You are on page 1of 65

In de geschiedenis is

iedereen dood
Ivo Westerlaken

-0-
In de geschiedenis is iedereen dood

Het Alfabet Effect


(Wereld 3 -in schaduwen –)
een essay gedompeld in mediatheorie – en daarbuiten
door Ivo Westerlaken, 0775730

geschreven: maart 2008-januari 2009


in Rijswijk, Rotterdam, Lemmer, Den Haag, Bwlch-Tocyn (Wales)

voor de minor Media & Communicatie


2008-2009
Hogeschool Rotterdam

Alle rechten toegestaan++


Mits voorbehouden…

2008-2009 Westlake ArT

-1-
THE POOR RECEPTION GIVEN TO VELIKOVSKY’S VIEWS BY ASTRONOMERS IS… ATTRIBUTABLE TO THE VESTED
INTEREST REACTION (VIR) AND LINEAR SINGLE VISION AND WORSHIP OF THE PATTERN OF TRUTH WHICH INFECT
THE ELECT AND CAUSE US TO REJECT NOT ONLY VELIKOVSKY BUT THINGS LIKE PARAPSYCHOLOGY AND
MACROBIOTICS AND MARSHALL MCLUHAN.
J.D. Fernie, ‘Immanuel Velikovsky and Bob Baglow’, Journal of the Royal Astronomical Society of
Canada, Vol. 73, № 2 (april 1979), pp. 60-61.

VIXERE FORTES ANTE AGAMEMNONA MULTI


‘dappere mannen leefden voor Agamemnon, velen van hen’
Horatio, C. 4.9.25-26

HET IRRITEERT ME MATELOOS ALS DERGELIJKE, VERDER ZO VOORTREFFELIJKE, LIEDEN ER PLEZIER IN SCHEPPEN
ZICHZELF EN HUN OMGEVING VOOR DE GEK TE HOUDEN. DE SCHRIJVERS UIT HET VERLEDEN HOEF IK JE NIET TE
NOEMEN, WANT DIE KEN JE ALLANG: HERODOTUS, EN KTESIAS UIT KNIDOS, EN NOG VÓÓR HEN DE DICHTERS TOT
EN MET HOMEROS – MANNEN VAN NAAM DIE HUN VERZINSELS HEBBEN OPGESCHREVEN, WAARMEE ZIJ NIET
ALLEEN HUN EIGEN TOEHOORDERS OM DE TUIN HEBBEN GELEID, MAAR HUN LEUGENS, VERPAKT IN DE
PRACHTIGSTE WOORDKEUS EN VERSMAAT, AAN DE OPEENVOLGENDE GENERATIES TOT AAN ONS HEBBEN
OVERGELEVERD.
Lucianus, De fantasten en de realist (vert. Hein L. van Dolen, 1996 Athenaeum, Amsterdam)

I AM A PART OF THE DISEASE…


Coldplay, ‘Clocks’, 2003

IL SE TROUVE QUE CECI, QUI A ETE PREPARE IL Y A QUELQUES JOURS, HATIVEMENT, AURA L'AIR DE COPIER CE QUI
A ETE DIT DEPUIS ET QUE VOUS POURREZ RECONNAITRE AU PASSAGE. C'EST UN RAPPEL DE THEMES PERSISTANTS,
MIS DANS UNE CERTAINE PERSPECTIVE: LA PERSPECTIVE DE MON ACTUALITE EN TANT QU'ELLE EST INACTUELLE.
Roland Barthes, uit lezing bij de opening van het Colloque de Cerisy-la-Salle over het werk van Barthes in 1978.

-2-
Inhoudsopgave

Inhoudsopgave 3
Kaarten 4
Illustraties 6
Tijdstabel 7
1. De vergezichten van Wereld 3 (inleiding) 8
2. Definitie 12
2.1. Herkomst alfabet, verschillende hypotheses 15
2.2. Herkomst Griekse alfabet, verschillende hypotheses 16
2.3. Wanneer werd het alfabet door de Grieken overgenomen? 19
2.4. Waar is het alfabet overgenomen? 20
2.5. Alfabetisch schrift op Kreta 22
2.6. Het alfabet in de Levant 23
2.7. Proto-Kanaänitische en Phoenicische inscripties 24
3. Revisie 29
3.1. Revisionisten 30
3.2. De Donkere Eeuwen van Griekenland 32
3.3. Mycene 33
3.4. Een lijst van ongerijmdheden 34
3.5. De Trojaanse Oorlog 36
4. Oraliteit 38
4.1. Homerus en oraliteit 38
4.2. Lefkandi 39
4.3. Revisie 41
4.4. De functie van het alfabet in Griekenland 43
4.5. De orale traditie 44
4.6. Atlantis 49
4.7. Ugarit 51
4.8. Schrift als geheugensteun 53
4.9. Nawoord 55
5. Literatuurlijst 57

-3-
FIG. 1 Het oude Griekenland met Troje (Ilium) in Klein Azië

-4-
FIG. 2 De Levant, Klein Azië en Mesopotamië. Hattusas in Anatolië is Boghazkoy

-5-
Illustraties

Het omslag is The Lady of Shalott, van William Holman Hunt, uit ca. 1886-1905. Van
www.victorianweb.org. Naar het gedicht ‘The Lady of Shalott’ van Sir Alfred Lord
Tennyson,
There she weaves by night and day
A magic web with colours gay.
Waarin de Dame van Shalott de wereld, zoals gezien in een spiegel, weeft en moet sterven
als zij die wereld aanschouwt; een vloek lag op haar. Waarom ik dit magisch-symbolistische
werk als omslag koos wordt het best weergegeven in de volgende beschouwing, waarin ik
mijzelf als kunstenaar herken: “Thus, in the firts two parts of ‘The Lady of Shalott’ Tennyson
constructs a representation of the artist as a solitary and confined figure, inexplicably
compelled to create, as if literally bound by a ‘curse’.” (FANOUS 2007) Gelijk in zulk een
isolement en drang onstond dit essay. Een andere herkenning is de wereld als gezien door een
spiegel. De Dame van Shalott noemt de weerspiegelde mensen ‘schaduwen’; mijn
wereld/beeld is niet veel anders.
De kleine tekeningen vooraan ieder hoofdstuk zijn studies en voorstudies van The Lady of
Shalott van Holman Hunt, alle rechtenvrij van www.victorianweb.org

FIG. 1 Het oude Griekenland. Bron: http://mapoftheunitedstates.org


FIG. 2 De Levant, Klein Azië en Mesopotamië. Van ‘Geschiedenis van Kanaän’, van Wikipedia (NL).
FIG. 3 Tijdstabel.
FIG. 4 Dipinti op een Laat Geometrische scherf uit Pithekoussai, Italië. Illustratie uit FOXHALL 2002: FIG. 6.
FIG. 5 Luwisch schrift op zegel uit Troje, van http://home.att.net/~a.a.major/waroutline.html
FIG. 6 Krijger op scherf te Boghazkoy gevonden. Bron onbekend (internet).
FIG. 7 Illustratie van SCHORR A: ‘The Warrior Vase’.
FIG. 8 Illustratie van SCHORR A: ‘The Warrior Vase’.
FIG. 9 Illustratie van SCHORR A: ‘The Warrior Vase’.
FIG. 10 Amfoor die naar Lefkandi geïmporteerd was met teken bovenaan de hendel. Illustratie uit FOXHALL
2002: FIG. 1).
FIG. 11 Hittiet met schrijftablet en stylus. Uit Riemschneider 1958: afb. 108. Foto: Westlake Art.
FIG. 12 Hittitisch kind met pen en schrift. Uit Riemschneider 1958: afb. 110. Foto: Westlake Art.
FIG. 13 Wastablet uit Pompeii. Bron onbekend (internet).
FIG. 14 Schrift uit Pompeii. Bron onbekend (internet).

-6-
FIG 3. Tijdstabel
(conventioneel)

V.Chr. Griekenland Klein Azië, Levant, etc. Gebeurtenissen, personen

1400 Myceners Luwiërs


Hittieten
Ugarit
Zeevolken
Troje valt
1200 Einde Laat Brons Ugarit valt, etc.

1200
Duistere Eeuwen in Duistere Eeuwen in Doriërs trekken op naar het
-
Griekenland Anatolië, Levant zuiden
800

Ontwikkeling stadstaten
(poleis).
900
Alfabet van Levant naar Kolonisatie van grote delen
- Geometrische Periode
Klein Azië en Griekenland van de Mediterrannee en de
720
Zwarte Zeekust door de
Grieken
Olympische spelen
Phrygiërs
Homerus
Lydiërs
Hesiodus
776 Archaïsche Grieken Etrusken
Dictys
Cariërs
Arctinus (Iliupersis)
Lyciërs, etc
Lesches (Kleine Ilias)
549 Solon
Pindarus
Sophocles
Aeschylus
Herodotus
480 Klassieke Grieken Thucydides
Euripides
Heraclites
Leucippes
Plato, etc.

-7-
De vergezichten van Wereld 3

D
eze inleiding zal proairetisch zijn; ze brengt het verhaal op gang. Het essay is hermeneutisch
en onderzoekend, het idee erachter vertrekt vanuit de specifieke theorie van Havelock en
maakt een reis door Klein Azië, de Levant en de Griekse oudheid, waarbij het infame steden
aandoet en machtige helden aanschouwt. De enigma’s komen in veelvoud op ons af:
anomalieën met thema’s en oplossingen. In de seme wordt de tweeledigheid van de mens
geconnoteerd en nauwkeurig nagezien, beschrijvend opgesteld in het alfabet effect; dit deel
kwam jammer genoeg te vervallen en het effect zal minder aandacht krijgen.
De noodzakelijke onderverdelingen staan op hun plaats; ik begin, ik eindig. De logos
gebiedt de lezer het narratief te volgen. Dit is een symbolisch essay of een essay als symbool.
De beeldtaal is het alfabet.
Dit essay gaat over mediatheorie; deze kan gemakzuchtig zijn, zelfs simplistisch; zo zijn de
ideeën van Parry en Havelock over oraliteit gebaseerd op foute aannames omtrent het alfabet
en het paradigma dat de Ilias en Odyssee uit een orale traditie voortkwamen. Het is echter
meer dan waarschijnlijk dat ze geschreven werden vlak nadat de gebeurtenissen plaatsvond.
Dit alles berust op de datering van de Trojaanse oorlog, de genesis van alle theorieën en
ideeën over Homerus, de Ilias en Odyssee, een groot deel der Griekse (en onze) beschaving.
Zonder deze grondslag goed te begrijpen kunnen we de structuur van ons alfabet, ons schrift
en ons geschrevene niet begrijpen. Eens voerden zelfs alle koningshuizen van Europa hun
geslachten terug op Aeneas, prins van Troje.
De classicus Barry Powell schrijft in zijn conclusie over een studie naar waar Homerus
kweelde, dus over de lokaties waar de bard zijn gezangen ten gehore bracht: “The written
versions of oral song carried far and wide the technology of writing and the values of the
aristoi embodied in these poems, so laying the foundations of classical and Western
civilisation” (Powell 1993a).1 Powell onderschrijft Parry en daarmee Havelock. Maar is hij
overtuigend, want ik vindt het een hele boude bewering om te stellen dat de grondslag van de
Westerse beschaving(en) in Griekenland lag, zeker als we bergen materiaal uit Klein Azië, de
Levant, Egypte en Mesopotamië hebben dat anders zegt.
Wat Powell, Parry, Havelock en anderen hier doen is naar mijn mening een voortzetting van
het classicisme van de 19e eeuw, waarin Homerus en Hesiodus de vroegste voorbeelden van
epische poëzie waren en Griekenland de bakermat van de beschaving was. Heden ten dage
zouden we beter moeten weten: uit Syrië, Phoenicië, Klein Azië, Mesopotamië en de rest van
het Nabije Oosten hebben we teksten die ouder dan de Griekse zijn en beschavingen reiken
momenteel duizenden jaren verder in de tijd terug. Ik merk een westers centrisme op in de
aanvaarding van Homerus als de grote dichter, terwijl de vreemdeling Dictys Cretensis, die in
het Phoenicisch schreef, als grote fantast wordt neergezet. Diens Dagboek van de Trojaanse
Oorlog, zou een falsificatie zijn, terwijl Homerus het echte relaas verhaalt (waarbij men aan

1
Hij schreef er ook een heel boek over (POWELL 1991), wat bol staat van de geleerdheid, en goed te lezen en te
volgen is, maar weinig toevoegt en hoogst partijdig is. Zo gelooft hij aan een enkele uitvinder van het Griekse
alfabet, maar de persoon die daarvoor het meest in aanmerking komt, de Phoeniciër Cadmus, wordt door hem op
onlogische gronden verworpen (pp. 9-10).

-8-
de monsters, cyclopen en magie van de Ilias en Odyssee voorbijgaat). De Levantijn Dictys
beweert ooggetuige van de slag te zijn geweest, terwijl Homerus ongeveer een generatie later
schreef; Dictys schreef zijn relaas in Phoenicische lettertekens op, Homerus wordt tot oraal-
literaire halfgod van het multimediatijdperk en we weten niet eens of hij kon schrijven. In dit
alles zie ik de superioriteit van het westen zijn lelijke kop opsteken en het doet aan de
hedendaagse situatie denken, waarbij wij hier in het westen de volmaakte samenlevingsvorm
menen te hebben ontwikkeld, terwijl men in het oosten (midden- en verre-) het barbarisme
amper ontstegen is. Hoe durven de Taliban met hun bermbommetjes onze blonde strijders op
te blazen; brengen deze niet vrede en veiligheid?! Was het in de oudheid nog het blonde
Griekenland tegen de donkere koppen van Troje - wat amper een dag varen verderop lag - nu
strijdt het Westen (christendom) tegen de islam (Oosten). En wij wanen de ‘oorlog’ al
gewonnen, net als eens de winnaar van de Trojaanse Oorlog het heldenepos mocht schrijven,
terwijl het verhaal van de verliezer eeuwenlang vergeten werd. Alreeds de beroemde
historicus Herodotus beticht Homerus van een eigen agenda bij het schrijven van zijn
heldendichten (zie Hist. II, 112 e.v.), wellicht niet vreemd als we bedenken dat hij een barbaar
van origine was: hij kwam uit Carië in Klein Azië. Maar het westers centrisme (ofwel
oriëntalisme – naar Edward Said) is niet de enige rotte appel in de academische mand.
De geschiedenis van Egypte en Israël, die van de Levant, Klein Azië, Griekenland, Italië –
ze staat vast. Door decennia gewroet van archeologen en eeuwen studie der geschiedkundigen
zijn de koningen van deze landen op hun juiste plaats gezet en is hun historie ons bekend.
Slechts kleine chronologische afwijkingen dienen nog gecorrigeerd. Zo luidt de algemeen
aanvaarde versie over de geschiedenis der oudheid der historici. Maar een kritisch en
sceptisch toehoorder prikt door de vele gissingen en inconsequenties heen; veel van wordt
geschreven is in tegenspraak met elkaar of gewoon niet logisch. Hele tijdperken werden
verzonnen om de ongerijmdheden met elkaar in overeenstemming te brengen, maar iedere
poging liep juist uit op meer en meer tegenstrijdigheden, zodat we nu over een
geschiedkundige warboel beschikken waar de honden geen brood van lusten. Het gewone
publiek weet vrijwel niets van deze perikelen in de geschiedkundige letteren. Ze krijgt niet of
amper te horen van geleerden die elkaar jarenlang in de haren vliegen om dateringen die
honderden jaren uit elkaar liggen, van hele reputaties die verwoest worden als iemand niet de
gangbare academische gedachtegangen volgt. We zullen zo’n inconsistent tijdperk bekijken,
de Donkere Eeuwen van Griekenland, en zien dat er weinig heel van blijft. Dit zijn ook de
eeuwen waarbinnen het overnemen van het alfabet door de Grieken van de Phoeniciërs valt,
zodat we nu al kunnen waarschuwen dat dit een heikel tijdperk in de literatuur vormt.
Naast dit alles kwam de classicus Eric Havelock met een theorie over media, die rustte op
het een theorie over het ontstaan van het alfabet.2 Havelock had geen weet van Donkere
Eeuwen discrepanties en in dat opzicht valt hem niets te verwijten. Havelocks theorie voelde
voor mij in eerste instantie goed aan. Echter, ik ben van huis uit mytholoog en
geschiedkundige en juist op het snijvlak van die twee disciplines bevindt zich het alfabet.
Mijn vader zaliger schreef ooit een boek over alfabetten en ik raakte gaandeweg al even
geïnteresseerd in die krabbeltekentjes. Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit van
Havelock, Innis en McLuhan gehoord had, tot een ‘fatale’ dag in de minorklas Media &
Communicatie.
Ik ben tot de realisatie gekomen, nadat mijn leraar Peter Dijkstra zich afgelopen maart in de
les mediatheorie schatplichtig verklaarde aan De Muze leert Schrijven van Havelock, dat ik
een mediator ben, een mediamens, iemand die alle media als uitdrukking gebruikt. Het was
een soort aha erlebnis voor mij, die zich gedurende enkele weken voltrok.

2
Ik zal hier niet beginnen over het bouwen van een theorie op een theorie, wat op zijn zachtst gezegd een
contestabele manier van wetenschap bedrijven is.

-9-
Al jaren spookte door mijn kop dat ik geen kunstenaar was. Ik kan uitmuntend tekenen en
schilderen, maar ik voel mij net zo thuis achter een synthesizer als een ezel. Dichten,
voordragen, verhalen of artikelen schrijven, muziek componeren, presentaties samenstellen,
een film regisseren of editen, activiteiten opzetten, het gaat mij allemaal even goed af. Echter,
al jaren liep ik ook met het idee rond, dat ik andermans werk kon aanvullen, kon verbeteren,
kon redigeren. Wat een producer in de muziek dus eigenlijk doet. Ik voelde mij dan ook een
producer, maar het woord heeft een andere betekenis in bijvoorbeeld de filmwereld, zodat ik
het niet geschikt vond. Ik zocht naar andere expressies en vormen en bleef naarstig speuren
naar een betere term en een goede visie op wat ik doe. Het is geen kunst, maar toch wel. Lijkt
op academisch of wetenschappelijk werk, maar is het net niet, want te wispelturig en vaak
tegendraads. Het is collages maken, pastiches van het werk van anderen – een beetje a la Max
Ernst, maar toch niet. Een tijdlang bestudeerde ik het werk van Dali en de surrealisten, en
hoewel zij voor mij aanknopingspunten en inspiratie vormden, realiseerde ik mij dat er bij hen
niets nieuws te halen viel. Ook andere stromingen kunnen mij bekoren, maar niet meer
inspireren. Ik moest mijn eigen beeldtaal, zoals ik die al jaren aan het vormen ben,
vervolmaken. Een van de stappen daarbij is de realisatie dat wat ik doe eenvoudig media is –
mijn werk, wat het ook is, is een verlengstuk van mijzelf. In de toekomst zal ik dan ook het
woord kunstenaar gaan mijden als ik het over mijzelf heb. Ook, aangezien media nog
toekomst heeft en kunst in een moeras van onbenulligheid is weggezonken.3 Dankzij die les
mediatheorie in maart van 2008 kon ik ineens vorm en inhoud met elkaar in één begrip
verenigen.
Toen ik De Muze Leert Schrijven begon te lezen wroette Havelock in de kern van mijn
kennis: ik kon beargumenteren dat de Donkere Eeuwen van Griekenland, waar de gehele
orale theorie op rust, niet bestaan hebben en een lapmiddel van geschiedkundigen is om de
Griekse historie in overeenstemming met de Egyptische chronologie te brengen. Ik kon echter
niet beredeneren waarom Havelock en McLuhan er zo naast zaten, terwijl ze zo’n mooi
ogende theorie hadden, die nergens echt fout leek. Daarvoor moest ik eerst in de woelige
wereld der classicisten duiken en met hen Homerus lezen (voor mij als geschiedkundige
volstond Herodotus altijd), Plato doorworstelen (en dingen over Atlantis ontdekken die ik
nooit bevroed had), Havelock interpreteren (zijn bronnen zijn velerlei, en moeilijk terug te
vinden in zijn werk), Parry en Lord achterhalen en doorwerken (achteraf op een ‘plank’ in de
bibliotheken) en McLuhan begrijpen (ik kan niet zeggen dat ik hem echt begrijp, wel snap ik
dat hij zichzelf en anderen eindeloos herhaalt en aangehaald heeft; hij komt als een typische
salongeleerde over die met 100 jaar nog wel bekend is, maar niet meer gelezen wordt).
Kortom, ik heb in korte tijd een omvangrijke studie gemaakt, soms van onderwerpen waar ik
weinig tot niets van wist. Fouten en verkeerde interpretaties zijn dan onontkoombaar, maar ik
heb ze hopelijk tot een minimum weten te beperken.
Toevallig stuitte ik tijdens mijn onderzoekingen voor dit essay op de these dat niet de
Grieken de originators van ons alfabet waren, maar de Phrygiërs. Hoewel het voorbijging aan
het doel van dit essay, ben ik er mee doorgegaan en heb er wat over geschreven. Ik ga er hier
verder niet op in, maar we mogen ons afvragen, dat indien de Phrygische beschaving niet door
de Kimmeriërs verwoest was, en de opvolgende beschaving der Lydiërs niet door de Perzen
verwoest was, hoe onze beschaving er dan had uitgezien? Was Klein Azië dan meer dan een
brug geweest tussen oost en west, hadden wij in het westn toleranter tegenover het oosten
gestaan? Was er wellicht geen sprake van de opkomst van de Westerse beschaving geweest,
met de druk van een machtig Phrygisch rijk? Zoals ik al zei: ik ga niet speculeren, maar de

3
Ironische noot. Arjen Mulder zegt in zijn ‘Vooraf’ van Over Mediatheorie, “De hele mediatheorie komt
trouwens voort uit een kunststroming, het twintigste-eeuwse modernisme namelijk (2004: 9).” Zie daarvoor
verder 2004: 18 e.v.

- 10 -
geschiedenis leert ons dat kleine daden grote gevolge kunnen hebben. Dit is een klein essay,
wie weet…
Rest mij nog het volgende: de verschillende hoofdstukken waren eerst verdeeld naar de
codes van Barthes: Proairetisch, Hermeneutisch, Seme, Symbolisch, Referentieel. Dit ging
mooi op voor de inleiding, proairetisch: acties die het verhaal op gang brengen, en voor de
literatuurlijst, referentieel: de referenties die een tekst maakt naar een bepaald kennisgebied,
deze culturele code verleent de tekst een morele of wetenschappelijke basis en is afhankelijk
van de voorkennis van de lezer, maar het hermeneutische (roept enigma’s op, ieder enigma
heeft een thema en een oplossing), het seme (de connotatieve betekenis van een bepaald
voorwerp, beschrijving van eigenschappen, personage of plaats), en het symbolische (hoe
meerdere tegenstellingen kunnen samenkomen en elkaar afwisselen) kon ik geen precieze
plaats geven. Wellicht was het door valsspelen gelukt, maar mijn essays zijn kunstwerkjes,
perfectionistisch door en door en zullen niet besmet raken.

- 11 -
2. Definitie

2.1 Herkomst alfabet, verschillende hypotheses


2.2 Herkomst Griekse alfabet, verschillende hypotheses
2.3 Wanneer werd het alfabet door de Grieken overgenomen?
2.4 Waar werd het alfabet overgenomen?
2.5 Alfabetisch schrift op Kreta
2.6 Het alfabet in de Levant
2.7 Proto-Kanaänitische en Phoenicische inscripties

“The earliest attempt to derive Phoenician, and hence the Greek scripts, from a Sumerian source was
made by Professor L. A. Waddell in his book The Aryan Origin of the Alphabet, published in 1927. Un-
fortunately he ignores the Hebrew names of the letters, and the supposed meanings of those names,
assuming, as Flinders Petrie did, that these were developed late, and consequently he is guided only by
the forms of the signs.”
John Strong Newberry4

2. De definitie van alfabet

I
n gesprekken in november van 2008 met Peter Dijkstra, de docent van de minor Media &
Communicatie, en enkele studenten, werd mij duidelijk dat het begrip alfabet verward wordt
met schrift. Deze verwarring culmineert in wat bijvoorbeeld het ondegelijke Wikipedia,
bolwerk van gemakzuchtige geleerdheid en oppervlakkigheid, erover te zeggen heeft. Bij het
lemma ALFABET vinden we dat een alfabet een verzameling symbolen heet te zijn waarmee
taal schriftelijk kan worden weergegeven. Natuurlijk is dat níet de definitie van alfabet, maar
de definitie van schrift. En natuurlijk zijn alfabetten schrift, maar niet alle schrift is
alfabetisch. Al even simplistisch duikt op het internet op: “alle letters van een taal in een
bepaalde volgorde”,5 en vind ik in een introductie tot het schrift van Fons van der Linden het
omgekeerde van Wikipedia (Over Letters en Schrift, 1983, p. 14): “Echt schrift is fonetisch,
het noteert met zichtbare conventionele tekens de klanken van gesproken woorden” (cursief in
het origineel). Dan zou het Hebreeuws niet eens als schrift aangeduid mogen worden,
evenmin het Chinees, Japans, enz.
Ik besloot een definitie te maken op grond van mijn kennis van het alfabet. Deze werd, na
lang nadenken, de volgende: een alfabet is een vereenvoudigde vorm van schrift, wat weer de
neerslag van spraak is. Schrift is opgebouwd uit syllabes of klankcombinaties (lettergrepen).
Het alfabet breekt deze weer op in stukjes, letters genaamd.
Hoewel deze definitie adequaat genoeg lijkt zit er een discrepantie in:
- Schrift: is niet altijd de neerslag van spraak, symbolenschrift (ideogrammen,
karakters, hiëroglyfen, e.d.) duidt een begrip, idee of symbool aan.
En er doemen vragen op: hoeveel letters kan een alfabet hebben? Kan men elke soort schrift
vereenvoudigen tot een alfabet? Vragen die ik hier niet ga beantwoorden, maar die aangeven
dat de materie van het alfabet geen eenvoudige is.6 Er houden zich dan ook verscheidene

4
John Strong Newberry, ‘The Prehistory of the Alphabet’, Harvard Studies in Classical Philology, Vol. 45
(1934), pp. 122-123.
5
nl.thefreedictionary.com/alfabet
6
Het alfabet werd ook voor andere doeleinden dan schrijven gebruikt. Zo kennen we uit het vroege Griekenland
talloze nonsens inscripties. Ornamentele of decoratieve tekst heet men dipinti. Een derde van de opschriften op
vazen heeft geen betekenis. Het zijn of nonsens inscripties en dan dienen ze als ornament, of mogelijk laten ze
zien dat de vaasschilders analfabeet waren die letters probeerden na te bootsen (andere mogelijkheden zijn:

- 12 -
disciplines met het alfabet bezig. Archeologen, geschiedkundigen, linguïsten,
schriftgeleerden, classicisten, mythologen, noem maar op. Ook de nieuwlichters van
mediatheorie vonden dat ze wat over het alfabet te zeggen hadden; we komen er later op
terug.

FIG. 4 Dipinti op een Laat Geometrische scherf uit Pithekoussai, Italië

Mijn definitie volgt enigszins de oorsprong van schrift (uit spraak) naar de ontwikkeling van
het alfabet uit schrift. Naar mijn idee werden door de vroegste mensen tekens, pictogrammen
en dergelijke voor communicatie ontwikkeld. Deze werden allengs ingewikkelder, zeker toen
ze taal moesten gaan verbeelden.7 Vandaar dat sommigen op een gegeven moment die
ingewikkelde systemen versimpelden. Zo werd het alfabet geboren.
De Encyclopedia Brittanica gebruikt een andere, zeer technische, definitie van het alfabet:
“Set of graphs, or characters, used to represent the phonemic structure of a language. In most
alphabets the characters are arranged in a definite order, or sequence (BRITTANICA:
Alphabet).” Ik vind hem prachtig en hij is waarschijnlijk sluitend, maar lang niet zo
romantisch als de mijne. Aan Ferdinand de Saussure, semioloog en één der vaders van de
moderne linguïstiek, wordt een definitie toegeschreven die al even duidelijk als onduidelijk is:
‘betekenisloze vormen willekeurig verbonden met betekenisloze geluiden’.8
Toch geven wij er betekenis aan en werken wij er al enkele duizenden jaren mee. Hoe we
aan het alfabet komen en wat het voor ons betekent zal ik nu kort behandelen.
Gewoonlijk vertegenwoordigt ieder alfabetisch teken een klinker of een medeklinker.
Andere schriften gebruiken veelal een syllabe of een groep van consonanten (medeklinkers)

haast, slordigheid, nog niet zo bekend met het alfabet). Dat de zaak vaak niet zo eenvoudig ligt lezen we in
IMMERWAHR (2006:136 e.v.). Hij toont aan dat ook literair geschoolde vaasschilders nonsensteksten schilderden.
Verder onderscheidt hij verschillende technieken bij het nonsens schrift: de optische illusie, waarbij letters
aaneengeregen zijn, en de akoestische illusie, waarbij de aaneengeregen letters mogelijk uitspreekbaar zijn. We
zien ook letters gebruikt voor labels, een soort ‘tekstballonnen’ en een visueel thema waarbij dansers afgebeeld
zijn met een lange dipinto die zich om de dansers slingert, waarbij de beweging van dansen gesuggereerd wordt
(FOXHALL 2002:10). Immerwahr stelt dat nonsensschrift respectabel was, aangezien het schrijven van letters op
zich al een prestigieus iets was (IMMERWAHR 2006:140). Opvallend is, dat groepen schilders verkorte vormen
van het alfabet gebruikten. Zo mist de alpha vaak.
7
Voor het idee dat schrift niet direct uit een taal voorkomt, zie ook SANDERS 2006: 20, “…the early history of
writing suggests that writing is originally something that encounters language from outside, rather than flowing
directly out of language… alloglottography – writing down a text in a completely diferent language than the one
in which it was composed and read – was a widespread scribal practice” (cursief in oorspronkelijke tekst). Het
vroegste schrift lijkt zuiver voor economische doeleinden gediend te hebben. Het waren zeker geen creatieve
pennevruchten, geen doodles en ook geen liefdesbetuigingen. In Egypte zijn hiëroglyfen op kleine kleitabletjes
gevonden, welke namen van koningen en instituten weergeven, naast de levering van olie en linnen als belasting
aan Pharao Schorpioen. Anon., ‘Were Egyptians the first scribes’, BBC News, 15 december 1998,
news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/235724.stm Bekeken op 17 april 2008.
8
Zie www.fortunecity.com/victorian/vangogh/555/Spell/alfabet-abbr.html voor de uitspraak, die niet in De
Saussures postume werk terug te vinden is.

- 13 -
en klinkers. Syllabenschriften gebruiken veel meer tekens om mogelijke consonant-
klinkersyllabes weer te geven dan alfabetische schriften. Bijvoorbeeld, een taal met 30
consonantklanken en vijf klinkerklanken heeft niet meer dan 35 aparte letters nodig. Dezelfde
taal zou 30 x 5 tekens nodig hebben om alle syllabes weer te geven (ba, bi, bu, be, bo; di, da,
do, du, enzovoorts), en dan nog aparte tekens voor klinkers. Daarbij komen we maar liefst aan
155 tekens. Zowel alfabetten als syllabische schriften zijn fonografische symbolisaties,
oftewel, ze verbeelden de geluiden van woorden en niet de betekenis ervan (BRITTANICA:
Alphabet) Verder komen syllabenschriften vóór alfabetische schriften voor in de
geschiedenis. Vandaar ook dat ik zeg dat het alfabet een versimpelde vorm van schrift is; van
155 tekens teruggaan naar 35, zoals ik in het voorbeeld liet zien, is een behoorlijke besparing
op de hoeveelheid tekens die een gebruiker moet leren.9
In de evolutie van het alfabet10 zien we twee belangrijke prestaties. De eerste is de stap die
verschillende groepen Semieten namen om hun eigen talen en dialecten van consonanttekens
te voorzien. De data hiervoor worden gewoonlijk ergens tussen 1900 en 1500 v.Chr. gegeven.
De andere stap was de vondst van de Grieken om klinkertekens toe te voegen aan hun versie
van het alfabet. Dit gebeurde waarschijnlijk ergens tussen 800 en 700 v.Chr. Let wel dat
sommige geleerden de Semitische schriftsystemen als niet-gevocaliseerde syllabes zien en het
Griekse systeem als een echt alfabet (BRITTANICA: Alphabet).11 Een voorbeeld van het laatste
zien we bijvoorbeeld in de premisse dat Griekenland met een overweldigende meerderheid de
bakermat van het alfabet heet te zijn. Was het Phoenicische alfabet nog gebrekkig, de Grieken
maakten er de hoeksteen van de huidige beschaving van (MOUSA 2001). Maar evengoed haal
ik een expert aan die zegt dat de Semitische consonantenalfabetten puur alfabetisch zijn en in
die zin niet onderdoen voor het Griekse alfabetische schrift (zie bijvoorbeeld JENSEN 1970:
XV en vergelijk XI.A). Beide schriftsystemen worden door mij dan ook gezien als vormen
van het alfabet.
Kijken we naar de herkomst van het alfabet, dan zien we meerdere kandidaten, hoewel er
tegenwoordig vrij veel consensus voor één bepaalde evolutie is. In het gebied waarover we
hier spreken waren twee belangrijke schriftvormen in gebruik, naast een hoop lokaal
gebruikte schriften. In Egypte werd een tekenschrift gebruikt, in hiëroglyfische, hiërateïsche
en demotische vorm (de laatste twee zijn versimpelde vormen van hiëroglyfen). In
Mesopotamië en omgeving vinden we het spijkerschrift of cuneiform, gebruikt door
Elamieten, Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, en andere volkeren. De Grieken en Romeinen

9
Sieb Nooteboom beargumenteert in een artikel (‘From phonemes to letters or from letters to phonemes?’, in
Written Language & Literacy, Vol. 10, № 2, 2007, pp. 129-143) dat het leren van het alfabet een bijzonder
moeilijke taak is, veroorzaakt doordat wij geen verband tussen een letter en een stukje spraak kunnen maken. We
zouden zelfs kunnen zeggen dat dan het leren van een syllabenschrift makkelijker moet zijn dan het leren van
een alfabet, eenvoudig doordat in een syllabenschrift de spraak ruwweg in zijn lettergrepen is opgedeeld.
Tegenwoordig krijgen kinderen op de lagere school vaak geen A,B,C (Aá, Bé, Cé) meer te leren, maar een
soort fonetisch alfabet: Ah, Buh, Cuh. Hoewel dit een slimme zet lijkt, maakt het de situatie alleen maar
troebeler en ondoorzichtiger, aangezien deze zogenaamde fonetische uitspraak net zo beperkt is als het oude Aá,
Bé, Cé, immers de letter A kan op meer manieren dan alleen Aá of Ah uitgesproken worden, net als alle andere
klinkers en een enkele medeklinker als de C.
10
Voor een fraaie visuele benadering van de evolutie van schriften en alfabetten, zie de site van professor Robert
Fradkin van de universiteit van Maryland, http://terpconnect.umd.edu/~rfradkin/alphapage.html
11
Voor een discussie tussen een voor en tegenstander van de mening wie de uitvinder was, Semieten of Grieken,
zie POWELL 1998 en MCCARTER 1998. Powell is een aanhanger van de Assyroloog Gelb die in 1952 meende dat
de Semitische alfabetten geen ware alfabetten waren omdat ze geen klinkers kenden. Powell verdraait feiten en
komt met onlogische stellingen (een voorbeeld van een Powell zin: “West Semitic writing, then, was a great
invention—one had to learn only about 22 signs to record speech in writing—but it was not based on an
alphabet.” Het was er niet op gebaseerd, aangezien het een alfabet wás!) Powell denkt verder dat Grieks
opgelezen én uitgesproken kan worden door iemand die de taal verder niet machtig is. Dat is hetzelfde als
zeggen dat een Nederlander die het Engelse woord Can opleest precies weet hoe dit uitgesproken moet worden:
als Ken, of als Kan?

- 14 -
beschouwden vijf volkeren als de mogelijke uitvinders van het alfabet – de Phoeniciërs,
Egyptenaren, Kretenzers en Hebreeën. De moderne opvattingen verschillen niet zoveel van de
Klassieke; mogelijk zijn er zelfs meer kandidaten dan in de oudheid.12 Het Egyptische schrift,
het spijkerschrift, het Kretenzisch en Cypriotisch, maar ook het hiëroglyfisch Hittitisch
(Luwisch) worden genoemd als prototypes van het alfabet. Wat de Egyptische theorie13
betreft komen alledrie de schriftsystemen in aanmerking: hiëroglyfisch, hiërarteïsch en
demotisch. Evenzeer noemt men het Assyrisch, Babylonisch of zelfs Sumerisch als
Mesopotamische voorloper van het alfabet (BRITTANICA: Alphabet; zie ook JENSEN 1970: XI,
FÖLDES-PAPP 1984: IV, BRUCE 1948, ALLOTT 2000; ULLMAN 1927a, 1934).
Het Proto-Kanaänitische schrift, wat de laatste stap voor de Phoenicische voorloper van het
alfabet heet te zijn (als het niet gewoon Phoenicisch is), lijkt in niets op het Mesopotamische
spijkerschrift, hoewel we een Ugaritisch alfabet kennen dat in spijkerschrift was geschreven.
Dat laatste had echter geen blijvende invloed op het Proto-Kanaänitische schrift (MCCARTER
1998).
Overigens, bij de overdracht van het alfabet naar de Grieken werd het medium zonder
boodschap getransporteerd; geen teksten, noch een geloof of idee kwam met deze technologie
mee. Dit is in flagrante tegenspraak met McLuhans idee dat het medium de boodschap is (the
medium is the message). En hoewel dit een uitzondering lijkt, vinden we het vaker in de
geschiedenis: de uitvinding van verf (bijvoorbeeld olieverf) is er nog één. Wat dit voor
McLuhans theorie betekent mag iemand anders uitzoeken (zie ook bij de Oxford classicus
MURRAY 1983: 97 e.v.). Het betekent in ieder geval dat Griekenland ongewoon is. Normaliter
in traditionele samenlevingen lijkt geletterdheid geen onafhankelijk iets te zijn, maar samen te
vallen met gevestigde sociale vormen als overheid en religie. Het Griekse alfabet was echter
seculair; van het begin af lijkt het alleen voor seculaire activiteiten gebruikt te zijn (hoewel
Herodotus wijgeschenken met opschriften erop noemt als oudste voorbeelden van schrift in
zijn tijd – Hist. V, 59). Hoewel ze dit fenomeen niet geheel verklaren worden twee oorzaken
hiervoor genoemd: de afwezigheid van een gevestigde priesterkaste, en de openheid van de
Griekse overheid (MURRAY 1983: 98-99).14

2.1 Herkomst alfabet, verschillende hypotheses

- Van het Egyptisch


- Van een Mesopotamisch schrift

- Van het Egyptisch


We vinden alfabetisch gebruikte tekens naast syllabische en ideografische tekens in het
Egyptisch. Hun schrift kende geen echte klinkers, en we weten van een poging der
Egyptenaren om een alfabet van 24 tekens te maken, afkomstig uit hun eigen schrift. Alle
consonanten uit hun spraak waren erin verwerkt, maar men slaagde er niet in dit alfabet los te
weken van het oude ideografische systeem (SCHAEFFER 1980: 36). Het primitieve Sinaï-
schrift leende van de Egyptenaren (MCCARTER 1998). Mogelijk niet alleen tekens, maar ook

12
Ik noem hier maar een beperkt aantal hypothesen; er zijn er onvoorstelbaar veel. Een voorbeeld uit Macedonië:
nationalisten dromen van Alexander de Grote, de beroemdste Macedoniër, die de hele wereld veroverde. Ze zien
het alfabet ontstaan uit krabbels in Macedonië gevonden. Het lijken middeleeuwse en Klassieke inscripties te
zijn, maar Vasil Ilyov ziet er alfabetisch schrift in van 7000-1500 v.Chr. Zie www.unet.com.mk/ancient-
macedonians-part2/spomenici-e.htm
13
‘Theorie’ en ‘hypothese’ wordt hier losjes gebruikt; met beide wordt eerder idee/hypothese, dan werkelijk
toetsbare theorieën bedoeld.
14
Bruce (1948: 7) zegt: “It is noteworthy that the alphabet originated as the writing of common men, in contrast
to the older systems which were the prerogative of priests and clerks. The alphabet made it possible for all
classes to be literate; its invention is therefore a landmark of great importance in the history of civilization.”

- 15 -
het idee van een consonanten alfabet. Daarop ontstond het Proto-Kanaänitische of
Phoenicische schrift, met vreemde en uitzonderlijke schriftexperimenten te Byblos en Ugarit.
In de winter van 1904-1905 vond de beroemde archeoloog en Egyptoloog Sir William
Matthew Flinders Petrie (1853-1942) de eerste Proto-Sinaïtische inscripties te Serabit el-
Khadim. In 1916 toonde een andere Britse Egyptoloog, Sir Alan Henderson Gardiner (1879-
1963), aan dat deze Proto-Sinaïtische inscripties in een Semitische taal waren geschreven en
afgeleid waren van het Egyptisch hiëroglyfisch. Daarbij stelde hij gelijk dat ze de prototypes
van het Phoenicische alfabet waren. De datering van deze inscripties hangt af van de
archeologische context. En laat deze nu niet goed te duiden zijn, aangezien zowel de 12e als
de 18e dynastie, en tussenliggende periodes, in aanmerking komen. Het gaat meest
waarschijnlijk om de Late Bronstijd (SASS 1988: 5.1; JENSEN 1970: XI.B, pp. 260 e.v.).
De Sinaï-inscripties vertonen Aramese en Zuid Arabische invloeden. Semieten uit diverse
regio’s in het Midden oosten blijken in dit gebied actief te zijn geweest. Het zullen handelaren
en mijnwerkers zijn geweest, die met de Egyptenaren handelden en zelf metalen dolven
(SIEGEL 1932).
Het Ugaritisch alfabetische spijkerschrift is net zo oud als de vroegste vormen van
Semitisch alfabetisch schrift; er gaan zelfs stemmen op die zeggen dat het Ugaritisch het
prototype van het Phoenicische alfabet is (zie voor discussies JENSEN 1970: V.D).
Opmerkelijk aan dit alfabet is het gebruik van klinkers. En hoewel ik Ugarit aanmerkelijk
later dateer, is dit nog steeds enkele eeuwen voor het gebruik van klinkers in een alfabet door
Grieken. Het laat zien dat de uitvinding van klinkers door de Grieken voor hun alfabet niet zo
bijzonder was als altijd wordt beweerd.

- Van een Mesopotamisch schrift


Vonden we bij Tacitus het idee dat het Egyptisch de bron van de letters was (Annalen, XI.14),
Plinius wil dat de oorsprong bij de Assyriërs lag (Nat. Hist. VII.192). Dit idee vond in het
begin van de 20e eeuw navolging, evenals een oorsprong in het Babylonische spijkerschrift.
De befaamde Duitse Assyroloog Friedrich Delitzsch zag het Semitische consonantenalfabet
uit zowel het Egyptisch als het Babylonisch schrift ontstaan (FÖLDES-PAPP 1984: IV). Heden
ten dage vinden deze ideeën vrijwel geen navolging meer.

2.2 Herkomst Griekse alfabet, verschillende hypotheses

Ik zal enkele hypotheses over de herkomst van het Griekse alfabet hier kort behandelen,
maar zal beginnen met de ideeën die de Klassieken er zelf op nahielden.

- De Klassieke bronnen, Palamedes, Kadmus, etc.


- Van het Cypriotisch syllabisch
- Phoeniciërs

- Klassieke bronnen
Volgens de classicus Havelock was het Griekse alfabet de uitvinding van één man. Een
andere classicus, Barry Powell, zegt dat dit Palamedes15 moet zijn (POWELL 1991). Een
Griekse traditie wijst Kadmus aan,16 enkele generaties voor Homerus, maar er komen anderen
voor in aanmerking. Powell (1991: 10) wijst Kadmus af, aangezien deze volgens hem aan het
eind van het Midden Brons (ca. 1600 v.Chr.) hoort, en dat zou te vroeg zijn voor de uitvinding
van het Griekse alfabet.

15
Voor veel van de hier genoemde figuren, zie GULICK 1899; PARADA. Voor Palamedes, zie Virgilius, II, 82;
Ovidius, XIII, 56.
16
Voor Kadmus, zie voornamelijk GOMME 1913.

- 16 -
Powell vindt het Griekse alfabet het werk van een genie, van een weldoener voor de
mensheid, en doet bijvoorbeeld het Phoenicische alfabet af met enkele regels. Sterker, hij
noemt het syllabisch, terwijl het een consonantenalfabet is. Overigens, het Phoenicisch kende
wel degelijk enkele ‘klinkers’, die ook met eigen tekens geschreven werden. Bijvoorbeeld de
A (getranscribeerd als ’ of Hebreeuwse ‫)א‬17 de I (als een J of Y of Hebreeuwse ‫)י‬, de O
(getranscribeerd als ‘ of Hebreeuwse ‫)ע‬.18 Te stellen dat het Phoenicische alfabet onderdeed
voor het Griekse is onzin. Het Phoenicische was aan zijn eigen taal aangepast, net als het
Grieks aan de eigen taal werd aangepast.
Andere uitvinders van het schrift, of het alfabet, waren voor de Klassieken: Prometheus,19
Musaeus, Sisyphus, Hermes, de Egyptische Thoth,20 Athene, Phoenix, Kadmus, Orpheus,21
Cecrops.22 De Mythograaf Hyginus zegt dat de Moeren (lotsgodinnen) zeven Griekse letters
uitvonden (hij geeft er maar zes): alpha, beta, eta, tau, iota, en ypsilon (Fabulae, 277). Hij
gaat dan verder met Hermes die letters bedacht omdat hij kraanvogels in patronen zag vliegen.
Dan zegt hij dat Palamedes elf letters uitvond, Simonides er vier (omega, ypsilon, zeta en
phi), en Epicharmus van Sicilië twee (pi en psi). Verder zegt hij dat Kadmus de letters die hij
in Hellas introduceerde uit Egypte meenam, toen Hermes ze daar gebracht had.
Plinius zegt dat het alfabet naar Latium gebracht werd door de Pelasgen, dat Kadmus een
alfabet van 15 letters uit Phoenicië importeerde, en dat Palamedes (tijd van de Trojaanse
Oorlog) zeta, phi, psi en chi toevoegde (Nat. Hist. VII). Echter, volgens Isidorus van Sevilla
(De Etymologieën I, iii, 4-6), werden de Egyptische letters ontwikkeld door Isis (Io) toen zij
van Hellas naar Egypte ging. Kadmus bracht volgens hem zeventien letters naar Hellas (alpha,
beta, gamma, delta, ypsilon, zeta, iota, kappa, lambda, mu, nu, omicron, pi, rho, sigma, tau, en
phi). Later voegde Palamedes er nog drie toe (eta, chi en omega) en de lyricus Simonides drie
andere (psi, xi en theta).
De Kadmus traditie is verder te vinden bij Herodotus (Hist. V, 58 e.v.)23 en ook bij Dictys
(zie DICTYS: brief; proloog; I, 16) en bij Nonnos (4.259-64), die heeft dat Kadmus klinkers en
medeklinkers mengde tot een geïntegreerd harmonieus geheel. Bij Kritias dat de Phoeniciërs
het ‘gekrabbel’ uitvonden. De Kadmus traditie is echter laat (5e eeuw v.Chr.) en niet bij
Homerus of Hesiodus terug te vinden, zodat eraan getwijfeld wordt.
Volgens Diodorus van Sicilië zei ene Dosiades, een schrijver van epigrammen, hem dat de
letters uitgevonden waren door de Kretenzers (II 783.14), maar hij was ook van mening dat
Kadmus het alfabet naar Griekenland gebracht had (V 58.3).24
Bij de zesde eeuwse Hekataios, een voorganger van Herodotus, vinden we dat Palamedes,
zoon van Nauplios, het alfabet had uitgevonden. Hekataios gaat er tegenin en beweert dat
Danaus het uit Egypte meenam. De Palamedes traditie vinden we al bij Stesikhoros (Fr. 34;

17
Dit is een glottisslag. In alfabetisch Ugaritisch kende men drie verschillende tekens voor deze glottisslag. Men
denkt dat er drie verschillende syllabische klinkers mee geschreven werden (zie TROPPER 1999: 3.2.2, en 3.2.3
voor klinkers in het Ugaritisch, voor semiklinkers zie 3.3.1, voor klinkers in het Semitisch zie 3.3.4).
18
In het Phoenicisch kan men tot 5 klinkerklanken vinden. Overigens pasten de Grieken hun alfabet niet alleen
op het gebied van de klinkers aan, maar ook op het gebied van de medeklinkers (zie bijv. JENSEN 1970: XV.A, p.
457).
19
Alleen bij Aeschylus.
20
Theuth bij Plato, Phaedrus, 275b.
21
Zie Ivan Mortimer Linforth, ‘Two Notes on the Legend of Orpheus’, Transactions and Proceedings of the
American Philological Association, Vol. 62 (1931), pp. 5-17, voor Orpheus i.p.v. Palamedes als uitvinder van
het schrijven, volgens een retorische declamatie toegeschreven aan de sofist Alcidamas uit de 4e eeuw v.Chr.
22
Alleen bij Tacitus, Annalen, XI.14. Tacitus noemt verder Linus van Thebe en Palamedes als mogelijke
uitvinders van de “vormen van zestien letters, en anderen, voornamelijk Simonides, voegden de rest toe.” Ook
andere aantallen letters, 11 en 17 worden gegeven.
23
Herodotus heeft het over tekens in de tempel van de Ismenische Apollo te Thebe. Deze waren in drie
drievoeten gegraveerd en volgens hem grotendeels gelijk aan Ionische letters.
24
Zie ook POWELL 1991: 5 e.v. voor meer bronnen en meningen.

- 17 -
ca. 630-555 v.Chr.), verder bij Euripides (Frag. 578), in ongeveer 415 v.Chr., en bij
Aristophanes (Thesm. 770), een vijftal jaren later.25 Sommigen schrijven slechts enkele letters
aan hem toe, als Ζ, Ψ, Χ, Φ. Palamedes zou de Grieken Phoenicische tekens hebben gegeven
zodat ze hun voedsel beter konden distribueren. Palamedes was ook uitvinder van vele andere
zaken, zoals dobbelstenen en muziek. Veel van deze zaken heeft hij met andere
cultuurbrengers gemeen. Soms is hij de uitvinder, soms de brenger, van schrift bij de Grieken
(PHILLIPS 1957: 269-272).
De Phoenicische Kadmus bracht enkele generaties voor de Trojaanse Oorlog het alfabet
naar Griekenland. Conventioneel zou hij dan in de 13e-14e eeuw geplaatst moeten worden.
Maar het eerste van de Phoeniciërs overgenomen alfabet duikt pas rond 750 op in
Griekenland. Ik plaats Kadmus dan ook in de 9e–8e eeuw, wat redelijk met de Griekse traditie
overeenkomt. Ik zie in hem echter geen persoon, maar een amalgaam van een persoon en
legendarische overleveringen met mythische elementen.26 Hetzelfde geldt voor Palamedes.
Hij duikt rond het midden van de achtste eeuw op, ten tijde van de Trojaanse Oorlog, wat
goed met het epigrafische bewijs overeenkomt.27 Deze overleveringen laten zien dat de
Grieken een redelijk goed idee hadden van de herkomst van hun schrift.

- Van het Cypriotisch syllabisch


Roger Woodard ontwikkelde het idee dat het Griekse alfabet op Cyprus ontwikkeld werd
door schrijvers die gewend waren Grieks te schrijven in het Cypriotische syllabenschrift. Zij
namen in de Myceense tijd het Phoenicische consonantenschrift over en pasten het aan. Dit
alfabet werd vervolgens afgewezen door de Myceense cultuur van Cyprus (vandaar dat het er
niet gevonden is) en vond aftrek onder de toen nog analfabete Grieken op het vasteland die uit
de Donkere Eeuwen kwamen (WOODARD 1997). Hoewel het een spannend verhaal is, lijkt het
geheel fictief. Het laat wel zien dat, vanwege de Donkere Eeuwen discrepantie, meerdere
theorieën mogelijk zijn voor de transmissie van het alfabet. Al in 1906 merkte Praetorius de
overeenkomst tussen Cypriotische sylabetekens en Phoenicische letters op, maar de fonetische
overeenkomst mist (JENSEN 1970: XI.B, p.260). Wel opvallend is de discrepantie in tijd tussen
de twee schriften; ze worden door het gat van de Donkere Eeuwen gescheiden. Zou dat er niet
zijn, dan kunnen we mogelijk van beïnvloeding spreken.
Een eerdere variant op Woodards idee (zie CARPENTER 1938: 67 hiervoor) zegt dat de
Grieken het Phoenicisch consonantenalfabet én het Cypriotisch syllabisch moeten hebben

25
Voor meer bronnen, zie PHILLIPS 1957: 272. Voor meer over Palamedes zie Susan Woodford, ‘Palamedes
seeks Revenge’, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 114 (1994), pp. 164-169.
26
Het verhaal van Kadmus is onlosmakelijk verbonden met de ontvoering van zijn zuster Europa naar Kreta.
Kadmus’s (van kdm, “oosten”; vgl. zijn zusters naam Europa, van erev, “westen”) mythe is er één van een
drakendoder en schepper. Hij en zijn broers, Phoenix en Cilix, kunnen als eponiemen worden voorgesteld, net
als zijn ooms Aegyptus en Danaus (Phoenix – Phoenicië; Cilix – Cilicië; Aegyptus – Egypte; Danaus – de
Danaeërs, naam voor de Grieken; Kadmus – Homerus noemt de stad altijd Thebe, maar z’n inwoners Kadmeërs).
Het mythische aspect overschaduwt dan de geschiedkundige elementen. Wellicht moeten we hem gewoon zien
als dé Phoeniciër die het alfabet aan de Grieken bracht; de rest is dan bijzaak. De uitvinding van het alfabet is
ook geen hoofdelement van de mythe, het is een ondergeschikt deel van het verhaal. Ook anderen zouden het
alfabet, of het schrift, in Griekenland hebben geïntroduceerd. Sterker: verwarring van Kadmus (de mythische)
met de zesde eeuwse logograaf Kadmus van Milete is niet uitgesloten. Deze oudste van de logografen
(geschiedschrijvers van voor Herodotus of Thucydides) leefde rond 550 v.Chr. Een aantekening in de
Byzantijnse Suidas (10e eeuwse encyclopedie) geeft drie personen met de naam Kadmus. De mythische
Phoenicische, de zoon van Pandion en nog een schrijver. De eerste twee zouden gelijk aan elkaar zijn. De zoon
van Pandion (een koning van Athene) zou de eerste prozaschrijver geweest zijn en de auteur van een Historie
van de stichting van Milete en van Ionië in het algemeen. De oude Milesische adel beweerde overigens af te
stammen van de Phoeniciër Kadmus of een van zijn metgezellen (Wikipedia H).
27
Zie verderop voor de datering van de Trojaanse Oorlog.

- 18 -
gekend. Zo namen ze de medeklinkers van de Phoeniciërs over en de klinkers uit het
Cypriotisch.

- Phoeniciërs
De vroegste constructies in het heiligdom van Apollo Daphnephoros, Eretria, stammen van
voor 750 v.Chr. Twee inscripties uit die vroegste periode laten zien dat de Grieken het alfabet
van de Phoeniciërs overnamen. De oudste is een graffito in Semitisch schrift op lokaal
aardewerk, terwijl de andere een onhandig geschreven boodschap in Grieks alfabet op een
ostracon is (THEURILLAT 2004). Men stelt dat de vormen en namen van de meeste van de
Griekse klinkers, evenals hun positie in het alfabet, zijn overgenomen van de Phoeniciërs.
Hoewel de consensus tegenwoordig is dat de Grieken het alfabet va de Phoeniciërs
overnamen, zeggen sommigen dat het andersom was (de Phoeniciërs namen het van de
Grieken over) of dat beiden het van een gemeenschappelijke bron (bijvoorbeeld Kreta)
overnamen.

2.3 Wanneer werd het alfabet door de Grieken overgenomen?

Hierboven zagen we dat inscripties uit de tempel van Apollo Daphnephoros te Eretria uit
ongeveer de helft van de 8e eeuw v.Chr. zouden stammen. Maar die datum is afhankelijk van
de datering van de tempel. Verder zeggen zulke inscripties niets over de overname van een
schrift. Geleerden menen dat er overgangsperiodes zijn, waarin een schrift archaïsche
kenmerken vertoont en later eigen kenmerken krijgt. Zulk een periode wil men zelfs op
honderden jaren stellen, terwijl bewijs uit bijvoorbeeld Etrurië laat zien dat het binnen een
generatie kan gebeuren. De befaamde Joseph Naveh, professor in de West Semitische
epigrafie, geeft nog enkele criteria en stipt wat problemen aan: “The adoption of the alphabet
by the Greeks is a complex problem, in which scholars take into consideration the Homeric
question and the first attested date of the Olympic games, and look for the actual place where
the Greeks could have taken over the Semitic alphabet. These criteria seem to corroborate the
assumption that the Greeks learned the Phoenician alphabet in the eighth century B.C. At this
time, after some hundred years of decay, Greece began to flourish again, and evidence for
commercial contacts between Phoenicians and Greeks has survived. However, the problem
depends primarily on epigraphic indications. Although we cannot demonstrate Greek
inscriptions earlier than the eighth century B.C., the comparative analysis of the characteristic
traits of the West-Semitic script and those of the archaic Greek writing leads to the
assumption that the Greek borrowing of the alphabet has to be antedated by some three
hundred years to the date of the earliest known Greek inscriptions” (NAVEH 1973: 2).
Voor de datum van overname zijn er verschillende hypotheses geopperd:

- De 8e-7e eeuw v.Chr., wanneer de eerste archeologische vondsten van alfabetisch


schrift in Griekenland te duiden zijn, maar ook eerder, omdat er een
voorontwikkeling van het alfabet uit eerdere vormen vermoed wordt.
- De 11e of 12e eeuw v.Chr. of zelfs eerder, naar aanleiding van het gevonden
materiaal met het consonantenalfabet in Phoenicië en Kanaän.

Voor een voorontwikkeling van het alfabet in Griekenland is geen spoor van bewijs
gevonden. Als het alfabet al eeuwen bestond in Griekenland dan zouden we het in Italië
samen met de eerste Griekse contacten zien verschijnen. Dat is niet zo. We zien het pas
verschijnen aan het eind van het Laat Geometrisch, wat in Italië de periode van de
Protocorinthische import is. Dit is zo aan het begin van de 7e eeuw v.Chr. (CARPENTER 1938:

- 19 -
62).28 Ditzelfde argument rekent ook af met een plaatsing van die overname in de 11e-12e
eeuw. Echter, iemand als Ullman heeft daar iets op gevonden. Hij laat het alfabet ergens tegen
het einde van de Myceense periode of tijdens de Donkere Eeuwen overnemen; “In those
centuries it was probably not widely used and had a slow development (ULLMAN 1934: 380)”.
De opleving van de Griekse cultuur in de 8e eeuw v.Chr. zou dan voor een opleving van het
gebruik van het alfabet hebben gezorgd. Dit is een drogredenatie aangezien sinds het
verschijnen van Ullmans mening in 1934 er geen greintje bewijs voor deze stelling gevonden
is. Verderop reken ik met het idee van Donkere Eeuwen af, zodat er slechts een
ontstaan/overname in de 8e-7e eeuw v.Chr. mogelijk is. Dit komt overeen met het
archeologische bewijsmateriaal, dat rond het midden van de achtste eeuw v.Chr. te duiden
valt.

2.4 Waar werd het alfabet overgenomen?

Het alfabet was een exportproduct en als zodanig kunnen meerdere plaatsen waar handel
werd gedreven in aanmerking komen als alfabet-overslagplaats. Het moet een plek zijn
geweest waar Phoeniciërs en Grieken samenleefden of in ieder geval intensief contact hadden.
Men sluit meerdere overnameplaatsen uit, aangezien achter de ons bekende lokale varianten
van het Griekse alfabet een zelfde principe lijkt te liggen. Dit duidt op een centrale plaats van
waaruit het alfabet verspreid werd. Hierbij kunnen aan we enkele varianten denken:
- De Phoeniciërs brachten het naar de Grieken op het vasteland; het Kadmus idee dat
de Klassieken kenden
- De Phoeniciërs brachten het naar een handelspost (op Kreta, Cyprus, in de Levant)
en vandaar kwam het bij de Grieken op het vasteland en in Klein Azië terecht.
- Het alfabet kwam over land van Phoenicië/Syrië, via Phrygië, in westelijk Klein
Azië terecht. Vandaar vond het zijn weg naar het vasteland.
Elk van deze varianten heeft zijn voors en tegens. Eerder al werden Kreta en andere plaatsen
genoemd. Een lokatie die vaak genoemd wordt voor de overname van het alfabet van de
Phoeniciërs is al-Mina in Syrië. Niet ver daar vandaan lag Ugarit, met een rijke schrifttraditie
én met diverse alfabetten. Ik zal verderop dieper op deze plaats en zijn betekenis voor het
alfabet ingaan.
De Phoeniciërs deden met het schrift wat ze ook met kunst deden: ze namen het over van
derden, incorpereerden elementen ervan in hun eigen cultuur, verkochten, of gaven het door,
aan geïnteresseerden. Tot die laatsten behoorden Phrygiërs in westelijk Klein Azië en
Grieken.
Het in het binnenland gelegen Phrygië is één mogelijke plek waar het alfabet werd
overgenomen/overgedragen. Hoewel de Phrygische theorie weinig aangehangen wordt zijn er
heel wat punten die voor een overname door de Grieken van de Phrygiërs – en door hen weer
van de Phoeniciërs – spreken.29 Sommige van de vroegste Phrygische inscripties die uit de

28
Latere geschiedkundigen verhogen die datum van alfabetisch schrift in Italië. Zo wordt een graffito van 5
Griekse letters uit een vrouwengraf op ongeveer het midden van de achtste eeuw geplaatst, zie een
boekbespreking van R. Ross Holloway in American Journal of Archaeology, Vol. 98, № 2 (april 1994), p. 369.
Maar de Italische chronologie ligt verre van vast, zie bijv. JAMES 1993 en Nijboer, Van der Plicht, Sestieri & De
Santis, ‘A high chronology for the Early Iron Age in central Italy’ (‘Onderzoek naar de chronologie van de
overgang van de Late Bronstijd naar de Vroege IJzertijd in Italië’), Laboratorium voor Conservatie en
Materiaalkennis, Universiteit Groningen, http://www.lcm.rug.nl/lcm/teksten/teksten_nl/lcm_nl.htm
29
Een variant hierop wil dat er een gemeenschappelijke voorouder voor zowel het Griekse, als het Phrygische
alfabet is; maar dat komt dubbel over, aangezien het Phoenicische alfabet al zo’n voorouder is. Toch vinden we
het idee serieus genomen, bijvoorbeeld door William C. West in een boekbespreking van P. Kyle McCarter, The
Antiquity of the Greek Alphabet and the Early Phoenician Script (in Journal of the American Oriental Society,
Vol. 38, № 3, juli-september 1978, pp. 346-347), hij meent dat die voorouder van het Semitisch was afgeleid,

- 20 -
achtste eeuw stammen onthullen een geavanceerd alfabet (ULLMAN 1934: 377, nt. 2).30
Overigens kan het ook zo zijn dat zowel Grieken als Phrygiërs in dezelfde periode het alfabet
van de Phoeniciërs overnamen; de Grieken over zee, de Phrygiërs over land.31
Ook andere kunsten zijn mogelijk eerder via de Phrygiërs dan via de Phoeniciërs bij de
Grieken terechtgekomen. Müller en Schefold (1946: 126) schrijven: “Man sah zumeist die
Phöniker als die Vermittler zwischen Ost und West an, und dies mit gutem Grund; die Funde
von Pazirlı (in Phrygië) aber lehren uns eine neue Brücke zwischen der Welt Mesopotamiens
und der des Griechentums kennen.” Verderop laat ik overeenkomsten tussen afbeeldingen uit
Phrygië en de Myceense wereld zien. Opmerkelijk is de kunst van het bouwen van
waterwerken (aquaducten, e.d.) die door de Grieken werd overgenomen van de Perzen, die het
weer van de Urarteeërs hadden.32 De laatsten waren buren en verwanten van de Phrygiërs.
Bij Powell gaat de uitvinding van het Griekse alfabet vooraf aan de Klein Aziatische
alfabetten (1991: 11, nt.16). Hij zegt dat Aioliërs uit Cumae het alfabet naar de Phrygiërs in
Klein Azië brachten door handel (POWELL 1991: 16-17). Maar de oudste Aiolische inscripties
zijn van later datum dan de Phrygische en het alfabet van het laatsten lijkt niet uit Aiolis of
Ionië afkomstig te zijn, én een alfabet afkomstig uit het westen moet door Lydië gegaan zijn,
dat al een eigen alfabet kende. De letter digamma in hun alfabet komt ook voor in Phrygië,
maar niet in Ionië. Het lijkt er dus op dat Lydië leentjebuur speelde bij zijn oostelijke
buurman Phrygië, maar waar hadden zij dan het alfabet vandaan? Young, opgraver van
Gordion en de man die het Phrygische geschreven materiaal aan het licht bracht, kiest voor
Cilicië en de halvemaan van de Levantijnse kust, waar Grieken en Semieten intensieve
contacten hadden, maar waar Phrygië makkelijk over land contact mee kon hebben gehad
(YOUNG 1969: 253-255). Een inderdaad zien we de Phrygische koning Midas, in Assyrische
bronnen Mita genoemd, die een opstand voorbereid met de koning van Karchemish, wat aan
de Eufraat in Noord Syrië lag. Daar zien het bewijs dat de Phrygiërs in het noorden van Syrië
actief waren, precies in het gebied waar ze het alfabet moeten hebben overgenomen.
Het bewijs van de Klein Aziatische alfabetten is genegeerd; ze zijn gewoon beschouwd als
afstammelingen van het Grieks, zonder ze eigenlijk een blik waardig te gunnen. Powell blijft
trouw aan die traditie, maar zeker de laatste halve eeuw is er genoeg voortgang op dit terrein
geweest om de Phoenicisch-Griekse theorie los te laten. Het Griekse en Phrygische alfabet
lijken sterk op elkaar en linguïsten twijfelen eraan welke het eerst ‘uitgevonden’ werd.
De vondsten in Phrygië laten zien dat de Anatolische alfabetten afkomstig waren van het
West Semitische alfabet in ruwweg dezelfde periode als de Grieken het kregen. Verscheidene
Indo-Europese volkeren verkregen zo onafhankelijk van elkaar het alfabet rond dezelfde tijd
(ca. de 9e–8e eeuw v.Chr.).
Samenvattend kunnen we zeggen dat rond het midden van de 8e eeuw v.Chr. de Phrygiërs
met alfabetische tekens begonnen te schrijven. Niet veel later – volgens sommigen iets eerder
– deden de Grieken hetzelfde. En in dezelfde periode begon de Griekse kolonisatie van Zuid
Italië, Sicilië en de Zwarte Zee kust en begon de oriëntalisering van de Griekse kunsten; uit
Mesopotamië en uit Klein Azië kwamen oosterse invloeden Griekenland binnensijpelen, door

mogelijk door de Grieken, in de 9e-8e eeuw v.Chr. Dan, in het midden van de 8e eeuw verspreidde het zich naar
het noorden naar Phrygië en naar het westen naar Griekenland. Daar er nog nooit ook maar één fragment van
gevonden is, lijkt het geen vatbare hypothese te zijn.
30
Ironische noot: Wanneer Odysseus ten tijde van de Trojaanse Oorlog een Phrygische krijgsgevangene een
brief laat vervalsen, waardoor Palamedes, uitvinder van het alfabet, ter dood veroordeeld wordt, wordt daarmee
dan gezegd dat de brief in Phrygisch alfabetisch schrift gesteld was?
31
Opvallend is wel, dat men in Ionië het alfabet eerder kende dan op het vasteland van Griekenland (COTTERILL
1996: 79). Een mogelijke reden is dat het overzee daar gekomen is, maar over land via Phrygië is evengoed
denkbaar.
32
Zie Dora P. Crouch, ‘The Hellenistic Water Systems of Morgantina, Sicily: Contributions to the history of
urbanization’, American Journal of Archaeology, Vol. 88, № 3, juli 1984, p. 364.

- 21 -
de maas van Phrygië en iets later Lydië. De kolonisten brachten het alfabet mee naar Italië en
Sicilië. Eerder al hadden Phoeniciërs het alfabet meegenomen naar hun koloniën op de Noord
Afrikaanse kust en het Iberisch schiereiland; ondertussen verspreiden de Arameeën zich over
Phoenicië vanaf de 9e eeuw en namen het Phoenicische alfabet over.33 In ruwweg de periode
rond de Trojaanse Oorlog vluchtte een groep Lydiërs naar Italië en vermengde zich daar met
de inheemse bevolking tot de Etrusken. De Romeinen namen hun alfabet van deze Etrusken
over, eerder dan van de Grieken die verder dan de Etrusken woonden voor de Romeinen.34
Ons alfabet is van het Romeinse afgeleid, niet van het Griekse. Hiermee ontstaat een bizarre
situatie: aangenomen wordt dat ons alfabet van het Romeinse is afgeleid, via het Etruskisch,
dat weer van het Griekse alfabet uit de koloniën afgeleid is. Echter, als de Phrygiërs het
alfabet bij de Grieken geïntroduceerd hebben, dan is die afstamming corrupt. Evengoed is het
Etruskische alfabet waarschijnlijk niet afgeleid van de Grieken, maar van de Lydiërs.35
Immers, Etrusken waren kolonisten uit Lydië.

Dus het paradigma is:

Phoeniciërs è Grieken è Etrusken è Romeinen

Bij mij (en enkele anderen) wordt het:

Phoeniciërs è Phrygiërs è Lydiërs è Etrusken è Romeinen


è Grieken è Etrusken è Romeinen
è Grieken, etc.

2.5 Alfabetisch schrift op Kreta

Het eiland Kreta was mogelijk de geboorteplaats van het Griekse alfabet.36 Dit gegeven
staat zeker niet vast, maar Kreta is één van de vroegste ontvangers van het alfabet in het oost-
mediterrane landschap. Haar schrift is het nauwst verwant aan het Phoenicisch (JEFFERY
1990: 310).
Voor de introductie van het alfabet kende Kreta al schriften van zichzelf. De archeoloog Sir
Arthur Evans was de ontdekker van deze schriften, die ook in het van het voorhomerische
Griekenland gevonden zijn. In een reusachtig artikel uit 1894 van zo’n honderd pagina’s
vestigde hij de wetenschappelijke aandacht voor het eerst op bizarre en raadselachtige tekens
op zegels, muren, aardewerk, etc. uit het Griekse, Cypriotische en Kretenzische landschap.
Hij zag er twee schriften in: een hiëroglyfenschrift en een lineair schrift. Dat laatste is
tegenwoordig in Lineair A en Lineair B verdeeld. Volgens de theorie werd het

33
Ook de Arameeën worden wel gezien als degenen van wie de Grieken het alfabet overnamen (Alan Millard op
de ‘Alphabetic Responses to Western Semitic Writing’ conferentie,
www.csad.ox.ac.uk/LSAG/Conference2004/Jconf.04.html). Deze zaten natuurlijk dichter bij de Phrygiërs, zodat
daar nog een mogelijkheid tot transmissie ligt.
34
Zie bijv. ULLMAN 1927b.
35
De Etrusken kregen volgens Tacitus (Annalen, XI.14) hun alfabetische letters van de Korinthiërs, maar daar is
geen bewijs voor; de gevonden letters zijn niet van Korinthische afkomst. Rhys Carpenter noemt het een raadsel
waar het schrift, gebruikt in de Italische en Siciliaanse koloniën van de Grieken vandaan komt (CARPENTER
1945). Hij zegt: “Etruscan… is an artificial construction borrowing from more than one Greek source”
(CARPENTER 1945: 457). Maar Jensen ziet een duidelijke afleiding van het Griekse schrift (JENSEN 1970:
XV.G.1). De voor-Griekse zevende eeuwse Stele van Lemnos (voor de kust van Klein Azië) laat een schrift zien
dat bijna identiek met zowel het Phrygische als het Etruskische alfabet is (zie JENSEN 1970: 473). Mijn idee is
dat deze Stele een vorm tussen het Phrygisch en het Etruskisch laat zien, een vorm die via Lydië overgeleverd
was.
36
Zie bijvoorbeeld NEGBI 1992: 613 voor Kreta als transmissie plaats.

- 22 -
hiëroglyfenschrift voor zegels gebruikt, terwijl het Lineair A het officiële schrift voor de
paleizen en de cultus van Kreta was. Het Lineair B werd in 1952 door Michael Ventris
ontcijferd en bleek Myceens Grieks te zijn (EVANS 1894; zie ook WIKIPEDIA M, N, O, P).
Als mijn theorie m.b.t. de Donkere Eeuwen van Griekenland klopt (daarover verderop
meer), dan verschuift de Myceense tijd honderden jaren naar onze tijd toe en komt terecht in
een vroegalfabetische wereld. Er moet dan wellicht bewijs voor alfabetisch schrift tussen het
Lineair A en B te vinden zijn.37 Wanneer we de vergeelde pagina’s van Evans’ artikel in
volume 14 van The Journal of Hellenic Studies uit 1894 openslaan komen we op pagina 284
een object tegen wat Evans een ‘krans’ (whorl) noemt. Het is een groenige steen met een gat
in het midden, aan beide zijden gegraveerd. Op één zijde is een gestileerde stier of os
afgebeeld, in een voor-Myceense stijl, op de andere zijde vinden we wat alfabetische tekens
lijken. De twee zijden lijken door één en dezelfde hand gemaakt, zegt Evans. Ook merkt hij
op dat de tekens “zo opmerkelijk alfabetisch” zijn, dat ze aan de Byzantijnse tijd zouden
kunnen toebehoren. Maar daar kan natuurlijk geen sprake van zijn. In Evans’ belevingswereld
horen de tekens uit een vooralfabetische tijd te komen. Hij weet dan ook drie van de zeven
tekens te ‘verklaren’ (als ‘elders ook gevonden’), maar de resterende vier blijven onverklaard.
Al even onverklaard is de aanwezigheid van dit alfabetische schrift in de voor-Myceense tijd
(conventioneel voor 1600 v.Chr.). Helaas kan dit voorwerp niet eenduidig gedateerd worden.
Het werd, met andere voorwerpen –juwelen, pendanten, zegels, aardewerk, een dolk en
beenderen en schedels, in een hoop gevonden in de buurt van Phaistos, iets onder het
oppervlak begraven, mogelijk in een graf. Evans zegt alleen dat alles in de hoop van voor-
Myceense tijd is. Een ander opmerkelijk voorwerp uit deze vondst is een knoopachtig object
met lineaire tekens erop (EVANS 1894: 284-285). Ik zei boven al, dat het Lineaire schrift het
officiële schrift voor de paleizen en de cultus van Kreta was en dat het hiëroglyfenschrift voor
zegels gebruikt werd. Dat het ook andersom was bewijst zo’n knoop.
Ik laste dit stukje over een anomaal artefact in om aan te tonen dat chronologieën uit het
Middellandse Zeegebied niet absoluut zijn, hoewel geschiedkundigen en archeologen
beweren dat dit wel zo is. In het volgende hoofdstuk zien we zelfs dat de meeste vondsten van
vroeg alfabetisch schrift uit de Levant niet eenduidig en absoluut gedateerd kunnen worden.

2.6 Het alfabet in de Levant

De grootste moeilijkheden in de evolutie van het schrift zijn de verschillen tussen


chronologische en paleografische dateringen (zie verderop ook bij Proto-Kanaänitische en
Phoenicische inscripties) en de moeilijkheden die de verschillende dateringen opleveren. Wat
het laatste betreft, zo kan men de overeenkomst in tekens tussen het oud Semitisch en
Cypriotisch syllabenschrift van enkele eeuwen later opmerken, maar het tijdsverschil tussen
de twee schriften is te groot om er wat mee te kunnen. Wel zou men wat met de voorloper van
het Cypriotische syllabenschrift, het Kretenzische schrift aankunnen (JENSEN 1970: XI.B, p.
260).
Ik neem (gedeeltelijk) met de Duitse taalgeleerde Friedrich Delitzsch (1850-1922) aan38 dat
de bewoners van de Levant onder invloed van zowel het hiëroglyfen schrift uit Egypte en het
spijkerschrift uit Mesopotamië hun alfabetische consonantenschriften ontwikkelden. Daarbij
kwam nog een inheems element kijken: men vond zelf tekens uit en trachtte ook probeersels

37
Het Lineair B is Grieks gebleken, maar het Lineair A lijkt een Semitische taal te zijn. Frappant genoeg komt
dat overeen met de mythe van Kadmus, en met het verhaal van Dictys (zie hiervoor GORDON 1982: hs. 7). Het
Lineair A heeft zelfs trekjes van het Aramees (GORDON 1982: 142-143), een taal die pas in het eerste millennium
van betekenis wordt. Conventioneel klopt dat niet met de dateringen, maar het komt goed overeen met mijn
aangepaste chronologie. Men heeft nog Lineair A uit ca. 300 v.Chr. gevonden.
38
Zie bij JENSEN 1970: XI.B, p. 259. Ik onderschrijf zijn verdeling, niet zijn theorie.

- 23 -
uit. Vandaar dat we zovele tekens in het Proto-Sinaïtisch hebben, vandaar het pseudo-
hiëroglyfen schrift van Byblos, vandaar een alfabetisch spijkerschrift uit Ugarit.39 Maar
vandaar ook de alfabetische vondsten en probeersels in Hebreeuws/Phoenicisch schrift (Proto-
Kanaänitisch genoemd). Ik neem verder aan dat dit alles in een vrij kort tijdsbestek plaatsvond
vanaf ongeveer de 11e eeuw v.Chr., hoewel ik een periode van ontwikkeling vanaf, zeg het
midden van het tweede millennium voor het Sinaïtische schrift (en vergelijkbare schriften, in
Egypte gevonden) niet uitsluit. Een gedetailleerd onderzoek zou opheldering en uitsluitsel
kunnen geven.
Overname van een alfabet betekent vaak dat een oude schrift geheel verloren gaat. Ook de
invloed van een ouder schrift op het alfabet is vaak nihil te noemen. Het eerste zien we bij de
Maya’s van Midden Amerika, die razendsnel ons westerse alfabet overnamen. Hun
hiëroglyfenschrift en de betekenis van de tekens werd al even snel vergeten.
In Byblos kende men een pseudo-hiëroglyfen schrift dat als een soort van merktekens
gebruikt werd. Het stamt uit de tijd van het Egyptische Nieuwe Rijk of iets later. Het was
slechts kort in gebruik en werd verdrongen door het alfabet. Buiten Byblos is het niet
gevonden en het werd waarschijnlijk op papyrus geschreven want we hebben er weinig
voorbeelden van. In Byblos zelf is het Ugaritisch cuneiform alfabet weer niet aangetroffen.
Daarvan hebben we veel voorbeelden, aangezien het op klei geschreven werd (zie SASS 1988:
4.2.2, nt. 58; MEDLEJ A; WIKIPEDIA I). Dit gebruik van verschillende schriften lijkt er op te
wijzen dat verschillende Phoenicische stadstaten en gebieden (Byblos, Sinaï, Ugarit) in
ruwweg dezelfde tijd – bij mij vanaf ongeveer de 11e eeuw v.Chr. - hun eigen schrift
ontwikkelden, totdat de vondst of verdere ontwikkeling van het alfabet al die pogingen
overbodig maakte. Ze baseerden hun tekens op het Egyptisch hiëroglyfenschrift (Byblos) of
op het Mesopotamische spijkerschrift (Ugarit), al naar gelang het gebied waar ze het meest
mee handelden en contact mee hadden, zoniet door onderworpen waren.40 De noordelijker
gelegen Luwische stadstaten (de zg. Neo-Hittieten of Syro-Hittieten)41 ontwikkelden in
dezelfde periode ook een eigen, uniek, schrift (het zgn. Hittitisch hiëroglyfisch), wat
honderden jaren later nog gebruikt werd. Hetzelfde deden de Urarteeërs die rond het Van-
meer leefden. Zij komen vanaf de 9e eeuw v.Chr. in beeld als ze contact hebben met de
Assyriërs. Ook op Kreta en Cyprus werden in deze periode eigen schriften ontwikkeld.
Afgezien van de origine van het alfabet zijn er problemen met de datering van het ontstaan
ervan en de overname ervan door de Grieken.

2.7 Proto-Kanaänitische en Phoenicische inscripties

Ik laat hier een lijst van Proto-Kanaänitische en vroeg Phoenicische inscripties volgen, zoals
die de afgelopen eeuw (en langer) in de Levant gevonden zijn, om aan te tonen dat het met de
dateringen van deze artefacten niet goed zit. Dit is belangrijk omdat veel van deze vondsten
gebruikt worden om de datum van de overname van het Griekse alfabet vast te stellen. Deze
datum komt dan uit op een onwaarschijnlijke 11e eeuw v.Chr. of zelfs eerder (zie ULLMAN

39
Door sommigen wel als het prototype van het Phoenicische alfabet gezien, i.p.v. het Sinaï-schrift. Zie
bijvoorbeeld Trude Weiss Rosmarin, ‘The Origin of the Alphabet of Ras Shamra and Its Bearing on the Origin
of the Phoenician Alphabet’, Journal of the American Oriental Society, Vol. 55, № 1 (maart 1935), pp. 101-102.
40
Windfuhr zegt hetzelfde (in 1970:51) voor Ugarit, “However, the question remains why the abecedarian order
at all. A possible direction for the answer may be: as to writing systems, there were two distinct cultural areas,
the area of cuneiform scripts and the area of alphabetic scripts; between them Ugarit. The fact that cuneiform
signs were invented in Ugarit indicates that under the influence of the ‘cuneiform’ area, an ingenious renewal
and simplification was endeavoured: the development of cuneiform signs symbolizing consonants which, like
the signs of the ABC, do not indicate inherent vocalic differentiation.”
41
Syro-Hittieten waren een mengcultuur van Luwisch, Aramees en Phoenicisch sprekende mensen in Cilicië en
het noorden van Syrië.

- 24 -
1934 en zie boven). Onwaarschijnlijk omdat er dan een chronologisch gat tussen de 11e eeuw
en het eerste opduiken van het alfabet in Griekenland in de 8e eeuw bestaat.
De vondsten zijn zo goed en kwaad als het kan in chronologische volgorde gegeven (uit
SASS 1988: 4.1.1, p. 51, Tabel II, pp. 174-179; zie voor een bespreking ook JENSEN 1970:
XI.B).
De eerste vier zijn waarschijnlijk uit Midden Brons II of het begin van Laat Brons; het is
niet zeker of het Proto-Kanaänitische inscripties zijn. De rest van de inscripties is van Laat
Brons of van begin IJzertijd,42 hoewel er enkele vroeger kunnen zijn. Overigens zijn er nog
tientallen onduidelijke, vervaagde, vervalste, niet geïdentificeerde, e.d. inscripties op
scherven, pijlpunten en meer gevonden. Deze heb ik hier niet genoemd; zie daarvoor SASS
1988: 4.1.3.
Hoewel er onderscheid tussen Proto-Kanaänitisch en Phoenicisch wordt gemaakt zijn
sommige Proto-Kanaänitische inscripties uit de Phoenicische steden Sidon en Tyrus
afkomstig (Gerba‛l en yt’ pijlpunten). De vroege Phoenicische inscripties zijn allemaal van
voor de Ahiram inscriptie van de 10e eeuw v.Chr. te dateren, hoewel sommige (Nora fragment
en Revadim zegel) aan de 9e eeuw worden toegeschreven. De Phoenicische inscripties in de
lijst beginnen met de Ruweise (Roueisseh) bronzen pijlpunt, latere inscripties zijn niet
meegenomen, aangezien daarvan de chronologie redelijk vaststaat door vergelijking met
Assyrische bronnen.43
De dateringen zijn conventioneel en niet absoluut, maar meestal toegeschreven aan een
bepaalde periode op archeologische of paleografische gronden.

v Lachish dolk, uit een graf met een allegaartje aan voorwerpen, allemaal verschillend
gedateerd. Midden Brons II (SASS 1988: 4.2.1, pp. 53-54).
v Nagila scherf, los van stratigrafische context. Midden Brons-Laat Brons (SASS 1988:
4.2.1, pp. 54-55).
v Gezer scherf, in de stort van een opgraving. Ergens van Midden Brons tot IJzertijd
datering (SASS 1988: 4.2.1, pp. 55-56).

42
De verdeling in bronstijd en ijzertijd is een moderne. Volgens wetenschappers is de oergeschiedenis in
tijdperken in te delen, die elkaar opvolgen. Zo kennen we de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd. Hoewel de
overgang van steen naar het gebruik van metalen een grote was, was dat niet het geval bij brons en ijzer. Als we
naar het archeologische bewijs kijken zien we brons in de ijzertijd gebruikt worden en ijzer in de zogenaamde
bronstijd. Hoewel ijzer moeilijker te smelten is dan brons, kan men het redelijk gemakkelijk hameren en is het
op sommige plekken ruim voorhanden in de vorm van meteorisch ijzer. Soms deed ook de hardheid van een
metaal er niet toe, bijvoorbeeld wanneer een voorwerp ritualistisch was, of bij ceremoniële wapenuitrustingen.
43
Deze latere inscripties, als de Stele van Mesha en de sarcofaag van Ahiram zijn ook niet vrij van
chronologische dwalingen. Een voorbeeld geeft ons het Aramese schrift op het Tell Fakhariyah beeld dat in 1979
gevonden werd. Volgens de eminente schriftgeleerde Joseph Naveh zou het tot de 11e eeuwse Proto-
Kanaänitische groep moeten behoren. Echter, sommige kenmerken van de letters suggereren een latere datering
en het geheel van letters lijkt uitzonderlijk veel op het Griekse alfabet van de 8e eeuw. Ook de namen in de
inscriptie komen uit het 9e eeuwse Assyrië. Naveh gelooft aan een 11e eeuwse duiding van het Griekse alfabet,
maar het bewijs lijkt eerder op de 9e-8e eeuw te duiden (JAMES 1993: 276-277). Een aanvulling hierop: “Finally,
there are certain Greek letter-forms whose Semitic prototypes do not appear in Semitic inscriptions after 1100
B.C. The most striking example is the omicron (Latin “O”) with a center-dot, which appears in some early Greek
scripts, especially those from the Doric Islands. Semitic ’ayin, the prototype of omicron, contains a center-dot
only in inscriptions from the 11th century B.C. and earlier. Taken together, these unusual and apparently archaic
features of early Greek inscriptions have convinced some scholars that the transmission of the Semitic alphabet
to Greece took place much earlier than the late ninth century B.C. The most widely followed of these scholars is
Joseph Naveh of the Hebrew University in Jerusalem, who dates the transmission around 1100 B.C., but others
prefer still earlier dates” (MCCARTER 1998). Overigens verandert het Phoenicische schrift eeuwenlang weinig
van vorm (zie bijv. ULLMAN 1934), waardoor het gemakkelijk aan verschillende eeuwen toegeschreven kan
worden.

- 25 -
v Shechem plak, los van stratigrafische context. Op een stukje reliëf met een Syrisch
figuurtje. Datering problematisch genoemd (SASS 1988: 4.2.1, pp. 57-58).
v Raddana hendel, in afval in een kamer gevonden. Afval gedateerd op IJzertijd (SASS
1988: 4.2.1, pp. 58-60).
v Lachish vaas, in rommelhoop of in put. Een scherf van de vaas werd op een vloer
gevonden die aan de 13e eeuw wordt toegeschreven. Laat Brons III (SASS 1988: 4.2.1,
pp. 60-61).
v Lachish scherf, in de vulling van een Israëlisch fort gevonden. Aan 13e en ook aan 11e
eeuw toegeschreven (SASS 1988: 4.2.1, pp. 61-62).
v Lachish kom scherf, gevonden in put. 13e of 12e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp.
62-63).
v Lachish kom, gevonden in tombe met Cypriotisch en imitatie-Myceens aardewerk. 12e
eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp. 63-64).
v Beth Shemesh ostracon, hoewel deze tussen laag V en IV gevonden is wordt de
stratigrafie ‘onbetrouwbaar’ genoemd. 13e-12e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp. 64-
65). Diringer (1943: 26) geeft de verschillende data die in de 13 jaar sinds de vondst
eraan gegeven zijn (alle v.Chr.): ca. 1600, ca. 1500, 14e eeuw, ca. 1200-1180, 10e-9e
eeuw.
v ‛Izbet Sartah ostracon, gevonden bij een opgraving van een ijzertijd plaats, maar niet
goed te dateren. Het is een schrijfoefening van het alfabet met wat fouten erin. 13e-11e
eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp. 65-69).
v Tel Rehov scherf, op de grond van de Tell gevonden. De scherf behoort tot een vat dat
van het Midden Brons tot in de IJzertijd gebruikt werd. 12e eeuw v.Chr. (SASS 1988:
4.2.1, pp. 69-70).
v Qubur el Walaida kom, in een put met Filistijns aardewerk. 13e-11e eeuw v.Chr. (SASS
1988: 4.2.1, pp. 70-71).
v Zarephath scherf, gevonden bij opgraving, maar van de context is niets bekend.
Moeilijk te dateren, waarschijnlijk Laat Brons. Ca. 122 v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, p.
71).
v Hazor scherf, op de grond gevonden tijdens opgraving. 13e eeuw v.Chr. (SASS 1988:
4.2.1, pp. 71-72).
v el-Khadr bronzen pijlpunten I-V, in het gebied rond el-Khadr gevonden. Mogelijk 14e-
10e eeuw v.Chr., waarschijnlijk 11e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp. 72-78).
v Rapa pijlpunt, brons, mogelijk in Phoenicië gevonden. 12e-11e eeuw (SASS 1988:
4.2.1, p. 79).
v Byblos aardewerk kegel, archeologische context onduidelijk. 11e-10e eeuw v.Chr.
(SASS 1988: 4.2.1, pp. 79-80).
v Gerba‛l bronzen pijlpunt, mogelijk afkomstig uit Phoenicië. 11e eeuw v.Chr. (SASS
1988: 4.2.1, p. 80).
v yt’ bronzen pijlpunt, gekocht. 11e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.1, pp. 80-81).
v ‛bdny bronzen pijlpunt, mogelijk uit Libanon afkomstig (SASS 1988: 4.2.1, p. 81).
v Ruweise bronzen pijlpunt, in schachtgraf, die in Romeinse tijd hergebruikt zou zijn.
Ca. 11e-10e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.2, pp. 82-83).
v Beqa‛ bronzen pijlpunt, uit Libanon. 11e-10e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.2, p. 83).
v ‘Koning van Amurru’ bronzen pijlpunt, uit Libanon? Uitzonderlijk omdat de tekst zegt
dat de pijlpunt van Koning Zakarba‛al van Amurru is. Hoewel de naam zkrb‛l in het
Egyptische verhaal van Wenamon voorkomt, wil men de twee niet identificeren (SASS
1988: 4.2.2, p. 84).
v ’d‛ bronzen pijlpunt, mogelijk uit Libanon. 11e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.2, pp. 84-
85).

- 26 -
v Manahat scherf, in rotsgraf gevonden met Romeinse scherven. 11e-10e eeuw v.Chr.
(SASS 1988: 4.2.2, p. 85).
v Byblos aardewerk kegelfragment B, gevonden tijdens opgraving, context onbekend.
11e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.2, pp. 85-86).
v Byblos bronzen spatel, op de grond gevonden tijdens een opgraving. Mogelijk bevat
deze ook pseudo-hiëroglyfen uit Byblos (SASS 1988: 4.2.2, pp. 86-87).
v ‛Azarba‛al bronzen pijlpunt, mogelijk uit Libanon. 10e eeuw v.Chr. (SASS 1988: 4.2.2,
p. 88).
v Tekke kom, brons, gevonden in een tombe te Tekke (Ambelokipi) nabij Knossos op
Kreta, met geometrisch aardewerk uit Attica. Geometrische periode, ca. 950-900
v.Chr., hoewel er problemen zijn met de datering. De aanwezigheid in de tombe van
een zegel uit de Midden Minoïsch III periode (ca. 1700-1500 v.Chr.) wordt niet
verklaard44 (SASS 1988: 4.2.2, pp. 88-91).
v Nora fragment, gevonden in een wand van het klooster te Kaap Pula, het oude Nora in
Sardinië. Ca. 9e eeuw v.Chr? (SASS 1988: 4.2.2, pp. 91-93). Alleen op paleografische
grond te dateren aangezien het niet in een archeologische context is gevonden. Men
denkt wel dat het twee eeuwen na de Tekke kom te dateren is (NEGBI 1992: 609-610),
maar als die in de 8e eeuw thuishoort (zie onder), dan heeft het Nora fragment, evenals
de Nora steen geen waarde meer voor de datering van de overname van het alabet door
de Grieken.
v Revadim zegel, in een appelboomgaard gevonden, zonder enige archeologische
context. Hoewel toegeschreven, op grond van de vorm, aan de 8e-6e eeuw v.Chr., is
het zegel op paleografische gronden aan de 12e eeuw toegeschreven. Echter, er staat
een tafereeltje op dat te vergelijken is met een laat veertiende eeuwse afbeelding uit
Egypte. Het is ook mogelijk dat het een Filistijns zegel met alfabetische inscriptie uit
de 7e eeuw is. Doch een 11e-9e eeuwse datering is plausibeler volgens Sass (1988:
4.2.2, pp. 93-95). Dit object laat het duidelijkst zien dat de chronologie van het
Midden Oosten één grote puinhoop is, evenals trouwens de leer der epigrafie, wanneer
men een object op epigrafische grond aan twee tijdperken die honderden jaren uit
elkaar liggen kan toeschrijven.

Opmerkelijk is dat vrijwel geen der fragmenten met zekerheid gedateerd kan worden.
Aangezien stratigrafische dateringen derhalve vaak niet mogelijk zijn moet men terugvallen
op paleografische/epigrafische criteria. Typologisch gezien is de Raddana tekst het oudst. Dan
de Lachish vaas, de Beth Shemesh inscriptie, de Lachish kom (SASS 1988: 4.2.1, p. 61), etc.
De verschillende pijlpunten met opschrift zijn in de 11e eeuw geplaatst, maar door gelijkenis
met de Tekke kom kunnen we ze evengoed in de 10e of 9e eeuw plaatsen. De Tekke-inscriptie
is overigens te vergelijken met Griekse graffiti uit de 8e eeuw v.Chr. (NEGBI 1992: 607-608).
Deze discrepantie van zo’n drie-vier eeuwen (11e tot 8e eeuw) wordt verderop behandeld,
maar is kunstmatig.
Al even opmerkelijk is de onwil sommige teksten te dateren. Zelfs als men weet waar ze
gevonden zijn. Zo bijvoorbeeld de Beth Shemesh ostracon die tussen ca. 1500 en de 9e eeuw
v.Chr. geplaatst wordt, wat een periode van ruwweg zeven (!) eeuwen is. Chronologische
anomalieën worden evenzeer niet onderkend. Vergelijk de vondsten in Romeinse graven
(‘hergebruikte graven’) en een eeuwenoude Minoïsch zegel in een graf van zo’n 700-800 jaar

44
Hoewel Ora Negbi zegt: “Regrettably, however, most (scholars) have concentrated on the paleographic
implications of the inscription, tending to ignore the archeological context of the bowl” (NEGBI 1992: 607), gaat
hij maar mondjesmaat in op die archeologische context (en het Minoïsche zegel) en zegt hij niets over het
chronologische raadsel dat het oproept.

- 27 -
later (Tekke kom). De laatste past overigens wonderwel in mijn aangepaste chronologie,
welke verderop nog ter sprake komt.
De Nora en Tekke inscripties laten overigens duidelijk zien dat de Phoeniciërs in de 10e en
9e eeuw v.Chr. met Kreta en zelfs met Sardinië in het westelijke Middellandse zeegebied
handelden en er hun schrift nalieten. Aangezien oudere vondsten er niet gevonden zijn, mogen
we aannemen dat het alfabet in Phoenicië ook niet veel ouder is. Wat mij betreft, en waar het
bewijs (epigrafisch, paleografisch én archeologisch) op lijkt te duiden, is het ergens in de 11e
of 10e eeuw v.Chr. ontstaan, zo rond de tijd van de Bijbelse koningen David en Salomo. Ook
de vroegste Hebreeuwse inscripties, afgeleid van het Phoenicisch, komen uit die tijd.45
Na deze opsomming van chronologische curiositeiten wordt het tijd om de chronologie
gedurende de overname van het alfabet door de Grieken eens nader te bezien. Deze periode
heet men de Donkere Eeuwen van Griekenland, en ze zijn doorspekt van ongerijmdheden,
chronologische dwalingen en andere vreemde zaken. Ook nemen we een kijkje in de keuken
van de revisionisten, zij die geloven dat de oudheid (en soms ook de meer recentere
geschiedenis) door geschiedkundigen en archeologen verkeerd in elkaar is gezet.

45
Zo bijvoorbeeld het Tel Zayit alfabet. Zie daarvoor John Noble Wilford, ‘A is for Ancient, describing an
alphabet found near Jerusalem’, New York Times, 9 november 2005.

- 28 -
3. Revisie

3.1 Revisionisten
3.2 De Donkere Eeuwen van Griekenland
3.3 Mycene
3.4 Een lijst van ongerijmdheden
3.5 De Trojaanse Oorlog

“The historical question which is of paramount importance for the background of the Homeric poems is
the question of cultural traditions in Asia Minor. It has been often maintained that the highly developed
culture of the Mycenaeans survived in Western Asia Minor long after the disintegration of Mycenaean
states on the Greek mainland and that this survival accounted for the Mycenaean elements in the Greek
epics. Other historians held that Western Asia Minor by virtue of developed overland routes had
benefited by contact with Near Eastern civilizations earlier than the rest of Greece, be it with surviving
city states of Hittite patterns in Asia Minor, or with Assyria, North Syria and Phoenicia. This allegedly
early Orientalization of Ionia was supposed to have fostered a brilliant culture culminating in Homer.”
George M. A. Hanfmann46

3. De Revisie der geschiedenis

E
én van de belangrijkste discrepanties betreffende de menselijke geschiedenis moet het tijdperk
van de Donkere Eeuwen van Griekenland zijn.
Met het ineenstorten van de Myceense beschaving zou voor Griekenland een periode
begonnen zijn die men de Donkere of Duistere Eeuwen noemt. Afhankelijk van de bron duurt
zij twee, drie, vier of vijf eeuwen. Ik zal hier het gebruikelijke schema van de 12e tot de 8e
eeuw v.Chr. aanhouden.47
Het concept van de Donkere Eeuwen van Griekenland en Klein Azië is niet gebaseerd op
het archeologisch bewijs van deze streken zelf, noch op de geschreven Griekse bronnen. De
Grieken in de oudheid kenden geen Donkere Eeuwen die aan hen voorafgingen. Ze werd
ingebracht door Egyptologen aan het eind van de 19e eeuw. De chronologie van Egypte is
namelijk gekoppeld aan die van het volledige Midden Oosten.
Niet alleen Griekenland beleeft ineens deze Donkere Eeuwen waarin de beschaving van de
aardbodem lijkt verdwenen, ook Anatolië, Elam en – hoe dichter we bij Egypte komen –
delen van Mesopotamië en de Levant, zelfs tot in Nubië toe, vallen onder zijn magische
beroering. Alle leven verdwijnt, aarde en stof hopen zich niet op. Dit betekent dat er geen
archeologische resten terug te vinden zijn, maar ook niet de aardlagen die zich zouden moeten
ophopen als deze Donkere Eeuwen echt bestaan hebben. Er zijn meer opvallendheden,
anomalieën en tegenstrijdigheden in dit tijdperk te vinden: schrift verdwijnt tijdens de
Donkere Eeuwen en verschijnt aan het einde opnieuw; volkeren bestaan ervoor en erna, maar
lijken in het tijdperk zelf van de aardbodem verdwenen te zijn.
De epische gedichten Ilias en Odyssee van Homerus werden in de 8e eeuw v.Chr.
gecomponeerd, maar hun verhalen horen tot de periode van de Trojaanse Oorlog, zogenaamd

46
George M.A. Hanfmann, ‘Archaeology in Homeric Asia Minor’, American Journal of Archaeology, Vol. 52,
№ 1 (jan.–mrt. 1948), p. 137.
47
Sinds de jaren ’70 van de 20e eeuw zijn archeologen en historici bezig dit tijdsgat kunstmatig te dichten, zodat
ze nu soms maar 150 jaar duurt. Men spreekt dan van een ‘zelfopgelegd isolement’ door de Grieken.

- 29 -
uit de 12e eeuw v.Chr. Maar die tijd van de 12e eeuw v.Chr. past zo slecht bij de Trojaanse
Oorlog, dat men voorgesteld heeft die hele oorlog maar een paar eeuwen eerder te plaatsen.48
Verder heeft menig geleerde zich er het hoofd over gebroken hoe een cultuur zo weinig
resten kon achterlaten. Er is niets gevonden wat aan deze Donkere Eeuwen kan worden
toegewezen. Geschreven teksten om de Homerische poëzie over te brengen zijn niet aanwezig
en dit leidt tot de merkwaardige constructie van zowel de Donkere Eeuwen, als een orale
traditie. Beide kennen geen precedent, beide zijn bedenksels.

3.1 Revisionisten

De psychiater Immanuel Velikovsky, een leerling van Freud, was de eerste die aandacht
schonk aan de vele anomalieën die dit tijdperk opleverde en hij maakte er korte metten mee.
Anderen volgden in zijn kielzog. Zo publiceerden Edwin Schorr en Jan Sammer uitgebreid
onderzoek naar de Donkere Eeuwen op de Velikovsky Archive site, waar ook het Donkere
Eeuwen-werk van de goede man zelf valt te lezen (www.varchive.org/dag/index.htm).
De revisie van de geschiedenis kent zelf ook een lange geschiedenis. Isaac Newton was de
eerste die de geschiedenis op grote schaal wijzigde. Dit was nog voor het ontstaan van de
Egyptologie en de aan de Egyptische geschiedenis gekoppelde chronologie van het Midden
Oosten. Van de latere revisionisten is Immanuel Velikovsky de opvallendste, niet in het minst
omdat vrijwel de gehele academische wereld over hem heen viel en hij slachtoffer van
censuur, smaad en andere onverkwikkelijke activiteiten door de academische gemeenschap
werd. Hoewel er in het kielzog van Velikovsky een hele schare van weinig overtuigende
verbeteraars opstond, bleef de academische wereld zich beperken tot vuige aanvallen op de
voormalig psychiater.49
In april van 1991 verscheen het eerste academische werk dat een revisie voorstond. Het was
een verzameling essays door jonge, Engelse geschiedkundigen, collectief Centuries of
Darkness geheten. Het thema van het boek wilde dat er zo’n 250 jaar aan Donkere Eeuwen
geschrapt moesten worden. Het culturele vacuüm van de 12e tot de 9e eeuw bestond niet, zo
beargumenteerde de auteurs, waarvan de belangrijkste Peter James was. Zijn handlangers
(waarvan enkele zich afgewend hebben van het revisionisme) waren I.J. Thorpe, Nikos
Kokkinos, Robert Morkot & John Frankish.50 In de koppen van menig geleerde dook het
spook van Velikovsky op met de publicatie van Centuries of Darkness, maar waar Velikovsky
voornamelijk naar het Griekse en Anatolische bewijsmateriaal had gekeken, diepten James en
consorten een geweldige berg van anomalieën en discrepanties uit het hele middellandse
zeegebied en verder, tot Elam en Nubië aan toe, op. Verder waren zij opgeleid aan
respectabele universiteiten, wat het moeilijker maakte hun ideeën te weerleggen. Velikovsky
kon nog gewoon geschoffeerd worden, immers zijn academische achtergrond was er een der
psychiatrie.
Ook een site van de prestigieuze Vassar school in de staat New York (BRULE et al.) ziet
geen noodzaak voor Donkere Eeuwen. Sterker nog, zij verwijzen naar het ‘Dark Ages of
Greece’ gedeelte van het Velikovsky Archive.51 Dit geeft aan dat er een nieuwe generatie

48
Als Homerus’ hypothetische supergeheugen vier eeuwen kan overbruggen, waarom dan geen zes of zeven
(HARRIS A)?
49
Zie bijv. TALBOTT 1977; BAUER 1984.
50
Voor anti-Centuries of Darkness standpunten, zie de literatuur op hun website, www.centuries.co.uk en zie de
Assiros website, http://artsweb.bham.ac.uk/aha/kaw/Assiros/assirosindex.htm
51
Nog enkele revisionisten: Professor Lynn E. Rose, filosoof en o.a. schrijver van Sun, Moon and Sothis (1999
Kronos Press) sloopt 1500 jaar uit de Egyptische geschiedenis en laat de Macedonische periode direct
voorafgaan door de 12e dynastie. Dave Talbott, Ev Cochrane, Charles Ginenthal en Co. Volgelingen en
redacteuren van Velikovsky’s werk in de Verenigde Staten en Engeland. Enkelen specialiseerden zich in
mythen, anderen in revisionisme of een elektromagnetisch universum. De meesten hebben websites, zie

- 30 -
academici aan het opstaan is, die zich niet meer naar de wurggreep uit het verleden wil
schikken.
Al voor Velikovsky was de Franse archeoloog Claude Schaeffer, opgraver van Ras
Shamra/Ugarit, tot de conclusie gekomen dat hele beschavingen in het Midden Oosten en
Klein Azië op hetzelfde moment aan hun einde waren gekomen. Hij publiceerde zijn
bevindingen in een massief werk van zo’n duizend pagina’s, waarin hij Syrië, Palestina, Klein
Azië, Cyprus, Perzië en de Kaukasus behandelt (SCHAEFFER 1948). Hij wist aan te tonen dat
gaten in de chronologie gedicht konden worden op grond van overeenkomsten in architectuur
en cultuur. Of de instorting van alle bronstijd beschavingen van het Midden Oosten door
aardbevingen kwam, zoals Schaeffer dacht, valt te betwijfelen (welke aardbeving heeft zo’n
kracht dat hij steden duizenden kilometers van elkaar gescheiden doet instorten?), maar dat
valt buiten het bestek van dit essay,52 evenals een mogelijke menselijke oorzaak –
bijvoorbeeld de Zeevolken, die we van de Egyptische monumenten kennen.53 Schaeffer wordt

bijvoorbeeld www.thunderbolts.info. David M. Rohl, fantasievoller dan de meeste, speculatief, populistisch en


weinig terughoudend; zijn drie werken (A Test of Time, From Eden to Exile, The Lords of Avaris), alle van de
laatste decennia (beginnend in 1995), zijn vanuit een Bijbels standpunt geschreven (hij wijst Eden aan, benevens
de rustplaats van de Ark van Noach), hoewel het laatste boek de mythen van de Grieken laat herleven in de
koningsverhalen van de Mitanni, Hittieten en dergelijke. Hij is duidelijk een voorstander van de ‘historische kern
van waarheid in mythen en legenden’. Rohl maakt duidelijk dat de Donkere Eeuwen van Griekenland niet
bestaan hebben en gezegd kan worden dat zijn werk rust op Centuries of Darkness van James en kompanen. Hij
was ook eens aan hen gelieerd, maar scheidde zich af.
52
“Stratigraphical evidence prove that the Late Bronze Age in Syria and Anatolia came to an end in a single
historical catastrophe…” (ASTOUR 1965: 254), maar vgl. dan weer: “That the immediate cause for Ugarit’s
destruction was an enemy is no longer seriously debated. Schaeffer’s earthquake theory, which is still
occasionally resurrected, was based on questionable evidence already when it was first put forward, and it has
been entirely refuted by the results of the new excavations...” (SINGER 1999: 15.7.1). Maar Singer geeft als
vernietiger van de stad “a huge conflagration caused by an enemy attack, which left a massive destruction level
reaching two meters in height at places” (idem). Oftewel, toch een catastrofe, maar volgens hem is twee meter
aan puin normaal voor een menselijke verwoester.
Er zijn vele verklaringen voor het eind van de Late Bronstijd geopperd. De meeste gaan van menselijk
ingrijpen (verovering) uit, een enkele neemt natuurlijke (aardbevingen) mee. Geen van de verklaringen is op een
of andere manier sluitend; de verwoesting was zo massaal en gebeurde binnen zo een klein tijdsbestek, dat
normale verklaringen tekort schieten (zie voor behandeling van dit thema ook VELIKOVSKY A: ‘A Gap Closed’).
Gremmler (2001) geeft een opsomming van enkele ad hoc theorieën; ik geef ze hier als voorbeeld:
A) De Dorische invasie
B) De verjaagde Myceners (door de Doriërs) terroriseren de Levant en worden door Ramses III in de
Nijldelta verslagen; ze zouden deel uitmaken van de Zeevolken
C) Minoërs, uit Kreta verjaagd door de Myceners, vestigen zich in de Levant en worden vernietigd door
Myceners
Al met al spannen de meeste theorieën de Zeevolken voor hun karretje. Immers, deze vijanden van Egypte
(maar op de monumenten soms ook bondgenoten) zijn van onbekende herkomst, zijn alleen aan de Egyptenaren
van de 13e-12e eeuw v.Chr. bekend en komen van over zee. Ze zijn daarom gemakkelijk in te zetten als troef
wanneer de geleerden een ad hoc verklaring nodig hebben, bijvoorbeeld voor verwoesting op grote schaal. De
hierboven aangehaalde tekst van Michael Astour vervolgt met te zeggen dat de oorzaak van de catastrofe de
Zeevolken zijn. Een ander voorbeeld vinden we in Schaeffer: hij zegt dat na negen seizoenen van opgravingen in
Ugarit er nog geen spoor van de Zeevolken in de stad gevonden is. Maar hij laat ze wel enkele regels eerder de
stad verwoesten. En waarom zijn er dan geen sporen te vinden? “…having accomplished their work of
destruction, the invaders did not linger in Ugarit, but pushed on to the south.” (SCHAEFFER 1980: I.F). Ook
schatten die begraven zouden zijn voordat de invallers Ugarit binnenvielen, werden daarna niet door de
plunderaars gevonden. Vreemd als er echt plunderaars waren. Niet zo vreemd als die er nooit geweest zijn.
Immers, de opgravers vonden ze zonder moeite (SINGER 1999: 15.7.1).
53
Ze worden voor de ondergang van het Hittietenrijk en het grootste deel van de kleinere rijken van het Late
Brons verantwoordelijk gehouden. Troje was een soort voorafje voor ze. Daarna richten ze hun pijlen op Mycene
en de Myceners trokken met hen mee. De Hittieten waren een grotere kluif en dan volgden in rap tempo de stad
Ugarit en de rest van de Levant. Cyprus namen ze mee in hun schimmige tochten en met Libië vielen ze Egypte
binnen. Er volgden nog enkele campagnes tegen Egypte, waarbij vrouwen en kinderen meereisden in karren,
maar ze werden telkens jammerlijk verslagen. Na dit spoor van vernielingen vestigden afzonderlijke groepen

- 31 -
tegenwoordig gebagatelliseerd, maar een oplossing voor de door hem opgemerkte immense
verwoestingen heeft men niet.

3.2 De Donkere Eeuwen van Griekenland

Bij mij↓ Conventioneel↓→ Onderverdeling↓ Tijdperk↓


Myceense periode of
Einde Ca. 800-750 v.Chr. Tot ca. 1050 v.Chr.
stijl
Myceense
Gat van hooguit 2 Protogeometrische
beschaving generaties 1050-900 v.Chr.
Donkere Eeuwen periode
(voornamelijk
geometrisch) Geometrische periode 900-700 v.Chr.
Archaïsch
Griekenland Archaïsche periode/
Ca. 750-700 v.Chr. 800-700 v.Chr.
oriëntaliserende stijl

De periode tussen de val van de Myceense beschaving en de opkomst van het Archaïsche
Griekenland heet men de Donkere Eeuwen. Afhankelijk van de bron valt dit tussen ruwweg
de 11e eeuw v.Chr. en de 8e eeuw v.Chr. Tegenwoordig is de tijdspanne zelfs nog korter
geworden: tussen halverwege de 11e eeuw en de 9e eeuw. Sommigen gebruiken niet eens
meer Donkere of Duistere Eeuwen. In het proefschrift over de Zeevolken van Woudhuizen
wordt er naar de Donkere Eeuwen van Griekenland slechts verwezen als the Submycenaean
period (= dearth of material evidence) (WOUDHUIZEN 2006: 24), terwijl die naam normaliter
alleen gegeven wordt aan de periode vlak na de ineenstorting van de Mykeense stadstaten.54
Ook de benaming Protogeometrisch is wel aan de periode gegeven, maar niet overal in
Griekenland vinden we protogeometrisch aardewerk, zodat ze niet bruikbaar is. Verder is

zich in de Levant. Bijvoorbeeld de plst in Palestina, waar ze de Filistijnen worden. Opmerkelijk genoeg lieten
deze ‘piraten’ in niet één van de steden die ze aanvielen enig spoor van hun aanwezigheid achter. De weinige
sporen die we hebben bestaan uit optekeningen in de tempel van Medinet Habu, bij Luxor in Egypte, door
Ramses III. Deze farao wordt traditioneel van ca. 1184-1153 v.Chr. geplaatst, dus in de 12e eeuw v.Chr.
Daarnaast hebben we inscripties van andere farao’s die deze volkeren noemen: Merneptah (Grote Karnak
Inscriptie), Ramses II. Sommige van de namen van de Zeevolken komen ook eerder en later in de Egyptische
geschiedenis voor, soms als inwoners van Egypte, soms als bondgenoten of huurlingen. De naam Zeevolken lijkt
bovenal een academische te zijn. Merneptah noemt ze eenvoudig ‘de buitenlandse landen (of volken) van de
zee’, maar andere teksten zeggen ‘de vreemdelingen’. Woudhuizen en anderen zeggen dat de Franse Egyptoloog
Gaston Maspero in 1881 de eerste is die de term Zeevolken (peuples de la mer) gebruikt.
De ‘Zeevolken’ vallen vaak over land aan en slechts een enkele maal over zee, als ze de Nijlmonding
binnendringen. Ook wisselen ze vaak van kant: soms vechten ze tegen, dan weer voor de Egyptenaren. Niet
bepaald gedrag van rondtrekkende barbaren of migrerende stammen. Ook op de reliëfs zien zij er niet als
ongeorganiseerde troepen uit. Met hun identieke uitrustingen, sublieme bewapening en kurassen en hun vloot
van schepen, zien zij eruit als soldaten van een vermogend rijk, net als de Egyptische soldaten dat waren.
Met de verplaatsing van de eeuwen in de revisionistische geschiedenis die ik aanhang, worden de Zeevolken tot
de Griekse en Klein Aziatische huurlingen van de Perzen (prst, de l en r zijn dezelfde letter in het Egyptisch)
onder hun satraap Pharnabazus, die Egypte in de 4e eeuw v.Chr. probeerden te heroveren. De Perzen waren
gewoon hun concubines en hun kinderen in karren mee te nemen, wat we op de Egyptische monumenten
geïllustreerd zien. De verwoestingen aan het eind van de bronstijd, waar men normaliter de Zeevolken plaatst,
kunnen zeker niet aan een menselijke agent worden toegeschreven, daar zijn ze te groot voor. (Bronnen:
WOUDHUIZEN 2006; STUART A; MEESTER A; WIKIPEDIA L)
54
Dan Stanislawski (‘Dark Age Contributions to the Mediterranean Way of Life’, Annals of the Association of
American Geographers, Vol. 63, № 4, dec. 1973, p. 398) pleit voor het afschaffen van de naam Donkere
Eeuwen: “It was not an age of darkness but one of enlightenment…” Hij ziet er een “…gestation period of Greek
culture…” en “…the incubation of the Mediterranean way of life…” in. Maar er verandert niets aan het
bewijsmateriaal door de naam ervan te veranderen, vooral doordat Stanislawski alleen maar laat zien dat
metallurgie, kunsten, religie, etc. ineens in de Archaïsche periode van Griekenland opduiken, als uit het niets.

- 32 -
geometrisch de naam die aan de materiële overblijfselen van voor de Archaïsche tijd gegeven
is. Andere (soms misleidende) benamingen die men wel voor deze periode vindt zijn: het
Heroïsche Tijdperk of de Vroege IJzertijd. Feit is, dat deze periode geen overblijfselen heeft
nagelaten. Feit is ook dat ze niet beperkt wordt tot Griekenland. Van Nubië tot Anatolië zien
we gebieden die ontvolkt lijken te zijn, waar geen schrift gevonden wordt, waar
metaalbewerken, pottenbakken, ivoorbewerken en andere kunsten ten enen malen lijken te
ontbreken, waar geen bebouwing plaatsvindt, waar zelfs het zand en de aarde zich niet
ophopen. Dan ineens, in de 9e of 8e eeuw, blijken volkeren teruggekeerd te zijn op hun oude
stekkie en blijken hun oude bekwaamheden weer op te leven. Men bakt weer potten,
beschildert vazen, smeedt het ijzer, koloniseert weer, krast overal tekens in.
Ook in de literaire bronnen van de Grieken zelf is geen sprake van een periode van donkere
eeuwen. Echter, Anthony Snodgrass, hoogleraar Klassieke Archeologie aan de Universiteit
van Cambridge (tot 2001) en specialist op het gebied van Archaïsch Griekenland, weet uit de
Ilias zowaar enkele passages over een eerdere tijd op te duiken die op een donkere periode
zouden kunnen slaan, maar in Hesiodus (Werken en Dagen, 110 e.v.) vindt hij de Donkere
Eeuwen ook al niet overtuigend terug. Hoewel hij denkt dat Herodotus het over de Donkere
Eeuwen heeft als hij de Trojaanse Oorlog in de 13e eeuw v.Chr. plaatst (II, 145) en Homerus
in de 9e eeuw v.Chr. (II, 53), blijft het allemaal heel vaag en weinig overtuigend (SNODGRASS
2000: hs.1, p. 2 e.v.).55 Snodgrass leest gewoon in de teksten wat hij erin wíl lezen.

3.3 Mycene

Toen de steden en paleizen van de Myceners opgegraven werden vroegen de classici zich af
wie de bewoners van deze gebouwen waren geweest. Doordat er Egyptische spullen
aangetroffen werden, zogenaamd uit de 15e eeuw v.Chr., werd de Myceense tijd vastgezet
tegen de Egyptische chronologie. Voordat dit gebeurde liep de Myceense tijd over in de
Archaïsche periode (er was hooguit een hiaat van een generatie). Daarna werden ze door een
lacune van zo’n 400-500 jaren van elkaar gescheiden. Maar de vraag rijst: waar woonden de
Grieken die Troje aanvielen, als de Myceense beschaving opgehouden had te bestaan?56
De Myceners kenden een eigen schrift, het Lineair B, geschreven op kleitabletten, waarin ze
militaire bewegingen, landbouwproducten en eigendomsrechten van land opschreven. Het
was een vorm van archivering. De tabletten werden met name gebruikt voor relatief korte
teksten. Waarschijnlijk waren die allemaal administratief van aard: belastinggegevens,
oogstopbrengsten, veestapels. We beschikken over die kleitabletten, aangezien ze gebakken
werden door vuur, toen de Myceense beschaving werd verwoest. Normaliter werden zulke
tabletten van vochtige klei gewist om ze te kunnen hergebruiken.
Op de Myceense tabletten vinden we de namen van zo’n 60-70 personen terug die door
Homerus gebruikt worden voor Grieken en Trojanen. Vrijwel geen dezer namen worden nog
in historische Griekse tijd gebruikt. Voorbeelden zijn Hector (e-ko-to), Achilles (a-ki-re-u).
Er is geen schrift gedurende de 4-5 eeuwen van Griekenlands Donkere Eeuwen. Wel schrift
ervoor (Lineair B) en erna (alfabetisch Grieks).57 Er is sprake van een breuk, maar de taal

55
Zie ook WHITLEY 2003: 5, die zegt dat Snodgrass in een eerder werk aantoonde dat de Grieken geen Donkere
Eeuwen kenden Dit weerhoud Whitley er niet van te beweren dat de dichtwerken van Hesiodus en Homerus in
de Donkere Eeuwen ontstaan zijn (2003: 34 e.v.).
56
Zie Edwin (Eddie) Schorr, ‘Greek History in the Shadows of Egyptian Chronology’,
http://www.specialtyinterests.net/index.html voor een uitgebreide behandeling van deze materie.
57
De mogelijkheid dat er alfabetisch schrift in Myceense tijd in gebruik was mag niet uitgesloten worden,
hoewel het onwaarschijnlijk lijkt. Toch wist ik een mogelijke op te duiken. Op een Protogeometrisch bouwblok
uit Iolkos werden twee dezelfde tekens aangetroffen. Ze zijn vergeleken met teken nummer 24 van het Lineair B,
maar ook met de letter Ψ van het Griekse alfabet (PAPADOPOULOS 1994: 494-495). Hoewel de geometrische
periode bij mij van ongeveer 800-750 v.Chr. loopt en de overgangsperiode tussen de Trojaanse Oorlog/einde van

- 33 -
bleef gelijk. De taal van de Myceners was namelijk een dialectvorm van het Grieks. Het is
geen voorloper van het Grieks uit de achtste eeuw, het is een dialectvorm, gelijk Ionisch.
Beide dialecten bevatten oude en nieuwe kenmerken. Het Myceense dialect was gelijk aan de
dialecten uit de Arcado-Cyprische groep.
Homerus kende het koninkrijk en het volk van Mycene van 4-5 eeuwen eerder. Homerus
kende het koninkrijk en het volk van Troje van 4-5 eeuwen eerder. Beide rijken waren onder
dikke lagen aarde verdwenen. Hoe kon Homerus ze hebben gekend om ze zo precies en
gedetailleerd te beschrijven? Homerus schrijft over recente gebeurtenissen, maar ook over de
Myceense tijd alsof hij er bij was.
Een zegel dat te Troje werd gevonden is beschreven met Luwische Hiëroglyfen (FIG. 5;
soortgelijke zegels zijn te Mycene en Thebe gevonden, zie BEEKES 2003:18). Troje grensde
aan Lydië, dat in de 7e eeuw v.Chr. op het hoogtepunt van zijn macht was. Elders laat ik zien
dat Luwisch en Lydisch hetzelfde zijn.

FIG. 5 Luwisch schrift op zegel uit Troje

Voor Anatolië geldt verder dat de namen van de Lyciërs en de Cariërs, en sommige steden,
al in Hittitische en Egyptische documenten en opschriften uit het tweede millennium genoemd
worden. Echter, we vinden pas enig materieel bewijs voor hun aanwezigheid vanaf de 8e-7e
eeuw v.Chr.
Opvallend is ook het ontbreken van enig bewijs van erosie tijdens de Myceense periode en
de Donkere Eeuwen in Griekenland.58

3.4 Een lijst van ongerijmdheden

Ik zal hier een opsomming geven van anomalieën betreffende de zogenaamde Donkere
Eeuwen. Deze is kort gehouden, want men zou een boek kunnen vullen met de
ongerijmdheden betreffende dit verzinsel. Ik gebruik het werk van enkele revisionisten
(Sammer, Schorr, Velikovsky en DeGrazia, en wat uit de gevestigde literatuur).

v De LH IIIc laag te Aigeira is de laag van de Myceense periode. Deze was verstoord
door bouwactiviteit van de Archaïsche periode. Ertussen lijken geen lagen te zijn, wat
vreemd is voor een hiaat van enkele eeuwen. (SCIEM 2000: project 14).

de Myceense beschaving en de Archaïsche periode vorm en het alfabet aan het eind van die periode in
Griekenland werd geïntroduceerd, kunnen alfabetische tekens al eerder opduiken. Er bestaat overigens ook een
hypothese die zegt dat de tekens van het Griekse alfabet van het lineair B zijn afgeleid.
58
Zie T.H. Van Andel, E. Zangger en A. Demitrack, ‘Land Use and Soil Erosion in Prehistoric and Historical
Greece’, in Andrew Goudie (redactie), The Human impact Reader: Readings and case studies (hoewel de
Donkere Eeuwen daar beperkt zijn tot de 11e en 10e eeuw v.Chr.), 1997, Blackwell Publishing, London, p. 99.

- 34 -
v De tombes bij de tempel van Hera te Argos komen uit de Myceense tijd, maar
leverden behoorlijk veel geometrisch aardewerk op, zogenaamd van honderden jaren
later. Bijna alle 52 tomben leverden chronologische problemen op, zoals Myceense
objecten in een laag boven geometrische objecten in Tombe IX, die er natuurlijk onder
hadden moeten liggen. (SAMMER A: ‘The Tombs at the Argive Heraion’)
v Het Paleis van Nestor te Pylos was een Myceens bouwwerk. Maar er werden in het
hoofdgebouw, tussen de Myceense scherven, resten van tenminste vier laat
geometrische potten gevonden. Ook elders in het paleis kwam men Laat Geometrisch
aardewerk tegen, uit ongeveer de 7e eeuw v.Chr. (SAMMER A: ‘Pylos’; VELIKOVSKY
A: ‘Pylos’)
v De muren van Gordion, de hoofdstad der Phrygiërs uit de 8e eeuw v.Chr., lijken
verdacht veel op die van Troje VI, van zo’n vijfhonderd jaren eerder. (SAMMER A:
‘The Trojans and their Allies’)
v De zesde eeuwse Hal der Mysteriën te Eleusis werd direct op de plek van een
Myceens megaron-gebouw gebouwd. Snodgrass zegt: “…but the long interval of time
is not fully bridged by the pottery found here or elsewhere on the site…” (SNODGRASS
1971: 395).
v Troje-Hissarlik VIIb was de laatste Bronstijd stad. Daarop volgde een Griekse stad
van de 7e eeuw of later. Er zitten geen lagen tussen de twee. Maar Grijs Minyisch
aardewerk werd in Troje VI, Troje VII, en het Griekse Troje gevonden. De vormen
van de nederzettingen in de Late Bronstijd (12e eeuw) en de 7e eeuw, van de Grieken,
zijn hetzelfde. Een Laat Bronstijd huis werd zelfs door 7e eeuwse Grieken gebruikt.
(DeGrazia, The Burning of Troy, pt. 1, ch. 3; zie ook C.W. Blegen, Troje en de
Trojanen, 1967, W. de Haan/Standaard, Hilversum/Antwerpen, bijvoorbeeld p. 140:
“Wie ze ook waren, deze mensen brachten de traditie van de vervaardiging van Grijs
Minyisch Ardewerk met zich mee, en hielden deze in stand tot het einde van de
achtste eeuw; omstreeks die tijd werd de nieuwe woonplaats op zijn beurt verlaten.
Keerden toen soms enkele bewoners weer naar Troje terug? Ofschoon er niets is om
dit te bewijzen weten we wel dat in de zevende eeuw de Trojaanse burcht, die vier
eeuwen lang nagenoeg verlaten was geweest, plotseling weer tot bloei kwam, met
inwoners die nog Grijs Minyisch Aardewerk konden maken. Maar de nieuwe
nederzetting, die in hoofdzaak een Griekse kolonie was…”).
v In Zuidelijk Italië en Sicilië begint na het midden van de 13e eeuw een donkere
eeuwen tijdperk, dat pas ophoudt met de komst van Griekse kolonisten vijf eeuwen
later. Ervoor was er handel met de Myceners en kende men een bloeiperiode. Echter,
we vinden dat de stad Gela in ongeveer 690 v.Chr. is gesticht door een krijgsman uit
Troje.59 Aan beide uiteinden van de Donkere Eeuwen vinden we kunst in Myceense
stijl in de steden Agrigento en Segesta. En koepelvormige Myceense graven waren
verdacht hetzelfde aan begin en eind van de periode. Te Morgantina vonden opgravers
een Grieks fort boven op een Myceense verwoestinglaag. (DeGrazia, The Burning of
Troy, pt. 1, ch. 3; zie ook VELIKOVSKY A: ‘The Western Colonies’).
v Schliemann begon met de opgravingen te Tiryns. Voordat men bij het paleis komt,
moet men eerst door twee monumentale poortgebouwen of propylaea, die in de Laat
Helladische tijd gebouwd zijn. Ze werden, samen met de citadel, in een enorme brand
verwoest. Dit zou zo rond 1200 v.Chr. gebeurd zijn. Eeuwenlang vind men dan geen
monumentale architectuur in Griekenland en monumentale propylaea verchijnen pas
weer in de Archaïsche tijd. Wanneer ze weer verschijnen, op de Atheense acropolis en
bij de Aphaia tempel op het eiland Aegina, wordt gezegd dat het kopieën van de poort
59
Thucydides, VI.1. Ook anderen noemen die traditie en volgen ruwweg het jaartal. Dit betekent dat de Val van
Troje niet lang daarvoor kan hebben plaatsgevonden.

- 35 -
van Tiryns zijn. De propylaea waren 700 jaar begraven, hoe kunnen de Grieken die
dan kopiëren? Ook andere architectonische kenmerken te Tiryns komen met die van
honderden jaren later overeen (SCHORR A: ‘Tiryns’)
v Enkele afbeeldingen van krijgers, die wonderwel overeenkomen, ondanks het verschil
in eeuwen:

FIG. 6. 14e eeuw FIG. 7. 12e eeuw

FIG. 8. 7e eeuw FIG. 9. 7e eeuw

FIG. 6. Krijger op scherf te Boghazkoy FIG. 7. De Krijger Krater, te Troje gevonden


gevonden
FIG. 8. Krijgers op tegels te Phrygië FIG. 9. Krater, gesigneerd door Aristonothos

Een vergelijking van enkele afbeeldingen uit de Archaïsche en de Myceense tijd laat zien
dat er vrijwel geen verschil tussen is.60 De twee kraters komen op meer punten overeen; zo
hebben ze beide handvatten in de vorm van stierenkoppen, en zijn daarbij watervogels
afgebeeld (zie voor een uitgebreide behandeling SCHORR A: ‘The Warrior Vase’).

3.5 De Trojaanse Oorlog

Voor de datering van de Trojaanse Oorlog worden conventioneel data ergens tussen de 14e
en 11e eeuw v.Chr. gegeven. De Locriërs van Opus uit de 4e eeuw v.Chr. geven ca. 1346 als

60
Müller en Schefold (1946: 124-126) zien overeenkomsten tussen de Phrygische krijgers uit de 7e eeuw (zij
zien verder overeenkomsten tussen deze en 7e eeuwse kunst uit Kreta en afbeeldingen uit Cinjirli en
Karchemish) en de krijgers op de Myceense krater. Hoe de Phrygiërs dan aan die afbeelding uit Mycene kwamen
kunnen de auteurs niet verklaren. Ze opperen voorzichtig dat de Phrygiërs ze misschien honderden jaren eerder,
toen ze nog in Thracië woonden, gezien hebben. Overigens zeggen zij ook dat een vooraanstaand archeoloog als
Kurt Bittel er al in 1939 op gewezen heeft dat de overeenkomsten tussen de Phrygische en Myceense
afbeeldingen slechts “scheinbar” is (1946: 127-128).

- 36 -
datum, Callimachus uit de 3e eeuw v.Chr. 1127. Er tussenin vinden we Eratosthenes, ook uit
de derde eeuw v.Chr., die de oorlog op ongeveer 1184 stelt. Dit is, door het gezag dat deze
Helleense bibliothecaris en leraar aan het hof van Ptolemaeus afdwong, de meest invloedrijke
datum gebleken (JAMES, 1991: App. I) en wordt tot op heden door geschiedkundigen en
archeologen min of meer nagevolgd.61 Maar er waren nog andere data in gebruik in de
oudheid, en de Oorlog wordt ook wel in de 9e en 8e eeuw v.Chr. geplaatst.
In de Ilias komt een verwijzing naar de Olympische Spelen voor (11:698-701)62. Deze
zouden in ongeveer 776 v.Chr. aangevangen zijn. Aangezien Homerus er weet van heeft moet
het verhaal van de Trojaanse Oorlog daarna spelen. Dan komen we uit op ongeveer het eind
van de 8e eeuw, begin 7e eeuw v.Chr. Homerus wordt ruwweg in dezelfde tijd geplaatst. We
kunnen dus aannemen dat hij óf een ooggetuige van de oorlog was, óf hooguit een generatie
erna leefde. De boeken van Homerus werden in de mid-6e eeuw v.Chr. op schrift gesteld,
volgens een wat verwarde verklaring van Cicero (De oratore 3.137). Pisistratus, de populaire
tiran van Athene (vanaf 547 v.Chr., stierf in 527 v.Chr.) liet Homerus opvoeren tijdens de
spelen van de vierjaarlijkse Grote Panathenaeën. Socrates zou gezegd hebben dat Hipparchus,
de zoon van Pisistratus, als eerste de werken naar Athene bracht (pseudo-Plato, Hipparchus
228B).63
Hoewel men aanneemt dat er geen teksten van Homerus voor de tijd van Pisistratus
bestonden zegt Cicero (De oratore 3.137) dat dit wel het geval was. Men zette ze toen alleen
in de volgorde waarin we ze nu nog kennen.

61
In een boekbespreking van Walter Burkert, Kleine Schriften I. Homerica, zegt Barry Powell dat de Grieken
niets van de chronologie van de Bronstijd wisten en tal van verschillende data voor de Trojaanse Oorlog gaven:
910, 966, 1082, 1150, 1184, 1208, 1296, 1300, 1344 v.Chr. “…all guesses. Any correspondence with
archaeological data is entirely coincidental.” Zie Bryn Mawr Classical Review 2002.12.12,
ccat.sas.upenn.edu/bmcr/ Overigens zegt de revisionist James et al., dat volgens hen de Trojaanse Oorlog in de
10e eeuw, op ca. 950 v.Chr., geplaatst moet worden (JAMES 1991: 320).
62
Nestor vertelt dat kort na de heropbouw van Pylos (verwoest door Herakles) zijn vader Neleus een team van
vier paarden met een wagen naar een race te Elis stuurde. Alreeds in de oudheid begreep men dat dit een
verwijzing naar de Olympische Spelen was, zie Strabo, Geografie, VIII.3.30, Pausanias, V.8.2.
63
BRYCE 2006: Hs. 1.

- 37 -
4. Oraliteit

4.1 Homerus en oraliteit


4.2 Lefkandi
4.3 Revisie
4.4 De functie van het alfabet in Griekenland
4.5 De orale traditie
4.6 Atlantis
4.7 Ugarit
4.8 Schrift als geheugensteun
4.9 Nawoord

“…whereas the performance of epic poetry would involve the whole body of the performer as well as
the whole body of his audience without implying that there be a strict hierarchy of mental processes
over physical ones, the act of writing knowledge down would liberate the memorizer from all
mnemonic devices other than mental.”
Derrick de Kerckhove64

4. Oraliteit

A ls de Donkere Eeuwen echt zijn en geen chronologische constructie, waarom verdwijnt het
schrift in die periode dan uit Griekenland? Enkele antwoorden blijken mogelijk, maar ze zijn
weinig overtuigend:
1. Het schrift is nog niet gevonden. Maar dat lijkt onwerkelijk na meer dan een eeuw
archeologisch onderzoek.
2. Al het geschrevene is vergaan. Maar zouden we dan niet enkele resten hebben; we
hebben alfabetisch schrift uit de 8e eeuw en Lineair B uit de 12e eeuw.
3. Het vroeg alfabetische schrift werd in de Donkere Eeuwen op vergankelijk materiaal
als papyrus geschreven. Maar dan zouden de Grieken cursieve vormen van de
Phoeniciërs hebben overgenomen en dat is niet zo, ze hebben de gewone letters zoals
ze op monumenten te zien zijn overgenomen, de zogenaamde gegraveerde letters (ze
noemden de letters ook “graveringen” – γράµµατα) (CARPENTER 1938: 67; ULLMAN
1934: 376).
Als er geen schrift is in Griekenland gedurende de donkere eeuwen, hoe werden dan de
gedichten en epen over Troje en andere mythische zaken gedurende die eeuwen ‘bewaard’?
Men stelt namelijk de Trojaanse Oorlog in de 12e of 13e eeuw v.Chr., terwijl de mythen en
epen pas in de 8e-7e eeuw, of nog later, in schrift opduiken. Er is nog een probleem met de
verhalen van de Grieken; ze schijnen de tijd van de 12e of 13e eeuw te beschrijven, maar ook
elementen van de 8e-7e eeuw te bevatten, de tijd waarin ze geschreven werden.
Om deze problemen te omzeilen werd een truc bedacht: de orale traditie. Deze stelt heel
simpel dat de mythen, gedichten en verhalen van de Grieken, en wel in het bijzonder de Ilias
en Odyssee, eeuwenlang door dichters mondeling aan elkaar doorgegeven werden.

4.1 Homerus en oraliteit

Het werk van Homerus is ingewikkelder en paradoxaler dan meestal wordt voorgesteld; het
is niet voor niets onderwerp van duizenden geschriften sinds ze ‘op papier’ werd gezet. De
Odyssee verhaalt niet van een echte tocht op zee, maar gebruikt mythische plaatsen om een

64
Derrick de Kerckhove, ‘A Theory of Greek Tragedy‘,
http://www.utoronto.ca/mcluhan/article_greektragedy.htm Oorspr. in: Sub-Stance, №. 29, mei 1981, pp. 23-36.
Haalt dit bij Havelock, Preface to Plato weg.

- 38 -
verhaal over troonopvolging te vertellen;65 Scheria en de Phaiaken zijn niet meer dan decor.
De Ilias verhaalt slechts van een kleine episode uit een tien jaar durende oorlog.
Mythen zijn duizenden jaren lang het belangrijkste middel geweest om fundamentele ideeën
over de kosmos vast te leggen en te communiceren. Mythen zijn derhalve intellectuele
erfenissen welke de historie van de mensheid bevatten
Kon Homerus schrijven? De Ilias en Odyssee zijn te lang om opgeschreven te zijn op
tabletten. We kunnen er dus van uitgaan dat ze werden voorgedragen uit het geheugen. Het is
evenwel denkbaar dat de voordrachtkunstenaar gebruik maakte van geheugensteuntjes op
tabletten of papyrus geschreven. Het is evengoed denkbaar dat een gedicht in delen werd
voorgedragen over een aantal dagen (dat gebeurde met de Ilias en de Odyssee), welke delen
dan ondersteund werden door tabletten, papyrussen of andere mnemonische middelen.
Overigens werd de letter digamma, bekend uit de achtste eeuw, erin gebruikt en later niet
meer, zodat latere redacties ineens de tekst aan moesten passen. Het gebruik van deze letter
bewijst dat de werken in de achtste eeuw moeten zijn opgeschreven.
Door wie werden de Ilias en Odyssee gecomponeerd (of samengesteld), hoe gebeurde dat en
wanneer? Die laatste vraag heb ik net beantwoord. Blijven over de andere zogenaamde
Homerische vragen, maar een algemeen geaccepteerd antwoord moet voor deze nog
gevonden worden. In de 19e en 20e eeuw beargumenteerden de zogenaamde analisten dat
onverenigbaarheden in de werken bewezen dat de gedichten verzamelingen waren, of
aanwassen, van korte, onafhankelijk gecomponeerde lagen, simpele verhalende gedichten. De
unitariërs vonden deze onverenigbaarheden niet significant genoeg of zelfs geheel ingebeeld.
De algehele eenheid van de epen bewees volgens hun dat ze door één en dezelfde schrijver
waren geschreven. Meer recentelijk spitsen de discussies zich toe op de theorie van de orale-
formulaïsche compositie. De Homerische epen zijn dan generaties lang en eeuwenlang door
dichters aan elkaar overgedragen. In plaats van de werken te componeren en te onthouden
bouwden ze door de tijden heen een enorm corpus op van verbale formules. Deze konden kort
zijn en uit epitheta bestaan of lang zijn en uit herhalingen of catalogi of stereotype
handelingen, als het aankleden van een krijger, bestaan.66
De belangrijkste Homerische vraag moet echter zijn: waar zijn de literaire overblijfselen uit
de Donkere Eeuwen? Geen woord op een scherf, geen letter op een tablet is tot ons gekomen.
En hoewel Sheratt geen revisioniste is, komt ook zij tot een onontkoombare conclusie, de
Donkere Eeuwen zijn, in licht van Homerus en het alfabet, onhoudbaar: “A number of
seemingly intractable problems still surround the introduction of the Greek alphabet some
time around the middle of the eighth century BC, after more than four centuries of Greek
illiteracy. The question of when this happened, though debated, seems still more or less a
matter of consensus on the basis of the date of the earliest extant Greek alphabetic
inscriptions, but the questions of where, how and why it did remain largely unresolved. Of
these problems, perhaps one of the most intractable is that of why it happened when it did,
given that the old idea of an isolated ‘Dark Age’ Greece, cut off from the literate east during
the centuries before 800 BC, is no longer sustainable”(SHERRATT 2003).

4.2 Lefkandi

De moeilijkheden die men ondervindt bij het plaatsen van Homerus eeuwenlang na de
Trojaanse oorlog zijn legio. Zo moeten er twee Homerussen hebben bestaan om de informatie

65
Ook de Legende van Keret uit Ugarit vertelt een soortgelijk verhaal, net als de stukken over Abraham in de
Bijbel, die in dezelfde tijd opgeschreven is als de Ilias.
66
Bron: www.cartage.org.lb/en/themes/Biographies/MainBiographies/H/homer/2.html Bekeken 6 april 2008.

- 39 -
in de Ilias en Odyssee te verklaren, aldus professor emiritus (Humanities and the Liberal Arts)
William Harris van Middlebury College in Vermont (HARRIS C).
Kortgezegd kent de 12e eeuwse, zogenaamde Proto Homerus (PHomerus):

a) De omgevingen van Troje en het Vasteland, evenals hun gemeenschappen.


b) Luwisch – een taal die na de 12e eeuw verdwijnt
c) Geen Donkere Eeuwen van Griekenland

Daarnaast zou er dan een 8e eeuwse Homerus hebben bestaan, die de epen van zijn illustere
voorganger opschreef. Hij vergeet nog de tientallen Tussen Homerussen (THomerus) die de
gedichten perfect aan elkaar overdroegen eeuwenlang. We vragen ons echter af: waar traden
ze op als er geen paleizen en geen bewoning was in het Griekse land?
Geleerden menen toch een burcht gevonden te hebben: Lefkandi, een kustdorp op het
Griekse eiland Euboia. Opgravingen brachten een gebouw uit de 10e eeuw aan het licht,
waarin volgens sommigen (zie bijv. POWELL 1993a, b) Homerus de bevolking toezong.
Op enkele plaatsen in Griekenland, meent men een continuüm te hebben gevonden van Late
Bronstijd in IJzertijd, zonder Donkere Eeuwen (zie bijvoorbeeld BRULE et al.). Lefkandi is
zo’n plaats, een andere is Mitrou. Maar de opeenvolging van lagen krijgt op dat soort plekken
absurde tijden toegewezen. De gevonden resten uit de Donkere Eeuwen periode zijn miniem
en men krijgt het gevoel dat de archeologen de periodes kunstmatig rekken en langdurig
maken. Wat we feitelijk in deze plaatsen zien is dat de Donkere Eeuwen niet bestaan, maar
aangezien de Myceense tijd rond de 14e-12e eeuw v.Chr. ligt, men de lagen een lange
bewoningsduur moet toewijzen – waar overigens geen bewijs voor is. Zie bijvoorbeeld
MOORTEL & ZACHOU (2004:46): “…there is the striking continuity between the Late Bronze
Age and the Early Iron Age… spanning a period of at least 600 years… All this suggests that
property bounderies remained the same across the Late Bronze Age – Early Iron Age divide.”
Gebouwen werden dus eeuwenlang op precies dezelfde plek als hun voorgangers gebouwd.
Schrifttekens die te Lefkandi gevonden zijn worden tot ‘commerciële merktekens’
(handelstekens), aangezien men de potten waarop ze gevonden zijn enkele eeuwen ouder dan
de introductie van het alfabet maakt (zie FOXHALL 2002: 4-5; zie FIG. 10). Als er geen twijfel
mogelijk is, zijn het ineens wel schrifttekens. Dit geldt voor een letter A op een scherf (zie
POINIKASTAS, Lefkandi № 108).67

67
Voor een gedegen en uitputtende studie naar handelstekens (aardewerktekens) op Protogeometrisch aardewerk
zie PAPADOPOULOS 1994. In de Myceense tijd kwamen deze eigendom- of pottenbakkertekens veel voor op
aardewerk en we zien ze pas weer en masse opduiken in de Griekse geometrische en vroeg-Archaïsche periode.
Papadopoulos vond echter grote hoeveelheden van deze tekens uit de Protogeometrische periode. Ze zijn van
belang, omdat er mee aangetoond kan worden dat mensen al vroeg op de hoogte waren van alfabetischachtige
tekens. Bij mij beslaat de hele geometrische periode nog geen 50 jaar tussen de Myceense en Archaïsche tijd,
wat binnen de door mij aangenomen marges voor de overname van het schrift tussen 800 en 750 v.Chr. valt.
Overigens waren de meeste van deze tekens geen echt alfabetische, maar een  of  teken, stippen, sterren,
asterisken, streepjes, etc. Ook vingerafdrukken en kleine figuurtjes en illustraties kwamen wel voor, waarvan
sommige decoratief kunnen zijn. Elders zegt Papadopoulos over Grieks aardewerk: “The first Greeks were
Mycenaeans, and it is striking how very similar the Archaic Akhaian pattern is to that of their Bronze Age
Akhaian forebears (PAPADOPOULOS 2001: 375)”.

- 40 -
FIG. 10. Amfoor die naar Lefkandi geïmporteerd was met teken boven aan de hendel.
Deze heten handelstekens, i.p.v. schrifttekens.

Lefkandi zou ook de vindplaats van de oudste alfabetische inscriptie uit 775 v.Chr. zijn.
Chronologisch wordt het nog vreemder wanneer we de opgraving van een dubbele begrafenis
in een gebouw in een tumulus uit Lefkandi uit 1981 bezien. Toegewezen aan ongeveer 1000-
950, is de mannelijke krijger in een bronzen Cypriotische urn geplaatst, die toen al 200 jaar
oud was. Naast hem vond men een vrouw met gouden juwelen, waarvan er eentje, de
halsband, Oud Babylonisch was en 1000 jaar oud toen ze begraven werd. Delen van haar
sierraden zijn Myceens en Cypriotisch, te dateren in ca. 1200 v.Chr. Verder werden er een
ijzeren mes met ijzeren handvat en een ijzeren zwaard en speer gevonden – wat op de ijzertijd
van enkele honderden jaren later wijst. Ook waren er paarden geofferd, een gebruik wat we
uit de Ilias kennen (23.171). Soortgelijke gebouwen als waarin het paar begraven was komen
trouwens pas tweehonderd (v.s. 300) jaar later in zwang, evenals crematies in urnen (MORRIS
1996; POWELL 1993a). Van een soortgelijk gebouw dat te Mitrou opgegraven werd zegt men:
“The re-use of parts of an important final Bronze Age structure by an imposing Early Iron
Age building provides an unprecedented example of architectural and spatial continuity across
the Bronze Age–Iron Age divide” (MOORTEL, & ZAHOU 2004: 45).
Lefkandi is exemplarisch voor de verwarring der dateringen. Enerzijds zien we voorwerpen
uit het eind der Myceense periode, anderzijds zien we gebouwen en gebruiken uit de
Archaïsche tijd, 400-500 jaar later. Door beiden naar elkaar toe te bewegen door de tijd
worden de Donkere Eeuwen schijnbaar steeds korter (150 jaar), terwijl ze in werkelijkheid
gewoon blijven bestaan. In Lefkandi worden slechts bepaalde kenmerken van de Griekse
cultuur teruggevonden. Hoofdzaak van de Donkere Eeuwen blijft dat zoveel meer van die
cultuur nog steeds niet verantwoord kan worden.

4.3 Revisie

Indien we de hele Donkere Eeuwen van Griekenland compleet wissen, sluit de Myceense
tijd (eindigt conventioneel begin 12e eeuw v.Chr.) vrijwel naadloos aan op de Archaïsche tijd
(ca. 700-480 v.Chr.), de Trojaanse oorlog valt in de 8e eeuw v.Chr. en Homerus schrijft zijn
Ilias en Odyssee niet lang daarna. Er is dan geen noodzaak voor een orale traditie. De
conclusie moet zijn, dat als een volk kan schrijven, ze hun verhalen opschrijven. De
Myceense Grieken kenden een eigen schrift (Lineair B), waarin ze handelden (en mogelijk

- 41 -
dichtten).68 Hun voertaal was Grieks. De Luwiërs dichtten in cuneiform. Hun
staatsaangelegenheden schreven ze weer in hiëroglyfen op.
Ik noem – wellicht ten overvloede – nog enkele punten die er op wijzen dat de Myceense
periode en de Archaïsche tijd opeenvolgend waren en niet door een slordig vijf spookeeuwen
gescheiden:
Bepaalde motieven in de Ilias lijken op Assyrische hofliteratuur uit de vroeg 7e eeuw.
Zowel de Ilias als de Odyssee zijn beïnvloed door het Gilgamesh epos, en wel specifiek door
een late Assyrische versie uit ruwweg de 8e eeuw v.Chr. (WEST 1999: 587; zie ook PENGLASE
1994: hs. 1).
Homerus gebruikte Luwische69 woorden, toegeschreven aan het tweede millennium, in zijn
vocabulaire en de namen Alexander (Paris), en Apollo (beschermgod van Troje) komen in
Luwische geschriften voor (zie BRANDAU 1998; zie ook WATKINS 2007 voor overeenkomsten
tussen Homerus, Pindarus en Luwische teksten).70 Maar is Luwisch een taal uit het tweede of
het eerste millennium v.Chr.? Men heeft geconstateerd dat Luwisch slechts in drie
schrifttekens verschilt van Lydisch uit het eerste millennium.71 En die drie tekens komen bij
andere volken uit die tijd ook voor: bijvoorbeeld bij de aan de Lydiërs verwante Etrusken,72
en bij de Phrygiërs, buren van de Lydiërs (WOUDHUIZEN 1984-1985). Dit – en meer - duidt er
op dat het Luwisch of een dialectvorm van het Lydisch is, of een iets oudere vorm. In het
laatste geval spreken we over een 10e-9e eeuwse oorsprong voor het Luwisch en een 9e-8e
eeuwse oorsprong voor het Lydisch (in de 7e eeuw op het hoogtepunt van zijn macht) en
aanverwante Lycisch (in Luwische teksten lukka- geheten73), Phrygisch, Mysisch, eventueel
zelf Carisch. Het Luwisch en Lydisch zijn dezelfde talen (dialectvormen)74 en in ruwweg
dezelfde periode te dateren.75
Ik zal hier nog wat bewijsstukken voor de identificatie Luwiërs met Lydiërs geven. Zo
bijvoorbeeld de overeenkomsten in namen tussen Hititisch-Luwisch en Lydisch. De laatste
Lydische koning van de Herakliden dynastie heette Myrsilos (zie Herodotus, Hist. I, 7). Een

68
Hoewel men meestal vindt dat er alleen administratieve tabletten Lineair B zijn gevonden, lijken sommige
teksten poëzie te bevatten. We hebben tot dusver slechts enkele honderden tabletten Lineair B ontdekt en van de
duizenden kleitabletten uit Mesopotamië bevat slecht een klein percentage poëzie of proza. Voor Lineair B zal
dit niet anders zijn. Voor een (ludieke) poging om Homerus’ Odyssee in Lineair B om te zetten, zie PANTOS
1997.
69
Luwisch werd gesproken in een gebied dat het latere Cilicië, Lycië en Lydië besloeg; het bestond uit meerdere
dialecten, waarvan het Lycisch er één is, naast het cuneiform en hiëroglyfisch Luwisch (WALLACE 1988: nt. 33).
70
Zie ook Jaan Puhvel, ‘Homeric Questions and Hittite Answers’, The American Journal of Philology, Vol. 104,
№ 3, herfst 1983, pp. 217-227, voor de invloed van Hittitisch op Homerus.
71
We weten heel weinig van deze taal. We hebben slechts enkele woorden en opschriften. Het is vrijwel zeker
een Indo-europese taal.
72
Zie Herodotus, Hist. I, 49 voor Lydiërs die tijdens een hongersnood naar de kust van Italië trokken en daar tot
de Etrusken werden.
73
Het Lukka- probleem is binnen de conventionele chronologie onoplosbaar. Het bestaat eruit dat de Lukka
(vermoedelijk Lyciërs) in bronnen uit het tweede millennium voorkomen, terwijl de Lyciërs duidelijk in het
eerste millennium v.Chr. thuis horen. In mijn chronologie horen ze in hetzelfde tijdvak, zodat het hele probleem
niet bestaat. Voor het Lukkaprobleem, zie T. R. Bryce, ‘The Lukka Problem-And a Possible Solution’, Journal
of Near Eastern Studies, Vol. 33, № 4 (okt. 1974), pp. 395-404, hoewel zijn oplossing niet de mijne is.
74
Zie bijvoorbeeld WALLACE 1988 voor het Hittitische en Luwische woord walwi, “leeuw”, dat ook op
Lydische munten uit de 6e eeuw voorkomt.
75
Birgit Brandau (1998) pleit voor het Luwisch als taal van de Trojanen, dit o.a. op grond van het Luwische
zegel te Troje gevonden. Echter, op grond van het Myceense aardewerk te Troje gevonden, heeft men altijd
gedacht dat de Trojanen Grieks spraken. Verder zijn er enkele tekens mogelijk uit Lineair B (Grieks) te Troje
gevonden (WIKIPEDIA J). Volgens Brandau wijst veel er op dat de Trojanen sterk Luwisch-Hittitisch beïnvloed,
zo niet Luwiërs waren. Veel Trojaanse namen (o.a. Priamos, Paris) zijn ook niet Grieks van origine, maar
kunnen wel van Luwische woorden afgeleid worden (zie ook BEEKES 2003:3.1). De Lydiërs waren de buren van
de Trojanen en v.s. sprak het gehele noordwesten van Klein Azië Lydisch (idem). Homerus zegt echter dat de
bondgenoten van Troje elkaar niet konden verstaan (Ilias 2.802-806).

- 42 -
befaamde Hittitische koning heette Mursili(s). Tussen de twee plaatst de conventionele
chronologie zo’n 1000 jaar. Andere namen springen in het oog: Motylos, een Cariër, Myrtilos,
een tiran van Lesbos uit de 3e eeuw v.Chr., de plaatsnaam Mytilene, dezelfde als de
Hittitische naam Mutallu.76
De naam van de vader van de Lydische koning Gyges is Daskylos (Herodotus, Hist. I, 8), en
we vinden een vergelijkbare vorm bij de Hittieten: Taskuili- (BEEKES 2003:18). De
Phrygische (ook wel Lydische) koning Midas kreeg ezelsoren, volgens de bekende mythe in
de Metamorfosen van Ovidius (xi. 146 e.v.; ook in Cicero, De Divinationi, i. 36; Valerius
Maximus, i. 6 § 3; Hyginus, Fabulae, 191, zie THEOI: ‘Midas’; PARADAS: ‘Midas’). Op een
zegel van de Hittitisch-Luwische koning Tarkasnawa (Gr. ‘Tarkondemos’) van Mira, vinden
we ezelsoren als een koninklijk attribuut (MORRIS 2004). Verder kennen we Luwisch-
Syrische (Arameesche) bilinguen uit Noord Syrië/zuidelijk Klein Azië, en (vreemd genoeg)
Lydisch-Arameesche bilinguen uit westelijk Klein Azië. Als er geen Donkere Eeuwen bestaan
is dit een voortzetting van een traditie, als ze wel bestaan is het op zijn zachtst gezegd een
opvallende overeenkomst. Eén van de meest opmerkelijke anomalieën in het Luwisch moet de
Ionische zuil met kapitelen zijn die we tussen de Luwische hiëroglyfen terugvinden; deze
zuilen stammen uit de zesde eeuw, de hiëroglyfen zouden uit de 15e eeuw stammen!77 Een
andere opmerkelijke overeenkomst: de Etrusken, die uit Lydië vertrokken voor een
hongersnood, kennen een heros Tarchon, die de bliksem af kan weren. De Luwische god
Tarhunt (h klinkt als zachte ch) gooide bliksems (BEEKES 2003).

4.4 De functie van het alfabet in Griekenland

De controverse over de originele functie van het Griekse alfabet begon mid 20e eeuw toen
de classicus H.T. Wade-Gery (The Poet of the Iliad, Cambridge, 1952) suggereerde dat het
alfabet gevormd was om Griekse poëzie mee vast te leggen. Het Griekse schrift was namelijk
erg fonetisch (meer dan de hedendaagse Westerse alfabetten dat zijn). Dit idee betwiste de
oudere mening dat het aanvankelijke doel van het alfabet het bevorderen van
handelsactiviteiten tussen de Grieken en Phoeniciërs in de 8e eeuw v.Chr. was. Havelock
concludeerde dat de fonetische accuratesse van het alfabet bedoeld was om een hogere mate
van memorisatie van orale voordracht te bevorderen. Anderen gingen verder. K. Robb
suggereerde dat de schepping van de klinkers in het Griekse schrift geassocieerd was met hun
functie in het metrum. Alfabetisering werd voor hem de oorspronkelijke functie van epische
compositie. Barry Powell formuleerde vervolgens een theorie die zegt dat de epische
hexametrische poëzie exclusief verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het Griekse
alfabet. Palamedes was de ontwikkelaar. Hij gebruikte het Phoenicische schrift en
ontwikkelde het alfabet eruit om de Homerische Ilias en Odyssee mee op te schrijven:
“Behind figures of heroic legend often stand real men.... As for Palamedes, the Greeks
especially knew one thing about him: he was so clever that he devised a way to write down
Greek speech.... In Palamedes we may have found the adapter’s very name.... We cannot
separated the recording of early hexametric poetry from Homer... Homer sang his song and
the adapter took him down. From this momentous event came classical Greek civilization and
its achievements.”
Maar vragen blijven onbeantwoord. Waarom werden de voorloper(s) van het Griekse
alfabet voor administratieve en commerciële gebruikt? Waarom liep de overname van de
Phoenicische tekens langs de Mediterrane handelsroutes? Waarom begon de alfabetisatie op

76
Zie ook Hall, H.R. (1909) ‘Mursil and Myrtilos’, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 29, pp. 19-22.
77
Er wordt aan deze Ionische zuilen getwijfeld; anderen zien er een verdubbeld teken voor ‘Groot Koning’ in
(zie RIEMSCHNEIDER 1958: 111).

- 43 -
het moment dat de Griekse wereld zijn handelsactiviteiten aan het uitbreiden was? Waarom
legde de meeste vroege alfabetische inscripties eigendomsrechten vast?
Er lijkt dus toch een relatie tussen de handel en het alfabet te zijn (RAGOUSI 2001).

4.5 De orale traditie

In de tweede eeuw n. Chr. zei de Joodse historicus Flavius Josephus dat Homerus zijn epen
niet neerschreef, maar dat ze uit het geheugen in lied werden verduurzaamd. Ze zouden
achteraf samengevoegd zijn, en dat zou de reden zijn voor de vele variaties die we erin
vinden. (Josephus, Tegen Apion, i.2)
Saussure, de linguïst, noemde ik al. Nu had deze een leerling, Meillet genaamd, die weer
een leerling kreeg, een jonge Amerikaan in Parijs, met de naam Milman Parry.78
Meillet spoorde Parry aan een typologische vergelijking te maken van de oude Griekse epen
met het moderne zuid Slavische heldenlied.
Parry stierf in een auto ongeluk in 1935, maar zijn werk werd voortgezet door zijn leerling
Albert Lord, die uiteindelijk in 1960 The Singer of Tales zou publiceren, het cumulatieve
werk van Parry en Lord (NAGY 2006: §9).
Parry meende dat Homerus’ poëtische stijl oraal was, niet dat hij noodzakelijkerwijs een
orale dichter was. In 1965 was Kirk van mening dat de Ilias en Odyssee zo lang, meesterlijk
en complex zijn dat ze gecomponeerd moesten zijn met enig vorm van schrijven. Vijftien jaar
later schreef Minna Jenson dat de Ilias en Odyssee (volgens haar in virtually unanimous
general opinion) niet oraal gecomponeerd waren, maar door een schrijvende dichter met een
orale traditie.
Powell heeft de laatste jaren het hoogste woord met betrekking tot dit onderwerp. Hij meent
dat het nutteloos is te geloven dat de Homerische epen rond 700 v.Chr. ineens bevroren
werden zonder de hulp van het schrift (Gerard Naddaf in BRISSON 1998: nt. 48).
Hoewel de argumenten van Parry niet nieuw waren – zoals het voorbeeld van Josephus al
liet zien – was hij degene die ze wist te combineren in één theorie. We noemen zijn
denkbeelden, en de tradities van Lord, Havelock en de rest, de formulaïsche school. Een meer
genuanceerd model is voorgesteld door Gregory Nagy.79
In Homerus’ teksten zijn veel aanwijzingen te vinden die erop wijzen dat de tekst bedoeld
was om mondeling opgedragen te worden, en niet om gelezen te worden. Er staan
inhoudelijke inconsistenties in, herhalingen, metrische onregelmatigheden, samenvattingen
van het voorafgaande en vooruitblikken op de toekomst. Al deze zaken zouden typisch voor
de mondelinge voordracht van de epen zijn. Er wordt niet geïmproviseerd, maar ook niet
woord voor woord uit het hoofd geleerd. (JANKO 1996)
Simpeler gezegd vinden we binnen de Homerische gedichten drie onverklaarbare
kenmerken, aldus de formulaïsche school:

1. Grote anachronismen, ons onthuld door de vooruitgang in historische en


archeologische kennis (oftewel, de Donkere eeuwen problematiek)
2. De aanwezigheid van incompatibele dialecten
3. Het gebruik van lokale ongeschikte epithetons (Wikipedia D)

Parry vond dat deze kenmerken door oraliteit veroorzaakt werden. Maar ik heb de eerste al
weggewerkt en de tweede (dialecten) lijkt mij niet onoplosbaar; in ieder geval niet genoeg om
de orale theorie in stand te houden. Ook herhalingen heten een oraal kenmerk te zijn, maar die

78
Voor een verzameling van Parry orale literatuur, zie chs119.harvard.edu/mpc/
79
Zie bijvoorbeeld Gregory Nagy, Homeric Questions, Perseus Project, www.stoa.org

- 44 -
vinden we ook op de monumenten van Egypte terug, evenals in de geschreven mythen van
Mesopotamië.
Het werk van Parry en Lord heet revolutionair te zijn: “It has revolutionized the way we
read and understand the Iliad and Odyssey” (REECE 1996), maar er doemen evengoed vragen
op (REECE 1996):
 Hoe verhoudt zich de introductie van het alfabet tot de Homerische uitvoering in de
vroegste perioden
 Wat is de relatie tussen de overgeleverde teksten van de Ilias en Odyssee en de
aangenomen historische opvoeringen van de 8e eeuw
 In welke context en voor welk publiek werden de epen voorgedragen
Dit zijn vragen waar nog steeds, meer dan 60 jaar na het werk van Parry, geen antwoord op
is. Er zijn echter veel meer vragen en er is ook kritiek op het werk van de navolgelingen van
Parry en Lord. Sven-Tage Teodorsson van het Instituut voor Klassieke Studies aan de
Universiteit van Göteborg vindt de Homerische discussies paradoxaal, aangezien Milman
Parry geen duidelijke weergave gaf van het idee wanneer de Homerische gedichten
opgeschreven werden. Albert Lord vond dat Homerus ze zelf gedicteerd heeft. Volgens
Teodorsson is het idee van een lange periode van orale transmissie tot ze uiteindelijk onder
Pisistratus opgeschreven werden een vervolg van de oude analistentheorie. Hij vindt dat we
die theorie achter ons moeten laten, aangezien er overvloedig bewijs voor een achtste eeuwse
opschrijving is. Drie factoren in die eeuw vormen samen het absolute bewijs voor een
opschrijven gedurende die eeuw: 1) de intense invloed van Oriëntaalse culturen, niet in het
minst de invloed van het literaire, 2) het net ontwikkelde Griekse alfabet, en 3) “the
appearance of the genius of Homer,” wat hij daar ook mee bedoelt (TEODORSSON 2006).
Havelocks boek Preface to Plato (1963) beargumenteerde, in navolging van Parry, dat de
Homerisch epen niet alleen het resultaat van een orale traditie waren, maar ook dat de orale
formules die we erin vinden dienden om culturele kennis generaties lang te bewaren. Naast
Havelock werd dit idee hetzelfde jaar verdedigd door Ian Watt en Jack Goody, waarvan de
laatste, net als Havelock zijn verdere leven op het thema van oraliteit doorging (HALVERSON
1992b).
De orale compositie zou veel kenmerken van de Homerische epen verklaren. Doordat de
Ilias het product is van een traditie van mondeling beoefende dichtkunst, heeft de tekst een
aantal eigenschappen die ons vreemd voorkomen. Het gebruik van vaste epitheton
(bijvoeglijke naamwoorden), zoals in ‘de snelle Achilles’, ‘de een god gelijkende Paris’,
‘snelbenige paarden’, ‘de vindingrijke Odysseus’, enzovoort, roept in eerste instantie de vraag
op of de dichter niet eens wat nieuws kon verzinnen, maar stond feitelijk in dienst van het
memoriseren van de tekst en van het metrisch vol maken van de dichtregels (VANHESTE
2005).80 Memoriseren was dus niet eens het belangrijkste doel, de regel moest gewoon vol.
Verder zouden de orale formules die we in de Homerische epen vinden dienen om culturele
kennis generaties lang te bewaren, iets wat m.i. gelogenstraft wordt door het feit dat we in
Homerus zowel kennis uit de Myceense tijd als uit zijn eigen tijd vinden. En aangezien de
Donkere Eeuwen niet bestaan zijn die twee tijden vrijwel identiek, gescheiden door hooguit
een generatie. Verder, zo beargumenteert Halverson, dienden de epen om verhalen te
vertellen, niet voor het opslaan van kennis: “I conclude that Havelock’s portrait of Homer as
the didactic, encyclopedic custodian of tradition lacks verification from the Homeric poems; it
is very unlikely that Homer perceived himself or was perceived by the Greeks in the role
assigned to him” (HALVERSON 1992a: 156). Dat Homerus in de klas gelezen werd staat buiten

80
Ook wordt de orale theorie gelogenstraft door de grote fantasie en taalvaardigheid waarover de dichter elders
beschikt.

- 45 -
kijf, maar net zo min als Shakespeare was hij een ideologische, ethische of religieuze
autoriteit (HALVERSON 1992a: 156-157).
Werden de Ilias en Odyssee gedurende eeuwen mondeling overgedragen, van bard op bard?
Men denkt van niet, aangezien er dan steeds grotere variaties in de tekst ontstaan waren en er
ook diverse, afwijkende versies van de verhalen zouden moeten bestaan, wat niet het geval is.
(JANKO 1996)
Sommige Sumerische literaire composities zijn een soort lied – šir-gida, “lang lied” – en
andere werden genoemd naar muziekinstrumenten, zoals de tigi drum. Dit suggereert dat de
composities voorgedragen werden onder begeleiding van muziekinstrumenten (BLACK, et al.
2006: xxiv). Toch werden ze ook opgeschreven.
Verder werden de Homerische epen nog eeuwenlang voorgedragen, terwijl ze vastgelegd
waren in schrift. De orale formules kunnen dus ook bedoeld zijn om het voordragen te
vergemakkelijken. Wellicht zijn ze aangebracht door Homerus, immers hij stelde de Ilias en
Odyssee samen uit eerdere teksten en verhalen (maar nier eerder in de zin van ‘honderden
jaren eerder’; bedoeld wordt hooguit een generatie eerder) .
Overigens kennen we verschillende versies van gedichten uit de oudheid, bijvoorbeeld
werken uit Mesopotamië.81 Soms is dat omdat er redactionele verschillen optreden, soms
omdat een zanger of dichter het verhaal uit het geheugen opdiept en de tekst wat veranderde.
Ook treden er dialect verschillen op of regionale verschillen, worden er tekstregels
toegevoegd, woorden anders geplaatst, synoniemen vervangen. Zangers en dichters schijnen
zelfs over hun eigen kopie te hebben beschikt van waaruit ze voordroegen (WEST 1999: 600
e.v.; zie ook HALVERSON 1992a: 158 e.v.). De orale traditie moet belangrijk geweest zijn,
maar vaak worden ook boeken als bron van een tekst genoemd. Bijvoorbeeld in het O.T.
(Num. 21: 14; Joz. 10: 13; 2 Sam. 1: 18). Duidelijk is Deut. 31: 19, vgl. 22, waarin God aan
Mozes opdraagt zijn lied op te schrijven, maar het ook aan de kinderen van Israel te leren
(WEST 1999: 605). Het aan Homerus toegeschreven Batrachomyomachia (Strijd van de
Kikkers en de Muizen) zegt in de beginregels dat het op een tablet geschreven is dat op de
knie gehouden werd.82 Een ‘dichtgevouwen schrijftafeltje’ met ‘dodelijke, onheilspellende
tekens’ komt in de Ilias voor (6.168-169),83 waaruit we kunnen opmaken dat men in
Homerus’ tijd schreef.84 Herodotus noemt soortgelijke tabletten ‘dubbel wastafeltje’ (VII,
239) en ‘plankje’ (VIII, 135).85 Deze tabletten werden veel gebruikt in de oudheid (SHEAR
1998).

81
Penglase (1994: 7) zegt over het Gilgamesh epos: “a version of the Gilgames epic was found in the remains of
Hattusha, the Hittitte capital. In fact, extended usage of the texts and acquaintance with the stories is indicated:
scribes took copies of tablets, and taught private schools of students, who learnt the texts.
82
Toegeschreven aan Homerus door de Romeinen, maar aan Pigres van Halicarnassus, de broer (of zoon) van
Artemisia, koningin van Carië, door Plutarchus (De Herodoti Malignitate, 43).
83
Ilias 6.157-211, verhaalt hoe Proetus, de koning van Korinthe, Bellerophon naar zijn schoonvader Iobates
(naam niet in Homerus) in Lycië stuurt met een gevouwen tablet met “vervloekte tekens” (sêmata lugra). Men
ziet er wel Lineair B in, of Luwische hiëroglyfen. Het moet schrift zijn geweest, geen esoterische of
cryptografische symbolen, want de brief bevatte een opdracht om Bellerophon te doden. Of het alfabetisch
schrift was, valt niet te zeggen (zie SCHMIDT 1920 voor verdere discussie).
84
Robert Wood (An Essay on the Original Genius and Writings of Homer, 1775), en ook Rousseau (Sur
l’origine des langues, 1781), vond dat Homerus niet een schrijvend dichter was, dat hij de kunst van het
schrijven niet machtig was en dat hij als een bard de wereld van de helden bezong, daarbij de epen in het
geheugen bewarend. Josephus zegt ook zoiets (Tegen Apion, i.2) (zie WOOD 1988:39-40; SCHMIDT 1920).
85
Enkele vroege Phrygische alfabetische opschriften werden in was gedaan; deze was uitgesmeerd op bronzen
voorwerpen in een graftombe. Het gebruik van was om in te graveren duidt er op dat de Phrygiërs wastafeltjes
gekend moeten hebben, net als de Assyriërs en eeuwen eerder de Hittieten (P. Mack Crew, The Cambridge
Ancient History, Vol. II, Deel 2, Cambridge University Press, 1975, p. 433-434 – is overigens één der weinigen
die een Phrygische oorsprong van het Griekse alfabet aanneemt).

- 46 -
Als media voor het schrijven vinden we in de oudheid legio materialen. Er werd in zand
geschreven – het meest vluchtige medium van de oudheid. De Phoenicische historicus
Sanchuniathon zou zijn wijsheden gekopieerd hebben van pilaren in de Phoenicische tempels
(KHALAF A).86 Ook van de wijsheid van Egypte is gezegd dat zij op pilaren geschreven stond
(WALTER 1828: 325). Men schreef op leren vellen,87 papyrus,88 houten tabletten (enkele of
meerdere, gebonden, of gevouwen)89 en was (in gevouwen tabletten) (LANGHOLF 2004: 261
e.v.). Plinius (XIII, 21) noemt palmblaren, boombast,90 loden bladen, linnen boeken,91
wastabletten, papyrus, perkament, tabletten van ivoor en been. Hij vermeldt niet eens bronzen
vellen, gouden vellen,92 loden strips of rollen (die zijn uitwisbaar), aardewerk, kleitabletten
(ook uitwisbaar, tenzij je ze bakt), houtblokken (de Wetten van Solon waren in houtblokken
gegraveerd)93 (zie bijv. WALTER 1828: 322 e.v., 325). De best bewaard gebleven inscripties
vinden we op gebakken kleitabletten. Een rijkdom aan geschriften vinden we als illustraties in
Egyptische hiëroglyfen. Feitelijk is elk plat oppervlak geschikt om op te schrijven, in te
krassen, om te stempelen,94 of in te stansen. Zie ook bij Herodotus (Hist. V, 58), die zegt dat
als papyrus schaars was de Ioniërs op geite- en schapenvellen schreven. “Nog in mijn tijd
schreven vele barbaren op zulke vellen.” Dit laatste impliceert een hoge ouderdom voor het
schrijven in Griekenland, als zelfs de barbaren konden schrijven. Soortgelijke anomalieën
komen we eerder tegen: Carische, Phoenicische en Ionische huurlingen lieten inscripties na op
monumenten in Egypte en de zogenaamde Proto-Kanaänitische inscriptisch uit de Sinaï
zouden door trekkende bedouïnen achtergelaten zijn (HILL 1999). Het lijkt of iedereen,
nomaden, soldaten, etc. in de oudheid kon schrijven en niet alleen speciaal opgeleide
schrijvers, zoals de aanhangers van de orale theorie willen.

86
Sanchuniathon wordt wel voor de tijd van de Trojaanse Oorlog geplaatst, en zou een tijdgenoot van de
legendarische koningin Semiramis geweest zijn (KHALAF A). Zij wordt wel geïdentificeerd met Sammušamat, de
vrouw van Samsi-Adad uit ongeveer 820 v.Chr. Het moge geen toeval heten dat dit inderdaad enkele generaties
voor de Trojaanse Oorlog valt (zie STRONG & GARSTANG 1913: nt. 24). D.w.z. van net voordat de Grieken het
schrijven overnamen van de Phoeniciërs.
87
Zie Herod., Hist. V.58; vgl. de Spartaanse skutale, een lint van leer om een stok gewonden, welke beschreven
werd. Als men het lint van de stok afhaalde was de boodschap onbegrijpelijk geworden. Om ze te lezen moest
men het lint weer om een stok winden. Een vroeg voorbeeld van geheimschrift. (JEFFERY 1990: 57). Leren rollen
werden ook veel gebruikt in Assyrië en Perzië. (IDEM: 58).
88
Voor papyrus in de Odyssee, 21.390-391.
89
De Hittieten zouden met penseel en inkt op houten schrijftafeltjes, bedekt met gekalkt linnen, geschreven
hebben. We hebben er wel afbeeldingen van, maar de schrijftafeltjes zelf zijn niet bewaard gebleven
(RIEMSCHNEIDER 1958: 100). Mogelijk waren dit ook wastafeltjes.
90
Van lindebast werd papier gemaakt. De Ephemeri(do)s belli Troiani van Dictys Cretensis, een Phoenicisch
handschrift van het Dagboek van de Trojaanse Oorlog van Dictys van Kreta, zou op lindebast geschreven zijn en
in de tijd van Nero (rond 60 n.Chr.) ontdekt zijn. Zie DICTYS 2004; Cyrus H. Gordon, Forgotten Scripts, (1987
Dorsett Press, N.Y.), pp. 134 e.v.
91
Bijvoorbeeld de Etruskische mummiewikkel van Zagreb.
92
We hebben o.a. gouden vellen met opschrift in Etruskisch/Punisch uit ca. 500 v.Chr. en uit Hipponion in
Griekenland gouden vellen met Orphische teksten. (JEFFERY 1990: Sup. II.ii).
93
Deze houtblokken zijn de zgn. kyrbeis, tabletten met een houten omlijsting, die rondgedraaid konden worden,
daarom ook wel axones, “assen” geheten. Voor een bespreking, zie bijv. SEALEY 1976: Appendix bij Hs. 5, pp.
131 e.v.
94
De schrifttekens op de zogenaamde Discus van Phaistos zijn waarschijnlijk gestempeld en zegels en rolzegels,
zoals bekend uit de Indusbeschaving en uit Mesopotamië, waren ook een soort stempels.

- 47 -
FIG. 11. Hittiet met schrijftablet en stylus FIG. 12. Hittitisch kind met schrift

FIG. 13, FIG. 14. Wastablet en schrift uit Pompeii

De traditie zegt dat een gedicht of lied zowel opgeschreven werd als oraal doorgegeven. Dat
daarvoor vaak geschreven teksten werden gebruikt moge duidelijk zijn. De theorie dat
liederen, gedichten en epen oraal werden doorgegeven, soms generaties of honderden jaren
lang tijdens de Donkere Eeuwen van Griekenland, staat dus zeer wankel en er is weinig
bewijs voor, anders dan de opbouw van de gedichten. Maar hoewel het gedaan kan zijn om ze
gemakkelijker te onthouden, als geheugensteuntjes, wil het nog niet zeggen dat ze daardoor
honderden jaren te onthouden zijn of dat ze ongewijzigd de eeuwen doorstaan. Ander bewijs
van literaire ten opzichte van orale tradities om verhalen e.d. te bewaren komt uit Ugarit, waar
de restanten van verscheidene ‘woorden boeken’, met equivalenten in drie of vier talen
(Sumerisch, Akkadisch, Hurritisch, Ugaritisch) zijn gevonden. Hurritische literaire teksten
werden vertaald of geadapteerd door de Hittieten en zo van land naar land overgebracht
(WEST 1999:591).
Wanneer Thucydides in de vijfde eeuw v.Chr. gaat schrijven is het alfabet al minstens vier
eeuwen oud. Toch zet hij zich tegen de orale traditie af (EDMUNDS 2001:165). Mijns inziens
niet omdat hij een alfabet heeft om mee te schrijven, maar omdat hij nieuwe
compositietechnieken heeft om mee te werken. Als het alfabet zou aanzetten om oraliteit voor

- 48 -
het geschrevene in te wisselen, waarom duurt dit dan zo lang na de ontwikkeling van het
alfabet. En waarom kon Milman Parry Balkan barden in de twintigste eeuw opnemen?
Immers, het alfabet was daar al generaties bekend. Toch werden de teksten er oraal
doorgegeven.95 Een studie uit 1971 vond dat van de ongeveer 3000 bestaande talen er slechts
78 een geschreven literatuur hadden (Wikipedia C). De orale traditie moge oud en
eerbiedwaardig zijn, de orale theorie verklaart nog te weinig.

4.6 Atlantis

Bij Plato (ca. 427-347 v.Chr.) vinden we verscheidene passages die betrekking hebben op
de discussie oraal of geschreven.
Het verhaal van Atlantis komen we tegen in de dialogen Timaeus (20d - 27a) en Critias
(108c – 109a, 113a e.v.).96 Dit verhaal heeft een lange overleveringsroute, van een anonieme
Egyptische priester tot Plato, waarbij oraliteit een rol lijkt te spelen. Er is ook sprake van een
manuscript, wat de orale traditie weer naar het rijk der fabelen lijkt te verwijzen. Is het
bestaan van Atlantis al omstreden, evenzeer fabelachtig doet de overleveringsroute aan.
Tijdens zijn bezoek aan Egypte in 590 v.Chr. hoorde Solon van een Egyptische priester in
de stad Saïs het verhaal van Atlantis. Solon vertelde dit verhaal aan Dropides, een verwant
van hem en overgrootvader van Critias, die het op tienjarige leeftijd hoorde van de zoon van
Dropides, eveneens Critias genaamd.
Critias roept Mnemosyne, Titane van het geheugen, aan wanneer hij het verhaal van
Atlantis in de Critias vertelt aan zijn vrienden. Zijn beroep op het geheugen is noodzakelijk,
aangezien hij dit verhaal op tienjarige leeftijd van zijn grootvader hoorde. En hoewel hij
beweert dat hij het verhaal zich goed herinnert – mede door het eerder ook al te verhalen
waardoor het geheel in zijn geheugen terugkwam en mede doordat hij het zijn grootvader een
aantal maal liet herhalen – kunnen we ons afvragen of de versie die we hebben zuiver
overgeleverd is van de priester te Saïs. Immers, die vertelde het aan Solon, die het aan
Dropides vertelde, weer aan Critias, vervolgens aan zijn kleinzoon Critias, die het op
tienjarige leeftijd hoorde en weer als oude man aan zijn vrienden vertelde. Dit betreft een
tijdspanne van zo’n 150 jaar.97 Echter, in de Critias zegt Critias dat de Egyptenaren het
verhaal van Atlantis opgeschreven hadden van een onbekende bron –gesuggereerd wordt op
een Griekse. Solon schreef zijn versie in het Grieks op en vertaalde de namen. Solon gaf die
kopie aan Dropides, en Critias beweerde dit manuscript nog in zijn bezit te hebben!98 (PLATO,
Critias, 113 a-b) Dit werpt een vreemd licht op het overgeleverde verhaal. Waarom beroept
Critias zich in de Critias op Mnemosyne en waarom zegt hij in de Timaeus dat het verhaal in
zijn geheugen terugkwam, nadat hij het bijna vergeten was. Beide versies hebben het dus over
een orale versie. Alleen de Critias, de uitgebreidere versie van het Atlantis-verhaal, rept
daarnaast over een geschreven versie. En als er een geschreven versie is, waarom dan dat hele
gedoe rondom het geheugen? Het probleem van de oraliteit blijkt dus complexer dan we
dachten. Immers, alleen al van het Atlantis-verhaal bestaan verschillende versies omtrent de

95
Aangezien orale gemeenschappen geen toegang tot schrift- en druktechnologieën hebben moeten ze vrij veel
energie in informatiemanagement steken. Men vindt dat vaak niet de moeite waard, of heeft er de tijd, noch het
geld, noch de opslag voor. Dit zijn praktische bezwaren tegen de adoptie van een schrift of alfabet. Zie Walter J.
Ong, Orality and Literacy.
96
Naast Plato gebruikte ik LUCE 1969 en BRISSON 1998 als bronnen.
97
Ik vond zelfs dat het een tijdspanne van zo’n 270 jaar zou zijn (BRISSON 1998: 27 e.v., 36).
98
BRISSON (1998: 36) heeft het over de namen van de koningen die opgeschreven zouden zijn; een foutieve
weergave. Plato zegt duidelijk dat het hele verhaal opgeschreven was. Bij Brisson krijgen we derhalve een foute
voorstelling van zaken.

- 49 -
overlevering; was het op schrift, of was die oraal? Wellicht een combinatie van beiden? Noch
de Timaeus, noch de Critias geeft uitsluitsel.99
Lezen we de Phaedrus van Plato dan vernemen we over het schrift: “We herhalen kort de
nadelen van het schrift, zoals Plato Socrates deze heeft laten formuleren in zijn dialogen met
Phaedrus. In vergelijking met het spreken en luisteren maakt het schrift de mensen passief. Zij
behoeven immers hun geheugen niet meer te trainen. Verder is het schrift vanwege zijn eigen
aard een niet interactief medium, want het is gebaseerd op eenrichtingsverkeer. Het enige
waartoe het in staat is, is zichzelf te herhalen, telkens weer. Kortom, in vergelijking met het
spreken en luisteren bepaalt de aard van het schrift dat er een niet-optimale communicatieve
situatie ontstaat, telkens wanneer we schriftelijk communiceren” (VAN DRIEL 2004: p. 31;
BRISSON 1998: 37 e.v.).
Maar Plato is niet consistent als het op dichten en schrijven aankomt…. Schrijven de
dichters bij Plato? Lees hem maar na: soms wel, soms niet.
Plato is dubbelzinnig ten opzichte van het schrijven. Hij beweert dat schrijven het geheugen
verzwakt in plaats van versterkt. Gerard Naddaf, vertaler van Luc Brissons Plato the Myth
Maker vraagt zich af of Plato echt serieus gedacht heeft dat hij een Socratische dialoog
georganiseerd kon hebben zonder de hulp van het schrijven. Maakte hij nooit aantekeningen
om zijn gedachten te ordenen? Zag hij geschreven tekst niet als hulpmiddel voor het
geheugen? (Naddaf in BRISSON 1998: xxii).100
In de Wetten (VII 810b) zegt Plato dat er twee manieren zijn om jongeren te onderwijzen in
de poëzie. De eerste zegt dat ze keer op keer naar voordrachten van de grote dichters luisteren
totdat ze in het geheugen zitten; de tweede zegt dat alleen de meest uitzonderlijke passages uit
het hoofd en van buiten geleerd zouden moeten worden.
Maar bijzondere geheugens zijn geen uitzondering bij de Grieken. In de tijd van Xenophon
waren er lieden in Athene die zowel de Ilias als de Odyssee uit het hoofd konden opzeggen
(Xenophon, Sympos. III. 5).
De scheiding van de twee Homerussen vormt de periode die men de Donkere Eeuwen van
Griekenland noemt. Dit is, zoals we zagen, een kunstmatig gecreëerde periode, van de 12e tot
de 8e eeuw v.Chr., welke een echo van de duistere middeleeuwen heet, waarin elke vorm van
menselijke cultuur lijkt te ontbreken. Die donkere eeuwen ontstonden toen het archeologische
bewijs het historische/traditionele bewijs tegen begon te spreken. Ad hoc verklaringen
moesten het gat tussen de twee disciplines dichten, maar bleken de kloof te verwijden. Het
resultaat is een paradigma welke bij nader inzien zo vol anomalieën blijkt te zitten dat zij op
barsten staat.

Waarom de Homerische gedichten niet oraal zijn:


o De Trojaanse Oorlog viel uiterlijk een generatie voor Homerus en niet enkele eeuwen.

99
Frappant is de opmerking van Critias in de Timaeus dat hij het verhaal van Atlantis hoorde op de dag van de
Apaturia, de Registratie van de Jeugd, wanneer ouders hun kinderen prijzen gaven voor voordrachten. De
jongens droegen dan gedichten van verschillende dichters voor, en velen zongen de gedichten van Solon, die
toen nog in de mode waren. Iemand maakte op die dag de opmerking dat Solon van het dichten zijn vak had
moeten maken en het gedicht over Atlantis af had moeten maken (de uitgebreidere versie in de Critias is
onvoltooid); hij was dan minstens zo groot geweest als Homerus of Hesiodus. We kunnen hieruit opmaken dat
het Atlantisverhaal in dichtvorm opgeschreven was. In de Timaeus en de Critias wordt het echter in proza
verhaalt, aangezien Plato niet kien was op dichters. Vreemd is dat Critias het verhaal van zijn grootvader hoorde,
terwijl het de jongens waren die op de feestdag de gedichten voordroegen.
100
Al gelijk aan het begin van de Theaetetus vraagt Terpsion aan Euclides of hij hem de conversatie tussen
Socrates en de jonge Theaetetus kan verhalen, zoals hij die van Socrates gehoord heeft. Euclides antwoordt dat
hij zich Socrates’ versie niet kan herinneren, maar dat hij een geschreven verslag ervan heeft, omdat hij
aantekeningen maakte. (Theaetetus, 143a-c; Naddaf in BRISSON 1998: xxii) Overigens, dit verslag werd hem
door Socrates gedicteerd.

- 50 -
o De beschrijvingen in Homerus komen uit het einde van de Myceense tijd en uit zijn
eigen tijd. Daar ligt zo’n 300-400 jaar tussen. Bij mij sluiten die twee tijden op elkaar
aan, met hooguit een generatie ertussen.

Wat ze wel zijn:


o Gecomponeerd los van elkaar en aan elkaar gebreid door Homerus.
o Hij gebruikte meerdere bronnen
o Hij gebruikte daarvoor het nieuwe alfabet, omdat het voorhanden was, niet omdat het
perfect bij zijn gedichten paste.
o Hij bedacht de hexameter, of bedacht dat deze het best voor zijn gedichten was
o Hij bedacht er een dialect voor, of gebruikte er een dialect voor, dat niet meer bestaat
(dit zou uitgezocht moeten worden, want het is een anomaal feit, iets dat vrijwel nooit
meer voorgekomen is, dat een schrijver een dialect bedacht)
o Hij gebruikte orale formules want dan waren ze gemakkelijker te onthouden en voor te
dragen.

4.7 Ugarit

Ik zei al eerder dat in Ugarit, een stad in Syrië aan de kust, niet ver van de monding van de
Orontes-rivier, verschillende talen en schriften gevonden zijn, waaronder een spijkerschrift
alfabet. Ik wil hier wat dieper op deze belangrijke plaats ingaan, aangezien de inwoners van
deze stad een corpus aan mythen, verhalen en andere teksten hebben nagelaten. Het lijkt er op
dat de mensen in de oudheid veel literairder waren dan we willen aannemen. Me dunkt dat het
vooral schadelijk is voor het paradigma van de oraliteit (zie daarvoor ook verderop bij Schrift
als geheugensteun).
Ugarit/Ras Shamra was een oude handelsstad. Ze werd begin vorige eeuw teruggevonden en
vervolgens met veel moeite opgegraven door de eerdergenoemde Franse archeoloog Claude
Schaeffer.
De stad werd bewoond door mensen die Akkadisch spraken, maar ook Cypro-Minoïsch,
Egyptisch, Hurritisch en Ugaritisch. Ze onderhield handelscontacten met Mesopotamië, Hatti,
Mycene, Egypte en met de kuststeden in de Levant – Byblos, Sidon, Tyrus.
Net als in Griekenland vinden we hier geen enkele vorm van bewoning tijdens de eeuwen
tussen de 12e eeuw en de 7e eeuw v.Chr. Schaeffer, de opgraver, houdt in de jaren 1930 nog
een slag om de arm als hij zegt: “A few Iron Age brooches have been found in material
overlying the ruins of the thirteenth-century town, the earliest of which go back to 1000 B.C.
No finds can be recorded for the period between this date and the final destruction of Ugarit at
the beginning of the twelfth century. It is nevertheless premature to conclude therefrom that
the Tell was more or less completely abandoned after the disappearance of the town of
Mycenaean date. Future finds may help to fill this hiatus.” (SCHAEFFER 1980: I.G). Maar er is
nooit meer iets gevonden wat dit gat kon opvullen (zie SINGER 1999: 15.7.2; CAUBET 2000:
36).
Pas in de 7e en 6e eeuw vinden we weer activiteit op de Tell; mensen worden er begraven
met ijzeren speerpunten en Griekse zeelieden drijven er handel en smelten er zilveren munten
om (SCHAEFFER 1980: I.G).
We dienen ook hier de Donkere Eeuwen te verwijderen101 en de stad haar rechtmatige plaats
in de geschiedenis terug te geven: het hoogtepunt daarvan lag tussen de 11e en 8e eeuw v.Chr.

101
Voor meer Donkere Eeuwen problemen te Ugarit, zie SCHORR, ‘Ugarit’.

- 51 -
In Ugarit zijn vele teksten in de lokale Semitische taal gevonden, geschreven in cuneiform
alfabetisch schrift. Hoewel ze eerst in Ugarit ontdekt werden, zijn er tegenwoordig
voorbeelden bekend uit de hele Levant, tot zover zuidelijk als Tel Aphek, bij Tel Aviv.
De Ugaritische teksten vormen de meerderheid en ze behandelen de cultus en mythologie
van de stad. Ook zijn er brieven en literaire en administratieve teksten in het cuneiform
alfabet gevonden in de vele archieven van de stad (PITARD 1999: 2.1; DIETRICH & LORETZ
1999).
Het Ugaritisch alfabetische schrift gebruikte 30 tekens en is het oudst gedateerde gebruik
van het alfabet voor literaire producten. Merkwaardig is het gebruik van een langer alfabet en
een korter alfabet. Het langere heeft 8 letters meer dan het Phoenicische alfabet uit de 10e
eeuw, waarvan er twee klinkers zijn. Het kortere is gelijk aan het Phoenicische met 22 tekens
(DIETRICH & LORETZ 1999).
Het alfabetische schrift werd dan wel voor een verscheidenheid van teksten gebruikt, deze
bleven over het algemeen beperkt tot lokale aangelegenheden, religieus, juridisch,
economisch of administratief. Teksten met een internationale functie werden in het Akkadisch
geschreven (PITARD 1999: 2.3, 2.3.3).
Opvallend zijn de teksten die handelen over medische aandoeningen bij paarden (PITARD
1999: 2.3.5; PARDEE 2002).
Belangrijk is te bedenken dat uit Ugarit lange verhalende gedichten komen, in een
alfabetisch schrift. En hoewel ik Ugarit in de 11e-8e eeuw v.Chr. situeer, is dit aanmerkelijk
eerder dan Homerus die naar mijn mening in de 7e eeuw geplaatst moet worden.
De opleiding van de schrijvers in Ugarit vond plaats in privé huizen en niet in het paleis.
Hoewel beweerd wordt dat de leraren hun leerlingen uit het geheugen lesgaven (SOLDT 1999:
40), zijn er lesteksten gevonden, bijvoorbeeld in het Paleis (SOLDT 1999: 28).
In de scholen van Ugarit werd een alfabet onderwezen en geleerd. Dit in een context die we
kennen uit de Bijbel én uit het ‘Phoenicië van verscheidene eeuwen later’ (DIETRICH &
LORETZ 1999). Dit ‘verscheidene eeuwen later’ komt overeen met mijn revisionistische
datering. Er is dus geen sprake van het ‘Phoenicië van eeuwen later’; Ugarit behoort tot het
Phoenicië van het begin van het eerste millennium v.Chr. Een ander bewijs daarvoor is het
langere alfabet. Dit moet uit het latere Phoenicische ontstaan zijn (zie DIETRICH & LORETZ
1999: 83)102, maar chronologisch gezien is het eerder ontstaan. In mijn chronologie worden
die rollen omgedraaid,103 zodat het uit het Phoenicisch kan ontstaan en de discrepantie niet
meer bestaat.
De belangrijkste gedichten zijn: de Baal-Anat Cyclus,104 De Legende van Keret,105 De
Legende van Aqhat.106 Daarnaast komen er nog verscheidene andere mythologische teksten
voor (PITARD 1999: 2.3.1(a)). Overigens zijn de gedichten in een mengeling van poëzie en
proza geschreven en is het verschil tussen de twee slecht te zien (zie DIJKSTRA 1999: 1.4).
Een aantal van deze teksten werd opgeschreven door een man genaamd Ilimilku. Men
dateert hem aan het eind van de dertiende eeuw,107 onder koning Niqmaddu III van Ugarit

102
Zij trekken hier echter geen gevolgtrekking uit en gaan niet verder op de zaak in.
103
Andere alfabetische bewijzen hiervoor: het Ugaritische alfabet lijkt sterk op het alfabet op een kleitablet uit
Beth Shemesh, opgegraven in 1933 in Zuidelijk Palestina en in de 14e-13e eeuw v.Chr. gedateerd. Beide
alfabetten zijn de ‘aartsvaders’ van het Zuid Arabische alfabet. Echter, dit is van het midden van het eerste
millennium v.Chr. Alweer moeten we 700 tot 800 jaar verder kijken voor verwante geschriften (DIETRICH &
LORETZ 1999: 85 e.v.). Bij mij is het eenvoudiger: het Ugaritische en Beth Shemesh alfabet komen beide uit de
9e-8e eeuw v.Chr. De transitie van letters kan best nog een driehonderd jaar geduurd hebben voor het alfabet zich
voldoende in Zuid Arabië manifesteerde.
104
Zie GIBSON 1999.
105
Zie MARGALIT 1999.
106
Zie WYATT 1999a.
107
Vroeger ook wel mid-veertiende eeuw, die datum is nu aangepast. Zie WYATT 1999a: 3.3.

- 52 -
(PITARD 1999: 2.3.1(a)). In mijn gerevisioneerde chronologie is dat aan het eind van de 9e-
begin 8e eeuw v.Chr. Niet ver voor de verwoesting van de stad108 en ruwweg vijftig jaar tot
een eeuw voor de Slag om Troje en de Homerische epen.
Ilimilku zou niet alleen mythen genoteerd of opgeschreven hebben, hij zou ze ook
gecomponeerd hebben. Het significante daarvan is: “As propogandist for the king, he actually
creates theology for his age, thus influencing and modifying the thoughts of his
contemporaries and of subsequent generations, just as an influential systematic theologian
such as Luther or Calvin can have a significant impact on his culture, or as Homer or Hesiod
had on early Greek theology.”(WYATT 1999b: 13.4.2, cursief in oorspronkelijke tekst). Het
lijkt er dus op dat Homerus een voorganger had in Ilimilku. Indien de laatste net zo bekend
zou zijn geweest als de klassieke Griekse schrijvers, dan zouden we de discussie over oraliteit
en alfabet mogelijk niet eens voeren. Dan zou bekend zijn dat vrijwel ieder alfabetisch volk in
de oudheid zijn Homerus kende.

4.8 Schrift als geheugensteun

Hoe waardevol de theorieën van Havelock ook mogen zijn, het gebruik van oraliteit zoals
hij het beschrijft bij de vroege Grieken mag sterk in twijfel getrokken worden. Zijn
verhandeling over het Griekse alfabet (1991:hs. IX) is zwak, verouderd en laat teveel weg. Ik
zal een voorbeeld geven. Havelock zegt: “Maar in tweetalige samenlevingen als bijvoorbeeld
Cyprus, Kreta of Al Mina [een 8e eeuwse Griekse kolonie op de Syrisch/Phoenicische kust]
zagen de Grieken hoe hun Fenicische buren dergelijke voorwerpen (bezittingen) over- op
opdroegen met behulp van geschreven tekens. Ze werden jaloers op de voordelen die dit bood
– want het voorwerp kon daarna voor zichzelf spreken -, probeerden de truc toe te passen op
hun eigen mondelinge opdrachten, en het nieuwe alfabetsysteem was het resultaat” (Havelock
1991:96).109 Hij gaat hier even voorbij aan het feit dat deze lokaties hun eigen schriften
kenden, welke mogelijk ook door de Archaïsche Grieken in die plaatsen werden gebruikt.
Juist voor administratieve en/of sacrale handelingen als het overdragen van bezittingen!110 Het
alfabet werd daar niet voor gebruikt in die plaatsen.111 Havelock negeert ook het bewijs dat
zegt dat het alfabet via de Phrygiërs overging naar de Grieken en niet via Al Mina, wat ik
eerder beargumenteerde.
Samenvattend kan ik zeggen dat de oraliteit van de Grieken, net als elders in de Oudheid,
gewoon samenging met geletterdheid. De Grieken waren echt geen uitzondering daarop.
108
V.s. revisionisten vond die verwoesting in 855 v.Chr. plaats.
109
Al Mina was in de tijd dat Havelock schreef één der weinige kusthandelsplaatsen in de Levant uit het eerste
millennium v.Chr. die opgegraven was. Het wordt tegenwoordig niet meer aangenomen om de reden dat de
aanwezigheid van Grieks aardewerk nog niet de vestiging van Griekse handelaren of kolonisten wil zeggen; zie
NEGBI 1992: 615. Al Mina was in 1936-37 opgegraven door Sir Leonard Woolley.
110
Powell (1991:14) geeft Phoenicisch schrift uit Hama, iets verder aan de Orontes-rivier van Al Mina, wat
bewijst dat een schrift gelijkend op het model voor het Griekse alfabet in de juiste tijd, de 9e eeuw v.Chr.
bestond. Ook is een scherf met Griekse inscriptie te Al Mina gevonden. Maar Al Mina (uit het eerste millennium
v.Chr.) en Alalakh (uit het tweede millennium v.Chr.) zijn hetzelfde, en Ugarit/Ras Shamra ligt iets verderop,
zodat we genoeg aanwijzingen voor het gebruik van meerdere schriften en alfabetten in deze omgeving hebben.
Immers, Ugarit had z’n eigen cuneiform alfabet. Dat de Grieken het alfabet juist hier overgenomen zouden
hebben wordt nergens door gestaafd.
111
Waar in de oudheid twee bevolkingsgroepen met eigen talen naast elkaar leven zien we dat men zijn eigen
schrift gebruikt; er wordt niet van elkaar geleend, hoogstens wat lettervormen. Dit is bijvoorbeeld het geval met
de Phoeniciërs en met de Etrusken in Etrurië (die hun alfabet meest waarschijnlijk uit Lydië hadden
meegenomen), maar ook met de Grieken en Eteokretenzers op Kreta. De meeste bilinguen ontstaan uit deze
gewoonte; een typisch voorbeeld is de Steen van Rosetta, geschreven in Egyptisch en Grieks. Uit Etrurië kennen
we Phoenicisch-Etruskische bilinguen, uit Noord Syrië Luwisch-Phoenicische bilinguen. Het overnemen van een
schrift zal waarschijnlijk alleen gebeuren wanneer één van de twee volken geen schrift kent en in die specifieke
gevallen zal het meest waarschijnlijk overgenomen worden door handelaren.

- 53 -
Schrift was het geheugensteuntje, evenals de zogenaamde orale formules. Als schrift
aanwezig is – en dat was het in het Oude Griekenland - waarom dan alleen op het geheugen
vertrouwen?
Het staat vast dat de orale theorie, welke mythen en literaire teksten eeuwen laat
overbruggen, speciaal voor de Donkere Eeuwen van Griekenland werd bedacht. Elders in de
oudheid, met name in Mesopotamië, het Nabije oosten of Egypte, was er geen behoefte aan en
kopieerde men teksten van elkaar en schreef men eenvoudig op wat men wilde bewaren.
Havelock negeert dan ook het bewijs tegen oraliteit uit deze gebieden en formuleert zijn
specifieke theorie boven op het magere Griekse bewijs, waarbij hij een beetje zorgeloos met
zijn bronnen is.
Als er geen bewijs voor oraliteit in Griekenland in de Donkere Eeuwen periode van het
eerste millennium v.Chr. is (ik laat vanzelfsprekend de orale voordracht van de barden buiten
beschouwing), heeft de specifieke theorie van Havelock dan nog wel waarde? Ik denk van
wel, maar dan in een periode die aan het schrijven in het algemeen voorafgaat. Niet slechts
het alfabetisch schrijven in Griekenland van Havelock. Als een goed classicus en navolger
van Parry heeft hij zich bemoeid met de grote traditie van Griekse dichters en schrijvers, maar
verloor hij het grotere plaatje van de herkomst van het alfabet en de geschiedenis der Grieken
uit het oog, waarbij zijn inzichten in oraliteit en de Klassieken mij soms pedant overkomen.
Er is meer gefundeerde kritiek op Havelock. John Halverson onderzocht de primaire
Klassieke teksten en vond dat Havelocks lezing van Homerus, “the basis of great divide
depictions of primary oral cultures, is inaccurate.”112
Mogelijk is ook onze alfabetische erfenis van 3000 jaar debet aan de verwarring en
verstarring van Parry, Havelock en de rest van de formulaïsche school Immers, wij zijn zo
gewend aan alfabetische proza en poëzie, dat werk in een ander schrift, zoals spijkerschrift of
hiëroglyfen, ons ausländisch voorkomt. Die schriften zijn dan ook nog eens vrij kort geleden
herontdekt en ontcijferd. Homerus’ vertellingen daarentegen zijn sinds de oudheid bij ons, in
wat voor vorm dan ook.113
Daarnaast bespeur ik een zucht naar de Rousseauïsche ‘nobele wilde’ in het schrijven van
Havelock: Kelten en Aboriginals, Pueblo Indianen en Hottentotten, duizenden volkeren op
aarde, hebben zich eeuwen zonder schrift kunnen redden en hun verhalen, mythen, sprookjes,
legenden en sagen van generatie op generatie doorgegeven. Dat dit in ongeletterde
beschavingen mogelijk is zal niemand betwijfelen, maar zoals ik eerder opmerkte, in
geletterde beschavingen, zoals het Griekenland van Homerus, is het onnodig.
Een sterke verdienste van Havelock is zijn onderzoek naar de geletterdheid van de vroege
Griekse wereld. Daarbij borduurde hij voort op het werk van Harold Innis. Een aardig
voorbeeld: “Using the flexible Greek alphabet, Plato preserved the power of spoken dialogue

112
Beth Daniell, ‘Narratives of Literacy: Connecting Composition to Culture, in College Composition and
Communication, Vol. 50, № 3, feb. 1999, p. 398. Baseerde zich op HALVERSON 1992a. Voor verdere kritiek op
Havelock en aanhangers als Jack Goody, zie HALVERSON 1992b.
113
In de middeleeuwen kende men Homerus’ Ilias en Odyssee amper, terwijl de Troje versies van Dictys en
Dares gretig aftrek vonden en als inspiratie voor de hoofse literatuur dienden. Deze middeleeuwse sympathie
voor de Trojaanse kant komt uit enkele zaken voort: men kende alleen de Dictys en Dares versies en de Aeneas
van Virgilius, waarvan de laatste twee meer vanuit de Trojanen dan vanuit de Grieken verhaalden (Homerus was
natuurlijk een Griek). Daarnaast was er de “reflectie op de verbreding van het ridderideaal in bezonnenheid en
wijsheid tot een echt hoofs ideaal.” Oftewel: Troje werd gezien als centrum van de hoofse cultuur, aangezien
liefde (van Paris voor Helena natuurlijk) de bron was van hoofse deugd en tomeloze inzet in de strijd. Ook
contemporaine politiek zou een rol hebben gespeeld (ZUNDERT 2004; zie ook WOOD 1988: 33 e.v.).
Na de middeleeuwen zien we Homerus pas weer bij het begin van de moderne onderwijs in de 19e eeuw
opduiken. Aan het eind daarvan werd Homerus als perfect leesmateriaal voor de toekomstige elite van het
Engelse rijk gezien. In de loop van de 20e eeuw raakten pedagogen en leraren steeds meer eraan gewend om
Homerus en zijn tijd als totaal verschillend van de onze te zijn. Alle lezingen van Homerus zijn derhalve
contemporaine lezingen (BOER 2007).

- 54 -
in written prose. Innis thought this balancing of time and space-oriented media contributed to
the cultural and intellectual vitality of ancient Greece” (WIKIPEDIA: R).114 Havelock breidt dit
idee uit in Preface to Plato uit 1963, maar gaat verder dan de louter orale theorie; hij delft in
Griekse filosofie en filologie en is beïnvloed door het structuralisme wat begon met het
linguïstische werk van De Saussure. Na zijn pensionering in 1973 werkt Havelock verder aan
de ideeën in Preface to Plato en komt in vele essays en boeken tot een algemeen standpunt
betreffende het effect van literaliteit op de Griekse literatuur, cultuur, de gedachtewereld,
maatschappij en de wet. Centraal daarin was de rol van het alfabet, dat steeds meer tot een
uniek soort instrument werd, met welhaast magische eigenschappen. In 1977 schrijft
Havelock: “…the invention of the Greek alphabet, as opposed to all previous systems,
including the Phoenician, constituted an event in the history of human culture, the importance
of which has not as yet fully grasped. Its appearance divides all pre-Greek civilizations from
those that are post-Greek” (1977: 369).
De kroon op Havelocks werk is De muze leert schrijven, waarin de literaliteit opnieuw
vrijwel alleen aan het alfabet gekoppeld is en de rest van al het schrift in de oudheid opzij
geschoven wordt. Daarnaast volgt hij in dat boek het idee van de overname van het alfabet
door de Grieken bij de Phoeniciërs te Al Mina, Kreta, Cyprus en gebruikt hij het heersende
paradigma van de Donkere Eeuwen om zijn eigen theorie mee te staven. De toekomst zal ons
derhalve leren of het Donkere Eeuwen paradigma staat of valt. Betreffende het idee dat het
alfabet via Phrygië bij de Grieken terecht kwam: het kan bewezen noch ontkend worden.
Mijn rol in dit debat is simpelweg die van criticus. Ik beschouw sceptisch en kritisch wat de
goegemeente voetstoots heeft aangenomen. En dan blijken er nog heel wat leemten in onze
wijsheid te zitten.

4.10 Nawoord

Na deze rücksichlose terugblik in de tijd, dit monstrum van geschied-, be- en -herschrijving,
is het essay ten einde. Rest mij nog een plethora aan vragen, maar ook opmerkingen. Deze
hadden veel eerder, door Havelock, McLuhan en co. gesteld moeten worden, maar werden dat
niet. Daar lag een kans, welke nu – jaren later – verkeken lijkt. Laat mij toch een poging
wagen om er enkele te stellen, en mogelijk te beantwoorden. Laat ons kijken naar het effect
van het alfabet.115
Waarom zou het alfabet, als het zulke magische eigenschappen heeft – als
bewustzijnsverandering – die Havelock/McLuhan en zijn clique eraan geeft116, alleen de
Grieken hebben veranderd. Andere volkeren, die het alfabet op ongeveer hetzelfde moment
kregen veranderden niet. De Etrusken, de Puniërs, de Romeinen en andere volken in Italië,
Spanje en de rest van het Middellandse Zeegebied. Verder vraag ik mij af, dat indien de
‘ontdekking’ van het alfabet (eerder de toepassing ervan) de menselijke geest ‘programmeert’,
dan zouden afbeeldingen dit ook kunnen doen. De karakteristieke Attische stijl komt uit
ruwweg dezelfde periode als het alfabet in Griekenland. Wat is de relatie tussen de twee? Is er
mogelijk een relatie tussen de geometrische stijlen en de komst van het alfabet?

114
Naar Harold Innis, Empire and Communications. Oxford University Press, Oxford, 1950.
115
Ik wilde nog een extra hoofdstuk schrijven over het Alfabet Effect, maar vond dat dit teveel van mijzelf en
het essay vergde. Voor dit vermoede effect, zie bijvoorbeeld Robert K. Logan, The Alphabet Effect: The Impact
of the Phonetic Alphabet on the Development of Western Civilization, 1986; het staat ook onder een iets andere
ondertitel bekend.
116
Ik ben niet de enige die dit zegt. Vgl. bijv. John Halverson (1992a: 161): “The Greek alphabet has probably
never had a greater panegyrist [lofredenaar] than Havelock, but his enthousiasm led him to attribute almost
mystical power to it…” Eén van die mystieke krachten is, dat het alfabet z’n gebruikers meer logische denkers
maakt dan mensen in culturen zonder alfabet of schrift. Een stukje superieur westers denken waar de honden
geen brood van lusten.

- 55 -
En wat was er nu werkelijk zo speciaal aan het alfabet? Op dit laatste heb ik een mogelijk
antwoord: Niet de geest van hen die het nieuwe alfabet gingen gebruiken veranderde, de geest
van degene die de uitvinding deed was anders. Eerder al hadden de Babyloniërs hun schrift
van ongeveer 600 naar 60 tekens teruggebracht. Ook de Egyptenaren zullen ergens in het
tweede millennium v.Chr. een alfabetische lijst van hiëroglyfentekens hebben ontwikkeld.
Daar zit hem de innovatie, in de versimpeling. Immers, het alfabet is een versimpeling van de
tekens van de Egyptenaren, en mogelijk de Babyloniërs (net als de geometrische stijl een
abstrahering van het realisme van de Myceners is).117 Bedacht en ontwikkeld door handelaren
om hun eenvoudige communicatie te vervolmaken en aangewend – hoe ironisch – door de
Grieken om hun grootste epen in te schrijven.

117
Aangezien geometrische kunst en het Griekse alfabet al snel plaats maken voor realisme en ingewikkelder
vormen van het alfabet, neem ik aan, dat indien het alfabet effect al zou bestaan, dan was het van korte duur.

- 56 -
5 Literatuurlijst

A ls medium gebruikt dit essay voornamelijk het geschreven woord. Daarbij ben ik uitgegaan
van een amalgaam van Klassieke en internetbronnen, waarbij de tussengelegen eeuwen niet
overgeslagen zijn. Als vorm maakte ik gebruik van boeken en artikelen, zowel gebonden als
elektronisch. Niet alle werken werden gebruikt, wel werden ze allemaal gelezen of
doorgewerkt. Een deel van de boeken komt uit de Koninklijke bibliotheek, een deel uit mijn
eigen bibliotheek, en een deel is terug te vinden bij Google.books (books.google.com).
Sommige artikelen zijn van het internet gehaald, andere komen uit de Koninklijke
Bibliotheek, of werden via JSTOR opgehaald. Wikipedia werd in het begin als een handig
zoekmiddel gebruikt, het gaat snel en heeft veel links, en het duikt verdacht vaak bovenaan op
als men zoekt bij Google. Wel heb ik getracht de gegeven informatie te controleren tegen
meer gezaghebbende bronnen. Overigens heb ik de Engelse versie gebruikt, niet de inferieure
Nederlandse.
Sommige internetbronnen zijn moeilijk te dateren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de
Phoenicia.org pagina’s van Salim George Khalaf, maar ook voor het werk van professor
William Harris. De laatste heb ik op 21 februari 2008 via email om dateringen van zijn
interessante schrijfsels gevraagd, maar ik kreeg nimmer respons. Ik heb derhalve de
aanduidingen (A), (B), etc. gebruikt.

ALLOTT, Robin (2000) ‘The Articulatory Basis of the Alphabet’, in Bernard H. Bichakjian,
Tatiana Chernigovskaya, Adam Kendon en Anke Möller (red.), In Becoming Loquens,
Peter Lang, Frakfurt am Main.
ASTOUR, Michael (1965) ‘New Evidence on the Last Days of Ugarit’, in American Journal of
Archaeology, Vo. 69, № 3, juli 1965, pp. 253-258.
BARTHES, Roland (2002) Mythologieën, Uitgeverij IJzer, Utrecht.
BAUER, Henry H. (1984) Beyond Velikovsky, University of Illinois Press, Chicago.
BEEKES, R.S.P. (2003) The Origin of the Etruscans, KNAW, Amsterdam. Online: KNAW
website, www.knaw.nl
BEIROET MUSEUM, www.beirutnationalmuseum.com O.a. voor Sarcofaag van Ahiram en
andere Phoenicische schatten.
BLACK, Jeremy, Graham Cunningham, Eleanor Robson & Gábor Zólyomi (2006) The
Literature of Ancient Sumer, Oxford University Press, N.Y.
BOENINK, Marianne (1993) ‘McLuhan, Marshall: De goeroe van de televisiegeneratie’, in
Krisis: tijdschrift voor filosofie, Afl. 50, pp. 118-127, St. Krisis, Amsterdam.
BOER, Pim den (2007) ‘History of European Culture’, in European Review, Vol. 15, № 2, mei
2007, pp. 171-185 (abstract, Cambridge Journals Online,
http://journals.cambridge.org).

- 57 -
BRANDAU, Brigit (1998) ‘Can Archaeology Discover Homer’s Troy?’, Biblical Archaeology
Society Online Archive, www.basarchive.org. Bekeken op 23 februari 2008. Oorspr.
in Archaeology Odyssey, I:01, Winter 1998.
BRISSON, Luc (1998) Plato the Myth Maker, University of Chicago Press, Chicago IL.
BRITTANICA, Encyclopedia, www.brittanica.com
BRUCE, F.F. (1948) ‘The Origin of the Alphabet’, Journal of the Transactions of the Victoria
Institute, Vol. 80, pp. 1-11, online bij www.biblicalstudies.org.uk
BRULE, Anne, Munish Dabas, Amy Guthrie, Ervin Hargis & Nikhil Kumar, Lefkandi website
van Vassar,
faculty.vassar.edu/jolott/old_courses/crosscurrents2001/Lefkandi/index.htm Bekeken
op 25 februari 2008.
BRYCE, Trevor (2006) The Trojans and their Neighbours, Routledge, London & N.Y.
CARPENTER, Rhys (1938), ‘The Greek alphabet again’, in American Journal of Archaeology,
Vol. 42, № 1, pp. 58-69.
CARPENTER, Rhys (1945), ‘The Alphabet in Italy’, American Journal of Archaeology, Vol. 49,
№ 4 (okt. - dec. 1945), pp. 452-464.
CAUBET, Annie (2000) ‘Ras Shamra-Ugarit Before the Sea Peoples’, in Eliezer D. Oren (ed.),
The Sea Peoples and Their World: A Reassesment, The University Museum,
University of Pennsylvania, Philadelphia.
COTTERILL, H.B. (19696) Ancient Greece, Oracle, Royston, England; herdruk van 1915.
DALBY, Andrew (2006) Rediscovering Homer: Inside the origins of the epic, W.W. Norton &
Co., N.Y./London.
DICTYS Cretensis (2004)² Dagboek van de Trojaanse Oorlog, (vertaling Gerard Janssen)
Chaironeia, Leeuwarden.
DIETRICH, Manfred & Oswald Loretz (1999) ‘Ugarit, Home of the Oldest Alphabets’, in:
Wilfred Watson & Nicolas Wyatt (editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill,
Leiden, Hs. 4.3.
DIRINGER, David (1943) ‘The Palestinian Inscriptions and the Origin of the Alphabet’,
Journal of the American Oriental Society, Vol. 63, № 1 (maart 1943), pp. 24-30.
DRIEL, Hans van (2004) ‘Beeldcultuur in een geletterde samenleving’, in: Hans van Driel,
Beeldcultuur, Boom, Amsterdam.
DIJKSTRA, Meindert (1999) ‘Ugaritic Prose’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt (editors),
Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 5.1.
EDMUNDS, Lowell (2001) ‘Thucydides in the Act of Writing’, in: Gregory Nagy, (editor)
Greek Literature, Vol 5, Greek Literature in the Classical Period, Routledge, N.Y.
EVANS, A.J. (1894) ‘Primitive Pictographs and a Prae-Phoenician Script, from Crete and the
Peleponnese’, in The Journal of Hellenic Studies, Vol. 14, pp. 270-372.
FANOUS, Alison (2007) ‘The Confinement of the Artist in Tennyson’s “The Lady of Shalott”’,
www.victorianweb.org Bekeken op 6 april 2008.
FÖLDES-PAPP, Károly (1984) Vom Felsbild zum Alphabet: Die Geschichte der Schrift,
Sonderausgabe, Belser Verlag, Stuttgart.
FOXHALL, Lin (2002) ‘ESF Exploratory Workshop on: Archaic Greek Culture: the
archaeological and historical context of the first writing in Europe’, 12-15 december
2002, East Norton Leicestershire, UK.
GARSTANG, John (1942) ‘Šamuḫa and Malatia’, Journal of Near Eastern Studies, Vol. 1, № 4
(okt., 1942), pp. 450-459.
GIBSON, John C.L. (1999) ‘The Baal Cycle’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt (editors),
Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 6.1.
GOMME, A.W. (1913) ‘The Legend of Cadmus and the Logographi’, delen I-II, The Journal of
Hellenic Studies, Vol. 33, pp. 53-72 (deel I), 223-245 (deel II).

- 58 -
GORDON, Cyrus H. (1982) Forgotten Scripts: Their ongoing discovery and decipherment,
revised and enlarged edition, Dorset Press, N.Y.
GREMMLER, Daniel (2001) ‘Cyprus in the Late Bronze Age’,
home.nycap.rr.com/foxmob/lba_cyprus.htm Bekeken op 26 april 2008.
GULICK, C.B. (1899) ‘The Attic Prometheus’, Harvard Studies in Classical Philology, Vol.
10, pp. 103-114.
HALVERSON, John (1992a) ‘Havelock on Greek Orality and Literacy’, Journal of the History
of Ideas, Vol. 53, № 1 (jan. – maart 1992), pp. 148-163.
HALVERSON, John (1992b) ‘Goody and the Implosion of the Literacy Thesis’, Man-New
Series, Vol. 27, № 2, juni 1992, pp. 301-317.
HARRIS, William (A) ‘Homer the Hostage’, community.middlebury.edu/~harris/hostage.html
Bekeken 20 februari 2008.
HARRIS, William (B) ‘Homer’s Trojan War’,
community.middlebury.edu/~harris/trojan.war.html Bekeken 20 februari 2008.
HARRIS, William (C) ‘Is Homer’s Troy in 1200 B.C. the right War?’,
community.middlebury.edu/~harris/homer.html Bekeken 20 februari 2008, 10 januari
2009.
HAVELOCK, Eric A. (1977) ‘The Preliteracy of the Greeks’, New Literary History, Vol. 8, № 3
(Oral Cultures and Oral Performances), Lente 1977, pp. 369-391.
HAVELOCK, Eric A. (1991) De muze leert schrijven: De culturele gevolgen van de opkomst
van het schrift, Prometheus, Amsterdam.
HERODOTUS (1978)5 Historiën (vert. dr. Onno Damsté), Fibula-Van Dishoeck, Haarlem.
HILL, Michael (1999) ‘Graffiti cast new light on alphabet’s origins’, The Japan Times, 22
november 1999.
HOMEROS (1959) Ilias & Odyssea (vert. Frans van Oldenburg Ermke), Kempische
Boekhandel, Retie.
HOMEROS (2000)³ Odyssee (vert. H.J. de Roy van Zuydewijn), De Arbeiderspers,
Amsterdam/Antwerpen.
IMMERWAHR, Henry R. (2006) ‘Nonsense Inscriptions and Literacy, in: Kadmos: Zeitschrift
für vor- und frühgriechische Epigraphik, Vol. XLV.
JAMES, Peter met I.J. Thorpe, Nikos Kokkinos, Robert Morkot en John Frankish (1993)
Centuries of Darkness: A challenge to the conventional chronology of Old World
archaeology, Jonathan Cape Ltd., London.
JANKO, Richard (1996) ‘Thunder but no Clouds: The Genesis of the Homeric Text’,
Didaskalia, Vol. 3, № 3, winter 1996, www.didaskalia.net.
JEFFERY, L.H. (1990) The Local Scripts of Archaic Greece: A study of the origin of the Greek
alphabet and its development from the eighth to the fifth centuries B.C., Clarendon
Press, Oxford, revised edition.
JENSEN, Hans (1970)3 Sign, Symbol and Script, George Allan & Unwin, London.
KHALAF, Salim George (A) ‘Ethnic Origin, Language and Literature of the Phoenicians’,
phoenicia.org. Bekeken 23 februari 2008.
KHALAF, Salim George (B) ‘The Controversy: Who invented the alphabet, the Phoenicians or
the Greeks’, phoenicia.org. Bekeken 16 maart 2008.
LANGHOLF, V. (2004) ‘Structure and Genesis of Some Hippocratic Treatises,’ in: H.F.J.
Horstmanshoff, Marten Stol & Cornelis Tilburg, Magic and Rationality in Ancient
Near East and Graeco Roman Medicine, Brill, Leiden.
LATACZ, Joachim (2004) Troy and Homer: Towards a solution of an old mystery, Oxford
University Press, Oxford, N.Y.
LENZ, John R. (1993) ‘Was Homer Euboean? A Reply’, Electronic Antiquity, Vol. 1, № 3,
augustus 1993, scholar.lib.vt.edu/ejournals/ElAnt.

- 59 -
LLOYD, Seton (1956) Early Anatolia, Penguin Books, London.
LUCE, J.V. (1969)² Lost Atlantis: New light on an old legend, McGraw-Hill, N.Y.
MARGALIT, Baruch (1999) ‘The Legend of Keret’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt
(editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 6.2.
MCCARTER, P. Kyle, Jr. (1998) ‘Who Invented the Alphabet: A Different View’, in AO, Vol.
1, № 1, winter 1998, www.basarchive.org.
MCLUHAN, Marshall (1962) The Gutenberg Galaxy: The making of typographic man,
Routledge & Kegan Paul Ltd., London.
MCLUHAN, Marshall (1964) Understanding Media: The Extensions of Man, Routledge &
Kegan Paul Ltd., London.
MCLUHAN, Marshall (2005) At the Moment of Sputnik the Planet became a Global Theater in
which there are no Spectators but only Actors, reeks Marshall McLuhan Unbound №
5, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) Culture without Literacy, reeks Marshall McLuhan Unbound №
6, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) Introduction by Marshall McLuhan to: The Bias of
Communication [Harold A. Innis, first edition, 1951], reeks Marshall McLuhan
Unbound № 8, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) New Media as Political Forms, reeks Marshall McLuhan
Unbound № 14, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) Notes on the Media as Art Forms, reeks Marshall McLuhan
Unbound № 15, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) The Media fit the Battle of Jericho, reeks Marshall McLuhan
Unbound № 16, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) The Medium is the Message, reeks Marshall McLuhan Unbound
№ 17, Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) Myth and Mass Media, reeks Marshall McLuhan Unbound № 18,
Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall (2005) Laws of the Media, reeks Marshall McLuhan Unbound № 19,
Gingko Press, Corte Madera, CA.
MCLUHAN, Marshall & Quentin Fiore (1967) The Medium is the Massage: An inventory of
effects, Bantam Books, N.Y.
MEDLEJ, Joumana (A) ‘The Birth of the Alphabet’, Cedar Seed website,
www.cedarseed.com/water/alphabet.html Bekeken op 2 mei 2008.
MEDLEJ, Joumana (B) ‘The Phoenicians’, Cedar Seed website,
www.cedarseed.com/water/phoenicians.html Bekeken op 2 mei 2008.
MEDLEJ, Joumana (C) ‘The Sarcophagus of Ahiram’, Cedar Seed website,
www.cedarseed.com/water/ahiram.html Bekeken op 2 mei 2008.
MEESTER, E.J. de (A) Zeevolken website, http://home-3.tiscali.nl/~meester7/
MELLINK, Machteld J. (1956) A Hittite Cemetery at Gordion, The University Museum,
University of Pennsylvania, Philadelphia.
MELLINK, Machteld J., redactie (1986) Troy and the Trojan War: A symposium held at Bryn
Mawr College, October 1984, Bryn Mawr College, Bryn Mawr, Pennsylvania.
MOORTEL, Aleydis Van de & Eleni Zahou (2004) ‘2004 Excavations at Mitrou, East Lokris’,
in: Aegean Archaeology, Vol. 7, 2003-2004, pp. 39 e.v.
MORRIS, Ian, (1996) ‘Negotiated Peripherality in Iron Age Greece’, Journal of World Systems
Research, Vol. 2, № 12, 1996, jwsr.ucr.edu/.
MORRIS, Sarah (2004) ‘Midas as Mule: Anatolia in Greek Myth and Phrygian Kingship’
(abstract), American Philological Association 135th Annual Meeting, January 2-5
2004, San Fransisco, www.apaclassics.org.

- 60 -
MOUSA, Issam S. (2001) ‘The Arabs in the First Communication Revolution: The
Development of the Arabic Script’, Canadian Journal of Communication, Vol 26, №
4.
MULDER, Arjen (2004) Over Mediatheorie: Taal, beeld, geluid, NAi Uitgevers, Rotterdam.
MÜLLER, Karl, Fr. & Karl Schefold (1946) ‘Neue phrygische Funde’, Artibus Asiae, Vol. 9,
№ 1/3, pp. 111-128.
MURRAY, Oswyn (1983) Early Greece, Stanford University Press.
NAGY, Gregory (2006) The Epic Hero: A Companion to Ancient Epic, red. J. M. Foley,
http://chs.harvard.edu/publications.sec/online_print_books.ssp, Center for Hellenic
Studies, Washington, D.C., januari 2006.
NAVEH, Joseph (1973) ‘Some Semitic Epigraphical Considerations on the Antiquity of the
Greek Alphabet’, American Journal of Archaeology, Vol. 77, № 1 (jan. 1973), pp. 1-8.
NEGBI, Ora (1992) ‘Early Phoenician Presence in the Mediterranean Islands: A Reappraisal’,
American Journal of Archaeology, Vol. 96, № 4 (oktober 1992), pp. 599-615.
PANTOS, E. (1997) ‘The Odyssey in Linear B’, srs.dl.ac.uk/people/pantos/Od_I_1-2LB.html.
Bekeken op 23 februari 2008.
PAPADOPOULOS, John K. (1994) ‘Early Iron Age Potters’ Marks in the Aegean’, Hesperia,
Vol. 63, № 4 (okt.–dec. 1994), pp. 437-507.
PAPADOPOULOS, John K. (1994) ‘Magna Achaea: Akhaian Late Geometric and Archaic
Pottery in South Italy and Sicily’, Hesperia, Vol. 70, № 4 (okt.–dec 2001), pp. 373-
460.
PARADA, Carlos, Greek Mythology Link, homepage.mac.com/cparada/GML/index.html artn.
‘Midas’, ‘The Greek Alphabet ’.
PARDEE, Dennis (2002) ‘Ugarit Ritual Texts’, (oorspr. in The Oriental Institute News and
Notes, № 172, winter 2002) Oriental Institute, University of Chicago,
http://oi.uchicago.edu/research/pubs/nn/win02_pardee.html.
PISTERS, Patricia (2007) Lessen van Hitchcock: Een inleiding in mediatheorie, Amsterdam
University Press, Amsterdam.
PENGLASE, Charles (1994) Greek Myths and Mesopotamia: Parallels and Influence in the
Homeric Hymns and Hesiod, Routledge, London.
PHILLIPS, E.D. (1957) ‘A Suggestion about Palamedes’, The American Journal of Philology,
Vol. 78, № 3, pp. 267-278.
PITARD, Wayne T. (1999) ‘The Alphabetic Ugaritic Tablets’, in: Wilfred Watson & Nicolas
Wyatt (editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 3.2.
PLATO, Critias, vert. Benjamin Jowett, Internet Classics Archive, classics.mit.edu/index.html.
PLATO, Laws, vert. Benjamin Jowett, Internet Classics Archive, classics.mit.edu/index.html.
PLATO (1934) Laws, vert. A.E. Taylor, J.M. Dent & Sons Ltd., London.
PLATO, Phaedrus, vert. Benjamin Jowett, Internet Classics Archive,
classics.mit.edu/index.html.
PLATO, Timaeus, vert. Benjamin Jowett, Internet Classics Archive,
classics.mit.edu/index.html.
PLATO (1967) Dialogen: Symposion, Apologie, Kritioon, Phaidoon (vert. M.A. Schwartz),
Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen.
PLATO (1970) The Dialogues of Plato, deel 1, vert. Benjamin Jowett, Sphere Books, London.
Zie ook Internet Classics Archive, classics.mit.edu/index.html.
POINIKASTAS website, het archief van Archaïsch Grieks schrift van Anne Jeffery,
poinikastas.csad.ox.ac.uk/
POPPER, Karl R. (1972) Objective Knowledge: An Evolutionary Approach, Oxford University
Press, London.

- 61 -
POWELL, Barry B. (1991) Homer and the Origin of the Greek Alphabet, Cambridge
University Press, Cambridge, MA.
POWELL, Barry B. (1993a) ‘Did Homer Sing at Lefkandi?’, Electronic Antiquity, Vol. 1, № 2,
juli 1993, scholar.lib.vt.edu/ejournals/ElAnt.
POWELL, Barry B. (1993b) ‘Did Homer Sing at Lefkandi? A Reply to J. Lenz’, Electronic
Antiquity, Vol. 1, № 3, augustus 1993, scholar.lib.vt.edu/ejournals/ElAnt.
POWELL, Barry B. (1998) ‘Who Invented the Alphabet: The Semites or the Greeks?’, in AO, Vol.
1, № 1, winter 1998, www.basarchive.org.
POWELL, Barry B. (2004) Homer, Blackwell, Malden, MA.
RAGOUSI, Eirene (2001) ‘The Hellenic Alphabet: Origins, Use, and Early Functions’,
Anistoriton, № 14, 22 dec. 2001, www.anistor.gr. Ook bij
http://phoenicia.org/alphabetcontrov.html. Bekeken 25 april 2008, 26 december 2008.
REECE, Steve (1996) ‘Introduction to the Topic of Homeric Performance’, Didaskalia, Vol. 3,
№ 3, winter 1996, www.didaskalia.net.
RIEMSCHNEIDER, Margarete (1958) De Wereld der Hethieten, Uitgeversmaatschappij Holland,
Amsterdam.
SAMMER, Jan (A) New Light on the Dark Age of Greece, www.varchive.org/nldag/index.htm
SANDERS, SETH L., ed. (2006) Margins of Writing, Origins of Cultures, University of Chicago,
Illinois.
SASS, Benjamin (1988) The Genesis of the Alphabet and its Development in the Second
Millenium [sic] B.C., Otto Harrossowitz, Wiesbaden.
SCHAEFFER, Claude F.A. (1948) Stratigraphie Compareé et Chronologie de l’Asie
Occidentale (IIIe et IIe millénaires), Oxford University Press, London.
SCHAEFFER, Claude F.A. (1980) The Cuneiform Texts of Ras Shamra-Ugarit, Kraus Reprint,
München. Herdruk van 1939 editie.
SCHMIDT, Nathaniel (1920) ‘Bellerophon’s Tablet and the Homeric Question in the Light of
Oriental Researh’, Transactions and Proceedings of the American Philological
Association, Vol. 51, pp. 56-70.
SCHORR, Edwin M. (A) Applying the Revised Chronology,
www.varchive.org/schorr/index.htm
SCIEM 2000, The Synchronization of Civilizations in the Eastern Mediterranean in the 2nd
Millennium BC, www.winserion.org/SCIEM2000/index.html
SEALEY, Raphael (1976) A History of the Greek City States, University of California Press.
SHEAR, Ione Mylonas (1998) ‘Bellerophon Tablets from the Mycenaean World? A tale of
seven bronze hinges’, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 118, pp. 187-189.
SHERRATT, Susan (2003) ‘Visible writing: questions of script and identity in Early Iron Age
Greece and Cyprus’, Oxford Journal of Archaeology, online publicatie 18 juli 2003,
Vol. 22, № 3, pp. 225 – 242 (abstract).
SIEGEL, Julius L. (1932) ‘The Date and the Historical Background of the Sinaitic
Inscriptions’, in The American Journal of Semitic Languages and Literatures, Vol. 49,
№ 1, oktober 1932, pp. 46-52.
SINGER, Itamar (1999) ‘A Political History of Ugarit’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt
(editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 15.
SNODGRASS, Anthony Mac Elrea (1971) The Dark Age of Greece: An Archeological Survey of
the Eleventh to the Eighth Centuries BC, University Press, Edinburgh.
SNODGRASS, Anthony Mac Elrea (2000) The Dark Age of Greece: An Archeological Survey of
the Eleventh to the Eighth Centuries B.C., Routledge (herdruk van 1971).
SOLDT, Wilfred van (1999) ‘The Syllabic Akkadian Texts’, in: Wilfred Watson & Nicolas
Wyatt (editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 3.1.

- 62 -
STRONG, Herbert A. & John Garstang (1913) The Syrian Goddess: De Dea Syria, by Lucian
of Samosata, sacred-texts.com.
STUART, Adam (A) Zeevolken website, persians-not-philistines.org.
TALBOTT, Stephen (editor) (1977) Velikovsky Reconsidered, Warner Books, N.Y.
TEODORSSON, Sven-Tage (2006) ‘Eastern literacy, Greek alphabet, and Homer’, Mnemosyne,
Volume 59, № 2, april 2006, Brill, Leiden, pp. 161-187.
THEOI Greek Mythology, www.theoi.com Mythology & The Greek Gods in Classical
Literature and Art. Met uitgebreide Klassieke bronnen
THEURILLAT, Thierry (2004) ‘Early writing in the Sanctuary of Apollo Daphnephoros,
Eretria’ (abstract), Oropos and Euboea in the Early Iron Age, Universiteit van
Thessalië website, ‘abstracts’, extras.ha.uth.gr/oropos-euboea/index.shmtl
THUCYDIDES (431 v.Chr.) Een blijvend bezit. De oorlog tussen de Peloponnsiërs en de
Atheners, vert. Leo Lewin, 2002 Eburon, Delft.
THUCYDIDES (431 v.Chr.) The History of the Peloponnesian War (vert. Richard Crawley),
classics.mit.edu/Thucydides/pelopwar.html
TROPPER, Josef (1999) ‘Ugaritic Grammar’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt (editors),
Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 4.3.
ULLMAN, B.L. (1927a) ‘The Origin and Development of the Alphabet’, American Journal of
Archaeology, Vol. 31, № 3 (juli - sep. 1927), pp. 311-328.
ULLMAN, B.L. (1927b) ‘The Etruscan Origin of the Roman Alphabet and the Names of the
Letters’, Classical Philology, Vol. 22, № 4 (okt. 1927), pp. 372-377.
ULLMAN, B.L. (1934) ‘How Old is the Greek Alphabet?’, American Journal of Archaeology,
Vol. 38, № 3 (juli-sep. 1934), pp. 359-381.
VANHESTE, Jeroen, ‘Terug naar Troje’, in: Streven, Cultureel Maatschappelijk Maandblad,
februari 2005, № 133, http://users.skynet.be/streven/index.htm
VELIKOVSKY, Immanuel (A) The Dark Age of Greece, www.varchive.org/dag/index.htm
VINCI, Felice (2006) The Baltic Origins of Homer’s Epic Tales, Inner Traditions, Rochester,
Vermont.
VOIGT, Mary M. & Robert C. Henrickson (2000) ‘The Early Iron Age at Gordion: The
Evidence from the Yassıhöyük Stratigraphic Sequence’, in Eliezer D. Oren (ed.), The
Sea Peoples and Their World: A Reassesment, The University Museum, University of
Pennsylvania, Philadelphia.
WALLACE, Robert W. (1988) ‘Walwe and Kali’, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 108,
pp. 203-207.
WALTER, F.A. (1828) ‘Niebuhr’s Roman History’, in: The Southern Review, Vol. 1, № 2,
februari-maart 1828, Charleston.
WATKINS, Calvert (2007) ‘The Golden Bowl: Thoughts on the New Sappho and its Asianic
Background’, in: Classical Antiquity, Vol. 26, № 2, pp. 305-325.
WEST, Martin L. (1999) The East Face of Helicon: West Asiatic Elements in Greek Poetry
and Myth, Oxford University Press, Oxford.
WHITLEY, James (2003) Style and Society in Dark Age Greece: The changing face of a pre-
literate society 1100-700 BC, Cambridge University Press, Cambridge.
WIKIPEDIA (Engels), en.wikipedia.org. Verscheidene artikelen:
A. Trojan Language
B. Lefkandi
C. Oral tradition
D. Orality
E. Ugaritic alphabet
F. Cadmus
G. Geschiedenis van de Cycladische beschaving

- 63 -
H.Cadmus of Miletus
I.Byblos syllabary
J.Trojan script
K.Minoan Chronology
L.Sea Peoples
M.Linaer A
N.Linear B
O.Linear C
P.Cretan hieroglyphics
Q.Stasinus
R.Harold Innis’s communications theories
WINDFUHR, Gernot L.(1970) ‘The Cuneiform Signs of Ugarit’, Journal of Near Eastern
Studie, Vol. 29, № 1 (jan., 1970), pp. 48-51.
WOOD, Michael (1988-1989) Op zoek naar de Trojaanse Oorlog, BBC Books/Teleac,
Utrecht.
WOODARD, Roger D. (1997) Greek Writing from Knossos to Homer, Oxford University Press,
N.Y.
WOUDHUIZEN, Fred (1984-1985) ‘Lydian: Separated from Luwian by Three Signs’, in:
Talanta, Vols. XVI-XVII, 1984-85, pp. 91 e.v.
WOUDHUIZEN, Fred (2006) The Ethnicity of the Sea Peoples, Proefschrift Erasmus
Universiteit Rotterdam, repub.eur.nl.
WYATT, Nicolas (1999a) ‘The Story of Aqhat’, in: Wilfred Watson & Nicolas Wyatt (editors),
Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 6.3.
WYATT, Nicolas (1999b) ‘The Religion of Ugarit: An Overview’, in: Wilfred Watson &
Nicolas Wyatt (editors), Handbook of Ugaritic Studies, 1999 Brill, Leiden, Hs. 13.
YOUNG, Rodney S. (1969) ‘Old Phrygian Inscriptions from Gordion: Towards a history of the
Phrygian alphabet’, in Hesperia, Vol. 38, № 2 (apr. – jun. 1969), pp. 252-296.
ZUNDERT, Joris van (2004) boekbesprekingen in Signalementen, Tijdschrift voor Nederlandse
Taal en Letterkunde, Vol. 120, p. 285,
www.maatschappijdernederlandseletterkunde.nl/tntl/120/120-3/zundert.pdf

- 64 -