, I

') J-22°i=-'
} , ' ~
'""3! f ( ~ " . i
De faubourg als de middeleeuwse
voorloper van de squatter
De rulmtelljke overeenkomst tussen het ontstaan en gevolg van de Europese
mlddeleeuwse voorstad en die In de ontwlkkellngslanden
TR diss
2206
Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Technische Universiteit te Delft, op
gezag van de Rector Magnificus prof.drs. P.A. Schenck, in het openbaar te verdedigen ten
overstaan van een commissie aangewezen door het College van Dekanen,
op maandag 26 april 1993 des morgens om 10.00 uur
door
Rudolf Edward Alman
geboren le Surabaja, Indonesia,
bouwkundig ingenieur
In houdsopgave
o Voorwoord en samenvatting
Probleemstelling en hypothese
2 Gegroeide versus gestichte steden
2.1 De Griekse stedebouw
2.2 De Romeinse stedebouw
2.3 De middeleeuwse stedebouw
2.3.1 Fase Faubourg I
Faubourg versus civitas
2.3.2 Fase Faubourg II
Faubourg versus bastide
2.4 De Renaissance stedebouw
Conclusie
3 De betekenls en elgenschap van de faubourg
3.1 Ruimtelijk gevoel versus ruimtelijk besef
3.2 Regelmaat van de orde versus regelmaat van het toeval
3.3 Kenmerken en potentiele eigenschappen van de faubourg
Conclusie
4 De Invloed van de Renaissance op de eerste fase van stadsvormlng In
de Derde Wereld
5
6
7
Conclusie
Urbanlsatie als graadmeter van de stedelijke ontwikkeling
Conclusie
De opvattingen ten aanzien van de squatter
6.1 De conventionele opvatting
6.1.1 Afrika versus Latijns-Amerika
6.1.2 Azie versus Afrika en Latijns-Amerika
6.2 De progressieve opvatting
Conclusie
De rulmtelijke verschljnlngsvorm van de lIIegalitelt
7.1 De compound George (Mwaziona) in Lusaka, Zambia
7.2 De villages van Mathare Valley in Nairobi, Kenya
5
17
27
34
43
63
63
73
84
104
117
124
126
127
141
144
148
153
164
166
177
179
186
187
210
231
234
235
23f;
2 ~
7.3 De squattercolony van Rouse Avenue te Delhi, India 257
7.4 De kampong Kerendang te Jakarta, 266
7.5 De favela Nova Brasilia te Rio de Janeiro, Brazile 279
Conclusie 286
8
Wonlngbouw als productleconcept vanult de vraag- en aanbodzljde 288
8.1 Woningbouwsectl)r A 292
8.2 Woningbouwsectl)r C 294
8.3 Woningbouwsector B 297
8.4 Woningbouwsect,)r D 301
9 De mythe van de efflclAntle In de wonlngbouwproductle voor
de lage Inkomens
307
Conclusie
321
10 De regelmatlgheld van 'sltes-&-servlces' 323
Conclusie 346
11 Naar een elgen IdentHelt van de squattergemeenschap 348
Conclusie 366
12 De regelmatlgheld van squatternederzettlngen
370
12.1 De gourbivilles Etthadarnen en Douar Hicher bij Tunis, Tunesie 374
12.2 De piratenstad EI-Mounira Imbaba van CaIro, Egypte 383
12.3 De katchi abadi Mohammed Nagar te Karachi, Pakistan 389
12.4 De barriada Cuellas van Lima, Peru 394
12.5 De colonias paraGaidistas van Santo Domingo Los Reyes
in Mexico Stad, Mexico
404
Conclusie
413
13 De wlsselende trend In het wonlngbouwbeleld: een nabeschouwing 415
14 Parallellen tussen de faubourg en de squatter 419
Concluderende samenvatting
429
15 Eplloog 433
Noten
447
lIIustraties
479
Tabellen 486
LHeratuur 487
English summary 501
Colofon 509
4
o
Voorwoord en samenvatting
Dit proefschrift is het resultaat van een tien jaar durende studie en
daarmee ook het resultaat van een confrontatieproces en een bezinnings-
proces. Tijdens deze periode namen beide processen steeds een afwisse-
lende plaats in. Vooral in het begin manifesteerde het confronterende
element zich in drie vormen. Ten eerste uitte het zich in de vorm van
een cultureel verschil en daarmee oak een verschil in denk- en bele-
vingswereld tussen Indonesie -- het land van mlJn geboorte, jeugd en
universitaire propadeutische opleiding in de architectuur gedurende het
begin van de zestiger jaren -- en Nederland, het land waar ik mij in
1964 heb gevestigd en waar ik een jaar later besloot mijn studie in de
stedebouwkunde aan de destijds genoemde Afdeling Bouwkunde van de TH
Delft voort te zetten. De tweede vorm van confrontatie kwam tot uiting
in het onderwijs-inhoudelijke verschil tussen de Faculteit Bouwkunde en
het IRS Rotterdam (Institute for Housing and Urban Development Studies),
de instellingen waar ik, na voltoaiing van mijn studie, mijn dagtaak
deel. Op de Faculteit Bouwkunde ben ik als ontwerpdocent zowel betrokken
bij structuur- en bestemmingsplannen in de Nederlandse gemeentelijke
context alsook in de stedelijke context van de Derde wereld, terwijl op
IRS Rotterdam ik mij vooral toeleg op de problernatiek van de volkshuis-
vesting en die van de planuitvoering in de Derde wereld.
De laatste confrontatie is de vorm die eigenlijk iedereen zal meernaken,
die verre reizen onderneemt. In mijn geval droeg het practijk- en be-
roepsrnatig contact tijdens de vele dienstreizen naar de ontwikkelings-
5
landen via het IHS Rotterdam er toe bij dat ik, net betrekking tot het
waargenonen verschil ten aanzien van de belevingswereld in de nenselij-
ke nederzettingen tussen Clost en West, respectievelijk tussen Zuid en
Noord, mijzelf zag geplaatst net de centrale vraag of dit verschil wel
zo wezenliik was onder vergelijkbare omstandigheden. Ret is eigenlijk in
deze hoedanigheid, dat laatste confrontatievorm de drijfveer was voor
het vraagstuk en voor lJet formuleren van de centrale hypothese bij dit
proefschrift. Vergelijkhire omstandigheden yond ik hypothetisch bij de
situatie voor 'West' respectievelijk 'Noord' in de faubourg als de voor-
stedelijke nederzetting ·van de middeleeuwse stad en bij de situatie voor
'Clost' respectievelijk 'Zuid' in de squatter als de randstedelijke ne-
derzetting in de huidige ontwikkelingslanden. Hieruit is de behoefte aan
een vergelijkende studi,g tussen de faubourg en de squatter aanvankelijk
ontstaan. Ret probleem bij een dergelijke vergelijkende studie manifes-
teerde zich spoedig op twee tegengestelde niveaus: zo moeilijk, zo niet
als irrponderabilia, de onderlinge verschillen tussen de faubourgs zijn
te achterhalen, zo groot zijn de waar te nenen onderlinge verschillen
tussen de squatters in de Derde Wereld. De oorzaak van dit probleem lag
in feite in de onderzoeksnethode, nanelijk aan de -- voor zowel de fau-
bourg als de squatter -- 'case-study'behoevende opzet, ten grondslag. De
onderzoeksimpasse is uiteindelijk doorbroken door, in plaats van de on-
derlinge verschillen aan te tonen, juist onderlinge tus-
sen de faubourg en de squatter te benadrukken.
Hierbij wordt het accent van het onderzoek verlegd naar het aantonen van
vergelijkende hoedanigheden, waarbij er in de hypothese van wordt uitge-
gaan, dat beide nederzettingsvornen tot het gegroeide stadstype behoren.
Het gevolg is, dat zowel de faubourg als de squatter zich hierbij als de
casus zelf aandienen. De studie aangaande de faubourg draagt het karak-
ter van een literatuuronderzoek, terwijl die random de squatter veelal
gebaseerd is op practijkervaring en eigen waarneming. Zonodig werd deze
ook net bevindingen van andere auteurs onderbouwd of er werd gerefereerd
aan andere literatuurbronnen. Ten aanzien van de verwerking van gege-
yens, wilde ik hierbij n09 een kanttekening plaatsen. Aangezien de op-
mars van de squatter practisch na de onafhankelijkheid plaatsvond, is
6
dit de reden geweest waarom veel literatuurmateriaal uit de jaren zeven-
tig en het begin van de jaren tachtig is gebruikt. Overigens bet schrij-
ven van dit proefschrift gebeurde in een tijd van woelige tijden. Grote
verschuiving of overheveling van zaken uit de openbare naar de priv9
sfeer en de val van het Oostblok gepaard gaande met de afkalving van bet
communisme, waren onder andere twee belangrijke gebeurtenissen die de te
berde gebrachte zienswijzen reeds hebben achterhaald. Somnage passages
moesten hierdoor herschreven worden. 20 is tegen het eind van 1991 een
omslag gaande in het bezigen van de term 'Derde W8reld'. Door de recen-
te ontwikkelingen is deze term ook achterhaald. Om inhoudelijke redenen
dient hier in plaats van deze benaming de vigerende term 'ontwikkelings-
landen' gelezen te worden.
Vervolgens is, ter verduidelijking van de onderlinge samenhang van de
hoofdstukken, een korte omschrijving van ieder hoofdstuk op zijn plaats.
ProbleeJlBtelling en hypothese
Op basis van een verondersteld stedelijk continuUm, wordt de Europese
stedelijkheid via het kolonialisme als cultuurgoed naar de Derde wereld
overgebracht. Dit vormt de hypothese om overeenkomsten te signaleren
tussen de faubourg en de squatter. Morfologisch behoren beide nederzet-
tingen tot bet gegroeide stadstype. Dit hoofdstuk omschrijft vervolgens
de methode van onderzoek, met het doel om tot een vergelijking te komen
inzake de stedebouwkundige en aanverwante kenmerken tussen de middel-
eeuwse faubourgs en de huidige squatters in de Derde wereld.
flQJfdsblU Gegroeide versus gestichte steden
Dit hoofdstuk verzorgt een morfologische analyse over het verschil in
bet ruimtelijk patroon tussen gegroeide en gestichte steden. De geschie-
denis levert tal van casussen op om dit verschil aan te tonen. Europa
wordt beschouwd als een werelddeel, waar gegroeide steden v66r de ge-
stichte steden zijn ontstaan, hetgeen inhoudt dat de opzet van de ge-
stichte, later de planmatige stad, geinspireerd is door de gegroeide
stad als haar voorganger. De planmatige stad wordt beschouwd als een
verbetering van de gegroeide stad, omdat deze laatste naar de gangbare
van de bestuurlijke zijde, gezagbebber, of bescbermheer, kwa-
7
lijke trekken vertoont. Deze stelling wordt voor de eerste faubourgwor-
dingsfase (5de-llde eeuw n.C) met behulp van een casusanalyse betreffen-
de de tegenstelling tusisen faubourg en civitas en voor de tweede fau-
bourgfase (11de-17de eeuw n.C) tussen de faubourg en bastide getoetst.
In deze context is de faubourg een dergelijk verfoeilijk of niet te ge-
dogen nederzettingstype, dat zowel maatschappelijk, politiek als ruimr
telijk in de directe nabijheid, om niet te zeggen aan de poort van de
stad, naar bevinding van de gezaghebber niet thuis hoorde. De essentie
van dit hoofdstuk is het aantonen van de plaatsgevonden inzichtsverande-
ring van de gezaghebber inzake het faubourgverschijnsel. Deze verande-
ring zou optreden vanaf het rroment dat de faubourg als een fait accomr
pli, oftewel als voorstad, opgenomen zou worden in het stadsterritorium.
Met de omwalling van de 'Ioorstad, zou de faubourg impliciet de elementen
van een nieuwe stad 'in statu nascendi', oftewel de 'ideale stad' ople-
veren.
Hoofdstqk J De 1!etekenis _ en eigeDSchap van _de faubourg
Aan de hand van lite:ratuuronderzoek verzorgt dit hoofdstuk een nabe-
schouwing over de negati'3ve en positieve kenmerken van de faubourg die
in bet voorgaande hoofdstuk in diverse paragrafen naar voren kwamen. Het
plaatst hiermee de faubourg in causaal verband met de opkomst van nieuwe
steden, de bastides. Het verduidelijkt vervolgens de stelling, dat het
opnemen van de faubourg .in de stad waar zij op georienteerd is nog geen
verbetering inhoudt. DI:! gevolgen van de stadsuitbreidingen buiten de
wallen worden hiermee in verband gebracht met het ontstaan van ideale
steden. De essentie van dit hoofdstuk is de betekenis van de faubourg
bij het aantonen van het verband tussen het ontstaan van de nieuwe idee-
en inzake de stichting van steden, en de bevindingen met betrekking tot
de stadsomwalling en stadsuitbreiding.
l)e invloed van de Renaissance op de ___
de
Dit hoofdstuk beschrijft de invloed van de Renaissance op de meningsvor-
mng inzake de stichting van steden buiten het vader land. Op een be-
schouwelijke rranier word": een verhandeling gegeven over bet centrifugale
karakter van bet westen inzake de buitengaatse territoriale uitbreiding-
8
en. De opkomst van de koloniale steden blijkt geschiedkundig aantoonbare
overeenkomsten te bezitten met de stichting van de Romeinse koionisten-
steden of de Engeise bastides in Frankrijk etc. De regeimatige structuur
ervan is een nagelaten bewijs van wat koloniale of kolonistensteden
ruimtelijk in principe met elkaar gemeen hebben. De Renaissance heeft er
eigenlijk voor gezorgd dat de practijk van de 13de eeuwse stadsstichting
haar voortzetting vond in de manier waarop primaatsteden in de kolonien
werden opgezet. De essentie van dit hoofdstuk is het aantonen van het
bestaan van de westerse stedeIijke continuiteit in een wereld die thans
de Derde wereld wordt genoemd.
HQQJgg;t1JK __5 Urbani Jle
Ret verstedelijkingsproces in de Derde wereld bezit andere dimensies en
andere variabelen dan dat in Europa. Dit hoofdstuk leidt de urbanisatie
in de Derde wereld als veranderingsproces in, waarbij de dynamiek twee
gezichten kent. Enerzijds bezit de stadsperiferie de dynamiek waar het
de ontwikkeling van de migrantenwijken aan te danken heeft, en ander-
zijds, bezit de kern, het ex-koloniale gedeelte, de dynamiek die verant-
woordelijk is voor de trend die in het westen 'suburbanisatie' wordt ge-
noemd. De tegenstelling tussen beide gezichten van de urbanisatie is
voor de Derde wereld typerend te noemen alszijnde het verschil dat zich
tussen de armen en rijken manifesteert. Met dit hoofdstuk wordt het in-
zicht gegeven dat urbanisatie een technologische ontwikkeling voort-
brengt, die in het westen juist wordt beschouwd als de aanleidingsfac-
tor.
_6 aanzj
Dit hoofdstuk beschrijft de opkomst van de na-koioniale vorm van de
overheid en identificeert haar opvatting ten aanzien van de navenant ge-
lijktijdige opkomst van de squatters. In de na-oorIogse jaren, de jaren
vijftig en zestig, profileerde de jonge overheid, frappant genoeg in aI-
le drie continenten, zich op een zodanige zelfbewuste manier, dat alle
vormen van stedelijke onregelmatigheid, waar de slums en squatters ook
voor werd aangezien, niet getolereerd werden. Er blijkt in de jaren ze-
ventig een kentering in deze opvatting plaats te vinden, want in plaats
van §,fl:l[Sl.Cik: van de squatters, is menige overheid overgestapt op de yer-
9
betering ervan. Dit geElft aan, dat gaandeweg de overheid de wording en
het voortbestaan van de squatters erkent. Dit hoofdstuk geeft hiervoor
twee redenen achter deze opvattingswending aan. De ene heeft betrekking
op de relatie met het westen en de andere speelt zich intern af.
De verschiinil'1tJAVQt1Il van de illeqaliteit
Aan de hand van vijf casussen van squatternederzettingen (twee in Afri-
ka: Zambia en Kenya, twee in Azie: India en Indonesie en een in Latijns
Amerika: Brazilie) wordt: in dit hoofdstuk een analyse gedaan naar de fy-
sieke verschijningsvorm van de zelfbouw gedurende de verschillende wor-
dingsfasen van de squatter.
In de eerste plaats is het doel ervan, na te gaan of het patroon van een
gegroeide nederzetting als een algemeen beeld over de ruimtelijke opbouw
van de squatters in de Derde !NereId bescoouwd kan worden en, in de twee-
de plaats, of deze ruimtelijke desorganisatie iets zegt over de organi-
satiegraad van de sanenleving. In deze studie worden de ruimtelijke as-
pecten zoals, de vesti9ingslocatie, de terreinoccupatie, de bebouwings-
dichtheid en het bebouwingspatroon in de context van de wordingsgeschie-
denis geplaatst. Hierbij wordt de gespannen verbouding tussen de bewo-
ners (als de stichter erl gebruiker) en de overheid (als de regelgever)
in dit wordingsproces bE!licht. Tevens wordt in dit boofdstuk het verband
gelegd tussen de geproclaneerde onafhankelijkh.eid van het casus land en
de opkomst van de squatters in dat land.
Hoofdstuk 8 lIbninqbouw als
bodzijde
Dit hoofdstuk gaat in op de van de in boofdstuk 6 bedoelde op-
vattingswending van de overheid, wat vooral tot uiting komt in de onder-
kenning van de zelfbouwc:apaci tei t van bewoners en de niet-legale produc-
tiewijze van de Door deze twee factoren als paraneters te
hanteren bij de analyse naar de productiewijze van woningen zowel in de
fornele als infornele f;feer, wordt een onderscheid in vier woningbouw-
productietypen naar de I'ol van de overheid en bewoner-gebruiker zicht-
baar. Op basis van de QI;!.§itieve onderkenning van de zelfbouwactiviteiten
in de squatter, wordt tdernee de positie van de overh.eid als facili-
teitsverlener in de 'sites-&-services' verduidelijkt.
10
De essentie van dit hoofdstuk beeft betrekking op de rol van de overbeid
als machtbebber, die tot uiting komt bij haar stellingname ten aanzien
van de zelfbouwvormen. De overbeid manifesteert zich in de roi van re-
gelgever en kwaliteitsbewaker bij de squatterverbetering, terwiji in de
'sites-&-services' haar positie veel eerder faciliteitsverlener is.
Hoofdstuk 9 De uwthe van de efficientie in qe wnnipghnuwproductie
vex>r de lage jn1rampns
Dit hoofdstuk gaat verder in op de verhandeling van hoofdstuk 5 aangaan-
de de woningbouwproductie in de conventionele sector en beeft betrekking
op de aanbevolen technologie voor de bewerksteiliging van deze door de
overbeid opgeleverde woningen.
Na het tijdperk van de kolonisatie, doet de internationalisering in de
Derde wereld ook haar intrede. Een na-koloniale vorm waarmee de Derde
wereld wederom door bet westen beinvloed wordt, is de §ysteembouw. In
bet westen beeft deze geindustrialiseerde productiewijze van de sociale
woningbouw vruchten afgeworpen. Deze op westerse leest behaalde succes-
sen blijven voor de Derde wereld echter belaas uit. De oorzaak hiervoor
moet gezocht worden in bet feit, dat de Derde wereld niet de historiscbe
achtergrond van de systeembouw bezit. Het bewerkstelligen van systeemr
bouw als oplossing van bet volkshuisvestingsvraagstuk -- waarbij gewerkt
wordt met begrippen als efficientie en standaardisatie uit bet westen--
mondt per definitie uit op een fiasco.
De essentie van dit hoofdstuk is de onderkenning van de vorm van bet op-
geleverde aan de lage inkomens als gebruiker: enerzijds behoort de wo-
ningvorm aangepast te zijn aan de wooncultuur/traditie en anderzijds,
behoort een technologie gebruikt te worden die aangepast is aan de soci-
aal-economiscbe situatie van de gebruiker. Het doel van standaardisatie
als mede-concept van efficientie ter wille van bet beperken van de 'on-
gemotiveerde' keuze blijkt voor de volkswoningbouw in de Derde wereld
niet geschikt te zijn.
Boofdstuk 19 De . regelmatigheid van ' sites-&-services'
Benevens bedachte alternatieve woonproductievormen voor de lage inko-
mens, zoals squatterverbeteriog (hoofdstuk 6) en de gangepaste vorm ten
bate van de conventionele productiesector (hoofdstuk 9), geeft dit
11
hoofdstuk verdergaande verhandeling over bet in hoofdstuk 5 ingeleide
, sites-&-services' concept. De ' sites-&-services' wordt beschouwd als de
ideale woningproductievorm, waar zowel de overbeid (faciliteitsverlener)
als bewoner (gebruiker) een taak te vervullen bebben. Niet aileen in op-
leveringstechniscbe overwegingen uit zich deze ideale vorm, echter ook
in stedebouwkundige opzichten. Dit hoofdstuk levert een aantal voorbeel-
den op, op basis waarvan bet ruimtelijk kennerk van deze ideale neder-
zetting te beoordelen is. Hierbij is de regelmatigbeid of zelfs de star-
re gridnatigbeiq van de 'sites-&-services'opzet te constateren, vanwege
de bewerkstelliging van drie zienswijzen: 1) bet zaligmakende concept,
2) bet efficientieconcept en 3) bet massaproductieconcept.
Hoofdstuk_U Naar een eigen identiteit van de
Uitgaande van de eerdere conclusie, dat de squatter geenszins een onge-
ordende zelfbouwwijk is (hoofdstuk 6), noch een wijk waar de bewoners
niet participatiegewillig zijn (hoofdstukken 7 en 8), geeft dit hoofd-
stuk, aan de hand van verschillende cassussen, verder betoog aan de aan-
wezigbeid van een eigerL democratievorm bij de bepaling van een zelfbe-
van een door de bElwoners zelf opgezette wijk. Hierbij wordt bet
verschil aangetoond tussen bet 'gesloten' karakter van de plattelandse
gemeenschap, waar de squatters van de eerste generatie oorspronkelijk
kwamen, en bet 'open' karakter van de squatter als stedelijke leefge-
meenschap.
In tegenstelling tot bet: vermoeden, dat bet plattelandse karakter in de
squatter tot uiting komt, betekent dit geenszins, dat de squatter een
reproductie van de dorpsgemeenschap in alle opzichten is. De dynamiek,
de opwaartse mobiliteit en eendrachtigbeid -- elementen die in bet plat-
telandse dorp ontbreken -- zijn overigens de andere elementen die zorgen
voor bet besef onder de squatterbewoners van bet belang van voor een
eigen organisatie als adequate blokvorming tegen bet opbeffingsgevaar
van hun bestaan door de overbeid.
Hoofds9Jk 12 De van squatternederzettingen
In tegenstelling tot bet: tot zover verkregen beeld over de onregelmatige
verschijningsvorm van dEl squatter, wordt dit hoofdstuk -- met behulp van
een vijftal casussen -- gewijd aan bet bestaan van sommige squattervor-
12
men die een regelmatig occupatiepatroon vertonen. Uitgaande van de stel-
ling dat I} de squatter per definitie het resultaat is van een groeipro-
ces en dat 2} de regelmatige opzet uitsluitend te danken is aan de
stichtings- c.q. planningsdaad in de formele sector, wordt de oorzaak
van deze tegenstelling uit de doeken gedaan.
De essentie van dit hoofdstuk is niet zozeer de geldigbeid van de gepo-
neerde stelling -- dat de onregelmatige verschijningsvorm bet resultaat
is van de illegaliteit (hoofdstuk 7) -- te verwerpen, alswel dat de uit-
spraak van de stelling nuances behoeft. De illegaliteit blijkt ook zijn
regelmatigbeid te bezitten, waarbij de verschijningsvorm een ruimtelijke
neerslag ervan is.
Hoofdstuk 13 Nabescbouwing over de wisselende trend in bet wmingbouw-
beleid
Na bet exPQseren van de diverse productievormen van woningbouw in zowel
de sector A (hoofdstuk 9), sector B (hoofdstuk 10), sector C (hoofdstuk
II) en sector D (hoofdstuk 12) en de hierin ge-analyseerde positie van
de overbeid met betrekking tot de squatter, geeft dit hoofdstuk een kor-
te nabeschouwing over de verschillende periodes waarin telkenmale be-
leidswisseling van de overbeid inzake de squatter is geconstateerd als
resultaat van de opvattingswending.
Hoofdstuk 14 Parallellen tussen de faubourg en de squatter
Dit hoofdstuk verzorgt een vergelijkende studie naar de voortgebrachte
kenmerken tussen de faubourg en de squatter als voorbeeld van de ge-
groeide nederzetting. W8nneer vanuit de stelling wordt gewerkt, dat de
faubourg en de squatter hierbij overeenkomsten vertonen, dan ligt bet
voor de hand om de kenmerken voor wat betreft de oorzaak, de wording,
bet bestaan, de verandering en bet gevolg van een dergelijk gegroeide
nederzetting met elkaar te vergelijken. Een concluderende samenvatting
is hier op zijn plaats, om de grote lijnen, de essentie, van deze studie
niet uit bet oog te verliezen.
Hoofdstuk 15 Epilooq
Dit hoofdstuk geeft een nabeschouwing over de waarde van dit proef-
schrift voor zowel de positiebepaling van aIle geledingen (de actors)
die met de squatterproblematiek te maken bebben als voor de betekenis
13

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful