFF* / GRID / GOLDEN SECTION / SCALE Blz. 102
e EXP / e / ISO Blz. 103
EV STEP 1/3 EV* / 1/2 EV / 1 EV Blz. 103
ISO STEP 1/3 EV* / 1 EV Blz. 103
HIGH LIMIT 100 – 3200 (800*)
ISO-AUTO SET Blz. 103
DEFAULT 100 – 3200 (100*)
ISO-AUTO P / A / S* / ALL Blz. 103
AEL-lichtmeting AUTO* / J / 5 / 5HI / 5SH Blz. 103
BULB TIMER k Blz. 103
f # CUSTOM Blz. 103
#X-SYNC 1/60 – 1/250* Blz. 103
#SLOW LIMIT 1/30 – 1/250 (1/60*) Blz. 103
w+F OFF* / ON Blz. 104
g K / COLOR / WB Blz. 104
A –7 – +7
ALL SET
ALL > G –7 – +7 Blz. 104
ALL RESET YES / NO
COLOR SPACE sRGB* / AdobeRGB Blz. 104
SHADING COMP. OFF* / ON Blz. 104
K SET P–Q Y / X / W SF / F / N / B Blz. 105
3200 x 2400 / 2560 x 1920* /
Xiddel
PIXEL COUNT 1600 x 1200
Blz. 105
(aantal pixels) 1280 x 960* / 1024 x 768 /
Wmall
640 x 480
h RECORD / ERASE Blz. 105
QUICK ERASE OFF* / ON Blz. 105
RAW+JPEG ERASE JPEG / RAW / RAW+JPEG* Blz. 105
FILE NAME AUTO* / RESET Blz. 106
Informatie

PRIORITY SET NO* / YES Blz. 106


dpi SETTING AUTO* / CUSTOM Blz. 106
i K UTILITY Blz. 107
CLEANING MODE
k Blz. 130
(Reinigingsfunctie)
EXT. WB DETECT OFF / ON*
* Standaardinstellingen af fabriek
Blz. 107 12

145
NL
Custom Menu 2

Tabblad Functie Instelling Zie blz.


X k Blz. 15
CF / xD CF* / xD Blz. 107
Adobe RGB
EDIT FILENAME OFF* / A – Z / 0 – 9 Blz. 107
sRGB
s AUTO* / -7 – +7 Blz. 107
W *1 Blz. 107
VIDEO OUT *1 Blz. 108
REC VIEW OFF / AUTO q / 1 SEC – 20 SEC (5 SEC*) Blz. 108
PIXEL MAPPING k Blz. 130
FIRMWARE k Blz. 108
* Standaardinstellingen af fabriek
*1 Instellingen verschillen afhankelijk van het land waar de camera is gekocht.

Begrippenlijst
A-stand (diafragmavoorkeuze)
U stelt het diafragma zelf in en de camera varieert de sluitertijd automatisch, zodat de foto met de
juiste belichting wordt gemaakt.
Aantal pixels (PIXEL COUNT)
Het aantal puntjes (pixels) dat wordt gebruikt om een beeld te creëren geeft de resolutie aan. Een
beeld met bijvoorbeeld 640 x 480 pixels heeft dezelfde resolutie als het scherm van de computer als
de monitorinstelling ook 640 x 480 is. Als de monitorinstelling 1024 x 768 is, vult het beeld slechts een
deel van het scherm.
AE (automatische belichting)
De ingebouwde belichtingsmeter van de camera stelt de belichting automatisch in. De 3 AE-standen
op deze camera zijn stand P, waarin de camera zowel diafragma als sluitertijd selecteert; stand A,
waarin de gebruiker het diafragma en de camera de sluitertijd selecteert; en stand S, waarin de
gebruiker de sluitertijd en de camera het diafragma selecteert. In stand M selecteert de gebruiker
zowel het diafragma als de sluitertijd.
Beeldopneemelement
Dit zet licht dat door de lens gaat om in elektrische signalen. Op deze camera wordt licht opgenomen
en omgezet in RGB-signalen om een enkel beeld op te bouwen.
Belichting
De hoeveelheid licht die wordt gebruikt om een beeld vast te leggen. De belichting wordt bepaald door
de tijd dat de sluiter open is (sluitertijd) en de hoeveelheid licht die door de lens gaat (diafragma
Compressiefactor
Compressie is een methode om de bestandsgrootte te reduceren door de inhoud van gegevens af te
korten, en de compressiefactor geeft de hoeveelheid compressie aan. Het werkelijke effect van de
Informatie

geselecteerde compressiefactor kan afhangen van de inhoud van het beeld. De compressiefactoren
die bij deze camera horen, geven enkel een algemene schaal aan ter raadpleging, het zijn geen
nauwkeurige metingen.
DCF (Design Rule for Camera File System)
Een norm voor beeldbestanden van de Japan Electronics and Information Technology Industries
Association (JEITA).
12 Diafragma
De verstelbare lensopening die de hoeveelheid licht bepaalt die de camera binnenkomt. Hoe groter
het diafragma, des te korter de scherptediepte en des te waziger de achtergrond. Hoe kleiner het
diafragma, des te groter de scherptediepte en des te scherper de achtergrond. Diafragma wordt
gemeten in F / stops. Hogere diafragmawaarden geven kleinere diafragma’s aan en kleinere
diafragmawaarden geven grotere diafragma's aan.

146
NL
Digitale ESP (Electro-Selective Pattern) lichtmeting
Bepaalt de belichting door het beeld in 49 gebieden te verdelen en de lichtsterkte in elk gebied te
meten en te berekenen.
DPOF (Digital Print Order Format)
Dit is voor het opslaan van gewenste printinstellingen op digitale camera’s. Door in te voeren welke
beelden moeten worden geprint en hoeveel kopieën er moeten worden gemaakt, kan de gebruiker de
beelden eenvoudig laten printen door een printer of printspeciaalzaak die het DPOF-formaat
ondersteunt.
Eénogige spiegelreflexcamera
Een camera die de reflecterende spiegel gebruikt om het licht te buigen dat binnenkomt door de lens
en die de zoeker gebruikt om te controleren. Er is geen verschil tussen de compositie die
gefotografeerd moet worden en de compositie die in de zoeker te zien is.
EV (Exposure Value) (belichtingswaarde)
Een systeem om de belichting te meten. EV0 is als het diafragma op F1 staat en de sluitertijd
1 seconde is. De EV neemt met 1 toe, telkens als het diafragma met 1 F-stop toeneemt of de sluitertijd
neemt met 1 toe. EV kan ook worden gebruikt om helderheid en ISO-instellingen aan te geven.
ISO
Internationale afkorting voor International Organization for Standardization. De gevoeligheid die in
digitale camera’s wordt gebruikt, is gebaseerd op dezelfde ISO-norm als die, die voor filmgevoeligheid
wordt gebruikt. De gevoeligheid wordt aangeduid zoals bij “ISO 100“. Hogere ISO-waarden duiden een
hogere lichtgevoeligheid aan, zodat foto’s zelfs onder slechte lichtomstandigheden gemaakt kunnen
worden.
JPEG (Joint Photographic Experts Group)
Een compressieformaat voor stilstaande beelden in kleur. Foto’s (beelden) die u met deze camera
maakt, worden op de geheugenkaart opgeslagen in het formaat JPEG als de beeldkwaliteit is
ingesteld op een andere stand dan [RAW]. Door deze beelden naar een computer te downloaden,
kan de gebruiker ze bewerken met grafische applicatiesoftware of ze bekijken met behulp van een
internetbrowser.
Kleurruimte
Een model dat kleuren beschrijft met behulp van meer dan drie coördinaten. Kleurenpaletten zoals
sRGB, Adobe RGB worden soms gebruikt voor het coderen / reproduceren van kleuren.
Kleurtemperatuur
De spectrumbalans van verschillende witte lichtbronnen wordt aangeduid met een kleurtemperatuur-
waarde – een natuurkundige meetwaarde die, bij een gloeilamp, ongeveer overeenkomt met de
absolute temperatuur van de gloeidraad, op basis van de Kelvin-temperatuurschaal (K). Hoe hoger de
kleurtemperatuur, hoe voller de blauwe tinten en hoe bleker de rode tinten, en omgekeerd: hoe lager
de kleurtemperatuur, hoe voller de rode tinten en hoe bleker de blauwe tinten. Het kan moeilijk zijn om
kleuren te reproduceren als u binnen fotografeert bij TL-licht, of als er zowel zonlicht als TL-licht is.
Uw camera is voorzien van een witbalansinstelling die u kunt gebruiken om vreemde effecten van
kleurencombinaties die soms op uw foto's voorkomen, te compenseren.
Lichtmeting met nadruk op het centrum
Een lichtmetingsmethode of techniek die een gemiddelde van het centrum en de rand van het beeld
gebruikt, maar meer gericht is op de informatie in het centrum van het beeld. Deze methode kan het
beste worden gebruikt als de helderheid van het centrum en de rand van het beeld niet veel varieert.
Zie tevens digitale ESP-meting en spotmeting.
Informatie

M-stand (Manual – handmatig)


De gebruiker stelt zowel diafragma als sluitertijd in.
NTSC (National Television Systems Committee) / PAL (Phase Alternating Line)
Televisietypes. NTSC wordt voornamelijk gebruikt in Japan, Noord-Amerika en Korea. PAL wordt
voornamelijk gebruikt in Europa en China.
P-stand (programmagestuurd)
Ook stand Programmagestuurd AE genoemd. De camera stelt automatisch de beste sluitertijd en het 12
beste diafragma in voor de opname.

147
NL
PictBridge
De norm die het u mogelijk maakt om digitale camera's en printers van verschillende fabrikanten op
elkaar aan te sluiten en die u toelaat om foto's rechtstreeks van de camera te printen.
Pixels
Een pixel is de kleinste eenheid (punt) die wordt gebruikt om een beeld op te bouwen. Grotere heldere
geprinte beelden vereisen miljoenen pixels.
RAW
Refereert aan “ruwe“ gegevens, gegevens die niet zijn versterkt met een camera-optie zoals witbalans,
scherpte, contrast, enz. Dit bestandstype is bedoeld voor het bekijken en bewerken met onze eigen
software. Het is mogelijk dat u deze bestanden niet kunt openen of bewerken met andere grafische
applicatiesoftware en deze bestanden kunnen niet worden geselecteerd voor DPOF-print. RAW-
bestanden hebben de extensie orf (*.orf).
S-stand (sluitertijdvoorkeuze)
Ook stand Sluitertijdvoorkeuze AE genoemd. De gebruiker selecteert de sluitertijd en de camera
varieert het diafragma automatisch, zodat de foto met de beste belichting wordt gemaakt.
Scherptediepte
Scherptediepte is de afstand tussen het dichtstbijzijnde en het verste punt die beiden “scherp“ op de
foto staan.
Sluimerstand
Een modus die is ontwikkeld om de batterij te sparen. De camera gaat automatisch naar de
sluimerstand als u hem een tijdje niet bedient. Om de sluimerstand te verlaten, drukt u op een
willekeurige knop op de camera (ontspanknop, menuknop enz.).
Spotmeting
De meting wordt binnen een heel klein gebied rond het midden van het onderwerp uitgevoerd, dat in
de zoeker wordt aangegeven door het spotmetingskader. Spotmeting is ideaal tijdens moeilijke
lichtomstandigheden of als het belangrijke element van de foto (gezicht van het onderwerp) klein is.
Gebruik spotmeting voor onderwerpen met tegenlicht, sporters of mensen op het podium. Zie ook
digitale ESP-meting en lichtmeting met nadruk op het centrum.
TFT (Thin-Film Transistor) kleurenmonitor
Een kleurenmonitor die is ontwikkeld met behulp van thinfilm-technologie.
TTL (Through-The-Lens) systeem (door de lens)
Om de belichting in te stellen, meet een lichtsensor die in de camera is ingebouwd direct het licht dat
door de lens komt.
TTL fasecontrast detectiesysteem
Dit wordt gebruikt om de afstand tot het onderwerp te meten. De camera bepaalt of op het beeld wordt
scherpgesteld met het gedetecteerde fasecontrast.
Verduistering (vignettering)
Dit vindt plaats als een object een deel van het gezichtsveld verduistert, zodat het gehele onderwerp
niet gefotografeerd wordt. Vignettering vindt ook plaats als het beeld gezien door de zoeker niet
overeenkomt met de foto die door de objectieflens wordt gemaakt, zodat het gefotografeerde beeld
objecten bevat die niet door de zoeker te zien zijn. Daarnaast kan vignettering plaatsvinden als er een
onjuiste lenskap wordt gebruikt, waardoor schaduwen in de hoeken van het beeld verschijnen.
Informatie

12

148
NL
Technische gegevens

Technische gegevens van de camera

„ Soort camera
Soort camera : Eénogige digitale spiegelreflexcamera met verwisselbaar lenssysteem
Lens : Zuiko Digital, Four Thirds-systeem lens
Lensvatting : Four Thirds-lensvatting
Equivalente
brandpuntsafstand
op een kleinbeeldcamera : Ca. tweemaal de brandpuntsafstand van de lens
„ Beeldopneemelement
Producttype : 4/3" Live MOS-sensor
Totale aantal pixels : Ong. 11.800.000 pixels
Aantal effectieve pixels : Ong. 10.100.000 pixels
Schermgrootte : 17,3 mm (h) x 13,0 mm (b)
Breedte-hoogteverhouding : 1,33 (4:3)
„ Zoeker
Producttype : Eénogige reflexzoeker op ooghoogte
Gezichtsveld : Ong. 100 % (voor gezichtsveld op opgenomen beelden)
Vergroting van de zoeker : Ca. 1,15x (–1 m–1, 50 mm lens, oneindig)
Oogpunt : Ca. 20 mm vanaf het beschermglas (–1 m–1)
Instelbereik dioptrieregelaar : –3,0 – +1,0 m –1
Breking optisch traject : Halfdoorlatende vlug-terugspiegel
Scherptediepte : Te controleren met de previewknop
(als PREVIEW is vastgelegd onder knop <)
Scherpstelscherm : Vast
Oogdop : Verwisselbaar
„ Live view (live bekijken)
: Gebruikt Live MOS-sensor voor fotograferen
: Gezichtsveld van 100 %
„ LCD-monitor
Producttype : 2,5" TFT kleuren-LCD (HyperCrystal LCD), kantelbaar
Totaal aantal pixels : Ong. 230.000 pixels
„ Sluiter
Producttype : Automatische spleetsluiter
Sluiter : 1/8000 – 60 sec., tijdopnamen
„ Autofocus
Producttype : TTL fasecontrast detectiesysteem
Autofocuspunten : 11 punten
AF verlichtingsbereik : EV –2 – EV 19
Selectie van scherpstelpunt : Auto, Optioneel
Informatie

AF-hulpverlichting : De ingebouwde flitser zorgt voor licht


„ Belichtingsregeling
Lichtmeetsysteem : TTL volledig diafragma lichtmeetsysteem
(1) Digitale ESP-meting
(2) Lichtmeting met nadruk op het centrum

12
(3) Spotmeting (ong. 2 % van het zoekerbeeld)
Lichtmeetbereik : EV 1 – 20 (digitale ESP-meting, lichtmeting met nadruk op het
centrum, spotmeting) (bij kamertemperatuur, 50 mm f2, ISO 100)
Fotografeerstanden : (1) P : Programma AE (programma-aanpassing mogelijk)
(2) A : Diafragmavoorkeuze AE
(3) S : Sluitertijdvoorkeuze AE
(4) M : Manual (handmatig)
(5) A : Tijdopnamen
149
NL
ISO-waarde : 100 – 3200 (1/3, 1 EV-stap)
Belichtingscorrectie : ± 5 EV (1/3, 1/2, 1 EV-stap)
„ Witbalans
Producttype : Beeldopneemelement en witbalanssensor
Functie-instelling : Auto, preset WB (8 instellingen), voorkeursinstelling WB,
WB met 1 knop (4 instellingen)
„ Opnemen
Geheugen : CF-kaartje (compatibel met type I en II)
Microdrive (compatibel met FAT 16/32)
xD-Picture Card
Opslagsysteem : Digitaal opslagsysteem, JPEG (in overeenstemming met Design Rule
for Camera File system [DCF]), RAW-gegevens
Compatibel met de normen : Exif 2.2, Digital Print Order Format (DPOF),
PRINT Image Matching III, PictBridge
„ Beelden weergeven
Stand Weergeven : Enkelbeeldweergave, gezoomd weergeven, indexweergave,
beeld draaien, diashow, lichtbakweergave, kalenderweergave
Informatieweergave : Informatieweergave, histogramweergave
„ Sluiterfunctie
Sluiterfunctie : Enkelbeeldopnamen, repeterende opnamen, zelfontspanner,
afstandbediening
Repeterende opnamen : Ca. 5 beelden / sec.
Zelfontspanner : Vertragingstijd: 12 sec., 2 sec.
Optische afstandsbediening : Vertragingstijd: 2 sec., 0 sec. (direct fotograferen)
(RM-1 afstandsbediening [optioneel])
„ Flitser
Synchronizatie : Gesynchroniseerd met de camera op 1/250 sec. of minder
Flitsregeling : TTL-AUTO (TTL voorflitsfunctie), AUTO, MANUAL
Bevestiging externe flitser : Flitsschoen, connector voor externe flitser (X-contact)
Draadloos flitsen : Compatibel met het draadloze Olympus RC-flitssysteem
„ Externe connector
USB-connector, DC-IN-connector, VIDEO OUT-connector, connector voor afstandsbedieningskabel
„ Energievoorziening
Batterij : Li-ionbatterij (BLM-1) x1
Netvoeding : Lichtnetadapter (AC-1) (optioneel)
„ Afmetingen / gewicht
Afmetingen : 142,5 mm x 116,5 mm x 74,5 mm (b x h x d)
(exclusief uitstekende delen)
Gewicht : Ong. 810 g (zonder batterij)
„ Bedrijfscondities
Omgevingstemperatuur : 0 °C tot 40 °C (in bedrijf) / –20 °C tot 60 °C (opslag)
Relatieve vochtigheid : 30 – 90 % (bediening) / 10 – 90 % (opslag)
Informatie

12

150
NL
Specificaties batterij / laadapparaat

BLM-1 lithium-ionbatterij
Modelnummer : PS-BLM1
Producttype : Oplaadbare lithium-ionbatterij
Nominale spanning : DC 7,2 V
Nominale capaciteit : 1500 mAh
Aantal keren laden en
ontladen : Ca. 500 keer (afhankelijk van de gebruiksomstandigheden)
Omgevingstemperatuur : 0 °C tot 40 °C (tijdens laden)
–10 °C tot 60 °C (tijdens bedrijf)
–20 °C tot 35 °C (opslag)
Afmetingen : Ong. 39 mm (b) x 55,0 mm (d) x 21,5 mm (h)
Gewicht : Ong. 75 g (zonder beschermkap)
BCM-2 lithium-ionlaadapparaat
Modelnummer : PS-BCM2
Nominaal ingangsvermogen : AC 100 V – 240 V (50 / 60 Hz)
Nominaal uitgangsvermogen : DC 8,35 V, 400 mA
Laadtijd : Ca. 5 uur (bij kamertemperatuur bij gebruik van de BLM-1)
Omgevingstemperatuur : 0 °C tot 40 °C (in bedrijf) / –20 °C tot 60 °C (opslag)
Afmetingen : Ong. 62 mm (b) x 83 mm (d) x 26 mm (h)
Gewicht : Ong. 72 g (zonder AC-kabeltje)

WIJZIGINGEN IN TECHNISCHE GEGEVENS ZIJN VOORBEHOUDEN ZONDER


VOORAFGAANDE KENNISGEVING OF VERPLICHTING VAN DE ZIJDE VAN DE FABRIKANT.

Informatie

12

151
NL
Lijst E-systeem
Standaardlens

ZUIKO DIGITAL
17,5-45 mm 1:3.5-5.6
ZUIKO DIGITAL Standaardzoom ZUIKO DIGITAL
ED 14-42 mm 1:3.5-5.6 (alleen verkrijgbaar ED 18-180 mm 1:3.5-6.3
)
1 Standaardzoom in speciale kit) Superzoom (10x)
Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met
EX-25* EC-14*/EC-20* EX-25* EC-14*/EC-20* EX-25* EC-14*/EC-20*
Tussenring Tele- Tussenring Tele- Tussenring Tele-
alleen bij converter alleen bij converter alleen bij converter
25-42 mm 28-45 mm 50-180 mm
TF-22 TF-22
Dubbele flitser Dubbele flitser
met adapterring 52 mm met adapterring 62 mm
tot 67 mm/72 mm tot 67 mm/72 mm

Standaardlens Pro lens

ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL
35 mm 1:3.5 ED 40-150 mm 1:4.0-5.6 ED 70-300 mm 1:4.0-5.6 ED 8 mm 1:3.5 11-22 mm 1:2.8-3.5
Macrolens Telefoto-zoom Super telefoto-zoom Visooglens Wijde zoom
Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met
EX-25* EC-14*/EC-20* EX-25* EC-14*/EC-20* EX-25* EC-14*/EC-20* EC-14/EC-20* EC-14/EC-20** TF-22
Tussen- Tele- Tussen- Tele- Tussen- Tele- Tele- Tele- Twin
ring converter ring converter ring converter converter converter Flitser
∞-25 cm
RF-11 TF-22
Ringflitser Dubbele flitser
met FR-1 met FR-1

Pro lens Top Pro lens

ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL
ED 12-60 mm 1:2.8-3.5 14-54 mm 1:2.8 -3.5 ED 50 mm 1:2.0 ED 50-200 mm 1:2.8-3.5 ED 7-14 mm 1:4.0
SWD Standaardzoom Standaardzoom Macrolens SWD Telefoto-zoom Wijde zoom
Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met
EX-25* EC-14/EC-20* EX-25* EC-14/EC-20** EX-25 EC-14/EC-20 EX-25* EC-14/EC-20** EC-14/EC-20*
Tussenring Tele- Tussenring Tele- Tussen- Tele- Tussen- Tele- Tele-
alleen bij converter alleen bij converter ring converter ring converter converter
60 mm 54 mm
RF-11 TF-22
RF-11 TF-22 RF-11 TF-22
Ringflitser Dubbele flitser
Informatie

Ringflitser Dubbele flitser


Ringflitser Dubbele flitser met FR-1 met FR-1

Top Pro lens

12
ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL
ED 14-35 mm 1:2.0 SWD ED 35-100 mm 1:2.0 ED 90-250 mm 1:2.8 ED 150 mm 1:2.0 ED 300 mm 1:2.8
Standaardzoom Telefoto-zoom Telefoto-zoom Vaste focuslens Vaste focuslens
Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met Combineerbaar met
EC-14/EC-20 EX-25* EC-14/EC-20 EX-25* EC-14/EC-20 EX-25* EC-14/EC-20 EX-25* EC-14/EC-20
Tele- Tussenring Tele- Tussen- Tele- Tussen- Tele- Tussen- Tele-
converter alleen bij converter ring converter ring converter ring converter
152 60-100 mm
Inclusief set losse filters

NL
Adapter Afstandsbediening

ZUIKO DIGITAL ZUIKO DIGITAL EX-25 MF-1 RM-1 RM-CB1


1,4x Teleconverter 2,4x Teleconverter Tussenring OM-adapter Afstandsbediening Kabeltje met
afstandsbediening
EC-14 EC-20

Flitser
SRF-11
Ringflitser-set
(incl. FC-1 / RF-11)

FL-CB05 RF-11
Flitserkabeltje Ringflitser
FL-50R FL-36R FL-20
Draadloze flitser Draadloze flitser Flitser
FC-1 FR-1
Controller Adapterring flitser
macroflitser voor 35/50 mm macro

TF-22
Dubbele flitser
FLST-1 FLBA-1 FLRA-1
Flitserstandaard Adapter voor indirect Flitser reflectoradapter
(incl. bij FL-50R en flitsen (incl. bij FL-50R)
FL-36R) (incl. bij FL-50R)

SHV-1 STF-22
FL-CB02 Hoogspanningsset flitser Dubbele flitserset
Flitserkabeltje (incl. HV-1 / BN-1 / AC-2) (incl. FC-1 / TF-22)
FP-1
Flitser
Power handgreep
(incl. FL-CB02)
voor FL-50R/ HV-1 BN-1 AC-2
RF-11/TF-22 Hoogspanningsblok Ni-MH batterijblok Lichtnetadapter

Energievoorziening Tassen E-systeem

BLM-1 HLD-4 LBH-1


Li-ionbatterijblok Power batterijhouder Li-ionbatterijhouder
(voor 2x BLM-1) (voor 3x CR123A)
(alleen bij HLD-4) Tas E-systeem E-systeem Pro rugzak

BCM-1 BCM-2 AABH-1 AC-1


Snelle Li-ionbatterijlader Batterijhouder Energievoorziening
Compacttas E-systeem
Informatie

Li-ionbatterijlader (incl. bij HLD-4)

Oogkapjes

12
VA-1 EP-5 EP-6 EP-7 ME-1 DE-P3 DE-N3 FS-3***
Hoekzoeker Oogkapje Oogkapje Oogkapje Oogkapje Oogkapje Oogkapje Scherpstellen
incl. bij E-410/510 incl. bij E-3 met loep Dioptrie +3 Dioptrie –3 Scherm

*Alleen bij MF ** AF mogelijk bij gebruik van middenbeeld *** Inruil alleen via Olympus servicedienst 1
) Batterijblok – optioneel
153
Technische gegevens en uiterlijk voorbehouden zonder voorafgaande kennisgeving of enige verplichting van de zijde van de fabrikant.
NL
VEILIGHEIDSMAATREGELEN

LET OP
GEVAAR VOOR
ELEKTRISCH SCHOK –
NIET OPENEN

LET OP: OM HET GEVAAR VOOR EEN ELEKTRISCHE SCHOK TE VOORKOMEN, MAG
DE BEHUIZING (OF ACHTERKANT) NIET VERWIJDERD WORDEN. IN DE CAMERA
BEVINDEN ZICH GEEN ONDERDELEN WAARAAN U ONDERHOUD KUNT
VERRICHTEN. LAAT DAT OVER AAN ERKENDE SERVICETECHNICI VAN OLYMPUS.

Een driehoek met daarin een uitroepteken vestigt uw aandacht op


belangrijke aanwijzingen in de bij deze camera geleverde documentatie
ten aanzien van de bediening en het onderhoud ervan.
Gebruikt u deze camera zonder acht te slaan op de onder dit symbool
GEVAAR verstrekte informatie, dan kan dat ernstig letsel of de dood tot gevolg
hebben.
Gebruikt u deze camera zonder acht te slaan op de onder dit symbool
WAARSCHUWING
verstrekte informatie, dan kan dat letsel of de dood tot gevolg hebben.
Gebruikt u deze camera zonder acht te slaan op de onder dit symbool
LET OP verstrekte informatie, dan kan dat licht persoonlijk letsel, schade aan
apparatuur, of het verlies van waardevolle gegevens tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING!
STEL DE CAMERA, OM GEVAAR VOOR BRAND OF ELEKTRISCHE SCHOK TE
VOORKOMEN, NOOIT BLOOT AAN WATER, GEBRUIK DE CAMERA OOK NIET IN
OMGEVINGEN MET ZEER HOGE VOCHTIGHEID EN DEMONTEER HEM NIET.

Algemene voorzorgsmaatregelen
Lees alle gebruiksaanwijzingen – Lees, voordat u het apparaat gaat gebruiken, alle
gebruiksaanwijzingen. Bewaar alle handleidingen en documentatie om deze later nog eens te
kunnen raadplegen.
Reinigen – Trek voordat u het apparaat gaat reinigen altijd eerst de stekker uit het stopcontact. Gebruik
uitsluitend een vochtige doek om het apparaat te reinigen. Gebruik nooit vloeibare of aërosole
reinigingsmiddelen, of welk soort organische oplosmiddelen dan ook, om het apparaat te reinigen.
Accessoires – Gebruik voor uw veiligheid en om beschadigingen aan dit product te voorkomen,
uitsluitend de door Olympus aanbevolen accessoires.
Water en vocht – Voor de voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van weerbestendig uitgevoerde
producten raadpleegt u de desbetreffende paragrafen over de weerbestendigheid.
Informatie

Plaats van opstelling – Bevestig het product op een statief, standaard of beugel om beschadigingen
te voorkomen.
Elektrische voedingsbron – Sluit de camera uitsluitend aan op de in de technische gegevens
beschreven elektrische voedingsbron.
Bliksem – Trek de stekker onmiddellijk uit het stopcontact als een onweer opsteekt terwijl u een
lichtnetadapter gebruikt.
12 Vreemde voorwerpen – Steek om persoonlijk letsel te voorkomen, nooit een metalen voorwerp in de
camera.
Hitte – Gebruik of berg de camera nooit op in de buurt van een warmtebron zoals een radiator,
verwarmingsrooster, kachel of enig ander apparaat of toestel dat warmte ontwikkelt, met inbegrip
van stereo-versterkers.

154
NL
Voorzorgsmaatregelen bij de omgang met het product

WAARSCHUWING
( Gebruik de camera niet in de buurt van brandbare of explosieve gassen.
( Gebruik de flitser en LED nooit bij personen (zuigelingen, kleine kinderen, enz.) die zich dichtbij
bevinden.
• U moet zich minimaal op 1 m afstand van de gezichten van de te fotograferen personen bevinden. Het te
dicht bij de ogen van de te fotograferen personen flitsen kan tijdelijk gezichtsverlies veroorzaken.
( Houd de camera uit de buurt van kleine kinderen en zuigelingen.
• Gebruik en berg de camera altijd op buiten het bereik van kleine kinderen en zuigelingen omdat anders de
volgende gevaarlijke situaties kunnen ontstaan die ernstig letsel kunnen veroorzaken:
• Verward raken in de riem van de camera, wat verstikking tot gevolg kan hebben.
• Per ongeluk inslikken van de batterijen, kaartjes of andere kleine onderdelen.
• Per ongeluk ontsteken van de flitser terwijl ze in de flitser kijken of vlak voor de ogen van andere kinderen.
• Per ongeluk letsel oplopen door bewegende delen van de camera.
( Kijk met de camera niet recht in de zon of in het licht van sterke lichtbronnen.
( Gebruik en berg de camera niet op in stoffige of vochtige ruimten.
( Dek de flitser, op het moment dat die ontsteekt, niet af met uw hand.

LET OP
( Bespeurt u in de buurt van de camera ongewone geuren, vreemde geluiden of rook, gebruik de
camera dan onmiddellijk niet meer.
• Haal de batterijen nooit met blote handen uit de camera omdat u zich dan kunt branden.
( Gebruik de camera niet met natte handen.
( Laat de camera nooit achter op plaatsen waar deze aan extreem hoge temperaturen kan worden
blootgesteld.
• Doet u dat toch, dan kan daardoor de kwaliteit van bepaalde onderdelen achteruit gaan en in sommige
gevallen zelfs brand worden veroorzaakt. Gebruik het laadapparaat of de lichtnetadapter niet als deze is
afgedekt (bijvoorbeeld met een deken). Hierdoor kan oververhitting en uiteindelijk zelfs brand ontstaan.
( Behandel de camera met zorg om te voorkomen dat u verbrandingen oploopt.
• Omdat de camera metalen onderdelen bevat, kan oververhitting ontstaan en kunt u zich branden. Let
daarom op het volgende:
• Gebruikt u de camera lang achtereen, dan kan hij heet worden. Hanteert u de camera in deze toestand,
dan kan dat een verbranding veroorzaken.
• Op plaatsen waar extreem lage temperaturen kunnen optreden, kan de temperatuur van het camerahuis
lager worden dan de omgevingstemperatuur. Draag waar mogelijk handschoenen als u de camera bij
lage temperaturen hanteert.
( Wees voorzichtig met de camerariem.
• Let op de camerariem terwijl u de camera met u meedraagt. De riem kan achter een vreemd voorwerp
blijven haken en zo ernstige schade veroorzaken.

Voorzorgsmaatregelen bij de omgang met batterijen


Volg onderstaande belangrijke richtlijnen op om te voorkomen dat batterijen gaan lekken,
oververhit raken, ontbranden, exploderen of elektrische schokken of verbrandingen
veroorzaken.
Informatie

GEVAAR
• De camera gebruikt een door Olympus voorgeschreven lithium-ionbatterij. Laad de batterij op met het
voorgeschreven laadapparaat. Gebruik geen andere laadapparaten.
• Probeer nooit batterijen te verhitten en gooi ze ook niet in het vuur.
• Tref voorzorgsmaatregelen bij het vervoeren of opbergen van batterijen om te voorkomen dat ze in aanraking
komen met metalen objecten, zoals sieraden, pennen, paperclips, enzovoort.
• Berg batterijen nooit op op plaatsen waar ze blootgesteld kunnen worden aan direct zonlicht of aan hoge
temperaturen, zoals in een afgesloten auto in de zon, in de buurt van warmtebronnen, enzovoort.
• Volg altijd alle aanwijzingen met betrekking tot het gebruik van batterijen zorgvuldig op, om te voorkomen dat
12
de batterijen gaan lekken of de contacten ervan beschadigd raken. Probeer nooit batterijen uit elkaar te halen
of op een of andere manier aan te passen, bijvoorbeeld door er aan te solderen, enzovoort.
• Is batterijvloeistof in uw ogen terecht gekomen, spoel uw ogen dan onmiddellijk overvloedig met schoon,
stromend water en raadpleeg onmiddellijk een arts.
• Berg batterijen altijd op buiten het bereik van kleine kinderen. Heeft een kind per ongeluk een batterij
doorgeslikt, raadpleeg dan onmiddellijk een arts.
155
NL
WAARSCHUWING
• Houd batterijen altijd droog.
• Gebruik om te voorkomen dat batterijen gaan lekken, oververhit raken, brand veroorzaken of exploderen,
uitsluitend het voor dit product aanbevolen type batterijen.
• Plaats de batterijen voorzichtig, zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing, in de camera.
• Indien de oplaadbare batterijen niet binnen de vastgestelde tijd opgeladen zijn, laad de batterijen dan niet
verder op en gebruik ze niet meer.
• Gebruik geen batterij die gebarsten of gebroken is.
• Is een batterij gaan lekken, verkleurd of vervormd, of gedraagt de batterij zich op een of andere manier
afwijkend, gebruik de camera dan niet meer.
• Als er batterijvloeistof op uw kleding terecht is gekomen, trek het kledingstuk dan uit en spoel het onmiddellijk
met schoon, stromend, koud water. Raadpleeg onmiddellijk een arts wanneer de vloeistof met uw huid in
aanraking is gekomen.
• Stel batterijen nooit bloot aan zware schokken of ononderbroken trillingen.

LET OP
• Controleer de batterij voor het opladen altijd op lekkage, verkleuringen, vervormingen of andere afwijkingen.
• Tijdens langdurig gebruik kunnen de batterijen heet worden. Verwijder de batterij nooit onmiddellijk na gebruik
van de camera om kleine brandwonden te voorkomen.
• Denkt u de camera langere tijd achtereen niet te gebruiken, haal de batterijen er dan uit.
• Deze camera gebruikt een door Olympus voorgeschreven lithium-ionbatterij. Gebruik geen ander type batterij.
Lees de handleiding voor de batterij zorgvuldig door voor een veilig en juist gebruik.
• Er kan een storing in het contact optreden als de polen van de batterij nat of vettig zijn. Droog de batterij voor
gebruik goed met een droge doek.
• Laad de batterij altijd op als deze voor het eerst wordt gebruikt of als deze langere tijd niet gebruikt is.
• Probeer de camera en de reservebatterij zo warm mogelijk te houden, indien de camera wordt gebruikt met
batterijvoeding bij een lage temperatuur. Het is mogelijk dat een batterij die is leeggeraakt bij lage
temperaturen, weer herstelt als deze de kamertemperatuur aanneemt.
• Het aantal foto’s dat u kunt maken, is afhankelijk van de lichtomstandigheden of van de batterij.
• Schaf voldoende reservebatterijen aan, voordat u een lange reis maakt, met name als u naar het buitenland
gaat.
Het is mogelijk dat het aanbevolen type batterij in het buitenland niet verkrijgbaar is.
• Zorg ervoor dat de batterijen gerecycled worden om de natuurlijke hulpbronnen te ontzien. Zorg er bij de afvoer
van lege batterijen voor, dat de polen zijn afgedekt en neem altijd de plaatselijke voorschriften en regelgeving
in acht.

Let op de werkomgeving
• Laat de camera, ter bescherming van de hoge-precisietechnologie die er aan ten grondslag ligt, nooit achter
op de hieronder genoemde plaatsen, niet tijdens gebruik en niet tijdens opslag:
• Plaatsen met hoge temperaturen en / of relatieve vochtigheid of plaatsen waar extreme fluctuaties in de
temperatuur optreden. Direct zonlicht, aan het strand, in een afgesloten auto, of in de buurt van
warmtebronnen (kachels, radiatoren, enzovoort) of luchtbevochtigers.
• In zanderige of stoffige omgevingen.
• In de buurt van brandbare stoffen of explosieven.
• In natte ruimten, zoals in de badkamer of in de regen. Lees, ook als u een weerbestendig product gebruikt,
de handleiding aandachtig door.
• In ruimten waar sterke trillingen kunnen optreden.
• Laat de camera niet vallen en stel hem niet bloot aan zware schokken of trillingen.
• Als de camera op een statief bevestigd is, stelt u de positie van de camera met de statiefkop in. Verdraai de
camera niet.
Informatie

• Laat de camera niet achter met de lens op de zon gericht. Daardoor kan de lens of het sluitergordijn
beschadigd raken en kunnen kleurvervalsing of nevenbeelden op het beeldopneemelement optreden en kan
zelfs brand ontstaan.
• Laat de elektrische contacten van de camera en verwisselbare lenzen ongemoeid. Denk eraan het kapje erop
te doen als u de lens verwijdert.
• Haal de batterijen uit de camera als u denkt de camera langere tijd achtereen niet te gebruiken. Kies een koele,

12
droge plaats om de camera op te bergen om condensvorming of schimmelvorming in de camera te
voorkomen. Is de camera langere tijd opgeborgen geweest, dan schakelt u deze in en controleert u de juiste
werking door de ontspanknop in te drukken.
• Houd u altijd aan de beperkingen die gesteld zijn aan de omgevingscondities zoals die zijn beschreven in de
handleiding van de camera.

156
NL
LCD-monitor
• Oefen geen overmatige kracht uit op de monitor. Hierdoor kan het beeld vaag worden, waardoor een storing
in de weergave of beschadigingen aan de monitor veroorzaakt kunnen worden.
• Langs onder- en bovenrand van het monitorbeeld kan een heldere band verschijnen, maar dat wijst niet op
een defect.
• Kijkt u met de camera schuin naar een onderwerp, dan kunnen de contouren van het beeld er op de monitor
gerafeld uitzien, maar dat wijst niet op een defect. Met de camera in de stand Weergeven is dit verschijnsel
minder opvallend.
• Op plaatsen waar lage temperaturen kunnen optreden kan het enkele momenten duren voordat de LCD-
monitor oplicht of kunnen tijdelijke kleurverschuivingen optreden. Gebruikt u de camera op extreem koude
plaatsen, dan is het goed om de camera tussen de opnamen op een warme plaats op te bergen. Een LCD-
monitor die slecht presteert als gevolg van lage temperaturen herstelt zich weer zodra de temperatuur weer
normale waarden aanneemt.
• Het LCD dat voor de monitor wordt gebruikt, is met hoge-precisietechnologie gemaakt. Er kunnen echter
zwarte of lichte punten op de LCD-monitor verschijnen. Als gevolg van de karakteristieke eigenschappen van
de monitor of van de hoek waaronder u het beeld op de monitor bekijkt, zijn deze punten niet gelijk in kleur en
helderheid. Dit wijst echter niet op een defect.

Lens
• Niet onderdompelen in water of nat laten worden.
• Niet laten vallen of geweld op de lens uitoefenen.
• Houd het beweegbare deel van de lens niet vast.
• Raak het lensoppervlak niet direct aan.
• Raak de contactpunten niet direct aan.
• Niet blootstellen aan abrupte temperatuurwijzigingen.
• Houd de limiet van de bedrijfstemperatuur in de gaten.

Wettelijke en andere bepalingen


• Olympus geeft geen enkele garantie of waarborg ten aanzien van mogelijke kosten of van winstverwachtingen
door rechtmatig gebruik van dit apparaat, of van aanspraken van derden, die voortvloeien uit ondeskundig
gebruik van dit apparaat.
• Olympus geeft geen enkele garantie of waarborg ten aanzien van mogelijke kosten of van winstverwachtingen
door rechtmatig gebruik van dit apparaat die voortvloeien uit het verloren gaan van beeldgegevens.

Beperkte aansprakelijkheid
• Olympus geeft geen enkele garantie of waarborg, noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend aanvaard, ten aanzien
van of met betrekking tot de inhoud van dit geschreven materiaal of van de software en kan in geen enkel
opzicht aansprakelijk worden gesteld voor enige stilzwijgende garantie met betrekking tot de verkoopbaarheid
of de geschiktheid voor enige specifiek doel of voor enige directe, indirecte, zwaarwegende, bijkomstige of
andere schade (met inbegrip van en niet beperkt tot schade door derving van inkomsten of verlies van
zakelijke winsten, onderbreking van zakelijke activiteiten en verlies van zakelijke informatie) die voortvloeien
uit het gebruik van of niet kunnen gebruiken van het geschreven materiaal of van de software of van de
apparatuur. Sommige landen accepteren een dergelijke uitsluiting of beperking op de aansprakelijkheid voor
directe of indirecte schade niet, zodat de hierboven opgesomde beperkingen mogelijk op uw situatie niet van
toepassing zijn.
• Olympus behoudt zich alle rechten van deze handleiding voor.
Informatie

Waarschuwing
Fotograferen of gebruik van materiaal waarop het auteursrecht van toepassing is kan schending van
het auteursrecht betekenen. Olympus aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor ongeautoriseerd
fotograferen, voor het gebruik van de apparatuur of voor handelingen die in strijd zijn met de rechten
van belanghebbenden.
12

157
NL
Betreffende het copyright
Alle rechten voorbehouden. Niets van dit geschreven materiaal of van deze software mag zonder vooraf
verkregen schriftelijke toestemming van Olympus op geen enkele wijze of langs welke elektronische of
mechanische weg dan ook, met inbegrip van fotokopiëren, het langs elektronische weg vastleggen en
het gebruik van informatieopslag en informatiezoeksystemen, worden gebruikt of gereproduceerd.
Olympus aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de in deze handleiding of in de software
besloten informatie, of voor schade die kan voortvloeien uit het gebruik van de in deze handleiding of
in de software besloten informatie. Olympus behoudt zich het recht voor de uitvoering en de inhoud van
deze handleiding te wijzigen zonder voorafgaande kennisgeving of enige verplichting.

FCC-voorschriften
• Storing in radio- en televisieontvangst
Wijzigingen of aanpassingen waarvoor de fabrikant niet uitdrukkelijk toestemming heeft verleend kunnen het
recht van de gebruiker om dit apparaat te gebruiken ongeldig maken. Dit apparaat werd getest en is gebleken
te voldoen aan de eisen voor digitale apparatuur Class B volgens Part 15 van de FCC Rules. Deze eisen
werden opgesteld om een redelijke bescherming te bieden tegen schadelijke storingen in huisinstallaties.
Dit apparaat genereert en werkt met hoogfrequentenergie, kan die ook uitstralen en kan, indien niet
geïnstalleerd en gebruikt in overeenstemming met de aanwijzingen, hinderlijke storingen in radioapparatuur
veroorzaken.
Er wordt echter geen enkele garantie gegeven dat in een bepaalde installatie geen storingen zouden kunnen
optreden. Als dit apparaat radio- en televisieontvangst hinderlijk stoort, wat kan worden bepaald door het
apparaat uit en weer in te schakelen, wordt de gebruiker geadviseerd te trachten de storing op te heffen door
een of meer van de volgende maatregelen te treffen:
– Richt de ontvangstantenne anders of verplaats deze.
– Vergroot de afstand tussen apparaat en ontvanger.
– Sluit het apparaat aan op een stopcontact van een andere groep dan die waarop de ontvanger is
aangesloten.
– Raadpleeg voor hulp de dealer of een ervaren radio / televisie-technicus. Voor het aansluiten van de camera
op een personal computer (PC) mag uitsluitend het door OLYMPUS bij de camera geleverde USB-kabeltje
worden gebruikt.

U dient zich er wel van bewust te zijn dat eventuele onoordeelkundig aangebrachte wijzigingen of
modificaties van het apparaat, het recht van de gebruiker om dit apparaat te gebruiken ongeldig maken.

Voor klanten in Noord- en Zuid-Amerika

Voor klanten in de VS
Verklaring van conformiteit
Modelnummer : E-3
Handelsnaam : OLYMPUS
Verantwoordelijke partij :
Adres : 3500 Corporate Parkway, P.O. Box 610, Center Valley,
PA 18034-0610, USA
Telefoonnummer : 484-896-5000
Getest op naleving van FCC-normen
Informatie

VOOR GEBRUIK THUIS OF OP KANTOOR


Dit apparaat voldoet aan Part 15 van de FCC rules.
Bediening is afhankelijk van de volgende twee voorwaarden:
(1) Dit apparaat mag geen hinderlijke storingen veroorzaken.
(2) Dit apparaat moet elke ontvangen storing accepteren, inclusief storing die onbeboelde

12
bediening kan veroorzaken.
Voor klanten in Canada
Dit digitale apparaat Class B voldoet aan alle eisen van de Canadian Interference-Causing
Equipment Regulations.

158
NL
Voor klanten in Europa
Het waarmerk “CE“ garandeert dat dit product voldoet aan de richtlijnen van de EU
(Europese Unie) wat betreft veiligheid, gezondheid, milieubeheer en persoonlijke veiligheid
van de gebruiker. Apparaten met het waarmerk “CE“ zijn bedoeld voor de Europese markt.

Dit symbool [een doorgekruiste verrijdbare afvalbak volgens WEEE Annex IV] geeft aan dat
in de EU-landen alle afgedankte elektrische en elektronische apparatuur apart moet worden
ingezameld en verwerkt.
Gooi het apparaat a.u.b. niet bij het gewone huisvuil.
Maak a.u.b. gebruik van het inzamelsysteem dat in uw land beschikbaar is voor de afvoer van
dit product.

Gebruik uitsluitend toepassingsgerichte oplaadbare batterijen en batterijlader


We adviseren u om uitsluitend de originele toepassingsgerichte oplaadbare batterijen en batterijlader van
Olympus bij deze camera te gebruiken.
Het gebruik van niet originele oplaadbare batterijen en / of batterijlader kan brand of persoonlijk letsel
veroorzaken als gevolg van lekken, verhitting, ontbranding of beschadiging van de batterij. Olympus stelt zich
niet aansprakelijk voor ongelukken of beschadigingen die voortkomen uit het gebruik van batterijen en/of
batterijlader die geen originele Olympus-accessoire zijn.

Garantiebepalingen
1. Indien dit product gebreken vertoont, hoewel het op de juiste wijze gebruikt wordt (in overeenstemming met
de meegeleverde documentatie Voorzichtig gebruik en de gebruiksaanwijzingen), wordt dit product,
gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van aankoop, bij een geautoriseerde Olympus-dealer
binnen het zakengebied van Olympus Imaging Europa GmbH zoals bepaald op de website:
http://www.olympus.com gerepareerd of, naar Olympus’ keuze, kostenloos vervangen. Voor aanspraak op
deze garantie dient de klant, vóór afloop van de garantieperiode van twee jaar, het product en deze
garantieverklaring mee te nemen naar de dealer waar het product aangeschaft is of iedere andere
servicedienst van Olympus binnen het zakengebied van Olympus Imaging Europa GmbH zoals bepaald op
de website: http://www.olympus.com. Tijdens de World Wide Warranty-periode van één jaar kan de klant het
product terugbrengen naar iedere servicedienst van Olympus. Let erop dat niet in alle landen een dergelijke
servicedienst van Olympus gevestigd is.
2. De klant dient het product op eigen risico naar de dealer of de geautoriseerde servicedienst van Olympus te
brengen en hij draagt zelf de kosten die ontstaan bij het transport van het product.
3. Deze garantie geldt niet in onderstaande gevallen. De klant is zelf verantwoordelijk voor de reparatiekosten,
zelfs indien deze gebreken optreden tijdens de hierboven vermelde garantieperiode.
(a) Elk gebrek dat optreedt wegens ondeskundig, onreglementair gebruik (zoals handelingen die niet
worden genoemd in Voorzichtig gebruik of andere delen van de gebruiksaanwijzing, etc.).
(b) Elk gebrek dat optreedt wegens een reparatie, wijziging, reiniging, etc. die niet is uitgevoerd door
Olympus of een geautoriseerde servicedienst van Olympus.
(c) Gebreken of beschadigingen die ontstaan bij het transporteren, door vallen, stoten, etc. na aankoop van
het product.
(d) Gebreken of beschadigingen die ontstaan door een brand, aardbeving, overstroming, blikseminslag,
andere natuurrampen, milieuvervuiling en onregelmatige spanningsbronnen.
(e) Elk gebrek dat optreedt wegens onzorgvuldige of ongeschikte opslag (zoals opbergen op een plaats die
is blootgesteld aan hoge temperaturen en relatieve vochtigheid, nabij insectenwerende middelen zoals
naftaleen of schadelijke stoffen, etc.), ondeskundig onderhoud, etc.
(f) Elk gebrek dat optreedt wegens lege batterijen, etc.
(g) Elk gebrek dat ontstaat doordat zand, modder, etc. in de behuizing van het product is gekomen.
Informatie

(h) Indien deze garantieverklaring niet wordt meegeleverd met het product.
(i) Indien de garantieverklaring op een of andere wijze gewijzigd wordt met betrekking tot het jaar, de maand
en de datum van aankoop, de naam van de klant, de naam van de dealer, en het serienummer.
(j) Indien geen bewijs van aankoop bij deze garantieverklaring gevoegd wordt.
4. Deze garantie is uitsluitend op het product van toepassing; de garantie is niet van toepassing op ieder ander
toebehoren, zoals de behuizing, de camerariem, het lenskapje en de batterijen.
5. Olympus’ enige verplichting onder deze garantie is beperkt tot het repareren of vervangen van het product.
Iedere verplichting voor verlies of beschadiging, indirect of voortvloeiend, op enigerlei wijze opgelopen door
de klant vanwege een gebrek in het product, en met name alle soorten verlies of schade veroorzaakt in
12
lenzen, fotorolletjes, andere uitrusting of toebehoren dat bij het product hoort of ieder soort verlies dat het
resultaat is van een vertraagde reparatie of gegevensverlies, is uitgesloten. Deze bepalingen hebben geen
invloed op de wettelijke dwingende regelgeving.

159
NL
Opmerkingen met betrekking tot het onderhoud
1. Deze garantie geldt uitsluitend, indien de garantieverklaring naar behoren is uitgevoerd door Olympus of een
geautoriseerde dealer of indien andere documenten voldoende bewijskrachtig zijn. Controleer daarom of uw
naam, de naam van de dealer, het serienummer en het jaar, de maand en datum van aankoop volledig zijn
ingevuld, of dat de originele factuur of de bon (met vermelding van de naam van de dealer, de datum van
aankoop en het producttype) aan deze garantieverklaring is toegevoegd. Olympus behoudt zich het recht
voor om kostenloze dienstverlening te weigeren, indien noch de garantieverklaring volledig is ingevuld, noch
het bovengenoemde document toegevoegd is of indien de informatie die daar in staat onvolledig of niet
leesbaar is.
2. Aangezien deze garantieverklaring niet nogmaals verstrekt wordt, dient deze op een veilige plek bewaard te
worden.
• Raadpleeg de lijst op de website: http://www.olympus.com voor het geautoriseerde, internationale
servicenetwerk van Olympus.

Handelsmerken
• IBM is een gedeponeerd handelsmerk van International Business Machines Corporation.
• Microsoft en Windows zijn gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation.
• Macintosh is een handelsmerk van Apple Inc.
• xD-Picture Card™ is een handelsmerk.
• De functie “Schaduwaanpassingstechniek“ bevat gepatenteerde technologieën van Apical
Limited.
• Alle andere genoemde bedrijfs- en productnamen zijn gedeponeerde handelsmerken en / of
handelsmerken van de betreffende rechthebbenden.
• De in deze handleiding genoemde normen voor camera bestandssystemen zijn de door de Japan
Electronics and Information Technology Industries Association (JEITA) opgestelde “Design Rule
for Camera File System / DCF“-normen.
Informatie

12

160
NL
Index

Symbolen B
A ............................................................... 100 B (Basic) ....................................................... 65, 125
w+F ................................................................ 104 B&W FILTER ...................................................... 72
o Beeldstabilisator ............................................. 63 BACKLIT LCD .................................................... 101
W (taalkeuze) ................................................107 Batterij ........................................................... 11, 133
8 Piepgeluid...................................................... 101 Bedieningspaneel ............................................... 6
< CUSTOM ........................................................ 102 Beelden roteren y ............................................. 89
Y Custom Menu 1 .............................................. 144 Beeldkwaliteit K .................................. 65, 66, 141
Z Custom Menu 2 .............................................. 146 Belichtingscorrectie F ....................................... 47
< EASY .............................................................. 102 Beveiligen 0 ................................................... 93
; FUNCTION...................................................... 99 BULB FOCUSING .............................................. 97
O fps (beelden per seconde).......................... 101 BULB TIMER ...................................................... 103
q Weergavemenu ............................................ 144 BUTTON TIMER ................................................ 100
# RC-flitsstand .................................................. 82
K SET ............................................................. 105 C
P SET UP ....................................................... 97
C-AF (continu AF) .............................................. 53
W Fotografeermenu 1 ........................................ 143
C-AF LOCK ........................................................ 96
X Fotografeermenu 2 ........................................ 143
C-AF+MF ........................................................... 54
# SLOW LIMIT .................................................. 103
Camerariem ........................................................ 10
#X-SYNC .......................................................... 103
CARD SETUP .............................................. 95, 133
a AF / MF .......................................................... 96
CF / xD ................................................................ 107
b BUTTON / DIAL ............................................. 97
CLEANING MODE .............................................. 130
c RELEASE / j ............................................. 101
COLOR SPACE .................................................. 104
d DISP / 8 / PC ................................................101
CompactFlash .............................................. 13, 132
e EXP / e / ISO............................................... 103
Compressiefactor ............................................... 65
f # CUSTOM ....................................................103
Continu scherpstellen (C-AF) ............................. 54
g K / COLOR / WB .......................................... 104
CONTRAST ....................................................... 72
h RECORD / ERASE ........................................ 105
COPY ALL .......................................................... 92
i K UTILITY ................................................... 107
CUSTOM ............................................................ 72
h VIVID ............................................................. 72
CUSTOM RESET ............................................... 33
i NATURAL ......................................................... 72
Custom-witbalans CWB ..................................... 67
j MUTED ............................................................ 72
ZPORTRAIT ..................................................... 72
4 h TIMER .......................................................... 101
D
Datum- / tijdinstelling X ................................... 15
A De stand Alle autofocuspunten B ................... 55
Diafragmavoorkeuze A ..................................... 41
Aantal pixels ....................................................... 65
Diafragmawaarde............................................ 40, 41
Accessoires ........................................................ 131
DIAL ................................................................... 97
Adobe RGB ........................................................ 104
Diashow m .......................................................... 89
AE BKT .............................................................. 49
Digitale ESP-meting G ..................................... 46
AE bracketing ..................................................... 48
Dioptrieregelaar .................................................. 14
AE-lock ............................................................... 48
Directe knoppen ............................................... 4, 26
AEL / AFL ........................................................... 98
dpi SETTING ...................................................... 106
AEL / AFL MEMO ............................................... 99
DPOF .................................................................. 109
AEL-lichtmeting .................................................. 103
Draadloos Olympus RC-flitssysteem ................. 82
AF AREA ............................................................ 56
AF AREA POINTER ........................................... 96
E
AF ILLUMINAT. ................................................... 96
AF MODE AF ..................................................... 52 Eén keer scherpstellen (S-AF) ........................... 53
AF SENSITIVITY ................................................ 96 Eenvoudig printen .............................................. 112
Afstandsbediening < ........................................... 61 EDIT FILENAME ................................................ 107
ALL > ........................................................... 104 Enkel beeld fotograferen o .............................. 59
ALL ERASE......................................................... 95 Enkelbeeldbeveiliging ......................................... 93
ANTI-SHOCK z ............................................... 63 Enkelbeeldkopie ................................................. 92
Autoflitsen AUTO................................................. 75 Enkelbeeldweergave........................................... 85
Autofocus ...................................................... 58, 122 EV STEP ............................................................ 103
Autofocusveld P ............................................. 55 EXT. WB DETECT ............................................. 107
Automatische witbalans AWB ......................... 67, 68
161
NL
F LIVE VIEW BOOST ............................................. 102
LOW KEY .............................................................. 73
F (Fijn) .......................................................... 65, 125
FILE NAME ......................................................... 106 M
FIRMWARE ........................................................ 108
FL BKT ............................................................... 80 X (Middel) .................................................... 66, 125
Flitsbracketing .................................................... 80 Macro-onderwateropnamen H .................... 45, 99
Flitsen met onderdrukken van rode ogen ! ... 75 Menu .................................................................. 29
Flitser uit $ ....................................................... 76 METERING G .................................................. 46
Flitserfunctie # .................................................. 75 Microdrive ..................................................... 13, 132
Flitssterkteregelaar w ....................................... 79 Monitor aanpassen s ...................................... 107
FOCUS RING ..................................................... 96 MONOTONE ...................................................... 72
Formaat wijzigen Q ......................................... 91 MTP ............................................................ 102, 120
FORMAT ............................................................ 133 My mode s / T ..................................... 44, 100
Four Thirds-lenzen ............................................. 134 MY MODE SETUP ............................................. 100
FRAME ASSIST ................................................. 102
N
G
N (Normaal) .................................................. 65, 125
Gezoomd weergeven U .................................... 8 NOISE FILTER ................................................... 74
GRADATION ...................................................... 73 NOISE REDUCT. ............................................... 74
Groothoek-onderwateropnamen I .............. 45, 99 NTSC .................................................................. 108

H O
Handmatig flitsen ................................................ 77 Oculairafsluiter ................................................... 61
Handmatig fotograferen M ................................. 43 OLYMPUS Master............................................... 115
Handmatig scherpstellen (MF) ............................ 54
HIGH KEY .......................................................... 73 P
Histogram ............................................... 31, 88, 125
PAL ..................................................................... 108
I PICT. TONE ....................................................... 72
PictBridge............................................................. 111
IMAGE STABILIZER o ..................................... 63 PICTURE MODE ................................................ 72
Indexweergave G ............................................. 87 PIXEL COUNT ................................................... 105
Informatiedisplay ............................................ 31, 88 PIXEL MAPPING ................................................ 130
Invulflitsen # ...................................................... 76 Power-batterijhouder .......................................... 131
ISO BKT ............................................................. 51 PREVIEW ....................................................... 45, 99
ISO ISO ............................................................. 50 Printen volgens de specificatie van de klant ...... 113
ISO STEP ........................................................... 103 Printerfunctie < ................................................. 112
ISO-AUTO .......................................................... 103 Printreservering .................................................. 109
ISO-AUTO SET .................................................. 103 PRIORITY SET .................................................. 106
ISO-bracketing ................................................... 51 Programma-aanpassing % ............................... 40
Programmagestuurd fotograferen P .................. 40
J
Q
JPEG EDIT ......................................................... 91
QUICK ERASE ................................................... 105
K
R
Kaartjes ........................................................ 13, 132
Kalenderweergave ............................................. 87 RAW ................................................................... 65
Kleurtemperatuur .............................................. 140 RAW DATA EDIT ................................................ 91
RAW+JPEG ERASE .......................................... 105
L REC VIEW .......................................................... 108
Rechtstreeks printen ............................................ 111
Y (groot) ...................................................... 65, 125 Repeterende opnamen H l .......................... 59
Lens ............................................................. 12, 134 Repeterende opnamen L O .......................... 59
Lichtbakweergave ............................................. 86 RESET LENS ..................................................... 97
Lichtmeting met nadruk op het centrum H ....... 46 RESET PROTECT ............................................. 93
Lichtnetadapter..................................................... 133 RLS PRIORITY C ............................................... 101
Lithium-ionbatterij ......................................... 11, 133 RLS PRIORITY S ............................................... 101
Lithium-ionbatterijlader .......................... 11, 131, 133
Live bekijken ......................................................... 30
LIVE PREVIEW .............................................. 45, 99
162
NL
S
W (Small – klein) .......................................... 65, 125
S-AF (één keer scherpstellen) ............................ 53
S-AF+MF ............................................................ 54
SATURATION ..................................................... 72
Scherpstelgeheugen ........................................... 58
SF (SuperFijn) .............................................. 65, 125
SHADING COMP. ............................................... 104
SHADOW ADJ .................................................... 91
SHARPNESS ..................................................... 72
SLEEP ................................................................ 101
Sluitertijdvoorkeuze S ........................................ 42
Sluitertijd ........................................................ 40, 42
Spotmeting – bij veel lichte partijen IJ ......... 46
Spotmeting – bij veel schaduwpartijen IK .... 46
Spotmeting I ................................................... 46
sRGB .................................................................. 104
Stand Autofocusveld ........................................... 57
Stand Één autofocuspunt M ............................ 55
Stand Één dynamisch autofocuspunt N .......... 55
Stand Één klein autofocuspunt o .............. 55, 96
Stofreductie .................................................. 14, 129
STORAGE .................................................. 102, 116
Super FP-flitser ................................................... 81
Superbedieningspaneel .................................... 7, 28

T
TEST PICTURE ................................................. 99
Tijdopnamen A .............................................. 44, 63
Trage synchronisatie #SLOW ........................... 75
Trage synchronisatie#SLOW2 /
2e sluitergordijn .............................................. 76

U
Uitgangspositie p ............................................. 57
USB MODE .........................................................102

V
VIDEO OUT ........................................................ 108
Vooraf ingestelde witbalans ............................ 67, 68

W
Wissen van een enkel beeld S ........................ 941
Witbalans WB .................................................... 67
Witbalans met één knop V .................... 65, 70, 99
Witbalanssensor ................................................. 68
WB ..................................................................... 68
WB BKT ............................................................. 71
WB-correctie ...................................................... 69
WB-bracketing .................................................... 71

X
xD-Picture Card ............................................. 13, 132

Z
Zelfontspanner Y ............................................... 60
Zoeker ........................................................ 5, 14, 16
ZUIKO DIGITAL verwisselbare lens ....................134
163
NL