Paulus in Athene.

Hand.17:15-34.

Van alle preken die Paulus gericht heeft tot de heidenen is deze die je hier kan lezen de langste en zeer waarschijnlijkheid is dit slechts een verkorte vorm die de schrijver Lucas ons weergeeft. Hier wordt één van de bijzonderheden getoond van hoe een preek eigenlijk in elkaar moet zitten. Het moet aangepast zijn aan de toehoorders. En hoewel Paulus zich hier als filosoof onder filosofen opstelt zijn de thema’s die hij behandeld echt Bijbelse grondgedachten. Voor een Grieks-sprekende Jood als Paulus is het een ideale gelegenheid om over zijn kennis en godsopenbaring te prediken aan de intelligentste mensen van zijn tijd. Hij staat in het hol van de leeuw. Indien hij hier succes heeft dan is de zegen van het christendom verzekerd voor de toekomst. De stad Athene waar Paulus zich bevindt is een stad die kan evenaren met een moderne stad als New York of Londen. Ze was ná Rome de hoofdstad van de toenmalige wereld. In werkelijkheid beroemder dan Rome want daar was het centrum van de religie, de filosofie en de kunst. Petronius schrijft over Athene ”het is er gemakkelijker een god te ontmoeten dan een mens”. En Pausanius zei ”Er zijn in Athene méér goden dan in de rest van Griekenland”. Naar menselijke maatstaf gerekend is Athene de mooiste en meest godsdienstige stad ter wereld. De enige rivaal zou Corinthe kunnen zijn. Tempels en beelden van goden zijn er als paddenstoelen uit de grond gerezen. En de ene is al mooier dan de andere. De principiële kennis van God is waarschijnlijk het belangrijkste thema dat Paulus behandeld. Hoe kan een heiden de ware God leren kennen? Voor een Jood (en Paulus was een christenjood) is het heidendom het grootste van alle zonden. In het Oude Testament is afgoderij het resultaat van de mens die is overgegeven aan zijn eigen schandelijkheid. Zó streng wil Paulus bij deze gelegenheid niet zijn omdat het zijn bedoeling is het evangelie te preken. Tot op een zekere hoogte wil hij sympathiek overkomen en doet een beroep op hun onwetendheid. Onder alle goden die zij aanbidden is er ook een ”onbekende God” één die geen naam heeft. Deze is het die Paulus aanbidt en waarover hij hen wil onderhouden. Tussen haakjes moge opgemerkt worden dat archeologen een gedenkplaat gevonden hebben uit het oude Athene waarin over een onbekende God gesproken wordt. Het is deze God die Paulus predikt. De éne ware en waarachtige. Hij die de hemel en de aarde heeft gemaakt. Hij bestuurt de kosmos. God is één en niet een veelheid. Het is jammer dat in

2

onze vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap iets belangrijks is weggevallen. In vers 18 zou ”opstanding” namelijk beter met een hoofdletter staan. Want voordat Paulus zijn preek op de Areopagus geeft hadden velen gedacht dat Paulus over twee goden sprak namelijk “Jezus” en “Opstanding.” Dat wil hij vooreerst duidelijk maken. Er is er maar één. Hij preekt geen nieuwe God dan alleen deze die er altijd geweest is. Géén nieuwe filosofie maar de enige wijsheid die de mens kan bevrijden van bijgeloof en onwetendheid. Het tweede punt dat Paulus aangeeft is dit: hoe kun je God aanbidden? En de apostel maakt hier bewust een zinspeling op een Griekse filosofische gedachte uit zijn eigen tijd dat de goden niet in tempels wonen. Seneca zei hierover: ”Normaal worden mensen geleerd de goden te aanbidden. Maar men zou het moeten verbieden om op de rustdagen lichten aan te steken voor de goden want de goden hebben geen behoefte aan licht... Men zou het moeten verbieden om Zeus of Athena offers te brengen want God heeft geen nood aan bedieningen. Waarom niet? God is overal en kan aldus alle mensen bijstaan” (einde citaat). Hoewel deze woorden Bijbels klinken zijn ze afkomstig van een heidens filosoof. Daarom zegt Paulus ons dan ”God laat zich niet door mensenhanden dienen alsof hij nog iets nodig had”. In het christendom en ook het Jodendom ligt de nadruk op de geestelijke aanbidding van God. Hoe prachtig een tempel ook mag zijn het is niet dáár dat God aanbeden wordt. Ook niet in Jeruzalem zal Jezus zeggen maar ”in geest en waarheid”. De aanval van Paulus op al die mooie tempels en heiligdommen in Athene is dan ook direct en radicaal: God heeft dat niet nodig. Hij is op zichzelf een God in eeuwigheid. Dat is trouwens de reden waarom de profeet Amos in het O.T. zo kritisch is over de offers die Israël bracht. Wat baten al die dagelijkse brandoffers en spijsoffers als er geen recht in Israël geschiedt? God wil bovenal dat Zijn wetten in de geest beleefd worden. Niet zomaar een gerechtigheid als een vernis maar als een echte drijfveer in je leven. Zo ook voor ons christenen die geloven in zijn naam. We moeten ook christenen zijn in daad. Geen ceremonie wanneer je broeder onrecht wordt aangedaan. Het derde punt waarop Paulus de aandacht vestigt is terug iets dat begrijpelijk was voor zijn toehoorders: wij als mensen behoren allemaal tot hetzelfde mensengeslacht. Hier verwijst hij naar een uitspraak van een zekere Aratus van Cilicië uit de 3de eeuw vóór Christus. Máár zegt de apostel je moet die stoïcijnse filosoof dan ook consequent lezen. Als alle mensen van één geslacht zijn is de godheid dan ook niet gelijk aan de kunstvaardige gesneden beelden in goud of zilver of steen. Het is die onbekende God die ons allen leven geeft en zonder Hem gaan wij ten onder. In zijn interpretatie doorspekt hij zijn redevoering met aanhalingen uit het Oude Testament. In Ps.145:16 lezen we: ”Gij doet uw hand open en verzadigt met welbehagen al wat leeft.” In Ps.104:27: ”Zij allen wachten op U dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd.” En Jezus zegt nog later dat God zijn zon laat opgaan voor de goeden en de bozen.

3

De uitspraak van de filosoof Aratus was bedoeld om van alle mensen goden te maken. Maar neen zegt Paulus er is er maar één en wij zijn als afstammelingen van God nog steeds afhankelijk van Zijn goedheid en voorzienigheid. Vervolgens dan: als laatste punt roept Paulus op tot bekering. En hier gaat het dan direct verkeerd. Want in de bekering ligt juist het revolutionaire idee van het christendom. In deze laatste verzen van zijn preek is de apostel zeer categoriek: je moet je bekeren en het is nu het moment. Nu en zonder uitstel vóór het te laat is. Géén ideologie van je eigen veilig te stellen, géén ideologie van je eigen welvaart maar een diepgaand besef van bekering. Een ideologie verdraait altijd de waarheid. Bekering is besef van eigen tekorten en onvolmaaktheid. En slechts na een eigen bekering kan je jezelf ontrukken aan de alledaagsheid. Je kunt alleen over bekering praten ná een ommekeer. Een goedendag aan het oude zeggen en met God opstappen in je leven naar het nieuwe toe. Dát begrijpen de Atheners niet. Al hun godsdienstigheid en godsdienstvrijheid maar laten varen voor zo iets simpels. Maar vóór zij bekomen zijn van hun eerste verbazing voegt Paulus er nog een tweede aan toe. Wannéér je nu geen beslissing neemt in je leven en kiest voor de bekering, komt er later nog een gericht: een oordeel. God heeft een tijd bepaald in de toekomst dat zijn gezondene rechtvaardig zal oordelen. Het heil komt van boven maar je moet er nu reeds zelf gaan over beslissen. Niet als een vorm van zelfbevrijding want dat lukt je toch niet. Maar we kunnen Hem die alles gemaakt heeft als een tastende vinden. Wanneer dat gelovig vertrouwen in God gevonden is, dan is er bevrijding en genade. Maar nog het meest verbaasd zijn de Atheners wanneer zij horen dat diegene die dat oordeel zal uitspreken iemand is die uit de doden is opgestaan. En bij deze gedachte vragen de spottende omstanders of Paulus niet best kan stoppen. De onsterfelijkheid van de ziel dat kunnen zij begrijpen want dat hebben hun grote filosofen hun bijgebracht. Een opstanding uit de doden, dat is onmogelijk. Dat druist in tegen alles wat zij ooit geleerd hebben en ten slotte hebben ze toch een oeroude traditie. Zijn de grootste geleerden en denkers soms niet altijd Grieken geweest? Er blijft na het geroezemoes alleen nog spot over. Enkelen willen hierover op een andere keer nog wel ééns doorpraten. Paulus schrijft dan ook later terecht: ”de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot voor heidenen een dwaasheid.”

4

De eersteling uit de doden is opgestaan en indien Christus niet is opgestaan is onze prediking zonder inhoud. De dood is in Christus overwonnen. Paulus mag daarover dan ook niet zwijgen zelfs op risico van zijn eigen leven. We kunnen ons terecht afvragen: is Paulus verkeerd in zijn prediking? Ten slotte was zijn resultaat maar pover: enkele mannen en één vrouw die zich hebben bekeerd. Zijn proefpreek in het centrum van de wereldse wijsheid is echt niet om over naar huis te schrijven. Maar ondanks dit kan er niet worden gezegd dat het zomaar een fiasco is. De preek op de Marsheuvel in Athene is een wereldschokkend feit. Het is als een kleine aardbeving die uitloopt op een volledige instorting van de cultuur van die tijd. Het is een eerste confrontatie van het Bijbels geloof tegenover het bolwerk van een duizendjarige beschaving. En de kleine David haalt het op de grote Goliath. De preek van Paulus is het begin van het einde van de afgodendienst, langzaam maar zeker. Wanneer we de tijd van Paulus en zijn gevecht met de wijsgierigen van zijn tijd en de situatie van heden vergelijken, kunnen we zeggen dat er een grote gelijkenis is. Over die vijf punten waar Paulus over sprak in Athene en de filosofie van onze tijd hebben we volgende opmerkingen. 1° De eenheid van God. Er bestaat maar één God. Niet honderden zoals men in Athene dacht. Maar oprecht gesproken: worden wij niet overspoeld met onze moderne goden. Onze grote helden en heldinnen uit de televisie, onze grote stars van de pop en de rock om maar niet te spreken over onze sportatleten. En dan de drie groten: seks, geld en politiek. En voor de intellectuelen of rijken is er de god van de techniek, de filosofie van de wetenschap. Brood en spelen voor elk wat wils. Paulus zou ons te zeggen hebben: laten we eens over die onbekende God praten. En ook wij moeten dat doen met de mensen rondom ons: laten we er hen op wijzen dat die moderne visie een heilloze weg is waar geen uitkomst is en die bevredigend zal zijn voor de toekomst. 2° Er is broederschap van mensen, t.t.z. alle mensen stammen af van één enkele aartsvader. Grieken dachten dat ieder ras zijn eigen stamvader had. En van zichzelf dachten ze dat ze een superras waren. Dat idee is niet vreemd aan veel van onze totalitaire samenlevingen. Maar broederschap wil niet zeggen dat iedereen voor zichzelf mag denken wat hij wil. Er is een openbaring van God aan al zijn kinderen. En God zal ons als gelovigen willen gebruiken in de verkondiging van die boodschap. We willen toch dat alle mensen hun eigen vader leren kennen en niet als wezen in deze wereld moeten rondlopen! 3° Er is iemand, Jezus van Nazareth genoemd die gestorven is en begraven en daarna opgestaan uit de doden. Dat was een struikelblok voor de Joden, een onmogelijke filosofie voor de Grieken en voor de moderne mens een wetenschappelijke onmogelijkheid. Maar het is waar

5

en waarachtig. Daar hebben de eerste discipelen hun leven voor gegeven en de spot en hoon van mensen voor ondergaan. Paulus zei eens dat ze een schouwspel voor de wereld waren. Indien Christus volgens hen niet was opgestaan ze zouden het niet verkondigd hebben. Niemand laat zich zo maar belachelijk maken voor iets dat het niet waard is! 4° Er komt een oordeel voor alle mensen. Dat is iets waar de Atheners zich niet mee konden verzoenen en de moderne Atheners kunnen dat ook niet. Je zou zelfs kunnen zeggen dat deze gedachte uit de preek van Paulus een heropleving zou kunnen betekenen van onze huidige wereld. 5° Het laatste en vijfde punt is bekering. Dat is een vreemde gedachte voor zowel de oude als de nieuwe Atheners. Voor alle mensen die van God vervreemd zijn, allen moeten tot die vaststelling komen. Wat brengen wij terecht van onze bekering: concreet gesproken dan. Of leven wij ook voor het nú van onze consumptiemaatschappij. Vanuit het geloof geïnterpreteerd bestaat onze verantwoordelijkheid er in het begrip van bekering te interpreteren als vrede, liefde, rechtvaardigheid, ook voor de minder bedeelden. Er is in onze tijd veel vervreemding zowel van God als van onze medemens. Doen we daar wat aan? Lopen we maar wat mee in onze omgeving of laten we als bewuste christenen hier en daar onze stempel van christen achter. Doen wijzelf iets aan al de moderne afgoderij of worden we erin meegesleept? We moeten daarbij niet bepaald agressief zijn. Maar wij hebben nog steeds een boodschap aan de wereld. Indien we ons nu niet bekeren of onze bekering serieus nemen is het morgen misschien reeds te laat. De noodzaak om onze naaste omgeving hierop te wijzen is ons meegegeven als een plicht. De enige echte realiteit waarmee we moeten leren leven is dat het christendom uitkijkt naar de tijd dat er door Christus geoordeeld zal worden. Een oordeel over wat wij nu gedaan hebben. AMEN