You are on page 1of 74

De hype voorbij

Een onderzoek naar de mate waarin User Generated Content is geïntegreerd op de websites
van prominente nationale nieuwsmedia in Nederland.

E. van Oers, s1740393


Rijksuniversiteit Groningen
dr. A.R.J. Pleijter
prof. dr. M.J. Broersma
Master Journalistiek
Studiepad radio & televisie
8 juli 2010
Inhoudsopgave

Voorwoord 3

1. Inleiding 5

2. Theoretisch kader 9
2.1 Het Web 2.0 en burgerjournalistiek 9
2.1.1 Het gevaar van burgerjournalistiek 13
2.2 Nieuwe vormen van journalistiek 16
2.2.1 Traditionele journalistiek 16
2.2.2 Publieke journalistiek 17
2.2.3 Interactieve journalistiek 17
2.2.4 Participatieve journalistiek 18
2.2.5 Burgerjournalistiek 20
2.3 Soorten User Generated Content 21
2.3.1 User Generated Content Initiatives 21
2.3.2 Fases in het journalistieke proces 21
2.4 User Generated Content en de journalistieke werkpraktijk 23

3. Methode van Onderzoek 26


3.1 Onderzoeksvraag 26
3.2 Onderzoeksobject 27
3.2.1 Achtergrond nieuwsmedia 27
3.3 Analyse van de websites 29
3.3.1 Soorten UGCI’s op de websites 29
3.3.2 Homepage 31
3.4 De interviews 31
3.4.1 De redacteuren 31
3.4.2 Het interview 32

4. Bevindingen 34
4.1 De Telegraaf 35
4.2 Trouw 38
4.3 NRC 42
4.4 NRC.next 45
4.5 RTL 49
4.6 NOS 53
4.7 NU.nl 57
4.8 Werkcultuur 62

5. Conclusie & Discussie 66

Bibliografie 72

2
Voorwoord

Voor u ligt een scriptie welke het resultaat is van een onderzoek naar user generated content
op de websites van prominente Nederlandse nieuwsmedia. Deze scriptie is geschreven ter
afsluiting van de Master Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.
In de zomer van 2009 verruilde ik Groningen voor Amsterdam om stage te lopen als
redacteur bij het NOS Journaal op 3 in Hilversum. Na deze stage succesvol te hebben
doorlopen, volgde maandenlange arbeid om deze scriptie tot een succes te maken. De
doelstelling om in mei 2010 af te studeren, heb ik niet gehaald. Dat kwam doordat ik een klus
kreeg aangeboden bij de NOS in de periode dat ik zou af studeren. Deze klus stond geheel in
lijn met mijn scriptieonderwerp. Ik was redacteur voor het NOS Nieuws Team, een redactie
die dertig jongeren aanstuurde in hun eigen netwerken op zoek te gaan naar verhalen die
zouden kunnen leiden tot nieuwsonderwerpen. Het Team manifesteerde zich op het sociale
netwerk Facebook. Dit alles ten tijde van de politieke campagnes in de context van de Tweede
Kamerverkiezingen van 2010. Het was erg mooi om de theorie die ik maandenlang
bestudeerd heb zelf mee te maken in de praktijk. Het leverde bijzondere inzichten op die op
hun beurt weer hebben bijgedragen aan deze scriptie. De klus leverde wel een vertraging op
van twee maanden. Na het Nieuws Team heb ik de draad weer opgepakt en ben ik wel
geslaagd de nieuwe doelstelling te halen om dit academisch jaar af te studeren.
Mijn interesse voor het onderwerp user generated content was gewekt tijdens een
onderzoekscollege in het eerste jaar van de opleiding. Voorheen was ik vooral geïnteresseerd
in de beroepspraktijk en het journalistieke veldwerk. Met de inbreng van het publiek hield ik
mij niet bezig. Mijn onderzoek naar lokale burgerjournalistieke websites als halloemmen.nl
en halloassen.nl hebben mijn interesse aangewakkerd. Waar ik eerst onderzoek deed naar
burgerjournalistiek op lokale schaal, heb ik mij voor deze afstudeerscriptie gericht op de
nationale nieuwsmedia. Wetenschappelijke bagage die ik in het jaar ervoor al heb opgedaan,
is mij bij het uitvoeren van dit onderzoek goed van pas gekomen. Deze kennis heeft het
onderzoek vergemakkelijkt. Tijdens het schrijven van deze scriptie is daar nog meer kennis
en inzicht bijgekomen en dat heeft ervoor gezorgd dat ik de afgelopen maanden als plezierig
en leerzaam heb ervaren en user generated content als een specialisme beschouw.
Graag wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om een aantal mensen te bedanken.
Allereerst gaan er woorden van dank naar mijn scriptiebegeleider, Alexander Pleijter. Hij is
de gehele periode erg betrokken geweest en heeft mij geholpen de juiste structuur in de
scriptie aan te brengen. Er is veel contact geweest en dat was altijd aangenaam. Zijn kennis
op dit vakgebied is dusdanig dat de feedback erg prettig was en ervoor zorgde dat ik deze
scriptie op het juiste niveau kon invullen.

3
Ten tweede bedank ik Marcel Broersma. Hij heeft me in het eerste jaar van de
opleiding enthousiast gemaakt voor dit onderwerp. Het eerste onderzoek naar lokale
burgerjournalistiek heb ik bij hem afgerond en dat werd goed ontvangen. Het advies om dit
onderwerp uit te bouwen naar een afstudeerscriptie heb ik ter harte genomen. Bovendien is
hij de tweede lezer van deze scriptie.
Dan volgen er een aantal mensen die ik erg dankbaar ben voor hun geheel vrijwillige
medewerking aan deze scriptie. Om mijn onderzoek van de juiste informatie en
achtergronden te voorzien, heb ik een aantal betrokken redacteuren van de verschillende
nieuwsmedia mogen interviewen. Een aantal van hen heeft mij uiterst vriendelijk ontvangen
op de redactie, met anderen heb ik goed telefonisch contact gehad of contact per e-mail. Het
gaat om Marco van der Laan (De Telegraaf), Kees Versteegh (NRC Handelsblad), Ernst-Jan
Pfauth en Reinier Kist (NRC Next), Vincent Dekkers (Trouw), Irene van Driel (RTL), Robert
Baltus, Jens Kraan en Tim Overdiek (NOS) en Chris Heijmans en Mark Vos (NU.nl). Zonder
hun commentaren was het nooit gelukt. Waarvoor veel dank.
Vanzelfsprekend wil ik ook de mensen bedanken die dichtbij me staan. Familie en
vrienden, dank jullie wel.

Emil van Oers

Juli 2010

4
Hoofdstuk 1

Inleiding

De journalistiek is bij uitstek een beroepsgroep die aan verandering onderhevig is. Aan het
einde van de negentiende eeuw waren het grote onafhankelijke geesten die de pers tot
ontwikkeling hadden gebracht. Omstreeks de Eerste Wereldoorlog werd de journalistiek
teruggedrongen in een dienstbare rol. Deze onderschikking hield stand tijdens de verzuiling
en bleef bestaan tot de jaren zestig. Pas in de jaren daarna ontpopte de journalistiek zich als
een kritische, onafhankelijke macht. Dat geeft te denken. Wat betekenen dergelijke
verschuivingen voor de rol van de journalist zelf? De journalist zal moeten meebewegen met
de kant die de beroepsgroep op gaat, zoals elke druppel water ondergeschikt is aan de
stroom. De journalistiek heeft zich door de geschiedenis meermalen geherdefinieerd. En zij
zal dat blijven doen.
Buiten de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, is de journalistiek ook zeer
afhankelijk van technologische innovatie. De uitvindingen van de drukpers, radio, televisie en
internet kwamen elk als een donderslag bij heldere hemel binnen bij de tot dan toe
gebruikelijke journalistieke waarden en hebben voorgoed hun sporen achtergelaten. Al deze
ontwikkelingen hebben de journalistiek doen verschuiven binnen het spectrum van de relatie
die het heeft met enerzijds de staat en anderzijds de samenleving. De laatste grote mijlpaal
die het beroep journalist het vuur aan de schenen legt, is de stormachtige ontwikkeling van
het Web2.0. In de jaren nul van het nieuwe millennium blijken interactiviteit en participatie
de nieuwe toverwoorden, waarmee vooral voor het publiek ten opzichte van de journalistiek
een belangrijke rol is weggelegd.
Het publiek heeft door het Web2.0 een grotere invloed gekregen op de traditionele
journalistieke processen van nieuwsgaring, nieuwsselectie en nieuwspresentatie. Burgers
spelen een steeds grotere rol als het gaat om het zoeken en bijeenbrengen van informatie. De
media maken nog steeds gebruik van persbureaus, correspondenten of andere beats, maar
doen ook steeds meer een beroep op hun publiek. De individuele nieuwsconsument heeft
eveneens meer mogelijkheden om uit eigen initiatief nieuws, verhaalideeën of
ooggetuigenverslagen aan te leveren. De plaats waar het nieuws tot stand komt, is door
nieuwe technologieën dus deels verschoven naar de plaats waar voorheen het nieuws slechts
werd geconsumeerd. Binnen de selectie van nieuws zijn ook de twee belangrijke factoren tijd
en plaats aan verandering onderhevig. Journalistieke deadlines vervagen. Zodra een verhaal
publiceerbaar is, kan het ook daadwerkelijk direct gepubliceerd worden, zonder afhankelijk
te zijn van het ter perse gaan van de krant of het tijdstip van een journaaluitzending. Het
publiek bepaalt het eigen tijdstip waarop het nieuws geconsumeerd wordt. Deze
keuzevrijheid uit zich ook in geografische herkomst van nieuws. De ongeschreven wet

5
‘dichtbij is belangrijker dan ver weg’ houdt stand, maar door het Web2.0 is de lezer evengoed
in staat zich te laten informeren over nieuws van ver over de grenzen en daarover te
communiceren. Ook in nieuwspresentatie lijkt het publiek meer vertegenwoordigd dan
voorheen. Op websites krijgt het een platform openbaar te communiceren over de actualiteit,
nieuws over de ‘gewone man’ lijkt aan populariteit te winnen en ook beeldmateriaal dat door
burgers is gegenereerd kan bij tijd en wijle het nieuws domineren.
In een online pamflet was het Jay Rosen die in 2006 de gevestigde media liet
schrikken door het publiek opnieuw te kwalificeren met de volgende woorden: ‘The People,
Formerly Known as the Audience’. Deze veelzeggende tekst koppelde hij aan de
machtsverschuiving binnen de journalistiek, die in zijn ogen meer en meer in de handen van
het publiek kwam te liggen. Twee jaar eerder was het Dan Gilmor, die in zijn boek We The
Media de boel op scherp zette, in een pleidooi dat de traditionele media zich zullen moeten
aanpassen aan nieuwe media.
Deze gedachtegang is te verklaren door het succes van enkele internationale
initiatieven aangaande burgerjournalistiek. Het meest in het oog springende voorbeeld is
OhmyNews.com, een Zuid Koreaanse burgerjournalistieke nieuwswebsite, opgericht door Oh
Yeon Ho in het jaar 2000. Het motto ‘Every Citizen is a Reporter’ is veelzeggend. OhmyNews
is de eerste website ter wereld die bijdragen van haar lezers accepteert, bewerkt en publiceert.
Ongeveer een vijfde van de totale inhoud van de website wordt geschreven door een vaste
redactie, de rest van de artikelen komt van freelancers die veelal gewone burgers zijn. De
website is een groot succes en kent ook al jarenlang een Engelse versie.
Meer succesvolle initiatieven toonden het potentieel van burgerjournalistiek, terwijl
ook weblogs met name in Amerika aan populariteit wonnen. Gevestigde media zagen zich
genoodzaakt user generated conent te integreren in hun werkwijze. Zo kwam bijvoorbeeld
CNN met iReport, een platform waar burgers foto’s en video’s van evenementen of
nieuwswaardige gebeurtenissen uit hun eigen regio kunnen uploaden. In meerdere landen
verschenen soortgelijke initiatieven en burgerjournalistiek leek aan een echte opmars bezig.
Daar komt bij dat de inzet van sociale online netwerken door burgers in landen als China en
Iran zich ontpopte als ware klokkenluider. Het burgerjournalistieke potentieel is bewezen,
maar waar gaat het heen? En wat betekenen deze internationale ontwikkelingen voor ons?
Halverwege het eerste decennium van de 21e eeuw werd ook in Nederland de term
‘burgerjournalistiek’ zeer populair. Burgerjournalistiek werd een hype. Bloggers en andere
media besteedden veel aandacht aan het onderwerp en dat resulteerde zowel in angst als in
de behoefte er iets mee te doen. Op internet circuleerden artikelen die deze vooronderstelde
angst suggereerden. Het debat brak los en zowel voor- als tegenstanders lieten veelvuldig van
zich horen. Enerzijds heerste er de angst voor het verlies van traditionele journalistieke
waarden als objectiviteit, waarheidsvinding en hoor- en wederhoor. Anderzijds werd het

6
belang van burgerjournalistiek weggewuifd en werd de nadruk gelegd op de onmisbare
vaardigheden van professionele journalisten. Of je nu voor of tegen was, de hype rond
burgerjournalistiek was ook in Nederland een feit. Dat resulteerde in een aantal online
initiatieven waarin het de kans kreeg zich in de praktijk te bewijzen. Gevestigde media
introduceerden gestaag mogelijkheden tot participatie, terwijl er ook nieuwe online
platformen ontstonden die in zijn geheel gestoeld waren op user generated content.
De website die het meest symbool staat voor de burgerjournalistieke hype in
Nederland, is Skoeps.nl. De vergelijking met het Zuid Koreaanse OhmyNews is snel gemaakt.
Het is een platform waar burgers hun eigen nieuwsverhalen kunnen publiceren en ook het
motto komt sterk overeen met haar Zuid Koreaanse equivalent: ‘Jij bent het nieuws’. Maar
daar stopt de vergelijking. Het beoogde succes bleef uit en in mei 2008 verdween de website
na anderhalf jaar online te zijn geweest. Van de ambitie om ‘van elke Nederlander een
verslaggever te maken’ bleef weinig over. Met het verdwijnen van Skoeps, nam ook de hype
rond burgerjournalistiek af. De term kreeg zelfs een negatieve connotatie en sindsdien heerst
er ook weer een brede consensus over het vak journalistiek. Het vak van nieuwsgaring, hoor-
en wederhoor, duiden, onderscheiden van waarheid en leugen en waarheidsvinding kan niet
door iedereen worden gedaan.
Het is duidelijk dat Nederland (nog) niet klaar is voor een dergelijk landelijk
burgerjournalistiek platform. Lokaal zijn er echter tal van voorbeelden te noemen die
succesvol te noemen zijn voor de schaal waarop ze operen. Het gaat dan veelal om verhalen
die door landelijke media niet worden opgepikt omdat ze wat betreft nieuwswaardigheid
simpelweg te laag scoren. Voor lokale buurtbewoners kan het daarentegen wel interessant
zijn. Wil dat zeggen dat burgerjournalistiek op landelijk niveau geen enkele rol meer speelt?
Nee. Sterker nog, gevestigde media houden zich constant bezig met de vraag hoe het publiek
het best kan participeren in de nieuwsvoorziening. Het is inmiddels algemeen geaccepteerd
dat burgerjournalistiek niet eigenhandig kan opereren zonder de overkoepelende en
controlerende rol van gevestigde media. De vraag is hoe deze nieuwsmedia
burgerjournalistiek moeten integreren in hun eigen programma. Na deze vraag gesteld te
hebben, behoeft de term burgerjournalistiek een nadere uitleg. Het is zelfs de vraag of het
begrip überhaupt recht doet aan wat er in het algemeen onder wordt verstaan.
Zo lang als het woord ‘burgerjournalistiek’ bestaat, zo lang wordt het woord op
verschillende manieren gebruikt en geïnterpreteerd. Het begrip is een samenraapsel van alle
definities, interpretaties en karakteristieken die er sindsdien aan zijn gegeven. Het is om die
reden dan ook zinloos om dit onderzoek in te gaan zonder een goede afbakening te maken
van wat er in het algemeen en in het kader van dit onderzoek onder wordt verstaan. Meerdere
onderzoekers hebben gepoogd een heldere definitie te geven van burgerjournalistiek. Daaruit
zijn tot nog toe drie zekerheden ontstaan: 1) Eén universele definitie bestaat niet; 2) Het

7
begrip burgerjournalistiek dient voor een heldere uitleg noodzakelijk te worden ontleed in
subbegrippen; 3) de opmars van burgerjournalistiek is onlosmakelijk verbonden met de
ontwikkelingen van het Web2.0. Een zeer complex begrip dus, waarover na het lezen van
deze scriptie hopelijk meer duidelijkheid zal ontstaan.
In Nederland wordt de term ‘burgerjournalistiek’ nagenoeg synoniem gezien aan het
Engelse user generated content (UGC); datgene wat de lezer zelf bijdraagt aan de inhoud van
publieke informatie. Dat zal ook hier de gangbare definitie zijn als er in het algemeen over
UGC of burgerjournalistiek gesproken wordt. Maar publieke participatie kan op veel
verschillende manieren. Om die reden doet de veralgemeniseerde term burgerjournalistiek
geen recht aan de meer genuanceerde onderverdelingen die het kent. In het volgende
hoofdstuk zullen de onderverdelingen worden opgehelderd.
Het gaat in dit onderzoek niet over burgerjournalistiek in zijn puurste vorm, zoals
online platforms waarbij het publiek in zijn geheel verantwoordelijk is voor de inhoud ervan.
Ook het inzetten van sociale netwerksites zoals Flickr, Twitter en Facebook als nieuwsmedia
is geen onderwerp van dit onderzoek. In landen waar ze geen persvrijheid kennen bewijst het
haar nut, maar in een land als Nederland ontbreekt de noodzaak voor sociale netwerksites als
medium voor klokkenluiders. Het is voor Nederland juist interessant om te kijken hoe de
traditionele en professionele nieuwsvoorziening UGC integreert en wat voor invloed UGC
heeft op de dagelijkse werkpraktijk. De technieken zijn daar, evenals de roep tot een grotere
betrokkenheid van het publiek. Met dit gegeven zal het begrip burgerjournalistiek nader
worden verklaard, evenals de ontwikkelingen in de context van het Web2.0. Hoe de
traditionele nieuwsmedia in Nederland hiermee omspringen, zal hopelijk aan het eind van
deze scriptie helder zijn.

8
Hoofdstuk 2

Theoretisch kader

2.1 Het Web2.0 en burgerjournalistiek

Het afgelopen decennium is gebleken dat nieuws niet langer noodzakelijk een top-down
lezing is. Burgers hebben een actievere rol aangenomen in het consumeren van nieuws.
Nieuwe media bieden hen de kans zelf de plaats en het tijdstip te bepalen en door de sterk
toegenomen hoeveelheid van informatie is ook daarin de keuzevrijheid van de burger vele
malen groter geworden. Sinds het Web2.0 een stormachtige ontwikkeling doormaakt aan het
begin van dit millennium, zijn er mogelijkheden voor de burger om te participeren aan de
gigantische informatiestromen die er voorheen niet waren. Het Web2.0 maakt het mogelijk
dat groepen mensen met elkaar communiceren, in plaats van één iemand die het woord
voert, zoals in de traditionele journalistiek. Nu kan het voormalige publiek zich direct richten
tot de ander, wat heeft geleid tot de ‘largest increase in expressive capability in human
history’, in de woorden van socioloog Clay Shirky.1
De ontwikkeling van het Web2.0 vormt voor Dan Gillmor – pionier op het gebied van
burgerjournalistiek – genoeg reden om aan te nemen dat traditionele media moeten vrezen
voor een nieuwe geduchte concurrent: het publiek zelf. Het bestaande medialandschap zal
volgens Gillmor volledig op zijn kop worden gezet door de mogelijkheden van UGC:

“Tomorrow’s news reporting and production will be more of a conversation, or a seminar. The
lines will blur between producers and consumers, changing the role of both in ways we’re only
beginning to grasp now. The communication network itself will be a medium for everyone’s
voice, not just the few who can afford to buy multimillion-dollar printing presses, launch
satellites, or win the government’s permission to squat on the public’s airwaves.”2

We zijn pas aan het begin, aldus Gillmor. Burgerjournalistiek zou verandering kunnen
brengen en een frisse wind doen waaien door de wereld van de journalistiek. Socioloog
William Dutton beweert zelfs dat we getuige zijn van de opkomst van een ‘Fifth Estate’.3
Volgens Shayne Bowman en Chris Willis (2003) kan het Web2.0 mediabedrijven
helpen ervoor te zorgen om een loyale en vertrouwelijke band met het publiek te krijgen. Het
betrekken van het publiek in het creëren van de inhoud geeft ze een gevoel van zeggenschap,

1
Shirky, C. ‘How Social Meda can Make History’ TED conference address (2009)
http://www.ted.com/talks/clay_shirky_how_cellphones_twitter_facebook_
can_make_history.html
2
Gillmor, D. We the Media: Grassroots Journalism by the People for the People (Sebastopol, CA: O’Reilly,
2004), XIII
3
Dutton, W. Through the Networkk of Networks: The Fifth Estate (Oxford Internet Institute, 2007)

9
iets dat ze volgens Bowman en Willis nu ontberen.4 Luisteren naar en samenwerken met je
publiek zorgt eveneens voor een breder scala aan bronnen en experts in uiteenlopende
onderwerpen. Bij voorkeur een jong publiek. In het kader van loyaliteit is het voor de
gevestigde media van levensbelang om een jong publiek aan te spreken. In dat opzicht is het
integreren van UGC een groot voordeel; de jongeren van nu groeien immers op met het
Web2.0 en zien het als een tweede natuur.5
Een goede samenwerking met dit netwerk van burgerjournalisten stelt de media in
staat om op plaatsen te komen waar ze normaal niet kunnen komen, zij het door geografische
of financiële beperkingen. Bowman en Willis noemen dit een ‘uitgebreide virtuele redactie’.6
Meer redactionele stemmen zullen gehoord worden vanuit diverse sociale of etnische
achtergronden.7 Ook kan burgerparticipatie de houdbaarheidsdatum van het nieuws
aanzienlijk verlengen. Hoe belangrijk een gebeurtenis ook kan zijn, het zal niet langer dan 48
uur op de radar van de traditionele media staan. Weblogs en forums kunnen ervoor zorgen
dat verhalen blijven leven, worden herverteld en worden voorzien van nieuwe invalshoeken
en inzichten.8 Hier zien we een parallel met het conversatiemodel van Gillmor.
Bill Kovach en Tom Rosenstiel (2001) zien in het conversatiemodel een belangrijke
maatschappelijke functie voor de democratie. Als we een effectieve journalistiek willen die de
democratie naar behoren informeert, dan moeten burgers een actieve en samenwerkende rol
vervullen in het journalistieke proces:

“Journalists must invite their audience into the process by which they produce the news (…)
They should take pains to make themselves and their work as transparent as they insist on
making the people and institutions of power they cover. This sort of approach is, in effect, the
beginning of a new kind of connection between the journalist and the citizen. It is one in
which individuals in the audience are given a chance to judge the principles by which the
journalists do their work.”9

Transparantie is in de ogen van Kovach en Rosenstiel dus een absolute voorwaarde voor de
nieuwe relatie tussen journalist en burger. De conversatie die burgerjournalistiek kan
opleveren, is volgens Luke Goode (2009) een uitstekend middel om die transparantie te
bevorderen en zo de journalistiek een spiegel voor te houden. Hierdoor moet volgens Goode
het belang van burgerjournalistiek niet worden gebagatelliseerd. Deze vorm van

4
Bowman, S. & Willis, C. We Media. How audiences are shaping the future of news and information. (Reston:
The Media Center, 2003) 53
5
Ibidem 54
6
Idem
7
Ibidem 55
8
Idem
9
Kovach, B. & Rosenstiel, T. The Elements of Journalism: What Newspeople Should Know and the Public
Should Expect (Three Rivers Press, 2001) 191-192

10
‘metajournalistiek’ is mede verantwoordelijk voor de totale inhoud van de informatiestromen
en kan daardoor niet los worden gezien van ‘echte’ journalistiek.10 Een goed voorbeeld
daarvan is het Amerikaanse Digg.com, een metajournalistieke webpagina waar mensen
allerhande nieuwsverhalen kunnen plaatsen en beoordelen. Dit gebeurt zowel met
‘mainstream’ nieuwsverhalen als met blogs en amateurverhalen.11
Goode onderschrijft dat burgerjournalistiek in potentie de nieuwsproductie
middels een conversatie tot stand kan laten komen. Momenteel vindt het grootste deel
van de conversatie in de sfeer van de burgerjournalistiek echter plaats op horizontaal
niveau. Burgers gaan vooral met elkaar het gesprek aan. De democratische impact is
volgens hem daarom nu nog niet toerijkend, maar groeicijfers (Project for Exellence in
Journalism, 2007) maken het aannemelijk dat de opmars van burgerjournalistiek zich
doorzet en dat traditionele media zich in de komende jaren meer zullen manifesteren op
dit gebied.12 Goode wil om die reden vooral het potentieel van burgerjournalistiek en het
Web2.0 benadrukken. Als lichtend voorbeeld noemt hij een initiatief van CNN in 2007,
waarin het burgers via YouTube vragen liet stellen aan de presidentskandidaten.13
Een goed voorbeeld om de kracht en het potentieel van het Web2.0 aan te tonen na
een grote nieuwsgebeurtenis, is de nieuwscarrousel die op gang kwam na orkaan Katrina in
2005. In een onderzoek naar UGC ten tijde van orkaan Katrina concludeert Sue Robinson dat
gewone burgers als ‘autoriteiten’ worden gezien als het gaat om informatievoorziening. De
individuele ervaring en persoonlijke band met de nieuwsgebeurtenis gaven de burger het
recht om de stem te zijn van dit maatschappelijke verhaal. Door zichzelf in het nieuwsproces
te voegen, hebben deze burgers hun relatie met journalisten en met journalistiek in het
algemeen geherdefinieerd. Online burgerjournalisten beschouwen zichzelf als
‘verhalenvertellers, journalisten, klokkenluiders, bemiddelaars, geschiedschrijvers,
betekenisgevers en opinieleiders’; ze definiëren zichzelf als journalist en identificeren zich
met verslaggevers.14 Robinson definieert burgerjournalisten als de mensen die gebruik maken
van de middelen die voorhanden zijn om deel te kunnen nemen aan de informatiewereld
zoals blogs en forums.15 Ze zegt daarover:

“The resulting news narrative (in this case, the Hurricane Katrina collective memory) is a
patchwork of journalism and citizen work that represents the acting out of the tensions from
these role shifts. As news scholars and other media watchers move forward in evaluating
news stories, their research should consider the new roles that citizen journalists are

10
Goode, L. ‘Social news, citizen journalism and democracy.’ New Media and Society Vol 11(8) 1291
11
Ibidem 1295
12
Ibidem 1292
13
Ibidem 1294
14
Robinson, S. ‘If you had been with us’: mainstream press and citizen journalists jockey for authority over the
collective memory of Hurricane Katrina. New Media & Society Vol 11(5) 806
15
Ibidem 798

11
occupying. Their versions online have become part of the ‘curriculum’ of coverage that James
Carey (1986) once implored media scholars to consider.”16

De professionele journalist definieert ze als een ervaren getuige, als iemand met voldoende
kennis en geloofwaardigheid om namens iedereen te kunnen spreken.17 Het was in dit geval
een natuurramp die de nieuwe relatie tussen media en burgers suggereerde. Dit voorbeeld
komt misschien wel het dichtst bij het conversatiemodel van Gillmor.
De termen burgerjournalistiek, Web2.0 en conversatiemodel overlappen in grote
mate. In de context van alle drie de begrippen en in het licht van dit onderzoek is het
interessant om te kijken naar de bevindingen van Nic Newman (2009) in een onderzoek naar
burgerparticipatie bij nieuwsorganisaties in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten
voor het Reuters Institute for the Study of Journalism. Hij kwam daarbij tot zes conclusies18:
1. Door het gebruiksvriendelijker worden van het internet, betere verbindingen en
nieuwe mobiele apparatuur is er de afgelopen twee jaar (2007-2009) een ware
explosie geweest in participatie. Deze acute verandering heeft traditionele
nieuwsmedia ertoe gedwongen hierop in te spelen.
2. Social media (netwerksites) en UGC brengen fundamentele veranderingen aan in het
karakter van breaking news. Nieuws bereikt de buitenwereld sneller en er wordt meer
druk uitgevoerd op redacteuren over wat ze moeten rapporteren en wanneer.
Nieuwsorganisaties hebben niet meer de illusie dat ze de eerste zijn met breaking
news. In plaats daarvan willen ze uitblinken in het verifiëren en het gidsen van het
nieuwsverhaal.
3. Journalisten maken eindelijk de omschakeling om social media zoals Twitter, blogs
en Facebook te omarmen, maar wel op hun eigen voorwaarden. ‘Same values, new
tools’ klinkt het binnen de meeste traditionele nieuwsorganisaties. Ze mengen de
internetcultuur met hun eigen organisatorische normen.
4. Bovengenoemde nieuwe media zullen de journalistiek niet vervangen, maar ze
creëren een belangrijke extra informatielaag en zorgen voor gevarieerde opinies. De
meeste mensen spreken hun vertrouwen uit in de traditionele nieuwsorganisaties om
feiten en meningen te scheiden en een gebalanceerd beeld te krijgen. Ze zijn echter in
toenemende mate bereid om deze nieuwe informatiebronnen te accepteren, vooral als
het door vrienden of betrouwbare bronnen wordt aangeraden.
5. Participatie op websites van traditionele nieuwsmedia richt zich vanaf het begin met
name op fora en blogs. De omslag die je ziet is dat deze websites meer betrokkenheid
16
Ibidem 810
17
Ibidem 802
18
Newman, N. The Rise of Social Media and its Impact on Mainstream Journalism (Reuters Institute, 2009)
http://reutersinstitute.politics.ox.ac.uk/fileadmin/documents/Publications/The_rise_of_social_media_and_its_im
pact_on_mainstream_journalism.pdf 2-3

12
willen genereren en meer mogelijkheden willen bieden voor conversatie rondom de
inhoud.
6. Sociale netwerken bepalen meer en meer de inhoud van traditionele nieuwsinhoud.
Met de tijd kunnen deze netwerksites net zo belangrijk worden als zoekmachines.
Deze Fifth Estate19 zorgt voor een heel nieuw ecosysteem van nieuws en informatie. Het
brengt een manier van informatievoorziening met zich mee die voorheen nog niet bestond en
waarbij ook nieuwsverhalen aan bod komen die voorheen lastig te brengen waren voor
traditionele nieuwsorganisaties. Het komt er eveneens op neer dat de traditionele media
steeds meer bronnen tot hun beschikking hebben, inclusief die van de Fifth Estate. Door deze
ontwikkeling wil Newman de journalistiek herdefiniëren tot ‘het filteren en gidsen van de
informatiestroom om het zo geschikt te maken voor een groot publiek’.20
Dat burgerparticipatie door het Web2.0 significant is toegenomen en nog niet op zijn
retour is, en dat de journalistiek door deze ontwikkelingen moet worden geherdefinieerd, is
evident. Het is echter maar de vraag of dit alles een positieve werking zal hebben op het
beroep van journalist en de journalistiek in het algemeen.

2.1.1 Het gevaar van burgerjournalistiek

De mogelijkheden van het Web2.0 en het daarmee gepaard gaande burgerjournalistieke


potentieel wordt niet door iedereen euforisch ontvangen. De veel genoemde conversatie en de
veranderende rolverdeling worden door een aantal deskundigen als een gevaar voor de
journalistiek bestempelt. Het rooskleurige toekomstbeeld over burgerjournalistiek dat
Gillmor schetst, oogst dan ook veel kritiek.
In een directe reactie op Gillmor, betoogt Andrew Keen (2007) dat de toename van
burgerparticipatie in de journalistiek onwenselijk en zelfs gevaarlijk is.21 Volgens hem hebben
burgers simpelweg niet de middelen om ons betrouwbaar nieuws te brengen. Gillmor
beweert dat nieuws een conversatie moet zijn in plaats van een lezing. Keen stelt
hiertegenover dat het helemaal niet de taak is van de journalist om een gesprek met het
publiek aan te gaan, maar om het publiek te informeren.22 Hij denkt dat de kwaliteit van de
journalistiek met een toenemende burgerparticipatie in het geding komt:

“Most amateur journalists are wannabe Matt Drudges – a pyjama army of mostly anonymous,
selfreferential writers who exist not to report news but to spread gossip, sensationalize

19
Ibidem 50
20
Idem
21
Keen, A. The Cult of the Amateur. How Blogs, MySpace, Youtube, and the res of today’s user generated media
are destroying our economy, our culture and our values. (New York, 2007) 55
22
Ibidem 49

13
political scandal, display embarrassing photos of public figures, and link to stories on
imaginative topics such as UFO sightings or 9/11 conspiracy theories.”23

De angst voor het inleveren van kwaliteit is voor veel critici het zwaartepunt om niet mee
te gaan in de hosannastemming van de enthousiastelingen. Henk Örnebring (2008) sluit
zich volledig aan bij de sceptische houding van Keen als het gaat om het creëren van
informatieve inhoud:

‘The overall impression is that users are mostly empowered to create popular-oriented
content and personal/everyday life oriented content rather than news/informatianal
content.’24

Dat vinden ook David Domingo en Ari Heinonen (2008). Zij stellen dat journalisten de
gatekeepers zijn, dat zij bepalen wat het publiek dient te weten, alsmede hoe en wanneer
dergelijke informatie moet worden verschaft. De journalist is immers toegewijd aan betaalde
arbeid binnen het instituut van de media.25 Hetzelfde concluderen Steve Paulussen en Pieter
Ugille (2008). Bijdragen van gebruikers hebben niet dezelfde geloofwaardigheid als officiële
nieuwsbronnen, omdat amateurjournalisten niet kunnen voldoen aan de
‘objectiviteitstandaarden, onafhankelijkheid en aansprakelijkheid in de manier waarop
professionele journalisten dat doen’.26 Journalisten zijn om die reden behoedzaam voor het
implementeren van UGC.
Dat journalisten en het publiek niet op dezelfde voet staan, vindt ook Mark Potts
(2007). UGC is vooral een leuke aanvulling, maar geldt zeker niet als gelijk aan of vervanging
van traditionele journalistiek, zoals Dan Gillmor beweert. Potts zegt daarover:

‘Are these substitutes for traditional professional reporting? No, they aren’t. Do they hew to
the spirit of impartiality that journalists strive for? No, they don’t. But they do provide an
additional, complementary forum for the airing of local issues.’27

In het beste geval kan burgerjournalistiek op lokale schaal het nieuws complementeren, maar
over het algemeen is het niet meer dan een extraatje bij de traditionele nieuwsvoorziening en
ontbeert het essentiële journalistieke routines, aldus Potts.

23
Ibidem 47
24
Örnebring, H. ‘The Consumer as Producer – of What? User-generated tabloid content in The Sun (UK) and
Aftonbladet (Sweden)’ Journalism Studies, 6/2 774
25
Domingo, D. & Heinonen, A. ‘Weblogs and Journalism. A Typology to Explore the Blurring Boundaries.’
Nordicom Review 29/1 326
26
Paulussen, S. & Ugille, P. ‘User Generated Content in the Newsroom: professional and organisational
constraints in participatory journalism’ Westminster on Culture and Communication 36
27
Potts, M. ‘Journalism: Its Intersection With Hyperlocal Web Sites.’ Niemann Reports 66

14
Er heerst ook twijfel over de bereidheid van burgers om deel te nemen. Uit het
onderzoek van Hermida en Thurman blijkt dat een groot deel van de redacteuren twijfelt of
er wel genoeg mensen zouden willen participeren, mochten de mogelijkheden geboden
worden. Kwantitatieve data ondersteunen het idee dat de meeste nieuwsconsumenten liever
blijven consumeren dan er actief aan deel te nemen.28 Volgens José van Dijck (2009) wordt
om deze reden het belang van burgerparticipatie zwaar overtrokken. Zij relativeert het
democratisch belang van burgerjournalistiek omdat het nog altijd om een zeer klein groepje
zal gaan dat daadwerkelijk actief zal deelnemen: “It’s a great leap to presume that the
availability of digital networked Technologies turns everyone into an active participant.”29 Als
je bij wijze van spreken een groep van honderd mensen online hebt, dan zal er één
daadwerkelijk inhoud creëren, tien zullen erop reageren en de overige 89 zullen er slechts
naar kijken.30
De overwegend positieve Luke Goode heeft wel een belangrijk punt van kritiek dat
door de andere critici niet wordt genoemd: het onderscheid tussen online en offline
communities moet niet worden onderschat. Onderzoek naar virtuele gemeenschappen heeft
uitgewezen dat ogenschijnlijk normale sociale structuren in internetgemeenschappen hele
specifieke karakteristieken vertonen. Soms lijken de omgangsvormen exact op de ‘echte’
wereld, maar op andere momenten zijn ze niet te vergelijken. Het is daarom moeilijk om
datgene wat UGC oplevert op waarde te schatten:

‘Such hierarchies expose the naïve utopianism of early cyberspace discourse which promised
that the inequities and prejudices of the offline world could be set aside in this new,
anonymous space.’31

Er heerst dus onenigheid over hoe waardevol UGC is. Of nieuwsvoorziening tot stand moet
komen door middel van een ‘gesprek’ blijft punt van discussie. Voorstanders vrezen voor een
alsmaar groeiende kloof tussen media en publiek als er geen toenadering komt middels
mogelijkheden tot participatie. Aan de andere kant verdedigen critici de professionele
waarden van journalisten en vrezen zij voor het inboeten van kwaliteit als het publiek zelf
steeds meer inspraak krijgt in de vormgeving van de journalistiek.

28
Hermida, A. & Thurman, N. ‘A Clash of Cultures. The integration of user generated content within
professional journalistic frameworks at British newspaper websites.’ Journalism Practice 2/3 352
29
Dijck, J. van. ‘Users like you? Theorizing agency in user generated content’ Media, Culture & Society 44
30
Idem
31
Goode, L. ‘Social news, citizen journalism and democracy.’ New Media and Society Vol 11(8) 1302

15
2.2 Nieuwe vormen van journalistiek

De termen burgerjournalistiek en user generated content worden tot nog toe veelvuldig
genoemd zonder een heldere definiëring of nuancering. Om het debat over het wel of niet
doorontwikkelen van UGC op grote schaal te kunnen voeren, is het noodzakelijk om in
veralgemeniseerde termen te spreken over burgerparticipatie in de journalistiek, maar een
diepere analyse over het toelaten van UGC in de traditionele media noodzaakt tot een heldere
uiteenzetting over wat het nu eigenlijk behelst. Daar dient direct aan toegevoegd te worden
dat er geen universele definitie bestaat.
In het Nederlands wordt vrijwel elke aan UGC gelieerde term ondergebracht onder de
paraplu van burgerjournalistiek. In het Engels worden er meerdere termen naast elkaar
gebruikt die elk een eigen definitie geven van een bepaalde tak van UGC. Het is echter
problematisch dat elke definitie onderhevig is aan interpretatie en daardoor is afbakening
lastig. Er is daarom in dit onderzoek voor gekozen om vast te houden aan één onderverdeling
van subbegrippen en definities. Het meest toereikende onderscheid tussen aan UGC
gelieerde begrippen wordt gemaakt door Joyce Y.M. Nip (2006). Zij onderscheidt vijf
journalistieke modellen waarin een relatie tot het publiek wordt voorondersteld: traditional
journalism, public journalism, interactive journalism, participatory journalism en citizen
journalism.32 Hier wordt vanaf nu gesproken met de Nederlandse vertaling van de
begrippen: traditionele journalistiek, publieke journalistiek, interactieve journalistiek,
participatieve journalistiek en burgerjournalistiek.

2.2.1 Traditionele journalistiek

De rol van het publiek is bij de traditionele journalistiek nihil. Professionele journalisten zijn
de gatekeepers; zij bepalen wat belangrijk is, selecteren het nieuws en brengen verslag uit
naar het publiek. Binnen het nieuwsgaringproces is er voor het publiek geen rol weggelegd,
behalve als ze als bron kunnen fungeren voor informatie of opinie. Het aanbrengen van
verhaalideeën, de nieuwsgaring, het schrijven, de redactie en de publicatie liggen allemaal in
de handen van de professionele journalist. De enige macht van het publiek om enige invloed
uit te oefenen op het nieuwsproces is het sturen van brieven naar de redactie of het indienen
van klachten nadat het nieuws is geleverd. Journalisten kunnen dit oppikken en het als
feedback beschouwen, maar een grotere invloed van het publiek is binnen dit model niet
denkbaar.33

32
Nip, J.Y.M. ‘Exploring the Second Phase of Public Journalism’ Journalism Studies 7/2 2
33
Ibidem 10

16
2.2.2 Publieke journalistiek

Binnen dit model wordt er bewust aandacht besteed aan meer betrokkenheid van het publiek.
Het publiek wordt behandeld als burgers, waarbij actief burgerschap en maatschappelijke
betrokkenheid sleutelbegrippen zijn – in tegenstelling tot het model van de traditionele
journalistiek, waar het publiek veelal slechts wordt gezien als consument. De geluiden uit de
gemeenschap zijn in het publieke model de voornaamste bron voor de agenda van
journalisten. Nip noemt bijeenkomsten, burgerpanels en peilingen veel voorkomende
technieken om de belangen van de gemeenschap te meten. Tijdens het nieuwsgaringproces
zijn journalisten bereid om verslag te doen aan burgers over wat ze hebben gevonden en om
discussie te genereren. De professionele journalist blijft over het algemeen de gatekeeper; hij
voert de redactie en is verantwoordelijk voor de publicatie. Hij staat echter in dienst van het
publiek en poogt de belangen zo goed mogelijk te behartigen. Dit moet op zijn beurt weer
meer maatschappelijke betrokkenheid van het publiek genereren. Het publiek wordt in dit
model nauw betrokken bij het nieuwsgaringproces al hebben ze verder geen inspraak in de
uitwerking van de inhoud. In het publieke model is er dus meer samenwerking, maar de
strikte scheiding tussen producent en consument houdt stand.34

2.2.3 Interactieve journalistiek

Interactiviteit suggereert dat het publiek een actieve rol aanneemt in de informatiestromen.
Nip onderscheidt twee vormen van interactiviteit: 1) inhoudelijke interactiviteit, en 2)
interpersoonlijke interactiviteit.35 Het publiek heeft steeds meer de mogelijkheid om zich
actief met de inhoud bezig te houden. Het internet heeft de lineaire informatiestroom van
traditionele nieuwsmedia doorbroken, waardoor het publiek de mogelijkheid krijgt om op de
inhoud te reageren en erover te discussiëren, alsmede de keuzevrijheid van informatie die
door de nieuwe media sterk is toegenomen. Interpersoonlijke interactiviteit neemt door de
nieuwe technologieën ook toe. Door mogelijkheden tot comments en discussiefora kunnen de
lezers met elkaar in gesprek. Nieuwsmedia kunnen er ook voor kiezen om mogelijkheden te
benutten tot communicatie met het publiek, zodat er een conversatie ontstaat tussen
journalisten en lezers. Voorwaarde is wel dat professionele journalisten zich hiervoor
openstellen door bijvoorbeeld e-mails te beantwoorden of te chatten met het publiek. Het
internet – waar de traditionele nieuwsmedia zich op hun websites profileren – is bij uitstek
het platform voor deze vorm van UGC.

34
Ibidem 10-11
35
Nip, J.Y.M. ‘Exploring the Second Phase of Public Journalism’ Journalism Studies 7(2) 11

17
Binnen dit model wordt uitgegaan van een actieve en betrokken burger die zijn
stempel op de inhoud kan en wil drukken door deel te nemen aan gesprekken over de
nieuwsinhoud. Ten opzichte van het publieke model wordt in het interactieve model de
burger direct de mogelijkheid verschaft om actief deel te nemen aan het ‘gesprek’. Bij het
publieke model wordt er nog enige passiviteit voorondersteld, waar de journalist de touwtjes
stevig in handen heeft. Door het Web2.0 kan de burger zich nu actief opstellen en direct
communiceren over de nieuwsinhoud. Evengoed ligt de volledige verantwoordelijkheid voor
de inhoud nog steeds bij de professionele journalist. De betrokkenheid van
nieuwsconsumenten vindt in dit model pas plaats nadat het nieuws is gepubliceerd. De
scheiding tussen producent en consument is dus ook in het interactieve model aanwezig, zij
het vertroebeld door de communicatie die plaatsvindt op open platformen.

2.2.4 Participatieve journalistiek

Dit is het gebied waar het in dit onderzoek grotendeels om draait: participatieve journalistiek.
Bij publieke journalistiek wordt er al een beroep gedaan op burgerparticipatie als het gaat om
nieuwsgaring. Onder het mom van participatieve journalistiek houdt burgerparticipatie meer
in dan dat. Nip legt participatieve journalistiek vooral uit in termen van de acceptatie van
traditionele nieuwsorganisaties om het publiek mogelijkheden te bieden hun eigen kijk op
maatschappelijke gebeurtenissen te geven. In het kort: burgers mogen hun eigen inhoud
creëren. Er is veel verwarring tussen de begrippen participatieve journalistiek en
burgerjournalistiek. Nip geeft aan dat de term participatory journalism met regelmaat
inconsequent wordt toegepast:

“Sometimes it is used to include a phenomenon which is more appropriately called citizen


journalism; sometimes what rightfully is participatory journalism is called citizen journalism.
Wikipedia, the online collaborative encyclopedia, defines participatory journalism and citizen
journalism as the same phenomena. I think it’s fruitful to distinguish the two.”

Wat is dan zo kenmerkend aan participatieve journalistiek? Feitelijk is participatieve


journalistiek hetzelfde als burgerjournalistiek, zij het met één groot verschil: afhankelijkheid.
Participatieve journalistiek behelst de UGC binnen het raamwerk dat door professionals
wordt geboden. Mogelijkheden tot comments op officiële nieuwssites of het runnen van een
weblog onder de naam van een krant vallen hieronder. Het Zuid-Koreaanse OhmyNews.com
is hier een geschikt voorbeeld van. Het lijkt op een burgerjournalistiek platform, maar achter
OhmyNews zitten moderators en redacteuren die voor het totaal verantwoordelijk zijn. Nip

18
noemt ook de rubriek ‘Have Your Say’36 op de website van de BBC als voorbeeld. De meeste
traditionele nieuwsorganisaties hebben iets soortgelijks geadopteerd op hun websites. Het
publiek wordt uitgenodigd om hun eigen zicht op het nieuws te uiten waarna dat op een
bepaald gedeelte van de site kan worden gepubliceerd.
Bowman en Willis houden er een andere definitie op na. Volgens hen is participatieve
journalistiek de handeling van een burger, of een groep burgers die een actieve rol spelen in
het ‘verzamelen, rapporteren, analyseren en verspreiden van nieuws en informatie.’37 De
achterliggende gedachte van participatieve journalistiek is het creëren van ‘onafhankelijke,
betrouwbare, accurate, uiteenlopende en relevante informatie die een democratie nodig
heeft.’38 Bowman en Willis verwoorden het als volgt:

“Participatory journalism is a bottum-up, emergent phenomenon in which there is little or no


editorial oversight or formal journalistic workflow dictating the decisions of a staff. Instead, it
is the result of many simultaneous, distributed conversations that either blossom or quickly
atrophy in the Web’s social network.”39

Volgens Bowman en Willis wordt participatieve journalistiek gecreëerd door ‘networked


communities’ die ‘conversatie, samenwerking en gelijkheid hoger inschatten dan
winstgevendheid’.40 Zij zetten participatieve journalistiek en traditionele journalistiek
lijnrecht tegenover elkaar, terwijl Nip participatieve journalistiek ziet als een supplement
van traditionele journalistiek.
Nip krijgt in haar definitie van participatieve journalistiek bijval van Hermida en
Thurman. Zij zien het fenomeen ook als iets dat past binnen de leefwereld van de
traditionele journalistiek:

“This paper looks at UGC in the context of participatory journalism, where ordinary people
have an opportunity to participate with or contribute to professionally edited publications to
create more journalism.”41

Waar Nip ziet dat de begrippen participatieve journalistiek en burgerjournalistiek regelmatig


foutief door elkaar heen gebruikt worden, zo zien Hermida en Thurman een in hun ogen
foutieve gelijkschakeling van de begrippen participatieve journalistiek en collaborerende
journalistiek. Laatstgenoemde is de vorm van journalistiek waarbij meerdere individuen of
36
http://news.bbc.co.uk/2/hi/talking_point/default.stm
37
Bowman, S. & Willis, C. We Media. How audiences are shaping the future of news and information. (Reston:
The Media Center, 2003) 9
38
Idem
39
Idem
40
Ibidem 12
41
Hermida, A. & Thurman, N. Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-
generated content (London, 2007) 4

19
groepen – zonder verwantschap aan een overkoepelende organisatie – inhoudelijk kunnen
bijdragen aan nieuwsverhalen. Deze nieuwsverhalen komen dus door samenwerking tot
stand onder het motto twee weten meer dan één. De online encyclopedie Wikipedia is hier
een goed voorbeeld van. Mensen kunnen elkaar aanvullen en corrigeren en zodoende komen
de artikelen tot stand waarbij het publiek zichzelf modereert. Het verschil met participatieve
journalistiek dat Hermida en Thurman willen benadrukken, is de wortel van de informatie:

“In collaborative journalism, content is organised from the bottom up, whereas in
participatory journalism control is exercised from the top down, with a news organisation
controlling the channel for user involvement and participation.” 42

Participatieve journalistiek is dus lastig eenduidig te definiëren. Om verwarring te


voorkomen, zal er in dit onderzoek alleen gesproken worden over de definitie van Nip,
Hermida en Thurman: participatieve journalistiek is het gebied waar traditionele
nieuwsmedia de ruimte en mogelijkheden bieden voor burgerparticipatie.

2.2.5 Burgerjournalistiek

Onder burgerjournalistiek verstaat Nip het gebied waar de mensen zelf verantwoordelijk zijn
voor garing, productie en publicatie van het nieuwsproduct, zonder enige inmenging van
professionals:

“It can be one or a number of individuals, a citizen group, or a nonprofit organization without
a paid staff running a news blog, news web site, community radio station, or newspaper. To
qualify as journalism, the content needs to include some original interviewing, reporting,
or analysis of events or issues to which people other than the authors have access.”43

Het verschil met participatieve journalistiek is zojuist al uitgelegd. De afwezigheid van


ook maar enige inmenging van professionele redacties is een absolute voorwaarde wil
een publicatie vallen onder de noemer burgerjournalistiek. Burgerjournalistiek in zijn
puurste vorm komt in Nederland vrijwel niet voor, in ieder geval niet als een succesvol
erkend fenomeen. Het is daarom in dit onderzoek ook geen onderwerp van studie. Het is
in deze alleen erg belangrijk om een goed overzicht te krijgen van de verschillende
begrippen die gehanteerd worden. Ook in dit onderzoek zal het begrip
burgerjournalistiek nog vallen, daar het de gangbare Nederlandse aanduiding is voor
alles dat te maken heeft met UGC. Het is echter belangrijk om te beseffen dat in dit

42
Idem
43
Nip, J.Y.M. ‘Exploring the Second Phase of Public Journalism’ Journalism Studies 7(2) 14

20
onderzoek participatieve journalistiek centraal staat, volgens de uitleg van Joyce Nip,
Alfred Hermida en Neil Thurman.

2.3 Soorten user generated content

Niet alleen moet er een helder onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende vormen
van journalistiek waarbij een zekere betrokkenheid van het publiek wordt voorondersteld,
binnen het begrip UGC en binnen het journalistieke proces zijn er ook een aantal
onderverdelingen te maken. In het kader van dit onderzoek zal worden gekeken naar de
mogelijke vormen van UGC die worden ingezet op de websites van nieuwsmedia.

2.3.1 User Generated Content Initiatives

Alfred Hermida en Neil Thurman (2007) deden in Groot Brittannië onderzoek naar user
generated content initiatives (UGCI’s) op twaalf websites van Britse nieuwsmedia. Deze
verschillende UGCI’s staan model voor dit onderzoek, zij het in aangepaste vorm zodat het
beter aansluit op het Nederlandse aanbod van nieuwssites. Ze onderscheiden acht
verschillende vormen van UGC: Polls, Message Boards, Have Your Says, Comments on
Stories, Q&A’s, Blogs, Your Media en Your Story.44 Een Poll is een UGCI waar de bezoeker
met één muisklik kan deelnemen aan een online peiling, veelal een meerkeuzevraag die door
één van de redacteuren is opgeworpen. Messageboards en Have Your Says zijn fora waar de
bezoeker kan discussiëren over actuele onderwerpen. Bij Q&A’s wordt de bezoeker de
mogelijkheid geboden vragen te stellen aan redacteuren, correspondenten of experts.
Sommige nieuwsmedia staan lezers toe om een eigen Blog bij te houden binnen de muren
van de eigen website. Your Media en Your Stories biedt bezoekers de mogelijkheid
respectievelijk eigen beeldmateriaal in te zenden of te uploaden, of zelf geschreven teksten te
publiceren. Deze acht UGCI’s staan model voor dit onderzoek naar UGC op Nederlandse
nieuwssites. In het volgende hoofdstuk zullen ze nader worden omschreven.

2.3.2 Fases in het journalistieke proces

Naast een onderscheid in verschillende UGCI’s, onderscheiden David Domingo en enkele van
zijn collega’s (2008) verschillende fases in het journalistieke proces waar het publiek een
bepaalde input kan hebben, te weten Acces/Observation, Selection/Filtering,

44
Hermida, A. & Thurman, N. Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-
generated content (London, 2007)

21
Processing/Editing, Distribution en Interpretation.45 Zij deden onderzoek naar zestien
verschillende online kranten verdeeld over acht Europese landen en de Verenigde Staten.
Acces/Observation – Dit is het stadium waarin nieuwsgaring plaatsvindt en waar
verhaalideeën worden geboren. In het kader van UGC is dit de plek waar bezoekers van de
websites ook daadwerkelijk een rol kunnen spelen in dit stadium van het journalistieke
proces. Domingo et al. concluderen dat er maar weinig websites zijn die bezoekers op deze
manier betrekken. In de meeste gevallen is er wel een manier om in contact te komen met de
redactie of specifieke journalisten, maar relatief weinig websites nodigen het publiek uit met
verhaalideeën te komen. Journalisten kunnen bepalen of een nieuwstip nieuwswaardig
genoeg is en er vervolgens hun voordeel mee doen, maar de tipgever zal niet snel in het
productieproces betrokken worden: “Although separated from actual newsroom-produced
content, it can be considered a form of crowdsourcing, where the journalists try to loosely
guide the priorities of citizen journalists.”46
Selection/Filtering – Zoals hierboven al vermeld wordt, is er vrijwel geen ruimte voor
participatie in dit stadium. Zelfs op een UGC-platform als CNN i-Reporter is de redactie de
eindverantwoordelijke in het kiezen van verhalen die worden gepubliceerd.
Processing/Editing – Er zijn maar weinig nieuwssites in het onderzoek van Domingo
et al. die bezoekers toestaan nieuwsverhalen te publiceren. Lezersblogs en aangeleverd
audiovisueel materiaal zijn groeiende maar blijven altijd strikt gescheiden van de
professionele inhoud, met specifieke afdelingen en kenmerken. Blogs lijken in dit opzicht de
meest open vorm van participatie, omdat moderatie niet noodzakelijk is voor publicatie.
Distribution – Domingo et al. concluderen dat de mogelijkheden tot participatie in dit
stadium zeer gering zijn. Bezoekers bepalen niet welke verhalen waar, wanneer en hoe
frequent worden geplaatst. De meeste websites hanteren een rangschikking gebaseerd op het
aantal keer dat een artikel gelezen is, andere websites geven de bezoekers de kans een stem
uit te brengen op het nieuws dat ze goed of slecht vinden, maar bezoekers kunnen niet direct
journalistieke keuzes beïnvloeden.
Interpretation – De meeste nieuwssites zien publieke participatie als een
mogelijkheid voor de bezoekers om te debatteren over actuele onderwerpen. Dit kan op twee
manieren. Sommige websites bieden de mogelijkheid te reageren op nieuwsartikelen middels
comments, andere websites houden participatie liever gescheiden van het nieuws en kiezen
voor discussiefora. In dit stadium van het journalistieke proces komt publieke participatie het
meest tot uiting.

45
Domingo, D. et al. ‘Participatory Journalism Practices in the Media and Beyond. An international comparative
study of initiatives in online newspapers.’Journalism Practice 2/3 337-339
46
Ibidem 337

22
In het kader van dit onderzoek zullen de UGCI’s van Hermida en Thurman centraal staan, in
de context van de verschillende fasen van het journalistieke proces die Domingo et al.
onderscheiden.

2.4 User Generated Content en de journalistieke werkpraktijk

De ontwikkelingen rond UGC doen een ware aardverschuiving ontstaan op de redacties


van traditionele nieuwsmedia. Veel internetgoeroes springen in de markt en komen met
nieuwe nieuwsinitiatieven, gestoeld op de waarden en mogelijkheden van het medium
dat internet heet. Traditionele redacties van kranten, radio of televisie krijgen te maken
met een noodzakelijke cultuurverandering, waarin op de een of andere manier het
Web2.0 een plaats moet krijgen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Door toepassingen
van UGC evolueert de rol van de nieuwsmedia en dat heeft een impact op enkele
sleutelwaarden binnen nieuwsorganisaties. Participatieve journalistiek creëert een
fundamentele verandering in de gevestigde vormen van journalistiek omdat het “wij
schrijven, jullie lezen”-dogma van de moderne journalistiek wordt ondermijnd47:

Journalists see it as their job to vet and verify information, then get it out to the public. While
they think it is fine for people to be able to share opinions and discuss issues, they are
cautious about the extent to which such capabilities impinge on their own core roles.
Moreover, journalists have major reservations about the nature of the discourse and its effect
on what they clearly continue to see as ‘‘their’’ product.48

Traditionele redacties ondergaan met name veranderingen doordat ze hun werk moeten
uitbreiden naar het internet. Deze vertaalslag is gebaseerd op hun bestaande
journalistieke cultuur, inclusief de relatie die de gevestigde media hebben tot het publiek.
Volgens Mark Deuze wil dat zeggen dat mainstream nieuwsorganisaties zich niet
realiseren dat interactiviteit en connectiviteit een impact hebben op de gevestigde
cultuur waarbinnen journalisten dingen doen, de monopolie op inhoud, het begrip van
wat publiek is en de rol die het heeft in de samenleving.49
Met name kranten zouden het moeilijk hebben met deze cultuuromslag. Volgens
Hermida en Thurman hebben kranten over het algemeen een agressief-defensieve

47
Hermida, A. & Thurman, N. Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-
generated content (London, 2007) 5
48
Singer, J.B. ‘Quality Control’ Journalism Practice 4/2 138
49
Deuze, M. 'The web and its journalisms: considering the consequences of different types of news media online'
New Media & Society 5/20 220

23
cultuur.50 Dit suggereert dat kranten als norm verzettelijk zijn tegen verandering.
Vroeger was die houding verdedigbaar doordat veranderingen zich langzaam voltrokken,
maar vandaag is dat lastiger door de snellere veranderingen in de behoeften van
consumenten. Dat komt eveneens door de snel groeiende competitie en revolutionaire
veranderingen op het gebied technologie.51 Dan Gillmor spreekt met enige minachting
over de gevestigde orde als zijnde een elitaire groep nieuwsmakers in een ivoren toren.
Hij betoogt dat de moderne structuur van de journalistieke industrie vastzit in een
gevaarlijk conservatisme dat de toekomst bedreigt.52 Journalistieke instituten willen hun
businessmodellen graag intact houden terwijl ze steeds meer gedateerd raken in het
digitale tijdperk. Dat zou innovatie en creativiteit tegenhouden.53
Gillmor’s idee van de verschuiving van de journalistiek naar een open conversatie
wordt door Steve Paulussen en Pieter Ugille geadopteerd.54 Ze zijn echter milder als het gaat
om de behoedzaamheid en verzettelijkheid van journalisten om UGC te integreren in hun
werk. Het is niet zoals Gillmor beweert slechts professioneel conservatisme die deze
sceptische houding verklaart. Het moet begrepen worden in een bredere context van de
‘werkpraktijk, dagelijkse routines, organisatorische structuren en rolverdelingen op de
nieuwsvloer’.55 De taakverdeling op de werkvloer zit zo diep geworteld dat het integreren van
burgerbijdragen helemaal niet voor de hand ligt en zelfs tegennatuurlijk is.
Er zijn ook voorbeelden waar burgerbijdragen wel op een natuurlijke manier
geïntegreerd worden in publicaties van traditionele media. Mervi Pantti en Piet Bakker
(2009) deden onderzoek naar amateurbeelden in Nederlandse nieuwsmedia en bejubelen de
kracht van eerstehands beeld en informatie van burgers. De studie laat zien dat het gebruik
van amateurfoto’s met name interessant is voor nieuwsinstituten vanwege hun authenticiteit.
De foto’s krijgen dit etiquette opgeplakt door enerzijds de intrinsieke esthetische kwaliteit en
anderzijds door hun intimiteit. Vergeleken met professionele foto’s is de technische kwaliteit
van de amateurbeelden vaak slecht. Dit wordt juist als een voordeel gezien. Het gebrek aan
professionele elegantie is juist het bewijs van die authenticiteit. De intimiteit van de foto
zorgt op zijn beurt voor een versterkte emotionele impact. Amateurbeelden brengen de kijker
dichter bij het nieuws, omdat ze meer dan professionele beelden stoelen op persoonlijke
ervaringen en gevoelens of het geeft toegang tot een kijkje achter de schermen.56 Een goed

50
Hermida, A. & Thurman, N. Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-
generated content (London, 2007) 6
51
Idem
52 Ibidem XV
53
Ibidem 238
54
Paulussen, E. & Ugille, P. ‘User Generated Content in the Newsroom: Professional and Organisational
Constraints on Participatory Journalism’. Westminster Papers on Culture and Communication 25
55
Idem
56
Bakker, P. & Pantti, M. ‘Misfortunes, memories and sunset: Non-professional images in Dutch news media.’
International Journal of Cultural Studies 12/471 482-483

24
voorbeeld hiervan zijn de strandrellen in Hoek van Holland in augustus 2009. Het
beschikbare beeldmateriaal kwam voornamelijk van amateurcameraatjes en mobiele
telefoons. De ‘YouTube-beelden’ hebben maandenlang de nieuwsbulletins van de NOS en
RTL gedomineerd.
Deze ontwikkeling onderbouwt de veranderende relatie tussen media en publiek of
tussen journalist en consument. Geëngageerde burgers krijgen meer dan ooit de mogelijkheid
deel te nemen aan en een stempel te drukken op de nieuwsvoorziening, terwijl de rol van de
journalist verandert van gatekeeper naar coördinator van de veelheid aan informatie in een
open systeem. In het voorbeeld van Pantti en Bakker gaat het echter slechts om
beeldmateriaal. Wanneer geschreven teksten deel uitmaken van de UGC, zal de grootste
verandering voor de dagelijkse werkpraktijk van journalisten liggen in het controleren en
modereren van de bijdragen van het ‘voormalige publiek’. De taak om UGC te managen en
modereren past volgens Alfred Hermida en Neil Thurman (2008) niet binnen de huidige
werkdivisie. Traditionele nieuwsvoorziening loopt hierdoor het risico op imagoschade en dat
is zowel voor het mediabedrijf als voor de ontwikkeling van burgerjournalistiek niet goed.57
Specifieke zorgen zijn er over de ‘nieuwswaarde van UGC, niveau van spelling en
grammatica, punctuatie, nauwkeurigheid en balans’.58 Het verhelpen van dit euvel vergt de
nodige veranderingen en mankracht op de werkvloer. Om deze taak succesvol uit te voeren, is
tijd, geld en innovatie nodig. En dat in een steeds krapper wordende markt. Hierin ligt de
grootste uitdaging voor de traditionele redacties.

57
Hermida, A. & Thurman, N. ‘A Clash of Cultures. The integration of user generated content within
professional journalistic frameworks at British newspaper websites.’ Journalism Practice 2/3 344
58
Thurman, N. ‘Forums for Citizen Journalists? Adoption of user generated content initiatives by online media.’
New Media and Society 10/1 144

25
Hoofdstuk 3

Methode van Onderzoek

3.1 Onderzoeksvraag

Het Web2.0 biedt de traditionele Nederlandse nieuwsmedia nieuwe mogelijkheden om user


generated content toe te passen op de websites. Voorheen ontbraken dergelijke toepassingen.
De papieren versie was het product van een krantenredactie die volledig verantwoordelijk
was voor de inhoud ervan. Hoewel hier in verleden tijd gesproken wordt over de papieren
versie van een krant, is er in dat opzicht relatief weinig veranderd. Op de redactie is er des te
meer veranderd. Door de online versies van kranten is de hoeveelheid publicaties nagenoeg
onbeperkt, waardoor journalisten middels weblogs en andere toepassingen veel meer van
hun verhalen kunnen publiceren. In het kader van dit onderzoek is echter die andere
eigenschap van het Web2.0 essentieel: het einde van het eenrichtingsverkeer. De lezer is niet
langer alleen een consument van informatie; de informatie krijgt mede vorm door de lezer.
De grens tussen producent en consument is vertroebeld en nieuwsvoorziening wordt een
‘gesprek’. Het doel van dit onderzoek is erachter te komen hoe dat zich uit op de websites van
Nederlandse nieuwsmedia en hoe het de journalistieke werkpraktijk beïnvloedt. De
probleemstelling luidt:

“In hoeverre hebben de Nederlandse nieuwsmedia user generated content


geïntegreerd op hun websites en wat betekent dit voor de werkcultuur op de
nieuwsvloer?”

Deze probleemstelling wordt in dit onderzoek opgesplitst in twee afzonderlijke


onderzoeksvragen :

1. In hoeverre en op welke manier worden er applicaties van user generated content


toegepast op de websites?
2. Welke veranderingen brengt deze ontwikkeling met zich mee kijkend naar de
werkcultuur op de nieuwsvloer?

Beide vragen liggen in elkaars verlengde. Een veranderende werkcultuur in het licht van
burgerparticipatie heeft een uitwerking op de fysieke vormen van de online versie van de
dagbladen. Aan de andere kant doen zich op de website zaken voor als gevolg van UGC die
voor veranderingen zorgen op de nieuwsvloer. Daarom is het beantwoorden van deze twee
vragen essentieel om een goed beeld te krijgen van toepassingen van UGC op de websites van

26
Nederlandse nieuwsmedia. Alfred Hermida en Neil Thurman deden in 2007 een soortgelijk
onderzoek naar de websites van Britse kranten en tabloids. Zij gebruiken de term user
generated content initiatives (UGCI’s).59 Ook in dit onderzoek zal gebruik worden gemaakt
van deze term.
De twee onderzoeksvragen behoeven een verschillende aanpak. Om te onderzoeken in
hoeverre UGCI’s op de websites zijn terug te vinden, is het noodzakelijk de websites zelf te
analyseren. Door de mate van burgerparticipatie tegen een tastbare meetlat te leggen, moet
een goed beeld ontstaan van de online praktijk van UGCI’s op de websites. Om de
veranderingen en ontwikkelingen op de nieuwsvloer te meten, is het nodig de ervaringen van
de betreffende redacteuren te peilen. Het is daarom van belang het gesprek aan te gaan met
de webredacteuren van de nieuwsmedia. Zij hebben de nodige kennis over het beleid dat
gevoerd wordt ten opzichte van UGC, alsmede over de dagelijkse werkpraktijk.

3.2 Onderzoeksobject

Er is geen vooraanstaand nieuwsmedium in Nederland dat zich niet online manifesteert. In


de begindagen waren de websites van kranten een letterlijke vertaling van de papieren versie.
Artikelen werden online gepubliceerd en inhoudelijk waren de verschillen tussen krant en
website nihil. De websites zijn inmiddels uitgegroeid tot multifunctionele media waarbij de
mogelijkheden van het Web2.0 zo optimaal mogelijk worden benut. Datzelfde geldt voor het
medium televisie. Ook daar is het eenrichtingsverkeer allesbehalve een vanzelfsprekendheid
en wordt het Web2.o optimaal ingezet. Om een beeld te krijgen van UGC op de websites van
Nederlandse nieuwsmedia, is een steekproef genomen van vier grote landelijke dagbladen,
twee televisiestations en één internetsite. De dagbladen zijn De Telegraaf, Trouw, NRC
Handelsblad en NRC.next. Voor het medium televisie is gekozen voor de NOS en RTL. Om de
websites van de dagbladen en de televisiestations in perspectief te plaatsen, is ook de
populaire nieuwssite NU.nl onderwerp van onderzoek. Het doel van laatstgenoemde is te
kijken of er significante verschillen zijn tussen traditionele nieuwsmedia en een
nieuwsplatform dat zich volledig op internet concentreert.

3.2.1 Achtergrond nieuwsmedia

De Telegraaf is het grootste dagblad van Nederland, gevestigd in Amsterdam en heeft een
oplage rond de 720.000 exemplaren. De krant wordt getypeerd als een ‘populaire’ krant
vanwege een relatief hoog gehalte amusement en sensationeel nieuws ten opzichte van

59
Hermida, A. & Thurman, N. Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-
generated content (London, 2007)

27
andere kranten. Dat uit zich in de vorm van de krant; veel kleuren, beelden en grote koppen.
Hierin onderscheidt De Telegraaf zich van de zogeheten ‘kwaliteitskranten’. De krant kan
echter niet onder dezelfde noemer worden geschaard als boulevardkranten als het Duitse Bild
of het Engelse The Sun. De toon is gematigder en het maakt minder gebruik van beelden, al
kenmerkt het zich juist door die eigenschappen in vergelijking met andere Nederlandse
dagbladen. Politiek gezien kent de krant een lichte tendens naar rechts.
Trouw, eveneens gevestigd in Amsterdam, heeft een oplage van iets minder dan
120.000 exemplaren. De krant onderscheidt zichzelf van de andere kwaliteitskranten door
nadrukkelijk de aandacht te leggen op nieuws en beschouwingen uit de wereld van religie en
filosofie. Daarnaast richten ze zich specifiek op gezondheidszorg, onderwijs en wetenschap.
Het NRC Handelsblad is gevestigd in Rotterdam, is een middagkrant en heeft een
oplage van rond de 214.000 exemplaren. De krant wordt bestempeld met een liberale
signatuur en concentreert zich in haar berichtgeving op buitenland, politiek, economie,
opinie, kunst en literatuur.
NRC.next is het kleine broertje van NRC Handelsblad. In tegenstelling tot haar grote
broer is next een ochtendkrant en verschijnt op tabloidformaat met een oplage van rond de
85.000 exemplaren. De krant is in 2006 van start gegaan en heeft als doel jonge
hoogopgeleide lezers te trekken. Er wordt nauw samengewerkt met NRC Handelsblad, maar
heeft wel een eigen redactie. De krant gaat uit van een nieuwe generatie geïnteresseerde
mediagebruikers. Het nieuws wordt om die reden kort gebracht, omdat er vanuit wordt
gegaan dat de lezer het nieuws al elders tot zich heeft genomen. In de krant staan vervolgens
de artikelen met achtergrond, duiding en opinie centraal. Deze zijn ook van beduidend
grotere omvang. De website onderscheidt zich van de anderen doordat het een weblog is.
De NOS, ofwel de Nederlandse Omroep Stichting, is volgens de Mediawet het
uitvoerend orgaan van de publieke mediaopdracht op radio en televisie. De omroep verzorgt
dagelijks meerdere journaals, sportjournaals en doet tevens aan politieke verslaggeving en
berichtgeving omtrent het Koninklijk Huis en evenementen. De belangrijkste dagelijkse
uitzending is het Acht-uur Journaal en trekt gemiddeld een kleine twee miljoen kijkers.
RTL Nieuws is de commerciële uitdager van het NOS Journaal. Het programma
begon in 1989 met de invoering van de commerciële televisie in Nederland. De belangrijkste
uitzending van half acht trekt gemiddeld zo’n 1,2 miljoen kijkers.
NU.nl completeert de zeven onderzochte websites. Het is de enige website die niet
voortvloeit uit de redactie van een traditioneel medium. De in 1999 opgerichte site publiceert
overwegend persberichten van ANP en NOVUM, maar daarnaast worden ook eigen
redactionele artikelen geplaatst. Het is al jaren de grootste nieuwswebsite van Nederland en
is in dit onderzoek betrokken om een vergelijking te maken tussen traditionele redacties en

28
de redactie van een internetmedium. In 2007 kreeg de website verschillende subpagina’s met
eigen inhoud, zoals bijvoorbeeld NUfoto, NUsport en NUzakelijk.

3.3 Analyse van de websites

Voor het analyseren van de websites wordt gebruik gemaakt van een onderverdeling van
verschillende UGCI’s. Hermida en Thurman onderscheidden er in hun onderzoek acht: Polls,
Message Boards, Have Your Says, Comments on Stories, Q&A’s, Blogs, Your Media en Your
Story.60 Voor de Britse krantenwebsites is deze onderverdeling zeer geschikt. Kijkend naar de
Nederlandse websites zijn er minimale verschillen. Deze nuances zijn echter wel belangrijk
voor het onderzoek en daardoor levert het een licht aangepaste versie op ten opzichte van de
lijst van Hermida en Thurman: Polls, Discussiefora, Comments, V&A’s, Blogs, Eigen
Verhalen, Eigen Beelden, Tips voor de Redactie en Overig.
Aan de hand van deze negen UGCI’s zal worden gekeken in hoeverre UGC is
geïntegreerd op de websites van deze nationale nieuwsmedia. Deze bevindingen zullen
worden uiteengezet in een tabel waarin te zien is welke media bepaalde UGCI’s inzetten op
hun websites. Hoe meer UGCI’s er op de website te vinden zijn, hoe meer een redactie
openstaat voor publieke bijdragen. Deze noemer gaat overigens lang niet altijd op. Er zijn
nuanceverschillen waardoor het ene initiatief meer gewicht krijgt dan het andere. Ook
kunnen er verschillen zijn in het succes van een UGCI. Een website kan wel een
discussieforum hebben, maar zonder bezoekers is zo’n forum niets waard. De gevonden
UGCI’s zullen allen worden voorzien van een toelichting. Ook het achterliggende motief zal
aan de hand van interviews duidelijk worden, waardoor de bevindingen kunnen worden
gerelativeerd, genuanceerd en in perspectief kunnen worden gezien.

3.3.1 Soorten UGCI’s op de websites

Polls – Van deze toepassing wordt gebruik gemaakt als de website de bezoekers de kans biedt
te reageren op een vraag of stelling middels multiple choice antwoorden. Vaak betreft het een
‘Ja/Nee’-vraag of een ‘Eens/Oneens’-stelling, maar er kunnen ook meerdere
keuzeantwoorden geboden worden. Deze toepassing van UGC is gemakkelijk te maken,
populair onder lezers en runnen automatisch waardoor ze risicovrij zijn en niet duur.61
Discussiefora –Hermida en Thurman kiezen voor een tweedeling tussen enerzijds
Messageboards en anderzijds Have Your Says. Door het geringe verschil tussen beiden
vallen in dit onderzoek de toepassingen voor het publieke debat onder de noemer

60
Ibidem 7
61
Idem

29
Discussiefora. Het verschil tussen Messageboards en Have Your Says is dat op
eerstgenoemde lezers naar hartenlust kunnen reageren op een stelling of onderwerp, terwijl
bij laatstgenoemde de journalist een stelling poneert en een selectie maakt van ingezonden
stukken alvorens deze te publiceren. Op de websites van de Nederlandse dagbladen is dit
verschil niet nadrukkelijk aanwezig. Om die reden valt in dit onderzoek elke toepassing die
speciaal is ingericht voor het publieke debat onder Discussiefora.
Comments – Hier betreft het de mogelijkheid om commentaar te leveren op
nieuwsartikelen of opiniestukken. Dat gebeurt vrijwel altijd onderaan een artikel. Bij deze
vorm van burgerparticipatie kan er onmiddellijk gereageerd worden op de inhoud. Hierin zit
wel het nodige onderscheid tussen verschillende websites. Een krant kan lezers verplichten
zich te laten registreren alvorens commentaar te leveren om zo risico’s te vermijden. Een
krant kan er ook voor kiezen om alleen bij de opiniestukken de mogelijkheid te bieden tot
commentaar.
V&A’s – Vraag en antwoord. Bij deze toepassing van UGC wordt lezers de kans
geboden direct te communiceren met een journalist, columnist of deskundige. De bezoeker
van de website kan een vraag stellen via de e-mail of de chat.
Blogs – Weblogs zijn persoonlijke webpagina’s of websites gewijd aan een specifiek
onderwerp. In de loop der tijd zijn ze ook onderdeel geworden van de krantenwebsites, waar
ze voorheen zelfstandig opereerden. Wat er op krantenwebsites gebeurt, is dat bijvoorbeeld
buitenlandcorrespondenten of andere gespecialiseerde journalisten onder de noemer van de
krant hun eigen weblog kunnen bijhouden. Veel verhalen die de papieren versie van de krant
niet halen, kunnen zo alsnog worden gepubliceerd. Blogs bezitten vrijwel altijd de
mogelijkheid tot commentaar, waardoor er directer gecommuniceerd kan worden tussen
journalist en lezer. Niet alleen de journalisten bloggen. Kranten bieden ook lezers steeds
meer de mogelijkheid om een weblog bij te houden, terwijl de krantenwebsite als host
fungeert.
Eigen Verhalen – Toepassingen voor Eigen Verhalen geven de bezoeker de kans zelf
geschreven artikelen of stukken te publiceren. Dit is wat Hermida en Thurman Your Stories
noemen.62 Dit is wellicht burgerjournalistiek in zijn puurste vorm, als we spreken over UGC
op de websites van kranten.
Eigen Beelden – Dit zijn toepassingen op de website waarbij de bezoeker zijn galerijen
van foto’s en video’s kan toevoegen. Hermida en Thurman spreken over Your Media.63
Samen met Eigen Verhalen kan dit gezien worden als de meest radicale verschuiving van het
traditionele publicatiemodel, waarin een journalistieke redactie in zijn geheel
verantwoordelijk is voor alle publicaties.

62
Ibidem 8
63
Idem

30
Tips voor de Redactie – De mogelijkheid om direct in contact te treden met de
redactie voor nieuwstips ontbreekt in het onderzoek van Hermida en Thurman. Het is echter
een essentieel onderdeel van burgerparticipatie dus in dit onderzoek wordt ook gekeken naar
toepassingen om de redactie te tippen.
Overig – In de categorie Overig vallen alle toepassingen die niet eerder genoemd zijn,
maar wel in zekere zin burgerparticipatie suggereren. Een voorbeeld hiervan kan zijn een
online condoleanceregister. In journalistiek opzicht stelt het niet veel voor, maar de inhoud
van de website wordt er wel mede door bepaald. Bovendien impliceert het aanbieden van
dergelijke mogelijkheden een zekere betrokkenheid die de kloof tussen producent en
consument kan verkleinen. Om die reden zijn ook andere dan de gebruikelijke toepassingen
meegenomen in dit onderzoek.

3.3.2 Homepage

Om een goed beeld te krijgen van UGCI’s op de websites van Nederlandse nieuwsmedia, is
het eveneens van belang om de prominentie van de UGCI’s te meten. Dat gebeurt in dit
onderzoek door te meten in hoeverre de homepage van de betreffende website UGC heeft
geïntegreerd. De homepage is de eerste webpagina die de lezer te zien krijgt bij het bezoeken
van de site en is daardoor een goede graadmeter om de prominentie van UGC te bepalen. Het
is daarbij belangrijk om zowel UGCI’s als links ernaartoe te meten. Maken UGCI’s onderdeel
uit van het hoofdmenu op een website? Zijn ze vindbaar tussen de content op de homepage?
In hoeverre vallen ze op? Dergelijke vragen zijn van belang om aan te tonen in hoeverre de
homepage van een website UGC herbergt en profileert.

3.4 De interviews

3.4.1 De redacteuren

Deze methode moet inzicht bieden in de motivatie achter het toepassen van UGCI’s. Uit de
gesprekken met betrokken (web-)redacteuren wordt duidelijk hoe de redacties staan
tegenover burgerparticipatie in de journalistiek en of ze nu juist conservatief zijn of innovatie
stimuleren. De resultaten van de gesprekken zetten de analyse van de websites in perspectief,
om zo een compleet beeld te schetsen van UGC op de websites van Nederlandse
nieuwsmedia. De betrokken redacteuren zijn in de maanden maart, april, mei en juni van
2010 geïnterviewd. Het gaat om de volgende redacteuren:

• Marco van der Laan, chef internetredactie (De Telegraaf)

31
• Kees Versteegh, chef internetredactie (NRC Handelsblad)
• Vincent Dekkers, webmaster ‘Trouw in de Buurt’ (Trouw)
• Ernst-Jan Pfauth, blogger; Reinier Kist, redacteur (NRC.next)
• Irene van Driel, Digital Media (RTL)
• Robert Baltus, coördinator NOS NET; Jens Kraan, plaatsvervangend chef
DigiDesk; Tim Overdiek, adjunct-hoofdredacteur (NOS)
• Chris Heijmans, webredacteur, NUfoto.nl; Mark Vos, webredacteur,
NUjij.nl (NU.nl)

De interviews voor de Telegraaf, Trouw, RTL, NOS en NU.nl hebben plaatsgevonden op de


betreffende redacties. Met de redacteuren van NRC.next is telefonisch gesproken en het
interview voor NRC Handelsblad vond plaats over de mail.

3.4.2 Het interview

Elk interview start met de algemene vraag hoe de betreffende redactie kijkt naar UGC. Er is
bewust voor deze brede vraag gekozen om volledig uit te gaan van de eerste reactie van de
redacteuren, om zo direct verschillen te kunnen waarnemen in houding en mening. Wat volgt
is een gesprek over UGC in het algemeen wat interessante inzichten opleverde.
De rest van het interview bestaat uit twee hoofdzaken. Allereerst worden alle negen
UGCI’s besproken. Eén voor één komen ze aan bod en wordt er gevraagd naar het wel of niet
gebruik maken van een UGCI en de motivatie daarachter. Zijn ze bijvoorbeeld justitieel
aansprakelijk voor publicaties van bezoekers? Zijn de financiële risico’s te groot? Zijn er
principiële redenen om van een bepaalde UGCI geen gebruik te maken? Op deze manier is bij
elke UGCI op elke website afzonderlijk gevraagd naar het idee erachter.
Ten tweede wordt er gevraagd naar de werkcultuur op de redactie en veranderingen
die daarin optreden. Wat betekent UGC bijvoorbeeld voor een toename in mankracht? Zijn
journalistieke normen en waarden zichtbaar aangetast of veranderd? Heeft UGC de rol van
journalist als gatekeeper beïnvloed? Blijft de identiteit van de krant gewaarborgd? Dergelijke
vragen moeten inzicht bieden in hoeverre de werkcultuur van de journalist op de redactie is
veranderd.
Aan de hand van de antwoorden van de geïnterviewden en wat ze hebben gezegd over
de verschillende vormen van UGC en de UGCI’s, wordt een beschrijving van elke site
gemaakt. Alle UGCI’s worden beschreven en aangevuld met de achterliggende motieven van
de geïnterviewde redacteuren.
Voor de interviews is gekeken naar de bevindingen die Hermida & Thurman deden in
eerder onderzoek. Deze zaken worden meegenomen in de vraaggesprekken. In 2007

32
concluderen ze dat nieuwsorganisaties zich met name zorgen maken om reputatie,
betrouwbaarheid en justitiële kwesties:

“Concerns about reputation, trust and legal issues suggest that news organisations have too
much at stake to open the doors to UGC. While in collaborative journalism, control is
distributed among users, in participatory journalism news organisations provide editorial
structures to bring different voices into the news reporting. This research suggests that news
organisations have an opportunity to take on the role of facilitating user media, by filtering and
aggregating it in ways useful and valuable to audiences.”64

In 2008 publiceerde Neil Thurman opnieuw een onderzoek over de adoptie van UGC op
Britse nieuwssites.65 Interviews met redacteuren over het toepassen van UGC staan centraal
in dit onderzoek dat uit twee delen bestaat. Deel 1 analyseert de wrijvingen tussen enerzijds
de traditionele rol van de journalist als gatekeeper en anderzijds hun bewustzijn van UGC en
het daarmee experimenteren. Deel 2 onderzoekt de justitiële, commerciële, humane en
technologische factoren die de website dusdanig hebben gevormd in de mate van
toepassingen van UGCI’s.
Thurman concludeert dat het kostenplaatje een zwaarwegende factor is bij het
toepassen van UGC.66 De kosten lopen mede door het modereren erg hoog op en de
opbrengsten wegen er niet tegenop. Door het lage aantal deelnemers blijkt het ook nog eens
erg moeilijk te vercommercialiseren. Modereren wordt door de journalisten wel belangrijk
gevonden. Burgerbijdragen zouden bewerkt moeten worden zodat het niveau van spelling en
grammatica hoog blijft, goed nieuwsmateriaal kan worden onderscheiden van nonsens en dat
balans en fatsoen gewaarborgd blijven. Ook is er verzet tegen de persoonlijke noot van
weblogs. Thurman: “This rapid pace of change means that further work is needed to quantify
the number and character of user-generated content initiatives and it is hoped that this study
can act as a starting point, at least in the British context.”67 Het langzaam op gang komen van
UGCI’s op Britse nieuwssites is vooral een gevolg van justitiële aansprakelijkheid.
De bevindingen van Hermida en Thurman uit 2007 en de conclusies van Thurman uit
2008 zullen worden vergeleken met resultaten die de gesprekken met Nederlandse
webredacteuren opleveren. Als er opmerkelijke verschillen zijn tussen de Britse en
Nederlandse situatie, kan dat interessante conclusies opleveren.

64
Ibidem, 25
65
Thurman, N. ‘Forums for citizen journalists? Adoption of user generated content initiatives by online news
media.’ New Media Society Vol 10/1143
66
Ibidem, 154
67
Idem

33
Hoofdstuk 4

Bevindingen

Uit het analyseren van de websites blijkt dat de redacties zichtbaar andere keuzes maken als
het gaat om het integreren van UGC op de website (zie tabel 1). Wat direct opvalt is dat ze
zonder uitzondering allemaal de lezer de kans bieden te reageren op de inhoud. Voor de ene
website is een reactiemogelijkheid standaard, voor de ander is het een gelegenheidsfactor.
Voor de één is het de bedoeling dat bezoekers primair reageren op de inhoud, voor de ander
is het de manier om discussie te genereren. Om deze nuanceverschillen in perspectief te zien
en motieven achter bepaalde keuzes te achterhalen, dient onderstaande tabel te worden
toegelicht. Dat gebeurt in de subparagrafen in dit hoofdstuk, maar eerst worden opvallende
verschillen aan de hand van de tabel hier besproken.

Website Polls Disc. Com. V&A Blogs Eig.V. Eig.B. Tips Overig
telegraaf.nl JA** JA JA* JA - JA* JA* JA* JA***
trouw.nl JA - JA* JA - JA* JA* - JA***
nrc.nl JA* - JA* JA - JA* - JA* -
nrcnext.nl JA - JA* - JA* JA* - JA* JA***
rtlnieuws.nl JA** - JA JA - - JA* JA* -
nos.nl - - JA JA** - - JA* JA* JA***
nu.nl JA JA* JA* JA - - JA* JA* -
Tabel 1. UGCI’s op de verschillende nieuwswebsites. De UGCI’s die op de websites te vinden zijn, staan
aangegeven met ‘JA’. * Deze UGCI of de link daarnaar is zichtbaar op de homepage
** Deze UGCI is een gelegenheidsfactor op de homepage
*** De UGCI in de categorie ‘overig’ wordt toegelicht in de subparagrafen van
de websites

De NOS blijkt de enige redactie die geen gebruik wenst te maken van een poll. Alle overige
redacties doen dat wel. Op het eerste gezicht lijkt het alsof Nederlandse nieuwsmedia niet
geïnteresseerd zijn in discussie op hun website, daar discussiefora nauwelijks voorkomen.
Dat blijkt een onjuiste constatering. Op een aantal websites is de mogelijkheid tot reageren
eveneens de mogelijkheid tot discussiëren. De reacties zijn zichtbaar voor iedereen en men is
vrij daarop weer te reageren. Dat kan resulteren in zowel inhoudelijke reacties als
opiniërende reacties waarin bezoekers met elkaar het gesprek aangaan. De afwezigheid van
discussiefora op Nederlandse nieuwswebsites is dus geen blijk van afwezigheid van discussie.
Vraag- en antwoordmogelijkheden zijn populair op de websites van de Nederlandse
nieuwsmedia. Allen maken ze er op een zekere manier gebruik van, behalve nrcnext.nl.
Daarentegen is nrcnext.nl wel de enige website waarvan de redacteuren op het

34
reactiegedeelte het gesprek aangaan met de bezoeker. Ook is het de enige redactie die haar
eigen lezers laat bloggen. De grens tussen lezersblogs en eigen verhalen is troebel. In de
subparagrafen zal het verschil worden uitgelegd. Wat wel direct opvalt is dat de twee
televisiemedia RTL en NOS geen heil zien in het publiceren van eigen verhalen van lezers, als
ook internetmedium NU.nl. Alle dagbladen bieden hun lezers daar wel de kans toe. Voor
eigen beelden zijn het juist wel NOS, RTL en NU.nl waar de lezer terecht kan voor publicatie.
Ook De Telegraaf en Trouw bieden daar kansen toe. Als het gaat om het tippen van de
redactie, is Trouw de enige die daar tot dusverre geen brood in ziet. Alle andere redacties
hebben wel een mogelijkheid waarbij de bezoeker de redactie kan tippen met ideeën en
ooggetuigenverslagen.
Hieronder volgen de subparagrafen van alle websites, waarin met commentaar van de
betrokken redacteuren alle motieven voor bepaalde keuzes worden uiteengezet. De laatste
paragraaf in dit hoofdstuk zal een beschrijving zijn van veranderingen op de nieuwsvloer en
in de journalistieke praktijk.

4.1 De Telegraaf

De website Telegraaf.nl herbergt meerdere UGCI’s. Chef webredactie van De Telegraaf


Marco van der Laan is doordrongen van het belang van UGC. Hij noemt daarvoor drie
motieven: “We willen graag dat mensen meepraten en wij willen ook graag weten wat ze
vinden van wat er in die berichten staat. Ten eerste omdat wij denken dat lezers dat ook
willen lezen van andere lezers, ten tweede willen wij dat zelf ook graag weten van onze lezers,
en ten derde denken wij ook dat het de binding met het merk De Telegraaf versterkt. Dat zijn
de drie grote redenen om het te doen.”
Er verschijnen met regelmaat polls op de website, zowel om de mening van de
Telegraaflezer te peilen als het vermaken van de bezoekers. Van sommige peilingen wordt bij
gelegenheid gebruik gemaakt in de papieren krant. “We waken er wel voor om te zeggen dat
die polls representatief zijn voor het Nederlandse volk. We maken duidelijk dat het gaat om
de lezer van Telegraaf.nl, we zijn geen NIPO en ook geen Maurice de Hond, maar even snel
de thermometer in de kont van de Nederlandse samenleving, dat lukt wel.” Aldus Van der
Laan.
De website kent geen opiniegedeelte en van discussie is dan ook nauwelijks sprake.
Als er discussie plaatsvindt, dan betreft het lezers die via de comments op elkaar reageren.
Dat is volgens Van der Laan onwenselijk: “We willen bij de comments dat mensen primair
reageren op de inhoud van een artikel en dat ze niet daar met elkaar de discussie aangaan,
want dat ontaardt al snel in scheldpartijen.” Scheldpartijen leveren veel modereerwerk op.
Om dat verschijnsel zoveel mogelijk te reduceren, kunnen bezoekers aangeven dat zij in het

35
bijzonder niet gecharmeerd zijn van de inhoud van een reactie door de klikmogelijkheid ‘Ik
heb een klacht over deze reactie’. Een moderator gaat vervolgens de klacht beoordelen en kan
vervolgens de verantwoordelijke berispen.
Registratie om te mogen reageren gaat vooralsnog te ver in de ogen van Van der Laan:
“Wij laten mensen zich niet registreren als ze willen reageren op een artikel of mee willen
doen aan een poll. Om te voorkomen dat je scheldpartijen krijgt, wil je dat mensen zich laten
registreren, omdat je dan de middelen hebt om te controleren wie iemand is. Als mensen
weten dat ze geregistreerd staan dan houden ze zich ook sneller in, maar we willen aan de
andere kant ook de drempel zo laag mogelijk houden.”
Discussies kunnen op het reactiegedeelte desondanks wel ontstaan, buiten de macht
en de wens van de redactie om. Het enige discussieforum dat Telegraaf.nl biedt, bevindt zich
op DFT.nl, de online equivalent van het katern De Financiële Telegraaf in de papieren versie
van de krant. Van der Laan: “Op finance hebben we heel weinig modereerwerk omdat het
over een hele specifieke zaak gaat. Daar zijn mensen het ook wel eens niet met elkaar eens
maar dat ontaardt betrekkelijk weinig in gescheld.” De Telegraaf heeft ooit wel een speciaal
platform voor discussie gekend – op vertel.nl – waar discussies werden gekoppeld aan het
nieuws. Het modereerwerk was echter dusdanig groot, dat het meer kostte dan dat het
opleverde. Sindsdien is er op Telegraaf.nl op het financiële gedeelte na geen discussieforum
meer.
De mogelijkheid tot vraag en antwoord is op de website een gelegenheidsfactor. Een
voorbeeld daarvan is het vraag- en antwoordspel ten tijde van de kredietcrisis, waarbij lezers
vragen konden stellen aan financiële experts. Het beperkt zich tot bepaalde onderwerpen:
“Wij hebben natuurlijk een heel breed publiek en we hebben heel veel onderwerpen. Een
vaste vraag- en antwoordsite zou een panel vergen dat we gewoon niet hebben.”
Voor het publiceren van eigen verhalen en het uploaden van eigen foto’s of filmpjes
biedt Telegraaf.nl de webpagina WUZ.nl (‘Wat U Zegt’). Wanneer men zich registreert,
kunnen er naar believen eigen verhalen worden gepubliceerd waar mensen ook weer op
kunnen reageren. Het betreft veelal het spuien van meningen, dus ook hier is het waken voor
de term ‘burgerjournalistiek’. Onder de kop ‘Brief aan de Redactie’ kunnen verhalen ook
zonder registratie worden ingezonden om zo hun weg naar de website van WUZ te vinden. De
vierkoppige WUZ-redactie behoudt zich echter te allen tijden het recht om te selecteren en te
modereren. Van der Laan: “Je mag van mij roepen wat je wilt, maar in mijn huis houd je je
aan mijn regels.” Als maatregel kan de bezoeker klikken op ‘Dit is niet o.k.’, dat gelijk staat
aan ‘Ik heb een klacht over deze reactie’ bij de comments.
Foto’s en filmpjes van bezoekers zijn vrijwel altijd persoonlijk en scoren laag als het
gaat om nieuwswaardigheid. Nieuwsfoto’s komen dan ook meestal via e-mail bij de redactie

36
binnen en niet via WUZ. Dit ingezonden beeldmateriaal heeft volgens Van der Laan een
absolute journalistieke meerwaarde:

“Als de foto gecheckt en geverifieerd is, kan het de krant halen. Het gebeurt regelmatig dat er
zich iets voordoet waar burgers zijn met een telefoontje met camera. Die zijn er vaak eerder
dan de persfotografen. Wij willen daar niet op wachten. Zodra wij geverifieerd hebben dat het
amateurbeeld daadwerkelijk authentiek is, dan gebruiken we het. Een voorbeeld is de foto
van de vermoorde Theo van Gogh, een amateurfoto. Daar hebben we toen zoveel voor betaald
dat we hebben gezegd, die foto bewaren we nog even voor de krant. We doen nu met nieuws
veel vaker web first.”

Naast nieuwsfoto’s maakt de redactie ook gebruik van lezerstips. Eigen nieuws of
ooggetuigenverslagen kunnen door bezoekers van de website worden geplaatst onder ‘Tip de
redactie’. Van der Laan geeft aan dat deze optie nog niet lang bestaat, maar wel veel oplevert.
Hij geeft een recent voorbeeld van een cruiseschip dat op de Middellandse Zee door een golf
van acht meter was geraakt, waardoor het schip gedeeltelijk overspoelde. Via de
tipmogelijkheid kwam de redactie in contact met familieleden van passagiers die contact
hadden met het schip. Over het algemeen is het echter niet het harde nieuws dat de klok
slaat: “Er zitten veel Don Quichottes tussen die tegen windmolens vechten. Die mensen
hebben vaak wel een serieus probleem, maar dat is gewoon niet interessant voor een landelijk
medium. En ja er zit ook spam tussen.”
Opvallend aan Telegraaf.nl is de afwezigheid van weblogs. “We hebben het technisch
nog niet voor elkaar”, aldus Van der Laan. Voor de nabije toekomst wordt er wel gewerkt aan
een groot interactief platform waarbij ook weblogs hun opwachting maken. Van der Laan:

“Vergelijk het met sommige activiteiten die je op Facebook kunt ondernemen met je eigen
profiel en je eigen paginaatjes. Daar zijn we hard mee bezig en dat houdt in dat je als
gebruiker veel meer je footprint kunt achterlaten op Telegraaf.nl. (…) In eerste instantie
zullen voornamelijk de journalisten bloggen, maar WUZ is in wezen ook een vorm van
bloggen en dat wordt bij het interactieve platform betrokken. Je krijgt je eigen pagina met je
eigen nieuwsberichten. Er vindt wel moderatie achteraf plaats.”

De laatste opvallende UGCI op Telegraaf.nl is het online condoleanceregister. Mensen


kunnen reageren op het overlijden van bekenden of publieke figuren. Het is de online versie
van de familieberichten uit de papieren krant. Waar het naartoe gaat weet Van der Laan nog
niet precies. Het is vooralsnog een experiment.

37
Homepage

Een aantal UGCI’s hebben een prominente plek op de homepage van Telegraaf.nl (zie
afbeelding 1). In de menubalk staat een directe link – ‘Uw Mening’ – naar WUZ, naast onder
anderen ‘Binnenland’, ‘Buitenland’ en ‘Weer’. Dat geeft de voorname plaats aan die UGC op
Telegraaf.nl krijgt toebedeeld. Op de homepage is de bezoeker dus één klik verwijderd van
een UGC platform waar ‘Eigen Verhalen’, ‘Eigen Beelden’ en ‘Comments’ tot de
mogelijkheden behoren. In dezelfde menubalk staat eveneens de link ‘Tip de Redactie’. De
overige UGCI’s bevinden zich niet op de homepage. Wel staat bij de artikelen het aantal
reacties genoteerd, waardoor de bezoeker direct weet dat de mogelijkheid bestaat op de
berichten te reageren.

Afbeelding 1. UGCI's op de homepage van Telegraaf.nl. In de menubalk zijn de links naar ‘WUZ’ en ‘Tip de
redactie’ omcirkeld. Onder een aantal artikelen staat het aantal comments vermeld, omcirkeld onderin beeld.

4.2 Trouw

De website van dagblad Trouw kent enkele opvallende zaken als het gaat om UGC. Deze
zullen hieronder worden besproken, maar moeten wel in het licht van het individu worden
bezien, meer dan dat de redactie in zijn geheel er een stempel op drukt. “Je moet het toeval
de plaats geven die het verdient. Het zijn vaak ontwikkelingen van één redacteur met een
idee.” Dat zegt Vincent Dekker, webredacteur van Trouw en webmaster van Trouw in de
Buurt.
Trouw.nl heeft een aparte rubriek op de site genaamd ‘Polderpeil’. Deze peiling
bestaat uit een stelling of vraag met meerkeuze antwoorden en bevindt zich onder de kop

38
opinie. Dekker noemt het een betrekkelijk simpele manier om de lezer bij de site te
betrekken. “Het is een aantrekkelijk onderdeel van elke site als mensen hun mening kunnen
geven en dat ze kunnen kiezen en stemmen over een onderwerp. We doen het af en toe ook
met een knipoog, het is lang niet altijd serieus.” Betrokkenheid en vermaak zijn dus de
kernbegrippen. De peilingen worden vergezeld door het betreffende nieuwsbericht,
waaronder over de stelling kan worden gediscussieerd. Dat is waar de discussie op Trouw.nl
zich afspeelt; via de comments onder de artikelen. Er is geen apart forum voor discussie.
Trouw laat bij veel artikelen de optie tot commentaar open. Dekker: “Ik denk dat je de
lezer voor vol neemt en de band met de krant verstevigt als je de mogelijkheid geeft om te
reageren. Je merkt dat internet daar met name geschikt voor is. Op papier heb je simpelweg
die ruimte niet, maar nu je die wel hebt, is het niet meer dan logisch dat je de lezer die ruimte
gunt.” De reacties leveren ook verhaalideeën op voor de redactie. Zo stuurt de
internetredactie regelmatig mails door naar collega’s van de papieren krant. Omdat ze zelf
alle reacties inhoudelijk beoordelen, zien ze wat er langskomt en wat er wordt aangedragen.
Daar zit volgens Dekker regelmatig interessant materiaal tussen.
De webredactie van Trouw modereert alle reacties die op de site verschijnen
persoonlijk en dat kan leiden tot het persoonlijk benaderen van iemand die over de schreef
gaat. Dat kost enorm veel tijd. Dekker wenst een waarschuwende redactieknop te realiseren
om ‘GeenStijl-achtige’ scheldpartijen te voorkomen, maar het ontbreekt nog aan de
mogelijkheden om het automatiseringstechnisch te regelen. “Het is bijna niet te doen om alle
reacties één voor één door te nemen. Maar we doen het nog wel.” Hij voegt daaraan toe: “Het
aantal scheldpartijen valt overigens heel erg mee. Nog geen twee á drie procent keuren we af.
De rest van de reacties zijn inhoudelijk zinvol.” Registreren om te reageren is in de ogen van
de webredactie een te vergaande stap, daar het de vrijheid van de bezoeker belet.
Vraag- en antwoordmogelijkheden zijn op de website van Trouw een vaste rubriek bij
de deelmenu’s ‘Groen!’, ‘Religie & Filosofie’ en ‘Onderwijs!’. Voor deze drie onderwerpen
beschikt Trouw over voldoende expertise om dit te kunnen realiseren. Dekker voegt hieraan
toe dat het initiatief tot een Q&A door individuen wordt genomen en verwezenlijkt.
Trouw.nl is een aantal weblogs rijk, met name van gespecialiseerde redacteuren en
buitenlandcorrespondenten. Dekker: “Als iemand heel veel expertise ergens over heeft, dan
kan hij een blog starten. Zo zijn er meer die heel gericht bloggen, soms op eigen ideeën en
soms op verzoek van.” Op deze weblogs kan door gebruikers gereageerd worden, maar de
echte UGC manifesteert zich onder het deelmenu ‘Schrijf!’, het gedeelte op de site gewijd aan
literatuur. Onder de kop ‘Zelf Schrijven’ kunnen bezoekers na registratie hun eigen stukken
kwijt. Deze teksten variëren van opiniërende stukken tot poëzie. Op de site wordt het bloggen
genoemd, maar gezien de structuur en het ontbreken van een eigen persoonlijke pagina, valt
deze UGCI onder eigen verhalen. Over de waarde van deze burgerbijdragen is Dekker

39
uitgesproken: “Daar zitten verrassend goede dingen bij. Als mensen de ruimte krijgen om
creatief te worden dan komen er altijd een paar boven borrelen die dat heel goed doen en dat
krijg je zomaar cadeau. Absoluut een verrijking.” Bij ‘Onderwijs!’ kan men op een
gelijksoortige manier bloggen of berichten plaatsen.
Met eigen nieuwsverhalen kan men op Trouw.nl terecht bij ‘Trouw in de buurt’, een
nieuwsplatform waar lokaal en regionaal nieuws door bezoekers zelf kan worden geplaatst
middels een zogeheten ‘nieuwskaart’ (zie afbeelding 2).

Afbeelding 2 'Trouw in de Buurt'

Middels een topografische kaart wordt het nieuws ingedeeld op geografische herkomst.
Bijvoorbeeld een akkefietje tussen de bewoners en de gemeente, of het aankondigen van een
concert: “Daar willen we meer mee doen. Een speciale ‘muziekkaart’ bijvoorbeeld.” Het
project bevindt zich nog enigszins in de experimentele fase, maar volgens Dekker is het
groeiende en gaat Trouw dit verder uitbouwen: “Wat mij betreft komt er straks een moment
waarop ik zeg: wilt u een kaart maken? Ga uw gang. Burgerjournalistiek in zijn puurste vorm.
U wilt iets kwijt aan de wereld? Uiteraard zien wij erop toe dat u geen gekke dingen doet.
Voor de rest willen we dat mensen steeds meer een eigen bijdrage leveren. Het Wikipedia-
model.” Een succesvol voorbeeld van ‘Trouw in de Buurt’ is de wijze waarop de
gemeenteraadsverkiezingen van 2010 aan bod kwamen. Informatie over partijen en politici
waren via de kaart overzichtelijk en snel op te zoeken en dat gebeurde op relatief grote schaal.

40
Bij ‘Trouw in de Buurt’ is het eveneens mogelijk om eigen foto’s bij het nieuws te
publiceren. Verder zijn er voor eigen beelden mogelijkheden bij ‘Groen!’ en ‘Onderwijs!’,
waar mensen respectievelijk hun ‘groene’ foto’s en schoolfoto’s kunnen insturen.
Van een specifieke tiplijn is op Trouw.nl geen sprake. Dekker: “Daar is geen reden
voor. We hebben er nog niet zozeer aan gedacht. We laten het meer afhangen van reacties op
artikelen en ‘Trouw in de Buurt’, dat zou wel eens een soort tiplijn kunnen worden.”
Een opvallende UGCI waarmee Trouw zich van de rest onderscheidt, is de
mogelijkheid om online religieuze belevenissen te delen onder ‘Religie & Filosofie’. Mensen
kunnen deze spirituele ervaringen in verhaalvorm gieten en publiceren op Trouw.nl. Dit sluit
aan bij het geloof dat UGC enigszins bij de identiteit van de krant moet passen. Dekker: “Dit
past heel goed bij Trouw. Als je het merk Trouw noemt, moet je ook trouw blijven aan het
merk. Het moet erbij passen.”
Dekker merkt dat zijn rol als journalist door alle toepassingen van UGC – met name
‘Trouw in de Buurt’ – verschuift. In zijn beginjaren als journalist stond hij dicht bij de
mensen, maar dat nam af naarmate hij voor een landelijk medium ging werken. Nu lijkt de
kloof weer verkleind:

“Ik kom zo weer veel meer in contact met die plaatselijke lezer. Je wordt gemaild, je mailt
terug. Je komt met elkaar in contact op een manier die je als redacteur van een landelijke
papieren krant niet meer haalt. Ik word minder degene die alles van tevoren bedenkt, schrijft
en plaatst. Ik word voor een deel weer die bemiddelaar tussen die gebruiker – die bewoner
van dit land – en het resultaat, ergens als nieuwsbericht in de krant of op de site. Daartussen
ben ik een schakel geworden. Die verschuiving zit er wel in. Maar er moeten wel degelijk
poortwachters blijven. Die mensen blijf je nodig hebben. Mensen die overzicht houden.”

Een opvallende verschuiving op de werkvloer van een landelijke redactie. De top-down lezing
lijkt in de ogen van Dekker te zijn verschoven naar het conversatiemodel.

Homepage

De enige UGCI die op de homepage van Trouw.nl een zeer prominente plaats inneemt, is de
link naar ‘Trouw in de Buurt’ (zie afbeelding 3). Deze bevindt zich onder de kop ‘Nieuws’ en
omringt zich in het deelmenu met onder meer ‘Politiek’, ‘Economie’, ‘Sport’ en ‘Weer’.
Daarmee wordt direct een link gelegd met een platform waar eigen verhalen, eigen beelden
en comments tot de mogelijkheden behoren. Alle overige UGCI’s bevinden zich in
subgroepen op de website en liggen niet voor de hand. Wel geeft Trouw.nl op de homepage
het aantal reacties aan dat bij een bericht is geplaatst, waardoor de bezoeker direct doorheeft
dat er meegepraat kan worden over de inhoud.

41
Afbeelding 3. UGCI’s op de homepage van Trouw.nl. In de menubalk staat een directe link naar ‘Trouw in de
Buurt’. Onder de ankeilers van de artikelen staat het aantal reacties vermeld.

4.3 NRC

De website van het NRC Handelsblad oogt qua uitstraling als zijn papieren broertje: serieus
met artikelen die kwalitatief van aard zijn. Wat direct opvalt is dat de UGC zich toespitst op
het opiniegedeelte. “Wij plaatsen dagelijks nieuwe discussies. Het is belangrijk om
onderwerpen te vinden die dicht bij de actualiteit aansluiten en dat mensen de gelegenheid
krijgen om daar iets van te vinden.” Aldus Kees Versteegh, chef internetredactie van het NRC
Handelsblad. De waarde van UGC ligt volgens hem in het feit dat UGC de website van een
beter aanzien voorziet: “In de meest algemene zin wil je het gezag van je site vergroten.
Mensen willen niet alleen de publicaties van journalisten lezen, maar willen ook lezen wat
andere lezers van bepaalde dingen vinden, zowel in hard becommentariërende zin als in
beschrijvende zin. Dat voorziet je site in zekere zin van gezag. Dat is het belangrijkste.”
Dat uit zich direct bij het openen van de site. De homepage wordt opgesierd met een
poll getiteld ‘Discussie van de dag’, met onder de poll een directe link met de tekst
‘Discussieer mee’. Volgens Versteegh is het een handig middel de websitebezoeker te
prikkelen: “Je hoeft alleen maar even een polletje in te vullen en dan kun je vervolgens hopen
dat je mensen verleidt om naar de discussie te gaan. Je moet mensen dus in die discussie
trekken.” De uitkomsten van de poll zijn geen maatstaf voor het maatschappelijke debat,
maar ze leveren de redactie wel inzichten in de gedachtewereld van het publiek: “In de
tweede plaats geeft het een beperkte aanwijzing van de gevoelens van onze achterban, wat

42
onze lezers vinden over een bepaald onderwerp, met de nadruk op beperkt. In de derde plaats
is het een dynamisch onderdeel van de site. Die blokken veranderen telkens waardoor de
homepage wat meer dynamiek krijgt.”
De poll is veelal verbonden aan een opiniërend artikel op de website. Daar komt de
discussie in beweging. Het zijn discussiefora die ook hier vorm krijgen door
reactiemogelijkheden onder het artikel. Bij NRC zijn eveneens het discussieplatform en de
comments hetzelfde. De comments beperken zich wel tot de opiniërende artikelen.
Versteegh: “Omdat als je bij nieuws kan reageren je een ander type input krijgt. Dan krijg je
dat mensen snel even hun ding willen zeggen en krijg je ook heel veel input zonder dat je op
concrete onderwerpen echt debat krijgt. Daarom willen we dat op een aantal plekken op de
site concentreren zodat de discussie wat meer gefocust blijft.”
Er zijn mogelijkheden vragen te stellen aan redacteuren en/of deskundigen, maar
dergelijke V&A’s zijn niet standaard. Ze worden georganiseerd rond belangrijke actuele
onderwerpen en krijgen de verschijningsvorm van een chatroom op de website. Hierin
kunnen bezoekers een vraag stellen en in hetzelfde kader verschijnt er een antwoord.
Versteegh noemt deze V&A’s liveblogs. “De meeste Q&A’s gaan met redacteuren. Zo hebben
we onlangs nog een Q&A gehad met Maarten van Schinkel, onze financieel specialist, over de
heroverwegingsrapporten van al die ambtenaren. We hebben het eerder ook gehad over de
Commissie De Wit die de bankencrisis heeft onderzocht,” aldus Versteegh. Het komt ook wel
eens voor dat er een V&A georganiseerd wordt met iemand van buiten de krant: “Een aantal
maanden geleden hebben we een chat gehad met Minister Klink over de griepepidemie, daar
konden mensen hem rechtstreeks vragen stellen. En vorig jaar hebben we een chat gehad met
onze internationale reporters waarbij we de voorzitter van het Europees parlement hebben
ondervraagd over de Europese Verkiezingen. Het is niet iets dat elke week plaatsvindt, het is
heel erg onderwerpgebonden. We kondigen het wel enigszins van tevoren aan zodat mensen
in de gelegenheid worden gesteld om vragen per mail in te sturen of om een vraag te stellen
tijdens de chat zelf.”
Op nrc.nl wordt fanatiek geblogd, maar het heeft met UGC niet veel van doen. Het
zijn buitenlandcorrespondenten en gespecialiseerde redacteuren die een weblog bijhouden.
Voor lezers bestaat deze mogelijkheid niet, maar op elk weblog is er de mogelijkheid te
reageren op de inhoud en zo ook in contact te komen met de auteur. Voorheen heeft nrc.nl
wel lezers opgeroepen een gastblog of column te schrijven, maar dat leverde volgens
Versteegh te weinig op. Er is op de website wel een mogelijkheid om zelfgeschreven stukken
te publiceren: ik@nrc.nl. Het houdt het midden tussen een gastblog, een minicolumn en een
opiniërend stuk. Op de website kan de bezoeker bij de rubriek ‘IK’ een geschreven tekst van
maximaal 120 woorden achterlaten. Deze formule blijkt succesvol, gezien het aantal
bijdragen per dag. De meest interessante stukken halen de achterpagina van de papieren

43
krant. Versteegh: “De magie is in de eerste plaats dat het een kort verhaaltje is, uit het leven
gegrepen van lezers. Het leest lekker snel weg, het is van beperkte omvang en het is altijd
rechtstreeks van de straat. Dat verklaart een groot deel van de populariteit.”
Voor het uploaden van eigen beelden is nrc.nl niet de beste plek. “We maken soms
indirect gebruik van input van lezers. Bijvoorbeeld bij grote rampen als er niet direct eigen
fotomateriaal voorhanden is. In een heel incidenteel geval gebruiken we wel eens iets van
Twitter. Bij het treinongeluk in België van een paar maanden geleden hebben we dat gedaan,
maar het gebeurt heel zelden.” Aldus Versteegh.
Onder alle artikelen wordt de mogelijkheid gegeven de redactie te tippen. De plaats
van de link is opvallend vergeleken bij enkele andere media uit dit onderzoek. Op sommige
websites is de homepage voorzien van een link met de tekst ‘Tip de redactie’, met de
bedoeling dat verhaalideeën, ooggetuigenverslagen of andersoortige tips de redactie
bereiken. Op nrc.nl wordt er na het artikel gelezen te hebben gevraagd om tips, wat dan ook
andere resultaten oplevert. Versteegh: “In algemene zin levert dat vooral opmerkingen op.
Algemene kritiek. We worden attent gemaakt op tikfouten, dus dat is heel nuttig.” Om toch
de redactie van bruikbare ideeën of verslagen te voorzien, zijn er wel andere mogelijkheden
om met de redactie in contact te komen: “Daarnaast hebben we de e-mailingangen voor
bijvoorbeeld het seksueel misbruik in de katholieke kerk. We zijn ook bezig dat wij net als de
BBC een formulier aan onze artikelen kunnen hangen waar mensen ooggetuigenverslagen
kwijt kunnen.”
Wat controle betreft, wordt alles wat er aan UGC op de site binnenkomt gemodereerd.
Alle input wordt bekeken alvorens het wordt gepubliceerd. Er worden bepaalde eisen gesteld
aan de kwaliteit van de reacties, maar volgens Versteegh is de gemiddelde bezoeker van
nrc.nl goed in staat kwalitatieve bijdragen te leveren: “Wij zijn een liberale krant en proberen
zoveel mogelijk verschillende geluiden binnen te halen. Wij stellen anders dan De Telegraaf
wat meer eisen aan de gemiddelde kwaliteit aan datgene wat wordt ingeleverd. We hopen
mensen aan te trekken die een meerwaarde kunnen bieden in hun commentaren.”

Homepage

De UGCI’s van nrc.nl zijn op de homepage goed zichtbaar (zie afbeelding 4). De eerste die in
het oog springt is de ‘Discussie van de Dag’. In een speciaal ingericht kader wordt een poll
vergezeld door een afbeelding. De bezoeker wordt direct de mogelijkheid geboden een
meerkeuzevraag te beantwoorden door op één van de antwoorden te klikken. Direct
daaronder wordt de bezoeker door de link ‘Discussieer mee’ uitgenodigd deel te nemen aan
de discussie. De link stuurt de bezoeker naar het bijbehorende artikel waaronder middels
reactiemogelijkheden wordt gediscussieerd.

44
Links in beeld onder het deelmenu ‘Ontspanning’ staat de link naar ‘ik@nrc.nl’. De
link stuurt de bezoeker door naar de webpagina waar de ‘ikjes’ worden verzameld en
gepubliceerd, met een verwijzing naar het e-mailadres waarnaar men de eigen bijdragen kan
opsturen. Rechtsboven in de menubalk staat nog de link ‘Contact’, waar men direct via e-mail
in contact kan treden met de redactie voor vragen en opmerkingen.

Afbeelding 4. UGCI’s op de homepage van nrc.nl. Bovenin de menubalk staat een link met ‘Contact’.
Onderin het deelmenu ‘Ontspanning’ staat een directe link naar ‘ik@nrc.nl’. Rechts daarvan bevindt zich de
dagelijkse poll met de ‘Discussie van de dag’, met daaronder de oproep mee te discussiëren.

4.4 NRC.next

Op papier is de NRC.next het kleine broertje van NRC Handelsblad; een kleiner formaat, een
andere lay-out, een jongere doelgroep en een daarop aangepaste inhoud. Op internet vaart
NRC.next volledig een eigen koers. Waar de meeste websites een online vertaling zijn van de
papieren krant, moet nrcnext.nl eerder worden aangeduid als een supplement. Die luxe heeft
het mede doordat nrc.nl al het nieuws bestrijkt. Zo krijgt NRC.next de nodige speelruimte.
Next is dan ook geen nieuwssite, maar een weblog. Artikelen die op de site verschijnen, zijn
geen nieuwsberichten zoals je die in de krant zou verwachten, maar aan de actualiteit

45
gerelateerde randzaken, die enige verdieping op het nieuws nastreven. De bezoeker van
nrcnext.nl kan op de homepage direct doorlinken naar de nieuwsberichten op nrc.nl.
Voordat nrcnext.nl een weblog werd, was het een ‘normale’ nieuwssite. NRC.next-
blogger Ernst-Jan Pfauth legt uit waarom ze deze radicale verandering hebben ingevoerd:
“Wat we eigenlijk deden, was het kopiëren van de inhoud. Krantenartikelen plaatsten we op
de site. Dat was weinig vernieuwend. Toen besloten we niet de inhoud maar de missie van de
krant naar online te kopiëren, dus 'gidsen en duiden'. Daar leent een blog zich uitstekend
voor. We kunnen duiding geven en daar vervolgens makkelijk over in discussie gaan.”
Een ander uitgangspunt is volgens Pfauth het belang van interactiviteit op internet:
“Daarnaast verwijzen we naar interessante hoogtepunten elders: een interview bij de
Volkskrant, een mooi verhaal uit The New Yorker, een spectaculaire fotoblog, you name it.
Dat verwachten mensen ook van een blog. Vandaar dat medium. En we hebben natuurlijk de
luxe van moedersite nrc.nl, dat aan de rechterkant van het blog altijd het laatste nieuws
toont.” Pfauth geeft aan met betrekking tot UGC zoveel mogelijk informatie en aanvullingen
bij de lezer te willen winnen om deze weer met andere lezers te delen, “Zo spelen we goed op
de nieuwsbehoefte van onze lezers in.”
NRC.next maakt soms gebruik van een poll, maar een vaste waarde is het niet. De
bedoeling is een beeld te krijgen of de gemiddelde bloglezer het ergens mee eens of oneens is.
Pfauth noemt het voorbeeld van een introducerend stuk over foursquare.com, een nieuw
mobiel sociaal netwerk, waar de lezers werd gevraagd of ze een dergelijke service zouden
gebruiken. Deze polls gaan gepaard met het bijbehorende artikel. Eventuele discussies
kunnen direct onder het artikel ontstaan bij de reactiemogelijkheden.
Ook op NRC.next zijn het discussieplatform en de comments één en hetzelfde. Pfauth:
“Waarom een forum beginnen als mensen rechtstreeks onder het artikel kunnen
discussiëren? Op vragen en kritiek reageert de redacteur ook weer, zodat het blog niet een
anoniem prikbord wordt.” Over het hoge niveau van de reacties is Pfauth blij verrast.
Ongeveer één op tien berichten wordt door een moderator verwijdert, verder komen mensen
met nuttige bijdragen: “Er kunnen altijd interessante toevoegingen en kritiekpunten instaan.
Zo heeft een lezer in de reacties een lek in het OV-chipkaartsysteem gedeeld. Dat was
nieuws.”
Modereren is noodzaak, maar wordt niet gezien als een obstakel. Er worden
voorzorgmaatregelen genomen om het niveau enigszins op peil te houden. Zo zijn er
huisregels waar men zich aan moet houden en wordt de eerste reactie gecontroleerd voordat
deze geplaatst wordt: “Als iemand voor het eerst een reactie plaatst, moet deze vooraf
goedgekeurd worden. Daarna kan hij of zij plaatsen wat diegene wil. Dat blijkt een goede
filter te zijn.” Aldus Pfauth.

46
Er is geen apart platform voor vraag- en antwoordmogelijkheden. Ook deze UGCI zit
verweven in de comments, daar de redacteuren zich mengen in de reacties. Ondanks dat de
website geen vaste V&A kent, is de benaderbaarheid van de redacteuren groot: “Elke keer als
iemand een vraag stelt op het blog, ziet een redacteur dat. Daarnaast zijn we te benaderen via
Facebook, Twitter en het e-mailadres dat op elke pagina staat.”
Eigen verhalen en bloggen vallen op nrcnext.nl onder dezelfde noemer. Bezoekers
kunnen een zogeheten ‘gastblog’ plaatsen. Pfauth: “We nodigen onze lezers uit gastblogs te
schrijven. Niet met zo maar een mening, maar met een mening gebaseerd op de studie of
beroepservaring van een lezer; de conducteur over geweld in het OV en de boer over Q-
koorts, dat idee.” In overleg met de redactie wordt het stuk geredigeerd – net zolang tot het
goed is – alvorens het wordt gepubliceerd.
In de introducerende tekst van de gastblogs wordt de term burgerjournalistiek nieuw
leven ingeblazen: “Burgerjournalistiek is een vies woord, maar nu deze rubriek bestaat
hopelijk niet meer. Meningen zijn er genoeg uiteraard, maar relevante meningen plaatsen we
graag. Daarom nodigen we jou uit een gastblog te schrijven over het nieuws in de praktijk.”68
Het uploaden of plaatsen van eigen beelden komt zelden voor, aldus Pfauth: “Wat wel gebeurt
is dat we op Twitter foto’s zien van een belangrijke nieuwsgebeurtenis zoals de
Schipholcrash. Die nemen we dan met toestemming van de makers over.”
Ideeën en inspiratie haalt de redactie van nrcnext.nl dus uit comments en gastblogs.
Er is ook de mogelijkheid om de redactie te tippen. Volgens Pfauth levert dat geen hard
burgernieuws op, maar fungeert het eveneens als inspiratiebron: “Lezers signaleren vaak
dingen die nog een beetje sluimeren en nog niet in het nieuws zijn geweest. In dat opzicht zijn
het onze voelsprieten.”
Een vernieuwende UGCI van NRC.next is het ‘Nextlab’. Hier wordt lezers gevraagd
met structurele oplossingen te komen voor actuele problematiek. Het idee is geboren uit een
reactie op het ‘zeurende’ karakter van traditionele opiniepagina’s. Opinieredacteur Reinier
Kist: “We willen mensen inspireren. Daaruit vloeit voort dat we ook bij de opinie
oplossingsgericht willen denken. Opiniepagina’s zijn vaak plekken waar onwijs veel gezeurd
wordt. Het gaat over zaken waar iemand het niet mee eens is. Wij zijn toch meer een krant
van de oplossingen. Het publieke debat moet gevoerd worden, maar het gaat ons om
inspiratie.” Het concept bestaat nog niet lang. Op het moment van schrijven is het tweede
debat nog gaande, over de studiefinanciering. Het idee is dat beleidsmakers de pagina’s lezen,
maar zover is het nog niet. Kist: “Het is wel een denktank, maar vooral voor onze lezers om te
kijken hoe andere lezers over een onderwerp denken. Er zijn nog geen dingen uitgekomen

68
http://www.nrcnext.nl/over/

47
waarvan je denkt: dit is geniaal.” Het experiment laat wel zien de identiteit van de krant te
willen vertalen naar UGC.

Homepage

Daar de homepage van nrcnext.nl een weblog is, wijkt deze fundamenteel af van de andere
homepages (zie afbeelding 5). Dat neemt niet weg dat zich ook op deze pagina UGCI’s
aandienen, zij het in de context van een weblog. Wat opvalt is de rol van de redacteur onder
elk artikel. De redacteur is zichtbaar op een foto en door op de naam te klikken is er een
directe mogelijkheid tot contact, zij het via e-mail of Twitter. Deze benaderbaarheid is
nergens groter dan bij NRC.next. De optie tot reageren bevindt zich in hetzelfde
deelmenuutje onder het artikel.
In de rechterbalk van de homepage wordt de link gelegd met het pure nieuws van
NRC.nl. Direct daaronder wordt de bezoeker uitgenodigd de redactie te tippen met ideeën,
een gastblog te plaatsen of te twitteren met de mogelijkheid dat jouw tweet in de krant
verschijnt. Direct daar weer onder profileert de website een community op Facebook,
waarmee het in contact treedt en blijft met zogeheten ‘fans’. Als de bezoeker nog iets verder
naar beneden kijkt, ziet hij de link naar ‘Nextlab’.

Afbeelding 5. UGCI’s op de homepage van nrcnext.nl. Omcirkeld zijn drie links naar respectievelijk het
insturen van nieuwstips, het plaatsen van een gastblog of de mogelijkheid een twitterbericht in de krant te
krijgen.

48
4.5 RTL

De websites van kranten media zijn in zekere zin de online equivalenten van de papieren
versies met uitbreidingen die het Web2.0 toelaat. Hoe zit dat bij de website van een
televisienieuwsprogramma? De traditionele werkwijze gaat uit van het medium televisie,
maar ook de televisiestations RTL en NOS hebben een webredactie waar ze te maken krijgen
met UGC.
De tekstuele content van krantenberichten kan evenzogoed op internet worden
geplaatst. Bij televisie is dat anders. “Ik kwam hier binnen in 2008 en dacht: ‘wat doen we
hier weinig met user generated content’. Toen kwam ik erachter dat het echt een tv-bedrijf is.
De mensen die er werken, werken echt voor tv. Het is heel moeilijk om bij een traditioneel
bedrijf iets nieuws in te voegen. De gedachte is meer: ‘daar moeten wij ook in mee’, zonder
dat er een visie is.” Dat zegt Irene van Driel, werkzaam op de afdeling Digital Media van RTL
en verantwoordelijke voor online UGC-initiatieven. Ze dankt haar functie aan het feit dat de
RTL redactie het belang van UGC inziet en de mogelijkheden wil uitbouwen.
Naast UGCI’s op de website is Van Driel ook verantwoordelijk voor de Hyves-pagina
van RTL (zie afbeelding 6). Via het sociale netwerk Hyves – waarin het Ontbijtnieuws en de
populaire nieuwslezer Jan de Hoop centraal staan – poogt RTL rechtstreeks in contact te
komen met haar leden, waarvan de Hyves-pagina er begin april 2010 ruim 150.000 telde.
Van Driel: “Bij het idee van Hyves is gekeken naar hoe CNN met Facebook omgaat.” Een
aantal UGCI’s die onderwerp zijn van onderzoek, vinden hun weg via het sociale netwerk.
Op de website van RTL Nieuws verschijnt dagelijks een poll waarbij de mening van de
bezoekers wordt gepeild over actuele onderwerpen. De poll is bedoeld ter vermaak. De
resultaten zijn in eerste instantie niet bedoeld als informatiebron, maar dat neemt niet weg
dat bijvoorbeeld een programma als Editie NL wel eens gebruik maakt van de uitkomsten. De
poll wordt ’s ochtends crossmediaal ingezet. Tijdens het Ontbijtnieuws legt De Hoop de
kijkers een stelling voor, om ze vervolgens door te verwijzen naar Hyves. Daar kunnen de
bezoekers stemmen op en discussiëren over de stelling die ze zojuist op televisie hebben
gezien. De discussie verloopt vervolgens via de reactiemogelijkheid op Hyves, die daar
standaard is geïmplementeerd.

49
Afbeelding 6. De Hyves-pagina van RTL. De poll die regelmatig in de televisie-uitzending wordt gebruikt, is
omcirkeld.

Op de officiële website van het RTL Nieuws vallen de mogelijkheden voor discussie samen
met de comments. Dat is geen standaardoptie bij elk bericht. De redactie bepaalt per artikel
of het de moeite waard is om comments toe te laten. Op een eerdere website van het RTL
Nieuws waren discussiefora wel onderdeel van de site. Dat is nu niet meer het geval. Volgens
Van Driel is dat geen bewuste keuze, maar heeft het wel te maken met het vele
modereerwerk:

“Het is de bedoeling dat de discussie bij ons plaatsvindt. De site die we hiervoor hadden, had
wel fora waar een moderator op zat, maar dat doen we nu niet zoveel meer. We willen er wel
meer mee gaan doen. We willen het dan ophangen aan thema’s zoals de verkiezingen of het
WK voetbal, zaken waarover mensen echt willen praten. Het is niet iets dat standaard
aanwezig is, want het moet gewoon gemodereerd worden. Heel stom en heel clichématig,
maar zelfs als je het over voetbal hebt, gaat het alsnog over Wilders. Dat mag wel, maar je wil
wel dat het niveau blijft en dat er niet gescholden wordt op buitenlanders. Je wil toch een
kwaliteitsmedium zijn. En de capaciteit is er gewoon niet.”

Comments en discussies hebben dus alleen plaats wanneer de redactie daar aanleiding voor
ziet. Volgens Van Driel is het lastig te voorspellen wanneer een discussie loskomt en wanneer
niet: “Het wisselt heel erg per onderwerp. Bij een heel serieus onderwerp gebeurt het soms
heel weinig, terwijl het dan bij een bericht over bijvoorbeeld De Toppers helemaal losgaat. De
andere keer is het weer andersom.”

50
Hoofdzakelijk zijn de reactiemogelijkheden bedoeld om mensen te laten meepraten.
Zaken die als onacceptabel worden beschouwd, worden verwijderd. Interessante reacties
kunnen daarentegen worden doorgespeeld naar bijvoorbeeld de binnenlandredactie. Volgens
Van Driel gebeurt dat echter nog niet genoeg, terwijl er voldoende ervaringsdeskundigen te
vinden zijn: “Bijvoorbeeld het seksueel misbruik in de katholieke kerk. Daar hebben we nu
een oproep voor geplaatst en daar reageren mensen op, maar soms vind je deze mensen door
de reacties die ze geven.” Hyves wordt regelmatig gebruikt om met deze mensen in contact te
komen. Van Driel geeft aan dat het niet alleen de redactie is die zich aan het Web2.0 moet
aanpassen: “Mensen zijn zo druk bezig met hun dagelijkse werk, dat ze het er niet zomaar
even bijnemen. Daar is echt een cultuurverandering voor nodig.”
Voor vraag- en antwoordmogelijkheden geldt hetzelfde als voor de comments. De
redactie beslist of er wel of geen V&A wordt toegepast: “We doen het alleen om ergens de
geschiedenis van aan te geven of om mensen iets te leren, maar het is iets dat veel tijd vergt
voor de redactie om te maken. Daarom gebruiken we het niet veel.” Aldus Van Driel.
Bloggen is voor de bezoekers van de website geen optie. Ook het publiceren van eigen
verhalen hoort niet tot de mogelijkheden. Van Driel: “Simpelweg omdat dat in de gaten
gehouden moet worden en daar geen capaciteit voor is. Ook zien we er voor ons de
meerwaarde niet van in. Bovendien, als mensen willen bloggen, kunnen ze dat doen bij de
Volkskrant. Als wij dat ook gaan doen, zouden we slechts ‘volgen’.” Door enkele
buitenlandcorrespondenten en de politieke redactie wordt wel geblogd, maar met betrekking
tot UGC zijn de bijdragen volgens Van Driel te verwaarlozen.
Het uploaden van eigen beelden is op de website van RTL Nieuws wel mogelijk. Als
een bezoeker een foto uploadt, wordt deze direct zichtbaar op de website. Wel kan de redactie
foto’s verwijderen als er vreemde dingen tussen staan. Video’s worden wel bekeken alvorens
ze geplaatst worden om onwenselijk materiaal te voorkomen, al komt het uploaden van
video’s weinig voor. De nieuwsfoto’s die ze op de redactie binnenkrijgen, zijn vaak niet
relevant omdat het nieuws te klein is. Het betreft vaak weerfoto’s of idyllische landschappen.
Geslaagde weerfoto’s kunnen het televisieweerbericht halen. Er zijn plannen om de overige
foto’s die binnenkomen op thema te structureren en presenteren. Het is volgens Van Driel
dan vooral interessant als het om nieuws gaat dat op dat moment groot is: “Bij zo’n thema
gaan we slideshows maken, bijvoorbeeld met de jaarwisseling, het WK voetbal of een
vliegtuigramp.”
Het tippen van de redactie wordt mogelijk door de klikmogelijkheid ‘Tip de Redactie’.
Van Driel: “We hebben veel dezelfde mensen die tips sturen, vooral over verkeerd gespelde
woorden, dat we het slechtste medium ter wereld zijn, of mensen die zeggen wat een
ontzettend mooi bulletin het was. Hier en daar krijgen we ook inhoudelijke tips. Die worden
goed in de gaten gehouden door zowel de binnenland- als de internetredactie. Als er wat

51
nuttigs tussen zit, dan bellen we die mensen om te vragen of ze in de uitzending willen
komen.”
Volgens Van Driel is RTL nog lang niet waar het zijn moet als het gaat om UGC, maar
merkt ze wel dat de kloof tussen journalist en burger kleiner wordt: “De tijd is voorbij dat je
als nieuwsorganisatie kan zeggen: ‘dit is het nieuws van half acht, dit zijn de belangrijkste
punten van de dag, alsjeblieft.’ We willen de dialoog veel meer aangaan. Maar dat is lastig om
dat van vandaag op morgen te veranderen.” Het Hyves-initiatief is een voorbeeld van stappen
die RTL probeert te zetten. De kracht ligt volgens Van Driel in het goed inzetten van user
media: “We proberen het ook via Twitter. Frits Wester heeft in de nacht van de val van het
kabinet 20.000 volgers erbij gekregen. Dat is een hele mooie manier om meer en sneller
contact te krijgen met de mensen. Mensen reageren daar ook weer op. Het is voor hem ook
goede feedback.” Voor de toekomst liggen er plannen om een nieuw platform op te starten,
naar voorbeeld van iReport van CNN. UGC zal dan een grotere rol gaan spelen op de website
van RTL dan dat het nu doet.

Homepage

Op de homepage van RTL Nieuws zijn enkele UGCI’s te bespeuren, zij het onderaan de
pagina. Bij het openen van de website neemt UGC dus geen prominente plaats in. Het is niet
geheel verwonderlijk dat de eerste zichtbare UGCI de mogelijkheid tot het uploaden van
beelden bevat, daar de website van RTL afstamt van de nieuwsuitzending op televisie. Onder
de kop ‘Jouw Inzending’ (zie afbeelding 8) kan de bezoeker foto’s of video’s uploaden. Direct
daarnaast bevindt zich rechts op de pagina een eiland met daarin de tweets van de
twitterende redactieleden, met daaronder de sprekende tekst: ‘Join the conversation’. Dat
geeft aan dat user media bij RTL prioriteit hebben als het gaat om het integreren van UGC.
Een link naar de Hyves-pagina ontbreekt echter. De link naar ‘Tip de Redactie’ bevindt zich
helemaal rechtsonder op een eiland onder de kop ‘RTL Services’, vergezeld door onder meer
‘RSS-feeds’, ‘Instellen als startpagina’, ‘Twitter’ en ‘Weblogs’ (zie afbeelding 9).

52
Afbeelding 7. De homepage van rtlnieuws.nl. Op het eerste gezicht zijn er geen UGCI’s. Verder naar beneden
zijn er wel enkele UGCI’s te vinden.

Afbeelding 8 en 9. UGCI’s onderaan de homepage van rtlnieuws.nl. Afbeelding 8 toont het speciaal
ingerichte kader voor het uploaden van foto’s en video’s. Afbeelding 9 toont de link naar ‘Tip de Redactie’.

4.6 NOS

Net als bij RTL is nos.nl de website van een televisiemedium. De redactie van de NOS is
doordrongen van het feit dat user generated content niet meer is weg te denken in garing,
publicaties en feedback. De NOS neemt daartoe verschillende initiatieven, maar adjunct-
hoofdredacteur Tim Overdiek erkent ook dat het gebruik van UGC nog in ontwikkeling is:
“Het is work in progress. We hebben nog lang niet alle mogelijkheden benut; dat kan ook
niet. Het is echt iets nieuws waarbij er iedere maand of ieder half jaar weer een nieuwe
manier wordt gevonden om in contact te treden met je publiek. We zijn wel doordrongen van
het feit dat het moet. We moeten in contact treden. Dat doen we ook al.” Ook Jens Kraan,

53
plaatsvervangend chef van de internetafdeling DigiDesk, onderschrijft het belang van UGC.
Hij richt zich in zijn commentaar met name op het beeldaspect: “We moeten gebruik maken
van mensen buiten dit gebouw die in bezit zijn van telefoons met videomogelijkheden om
beeld te krijgen wat de anderen niet hebben, zodat we ons nieuws kunnen verrijken. We zien
UGC namelijk als een verrijking, als extra. En dat is wat we onszelf altijd realiseren; het is een
cadeautje waar we heel wat aan hebben.”
Reactiemogelijkheden zijn schaars op nos.nl. Dat is een bewuste keuze. Volgens
Overdiek verzandt de mogelijkheid om te reageren al snel in “gooi- en smijtwerk van opinies”
en dat is niet wat de redactie nastreeft: “We vinden de kwaliteit van de reacties belangrijker.
Vertel ons niet wat je vindt, maar wat je weet.” De mogelijkheid tot comments wordt selectief
ingezet bij artikelen als de betrokken redacteuren er een meerwaarde in zien. Overdiek:

“Als wij een artikel schrijven over het onderwijs en wij weten dat veel bezoekers van onze
website in het onderwijs werken, ouder zijn met naar school gaande kinderen of studenten
zijn die het verhaal lezen, dan is dat een gelegenheid om te zeggen: vertel maar, wat kunt u
hier aan toevoegen? Wat zien wij verkeerd? Wat vindt u er zelf van? Die mensen kunnen ook
met elkaar in discussie gaan en daar zit dan de meerwaarde in, omdat je ook op basis van die
input kunt besluiten dat hier iets gebeurt wat wij niet hebben gezien en dat kan leiden tot een
follow-up vraag.”

Het eventuele vele modereerwerk vormt volgens Kraan geen motief om reactiemogelijkheden
als standaard in te stellen: “Wij willen alleen mensen laten reageren op verhalen die mensen
bezighouden. Het verhaal waar je over praat als je bij de bakker bent. De reden is dat wij
denken dat de meeste mensen bij ons komen voor het nieuws. Bij reacties op politieke
verhalen krijg je elke dag dezelfde conclusies. Het heeft niets met modereren te maken.”
Robert Baltus, coördinator van NOS Net, zou dat graag anders zien. NOS Net is een
nieuwe afdeling binnen de NOS dat middels sociale netwerken contacten onderhoudt met
mensen met een bepaalde expertise of ervaringsdeskundigheid. Ze treden met ze in discussie,
volgen de gaande discussies of stellen open algemene vragen waardoor ze hopen verrast te
worden. Baltus is een voorstander van standaard commentaar onder de artikelen: “Omdat
het ook voor NOS Net belangrijk is dat mensen kunnen reageren. Daar zouden wij heel veel
aan kunnen hebben en ik denk dat het goed is voor de transparantie.”
Het genereren van discussie is geen prioriteit bij de NOS. Er zijn wel discussiefora
geweest maar die werden volgens Kraan ‘gekaapt’ door de toenmalige LPF-aanhang. “Als
mensen weten waar ze moeten zijn om te muiten, dan is het einde nabij.” Aldus Kraan. Ook
Overdiek ziet de meerwaarde van een discussieplatform niet in: “We hebben vaak genoeg een
forum gehad en dat is allemaal leuk en interessant, maar je moet weten wat de mensen
weten. Wat wij niet zien, wat wij niet op onze manieren te weten kunnen komen, dat willen

54
we zien, zodat wij op die manier soms op een ander spoor worden gezet dan uit onze
journalistieke blik.”
De NOS zet geen polls in op de website. Kraan ziet er geen heil in: “We hebben het
ooit gehad maar dat is het eerste dat ik afschafte.” Op nos.nl was er ooit ‘de stelling van de
dag’, maar deze is verdwenen met de uitleg dat de meerwaarde ontbreekt.
V&A’s zijn wel gebruikelijk op nos.nl. Op vrijdagmiddag is er een chat op de website
waarbij iedereen direct vragen kan stellen aan een uitgenodigde politicus, deskundige of
betrokken redacteur. Naast de wekelijkse chat wordt er zo nu en dan geëxperimenteerd met
V&A-mogelijkheden, zoals een apart Twitter-account tijdens de vliegtuigcrash in Tripoli, dat
het mogelijk maakte om last minute info via Twitter naar buiten te brengen. Kraan:
“Additionele info konden we via ‘#tripoli crash’ uitkoppelen. Toen hadden mensen de
mogelijkheid om vragen bij ons neer te leggen die wij dan ook weer beantwoordden.”
Bezoekers van de website kunnen ook een e-mail sturen naar publieksvoorlichting van de
NOS, maar daarbij is geen sprake van direct contact tussen lezer/kijker en redacteur. Tijdens
de politieke campagnes van de Tweede Kamerverkiezingen van 2010 is er ook
geëxperimenteer met YouTube, waarbij bezoekers een filmpje met vraag konden uploaden
die dan vervolgens aan politici werden voorgelegd.
Zowel Kraan als Overdiek noemen de weblogs als het gaat over de mogelijkheid tot
vragen stellen en transparantie. Overdiek: “Daar geven we openheid over redactionele keuzes
naast de verhalen die op een weblog worden gepresenteerd. Daar laten we mensen reageren
en gaan we ook in dialoog met die mensen.” De weblogs zijn niet bedoeld om mensen hun
eigen bijdragen te laten leveren. Van lezersblogs is dus geen sprake. Door het geringe aantal
bezoekers van de redactionele weblogs wordt het belang ervan nog al eens gebagatelliseerd,
maar Overdiek ziet er juist een meerwaarde in:

“Dat is wat sommige mensen hier op de nieuwsvloer denken: ‘dat weblog, dat hebben maar
tienduizend mensen gelezen en er staan maar zeven reacties onder, dus dat hoeven we niet
serieus te nemen, want het Acht Uurjournaal heeft twee miljoen kijkers.’ Dat is natuurlijk een
onzinargument, want daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom dat we de middelen
hebben om heel breed multimediaal en crossmediaal je nieuws te verspreiden. Die twee
miljoen mensen schelden alleen in de huiskamer op de nieuwslezer, op weblogs kun je met
mensen in dialoog. Je geeft transparantie en legt verantwoording af voor de keuzen voor
bepaalde dingen.”

Voor het publiceren van eigen verhalen is er op nos.nl geen ruimte. Het zijn eigen beelden
van burgers waarbij de NOS extra aandacht vestigt op UGC. “Je wilt zo snel mogelijk beeld, of
het nu foto is of video”, aldus Overdiek. Hij zegt blij te zijn met het feit dat mensen
tegenwoordig een mobiele telefoon hebben waar ze mee kunnen filmen. Overdiek: “Dat

55
betekent niet dat het een vervanger is. Die beelden fungeren gewoon als de eerste ogen. Het is
niet meer dan een toevoeging, omdat je toch uiteindelijk hier de journalistieke selectie moet
maken. Een beeld dat op straat wordt geschoten, vertelt niet meteen het hele verhaal. Het is
de rol van de journalist om aan de hand van dat beeld vast te stellen wat er gebeurd is. Het is
een fantastische meerwaarde dat je niet mag negeren, maar altijd wel moet gebruiken tegen
het licht van journalistieke kwaliteit.”
Sinds een jaar gebruikt de NOS een speciale tool voor UGC, waar mensen hun
materiaal kunnen mailen of uploaden: ‘Ooggetuige’. Het is een directe link op de website
waar bezoekers terecht kunnen. Met regelmaat worden burgers op radio, televisie en internet
opgeroepen materiaal in te sturen. Kraan:

“Dat doen we niet altijd, alleen als we ervan overtuigd zijn dat het iets op kan leveren en dat
we er iets aan hebben. We willen niet over elk ongeluk iets horen in de trant van ‘opa fietst
tegen een boom’. We willen niet Skoeps na-apen. We willen echt bij specifieke onderwerpen
informatie hebben. Het incident tijdens de dodenherdenking is daar een goed voorbeeld van.
Veel mensen staan op de Dam met een cameraatje of telefoon. Er ontstaat gedoe. Dat is het
moment dat je erom gaat vragen.”

Ingestuurd materaal wordt altijd eerst gecontroleerd. Een upload komt nooit op de site
terecht alvorens redacteuren ernaar hebben gekeken. Daar zijn vaste beeldregels voor
vastgesteld. Zo zijn beelden van open wonden, pornografisch materiaal of liquidaties
uitgesloten. ‘Ooggetuige’ is de nieuwe merknaam van deze UGCI en bestaat in deze
hoedanigheid pas sinds september. Het succes is volgens Kraan mede te danken aan de
manier waarop het is gepromoot op andere platformen van de NOS.
Een voorbeeld van de kracht van ‘Ooggetuige’ is de vliegtuigcrash bij Tripoli. Door een
snelle oproep kwam de NOS in contact met Chris Lemsom. Niet alleen zijn foto’s zijn
veelvuldig gebruikt, ook is hij ingezet als spreker in de journaaluitzendingen. Kraan: “Hij was
authentiek want hij was echt op die plek geweest. Omdat hij was gaan kijken was hij voor ons
interessant. Hij had de authentieke foto’s en hij bleek goed te kunnen praten. Waardevol.”
Ook blijkt ‘Ooggetuige’ nuttig voor de inzending van weerfoto’s. “Er zijn dagen geweest dat
we meer dan 1500 foto’s binnenkregen, wat idioot veel is als je dat afzet tegen twee jaar
geleden. We betalen er niet voor. Mensen vinden het leuk om hun eigen foto terug te zien bij
de NOS.”
Tijdens de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen heeft de NOS ook geëxperimenteerd
met het sociale netwerk Facebook. Bij het NOS Nieuws Team werd een panel van dertig
jongeren betrokken die in hun eigen netwerk op zoek moesten naar verhalen die verband
hielden met de verkiezingen. Deze konden ze vervolgens delen op het ‘prikbord’. Een

56
vijfkoppige redactie deed daar vervolgens zijn voordeel mee om de gebruikelijke NOS-
programma’s te voeden met ideeën die uit jongeren zelf kwamen. Overdiek:

“Het is een mooi experiment, om op deze manier te kijken hoe je met een goed geselecteerde
groep jongeren een redelijk beeld krijgt van wat er in die groep speelt en ook in de hoop dat je
aan de hand van hun achterban een nog breder beeld krijgt door gericht opdrachten uit te
zetten en op die manier uit te zoeken wat er speelt. Wij gaan als journalistieke organisatie
heel makkelijk uit van opvattingen over nieuws of wat wij denken dat leeft en we hebben daar
conventionele technieken voor, maar dit is een extra middel om dat te toetsen.”

Het geeft aan dat een gevestigde naam als de NOS bereidheid toont om meer gebruik te
maken van technieken die burgerbijdragen mogelijk maken.

Homepage

De homepage van nos.nl is sober en overzichtelijk ingericht (zie afbeelding 10). Zowel de
nieuws- als sportartikelen zijn aangegeven met de kop, zonder een foto of ankeiler. Door er
op te klikken kan worden doorgegaan naar het volledige artikel. De twee UGCI’s die door de
redactie worden bestempeld als een absolute meerwaarde zijn ‘Ooggetuige’ en de wekelijkse
videochat. Op afbeelding 1 is duidelijk te zien dat ‘Ooggetuige’ een zeer prominente plaats
inneemt in het hoofdmenu. De chat is niet altijd aanwezig op de homepage, maar wel op de
dag dat de chat plaatsvindt. Onderaan de pagina bevindt zich nog de link naar
publieksvoorlichting, maar dat valt niet onder UGCI’s.

Afbeelding 10. UGCI’s op de website van nos.nl. De link naar ‘Ooggetuige’ kent een zeer prominente plaats
in het hoofdmenu. Rechts in beeld een aankondiging van een aankomende videochat.

57
4.7 NU.nl

De website NU.nl is het enige medium in dit onderzoek dat zich volledig toespitst op internet
en ook daaruit is geboren. De NU-redactie heeft nooit te maken gehad met een cultuuromslag
op de werkvloer door de intrede van het Web2.0; redactie en webredactie zijn één en dezelfde
entiteit. Het is daarom juist interessant ook deze website aan een analyse te onderwerpen en
zo betekenis te ontlenen aan de verschillen tussen de verschillende media.
Mark Vos en Chris Heijmans – respectievelijk chef-redacteur NUjij/NU&Toen en
chef-redacteur NUfoto – zien UGC als een toegevoegde waarde en maken er op meerdere
fronten gebruik van. Heijmans: “We hebben een hele jonge redactie. We zijn allemaal
opgegroeid met internet en 2.0, dus dan pas je dat ook toe. We omarmen het ook en we zien
het niet als gevaar. Dat zie je bij andere media misschien wat meer.”
Het eerste dat opvalt aan NU.nl is dat de redactionele content en de UGC strikt van
elkaar gescheiden zijn. Die tweedeling komt volgens Vos voort uit het belang van neutraliteit
van het nieuws op NU.nl: “Er mag best gediscussieerd worden over de berichten en er mag
ook nieuw nieuws aangedragen worden, maar om de kleur van NU zelf neutraal te houden, is
er bewust voor gekozen dat los te koppelen.” Alle UGCI’s zijn via NU.nl met een directe link
te bereiken en voorzien van een eigen webadres, zoals NUjij.nl en NUfoto.nl. Dat heeft
volgens Heijmans ook praktisch nut: “Vroeger zat NUfoto als rubriek in de website, maar
omdat we steeds meer foto’s binnenkregen is dat ook een apart platform geworden. Door dat
op een andere site uit te bouwen, heb je veel meer ruimte om onderverdelingen in rubrieken
voor foto’s te maken, dat had je op NU.nl zelf niet.”
Op NU.nl komen wel polls voor. Dat gebeurt nooit op de voorpagina, maar bij politiek
is het een vast element in de ‘rechterbalk’. Een enkele keer levert het ook nuttige informatie
op. Heijmans: “Een paar keer hebben we daaruit nieuws kunnen creëren, omdat we echt heel
veel respons krijgen, soms rond de 40.000 stemmen. Dan heb je wel een beeld. Uit een
politieke peiling over de kilometerheffing hebben we een eigen nieuwtje kunnen maken. Maar
het gebeurt niet heel vaak.” De poll bestaat uit een politieke stelling met daaronder meerdere
keuzemogelijkheden. Direct daaronder wordt de bezoeker uitgenodigd voor het debat:
‘Discussieer over bovenstaande stelling op NUjij.’
Het discussieplatform van NUjij.nl (zie afbeelding 11) heeft een zeer interactief
karakter. Het is een open systeem waar de gebruiker zelf een stelling of vraag kan poneren,
gerelateerd aan artikelen op internet. Vos: “Er moet een initiator zijn die het bericht
interessant genoeg vindt om het nieuws te plaatsen. Daarna kan er altijd over gediscussieerd

58
worden.” Dat betekent ook dat niet alleen berichten van NU.nl onderhevig zijn aan discussie,
maar elk mogelijk gepubliceerd stuk dat op het internet verschijnt. Geen probleem, vindt
Heijmans: “Vanaf het begin zijn we daar heel bewust mee bezig, ook om het nieuws zo
transparant mogelijk te maken. Dat doe je door te linken naar andere bronnen. Wij verwijzen
met liefde en plezier naar de NOS, Telegraaf of RTL. Je wil dat de lezer het makkelijk heeft.
We proberen zo interactief mogelijk te zijn.”
Vos vindt de waarde van het NUjij-platform moeilijk uit te drukken. Het heeft
meerdere functies: “Ten eerste geef je mensen een plek om hun frustratie of mening kwijt te
kunnen. Soms komt daar ook weer specifieke informatie uit die interessant is. Soms levert het
nieuws op dat weer gebruikt kan worden. En omdat het zo neutraal is voor mensen uit alle
lagen van de bevolking en alle overtuigingen, is het een plek om elkaar tegen te komen en met
elkaar in discussie te gaan.”

Afbeelding 11. NUjij - Bezoekers openen discussies gerelateerd aan publicaties op NU.nl of elders op internet.

Er vindt op NUjij.nl wel moderatie plaats, maar door de hoeveelheid content is het volgens
Vos feitelijk onmogelijk alle reacties te modereren.
Om content te kunnen toevoegen, is registratie noodzakelijk. Vos noemt het een
formaliteit. Het is geen middel om scheldpartijen tegen te gaan, daar er gemakkelijk valse
gegevens kunnen worden ingevoerd. Een maatregel die wel genomen wordt, is de
mogelijkheid voor de bezoekers om reacties te beoordelen door de klikmogelijkheden ‘Ý’
voor goede berichten, en ‘Þ’ voor slechte berichten. Via de klikmogelijkheid ‘X NUniet’
kunnen reacties ook het etiquette ‘Spam’, ‘Onzin’, ‘Flame’ en ‘Hate’ krijgen toebedeeld.

59
Het discussieforum is nauw verweven met de mogelijkheid tot reageren op
nieuwsberichten. Directe comments op de nieuwsartikelen zijn niet mogelijk, maar ook
daarvoor is op NUjij.nl ruimte. Discussie en comments vallen voor NU.nl onder dezelfde
noemer.
Een vaste vraag- en antwoordrubriek kent NU.nl niet. Wel loopt er sinds het najaar
van 2009 een project waarbij bezoekers vragen kunnen indienen. Vos: “We hebben een
langlopend project met bewindslieden die we voor de camera trekken, daar mogen onze
gebruikers vragen aan stellen. Die vragen worden dan door ons aan de desbetreffende
persoon gesteld. We draaien dat project nu een half jaar met politici.” NU.nl heeft mede
daarvoor een parlementair verslaggever in de arm genomen.
Op NU.nl is het niet mogelijk om als lezer te bloggen. Wel kan de bezoeker op NUjij
een directe link plaatsen naar zijn of haar blog, zoals dat naar iedere website kan. De
redactionele blogs zijn met name bedoeld voor duiding en opheldering: “Het houdt ergens de
grens tussen redactioneel commentaar en een interne ombudsman. Je kan er vragen
behandelen, keuzes verantwoorden, dus het is eigenlijk van alles wat. Als we veel mail krijgen
met een bepaalde vraag erin, dan kan dat voor een redacteur of hoofdredacteur een reden zijn
om er een stuk aan te wijden op het blog en dan verwijzen we daar ook naar,” aldus Vos. Voor
eigen verhalen geldt in feite hetzelfde als voor lezersblogs. Linken is altijd mogelijk en zo kan
het via NUjij.nl wel de weg naar de NU-bezoeker vinden.
Voor eigen beelden heeft NU het eerder genoemde NUfoto.nl in het leven geroepen.
Nieuwswaardige foto’s kunnen na registratie door bezoekers zelf worden geplaatst. In een
eerder stadium konden bezoekers hun foto’s opsturen, waarna de redactie foto’s selecteerde
en plaatste op een rubriek binnen NU.nl. Heijmans: “Op een gegeven moment werd dat zo
populair dat het de spuigaten uitliep. Dat moest op een andere manier, een efficiëntere
manier. De redactie moest eerst alles uploaden naar een rubriek op de site, terwijl lezers dat
zelf ook kunnen. Dat is gewoon een stuk handiger.”
Waar de term burgerjournalistiek op veel plaatsen een kritische noot verdient, durft
Heijmans het aan om de term los te laten op NUfoto: “Alle content die binnenkomt is te
gebruiken en dat doen we dus ook van harte en veel. Dat is toch een aardig staaltje
burgerjournalistiek. Ook omdat we foto’s doorplaatsen naar NU.nl. Zo betrek je toch de
burgers bij de nieuwsvoorziening.” Ze noemt het bijzonder dat sommige foto’s er eerder zijn
dan het nieuws zelf, met als voorbeeld de brand in de TU Delft in 2008. Hierdoor is mede het
succes van NUfoto te verklaren: “Erkenning. Het levert niet alleen erkenning op voor de
fotografen, ook de lezers vinden daardoor zo’n merk sympathiek, omdat we gebruik maken
van content van burgers. Dat is goed voor je site.”
Voorlopig komt er geen gelijksoortige rubriek voor video. Heijmans: “UGC video is te
verwaarlozen. Er werd voorspeld dat het heel groot zou worden op internet, maar het valt erg

60
tegen.” Bezoekers kunnen wel video’s uploaden op NU&toen.nl, een website die probeert de
Nederlandse geschiedenis in kaart te brengen. Het is de bedoeling dat mensen hun eigen
oude filmpjes online zetten zodra het gedigitaliseerd is.
NU.nl heeft een speciale link waar lezers de redactie kunnen tippen. Heijmans: “We
krijgen veel onzinnige tips binnen die nergens over gaan, maar je scheidt onmiddellijk de zin
van de onzin, dus daar maken we wel regelmatig gebruik van.” Als voorbeeld noemt ze de
recente bommelding op het centraal station van Den Bosch: “Zoiets zoemt dan al in de mail
rond en daar kunnen we dan meteen achteraan. We waren ook de eerste die dat konden
melden. Als je daar tien mailtjes over krijgt dan weet je wel dat het klopt. Je hebt alleen de
bevestiging van de politie nodig en dan kun je een bericht maken.”

Homepage

NU.nl is de enige van de onderzochte websites waar redactionele content en UGC zo


zichtbaar van elkaar worden gescheiden (zie afbeelding 12). Op de homepage van NU.nl is
één UGCI direct beschikbaar; het tippen van de redactie. Wel bevinden zich op de voorpagina
de links naar alle overige UGCI’s binnen het NU-domein. In het keuzemenu links op het
scherm staan onder meer de links naar NUjij, NUfoto en NU&toen. Deze UGCI’s zijn ook nog
eens voorzien van elk een eigen korte domeinnaam, waardoor het belang van de homepage
als doorlinkpagina afneemt.

Afbeelding 12. UGCI’s op de homepage van NU.nl. Bovenaan de website bevindt zich de link naar ‘Tip de
Redactie’. Links onderin het deelmenu bevinden zich de links naar de overige UGCI’s van NU.nl.

61
4.8 Werkcultuur

Op de websites van prominente nieuwsmedia in Nederland is UGC een vast onderdeel


geworden. In de fysieke uitingsvormen op internet is het een zichtbaar element, zij het als een
rubriek op de website, publiek commentaar op de inhoud of een link naar een speciaal
platform voor UGC. Op de redacties zelf is er ook zichtbaar iets veranderd. Zoals elke
redactie, zoals de binnenland-, buitenland- of economieredactie, een eigen eiland heeft op de
nieuwsvloer, heeft nu ook de webredactie op elke nieuwsvloer een eigen eiland. Uitzondering
daarop is NU.nl, dat gevormd is rondom internet. Voor het dagblad- en televisienieuws is het
een verandering ten opzichte van voor het Web2.0 dat er een nieuwe redactie bij is gekomen
en dat er nieuwe functies zijn gecreëerd. Het woord webredacteur is niemand meer vreemd.
UGC manifesteert zich met name op het internet. Amateurfoto’s of videobeelden
verschijnen wel in de papieren krant of in de journaaluitzendingen, maar worden ingestuurd
via de mail of een speciaal daarvoor ingericht online platform waar men beelden kan
uploaden, zoals de NOS, RTL, NU.nl, De Telegraaf en Trouw daar mogelijkheden voor
hebben. Geschreven teksten, ooggetuigenverslagen of brieven van lezers hebben ook hun
zwaartepunt online liggen. Op alle van de onderzochte redacties wordt de UGC door de
webredactie beheert en gecoördineerd. Dat is de plek waar er definitief veranderingen
hebben plaatsgevonden in de journalistieke werkpraktijk.
Die veranderingen uiten zich op twee manieren. Enerzijds in de relatie die de
journalist heeft tot de burger, anderzijds in het takenpakket van de journalist. De relatie
tussen boodschapper en ontvanger is met name veranderd door de vergemakkelijkte vorm
van communiceren die het Web2.0 met zich meebrengt. Direct contact ligt binnen
handbereik. Uit de gesprekken met de geïnterviewde redacteuren blijkt dat de
(web)journalist tegenwoordig meer contact heeft met burgers en daar feedback uithaalt.
Mark Vos van NU.nl zegt daarover:

“Ik denk dat je niet anders kan. Met de huidige communicatiemiddelen is de burger sneller
dan de journalist. Het nieuws van de persoon ter plekke is veel interessanter. Voor de
journalist is de rol weggelegd om die stroom van informatie te duiden en op waarheid te
schatten en daaruit het verhaal te maken, of de gebruiker de gereedschappen aan te reiken
om tot die informatie te kunnen komen.”

Ook voor Irene van Driel van RTL is een goede communicatie tussen journalist en burger
noodzakelijk voor journalistieke kwaliteit. Het gesprek dat plaatsheeft tussen beide partijen
kan echter ook enigszins belemmerend werken in het werk dat je uitvoert.

62
“Waar we naartoe zouden moeten, is dat je samen optimaal nieuws brengt en dat wij zeker
niet moeten negeren dat er mensen zijn die hier net zoveel of misschien wel meer van
weten. Die heb je nodig om goed nieuws te brengen. (…) Ik denk wel dat we veel minder
arrogant en autoritair moeten zijn, we kunnen niet zeggen: ‘hier is het en doe het er maar
mee’. Ik denk wel dat de keuzes hier gemaakt moeten worden, maar het moet wel
transparant worden. Het is het ook weer niet de bedoeling dat je de hele dag bezig met het
verantwoorden van de keuzes die je maakt. Je moet een soort middenweg vinden. Dat is
lastig.”

Deze nieuwe relatie die de journalist heeft tot de burger, zorgt dus ook voor een nieuwe state
of mind. Volgens van Driel moet de journalist minder ‘arrogant’ en ‘autoritair’ zijn, ofwel: de
kloof tussen burger en journalist moet kleiner worden. Chris Heijmans van NU.nl zegt
daarover:

“Die kloof wordt kleiner. Als je ziet hoe vaak we iets met lezerstips doen. Die lezer wordt
actief door de redactie betrokken bij de totstandkoming van het nieuws. Mensen krijgen
altijd een mailtje terug en worden ook gevraagd om meer informatie. Dan ontstaat er en
korte mailwisseling met de lezer. We doen er alles aan om de band met die lezer goed te
houden.”

Ernst-Jan Pfauth van NRC.next gaat nog een stapje verder:

“Ik geloof in een nieuw genre journalistiek. Die naast bestaande genres kan bestaan.
Journalisten die terugpraten, informatie winnen bij de lezer, twitteren, facebook gebruiken;
weten hoe ze online een verhaal moeten vertellen. Zij klimmen uit de ivoren toren en mengen
zich onder de lezers. Ze gaan in gesprek om zo een band op te bouwen en interessante
aanvullingen te krijgen.”

Deze uitspraken worden gedaan vanuit het perspectief van een webredacteur. Kees Versteegh
van het NRC Handelsblad wil deze nieuwe vooronderstelde relatie tussen journalist en
burger wel relativeren tot de webredactie. De overige redacties op de nieuwsvloer zullen
beduidend minder deze veranderende relatie ervaren:

“Ik denk dat dat maar in beperkte mate het geval is. Ik denk dat bij de meeste redacteuren die
relatie niet veranderd is. Men is er zich wel van bewust dat dit op de site gebeurt, maar men
verwacht daar niet heel erg veel van.”

Vincent Dekker houdt er een gelijke visie op na:

63
“De redacteuren van de papieren krant hebben nog niet echt een idee van wat er op internet
allemaal mogelijk is en wat er gebeurt. Bij de internetredactie zijn we erg vóór UGC. We
proberen echt om dat op allerlei mogelijke manieren los te krijgen. Ik denk dat dat een
nauwere band teweegbrengt tussen de lezers en onszelf.”

De geïnterviewde redacteuren zijn het er allemaal over eens dat deze nieuwe vooronderstelde
relatie tussen burger en journalist wel opgaat voor de webredacteuren die zich met de UGC
bezighouden. Dat online gesprek moet plaatshebben, de vraag is alleen hoe. Hedendaagse
redacties houden zich dus bezig met communicatie met het publiek, alsmede met de vraag op
welke manier dit moet gebeuren. Op de sites uit zich dit in de UGCI’s comments, V&A, polls,
tip de redactie en eigen verhalen. Het zijn de webredacteuren die deze bijdragen lezen,
beheren en coördineren. Dat zijn taken die binnen het traditionele model van de journalistiek
niet passen, maar er door het Web2.0 bij zijn gekomen.
Daar komt volgens Marco van der Laan van De Telegraaf nog een belangrijke
verantwoordelijk bij: meer verifiëren. UGC op de websites van prominente media dat
gebruikt wordt voor nieuwsartikelen of items moet voldoen aan de journalistieke eisen als
betrouwbaarheid, controleerbaarheid en hoor- en wederhoor. Bij burgerbijdragen moet
evengoed het kaf van het koren worden gescheiden als het gaat om kwalitatieve journalistiek.
Deze stroom aan content groeit sterk en daarmee stelt het extra eisen aan de redacteuren die
de UGC op waarde moeten beoordelen. Dat is tijdrovend en kan beperkend werken in het
uitvoeren van andere taken.
Een veel gehoord probleem bij UGC als het gaat om tijdrovende arbeid is modereren.
Hier worden verschillende oplossingen voor gezocht. Websites als die van de NOS en RTL
kiezen ervoor om het sporadisch mogelijk te maken om te reageren. Ze doen het slechts
wanneer zij commentaar van bezoekers relevant vinden. Daarmee reduceren ze het aantal
comments drastisch en zo ook de arbeid die het vergt om te modereren. Wat er gemodereerd
moet worden, wordt door de webredacteuren zelf gedaan. Over het algemeen doen ze dat zelf.
Mark Vos van NU.nl over het modereren van NUjij.nl:

“Voor NUjij is het feitelijk onmogelijk. We zitten er vrij dicht op maar er gebeurt zoveel, dat
gaat je niet lukken om dat allemaal te controleren. Maar mocht er iets zijn dan kunnen
mensen dat melden en dan halen we het weg. We zitten er dus actief bovenop, maar we
hebben niet de illusie dat we echt alles meekrijgen. Dat is echt onmogelijk.”

Vincent Dekker van Trouw geeft aan dat op de redactie wel alles wordt gemodereerd:

“We modereren alle reacties die we op de site krijgen. Die modereren we persoonlijk. En we
halen dingen eruit waarvan we denken, dit geeft geen pas. Ondoenlijk. Het kost heel veel

64
tijd. Het is bijna niet te doen om alle reacties één voor één door te nemen, maar we doen het
nog wel.”

Hieruit blijkt de moeilijkheid met menselijke kracht de binnengekomen reacties te


modereren. Om die reden laat De Telegraaf het modereren over aan externen. Van der
Laan:

“We hebben een bureau dat voor ons modereert, wij betalen die mensen. Maar mensen
maken fouten. We hebben het mechanisme ‘dit is niet OK’ erin gebracht. Als jij vindt dat een
reactie niet kan, dan verschijnt er een melding in het scherm van de coördinator van de
moderator en die gaat die klacht beoordelen. Is die klacht terecht of niet? Zo ja, dan wordt ie
weggehaald. Je krijgt een mailtje over wat er met je klacht gedaan is.”

Het modereren kan dus uitbesteed worden, maar over het algemeen doen de redacties dat
zelf. Er is geen specifieke functie voor ingeruimd. Het is een nieuwe taak in het takenpakket
van de redacteur.
Het gebeurt wel dat redacties nieuwe functies creëren ten behoeve van UGC. Het werk
van Irene van Driel bij RTL is een en al gericht op UGC, waaronder ook de Hyves-pagina valt.
Datzelfde geldt voor Robert Baltus van NOS Net. Deze driekoppige redactie is speciaal in het
leven geroepen om een netwerk van deskundigen op te zetten in heel Nederland, dat kan
fungeren als een virtueel uitgebreide redactie. Ook de vijfkoppige redactie van het NOS
Nieuws Team is volledig nieuw opgezet. Bij NU.nl zit er een speciale redacteur op NUfoto die
de foto’s beheert en coördineert, evenals voor NUjij. Vincent Dekker van Trouw geeft aan dat
redacteuren de individuele vrijheid krijgen om ideeën met betrekking tot UGC uit te werken.
Deze voorbeelden geven aan dat er vooralsnog veel geëxperimenteerd wordt op de redacties.
Functies kunnen naar believen worden ingevuld. De afzonderlijke voorbeelden lopen uiteen
en het is dan ook niet mogelijk een helder afgebakend takenpakket te presenteren voor
webredacteuren of redacteuren die elders bij UGC betrokken zijn. Wel is duidelijk dat de
redacties zoekende zijn naar de juiste formule, maar dat is vooralsnog een proces.

65
Hoofdstuk 5

Conclusie & Discussie

User generated content is de hype voorbij. De felle discussies die midden jaren nul woedden
zijn grotendeels voorbij. Het sprookje van 16,5 miljoen reporters blijkt overschat, zo blijkt uit
de ondergang van Skoeps.nl en het feit dat er nog geen waardige opvolger is opgestaan.
Vooralsnog heeft de traditionele journalistiek in Nederland geen geduchte concurrentie van
burgers erbij gekregen, zoals Dan Gilmor in 2004 opperde. Zat Gilmor er dan helemaal
naast? Nee. Datgene wat UGC behelst is een vast onderdeel geworden op de traditionele
nieuwsredacties en haar fysieke uitingsvormen. Het ‘gesprek’ waar Gilmor het over heeft,
vindt plaats.
De vraag is niet of UGC geïntegreerd is op de redacties, maar op welke manier.
Redacties hebben zich aangepast. De afdelingen internet hebben er speciale functies voor
gecreëerd, er zoemen mailtjes rond met verhaalideeën uit interessante comments en de
eerste gepubliceerde foto van het plaats delict wil nog wel eens door een toevallige passant
zijn geschoten. Er vinden discussies van bezoekers plaats onder door journalisten gecreëerde
content, tiplijnen leveren verhaalideeën of ooggetuigenverslagen op en de traditionele
redacties zijn er niet vies van met sociale media te experimenteren om zo in contact te komen
met hun publiek. Als er één ontwikkeling is waarin Gilmor zijn gelijk haalt, dan is het de
verschuiving van een top-down lezing naar het zogeheten conversatiemodel. De burger wordt
benaderd als een gesprekspartner in plaats van een consument.
De onderzochte redacties hebben daar verschillende verklaringen voor. Er zijn
redacties die het belangrijk vinden dat er een binding ontstaat met het merk of dat deze
wordt versterkt (De Telegraaf, Trouw, NOS), andere redacties vinden het vooral interessant
wat bezoekers in de discussie hebben in te brengen (NRC, NRC.Next, NU.nl), niet
achterblijven bij de concurrentie kan een drijfveer zijn (RTL) en burgers laten fungeren als
ooggetuigen blijkt een belangrijk motief (NOS, RTL, NU.nl). Op welke manier de burger ook
wordt betrokken bij het journalistieke proces, het belang van de inbreng van die burger wordt
erkend.
Althans, als we het hebben over het Web2.0. Op de redacties die verantwoordelijk zijn
voor de traditionele papieren versies van de krant of de journaaluitzendingen op televisie zal
er relatief weinig veranderd zijn. De traditionele journalist gaart, verwerkt en vertelt. Voor de
hedendaagse internetredacteur heeft er wel degelijk een verandering plaatsgevonden in de
beoefening van zijn vak. Trouw-redacteur Vincent Dekkers ontdekte met zijn jarenlange
ervaring zelfs dat hij terug is waar hij ooit begon: dichtbij zijn publiek. Er is contact. Een
gesprek.

66
Er zijn twee niveaus te onderscheiden waarop het gesprek plaatsvindt. Enerzijds het
gesprek tussen de journalist en de burger, anderzijds tussen de burgers onderling. Het is
interessant om te zien hoe verschillende UGCI’s deze verschillende gesprekken laten
plaatsvinden. De poll is één van de meest toegankelijke UGCI’s, maar daarmee blijft het
‘gesprek’ dan ook zeer oppervlakkig. Via polls kan de heersende mening van de bezoekers
over een bepaalde kwestie worden waargenomen, maar het gaat te ver om te stellen dat dit de
vorm heeft van een gesprek. Het is weliswaar een vorm van communicatie tussen redactie en
lezer, maar de geïnterviewde redacteuren zien het overwegend als vermaak. Het is licht
informerend of een lokkertje om deelname aan de discussie te bewerkstelligen. Het is een
simpele manier om de bezoeker te betrekken en actief te laten handelen in plaats van passief
het nieuws te consumeren. Het gaat te ver om hier over functionele UGC te spreken.
De discussie die plaatsvindt is voor de redacties daarentegen zeer interessant.
Althans, voor een paar van hen. De redactie van het NRC is bijvoorbeeld zeer benieuwd naar
wat de lezers ergens van vinden en ziet dat als feedback van de doelgroep. De discussie wordt
daar op de homepage al veelvuldig gestimuleerd. Op het weblog van NRC.next zijn het de
redacteuren die zichzelf in de discussie mengen, verantwoording afleggen voor bepaalde
keuzes en dus letterlijk in gesprek gaan met het publiek. De NOS daarentegen ziet geen brood
in discussies die op de website plaatsvinden, daar het al snel resulteert in ‘gooi- en smijtwerk’
van opinies. In de woorden van adjunct-hoofdredacteur Tim Overdiek wil de NOS weten ‘wat
het publiek weet, niet wat het vindt’. Ook De Telegraaf vindt discussies op de webpagina
onwenselijk wegens een grote kans op scheldpartijen. Wel laat laatstgenoemde haar lezers op
een forum discussiëren over financiële zaken, daar dit onderwerp ‘veilig’ is.
Discussie is een overwegend aanwezige factor op de onderzochte websites, of dit nu
gewenst is of niet. Opvallend is dat Alfred Hermida en Neil Thurman in Groot-Brittannië een
duidelijke scheidslijn zagen tussen enerzijds discussiefora en anderzijds comments. Wat op
de Nederlandse websites met name opvalt, is dat het comment-gedeelte eveneens het
discussieforum is. Er is geen grens. Ernst-Jan Pfauth van NRC.next noemt dat pure winst
(“Waarom een forum beginnen als mensen rechtstreeks onder het artikel kunnen
discussiëren?”). Voor Telegraaf-redacteur Marco van der Laan is het juist storend. Hij wil dat
mensen primair op de inhoud reageren. Feit is dat het gesprek met name plaatsvindt onder
de artikelen bij de comments.
Wat er verder met de comments gebeurt, blijft enigszins vaag. Enkele redacteuren
zeggen er interessante dingen uit te halen, maar in hoeverre dit daadwerkelijk echte verhalen
oplevert, blijft onduidelijk. Bij vrijwel alle redacties worden de comments door
webredacteuren gelezen en ook gemodereerd waar nodig. Dat gebeurt meestal in
samenspraak met de eindredacteur van de webredactie. Er is geen aparte functie voor in het
leven geroepen. Ook maatregelen als verplichte registratie of een meldknop bij onwenselijke

67
berichten worden ingezet. Vooralsnog blijkt ook bij de comments dat de berichten met name
een leuke aanvulling zijn op het artikel dat erboven staat. Ook betrokkenheid en
transparantie zijn kernbegrippen. De lezer wordt immers uitgenodigd deel te nemen aan een
proces, welk deel van het proces dat ook moge zijn. Feit blijft dat er een gesprek plaatsvindt.
Dat geldt ook voor vraag- en antwoordmogelijkheden. Vrijwel alle redacties maken op
een zeker moment gebruik van V&A’s. Het is een zeer directe vorm van burgerparticipatie
waarbij direct contact de sleutel is. Een aantal redacties laat de bezoeker van de website
chatten met politici of deskundigen, of met eigen redacteuren met expertise. Het is bijna
nooit een vaste rubriek op de website, maar een gelegenheidsfactor. Er kan per artikel
worden bekeken of er een V&A van toepassing is, of V&A’s kunnen worden opgehangen aan
actuele thema’s zoals bijvoorbeeld politieke verkiezingen. De manier waarop het gebeurt
varieert. De NOS heeft geëxperimenteerd met YouTube, bij NRC.Next beantwoorden
redacteuren vragen in de comments en Trouw heeft bij een aantal vaste rubrieken enkele
redacteuren die vragen beantwoorden. Geconcludeerd kan worden dat V&A’s populair zijn
als UGCI, dat hier volop mee wordt geëxperimenteerd en dat deze UGCI een duidelijk
groeipotentieel heeft voor de toekomst.
Een andere pure vorm van UGC is het kunnen publiceren van eigen verhalen en/of
beelden. Wat direct opvalt is dat het de dagbladen zijn die met name geïnteresseerd zijn in de
verhalen van lezers, terwijl de televisiemedia met name om beelden vragen. Dat is allerminst
verrassend gezien de wortels van beide media die respectievelijk in tekst en beeld te vatten
zijn. Wat opvalt is dat verschillende krantenwebsites om verschillende verhalen vragen. Het
is De Telegraaf die een geheel eigen platform (WUZ) in het leven heeft geroepen, waar
burgers naar believen eigen allerhande verhalen kunnen publiceren. Het maakt daarbij niet
zoveel uit of het een nieuwsverhaal of een persoonlijke ervaring betreft. Overigens is WUZ
ook een platform waar lezers hun eigen foto’s kunnen publiceren. Trouw laat lezers hun
religieuze ervaringen delen, geheel conform de identiteit van de krant. NRC scoort goed met
‘ik@nrc.nl’, korte persoonlijke verhaaltjes die al een rijke traditie hebben in de papieren
krant, nog voordat het Web2.0 haar intrede deed. De ‘ikjes’ maken ook kans om in de
papieren versie terecht te komen, waardoor er een wisselwerking ontstaat tussen enerzijds
papier en anderzijds het web.
Zowel de NOS als RTL stellen veel in het werk om hun bezoekers aan te sporen
beelden te delen. De NOS doet dat met ‘ooggetuige’, RTL doet dat met ‘jouw inzending’. Beide
zijn handige applicaties om snel en effectief foto’s, video’s of ooggetuigenverslagen in te
sturen. De redacties onderschrijven de waarde van deze door burgers gegenereerde inhoud.
Sue Robinson noemde al de waarde van authenticiteit van amateurbeelden, dat wordt door
deze twee redacties erkend.

68
Het is een stuk lastiger om weblogs in deze context op waarde te schatten. De
mogelijkheid voor lezers om te bloggen onder de paraplu van de merknaam is nihil. Vrijwel
alle redacties bloggen zelf wel, zij het door buitenlandcorrespondenten, eind- en
hoofdredacteuren of journalisten gespecialiseerd in een bepaald vakgebied. Op deze weblogs
is de transparantie groot, kan er altijd gereageerd worden en worden bepaalde journalistieke
keuzes verantwoord. Buiten dat is er van UGC niet echt sprake. Een aantal redacties zegt op
de website hun bezoekers te laten ‘bloggen’, maar in feite is dat niet meer dan het plaatsen
van een stukje tekst, zonder dat de persoon in kwestie daadwerkelijk een eigen weblog
onderhoudt. Er klinken wel geluiden voor plannen in de toekomst, maar momenteel zou het
kostentechnisch niet gunstig zijn door de capaciteit die het vergt.
Buiten de herkenbare UGCI’s wordt er door enkele redacties geëxperimenteerd met
nieuwe ideeën. Voorbeelden daarvan zijn de NOS en RTL die sociale netwerken inzetten.
Trouw is vernieuwend met ‘Trouw in de buurt’, een plek waar lokaal en regionaal nieuws
door burgers zelf kan worden toegevoegd op een geografische kaart van Nederland. De
Telegraaf heeft een condoleanceregister als onderdeel van de site, waar online
familieberichten kunnen worden geplaatst. Het geeft eens te meer aan dat de onderzochte
redacties een zekere openheid uitstralen als het gaat om het toepassen van UGC. Individuele
redacteuren krijgen de kans om ideeën te ontplooien en ze tot uitvoering te brengen.
Hoofdredacties bieden daar de ruimte voor. Het besef is er dat het moet en de wil is er om het
te doen.
Dan zijn er nog twee redacties die kunnen worden bestempeld als de vreemde eend in
de bijt: NRC.next en NU.nl. Beide websites onderscheiden zich. NRC.next doet dat door
zichzelf te presenteren als een weblog in plaats van een website. Ze profileren zich als een
toegankelijke redactie waar transparantie en openheid centraal staan en waar de bezoeker
direct kan meepraten of denken over actuele zaken. Het is duidelijk gericht op een jongere
doelgroep en het blijkt succesvol, zoals dat ook heeft gewerkt bij de papieren versie. Er is
geen website waarbij de benaderbaarheid van redacteuren zo groot is en waar het gesprek zo
goed tot zijn recht komt, vergeleken bij de andere websites. Bij NRC.next is het zelfs zo dat de
bezoeker stukken kan publiceren op het weblog, tussen de originele stukken van de redactie,
mits de redactie het stuk kwalitatief hoogstaand genoeg vindt. Burgerbijdragen komen dus
niet op een speciaal burgerplatform terecht, maar tussen de redactionele content.
Het mengen van UGC en redactionele content komt bij NU.nl - de enige redactie die
zich volledig op internet manifesteert – in zijn geheel niet voor, in tegenstelling tot NRC.next.
Er is geen website waarbij de nieuwscontent en de UGC zo duidelijk van elkaar gescheiden
zijn. Je hebt de journalistiek en je hebt datgene waar bezoekers over willen praten. Dat uit
zich op NUjij.nl. Als het gaat om interactiviteit dan scoort NUjij.nl het hoogst. Het staat
bezoekers toe niet slechts te praten over of reageren op de inhoud van artikelen op NU.nl,

69
maar op de inhoud van artikelen overal op het internet. Daarmee onderscheidt NU.nl zich
van de andere redacties en toont het aan het Web2.0 op een waardevolle manier te willen
gebruiken in het gesprek dat online plaatsvindt. Dat betekent dat de bezoeker het onderwerp
van het gesprek bepaalt en daarmee een zekere macht krijgt. Bovendien kan er eenvoudig
worden doorgelinkt naar iemands eigen website, waardoor het UGC-technisch ook een groot
potentieel heeft. Voor NUfoto.nl geldt eveneens dat het een zeer toegankelijke manier is
waarop eigen materiaal kan worden gepubliceerd. Zowel amateur- als professionele
fotografen gebruiken het als platform, terwijl de NU-redactie het als een onuitputtelijke bron
van nieuwsfoto’s kan gebruiken. Het is interessant te zien hoe een internetmedium met UGC
omgaat, ten opzichte van traditionele redacties. Er is duidelijk gekozen voor een andere
structuur, die gezien het succes absoluut lijkt te werken.
Om de vraagstelling in dit onderzoek – in hoeverre is UGC geïntegreerd op
nieuwswebsites? – voldoende te beantwoorden, volstaat het lezen van hoofdstuk vier. Er is
geen redactie die zich onttrekt aan UGC en bij allen wordt een adequaat beeld geschetst van
welke UGCI’s de website wel of niet halen en welke motivatie daarbij hoort. De ‘in hoeverre’-
vraag is desalniettemin moeilijk te beantwoorden. Dit onderzoek is ondanks haar poging een
helder beeld te schetsen van UGC in Nederland, niet meer dan een momentopname.
Ontwikkelingen doen zich zo snel voor, dat conclusies die hier worden getrokken, over een
jaar alweer gedateerd kunnen zijn.
Een aantal conclusies zijn er desondanks wel te trekken. Zo zijn de Nederlandse
redacties doordrongen van het feit dat UGC een vast onderdeel is geworden en dat ook moet
zijn, zonder daarbij het ‘hoe’ te betrekken. De blik is naar voren gericht. Uit de analyse blijkt
dat UGC een aanwezige factor is op de websites. Het is niet weggestopt in een hoekje, maar
neemt op veel plaatsen een prominente plaats in. Er zijn zelfs speciale platforms waar
burgers hun bijdragen kunnen leveren. Deze bijdragen kunnen uiteindelijk ook het nieuws
halen. Denk bijvoorbeeld aan foto’s van NUfoto die in nieuwsartikelen worden gepubliceerd.
UGC manifesteert zich op de homepages van de websites en wordt in toenemende mate
serieus genomen.
De redacties zijn allerminst conservatief en uit de gesprekken blijkt ook dat men bij
het woord ‘conservatief’ opzij kijkt met een afkeurend gebaar of gelaatstrekking. Er is geen
redactie die zichzelf graag conservatief noemt, maar uit de praktijk blijkt evenzeer dat ze daar
ook naar handelen. Het zijn niet slechts grote woorden. Dat mag opvallend heten, kijkend
naar het onderzoek van Hermida en Thurman, die concludeerden dat er bij de Britten wel
degelijk een deken van conservatisme over de redacties hangt. Dat is een opvallende uitkomst
van dit onderzoek; de overhand van progressiviteit en de wil om UGC op de goede manier te
laten functioneren. Waar Groot-Brittannië afwacht en reageert, is het Nederland dat vooruit
kijkt en acteert. Kanttekening bij deze conclusie is dat het onderzoek van Hermida en

70
Thurman alweer twee á drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. Door de stormachtige
ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan, is dat een lange tijd. Het is
interessant om te kijken welke veranderingen zich in de tussentijd hebben voorgedaan bij
onze westerburen.
Het tweede deel van de vraagstelling – welke veranderingen zich hebben voorgedaan
in de werkcultuur – is eenduidig te beantwoorden. Zoals de conclusie luidt dat UGC geen
vervanging is van de traditionele journalistiek, maar een aanvulling, zo ziet het er ook uit op
de nieuwsvloeren van de verschillende media. Er hebben zich niet per definitie grote
veranderingen voorgedaan; er is met name iets bijgekomen. Voor de verslaggever, de
presentator, de interviewer, de samensteller, de planner, de columnist en de hoofdredacteur
zal er relatief weinig zijn veranderd. Zij hebben geen normen en waarden om moeten gooien
voor het uitoefenen van hun vak ten behoeve van het integreren van UGC. Werkwijzen en
routines blijven vrijwel hetzelfde. Natuurlijk, ook zij krijgen er mee te maken, maar het is die
ene redactie die er sinds enkele jaren bij is gekomen, die de veranderingen merkt: de
webredactie.
De redacteuren die de inhoud en identiteit van het traditionele medium vertalen naar
het internet, dat zijn degenen die een fundamentele verandering waarnemen in het
nieuwsproces. Voor Irene van Driel van RTL is een speciale functie gecreëerd om UGC – zij
het via een sociaal netwerk – te laten integreren. Voor Robert Baltus van de NOS geldt
hetzelfde. Zonder uitzondering hebben alle redacties een interneteiland, waar dat Web2.0
wordt bediend en waar deze conversatie met de lezer/kijker/bezoeker plaatsvindt. Op de
redactie van NU.nl is bestrijkt dat Web2.0-eiland het hele continent. Dat is de plek waar de
werkcultuur van de journalist definitief een nieuw gezicht heeft gekregen. De schrijver
schrijft, de radioverslaggever spreekt en de televisiepresentator laat zien; de
internetredacteur voert een gesprek. En die gesprekspartner is de burger. The People
Formerly Known as the Audience.

71
Bibliografie

Literatuur

Bakker, P. & Pantti, M. (2009)


‘Misfortunes, memories and sunset: Non-professional images in Dutch news media.’
International Journal of Cultural Studies, 12:471, 482-483.

Bowman, S. & Willis, C. (2003)


‘We Media. How audiences are shaping the future of news and information.’ Media
Center, Reston.

Deuze, M. (2003)
‘The web and its journalisms: considering the consequences of different types of news
media online’ New Media & Society, 5/20, 220.

Dijck, J. v. (2009)
‘Users like you? Theorizing agency in user-generated content.’ Media, Culture &
Society, 31/41, 44.

Domingo, D. et al (2008)
‘Participatory Journalism Practices in the Media and Beyond. An international
comparative study of initiatives in online newspapers.’ Journalism Practice, 2/3, 337-
339.

Domingo, D. & Heinonen, A. (2008)


‘Weblogs and Journalism. A Typology to Explore the Blurring Boundaries.’ Nordicom
Review, 29/1, 326.

Dutton, W. (2007)
‘Through the Network of Networks: The Fifth Estate.’ Oxford Internet Institute.

Gillmor, D. (2004)
‘We the Media. Grasroots Journalism by the People for the People.’ Sebastopol, CA.:
O’Reilly.

Goode, L. (2009)
‘Social news, citizen journalism and democracy.’ New Media and Society, 11/8, 1291-
1302.

Hermida, A. & Thurman, N. (2008)


‘A Clash of Cultures. The integration of user generated content within professional
journalistic frameworks at British newspaper websites.’ Journalism Practice, 2/3,
344-352.

Herminda, A. & Thurman, N. (2007)


‘Comments please: How the Britisch news media are struggling with user-generated
content’ London.

Keen, A. (2007)
‘The Cult of the Amateur. How Blogs, MySpace, YouTube, and the rest of today’s
user-generated media are destroying our economy, our culture and our values.’ New
York: Doubleday.

72
Kovach & Rosenstiel (2001)
‘The Elements of Journalism: What News People Should Know and the Public Should
Expect.’ Three Rivers Press.

Newman, N. (2009)
‘The Rise of Social Media and its Impact on Mainstream Journalism’ Reuters
Institute, Retrieved from:
http://reutersinstitute.politics.ox.ac.uk/fileadmin/documents/Publications/The_rise
_of_social_media_and_its_impact_on_mainstream_journalism.pdf 2-3.

Nip, J.Y.M. (2006)


‘Exploring the Second Phase of Public Journalism’ Journalism Studies, 7/2, 2-11-14.

Örnebring, H. (2008)
‘The Consumer as Producer – of What? User-generated tabloid content in The Sun
(UK) and Aftonbladet (Sweden)’ Journalism Studies, 6/2, 774.

Paulussen, S. & Ugille, P. (2008)


‘User Generated Content in the Newsroom: Professional and Organisational
Constraints on Participatory Journalism.’ Westminster Papers on Culture and
Communication, 5/2, 25-36.

Potts, M. (2007)
‘Journalism: Its Intersection With Hyperlocal Web Sites.’ Niemann Reports, 66.

Robinson, S. (2009)
‘If you had been with us’: mainstream press and citizen journalists jockey for
authority over the collective memory of Hurricane Katrina.’ New Media & Society,
11/5, 806.

Shirky, C. (2009)
‘How Social Meda can Make History’ TED conference address, Retrieved from:
http://www.ted.com/talks/clay_shirky_how_cellphones_twitter_facebook_can_ma
ke_history.html.

Singer, J.B. (2009)


‘Quality Control’ Journalism Practice, 4/2, 138.

Thurman, N. (2008)
‘Forums for Citizen Journalists? Adoption of user generated content initiatives by
online media.’ New Media & Society, 10/1, 143-144.

73
Interviews

Marco van der Laan, chef internetredactie van De Telegraaf


4 maart 2010, redactie De Telegraaf

Vincent Dekkers, webmaster ‘Trouw in de buurt’ van Trouw


10 maart 2010, redactie Trouw

Mark Vos, webredacteur NUjij.nl


17 maart 2010, redactie NU.nl

Chris Heijmans, webredacteur NUfoto.nl


17 maart 2010, redactie NU.nl

Irene van Driel, redacteur digital media bij RTL


31 maart 2010, redactie RTL Nieuws

Ernst-Jan Pfauth, blogger voor NRC.Next


1 april 2010, interview per e-mail

Reinier Kist, redacteur NRC.Next


2 april 2010, telefonisch interview

Kees Versteegh, chef internetredactie van het NRC Handelsblad


12 april 2010, telefonisch interview

Robert Baltus, coördinator NOS NET


2 juni 2010, redactie NOS

Tim Overdiek, adjunct-hoofdredacteur NOS


3 juni 2010, redactie NOS

Jens Kraan, plaatsvervangend chef digidesk NOS


3 juni 2010, redactie NOS

Websites

http://www.telegraaf.nl/
http://www.trouw.nl/
http://www.nrc.nl/
http://www.nrcnext.nl/
http://nos.nl/
http://www.rtl.nl/actueel/rtlnieuws/home/
http://www.nu.nl/
http://www.nujij.nl/
http://www.nufoto.nl/
http://news.bbc.co.uk/2/hi/talking_point/default.stm

74