1 De Kananese Vrouw. Zach.8:14-23 // Mat.

15:21-28 Wanneer we dit verhaal lezen is waarschijnlijk het eerste wat opvalt: wat komt een Kananese vrouw in de prediking van Jezus doen. Deze Griekse vrouw geboren in Syrofenicië komt ineens op de proppen en acht verzen later horen we nooit meer iets over haar. En toch is de conclusie: wat een geloof heeft die vrouw. Het tweede wat opvalt is: wat doet Jezus daar in de streek van Tyrus en Sidon? Zijn dit niet twee steden in de tijd van het vroegere vervloekte Kanaän? Eigenlijk wel: hoewel in die kuststreek Galileese en enkele Joodse steden in de tijd van Jezus een beetje door elkaar lopen. Hoewel die streek het erfdeel was van de stam Asher woonden daar voor het merendeel heidenen. Het is ook te achterhalen waarom Jezus juist naar die streek gegaan is. Wanneer we het begin van Mat.15 nagaan merken we dat juist een grote woordenstrijd achter de rug was met de Schriftgeleerden. Jezus, had hen met de woorden van Jesaja terechtgewezen en tot hen gezegd dat zij God slechts met de lippen eerden maar dat hun hart ver van God weg was. Kort daarop had hij ook gezegd dat de Farizeeën in hun hart onrein zijn en daar hadden ze aanstoot aan genomen. Om tactische redenen vlucht (tussen haakjes) Jezus naar een plaats buiten het bereik van wie hem kwaad wil doen. Zijn tijd van sterven is nog niet aangebroken. Een tweede reden die niet onmiddellijk voor de hand ligt, maar toch aanwezig is in het verhaal, is dat Jezus soms wel eens alleen wil zijn met zijn discipelen om hen apart van de massa te onderrichten. Dat vinden we terug in de woorden van de discipelen die over de vrouw opmerken: ”Zend haar weg want zij roept ons na.” (vers 23) Wanneer hij dan juist hier een wonder verricht op de grens van Israël en de heidenen is dat uitzonderlijk. Daar waar mensen geen geloof stellen, is zijn macht als het ware verlamd. Jezus had ééns twee andere steden in dezelfde streek met name genoemd als verdoemde plaatsen namelijk Bethsaïda en Chorazin. Vroeger werden hier de Baäl en Ashtaroth aanbeden die door de profeten van ouds als valse goden, als ”nietsen”, werden belachelijk gemaakt. Goden van steen of zelfs goud hebben geen macht, laat u niet misleiden. De kerkvader Chrysostomos uit de 4de eeuw geeft bij zijn commentaar op dit gedeelte van Matthéüs een interessante opmerking. Hij zegt dat Jezus in een

2 voorafgaand relaas gezegd heeft dat reinheid en onreinheid méér een zaak is van het hart dan van wat we eten of drinken. Zo maakt de omgang met heidenen: t.t. onreinen, de gelovige mens niet onrein. En hoewel Jezus nooit expres tot heidenen preekte en het zijn leerlingen verbood, zou deze ene uitzondering (samen met deze van de honderdman) een aanwijzing zijn dat de heidenen ooit zullen aangenomen worden op basis van geloof. Een zeer mooie gedachte van Chrysostomos die we niet willen tegenspreken. Nu terug naar die vrouw met het grote geloof. Het is zeer waarschijnlijk dat die vrouw over Jezus heeft gehoord want enkele mensen uit dezelfde streek (Joden in dit geval) waren door Jezus al genezen (Marc.3:8 / Luc.6:17). We moeten dus niet direct gaan veronderstellen dat ze een proselietenvrouw is wanneer ze tot Jezus komt met de woorden: ”Heb medelijden met mij Here, Zoon van David”. Gezien die vrouw haar leven lang onder een gemixte bevolking van heidenen en Joden heeft geleefd weet ze iets over de zeden en gebruiken van de Joden. Elke rabbijn spreek je aan met ”Heer”. Alleen voegt ze er nog aan toe: Zoon van David. We kunnen niet zo goed achterhalen wat haar bedoeling is, daarvoor is dit verhaal te kort samengevat. Maar in Bijbelse termen wil het zeggen: je bent de Messias. Jij bent deze die bevrijding preekt voor de gevangenen, die de blinden het zicht geeft en de doven horende maakt. En dat juist is voor deze vrouw de reden geweest om Jezus aan te klampen. In haar visie is Jezus op zijn minst een ”wonderdokter” die haar kind kan helpen. Ze vertelt Jezus dat haar dochter ”deerlijk bezeten” is en vraagt Hem deze boze geest uit haar weg te drijven. Nu is dit ook wel een beetje ongewoon voor een heidense vrouw, die geloven immers niet in bezetenheid door boze geesten. In het Grieks-Romeinse denken was er maar één soort ziekte die aan demonen of goden werd toegeschreven en dat was epilepsie of vallende ziekte. Die vrouw eigent zich een gedachte toe die leefde onder het Joodse volk, bezetenheid komt door demonen en is een straf van God, in de meeste gevallen. Wat verder nog opvalt is dat deze Kananese vrouw zich met het lijden van haar dochter vereenzelvigt. Ze stelt zich in de plaats van haar kind zoals een moeder doet. Waar haar kinderen lijden, lijd ook een moeder. Een ziek kind kan altijd rekenen op het medelijden van de moeder.

3 Voor ons gelovigen van 1900 jaren later zit hier een les. Wij kunnen, wij mogen, wij hebben zelfs de plicht om in onze gebeden bemiddelend op te treden voor dezen die ons lief zijn en die God aan ons heeft toevertrouwd. Let wel op: géén bede voor doden maar voor levenden zoals in dat prachtverhaal van Abraham die met God pleit voor Sodom en Gomorrha. Zo mogen we bemiddelend bidden voor onze kinderen, man of vrouw of familie en noem zelf maar op. Predikanten, ouderlingen en diakenen staan als herders over de kudde aangesteld bemiddelend voor lijdenden en zondaars. En dan wil ik geen jota afdoen aan het unieke van het middelaarschap van Jezus zelf. Nu zijn er theologen die erop wijzen dat we dat geloof van deze vrouw niet moeten overdrijven. Want het enige wat ze vraagt is een wonder, een genezing en dat zou niet veel met geloof te maken hebben. Het zou niets te maken hebben met het principe dat in geloof centraal staat: schuldvergeving. Ik denk dat zo een kritiek op deze vrouw niet gegrond is want juist zij herkent in Jezus, de Messias waarop haar Joodse buren wachten. Hier is het een heidense dame die smekend van een Joodse man iets verlangt waarvan zij weet dat hij het kan. Ze maakt geen aanspraak op iets. Ze heeft niets achter de hand om, indien nodig, door omkoperij haar kind toch te genezen. Wat de vrouw doet, doen alle gelovigen in Christus, Jood of heiden: van Hem verwachten en hopen waarop we geen echt recht hebben. Zuivere genade. Op het verzoek van de vrouw volgt een doodse stilte. Jezus geeft geen antwoord. Daaruit moeten op zijn minst twee conclusies getrokken worden. Het stelt het geloof van de vrouw op de proef. En de tweede reden is dat de Heer hiermee een onderricht geeft aan zijn discipelen. Een stilte die duurzaam is voor de gelovige. Zowel voor de vrouw als de discipelen. De twaalven die erbij zijn leren hierdoor dat ook als de Heer niet onmiddellijk reageert of antwoord geeft Hij toch begaan is met de zaak. De Heer treedt dan ook lerend op omwille van Zijn discipelen. Er volgt een illustratie van één zin: ”Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen”. Nu zal de vrouw dit niet begrepen hebben maar de leerlingen hadden ondertussen nadat de vermenigvuldiging der broden gedaan was, van Jezus de uitleg gehoord dat hijzelf ”het echte brood” was. En gezien Hij slechts geroepen is tot Israël kan Hij zich niet bezighouden met ”zichzelf” aan de heidenen te geven. De gedragslijn van Jezus: Zijn zending tot Zijn eigen volk, Zijn eigen schapen zoals Hij ze eens noemt kan Hij dus niet doorbreken zonder dringende reden.

4

De Kananese vrouw voelt zich wel ergens van uitgesloten en dringt aan: ze valt aan Jezus’ voeten en zegt nog aandringender dan voorheen: ”Here help mij”. Jezus onderscheid nu het echte geloof van de vrouw. Hier ligt een juweel in het slijk, een korenaar tussen doornen en distels, een discipel onder de heidenen. Om haar opnieuw op de proef te stellen zegt Hij: ”het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen”. De vrouw begrijpt wat dat wil zeggen: zijzelf is in de ogen van het Joodse volk slechts een hond, uitgesloten uit Gods genade. Ze is een hond omdat ze afstamt van ongelovige ouders. Je zou denken dat de vrouw nu genoeg had van haar openbare vernedering. Als Griekse vrouw die strikt logisch is opgevoed merkt zij dan ook onmiddellijk op: ”Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen”. Haar bedoeling is dan niet dat Jezus zijn plan veranderd. Dat Hij zijn wegen anders uitstippelt. Maar zij wil als een klein hondje van de kruimels eten die van de tafel van Israël vallen. De vrouw geeft toe dat ze zondaar is, als een kleine hond die geen recht heeft. Maar ze wil toch ook een behandeling als een hond en leven van de kruimels van het afval van de tafel des Heren. En die ene kruimel wil ze ook niet voor zichzelf maar voor haar dochter. In Oosterse landen is het niet de gewoonte om honden binnenshuis te houden, ze zijn géén deel van het gezin. Ze leven en zwerven buiten ergens rond. Zo ook voelt de vrouw zich. Van al het geestelijke voedsel dat Israël krijgt van God door zijn profeten wil ze slechts één kruimel voor haar kind. Dat soort geloof is een zeer stout geloof. Dat soort geloof is een volhardend geloof want zelfs de opmerking van Jezus brengt haar niet van haar stuk. Deze vrouw heeft waarschijnlijk nooit in haar leven een wonder gezien. Maar naar haar moederlijk gelovig verlangen luistert de Heer. Ze mag gerust heengaan naar huis toe, haar kind is genezen. De vrouw vraagt géén nadere bevestiging, een soort garantie. Ook haar heengaan is dus een geloofsovertuiging. Een prediking komt er niet meer aan te pas. De discipelen van toen en de discipelen van vandaag kunnen van deze vrouw zonder naam iets leren: Jezus heeft macht over Satan en zijn demonen. En ik weet wel men tracht verhalen over demonisme gewoon uit te leggen als iets dat gewoon in je hoofd zit, maar dan ga je de feiten zelf ontkennen. Er is ook vandaag nog demonisme.

5 En Jezus toont ons dat Hij machtiger is dan de Satan. Demonen zullen bij Zijn wederkomst alle macht verliezen. Dat zal definitief zijn. Ze worden onder zijn hiel aan banden gelegd. Aan gelovige discipelen van toen en van vandaag wordt hier een les geleerd. Van de vrouw heeft de Heer gezegd: ”O vrouw, groot is uw geloof”. Dat staat in een schril contrast met opmerkingen die Christus méér dan eens maakt aan het adres van zijn discipelen: jullie hebben een klein geloof. Jullie kennen de macht van God niet en onderschatten tot wat Hij in staat is. De lering is deze: dat er uiteindelijk voor God géén aanzien des persoon meer zal zijn. Jezus, heeft aan de onreine op honden gelijkende heidenen een toekomstige reinheid gepredikt. Het zal de apostelen later nog moeilijk vallen om dat te begrijpen. Gods uitverkiezing van het Joodse volk krijgt een nieuwe dimensie. Jezus, de Jood wordt indien we geloof stellen in Hem ook de Messias van de heidenen, van de gehele wereld. De volkeren, die van nature uitgesloten waren, omdat ze geen afstamming konden bewijzen van het zaad van Abraham worden in Jezus opgenomen. Door een individueel geloof te stellen in de man van Nazareth zal de wereld een echte broederschap kunnen vormen. De Kananese vrouw is één van de eersten die de universele noodzaak van een verlosser heeft ingezien. Daarom zal háár geloof geprezen worden tot in alle volkeren, natiën en talen. Daar waar Gods uitverkorenen die boodschap gehoord hebben is deze vrouw als voorbeeld gesteld van wat echt geloof moet zijn. Er is bewezen dat er steeds mensen zijn van goede wil, ongeacht hun ras of sekse of rijkdom die alles van de Heer verwachten. En wanneer we het op de juiste wijze vragen is de vervulling van onze hartewens zeker niet ver van vervuld te worden. Amen.

6

La Femme Chananéenne Considérons ici les vertus singulières dans la prière de cette femme. Elle montre une foi et une confidance sans bornes, et elle manifeste des sentiments élevés qu’elle a de la personne de Jésus-Christ. Elle lui donne les noms de Seigneur et de Messie. Elle confesse qu’il a le pouvoir de chasser les démons, ou d’une seule parole, ou par un seul acte de sa volonté. Elle est animée d’une tendre charité qui lui fait regarder les maux de sa fille comme les siens propres. En effet, elle ne dit pas, ayez pitié de ma fille, secourez ma fille; mais ayez pitié de moi, secourez-moi. Son humilité n’est pas moins remarquable; car elle semble attribuer à ses péchés, et non à ceux de sa fille, le pouvoir que le démon a sur elle. De cette humilité naït la révérence avec laquelle la Chana-néenne fait sa prière; car, selon saint Marc, elle se prosterna aux pieds de Jésus et l’adora. Enfin, elle prie avec ferveur. Ses cris partent de l’ardente affection de son coeur.

7

Jésus ne lui répondit pas une parole. Mais comme elle continuait à crier, il lui dit: Il n’est pas juste de prendre le pain des enfants, et de le jeter aux chiens. C’est-à-dire: Il ne convient pas de faire aux Gentils, qui sont des étrangers, les faveurs que l’on accorde aux Juifs, qui sont les enfants de Dieu. Cela est vrai, Seigneur, répliqua-t-elle; mais les petits chiens mangent les miettes qui tombent de la table de leurs maîtres. Jésus garde d’abord le silence; il semble faire peu de cas de la prière de cette femme. Non par un sentiment de mépris, mais pour augmenter l’ardeur de son désir et en retardant l’accom-plissement. Il va plus loin, à ne rien lui accorder, et il lui fait entendre par une comparaison humiliante qu’elle est indigne de la grâce qu’elle demande. Or, il ne prétend en cela que l’éprouver et la disposer par cette humiliation à obtenir ce qu’elle sésire. Le Seigneur fournit à la Chananéenne l’occasion d’exercer plu-sieurs excellentes vertus. Ces vertus sont principalement la patience, l’humilité et la persévérance. Bien que Jésus lui adresse des paroles dures et sévères, elle ne s’en offense pas, elle ne se plaint pas. Elle se reconnaît pour ce qu’elle est, pour une païenne. Elle ne s’arrête pas là; car quoique l’on permette aux animaux domestiques de ramasser les miettes qui tombent de la table de leurs maîtres, elle se juge indigne de les receuillir. Elle n’ose les demander, aimant mieux garder le silence et s’abandonner à la miséricordieuse du Seigneur lle sait, avec une ingénieuse prudence, se prévaloir des paroles du Seigneur et de sa propre bassesse pour arriver sûrement à son bit. Voici comme elle raisonne. Je mérite, il est vrai, le nom que l’on me donne; mais il ne faut pas pour cela me repousser sans pitié. Car non seulement les maîtres nourrissent leurs enfants des mets de leur tables, mais ils laissent aux chiens les miettes qui tombent par terre. Jésus lui dit: O femme, votre foi est grande: qu’il vous soit fait selon votre désir. Et sa fille guérissait à l’heure même. Une âme humble, patiente et pleine de confiance en sa bonté est cause de joie à NotreSeigneur. Il la loue, il l’exalte et il ne peut mieux déclarer ses sentiments que par cette excla-mation: O femme, votre foi est grande! En plus d’une circon-stance, le Sauveur avait qualifié ses apôtres d’hommes de peu de foi. Il appelle aujoud’hui cette Chananéenne une femme de beaucoup de foi. Dieu aime particulièrement ceux qui ont une grande foi, parce qu’ils le glorifient. Dieu aime tous ceux qui ont de plus hauts sentiments de sa bonté, et qui s’abandonnent plus entièrement à la conduite de sa providence. Il est certain que Dieu prend plaisir à honorer ceux qui l’honorent. Et il en fera d’avantage. Prions:

8 Seigneur, mettez dans mon coeur et dans ma bouche des paroles humbles qui me donnent le pouvoir de chasser de mon âme ce qui vous offence. Alors je peut vous servir sans crainte, dans la sainteté et la justice, marchant en votre présence tous les jours de ma vie. Amen.