Recensie van Johan Norberg, Leve de globalisering.

De wereld wordt steeds meer een global village, maar het dorp lijkt in slechte conditie te verkeren. Toenemende milieuvervuiling en een groeiende kloof tussen rijk en arm bepalen het nieuwsaanbod. Veel mensen komen in actie. Veel mensen gaan een heel eind mee in de kritiek van de antiglobalisten, die vaak al bij voorbaat het morele gelijk aan hun zijde hebben in hun zorg voor de armsten. Door het hoge emotiegehalte van de discussie is het moeilijk overtuigend kritiek te formuleren op hun standpunten. Wie dat desondanks buitengewoon goed gelukt, is de jonge Zweedse filosoof Johan Norberg in zijn boek Leve de globalisering. Hartstochtelijk verdedigt hij het vrije internationale verkeer van goederen, diensten en mensen. Een wereld dus zonder handelsbelemmeringen tussen landen, waarbij kapitaaltransacties (waaronder overnames, beleggingen en financieringen) zonder beperkingen tot stand kunnen komen en de arbeidsmarkt ook voor niet-ingezetenen goed toegankelijk is.

Tweedelingsmythe
Armoede is niet het gevolg van globalisering, maar juist van het gebrek daaraan, betoogt hij. Kapitalisme en democratie gaan hand in hand met toename van welvaart en welzijn, altijd en overal. Landen met een geliberaliseerde economie worden rijk, protectionistische landen arm. Met een overstelpende hoeveelheid gegevens uit gerenommeerde onderzoeken schetst hij een beeld dat haaks staat op de doemscenario’s van alarmistische activisten. Enkele feiten van de vele die Norberg noemt: in de afgelopen decennia is het inkomen van de gemiddelde wereldburger bijna verdubbeld, en is zijn levensduur spectaculair toegenomen. Zo ligt de gemiddelde levensduur in ontwikkelingslanden bijna 15 jaar hoger dan in het GrootBritannië van 100 jaar geleden, toen een van de meest toonaangevende economieën. Kindersterfte, honger en analfabetisme in de ontwikkelingslanden zijn in 50 jaar meer dan gehalveerd. Juist de armen hebben het meest van al deze ontwikkelingen geprofiteerd. Deze positieve ontwikkelingen zijn volgens Norberg geen toeval, maar rechtstreeks de vruchten van globalisering en vrijhandel. De economische omstandigheden in een land zijn niet primair het resultaat van de voorraad natuurlijke hulpbronnen, koloniale plundering, of het barre klimaat, maar van het gevoerde economisch beleid: mensen in economisch vrijere landen zijn gemiddeld bijna 10 keer zo rijk als die in minder vrije landen, en leven meer dan 20 jaar langer! De 20 economisch meest geliberaliseerde landen ter wereld (bv. Taiwan, VS) hebben een BNP per hoofd dat 29 keer hoger ligt dan de 20 minst geliberaliseerde landen (bv. Zimbabwe). Geen enkel land is er ooit in geslaagd de armoede terug te dringen zonder economische groei. Er bestaat ook geen voorbeeld van het omgekeerde: een land met een reële groei (groei gezuiverd voor inflatie) op lange termijn waar de arme bevolking niet van profiteerde. Er is ook geen enkel geval bekend van een land met een gestage economische groei op lange termijn zonder dat het zijn markt opengooide. Norberg concludeert dan ook: “Niemand kan ontkennen dat onze wereld met gigantische problemen kampt, maar de verspreiding van democratie en kapitalisme hebben die problemen niet groter maar kleiner gemaakt. Overal waar al een liberaal beleid wordt gevolgd, is armoede uitzondering geworden. En dat terwijl het vroeger regel was. De landen die globaliseren halen stilaan de rijke landen in, terwijl zij die niet globaliseren steeds verder achterblijven.” De veronderstelde toename van mondiale ongelijkheid door globalisering blijkt een mythe.

Wedloop naar de afgrond?
Maar zijn we met al die vrijhandel niet bezig met een wedloop naar de afgrond, vraagt Norberg retorisch. De productie verplaatst zich toch naar juist die landen met de laagste lonen en milieunormen? Als dat waar was, dan zou de gezamenlijke wereldproductie in landen als Nigeria geconcentreerd zijn, maar dat is overduidelijk niet het geval. Norberg laat

zien dat bedrijven niet allereerst op zoek zijn naar een lokatie met zo laag mogelijke kosten voor arbeid en milieu, maar veeleer naar een gunstig zakenmilieu met een liberale economie en geschoolde arbeidskrachten. De lonen in de ontwikkelingslanden zijn niet zo laag omdat bedrijven werknemers zoveel mogelijk willen uitbuiten, maar omdat de productiviteit er veel lager is. Productie verplaatsen naar een ecologische bananenrepubliek loont de moeite niet, omdat milieubescherming doorgaans maar een klein deel van de kosten van een bedrijf uitmaakt. Norberg betoogt overtuigend dat milieubescherming juist gebaat is bij vrijhandel: het levert een surplus aan economische middelen, zodat milieuzorg mogelijk wordt. Putten we door onze royale consumptie van grondstoffen de aarde dan niet uit? Dat valt mee: de consumptie van grondstoffen is geen statisch gegeven. Zo werd steenkool vervangen door olie. Maar over 100 jaar zal vermoedelijk voor energie-opwekking weer een heel andere grondstof gebruikt worden. Bovendien worden er voortdurend nieuwe voorraden gevonden en worden de stoffen efficiënter gebruikt. Onze voorraden raken allerminst uitgeput, alle nachtmerries uit het rapport van de Club van Rome ten spijt. Als die voorraden wel uitgeput zouden raken, zouden immers de prijzen moeten stijgen. Dat doen ze juist niet: rekeninghoudend met de geldontwaarding waren de prijzen van elektriciteit, kolen en aardolie in 1900 respectievelijk 8x, 7x en 5x hoger dan vandaag.

Flitskapitaal
De internationale kapitaalmarkt wordt algemeen beschouwd als een amoreel financieel roulettespel. Heffingen op internationale valutatransacties zouden het vermaledijde fenomeneen "flitskapitaal", waarbij internationale geldstromen alleen worden gedreven door een vermeende zucht naar de hoogste rendementen, moeten terugdringen (Tobintax1). Dit boek maakt echter duidelijk dat de financiële markt een onmisbaar medium is voor kapitaalsoverdracht, juist naar landen en bedrijven die een tekort hebben aan kapitaal. Fabrieken en kantoren schieten immers niet vanzelf uit de grond. Landen die deze markt aan banden leggen, zorgen ervoor dat beleggers zo’n land mijden, wat de ellende alleen maar groter maakt. In weerwil van het antiglobalistische volksgeloof zijn de schommelingen in de kapitaalmarkt sinds de jaren 70 niet erger geworden, ondanks het liberaliseren van die markten. De wisselkoers in landen met strenge kapitaalreglementeringen is daarentegen veel grilliger dan in landen met minder strenge beperkingen. Juist protectionistische economieën lopen meer risico getroffen te worden door financiële crises en hyperinflatie. Zo sloeg de Azië-crisis het hardst toe in de landen met de strengste kapitaalreglementering, terwijl de landen met de minst strenge reglementering er het best vanaf kwamen. Liberalisering van financiële markten moet “met beleid” gebeuren. Norberg wijst terecht op de randvoorwaarden die vervuld moeten zijn: controle over de staatsfinanciën, politieke stabiliteit, lage inflatie, wetgeving voor o.a. kredietwaardering en faillissement, en goed uitgeruste begeleidende instellingen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft menige deregulering erdoor gedrukt zonder dat deze voorwaarden vervuld waren. Dit heeft mede de globalisering ten onrechte een slechte naam bezorgd.

Huiswerk
Globalisering betekent verandering, en elke verandering roept angst op. Zelfs positieve veranderingen (zoals een flexibeler arbeidsmarkt) kunnen op korte termijn negatieve gevolgen hebben (zoals het verdwijnen van “traditionele” beroepen). Een begrip als globalisering is een prima anonieme zondebok voor alles wat er economisch misgaat. Het is
1 Tobintax is vernoemd naar de in 2002 overleden Amerikaanse Nobelprijswinnaar economie James Tobin. In de door Tobin uitgedachte vorm zou er sprake moeten zijn van een geringe heffing op valutatransacties om arme landen te beschermen voor de grillen van de financiële markten.

een goede zaak dat Norberg vrijhandel zo pontificaal en zo welluidend verdedigt. Vrijhandel is de enige route waarlangs arme landen aan hun problemen kunnen ontsnappen. Helaas worden de belangen van de armen nog steeds het ergst geschaad door ideologieën die hen zeggen te verdedigen tegen “kapitalistische uitbuiting”. Het uiterst prettig leesbare Leve de globalisering is een goed antidotum tegen misplaatste verontwaardiging over verondersteld onrecht. Mensen als Norberg lopen verhoogd risico te worden uitgekreten voor “kortzichtig marktfundamentalist”. Die kwalificatie verdient hij echter allerminst, daarvoor gaat hij te diep in op deze problematiek. Anderhalve eeuw geleden schreef Frederic Bastiat zijn Economic Sophisms, nog steeds even verfrissend en leesbaar als Leve de globalisering. Het is niet teveel gezegd om Norberg als de hedendaagse Bastiat te betitelen. De critici van vrijhandel doen er goed aan eerst eens grondig de feiten tot zich te nemen die Norberg aandraagt, in plaats van bij voorbaat de vrije markt af te wijzen. Geen goede remedie voor armoede zonder een goede diagnose!
Drs. A. Deij

Johan Norberg, Leve de globalisering (2002). Uitgeverij Houtekiet Antwerpen/Amsterdam. ISBN 90 5240 688 x. Oorspronkelijke titel: Till världskapitalismens försvar (2001)