Het Overstone incident

1

Een oorlog berust altijd op misleiding (Sun Tzu, Chinees krijgstheoreticus, 400 v. Chr.)

Voor Birgit 2

Het Overstone Incident

Johan G. Hahn

2010 Een uitgave van Skidiz, Utrecht

3

© 2010 Skidiz, Utrecht Auteur: Johan G. Hahn Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Druk: www.pumbo.nl Omslagontwerp: Skidiz, Utrecht Vormgeving binnenwerk: Skidiz, Utrecht Thriller/Roman ISBN 978-90-815587-1-6 NUR 305

http://overstoneincident.pumbo.nl www.overstoneincident.com 2e druk maart 2011

Dit boek is ook verkrijgbaar als e-boek (Epub en Pdf). ISBN (e-boek) 978-90-815587-2-3

www.skidiz.nl

4

Verantwoording
Dit boek vertelt het verhaal van de grote misleiding en de grote leugens! Het is het verhaal van de democratische paradox: een politiek systeem, dat berust op positieve waarden zoals openheid, vertrouwen, waarheid en transparantie, heeft een machtige institutie nodig om dat systeem te beschermen: de geheime- of inlichtingendiensten1 Deze diensten hanteren methoden die uitgaan van waarden, die haaks staan op de waarden van een democratie: misleiding, geheimzinnigheid, leugen, bedrog … De paradox van de democratie is dat ze niet zonder deze instituties kan overleven. Dit is het verhaal over de paradox van de democratie. In 1966 en 1968 hebben zich in Spanje en Groenland twee zeer ernstige nucleaire rampen voorgedaan. Een tweetal vliegtuigcrashes en de manier waarop inlichtingendiensten daar in de afgelopen jaren mee zijn omgegaan hebben model gestaan voor het verhaal dat ik vertel. Het betreft de Palomares B-52 crash2 in 1966 waarbij een B-52 Stratofortress en een KC-135 Stratotanker betrokken waren en de Thule Air Base B-52 crash in 1968. Bij beide vliegtuigongevallen is een onbekende hoeveelheid nucleair materiaal in het milieu terecht gekomen. De werkelijke omvang van de schade van beide crashes is door de verantwoordelijke militairen tot de dag van vandaag in nevelen gehuld. Daarbij wordt nog steeds het argument van de ‘nationale veiligheid’ gehanteerd. De historische feiten uit die jaren heb ik samengevoegd tot een compacte gebeurtenis - een nucleaire ramp van een omvang vergelijkbaar met die van Thule Airbase - en met verstrekkende gevolgen. In de vorm waarin de feiten hier worden weergegeven zijn ze (voor zover ik weet) niet gebeurd. Maar zekerheid zullen we daar nooit over hebben. Evenmin als over de werkelijke gevolgen van de beide rampen. Op de bij dit boek behorende website www.overstoneincident.nl is achtergrondmateriaal toegankelijk gemaakt.

De Dienst is in dit boek de algemene aanduiding voor alle geheime-, inlichtingen en veiligheidsdiensten, zowel burgerlijk, militair als particulier. Daar waar het onderscheid tussen de verschillende soorten diensten niet van belang is wordt deze naam gebuikt, die voor medewerkers van geheime diensten gangbaar is. Alleen waar dit voor de verhaallijn van belang is wordt de werkelijke naam van een dienst gebruikt. 2  In maart 2009 noemde het weekblad Times het Palomares ongeval uit 1966 een van de ergste nucleaire catastrofes ter wereld. Summiere informatie over beide crashes is beschikbaar op internet (Wikipedia).

1

5

Bericht in een locale Schotse krant:

Jacht vergaat bij Overstone: drie doden
Overstone 20 juni 1966 - Een man en twee vrouwen zijn afgelopen week vermoedelijk omgekomen voor de kust bij het Schotse Overstone. Dat heeft de politie laten weten. Hoe de drie zijn overleden is niet bekend. Van het jacht waarmee zij de zee op waren gegaan, zijn slechts enkele brokstukken teruggevonden. Van de drie opvarenden ontbreekt verder elk spoor. De politie en de kustwacht hebben de hele dag met twee boten naar de drenkelingen en naar overblijfselen van de boot gezocht, maar bij het invallen van de duisternis is het zoeken gestaakt. De familie van de drie omgekomenen is inmiddels op de hoogte gesteld. De politie vermoedt dat er door onbekende oorzaak een explosie is geweest op het schip. Van een aanslag wil de politie niet spreken. De drie waren in de middag vertrokken voor een tweedaagse vistocht voor de kust. Op verzoek van de familie zijn de namen van de slachtoffers en de naam van de boot niet bekend gemaakt.

6

Proloog – Het Overstone Incident
Het was vrijwel windstil. Een volle maan stond hoog aan de hemel en wierp een brede spiegelgladde baan van zilveren licht op het water. De oceaan lag er stil en verlaten bij. Eén enkele boot had de haven van Overstone, een klein dorp in het uiterste noorden van Schotland, vandaag verlaten. De ‘Princess’ het nieuwe jacht van Alexander Durby en zijn vrouw Dorothy was die middag in zee gestoken met aan boord drie mensen: Dorothy, haar vriendin Elsa MacMurray en Elsa’s vriend – met wie ze volgende maand zou trouwen – Jason Burding. Daarna was het weer stil geworden in de kleine haven. Behalve de branding en de geluiden van het leven in een kleine, dode vissershaven was er nauwelijks iets te horen. De stemmen van de oude mensen op de kade, die droomden van vroeger, af en toe de motor van een passerende auto. Overstone was allang niet meer de levendige haven die het ooit geweest was. Sinds steeds meer rivieren geblokkeerd werden door stuwen en dammen was de zalm er weggebleven. En waar geen zalm was viel voor de vissers van Overstone niet genoeg meer te vangen. De meesten waren weggetrokken naar andere havens, waren overgestapt op het vangen van een andere vissoort of hadden een ander beroep gekozen. Een enkeling voer nog met toeristen de zee op om ze te laten hengelen naar de enkele zalm die toch nog tevergeefs probeerde zijn weg te vinden naar zijn paaiplaats in een opgestuwde en ontoegankelijk gemaakte Schotse rivier. De haven van Overstone was roestende, vergane glorie, dood en leeg, nog bevolkt door oude schepen, wrakken en door één enkel luxe jacht, de ‘Princess’. Ver achter de horizon liepen de vaarroutes waarlangs de grote vrachtschepen voeren die de Atlantische oceaan overstaken. Als het heel stil was om je heen kon je, bij wind van zee vanaf de vuurtoren van Overstone en vanaf de golfbaan hoog op de klippen, onder het schreeuwen van de meeuwen en het eeuwige geruis van de branding het doffe stampen van hun zware dieselmotoren horen. Maar meestal was zelfs dat geluid verdwenen. Af en toe waren er overdag dicht onder de kust een paar vissersschepen uit een haven van de nabije Shetland eilanden te zien, omgeven door zwermen meeuwen op zoek naar eetbaar afval. En dat was het dan. Schepen uit de haven van Overstone voeren niet meer uit. Enkele lagen in de haven voor zich heen te roesten. De meeste waren vertrokken of verkocht. Behalve de ‘Princess’. Toen de jonge Durby’s de boot gekregen hadden ter gelegenheid van hun afstuderen aan de universiteit van Oxford had de vader van Dorothy er meteen een ligplaats aan de kade bij gekocht. Daar lag het schip en van daar voeren Alexander en Dorothy alleen of met vrienden regelmatig uit voor pleziertochten op de oceaan. De ‘Princess’ was een klein, zeewaardig jacht van 12 meter lengte, voorzien van alle denkbare luxe en van alle noodzakelijke instrumenten om veilig op zee te kunnen varen. Het schip had een zware dieselmotor en bood plaats aan zes personen. Vanmiddag was Dorothy alleen met haar vrienden op het jacht uitgevaren. Ze zou twee dagen wegblijven en niemand wist dat het haar laatste vaart zou zijn! 7

Het was windstil en het was volle maan. Ideale condities voor de ‘Princess’ om uit te varen. De vuurtoren van Overstone wierp zoals elke nacht zijn lichtbundel over het water en liet zo de schepen op zee zien waar ze zich bevonden en waarschuwde hen om niet te dicht onder de kust te varen. Daar bevonden zich verraderlijke klippen en rotsen. Dorothy kende de weg vanuit de haven naar de open zee. De radar, het echolood en de sonar aan boord hielpen haar om veilig de smalle doorgang te vinden tussen het vaste land en Overstone Island. In het donker kon ze ook gebruik maken van de twee sterke schijnwerpers op de boeg van het schip. Daarmee kon ze genoeg zien om haar weg ook op het oog te vinden. Ze was hier geboren, zeilde al van kinds af aan en kende de doorgang naar zee op haar duimpje. Behalve de ‘Princess’ was er geen scheepvaart zichtbaar. Het schip leek de oneindige vlakte van de oceaan voor zich alleen te hebben. Haar dieselmotor gromde rustig, als was ze blij weer een keer op zee te mogen zijn. Het was stil en koud in de cockpit van de B-52G Stratofortress bommenwerper. Alleen het zware, vertrouwde gedreun van de motoren drong door in de cockpit. Alles leek normaal te gaan op deze vlucht. Er waren geen bijzonderheden te melden. Commandant Majoor James Frey keek op het klokje op zijn dashboard. Nog tien minuten voor de reguliere ontmoeting met de Boeing KC-135 Stratotanker, het grote tankvliegtuig dat hen van nieuwe kerosine zou voorzien. Het tanken in de lucht was voor hem en zijn zes bemanningsleden een routineklus geworden. Een vast onderdeel van hun wekelijkse vluchtroutines. Twee keer per week draaide hij met zijn B-52G Stratofortress van het Strategisch Luchtcommando een ronde vanaf hun basis in de buurt van New York. Majoor Frey kende het luchtruim boven dit deel van de Atlantische oceaan als zijn broekzak. Vier keer per week vlogen zij hun vaste route in het kader van ‘Operatie Chrome Dome’ het strategische veiligheidssysteem om de grenzen van de USSR in de gaten te houden. 24 uur per dag en 7 dagen per week was een aantal B-52’s in de lucht, elk voorzien van een aantal thermonucleaire wapens om in geval van een vijandige aanval direct adequaat te kunnen terugslaan. Het was een effectief onderdeel gebleken van de militaire strategie van de VS en de NAVO. Vier keer per week moesten Frey en zijn bemanning met hun met nucleaire wapens geladen machine de lucht in om een vast traject te vliegen. Van hun basis via een noordelijke route over Groenland en dan met een boog over IJsland en langs de noordkust van Schotland terug naar de basis. Halverwege hun dienst moesten ze in de lucht kerosine bijtanken. Telkens boven hetzelfde deel van de oceaan ten noorden van Schotland hadden ze een afspraak met het tankvliegtuig dat daar langzaam op hen vloog te wachten. Tijdens het tanken vlogen de beide enorme kisten een tijdje samen op, met elkaar verbonden door een soort navelstreng waardoor de kerosine van de tanker de tanks van de B-52 ingepompt werd. De afstand tussen de twee vliegtuigen was niet meer dan hooguit 25 meter. Niet ongevaarlijk. De tanker bevatte ruim 100.000 liter kerosine. Als er iets mis ging … Frey kende de risico’s, maar dacht er eigenlijk zelden aan. Hij beheerste zijn vak, was een ervaren 8

piloot en ook zijn bemanning was uitstekend getraind. De hele manoeuvre vroeg elke keer weer om precisie en concentratie van de beide bemanningen. Ze konden op elkaar vertrouwen. Op zijn radarscherm zag Frey de stip verschijnen van de KC-135. Hij kende de collega’s aan boord van de tanker. Ze ontmoetten elkaar vier keer per week op deze plek. Soms spraken ze kort over de radio met elkaar, wisselden wat ervaringen uit. Een vreemde relatie met collega’s die je vier keer per week sprak zonder elkaar ooit in levenden lijve ontmoet te hebben. De bemanning van de KC 135 hoorde bij een tankersquadron dat op een Britse basis in Schotland gestationeerd was. En toch had hij het gevoel de jongens in de KC-135 te kennen. Achter uit het vliegtuig zou de lange slurf hangen en hij zou zijn machine precies zo manoeuvreren dat de slurf aan zijn tankopening bovenop achter de cockpit gekoppeld kon worden. Dan zou de man achterin de KC-135 die het tanksysteem bediende de slurf aan de tankopening aan zijn kist koppelen en hij zou de koppeling vastzetten. Hij zou de kraan opengooien en de kerosine zou in zijn tanks gepompt worden. Tijdens het tanken zouden de beide machines op een exacte hoogte en snelheid aan elkaar gekoppeld verder vliegen. De hele operatie duurde misschien een half uur. Als zijn tanks gevuld zouden zijn zou hij de koppeling losgooien en iets gas terugnemen om de KC-135 vrije vlucht te geven. Elk toestel zou daarna zijn eigen vlucht vervolgen. Langzaam naderde de B-52G de KC-135 van achter. Het was donker. De volle maan verlichtte het water diep onder hen en maakte dat zij prima zichtcontact met de KS-135 zouden kunnen hebben. Dat was vandaag in elk geval nodig, nu de automatische piloot van zijn kist het liet afweten. Majoor Frey concentreerde zich samen met zijn copiloot Kapitein Gerry Yong op zijn instrumenten, een hand aan de gashandels en een hand aan de stuurknuppel, de voeten op de pedalen. Aftanken in de lucht met de hand vroeg om uiterste precisie. Snelheid en hoogte van de beide toestellen moesten exact kloppen en voor de hele duur van het aftanken vastgehouden worden. Normaal zouden de automatische piloten van beide vliegtuigen het manoeuvre voor een deel overnemen en controleren, maar vandaag niet. Vandaag was de enige bijzonderheid dat de automatische piloot van zijn kist kuren vertoonde en ze het tanken helemaal met de hand zouden moeten uitvoeren. Maar ook dat was dagelijkse routine. Hij en zijn bemanning hadden het vaak genoeg geoefend en hij kende zijn kist als geen ander. Over ongeveer vier minuten zouden ze voldoende zichtcontact met het tankvliegtuig moeten hebben. In zijn koptelefoon hoorde hij de mededelingen van zijn navigator en daardoorheen de bevestigingen van de navigator en de ‘boomoperator’ van de KC-135, de man die het eigenlijke tanken verzorgde, die de slurf bediende. Alles verliep normaal. James Frey dacht aan de vrije dagen waarnaar hij ook op weg was. Nog 100 meter. Hij kon de slurf nu schuin boven zich zien hangen, langzaam op hem afkruipend, duidelijk afgetekend tegen de door de volle maan verlichte donkere hemel. Hij trok de stuurknuppel een klein beetje naar zich toe om iets hoger te komen. Hij controleerde de instellingen op zijn instrumenten. De wijzer van zijn hoogtemeter kroop langzaam 9

naar de ingestelde hoogte en bleef toen hangen. Nog 50 meter. Hij zou met zijn vrouw en twee kinderen een weekend naar vrienden, die in een boshuis in de Appalachen woonden, gaan. Hij verheugde zich op een vrije week in de bossen na drie weken dienst. Nog 25 meter. Hij controleerde de hoogte en de snelheid. De berichten van de navigator en de ‘boomoperator’ in zijn koptelefoon gaven aan dat alles perfect volgens het draaiboek verliep. Alles in orde, routine zoals telkens weer. Zijn kist vloog nog net iets sneller om op de KC-135 te kunnen inlopen. Heel langzaam naderde hij de achterkant van de KC-135. Hij zag de lange flexibele slurf schuin voor zich hangen op exact de juiste hoogte. Hij schoof de kist langzaam onder de KC-135. De slurf kwam steeds dichterbij. Nog vijf meter, nog drie meter, nog … Plotseling voelde hij een vreemde trilling door het vliegtuig gaan, gevolgd door een harde doffe knal die op de klap van een explosie leek. De explosie gaf het vliegtuig een duw naar boven. Was hij getroffen door een vreemd voorwerp? Een vijandige raket? Dat was onmogelijk! Wat was er in godsnaam gebeurd. Door de plotselinge duw naar boven sloeg de slurf van de KC-135 hard tegen de neus van het vliegtuig. De zware, donkere slurf zwaaide als de schaduw van een grote vogel voor zijn gezicht langs en sloeg een deel van de ruiten van de cockpit kapot. Hij dook weg om niet door brekend glas getroffen te worden. Hij voelde hoe een ijskoude wind zijn adem afsneed. Hij duwde met een hand het zuurstofmasker dat op zijn borst hing op zijn gezocht, trok het riempje over zijn hoofd en keek door de ronde ruitjes ervan naar zijn instrumenten. Diverse lampjes knipperden, wijzertjes gingen zenuwachtig heen en weer. Twee motoren rechts waren uitgevallen. Maar waardoor? Hij hoorde geschreeuw in zijn koptelefoon, maar kon niet verstaan wat er gezegd werd en wie er schreeuwde. Hij greep instinctief naar de noodknop van de radiotransponder en schakelde over op de noodfrequentie. ‘Mayday, mayday,’ riep hij in zijn microfoon, maar er kwam geen reactie. Niemand hoorde hem meer. De explosie had een deel van het elektrische systeem lamgelegd, waardoor de radio was uitgevallen. De brandmelder gaf een indringende fluittoon te horen en andere lampjes op zijn dashboard begonnen nu te knipperen. Hij gaf zijn copiloot opdracht de noodradio in te schakelen, zodat er automatisch een ‘mayday’ uitgezonden zou worden, maar kapitein Yong reageerde niet. Hij keek naast zich en zag zijn copiloot onnatuurlijk scheef in zijn riemen hangen. Er sijpelde en straaltje bloed uit zijn neus en uit zijn oor. Hij had geen gelegenheid te kijken wat er aan de hand was. Hij zag dat kapitein Yong ofwel bewusteloos ofwel dood was. Hij riep zijn tweede copiloot, die achter lag te rusten, de navigator, en de andere bemanningsleden op om zich via de radio te melden, maar niemand reageerde. Het leek erop alsof hij alleen in de kist zat. Wat was er in godsnaam aan de hand? Wat was er gebeurd? Ondanks zijn uitstekende training voelde Frey een lichte paniek in zich opkomen. Hij voelde hoe zijn toestel begon over te hellen door het plotseling wegvallen van de stuwkracht van de twee motoren. Waren ze alleen uitgevallen of was er meer aan de hand? Weer voelde 10

hij een schok door het toestel gaan alsof iets het toestel raakte. Of raakte hij iets? Dicht boven hem vloog het tankvliegtuig gevuld met duizenden liters kerosine. Als hij met de KC-135 in botsing zou komen, zouden ze beiden neerstorten. Dan was alles voorbij. Hij moest weg zien te komen uit de buurt van de tanker. Hij duwde zijn stuurknuppel langzaam van zich af om in een flauwe duik afstand van de schuin boven hem vliegende tanker te krijgen en trok tegelijk de linker vleugen een beetje omhoog om naar rechts weg te kunnen duiken. Weg van de KC-135! Hij voelde hoe de besturing aarzelde. De kist reageerde niet meer goed op zijn instructies en op de instrumenten. Frey voelde hoe de machine stuurloos geworden was. Hij was alleen in de cockpit en moest proberen zijn mensen en de kist te redden. Koortsachtig overwoog hij de mogelijkheden. Een noodlanding? Maar waar? Hij vloog boven zee. Thule Airbase was te ver weg. Een Britse Airbase in Schotland was niet groot genoeg en het was met zijn waterstofbommen aan boord veel te riskant om in deze situatie over land te vliegen en in een bewoonde omgeving een noodlanding te maken. Hij leek alleen in het vliegtuig, zijn bemanning meldde zich niet. Alleen zou het hem zeker niet eens lukken de kist veilig aan de grond te krijgen. De andere bemanningsleden meldden zich niet, waren onbereikbaar. Waren ze bewusteloos of dood? Anders zouden ze zich toch wel gemeld hebben. Wat was er achter hem in de machine gebeurd? Zij kenden alle noodprocedures, maar dat hielp nu niet. Hij wist intuïtief dat hij de machine onmogelijk langer in de lucht zou kunnen houden. Hij had er geen idee van wat er gebeurd was, maar hij wist dat honderden tonnen metaal en kerosine en vooral vier scherpe waterstofbommen op weg waren naar de bodem van de oceaan. En hij besefte dat hij nog steeds schuin onder de tanker vloog. Uit die positie moest hij weg zien te komen. Hij nam nog meer gas terug en probeerde de kist in een scherpere bocht naar rechts te leggen. Toen gebeurde het. Hij voelde de klap, hoorde het schuren van metaal op metaal. Een fractie van een seconde later verblindde hem de enorme lichtflits waarmee de KC-135 uit elkaar spatte en vernielde een daverende knal zijn gehoor, zo dat hij niets meer zag en niets meer hoorde. Diepe stilte om hem heen. Het werd duistere nacht om hem heen toen zijn vliegtuig desintegreerde door het exploderen van het tankvliegtuig en de brokstukken van beide toestellen zich vermengden tot een afschuwelijk inferno van vuur en staal en bloed. Alles om hem heen brandde. Hij zag geen kans meer zijn schietstoel in werking te zetten en stortte tussen de brokstukken met zijn bemanning en met de uiteengereten stoffelijke resten van de bemanning van de KC-135 in de peilloze diepte van lucht en water. ‘Mijn God, dit is het einde’, dacht hij voor hij definitief het bewustzijn verloor en meegezogen werd in een brandend inferno dat gedoofd werd door het zeewater. Toen werd het stil. De oceaan brandde. Langzaam doofden de vele vuren op het water. Er bleven slechts een paar grote en vele kleine wrakstukken van de twee vliegtuigen op het water achter, die bleven drijven of langzaam wegzonken in de peilloze diepte van de oceaan.

11

Alexander Durby had na het avondeten Little Dorothy, zijn dochtertje van twee naar bed gebracht en nog tot negen uur aan het rapport voor een klant in Australië geschreven. Het onderzoek van de gesteenten was bijna klaar en het resultaat was hoopgevend. Nog een paar dagen en hij kon de eindversie schrijven, daarmee de eerste grote opdracht voor Overstone GeoResearch afrondend. Het gaf hem een goed gevoel dat de eerste opdracht voor het analyseren van gesteenten een positief resultaat opgeleverd had. De opdrachtgever aan de andere kant van de aardbol kon tevreden zijn. Voor Alexander naar bed ging wilde hij nog een wandeling maken. Hij pakte de grote zaklamp die naast de voordeur altijd gereed lag, liep de hal door, de grote kamer door naar de serre en verliet Overstone Hall via de tuindeuren. Hij genoot elke keer weer van het prachtige uitzicht over het grasveld, de rotsen van de baai, de vuurtoren aan de andere kant van de baai en de oceaan. Een mooiere ligging voor een landhuis kon hij zich niet voorstellen en hij was intens gelukkig dat hij hier samen met Dorothy en zijn dochtertje kon leven en werken. De jaren dat zij samen eerst in Oxford hadden gewoond waren op dit punt geen jubeljaren geweest. Ze waren samen en genoten van hun leven, maar zodra ze konden, namen ze de trein en verbleven hun vrije tijd zoveel mogelijk op ‘hun’ eiland in het verre noorden van Schotland. Dat was de plek waar ze zich samen thuis voelden. Na afloop van hun studies waren ze direct weer terug verhuisd naar Overstone en hadden daar hun gezamenlijke bedrijf opgezet met geld van hun ouders. En de zaken begonnen langzaam te lopen. De eerste opdracht was bijna afgerond en over twee andere opdrachten was hij met potentiële nieuwe klanten in gesprek. Er was vraag naar goede analyses van gesteenten om vast te stellen of het materiaal dat erin zat de moeite van het verder exploreren en exploiteren waard was. Overstone GeoResearch deed dat onderzoek en hielp zo prospectors bij het vinden van de grondstoffen die de samenleving dringend nodig had. Als de beide offertes die hij uitgebracht had opdrachten zouden opleveren, dan hadden Dorothy en hij voor de komende twee jaar genoeg te doen. Hij had Dorothy voorgesteld om Elsa en Jason te vragen bij het te komen werken. Ze kenden elkaar al hun halve leven, hadden samen op school gezeten en samen in Oxford gestudeerd. Elsa was een prima chemicus en Jason een uitstekend geofysicus. Twee specialisten die ze graag bij Overstone GeoResearch zouden willen betrekken. De boottrip van vandaag was bedoeld om dat met hen te bespreken. Maar hij had Dorothy alleen moeten laten uitvaren. De afronding van dit eerste rapport kon niet meer langer wachten. Dat moest morgen klaar zijn. Alleen als hij niet mee zou varen zou hij de deadline kunnen halen. Jammer. Hij was graag samen met zijn vrouw en dochtertje meegevaren. Maar Dorothy en hij waren het erover eens geweest dat in dit geval de opdrachtgever voor ging. En dat hij op Little Dorothy zou passen. Dat leek hen veiliger en rustiger, zodat Dorothy, Elsa en Jason rustig over hun gezamenlijke toekomstplannen zouden kunnen praten. Hij sloeg links af en nam de weg naar het andere, het ruigere deel van Overstone Island, waar het Zwarte Huis lag, de ruïne van wat ooit een oud kloos12

ter geweest was. Hij maakte wel vaker een avondwandeling in de richting van het Zwarte huis. Vanavond wandelde hij stevig door en was binnen een uur bij het botenhuis. Hij ging even op het bankje naast het botenhuis zitten om over het donkere water uit te kijken. De maan scheen vol en sloeg een zilveren pad over het water tot voor zijn voeten. Het was alsof hij zo op de zilveren loper kon stappen. Daar ergens ver achter de horizon dobberde zijn vrouw, Dorothy met Elsa en Jason en genoten van de zee en de nacht. Ze spraken over hun gezamenlijke toekomst. Hij wist dat Dorothy een uitstekende schipper was die de ‘Princess’ net zo goed beheerste als hij. Met Dorothy als kapitein was iedereen veilig aan boord. Hij glimlachte en wenste zijn geliefde een goede nachtrust. Hij wist dat zij dat zou voelen. Het was een van zijn favoriete plekken van waaruit hij vrij zicht had op de oceaan en als hij zich half omdraaide ook een deel van Overstone Island kon zien. Hij leunde achterover op het bankje, dat hij hier een paar maanden geleden had laten neerzetten, trok zijn benen op en vouwde zijn handen om zijn knieën. Hij zat daar een paar minuten voor zich uit te staren toen hij in de verte, een lichtflits van onnatuurlijke felheid zag. Een vuurpijl van een schip in nood? De ‘Princess’ kon het niet zijn, die had alleen rode alarmpijlen aan boord. Het lichtschijnsel dat hij zag leek ook niet op een gewone vuurpijl. Een streep van vuur schoot omhoog en tekende zich even af tegen de donkere hemel voor die achter de horizon leek te verdwijnen. Er volgde geen spel van sterren en licht. Het vreemde verschijnsel leek het meest op hoe hij zich een meteoriet voorstelde die bij het binnenkomen in de aardatmosfeer met veel lichtend geweld verbrandde. Dit zou dan een soort omgekeerde, omhoog vallende ster moeten zijn. Alexander glimlachte om de gedachte. Als het een vallende ster was mocht hij een wens doen. Maar hoe dat zat met een omhoog vallende ster wist hij niet. Hij zag hoe het licht langzaam in het duister verdween. Hij keek op zijn horloge. Bijna middernacht. Hij was moe en wilde naar bed. Hij stond op om terug te lopen. Terwijl hij zich omkeerde zag hij een flink stuk boven de horizon een nog veel fellere lichtflits van een ongekende omvang. Het leek op een enorme explosie ergens ver weg in de lucht boven zee. Het leek alsof een bovenmaatse vuurpijl, een immens vuurwerk, in een gigantische fontein van licht uiteenspatte maar dan vele malen feller dan hij ooit gezien had. De lucht was onbewolkt, een onweer boven zee kon het onmogelijk zijn. Het licht had een totaal een andere kleur. Het was veel geler en roder dan het witte licht van een bliksemflits of van een bolbliksem. Het was alsof er een enorme gouden lichtbal uiteenspatte en in myriaden vlammende delen omlaag tuimelde naar de aarde, twee donkere rookpluimen, die duidelijk afstaken tegen het vurige licht. Hoog in de lucht leek er een inferno los gebarsten. Een enorme vuurbal spatte op grootte hoogte, als een gigantisch vuurwerk uiteen in honderden brandende delen die eerst langzaam en toen steeds sneller terugvielen naar de aarde. Het vallen van de brandende stukken duurde minuten. Ze verdwenen ver achter de horizon in zee. De lucht boven de horizon kleurde zich met een roodgouden gloed alsof achter de horizon grote paasvuren waren aangestoken. Alexander bleef gefasci13

neerd maar ook met iets van angst naar het schouwspel kijken. Daar ver buiten op zee voer de ‘Princess’, voer Dorothy! Nog terwijl het vuurwerk zich voor zijn ogen ontrolde hoorde en voelde Alexander het geluid van een enorme dubbele explosie, een drukgolf van een ongekende heftigheid. De klap was dof, hard en raakte zijn oren zo onverwacht heftig dat hij in elkaar dook. Zijn gehoor was er minuten lang door verdoofd. Hij hoorde nog slechts een suizen, dat langzaam afnam. Het was als het geluid van een harde doffe, lang aanhoudende donderslag. Vele malen heftiger dan van een gigantische onweersbui die zich in een enkele klap ontlaadde. De grote dubbele knal werd gevolgd door een minuten aanhoudend gedonder en gerommel van een hele serie opeenvolgende over elkaar heen tuimelende heftige explosies van verschillend karakter. Lichte klappen wisselden elkaar af met zware explosies. Alexander had het gevoel alsof er daar ergens op zee een kruithuis explodeerde. Alsof een schip geladen met dynamiet de lucht in ging. Een vliegtuig? Vroeg hij zich af. Het licht in de lucht daalde neer en doofde langzaam in het duister van de nacht. Het gedonder en gerommel doofde langzaam weg in de stilte van de oceaan. Toen was het weer stil, even plotseling als het gedonder begonnen was, daalde er een oorverdovende stilte neer over Overstone Island. En langzaam doofden ook de lichten achter de horizon. Alexander staarde verdwaasd minuten lang naar de horizon, niet wetend wat hij gezien had. Hij was weer gaan zitten om naar het geweldige, maar ook infernalische schouwspel te kijken. Hij zat versteend op het bankje en bewoog zich niet. Plotseling brak de spanning. Een vreselijke gedachte bracht hem weer terug in het hier en nu. Als een flits ging het opnieuw door zijn hoofd: ‘de ‘Princess’ ... , Dorothy ..., daar buiten op zee! Mijn God, nee! Dat niet.’ Hij sprong op en rende over zijn eigen voeten struikelend zo snel hij kon terug naar huis. De zaklamp liet hij op de bank liggen. Diep onder het wateroppervlak, onzichtbaar voor de drie mensen op de Princess, hing HMS Seahound, een onderzeeboot van de Royal Navy te luisteren naar de geluiden om zich heen. De Seahound nam deel aan een speciale test in het kader van een oefening voor de mondiale crisissituatie waarvan iedereen hoopte dat hij nooit zou optreden. Vier jaar geleden had de wereld de adem ingehouden toen Amerika en Rusland korte tijd op ramkoers leken te liggen over de Russische raketten op Cuba. Kennedy en Chroestjow hadden het probleem uiteindelijk met diplomatieke middelen opgelost, maar nooit was de mensheid dichter bij een fatale kernoorlog geweest dan in die cruciale dagen. Toen Rusland zijn raketten van Cuba weghaalde kon de wereld weer even opgelucht ademhalen. Maar de koude oorlog was nog niet voorbij. Beide fronten waren tot de tanden bewapend met conventionele en nucleaire wapens. Een ander vergelijkbaar incident zou makkelijk tot een kernoorlog kunnen leiden en dat moest koste wat het kost voorkomen worden. Een met tactische en strategische kernwapens uitgevochten moderne oorlog tussen de beide supermachten en hun aanhang zou zonder twijfel het 14

einde van de westerse beschaving betekenen. Elke militair leerde, dat om een oorlog te voorkomen, het westen tot de tanden, ook nucleair bewapend moest zijn. Een oud Romeins principe dat nog steeds geldigheid leek te hebben: wie oorlog wil voorkomen moet erop voorbereid zijn. De taak van de militairen van de NAVO bestond eruit waakzaam te zijn om een dreiging uit het oosten tijdig en effectief af te kunnen wenden. Door voortdurend de vijand te dreigen met conventionele en nucleaire wapens te land, ter zee en in de klucht, zou het Oostblok in toom gehouden kunnen worden. Dat was de westerse verdedigingsdoctrine. De geheime diensten van de NAVO bondgenoten hielden niet alleen elkaar, maar op allerlei plaatsen in de wereld vooral ook het doen en laten van de Russische militairen en hun bondgenoten in de gaten. Terwijl de binnenlandse veiligheidsdiensten probeerden om mogelijke verraders en spionnen in eigen land te ontmaskeren. Recent leek dat succesvol gelukt met de ‘Cambridge Five’ die als spionnen en mollen ook tot op hoge posten in de eigen gelederen van de geheime dienst waren doorgedrongen. Namen als Kim Philby, Donald Maclean, Guy Burgess, Antony Blunt en John Cairncross spraken tot de verbeelding en leken de effectiviteit van de geheime diensten te bewijzen. Dat de vijf jaren lang hun verraderlijke werk hadden kunnen doen werd snel vergeten. Nog steeds was niet zeker of er niet ergens in de gelederen van een geheime dienst mogelijk nog een zesde of zelfs een zevende mol actief was. Er werd koortsachtig naar gezocht. De westerse verdedigingsdoctrine van de wederzijdse afschrikking met monsterlijke nucleaire wapens zorgde er voor dat de wereld voortdurend danste op een op uitbarsten staande vulkaan. Daarbij konden geen mollen gebruikt worden. Veel te gevaarlijk! Vooral omdat kernwapens ook een gevaar betekenden als ze niet in een oorlogssituatie gebruikt werden. Scherpe kernwapens zoals in B-52G Stratofortresses ter afschrikking dagelijks over de aardbol vervoerd werden, vormden altijd een bedreiging voor de veiligheid van burgers, ook al golden er strenge veiligheidsmaatregelen voor het werken ermee. De mannen van de Royal Navy oefenden voor de crisissituatie die nooit zou mogen intreden. Deze nacht zou HMS Seahound een nieuw wapen testen. Een sea-to-air raket, afgevuurd vanaf een onderzeeboot om een vijandig vliegtuig neer te halen. Het was de eerste test met een scherpe raket en hun target was een onbemand vliegtuig dat op een nog onbekend tijdstip via een nog niet bekende route op een onbekende hoogte over het zeegebied waar de Seahound lag, zou vliegen. Hun taak was dit onbemande oefendoel uit de lucht te halen. De oefensituatie was een net echt situatie met scherpe wapens en met alle daaraan verbonden risico’s. De bemanning van HMS Seahound kende de enorme slagkracht van hun wapens en het inherente gevaar ervan. Ze wisten dat ze voortdurend met vuur speelden, zeker deze nacht als ze een scherpe raket met een conventionele explosieve lading zouden afvuren. Maar ze waren uitstekend getraind en iedereen vertrouwde bewust of onbewust op elkaars gevoel voor verantwoordelijkheid en elkaars vakmanschap. Zo kon er eigenlijk niets mis gaan en konden de mensen aan land rustig slapen. Zij waakten opdat de burger rustig kon slapen. Ook de drie opvarenden van de ‘Princess waren zich van 15

geen gevaar bewust. En toch zou deze nacht anders zijn dan alle andere nachten. De opvarenden van de ‘Princess’ zouden het niet kunnen navertellen. De bemanning van HMS Seahound bewoog zich niet. Alles en iedereen in de onderzeeboot was doodstil. Er werd alleen het hoognodige gefluisterd. De bemanning wist dat er ergens daar buiten een andere onderzeeboot lag om hen in de rol van ‘vijand’ in de gaten te houden. De manschappen van beide onderzeeboten waren tot het uiterste gespannen om eventueel dat ene geluid op te vangen waarmee ze de positie van de ‘vijand’ zouden kunnen bepalen. Iedereen aan boord van de Seahound deed wat hij moest doen met de grootst mogelijke voorzichtigheid. Er was vrijwel geen geluid te horen. De dieselmotoren waren stil gezet en de onderzeeboot kreeg zijn energie uit de zware batterijen. Alles ging nu elektrisch en geruisloos. De mannen wisten dat het geringste geluid in de boot door het water vele malen versterkt en ver gedragen zou worden en hun aanwezigheid aan een andere onderzeeboot zou kunnen verraden. De apparatuur van de ‘vijand’ zou bij het minste geringste geluid hun aanwezigheid kunnen registreren. Om het volstrekt geluidloos opereren van HMS Seahound te kunnen monitoren lag op enkele honderden meters afstand van hen vandaan een tweede onderzeeboot stil te luisteren. HMS Vanguard was de onderzeese inspecteur van de test, met aan boord de leider van de oefening die in direct contact stond met het Strategisch Luchtcommando. HMS Vanguard speelde bij de oefening ook de ‘vijand’, die op de loer lag om het target te beschermen en de ligging van de Seahound te ontdekken. De HMS Vanguard mocht de positie van HMS Seahound niet te vroeg ontdekken. Zou dat wel gebeuren en HMS Vanguard was echt een vijandige onderzeeboot dan zou deze Seahound vrijwel zeker met een of meer torpedo’s tot zinken brengen voordat deze de sea-to-air raket had kunnen afschieten om het onbemande vijandige vliegtuig neer te halen. In werkelijkheid zou het oefenvliegtuig een Sovjet bommenwerper hebben kunnen zijn die dan ongehinderd zijn doel had kunnen bereiken. Dit soort oefeningen waarin een onderzeeboot loerde op een nog onbekende prooi stelde hoge eisen aan mens en materiaal. De bemanning van HMS Seahound keek gespannen naar de instrumenten. Zij wisten dat hun collega’s net zo gespannen naar hun instrumenten tuurden in de hoop iets te horen waaruit zij de positie van de HMS Seahound konden opmaken. In de nacht van 12 juni 1966 om 23.44 draaide een eerste matroos van de HMS Vanguard zich in zijn slaap om in zijn kooi en stootte het boek dat hij had liggen lezen van zijn bed. Het boek viel omlaag en trof in zijn val een stapel van twee grote soepkoppen met daarin twee lepels, twee messen en twee vorken die op het plankje naast zijn bed stonden. De soepkoppen met het bestek vielen om en spatten op de vloer van de kajuit met een knal, gemengd met het lawaai van het vallend bestek, uit elkaar. Toen was het weer stil in de slaapvertrekken van de bemanning van HMS Vanguard. De bemanning sliep meestal met gesloten deuren en met oordopjes in hun oren. 16

Van het lawaai van brekend serviesgoed en klaterend bestek werd dan ook niemand wakker. In de commandocentrale aan de andere kant van het schip hoorde niemand het geluid. HMS Seahound hing op 25 meter onder de wateroppervlakte doodstil te luisteren naar de geluiden uit de oceaan. In de commandocentrale was het stil. Het gedempte rode licht gaf de ruimte een spookachtig en voor vreemden onwennig uiterlijk. De dienstdoende manschappen zaten op hun werkplekken en hielden de monitoren en meters in de gaten die de talloze functies van de onderzeeboot aangaven. Af en toe was er de rustige stem te horen van een van de bemanningsleden die een waarneming vanaf zijn werkplek doorgaf aan een collega of aan de commandant die op zijn vaste plek in het midden van de commandocentrale zat en alles rustig overzag. Zijn blik was gericht op het radarscherm dat geelachtig oplichtte met elke draaiing van de radarantenne. De sonar gaf aan dat er boven hen aan de zeeoppervlakte deze nacht geen scheepsverkeer was. Het Strategisch Luchtcommando had dit deel van de kustwateren verboden verklaard voor civiel scheepvaartverkeer. De vrachtschepen voeren vannacht met een nog grotere boog om dit deel van de Atlantische Oceaan heen. Alles was rustig en aan de oppervlakte was het stil, niets bewoog. Een prima situatie voor een oefening in concentratie en precisie. Vanaf het Strategisch Luchtcommando was zojuist de prooi vrijgegeven. De HMS Seahound luisterde aandachtig naar de mogelijke geluiden van HMS Vanguard. Alles was nog stil. De bemanning van HMS Seahound hield zich goed. Niemand maakte een onverhoeds geluid dat de sonar van HMS Vanguard zou kunnen oppikken. Alles ging volgens het boekje. Het wachten was op het verschijnen van de stip op de radar die aangaf dat het onbemande doelvliegtuigje in aantocht was. Op dat moment kon HMS Seahound de positie van haar prooi zien en haar testraket in gereedheid brengen. Het radarsignaal zou tot activiteit op de HMS Seahound leiden. Daardoor zou de kans groter worden dat een bemanningslid een geluid zou maken dat door de sonar van HMS Vanguard gehoord zou kunnen worden. De bemanning van de HMS Seahound deed zijn uiterste best om doodstil te blijven, geen enkel geluid te maken dat hen zou kunnen verraden. Het ging erom, voordat de collega’s van HMS Vanguard hen zou horen, op het juiste moment het commando ‘vuur’ te geven zodat de nieuwe raket de prooi uit de lucht zou halen. Zodra de sea-to-air raket de vuurbuizen verlaten hadden en aan de Vanguard hun positie zou verraden, moest HMS Seahound zijn elektromotoren starten en een snelle duik maken naar 300 meter. Pas op voldoende afstand van hun huidige locatie konden de dieselmotoren weer gestart worden om in zuidwestelijke richting naar een voorgegeven punt in de Atlantische oceaan te varen om daar op nadere commando’s wachten. Om 23.44 uur ving een matroos van HMS Seahound een kort geluidssignaal op. Was dat het signaal waarop de bemanning al enkele uren zat te wachten en waarmee aangegeven werd dat het onbemande doelvliegtuigje onderweg 17

was? Vrijwel op hetzelfde moment verscheen er een stipje op de rand van de radar in de commandoruimte. Nu wist hij het zeker: het onbemande vliegtuig vloog op een afstand van enkele honderden meters boven het zeeniveau. Niemand in de commandoruimte schonk er aandacht aan, dat het signaal dat door de sonar en de radar om 23.44 uur werd opgevangen 18 minuten eerder binnenkwam dan in het instructieboek voor de oefening was aangegeven. Niemand kon daar aandacht aan schenken omdat alleen aan de commandant was doorgegeven dat de tijden van de oefening gewijzigd waren. De commandant had verzuimd dat aan zijn manschappen door te geven. Alleen commandant Louis MacIntyre kende de exacte timing van de oefening en alleen hij wist dat dit signaal nog niet het juist signaal was. Voor de bemanningen in de commandocentrale van HMS Seahound was dit signaal het onderdeel van de oefening waarop zij moesten reageren met het afvuren van de testraket. Dat het eerste signaal een ander signaal was dan gebruikelijk, omdat het per ongeluk door een matroos van HMS Vanguard veroorzaakt was bleef onopgemerkt. Dat het radarsignaal dat erbij leek te horen niet het signaal van hun prooi was maar de echo van twee andere vliegtuigen ontging hen. Het leek een keten van vergissingen. Het sonarsignaal veroorzaakt door een geluid van de HMS Vanguard werd verwisseld met het startsignaal van de oefening. Het radarsignaal was van een ander vliegtuig. De tijden van de oefening waren veranderd. Deze opeenvolging van losstaande vergissingen zorgden voor een reeks van fatale fouten in de nu volgende commando’s. Elke militaire oefening bevat altijd tal van onbekende, deels niet geplande elementen, verrassingselementen om het commando en de bemanning scherp te houden. De opdracht om het vliegende oefendoel op het juiste moment met behulp van een scherpe sea-to-air raket uit de lucht te halen werd uitgevoerd op basis van een verkeerd geïnterpreteerd geluidssignaal. De luisterende matroos gaf de komst van het doelvliegtuig op basis van het gehoorde geluid dat van HMS Vanguard afkomstig was door aan de man bij het radarscherm. Deze zag een stip op zijn scherm verschijnen en zag daarin de in aantocht zijnde oefenprooi. Dat gaf hij door aan de commandocentrale, waar direct een aantal bemanningsleden in actie kwam. Alleen de commandant wist dat dit signaal niet het bedoelde signaal kon zijn, maar de commandant greep niet in. De oefening was verschoven om het luchtruim vrij te houden voor het in de lucht bijtanken van een vertraagde vlucht van een B-52 bommenwerper geladen met scherpe kernwapens. Desondanks startte de commandant van HMS Seahound de procedure om de testraket af te vuren. De officier, verantwoordelijk voor de radar die de stip op het radarscherm aanzag voor het oefendoel, gaf de coördinaten, de hoogte en de snelheid van het doelobject door aan de bommenrichter, die de raketinstallatie instelde en gereed maakte om te vuren. Commandeur Louis MacIntyre gaf het commando ‘klaarmaken om te vuren’ en de gespannen stilte veranderde plotseling in gecoördineerde, maar uiterst zacht en nauwelijks hoorbare activiteit in HMS Seahound. Het goed getrainde team deed in de commandocentrale en in de torpedoruimte precies datgene waarvoor het was getraind. Boven in de commandotoren van de on18

derzeeboot maakten vier mannen voorzichtig de testraket gereed om te worden afgevuurd. Ze schoven de raketten in de verticale vuurbuis, sloten de klep van de buis en drukten op de knoppen waardoor de vuurcentrale verder achterin het schip wist dat de installatie gereed was. Daarna trokken ze zich terug. Vanuit de vuurcentrale werd de commandant op de hoogte gesteld dat de raket op scherp stond en dat hij kon aftellen en het commando om te vuren kon geven. Een aantal korte commando’s volgde elkaar snel op, elk gevolgd door een bevestiging als het commando opgevolgd en uitgevoerd was, tot op het moment dat de mededeling ‘raket gereed om af te vuren’ weerklonken had. Toen werd het weer stil in de centrale. Een gespannen en geconcentreerde stilte waarin elk bemanningslid exact wist wat er van hem verwacht werd. Ieder hield zijn instrumenten in de gaten. De mannen van HMS Seahound wachten op het aftellen en het commando ‘vuur’ door de commandeur. Zijn rustige stem klonk ontspannen en zacht uit hun koptelefoons : ‘…. vijf, vier, drie twee, een, VUUR!’. Met een gelijktijdige druk op twee rode knoppen zette de eerste officier de aandrijfmotoren van de raket in werking. Een lichte, nauwelijks voelbare trilling ging door het schip op het moment dat de raket in beweging kwam, de klep van de vuurbuis openschoof, de raket onder water vaart maakte en op weg ging naar zijn doel. Op de sonar was de vlucht van de raket naar het oppervlak van de oceaan duidelijk te volgen. Maar ze konden niet wachten op het moment dat de raket door de waterspiegel zou breken. In gedachten telden ze mee. Ze moesten meteen weg zijn. Het was een kwestie van ‘hit and run’. En snelheid maken was voor HMS Seahound geen probleem. Gespannen keken de manschappen naar hun beeldschermen en meters. Een nieuwe serie commando’s volgde. De elektromotoren stuwden de onderzeeboot voort voordat de dieselmotoren gestart werden. Met een lichte schok zette de onderzeeboot zich in beweging, de neus dook onder een hoek van 25 graden omlaag om zo snel mogelijk de gewenste diepte te bereiken. Het duurde een paar minuten voor de radarapparatuur de explosie hoog in de lucht registreerde en de bemanning wist dat de raket haar doel getroffen had. De stip verdween van de radar. De manschappen konden opgelucht ademhalen. De oefening leek geslaagd. Het wachten was alleen nog op de officiële melding door het Strategisch Luchtcommando dat het doel geraakt en de vijand vernietigd was. Die mededeling kon nog wel even op zich laten wachten. Toen de HMS Seahound op veilige afstand was konden de dieselmotoren gestart worden en kon vaart gemaakt worden. Twee uur scheidden hen van het afgesproken punt op 350 meter diepte op 450 kilometer uit de kust van Schotland, halverwege de Faeröer eilanden. Met een snelheid van bijna 25 knopen gleed de onderzeeboot door het water. Commandeur MacIntyre bedankte zijn manschappen, gaf het commando over aan de eerste officier en trok zich terug in zijn hut. Geen van de manschappen had er erg in dat 18 minuten nadat de raket was afgevuurd er een kleine gele stipje op het scherm van de radar verscheen. Het luchtruim was na de lancering weer vrijgegeven. De oefening was afgelopen. Het stipje 19

knipperde ook en bewoog met vrijwel hetzelfde tempo als die andere stip over het scherm. Onopgemerkt verdween de tweede stip enkele minuten later weer van het radarscherm. Er volgde geen reactie van een bemanningslid, er werd geen mededeling gedaan aan de commandeur. Het onbemande vliegtuig zette zijn vlucht voort en zou enkele uren later in zee storten wanneer de kerosine op was en de motoren stil vielen. Het zou onbemerkt naar de boden van de oceaan zinken en daar blijven liggen als een nieuw tehuis voor zeedieren van allerlei soort. Het zou opgenomen worden in de biosfeer van de zeebodem zoals een koraalrif. Begroeid en beleefd. Na enkele jaren zou het vliegtuig doorgeroest zijn en zou er een beperkte hoeveelheid schadelijke stoffen in het zeewater terecht komen. De schade aan de zeeflora en fauna zou beperkt blijven. Van een milieuramp zou hier niemand spreken. Er lag al zoveel afval op de bodem van de oceaan. Dorothy kende de plekken waar af en toe nog wilde zalm zwom op weg naar de snel in aantal afnemende, bereikbare paaiplaatsen in de Schotse rivieren. Ook al was het daar wat vroeg voor, een enkel exemplaar zouden ze wellicht al kunnen binnenhalen. En anders misschien een andere lekkere vis. Zelfs als ze niets vingen hadden ze nog voldoende redenen om de zee op te gaan. Het vriendschappelijke samenzijn telde meer dan de vangst. En Dorothy wilde een belangrijke zaak met haar vrienden bespreken. Een paar flessen wijn en een mand met heerlijke hapjes was alles wat ze nodig hadden om samen een gezellige en rustige avond en nacht op zee door te brengen. Het jacht beschikte over prima bedden, dus wat wilde je nog meer. Dorothy Durby, Elsa MacMurray en Jason Burding zaten op het achterdek van de ‘Princess’ en spraken over de plannen van Overstone GeoResearch. Elsa en Jason hadden al aangegeven er wel voor te voelen om het gesprek over samenwerking met Dorothy en Alexander aan te gaan en ze dachten nu al pratend na over de mogelijke vormen waarin die samenwerking gestalte kon krijgen. Ze praten en letten nauwelijks op hun hengels. Van hoogzeevissen was amper sprake. De hengels lagen in hun houders, het aas aan de lijnen in het water, maar aandacht hadden de drie er niet voor. De gaslamp op de tafel bescheen hun gezichten en zorgde voor vreemd bewegende schaduwen als gevolg van het zachtjes wiegen van de boot. Dorothy had besloten de boot zonder anker te laten drijven. Er was nauwelijks wind of stroming en dus ook geen gevaar voor afdrijven in de richting van de grote vaarroute. Ze waren ver genoeg van het land en de rotskust verwijderd. Een rustige zee en een volle maan maakte de eventuele risico’s gering. Ze waren helemaal alleen op de wijde zee. Dorothy had de neus van de boot in de wind gekeerd zodat ze op het achterdek lekker beschut zaten. Af en toe stond ze op, liep naar de stuurhut en controleerde de ligging van de boot. Niets aan de hand. Ze lagen vrijwel stil. Vanuit de stuurhut liet Dorothy haar blik over de voorplecht en het water gaan en dacht even aan Alexander en aan hun dochtertje, Little Dorothy. Het schip schommelde op de lichte deining. Aan stuurboord zag ze de open zee, aan bakboord, net achter de horizon, wist ze de vuurtoren van Overstone die met gelijkmatige tussenpozen 20

nog maar amper zichtbaar zijn zwak lichtende aanwezigheid in herinnering bracht. Het was stil, op het kabbelen van het water tegen de boeg na en een enkele schreeuw van een nachtelijke vogel. Vanuit de diepte van de oceaan hoorde ze af en toe vage geluiden die ze niet thuis kon brengen. Opeenvolgende piepjes als van een sonar leken het wel. Soms iets dat leek op het geluid van ijzer op ijzer, maar dat even goed het geluid van een onder hen zwemmend zeedier kon zijn. Ze schonk er geen aandacht aan. Onder hen waren honderden, misschien al wel enkele duizenden meters zee vol leven, dat elk op eigen wijze communiceerde en voortbewoog. Een enkele keer meenden ze het geluid van een walvis te kunnen onderscheiden of ver weg het stampen van een zware dieselmotor van een passerend schip. Zien kon ze de schepen niet. De vaarroute lag enkele tientallen mijlen verder naar het noordwesten. Dat de schepen omgeleid waren door het Strategisch Luchtcommando in verband met een militaire oefening wist Dorothy niet. Hoe ook? Niemand had haar in de haven van Overstone kunnen waarschuwen. De haven was op sterven na dood. Dat er 25 meter onder hen een onderzeeboot in de oceaan hing die hen op onverklaarbare wijze over het hoofd zag, wist ze evenmin. Dorothy draaide zich half om, om terug te lopen naar haar stoel op het achterdek. Ze reikte naar de fles wijn die in de kajuit op tafel stond. Plotseling voelde ze een schok door het schip gaan. Een dof aanzwellend grommen dook op uit de diepte van de oceaan. Het schip schommelde op de golven. Het was alsof de boot een duw kreeg. Iets leek de boot schuin van onderen te raken. Met een enorme zuil van water kwam iets vlak naast de boot omhoog uit het water. De waterdruk die het ding veroorzaakte maakte dat de boot sterk naar stuurboord overhelde en een golf water schepte. Dorothy verloor haar evenwicht en greep naar de tafel. Ze viel en krabbelde weer overeind. Naast zich zag ze iets langs en groots uit het water stijgen, dat achter zich een lichtend spoor van vuur trok. Ze meende de hitte door het glas van de kajuit heen te voelen. Het water kolkte en deed de ‘Princess’ deinen en stampen en kraken in alle voegen. Het schip richtte zich weer op, maar ze voelde dat het een flinke hoeveelheid water geschept had. ‘Dat wordt pompen’, bedacht ze. Ze begreep niet wat er gebeurde, greep zich vast aan de tafel en liet de fles wijn uit haar hand vallen. Ze wilde zich omdraaien om de kajuit uit te komen. Op de achterplecht lag haar reddingsvest. Terwijl ze naar de deur van de kajuit strompelde, meer vallend dan lopend door het heftige schommelen van de boot zag ze de enorme lichtflits hoog in de lucht even later gevolgd door een vreemd en snel in sterkte toenemend donderend geraas. Het klonk als een dof rommelen, een diep aanzwellend grommen, een hele serie explosies voorafgegaan door een enorme dreun. De zee om haar heen was spookachtig fel verlicht door iets dat hoog boven haar hoofd gebeurde. Ze werd verblind door het licht. Door de ruiten van de kajuit zag ze niets anders dan het donkere water en hoog in de lucht een onvoorstelbaar vuurwerk. Door de openstaande deur van de kajuit zag ze hoe Elsa en Jason elkaar verschrikt aankeken en Jason zijn arm om Elsa’s 21

schouders legde. Elsa stond op en reikte naar de reddingsvesten die ze voor het gemak hadden afgelegd. Diep onder hen in de oceaan was er iets gebeurd en boven hoog in de lucht was de hel losgebarsten. Ze begrepen niet wat ze zagen. Hoe ook? Ze wisten niets van een raket en een onbemand vliegtuig en ze hadden niet gelet op het zware dreunen van de motoren van de B-52 en de KC-135 hoog boven hen. Het waren normale geluiden geweest die ze gehoord hadden. Het leek Elsa beter de reddingvesten weer aan te doen. Ze gaf twee vesten aan Jason die opstond en zich omdraaide om het ene reddingsvest aan Dorothy te geven. Hij keek Dorothy vragend aan met iets van onbegrip en een vage angst in zijn ogen. ‘Een zeebeving?’ vormden zijn lippen in een vraag die Dorothy niet meer kon verstaan door het aanzwellende geluid van de opeenvolgende explosies hoog in de lucht. Dorothy draaide zich om, om naar de deur van de kajuit te lopen. Ze keek de beide anderen angstig vragend aan. Haar blik werd beantwoord met even vragende blikken, waarin ze stijgende angst herkende. Elsa bewoog haar lippen en riep iets naar Jason die versteend naar het spektakel in de lucht keek en niet reageerde. Had hij haar niet meer gehoord? Dorothy kon haar woorden door het lawaai niet meer verstaan. Jason schreeuwde iets en wees omhoog. Nog voor Dorothy haar hoofd kon omdraaien viel er iets groot neer uit de hemel, een spoor van vuur achter zich latend. Het donkere gevaarte kwam recht op hen af. Jason dook instinctief in elkaar. Elsa keek als versteend naar boven. Dorothy keek omhoog en zag niets anders dan het dak van de kajuit. Paniek maakte zich van haar meester. Ze moest naar buiten, niet opgesloten zijn in de kajuit. Ze wankelde naar de deur van de kajuit die door het heftige schommelen van de boot in het slot gevallen was. Dat het zwarte ding dat op hen af dook een groot stuk van een afgebroken vleugel met een van de vier motoren eraan van de B-52 was die met KC-135 in de lucht geëxplodeerd waren, wist Dorothy niet toen het zwarte gevaarte de ‘Princess’ net voor het midden trof. Dat het donkere ding dat opgestegen was uit het water een sea-to-air raket van de HMS Seahound was die de B-52 getroffen had en dat de KC-135 geraakt was door een van de vleugeltips van de neerstortende B-52 bleef haar onbekend. Het stuk van de vleugel sloeg een groot deel van de ‘Princess’ weg, waardoor het grootste deel van het jacht door het gevaarte meegezogen werd de oceaan in. Dorothy sloeg hard met haar hoofd tegen de punt van de kast met de radioapparatuur. Ze probeerde de noodknop voor het ‘Mayday, Mayday’ op het radiotoestel in te drukken maar haar vingers graaiden tevergeefs naar houvast. Ze probeerde terug te kruipen, maar gleed terug in een plas water en bleef verdwaasd liggen. Ze greep naar haar hoofd en voelde warm bloed tussen haar vingers. Ze voelde geen pijn. Ze voelde helemaal niets meer. Haar brein had haar al afgesloten van elk gevoel. Ze zag dat haar hand onder het bloed zat. Haar eigen bloed. Ze probeerde overeind te komen en zich tevergeefs vast te houden aan het stuurwiel dat op een vreemde plaats schuin boven haar hoofd hing. Ze kon het stuurwiel niet bereiken en maaide hulpeloos met haar arm in het niets. Ze voelde hoe ze langzaam wegzonk in het snel stijgende water in de kajuit. Met haar andere hand probeerde ze de 22

wond in haar hoofd dicht te houden. Ze voelde het gat in haar schedel en haar vingers raakten de zachte massa daaronder. Voor haar ogen vormde zich een bloedrode waas, toen het bloed uit haar gapende hoofdwond in haar ogen kroop. Een plotselinge schok door de boot wierp haar naar achteren en ze belande hard tegen de glazen deur van de kajuit die door de klap dichtgeschoven was en in het slot zat. Ze hoorde hout en haar eigen botten kraken terwijl haar hoofd omviel en in het zoute water belande. Ze kreeg geen lucht meer, snoof bij het inademen het zoute zeewater naar binnen dat brandde in haar keel en haar luchtpijp. Ze wilde hoesten, lucht krijgen. Ze had het gevoel te stikken. De druk op haar borst nam toe. Ze kreeg geen lucht meer. Zout water verdrong de laatste restjes lucht in haar longen. Ze wist haar hoofd nog een keer even uit het zoute water op te tillen en probeerde door de rode waas om zich heen te kijken. Ze zag vaag door de rode waas hoe delen van de zijkant van de kajuit op haar afkwamen en haar klem zetten. Daarachter daalde iets groots en ronds neer op de kajuit. Iets zwarts dat haar als een wreed zeemonster snel dieper wegdrukte het oceaanwater in. Toen zakte ze weg in een zwart gat van vergetelheid. Ze wist dat ze geen lucht meer nodig had toen haar longen zich vulden met het zeewater. Ze voelde geen pijn meer. Ze was zich er niet meer van bewust hoe haar bloed zich vermengde met het water van de oceaan. Ze voelde niet meer hoe het zwarte vallende gevaarte de ‘Princess’ onder water drukte, waardoor het schip in twee stukken brak, die binnen enkele seconden in de golven verdwenen. Dorothy zat gevangen in de kajuit van de ‘Princess’. Haar lippen vormden nog een woord, twee namen, maar er was niemand meer om de namen, om haar stemloze kreet te horen: ‘Alexander!’ ‘Dorothy!’ Ze was alleen in haar doodsstrijd, die kort en heftig was te midden van het tumult van de brandende delen van de neerstortende vliegtuigen. Zeewater vulde haar longen en omhulde haar dode lichaam. Dorothy zonk eenzaam weg in de diepte van de oceaan, als een levenloze ledenpop die terugkeert naar zijn oorsprong. Elsa en Jason werden door de kap van de vallende vleugel van de B-52 hoog de lucht in geslingerd met een kracht die maakte dat ze al bewusteloos of dood waren voor ze het wateroppervlakte raakten en levenloos naar de bodem van de oceaan zonken. De drie reddingsvesten dreven als macabere signaalbakens te midden van de brandende kerosine en smolten weg door de hitte van de vuren op het water. Een olievlek en enkele lichte houten delen markeerden de plek waar de ‘Princess’ minuten tevoren nog vreedzaam had rondgedobberd. Het zwarte stuk vleugel met de motor eraan draaide zich half om in het water voor het een ogenblik leek te blijven hangend en toen langzaam zonk, in haar kielzog de restanten van de ‘Princess’ mee zuigend naar de diepte. Binnen seconden waren het dood en verderf zaaiende zwarte monster en de ‘Princess’ onder het wateroppervlak verdwenen en kwam het water van de oceaan weer even tot rust. In de wijde omgeving van de plek waar de ‘Princess’ gelegen had regende het nog minutenlang brandende on23

derdelen van de beide vliegtuigen, maar schade richtten die niet meer aan. De brandende kerosine verlichtte de plek van het ongeluk onheilspellend. Toen ook het laatste vuur door het zeewater gedoofd was, leek het er weer op, alsof er niets gebeurd was. Stil en vredig lag de zee erbij. De maan scheen helder en liet een lichtend pad op het water zien. Ruim een uur later dook een paar honderd meter naar het noorden een periscoop op uit het water. De bemanning van HMS Vanguard had iets vreemds gehoord, iets dat vaag leek op een ‘mayday’ en had van het Strategisch Luchtcommando een zeenood melding doorgekregen. Er was met een B-52 en een KC-135 iets niet in orde en de HMS Vanguard was zodanig dichtbij dat het schip opdracht kreeg poolshoogte te gaan nemen. De onderzeeboot had haar duik naar de diepte van de oceaan afgebroken en lag nu klaar om op te duiken om eventuele drenkelingen aan boord te nemen. Maar er was niets te zien. De zee was rustig en donker. HMS Vanguard dook op maar kon niets bijzonders ontdekken. Er dreven alleen enkele wrakstukken van een vliegtuig in het water en enkele stukken wrakhout van wat mogelijk een houten schip geweest was. De bemanning signaleerde wel een duidelijke kerosine lucht op zee. Niets herinnerde er verder aan een luxe jacht dat getroffen was door een afgebroken vleugel van een B-52 en dat met veel geweld was ondergegaan. Het was alsof de ‘Princess’ er nooit geweest was. Van de drie opvarenden van het jacht ontbrak elk spoor. Van de bemanning van de beide verongelukte vliegtuigen werden geen stoffelijke resten gevonden. Enkele wrakstukken, een lege reddingsboei, drie lege zwemvesten en een olievlek markeerden de plek waar de ‘Princess’ een uur eerder nog vredig gelegen had. Onverrichter zake dook HMS Vanguard weer onder water en vervolgde zijn weg. De reactie van de Vanguard op een opgevangen ‘Mayday’ was routine geweest. Het gaf de coördinaten van het gebied door aan het Strategisch Luchtcommando. Na het aanbreken van de dageraad vlogen enkele militaire vliegtuigen en drie helikopters laag over het gebied, dat in verband met de enkele dagen verlengde militaire oefening nog afgesloten bleef voor de scheepvaart. Dat de bemanningen van HMS Vanguard en de HMS Seahound aan een ramp ontkomen waren werd hen pas bewust toen ze dagen later in hun thuishaven Faslane iets vernamen over hetgeen er hoog boven hen in de lucht gebeurd was. Maar meer details dan dat er twee vliegtuigen boven hen waren neergestort en in zee beland op de plek waar zij minuten tevoren nog gelegen hadden, kregen zij niet te horen. De rest van het incident werd door de hoogte legerleiding tot strategisch militair geheim verklaard. In militaire kringen werd er niet meer over gesproken en ook in de openbaarheid werden geen mededelingen gedaan over het incident. Op 500 meter diepte en 50 mijl van de plek van de testlocatie verwijderd keek Commandeur Louis MacIntyre op de klok van zijn hut en noteerde in zijn logboek 23.44 uur: start test sea-to-air raket 24

en 23.46 uur – opdracht volbracht, test uitgevoerd, wacht op mededeling ‘doel uitgeschakeld’. Hij leunde achterover, tikte met zijn pen tegen zijn lippen en staarde even voor zich uit. Toen voegde hij nog een woord toe aan de regel die hij zojuist geschreven had. In grote duidelijke blokletters schreef hij over de volle breedte van de pagina: ARMAGEDDON Hij sloeg het logboek dicht, leunde achterover en sloot zijn ogen. Hij maakte een tevreden indruk. Hij hield een paar minuten zijn ogen gesloten legde zijn handen in zijn schoot en bewoog zijn lippen zonder dat er een geluid uit zijn mond kwam, als in een stil gebed. Hij opende zijn ogen weer, rekte zich uit, stond op liep naar de kast in zijn hut, opende de deur en pakte een klein doosje dat op de bovenste plank tussen zijn overhemden verstopt was. Hij opende het doosje, pakte er een kleine witte capsule eruit, liep naar de toiletruimte, liet een glas vol water lopen, stak de capsule in zijn mond, liep naar zijn bed, ging op de rand zitten en slikte de capsule met een paar slokken water door. Seconden later vormde er zich een wit schuim op zijn lippen. Zijn lichaam schokte heftig in een krampachtige convulsie, hij zakte naar rechts weg en zijn levenloze lichaam gleed op de vloer. Daar bleef hij nog even naschokkend liggen. Commandeur Louis MacIntyre was dood. Hij hoorde het overgaan van de telefoon op zijn bureau niet meer. De dienstdoende eerste officier Kapitein Luitenant ter Zee George Davis vond het levenloze lichaam van Commandeur MacIntyre een half uur later. Hij was naar de hut van de commandant gelopen, omdat deze de telefoon niet opnam. Op de brug was een noodmelding binnengekomen van het Strategisch Luchtcommando. Zijn aanwezigheid op de brug was vereist. Er leek iets met de oefening mis gegaan te zijn. Ze moesten afbreken en opduiken om te kijken wat er aan de hand was. Een vaag, onduidelijk ‘mayday’ was gevolgd door een opdracht van het Strategisch Luchtcommando om poolshoogte te gaan nemen samen met de HMS Vanguard. Het was niet ongebruikelijk dat de Commandeur direct na een nachtelijke oefening de commandocentrale verliet en zich terugtrok in zijn hut. Maar toen deze de telefoon niet opnam was Kapitein Davis naar de hut van de commandeur gelopen om met hem te overleggen. Hij vloekte binnensmonds toen hij het levenloze lichaam met de blauw gekleurde en schuim bedekte lippen naast het bed zag liggen. Hij controleerde de halsslagader, maar stelde vast dat er geen hartslag meer waarneembaar was. Hij streek de starre ogen van de commandeur dicht, liep naar het bureau en zag de laatste regels in het dagboek. Hij keek een paar seconden naar het woord ARMAGEDDON, maar het woord zei hem niets. Hij haalde zijn schouders op, nam de hoorn van de telefoon op het bureau, drukte een van de knoppen in en gaf enkele bevelen. Daarna drukte hij een andere knop in en sprak ruim tien minuten met de dienst25

doende commandant van het Strategisch Luchtcommando. Als zijn vermoeden juist was, was hij zoeven getuige geweest van een van de grootste militaire vergissingen van de eeuw. Commandeur MacIntyre was 52 jaar toen hij de grootste fout in zijn carrière maakte. Een fout die aan 14 militairen en 3 burgers het levens kostte: drie onschuldige burgers die zich helaas op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevonden hadden, de 7 koppige bemanning van een B-52 met vier scherpe kernkoppen en een grote hoeveelheid conventionele wapens en munitie aan boord en de 7 bemanningsleden van een KC-135 tankvliegtuig geladen met ruim 100.000 liter kerosine. George Davis vergat zijn Commandeur mee te tellen. Pas later realiseerde hij zich dat ook zijn commandeur bij de slachtoffers van de ramp geteld moest worden. Een dode dader is ook een slachtoffer voor de militaire slachtofferstatistiek. George Davis kreeg met onmiddellijke ingang het commando over HMS ‘Seahound’. Davis was met 31 jaar de jongste commandant van een onderzeeboot. Het eerste wat hij deed was via de boordradio de manschappen op de hoogte te stellen van de dood van de commandant en van het feit dat het Strategisch Luchtcommando hem het bevel over de onderzeeboot had overgedragen. Hij zei niets over de achtergrond van de dood van de commandeur. Op aanwijzing van het Strategisch Luchtcommando sloot hij de hut van de commandeur af zonder iets aan het interieur te veranderen. Vervolgens gaf hij bevel de onderzeeboot te keren en met volle snelheid koers te zetten naar de marinebasis van Faslane, de thuishaven van de onderzeeboten van de Royal Navy. Er zou zeker een uitgebreid onderzoek komen naar het voorval. Kapitein Davis was er niet gerust op. De commandanten van de Navy waren ervan overtuigd dat het neerstorten van de beide vliegtuigen niet het gevolg kon zijn van een criminele handeling van een gestoorde collega. Allen hielden vol dat het om een ongeluk ging. Er was bij het aftanken van de B52 iets mis gegaan waardoor de beide vliegtuigen elkaar geraakt hadden en neergestort waren. Een betreurenswaardig ongeval. Er vonden enkele geheime onderzoeken plaats, maar geen ervan leverde een bevredigende verklaring op voor wat er nu precies gebeurd was. Een intern disciplinair onderzoek vond nooit plaats en er werd nooit een procedure opgestart om dergelijke fatale fouten in de toekomst te voorkomen. Het zogenaamde Overstone Incident – de naam was afkomstig van een journalist van de Overstone Herald, de legerleiding heeft het incident nooit een formele naam gegeven, omdat het bestaan ervan altijd ontkend is – werd diep weggestopt in de geheime archieven van de betrokken commandanten en van de militaire inlichtingendiensten. Noch over de oorzaken, noch over de gevolgen van het incident werden mededelingen gedaan. De resten van de door een Britse raket neergehaalde Amerikaanse B-52G bommenwerper met aan boord vier scherpe nucleaire bommen en van de eveneens neergestorte KC-135 bleven op de bodem van de oceaan liggen. Volgens de officiële militaire annalen heeft het Overstone Incident nooit plaatsgevonden. Navraag door kritische journalisten leverde door de jaren heen, keer op keer ontken26

ning van de feiten op. De B-52 en de KC135 waren tijdens een routine handeling, het tanken in de lucht, verongelukt en daarbij waren geen gevaarlijke stoffen vrijgekomen. Metingen ter plaatse, uitgevoerd door de desbetreffende dienst van de Royal Air Force en de Royal Navy toonden aan dat er officieel geen schade was ontstaan aan het zeemilieu en dat er op geen enkel moment gevaar bestaan heeft of in de toekomst zou kunnen bestaan voor het vrijkomen van radioactief materiaal. Het enige dat in de openbaarheid werd gebracht was een kort bericht dat door onbekende oorzaak in de noordelijke Atlantische Oceaan een B-52 en een KC-135 met aan boord in totaal 14 bemanningsleden waren neergestort en dat daarbij helaas alle inzittenden om het leven gekomen waren. Verzwegen werd, dat het deel van de B-52 waarin zich de vier waterstofbommen bevonden klem was komen te zitten in een diepe rotsspleet in de oceaanbodem, waardoor berging van de bommen niet mogelijk is. Ze vormden en vormen volgens de militaire specialisten, op geen enkele wijze een gevaar voor de scheepvaart. De legerleiding zag geen aanleiding over de ligging van de wrakstukken enige mededeling te doen. Officieel heet het dat onderzoek ter plaatse duidelijk heeft gemaakt dat er geen voor de gezondheid van burger belastend materiaal in de oceaan terecht is gekomen. In de dagen en weken na het ongeluk vond er koortsachtig overleg plaats tussen de verantwoordelijke militairen van de Verenigde Staten en Groot Brittannië. Het was de commandant van de Royal Navy inmiddels duidelijk dat HMS Seahound op enigerlei wijze betrokken was bij het ongeval. Om deze betrokkenheid van de onderzeeboot en haar commandant in kaart te brengen werd op zijn verzoek door het Britse Strategisch Luchtcommando een kleine speciale onderzoekscommissie ingesteld. Afgesproken werd dat dit onderzoek in het diepste geheim zou plaatsvinden en de classificatie ‘staatsgeheim’ zou krijgen. Omdat de wrakstukken ver van enig land diep op de bodem van de oceaan lagen werd in het grootste geheim door de legertop met instemming van de minister van defensie besloten te zwijgen over de werkelijk te verwachten radioactieve vervuiling als gevolg van het ongeluk. De bemanningsleden van de beide vliegtuigen werden in een gemeenschappelijk graf en met militaire eer begraven in aanwezigheid van de nabestaanden en de staatssecretaris van defensie. Ook de voorzitter van de verenigde chefs van staven van de Verenigde Staten en van Groot Brittannië waren daarbij aanwezig. Op de thuisbasis van de B-52G en van de KC-135 werden een jaar na het neerstorten van de beide vliegtuigen gedenkplaquettes onthuld door de commandant der strijdkrachten. In zijn beide toespraken roemde hij het werk van de bemanningen die hun leven gegeven hadden in dienst van het vaderland en voor de vrijheid van het Westen. Hij kreeg van de aanwezigen een warm applaus. De weduwen en de kinderen van de bemanningsleden kunnen trots zijn op hun dode echtgenoten en vaders. Het tragische ongeluk met de twee vliegtuigen was daarmee formeel afgesloten. Toen Alexander Durby thuis kwam belde hij meteen de politie van Overstone en maakte melding van hetgeen hij gezien had. In een eerste reactie hoor27

de hij dat er ook andere meldingen waren binnengekomen. De dienstdoende agent stelde hem, voor wat betreft de ‘Princess’ vooreerst gerust. De oceaan is groot en Alexander wist helemaal niet waar Dorothy heen was gevaren. Ze zou twee dagen wegblijven, dus er was pas reden tot nader onderzoek als de ‘Princess’ overmorgen onverhoopt niet mocht terugkeren in de haven. ‘Maar’, zo stelde de agent, ‘het is goed daar voorlopig niet van uit te gaan’. Ondertussen zou hij contact opnemen met de kustwacht om na te vragen of daar een melding was binnengekomen die licht kon werpen op de verschijnselen die gemeld waren. De agent beloofde Alexander dat hij hem op de hoogte zou houden. Vervolgens belde Alexander zijn stiefvader op, die met vakantie was in Zuid Spanje. Het duurde even voor hij contact had met het hotel en de nachtportier duidelijk gemaakt had, dat hij hem meteen moest doorverbinden met de hotelkamer van zijn stiefvader. Die was uiteraard verbaasd over het late telefoontje, maar hij zei dat het goed was dat hij hem direct had gebeld. Het stelde Alexander gerust dat zijn stiefvader aanbood, om direct de volgende ochtend contact te zoeken met een oud collega, die hem vermoedelijk meer kon vertellen over wat er wellicht buiten op zee was gebeurd. De ‘Princess’ keerde niet meer terug naar de haven van Overstone. Op onverklaarbare wijze was het schip met de drie opvarenden verdwenen. In de loop van de volgende weken werd aangenomen dat het jacht door onbekende oorzaak was vergaan. Van officiële zijde werd er met geen woord gerept over het verdwijnen van het jacht van Alexander Durby en de eventuele dood van drie opvarenden. Enkele dagen na het verdwijnen van de ‘Princess’ deed een lokale krant daar een korte mededeling over. Als oorzaak werden geëxplodeerde gasflessen aan boord genoemd. Alexander Durby wist dat dit onmogelijk de oorzaak kon zijn. De kranten meldden omstreeks dezelfde tijd ook in een kort bericht dat door een noodlottig ongeval boven de noordelijke Atlantische oceaan twee Amerikaanse vliegtuigen waren neergestort. Dat was alles. Voor de inwoners van Overstone bleef de verdwijning van het jacht een raadsel, dat nog vele jaren onderwerp van gesprek was in de pub. Zeker toen maanden later Alexander Durby gearresteerd werd vanwege de moord op zijn vrouw. En helemaal toen Alexander Durby kans had gezien te vluchten uit de politiecel in Overstone. Alexander Durby nam geen genoegen met de verklaring door de Coast Guard dat het schip vermoedelijk door een explosie van de gasflessen aan boord was vergaan. Hij wist dat de gasflessen helemaal niet aan boord van de ‘Princess’ waren en wilde weten wat er werkelijk met zijn vrouw en beide vrienden was gebeurd. De naspeuringen door zijn stiefvader leverden niets op ten aanzien van wat er die nacht op zee was gebeurd. Alexander wilde weten wat hij die nacht ver weg voor de kust gezien had en of het vreemde spel van licht die nacht te maken had met het verdwijnen van de ‘Princess’. Alleen al vanwege het feit dat de beide gasflessen van het schip in de botenloods op Overstone Eiland stonden toen de ‘Princess’ uitvoer. Alexander 28

Durby wist dat er door de Schotse politie, door de Coast Guard en door Scotland Yard over de dood van Dorothy, Elsa en Jason werd gelogen, maar hij wist niet waarom en hij kon de leugens nog niet aantonen. Hij wilde zich niet bij deze leugens neerleggen en besloot om alles tot op de bodem uit te zoeken. Dat verlangen naar gerechtigheid werd hem bijna fataal. Er meldden zich in de loop van de komende dagen aanvankelijk drie getuigen van het incident. Hun namen en adressen werden door de politie genoteerd en op hun verzoek aan de Dienst doorgegeven. De verklaringen van de getuigen werden stenografisch genoteerd. Zodra de getuigen waren vertrokken werden de gemaakte aantekeningen doorgestuurd naar de Dienst. Er werd op aandringen van de Dienst verder niets opgeschreven: in de agenda van de politie ontbrak de aantekening van de afspraken met de getuigen op het bureau en er werden geen processen verbaal opgemaakt van hun verklaringen. In de loop van de komende maanden werd de getuigen door de Dienst het zwijgen opgelegd. De Dienst had echter grote problemen met een vierde getuige, de zoon van Sir Bernard Overstone, een oud-collega van de Dienst. Aanvankelijk werd over het hoofd gezien dat Alexander Durby ook getuige was geweest van het incident. Zijn vroegtijdige telefonische contact in de nacht van 12 juni werd niet genoteerd en de dienstdoende agent vergat het telefoongesprek weer. Toen de Dienst achter de identiteit van deze vierde getuige was gekomen, bleek hen dat ze deze helaas niet op vergelijkbare wijze het zwijgen konden opleggen. Omdat hij de zoon van een oud-collega was, moesten tegen hem andere middelen ingezet worden. Die bleken uiteindelijk zo effectief dat ze Alexander Durby bijna noodlottig werden. Het Incident van Overstone zou zijn verdere leven blijven bepalen. Admiraal George Houston leidde de korte bijeenkomst in het hoofdkwartier van de Dienst in Cheltenham. Aanwezig waren de directeuren van de verschillende Diensten alsmede enkele hoge militairen van de marine en de luchtmacht. Tijdens de bijeenkomst werd nogmaals met nadruk duidelijk gemaakt dat een zogenaamd ‘Overstone Incident’ nooit had plaatsgevonden. Alle aanwezigen werd de militaire belofte afgenomen dat absolute vertrouwelijkheid in acht genomen moest worden. De commandant van de Marine Inlichtingendienst Kolonel Suzan Berkshire kreeg tot taak de identiteit te achterhalen van iedereen die mogelijk getuige van het incident was geweest. Zij kreeg tevens tot taak om passende maatregelen te laten nemen om ook van die kant absolute vertrouwelijkheid en geheimhouding te garanderen. Zij ontving daartoe carte blanche met de garantie dekking te zullen krijgen vanuit de hoogste militaire en politieke kringen. Houston deelde mee dat de marine zich tot taak gesteld had, om op onopvallende wijze het gebied in de gaten te houden en met onderzeeboten metingen te laten verrichten naar de radioactieve vervuiling van het zeegebied. De informatie die dit zou opleveren zou geheim blijven. Officieel was bij het tragische ongeval met de B-52 en de KC-135 geen radioactiviteit noch enig andere schadelijk stof vrijgekomen. De vier in de B-52 aanwezige waterstofbommen waren, zo de officiële – maar eveneens geheime – lezing, door de 29

onderzeeboot reddingsdienst van de Amerikaanse Navy met hulp van de onderzeebootdienst van de Royal Navy onbeschadigd geborgen. Ten aanzien van het zogenaamde Overstone Incident verklaarde Houston dat er een intern onderzoek zou worden uitgevoerd naar de achtergronden van de fout en de zelfmoord van Commandeur Louis MacIntyre. Vooralsnog gaf zijn militaire loopbaan geen enkele aanwijzing dat hij tot een dergelijke fout in staat zou zijn. Een betrouwbare interne deskundige van de dienst geestelijke verzorging van de luchtmacht, kolonel Peter Hughes, was gevraagd een analyse te maken van het raadselachtige begrip ‘Armageddon’, dat MacIntyre kort voor zijn dood bij wijze van afscheidsbericht in zijn logboek had achtergelaten. Het bleek te gaan om een of andere obscure religieuze term, vandaar de ondersteuning van Kolonel Hughes. Helaas ontbrak van MacIntyre een deugdelijke afscheidsbrief zodat ook zijn familie in het duister tastte over zijn motief zelfmoord te plegen. Hughes zou rapporteren aan Kolonel Susan Berkshire. Over de andere gevolgen van het Incident van Overstone verklaarde Admiraal Houston dat de legerleiding na overleg met de betrokken ministers en de minister-president had besloten geen verdere acties te zullen ondernemen ten behoeve van het eventueel bergen van wrakstukken of lichamen. Zouden er wrakstukken of delen van lichamen boven water komen dan zouden de admiraliteit en de Coast Guard daarop op adequate wijze reageren. Ook in dat verband zou het ontkennen van het incident centraal staan. Aan de familieleden van de omgekomen militairen was reeds medegedeeld dat er een B52 en KC-135 boven de noordelijke Atlantische Oceaan waren verongelukt en dat er tevergeefs gezocht was naar overlevenden. De bespreking werd afgesloten met de mededeling dat de coördinatie van alle activiteiten met betrekking tot het Overstone Incident in handen van de Marine Inlichtingendienst lag. Kolonel Susan Berkshire werd door Admiraal Houston officieel aangesteld als hoofd van de coördinatie-eenheid B-52 Overstone-Crash. Zij zou wekelijks aan Admiraal Houston rapporteren. Daarmee was het Overstone Incident officieel voorbij. Geen van de betrokkenen was het toegestaan om tijdens de verschillende overleggen aantekeningen te maken. Er werden geen notulen gemaakt van vergaderingen. Susan Berkshire was niet bereid commentaar te geven op het gebeurde. Officieel heeft het zogenaamde Overstone Incident, waarbij een grote hoeveelheid hoogradioactief materiaal in de Atlantische Oceaan terecht gekomen is, nooit plaatsgevonden. Een tweetal wetenschappelijke onderzoeksrapporten bevatte desondanks duidelijke aanwijzingen dat er in een groot gedeelte van de Atlantische Oceaan voor de kust van Overstone radioactief materiaal is vrijgekomen. Het onderzoek van het Instituut voor Marine Biologie van de universiteit van Glasgow toonde de aanwezigheid aan van radioactiviteit in de oceaan aan de hand van het grotere aantal misvormde vissen dat in de jaren na het incident boven water gehaald werd. Het onderzoek gaf echter op geen enkele wijze een verklaring voor de aanwezigheid van de radioactieve vervuiling 30

van het zeegebied. Het was aan de vergaande invloed van de Dienst te danken dat het Overstone Incident niet genoemd werd in het rapport. Het rapport suggereerde, zonder steekhoudende wetenschappelijk onderbouwde argumenten te geven dat het hier om een verhoogde natuurlijke radioactiviteit ging, als gevolg van een aantal onderzeese erupties. Het rapport werd voor kennisgeving aangenomen, kreeg geen media-aandacht en verdween in een archief, totdat Elsa het, samen met een niet gemanipuleerde versie ervan, veertig jaar later wist te vinden. Het tweede onderzoek had betrekking op de oorzaken van het toegenomen aantal miskramen van misvormde foetussen in de regio Overstone en de geboorte van kinderen met een lichamelijke en of geestelijke handicap als gevolg van het blootgesteld zijn van de moeder aan marine radioactiviteit. Het rapport trok conclusies die op vergelijkbare wijze terugkeren (zij het op kleinere schaal) in de conclusies van een gelijksoortig epidemiologisch onderzoek uitgevoerd door de universiteit van Stockholm na de ramp in de kernenergiecentrale van Tsjernobyl in de Oekraïne op 26 april 1986. Het rapport stelde dat het aantal kinderen met door radioactieve besmetting veroorzaakte misvormingen in Overstone en omgeving statistisch zoveel hoger was, dat er sprake geweest moet zijn van direct contact van de moeders met sterk verhoogde radioactieve straling. De oorzaak van deze straling bleef echter ongenoemd in het rapport. In een voetnoot werd aangegeven dat de omvang van de gevolgen van de radioactieve straling de kans gering maakte dat het slechts om natuurlijke radioactieve straling ging. Ook dit rapport verdween ongelezen in een archief en ook dit rapport komt veertig jaar later in een ongecensureerde vorm aan het licht, nadat Elsa het heeft opgespoord. Kolonel Berkshire zag kans om in de jaren na het Overstone Incident succesvol alle rapporten die ook maar iets zouden kunnen vrijgeven van de gevolgen van de radioactieve ramp in de Atlantische Oceaan verborgen te houden voor de media en voor het grote publiek. Meer dan eens maakte zij daarbij gebruik van middelen die in een democratische rechtstaat niet toegestaan zijn. Maar omdat de Dienst en de andere betrokken geheime diensten op tal van terreinen ongecontroleerd buiten de wet kunnen opereren bleven al hun acties in dit verband ongestraft. In haar rapportage aan Admiraal George Houston maakte zij van de diverse positieve ontwikkelingen in het kader van het verspreiden van leugens over het Overstone Incident gewag, waarbij de Admiraal zich in lovende woorden over haar uitsprak. We kunnen aannemen dat haar bevordering tot vice-admiraal in 1972 een beloning was voor haar bijdragen aan het geheim houden van het Overstone Incident, waarvan zij het bestaan tot haar dood is blijven ontkennen. Vice-admiraal Susan Berkshire kwam in januari 1998 bij een duikongeval op een atol in Frans Polynesië om het leven. Er was bij het ongeval geen sprake van aantoonbare werking van buitenaf. Haar doodsoorzaak was officieel verdrinking ten gevolge van een defect mondstuk van haar duikuitrusting. In het politierapport, opgesteld op verzoek van de Dienst door hun Franse

31

collega’s ter plaatse, wordt slijtage als oorzaak van het falende mondstuk genoemd. In de nacht na het ongeval werd er ingebroken in het appartement van Susan Berkshire in Helensburgh, Schotland. De woning werd zorgvuldig doorzocht, maar er werd op het eerste gezicht niets ontvreemd. Dat de persoonlijke gecodeerde dagboeken van de vice-admiraal en de aankoopbonnen en het verzekeringsbewijs van de duikuitrusting na de inbraak verdwenen waren, viel niet op. Geen van de familieleden was van het bestaan van de dagboeken op de hoogte. De broer van de vice-admiraal deed aangifte bij de lokale politie. In dezelfde nacht werd er ook ingebroken bij een duiksportwinkel in Glasgow, waar Susan Berkshire zes maanden eerder haar nieuwe duikuitrusting had kocht. De inbrekers namen alle klantkaarten van klanten met de beginletter B mee. Op de computer van de winkel werden alle gegevens van de klanten met de beginletter B volledig en onherstelbaar gewist. De eigenaar van de winkel deed aangifte bij de politie in Glasgow. Er werd door de politie geen verband gelegd tussen de drie gebeurtenissen in relatie tot viceadmiraal Susan Berkshire, bij leven commandant van de Marine Inlichtingendienst. De politie deed geen verder onderzoek naar de gebeurtenissen. Alle processen verbaal verdwenen in een archief dat niet voor derden toegankelijk was. De stukken met betrekking tot het werk en de dood van Susan Berkshire werden als ‘staatsgeheim’ bestempeld. Vice-admiraal Susan Berkshire werd vier weken later met militaire eer begraven in haar woonplaats Helensburgh. In het geheime archief van de Dienst vond Elsa acht jaar later een kopie van het aankoopbewijs van de nieuwe duikuitrusting van Susan Berkshire alsmede een deel van de verdwenen administratie van de leverancier van die uitrusting. Voorts vond Elsa een aantekening in het personeelsdossier van de vice-admiraal: op de laatste pagina, op de kopie van het politierapport van de Franse collega’s staat een stempel van de Dienst met daarbij de handmatige aantekening: ‘operatie is succesvol afgerond op 23 januari 1998’. Naar de betekenis van die woorden kunnen we slechts gissen.

32

De opdracht
Ik opende een deur aan het eind van een smalle gang en voor mij in de regen stond Dorothy. Uit haar natte haren droop water. Langzaam vormde zich een plas op de plaats waar ze stond. Ze keek mij aan met grote, bange ogen. Haar lange donkere haren hingen aaneengeplakt over haar blote schouders. Haar jurk was ooit van een geraffineerde coupe geweest, met een lage decolleté, de beide zijden met een gouden kettinkje net boven haar borsten zodanig bijeengehouden dat ik alleen maar kon gissen naar de vormen van haar vrouwelijkheid. Van al haar mooiheid was onder de huidige omstandigheden niet veel meer over. Het kettinkje was geknapt, de jurk gescheurd zodat haar rechter borst deels was ontbloot en zijn schoonheid prijsgaf. Ze keek mij aan, doodstil staand op de drempel. Aan de tepel, hing een druppel water te wachten op zijn beurt om zich te voegen bij de plas op de vloer. Ze zag er triest en verlopen uit. Haar eens zo fiere, duistere schoonheid was verdwenen. Haar zorgvuldig, met veel deskundigheid en liefde aangebrachte makeup was uitgelopen en gaf haar een spookachtig uiterlijk. Ze was aan het eind van haar krachten. Ze keek mij aan met grote reeënogen en vroeg heel zachtjes: 'droog mij af, alsjeblieft ….’ Ik nam haar bij de hand en leidde haar naar een bad dat midden in een kamer vol vreemde meubels stond. Ze liet een nat spoor achter op de houten vloer. Ik duwde haar zachtjes de kamer binnen, pakte twee grote badlakens uit een vreemde kast, legde er een op de rand van het bad en reikte haar de andere. Ze stond midden in de kamer op een dik bloedrood tapijt dat rond haar voeten langzaam nat werd, de kleur van vochtig bloed. Ze verroerde zich niet. Ik liep naar het bad, draaide de hete en de koude kraan open zodat het water niet te heet zou zijn. Het water in het bad schuimde en kleurde rood, toen oranje, daarna geel en groen, blauw en paars, alle kleuren van de regenboog. Het water dampte maar bleef koud aanvoelen. Ik liep naar Dorothy en begon haar te helpen haar natte kleren uit te trekken. Het eens zo mooie avondkleed viel toen ik het van haar schouders liet zakken als een natte dweil op de vloerbedekking. Ze stond daar voor me gekleed in een klein slipje, dat nauwelijks meer dan haar schaamharen bedekte. Ik voelde de warmte in mijn lid opstijgen. Onhoudbare gedachten spookten door mijn hoofd toen ik mij bukte om haar slipje uit te trekken. Ik had nu de kans. De kans die nooit weer zou komen. Mijn lid duwde pijnlijk tegen de binnenkant van mijn broek. Mijn gezicht bevond zich op centimeters van haar magische driehoek, gevangen in een klein, gekortwiekt woud van schaamharen. In een hoog opgesneden badpak zouden die niets van hun bestaan prijsgeven. Ik richtte mij op en keek haar aan. Ik wilde me van haar af draaien. Ik wilde weglopen, maar kon mij niet bewegen. Ik stond daar als versteend naar haar te kijken. ‘Dorothy’, zei ik, ‘ben jij het?’ ‘Joram’, zei ze en glimlachte. ‘Kom’ zei ze en ze liep naar de deur. 33

Ik wilde haar achterna lopen, maar stootte mij aan de wastafel.... Ik vloekte en werd van schrik wakker. Ik lag alleen in bed. Ik draaide mij op mijn andere zij. Ik kende het gezicht van de jonge vrouw. Ik had haar eerder gezien. Voor ik weer wegzakte in de diepte van de slaap wist ik het. Het was het gezicht van de jonge vrouw in de rolstoel die ik zeker twintig jaar geleden in Australië had leren kennen. Een korte heftige ontmoeting was het geweest, toen hadden onze wegen zich weer gescheiden. ‘Dorothy’, mompelde ik. Ik wist zelfs haar naam nog, na al die jaren. Ik had haar nooit meer ontmoet en ook zelden meer aan haar gedacht. Vannacht was zij teruggekomen. Toen ik wakker werd voelde ik mij leeg en verdrietig. Ik had van Dorothy gedroomd, de jonge vrouw in de rolstoel die ik jaren geleden had ontmoet in het Royal Opera House in Sydney. Ik had Dorothy Durby daarna nooit meer gezien. Maar ze was ergens diep in mijn gedachten gebleven. Ze was destijds op zoek naar haar vader en ik was op terugreis naar Nederland. Ik had, als pas afgestudeerde onderzoeksjournalist, een studie- en werkbeurs gewonnen en in het kader daarvan een serie artikelen geschreven over de diamantmijnbouw in Australië. Vooral het verhaal van John Alexander, de geoloog en eigenaar van DorAle Mining in Norfield had mij geboeid. Zijn verhaal maakte duidelijk dat het mogelijk was de schatten uit de aarde te halen zonder de aarde te verwoesten. Zijn medewerkers waren bijna allemaal Aboriginals die een heel andere kijk hadden op de aarde. Het respect waarmee zij de aarde behandelden had Alexander gebruikt om zijn bedrijf op te bouwen en hij was daar heel succesvol in geweest. Ver voordat de milieuthematiek een brede belangstelling verwierf was hij als mijnbouwpionier al actief geweest op een terrein waar milieuvragen nooit hoge ogen gooiden. Milieuvriendelijke en vooral aardvriendelijke mijnbouw was heel goed mogelijk en kon heel winstgevend zijn. Ook al kon ik over de financiële positie van DorAle Mining geen andere gegevens vinden dan het verhaal van John Alexander – het bedrijf leek niet te bestaan, kwam in geen enkel register voor, had geen website, helemaal niets – het verhaal was overtuigend geweest en ik had het als anker voor mijn driedelige serie gebruikt. De combinatie van de fotografie en de tekst van het verhaal was dat jaar met een toonaangevende journalistieke prijs beloond. Ik had dat daarna vaker gedaan: fotografie en journalistiek combineren. Deze wijze van publiceren was een van mijn specialisaties geworden. Het had een serie thematische boeken opgeleverd onder andere over Tibet, China en Bhutan. Fotoboeken die, ondanks de beperkte oplage goed verkochten en mij een bescheiden financiële basis hadden verschaft. Nu werkte ik aan een nieuw boek, een heel ander boek. Niet geschreven op eigen initiatief, maar in opdracht van een grote financier. Zoiets had ik nog niet eerder gedaan, een boek schrijven dat vooraf werd betaald. Dat boek, dat u nu in handen hebt, legt het goed bewaarde geheim en de leugens bloot over een van de grootste milieurampen van de laatste vijfentwintig jaar. Het maakt een schandaal openbaar dat door de hoogste militaire leiding met toestemming van de verantwoordelijke regering in de doofpot is gestopt, 34

omdat het politieke carrières ernstig schade zou toebrengen. Het verschijnen van dit boek vormt een direct gevaar voor een aantal hoge militairen, ambtenaren en politici. Medewerkers van geheime diensten, inlichtingendiensten en diverse ministeries hebben op verschillende manieren geprobeerd de publicatie van dit boek tegen te houden. Omdat ik in de loop van mijn onderzoek een persoonlijk belang kreeg bij de publicatie ervan ben ik, ondanks bedreigingen en tegenwerking doorgegaan met mijn werk en heb ik uiteindelijk mijn doel bereikt: Het Overstone Incident is niet langer een goed bewaard veiligheidsgeheim – zoals de militaire top de ramp graag betitelde. Ook al is het incident verjaard en zullen de schuldigen nooit vervolgd worden, de onschuldig bij het incident betrokken burgers zijn in elk geval gerehabiliteerd. Hen is na veertig jaar recht gedaan en daar gaat het om! De gereedschappen die ik bij het openbaar maken van het Overstone Incident heb mogen gebruiken zijn nu ook niet langer meer een geheim instrumentarium. Elsa, TheSys, SecSys en alles wat daarbij hoort is vanaf nu een openbaar en bekend onderdeel van het gereedschap van geheime diensten. Dat betekent niet dat de werking van TheSys en SecSys daardoor minder bedreigend is geworden. In tegendeel. Grote delen ervan vragen nog om nader onderzoek en om verdere, meer gedetailleerde openbaarmaking. Ik beschrijf in dit boek niet meer dan de principes, de basisstructuur, de werkwijze en de strategie van TheSys en SecSys. En ik waarschuw daarmee voor de enorme potentie van dit systeem, waarmee hele samenlevingen perfect bewaakt en bespioneerd kunnen worden zonder dat iemand dat in de gaten heeft, laat staan er iets tegen kan doen. De beschrijvingen van Elsa, TheSys, SecSys en de daarbinnen gebruikte modulen versterken de mogelijkheid van een meer deugdelijke democratische controle over een van de meest ondemocratische instituties van een land. Inlichtingendiensten of geheime diensten zoals de Amerikaanse FBI en de CIA, de Britse GCHQ, MI5 en MI6, de Franse DGSA, de Duitse Verfassungsschutz en de MAD, de Nederlandse MID en de AIVD, en hoe ze allemaal ook mogen heten, ze kunnen hun werk uitsluitend doen vanuit de geheimzinnigheid en de deels verholen leugens die om hen heen hangen. Toegegeven, deze geheimzinnigheid is voor hun werk noodzakelijk, maar die noodzaak brengt tegelijkertijd de paradox van de geheime diensten aan het licht. Alle ogenschijnlijke openheid ten spijt – websites met fraaie onderdelen om te kijken of je geschikt bent om spion te worden, jaarverslagen die vrij op te vragen zijn en publieke wervingscampagnes – geheimhouding, geheimzinnigheid en leugens vormen het universele kenmerk van elke Dienst. Dat betekent feitelijk dat niemand, inclusief de parlementariërs die zitting hebben in controlecommissies, te weten komt hoe deze diensten te werk gaan, welke informatie zij verzamelen en wat zij met deze informatie doen. Wanneer de ‘commissie voor de Inlichtingendiensten’ van een parlement vertrouwelijke inzage krijgt in door deze diensten geproduceerde documenten, wordt een navrant spel van schijnopenheid gespeeld. Het selecte groepje parlementariërs wordt daardoor mede schuldig aan het in stand houden van de leugencultuur van de inlichtingendienst. Leden van de ‘commissie’ hebben de wettelijke plicht tot absolute geheimhou35

ding, waardoor zij onderdeel worden van de grote leugen. Niemand kan de parlementariërs, die onderdeel zijn van het systeem, controleren. Niemand kan garanderen dat datgene wat de parlementariërs te zien en te horen krijgen ‘de waarheid’ omvat of onderdeel uitmaakt van de leugencultuur van de dienst. De parlementaire commissie is net als de kiezers – het volk – gedwongen de aanbieders van het materiaal te vertrouwen, terwijl juist de aanbieders meesters zijn in het schenden van dat vertrouwen. Of, zoals de Chinese oorlogstheoreticus Sun Tzu ooit schreef: oorlog is de kunst van misleiding. En elke geheime dienst is altijd in staat van oorlog met de maatschappelijke elementen die de democratie bedreigen en die zij met zo beperkt succes bestrijdt. Misleiding en leugens zijn het kenmerk van wie de openbaarheid schuwt. Parlementaire controle van een inlichtingendienst is per definitie dan ook niet mogelijk, al was het alleen al omdat de dienst de mogelijkheid moet incalculeren dat door de beschikbaarstelling van documenten aan de parlementariërs het landsbelang in gevaar komt. En juist de bescherming daarvan is het basisdoel van een inlichtingendienst. Parlementaire controle is per definitie in strijd met de basis van een inlichtingendienst die alleen al daarom antidemocratisch is. Ze heeft slechts een alibi functie. Een geheime dienst die zijn geheimen prijsgeeft is geen geheime dienst meer. Een inlichtingendienst die binnen een democratisch bestel openheid van zaken geeft kan niet langer inlichtingen verzamelen. Openheid en transparantie zijn in strijd met de doelstellingen van elke inlichtingendienst. Deze paradox maakt de dramatische gebeurtenissen in het voorjaar van 1966 nabij de Schotse kust en de wijze waarop de militaire en civiele leiding in Edinburgh en London met dit Overstone Incident is omgegaan tot een uitstekende casus om het democratisch dilemma van een land ter discussie te stellen. Geheimhouding ten aanzien van veiligheidsvraagstukken is enerzijds voor veiligheidsdiensten noodzakelijk maar het betekent ook dat deze instellingen binnen de staat een onzichtbare en volstrekt oncontroleerbare macht kunnen vormen die ten diepste antidemocratisch is. Dit boek gaat, behalve over de catastrofale gevolgen van het Overstone Incident, ook over TheSys, het uiterst geavanceerde computersysteem, dat gebruikt wordt door de inlichtingendiensten van bijna dertig landen. Het bestaan van TheSys wordt door alle direct en indirect betrokkenen met kracht ontkend, ook al kunnen de bouwers van de systemen het bestaan ervan aantonen. De gebruikers zijn in feite gedwongen het bestaan van TheSys te ontkennen, omdat de inzet ervan onmogelijk past bij een gezonde visie op het democratisch gehalte van een staat. TheSys is ten diepste ondemocratisch en juist ontwikkeld om de ondemocratische manipulaties van inlichtingendiensten aan het licht te brengen. Maar zoals dat vaker gaat met belangrijke ontdekkingen, deze kunnen zowel ten goede als ten kwade aangewend worden. De zeer persoonlijke betrokkenheid van de financier van de bedenkers en de ontwikkelaars van TheSys bij het Overstone Incident voert ertoe dat dit boek het incident uit 1966 als uitgangspunt gebruikt. Het Overstone Incident is slecht een enkele gebeurtenis in een reeks vergelijkbare onder het tapijt geveegde dramatische gebeurtenissen. Het Overstone Inci36

dent dient hier dan ook als exempel voor hetgeen ook elders gebeurd is. Maar het Overstone Incident levert ook het indirecte bewijs van de grote kracht van TheSys en daarmee van de onzelfstandigheid van de inlichtingendiensten die elkaar in een onderlinge houdgreep houden. Voor het werk van TheSys zijn geen harde bewijzen te vinden. Iedereen die insider kennis heeft over TheSys heeft ofwel nauwe banden met en staat daardoor onder invloed van een inlichtingendienst ofwel zijn leven is bij voortduring in gevaar waneer hij over TheSys spreekt. Het belastende materiaal over het Overstone Incident is verkregen met behulp van dezelfde computertechnologie waar inlichtingendiensten van gebruik maken. Ik heb enkele jaren als een buitenstaander, als een soort gast en tegelijkertijd als een voor die diensten onzichtbare insider met TheSys gewerkt en stapje voor stapje alle aspecten ervan grondig leren kennen. Ik heb, zonder dat zij dat konden zien, met behulp van TheSys, de inlichtingendiensten van diverse landen op de huid gezeten en hun machinaties van heel nabij en deels van binnenuit kunnen volgen. Ik heb dat gedaan op verzoek van een van de rijkste en daarmee invloedrijkste mannen ter wereld die ruim veertig jaar geleden het slachtoffer werd van de manipulaties van een Dienst in de nasleep van het Overstone Incident. Zijn naam is Alexander Durby. Hij heeft zijn fortuin verdiend in Australië met het delven van hoogwaardige diamanten en andere waardevolle grondstoffen waaronder zilver en goud. Hij was mede als gevolg van zijn betrokkenheid bij het Overstone Incident gedwongen buiten de aandacht van bladen als Forbes te blijven. Als indirect slachtoffer van het Overstone incident werd hij in 1967 gedwongen vanuit Schotland naar Australië te vluchten en daar een andere identiteit aan te nemen. Samen met zijn dochter en een ‘Virtueel team’ heeft hij TheSys laten ontwikkelen en op de markt gebracht. Zijn belangrijkste afnemers waren een dertigtal inlichtingendiensten in verschillende landen. Mijn werk bestond uit het gebruiken van TheSys om het aan Alexander Durby gedane onrecht maatschappelijk recht te zetten. De misdaad waarvan hij het slachtoffer dreigde te worden en waarvan de daders in Faslane, Cheltenham en London te vinden zijn, is nooit verjaard. Voor hij zou sterven wilde Alexander Durby de waarheid over de dood van zijn vrouw Dorothy uitgezocht hebben en openbaar maken. Via zijn dochter Dorothy heeft hij mij om ondersteuning gevraagd. Toen ik met mijn werk begon wist ik maar zeer ten dele wat mij te wachten stond. Ik kende aspecten van de risico’s van het project. Ik wist dat ik met geheime diensten en hun machinaties te maken zou krijgen, maar ik wist ook hoe met hen om te gaan. Ik had ook een persoonlijke belangstelling voor het incident ontwikkeld als gevolg van mijn ontluikende relatie met Dorothy. Sinds de publicatie van dit boek hebben Dorothy en ik een ernstig veiligheidsprobleem. Mijn kennis van TheSys en mijn weten over de verspreiding en het gebruik ervan maakt, dat ik geen vertrouwen in enige overheid kan hebben om mij bescherming te bieden. Ik ben gedwongen de bewaking van Dorothy en mijzelf uit eigen middelen te organiseren en te financieren. Mijn opdrachtgever heeft mij de financiële middelen ter beschikking gesteld om mijn leven na verschijning van het boek 37

opnieuw in te richten. De kans is groot dat ik gedwongen zal worden een nieuwe identiteit aan te nemen. Mocht ik tijd van leven hebben dan zal mijn volgende boek bestaan uit het verslag van mijn leven onder de voortdurende bedreiging door de inlichtingendiensten. Terugkijkend op de afgelopen jaren vraag ik mij soms af, of ik er in 2005 verstandig aan heb gedaan in te gaan op het verzoek van Alexander Durby. En steeds weer kom ik tot dezelfde conclusie: als ik geweten had wat ik nu weet, dan nog zou ik geen andere keuze gemaakt hebben. Ik was als freelance journalist al diep doorgedrongen in de geheimen van het werk van geheime diensten. Mijn positieve reactie op het verzoek van Alexander Durby was slechts een kleine stap voor mij. Ik heb hem niet alleen een maatschappelijk waardevolle dienst bewezen door zijn onschuld voor een drievoudige moord veertig jaar na dato aan te tonen, maar ik heb ook de talloze vormen van misbruik van het systeem blootgelegd. Het laatste beschouw ik als een late en extra rehabilitatie van de maker van Elsa. Ik heb Alexander Durby nooit ontmoet. Althans dat dacht ik op het moment dat ik zijn naam bij toeval tegenkwam, toen ik in een pension in Schotland waar ik een paar weken woonde, de open haard met oude kranten probeerde aan te maken. Ik werkte in opdracht van een grote whiskyimporteur aan een tekst- en fotoboek met als titel ‘Today’s rain is tomorrow’s whisky’ en had voor een tweetal weken onderdak gevonden bij Mrs. O’Hara in Dalwhinnie, een klein dorpje in de Schotse hooglanden dat zijn naam gegeven heeft aan een heerlijke single malt whisky. Mrs. O’Hara was een charmante oudere dame die kamers verhuurde om haar magere weduwepensioen aan te vullen. Op een koude natte – zo’n typisch Schotse – avond vroeg zij mij om de open haard in de bibliotheek aan te maken en zij gaf mij daarvoor een stapeltje oude kranten. Van aanmaakblokjes wilde zij niets weten. ‘My good old Harry’ had het altijd met kranten gedaan … was haar commentaar op mijn vraag daarover. ‘My good old Harry’ was haar enkele jaren geleden bij een jachtongeval om het leven gekomen echtgenoot. Een oud militair die een medaille had verdiend tijdens de Falklandoorlog 1982. Nu leefde ze in een te groot oud huis met vier katten, een schoothondje en een groene papegaai die bij voorkeur obscene kreten slaakte als er vreemden in de buurt waren. ‘Van Harry geleerd’, verontschuldigde ze zich altijd glimlachend maar ze kon geen afscheid nemen van het beest. Terwijl ik de vergeelde oude kranten uit elkaar trok en tot proppen frommelde viel mijn oog op een vette kop: ‘Alexander Durby na jaren teruggekeerd’. Ik staarde enkele ogenblikken volstrekt verrast naar de kop voor ik mij realiseerde wat er stond. Alexander Durby was een naam die mij vaag bekend voorkwam. Iets bracht mij ertoe de krant apart te leggen voor ik verder ging met het aanmaken van de open haard. Maar ik had mijn gedachten er niet meer helemaal bij. Alexander Durby? Alexander Durby, was dat niet een naam waar mijn vader het vaak over had gehad? Was hij dezelfde? Het leek een niet zo veel voorkomende naam. En gevlucht? Spoorloos?

38

Zodra het haardvuur brandde nam ik de krant en ging aan de tafel in de salon zitten: Ik streek de pagina glad en bekeek het artikel. Het ging over de terugkeer van ene Alexander Durby die bijna veertig jaar geleden een drievoudige moord was beschuldigd, was gearresteerd maar op raadselachtige wijze uit het politiebureau gevlucht en spoorloos was verdwenen. Naar het scheen had hij een sloep gestolen en was daarmee de oceaan op gevaren. Daar verdween elk spoor. De sloep was weken later leeg aangespoeld op de kust van de Hebriden. Ik herinnerde mij uit de verhalen van mijn vader dat Alexander een uitstekende zeiler was. Hij kende de zee rond Schotland en de nabije oceaan als geen ander en het verbaasde mij dan ook te lezen dat zijn motorsloep leeg was teruggevonden, terwijl van Durby elk spoor ontbrak. Over de achtergrond van de moord en de betrokkenheid van Alexander daarbij repte het artikel met geen woord. Wel over het feit dat Alexander Durby plotseling weer in Overstone, het stadje aan de noordkust van Schotland waar hij destijds uit was verdwenen, was opgedoken. De krant bleek een half jaar oud, zoals ik uit een paar andere artikelen kon opmaken. Welke krant het was en wat de precieze datum van het bericht was, kon ik zo niet achterhalen, maar dat was voor een journalist een kwestie van goede research. Het hele artikel verbaasde mij. Ik kon mij Alexander Durby op grond van de verhalen van mijn vader onmogelijk voorstellen als een oude man van de leeftijd die mijn vader nu zou hebben en die in een ver verleden drie mensen om het leven zou hebben gebracht. Ik besloot de zaak verder uit te gaan zoeken, als ik de opdracht voor het boek over whisky had afgerond. Ik stopte het artikel in het achtervak van mijn werktas en ging verder met de dingen die op dat moment van belang waren. Ik fotografeerde in whiskystokerijen en bij farmers die de gerst verbouwden. Ik interviewde boeren en stokers, blenders en directeuren van stokerijen, publicians en gasten en verzamelde het materiaal dat in woord en beeld het fotoboek moest gaan vullen. Zodra ik er tijd voor had, zou ik het spoor van Alexander Durby opnemen om erachter te komen wat er was gebeurd. Ik wist dat er in het archief van mijn vader een mapje met zijn naam zat. Ik had er verder nooit in gekeken, maar ik nam aan dat ik daar eerste sporen zou kunnen vinden. Weken verstreken, waarin ik het te druk had met het samenstellen van het fotoboek, het schrijven van de teksten, het overleg met de opdrachtgever en de drukker en met het runnen van mijn eigen bedrijf. Als freelance journalist en fotograaf had ik het meestal druk. Opdrachten rolden achter elkaar binnen en regelmatig moest ik opdrachten naar collega’s doorschuiven, omdat ik er onvoldoende tijd aan kon besteden. Zoals het vaker gaat haalde de werkelijkheid mij in, vergat ik het artikel weer en vergat ik ook Alexander Durby. Het boek over whisky was inmiddels gereed en de leverancier die het als relatiegeschenk ging gebruiken was buitengewoon tevreden. Ik bereidde inmiddels een volgend boek voor. Een oud project waar ik al lang over nadacht zou gestalte krijgen: een fotoboek over Tibetaanse vluchtelingen in India. Ik zou het boek in eigen beheer uitgeven en de opbrengst zou ten goede komen aan Tibetaanse vluchtelingen kinderen in India. Het werk be39

tekende een reis van enkele maanden naar Noord India en Tibet. Ik had er zin in en zat midden in de voorbereidingen toen ik ontdekte dat ik een nieuwe fototas nodig had. Ik kocht een nieuwe en was bezig de inhoud van de oude op te ruimen, toen ik onderin het achtervak van de oude fototas het verfrommelde en al lang weer vergeten krantenartikel uit Schotland over de drievoudige moord, de vlucht en de terugkeer van Alexander Durby terugvond. Ik besloot er nu even wat meer aandacht aan te besteden en zocht de map op met het etiket ‘Alexander Durby’. Ze bevatte diverse documenten, sommige van mijn vader, maar ook een paar die kennelijk uit andere bron stamden. Een envelop bevatte oude fotokopieën uit de tijd dat deze nog in negatief gemaakt werden. De vaalwitte tekst op de zwartbruine achtergrond was nauwelijks meer te lezen, maar de aantekeningen van mijn vader in de kantlijn nog wel. Achterin de map zat een dik schrift met een harde kaft, zoals mijn vader altijd had gebruikt voor zijn aantekeningen. De helft van de bladzijden ontbrak. Het schrift was half leeg gescheurd, alsof iemand de inhoud voor een deel had willen vernietigen. Maar het deel dat was achtergebleven was al de moeite waard: [Ingeplakt krantenknipsel uit de Overstone Herald van 16 juni 1966] Drie doden op zee bij Overstone Overstone 20 juni 1966 - Een man en twee vrouwenen zijn afgelopen week vermoedelijk omgekomen voor de kust bij het Schotse Overstone. Dat heeft de politie laten weten. Hoe de drie zijn overleden is niet bekend. Van het jacht waarmee zij de zee op waren gegaan, zijn slechts enkele brokstukken teruggevonden. Van de drie opvarenden ontbreekt verder elk spoor. De politie en de kustwacht hebben de hele dag met twee boten naar de drenkelingen en naar overblijfselen van de boot gezocht, maar bij het invallen van de duisternis is het zoeken gestaakt. De familie van de drie omgekomenen is inmiddels op de hoogte gesteld. De politie vermoed dat er door onbekende oorzaak een explosie geweest op het schip. Van een aanslag wil de politie niet spreken. De drie waren in de middag vertrokken voor een tweedaagse vistocht voor de kust. Op verzoek van de familie zijn de namen van de slachtoffers en de naam van de boot niet bekend gemaakt. (december 1966) (…) kreeg ik een raadselachtig telefoontje. Ik herkende de stem meteen. Het telefoontje was kort, de verbinding slecht. Dit is wat ik kon verstaan: ‘… ben jij dat Joram? … Alex … ik heb een probleem … je hulp nodig … de Dienst … politie … kun je me helpen … versta je niet … vermoord … niet gedaan … kan ik niet bewijzen … verbinding is slecht … vluchten … Ik bel je nog …’ Toen werd de verbinding verbroken. Ik heb daarna nooit meer iets van Alexander Durby vernomen. 40

Die avond besloot ik een dossier over hem aan te leggen. Deze aantekeningen zijn het resultaat van wat ik over hem en zijn familie weet. Wellicht dat het ooit nog eens van nut kan zijn. Ik heb Alexander Durby uit het oog verloren toen zijn ouders na ons eindexamen in 1954 terugkeerden naar Warwick. Vier jaar had hij bij mij op de middelbare school in de klas gezeten en samen hebben we eindexamen gedaan. Samen hebben we feest gevierd en ons diploma rijkelijk met bier en wijn begoten. We waren een groepje van zes dat vooral die eerste dagen na het examen met elkaar optrok. Alle zes zouden we gaan studeren, maar allemaal iets anders en aan verschillende universiteiten. Ik herinner me nog dat Alexander altijd zei dat hij in Oxford en in Cambridge wilde studeren, om een persoonlijke brug te slaan tussen de twee oude universiteitssteden: zijn persoonlijke Oxbridge. Zo was hij. Hij wilde altijd de uitersten bij elkaar brengen. Hij had belangstelling voor geologie en scheikunde, maar ook voor filosofie en wilde dan ook die drie vakken gaan studeren. We moesten erom lachen, wetend dat drie studies wel wat veel zouden worden. Maar toch, met zijn achtergrond wist je maar nooit. Zijn stiefvader was rijk, bezat een eigen eiland in het noorden van Schotland. We beloofden elkaar eeuwige trouw en elkaar te helpen als de ander in moeilijkheden kwam. Na de nacht van het eindexamen … , ach, wisten wij veel, dat de wegen dan ver uiteen gaan … Kort na onze wilde eindexamenfeesten vertrok hij naar Engeland, waar hij vandaan kwam. Dat was in 1954. Hij was de stiefzoon van een Brits diplomatenechtpaar en zijn stiefvader – Sir Bernard Overstone – was verbonden geweest aan de Britse ambassade in Den Haag. Wat hij daar precies deed ben ik nooit echt te weten gekomen. Pas jaren later heb ik bij toeval ontdekt dat hij voor een van de Britse inlichtingendiensten werkte en dat hij na terugkeer naar Engeland bij de Dienst een hoge functie bekleedde. Ik twijfel er niet aan dat hij ook in den Haag actief was, als een soort aan de ambassade gerelateerd geheim agent. Van de biologische ouders van Alexander wist ik dat zijn vader als RAF-piloot in 1944 in Normandië verongelukt was en dat zijn moeder Alexandra kort na de oorlog hertrouwd was met Sir Bernard Overstone. Na de verhuizing van Alexander heb ik hem nog een keer bezocht in Oxford toen ik met mijn ouders in Engeland op vakantie was. We hebben toen de ruïne van de Kathedraal bezocht en ik herinner mij nog een opmerking van Alexander over het werk van zijn stiefvader. Hij zei toen dat zijn stiefvader zich al zijn hele leven had ingezet om dit soort rampen in de toekomst te voorkomen. Ik begreep die opmerking toen niet. Pas toen ik ontdekte welk werk zijn stiefvader deed begreep ik wat hij bedoelde. Geheime diensten werken onder andere aan het voorkomen van oorlogen en internationale conflicten. Na mijn bezoek aan Alexander kwamen er nog een paar brieven en toen stierf het contact langzaam een stille dood. Ik ging op in mijn studie en Alexander zou het druk hebben als hij zijn plan geologie en scheikunde en filosofie te gaan studeren waar zou maken. En zoals ik hem kende zou hij dat zeker doen (…). Dat was alles wat ik in eerste instantie kon vinden over Alexander Durby. Niet veel, maar voldoende om mij nieuwsgierig te maken. Ik herinnerde mij dat mijn vader af en toe sprak over zijn oude vriendschap met Alexander 41

Durby. De naam dook af en toe op in onze gesprekken. De vriendschap met Alexander moet heel bijzonder zijn geweest. In de loop der jaren verschoven de naam en het beeld naar de krochten van zijn geheugen. Mijn vader studeerde af en nam een baan aan als onderzoeksjournalist. Hij ontwikkelde zich tot een specialist voor inlichtingendiensten. Ik wist dat hij uitstekende relaties had met tal van geheime diensten en het vertrouwen genoot van politici die zich met deze materie bezig hielden. Ik wist toen nog niet dat ik ooit in zijn voetsporen zou treden en verder werken aan wat hij intellectueel had opgebouwd. Het korte stukje in het schrift van mijn vader had mij nieuwsgierig gemaakt. Ik besloot het spoor van Alexander Durby niet nog eens te laten lopen en ging meteen aan de slag. Het eerste stuk van het spoor leek eenvoudig. Een telefoontje met de Britse Ambassade in Den Haag leerde mij dat een zekere John Alexander Durby van 1950 – 1954 op de ambassade werkzaam was geweest en vervolgens naar Oxford verhuisd was. Vreemd was, dat ik helemaal niet naar die naam gevraagd had. Ik had in mijn vraag de naam van Alexander Durby genoemd. Ik had de naam van Sir Bernard Overstone genoemd en nog voor ik mijn vraag kon afmaken was ik doorverbonden met een medewerker die mij bevestigde dat John Alexander Durby aan de ambassade verbonden was geweest. Meer mochten ze mij om privacy redenen niet vertellen en een nieuw adres konden zij mij niet geven. Wellicht dat de gemeente Oxford mij verder helpen. Een onbestemd voorgevoel bracht mij ertoe de vriendelijke dame aan de telefoon te vragen of een zekere Sir Bernard Overstone in diezelfde periode ook in den Haag verbonden was geweest aan de Britse ambassade. Zij kon dat bevestigen. Volgens mijn gesprekspartner waren John Alexander Durby en Sir Bernard Overstone gelijktijdig aan de ambassade verbonden geweest. Maar – en dat liet ik haar uiteraard niet blijken – volgens mijn gegevens was John Alexander Durby in die tijd al tien jaar dood! Ik belde vervolgens eerst de burgerlijke stand van de plaats waar de familie Overstone in Nederland gewoond hadden maar kreeg ook daar geen bruikbare informatie. Tot mijn grote verbazing was een familie Bernard Overstone er in de bedoelde periode op het genoemde adres zelfs helemaal niet bekend. En ook de naam John Alexander Durby leverde voor het adres waar Alexander Durby had gewoond geen resultaat op. Zou het adres onjuist zijn? Ik zocht het op in het oude adresboekje van mijn vader en zag dat ik het juiste adres gebruikte. Wie er in die tijd wel op dat adres gewoond had mocht de dame van de burgerlijke stand mij helaas niet vertellen. Om redenen van privacy. ‘Moest ik concluderen dat de gemeentelijke basisadministratie – of hoe dat in die dagen ook mocht heten – niet meer op orde is?’ vroeg ik haar. ‘Nee, die is prima op orde!’, was haar vanzelfsprekende reactie. ‘Of is er wellicht met het systeem gerommeld? Zijn er misschien in het verleden gegevens verwijderd?’, probeerde ik nog. 42

‘Dat was volstrekt onmogelijk’ reageerde de vriendelijke dame enigszins heftig. Dit is Nederland en niet een of andere bananenrepubliek!’ Ze klonk verontwaardigd omdat ik alleen al die suggestie had durven doen. ‘Waar gaan de oude persoonskaarten van mensen die naar het buitenland vetrekken heen?’ vroeg ik haar.’ ‘Naar de archieven van het Genealogisch Instituut in Den Haag. Telefonische informatie kon ik daar niet krijgen. Ik moest in persoon verschijnen en ter plekke zelf archiefonderzoek komen doen. Dat had ook met het betalen van de kosten te maken’, legde de dame mij desgevraagd uit. Ik bedankte haar en noteerde het op mijn lijstje met wat ik nog wilde doen. Als ik er tijd voor had. Maar al gauw zou blijken dat de gang naar Den Haag niet meer nodig was. Ik belde de burgerlijke stand van Oxford in Engeland en kreeg na eindeloos wachten en doorverbinden eindelijk de juiste ambtenaar aan de lijn. Een norse meneer aarzelde of hij mij de gegevens wel kon geven. ‘Of ik familie was?’ vroeg hij. ‘Nee’, antwoordde ik eerlijk. ‘Waarom ik het adres wilde hebben?’ ‘Om contact op te nemen met een oude vriend, de zoon van de familie, waarvan ik het adres kwijt was’. ‘Helaas, het speet hem zeer, maar volgens de registratiekaart die hij voor zich had, waren de heer en mevrouw Overstone niet meer woonachtig in Oxford.’ Hij aarzelde om het mij te vertellen – ik was geen familie en eigenlijk mocht hij het mij niet vertellen – maar ja, van zover, goed … ‘Vier jaar geleden – in 1962 – waren de heer en mevrouw Overstone bij een scheepsongeluk in Sierra Leone om het leven gekomen.’ ‘En over een zoon met de naam Alexander was verder niets bekend.’ ‘En, nee de naam Durby kwam in het systeem in Warwick niet voor.’ ‘Dank u wel, een prettige dag nog.’ En de norse meneer verbrak de verbinding. Een scheepsongeluk in Sierra Leone was het volgende houvast dat ik had. Dat moest te achterhalen zijn, dacht ik. En inderdaad bleek er rond de door de norse, maar toch ook vriendelijke meneer uit Warwick gegeven datum inderdaad een boot in de buurt van Freetown tijdens een storm te zijn gekapseisd en gezonken. Maar wat mij opviel aan de berichten die ik in de krantenarchieven vond was, dat er van een omgekomen Brits echtpaar geen sprake was. Ook Britse kranten berichtten over de ramp, maar verzwegen het omkomen van Britse burgers daarbij. Dat verbaasde mij omdat juist de Britse tabloids dergelijke rampen in verre landen graag aangrijpen voor het maken van buitenproportionele koppen. Niets van dat alles. Een dood spoor. Ik probeerde het over een andere boeg: de universiteiten van Cambridge en Oxford, wetende dat Alexander in elk geval aan één van die twee gestudeerd 43

had en dus ingeschreven geweest zou moeten zijn, maar ook dat leverde niets op. Alexander Durby was en bleef spoorloos verdwenen. En wat nog vreemder was, van zijn hele bestaan leken alle sporen uitgewist. Ouders of stiefouders: omgekomen bij een scheepsramp zonder een spoor na te laten. Inschrijvingen bij gerenommeerde universiteiten: niet meer te vinden. Geen sporen in enige burgerlijke stand. Vreemd, buitengewoon vreemd. Alexander Durby en zijn naaste familie leken opgelost, ‘vanished into thin air’, zoals de Britten dat zo fraai weten uit te drukken. Of toch niet zo vreemd? Ik dacht aan één van mijn boeken. Aan de manier waarop geheime diensten mensen laten verdwijnen. Niet lichamelijk, maar wel administratief. Ze verdwijnen op raadselachtige wijze en niemand die in de gaten heeft dat er elders in de wereld iemand uit het niets verschijnt die er net zo uitziet, maar andere papieren heeft. Geheime diensten maken dubbelgangers en zorgen er dan voor de een van de twee verdwijnt. Geheime diensten geven mensen nieuwe identiteiten en laten oude identiteiten verdwijnen. Dat dit over grenzen heen kon gebeuren, dat zelfs de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland door een Britse geheime dienst vervalst kon worden wist ik nog niet. Kennelijk werkten de mensen van de Dienst en hun Nederlandse collega van de AIVD op dit punt perfect samen. Iets om te onthouden. En ik maakte er in mijn eigen systeem een korte notitie van. Ondertussen waren al mijn sporen doodgelopen. Maar ook een hard werkende onderzoeksjournalist krijgt geregeld hulp van een assistent die ‘het toeval’ heet. Bladerend in het archief van mijn vader stuitte ik op een tweetal artikelen waarvan ik aanvankelijk niet begreep waarom hij ze hier had opgenomen. Maar wetende dat mijn vader zelden iets verkeerd opborg in zijn archief, nam ik aan dat zowel het artikel over Alan Turing als dat over Bletchley Park hier hun zinvolle plek hadden. Het artikel over Turing ging over zijn samenwerking en zijn vriendschap met ene Perry George Mankin. Het andere artikel ging over Bletchley Park en over de betekenis van Sir Bernard Overstone voor het behoud van dit geheime decodeercentrum uit de Tweede Wereldoorlog. Sir Bernard had aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op Bletchley Park gewerkt en zette zich jaren later in voor het behoud van het hoofdgebouw als museum. Deze Sir Bernard was de stiefvader van Alexander Durby. Ook Perry George Mankin was een naam die ik later nog zou tegenkomen. De vraag was nu alleen, wat de rol was van de stiefvader van Alexander. Zou hij soms ook iets met deze hele zaak te maken hebben? Maar wat? Ik herinnerde mij dat ik daar iets over had gezien in de aantekeningen van mijn vader. Ik bladerde verder in het schrift en vond inderdaad de volgende aantekening: (1966) (…) Alexander Durby is de zoon van John Alexander Durby, een hoog gedecoreerde RAF piloot die in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog door eigen geschut (friendly fire) boven Normandië is neergeschoten. Zijn moeder is als legerarts getuige van het ongeval. Alexander Durby is dan 9 jaar oud. In 1948 hertrouwt zijn moeder met Sir Bernhard Overstone, een vermogend man en een hoge officier van een Britse Inlichtingendienst (belast met de interne coördinatie van de diverse 44

Diensten). De moeder van Alexander wordt door haar huwelijk de stiefmoeder van Dorothy en Marcus, de beide kinderen van Sir Bernard. In 1950 verhuist het echtpaar naar Nederland (Noordwijk) waar Sir Bernard een functie krijgt aan de Britse ambassade in Den Haag. Naar verluidt leidt hij als ambassaderaad de sectie Inlichtingen West Europa. Wat ik niet begreep was, dat de ambassade mij had bevestigd dat ene John Alexander Durby daar in dezelfde periode had gewerkt als Sir Bernard Overstone. Ik had aanvankelijk alleen naar de naam Overstone gevraagd en antwoord gekregen een onmogelijk antwoord gekregen op een andere, niet gestelde vraag: John Alexander Durby was toen al ruim vijf dood! Of gebruikte de stiefvader van Alexander wellicht de naam van de vader van Alexander als schuilnaam? Zijn dan wellicht John Alexander Durby en Sir Bernard Overstone één en dezelfde persoon? Of is het toeval dat er een zekere Durby met exact dezelfde naam als de vader van Alexander daar werkte. De informatie die ik kreeg was in elk geval niet de informatie waar naar ik op zoek was. Ze hielp me niet verder. Maar de gekregen informatie kwam misschien wel overeen met wat ik had willen weten. Ik besloot een paar dagen later nogmaals met de ambassade contact op te nemen, maar nu om navraag te doen naar een andere naam. Het verbaasde mij niet dat in de genoemde periode geen Bernard Overstone aan de ambassade verbonden was geweest. Die naam was daar opeens onbekend. Dat men mij enkele dagen eerder nog bevestigd had dat zowel Sir Bernard Overstone als John Alexander Durby aan de ambassade verbonden waren geweest moest op een vergissing berusten, zo werd mij onmiskenbaar duidelijk gemaakt. Had hier iemand natte voeten gekregen? Ook bij de burgerlijke stand in Warwick ving ik opnieuw bot. Er kwam daar geen Overstone in het bestand meer voor. Informatie van enkele dagen oud bleek opeens niet meer correct. Het spoor leek weer dood te lopen, maar deze plotselinge wijzigingen maakten mij duidelijk dat ik op een het goede spoor zat. Er was met Sir Bernard Overstone en met John Alexander Durby iets aan de hand. En Alexander Durby had daarmee te maken. Maar wat? . Stel Sir Bernard Overstone heeft onder de schuilnaam John Alexander Durby geopereerd, om wat voor reden dan ook. Als de stiefvader van Alexander inderdaad verbonden was aan een geheime dienst, dan zou dat zijn schuilnaam kunnen verklaren. Maar dat zou kunnen betekenen dat de stiefvader en de moeder van Alexander inderdaad in Sierra Leone om het leven zijn gekomen. Of is ook dat een manoeuvre van de inlichtingendienst om het spoor van Sir Bernard Overstone te laten verdwijnen. Voor wat betreft de familierelaties lichtten een paar uit een ander schoolschrift gescheurde pagina’s een tipje van de sluier. De pagina’s zijn beschreven in een ander handschrift dan dat van mijn vader. Naar de inhoud zou het om een fragment uit een soort dagboek van Alexander Durby kunnen gaan. Aan de toon te oordelen was Alexander nog jong, hooguit een tiener. Wat de status van de aantekening was kon ik niet vaststellen omdat ik op dat moment nog geen handschriftproef van Alexander had. En hoe het frag45

ment in het archief van mijn vader gekomen was, bleef helemaal een raadsel. Zou het fragment stammen uit de tijd dat Alexander in Nederland woonde? Ik moest proberen ergens een handschriftproef van Alexander te bemachtigen. Maar hoe en waar? (…) … bijna niets van mijn stiefvader. Uit de talloze brokstukken die ik over hem te weten ben gekomen kan ik het volgende opmaken: mijn stiefvader, Sir Bernard Overstone, was in de Tweede Wereldoorlog RAF piloot net als mijn echte vader. Kort na de landingen in Normandië in juni 1944, is ook hij neergeschoten (vraag: zaten mijn vader en stiefvader in hetzelfde toestel of is hier sprake van een merkwaardige parallel? Ik moet dat eens aan mijn moeder vragen). Mijn stiefvader raakte gewond, genas voorspoedig, maar mocht niet meer vliegen en kreeg een baan bij het toenmalige Ministerie van Oorlog. Een keer heb ik de naam Bletchley Park horen vallen. Maar of hij daar gewerkt heeft weet ik niet precies. Op dit moment werkt hij voor een inlichtingendienst, ik vermoed voor de Dienst. Hij doet daar nogal geheimzinnig over. Ik mag het niet weten. Hij is ambtenaar bij het Ministerie van Oorlog zegt hij, maar wat hij daar doet weet ik niet. Ik begrijp wel dat het werk dat hij doet geheim is. Ik word geacht er niets van te weten en er in elk geval met niemand over te praten. Zoals gezegd, voor de buitenwereld is mijn vader een hoge ambtenaar op een ministerie. (…) Ik weet nu in elk geval dat mijn vader voor de Dienst werkt. Misschien wel voor allebei. Is hij een spion? Of jaagt hij op spionnen? Ik wil daar meer van te weten zien te komen. Maar dat moet in het geheim. Hij mag niet merken dat ik hem bespioneer. (…) Eindelijk ben ik erachter. Mijn vader is hoofd van een dienst die het werk van verschillende afdelingen coördineert. Zijn afdeling bestaat formeel helemaal niet. Al die inlichtingendiensten werken elk voor zich en laten zich niet goed coördineren. Maar voor de veiligheid van het land is dat wel van belang. Mijn vader als een soort super James Bond, dat bevalt mij wel. Best stoer. Jammer dat ik er met niemand over kan praten. (…) Veel meer informatie bevatte het dossier niet, behalve een paar artikelen over decoderen van geheime codes en een verhaal over machines die berekeningen kunnen maken van de hand van Alan Turing en Perry George Mankin. Ik legde het op de stapel met stukken die ik later nog een keer wilde lezen. Voor het moment kon ik over de achtergronden van het leven van Alexander Durby niet veel meer te weten komen. Ik besloot het er even bij te laten en mij weer met mijn reisvoorbereidingen bezig te houden. In de loop van de weken die kwamen vergat ik het krantenartikel en de verdwenen vriend van mijn vader weer uit mijn gedachten. Ik had ander werk te doen. De reis naar Tibet, China en India was een succes. Ik bezocht kinderdorpen in India, een aantal kloosters in Tibet en ik voerde gesprekken met de Chinese autoriteiten in Lhasa. Ik keerde terug met een rijke oogst aan

46

bruikbaar beeld- en tekstmateriaal. Alexander Durby was weer waar hij altijd geweest was, vergeten in de diepste krochten van mijn geheugen. Totdat ik op en dag geheel onverwacht een brief kreeg waarin van Alexander Durby sprake was. De brief was afkomstig van iemand die optrad als zijn advocaat en die mij schreef dat Alexander Durby, een jeugdvriend van mijn vader, mijn hulp dringend nodig. Niet ik had Alexander Durby gevonden, maar na bijna veertig jaar had Alexander Durby mij gevonden. En dat, terwijl alles erop wees dat hij niet meer in leven was. Maar laat ik met mijn verhaal bij het begin beginnen. Of beter nog, laat ik daar beginnen waar mijn verhaal en het verhaal van Alexander Durby samen komen en versmelten tot de gebeurtenissen waarover ik verslag wil doen. Mijn naam is Joram Petzer en ik ben, net als mijn vader, die ook Joram heette, freelance journalist en fotograaf. Ik heb van een zekere Alexander Durby, een jeugdvriend van mijn vader de opdracht aangenomen om een boek te schrijven over diens leven. Ik ga dat doen aan de hand van een soort door hem en door een aantal inlichtingendiensten samengesteld persoonlijk archief. Doel van deze reconstructie van zijn leven is, om zijn onschuld voor een drievoudige moord in 1966 te bewijzen en als dat lukt de werkelijke schuldigen aan te wijzen en hopelijk nog voor de rechter te brengen. Het is een opdracht, die Alexander Durby mij bij testament heeft gegeven en waarmee ik mij sinds eind 2005 bijna dag en nacht heb beziggehouden. De intensiteit van het werk in het elektronische archief heeft mij tot deel van het verhaal gemaakt. Ik ben langzaam gaan begrijpen wat er zo vele jaren geleden omging in de hoofden van de betrokken mannen en vrouwen. Maar vooral heb ik begrepen wat er in het hoofd van Alexander Durby moet zijn omgegaan. Hoe heel gestaag gevoelens van wraak zijn leven begonnen te beheersen. Ik heb het zo goed begrepen dat een deel van mij, Alexander Durby II lijkt te zijn geworden. Nu Alexander Durby dood is ben ik degene die zijn wraak ten uitvoer zal moeten brengen. Ook al ben ik van beroep de afstandelijk waarnemende en registrerende journalist, ik ben ook betrokken in het drama al was het alleen al door mijn relatie met zijn dochter Dorothy. Wat Alexander Durby niet meer gelukt is, is mij, met de publicatie van dit boek, wel gelukt: ik heb bewezen dat hoge officieren en regeringsvertegenwoordigers er destijds alles aan hebben gedaan, om de ware achtergronden van het Overstone Incident te verhullen en de schuld van de dood van drie onschuldige mensen in de schoenen van Alexander Durby te schuiven. De gevolgen van het incident op de lange termijn zijn nog steeds merkbaar. De schade aan het milieu door het Overstone Incident is nauwelijks te beschrijven, laat staan ooit goed te maken. De talloze slachtoffers van de radioactieve straling die door het incident is vrijgekomen hebben nooit enige vergoeding ontvangen. Het incident is ruim veertig jaar ontkend door de verantwoordelijken. Medici en onderzoekers hebben ten onrechte verklaard dat de genetische schade niet boven gemiddeld was. Onderzoek dat aantoonde dat er in dat deel van Schotland meer misvormde baby’s geboren werden en meer miskramen plaatsvonden, of onderzoek dat duidelijk maakte dat er in 47

de streek rond Overstone meer onverklaarbare vormen van kanker voorkwamen, werd door regeringsinstanties steevast afgedaan als onjuist, methodologisch onhoudbaar of statistisch incorrect. De schuld, de zeer grote schuld ligt bij de overheid die niets heeft gedaan, anders dan het hele incident met de kernkoppen in de doofpot te stoppen. De regering was op de hoogte, maar de geheime diensten adviseerden om het incident te ontkennen en in die kramp zijn alle betrokkenen gebleven. Totdat mijn boek verscheen, dat insloeg als een bom! Het begon allemaal in mei 2005 toen er een dikke bruine envelop in mijn postbus op het postkantoor voor mij klaarlag. Ik was net teruggekeerd van mijn reportagereis naar China, Tibet en India en ik verbaasde mij erover dat er een pakje op mij lag te wachten. Het was zo’n dikke gewatteerde enveloppe waar breekbare dingen in verstuurd konden worden. De envelop was zwaar en wat mij opviel was, dat er geen postzegels op geplakt waren. Kennelijk was de brief per bode bezorgd. Maar hoe was hij dan op het postkantoor terecht gekomen? Had er nog een andere wel gefrankeerde envelop omheen gezeten? En was die aan het postkantoor geadresseerd geweest? Vreemd, maar ik schonk er op dat moment geen aandacht aan. Toen ik het mij later opnieuw realiseerde was het te laat. De medewerker van het postkantoor die ik belde, kon het zich niet meer herinneren. De afzender van de envelop was een mij onbekend adres in Schotland en de inhoud van de envelop bevreemdde mij. Behalve een formele brief van een mij onbekende Schotse advocaat zaten er reisbescheiden in de enveloppe en een dik schrift met voor mij op dat moment volstrekt onduidelijke aantekeningen. Met deze aantekeningen – een deel van een soort dagboek leek het – begon voor mij het verhaal van het geheime leven van Alexander Durby. Dezelfde Alexander Durby waar ik maanden eerder naar op zoek was geweest. Even stond ik besluiteloos met de brief in mijn handen. Als ik toen geweten had wat ik nu wist, dan zou ik hem niet eens open gemaakt hebben. Ik zou hem in een willekeurige brievenbus hebben gestopt met in grote rode letter RETOUR erop. Hoewel, nu ik deze zinnen opschrijf begin ik toch weer te twijfelen. Als ik de brief niet had geopend, had ik het geheim van de verdwijning van Alexander Durby, de jeugdvriend van mijn vader nooit kunnen ontrafelen en had ik Dorothy, zijn lieftallige dochter nooit leren kennen. En ik zou ook ‘Elsa’ nooit hebben leren kennen. ‘Elsa’ is een verhaal apart. Ik noem haar hier even ‘haar zus’, want ik begreep dat voor Alexander Durby zijn dochter Dorothy en ‘Elsa’ bijna op één lijn stonden. Ergens in de aantekeningen in het schrift schreef hij daarover: ‘Little Dorothy is het resultaat van een relatie van een man en een vrouw. Ze is geboren uit liefde. Uit onze liefde, die maar kort heeft mogen duren. Little Dorothy is mijn levende herinnering aan Dorothy. Van hieruit, na al die jaren, is Little Dorothy voor mij de terugkeer van mijn levensgeluk, dat ik bijna veertig jaar geleden voor altijd 48

dacht verloren te hebben. ‘Elsa’ daarentegen is het resultaat van mijn gematerialiseerde denken, mijn relatie met mijn creatieve filosofische en natuurwetenschappelijke geest. Het draait om het denken. Het denken schept de objecten in de wereld. Zonder denken is er niets. Wat ik denk wordt omdat ik het heb gedacht. Gedachten kunnen materialiseren en worden tot objecten. Zonder gedachten kan niet worden tot wat het is. Gedachten die tot objecten worden leggen de verbinding met de toekomst zoals herinneringen de verbindingen met het verleden leggen. ‘Elsa’ is mijn verbinding met de toekomst, ‘Elsa’ is toekomst. ‘Elsa’ is zo groot en zo sterk dat zij bijna niet van deze tijd kan zijn. Met ‘Elsa’ bewijs ik dat een groot deel van de ICT-ideologie op een doodlopend spoor zit, dat intelligente computertechnologie mogelijk is. Alleen niet voor wie het huidige denken niet wil loslaten en geen nieuwe wegen wil gaan. ‘Elsa’ is mijn intellectuele extensie. Ik weet niet van wie ik meer houd? Little Dorothy is een mens, is een dochter, is iemand, die zich mijn naam herinnert. ‘Elsa’ is, als het erop aankomt, ‘slechts’ een intelligente machine. (laat ze dit niet horen …!). Ze is een stuk complexe en zeer potente elektronica. ‘Elsa’ is de droom van elke computerspecialist, de intelligente, denkende en lerende machine. ‘Elsa’ is dat wat iedereen voor nagenoeg onmogelijk heeft gehouden, maar wat het Virtuele Team voor elkaar heeft gekregen in minder dan tien jaar tijd. ‘Elsa’ is zo snel en zo slim en zo krachtig dat ik mij soms afvraag of ‘Elsa’ niet ook menselijke trekken heeft aangenomen. Het enige wat zij niet kan is zich zelfstandig voortbewegen. Ook daarin lijken ‘Elsa’ en mijn lieve, aan haar rolstoel gebonden Dorothy op elkaar! Zal ik ooit moeten kiezen: Dorothy of ‘Elsa’? Ik hoop van niet, want ik weet niet hoe ik zou moeten kiezen. Niet nu, niet hier.’ (Lieve Dorothy: vergeef mij als je deze woorden ooit zult lezen!) Tijdens mijn verblijf in Het Zwarte Huis – waarover ik later meer zal vertellen – op Overstone Island ben ik ‘Elsa’ gaan beschouwen als mijn gewaardeerde en soms hopeloos eigenwijze assistente met haar vreemde accent en haar merkwaardige voorkeuren voor componisten met een B, een aardigheidje van een van haar ontwikkelaars. En zoals het een goede assistente betaamt wist zij mij herhaaldelijk uit benarde en soms zelfs ronduit gevaarlijke situaties te redden. Zonder ‘Elsa’ was dit boek nooit tot stand gekomen. Alleen al mijn samenwerking met ‘Elsa’ en de avontuurlijke manier waarop ik met haar leerde werken zou een boek waard zijn. In mijn naïviteit merkte ik pas na twee of drie maanden dat Dorothy ‘Elsa’ als een soort stiefzuster beschouwde. Ze onderhield een vreemde relatie met haar, mede omdat ‘Elsa’ haar een soort geestelijke mobiliteit leverde die haar lichaam na een ernstig ongeluk ontzegd was. Een ongeluk dat in werkelijkheid een aanslag door de Dienst was, die alles te maken had met de raadselachtige verdwijning van Alexander Durby dertien jaar eerder. Ik wist nog niet dat ook ik nog maar een paar jaar te leven had, toen ik de enveloppe opende en de inhoud aan een nader onderzoek onderwierp. Behalve de keurig getypte brief van Mr. David Tier, advocaat te Inverness en vertegenwoordiger van Alexander Durby, bevatte de brief een ticket voor de boot Hoek van Holland - Harwich met reservering, een treinkaartje eerste klas van Harwich naar London en vervolgens een aansluitend eerste klas 49

treinkaartje naar Luton, een klein stadje ten noorden van London. Volgens het bijgevoegde briefje zou ik van daaruit verder vliegen naar mijn bestemming die nog geheim was. In Luton zou ik op het Airport Parkway Railstation opgewacht worden door een contactpersoon die mij naar het vliegtuig zou brengen. Op mijn eindpunt zou er een vooraf betaalde huurauto voor de rest van de reis voor mij klaarstaan. Verder zaten er behalve het al genoemde schrift nog een heleboel papieren en documenten in de envelop waarvan ik de betekenis op dat moment niet helemaal begreep. Behalve één: een formulier voor de op mijn naam gereserveerde en reeds betaalde huurauto van een verhuurbedrijf in London. Op mijn eindbestemming zou de auto voor mij klaar staan en de piloot die mij vanaf Luton naar mijn bestemming zou vliegen zou mij verder helpen. Ik startte mijn computer op en Googlede op de naam David Tier. Er bleken talloze hits te zijn op de naam Tier, zowel van David als van Donald. David Tier was advocaat in Inverness en onder andere bestuurslid van de 'De Transparency Foundation'. Donald Tier was farmer en woonde in Australië. Uit andere bronnen begreep ik, dat die twee waarschijnlijk tweelingbroers waren. Dat dit inderdaad het geval was en dat dit voor mijn onderzoek van belang zou blijken wist ik op dit moment nog niet. Evenmin zei de naam de ‘Transparency Foundation' mij iets. Ook daarvan zou ik maanden later nog horen. Wat mij opviel was, dat googleen op de naam van de ‘Transparency Foundation' maar één enkele hit opleverde: David Tier. Meer informatie was er op het internet over deze stichting niet te vinden. Even dacht ik dat de hele zending op een vergissing berustte, maar de brief was geheel correct aan mij gericht en enkele bijgevoegde stukken maakten duidelijk, dat van een persoonsverwisseling geen sprake kon zijn. De zending was aan mij gericht, omdat, zo bleek, de naam Alexander Durby mij bekend voor zou moeten komen. En dat klopte! Zowel Alexander als zijn advocaat hadden geen half werk geleverd. Toen ik de hele envelop doorgekeken had las ik de brief van de advocaat nog eens aandachtig door: Mr. David Tier, advocaat te Inverness. Aan: Joram Petzer, journalist en fotograaf te Amsterdam Inverness, 14 mei 2005 Geachte Heer Petzer, Als advocaat van wijlen Alexander Durby, in leven eigenaar van onder andere de DorAle Mining Company in Australië en van de Virtual Space Security Services, kantoor houdende op de Kaaiman eilanden, en mede-eigenaar van het landgoed Overstone Hall te Overstone, Schotland, is het mijn plicht U ervan in kennis te stellen, dat U in gevolge het testament van Alexander Durby de rechtmatige erfgenaam wordt van het Overstone Island en van het daarop staande landgoed Overstone Hall (voor kadastrale gegevens zie de bijlage van het Kadastraal bureau te Inverness). Voor de goede orde: alle andere bezittingen van de heer Durby gaan ofwel over in het bezit van zijn dochter Dorothy Durby-Overstone, dochter van wijlen Alexander Durby en 50

kleindochter van Sir Bernard Overstone of wel worden nagelaten aan de ‘Transparency Foundation’, waarvan ik bestuurslid ben. Alvorens U in het feitelijke genot van de erfenis kunt komen dient U echter aan enkele zakelijke voorwaarden te voldoen die in de bijlagen kort zijn omschreven. Teneinde U van een en ander uitvoerig op de hoogte te kunnen stellen en alle randvoorwaarden met u te kunnen bespreken, nodig ik U uit voor een bezoek aan mijn kantoor op donderdag 19 mei aanstaande om 11.00 uur. Uw reis van Amsterdam naar Inverness en verder is geheel voor u geboekt en betaald conform de wensen in het testament van Alexander Durby, zoals uit de bijgevoegde bescheiden moge blijken (voor de routebeschrijving: zie bijlage). Voor het bekostigen van de nog niet betaalde reiskosten zoals eventuele taxikosten in London en andere kleine uitgaven onderweg voeg ik £ 750,= in contanten bij. Ik verzoek U goed kennis te nemen van de bijlagen bij dit schrijven en de daarin gevraagde persoonlijke documenten – waaronder uw geldige paspoort – mede te nemen. Ik hoop u over enkele dagen in mijn kantoor te kunnen verwelkomen, Hoogachtend, Mr. David Tier Bijlagen: diverse Dorothy Durby-Overstone. Die naam zei mij iets. Ik had jaren geleden in het Royal Opera House in Sydney een vrouw in een rolstoel leren kennen die ook Dorothy heette, Dorothy Overstone noemde ze zich. Zou dat dezelfde kunnen zijn? En zou de ‘Little Dorothy’ waarover ik net gelezen had dezelfde Dorothy kunnen zijn? Had ik destijds samen met de dochter van deze Alexander Durby naar de Zauberflöte zitten luisteren? Maar waarom noemde zij zich toen Dorothy Overstone en niet Dorothy Durby? En waarom werd in de brief genoemd dat zij de kleindochter van Sir Bernard Overstone was? Ik kon mij nauwelijks voorstellen dat dit één en dezelfde vrouw was met twee namen. Ik wist weinig van haar, mijn ontmoeting met haar was vele jaren geleden geweest. Ik was haar allang weer vergeten. … Dacht ik. Maar die droom? Was zij dat niet geweest? De jonge vrouw, die zo sprekend op Dorothy leek? En was ik destijds niet ook een beetje verliefd op haar geweest? Zij was op zoek geweest naar haar vader die ergens in de Australische outback leefde. Ik googlede enigszins verward op haar naam en dat leverde het volgende zeer beperkte resultaat op: Dorothy Overstone (46), dochter van Alexander Durby (…) en Dorothy Overstone sr. (…), met haar broer Sir Marcus Overstone bewoonster van het landgoed Overstone Hall en directeur van World Wide Computer Systems (WWCS), gevestigd te Overstone, Schotland, dat overheden en bedrijven adviseert over gecompliceerde aan veiligheid gerelateerde ICT-vraagstukken en computersystemen op maat levert in samenwerking met een gespecialiseerd softwarebedrijf (geen nadere gegevens bekend). Als gevolg van een ongeluk in 1979 zit Dorothy Overstone in een rolstoel. Ze beschikt over

51

een fotografisch geheugen, studeerde in Perth, Australië, onder andere natuurwetenschappen en filosofie (specialisatie wiskunde en theoretische informatica). Verder was er een overzicht van de publicaties waaraan Dorothy Overstone had meegewerkt en die allemaal betrekking hadden op de theoretische achtergronden van de ICT-technologie. Zij bleek een originele denker te zijn, wier gedachten tal van vragen en discussies opriepen. Helaas ontbrak er een foto van haar! Toch had ik de vage indruk dat het inderdaad om dezelfde vrouw ging die ik jaren geleden in Sydney vluchtig had leren kennen en met wie ik samen van Sydney naar was Adelaide gereisd. Mary heette haar begeleidster, dat herinnerde ik mij ook nog. Ik zocht haar visitekaartje op en ontdekte inderdaad dat de Australische Dorothy en de Schotse Dorothy heel goed een en de zelfde persoon konden zijn. Was de ontmoeting in Sydney dan misschien minder toevallig dan het geleken had? Had iemand ons destijds bewust bij elkaar gebracht? Mijn kennis over het werk van geheime diensten maakte dat ik wist dat op dit vlak niets onmogelijk was. En wat was WWCS voor een bedrijf? Ik kon over WWCS op het internet geen nadere informatie vinden. Wat ik ook probeerde, de achtergronden van het bedrijf met als hoofdvestiging Overstone bleven mij verborgen. In korte tijd maakte ik kennis met twee organisaties die zichzelf volledig leken af te schermen van de buitenwereld. Zou deze geheimzinnigheid met elkaar te maken hebben? Waarom had een bedrijf als WWCS geen website? En waarom was de ‘Transparency Foundation’ nergens te vinden en kennelijk ook nergens geregistreerd? Was er een relatie tussen beide? En wat had Alexander Durby ermee te maken? Hij was dood en ik behoorde tot zijn erfgenamen, zoveel was duidelijk, maar meer wist ik nog niet. Ik maakte over beide organisaties een aantekening in mijn werkboekje. Uit de bijlagen bij de brief bleek, dat, wilde ik tijdig bij de Heer Tier in Inverness verschijnen, ik nog ongeveer 3 uur de tijd had om wat spullen bij elkaar te pakken en de boottrein naar London te halen. Ik hoefde niet lang na te denken. Ik kon de verzamelde gegevens voor mijn nieuwe boek over Tibet meenemen op mijn laptop, om ze in het Schotse noorden verder uit te werken. Daar zou wel tijd voor overblijven, meende ik. Ik had voldoende geld op mijn bankrekening staan, ik was ongehuwd en ongebonden, en het leek erop alsof ik een grote opdracht met ongekende mogelijkheden en kansen kon binnenhalen. Ik was vrij om te gaan en staan waar ik wilde en het idee één of ander romantisch landhuis in Schotland geërfd te hebben sprak mij wel aan. Wat mij vreemd leek was de snelheid waarmee de zaken geregeld dienden te worden. Maar erg veel zorgen kon ik mij daarover niet maken. Straks in de trein en op de boot naar Harwich zou ik genoeg tijd hebben, om verder uit te zoeken hoe de vork in de steel zat. Het simpele feit, dat Mr. David Tier keurig voor alles gezorgd had, treinkaartjes, bootticket, autohuur, routebeschrijvingen en aanwijzingen en zelfs het nodige zakgeld voor de kleine onkosten had bijgevoegd gaf mij voldoende vertrouwen. Dat was ik van opdrachtgevers wel anders gewend. 52

Ik keek op de klok. Nog ruim anderhalf uur. Ik belde een taxi en liep naar de andere deur op de overloop om te kijken of Arre, mijn etagegenoot, thuis zou zijn. Er werd niet open gedaan. Een kort briefje met de mededeling dat ik voor een opdracht enkele weken naar Schotland moest schoof ik onder haar deur door. Zij zou dan voor de planten en de post zorgen. Ik kiepte wat resten eten in de vuilniszak, bond hem dicht en zette hem op het balkon. Ik goot de laatste melk door de gootsteen, ruimde mijn kamers vlug een beetje op, pakte mij rollende weekendtas en deed daar het hoognodige aan kleren in. Mijn iPhone en mijn MacBook Air deed ik samen met de ‘rugged’ harddisk met mijn materiaal en de kabels in mijn fotorugzak, waar ook mijn camera’s, lenzen en mijn adresboek in zaten. Het etui met de reserve accu’s en de laders, mijn iPod, mijn persoonlijke papieren en de gewatteerde enveloppe pasten er ook nog in. In het buitenvak stopte ik de map met de stukken over Alexander Durby uit het archief van mijn vader. Voor het overige was ik blij dat ik een groot deel van zijn archief gedigitaliseerd had, zodat ik het, net als mijn eigen archief, overal ter wereld zou kunnen raadplegen. Ik was amper klaar met het inpakken toen beneden de taxi toeterde, even later gevolgd door het bekende bellen: driemaal kort eenmaal lang, het morseteken voor V, de eerste noten van Beethoven’s vijfde symfonie. Ik bond mijn fotorugzak op mijn rug, ritste mijn roltas dicht en nam hem op, liep de kamer door draaide mij nog een keer om, glimlachte naar de posters en de resterende rommel, deed het licht uit, schakelde het alarm in, trok de deur achter mij dicht en draaide de sleutel in het slot om. Ik beveiligde de deur met de twee extra sloten en liep de trap af naar buiten, waar de chauffeur de kofferbak van de taxi voor mij openhield. Ik deed mijn rugzak en mijn tas in de achterbak en ging achterin zitten. De taxichauffeur was gelukkig een stille man, die in een rustig tempo, naar het station reed. Op het perron pakte ik de kaart met de reisgegevens uit de gewatteerde enveloppe en keek op de gele vertrekstaat. De aangegeven vertrektijd van de trein naar Hoek van Holland klopte. Ik had de nachtboot naar Harwich met gemak gehaald en zou aan de andere kant van de Noordzee wel weer verder zien. Het was rustig in de trein. Ik zocht een eerste klas werkcoupe. Zette mijn fotorugzak tegenover mij op de bank, mijn tas voor mij op de grond en nestelde mij in een hoek bij het raam. Ik kon de verleiding nauwelijks weerstaan de rest van de inhoud van de enveloppe te gaan bekijken, maar besloot dat ik dat pas op de boot in mijn hut zou doen. Daar had ik tijd en voldoende ruimte om alles rustig te bestuderen en een plan de campagne voor mijzelf op te stellen. Van de treinreis zou ik gebruik maken om wat slaap van de laatste nachten in te halen. Dat bleek nodig, want ik merkte amper dat de trein vertrok. Ik droomde merkwaardige dromen. Er zat geen lijn in. Oude herinneringen aan reizen en opdrachten vermengden zich met beelden die ik niet kon thuisbrengen. Ik had een ontmoeting met een aristocratische Engelse landlord die mij het verschil tussen een Mansion, een House en een Hall probeerde uit te leggen, maar ik begreep niets van wat hij zei. Zijn lippen bewo53

gen maar er kwam geen geluid uit zijn mond. Ik wilde mij omdraaien en weglopen, maar kon mij niet bewegen. Ik ontdekte dat ik vastgebonden zat op een harde houten stoel. Zo eentje als in de Middeleeuwen werd gebruikt voor het martelen van heksen. Ik schreeuwde en werd wakker van mijn eigen geluid. De dame tegenover mij glimlachte vriendelijk en constateerde geheel ten overvloede dat ik gedroomd en iets onverstaanbaars gemompeld had in mijn slaap. Daar moest zij om lachen. Zij excuseerde zich daarvoor en stond op, toen de trein vaart begon te minderen. Zij wenste mij succes met mijn werk in Engeland en verdween. Toen zij mij vanaf het perron nogmaals toewenkte besefte ik pas dat haar laatste woorden volstrekt onbegrijpelijk waren. Hoe had zij geweten dat ik onderweg was naar Engeland. En over wat voor werk had zij het? Had ik gepraat in mijn slaap? Ik stond op en draaide het raampje open. Ik wilde haar roepen, maar ze was nergens meer te bekennen. Alleen de conducteur stond op het perron en blies op zijn fluitje zodat de trein vertrekken kon. Ik ging weer zitten en probeerde mij haar gezicht voor de geest te halen. Het lukte niet. De beelden liepen door elkaar. De conducteur kwam en controleerde mijn kaartje. Alles leek normaal en in orde. Behalve die ene opmerking van die vrouw. Die bleef mij nog lang bij. Ik pakte mijn notitieboekje en maakte er een aantekening over. De trein sukkelde verder en na nog een paar tussenstops arriveerde hij een half uur later in Hoek van Holland. Het was druk op de loopbrug op weg naar de boot, maar na enig wachten en een schuifelende gang door de douane kon ik inschepen, wat een groot woord voor iets wat niet meer was dan het instappen in een trein; een drempel over en je bent op een schip. Bij de 'Informatiebalie' vlakbij bij de ingang haalde ik de sleutel van mijn hut op. Het bleek een luxe buitenhut te zijn inclusief een uitgebreid ontbijtbuffet vóór aankomst in Harwich. De hut had twee bedden, een tafel met stoel onder de patrijspoort en een ongemakkelijk zittende fauteuil. Ik zette mijn roltas en mijn fotorugzak op het ene bed en ging aangekleed languit op het andere liggen. De boot schommelde een beetje. Het was alsof ik in een wieg lag en mijn moeder langzaam het korfje heen en weer bewoog. Weer dommelde ik in een zonk weg in een rusteloze slaap. Ik droomde van een soort bisschop die groene bellen blies. Bellen die niet uit elkaar klapten maar als tennisballen stuiterden als ze op de grond kwamen. De bisschop kwam op mij af met zijn vinger dreigend op mij wijzend, maar in plaats van te stoppen prikte hij mij in de borst en liep hij dwars door mij heen. Hij leek mij niet te zien. Het leek of ik van lucht was. Hij draaide zich om en blies een grote groene bel naar mij toe. Ik probeerde de bel op te vangen, maar hij spatte uit elkaar toen ik hem aanraakte. De bisschop lachte en zette zijn mijter af. Toen pas zag ik dat hij blind was. Zijn pijp waarmee hij bellen blies was zijn blindenstok, wit met rode banden. Hij nam zijn pijp, blies een hele grote langwerpige bel die leek op een ballon. Hij pakte de zeepbel beet en begon eraan te draaien en er knopen in te leggen. Wat hij maakte leek op een beest. Hij liet het maaksel vallen en opeens stond daar een witte geleidehond naast hem. Hij greep naar de beugel en wilde weglopen, maar de hond klapte als een zeepbel uit elkaar. Hij lachte weer en begon 54

te lopen met zijn stok achter zich aan slepend. Hij liep op de rand van een kade. Eén stap en hij zou in het water vallen. Ik riep hem om hem te waarschuwen en hij keek om. Hij stapte mis, gleed uit en verdween onder water. Zijn soutane dreef als een grote donkere paarse olievlek op de golven. Ik schrok wakker en ging rechtop zitten. Ik keek uit de patrijspoort en zag nergens meer land. Een stikdonkere nacht gaapte mij aan vanaf een rustige zee. Wolken ontnamen mij het zicht op maan en sterren. Alles was stil behalve het ronken en stampen van de motoren diep in de buik van de veerboot. Ik keek op mijn horloge: half drie. Ik deed de deur van de hut open en keek naar buiten. Niemand te zien, de gang was leeg en stil. Zachtjes sloot ik de hut achter mij af en liep naar een hoger dek. Overal in de gangpaden lagen mensen met tassen en rugzakken in ongemakkelijke houdingen te slapen. De lounge van de eerste klasse was gesloten. Alleen in tweede klasse was nog enig leven te bekennen. Ik bestelde aan de nachtbar een glas whisky en ging zo zitten dat ik naar buiten kon kijken. Ik zag in de grote glazen panoramaruiten niets anders dan mijn eigen spiegelbeeld. Een freelance journalist op avontuur. Ik moest glimlachen. Was dit het nu waar ik altijd al van had gedroomd? Die ene grote opdracht die mijn doorbraak zou bewerkstelligen? Ik was al lang doorgebroken. Wat was dat eigenlijk: doorbreken? Ik onderzocht, ik schreef, ik publiceerde. Ik kon leven van mijn pen. En toch was ik nog niet tevreden, was ik voortdurend op zoek naar meer, naar avontuur. Waar was ik eigenlijk aan begonnen? In de 20 jaar dat ik als journalist werkte had ik nog nooit een zo vage, zo open en vooral zo vreemde opdracht aangenomen. Ik kende mr. David Tier niet en Alexander Durby kende ik evenmin. Mijn vader had al geen decennia meer contact met hem gehad. Ik wist niet eens of het hele verhaal niet één grote grap was. Ik wist amper waar de in de brief genoemde plaatsen lagen. Ik had het dorpje Overstone, Overstone Bay en daarin Overstone Island op een kaart in het uiterste noorden van Schotland gevonden, maar ik was nog nooit in dat deel van het Britse eiland geweest. Wat moest ik daar? Het leek een godvergeten eenzame plek. En ik mocht mij binnenkort de trotse eigenaar noemen van een Schots landhuis op een klein eiland aan het einde van de wereld. Het leek alles zo onvoorstelbaar, zo absurd. Ik dronk mijn whisky, wandelde terug naar mijn hut en ging weer op bed liggen. De slaap wilde niet meer komen. Na een tijdje rusteloos woelen stond ik op, ging aan het tafeltje onder de patrijspoort zitten, knipte het leeslampje aan, pakte de dikke enveloppe uit mijn tas, opende hem en schudde de inhoud op de tafel. De envelop bevatte naast de al bekende brief van mr. David Tier aan mij nog de volgende stukken: Een brief van Alexander Durby aan mij, een brief van Sir Marcus Overstone aan mij, geschreven in opdracht van Alexander Durby, een handgetekende erg onduidelijke kaart van Overstone Island, het dikke schrift van Alexander Durby met de aantekeningen, 55

de reisbescheiden en tot slot de routebeschrijving. Die routebeschrijving luidde als volgt: U neemt in Amsterdam een taxi naar het Centraal Station en van daar de boottrein van 19.10 uur naar Hoek van Holland. Daar stapt u op de nachtboot naar Harwich. De volgende ochtend neemt u de boottrein naar London waar u om 08.48 uur aankomt op Liverpool Street Station. Daar neemt u een taxi naar Euston Station en vervolgens de trein van 10.28. uur naar Luton Airport Station. Op Luton Airport staat een vliegtuig klaar voor uw vlucht naar Inverness Dalcross (U wordt bij de uitgang van het station van Luton opgewacht door iemand die u zal herkennen en u met de auto naar het vliegtuig zal brengen). In Inverness staat op het vliegveld uw auto voor u klaar. De piloot zal u daar wegwijs maken. U rijdt vanaf het vliegveld van Inverness over de A82 naar Fort Augustus, alwaar een eerste ontmoeting met mr. David Tier zal plaatsvinden (De routebeschrijving naar het kantoor van mr. David Tier in Fort Augustus bevindt zich in de map in het handschoenenkastje van de auto). In Brackla, een twintigtal kilometers buiten Inverness is in het ‘Loch Ness Clansman Hotel’ een kamer voor u gereserveerd. In Fort Augustus heeft u de volgende dag uw eerste kennismaking met ‘Elsa’ en krijgt u van mr. David Tier en van ‘Elsa’ nadere informatie over de opdracht, over de verdere details en de voorwaarden voor de aanvaarding van het testament van Alexander Durby. U rijdt na afloop van de ontmoeting met mr. David Tier weer terug naar Inverness. Onderweg overnacht u wederom in hetzelfde hotel in Brackla. De volgende dag reist u verder naar Overstone via de A9, de A99 en de A836. Vanuit Overstone steekt u over met de boot naar Overstone Island waar u in Overstone Hall wordt verwacht. (Uw permit’ voor de overtocht naar Overstone Island bevindt zich ook in het handschoenenvakje van de auto). (Voor dringende vragen over deze routebeschrijving kunt u contact met mij opnemen via nummer 0044(0)146378921).

56

Kaart van Overstone Island (getekend door Sir Marcus Overstone) Ik vouwde het blad papier op, stak het in het borstzakje van mijn hemd, om het steeds bij de hand te hebben en pakte het dikke zwarte schrift. Ik bladerde het vluchtig door met het plan om het later uitvoeriger te bekijken. Terwijl ik de bladzijden door mijn vingers liet lopen viel mijn oog op een van de pagina’s met daarop een lijst met persoonsnamen: Sir Bernard Overstone, (†) oud RAF piloot, neergeschoten door ‘friendly fire’ in Frankrijk in 1944, daarbij zwaar gewond, zeer goed hersteld en vervolgens in buitengewone dienst als topambtenaar van de Britse geheime dienst. Vader van Dorothy en Marcus Overstone en stiefvader van Alexander Durby, weduwnaar van Margret Overstone, legerarts die in 1945 verdronk bij een poging een negenjarig kind te redden dat te water was geraakt. Hertrouwde in 1948 met Alexandra Durby, weduwe van John Arthur Durby. Voorkwam diverse aanslagen door zijn bijdragen aan het opruimen van IRA-cellen in Engeland in zijn functie van leider van de coördinatieafdeling van de Dienst. Alexandra Overstone – McMurdock (ook: Alexandra DurbyMcMurdock, weduwe van John Arthur Durby) (†) sociaal advocate van slachtoffers van juridische dwalingen, van daders van IRA bomaanslagen en andere IRA verdachten etc. Onder andere betrokken bij de acties voor de vrijlating van de Guilford Five en de Birmingham Seven en hun verdediging bij heropening van hun processen. Moeder van Alexander Durby en stiefmoeder van Dorothy en Marcus Overstone.

57

Opmerking: het echtpaar Overstone is op 27 augustus 1979 (dezelfde dag waarop Lord Louis Mountbatten door de IRA vermoord werd) overleden ten gevolge van een (formeel nooit door de IRA opgeëiste) bomaanslag, waarbij hun dochter Dorothy een dwarslaesie opliep. Mrs. Dorothy Overstone, (†) stiefzuster en echtgenote van Alexander en moeder van Little Dorothy. Om het leven gekomen in 1966 bij het Overstone Incident, waarbij ook Elsa MacMurray en Elsa’s partner Jason Burding om het leven kwamen. Sir Marcus Overstone (65) – Zoon van Sir Bernard Overstone, (mede)oprichter en (mede)eigenaar van WWCS (World Wide Computer Systems), daarvoor werkzaam bij de Dienst, belast met contraspionage. Dorothy Overstone (39), dochter van Alexander Durby en Dorothy DurbyOverstone (†) afwisselend wonend in Overstone Hall en in Australië (Norfield). Directeur van WWCS, het ICT-bedrijf dat zij in 1995 samen met haar broer oprichtte. Wat mij meteen bij het lezen opviel was dat, als deze tekst van Alexander Overstone was, hij dan over zichzelf in de derde persoon schreef en niet over ‘ik’. Dat leek mij vreemd. Zou het een tekst kunnen zijn van iemand anders die hij hier enkel gekopieerd had? Ik las het lijstje nog eens langzaam door. De laatste regels waren op dit moment voor mij het meest verhelderend. De Dorothy Overstone die ik jaren geleden in Sydney in het Royal Opera House had ontmoet en de Dorothy Overstone waar ik binnenkort mee te maken zou krijgen waren vrijwel zeker een en dezelfde persoon. Was zij de verbindingsschakel tussen haar familiegeheim en mij? Ik had haar in Australië twee keer kort ontmoet en haar mijn visitekaartje toegestoken. Had zij na al die jaren kans gezien mij op te sporen, om mij via haar advocaat een aanbod te doen waarvan zij mocht aannemen dat ik het niet zou afslaan? Zij moest informatie over mij hebben verzameld. Een paar van mijn publicaties waren ook in het Engels verschenen en hadden zowel in Engeland als in Amerika nogal wat stof doen opwaaien. Maar zou haar belangstelling voor mij enkel zakelijk zijn? Of stak er meer achter? Toegegeven, die ene avond in de opera en die paar uur tijdens de treinreis die ik in het gezelschap van Dorothy had doorgebracht hadden een diepe indruk bij mij achtergelaten. Ik had heel lang, vaak en met warme gevoelens, aan Dorothy moeten denken. Zij was een mooie, sterke, zelfstandige vrouw die je haar handicap nauwelijks aanzag. Ik had niet verwacht haar ooit nog eens te zullen ontmoeten. En al helemaal niet als eigenaar of mede-eigenaar van het landgoed waar zij woonde. Was het haar rol geweest om mij al die jaren te volgen? Ik had het meer dan eens betreurd dat ik niet langer met haar had kunnen praten, maar de omstandigheden leken dat destijds niet mogelijk te maken. Of was ook dat toen van haar kant al doorgestoken kaart? Waren de beide ontmoetingen toeval of waren het voorbeelden van de wijze waarop de Dienst mensen gebruikt en manipuleert? Maar wat was dan haar relatie met de Dienst? Was 58

die er? Haar grootvader had bij de Dienst gewerkt en zou dus heel goed een eigen netwerk kunnen hebben. Zat haar grootvader overal achter? De hele zaak begon mij meer en meer te boeien. Wat wist de Overstone clan al van mij, voordat ik Dorothy twintig jaar geleden leerde kennen? Waarom hadden zij mij benaderd? Vanwege de vriendschap tussen mijn vader en Alexander Durby? Ik kon het mij niet goed voorstellen. Of toch? Was er een verband met mijn verleden, met mijn vader en zijn vriendschap met Alexander Durby? Of had Dorothy mij gewogen en geschikt bevonden? Maar zij kende mij amper. We hadden een paar uur naast elkaar gezeten in de Royal Opera House in Sydney en een paar uur samen gereisd met de trein naar Adelaren Alice Spring. Of was er toch meer? Wisten ze meer? Dorothy kon weten dat ik al veel wist over het werk van geheime diensten, maar waarom leek dat van belang? Wat hadden Dorothy en Alexander met het werk van inlichtingendiensten te maken? Ik zou er weldra achter komen. Ik pakte de andere brief uit de envelop en las hem door: Beste Joram, Wij kennen elkaar niet, ook al hebben we elkaar een keer kort ontmoet in Norfield. Herinner je nog je jouw bezoek aan DorAle Mining? Ik heb je vader lang geleden gekend! Dat is nu even van belang. Je vader en ik hebben elkaar na het eindexamen in 1954 uit het oog verloren, maar ik ben hem en later jou van grote afstand altijd nabij gebleven en ik ben jullie steeds blijven volgen. Je zult dat in mijn aantekeningen die ik aan je nalaat kunnen lezen. Ik weet dat je vader een oude man is met een slechte gezondheid. Dat doet mij verdriet. Ik ken hem als een sterke man en ik zou hem graag zo in herinnering houden. Leeft hij nog? Doe hem dan mijn groeten als je hem bezoekt en vertel hem van het werk dat je nu voor mij gaat doen. Hij verdient het te weten dat we elkaar nooit in de steek hebben gelaten, maar dat het verbreken van ons contact ook in zijn en jouw belang was. Je zult deze opmerking binnenkort kunnen begrijpen en plaatsen. Kort na mijn studie had ik plotseling dringende redenen om uit te wijken naar één van de uithoeken van deze aardbol. Ik had eerder mijn vrouw verloren en werd er ten onrechte – al kon ik dat toen niet bewijzen – van beschuldigd haar gedood te hebben. Bij mijn vlucht heb ik mijn dochtertje in de hoede van mijn schoonouders moeten achterlaten. Enkele jaren geleden heb ik haar als volwassen vrouw voor het eerst weer gezien. Ik heb in Australië door een gelukkig toeval – of was het geen toeval? – heel veel geld verdient, maar helaas mijn geluk nooit gevonden. Dat moest ik in Schotland achterlaten. Ik heb jouw ontwikkeling altijd gevolgd, ook al kon ik nooit contact met je opnemen. Het zou te gevaarlijk zijn voor ons beiden. Wanneer je dit leest is het te laat om elkaar nog te ontmoeten. Ik ben dan al dood (misschien is het interessant de omstandigheden van mijn dood nader te onderzoeken) en je zult uit andere bronnen over mijn leven meer te weten komen. Deze brief zal je, als onderdeel van mijn testament, na mijn dood via mijn advocaat mr. David Tier te Inverness bereiken. David en zijn tweelingbroer Donald zijn goede vrienden van mij. Zij hebben mij al die jaren geholpen. David zal je een aantal documenten overhandigen en een paar elektronische sleutels en wachtwoorden geven. Verder zul je van hem vooral mondelinge instructies krijgen. Schrijf ze niet op, maar onthoud ze goed. Opgeschreven zullen ze, mochten ze 59

in verkeerde handen komen, je leven in gevaar kunnen brengen. Maar je zult ze nog nodig hebben om mijn opdracht uit te kunnen voeren. Volg de instructies van David en de aanwijzingen in de documenten nauwkeurig op. Het zal je geen windeieren leggen. De aanwijzingen zullen je naar Overstone Hall brengen en naar mijn dochter Little Dorothy (nou ja, dat ‘Little’ kun je nu wel met een korrel zout nemen, maar dat weet je zelf ook!) Ik heb haar, eeuwen geleden moeten achterlaten toen ik mijn eigen leven veilig moest stellen. Zij is opgevoed door haar grootouders en toen die vermoord werden (ook hun dood zal door jou nog nader onderzocht moeten worden) door een lieve vriendin van hen, die hen vele jaren trouw op Overstone Hall heeft verzorgd. Ik laat Overstone Hall inclusief het hele eiland aan jou na en vraag je om voor Dorothy te zorgen, mocht dat nodig zijn. Ik weet dat jullie elkaar kennen en ik weet dat Dorothy – hoewel je haar maar een paar uur gesproken en gezien hebt – erg op je gesteld is. Ze heeft je al de jaren sinds jullie eerste ontmoeting gevolgd en weet bijna alles over je – ze is daar enorm goed in, dat zul je nog wel merken. Ze zal je steun op prijs stellen en wellicht meer nodig hebben dan ze nu beseft. Sinds mijn terugkeer naar Overstone is mijn leven in gevaar. Ik weet dat ik op de Lijst van de Dienst sta. Mijn geschiedenis is sinds 1966 voor hen een veiligheidsrisico. Toch heb ik besloten terug te keren en de geschiedenis zijn loop te laten. Als zij mij doden – het is niet de vraag òf ze dat zullen doen, maar wel hoe en wanneer, sterf ik in de hoop en de verwachting dat eindelijk gerechtigheid zal worden gedaan, dat jij in de openbaarheid brengt wat veertig jaar is verzwegen en onderdrukt: de waarheid over het Overstone Incident uit 1966 en de moord op Dorothy’s grootouders in 1979. Beide gebeurtenissen hangen nauw met elkaar samen en jij zult dat kunnen bewijzen! Jij zult mij helpen om mijn dochter de genoegdoening te brengen die ik niet gekregen heb. Ik ben je daar dankbaar voor. De opdracht die je krijgt is zwaar en moeilijk, maar hij is je op het lijf geschreven. ‘Elsa’, ‘TheSys’ en ‘SecSys’ zullen je daarbij ter beschikking staan en je de nodige bescherming bieden. Gebruik ze goed. Hun kracht is enorm, maar bij jou in goede handen. Mijn verhaal zal je tot in het hart van de Dienst brengen! Geen journalist kan mijn verhaal beter vertellen dan jij! Ik vertrouw je. Alexander Durby Ik wist niet wat ik met deze brief aan moest. Ik begreep een aantal fragmenten niet, maar ik besefte wel dat de vraag van Alexander vooral ook een vraag van Dorothy was. In feite had zij mij uitgenodigd om naar Overstone Hall te komen en als het ware samen met haar de eer van haar vader te herstellen. Ik had er nog geen idee van hoe ik dat zou moeten doen. Ik kende ‘Elsa’ nog niet, had van ‘TheSys’ en ‘SecSys’ nog nooit gehoord, laat staan dat ik iets wist van hun enorme kracht. Ik nam aan dat het om één of meer computersystemen ging, maar dat was dan ook alles. Ik las de brief enkele keren aandachtig door, maar kon er verder geen verborgen betekenissen of aanwijzingen in vinden. Ik was nog niet veel wijzer geworden en besloot af te wachten. De andere brief van Sir Marcus Overstone, de stiefbroer van Alexander, was kort en ook niet bepaald helder. Het was enerzijds een soort bekentenis, anderzijds tegelijk ook de ontkenning daarvan:

60

Alexander , Ik weet in grote lijnen waar je al die jaren hebt gezeten, maar het is het best bewaarde geheim geweest dat Dorothy en ik samen hebben. Onze contacten zijn vanwege jouw veiligheid altijd anoniem gebleven en ik heb toen de ontwikkeling zover was, ‘Elsa’ nooit opdracht willen geven om je verblijfplaats op te sporen. Het was het enige zwakke punt in onze samenwerking. De zakelijke combinatie van het ‘openbare’ WWCS en het ‘geheime’ VSSS had ons fataal kunnen worden. Dat dit niet is gebeurd, is een bewijs voor de kortzichtigheid en geestelijke beperktheid van de meeste inlichtingendiensten. De slimheid en de intelligentie zit kennelijk al jaren bij ons en niet bij hen. Wij laten hen een klein beetje in onze intelligentie delen voor zover het ons uitkomt! De kracht van TheSys en van SecSys zou het hen makkelijk hebben gemaakt jou op te sporen en te laten vernietigen. Maar de bewaking van hun systemen door Elsa heeft dat steeds kunnen voorkomen. En dat is prima zo! Als ik het goed heb begrepen, dan hebben onze vijanden het kennelijk niet voor mogelijk gehouden of er domweg niet aan gedacht. Ze zijn dus kennelijk niet alleen dom en kortzichtig maar ook nog eens goedgelovig en naïef. Een uitstekende combinatie van eigenschappen voor een inlichtingendienst, althans vanuit ons perspectief bekeken. Ik weet dat het je financieel voor de wind is gegaan. VSSS moet heel veel geld hebben gekost. Minstens zoveel als mij de oprichting van WWCS gekost heeft. Maar het verhaal van Dorothy was zo overtuigend dat ik haar daarin volledig heb ondersteund. En ons kapitaal kon en kan het lijden. Ik heb gehoord dat je teruggekomen bent om gerechtigheid te laten gelden en misschien wel om wraak te nemen. Dat zou bij je passen. Je bent in al die jaren kennelijk niet echt veranderd. En ook dat is goed! Ik heb alles exact zo uitgevoerd als je mij via Dorothy hebt gevraagd. ‘Elsa’ staat gebruiksklaar in het Zwarte Huis. Er kan zo mee aan de slag worden gegaan. Onzichtbaar van buiten. Het Zwarte Huis is voor het oog nog steeds een ruïne en niet meer dan dat. Maar diep onder de grond schuilt het geheim dat wij delen. Ook de zelfstandige energievoorziening van het systeem is nu zover gereed dat stroomuitval geen effect heeft op de werking van het systeem. De opslag bergt voldoende energie om het systeem twee weken onafhankelijk te laten draaien. Het enige wat nog ontbreekt is iemand om met Elsa aan de slag te gaan. Daar moet jij voor zorgen en ik begrijp van Dorothy dat jij haar daarmee hebt belast en dat je een prima kerel op de kop hebt getikt. (…) Dus Dorothy zit er inderdaad achter. Zij heeft mij ingehuurd. Maar waarom? Vanwege mijn kennis en ervaring met inlichtingendiensten of vanwege mij? Speelt zij een persoonlijk dubbelspel met mij? Hoe kan ik daar achterkomen? Het was warm geworden in de hut. Ik stond op, liep naar de thermostaat naast de deur en zette de temperatuur iets lager. Ik liep terug naar de tafel en keek even uit de patrijspoort. Niets te zien dan mijn eigen spiegelbeeld. Het glas van het raampje voelde koel aan. Ik ging weer zitten en las verder. (…) Ik weet ook dat jij vermoedt dat ik even onschuldig ben aan hetgeen jou is aangedaan als jijzelf. Mijn verleden bij de Dienst heeft mij niet meer schuldig gemaakt dan anderen. Maar mijn werk heeft er ook niet toe kunnen bijdragen jouw onschuld aan te tonen. Zou ik mij met het incident hebben bemoeid, dan zou ik onherroepelijk 61

de aandacht van de interne afdeling van de Dienst op ons gericht hebben en dat konden wij niet gebruiken. Ik weet inmiddels wat er in die fatale nacht destijds gebeurd is, maar ik heb geen enkele mogelijkheid om toegang te krijgen tot de relevante dossiers. Dat moet Elsa regelen. Ik weet van het bestaan van een onofficieel, streng geheim dossier – dat officieel helemaal niet bestaat, maar ik sta onder ede en kan er niet over praten, met niemand, ook niet met jou. Deze mededeling is in feite al een wetsovertreding waar een lange gevangenisstraf op staat; het zij zo. Er meer expliciet over praten of schrijven brengt mensenlevens in gevaar. De armen van de Dienst zijn lang en ze kennen geen pardon als het gaat om wat zij beschouwen als ‘het belang van de nationale veiligheid’! Dat hoef ik jou niet te vertellen. Ik dank mijn leven aan mijn positie, mijn afkomst en aan mijn afgezonderde leven op Overstone Island. Als je meer wilt weten: kijk op de verborgen plaatsen in mijn archief in het Witte Huis. Een deel van dat archief is verborgen achter speciale codes, die je alleen met behulp van Elsa zult kunnen breken. Ook zij zal daar enkele dagen voor nodig hebben. ‘Elsa’ kan je op tal van manieren van groot nut zijn voor zowel het onderzoek als de analyse. Maar uiteindelijk ligt de sleutel naar wat je zoekt in jezelf! En dat bedoel ik op verschillende manieren. Niet alleen in letterlijke, maar ook in overdrachtelijke zin. Ik heb je kracht en doorzettingsvermogen altijd bewonderd. Je hebt met het Virtuele Team een technologisch meesterwerk neergezet! Doe er je voordeel mee, maar in de naam van de doden, laat mij verder met rust. Ik heb kanker in een vergevorderd stadium. Het is onbehandelbaar. Niemand weet het, ook Robert Masters niet, maar ik heb nog maar enkele maanden te leven. Ik hoop op een morgen gewoon niet meer wakker te worden. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik weet niet of we elkaar nog eens zullen weerzien. Misschien in een volgend leven … Dorothy zal op je wachten en je verder ondersteunen. Je dochter is van goud! Ik wens je vrede en alle goeds, Je broer Marcus Je broer Marcus. Alexander had dus een broer, waar ik nog amper iets over wist. En wiens rol in het hele verhaal ik ook nog niet kon duiden. Hij had kennelijk bij een van de Britse inlichtingendiensten gewerkt. De broers hadden verschillende achternamen, stiefbroers of halfbroers kennelijk. Of was er sprake van één of ander duister familiegeheim? Uit de brief van Sir Marcus kon ik opmaken, dat er in een ver verleden iets ernstigs was voorgevallen waar zowel Alexander Durby als diens halfbroer of stiefbroer Sir Marcus Overstone bij betrokken waren geweest. Het oude krantenartikel dat ik in het Schotse pension had gevonden, maakte duidelijk dat het kennelijk om een drievoudige moord ging waar Alexander van werd beschuldigd. Was zijn broer daar mogelijk getuige van was geweest? Maar ik las ook dat Marcus van de onschuld van zijn stiefbroer overtuigd was, zonder dat te kunnen bewijzen. Wat bedoelde hij met die Diensten met de lange arm? Over welke inlichtingendienst had hij het? Over het Gouvernment Communications Headquarters GCHQ, over de Security Service MI5, over de Secret Intelligence Service MI6? Of ging het hier om een inlichtingendienst uit een ander land of om een particuliere inlichtingendienst? En wat was de relatie van dit alles met ‘Elsa’, ‘TheSys’ en ‘SecSys’. Waren dat computersystemen die door 62

WWCS en VSSS geleverd waren aan een aantal geheime diensten? Aan welke? En was Elsa een soort supersysteem dat al deze computersystemen van de diensten in de gaten hield en controleerde? Waar was Sir Marcus bang voor? En vooral, waarom had Alexander Durby kennelijk nooit met één woord laten blijken dat hij een half- of stiefbroer had die Sir Marcus Overstone heette? Wat werd hier verborgen gehouden? Ik moest daar achter komen voor ik te ver in het hele verhaal was gedoken. Tal van vragen bleven mij bezighouden, terwijl de veerboot over een donkere, rustige Noordzee naar het westen voer. Wat was mijn rol in het verhaal? Welke rol had Alexander of hadden Alexander en Dorothy mij toebedacht en waarom? Waarom had Alexander mij wel in zijn testament genoemd, maar had hij mij niet eerder benaderd. Hij wist veel van mij af, had mij kennelijk in al die jaren op de één of andere manier gevolgd, maar waarom? En speelde mijn vader hier nog een rol in? Hadden die twee inderdaad geen contact met elkaar gehad? Wat mij het meest verbaasde was, dat Alexander Durby dingen over mij leek te weten die hij onmogelijk uit mijn publicaties kon halen. Hij moest andere bronnen over mijn leven tot zijn beschikking hebben gehad. Maar welke en hoe was hij daar aan gekomen? Speelde ‘Elsa’, dat kennelijk een heel bijzonder computersysteem was, daar een rol in? Beschikte hij met behulp van Elsa over wegen om inlichtingen in te winnen, waar anderen niet aan konden komen? De beide brieven riepen alleen maar vragen op. Vragen die ik in de komende tijd zou moeten proberen te beantwoorden. Alexander Durby wilde de waarheid over iets op het spoor komen en wraak nemen of gerechtigheid doen. Sir Marcus was ergens bang voor, en waarschijnlijk terecht, want hij wist kennelijk bepaalde details over het verleden van Alexander Durby. En een deel van al die kennis lag verborgen in een archief op Overstone Island. Daar moest ik toegang toe zien te krijgen. Zou Dorothy mij daarvoor de sleutel geven? In een aparte envelop, die met een paperclip aan de eenvoudige kaart van Overstone Island was vastgemaakt, vond ik een paar foto’s van het landgoed en de verschillende gebouwen op het eiland. Op basis daarvan kwam ik iets meer te weten over de plek waarnaar ik op reis was. Het Zwarte Huis leek op de ruïne van een middeleeuws gebouw in de vorm van een zeshoekige ster. Het leek op een kasteel hoog op de rotsen op het uiterste puntje van Overstone Island. Het rotseiland lag in een smalle baai, in het uiterste noordoosten van Schotland. Overstone Island lag circa 200 meter uit de kust en bestond uit een langgerekte en deels beboste bergrug van ongeveer 10 kilometer lang en een kilometer breed. De vorm van het eiland deed denken aan een wespenlichaam, een groot langwerpig achterdeel, een insnoering halverwege en een klein rond voordeel dat vrij uitzicht gaf op de Atlantische Oceaan. De twee delen van Overstone Island waren verbonden door een natuurlijke landbrug waaronder het zeewater kolkte. De meest zuidelijke punt van het eiland, zeg maar het achterlijf van de wesp, lag op ongeveer 200 meter van een vooruitgeschoven landtong verwijderd. De huizen op dat deel van het eiland maakten deel uit van het dorpje Overstone. Op de kaart wa63

ren ruïnes van een brug ingetekend, maar van een vaste verbinding tussen het eiland en het vaste land was kennelijk geen sprake meer. Op de kaart waren aan de landzijde en aan de kant van het eiland aanlegsteigers te herkennen. Op het grootste en meest zuidelijke deel van Overstone Eiland lag, op zo’n 4 kilometer vanaf de landingsplaats voor de boot, achter een hoge muur en aan het einde van een weg die zigzaggend omhoog voerde, Overstone Hall. De kaart liet zien dat een muur het landgoed scheidde van het deel van het dorpje Overstone dat op het eiland lag. De rest van het dorp lag op het vaste land. Ik nam aan dat er in het verleden een brugverbinding tussen het eiland en het vaste land was geweest, waardoor het stadje Overstone dat kennelijk nu uit twee door het water gescheiden delen bestond, één geheel vormde. Dat de brug ruim 20 jaar geleden door een dramatische bomaanslag opgeblazen was en uit respect voor de slachtoffers van de aanslag nooit meer opgebouwd, zou ik nog ontdekken. Achter de muur op het eiland waren op de kaart vier gebouwen ingetekend. Een groot gebouw dat blijkens een bijgevoegde foto twee verdiepingen telde en opgetrokken was uit grijs graniet in een soort bouwstijl die typisch is voor tal van Schotse en Engelse landhuizen uit de achttiende eeuw. Het was op de kaart gemarkeerd als ‘Overstone Hall’. Ervoor was een groot, naar de rand van het eiland aflopend gazon aangelegd. Op een foto zag ik dat op het gazon her en der beelden en andere kunstwerken waren neergezet. Zo te zien hield het gras van het gazon op waar de kust enkele tientallen meter steil omlaag de smalle baai in viel. Vanaf een poort in de muur liep een slingerende weg naar de achterzijde van ‘Overstone Hall’, waar zich de relatief bescheiden ingang bevond. De voorzijde van het huis bood uitzicht over de baai en de oceaan links en meer naar rechts over de kustlijn van het vasteland met op de uiterste punt de vuurtoren van Overstone en aan de voet ervan de ruim bemeten 18 holes Overstone golfcourse. Aan de rand van het grote gazon, op ruim 100 meter van het grote landhuis verwijderd, verscholen achter en hoge heg, stond een klein riet gedekt huisje te midden van – ook van dit huisje was een foto aanwezig – een weelderig aandoende tuin. Het was gemarkeerd als het ‘Kleine Huis’. Verder naar het noorden, langs de weg die over het eiland naar de smalle verbinding tussen de twee delen en verder liep, was nog een tweede huis ingetekend met de naam het ‘Witte Huis’. Daar was kennelijk het archief van Sir Marcus Overstone of zelfs het hele archief van Overstone Hall ondergebracht. Op de verste punt van het kleinere deel van Overstone Eiland lag de ruïne die op de kaart de naam ‘Zwarte Huis’ droeg. De ruïne van het huis lag, hoog op een rotsklip, uitkijkend over de oceaan, terwijl de golven tegen de rotsen diep onder haar fundamenten beukten. Naast het Zwarte Huis waren een botenhuis en een schuur ingetekend. Vanaf het botenhuis liep er een in de rotsen uitgehouwen trap omlaag naar een kleine aanlegsteiger. Pas veel later zou ik ontdekken dat zich aan de voet van de trap niet alleen een aanlegsteiger bevond, maar ook een grote natuurlijke grot waarin met gemak een jacht afgemeerd kon worden. En ik zou nog ontdekken, dat in de grot, op een 64

zonder een ladder onbereikbare hoogte, twee zware stalen deuren waren aangebracht die naar zoiets als het inwendige van Overstone Island leidden. Ergens onder of in de ruïne stond Elsa op mij te wachten. Het eenzame Zwarte Huis zou mijn werkplek voor de komende maanden zijn. Vanaf het Zwarte Huis had je een onbelemmerd uitzicht over de Atlantische Oceaan, waar iets naar het westen, onzichtbaar achter de horizon, de Orkney eilanden en de Shetland eilanden lagen en verder naar het noordwesten de Faröer eilanden. Het Zwarte Huis behoorde tot de meest noordelijke, bewoonde plekken van het vaste land van Schotland. Wie in het Zwarte Huis zat kon zich overgeleverd voelen aan de elementen. Verder dan hier kwam je niet. Hier was het land ten einde. Ik deed de foto’s en het kaartje weer in de enveloppe en leunde achterover. Zo zag mijn toekomstige biotoop er dus uit. Ik wist niet of ik het mooi vond of niet. Ik voelde er nog niets bij. Teveel vragen waren er nog. Vragen waarop ik eerst antwoorden wilde hebben. Maar ik betwijfelde of ik die zou krijgen. Er school in de hele opdracht teveel geheimzinnigheid. Dat kon geen toeval zijn. Ik moest op mijn hoede blijven. Het dikke zwarte schrift van Alexander Durby leek de enige echt bruikbare informatie te bevatten. Het was gevuld met lange teksten in een klein, moeilijk leesbaar handschrift. Aan de structuur van de pagina’s kon ik afleiden dat het een soort dagboek moest zijn. Al lezend ontdekte ik dat het meer was dan dat. Het bevatte behalve getuigenissen en dagboekaantekeningen ook een grote hoeveelheid versleutelde aanwijzingen over de toegang tot ‘Elsa’. Ik bladerde er in en las hier en daar een fragment. Maar die riepen weer nieuwe vragen op. Wat mij meteen opviel was het ontbreken van data bij de aantekeningen. Ik vond geen enkele aantekeningen ten aanzien van waar en wanneer een notitie was gemaakt. Vreemd voor een dagboek. Of was het helemaal geen dagboek en hadden de teksten een heel andere bedoeling? Een bedoeling die ik eerst moest ontdekken vóór dat ik de inhoud kon begrijpen? Ik keek zonder te lezen naar het regelmatige handschrift. Het schrift was te regelmatig om over jaren te zijn geschreven. Ik bladerde van achter naar voor en ontdekte dat het handschrift zich in wezen helemaal niet ontwikkeld had. Het leek in relatief korte tijd te zijn neergeschreven. Er zat in het schrift geen duidelijke ontwikkeling. Was het een kopie van een ander handschrift? En waarom was het dan overgeschreven? Waar was het origineel gebleven? Bestond dat nog? Of lag dat als een back-up ergens veilig te wachten? Nog meer vragen. Elke poging wegwijs te worden in het materiaal stuitte op nieuwe vragen en meer onduidelijkheid. Ik voelde hoe ik langzaam meegezogen werd in een verhaal, waarvan ik de afloop niet kende. Dat beviel mij niet. Maar het maakte mij ook nieuwsgierig. En bij een journalist wint meestal de nieuwsgierigheid. Ik begon willekeurige fragmenten te lezen. Ik begreep er niet veel van. Meer dan een eerste algemene indruk van de inhoud hield ik er niet aan over. Maar het was in elk geval een begin.

65

(…) Dorothy, Elsa en Jason willen mij iets vertellen. Ze hebben de geheime code gebruikt om Dorothy en mij te laten weten dat we elkaar vanavond moeten zien. Ons geheime systeem lijkt te werken. Niemand mag van onze plannen afweten, nog niet. De concurrentie is sterk en Overstone GeoResearch heeft twee uitstekende troeven in handen die ik niet wil verspelen. Dorothy vertelde dat ze vanavond wilden uitvaren om verder te praten. Ik zal niet mee kunnen. De opdracht moet klaar. Ze zitten er in Australië op te wachten. Nog twee essentiële proeven en dan het schrijfwerk. Het ziet er goed uit! (…) Ze zijn niet teruggekeerd van hun boottocht. Al twee weken niet. Ik ben radeloos. Little Dorothy roept aanhoudend om haar mama. Waar is Dorothy? Waarom krijg ik geen informatie? De politie houdt mij aan het lijntje. Waarom? Heeft het met het vuurwerk – of wat het dan ook was – te maken dat ik heb gezien? Was de ‘Princess’ daar wel bij betrokken? Ik kan er niet meer tegen. Ik moet weten wat er met Dorothy en met Elsa en Jason is gebeurd. Dat de Princess verdwenen is interesseert mij niet. Als Dorothy maar terugkomt! (…) Hebben ze vanaf de boot iets gezien dat ze niet mochten zien? Hebben ze een geheim ontdekt dat zo groot is dat ze niet verder mochten leven? Zou dat de sleutel zijn tot het begrijpen van hun dood? Welk geheim? Maar in wezen weet ik nog helemaal niet dat ze dood is. Zelfs Vader kan niets te weten komen. Het heeft iets met de nationale veiligheid te maken zegt hij. Meer weet hij ook niet. Nationale Veiligheid. Hij zei het bijna met hoofdletters. Wat een onzin. (…) Dit is het einde! Nu weet ik het ook niet meer. Ik weet alleen dat ik onschuldig ben. Maar hoe moet ik dat bewijzen? Ik was niet op de boot. Ik ben helemaal niet meegegaan. De schijn lijkt tegen mij, maar waarom? Ik heb mijn vrouw meteen als vermist opgegeven, maar de aantekening van de agent is verdwenen. De agent zegt dat hij de Coast Guard heeft ingeschakeld, maar die heeft kennelijk niets ondernomen. Ik moest maar rustig afwachten. Welk wreed spel wordt hier gespeeld? Wie heeft er met de bewijzen gerommeld? Ik weet zeker dat de gasflessen niet aan boord waren. Maar ik kan het niet bewijzen. Waar zijn ze gebleven? Wie heeft ze weggehaald en wie heeft geprobeerd de loods in brand te steken? Mijn god, hoe ben ik hierin verzeild geraakt. (...) De cel is te klein. Ik moet hier weg. Is er een mogelijkheid te ontsnappen? Ik heb geen schijn van kans. Ik moet proberen contact te krijgen met dove Harry. Die kan mij helpen. En met Marcus en vader. De bewijzen tegen mij lijken zo massief. Ik ga er bijna zelf in geloven. Maar waarom beschuldigen ze mij? Ik had ook op de boot zullen zijn? De opdracht waar ik aan werkte, heeft die er iets mee te maken? Ik had dood moeten zijn? Waarom zij wel en ik niet? (…) Ze hebben over de inlichtingendienst gepraat. Of de Dienst erbij betrokken is? Zitten zij erachter? Ze zeggen dat het om een staatsgeheim gaat? Ik weet van niets. Ik begrijp het niet. Ze hebben het over de Cambridge Seven. Het waren er toch maar vijf? Of zes? Maar geen zeven! De naam van John Cairncross valt. Ze spraken over de vriend van Alan Turing. Welke vriend. Turing is al jaren dood. Zelfmoord omdat hij homo was. Ik weet dat de Cambridge Five een groepje Sovjet spionnen was. Was er een zesde of zelfs een onbekende zevende? Maar wat heeft Turing daarmee te maken? Hij was geen spion, voor zover ik weet. Er is sprake van een geheimzinnige zevende, een vrouw? Nee, Turing was homo. Het moet dus om een man gaan. Begrijp ik het 66

goed? Maar wat hebben wij daarmee te maken? Hebben Dorothy, Elsa en Jason daarover iets ontdekt dat te gevaarlijk was om bekend te worden? Wilden zij daarover met mij spreken? (…) Ik las verder, nog niet begrijpend, maar de woorden Bletchly Park, GCHQ, MI5, MI6 en Cambridge Five stellen mij niet gerust. Ik heb nooit begrepen dat er een zesde of een zevende, laat staan een vrouw betrokken was bij dit grootste Britse spionagegeval ooit. Ik bladerde verder en las allerlei gegevens over het Overstone Archief. Ik begreep dat het zich in een apart deel van de kelder van het Witte Huis bevindt. En in een werkkamer, in stalen kasten. Uit enkele passages begreep ik ook dat de ruïne van het Zwarte Huis of een botenloods er vlakbij een cruciale rol heeft gespeeld in het drama waarvan ik de omvang en de reikwijdte nog niet begreep. Ik besloot het schrift voorlopig op te bergen en er de komende dagen systematischer mee aan de slag te gaan. Ik deed alle papieren weer in de envelop, stopte de envelop in mijn fotorugzak en ging weer op bed liggen, terwijl de boot langzaam de haven van Harwich naderde. Ik was te moe om te ontbijten en besloot zonder ontbijt in de trein naar London te stappen. Ruim een uur later zat ik alleen in een eerste klas coupe van de boottrein naar London Liverpool Street Station. Ik kocht op het station een paar sandwiches en een blikje cola. Vervolgens liep ik naar de taxistandplaats en nam een taxi naar Euston Station. Daar nam ik de trein van 10.28 naar Luton Airport Station. De rit daarheen ging vlot. Ik at mijn vier sandwiches en dronk mijn cola. Ik keek uit het raam, maar mijn gedachten waren elders. Bij Dorothy en op Overstone Island. Bij de vreemde opdracht waarin ik verzeild was geraakt en die mij meer en meer begon te intrigeren. Zodra de trein London had verlaten, gleed ik door landschappen en schilderachtige dorpjes die soms ontworpen leken volgens de schilderijen van John Constable. Ik leunde achterover, keek uit het raam en liet de film van het landschap aan mij voorbijtrekken en mijn gedachten de vrije loop. Ik dommelde weg in een droomloze slaap. Kort voor Luton Airport Station werd ik door de conducteur gewekt. Bij de uitgang van het station van Luton Airport werd ik opgewacht door een jongeman die mij – ik weet nog steeds niet hoe – meteen herkende, mij vriendelijk begroette en zich als Jacob voorstelde. Hij nam mijn bagage van mij over en bracht mij naar een gereedstaande taxi. Hij reed via een omweg naar het vliegveld, niet naar de hoofdingang, maar direct naar een bijgebouw, waar de piloot van een klein privévliegtuig op mij wachtte. De piloot stelde zich voor als Gordon, Jacob laadde mijn tas en mijn fotorugzak in het kleine vliegtuig en na een paar korte formaliteiten kon ik instappen, startte de piloot zijn machine, steeg hij op en ging de reis verder naar het noorden. Ik zat alleen in het toestel. De piloot had mij gezegd dat ik voor mijn verzorging zelf moest zorgen. Onder de kleine bar naast mijn comfortabele stoel zat een koelkast die voldoende te drinken en te eten bevatte. Er was een magnetron om iets op te warmen. Ik kon gerust mijn gang gaan, had de piloot gezegd. 67

Maar wel graag zoveel mogelijk blijven zitten en mijn gordel vastmaken. Het weer was wat onstuimig, we zouden niet al te hoog vliegen en we zouden last kunnen krijgen van wat turbulenties. De vlucht zou ongeveer drie uur duren en we zouden in de middag aankomen. In Inverness zou ik verdere aanwijzingen krijgen. Ik maakte mijn stoelriem vast, leunde achterover en sloot mijn ogen. Er was niets te zien omdat een dik wolkendek het zicht belemmerde. Halverwege de vlucht werd ik gestoord in mijn mijmeringen door een turbulentie die het kleine vliegtuig heftig door elkaar schudde. Ik was blij dat ik in mijn stoel vastzat. De piloot informeerde even naar mijn welbevinden. Alles in orde! Ik warmde in de magnetron een Indiaas rijstgerecht op en genoot van de pittige kruiden. Ik dronk er een flesje goed gekoeld Fosters bier bij. Het viel mij op dat er Australisch bier in de bar zat, terwijl de Britten toch zelf voldoende bier produceerden. Dat Australië in de komende maanden een cruciale rol in mijn leven zou gaan spelen wist ik toen nog niet. Evenmin wist ik dat de piloot een ‘Aussie’ was. Ik had zijn accent eerder voor Schots door laten gaan. Wat niet helemaal fout was, want hij stamde uit Schotland. Dat de piloot jarenlang in Australië de rechterhand van Alexander en één van diens piloten geweest was, wist ik toen nog niet en dat hij ook voor mij van onschatbare waarde zou blijken was mij nog onbekend. In Inverness regende het. Gordon wist het toestel veilig aan de grond te zetten en taxiede in de richting van een auto die naast één van de hangars op het platform klaar stond. Toen het toestel stil stond en de motoren uitgeschakeld waren opende de piloot de deur en hielp mij met uitstappen. Het bleek al snel dat de luxe Range Rover met automaat de huurauto was, die voor mij klaar stond. De piloot overhandigde mij de sleutels en vertelde dat alle benodigde papieren in de map in het handschoenenvak lagen. Ik kreeg van hem een korte instructie over de bediening, vooral ook van de automaat en van de manier om de vierwielaandrijving bij te schakelen. Toen kon ik vertrekken. Een opengevouwen kaart en een routebeschrijving op de stoel van de bijrijder maakten het mij makkelijk om mijn weg te vinden. Voor ik wegreed bekeek ik de routebeschrijving en de kaart. Het bleek dat ik eerst naar Fort Augustus moest, een klein stadje aan het Loch Ness. Daar zou ik verdere instructies krijgen. Omdat het al laat in de middag was en de afstand te groot om vandaag nog in Fort Augustus aan te komen, zou ik in Brackla aan het Loch Ness overnachten. Er was inderdaad voor alles gezorgd! Ik moest even wennen aan het links rijden, maar na enkele minuten bleek dat dit alleszins meeviel in een Schotse auto met het stuur aan de juiste kant. De automaat makte het mij nog makkelijker om aan het verkeer te wennen. Eenmaal buiten het terrein van het vliegveld voegde ik mij gemakkelijk in het overige verkeer in en zette koers in westelijke richting via de A96 richting Inverness. De weg voerde mij dwars door de stad via de A9 naar de A82 die ik in zuidwestelijke richting moest volgen om in Fort Augustus te komen. In Brackla, een twintigtal kilometers buiten Inverness stopte ik bij het Loch Ness Clansman Hotel aan de oever van Loch Ness. Ik at een eenvoudige avondmaaltijd in de bar en dronk er twee biertjes. Ik praatte even met 68

de barman over niets in het bijzonder, maakte een korte wandeling langs het Loch Ness waarin volgens de onbewezen verhalen een voorhistorisch monster, Nessie, huist, maar besloot uiteindelijk toch vroeg naar bed te gaan. (...) Einde fragment Het Overstone Incident

Het boek is verkrijgbaar in de boekhandel (ISBN 978-90-815587-1-6) of als e-book (ISBN 978-90-815587-2-3) www.skidiz.nl

69

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful