AURORA OF MORGENROOD IN OPGANG

(dat is: De wortel of moeder der filosofie, astrologie en theologie, naar de beschrijving der natuur.)

DOOR

JACOB BOEHME
INHOUDSOPGAVE Voorrede van de schrijver van dit boek aan de lezer. ...................................................................... 5 Hoofdstuk I: - Het onderzoek naar het Wezen der Godheid in de natuur; naar zijn beide hoedanigheden. .................................................................................................................... 18 - Over de hoedanigheid van de koude...................................................................... 20 - Over de hoedanigheid van de lucht en van het water............................................ 20 - Over de invloeden van de andere eigenschappen in de drie elementen, vuur, lucht en water. ...................................................................................................................... 21 Hoofdstuk II: - Handleiding, hoe men het goddelijke en het natuurlijke wezen beschouwen moet. .......................................................................................................................... 22 - Over de hoedanigheid der Zon. ........................................................................... 24 Hoofdstuk III: - Over de hooggebenedijde, triomferende, drie maal heilige Drievuldigheid, God de Vader, de Zoon, de Heilige :Geest, een Enig God......................................................................................................................... 28 - over God de Vader............................................................................................... 28 - over het wezen en de kenmerken des Vaders....................................................... 29 - over God de Zoon. ............................................................................................... 30 - over God, de Heilige Geest.................................................................................. 32 - over de Heilige Drievuldigheid. .......................................................................... 33 Hoofdstuk IV: - Over de schepping der heilige Engelen. Een aanwijzing of open poort des Hemels. .................................................................................................................................... 36

- Over de Goddelijke hoedanigheid. ...................................................................... 36 - Over de schepping der Engelen........................................................................... 39 Hoofdstuk V: - Over het stoffelijke lichaam, het wezen en de hoedanigheid van een Engel. ............................................................................................................................................. 41 - Over de hoedanigheid der Engelen. .................................................................... 43 Hoofdstuk VI: - Hoe Engel en Mens Gods Beeld en Gelijkenis kunnen zijn................................ 46 - Over de mond...................................................................................................... 47 - Over de zuivere en dankbare liefde van de Engelen jegens God. ...................... 49 Hoofdstuk VII: - Over de plaats, de woning, zowel als over de heerschappij der Engelen, zoals het in de beginne geweest is en zoals het worden zal............................................ 50 - Over de geboorte der Engelenkoningen en hoe zij geworden zijn. ................... 53 - Over de oorsprong en het geheimenis der dingen............................................. 53 Hoofdstuk VIII: - Over de hoedanigheid van een koninkrijk der Engelen.................................... 55 - Over de andere toestanden. ............................................................................... 57 - Over de derde hoedanigheid of toestand........................................................... 58 - Over de vierde hoedanigheid............................................................................. 59 - Het grote geheimenis van den Geest. ................................................................ 60 - Merk nu op: het einde van het natuurgebeuren in deze wereld......................... 61 - Over de vijfde hoedanigheid.............................................................................. 66 Hoofdstuk IX: - Over de lieflijke, vriendelijke en barmhartige Liefde Gods; het grote Hemelse en Goddelijke Geheimenis............................................................................................... 69 - Over de liefde, zaligheid en eensgezindheid dezer vijf bronnen Gods. ............. 72 Hoofdstuk X: - Over de zesde oergeest in de goddelijke kracht................................................. 75

Hoofdstuk XI: - Over de zevende oerbron in de Goddelijke kracht. ........................................... 83 - De heilige poorten. ............................................................................................ 85 - Wat is het voordeel ervan, een Christen te zijn? ............................................... 86 - Van de Goddelijke en Hemelse natuur, werking en eigenschappen.................. 88 Hoofdstuk XII: - Over de geboorte der Heilige Engelen. Over de heerschappij en ordening der Engelen en over het Hemelse vreugdeleven............................................................. 93 - Over de vreugde der Engelen. ........................................................................... 95 - Over de Hemelse verrukking van de drie koninkrijken der Engelen................. 98 - Over de koninklijke voorrang of het gezag der drie Engelenkoningen.......................................................................................................................... 101 - Over de grote heerlijkheid en schoonheid der drie Engelenkoningen. Over den Koning of Grootvorst Michaël. .................................................................................... 102 - Over de andere koning, thans Lucifer genaamd, terzake van zijn val............. 103 - Over zijn totstandkoming................................................................................. 104 - Over de derde Engelenkoning, Uriël genaamd. .............................................. 105 - Over de wonderlijke verhoudingen, veranderingen en het in beweging zijn der hoedanigheden in de Hemelse natuur. ........................................................... 105

Hoofdstuk XIII: - Over de verschrikkelijke, bedroevende en ellendige val van het Koninkrijk van Lucifer. ................................................................................................................ 107 - Over de heerlijke geboorte en de schoonheid van de koning Lucifer. ......................................................................................................................................... 114 - Over het verschrikkelijke hovaardige en droevige begin van de Zonde............................................................................................................................................ 115 - De oerbronnen der zonde. ............................................................................. 116 Hoofdstuk XIV: - Hoe Lucifer, de schoonste Engel in de Hemel, de vreselijkste duivel geworden is. ................................................................................................................................. 117 - De wonderlijke openbaring. ........................................................................... 120 - Van de val van al de Engelen van Lucifer. ..................................................... 120 - Over de grote zonde en de afkeer en eeuwige vijandschap van Koning Lucifer met zijn heerscharen jegens God........................................................................ 121 - Over de eerste gestalten of vormen. ............................................................... 122 - Over de andere gestalten of de geest van de zonde-oorsprong in Lucifer. ......................................................................................................................................... 125 Hoofdstuk XV................................................. 127: - Over de derde gestalte der zonde in Lucifer. - Over de vierde verschijningsvorm of gestalte in Lucifer................................ 130 - Over de vijfde gestalte van het zondebeginsel in Lucifer en zijn Engelen. ............................................................................................................. 132 - Over de zesde gestalte of verschijningsvorm van het zondebeginsel in Lucifer en zijn Engelen. ................................................................................. 133 Hoofdstuk XVI: - Over de zevende gestalte of verschijningsvorm van het zondebeginsel Lucifer en zijn Engelen......................................................................................... 136 - Over de verschrikkelijke en ellendige vernietiging van Lucifer in de zevende natuurgeest. Het treurhuis des doods................................................... 138 - Over het ontsteken van het vuur des toorns.................................................... 141 - Over de eerste zoon: de hovaardij.................................................................. 143 - Over de tweede zoon: de begeerte.................................................................. 143 - De derde zoon is de nijd, de afgunst............................................................... 143 - De vierde zoon is de toorn.............................................................................. 144 - Het uiteindelijke oordeel. ............................................................................... 144 - Over de strijd en de verstoting van deze koning Lucifer en zijn Engelen. ............................................................................................................. 144 Hoofdstuk XVII: - Over de droevige en ellendige toestand der verdorven natuur en de oorsprong der vier elementen, in de plaats van de Heilige Godsregering. ............................ 146 Hoofdstuk XVIII: - ................ 149Over de schepping der Hemelen en der aarde en de eerste dag. - Over de derde geboorte. ............................................................................... 152 - Over de schepping van het Licht in deze wereld. ......................................... 156 Hoofdstuk XIX: - Over de Hemel en de gestalte der aarde en van het water, over het licht en de duisternis over de Hemel...................................................................................... 160 - Over de gestalte der aarde. .......................................................................... 166 - Over de dag en de nacht. .............................................................................. 168 - Over de dag. ................................................................................................. 169

12

14

- Over de nacht................................................................................................ 172 Hoofdstuk XX: - Over de tweede dag..................................................................................... 173 - De poorten van het geheimenis. ................................................................... 176 - De poorten der Godheid ............................................................................... 177 - De heilige poorten. ....................................................................................... 179 - Over de derde dag. ...................................................................................... 181 - De vreugdevolle poorten der mensen. .......................................................... 184 - De poorten der kracht................................................................................... 185 - De open poorten der aarde........................................................................... 186 - Over de zeven geesten Gods en hunne werking in de aarde. ....................... 187

Hoofdstuk XXI:

Hoofdstuk XXII: - Over het ontstaan der sterren en over de schepping van de vierde dag................................................................................................................................................ 192 - Van de aarde................................................................................................. 198 - De gewassen der aarde................................................................................. 199 - Van de metalen in de aarde. ......................................................................... 199 Hoofdstuk XXIII..................................................................... 202: - Van de diepte boven de aarde. - Van de siderische geboorte en Gods geboorte. ............................................ 203 - De poorten van de Heilige Drievuldigheid................................................... 208 - Van de grote eenvoud Gods.......................................................................... 209 - Van de aangestoken natuur. ......................................................................... 212 Hoofdstuk XXIV: - Van het samenstellen der sterren................................................................ 212 Hoofdstuk XXV: - Van het gehele sterrenlichaam, dat is de gehele astrologie of het gehele lichaam dezer wereld........................................................................................................ 220 - Van de aansteking van het hart of het leven dezer wereld. .......................... 223 - De voornaamste grondslag van de zon en de planeten. ............................... 224 - Van de planeet Mars..................................................................................... 227 - Van de planeet Jupiter.................................................................................. 228 Hoofdstuk XXVI: - Van de planeet Saturnus. ............................................................................ 231 - Van de planeet Venus. .................................................................................. 232 - De poort der liefde........................................................................................ 233 - Over de planeet Mercurius. .......................................................................... 234 - Het centrum of de cirkel van de geboorte des levens. De grote diepte................................................................................................................ 234 - Van de mensen en de sterren. ....................................................................... 237 - De toegang tot het grote geheimenis. ........................................................... 237 - Uit de Salniter, uit de natuurgeesten. ........................................................... 238 - De diepte in 't centrum.................................................................................. 239

20

Voorrede van de schrijver van dit boek aan de lezer. Waarde lezer, ik vergelijk de gehele filosofie, astrologie en theologie

tezamen met haar moeder met een kostelijke boom, die in een lusthof groeit. Nu geeft de aarde, waarin de boom geplant is, aan de boom altijd het sap, waaraan de boom zijn levenskrachten dankt; de boom op zich zelf namelijk groeit van het sap van de aarde en wordt groot en breidt zich uit met zijn takken. Zoals nu de aarde met haar kracht-aan-de-boom arbeidt, zodat hij groeit en toeneemt, zo arbeidt de boom steeds met zijn takken, met zijn ganse vermogen, zodat hij altijd veel goede vruchten moge voortbrengen. Wanneer echter de boom weinig vruchten voortbrengt, daarbij zeer kleine, vol met maden en wormstekig, dan ligt de schuld niet bij de boom, alsof hij met een vooropgezette bedoeling begeren zou slechte vruchten voort te brengen, want hij is een kostelijke boom van een goede soort, maar de schuld is hieraan te wijten, dat dikwijls grote koude, hitte, meeldauw, rupsen of ongedierte hem belagen. Nu heeft de boom echter deze eigenaardigheid, dat hij, naar gelang hij groter en ouder wordt, zoetere vruchten voortbrengt. In zijn jeugd draagt hij weinig vruchten, want dat maakt de ruwe en wilde bodemgesteldheid en het overtollige vocht in de boom onmogelijk en al bloeit hij ook, zo vallen toch gedurende de groeitijd zijn vruchten voor 't merendeel af, wanneer hij namelijk in een goede akker geplant is. Nu heeft de boom ook een goede kwaliteit, hij is zoet. Tegenovergesteld daaraan heeft hij ook drie andere kwaliteiten, als: bitter, zuur en wrang. Zoals de boom nu is, zo worden óók zijn vruchten, als de zon ze beschijnt en zoet maakt, zodat zij een lieflijke smaak verkrijgen, al moeten zijn vruchten bestand zijn tegen regen, wind en onweer. Wanneer evenwel de boom oud wordt, zodat zijn takken verdorren en het sap niet meer omhoog trekt, dan groeien onder aan de stam veel groene twijgjes, ook op de wortel, en herinneren de oude boom er aan, dat hij ook een mooi groen twijgje en boompje geweest is en nu toch zo oud is geworden Want de natuur of het sap verweert zich hiertegen, totdat de stam geheel is verdroogd; dan wordt hij afgehouwen en in het vuur verbrand. Merk dan op, wat ik met deze vergelijking heb aangeduid. De tuin, waarin deze boom staat is de wereld, de akker is de natuur, de stam van de boom zijn de sterren, de takken zijn de elementen, de vruchten, die aan de boom groeien, zijn de mensen, het sap in de boom de zuivere goddelijkheid. Nu zijn de mensen uit de natuur, de sterren en de elementen geschapen. God, de Schepper echter, beheerst alles, zoals het sap de gehele boom beheerst. Maar de natuur heeft twee hoedanigheden in zich tot aan de oordeelsdag: een lieflijke, Hemelse en heilige en een grimmige, helse en versmachtende. Nu werkt de goede eigenschap altijd met grote ijver, zodat zij goede

vruchten voortbrengt; de Heilige Geest beheerst haar en geeft bovendien kracht en leven. De verkeerde eigenschap werkt ook volijverig, zodat zij altijd boze vruchten voortbrengt; de duivel geeft haar voor dat doel het helse vuur. Nu zijn deze twee de natuurlijke eigenschappen van de boom en de mensen zijn uit de boom gemaakt en leven in deze wereld in deze tuin temidden van deze twee in groot gevaar en op hen valt beurtelings zonneschijn, regen, wind en sneeuw. Dat wil zeggen: als de mens zijn ziel opheft tot God, dan ontspringt en werkt in hem de Heilige Geest; wanneer hij echter zijn geest in deze wereld laat ondergaan, in de lust tot het boze, dan ontspringt en heerst in hem de duivel en het helse vuur. Zoals de vrucht aan de boom wormstekig wordt, als de vorst, de hitte en de meeldauw hem bewerken, zodat hij gemakkelijk afvalt en bederft, zo is het ook met de mens, wanneer hij de duivel met zijn vergif in hem laat heersen. Zoals nu in de natuur het goede en het kwade ontstaat en heerst, evenzo is het ook met de mens. Maar de mens is het kind van God, die God uit het beste, wat er in de natuur is, gemaakt heeft, ten einde het goede te doen en het kwade te overwinnen; al kan hij van het kwade niet los komen, evenals in de natuur het goede en het kwade met elkaar verbonden zijn. Noch kan hij het kwade overwinnen, wanneer hij zijn geest verheft tot God; dan ontspringt in hem de Heilige Geest en helpt hem zegevieren. Zoals het goede in de natuur kan zegevieren over het boze, omdat het goede uit God is, en de Heilige Geest het beheerst, evenzo zegeviert het kwade in de boosaardige ziel, want de duivel is een machtig heerser in het rijk van het kwade en hij blijft er altijd koning. De mens echter heeft zich zelf in de zonde gebracht door de val van Adam en Eva, zodat het kwade hem aanhangt; als dit niet zo was, zou alleen het goede in hem ontspringen en alleen dát zou zijn streven zijn. Nu evenwel werken zij beide in hem en het is er mee gesteld, zoals Paulus zegt: “Weet gij niet, dat wien gij u zelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt dergenen die gij gehoorzaamt of der zonde tot de dood of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid.” Daar nu echter beide in de mens werken, zo kan hij zich werpen op wat hij wil, want hij leeft in deze wereld tussen deze beide in en het boze en het goede is beide in hem; hij wordt aangedaan met heilige of met duivelse kracht. Want Christus zegt: “Mijn Vader wil de Heilige Geest geven aan die, die hem daarom bidden”. Lukas 11, 13. Zo heeft God ook de mens geboden het goede te doen en het kwade na te laten en Hij laat nog dagelijks prediken en de mensen vermanen het goede te doen, opdat men zal erkennen dat God het kwade niet wil, maar wel, dat Zijn rijk kome en Zijn wil zal geschieden in de Hemel, als ook op de aarde. Daar nu echter de mens door de zonde is vergiftigd, zodat het boze zowel als

het goede in hem heerst en nu, half buiten het leven gesteld en vol onverstand, God zijn Schepper, evenals de natuur en haar werking, niet meer wil erkennen, zo heeft de natuur van de aanvang af tot op heden zich volijverig geweerd: God heeft tot dat doel zijn Heilige Geest gegeven, zodat er overal wijze, heilige en verstandige mensen geboren en bereid gemaakt worden, die de natuur, evenals God hun Schepper hebben leren erkennen en die steeds met hun geschriften en leringen een licht voor de wereld geweest zijn. Met hen heeft God zijn kerk op aarde gesticht tot Zijn eeuwige lof; de duivel heeft daartegen gewoed en geraasd en menige edele twijg vernield door de boosheid in de natuur, welker koning en God hij is. Terwijl nu de natuur dikwijls een geleerd, verstandig mens toegerust heeft met edele gaven, zo heeft de satan zich er volijverig op toegelegd, de mens te verleiden in vleselijke lusten, geldzucht en macht. Daarmede heeft de duivel in hem geheerst en de boze kwaliteit heeft de goede overheerst en uit 's mensen verstand, zijn kunst, zijn wijsheid, zijn ketterij en dwaling voortgekomen, die de waarheid bespotten en grote vergissingen op aarde aangericht hebben en de duivel is hun aanvoerder geweest. Want de kwade hoedanigheid in de natuur heeft van den beginne af aan nog altijd met de goede geworsteld en zich omhoog gewerkt en menige edele vrucht in het moederlichaam vernietigd, wat duidelijk voor de eerste maal te zien is bij Kaïn en Abel, die uit één moederlichaam zijn voortgekomen. Kaïn was, van de moederschoot af aan, één die God verachtte en hoogmoedig was; Abel daarentegen een deemoedig, godvruchtig mens. Zo ziet men het evenzo bij de drie zonen van Noach, zo ook bij Abraham met Israël en Ismael, in het bijzonder echter bij Israël met Ezau en Jacob. Daarom zegt God ook “Jacob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat.” Dit is niets anders, dan dat beide eigenschappen in de natuur hevig met elkander hebben geworsteld. Want wanneer God in de natuur terzelfder tijd werkt en Hij wil zich aan de wereld openbaren door de vrome Abraham, Izaak en Jacob en Hij wil Zijn kerk op aarde stichten tot Zijn glorie en heerlijkheid, zo werkt in de natuur ook mede de boosheid en haar aanvoerder Lucifer. Wijl nu in de mens het boze en het goede was, zo konden beide eigenschappen in hem regeren; daarom werd een slecht en een goed mens in één moeder tegelijk geboren. Zo is het ook in de aanvang aller dingen, evenals in deze, onze tijd, duidelijk te zien, dat het Hemelse en het duivelse in de natuur steeds en allerwege met elkander geworsteld hebben en gezwoegd, als een vrouw in barensnood. Bij Adam en Eva is dat het duidelijkst te zien, want er groeide in het Paradijs een boom des goeds en des kwaads, dus van beide eigenschappen. Adam en Eva moesten beproefd worden, of ze leven konden uit het goede op de wijze zoals Engelen leven. Want de Schepper ver

bood Adam en Eva van de vrucht te eten. Maar de boze eigenschap in de natuur worstelde met de goede en bracht Adam en Eva er toe, van beide te eten. Daarom verkregen ze ook op dat zelfde ogenblik de dierlijke gestalte en vorm en aten van het boze en van het goede en zij moesten zich op dierlijke wijze vermenigvuldigen en 'leven en menige edele twijg, die uit hen werd geboren, werd vernietigd. Hieruit ziet men, hoe God in de natuur heeft gearbeid, toen de heilige vaderen in de aanvang geboren werden, zoals Abel, Seth, Enos, Henau, Mahalaleel, Jared, Henoch, Methusalem, Sanech en de heilige Noach; zij hebben aan de wereld de naam des Heren verkondigd en boete gepredikt, want de Heilige Geest heeft in hen gewerkt. Daartegenover staat, dat de duivelse geest ook in de natuur heeft gewerkt en spotters en verachters heeft doen geboren worden, eerstens Kaïn en zijn nakomelingen en het is met de mensen van de oude tijd gegaan als met een jonge boom, hij groeit, groent en bloeit wel maar brengt, wegens zijn wilde natuur, weinig goede vruchten voort. Zo gaf ook de natuur in de oude tijd weinig goede vruchten, al bloeide ze ook overdadig, want de Heilige Geest, die ook ditmaal in de natuur gewerkt had, zoals ook heden nog, kon er geen bezit van nemen. Daarom sprak God: “het berouwt mij, dat ik de mensen gemaakt heb” en liet alle vlees, dat op land leefde, sterven; de wortel en de stam bleven staan en God heeft de wilde boom bemest en toebereid, opdat hij betere vruchten zou dragen. Maar toen de boom weer groende, bracht hij wederom goede en slechte vruchten voort, nml. bij de zonen van Noach; er kwamen spoedig weer spotters en Godsverachters en er groeide nauwelijks één groene tak aan de boom, die heilige en goede vruchten voortbracht, de andere takken droegen wilde loten.

II. Toen God echter zag, dat het menselijke inzicht verduisterd was, stelde Hij de natuur nog eens te werk en toonde de mensen dat er in de natuur aanwezig was het boze en het goede, opdat zij het goede leren zouden en hij liet het vuur van de Hemel dalen en verbrandde Sodom en Gomorra, tot een afschrikwekkend voorbeeld voor de wereld. Toen evenwel de menselijke blindheid hand over hand toenam en zij zich niet door de Geest Gods wilden 'laten onderwijzen, zo gaf Hij hun wetten en leringen, waarin vastgelegd was, hoe zij zich gedragen moesten en hij bevestigde deze met wonderen en tekenen, opdat de erkenning van de waarachtige God niet zou worden uitgewist. Maar het licht wilde op deze wijze ook niet aan de dag treden, want de duisternis en de boosheid in de natuur verweerden zich en hun vorst regeerde oppermachtig. Toen echter de toorn der natuur op middelbare leeftijd kwam 'droeg hij verscheidene

sappige, zoete vruchten en begon te voorspellen, dat hij in het vervolg heerlijke vruchten zou dragen. Want toen werden de heilige profeten geboren, zij leerden en predikten over het licht, hetwelk in de toekomst de boosheid in de natuur zou overwinnen. Zo ging ook te midden van de heidenen een licht op, zodat zij de natuur en haar werking erkenden, hoewel dit nog niet het heilige licht was. Want de wilde natuur was nog niet overwonnen en licht en duisternis worstelden zo lang met elkander, totdat de zon opging en deze boom met haar warmte dwong, heerlijke, zoete vruchten te dragen, wel te verstaan, tot de Vorst des lichts ontsproot uit het hart van God en een mens in de natuur werd en worstelde in zijn menselijke lichaam, in de kracht van het goddelijk 'licht, te midden van de wilde natuur. Deze zelfde vorstelijke en koninklijke twijg groeide op en werd een boom en breidde zijn takken uit van het Oosten naar het Westen en omvatte de gehele natuur, worstelde en kampte met de boosheid, die in de natuur was en met zijn vorst, totdat hij overwon en triomfeerde als een koning der natuur en de koning der duisternis in zijn eigen huis gevangen nam. (Psalm 68). Toen dit gebeurde, groeide uit de koninklijke boom die in de natuur gegroeid was, veel duizenden kostelijke, frisse twijgjes, die alle de geur en de smaak van de koninklijke boom hadden. En hoewel regen, sneeuw, hagel en onweer hem niet gespaard bleven, zodat menig twijgje van de boom gerukt en kapot geslagen werd, groeiden er steeds weer nieuwe twijgjes. Maar deze takjes smaakten verrukkelijk zoet en vreugdevol, zodat noch mensen-, noch Engelentong het kan uitspreken, want ze bezaten grote kracht en deugdzaamheid; ze dienden tot gezondheid der blinde heidenen. De heiden, die van het twijgje van deze boom at, werd ontheven aan de wilde natuurdrift, waaruit hij geboren was, en werd een zoete twijg aan de kostelijke boom en groeide en droeg kostelijke vruchten, zoals de koninklijke boom. Daarom wendden vele heidenen zich naar de kostelijke boom, waar de kostelijke twijgen lagen, die de vorst der duisternis met zijn stormwinden had afgerukt; en de heiden, die aan deze afgerukte takjes rook, hij werd gezond en genezen van de wilde boosheid die hem ingeschapen was. Toen evenwel de vorst der duisternis zag, dat de heidenen de twijgjes afrukten en zijn grote schade en het verlies zag, zo hield hij op met de storm in de morgen en in de middag en plaatste een koopman onder de boom, die de takjes opraapte, die van de kostelijke boom afgevallen waren. En als dan de heidenen kwamen en vroegen naar de goede en krachtige twijgjes, dan bood de koopman hen aan om ze voor geld te verkopen, opdat hij rente van de boom zou hebben. Want dit eiste de vorst der duisternis van zijn koopman, omdat de boom in zijn land gegroeid was en zijn akker bedierf. Toen nu de heidenen zagen, dat de vruchten van de kostelijke boom te

koop waren, liepen zij in grote getale naar de koopman en kochten van de vruchten van de boom en men kwam ook uit verre streken om er van te kopen, ja van 't einde van de wereld. Toen nu de koopman zag, dat zijn waar zoveel waard was en ook iedereen zo welgevallig was, bedacht hij een list opdat hij voor zijn heer een grote som geld zou kunnen inzamelen en hij stuurde kooplieden naar alle landen en hij liet zijn waren te koop aanbieden en prijsde ze hoog. Maar hij vervalste de waren en verkocht andere vruchten inplaats van de goede, die niet aan de boom waren gegroeid, opdat de inkomsten van zijn heer maar groter zouden worden. De heidenen echter en alle volkeren, die op aarde woonden, waren allen uit de wilde boom geboren, die tegelijkertijd goed en kwaad was; daarom waren zij half blind en zagen de goede boom niet, die toch zijn takken uitstrekte van boven tot beneden, anders hadden zij de valse vruchten niet gekocht. Omdat zij echter de kostelijke boom niet kenden, die toch zijn takken over hen allen uitstrekte, zo liepen ze allen de kooplieden na en kochten vermengde, valse waren in plaats van goede en meenden dat zij gezond zouden maken. Omdat zij echter allen zozeer naar de goede boom verlangden, die toch over hen allen zich uitstrekte, zo werden velen van hen gezond door het grote verlangen, dat zij naar de boom hadden. Want de geur van de boom, die over hen zweefde, maakte hen gezond en genas hen van hunne boosheid. Toen nu de vorst der duisternis, die de bron is van woede, boosheid en verderf, zag dat de mensen gezond werden door de geur van de kostelijke boom, werd hij toornig en plantte tegen middernacht een wilde boom en liet uitroepen: dit is de boom des levens; wie daarvan eet wordt gezond en zal eeuwig leven. Want de plek waar de wilde boom groeide, was een wilde plaats en de volkeren hadden het ware goddelijke licht van de beginne af en ook nu nog niet gevonden; en de boom groeide op de berg van Hagear, in het huis van Israël de spotter. Daar echter van de boom gezegd werd, dat hij was de boom des levens, zo liepen de wilde volkeren naar de boom. Zij waren niet uit God geboren, maar uit de wilde natuur en zij hielden van de wilde boom en aten van zijn vruchten. En de boom groeide en werd groot en breidde zijn takken uit van dag in, dag uit, de boom evenwel had zijn oorsprong en wortel in de wilde natuur, die boos en goed was, evenzo waren ook zijn vruchten. Omdat echter de mensen van deze plaats allen uit de wilde natuur geboren waren, zo groeide de boom over hen allen heen en werd zo groot, dat hij met zijn takken reikte tot in het dierbare land onder de heilige boom. Dit was evenwel de oorzaak ervan, dat de wilde boom zo groot werd; de volkeren onder de goede boom liepen allen de kooplieden na, die de valse waren verkochten en zij aten van de boze vruchten, die ook èn boos èn goed waren, en meenden, dat ze daardoor gezond werden, en zij lieten de heilige, goede en krachtige boom maar steeds staan. In die tussentijd werden zij blind,

matter en zwakker, en konden niet verhinderen dat de wilde boom doorgroeide. Als zij niet de kooplieden met de valse vruchten waren nagelopen en hier niet van hadden gegeten, maar van de kostelijke vruchten hadden gegeten, dan zouden zij krachtig zijn geworden en de wilde boom tegengehouden hebben in zijn groei. Omdat zij nu de wilde natuur in hun beuzelarij naar hartelust vol huichelarij hoereerden, zo heerste ook de wilde natuur over hen en de wilde boom groeide hoog over hen heen en vernietigde hen met zijn wilde kracht. Want de vorst der duisternis gaf aan de boom zijn kracht en vernietigde de mensen, die van de wilde vruchten van de koopman aten. En daar ze de boom des levens in de steek lieten en hun eigen inzichten volgden, zoals moeder Eva in het paradijs, zo werd hun eigen karakter overheersend en raakten zij in zulk een grote dwaling, zoals Paulus bedoelt in 2 Thess. 2, 11. En de vorst der duisternis deed oorlog en stormwinden ontstaan en liet ze losbarsten over de volkeren die niet uit de kwade boom geboren waren en zij vielen in hun vermoeidheid en zwakheid door het onweer, dat van de wilde boom uitging. En de koopman onder de goede boom bedroog de volkeren dag in, dag uit en prees zijn waren zeer hoog en bedroog de eenvoudigen listig en de verstandigen maakte hij tot zijn kooplieden, zodat ook zij winst er bij hadden, tot hij het zover bracht, dat niemand de heilige boom meer goed zag en onderscheidde; hij werd het eigendom van het land en hij liet uitroepen: (2 Thess. 2) “Ik ben de stam van de goede boom en sta op de wortels van de goede boom en ik ben ingeënt in de boom des levens. Koop mijn vruchten, zo zult ge gezond worden en eeuwig leven. Ik ben uit de wortelen van de goede boom opgegroeid en ik heb de vruchten van de heilige boom in mijn macht en ik zit op de stoel van de goddelijke kracht en ik heb macht in Hemel en op aarde, komt tot mij, koopt voor geld van de vruchten des levens.” Toen liepen alle volkeren toe, kochten en aten, tot ze er aan ten gronde gingen. Alle koningen aten ten alle tijde van de vrucht van de koopman en leefden in grote onmacht, want de wilde boom overschaduwde hoe langer hoe meer en vernietigde hen gedurende een lange tijd. En er was een zo grote ellende op aarde, als :er sinds de wereld geschapen was, niet geweest was, maar de mensen meenden dat het een goede tijd was, zozeer was de koopman onder de boom verblind. Ten laatste echter klaagde de barmhartige God over des mensen ellende en verblindheid en stelde nog eenmaal de goede, heerlijke en goddelijke boom in werking, die de vrucht des levens droeg, toen groeide er een twijg dicht bij de wortel en deze werd groen en aan dit twijgje werd gegeven het sap en de geest van de boom en het was, alsof het met mensentong sprak en iedereen de kostelijke boom toonde en zijn stem weerklonk tot in verre landen. De bewoners kwamen toelopen om te zien, wat dat was. Toen werd hun getoond de kostelijke en deugdzame boom des levens, waarvan de

mensen in den beginne gegeten hadden en zij waren verlost. En zij verheugden zich zeer en aten van de boom des 'levens vol vreugde en werden verkwikt. En zij ontvingen nieuwe kracht en zongen een nieuw lied en werden verlost en haatten de koopman met zijn valse vruchten. Allen die hongerden en dorsten naar de boom des levens, kwamen, ookzij die, in de stof terneer zaten en zij aten van de heilige boom en werden gezond en verlost van hun boosheid en zij werden ingeënt in de boom des levens. Alleen de handlangers van de koopman en de huichelaars en zij die woekerwinst hadden gemaakt met hun valse waren en sommen hadden verzameld, kwamen niet, want zij waren in de woeker van de koopman ten onder gegaan en de dood gestorven, en zij leefden in de wilde natuur; en de angst en schande, die blootgelegd werden hield hen terug. Zij hadden met de koopman zo lang gehoereerd en de zielen van de mensen verleid, terwijl ze er zich toch op beroemden, dat ze in de boom des levens ingeplant waren en in goddelijke, heilige kracht leefden, maar ze verkochten de vruchten van de boom des levens. Omdat nu hun schande, bedrog, gierigheid en sluwheid openbaar werd, verstomden zij en schaamden zich inplaats van boete te doen voor hun gruweldaden en afgoderij en met de hongerigen en dorstigen naar de bronwel van het eeuwige leven te gaan. Daarom versmachtten zij ook van dorst en hun pijn verergerde van eeuwigheid tot eeuwigheid en hun geweten knaagde. Toen nu de koopman met de valse waren zag, dat zijn bedrog bekend was geworden werd hij zeer toornig en bevreesd, en richtte zich tegen het heilige volk, dat zijn waren niet meer kopen wilde en doodde er velen van het heilige volk en sprak wederom kwaad van de groene twijg, die uit de boom des levens was ontsproten, Maar de grootvorst Michael, die voor God staat, kwam en streed voor het heilige volk en overwon. Toen echter de vorst der duisternis zag dat zijn koopman was gevallen en dat zijn bedrog bekend was geworden, deed hij storm ontstaan tegen het heilige volk en de koopman woedde ook tegen hen; toen nam het heilige volk zeer toe, zoals het in de aanvang met de heilige en kostelijke boom ook was. Deze overwon de boosheid der natuur en haar aanvoerder. Toen nu de edele en heilige boom aan alle volken zich had geopenbaard, zodat zij zagen, hoe hij boven hen allen zweefde en zijn schoonheid aan hen allen gaf, en allen die wilden, van de vruchten liet eten, werd het volk oververzadigd van de vruchten, die aan de boom groeiden en begeerden van de wortel van de boom te eten; en de wijzen en verstandigen zochten de wortel en twistten er om. De strijd werd hevig, zo hevig, dat zij vergaten van de vruchten van de zoete boom te eten.

Maar het was hun niet om de wortel en niet om de boom te doen, de vorst der duisternis had iets anders in de zin. Omdat hij zag, dat zij niet meer van de goede boom eten wilden, maar twistten om de wortel, zag hij ook wel dat zij zeer moe en zwak werden en dat de wilde natuur wederom in hen heerste. Daarom gaf hij hun hoogmoed, zodat ieder voor zich meende, dat hij de wortel had en men hem moest eren en naar hem moest zien en luisteren. Toen bouwden zij zich paleizen en dienden in het geheim de mammon, “daardoor werden de oningewijden geërgerd”, en zij leefden naar de lusten huns vlezes, in begeerte naar de natuur en verzadigden zich; zij verlieten zich op de vruchten van de boom, die over hen al zijn takken uitbreidde, in de hoop dat ze, al waren ze nu al in het verderf geraakt, weer gezond mochten worden. En terzelfder tijd dienden zij de vorst der duisternis naar de wilde natuurdrift en de kostelijke boom stond daar maar te kijken en velen van hen leefden als de wilde dieren en leidden een slecht leven in hoogmoed, pracht en overvloed en de rijke verbruikte de arbeid en het zweet van de arme en verdrukte hem nog daarbij. Alle boze daden werden met geschenken goed gemaakt, een ieder jaagde naar veel geld en goed, was hoogmoedig, dwaalde en braste. De ellendige zag geen uitredding; schelden, vloeken en zweren werd niet tot zonde gerekend, zij wentelden zich in het boze als een zwijn in de modder. Zo deden de herders met de schapen en zij hielden niets meer over dan de naam van de boom; zijn vrucht, zijn kracht en leven moest de dekmantel voor hun zonden zijn. Alzo leefde de wereld in die tijd, uitgezonderd een kleine groep, die werd geboren temidden van de doornen; in grote tegenspoed en verachting leefden zij; zij werden gevonden onder alle volkeren der aarde, van Oost tot West. Daar was geen onderscheid, behalve dat kleine groepje, dat uitgered was uit alle volkeren. Zij leefden allen naar de wilde natuurdrift, in hun overmacht. Zoals het was vóór de zondvloed en vóór het ontstaan van de edele boom, zo was het in die tijd. Dat echter de mensen tenslotte zeer naar de wortel van de boom verlangden, is een geheimenis, een mysterie, en dat is voor de wijzen en verstandigen tot die tijd verborgen gebleven, evenals de edele boom met zijn kern altijd voor de wereldwijzen borgen is gebleven. Al meenden ze ook, dat ze iets heel bijzonders waren “zo is het toch maar als een lichte damp voor hun ogen geweest.” Dei edele boom evenwel heeft van de aanvang tot op heden volijverig in de natuur gearbeid, opdat hij aan alle volkeren, tongen en talen zou worden geopenbaard; daarentegen heeft de duivel in de wilde natuur geraasd en getierd en zich verweerd als een grimmige leeuw. Maar de edele boom bracht hoe langer hoe zoeter vruchten voort en openbaarde zich al meer en meer tegen het woeden en tieren van de Satan in, tot aan het einde;

toen brak het licht door. Want er ontsproot een groen twijgje aan de wortel van de edele boom en dit kreeg het sap en de levenskracht van de wortel en de geest van de boom werd hem gegeven, die de boom aan de mensen moest verklaren in zijn kracht en heerlijkheid. Toen dit gebeurde gingen in de natuur de beide deuren open, de erkenning van de beide hoedanigheden, het boze en het goede, en het Hemelse Jeruzalem werd geopenbaard aan alle mensen, evenals het rijk van de Satan. En het Licht scheen en de Stem klonk naar alle windstreken en de oneerlijke koopman werd ontmaskerd en die de zijnen waren haatten hem en doden hem. Toen dit gebeurde, verdorde ook de wilde boom tegen middernacht en het gehele volk zag de heilige boom in verre verten met verwondering aan. En de vorst der duisternis werd bekend en zijn geheimenissen ontdekt en de mensen op aarde zagen zijn schande en bespotting, want het was licht geworden. Maar het duurde slechts een korte tijd, daarna lieten de mensen het licht weer in de steek en leefden naar de lusten huns vlezes tot hun verderve; want evenzo als de poort des lichts was opengegaan, alzo ook de poort der duisternis en uit die beide gingen allerlei krachten en al wat daar binnen was. Zoals de mensen van de aanvang af geleefd hadden naar de wilde natuur en zich slechts naar het aardse hadden gericht, zo wilde het ook niet beter, maar wel erger worden. In dit tijdsgewricht werden dag in, dag uit veel hevige stormen ontketend; een grote waterstroom overspoelde de heilige boom en bedierf veel twijgen van de heilige boom en midden in de stroom werd het licht en de wilde boom verdorde tegen midder nacht. En de vorst der duisternis werd te midden van de grote beroering der natuur vertoornd; want de heilige boom verhief zich en werd ontstoken ter verheerlijking van de heilige, goddelijke majesteit en deed de boosheid van zich, die hem zo lange tijd was tegemoet getreden en die zo met hem geworsteld had. Evenzo verhief de boom der duisternis zich vol grimmigheid en verderf en toen hij ontstoken zou worden ging de vorst der duisternis met zijn legioenen heen om de edele vruchten van de goede boom te vernielen. En het was verschrikkelijk, zoals de vorst der duisternis woedde, het was, alsof men een zwaar onweer zag opkomen, dat zich met veel lichtflitsen en veel stormwinden gruwelijk en verschrikkelijk openbaarde, zodat men zich er over verbaasde. Daarentegen was het, waar de heilige boom des levens stond, zeer lieflijk, vreedzaam en vreugdevol, als in het Hemelse rijk der vreugden. Deze beide verhieven zich zodanig tegen elkander, dat de gehele natuur werd ontstoken, zowel het goede en het kwade in één ogenblik. En de boom des levens werd ontstoken naar zijn eigen aard met het vuur van den Heiligen Geest en hij brandde met het vuur van het Hemelse vreugdenrijk in onnaspeurlijke klaarheid en helderheid.

In dit vuur lieten zich alle stemmen horen die van eeuwigheid af er waren geweest en het licht van de heilige Drie-eenheid straalde van de boom des levens en vervulde de plaats waarop hij stond. En de boom des kwaads, die het andere deel van de natuur uitmaakte, werd ook aangestoken en hij brandde in het vuur van de goddelijke toorn met helse vlammen en de boze vlam steeg op, zonder einde en de vorst der duisternis met zijn legioenen bleef in de boosheid als in zijn eigen rijk. In dit vuur verging de aarde, de sterren en de elementen, want alles brandde tegelijk, elk in zijn eigen vuur, en alles werd ontbonden. Want het oude kwam in beweging, en alle krachten en alle schepselen en alles wat er bestond en de krachten van de Hemel, van de sterren en de elementen werden weder soepel en zij werden in dezelfde vorm gegoten, die ze voor de aanvang der schepping gehad hadden. Alleen de beide eigenschappen, goed en kwaad, die in de natuur verweven waren geweest, werden van elkander gescheiden en het boze werd aan de vorst der duisternis tot een eeuwigdurende woonplaats gegeven; dit heet de hel of verwerping. welke door het goede in eeuwigheid niet meer kan worden aangeraakt; een vergeten van al het goede en dat wel in alle eeuwigheid. De boom des eeuwigen levens stond in de goede aarde en hij vindt zijn oorsprong in de Heilige Drie-eenheid, en de Heilige Geest doorlicht hem. En alle mensen werden geboren uit Adam, de eerste mens, een ieder met zijn eigen kracht en met zijn eigen karakter. Die op aarde van de goede boom gegeten hadden, die Jezus Christus heet, in hen groeide de barmhartigheid Gods tot eeuwige vreugde; zij hadden de kracht tot het goede in zich en werden opgenomen in de goedheid en heiligheid Gods en zongen het lied van hun Bruidegom, een ieder met zijn eigen stem, al naar hij gevorderd was. Zij die echter in het licht der natuur en des geestes geboren waren en op aarde de boom des levens nooit recht erkend hadden, al waren zij in Zijn kracht gegroeid (de boom des levens overschaduwde alle mensen op aarde, zoals daar zijn vele heidenen en vele volkeren en onwaardigen), zij werden ook opgenomen in de kracht, waarin zij gegroeid waren en waarvan hun geest doordrongen was, en zij zongen het lied van de edele boom des eeuwigen levens; want een ieder werd geoordeeld naar de mate van zijn kracht. En de heilige natuur deed Hemelse vreugdevolle vruchten geboren worden. En de mensen, die nu aan de Engelen gelijk waren, aten, een ieder van de vrucht van zijn eigen kwaliteit en zongen het lied van God en het lied van de boom des eeuwige levens. En dat was als een heilig spel, een triomferende vreugde; want daartoe waren alle dingen in de aanvang door den Vader gemaakt, en dat blijft in eeuwigheid hetzelfde. Zij echter die gegroeid waren uit de kracht van de boom des worms, dat wil zeggen, die door het boze waren overwonnen en

verdord waren in hun zonden, zij werden opgenomen in het rijk der duisternis en hun koning heet Lucifer, een verstotene uit het Licht. En de helse macht bracht ook vruchten voort, zoals ook op aarde was geschied. Alleen was het goede van hen weggegaan, daarom bracht zij boze vruchten voort. En de mensen, die thans ook aan de geesten gelijk waren aten van deze vruchten, evenals ook de Satan; want zoals er onderscheid is tussen de mensen op aarde en zij niet allen van één hoedanigheid zijn, zo is het ook met de verstoten geesten, evenzo ook met de in Hemelse glorie vertoevende Engelen en mensen en dat duurt in eeuwigheid. Amen. Waarde lezer, dit is een korte uiteenzetting van de twee eigenschappen in de natuur, van de aanvang af tot aan het einde; men ziet, hoe daaruit twee rijken zijn ontstaan, een Hemels en een hels en hoe zij in deze tegenwoordige tijd tegen elkander strijden en hoe het in de toekomst met hen zal gaan. Nu heb ik echter dit boek genoemd: De Wortel of Moeder der filosofie, astrologie en theologie. Weet echter, waarover dit boek handelt. 1. De filosofie handelt over de goddelijke kracht; wat God is en hoe de natuur, sterren en elementen in het wezen Gods bestaan, vanwaar elk ding zijn oorsprong heeft; hoe de Hemel en de aarde zijn geschapen; ook Engelen, mensen en duivelen, evenals Hemel en hel, alsook al het geschapene; ook behandelt de filosofie de beide eigenschappen in de natuur, het inzicht in de geestelijke dingen, in verband met wat God ten opzichte hiervan bewerkstelligt. 2. De astrologie behandelt de krachten der natuur, der sterren en elementen en hoe uit hen alle schepselen zijn voortgekomen. Hoe deze krachten het Al voortstuwen, regeren en bewerken. Hoe het boze en het goede door hen in de mensen en dieren wordt neergelegd; gezegd wordt, dat deze krachten veroorzaken, dat het boze en het goede in deze wereld heersen en dat het Hemelse rijk, evenals de hel bestaan. Het ligt niet in mijn bedoeling, de loop, de plaats of de naam van alle sterren te beschrijven of hoe zij jaarlijks hun conjunctie of oppositie of quadraat hebben, hoeveel zij per jaar en per uur arbeiden; dit alles is na vele jaren bekend geworden bij wijze, verstandige mensen door vlijtig aanschouwen en opmerken; door diep denken en narekenen. Dit alles heb ik ook niet geleerd en bestudeerd en ik laat het de geleerden behandelen; mijn voornemen evenwel is naar de geest en het verstand te schrijven en niet naar de aanschouwing. 3. De theologie behandelt het rijk van Christus, hoe dit is gesticht en hoe het gesteld is tegenover het Rijk der Duisternis. Ook hoe het in de natuur met het Rijk der Duisternis kampt en worstelt. De theologie behandelt, hoe de mensen door den Geest en door het Geloof het helse rijk kunnen overwinnen en in Gods kracht kunnen triomferen en de eeuwige zaligheid

kunnen verkrijgen. Hoe zij de zege na de strijd kunnen wegdragen. Hoe de mens zich, door de werking van de helse macht in het verderf stort en ten slotte, hoe het met beide eindigen zal. De eerste titel: “Morgenrood in opgang” is een geheimenis, een mysterie, de wijzen en verstandigen in deze wereld verborgen, zoals zij zelf binnen korte tijd zullen moeten ervaren. Degenen echter, die dit boek in eenvoud des harten lezen, vol van heilige begeerte, die hun hoop alleen op God stellen, voor hen zal het geen geheimenis zijn, maar een geopenbaarde kennis. Ik wil deze titel niet verklaren, maar aan de onpartijdige lezer, die in deze wereld worstelt om het goede te bereiken, ter beoordeling overlaten. Wanneer nu de eigenwijze, die in het boze is, dit boek in handen krijgt, zal hij zich er tegen verzetten, evenals het Hemelse en het helse rijk zich tegenover elkander stellen. Allereerst zal hij zeggen, dat ik veel te hoog in godgeleerdheid ben gestegen, en dat mij zoiets niet betaamt. Dan zullen ze zeggen, dat, als ik in den Heiligen Geest roem, dat ik er ook naar moet leven en dat met wonderen moet bewijzen. Ten derde zullen ze zeggen, dat ik zo handel uit begeerte naar roem. Ten vierde zal men zeggen, dat ik er niet geleerd genoeg voor ben. Ten vijfde zal de grote eenvoud van de schrijver hen ergeren, zoals het in de wereld gebruikelijk is slechts naar het hoge te zien en zich aan het eenvoudige te ergeren. Aan de partijdige “wijzen” wil ik de aartsvaders uit de oude wereld voor ogen stellen; zij waren ook slechts geringe en verachte mensen, tegen wie de wereld en de satan woedden en raasden, als in de tijd van Henoch, toen de heilige vaderen de naam des Heren met macht hebben gepredikt; ook zij zijn niet lichamelijk ten Hemel gevaren en hebben ook niet alles met hun ogen gezien; de Heilige Geest heeft zich aan hun geest geopenbaard. Hierna ziet men het ook bij de heilige aartsvaders, patriarchen en profeten; zij waren allen tezamen slechts eenvoudige lieden, eensdeels slechts herders. Ook toen de Messias, Christus, de Held in de strijd tegen de natuur, een Mens werd, zo leefde Hij toch in deze wereld in grote eenvoud, al was Hij ook een Vorst en de Koning der Mensheid. Hij was slechts huisgenoot dezer wereld, evenals zijn discipelen alle tezamen maar arme, verachte vissers en kleine lieden waren. ja, Christus zelf dankt Zijn Hemelse Vader ervoor, dat Hij het de wijzen en verstandigen van deze wereld verborgen heeft en het de kinderkens heeft geopenbaard. (Mattheus 1). Daaruit ziet men, hoe ook zij arme zondaars zijn geweest en beide eigenschappen, de goede en de boze hen hebben aangekleefd. Dat zij echter ook tegen de zonde der wereld en tegen hun eigen zonde de strijd hebben gevoerd, dat hebben zij gedaan door de drang des Heiligen Geestes, en niet uit zucht naar roem. Ook hebben zij uit eigen kracht en vermogen niets gedaan, en zij hebben uit zichzelf niets over de geheimenissen Gods geweten; het is alles geschied door Gods wil. Zo kan ik van mijzelf ook

niets anders zeggen, roemen of schrijven dan dit, dat ik een eenvoudig man ben, daarbij een arme zondaar en dat ik elke dag moet bidden: “Heer, vergeef ons onze schuld.” En ik moet mèt den apostel zeggen: “O, Heer, Gij hebt ons door uw bloed verlost.” Ook ik ben niet ten Hemel gevaren en heb alle werken en alle schepselen Gods niet gezien, maar de Hemel is in mijn wezen geopenbaard, opdat ik de werken Gods en al wat Hij geschapen heeft zal erkennen; de wil daartoe is ook niet mijn natuurlijke wil, maar het is de drijfkracht des Geestes; ik heb ook menige duivelse aanslag moeten ondervinden. De geest des mensen is echter niet alleen uit sterren en elementen voortgekomen, maar er is ook een vonk van het Goddelijk Licht en de Goddelijke kracht in verborgen. Het woord, dat in Gen. 1, vers 21 staat, is niet zonder betekenis: “God schiep de mens naar Zijn beeld”, ja, naar het beeld Gods schiep Hij hem. Hij is uit het Wezen der Godheid gemaakt. Het lichaam is uit de elementen, daarom moet het ook overeenkomstige spijzen hebben. De ziel heeft haar oorsprong niet alleen in het lichaam en hoewel zij in het lichaam ontstaat en haar eerste begin het lichaam is, zo heeft zij toch haar bron ook daar buiten door de lucht; de Heilige Geest heerst ook in haar naar zijn aard en wijze, zoals hij alles vervult en zoals in God alles is en God Zelf alles is. Omdat de Heilige Geest in de ziel woont, als der ziele eigendom, daarom doorvorst de ziel de Godheid en ook de natuur, want zij is uit het wezen der godheid ontstaan en dat is haar bron. Doordat zij aangestoken is door den Heiligen Geest, ziet zij wat God, haar Vader, maakt, zoals een zoon des huizen ziet, wat zijn vader tot stand brengt. Zij is een 'lid of een kind in het huis van den Hemelsen Vader. Zoals het oog van de mens ziet tot in de hersenen, vanwaar het zijn oorsprong heeft, zo ziet ook de ziel tot in het Goddelijke Wezen, in Wie zij leeft. Omdat echter de ziel ook haar oorsprong in de natuur heeft, en in de natuur het goede, zowel als het boze is, en zich de mens ook door de zonde in de boosheid der natuur geworpen heeft, zodat de ziel dagelijks en ieder uur met zonden wordt bevlekt, zo is haar inzicht slechts gebrekkig, want de boosheid in de natuur heerst nu ook in de ziel. De Heilige Geest echter wil niets weten van deze boosheid maar beheerst de bron der ziel, die is het Licht Gods, en de Heilige Geest strijdt tegen de boosheid in de ziel. Daarom kan de ziel in dit leven niet tot volkomen inzicht komen, omdat licht en duisternis gescheiden zijn en de boosheid wordt met het lichaam tegelijk in de aarde verteerd; dan ziet de ziel helder en volkomen in God, hare Vader. Als echter de ziel door den Heiligen Geest wordt aangestoken, zo triomfeert ze in het 'lichaam alsof er een groot vuur ontstoken is, dat hart en nieren van vreugde doet beven. Er is echter niet dadelijk de grote en

diepe kennis van God, hare Vader, maar de liefde jegens God triomfeert in het vuur van den Heiligen Geest. De kennis van God wordt in het vuur van den Heiligen Geest gezaaid; zij is in het begin klein, als een zaadkorreltje, zoals Christus zegt. (Mattheus 13); daarna groeit zij en wordt als een boom en breidt zich uit in God, hare Schepper; het is er mee als met een druppel water in de grote zee, deze kan alleen niet veel uitrichten; wanneer echter een brede stroom er in uitstroomt, dan kan deze veel meer teweeg brengen. Het verleden, het heden en de toekomst, zowel als de breedte, diepte en hoogte, het dichtbije en verre is in God slechts één, één begrip; en de heilige ziel van de mens ziet dit ook, maar in deze wereld nog slechts ten dele. Het valt haar echter ook vaak op, dat zij niets ziet, want de duivel houdt het boze, dat in de ziel is, krachtig in stand en bedekt dikwijls het edele zaadkorreltje; daarom moet de mens altijd strijd voeren. Op zulk een wijze, met zulk een kennis van den Geest wil ik in dit boek over God, onzen Vader schrijven, in Wie alles is en Die zelf “het Al' is; op deze wijze wil ik behandelen, hoe alles is ontstaan en hoe alles leeft en beweegt in de ganse boom des Levens. Zo zult ge de oorsprong der Godheid zien en hoe Hij bestond voor 's werelds aanvang; ook zult ge zien, hoe de heilige Engelen werden geschapen en waaruit; ook van de vreselijke val van Lucifer met zijn legioenen zult ge horen; ook waaruit Hemel, aarde, sterren en elementen zijn ontstaan, zowel als de metalen in de aarde, de stenen en al het geschapene; de geboorte van het Leven en de stoffelijkheid aller dingen; ook wat is de Hemel, waar God en Zijne heiligen wonen, en wat de toorn Gods en het helse vuur is en hoe alles is aangestoken. In één woord: Wat en Wie het Wezen van alle Wezen is. De eerste zeven hoofdstukken behandelen zeer eenvoudig en begrijpelijk het wezen van God en de Engelen door middel van gelijkenissen, opdat de lezer, stap voor stap eindelijk de diepe zin -en de juiste grond zal kunnen begrijpen. In hoofdstuk 8 begint de diepte van het Goddelijk Wezen, hoe langer hoe wijder en dieper. Menig gedeelte wordt herhaald en steeds intenser beschreven, terwille van de duidelijkheid, voor degene die het leest en ook voor mijzelf. Wat ge echter in dit boek niet duidelijk uitgelegd vindt, dat zult ge later helder en duidelijk vinden, want wegens 's mensen verderfelijkheid is onze kennis en ons inzicht slechts stukwerk en niet op eenmaal volkomen, hoewel dit boek een wereldwonder is, hetwelk de geheiligde ziel wel zal verstaan. Hiermee beveel ik de lezer in de tedere -en heilige Liefde Gods aan.

EERSTE HOOFDSTUK.
Het onderzoek naar het Wezen der Godheid in de natuur; naar zijn beide hoedanigheden.

Hoewel vlees en bloed het Wezen der Godheid niet kunnen verstaan, maar alleen de geest dat kan, wanneer hij door God verlicht en door God ontstoken is, zo moet men, wil men echter van God spreken, ijverig gewagen van de krachten in de natuur, waaruit de ganse schepping, Hemel en aarde, sterren, elementen en schepselen zijn voortgekomen; alsook de heilige Engelen, de Satan en de mensen, ja, de Hemel en de hel. In deze beschouwing ontdekt men twee hoedanigheden, een goede en een kwade, die in deze wereld in alle krachten, in sterren en elementen, evenzo als in alle schepselen verborgen zijn; en er bestaat ook geen vleselijk schepsel in het natuurlijke leven, dat deze beide kwaliteiten niet in zich heeft. Hier moet men verstaan, wat het woord hoedanigheid of eigenschap betekent. Dit wil zeggen de beweeglijkheid, het stuwen of drijven der dingen, zoals daar is de hitte, die brandt, verteert en alles opslurpt, wat binnen haar bereik komt, en wat niet van haar eigen “hoedanigheid” is. Daartegenover staat, dat zij alles verlicht en verwarmt wat koud, nat en donker is en hetgeen zacht is, hard maakt. Ze heeft echter nog twee factoren in zich, nl. het Licht en het Verderf; daarover is 't volgende op te merken. Het Licht of het “Hart van de Warmte” is op zichzelf iets lieflijks en vreugdevols, een levenskracht, een verlichting van dingen die onduidelijk zijn, en het is een gedeelte, of ook kan men zeggen de bron, van het Hemelse Vreugdenrijk. Want het maakt in deze wereld alles levend en beweeglijk; alle vlees, zowel als bomen, loof en gras groeien op deze wereld door de kracht van het Licht en ontvangen hun leven hier door. Dit is het goede. Maar daar staat tegenover, dat het Licht óók het verderf in zich heeft, want het brandt, verteert en vernietigt; dit verderf ontstaat, werkt en verheft zich in het Licht en maakt het Licht beweeglijk; het worstelt en strijdt met het goede, dat er in het Licht is. Het Licht heeft dus een tweevoudige bron. Het Licht bestaat in God, zonder hitte, maar in de natuur bestaat het niet; want in de natuur zijn alle eigenschappen in elkander verzonken, alsof ‘t één eigenschap was, naar zijn aard en wijze; evenals God “Alles” is en door Hem alles ontstaat en van Hem alles uitgaat. God is het Hart of de bronwel der natuur, uit Hem komt alles voort. Nu heerst de hitte in alle krachten der natuur en verwarmt alles en is een bron van alles; wanneer dat niet zo was, dan zou het water veel te koud zijn en de aarde zou verstijven, en er zou geen lucht zijn. De hitte

heerst in alles, in de bomen, in kruid en gras en ze maakt het water beweeglijk, opdat hierdoor op aarde kruid en gras zal groeien. Daarom is zij een eigenschap, omdat zij in alles heerst en alles doortintelt. De factor “licht” echter, in de eigenschap hitte, geeft aan alles datgene waardoor het lieflijk en vreugdevol wordt. De hitte zonder licht is van geen nut, maar eerder een vernietiging van het goede, een boze bron, want alles gaat teniet in haar razernij. Maar het element “licht” in de “hitte” is een levende bron, waarin de Heilige Geest kan leven. De hitte maakt het licht beweeglijk, zodat het werkt en stuwt, hetgeen men waarneemt in de winter; dan is het zonlicht ook op de aarde, maar de warmtestraal der zon kan de aardbodem niet bereiken; daarom groeit er ‘s winters ook geen enkele vrucht. Over de hoedanigheid van de koude. De koude is ook een eigenschap, evenals de hitte. Zij is in alle schepselen en in alles, wat zich beweegt; in mensen, dieren, vogels, vissen, wormen, loof en gras en zij is tegengesteld aan de hitte. Zij keert de woede van de hitte en stilt en kalmeert deze. Ze heeft echter ook twee factoren in zich, nl., dat zij de hitte verzacht en alles zeer lieflijk maakt. Ze is in alle schepselen een levensfactor, want er is geen schepsel, dat buiten de koude bestaan kan, want zij is een drijvende beweeglijkheid in alle dingen. De andere eigenschap is het verderf, want waar dit macht krijgt, drukt het alles terneder en vernietigt alles, evenals de hitte; er kan geen leven bestaan, wanneer de hitte de koude niet weert. Het verderf van “de koude” is een vernietiging van alle leven en het kan vergeleken worden met een huis des doods, evenals het verderf, dat gepaard gaat met de hitte. Over de hoedanigheid van de lucht en van het water. De lucht heeft haar oorsprong in de hitte en in de koude; want de hitte en de koude arbeiden voortdurend en vervullen alles; daardoor ontstaat een levende en werkende beweging. Wanneer evenwel de hitte en de koude zich wat matigen, wordt de kwaliteit van beide ijl; soms ook wordt het gecondenseerd; de lucht echter heeft haar oorsprong in de hitte en het water ontstaat uit de koude. Nu strijden de beide eigenschappen steeds met elkander; de hitte doet het water vervluchtigen en de koude doet de lucht verstijven. Nu is echter de lucht de oorzaak en de geest van alle leven en alle beweging in deze wereld, zowel in het vlees als in alles, wat op aarde groeit. Zo dankt alles

zijn bestaan aan de lucht, en niets kan daarbuiten bestaan. Het water ook is oorzaak van de levende en werkende dingen in deze wereld; het lichamelijke van alle dingen wordt bepaald door het water; de geest door de lucht, of het nu betreft het lichaam des mensen of het gewas op de aarde, en deze beide worden bepaald door de hitte en de koude en zij beide zijn als één Eenheid. Nu zijn echter in deze beide hoedanigheden ook twee soorten op te merken, nl. de levenwekkende en de dodende werking. De lucht is een levenwekkende eigenschap, doordat zij gematigd in het een of andere voorwerp aanwezig is en de Heilige Geest heerst in de zachtmoedigheid der lucht en alle schepselen zijn vrolijk daar in. Zij heeft echter ook een boze eigenschap in zich, zodat zij doodt en verderft door haar gruwzaamheid. Deze eigenschap ontstaat uit het Boze, het werkt en worstelt in alles, wat bestaat; daarom moeten beide in dit leven aanwezig zijn. Het water heeft ook een boze, dodelijke bron in zich, want het veroorzaakt dood en verrotting. Al het levende en bewegende moet in het water vervuilen en bederven. Alzo ziet men, dat de hitte en de koude oorzaak en oorsprong zijn van het water en van de lucht. Daarin werkt en bestaat alles. En daarover zal ik duidelijk schrijven van voor de schepping der sterren af. Over de invloeden van de andere eigenschappen in de drie elementen, vuur, lucht en water. Over de eigenschap bitterheid. Het bittere is het hart van alle leven; zoals deze eigenschap het water, dat in de lucht aanwezig is, tesamenvoegt, zodat het deelbaar wordt, zo werkt ze ook in alle schepselen, alsook in het gewas, dat op de aarde groeit, want loof en gras hebben hun groene kleur ontvangen door deze eigenschap. Als nu deze hoedanigheid in enig schepsel gematigd woont, zo is ze deze mens tot vreugde, want zij doet alle andere boze invloeden teniet en is een begin en de oorzaak van de vreugde en van de lach. Want wanneer zij in werking gesteld wordt, maakt zij een mens aan het sidderen en vol van vreugde, en heft hem met zijn gehele wezen op, want het is als ware het ‘t Hemelse Rijk der Vreugde, een opheffing van de Geest; geest en kracht in alles wat groeit op aarde; een moeder des levens. De Heilige Geest werkt en stuwt machtig in deze eigenschap, want zij is een stuk van het Hemelse Vreugdenrijk, zoals ik hierna zal bewijzen. Ze heeft echter nog een factor in zich, nl. de boosheid. Deze is dodend, en bederft al het goede; een vernietiging en vernieling van het lichamelijke leven. Want wanneer zij zich in een wezen te zeer verheft en zich

ontsteekt aan de hitte, zo scheidt zij het vlees van de Geest en het schepsel moet dan de dood sterven, want zij vindt haar oorsprong in het element vuur en zij ontsteekt zich ook daaraan. Daar kan geen vlees bestaan in deze grote hitte en bitterheid. Over de eigenschap zoetheid. Deze eigenschap staat tegenover de eigenschap bitterheid en zij is een gelukzalige, lieflijke eigenschap; een verrukking des levens, een verzachting der boosheid; zij maakt alles lieflijk en vriendelijk in alle schepselen, het gewas op de aardbodem maakt zij welriekend en goed smakend; met mooie gele, witte en rode kleuren. Zij is een der aanzichten van de zachtmoedigheid en vindt ook hierin haar oorsprong; zij is gelukzaligheid uit het Hemelse Vreugdenrijk; een huis van de Heilige Geest, een factor in de liefde en de barmhartigheid, een vreugde in het leven. Daarentegen heeft zij ook een element van dood en verderf in zich, want als zij in de bittere eigenschap ontstoken wordt in het element water, veroorzaakt zij ziekte en pestilentie, en verderf in het vlees. Als zij evenwel in de hitte en de bitterheid ontstoken wordt, zo infecteert zij het element lucht, daardoor ontstaat pestilentie en plotselinge dood. Over de eigenschap zuur. Deze eigenschap is tegenovergesteld aan de eigenschap bitter en zoet en tempert alles, zij is een verrukking en verlossing, waar het bittere en het zoete zich te veel hebben doen gelden. Zij prikkelt de smaak, zij geeft een lust om te leven, een opborrelende vreugde in alle dingen, begeerte, verlangen en lust van het vreugderijk, een stille verrukking des geestes: zij geeft een matiging aan alle levende en opbruisende dingen. Zij heeft echter ook in zich een bron van boosheid en verderf; want als zij zich te zeer verheft of in een bepaald geval te veel de boventoon voert, zo veroorzaakt zij treurigheid, melancholie; in het water een reuk, drassig en moerassig, het is dan als een huis des doods, het begin der droefenissen en het einde der vreugde. Over de eigenschappen wrangheid, scherpheid en zoutheid. Deze zijn een goede tempering van het bittere, zoete en zure; ze maken alles zeer lieflijk; ze houden het opkomen van het bittere tegen; evenals ook het zoete en het zure, zodat zij niet ontbranden; zij zijn pittige eigen-

schappen, een lust voor de smaak, een bron van vreugde en levenslust. Wanneer zij in het vuur ontstoken worden, veroorzaken zij iets hards, scheurends, steenachtigs. Zij hebben ook in zich het boze, de vernietiging van het leven. In het vlees groeit de steen, die zoveel kwelling teweeg brengt. Wordt zij echter in het water ontstoken, dan veroorzaakt zij in het vlees boze schurft, gezwellen en uitslag; het is als een treurend huis des doods; ellendig en van al het goede verlaten.

HOOFDSTUK II.

Handleiding, hoe men het goddelijke en het natuurlijke wezen beschouwen moet. Dit alles, zoals het hierboven is verteld heet daarom: “Eigenschap”, omdat het alles in de diepte, over de aarde, op de aarde en in de aarde in elkander overvloeit als in één Eenheid. Toch hebben al deze dingen velerlei werking en zijn ze krachtig. Ze zijn evenwel geboren uit Eén Moeder, uit wie alles geboren wordt; en alle schepselen zijn uit deze eigenschappen gevormd en te voorschijn gekomen en leven hierin als in hun moeder. Zo heeft ook de aarde en hebben ook de gesteenten daaruit hun oorsprong, en alles, wat groeit op de aardbodem. Dit alles leeft uit en ontspringt aan deze eigenschappen. Geen verstandig mens kan dit ontkennen. Uit deze tweevoudige bron, boos en goed (in alle dingen) komt alles voort, uit de sterren; want, zoals de schepselen op aarde zijn, zo zijn ook de sterren. Want door deze tweevoudige bron heeft alles zijn grote beweeglijkheid, zijn snelle gang, zijn voortgang, zijn oorsprong, stuwing en groei. Want de zachtmoedigheid in de natuur is een stille rust; maar de boosheid in alle krachten maakt alles beweeglijk, voortgaand en jagend. De voortdrijvende eigenschappen brengen in alle schepselen de lust tot het goede en het kwade teweeg, zodat alles zich met elkander vermengt, en alles begeert, toeneemt, afneemt, schoon wordt, lief heeft en haat. In alle schepselen dezer wereld leeft een goede en een boze wil, geboren uit de Bron, die én goed én boos is; in mensen, dieren, vogels en vissen, en ook in al het andere dat bestaat, nl. goud, zilver, tin, koper, ijzer, staal, hout, loof en gras. Ook in de aarde, in stenen, in water, en in alles, wat mensen doorvorsen kunnen. Er is niets in de natuur, dat niet het

goede en het boze in zich bergt; alles groeit en leeft in deze tweevoudigheid, hoe dan ook. Slechts de heilige Engelen en de boze duivels niet; want deze zijn gescheiden en een ieder van hen leeft, beweegt en heerst in zijn eigen hoedanigheid. De heilige Engelen leven en bewegen zich in het Licht, in het goede, waarin ook de Heilige Geest oppermachtig is. De duivels leven en heersen in het boze, in de toorn en het verderf. Zij zijn echter beide, de goede en de boze Engelen, uit de eigenschappen der Natuur gemaakt, waaruit alle dingen gemaakt zijn. De heilige Engelen leven uit de kracht van de zachtmoedigheid van het Licht en het Vreugderijk en de duivelen leven uit de kracht van het boze, dat zich verheft, uit de kracht van schrik en duisternis en zij kunnen het Licht niet begrijpen, waaruit zij zich zelven gestoten hebben door hun opstandigheid, zoals ik hier na ook beschrijven zal (over de Schepping). Wanneer gij echter niet geloven wilt, dat in deze wereld alles zijn oorsprong vindt in de sterren, zo wil ik u dat bewijzen; wanneer gij echter geen stompzinnige zijt en een weinig verstand bezit, let op hetgeen volgt. Bezie ten eerste de Zon. Zij is het hart of de koningin van alle sterren. Zij geeft alle sterren licht van het opgaan tot aan het ondergaan en verlicht en verwarmt alles. Alles leeft en groeit in haar kracht. De vreugde van alle schepselen groeit in haar kracht. Wanneer zij nu zou worden weggenomen, zou alles duister en koud worden; er zou ook geen vrucht meer groeien. Mens noch dier zou zich kunnen vermenigvuldigen, want de hitte zou verdwijnen en het zaad, dat overal aanwezig was, zou koud worden en verstenen. Over de hoedanigheid der Zon. Wilt gij een filosoof en natuurkundige zijn en het Wezen Gods in de natuur doorvorsen, zoals het alles geschapen is, bidt dan tot God om zijn Heilige Geest, opdat Hij U door dien geest verlichte. Want in vlees en bloed kunt ge dit niet begrijpen; of ge het ook leest, zo is het toch als een damp voor uw ogen; alleen in de Heilige Geest, die in God is en ook in de ganse natuur, waaruit ook alle dingen geschapen zijn, kunt ge vorsen tot in het Lichaam Gods, hetwelk de natuur is. Zo ook kunt ge de heilige Drie-eenheid doorzoeken. Want de Heilige Geest gaat uit van de heilige Drie-eenheid en heerst in het lichaam Gods, d.i. in de gehele natuur. Zoals de geest van een mens in het gehele lichaam in alle aderen heerst en de gehele mens vervult, zo vervult de Heilige Geest ook de ganse natuur en Hij is het Hart der Natuur en heerst in de goede eigenschappen van alle dingen. Wanneer ge nu deze Geest in u hebt, zodat Hij uw geest doorlichten en vervullen kan, zo zult ge verstaan, wat hier geschreven zal worden. Wanneer ge de Heilige Geest echter niet in u hebt, zo zal 't u

vergaan als de wijze heidenen, die zich aan de Schepping vergastten en haar uit hun eigen wijsheid wilden doorvorsen. Zij kwamen met al hun nadenken tot voor Gods aangezicht, maar konden het toch niet zien en waren stekeblind wat betreft het inzicht in de Goddelijke dingen. Zo konden ook de kinderen Israëls in de woestijn het aangezicht van Mozes niet zien. Daarom moest hij zijn aangezicht bedekken, toen hij voor het volk trad. Dat kwam, doordat zij de Ware God en Zijn Wil niet kenden noch verstonden, Die toch temidden van hen wandelde. Daarom was het bedekte aangezicht een teken en een bewijs van hun verblinding en onverstand. Zo weinig het maaksel zijn maker kan begrijpen, zo weinig ook kan een mens zijn Schepper begrijpen en kennen, tenzij de Heilige Geest hem verlicht, hetgeen alleen hèn te beurt valt, die niet op zichzelf vertrouwen, maar hun hoop en al hun willen op God vestigen en wonen in de Heilige Geest. Zij zijn één met de Goddelijke Geest. Wanneer men nu de zon en de sterren op de juiste wijze beschouwen wil naar hun verschijning, werkingen en hoedanigheden, zo vindt men in het hart daarvan het Goddelijke Wezen, evenals de krachten der sterren bepaald worden door de natuur. Wanneer men de omloop van het gehele sterrenheir beziet, dan is het spoedig duidelijk, dat dit is: “de moeder van alle dingen” of “de natuur”, waaruit alle dingen geboren zijn, en waarin alle dingen leven en zich bewegen; en alle dingen zijn uit deze zelfde krachten gemaakt, zij blijven eeuwigdurend daarin. En of ze nu aan het einde van deze tijdkring zullen worden veranderd, doordat het goede en het boze zich van elkander afscheiden, zo zullen toch Engelen en mensen in de kracht der Natuur, waaruit zij in oorsprong ontstaan zijn, in God, eeuwig bestaan. Gij moet echter uw denken vergeestelijken en bedenken, hoe de gehele natuur, met alle krachten, die daarin aanwezig zijn, zoals wijdte, diepte, hoogte, Hemel, aarde en alles, wat daarin is, en in de Hemel, het lichaam Gods is; en de krachten der sterren zijn de bronaderen in het natuurlijke Lichaam Gods in deze wereld. Ge moet niet denken, dat in het lichaam der sterren de gehele triomferende drie-eenheid, God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, aanwezig is, waarin geen kwaad woont, maar die de heilige, lichtende, eeuwige Vreugdebron is, die onverbrekelijk en onveranderlijk is, zo, dat geen schepsel het begrijpen of uitspreken kan. Zijn diepte kan geen schepsel meten. Maar ge moet ook niet denken, dat Hij in ‘t geheel niet aanwezig is in het lichaam der sterren en in deze wereld; want wanneer men zegt: “Alles” of “van eeuwigheid tot eeuwigheid”, of “alles in alles”, zo bedoelt men hiermee God in Zijn volle betekenis. Neem een voorbeeld aan een mens; hij is gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van God; zoals geschreven staat in het eerste boek van Mozes, vers 27. Het inwendige van het lichaam des mensen beduidt de diepte tussen de sterren en de aarde; het gehele lichaam met alles wat er bij hoort, beduidt

Hemel en aarde; het vlees betekent de aarde en is ook van de aarde, het bloed stelt voor het water, en is ook van water, de adem beduidt de lucht en is ook de lucht; de blaas, waarin de lucht werkt, is de diepte tussen sterren en aarde, waarin vuur, lucht en aarde naar hun aard werkzaam zijn, en de warmte, de lucht en het water werken ook in deze ruimte, evenals in de diepte van de aarde. De aderen stellen de krachtwegen der sterren voor en zijn ook de krachtwegen der sterren; want de sterren beheersen met hun krachten de aderen en zij drijven de mensen in hun bepaalde vorm en gestalte. De ingewanden of darmen stellen voor hoe de werking der sterren is. Alles, wat uit hun kracht ontstaan is, wat zij zelf gemaakt hebben, dat verteren zij zelf wederom en dat blijft onderhevig aan hun kracht; de darmen bewerkstelligen ook de vertering van al datgene, wat de mens er in opzamelt; alles, wat uit de kracht der sterren gegroeid is. Het hart van de mens stelt voor de warmte of het element vuur; het ís ook de warmte, want deze heeft in het hart haar oorsprong. De blaas stelt het element “lucht” voor, en de lucht heerst er ook in. De lever is het element water, zij ís ook het water, want uit de lever komt het bloed in het gehele lichaam, in alle leden; de lever is de moeder van het bloed. De longen stellen de aarde voor en ze zijn ook van dezelfde hoedanigheid. De voeten stellen de nabijheid en de verte voor, want in God is verte en nabijheid één en hetzelfde. De handen zijn de almacht Gods, want zoals God in de natuur alles kan veranderen en om kan zetten tot iets, wat Hem behaagt, zo kan ook de mens met zijn handen alles wat uit de natuur gegroeid is veranderen, en hij kan er met zijn handen van maken wat hij ook wil; hij regeert met zijn handen het werk en het wezen van de ganse natuur; zij beduiden nadrukkelijk de almacht van God. Merk nu verder op: Het gehele lichaam tot aan de hals stelt de ronde cirkel van de omloop der sterren voor, evenals de diepten tussen de sterren, waarin de planeten en elementen regeren. Het vlees is de aarde; zij is verstijfd en heeft geen soepelheid; zo heeft ook het vlees in zichzelf geen verstand, begrip of beweeglijkheid, het wordt door de kracht der sterren, welke in het vlees heersen, bewogen. Zo zou ook de aarde geen vrucht geven, ook zou er geen metaal, goud, zilver, koper, ijzer of steen in verborgen zijn, als de sterren er niet in zouden werken; er zou ook geen grasje op de aardbodem groeien zonder de werking der sterren. Het hoofd beduidt de Hemel; het is met de aderen en krachtwegen aan het lichaam verbonden en alle krachten gaan vanuit het hoofd en de hersenen naar het lichaam en in de bronaderen van het vlees. De Hemel is echter een lieflijke, vreugdevolle verblijfplaats, waarin alle krachten aanwezig zijn, evenals in de natuur en in de sterren en elementen. Maar geen ruwe, voortjagende en kwellende krachten zijn daar. Maar

iedere kracht heeft slechts een bepaald aanzicht, zij is nl. licht en kalmerend, en niet boos en goed zoals de krachten die in de sterren en elementen aanwezig zijn. De Hemelse krachten zijn louterend en rein. De boosheid is daarin niet. De Hemel behoort zeker niet minder tot het gebied der natuur dan het voorgenoemde, want de sterren en elementen hebben hun oorsprong in de Hemel en ook hun kracht komt vandaar. Want de Hemel is het hart van het water; zoals in alle schepselen en in alles wat in deze wereld bestaat, het water het hart, de kern is; of het nu lichamelijk of onstoffelijk is, in gewassen der aarde of in metaal of stenen. Van alle dingen is het water het hart of de kern. Zo is de Hemel het hart in de natuur, waarin alle krachten verborgen zijn, evenals in sterren en elementen. Evenals de hersenen in het hoofd van de mens van een weke en zachte substantie zijn, zo is het ook met de Hemel, wanneer deze wordt voorgesteld als het hart der natuur, waarin deze krachten zachtmoedig en soepel zijn. Nu ontsteekt de Hemel met zijn kracht de sterren en elementen, zodat zij ontvlammen en zich voortbewegen. Zo is ook het hoofd van de mens, als de Hemel. Zoals in de Hemel alle krachten zachtmoedig, lieflijk en vreugdevol zijn en ook zodanig arbeiden, zo zijn ook in het hoofd of de hersenen van de mensen alle krachten zachtmoedig en vreugdevol. En zoals de Hemel zijn grenzen stelt aan de sterren, terwijl toch alle krachten uit de Hemel de sterren toevloeien, zo heeft ook het hoofd zijn grenzen gesteld aan het lichaam, terwijl eveneens alle krachten uit de hersenen in het lichaam gestuwd worden en in de gehele mens. Het hoofd bergt in zich de vijf zintuigen als daar zijn: zien, horen, ruiken, proeven en tasten. Hierin werken de sterren en elementen en daarin ontstaat de sterren- of natuurgeest in mensen en dieren; hierin ontspringt het boze en het goede, want het is een huis der sterren, zulk een kracht ontnemen de sterren aan de Hemel dat zij een lichamelijke, levende en beweeglijke geest kunnen doen geboren worden in mensen en dieren. De beweging van de Hemel maakt ook de sterren beweegbaar; zo maakt ook het hoofd het lichaam beweegbaar. Open nu uw geestelijke ogen en aanschouw God, uw Schepper. Hier doet de vraag zich voor, vanwaar dan de Hemel zulk een kracht heeft of neemt, zodat hij zulk een beweeglijkheid in de natuur veroorzaakt. Hier moet ge nu zien boven de natuur uit, en buiten de natuur, in de lichtende, heilige, triomferende en goddelijke kracht; in de onveranderlijke Heilige Drievuldigheid, die een triomferend, opborrelend en beweeglijk Wezen is. En alle krachten zijn daarin verborgen, evenals in de natuur. Want deze is de eeuwige Moeder der Natuur, waaruit Hemel, aarde, sterren, elementen, Engelen, duivelen, mensen, dieren en tenslotte alles ontstaan is, en waarin alles alleen maar kan bestaan. Wanneer men de Hemel en de aarde noemt, de sterren en elementen en

alles wat daarin is, ook alles wat boven alle Hemelen is, zo noemt men hiermee God in Zijn volle Rijkdom, die zich in al dit geschapene, in de kracht, die van Hem uitgaat, lichamelijk gemaakt heeft. God is evenwel in Zijn Drievuldigheid onveranderlijk en alles wat in de Hemel, op de aarde en boven de aarde is, vindt zijn oorsprong in de kracht die van God uitgaat. Nu moet ge evenwel niet denken dat daarom het boze en het goede uit God ontspringt; God is zelf “Het Goede”, Hij heeft ook de naam: de Goede, “de triomferende eeuwige Vreugde”. Alle krachten, die ge in de natuur doorvorsen kunt, gaan van Hem uit, en zij zijn in alle dingen. Nu zoudt ge kunnen zeggen: “Er is toch goed en kwaad in de natuur. Omdat nu alle dingen van God komen, zo moet het boze ook van God komen.” Ziet, de mens heeft in zich de gal, dat is het vergif en hij kan zonder dat vergif niet leven, want de gal maakt de geesten beweegbaar, vreugdevol, triomferend en blij, want zij is een bron der vreugde. Wanneer zij echter in een element ontstoken wordt, bederft zij de gehele mens, want de toorn in de siderische geesten ontstaat door de gal. Dat wil zeggen: Wanneer de gal naar het hart gaat, ontsteekt zij het element vuur en het vuur steekt de siderische geesten aan, die in het bloed, in de aderen, in het element water heersen; dan siddert het gehele lichaam van toorn door het gif van de gal. Een dergelijke bron echter geeft ook vreugde, uit dezelfde substantie als de toorn. Dat gebeurt, wanneer de gal wordt ontstoken ten goede, in dat wat de mens lief is, dan trilt het gehele lichaam van vreugde en daardoor worden de sterregeesten ook aangestoken. Maar een zodanige substantie is er in God niet, want Hij heeft geen vlees en bloed, maar Hij ís Geest en in Hem zijn alle krachten (Joh. 4:2) zoals wij ook in het “Onze Vader” bidden: “U is de kracht”. Ook Jesaja schrijft van Hem: Hij is Wonderbaar, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst. (Jesaja 9). Het bittere is ook in God, maar niet op de wijze, zoals de gal bij de mensen aanwezig is, maar het bittere is aanwezig als een eeuwigdurende kracht, een geweldige, juichende bron van vreugde. En hoewel in Mozes geschreven staat (2 Mozes 20:5, Mozes 4:25) : “Ik ben een naijverig God”, zo betekent dat nog niet, dat God zou toornen of dat er een vuur van toorn zou ontvlammen in de Heilige Drievuldigheid. Neen, zo kan het niet zijn, want er staat geschreven: “in hen, die Mij haten, wordt het vuur van de Worm ontstoken”. Wanneer God echter in Zichzelf ontstoken zou worden, zo zou de gehele natuur branden, wat eenmaal op de jongste dag ook zal geschieden in de natuur, maar niet in God. Door God evenwel zal de triomferende Vreugde branden, zoals het van eeuwigheid af niet anders geweest is en ook niet anders worden zal. Nu maakt echter de verheffende, opborrelende, triomferende Vreugde in God de Hemel triomferend en beweeglijk en de Hemel maakt de sterren en elementen

beweeglijk en de sterren en elementen doen dat weer met de schepselen. Uit de Godskrachten is de Hemel geschapen, uit de Hemel zijn de sterren geboren, uit de sterren zijn de elementen voortgekomen, uit de elementen zijn de aarde en haar schepselen geboren. Zo heeft alles zijn begin, zelfs de Engelen en duivelen, deze zijn voor de schepping van Hemel, aarde en sterren uit dezelfde krachten ontstaan, waaruit deze zijn geboren. Dit is alzo een korte inleiding, hoe men het goddelijke Wezen en het natuurlijke Wezen beschouwen moet. Hierna wil ik de ware oorsprong en de diepte beschrijven van wat God is en hoe in het wezen Gods alles gelegen is. Dit is weliswaar voor een deel van vóór de schepping der wereld verborgen gebleven en de mens heeft het met zijn verstand niet kunnen begrijpen, maar omdat God zich in Eenvoud in deze laatste tijd wil openbaren, laat ik het aan Hem over, Zijn Wil kenbaar te maken. Ik ben slechts een vonkje. Amen.

HOOFDSTUK III.

Over de hooggebenedijde, triomferende, drie maal heilige Drievuldigheid, God de Vader, de Zoon, de Heilige :Geest, een Enig God. Waarde lezer, ik wil u hier getrouwelijk vermanen, dat ge uw eigendunk laat varen en u niet aan heidense wijsheid vergaapt, u ook niet ergert aan de eenvoud van de schrijver; want het werk is niet te danken aan zijn wijsheid, maar aan de werking van de Heilige Geest. Tracht de Heilige Geest, die uit God is, in uw eigen geest te laten inwerken, dan zal Hij u in alle waarheid leiden en Zich aan u openbaren; dan zult ge in Zijn Licht en Zijn Kracht in de heilige Drievuldigheid zien en verstaan, wat hier zal worden geschreven. over God de Vader. Toen onze Heiland, Jezus Christus, Zijn discipelen leerde bidden, sprak

Hij: Wanneer ge bidden wilt, doe het zo: “Onze Vader, Die in de Hemel zijt” (Mattheus 6.) Dit betekent niet, dat de Hemel de Vader zou kunnen begrijpen of omvatten, want de Hemel zelf is door de goddelijke Kracht gemaakt. Want Christus spreekt: “Mijn Vader is groter dan alles.” (Joh. 10:29) en in de profeten zegt God: “De Hemel is mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten.” (Jesaja 66). Wat wilt ge Mij een huis bouwen? Wie heeft de wateren met zijn vuist gemeten en van de Hemelen met de span de maat genomen en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen. (Jes. 40:12). Want de Here heeft zich Jacob verkozen, Israël tot Zijn Eigendom. (Psalm 135:4). Dat echter Christus Zijn Vader een Hemelse Vader noemt, daarmee bedoelt Hij, dat de glanzende Kracht Zijns Vaders zeer zuiver, helder en rein in de Hemel schijnt en dat boven het uitspansel, dat wij met onze ogen zien en dat wij Hemel noemen, de gehele triomferende, heilige Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest schijnt. Zo onderscheidt Christus hiermee Zijn Hemelse Vader van de Vader der Natuur, dat is: de sterren en elementen; zij zijn onze natuurlijke Vader, uit wie wij gemaakt zijn en uit wiens wil wij hier in deze wereld leven en van wie wij onze spijs en onze voeding ontvangen. Hij is echter onze Hemelse Vader, omdat onze ziel steeds naar Hem verlangt en Hem begeert, ja, zij hongert en dorst voortdurend naar Hem. Het lichaam hongert en dorst naar de Vader der Natuur, dat is: de sterren en elementen, en dezelfde Vader spijst en drenkt hen ook. De ziel echter dorst naar de heilige Hemelse Vader en Hij spijst en drenkt hen met Zijn Heilige Geest en Zijn Vreugdebronnen. Nu hebben wij evenwel geen twee Vaders, maar slechts één; de Hemel is gemaakt door Zijn Kracht en de sterren door Zijn Wijsheid, die in Hem is en van Hem uitgaat. over het wezen en de kenmerken des Vaders. Wanneer men de gehele natuur en haar kenmerken beschouwt, zo ziet men de Vader; wanneer men de hemel en de sterren beziet, zo ziet men Zijn eeuwige Kracht en Wijsheid. Zoveel sterren er aan het firmament staan, die toch ontelbaar en voor het verstand onbegrijpelijk zijn, (ook voor een deel onzichtbaar), zo groot en menigvuldig is Gods Kracht en Wijsheid. Iedere ster die aan de hemel staat, heeft echter een andere kracht en een andere hoedanigheid als de volgende, zoals het ook is met alle schepselen op aarde, als gevolg hiervan. Zo is het met al het geschapene. Nu vinden alle krachten, die in de natuur zijn in God de Vader hun oorsprong; alles, licht, warmte, koude, lucht, water en alle krachten der aarde, nl. bitterheid, zuurheid, zoetheid, wrangheid, hardheid, zachtheid en alles, wat men niet noemen kan, dat alles gaat uit van de Vader. Wanneer men de Vader met iets vergelijken wil, dan moet

men Hem vergelijken met het gewelfde uitspansel. Men moet niet denken, dat iedere kracht, die in de Vader is, op een bepaalde plaats en op een bepaald gedeelte aanwezig is, zoals de sterren op een bepaalde plaats aan de hemel staan, neen, maar de Geest toont, dat alle krachten, die in de Vader zijn, door elkander en met elkander verweven zijn als een centrale kracht, zoals men dat voorgesteld vindt in het boek Ezechiël, Hoofdstuk 1. Hij ziet de Heer in de geest en zinnebeeldig voorgesteld als een wiel, waarvan de vier raderen in elkander uitlopen en elk van de vier is gelijk aan de andere, en toen ze draaiden, draaide elk slechts voor zich zelf; zoals de wind woei zo draaiden zij alle vier en geen van hen had nodig omgewend te worden. Zo is ook God de Vader, want alle krachten zijn in de Vader aanwezig als één centrale kracht en alle krachten zijn in de Vader in onnaspeurlijke klaarheid en ondoorgrondelijk Licht. Ge moet niet denken, dat God in de Hemel en boven de Hemel troont en heerst als een kracht en een macht, die geen verstand en kennis in Zich heeft, zoals de zon: zij loopt haar baan en straalt warmte van zich en licht; zij brengt de aarde en alle schepselen voorspoed of tegenspoed, hetgeen dan vrijelijk zou kunnen plaats hebben, wanneer de andere planeten en sterren dat niet tegen hielden. Neen, zo is de Vader niet. Hij is een almachtige, alwijze, alwetende, alziende, alhorende, alom riekende, alom voelende, alom proevende God, die in Zichzelf is, zachtmoedig, vriendelijk, lieflijk, barmhartig en vol van vreugde, ja Hij is de vreugde zelf. Hij is echter van eeuwigheid tot eeuwigheid onveranderlijk, Hij heeft Zijn Wezen nog nooit veranderd en zal zich in alle eeuwigheid ook nooit veranderen. Hij is niet uit iets voortgekomen of geboren, maar Hij is Zelf alles, in alle eeuwigheid, en alles wat bestaat is door Zijn Kracht tot stand gebracht, door de kracht, die van Hem uitgaat. De natuur en alle schepselen zijn uit Zijn Kracht geboren. Zijn hoogte, lengte en diepte kan geen schepsel, ook geen Engel uit de Hemel doorvorsen. De Engelen in de Hemel leven in des Vaders kracht vol vreugde en vrede en zingen uit de volheid van Zijn Kracht. over God de Zoon. Wil men God de Zoon op de juiste wijze beschouwen, dan moet men andermaal de natuurlijke dingen bezien. De geest ziet Hem wel, maar men kan Hem niet beschrijven of beredeneren, want het Goddelijke wezen bestaat in Kracht en laat zich niet beschrijven of beredeneren. Daarom moeten wij gelijkenissen te hulp roepen, als wij van God willen spreken; want wij leven in deze wereld op een gebrekkige wijze en zijn in onvolkomenheid geschapen. Ik zal duidelijk en klaar met de lezer over dit hoge onderwerp spreken. Wanneer hij wil letten op de diepere betekenis, zal hij het kunnen verstaan; hij zal ook kracht ontvangen, wanneer hij hongert.

Merk nu op. De heidenen en de Turken zeggen: God heeft geen Zoon. Open uw ogen wijd, en weest niet verblind, dan zult ge de Zoon zien. De Vader is alles en alle kracht is van de Vader; Hij is het Begin en het einde aller dingen en buiten Hem is niets, en alles wat ontstaan is, is uit de Vader ontstaan. Want voor de aanvang van de schepping der creaturen was er niets; alleen God was er, en waar niets is, daar kan ook niets ontstaan, elk ding moet een oorzaak of een wortel hebben, anders kan er niets geboren worden. Nu moet ge echter niet denken, dat de Zoon een andere God is als de Vader; ge moogt ook niet denken, dat de Zoon buiten de Vader bestaat, en een aparte persoonlijkheid is, zoals het geval is, wanneer twee mensen naast elkander staan en de een de ander niet begrijpt, neen, zo is het niet bij de Vader en de Zoon; want de Vader is niet een Wezen, dat met iets of iemand vergeleken kan worden, maar Hij is de Bronwel aller krachten; daarom heet Hij ook een Enig Heer. Anders, wanneer Zijn krachten gedeeld waren, zou Hij niet almachtig zijn; nu echter is Hij de zelfstandige, almachtige en volkrachtige God. De Zoon echter is het hart des Vaders; alle krachten, die in de Vader zijn, zijn des Vaders eigendom en de Zoon is het hart of de kern in alle krachten; Hij is oorzaak van alle opbruisende vreugden in de Vader. Uit de Zoon ontspringt de eeuwige hemelse Vreugde, zulk een vreugde, als geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen, zoals Paulus zegt in 1 Kor. 2:9. Zo een mens hier op aarde door de Heilige Geest verlicht wordt uit de Bronwel Jezus Christus, zodat de geesten der natuur, die de Vader vertegenwoordigen, worden ontstoken, zo ontspringt in hem zulk een vreugde, dat zijn gehele lichaam siddert en de dierlijke geest triomfeert, als ware hij in de Heilige Drieeenheid, hetwelk alleen zij verstaan, die dat hebben ondervonden. Dit alles is slechts een voorbeeld of aanzicht van de Zoon van God in de mens, waardoor het geloof wordt versterkt en behouden, want de vreugde kan in een aards vat niet zo groot zijn als in een hemels, dat vol is van de volmaakte kracht Gods. Hier moet ik in gelijkenissen schrijven. Ik wil u hier een vergelijking maken tussen de natuur en het Heilige Wezen, in de Heilige Drie-eenheid. Beziet de hemel; deze is een ronde kogel en heeft noch begin, noch einde; overal is evenwel zowel begin als einde, waar ge de hemel ook beziet, alzo is God ook in en boven de hemel, ook Hij heeft begin noch einde. Ziet nu verder de sterrenbaan, zij beduiden des Vaders menigvuldige Kracht en Wijsheid en zij zijn geschapen uit de Kracht en de Wijsheid des Vaders. De hemel, de sterren en de ganse ruimte tussen de sterren, benevens de aarde, stellen de Vader voor en de zeven planeten beduiden de zeven geesten van God of de vorsten der Engelen, bij welke Lucifer ook behoorde vóór zijn val. Deze alle zijn uit de Vader geboren bij de aanvang van de schepping der Engelen, voor de wereld bestond. Merk nu

op: de zon beweegt zich midden in de ruimte tussen de sterren in ronde omgang en zij is het hart der sterren en geeft alle sterren licht en kracht en zij tempert de kracht van alle sterren, zodat alles zeer lieflijk en vreugdevol wordt; zo verlicht ze ook de hemel, de sterren en de ruimte boven de aarde en werkt in alle dingen, die in deze wereld zijn en zij is de koningin dezer wereld en het hart van alle dingen en dit alles beduidt God de Zoon. Want zoals de zoon midden tussen de sterren en de aarde staat en alle krachten verlicht en het licht en het hart is van alle krachten en de vreugde van deze wereld, dewijl alle schoonheid en lieflijkheid leeft in het licht en de kracht der zon, zo leeft ook de Zoon van God in de Vader; Hij is de kern des Vaders en Zijn Kracht is de bewegende, opborrelende vreugde in de Vader, zoals de zon de gehele aarde vreugde geeft. Als men de aarde zou kunnen wegnemen, die het huis der droefenis of de hel is, zo zou de gehele oneindige ruimte op de ene plaats even licht zijn als op de andere; zo is ook de diepte in de Vader op de ene plaats even licht als op een andere, door de glans van de Zoon van God. En zoals de zon een zelfstandig wezen is, vol kracht en licht, dat niet uit alle schepselen schijnt, maar in alle schepselen en alle schepselen zich verheugen in haar kracht, zo is ook de Zoon een aparte zelfstandigheid in de Vader en Hij is des Vaders vreugde of het hart of middelpunt van de Vader. Merk hier op het grote geheimenis Gods. De zon is uit alle sterren geboren en het licht dat uit de natuur voortkomt en zij schijnt in de ganse natuur in deze wereld en zij is met de andere sterren verbonden, als ware zij met hen allen te samen slechts één ster. Zo is ook de Zoon Gods uit alle Krachten Zijns Vaders van eeuwigheid af geweest en niet geschapen, Hij is het hart en de glans uit alle Krachten van Zijn Hemelse Vader, een zelfstandige persoonlijkheid, het centrum. Want de Kracht des Vaders waakt, dat de Zoon van eeuwigheid af daar is; wanneer de Vader zou ophouden voort te brengen, zo zou de Zoon niets meer zijn en wanneer de Zoon niet meer in den Vader zou stralen, zo zou de Vader een donker dal zijn, want de Kracht des Vaders zou niet meer van eeuwigheid tot eeuwigheid opvaren en het Goddelijk Wezen zou niet kunnen bestaan. Alzo is de Vader het zelfstandige Wezen van alle krachten en de Zoon is het hart van de Vader. Ge moet niet denken, dat en de Vader en de Zoon tot één Wezen versmolten zijn, dat men Zijn persoonlijkheid niet meer zou onderkennen of zou zien, neen, als dat zo was, zo zou Hij slechts één persoonlijkheid zijn. Zo min als de zon uit de andere sterren schijnt, al zou zij uit de andere sterren ontstaan zijn, zo min schijnt ook de Zoon uit de Krachten des Vaders wat betreft Zijn Lichaam. En hoewel Hij uit de Krachten des Vaders geboren werd, zo straalt Hij toch weder in de Vader terug, want Hij is een andere persoonlijkheid als de Vader, maar niet een andere God; Hij is eeuwig de

Vader. En de Vader en de zoon zijn één God, één zelfde Wezen in kracht en almacht. De Zoon ziet, hoort, proeft, voelt, ruikt en begrijpt alles evenals de Vader; in Zijn Kracht leeft en beweegt zich alles wat goed is, zoals in de Vader; maar het boze is in Hem niet.

over God, de Heilige Geest. God, De Heilige Geest is de derde Persoon in de triomferende Heilige Godheid en gaat uit van de Vader en de Zoon, de heilig werkende Vreugdebron die in de Vader aanwezig is, een lieflijk, zacht en stil zuchten, dat uitgaat uit de Vader en de Zoon, hetgeen te zien is bij de profeet Elias op de Horeb en op 't Pinksterfeest bij de apostelen van Christus (Handelingen der apostelen 2). Wil men echter Zijn Hoedanigheid, Zijn Wezen goed beschrijven, dan moet men het in gelijkenissen omschrijven, want de Geest kan men niet zo beschrijven, omdat hij geen schepsel is, maar de werkende kracht Gods. Bezie nu eens de zon en de sterren, de velerlei soorten van sterren, die ontelbaar zijn en niet te noemen: deze beduiden de Vader. Uit deze zelfde sterren is de zon ontstaan, want God heeft de zon daaruit gemaakt: deze is de Zoon Gods. Nu zijn uit de zon en de sterren de vier elementen ontstaan: vuur, lucht, water en aarde, zoals ik hierna duidelijk zal bewijzen, als ik over de schepping zal schrijven. Merk nu op: de drie elementen Vuur, Lucht en Water hebben drieërlei bewegingen of werkingen, maar slechts één verschijningsvorm. Ziet, het vuur of de hitte verheft zich uit de zon en de sterren, en uit de hitte verheft zich de lucht en uit de lucht het water. En deze beweging of werking veroorzaakt het leven en de geest van alle schepselen; ook alles, wat in deze wereld maar genoemd kan worden; en dit is de Heilige Geest. Zoals de drie elementen vuur, lucht en water uit de zon en de sterren uitgaan en als het ware één zijn met elkaar, zo gaat ook de Heilige Geest van de Vader en de Zoon uit. En zoals de drie elementen in de diepte werken als één zelfstandige geest, en hitte, koude en wolken maken, en uit de sterren vloeien en alle krachten van de zon en van de sterren zijn in de drie elementen verborgen, alsof zij zelf de zon en de sterren waren, waaruit alle schepselen leven, alzo gaat de Heilige Geest uit van de Vader en de Zoon. Merk nu op het diepe geheimenis. Alle sterren, die men ziet en niet ziet, stellen de kracht van God de Vader voor; uit deze zelfde sterren is de zon geboren, die het hart is van alle sterren. Nu gaat van alle sterren de kracht uit, die in iedere ster in de diepte aanwezig is; de kracht, de hitte en het

licht van de zon, ook in de diepte, en in deze diepte de kracht van alle sterren in eenheid met het licht der zon en de hitte der zon, een bewegende werking, van een stof of een geest, alleen hier is geen verstand, want de Heilige Geest is het niet; zo hoort ook het vierde element tot een natuurlijke geest. Nu is in de ganse diepte des Vaders, buiten de Zoon, niets, want de grote, onmeetbare en onnaspeurlijke Kracht des Vaders en de ondoorgrondelijke kracht en het ondoordringbare Licht van de Zoon, veroorzaakt een levende, volkrachtige, alwetende, alhorende, alproevende, altastende en alvoelende Geest, waarin alle kracht en wijsheid is, zo als in de Vader en de Zoon. Zoals in de vier elementen de kracht en de glans van de zon en alle sterren verborgen is, zo is dat ook in de diepte des Vaders, en dit is eerst recht de Heilige Geest, die de derde zelfstandige persoonlijkheid is in het Wezen van God. over de Heilige Drievuldigheid. Wanneer men nu spreekt of schrijft van drie personen in het Goddelijke Wezen, zo moogt ge niet denken, dat er daarom ook drie godheden zijn; dat ieder van Hen op zich zelf heerst en regeert, zoals de aardse koningen doen. Neen, zo is het Wezen van God niet; want God is kracht en heeft geen lichaam of stoffelijke verschijning. De Vader is goddelijke kracht, waaruit alle schepselen geboren zijn, en dat is van eeuwigheid af zo geweest, Hij heeft geen begin en geen einde. De Zoon is in de Vader, Hij is des Vaders Hart en Licht, en de Kracht en de Glans van de Zoon straalt weer terug in de Vader, zoals de zon straalt in deze wereld. En hoewel de Zoon een andere persoonlijkheid is dan de Vader, zij 't niet buiten de Vader, en ook een God met de Vader, zo is Zijn Kracht, Zijn Glans en Zijn Almacht niet geringer dan die des Vaders. De Heilige Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon en is de derde zelfstandige persoonlijkheid in het Goddelijk Wezen. Deze is de beweeglijke geest in de Vader en gaat van eeuwigheid tot eeuwigheid van de Vader en de Zoon uit; Hij vervult de Vader; hij is niet kleiner of groter dan de Vader en de Zoon. Zijn werkende kracht vervult de Vader. Alle dingen in deze wereld zijn gemaakt naar het voorbeeld van deze Drieeenheid. Gij blinde joden, Turken en heidenen, opent de ogen uwer ziel. Ik moet u aan uw lichaam en over alle natuurlijke dingen bewijzen, aan mensen, dieren, vogels en wormen, zowel als aan hout, stenen, kruid, loof en gras, dat alles gemaakt is naar het voorbeeld van de heilige Drieeenheid van God. Ge zegt: God is één enig Wezen, God heeft geen Zoon. Opent nu uwe ogen en bezie u zelve; een mens is naar Gods beeld en uit deze drievuldige kracht Gods geschapen. Beziet uw inwendige mens; dan

zult ge dit helder en duidelijk kunnen waarnemen, als ge geen dwaas zijt. Merk op: in uw hart, aderen en hersenen zetelt uw geest; in al de krachten, die zich doen gelden in uw hart, uw aderen en uw hersenen en die uw leven uitmaken, openbaart zich God de Vader. Uit dezelfde kracht verheft zich het Licht, dat ge aanschouwt, opdat ge zien en weten zult, wat ge te doen hebt; want het Licht is in uw gehele lichaam, en dit beweegt zich in de kracht en de kennis van het Licht, want het lichaam helpt alle leden in de kennis van het Licht. Dit beduidt God de Zoon. Wanneer, zoals de Vader de Zoon uit Zijn Kracht geboren doet worden, en de Zoon in de Vader uitstraalt, zo doet ook de kracht van uw hart, uw aderen en uw hersenen een Licht te voorschijn komen, dat zich in al uw krachten openbaart en in uw gehele lichaam. Open de ogen uwer ziel en denk er over na, zo zult ge het vinden. Merk nu op: zoals van de Vader en de Zoon de Heilige Geest uitgaat, zo gaat uit de krachten van uw hart, uw aderen en uw hersenen datgene uit, wat in uw ganse lichaam woont en werkt, en uit het Licht dat in u is, gaat wijsheid, verstand en kunst uit, welke het gehele lichaam beheersen, en ook is daarmee alles wat buiten het lichaam is, te onderscheiden. En deze beide zijn in uw gemoed als één: uw geest, en dit is als God de Heilige Geest. En de Heilige Geest uit God beheerst ook uw geest, anders zoudt ge geen kind des Lichts zijn, maar een kind der duisternis. Want door dit Licht, dit verstand en deze beheersing is de mens te onderscheiden van het dier en hij is een Engel Gods, hetgeen ik duidelijk wil bewijzen, als ik zal schrijven over de schepping van de mens. Daarom: let uitdrukkelijk op de ordening van dit boek; en ge zult er in vinden wat uw hart verlangt of ooit maar zou begeren. Zo vindt ge in één mens drie bronnen: ten eerste de kracht in uw gemoed; deze vertegenwoordigt God de Vader; dan het Licht in uw gemoed, dat vertegenwoordigt God de Zoon, ten slotte gaat vanuit al uw krachten en uit het licht dat in u is, een geest uit, die wijs is en dat is uw ziel, en ook de Heilige Geest die van de Vader en de Zoon uitgaat. Het lichaam echter, of het dierlijke vlees des mensen, is als ‘t ware de dode, verdorven aarde, die de mens, door zijn val, zelf zo gemaakt heeft, wat ik hierna zal beschrijven. Zo vindt ge ook de Goddelijke Drie-eenheid terug in de dierenwereld; want zoals de geest van een mens ontstaat, zo ontstaat hij ook bij het dier en daartussen is geen verschil. Alleen dit is het enige verschil, dat de mens uit het beste van de natuur door God is geschapen naar Zijn Beeld en Gelijkenis en God regeert in de mens met Zijn Heilige Geest, zodat de mens spreken, begrijpen en onderscheiden kan. Het dier is evenwel uit de wilde natuurdrift van deze wereld voortgekomen, de sterren en elementen hebben de dieren geboren doen worden door hun bewegingen naar de Wil van God. Zo ontspringt ook de Geest in vogels en wormen en heeft alles zijn drievoudige oorsprong naar het voorbeeld van de goddelijke Drie-eenheid. Zo ziet ge ook de Goddelijke Drie-

eenheid gereflecteerd in hout en stenen, zowel als in kruid, loof en gras, hoewel dit alles aards is. Ook brengt de natuur niets voort, wat het ook moge wezen in de wereld, (en al zou het slechts één uur leven), of het is naar het voorbeeld van de goddelijke Drie-eenheid gemaakt. Merk nu op: In hout, steen of kruid zijn drie factoren en er kan niets ontstaan of groeien, wanneer een van deze drie factoren zou ontbreken. Ten eerste is daar de kracht, waaruit een bepaald lichaam of voorwerp ontstaat, of het nu hout, of steen of kruid is; ten tweede is in het voorwerp of lichaam aanwezig een sap, een vocht; dat is het hart van dat voorwerp; ten derde is er een opborrelende kracht, reuk of smaak; dat is de geest van dat voorwerp of lichaam, waardoor het groeit en toeneemt. Wanneer nu van deze drie factoren een ontbreekt, kan géén ding zijn gewone bestaan hebben. Alzo vindt ge de Drie-eenheid van het Goddelijke Wezen in alle dingen terug, ge moogt zoeken, waar ge ook wilt; en niemand moet in zijn verblinding menen, dat het anders is, of denken, dat God geen Zoon of geen Heiligen Geest heeft. Dit zal ik naar voren brengen, als ik over de schepping zal schrijven en het duidelijk en klaar bewijs, want ik schrijf geen andere meesters na. En al zal ik ook vele voorbeelden en getuigenissen van de Heiligen Gods hierin bespreken, zo is me dit alles toch door God in mijn binnenste geopenbaard, zodat ik het ontwijfelbaar geloof, erken en zie, niet naar het vlees, maar in de Geest, door den drang van God in mijn wezen. Dat moet ge niet zó verstaan, dat mijn verstand groter zou zijn dan dat van alle anderen, die daar leven; maar ik ben een twijg des Heren, slechts een klein en gering vonkje uit hem geboren, en Hij mag mij plaatsen, waar Hij wil; ik kan Hem dat niet verhinderen. Zo ook is dit niet mijn natuurlijke wil, die ik met eigen krachten vermag te volbrengen, want als de Geest aan mij onttrokken werd, zo zou ik mijn eigen arbeid niet meer kennen of begrijpen, en zou mij aan alle kanten tegen de duivel moeten verweren en zou aan verleiding en noodlot onderworpen zijn; zoals alle mensen. Maar gij zult in de volgende hoofdstukken de duivel spoedig ledig zien staan; zijn hovaardigheid en schande zullen ten toon gespreid worden.

HOOFDSTUK IV.

Over de schepping der heilige Engelen. Een aanwijzing of open poort des Hemels. De geleerden en bijna alle schrijvers hebben veel gedacht, gestreefd, nagevorst en zich zeer veel moeite gegeven, om te weten te komen, wanneer en hoe, of vanwaar toch de heilige Engelen zijn voortgekomen. Veel meningen zijn hieromtrent te berde gebracht; daartegenover hebben zij er ook naar gestreefd te onderzoeken, wat toch de diepe val van de grootvorst Lucifer geweest is, of hoe hij toch zulk een boze en grimmige duivel geworden is; waar toch deze boze bron uit is ontstaan, of wat hem daar toch toe gedreven kan hebben. Hoewel dit grote geheimenis van voor ‘s werelds aanvang verborgen is gebleven, en ook menselijk vlees en bloed dit niet begrijpen en doorgronden kan, zo wil toch God, die de wereld geschapen heeft, zich thans eindelijk openbaren, en alle grote geheimenissen zullen worden geopenbaard; aangekondigd wordt, dat de grote dag der openbaring en het uiteindelijke gericht thans nabij zijn en dagelijks te verwachten. Alsdan zal wederom hersteld worden, hetgeen door Adam werd verloren. Op die dag ook zullen in deze wereld het Rijk des Hemels en het Rijk van de Satan gescheiden worden. Dit alles, zoals het is geschapen, wil God in de grootste eenvoud kenbaar maken, zodat niemand het trotseren kan; dat een ieder zijn ogen opheft, opdat zijn verlossing kan aanvangen, en laat hij niet na het uitleven van zijn begeerte, na hovaardij en overmatig brassen en pralen menen, dat hier op aarde het beste leven geleefd wordt, want hij is in zijn overmoed midden in de hel, waar hij met Lucifer kan vertoeven, die hij spoedig vol schrik, angst en eeuwige vertwijfeling, spot en schande zal moeten ontmoeten; een verschrikkelijk voorbeeld hiervan zijn de duivelen, die eens de schoonste Engelen in de Hemel geweest zijn, hetgeen ik naderhand beschrijven en openbaar maken zal. Ik laat God besturen, ik kan Hem niet weerstaan. Over de Goddelijke hoedanigheid. Daar ge nu in het derde hoofdstuk duidelijk vernomen hebt, dat er de Drie-eenheid is in het Goddelijk Wezen, zo wil ik hier nu duidelijk de kracht en de werking in het Goddelijk Wezen aantonen, zowel de eigenschappen als de werkingen, en ook wil ik aantonen waaruit de Engelen geschapen zijn, en wat hun lichamen zijn en waaruit hun kracht bestaat. Zoals ik hiervoor ook heb meegedeeld, is in God de Vader alle kracht en geen mens kan deze kracht evenaren; de sterren en elementen, evenals als al het geschapene in deze wereld, geven hiervan duidelijk

blijk. Alle kracht is in God de Vader en gaat ook van Hem uit, dit komt tot uiting in Zijn Eigenschappen: licht, hitte, koude, zachtheid, zoetheid, bitterheid, zuurheid, wrangheid, geluid en alles, waarvan men onmogelijk kan spreken en dat niet te begrijpen is. Dit alles is in God aanwezig als ene centrale kracht. De krachten, die in God verborgen zijn, zijn echter niet op dezelfde wijze aan het werk als de natuur werkt in de sterren en elementen of in de schepselen. Neen, zo iets moet ge niet denken. Want Lucifer heeft in zijn opstandigheid de krachten van de reine natuur brandend, bitter, koud, ruw, zuur, duister en onrein gemaakt: in de Vader echter zijn alle krachten mild, zacht, gelijk de Hemel, vol van vreugde. Alle krachten gaan jubelend in elkander over en hun schallen stijgt op van eeuwigheid tot eeuwigheid. Daarin is niets anders dan liefde, zachtmoedigheid, barmhartigheid, vriendelijkheid. Er is zulk een jubelende, verheffende bron der vreugden, dat alle stemmen van het Hemelse Vreugdenrijk zich laten horen. Men kan het met niets vergelijken, zo schoon is het. Wil men het echter toch ergens mee vergelijken, zo moet men het vergelijken met de ziel des mensen. Wanneer deze door de Heiligen Geest ontstoken is, zo is ze evenzo vreugdevol en jubelend; alle krachten stijgen jubelend in haar omhoog, zij doen het lichaam sidderen. Dit is een juist beeld van de Goddelijke hoedanigheid; in God is alles Geest. De hoedanigheid van het water is niet op een zelfde wijze in God aanwezig als in deze wereld, maar zij is een geest, zeer helder en fijn; een kracht, waarin de Heilige Geest omhoog stijgt. De bittere hoedanigheid werkt in de zoete, in de zure en in de wrange, en de Liefde stijgt daar in op van eeuwigheid tot eeuwigheid, want de Liefde in het Licht en de Waarheid gaat uit van het hart of de Zoon van God, en de H. Geest heerst in alles. En dit is in de diepte des Vaders als een goddelijke heilbrenger, welke ik noodgedwongen met de aarde vergelijken moet, die vóór haar ondergang zo’n heilbrenger geweest is, alleen niet zo hard, koud, bitter, zuur en duister, maar zoals de Hemel, zeer licht en rein; en alles, wat daarin was, was goed en Hemels; maar vorst Lucifer heeft dat te gronde gericht, zoals hierna zal worden verteld. Deze Hemelse krachten brengen Hemelse en vreugdevolle vruchten en kleuren voort, allerlei bomen en heesters waaraan de schone en lieflijke vrucht des levens groeit; ook groeien er allerlei bloemen met schone Hemelse kleuren en geuren. Hun smaak is velerlei, ieder heeft zijn eigen eigenschap, heilig, goddelijk en vol van vreugde; iedere eigenschap draagt haar eigen vrucht; zoals in de aarde schone gesteenten, zilver en goud verborgen zijn, zo brengt de Hemel ook zijn vruchten voort. De natuur arbeidt volijverig aan de verdorven en dode aarde, opdat zij op Hemelse wijze zou kunnen voortbrengen, maar zij brengt dode, duistere en harde vruchten voort, die niet zijn naar het voorbeeld van de Hemelse vruchten; ze zijn boos, bitter,

zuur, heet, koud en ruw en er is nauwelijks één goede vrucht daarbij. Hun sap is vermengd met de helse eigenschappen, hun reuk is onaangenaam; alzo heeft Lucifer het aangericht, wat ik hierna duidelijk bewijzen wil. Wanneer ik nu schrijf van bomen, struiken en vruchten, zo moet ge dit niet aards verstaan, want het is niet mijn bedoeling, dat in de Hemel een dode, harde, houten boom of steen zou groeien, die aards en stoffelijk is. Neen, mijn bedoeling is Hemels, geestelijk en waarachtig. In de Goddelijke Rijkdom zijn voornamelijk twee zaken te onderscheiden. Ten eerste de Goddelijke Krachten; zij zijn een bewegende, opborrelende kracht, waaruit elke vrucht naar eigen hoedanigheid en aard geboren wordt, zoals Hemelse bomen en heesters, die zonder ophouden vrucht dragen, bloeien en groeien in Goddelijke Kracht, zo verrukkelijk, dat ik het niet kan beschrijven, maar ervan stamel als een kind dat leert spreken. De andere factor in de goddelijke rijkdom is het geluid, zoals in de krachten der aarde ook het geluid aanwezig is. Daaruit komt voort goud, zilver, koper, ijzer en dergelijke, waarvan men allerlei instrumenten maken kan die galmen en vreugde geven, zoals klokken, bazuinen en alles wat geluid geeft; dit zelfde geluid is ook in alle schepselen op aarde, anders kon alles geluidloos zijn. Alles groeit vreugdevol op en vol sierlijkheid en schoonheid. Zoals nu de Goddelijke Krachten velerlei zijn, zo is ook het geluid meervoudig. Wanneer de Krachten in God omhoog stijgen, brengt de ene de andere in beweging; zij vloeien inéén, het is een gestadig vermengen; dan zijn verschillende kleuren daarin te onderscheiden en in deze kleuren groeien verschillende vruchten; het geluid vermengt zich hiermee en stijgt hieruit op; dan klinken de tonen en de galmen in het Hemelse Vreugderijk. Wanneer ge in deze wereld vele duizenden instrumenten en snaarinstrumenten tezamen brengt en ge liet ze alle op zijn schoonst door elkander klinken en ge zoudt de knapste meester hebben om ze te bespelen, zo zou dit toch maar als hondengeblaf klinken in vergelijking met de goddelijke muziek en de heerlijke klanken die zouden opgaan van deze muziek van eeuwigheid tot eeuwigheid. Wanneer ge nu de Hemelse, Goddelijke Rijkdom en heerlijkheid wilt aanschouwen, en wat voor gewas er wordt voortgebracht, wat voor lust en vreugde er is, zie dan met intense belangstelling deze wereld aan, en merk op welke vruchten er uit de krachten der aarde groeien aan bomen, struiken, wortelen, bloemen, olie, wijn, graan en alles, wat bestaat en wat uw hart kan doorvorsen; dat alles is een voorbeeld van wat de Hemelse rijkdom vermag te geven. Want de aardse en verdorven natuur heeft van de aanvang der schepping tot op heden voortdurend gearbeid, opdat zij Hemelse Vormen zou kunnen voortbrengen, in de aarde en in mensen en dieren. Men ziet, hoe alle jaren nieuwe kunstuitingen ontstaan, van de aanvang af tot nu toe, maar zij hebben geen goddelijke krachten en

werkingen kunnen voortbrengen; daarom is haar vrucht half dood, verdorven en onrein. Ge moet niet denken, dat in het Rijk van God dieren, wormen of schepselen ontstaan, zoals in deze wereld; neen, ik bedoel slechts de wondervolle verhoudingen, krachten en bekwaamheden te vermelden die in Gods Rijkdom besloten liggen. De natuur arbeidt volijverig, opdat zij naar haar vermogen Hemelse Vormen en Beelden zal kunnen voortbrengen, zoals men die aanschouwt in mensen, dieren, vogels en wormen, zowel als in het gewas, dat op de aarde groeit en dat alles zo bovenmatig kunstig is geschapen, want de natuur wil gaarne haar nietswaardigheid verliezen, opdat de Hemelse vorm in heilige kracht kan worden geboren. Deze vruchten zijn niet dood, hard, zuur of wrang, zij verrotten niet en worden niet onwelriekend in deze wereld, neen, zij rijpen in heilige, Goddelijke Kracht. Hun samenvoeging is uit de Goddelijke Kracht, uit de Goddelijke Rijkdom, een spijze van de heilige Engelen. Wanneer de diepe val van de mens het niet onmogelijk had gemaakt, zou hij in deze wereld ook op deze zelfde wijze aan de dis genood zijn en van deze vruchten hebben gegeten, zoals zij hem in ‘t Paradijs zijn aangeboden; maar de boze lust en de zucht des duivels, die de krachten infecteert waaruit Adam is voortgekomen en ze bederft, bracht de mens in verzoeking van het boze en van het goede te eten, waarover ik hierna duidelijk zal schrijven en hetgeen ik ook bewijzen zal.

Over de schepping der Engelen. De Geest toont aan en bewijst helder en duidelijk, dat vóór de schepping der Engelen het Goddelijke Wezen met Zijn Werkingen en Zijn Wasdom van eeuwigheid af bestaan heeft en dat God ook aandeel heeft in de schepping der Engelen, dat Hij er voor die tijd dus was, dat Hij er nu is en dat Hij in alle eeuwigheid zal bestaan. De ruimte in het heelal, daarbij de hemel, die wij met onze ogen zien, zowel als de plaats, waar de aarde en de sterren zijn, alsmede de ruimte, tussen de hemellichamen, hebben een vorm gehad, zoals zij nog heden boven de hemelen, in de goddelijke praal en pracht hebben. Zij is echter het rijk geworden van de grootvorst Lucifer, toen de Engelen geschapen werden. Er is ook een andere verklaring, nml. dat hij (Lucifer) uitgestoten werd in het allerbuitenste, hetwelk ook het alleruitwendigste is. Hij heeft in zijn trotse opstandigheid in zijn koninkrijk de krachten, waaruit hij is voortgekomen, ontstoken en brandende gemaakt. Hij heeft bedoeld zich boven de Zoon Gods te verheffen en groter en lichter te zijn dan hij; maar hij is een dwaas geworden, daarom kon hij in deze toestand niet bestaan

in God, waarop toen de schepping dezer wereld gevolgd is. Ten slotte zal deze wereld toch weder te bestemder tijd door God zó worden als ze was voor de schepping der Engelen; en Lucifer zal een hel, grafgewelf of woonplaats toegewezen worden in deze wereld en eeuwig in zijn zelf veroorzaakte ellende blijven; het zal zijn als een woestijn, een woning der schande, als een donker dal, een hel vol geheimzinnigheid. Merk nu op: God heeft de heilige Engelen allen in één keer geschapen, niet uit een vreemde stof, maar uit Zichzelf, uit Zijn eigen Kracht en Wijsheid. De filosofen hebben gemeend, dat God de Engelen geschapen heeft uit het Licht; maar zij hebben zich vergist; zij zijn niet alleen uit het Licht gemaakt, maar uit alle Krachten van God. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, er zijn in Gods Wezen twee verschillende dingen te onderscheiden: ten eerste de Kracht, beter gezegd alle Krachten van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; deze zijn lieflijk, vreugdevol en zij zijn als één centrale kracht. Zoals in de lucht de kracht van alle sterren heerst, zo is het ook met de Krachten die in Hem zijn, alleen: iedere Kracht, die in God aanwezig is, openbaart zich afzonderlijk in zijn speciale werking. Iedere Kracht heeft zijn eigen geluid en dit weerklinkt naar zijn eigen aard; het Hemelse Rijk der Vreugden hoort men er in weerklinken. Uit deze Goddelijke Krachten zijn alle Engelen geschapen, d.w.z. uit het lichaam der natuur. Nu zoudt ge kunnen vragen: Hoe zijn ze geschapen of geboren, of hoe is hun verschijningsvorm? Ja, wanneer ik een Engelentong zou hebben en gij het verstand van een Engel, zo zouden wij hierover schoon kunnen spreken, maar de geest ziet het, en dat kan de tong niet uitspreken; ik kan geen andere taal spreken dan de taal van deze wereld. Maar wanneer de Heilige Geest in u is, zal uw ziel het verstaan. Ziet, de heilige Drievuldigheid heeft uit zichzelf een Lichaam of Beeld gevormd, als een kleine God er uitziende. Dit Beeld of Lichaam ziet er ongeveer uit als de mens. In God is geen begin en geen einde; de Engelen echter hebben een begin en een einde; maar niet merkbaar of begrijpelijk, want een Engel kan nu eens groot, dan weer klein zijn; hun snelle verandering gaat even snel als de gedachten van de mensen. Alle hoedanigheden en krachten zijn in een Engel aanwezig, evenals ze in de Godheid aanwezig zijn. Nu moet ge het volgende goed verstaan. Zij zijn gemaakt uit de Krachten Gods, daaruit zijn hun verschijningsvormen tezamen gevoegd. Ziehier een voorbeeld. Uit de zon en de sterren ontstaan de elementen, en deze scheppen een levende Geest in de aarde, en de sterren blijven in hun baan en de geest ontvangt de eigenschap der sterren. Nu is echter de geest, naar zijn samenstelling iets buitengewoons en hij heeft een substantie als alle sterren, en de sterren zijn en blijven ook iets bijzonders, een ieder voor zich. Maar toch heerst de eigenschap der sterren in de geest: de geest kan en mag zich verheffen, of ook het tegenovergestelde kan het geval zijn;

hij leeft onder de invloeden der sterren, het mag zo zijn, maar toch heeft hij de eigenschap der sterren tot zijn eigendom gemaakt, al had hij ze ook oorspronkelijk van de sterren. Evenzo als de moeder, die het zaad in zich heeft; omdat ze het in zich heeft en omdat het het zaad is, zo is het van de moeder; wanneer echter een kind daaruit geboren wordt, is het niet meer van de moeder, maar van het kind. En hoewel het kind woont in het huis van de moeder en de moeder het met haar voedsel spijzigt en het kind ook zonder de moeder niet zou kunnen leven, toch zijn de geest en het lichaam dat uit het zaad der moeder gegroeid is, het eigendom van het kind en het kind behoudt het recht op zijn eigen lichaam. Zo is het ook met de Engelen: zij zijn ook allen uit het Goddelijk Zaad voortgekomen, maar een ieder van hen heeft een eigen lichaam, dat hen toebehoort, en ofschoon ze in God wonen en eten van de vruchten hunner moeder, uit wie ze geboren zijn, zo is toch hun lichaam hun eigendom. Maar de Eigenschap buiten hen en buiten hun lichaam, als het ware te vergelijken met hun moeder, waaruit ze geboren zijn, deze Eigenschap is niet van hen, evenzo als de moeder niet het eigendom is van het kind; en ook de spijze van de moeder is niet het eigendom van het kind, maar de moeder geeft het hem uit liefde, omdat zij het kind gebaard heeft. Zij mag het kind ook uit haar huis verstoten, als het haar niet gehoorzamen wil; ze mag hem ook de spijs onthouden, hetgeen Lucifer ook overkomen is. Alzo mag God Zijn Goddelijke Kracht, die buiten de Engelen om bestaat, ook aan hun onttrekken, wanneer zij zich tegen Hem verzetten. Wanneer dit echter gebeurt, moet een geest versmachten en vergaan, evenals wanneer aan een mens de lucht, die zijn moeder is, wordt onttrokken, dan moet hij sterven. Alzo kunnen ook de Engelen zonder hun moeder niet leven.

HOOFDSTUK V.

Over het stoffelijke lichaam, het wezen en de hoedanigheid van een Engel. Nu komt hier de vraag naar voren: wat heeft een Engel voor lichaam, gestalte of verschijningsvorm en hoe wordt hij voorgesteld? Zoals de mens naar Gods Beeld en Gelijkenis is geschapen, zo is het ook bij de

Engelen, want zij zijn broeders van de mensen en in de opstanding zullen de mensen geen andere vorm en beeltenis hebben dan de Engelen; hetgeen onze koning Christus ook betuigt in Mattheus 22, 30. Zo hebben de Engelen zich hier op de aarde ook nooit anders aan de mensen geopenbaard dan in mensengestalte. Daar wij nu in de opstanding aan de Engelen gelijk zullen zijn, zo moeten we ons de Engelen ook voorstellen, evenzo gevormd als wijzelf zijn, anders zouden wij in de opstanding een andere gestalte hebben, hetgeen in strijd zou zijn met de eerste schepping. Zo verschijnen ook Mozes en Elia aan de discipelen van Christus in hun eigen vorm en gestalte op de berg Thabor, terwijl zij reeds lang in de Hemel zijn geweest; en Elia is lichamelijk in de Hemel opgenomen en heeft geen andere gestalte als hij op aarde gehad heeft. 2 Korr. 2:11. Ook toen Christus ten Hemel voer, zweefden er twee Engelen in de wolken, die tot de discipelen spraken: “Gij Galileese mannen, wat staat gij en ziet ge op naar de Hemel. Deze Jezus, die van U opgenomen is in de Hemel, zal alzo wederkomen, gelijk gij Hem naar de Hemel hebt zien henevaren.” Hand. der Apostelen 1,11. Het is helder en duidelijk, dat hij in zulk een gestalte ten jongste dage zal wederkomen met een goddelijk en verheerlijkt Lichaam, als een vorst van de heilige Engelen, zoals de mensen ook eenmaal zullen zijn. De geest toont ook helder en duidelijk aan, dat de Engelen en de mensen een beeltenis hebben, want God heeft in de plaats van de verstoten Engel Lucifer, uit dezelfde substantie waaruit Lucifer gemaakt was, een andere Engel geschapen; dat was Adam, wanneer hij slechts zuiver gebleven ware. Maar dit is de zekere verwachting der opstanding: wij zullen wederom de reinheid en zuiverheid der Engelen verkrijgen. Nu vraagt ge: Hoe zijn dan de Engelen naar het Beeld van God gemaakt? Antwoord: Ten eerste is er het Lichaam, dat is gevormd, niet te scheiden en niet te verwoesten en voor de mensen onbegrijpelijk; dit is uit de Goddelijke Kracht geschapen en deze Kracht kan in de eeuwigheid niet teniet gedaan worden. Zo min als iemand of iets in staat is de Godheid te niet te doen, zo min kan ook iemand of iets een Engel teniet doen, omdat deze uit God is gemaakt, niet met menselijk vlees en bloed, maar uit Goddelijke Kracht. In deze zelfde kracht bestaat het Licht van God, de Zoon. Nu scheppen deze Krachten, die in de Vader en in de Zoon zijn en zich in de Engel manifesteren, een verstandige geest, die weer van de Engel uitgaat. In het begin doen de Krachten des Vaders een Licht ontstaan, waardoor een Engel de Vader ziet en waardoor hij de uiterlijke Kracht en Werking Gods, die buiten zijn lichaam liggen, zien kan en ook zijn medebroeders, evenals de heerlijke vruchten Gods; deze kan hij genieten en daaraan zijn vreugde hebben. En ditzelfde Licht is oorspronkelijk afkomstig van de Zoon van God, en heeft gestalte aangenomen in het Lichaam van de Engel en is het eigendom van de Engel; het kan hem door niets ontnomen

worden, slechts door hem zelf, zoals bij Lucifer het geval is geweest. Alle kracht nu, die in de Engel is, veroorzaakt dat Licht. Zoals God de Vader Zijn Zoon geboren doet worden, en Hij als het ware het hart des Vaders is, zo doet de Kracht van de Engel ook diens Zoon geboren worden, dat ook als zijn hart is, en zo worden alle Krachten in de Engel verlicht. Daarna ontspringt er een bron uit die Krachten en dit is Zijn Geest, die in alle eeuwigheid opstijgt; de wetenschap en het inzicht omtrent de goddelijke dingen zetelen in die geest. Deze geest komt tot uiting in het gemoed, hij vindt hier vijf open deuren en kan zien, wat in God is en ook, wat in hemzelf is. Merk nu op: Er zijn ook twee dingen te onderscheiden in het wezen van een Engel. Ten eerste is er de kracht; in de kracht is de toon, de klank, die zetelt in het hoofd, in het gemoed, zoals bij de mensen in de hersenen, en in het gemoed heeft hij zijn open poorten, in het hart heeft hij zijn oorsprong en zijn zetel; uit het hart ontspringen immers alle krachten en zij keren ook weder terug tot het hart, zoals ook bij de mens; in het hoofd heeft hij zijn vorstelijke verblijfplaats, daar ziet hij alles, wat buiten hem is, en hoort alles, proeft alles, ruikt alles en voelt alles. En als hij nu de Goddelijke Toon en galm, die buiten hem is, ziet opstijgen en hoort, dan wordt zijn geest aangestoken met vreugde, en verheft zich in zijn vorstelijk stoel en zingt vol vreugde de verrukkelijke woorden van de heiligheid Gods en van de vruchten en het gewas van het eeuwige leven, van de lieflijkheid en de kleuren van het eeuwige, en van de volzalige aanblik van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ook zingt zijn geest van de broederschap der Engelen, van het eeuwigdurende Vreugderijk van de Heiligheid Gods, van hun vorstelijke heerscharen, in één woord van alle krachten, waarover ik, helaas, wegens mijn verderf in ‘t vlees, niet schrijven kan, was ik slechts daarbij geweest. Wat ik echter hier niet schrijven kan, dat wil ik aan uwe ziel toevertrouwen om te overdenken: ge zult het op de dag der opstanding helder en duidelijk zien. Ge moogt met mijn geest niet spotten, hij is niet uit, een wild dier voortgekomen; maar uit mijn kracht en door de Heiligen Geest verlicht. Ik schrijf hier niet zonder inzicht; wanneer gij echter als een Epicurist uit een duivelse aandrift over deze dingen zoudt spotten, en zeggen zoudt: deze man is niet ten Hemel gevaren en heeft het niet gezien of gehoord, het zijn fabelen, zo zal ik u in naam van mijn inzicht voor het jongste gericht dagen. En als ik nu lichamelijk niet in staat ben, u daarheen te leiden, zo is Hij, van Wie ik mijn kennis ontvangen heb, machtig genoeg, u in de afgrond der hel te werpen. Wees daarom gewaarschuwd en bedenk, dat ge ook tot de Engelenschaar behoort, en lees het navolgende vol vreugde: Zo zal de Heilige Geest in u gewekt worden en ge zult verlangen deel te nemen aan de Hemelse reidansen. Amen. De speler

heeft zijn snaren al gespannen, de bruidegom komt. Ziet toe, dat ge niet de duivelse jicht in uw voeten hebt, wanneer de dans begint, zodat ge geheel ongeschikt zijt om de dans der Engelen mede te dansen en zodoende van de Bruiloft zijt buiten gesloten, omdat gij geen Engelenkleed draagt. Waarlijk, de deur zal achter u dicht geworpen worden en ge zult niet meer binnenkomen, maar ge zult met de helse wolven in het helse vuur dansen; de spot zal u dan wel vergaan en het berouw zal dan aan uw ziel knagen. Over de hoedanigheid der Engelen. Nu is de vraag: wat heeft een Engel voor eigenschappen? Antwoord: De heilige ziel des mensen en de geest van een Engel is één en hetzelfde en er is tussen deze twee geen onderscheid. Wat van buitenaf in de mens door de lucht komt, is van een aardse verdorvenheid, daartegenover staat, dat er ook een goddelijke en hemelse eigenschap is, aan de schepselen verborgen, maar de heilige ziel verstaat dat wel zoals de koninklijke Profeet David zegt in Psalm 104:3, “De Heer maakt van de wolken zijn wagen en wandelt op de vleugelen des winds.” Een eenvoudig mens zou echter kunnen vragen: Wat meent ge wel hiermee? Ik bedoel hiermee de kracht, die van buiten komt in het lichaam van een Engel en ook weer naar buitentreedt, zoals bijvoorbeeld het geval is, wanneer een mens ademhaalt en hij ademt weer uit, want daaruit kan het lichaam en ook de geest alleen leven. De eigenschap van buiten steekt de geest, in het hart, in de bronwel aan; daardoor worden alle krachten in beweging gebracht, dan stijgt dezelfde eigenschap op in de geest, die de natuurgeest is van de mens of van de Engel; hij stijgt op naar het hoofd; daar is de plaats. waar hij raad houdt met zich zelf. De eerste factor is: de ogen, die op alles reageren, wat ze ook zien, want zij zijn het licht. Zoals het licht uit de Zoon Gods uit gaat tot de Vader, in al Zijn Krachten, en alle Krachten des Vaders aandoet en evenzo andersom, zo werken de ogen op de dingen, die zij bezien, en omgekeerd, en vandaar wordt het naar het hoofd gevoerd en daar wordt het bewust gemaakt. Vandaar gaat het naar het hart, en het hart geeft het door aan de anderen in het ganse lichaam; dan grijpen mond, hand en voet toe. De tweede is: de oren, zij ook werken in het gehele lichaam door de geest; hun oorsprong ligt in de klank, de toon, die overal uit opstijgt. Zoals in alle Krachten Gods de toon klinkt, die ‘t Hemelse weergeeft, en deze toon of klank weer van deze krachten uit gaat en terug is te vinden in de verbinding van de Geest met God, zo komt deze toon naar voren; wanneer de éne kracht de andere in beweging brengt. Dan klinkt ze duidelijk, zij stijgt dan weer op in de Vader, en alles, wat in de Vader is

wordt er door aangeraakt, zij brengen steeds weer dezelfde toon voort. Zo zijn dus de oren het tweede motief in het hoofd, zij staan open en de klank of toon gaat door hen heen in alles, wat geluid geeft. Wanneer dit gebeurt wordt de geest aangeraakt en deze wordt gebracht voor de vorstelijke zetel, die in het hoofd is, daar wordt hij goedgekeurd. En zoals de Geest het int, zo brengt hij het over in het hart en het hart, of de bron van het hart, geeft eraan alle krachten die in het lichaam zijn; dan werken mond en handen mede. Wanneer het evenwel aan de vorstelijke zetel, die bij het hoofd is, niet bevalt, wanneer het beproefd is, zo laat deze het van zich gaan en brengt het niet over naar de moeder - het hart. Het derde motief is de neus; de bron uit het lichaam stijgt op naar de neus, wat betreft de functie van dit orgaan. De neus heeft twee open poorten. Zoals de lieflijke en verrukkelijke geur uitgaat uit alle krachten van de Vader en van de Zoon, en door de Heilige Geest wordt getemperd, zodat uit de bron van de Heilige Geest deze kostbare geur opstijgt, en werkt, in alle krachten des Vaders, en deze ontsteekt, zodat ze opnieuw zwanger worden van de verrukkelijke geur en deze opnieuw bij en in de Heiligen Geest doen geboren worden. Alzo stijgt ook in mens en Engel deze kracht van de reuk uit alle lichaamskrachten door middel van de Geest op, verlaat wederom de neus en doet alle reuk aan en voert die terug door de neus, de derde factor in ‘t hoofd. Ook deze wordt gebracht voor de vorstelijke zetel in het hoofd. Daar wordt zij gekeurd, of het een goede reuk is, aannemelijk of niet. Is zij goed, dan wordt zij doorgegeven aan de moeder, zodat zij begint te werken, is zij niet goed, dan wordt zij verwijderd. En deze factor, deze reuk, die ontstaat uit de krachten Gods, behoort tot het hemelse Vreugderijk en heeft een heerlijke, lieflijke en schone bron in God. Het vierde is: de smaak, die de tong heeft; zij stijgt ook op uit alle krachten des lichaams door de Geest, naar de tong, want alle bronnen van het gehele lichaam gaan naar de tong en deze is het essentiële van alle krachten of de smaak. Zoals de Heilige Geest uitgaat van de Vader en de Zoon, en goed is, en in zijn werken alles doet opstijgen wat goed is, en weer verenigt met de Vader, zodat de Krachten des Vaders wederom zwanger worden en opnieuw de smaak voortbrengen; wat echter niet goed is wordt door de Heilige Geest uitgespuwd, als iets, dat walging opwekt, zoals staat in de openbaring van Johannes: “hij spuwt de grootvorst Lucifer uit in zijn hoogmoed en bederf, want hij kon de hovaardige, vurige, onwelriekende geur niet meer verdragen,” alzo gaat het ook alle hovaardige mensen. O mens, laat u dit gezegd zijn, want de geest ijvert zeer in dit opzicht: Laat af van de hoogmoed, of het zal u vergaan als de duivelen, het is ernst, de tijd is kort, en zo ge niet luistert, zult ge spoedig het helse vuur bemerken. Zoals nu de Heilige Geest alles keurt, zo doet de tong dit ook; zij keurt elke smaak. En wanneer de geest het goedkeurt, dan wordt de smaak voor de

vier andere factoren geplaatst, voor de vorstelijke zetel, daar wordt onderzocht, of de smaak nuttig is ten opzichte van de andere eigenschappen van het lichaam: ten slotte komen dan mond en handen in werking. Wanneer de smaak evenwel niet goed is wordt ze door de tong uitgespuwd, voor ze voor de vorstelijke zetel verschijnt; bevalt ze de tong echter wel, en is ze goed maar dient ze niet het gehele lichaam, zo wordt ze toch, wanneer ze voor de vierschaar verschijnt, verworpen en de tong moet ze uitspuwen en niet meer aanroeren. Het vijfde zintuig is: het voelen, de tastzin. Deze stijgt ook op in alle krachten des lichaams, naar het hoofd. Want uit God de Vader en God de Zoon gaan alle krachten uit en de ene brengt de andere in beweging, wat weer tot gevolg heeft, dat het geluid ontstaat, zodat alles klinkt en beweegt; wanneer de ene kracht de andere niet wekte, zou zich niets bewegen. Dit in beweging brengen brengt ook de Heilige Geest in werking, zodat Hij opstijgt in alle krachten des Vaders waarin het hemelse Vreugdenrijk triomferend tot stand komt, zowel als het groeien en bloeien, klinken en geboren worden. Christus spreekt in het Evangelie: “Ik werk en Mijn Vader werkt ook.” Joh. 5:17. Door deze werking wordt de Heilige Geest geboren en hierin zijn alle krachten beweeglijk en in werking. Hij stijgt op van eeuwigheid tot eeuwigheid en maakt de Krachten des Vaders zwanger. Zo iets heeft ook plaats bij Engelen en mensen. Alle krachten in hun lichaam stijgen op en de een wekt de andere tot werking; wanneer dit niet zo was, zou de mens en de Engel niets kunnen voelen. Wanneer één lid van het lichaam te zwaar getroffen wordt, zo roept het het gehele lichaam aan om hulp en het gehele lichaam komt in werking alsof er een groot oproer was, alsof de vijand nabij was, en het komt het éne lid te hulp en verlost het van zijn smarten. Dat kunt ge zien, wanneer ge uw vingers stoot, kwetst of verwondt of een of ander lichaamsdeel, zoals ge wilt. De Geest loopt snel te hulp, hij gaat naar zijn moeder, het hart, en klaagt het aan de moeder, en wanneer de smart groot is, dan wekt de moeder alle leden van het gehele lichaam en moet alles het éne lid te hulp komen. Merk nu op: Zo beweegt zonder onderbreking de ene kracht de andere in het lichaam, en alle krachten gaan naar het hoofd en staan voor de vorstelijke zetel die hen allen keurt. Wanneer één lid zich te veel zou laten gelden en één de anderen schade zou berokkenen, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn met het “zien”; wanneer dit zintuig datgene zou liefhebben, wat hem niet toekwam, zoals Lucifer deed, die de Zoon Gods zag en het heerlijke licht liefhad en zich te veel deed gelden, bovendien voornemens was Hem gelijk te worden of nog schoner en heerlijker dan Hij; zulk een werker wijst de vierschaar af. Of, het kan ook zijn, dat het “horen” zich te zeer laat gelden en gaarne valse woorden en zaken horen wil en deze naar het hart wil overbrengen; dit wordt ook door de raadsheren voor de zetel afgekeurd. Of het “ruiken”

kan zich ook zo gedragen, dat het lust heeft te ruiken, wat hem niet toebehoort, zoals Lucifer ook deed en hij liet zich de heilige reuk van de Zone Gods welgevallen en meende, dat hij zelf in zijn zelfverheffing en zelfontbranding nog veel lieflijker zou geuren, zoals hij moeder Eva ook bedroog en zei dat wanneer zij zou eten van de verboden boom, zij even wijs zou zijn als God en aan Hem gelijk. Mozes 3:5. Ook dit wordt afgekeurd door de vier ouderen. Ook kan het nog zijn dat de “smaak” zich datgene laat welgevallen, wat niet geschikt is voor het lichaam, of datgene wil eten, wat niet het zijne is, zoals Moeder Eva zich in het Paradijs des duivels appels liet smaken en daarvan at. Ook dit wordt afgekeurd. Ten slotte: Daarom zijn er vijf factoren, vijf zintuigen, opdat de ene de andere raad zou geven en een ieder van hen is een bijzondere eigenschap, en de samengestelde geest, die uit al deze kracht geboren wordt, is hun koning en vorst en zetelt in het hoofd van de mens, in zijn hersenen, en bij de Engelen zetelt de kracht ook in het brein op de vorstelijke zetel en legt beslag op datgene, wat door de gehele vorstelijke raad besloten is.

HOOFDSTUK VI.
Hoe Engel en Mens Gods Beeld en Gelijkenis kunnen zijn. Ziet, zoals Gods Wezen is, zo is ook het wezen der Engelen en der mensen; en zoals het Goddelijk Lichaam is, zo is ook het lichaam der Engelen en der mensen. Alleen is dit het onderscheid, dat Engel en mens een schepping zijn, een gedeelte van het gehele wezen en niet het gehele wezen zelf; als het ware één zoon van het gehele wezen; daarom is het redelijk, dat hij een onderdaan is van het gehele wezen, daar hij slechts de zoon is. En wanneer zich de zoon verzet tegen de Vader, zo is het rechtvaardig, als de Vader hem uit zijn huis verstoot, want hij verzet zich dan tegen Hem, die hem heeft doen geboren worden en van Wiens kracht hij een schepping is. Want wanneer iemand iets formeert uit datgene wat hem toebehoort, zo heeft hij, wanneer datgene, wat hij geschapen heeft, zich niet naar zijn wil gedraagt, het recht daarmee te doen wat hij wil, een val ter ere of ter onere; hetgeen ook met Lucifer voorviel. Merk nu op: De gehele goddelijke Kracht des Vaders spreekt uit alle eigenschappen des

Vaders. Het woord, dat gesproken wordt verpersoonlijkt de Zoon Gods. Nu gaat dit zelfde woord, dat de Vader spreekt, uit van Zijn Krachten. Dit spreekt de Vader uit en dit woord is de glans die van Hem uitgaat en wanneer dit woord is uitgesproken, zo is het niet meer in de Vader, maar weerklinkt in alles wat de Vader zegt. Nu heeft dit door de Vader gesproken woord zulk een scherpte, dat de klank ervan ogenblikkelijk zeer snel door de gehele volheid des Vaders opgenomen wordt; en deze zelfde scherpte is de Heilige Geest. Want het woord, dat uitgesproken is, blijft als een glansrijke of heerlijke opdracht voor de Koning bestaan; de klank of toon evenwel, die van het woord uitgaat, en door het woord heen klinkt, verricht de opdracht des Vaders, die Hij door middel van dat woord heeft te kennen gegeven. Dit nu is de geboorte van de Heilige Drievuldigheid. Ziet nu: zo is het ook gesteld met de Engel en de mens. De kracht in het gehele lichaam aanwezig, heeft alle eigenschappen, zoals ze ook in God de Vader zijn. Zoals nu in God de Vader alle krachten opstijgen van eeuwigheid tot eeuwigheid, zo stijgen ook in Engelen en mensen alle krachten op in het hoofd; hoger kunnen zij niet opstijgen, want het is slechts een schepsel, eindig en gebonden aan een begin en een einde. En in het hoofd zetelt de goddelijke vierschaar, de goddelijke rechterstoel of God de Vader, en de vijf zintuigen of eigenschappen zijn de raadgevers; zij ontvangen hun verschillende indrukken uit het gehele lichaam, uit alle krachten die in het lichaam werken. Nu beraadslagen de vijf zintuigen altijd zo, dat het gehele lichaam vertegenwoordigd is, en als er raad gehouden is en een besluit genomen, dan spreekt de rechter het oordeel uit. Hij spreekt een oordeel uit in het hart, het midden van het lichaam, het centrum, want het hart is de bronwel aller krachten vanwaaruit ook het opstijgen der krachten aanvangt. Daar staat dat woord nu in het hart, als een uit alle krachten samengesmolten eenheid, en dit beduidt God de Zoon. Nu gaat het uit het hart over in de mond; deze formuleert het en verduidelijkt het, zo, dat het opklinkt en duidelijk naar de vijf zintuigen is te onderkennen. Naar gelang van de eigenschap, waaruit het woord zijn oorsprong heeft, wordt het woord door de tong uitgesproken; en het onderscheid tussen de woorden wordt bepaald door de tong; en dit beduidt de Heilige Geest. Want evenals de Heilige Geest van de Vader en de Zoon uitgaat en alles onderscheidt en alles verduidelijkt en datgene teweeg brengt wat de Vader door het woord spreekt, evenzo verduidelijkt en onderscheidt de tong al datgene wat de vijf zintuigen in het hoofd door het hart aan de tong overbrengen en de geest gaat uit van de tong door middel van de klank, zoals de raad der vijf zintuigen het heeft besloten en dat, wat daar besloten is, wordt uitgevoerd.

Over de mond. De mond doet duidelijk uitkomen, dat ge een zoon van uw Vader zijt, met beperkte macht begiftigd, of ge nu mens of Engel zijt, want door middel van de mond moet ge de kracht uws Vaders in u opnemen, opdat ge zult kunnen leven. Een Engel kan dat doen, zowel als een mens; al heeft hij ook aan het element lucht niet op dezelfde wijze behoefte als de mens. Hij moet toch door middel van de mond de geest in zich opnemen, waardoor de lucht in deze wereld is ontstaan. Want in de Hemel bestaat de lucht niet in dezelfde vorm en op dezelfde wijze, maar de lucht is daar zeer zacht en vreugdevol, ze is als een lieflijk suizen en de Heilige Geest is in alles aldaar aanwezig. Een Engel moet uit dit alles ook leven, anders zou hij geen levend en bewegend schepsel zijn; hij moet ook van de hemelse vruchten kunnen eten met zijn mond. Dit moet ge echter niet op aardse wijze verstaan, want een Engel heeft geen ingewanden, vlees of beenderen; hij is door de goddelijke kracht geformeerd naar het voorbeeld van de mens, ook wat betreft zijn ledematen en andere lichaamsdelen. De geslachtsdelen en ook een uitgang onder aan het lichaam heeft hij niet; dit behoeft hij ook niet. Want deze dingen heeft de mens eerst ontvangen na zijn droevige val. Een Engel doet niets van zich uitgaan dan de goddelijke Kracht, die hij met de mond tot zich neemt, opdat zijn hart daardoor zal worden aangestoken en het hart doet alle andere leden ontbranden. Datzelfde gaat door zijn mond wederom van hem uit, wanneer hij spreekt en God prijst. De hemelse vruchten echter, die hij eet, zijn niet aards en al gelijken zij in vorm en verschijning op de aardse vruchten, zo zijn zij toch goddelijke Kracht en hebben een zeer lieflijke smaak en geur, zodanig, dat ik het met niets in deze wereld kan vergelijken, want zij smaken en geuren voor de Heilige Drievuldigheid. Ge moet niet denken, dat wat er in de Hemel is, een flauwe afschaduwing is van datgene, wat op aarde is. Neen, de Geest toont helder en duidelijk aan, dat in de Hemelse heerlijkheid goddelijke bomen, heesters en bloemen groeien en velerlei andere gewassen, zoals ook op de aarde. Zoals de Engelen zijn, zo zijn ook de gewassen en de vruchten; alles uit goddelijke Kracht ontstaan. Ge moet dit gewas des Hemels niet vergelijken met dat der aarde, want in deze wereld bestaan twee eigenschappen, een goede en een boze en veel is er dat groeit uit de kracht van het boze. Dàt groeit in de Hemel niet. Want in de Hemel groeit slechts dat, wat goed is. Er groeit niets, dat niet goed is. Alleen Lucifer heeft deze wereld zo toegericht, als zij nu is. Daarom schaamde moeder Eva zich, toen zij gegeten had van datgene, wat ont-

staan was uit het boze; zij schaamde zich ook voor haar vrouwelijkheid, die zij door het eten van de appel deelachtig geworden was. Iets dergelijks nu heeft nooit plaats met de Hemelse vruchten. Er zijn wel allerlei zeer geurige vruchten in de Hemel, niet alleen bij wijze van symbool; en de Engelen vatten de vruchten aan met hunne handen, eten ze als wij mensen doen, maar zij hebben daarbij geen tanden nodig, zij hebben ze ook niet, want de vrucht is van goddelijk maaksel. Dit alles nu, wat een Engel tot zich neemt, wat buiten hem is gelegen en wat hij verwerkt ten einde zijn leven op te bouwen, is niet zijn lichamelijk eigendom, dat hij heeft ontvangen uit het recht der natuur; de Hemelse Vader geeft alles uit liefde. Hun lichaam is weliswaar hun eigendom, want God heeft het hun tot een heiligdom gegeven en wat aan iemand ten eigendom gegeven is, dat is van hem, naar een natuurrecht, en hij, die dat wederom afneemt, zonder dat dat overeengekomen is, handelt verkeerd. Alzo handelt God ook niet; daarom is een Engel een eeuwig en onvergankelijk schepsel, dat in alle eeuwigheid bestaat. Wat zou hem nu evenwel het lichaam van nut zijn, wanneer God hem niet zou spijzigen? Dan zou hij geen beweging kennen en zou daar neerliggen als een dood stuk hout. Daarom gehoorzamen de Engelen God en verdeemoedigen zich voor den geweldigen God; loven, eren, roemen en prijzen Hem om Zijn grote wonderdaden en zingen voortdurend van Gods Heiligheid, opdat Hij hen zal spijzigen.

Over de zuivere en dankbare liefde van de Engelen jegens God. De rechte liefde in de goddelijke natuur stamt uit de bronwel; deze is de Zoon Gods. Ziet gij mensenkind, laat het u gezegd zijn: De Engelen weten, wat de rechte liefde jegens God is; ook gij hebt deze nodig in uw koude harten. Merk op: Wanneer de lieflijke, vreugdevolle glans en het licht met de kracht, die in den Zoon Gods is, in alle krachten des Vaders weerspiegelt, zo worden deze alle door dit licht en deze kracht ontstoken en gaan vol vreugde triomferen. Zo ook, wanneer het lieflijke en vreugdevolle licht van den Zoon van God de Engelen verlicht en in hunne harten schijnt, zo worden alle krachten in hun lichaam aangedaan en zulk een vreugdevol liefdevuur ontbrandt, dat zij van grote vreugde gaan loven en zingen, zodanig dat noch ik, noch enig ander mens het uitspreken kan. Met dit gezang wil ik de lezer tot dit leven oproepen; ge zult dit kunnen ondervinden; ik kan het niet beschrijven. Wilt ge echter dit alles in uw leven zelf ervaren, laat dan af van huichelarij, geldgierigheid en bedrog, ook van uw spotternij en wendt uw hart vol ernst tot God en doe boete

voor uw zonden, met het eerlijke, ernstige voornemen heilig te leven en bidt God om Zijn Heiligen Geest; en worstel met Hein zoals de aartsvader Jacob de gehele nacht met Hem heeft geworsteld tot liet morgenrood aanbrak, en hij heeft Hem niet laten gaan, voor Hij hem gezegend had. 1 Mozes 32. Doe gij ook alzo, en de Heilige Geest zal gestaltenis in u aannemen. Wanneer ge echter niet versaagt, zo zal dit vuur plotseling over u komen en u overstromen; alsdan zult ge ervaren, hetgeen ik hier geschreven heb, en ge zult geloven, wat ik in dit boek heb geschreven. Ge zult ook een ander mens worden en gij zult hieraan denken; gij zult meer in de Hemel verkeren dan op de aarde. Want de wandel van de heilige ziel is in de Hemel en of zij al lichamelijk op de aarde wandelt, zo is zij toch te allen tijde bij haar Verlosser, Jezus Christus en houdt met Hem Avondmaal.

HOOFDSTUK VII.

Over de plaats, de woning, zowel als over de heerschappij der Engelen, zoals het in de beginne geweest is en zoals het worden zal. De duivel zal zich hier weren als een hond, die bijt, want zijn schande zal hier geopenbaard worden en dit zal de lezer menige diepe schok geven en hem wat dit aangaat, menigmaal doen twijfelen. Want niets doet hem onaangenamer aan dan dat men hem zijn heerlijkheid voor de voeten werpt en hem laat voelen, welk een vorst en koning hij geweest is. Wanneer hem dat wordt voor de voeten geworpen, woedt en werkt hij als wilde hij de wereld bestormen. Wanneer nu enig lezer, in wie de Heilige Geest niet oppermachtig is, dit hoofdstuk mocht lezen, zo vrees ik, dat de duivel het er op zal toeleggen hem er aan te doen twijfelen, of het ook inderdaad zo is, als het hier beschreven staat. Dit zou hij doen, opdat zijn rijk niet zou worden te kort gedaan en zijn schande niet zou worden blootgelegd. Wanneer hij in enig hart twijfel hieromtrent zou kunnen zaaien, zo zou hij hieraan geen nodige arbeid sparen. Ik voorzie, dat hij dit in de zin heeft en wil daarom de lezer waarschuwen, opdat hij dit ijverig zal lezen en zoveel geduld heeft, totdat hij gekomen is bij de bespreking van de schepping en de heerschappij dezer wereld; dan zal hij dit alles helder en duidelijk uit de natuur kunnen bewijzen. Merk op:

Toen God de Almachtige in Zijn Raad besloten had, dat hij Engelen of schepselen uit Zichzelf scheppen wilde, zo maakte Hij hen uit Zijne eeuwige kracht en wijsheid, naar het voorbeeld van de Goddelijke Drieeenheid en naar de eigenschappen in Zijn Goddelijk Wezen. Eerst schiep hij drie koninklijke heerschappijen, naar het getal der Heilige Drievuldigheid en ieder koninkrijk had de ordening, de kracht en de eigenschappen van het Goddelijk Wezen. Dring hier binnen in de diepte der Godheid, want hier wordt een deur voor u geopend. Deze plaats, onze wereld, de diepte der aarde, en de ruimte tot aan datgene, wat wij de Hemel noemen, zowel de geschapen Hemel, die uit het water is gemaakt en boven de sterren zweeft, die wij met onze ogen zien, welker diepte wij met onze ogen niet doorgronden kunnen; deze ruimte, dit alles tezamen is een koninkrijk geweest en hierin was Lucifer koning, voordat hij werd verstoten. De andere twee koninkrijken, die van Michael en Uriël, zijn boven de geschapen Hemel en aan dat koninkrijk gelijk. Deze drie koninkrijken tezamen omspannen zulk een grondeloze diepte, dat zij niet door mensen gemeten kunnen worden. Maar deze drie koninkrijken hebben zeer zeker een begin en een einde; maar de God, die deze drie koninkrijken uit Zichzelf gemaakt heeft, heeft geen einde. Er is echter, behalve deze drie koninkrijken evenwel de kracht der Drievuldigheid, want God de Vader heeft geen einde. Ge zult echter dit geheimenis weten, dat temidden van deze drie koninkrijken de luister of de Zoon Gods geboren wordt. En de drie koninkrijken zijn rond als een cirkel, rondom den Zoon Gods; geen der drie is verder dan één der andere van Hem verwijderd; zij zijn allen Hem even dicht nabij. Uit deze bron en vanuit de krachten des Vaders gaat de Heilige Geest uit, benevens het Licht en de kracht van den Zoon van God, in en door alle Koninkrijken der Engelen, en buiten deze hetgeen Engel noch mens kan doorvorsen. Ik heb mij ook niet voorgenomen hierover dieper door te denken, nog veel minder er over te schrijven; hetgeen mij geopenbaard is, reikt tot in de drie koninkrijken, zoals de kennis van een Engel; niet mijn kennis, begrip of volmaaktheid dank ik deze openbaring. Stuksgewijze wordt het mij geopenbaard, slechts zo lang de geest in mij volhardt. Wanneer deze van mij wijkt, weet ik ook slechts elementaire en aardse dingen; de geest ziet tot in de diepte der Godheid. Nu zou iemand kunnen vragen: Hoe kan het zijn, dat de Zoon Gods temidden dezer drie Koninkrijken geboren wordt. Het ene heirleger van Engelen is toch waarlijk Hem meer nabij dan het andere? Dewijl hun rijk zulk een diepte heeft? Zo zal ook buiten deze Koninkrijken de klaarheid en de kracht van den Zoon van God niet zo groot zijn, als bij hen, die Hem zeer nabij zijn en bij de regionen der Engelen. Antwoord: De Heilige Engelen zijn daartoe tot schepselen Gods uit Hemzelf geschapen, opdat zij voor het hart van God, hetwelk is Gods

Zoon, zouden loven, zingen en jubelen en de Hemelse vreugde zouden vermeerderen. En waarheen zou de Vader hen zenden, ware het niet voor de deur van Zijn Hart? Ontspringt niet alle menselijke vreugde uit de bronwel van het hart? Ontspringt ook in God niet de grote vreugde uit de bronwel, Zijn Hart? Daarom heeft Hij de Heilige Engelen uit Zich zelf geformeerd; zij zijn als kleine goden, geschapen naar het Wezen en de eigenschappen van God, opdat zij in Goddelijke kracht zouden spelen, leven, zingen en schallen, en de vreugde, die opstijgt uit het Hart van God zouden vermeerderen. De luister en de kracht van Gods Zoon of het Hart van God, hetwelk het Licht of de bron der vreugde is, ontspringt temidden van deze Koninkrijken volschoon en vreugdevol en doorlicht alle paarlen der Engelen. Ge moet echter het volgende verstaan, zoals het bedoeld is, want wanneer ik in vergelijkingen spreek en de Zoon van God met een Zoon of een ronde kogel vergelijk, zo betekent dat niet dat Hij een meetbare bronwel is, welks diepte, begin of einde men doorgronden kan. Ik schrijf slechts in vergelijkingen, totdat de lezer tot het juiste begrip zal zijn gekomen. Want het beduidt niet, dat de Zoon Gods alleen temidden van deze poorten der Engelen zou worden geboren en ook niet buiten deze. Want de krachten des Vaders zijn toch allerwegen; daaruit wordt de Zoon geboren en daaruit ontspringt de Heilige Geest. Dit slechts is de betekenis, dat de Heilige Vader, die 't Alles is, in deze Engelenpoorten Zijn allervreugdevolste en liefderijkste eigenschappen ontwikkelt, waaruit het vreugdevolste en liefderijkste Licht, het Woord, het Hart der krachten of de bronwel geboren wordt. Daarom heeft Hij ook hier de heilige Engelen geschapen tot Zijn vreugde, eer en heerlijkheid. In de ondoorgrondelijke eeuwigheid in de ene plaats gelijk aan de andere; maar waar geen schepselen zijn, daar kent niemand deze plaats, slechts de Geest kent haar in haar wondervolte openbaring. En dit is de uitgelezen plaats van de heerlijkheid Gods, die God gekozen heeft, en waar Zijn Heilig Woord in hoogste klaarheid, kracht en triomferende vreugde geboren wordt. Want merkt op dit geheimenis: Wordt het Licht, hetwelk uit des Vaders krachten ontspringt, hetwelk de ware bron van den Zoon van God is, ook in een Engel en in een Heiligen mens geboren, opdat hij in dit Licht en deze kennis vol vreugde triomfeert, hoe zou dat Licht dan niet alom in den Vader geboren worden, aangezien Zijn Kracht alomtegenwoordig en in alles is, ook daar, waar ons hart en onze zinnen deze niet kunnen bereiken. Waar nu de Vader is, daar is ook de Zoon en de Heilige Geest, want de Vader doet den Zoon geboren worden, Zijn Heilig Woord, Zijn Kracht, Zijn Licht en Geluid en de Heilige Geest gaan allerwegen van den Vader en den Zoon uit, ook in de poorten der Engelen daarbuiten.

Wanneer men nu den Zoon van God met een ronde bol vergelijkt, zoals ik in de vorige hoofdstukken meermalen gedaan heb, zo spreekt men in natuurlijke vergelijkingen en ik heb zo moeten schrijven, terwille van het onverstand van den lezer, opdat hij door deze natuurlijke dingen tot beter begrip zou komen en zodoende zou kunnen stijgen van de ene sport tot een hogere, totdat hij het grote geheimenis zou kunnen verstaan. Het beduidt evenwel niet, dat de Zoon Gods een beeltenis is, gelijk de zon; wanneer dat zo was, zo zou Hij een begin moeten hebben en de Vader zou Hem op een bepaalde tijd hebben doen geboren worden, dan zou Hij niet een eeuwige en almachtige Zoon des Vaders zijn, maar Hij zou zijn gelijk een Koning, die nog een grotere Koning boven zich zou hebben, welke Hem zou kunnen veranderen. Dat zou een Zoon zijn, die een begin zou hebben, en Zijn kracht en luister zou zijn als de kracht der zon en het 'lichaam of de bol der zon op de plaats, waar hij is. Als dit zo was, zo zou de ene poort der Engelen veel dichter bij den Zone Gods zijn dan de andere; ik wil u nu hier de hoogste ingang in de Goddelijke geheimenissen tonen en ge moogt naar een hogere zoeken, want deze is er niet. Merk op: Des Vaders Kracht omvat alles in en boven alle Hemelen, en deze zelfde kracht doet allerwegen het Licht geboren worden. Dit is nu de alom aanwezige kracht des Vaders en het Licht, dat in deze al-kracht geboren wordt, heet de Zoon. Daarom heet het Zoon, omdat het uit den Vader geboren wordt, en het het Hart des Vaders is. En als het geboren is, zo is het een andere persoonlijkheid als de Vader, want de Vader is de Kracht en het Rijk en de Zoon is het Licht en de glans is de Vader, en de Heilige Geest is de uitwerking van beide, en formeert alles en geeft er vorm aan. Zoals de lucht uitgaat vanuit de zonnekrachten en de sterrekrachten en in deze wereld arbeidt, en alle schepselen doet geboren worden en gras en kruid en bomen opgroeien evenals alles, wat in deze wereld bestaat, evenzo gaat ook de Heilige Geest uit van den Vader en den Zoon en schept en vormt alles. Al het gewas en elke vorm, die de Vader wil scheppen, worden in 't leven geroepen door den Heiligen Geest; daarom is God één Enig God -en zijn de drie persoonlijkheden van Vader, Zoon en Heilige Geest in Hem aanwezig. Wanneer men nu zou zeggen: de Zoon Gods is een afbeeldsel, dat meetbaar is zoals de zon, zo zou op de plaats waar de Zoon was, drie persoonlijkheden zijn en de glans en glorie, die van den Zoon uitging. En wanneer de Vader buiten den Zoon alleen bestaanbaar was, zo zou de kracht des Vaders, die ver van den Zoon verwijderd was, buiten de poorten der Engelen geen Zoon en Heilige Geest doen geboren worden en Hij zou niet een almachtig Wezen zijn zonder den Zoon; en Hij zou een meetbare zelfstandigheid moeten zijn. Maar zo is het niet. Het is er evenzo mee als met een kostelijk stuk goud. Ten eerste is er de materie,

dat is als 't ware de moeder, het wezenlijke, die in dat stuk goud het goud doet ontstaan en in het goud is de kracht van het voorwerp gelegen. De materie beduidt den Vader, het goud beduidt den Zoon, de kracht is te vergelijken met den Heiligen Geest. Op een dergelijke wijze kan men ook het drievoudige in de Heilige Drievuldigheid beschouwen, slechts met dit verschil, dat in het laatste geval alles beweegt en leeft door den Heiligen Geest en alles van Hem uitgaat. Men vindt ook in een stuk goud een bepaald gedeelte, waarin meer en schoner goud aanwezig is, dan in een ander gedeelte, hoewel toch het gehele stuk van goud is. Evenzo is die plaats, waar Zijn Zoon en Hart geboren werd, den Vader het lieflijkste en schoonste. Zo weet ge de juiste grond van dit geheimenis en zo weet ge ook, dat de Zoon niet op eenmaal, op een bepaald tijdstip uit den Vader werd geboren, en zo een begin zou hebben en zich als een Koning zou laten aanbidden. Neen, dan zou Hij niet een Enigen Zoon zijn; Hij zou dan ook niet alwetend kunnen zijn, want Hij zou niet weten, hoe het was voor Hij geboren was. De Zoon wordt van eeuwigheid tot eeuwigheid voortdurend geboren en straalt van eeuwigheid tot eeuwigheid Zijn Licht uit. De krachten des Vaders zijn altijd vervuld van den Zoon en doen Dezen steeds opnieuw geboren worden. Daaruit ontstaat de Heilige Geest, gaat van den Vader en den Zoon uit en heeft ook begin noch einde. En de Heilige Geest is alom in den Vader tegenwoordig; geen schepsel kan dit bevatten of nadenken. Amen. Over de geboorte der Engelenkoningen en hoe zij geworden zijn. De persoonlijkheid of het lichaam van een koning der Engelen is uit alle eigenschappen en uit alle krachten van Zijn ganse koninkrijk geboren door de werkende Geest Gods, en daarom is hij hun koning, opdat Zijn kracht in alle Engelen van zijn ganse koninkrijk zou overvloeien. Hij is het hoofd en de aanvoerder; de allerschoonste en krachtigste cherub of troonEngel. Zulk een Engel is Lucifer óók geweest vóór zijn val. Over de oorsprong en het geheimenis der dingen. Wanneer men het geheimenis wil doorgronden in zijn diepste grond, zo moet men ijverig bezien en overdenken de schepping dezer wereld, de ordening en de heerschappij, zowel als de eigenschappen der sterren en elementen, hoewel de schepping verdorven en tweevoudig is; ook niet levend en met verstand begiftigd; koning Lucifer heeft er zijn boze

werkingen in uitgeoefend, hoewel het toch de waarachtige kracht God is, die rein en helder gebleven is, zoals het nu nog in de Hemel is. Deze krachten van sterren en elementen heeft de Schepper, na de gruwzame val van het rijk van Lucifer, wederom zodanig geordend, als het Rijk der Engelen was, vol goddelijke luister, vóór de val. Ge moet evenwel niet denken, dat het Rijk der Engelen met zijn schepselen evenzo bewogen wordt, zoals nu met de sterren het geval is, die slechts krachten zijn, en vanwege de geboorte dezer wereld hun rondgang hebben. De geboorte dezer wereld was vol kwellende angst, en ontwikkelde het boze en het goede, verderf en verlossing, tot aan het einde van deze openbaring op de jongste dag. Merk nu op: De zon staat midden in de ruimte en is het Licht of Hart van alle sterren; toen de Salniter voor de Schepping in het Rijk van Lucifer ijl geworden was en een bepaalde vorm had aangenomen, zo heeft God het Hart uitgenomen uit al deze krachten en hieruit de zon geformeerd. Daarom is zij de allerlichtendste en verlicht alle sterren en alle sterren arbeiden in haar kracht en zij bezit zelf de kracht van alle sterren en steekt met haar glans en warmte alle sterren aan en iedere ster ontvangt van de zon, wat hij naar zijn aard en voor zijn doel nodig heeft. Evenzo is ook het Rijk der Engelen geschapen. De zon stelt voor de eerste troonEngel, zoals Lucifer ook was voor zijn val. Hij heeft in het midden van zijn rijk zijn zetel gehad en heeft met zijn kracht over al zijne Engelen geheerst, zoals de zon al de krachten dezer wereld beheerst, nl.. in de hitte en in de koude, in hardheid en zachtheid, in zoetheid en zuurheid, in bitterheid en wrangheid, in lucht en in water. Wanneer men waarneemt, hoe het in de winter zo koud is, dat het water tot ijs wordt, dan blijft het toch een feit, dat de zon even warm schijnt te midden van deze koude, niettegenstaande in de straten waar zij schijnt, sneeuw en ijs liggen. Ik zal u echter hier het juiste geheimenis meedelen. Ziet, de zon is het hart van alle krachten in deze wereld en zij is uit alle krachten der sterren tezamen gevoegd; zij verlicht op haar beurt alle sterren en alle krachten dezer wereld. (Versta het magisch, want het is een spiegel of vergelijking met de eeuwige wereld.) Zoals de Vader Zijn Zoon, d.w.z. Zijn Hart of Licht uit al zijn krachten doet geboren worden, alzo is het ook met het Rijk der Engelen; dit is gemaakt naar de gelijkenis en het Wezen Gods. Een cherub of aanvoerder van een Koninkrijk der Engelen is de bron of het hart van zijn gehele koninkrijk en is geschapen uit alle krachten, waaruit de Engelen ook geschapen zijn; hij is de lichtgevendste en de krachtigste. (De Koning der Engelen is het middelpunt of de bronwel, zoals Adams ziel het middelpunt is van alle zielen; en zoals uit de loco Solis, d. i. de plaats van de zon, de omgang der planeten voortkomt, omdat iedere ster de glans en de kracht van de zon begeert, zo ontvangen ook de Engelen de kracht van

hun cherub of vorst, alles naar de gelijkenis van 't Goddelijke. Want de Schepper heeft uit de Salniter der goddelijke krachten het hart genomen en de cherub of koning daaruit geformeerd, opdat deze met zijn kracht wederom al zijne Engelen zou kunnen doordringen en hen allen zou aandoen met zijn kracht, zoals de zon met haar kracht alle sterren doordringt of, zoals het geval is met de krachten Gods en die van den Zoon van God, waardoor het Hemelse vreugdenrijk ontstaat. De Engelen van 't koninkrijk beduiden de vele en menigvuldige krachten des Vaders en de koning der Engelen beduidt den Zoon des Vaders of zijn Hart, waaruit de Engelen geschapen zijn. De werking die van den koning der Engelen uitgaat ten opzichte van zijn Engelen, of de aanraking zijner Engelen met zijn kracht stelt voor God den Heiligen Geest. zoals de kracht van den Vader en den Zoon uitgaat en alle Hemelse vruchten en vormen aandoet, waardoor alles in opgang is en het Hemelse vreugdenrijk bevestigd wordt, alzo werken ook de krachten van den cherub of troonEngel, hij arbeidt in al zijn Engelen, zoals de Zoon en de Heilige Geest, of zoals de zon in de sterren werkt. Daarom ontvangen alle Engelen de wil van den troonEngel en zijn hem allen gehoorzaam. Zij zijn leden en hij is hun hart en zoals alle Hemelse vormen en vruchten de leden zijn des Heiligen Geestes en Deze is hun hart, of zoals de zon het hart van alle sterren is en alle sterren zijn leden der zon en allen werken alsof zij slechts één ster waren, terwijl de zon het hart is, in het midden van hen. Of er nu veel en menigvuldige krachten zijn, alles werkt tenslotte door de zonnekracht en alles bestaat door de kracht der zon, wat ge ook ziet, 't zij lichaam, metaal of gewas.

HOOFDSTUK VIII.
Over de hoedanigheid van een koninkrijk der Engelen. De koninkrijken der Engelen zijn over 't algemeen gevormd naar het voorbeeld van het Goddelijk Wezen en hebben geen andere gestalte dan het Goddelijke Wezen in Zijn drie-voudigheid; dit slechts is het onderscheid, dat hun verschijningsvormen een begin en een einde hebben, en dat het Rijk, waartoe zij behoren, niet hun eigendom is, dat zij van nature bezitten, maar dat het is het Rijk van God den Vader, die hen uit Zijn krachten gemaakt heeft en hen mag plaatsen, waarheen Hij wil. En uit hun kracht ontspringt het Licht en het inzicht sterk op: Zoals een Engel in zijn lichamelijke verschijning, met al zijn leden, gevormd is, zo is ook de

verschijningsvorm van een geheel koninkrijk; het is geheel als een Engel is. Wanneer men alle factoren goed beziet, blijkt, dat de koninkrijken in hun gebied te vergelijken zijn met het lichaam van een Engel, of met de Heilige Drievuldigheid. Merk hier op de diepte: In God den Vader is alle kracht en in Hem is de bronwel aller krachten; in Hem is Licht en Duisternis, licht en water, hitte en koude, hardheid en zachtheid, toon en klank, zoetheid en zuurheid, bitterheid en scherpheid, en alles, wat ik niet noemen kan: aan mijn lichaam neem ik dit waar, want dit is van de aanvang af uit alle krachten Gods en naar Zijn beeld gemaakt. Ge moet echter niet denken, dat de krachten Gods zó zijn en op een zo verderfelijke wijze werken, zoals het geval is, bij een mens, die door Lucifer is aangeraakt; nee, wie God heeft aangeraakt, is lieflijk, vreugdevol, en vol van zachtheid. Ten eerste is het Licht zoals het licht der zon, maar niet zo weinig te verdragen als het licht der zon is voor onze ogen, maar zeer lieflijk en genotvol, als een aanblik der liefde. De duisternis echter is in het licht verborgen, dat wil zeggen, wanneer enig schepsel uit de kracht des lichts werd geschapen en in deze kracht hoger en hoger zou willen stijgen dan God zelf, zo zou dat licht in hem uitdoven (versta mij goed: Hij ontsteekt het vuur, wanneer de geest vol liefde oprijst in ootmoed) en in plaats van het licht komt de duisternis, dan ervaart men, dat in het licht de duisternis besloten kan liggen. Evenzo als wanneer men een waskaars aansteekt, dan verspreidt ze licht, wanneer men ze echter uitdooft, zo is zij duisternis; als de krachten bezoedeld worden, dooft het licht uit en de duisternis komt, zoals bij Lucifer te zien is. De lucht is ook niet op deze zelfde wijze in God aanwezig, maar zij is een lieflijk zacht suizen en opstijgen; dat wil zeggen: De oorsprong der krachten is de oorsprong der lucht, waarin de Heilige Geest opstijgt. Het water is ook niet op een dergelijke wijze in God aanwezig, maar het is de bron der krachten, hoewel niet op aardse wijze. Zo ik het ergens mee zou willen vergelijken, zo zou ik het met het sap van een appel willen vergelijken, maar zeer licht, zoals de Hemel is. Lucifer heeft het zozeer bedorven, dat het in deze wereld woedt en werkt, loopt en snelt en vloeit, dat het donker en dik is en daarbij komt, dat het, wanneer het niet snel vloeit, onaangenaam gaat ruiken, hetgeen ik, als ik over de Schepping zal schrijven, nog uitvoerig zal behandelen. De warmte of hitte is in God een lieflijk zacht koesteren, uitgaande van het Licht en zich daaruit omhoog heffend. De koude is in God aanwezig als het afkoelen der hitte, een verzachting des Geestes, een opstijgen des Geestes. Merk hier op de diepte: God spreekt door middel van Mozes, als hij de kinderen Israëls de wet geeft: Ik ben een naijverig God, die de misdaad der Vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten. Ex. 20 : 5. Hierna noemt hij Zichzelf ook een barmhartige God. Ex. 20 : 6. En doe barmhartigheid aan

duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijne geboden onderhouden. Nu is de vraag, wat dan de toorn Gods in de Hemel is? Of God zich dan uit Zichzelf toornig maakt, of dat Hij toornig gemaakt wordt. Ziet, over deze dingen zijn zeven hoedanigheden op te merken. Ten eerste is in de Goddelijke kracht in het verborgen die hoedanigheid aanwezig, die de kern vormt van het verborgen Wezen, een scherpte, een samenvoeging of doordringen; zij brengt hardheid en koude voort en wanneer zij aanwezig is, doet zij een scherpte ontstaan, die gelijk is aan het zout. Dat is een bepaalde factor in de goddelijke manifestatie. Wanneer deze bron aangeboord wordt, hetgeen kan gebeuren door grote beweging of beroering, zo begint grote koude te ontstaan; ze is scherp als het zout, en samentrekkend als een steen. Ze is echter in de Hemelse heerlijkheid en pracht niet belangrijk, want zij kan zich zelf niet aan 't werk zetten en zij kan niet uit zichzelf ontstaan; slechts koning Lucifer heeft deze eigenschap in zijn rijk door zijn opstand en hovaardigheid teweeg gebracht en daarom zal ze blijven tot op de jongste dag. Daardoor schitteren en branden nu in de schepping dezer wereld de sterren en elementen, zowel als alle schepselen; daaruit is dan voortgekomen het huis des doods en der hel en een eeuwige woning der schande voor Lucifer en alle goddeloze mensen. Deze eigenschap veroorzaakt in de Hemelse pracht de scherpte des geestes, waaruit en waardoor het schepsel geformeerd is, opdat een Hemels lichaam kan worden opgebouwd, evenals verschillende kleuren, vormen en gewassen. Want het is de vorm van een bepaald ding, die allereerst bepaald wordt, daarom is zij de eerste eigenschap en een begin van alle vormen en vorming der Engelen. Een begin van alles wat er in de Hemel en op deze wereld is, ja, van alles wat maar kan worden genoemd. Zo zij echter wordt teweeg gebracht door de schepselen, die geschapen zijn door God, in Zijn Rijk en die dit alleen maar kunnen doen, zo is zij een brandende bron van goddelijke toorn, want ze is een van de zeven Geesten Gods, in Wiens kracht het Goddelijke Wezen bestaat in goddelijke kracht en Hemelse praal. Wanneer ze teweeg gebracht wordt, is ze een grimmige bron van toorn en een hels verschijnsel, een foltering en groot verdriet door het helse vuur, een eigenschap der duisternis, want de Goddelijke Liefde en ook het Goddelijke Licht dooft er in uit. (Het is een sleutel, die voert tot de doodskamer, en de dood veroorzaakt.)

Over de andere toestanden. De andere eigenschap of de andere uiting van den Geest van God is de eigenschap zoetheid; zij werkt door in alles, wat zuur en wrang is en

verzacht dat, zodat dit lieflijk en zacht wordt. Zij is een overwinning op dit wrange en zij is zelfs de bron van Gods barmhartigheid, die de toorn overwint, waardoor het boze verzacht wordt en de barmhartigheid Gods zegeviert. Hiervan ziet ge een voorbeeld bij de appel. Deze is aanvankelijk zuur, wrang; wanneer echter de zoete eigenschap de zuurheid gaat overheersen, wordt de appel door en door zoet en heerlik om te eten; zo is het ook gesteld met de goddelijke kracht. Want als men over de barmhartigheid van God den Vader spreekt, zo spreekt men van Zijne kracht, van Zijn Oergeesten, waaruit de Zoon of het Goddelijk Hart geboren wordt. Merk op: Deze eigenschap of kern in de goddelijke kracht is de samentrekking of vorming of inkrimping, want zij is de koude, die men ziet wanneer het water bevriest. De zachte hoedanigheid, het milde is de warmte, waardoor de koude wordt omgezet. Het water heeft hierin zijn oorsprong. De wrange, zure scherpe eigenschap heet dus: Hart en de andere, tegenovergesteld daaraan, heet warmte, verzachting, mildheid en het zijn twee eigenschappen, waaruit de Zoon Gods geboren wordt. Want wanneer de eigenschap scherpheid, wrangheid in eigen kracht werkt, is zij naar haar kern duisternis, en de eigenschap warmte is in eigen kracht gelijk een opborrelend en verwarmend omhoog strevend licht; een bron van zachtmoedigheid en weldadigheid. Omdat ze echter in God den Vader in elkander overvloeien als waren zij slechts één krachtuiting, zo ontstaat daardoor een lieflijke, barmhartige werking. En zij zijn twee geesten Gods te midden van de zeven Oergeesten in de goddelijke kracht; hiervan geeft de openbaring van Johannes een duidelijk beeld. (Hoofdstuk 1). Hij ziet zeven gouden kandelaars voor den Zoon van God, die betekenen de zeven Geesten Gods, die in volle klaarheid lichten vóór den Zoon van God, en waaruit van eeuwigheid tot eeuwigheid de geboorte van Gods Zoon voltrokken wordt, en Hij is het Hart van deze zeven geesten. Alle dezen wil ik hier na elkander beschrijven; ge moet echter uw geest instellen op de hogere dingen, wilt ge het verstaan, uit u zelf zijt ge slechts als een blinde. Over de derde hoedanigheid of toestand. De derde eigenschap of de derde uiting van de Goddelijke Geest die in den Vader is, noemt men de bittere eigenschap. Deze dringt door in de beide andere eigenschappen; ze werkt er in door; zij is een sidderende, en omhoog strevende eigenschap. Ze triomfeert over de beide anderen. Ze is de oorzaak en vreugdebron der dingen; de oorzaak der lachende, ver-

heffende vreugde, door haar beeft en jubelt alles; de Hemelse vreugde vindt hierin haar oorsprong. Door haar ontstaan veelsoortige rode kleuren; zij geeft daar als 't ware vorm aan; door de zoete eigenschap worden witte en blauwe kleuren en door de wrange, zure of scherpe worden allerlei groene en donkere en gemengde kleuren in verschillende verschijningsvormen en geuren gevormd. Het bittere is de eerste geest, die het leven beweeglijk maakt; door deze geest is het heugelijke geschapen; zijn naam is 't Hart, want Hij is de sidderende, morrende, doordringende, verheffende geest, een vreugdevol triomferende geest, een belangrijke bron van het lachen. Door de eigenschap “zoetheid” wordt de eigenschap bitterheid opgelost, verzacht, zodat zij geheel lieflijk en vreugdevol wordt. Wanneer zij echter te veel naar voren treedt en zich te veel doet gelden, zo ontsteekt zij het zoete en het zure en is gelijk een bijtend, verscheurend en brandend vergif. Het is er evenzo mee, als wanneer een mens een verscheurende wond heeft, die hem ach en wee doet roepen. Deze eigenschap is in de goddelijke kracht, wanneer zij ontstoken wordt, de Geest van een toornig en naijverig God; zij is onuitblusbaar, hetgeen te zien is bij de legioenen van Lucifer. Wat meer zegt: deze eigenschap is, als zij ontstoken wordt, als een hels vuur, dat het licht uitdooft; het maakt het zoete onwelriekend, het zure snijdend., hard en kond, brengt een stank, een ellende, een treurnis teweeg, veroorzaakt een huis der duisternis, des doods en der hel en het einde der vreugden, want niets is in staat dit tegen te honden en ook niets is in staat deze duisternis weer opnieuw te doorlichten, want deze duistere, bittere, grimmige bron welt in alle eeuwigheid. Merk nu op: In deze drie hoedanigheden ligt het lichamelijke bestaan besloten, of het nu geldt de lichamelijkheid van de Engel, van de mens, of van het vee, de vogels of het gewas. Al het geschapene, in de Hemel en op deze aarde is hieraan onderworpen, zowel wat betreft de Hemelse, alsook de aardse vormen, soorten, zo ook alle kleuren. Tenslotte: alles, wat vorm heeft aangenomen, is afhankelijk van deze drie hoofdeigenschappen; door hun kracht en gezag komt alles tot stand en geformeerd. Ten eerste is de scherpe eigenschap en de zure een bron of lichaam. Zij doet de kracht der zoetheid samentrekken en de koude in deze scherpte maakt, dat zij droog wordt. Want het zoete is als 't ware het hart, de kern van het hart, want het maakt soepel en licht en is met de Hemel te vergelijken; de bittere eigenschap maakt, dat het deelbaar is, zodat de krachten als aparte leden gevormd worden en in het gehele lichaam beweeglijkheid veroorzaken. En wanneer dan deze zoete eigenschap op de hierboven beschreven wijze droog is geworden, zo is zij als een volmaakt lichaam, maar met dit verschil, dat zij zonder verstand is. De bittere eigenschap dringt door in het lichaam, dwars door de wrangheid, zuurheid en zoet-

heid heen en brengt allerlei kleuren teweeg. De eigenschap, die de boventoon voert in een bepaald lichaam, of die eigenschap, die met het lichaam de meeste affiniteit vertoont, deze is het ook, die door de bittere eigenschap het 'lichaam met zijn bepaalde kleur vormt en naar deze eigenschap heeft het schepsel zijn grootste hang en neiging, zijn willen en streven. Over de vierde hoedanigheid.

De vierde eigenschap of de vierde oergeest in de kracht van God den Vader is de hitte; deze is het ware levensbegin en ook de rechte levensgeest. De wrange, zure en zoete kwaliteit is de kracht, die behoort bij het lichaam en deze heeft ook het lichaam gevormd. Want in het lichaam is de samentrekking en verdroging, de wrangheid, de koude en de hardheid, en in het water wordt de zoete hoedanigheid weerspiegeld en het licht en de gehele stoffelijke substantie van het lichaam. De bittere hoedanigheid brengt de scheiding of de vormgeving tot stand; de hitte is de geest of ontsteker des levens; door de hitte wordt de geest in het lichaam vaardig, en de geest werkt in het gehele lichaam en straalt uit het lichaam naar buiten en maakt alle hoedanigheden van het lichaam levend en bewegend. Men moet echter in het bijzonder op twee dingen in deze eigenschappen het oog vestigen. Wanneer men een bepaald lichaam beschouwt, zo ziet men allereerst de kern van alle hoedanigheden en die gevormd uit al de verschillende eigenschappen, als daar zijn: wrangheid, zuurheid, zoetheid, bitterheid en warmte; deze eigenschappen zijn alle tezamen verdroogd en zij maken het lichaam uit; de stam, de kern, waarom 't gaat. Het grote geheimenis van den Geest.

Deze eigenschappen nu zijn in het lichaam vermengd, als waren zij alle tezamen slechts één eigenschap; toch borrelt ieder van hen in zijn eigen kracht omhoog en werkt naar buiten toe. Een ieder dezer kwaliteiten gaat over in alle andere en brengt deze in beweging, dat wil zeggen: zij doet de andere aan, en daardoor bekomen de andere hoedanigheden de wil, van de bepaalde hoedanigheden, die zich met hen heeft verweven. Zij erkennen haar scherpte en haar geesten vermengen zich steeds met haar. Nu veroorzaakt wrange, scherpe en zure eigenschap altijd, dat de andere eigenschappen zich samentrekken. Deze wrangheid, scherpheid doet het lichaam verdrogen; alle andere krachten verdrogen erdoor, en door haar aanraking komen de andere hoedanigheden niet tot hun recht. De zoete

kwaliteit verzacht en bevochtigt alle andere, ze matigt de andere en daardoor worden zij lieflijk en zacht. De bittere maakt alle andere levend en bewegend en deelbaar in onderdelen, zodat ieder apart deel ook deel ontvangt van de krachten der oerbron, waardoor de beweeglijkheid ontstaat. De hitte ontsteekt alle eigenschappen, het licht verheft zich hieruit, zodat de ene eigenschap de andere kan opmerken, want wanneer de hitte in de zoete vochtigheid werkzaam is, zo doet zij het licht in alle eigenschappen geboren worden. Daaruit ontstaan de meningen en gedachten, zodat de ene hoedanigheid de andere ziet en erkent, die ook in haar aanwezig is, opdat zij beide als één worden, één wil, die in het lichaam opstijgt vanuit de eerste bronwel in de bittere kwaliteit. Dan doordringt de bittere kwaliteit de hitte, door de zuurheid heen, en de zoetheid in het water laat haar rustig er doorheen dringen, dan vaart het bittere in de hitte door het zoete water uit het lichaam en geeft het lichaam twee open poorten; dat zijn de ogen, de eerste uiting van lichamelijkheid. Hiervan hebt ge een voorbeeld in deze wereld, deze aarde. Allerlei gestalten nemen vorm aan in de aarde. Ten eerste bevindt zich in de aarde de zure, scherpe eigenschap, die de salniter samentrekt en de aarde vastheid geeft, zodat zij één geheel is en niet uit elkaar valt. Allerlei voorwerpen bevat zij, naar hun eigen aard en substantie, zoals stenen, ertsen en allerlei wortelen. Wanneer deze nu gevormd is, zo ligt ze daar als stoffelijke en bewegende substantie als in een eigengevormd lichaam; zij heeft echter nog geen leven, waardoor zij kan groeien en zich kan uitbreiden, wanneer de warmte er niet is, deze is de natuurgeest. Wanneer de warmte der zon de aardbodem verlicht, groeien in de aarde allerlei vormen van ertsen, kruiden, wortelen en al wat daar nog meer is. Versta dit goed: De warmte van de zon doet in de aarde de zoete eigenschap van het water in alle gestalten, die gevormd zijn, ontstaan; nu ontstaat door de hitte in het zoete water het licht, dat verlicht, de zure, bittere en wrange eigenschap, opdat zij in het licht zullen kunnen zien en terwijl zij zien vloeit de ene eigenschap in de andere over en erkent de andere, d.w.z. zij proeft, terwijl zij ziet de scherpheid van de andere; daaruit komt de smaak voort. En wanneer de zoete eigenschap de smaak van de bittere proeft, wijkt zij uiteen evenals het gaat bij een mens wanneer hij bittere of wrange gal proeft; dan verwijdt zich in zijn mond zijn geHemelte en dit wordt als 't ware breder, dan waarmee hij geboren is; alzo is het gesteld met de zoete eigenschap ten opzichte van de bittere. En wanneer het zoete zich op deze wijze uitzet en- wijkt voor het bittere, zo probeert het wrange nader te komen en wil ook gaarne van het zoete proeven en maakt het lichaam droog. Want het zoete is de moeder van het water en zeer zacht. Wanneer nu het wrange, zure en bittere door de hitte hun licht ontvangen, zo zien zij het zoete en proeven zij zoet water, dan jagen zij het zoete

water voortdurend na en drinken er van, want zij zijn hard, ruw en dorstig en de hitte doet hen te enen male verdrogen. En het zoete vlucht altijd voor het bittere en het zure en wijkt steeds daarvoor en het bittere en het zure jagen altijd het zoete na en laven zich aan het zoete en doen het lichaam verdrogen. Alzo is de waarachtige groei in de natuur; of het nu betreft de groei van mens, dier, hout, kruid of steen. Merk nu op: het einde van het natuurgebeuren in deze wereld. Wanneer het zoete voor het bittere, het zure en het wrange vlucht, zo ijlen het bittere en het zure het na, alsof het zoete hun grootste schat ware, en het zoete weert zich zo heftig en tracht zo snel zich te verwijderen, dat zij het lichaam verscheurt en van het lichaam wijkt, buiten en boven de aarde. Zij vliedt zo snel, tot een lange halm groeit. Dan dringt de hitte op de halm aan, en de bittere hoedanigheid wordt alsdan door deze hitte ontstoken en ontvangt een schok, zodat zij schrikt; daarna doet de zure, wrange kwaliteit haar verdrogen. Dan strijden de zure, zoete en bittere eigenschap en de hitte met elkander, en de zure doet met haar koude altijd de droogte ontstaan, dan verdwijnt het zoete en de andere vluchten het na. Wanneer het evenwel ziet, dat het zal worden gevangen genomen, dat het bittere op het aandringt en ook de hitte, zo maakt het de bitterheid brandend en ontsteekt het. Dan werpt het zich te midden van het zure en wrange en stijgt er dan weer uit op; dan ontstaat daaruit een harde knoop op de plaats, waar de strijd heeft plaats gegrepen en de knoop krijgt een opening. Wanneer echter het zoete hiermee in aanraking komt, zo infecteert het het bittere zodanig, dat dit gaat sidderen en zodra het boven de knoop komt, zet het zich snel naar alle zijden uit, ten einde het bittere te ontvluchten. En in zulk uitzetten blijft zijn lichaam in 't midden hol en terwijl het de sidderende sprong maakt door de knoop, ontvangt het steeds meer halmen en loof en is vrolijk, omdat het de strijd ontlopen is. En wanneer nu de hitte van buiten op een dergelijke wijze op zulk een halm toekomt, zo worden de eigenschappen, die in de halm zijn, ontstoken en doordringen de halm, en zij worden door de zon aangedaan en doen de kleuren in de halm geboren worden naar hun aard. Wanneer echter het zoete water in de halm is, zo behoudt deze zijn groene kleur, naar de aard der zoete hoedanigheid. Zo werken de verschillende eigenschappen tezamen met de hitte in zulk een halm, en deze groeit steeds voort en zal in de ene storm na de andere stand houden; daardoor krijgt de halm steeds meer knopen en zijn takken worden steeds wijder uitgebreid. In die tussentijd laat de hitte van buiten voortdurend het zoete water in de halm opdrogen en deze wordt hoe langer hoe dunner; hoe

groter hij wordt, hoe dunner hij ook wordt, totdat hij niet meer uitgroeien kan. Dan geeft de zoete eigenschap zich gewonnen, daarna heerst dan de bittere, zoete, zure en wrange tegelijkertijd nevens elkander en het zoete zet zich nog iets uit, maar het kan niet veel meer uitrichten, want het is gevangen genomen. Dan groeit uit alle kwaliteiten, die in dat bepaalde lichaam aanwezig zijn, een kolf of kop en er ontstaat een nieuw lichaam in die kolf, en dit wordt gevormd, zoals in het begin de wortel in de aarde gevormd was, met dit verschil, dat deze laatste nu een andere, meer subtiele vorm ontvangt. Dan begint de zoete kwaliteit zacht en langzaam te werken en er groeien kleine, fijne blaadjes in de kolf; deze hebben alle eigenschappen in zich. Want het zoete water is nu gelijk een zwangere vrouw, die het zaad ontvangen heeft en de kolf zet zich hoe langer hoe meer uit, tot zij eindelijk uiteen springt. Dan openbaart zij zich in haar blaadjes, zoals een vrouw zich openbaart in het kind dat uit haar geboren wordt, maar de blaadjes of bloesems hebben niet meer dezelfde kleur en gestalte als de moederplant, maar zij hebben alle overige genoemde eigenschappen; want de zoete eigenschap moet nu uit de andere eigenschappen kinderen verwekken. En als dan deze moeder, de zoete kwaliteit, de schone, groene, blauwe, witte, rode en gele bloemen of kinderen heeft doen geboren worden, zo wordt zij zeer moede en kan hare kinderen niet lang van voedsel voorzien; zij mag haar kinderen ook niet lang houden, dewijl het slechts haar stiefkinderen zijn, die zeer teder zijn. En wanneer dan de hitte van buiten af op deze kinderen aandringt, zo worden alle eigenschappen in hen ontstoken, want de geest des levens arbeidt in hen. Dewijl zij te onmachtig zijn tegenover deze sterke geest en zich niet kunnen verheffen, zo laten zij hun edele krachten van zich gaan en dat ruikt zo lieflijk, dat men zijn hart van vreugde voelt opspringen; zij moeten echter verwelken en afvallen, omdat zij te teder zijn voor de kracht van deze geest. Want de geest vaart uit de kolf in de bloesems, en de kolf wordt gevormd met behulp van al de genoemde eigenschappen. De zure eigenschap doet de kolf tezamen trekken; die zoete verzacht hem en doet hem uitzetten; de bittere verdeelt de materie in onderdelen en de hitte is de levende geest in alle. Nu arbeiden al deze hoedanigheden en brengen hun vruchten of kinderen voort, en elk der kinderen heeft in zich het essentiële van andere eigenschappen. Dit gaat zo voort, totdat de materie geheel is verdroogd, totdat de zoete kwaliteit of het zoete water opgedroogd is, dan valt de vrucht af en ook de halm verdroogt en verwelkt. En dat is het einde van het natuurgebeuren in deze wereld. Hierover zijn nog zeer diepzinnige dingen te schrijven. Dat zult ge te lezen krijgen bij de behandeling van de schepping; dit is slechts een vergelijking, die hier is ingevoegd en kortelings beschreven. De andere verschijningsvorm der eigenschappen of de goddelijke krachten of de

Zeven Geesten Gods zijn in het bijzonder bij de hitte op te merken. Eerstens is daar de basis of het lichamelijke wezen, hoewel dit bij God en ook bij de schepselen geen apart lichaam heeft; maar alle hoedanigheden bij elkander gevoegd, vormen als 't ware die basis, dat bepaalde organisme, hoewel men tegelijkertijd de werking van iedere eigenschap afzonderlijk kan waarnemen. In het lichaam of de bronwel nu is de hitte aanwezig, die het vuur doet ontstaan; dat is de ene verschijningsvorm en deze kan men doorvorsen; uit de hitte ontspringt het licht, dat straalt door alle geesten of eigenschappen en het licht is de levende geest, die kan men niet doorvorsen. Zijn Wil echter kan men doorvorsen, wie hij is en wat hij wil, want hij werkt in de zoete eigenschap en in het zoete water en niet in de andere eigenschappen. Hiervan geef ik u een voorbeeld: ge kunt alle dingen in deze wereld aansteken, zodat zij licht geven en branden; datgene, wat geregeerd wordt door de zoete eigenschap kunt ge niet aansteken, zoals 't water. En of ge nu al de hitte er aan toevoegt, zo kunt ge toch niet maken, dat het licht geeft; daarom zijn alle eigenschappen kinderen van het zoete, want deze geest des lichts is meester alleen over het water. Wanneer ge nu een verstandig mens zijt, in wie geest en vernuft is, ziet dan om u heen in de wereld, dan zult ge vinden, dat hetgeen ik zeg waar is. Een stuk hout kan men aansteken, zodat het licht van zich geeft, want het water is de eerste factor in het stuk hout; evenzo allerlei kruiden, die op de aarde zijn, en waarin het zoete water de eerste factor is. Een steen kunt ge niet aansteken, want daarin is de zure, wrange eigenschap het voornaamste bestanddeel; de aarde kunt ge ook niet aansteken, want dan worden de andere factoren getroffen en bewerkt, hetwelk te zien is aan de pulver, welke toch slechts een uiting is van schrik, wijl de duivel zich hierin vertoont, door de toorn van God, hetgeen ik op een andere plaats uitvoerig beschrijven en bewijzen wil. Nu zult ge zeggen: Men kan het water niet aansteken, zodat het licht verspreidt. Ja mensenkind, hier ziet ge het geheimenis. Het hout, dat ge aansteekt is ook niet het vuur, maar slechts een simpele stok; het vuur en het licht ontlenen slechts hun oorsprong eraan. Ge moet evenwel verstaan dat dit komt door de zoete eigenschap van het water en niet van de stok, van het hout; het wordt veroorzaakt door de vettigheid, die daarin aanwezig is. Nu is in het water dat op aarde is de zoetheid niet de eerste factor of het meest overheersend, maar de wrange, bittere en zure kwaliteit zijn overheersend; anders zou het water niet dodelijk zijn, maar het zou zó zijn als het water, waaruit de atmosfeer is samengesteld. Dat zal ik u bewijzen. Ik zal u bewijzen, dat in het element water op aarde de zure, scherpe en bittere kwaliteit de eerste factor is. Neem b.v. koren, gerst, haver, of wat ge wilt, waarin de zoete kwaliteit overheerst, en week dat in water en verbrand het daarna, zo zal de zoete hoedanigheid boven de

andere hoedanigheden uitgaan; steek daarna het water aan, zo zult ge ook de geest zien, die uit de vetheid van het koren in het water is overgebleven, en die het water overwonnen heeft. Iets dergelijks ziet ge ook bij het vlees, dit brandt niet en geeft geen licht van zich, maar het vet brandt en geeft licht. Nu zoudt ge kunnen vragen: hoe komt dat? Ziet, in het vlees is de wrange, zure en bittere kwaliteit overheersend en in het vet overheerst de zoete eigenschap; daarom is iemand wiens lichaam veel vet ontwikkelt, altijd vrolijker dan iemand die mager is, omdat de geest der zoetheid meer in hem werkt dan in iemand die mager is. Want het licht der natuur, hetwelk de geest des levens is, kan in hem meer licht verspreiden dan in de magere mens. Want in dit zelfde licht komt de vreugde en de triomf in de zoete eigenschap tot uiting; het wrange en het bittere verheugen zich, dat zij door het zoete gelaafd worden, en gespijzigd, gedrenkt en verlicht. Want in het zure en wrange zelf is geen leven, maar daarin is de koude, harde dood en in het bittere is geen licht, maar de duistere, bittere en razende pijn; het is als een huis van sidderende, vreesachtige en grimmige ellende. Wanneer de andere eigenschappen nu bij deze zoete en lichtgevende hoedanigheid vertoeven, zo worden zij door deze aangedaan en zij worden zeer lieflijk en vreugdevol en gaan in een bepaald schepsel triomferen. Daarom ook is niemand die mager is vrolijk, tenzij de warmte de voornaamste eigenschap van zijn wezen is, d.w.z. wanneer iemand mager is en zijn 'lichaam weinig vet ontwikkelt, zo is dit, ingeval de warmte de boventoon heeft, toch van een bijzondere zoetheid. Daar staat weer tegenover dat menig mens, wiens lichaam veel vet vertoont, toch zeer melancholiek kan zijn; oorzaak hiervan is, dat zijn vet te veel neigt naar het element water, waarin de wrange en bittere eigenschap weer domineert. Zijt ge nu een verstandig mens, zo merk dan het volgende op: De Geest, die zich uit de hitte verheft, ontspringt uit de zoete kwaliteit, stijgt er uit op en blijft er in lichten. Daarom is de zoete eigenschap meesteres der zachtmoedigheid en der vriendelijke welwillendheid, en de zachtmoedigheid en de deemoed zijn de woonplaats van deze geest. En dit is de kern der Godheid; daarom heet Hij God, terwijl hij zachtmoedig, vriendelijk, goed en liefdevol is. Daarom heet Hij barmhartig, omdat Zijn Zoetheid uitgaat boven het zure, wrange en bittere en dit laaft, verkwikt, bevochtigt en verlicht, zodat het bittere en het zure niet blijven voortbestaan als een donker dal. Versta uw moedertaal juist: de diepte hiervan doet niet onder voor het Hebreeuws of Latijn; al verheffen de geleerden zich hierop als een trotse bruid; hun kunnen gaat ten gronde. De geest toont aan, dat nog vóór het einde daar is, menige oningewijde meer zal verstaan en meer zal weten dan de geleerdste doctoren nu weten; want de poort des Hemels wordt geopend. Wie nu niet de blinddoek voor het gelaat heeft, die zal Hem

zien; de bruidegom kroont zijne bruid. Amen. Ziet, het woord “barm” is op uwe lippen en wanneer ge dit zegt, zo maakt ge de mond dicht en er komt een knarsend geluid. Dit is de wrange hoedanigheid, die in het woord aanwezig is, zodat het hard klinkt of schalt, en de bittere hoedanigheid verdeelt het woord weer. D.w.z. wanneer ge zegt “bar”, zo rolt de laatste letter, de r en klinkt als een sidderende adem; dat doet de bittere hoedanigheid, deze is sidderend, bevend. Nu is echter het woord “barm”, een dood en onbegrijpelijk woord, dat niemand verstaat, d.w.z. dat de twee eigenschappen “zuur en bitter” zijn als een donker, koud, kort begrip; men kan hun kracht zonder de verklarende werking van het licht niet verstaan. Wanneer men echter zegt: “barmhart”, zo stoot men de tweede lettergreep “hart” uit de diepte van het lichaam, uit het hart; de ware geest die uit de hartewarmte omhoog schiet, spreekt het woord “hart” uit, en uit het hart wordt het licht geboren en vandaar verspreidt het zich. Ziet, als ge zegt “barm”, zo stellen de twee eigenschappen, zuur en bitter, dit woord zeer langzaam tezamen. Dit bestaat uit een lange lettergreep, zonder klemtoon, hetgeen zijn oorzaak vindt in de zwakheid der genoemde eigenschappen. Wanneer ge zegt “hart”, dan vaart de geest in en door het woord “hart”, snel als de bliksem en hij geeft het woord betekenis, inhoud en verstand. Wanneer ge evenwel zegt “ig”, zo vormt de geest het gehele woord zodanig, dat de klemtoon weer verlegd wordt en de geest als 't ware gevangen wordt gehouden tussen de twee andere eigen schappen. Alzo is de goddelijke kracht; de zure en bittere eigenschap zijn de “Salniter” der goddelijke almacht; de zoete kwaliteit is de kern der barmhartigheid; naar deze eigenschap is het, dat God ook God genoemd wordt met alle krachten, die aan Zijn wezen inherent zijn. De hitte is de kern van den Geest, waaruit het Licht voortkomt. Zij wordt ontstoken in de zoete kwaliteit en vormt een middelpunt tussen het zure en het bittere, waartussen zij als 't ware gevangen gehouden wordt; hier wordt de Zoon van God geboren, en Deze is het ware Hart van God. En de vlammen des Licht of de bliksem, die op 't zelfde ogenblik in alle krachten doorstralen, zoals de zon de gehele wereld bestraalt, is de Heilige Geest; deze gaat uit van de klaarheid van den Zoon van God, en is als een bliksem in zijn gestrengheid; want de Zoon wordt te midden der andere hoedanigheden geboren. Versta deze hoge dingen toch goed: Wanneer de Vader het Woord spreekt, d.w.z. Zijn Zoon doet geboren worden, hetwelk immer en eeuwig geschiedt, zo vindt dat woord allereerst zijn oorsprong in de wrange hoedanigheid, dan wordt het door de zoete eigenschap verzacht, door de bittere geprikkeld en in beweging gebracht en door de hitte stijgt het op en ontsteekt de middelste zoete kwaliteit. Nu brandt het in alle eigenschappen tegelijk door het vuur, dat ontstoken is, en dit vuur brandt ook wederom in alle hoedanigheden en dit vuur is als één groot vuur en

niet als vele vuren. En dit zelfde vuur is de waarachtige Zoon Gods, die van eeuwigheid tot eeuwigheid steeds op deze wijze geboren wordt. Dit zal ik bewijzen aan Hemel en aarde, sterren en elementen en aan alle schepselen, aan stenen, aan loof en graf, ja, aan de duivel zelf. En ik zal het niet met dode, slechte, onverstandige argumenten bewijzen, maar met levende en onoverwinnelijke argumenten, die ook uitgaan boven alle menselijk vernuft en tegen welke alle duivelen en poorten der hel niets kunnen uitrichten. In dit gehele boek zal hierover in alle hoofdstukken gehandeld worden; gij zult hierover lezen bij de behandeling van de schepping der creaturen, zo ook bij de schepping van Hemel en aarde en van alle andere dingen, hetgeen de lezer dan begrijpelijk zal worden. Merk nu op: Van dit zelfde vuur gaat de bliksem uit en werkt in alle krachten en heeft in zich de bron en de kwintessens aller krachten. Dewijl dat vuur door den Zoon in alle krachten des Vaders tot uiting komt, zo maakt het wederom al deze krachten in den Vader levend en beweeglijk, en door dezelfde Geest zijn alle Engelen geformeerd en uit des Vaders krachten geschapen. En dezelfde Geest bewaart en draagt alles, formeert alles: alle gewas, alle kleuren en schepselen in de Hemel en in deze wereld en boven der Hemelen Hemel; want de geboorte der heilige Drievuldigheid geschiedt op deze wijze en niet anders en zal ook in eeuwigheid niet op andere wijze geschieden. Wanneer echter het vuur in enig schepsel ontstoken wordt, d.w.z., wanneer dat schepsel zich te zeer verheft, zoals Lucifer en zijn heirscharen deden, zo dooft het licht uit en de grimmige en vurige bron komt aan de dag, de bron van het helse vuur; de geest van het vuur komt tot aanschijn in de boze, grimmige hoedanigheid. Merk op de omstandigheden waaronder dat geschiedt of geschieden kan. Een Engel is geformeerd uit alle krachten des Vaders, hetgeen ik uitvoerig beschreven heb. Wanneer hij zich nu verheft, zo verheft hij zich ten eerste in de wrange, zure eigenschap, deze zuurheid wordt samengedrukt, daardoor wordt zij hard en scherp, zodat zij het zoete water niet meer dwingen kan en dit zich niet neer in het schepsel kan laten gelden; het droogt door die zure wrangheid en het verandert in een scherpe, grimmige koude. Het wordt door die samentrekking te hard en verliest zijn lichte glans en zijn vetheid, waarin de Geest zich openbaart, welke de geest van het heilige leven van God en Engelen is. Het verdroogt als een stuk dor hout. En wanneer dan de bittere eigenschap opstijgt in de verdroogde, zoete kwaliteit. zo kan de zoete haar niet laven, omdat zij verdroogd is. Dan woelt en werkt de bittere kwaliteit en zoekt rust of spijze en vindt deze niet, en werkt in het lichaam als een versmachtend vergif. Wanneer dan de hitte het zoete aansteekt en gelaafd wil worden door het zoete water, zo vindt zij niets dan een verdroogde zoete bron, waarin geen vloeistof meer is, daar deze door de zuurheid en de wrang-

heid is opgedroogd. Dan brandt de zoete bron en gloeit als een harde steen en alle licht kan daarvan afstralen en het gehele lichaam is als een grote duisternis, waarbinnen niets is. Slechts is in de wrangheid een grimmige koude, in de zoetheid een gloeiend vuur, waarin de hitte in alle eeuwigheid opstijgt, en in het bittere is ten slotte een steken, branden, woeden en razen. En dit is nu de waarachtige beschrijving van een verstoten Engel, of een duivel, en hetgeen hier is beschreven geeft u de oorzaak te verstaan. Het is niet slechts in gelijkenissen geschreven, maar de geest deelt het ons mede, door de kracht waaruit alles ontstaan is. Mens, bezint u ten allen tijde, dit is niet tevergeefs. Deze grote gebeurtenis en hoe het verloop ervan is, zult ge uitvoerig beschreven vinden bij de behandeling van de val van de duivel. Over de vijfde hoedanigheid. De vijfde eigenschap of de vijfde Geest Gods van de zeven Geesten Gods in de goddelijke kracht van den Vader is de lieflijke, vriendelijke en vreugdevolle geest der liefde. Merk nu op wat de oerbron is van deze liefde Gods. Het is de kern van alles. Wanneer de hitte opstijgt in de zoetheid en de bron der zoetheid ontsteekt, zo brandt het vuur te midden van de zoetheid, en dewijl die zoetheid een lieflijk en fijn bronwater is, zo matigt het de hitte en dooft het vuur uit; alsdan blijft slechts het vreugdevolle licht in de zoete bron over en de hitte is nog slechts een zachte warmte, zoals die welke aanwezig kan zijn in een mens, die een sanguinisch temperament heeft; ook bij hem is de hitte slechts een aangename warmte, wanneer hij zich gedraagt als een rechtvaardig mens. Datzelfde drievoudige begrip liefde, licht, vuur, verspreidt zich in de zoete, zure en bittere kwaliteiten en ontsteekt deze beide laatsten en spijzigt en drenkt hen met haar zoete liedessappen, versterkt hen en verlicht hen, maakt hen levend en vriendelijk. En wanneer deze lichtende, zoete liefdekracht tot hen komt, zodat zij daarvan proeven en tot leven gewekt worden, ach dan is er een heerlik triomferen, een grote liefde breekt zich baan, een lieflijk welkom is bereid, het is een proeven der zaligheid. De bruidegom kust zijn bruid, o zaligheid en grote liefde; hoe zoet zijt gij, hoe vriendelijk zijt ge, hoe lieflijk is toch uw smaak, hoe zacht geurt gij, ach edel licht er zuivere klaarheid; wie kan uw schoonheid meten? Hoe schoon is uwe liefde, hoe schoon zijn uwe kleuren! Wie in eeuwigheid kan dit uitspreken? Waarover schrijf ik toch, ik die toch slechts stamelen kan als een kind dat leert spreken. Waarmede zal ik dit vergelijken? Zal ik het vergelijken met de liefde dezer wereld? Deze is

hierbij vergeleken slechts als een donker dal. Ik kan het nergens anders mee vergelijken dan met de opstanding uit de doden. Het liefdevuur zal wederom in ons branden en het zal de mensen vreugdevol om helzen en onze bitterheid, zuurheid, koude, duisternis en dood zullen ontbranden ten leven en het liefdevuur zal alles omvatten o, edele Geest, waarom zijt gij van ons gegaan? 0 boosheid en zuurheid, gij zijt de oorzaak. 0 grimmige duivel, wat hebt ge toch gedaan; gij die u zelf en al uw schone Engelen in de duisternis gestort hebt! Ach en eeuwigdurend ach! Dewijl toch de lieflijke, schone liefde ook in u was, o, gij hoogmoedige duivel, waarom was u dat niet genoeg? Gij waart toch 'een cherub, en in de Hemel was er niets schoners dan gij; wat zoekt ge dan nog? Wilt gij God zelf zijn? Ge wist toch wel, dat gij maar een schepsel waart en niet het meetsnoer in uw hand houdt! Wat beklaagt ge u dan, o gij vervloekte, boze duivel, wat hebt ge het voor ons bedorven. Hoe wilt ge u zelf nog rechtvaardigen, of wat verwijt ge mij. Ge zegt, dat als gij niet gevallen waart, dan zou de mens niet bestaan hebben. 0, gij 'leugenduivel! Als dat waar was, zo zou de Salniter, waaruit de mens geschapen is, zowel als datgene waaruit ge zelf geschapen zijt, in eeuwige vreugde en klaarheid daar zijn en zou in God zijn opgestegen en in de zeven Geesten Gods de zalige liefde en de Hemelse vreugden geproefd hebben. 0 gij, leugenduivel, wacht toch een stonde; de Geest zal u uwe schande openbaren. Toef nog een wijle, zo zal uw rijk ten einde zijn. Wacht, de boog is reeds gespannen; wanneer de pijl u treft, zo zult ge vallen, uw plaats is reeds bereid, deze moet nog slechts aangestoken worden. Draag ijverig hout naderbij, opdat ge niet zult bevriezen. Meent ge, dat gij het licht terug zult ontvangen? Ja, nobis infernum; denk aan uw geliefde; hoe heet zij? “Geheuna”, zij zal u eeuwig liefhebben. Wee, gij arme, verblinde mens, waarom staat gij de duivel toe, uw lichaam en ziel zo duister en blind te maken? O, tijdelijk goed en wellust van dit leven, gij blinde hoereerder, waarom boeleert gij met deze helse duivel? O veiligheid, de satan wacht op u. O, hoogmoed, gij zijt het helse vuur. O schoonheid, gij zijt een duister dal. O geweld, gij zijt een werking van het helse vuur. O wraak, gij zijt de grimmige toorn Gods. O mens, waarom wordt de wereld u te benauwd? Gij wilt haar voor u zelf alleen hebben en zoudt ge haar hebben, zo zoudt ge nog geen ruimte genoeg hebben. Ach, dat is des duivels hoogmoed; hij, die uit de Hemel viel en in de hel nederstortte. Ach mens, waarom danst ge met de duivel? Met hem, die uw vijand is. Zijt ge niet bezorgd, dat hij u in de hel zal storten? Hoe kunt ge zo zeker hiervan zijn? Ge hebt toch slechts een smal pad waarop ge danst, en onder dat pad is de hel. Ziet ge niet, hoe hoog en gevaarlijk het daar is? Ge danst tussen Hemel en aarde. O, gij blinde mens hoe spot de duivel met u! Ach, waarom bedroeft gij de Hemel? Meent ge, dat ge

niet genoeg zult hebben in deze wereld? O blinde mens, de Hemel en de aarde zijn toch uwer, ja, God zelf. Wat brengt ge mede in deze wereld en wat draagt ge er uit? Een Engelenkleed brengt ge in deze wereld en in uw boze leven hebt ge daarvan een duivelslarf gemaakt. O, gij arme mens, bekeert u. De Hemelse Vader heeft beide armer, uitgestrekt en roept u. Komt gij slechts, Hij wil u in Zijne Liefde omvatten; gij zijt immers Zijn Kind; Hij heeft u lief. Zo Hij uw vijand was, zo zou hij niet Zichzelf zijn. O, neen, zo is het niet. In God is niets dan barmhartige, vriendelijke liefde en klaarheid. O, gij, Hoeder Israëls, waarom slaapt Gij? Waak op uit de slaap der hoererij en bereid uwe lampen. De bruidegom komt; laat uwe bazuinen schallen. O, gij gierigaards en dronkaards, hoe heult ge met de duivel der gierigheid! Zo spreekt de Heer. Wilt ge mijn volk niet leiden, mijn volk, dat ik u toevertrouwd heb? Ziet, ik heb u op Mozes' stoel gezet en u mijne kudde toevertrouwd; maar ge weidt slechts de wol en niet mijne schapen, gij bouwt uzelf paleizen, maar Ik zal u pestilentie zenden en mijn herder zal mijne schapen eeuwig wijden. Ach, gij schone wereld, hoe bedroeft ge de Hemel, hoe bereidt ge de elementen smart. Ach boosheid, wanneer zult ge eindigen. Waak op, waak op en breng voort, gij treurende vrouw. Zie, uw bruidegom komt en eist van u de vrucht. Waarom slaapt ge? Zie, Hij klopt. O, zalige Liefde en klaar Licht; blijf toch bij ons, want het wordt avond. Ach, waarheid, o gerechtigheid en gericht, waar zijt ge? De geest is verwonderd, als had hij de wereld nooit tevoren gezien. Ach, wat schrijf ik toch over de boosheid dezer wereld, en de wereld geeft mij daarvoor de dank des duivels. Amen.

HOOFDSTUK IX.

Over de lieflijke, vriendelijke en barmhartige Liefde Gods; het grote Hemelse en Goddelijke Geheimenis. Dewijl ik hier over Hemelse en Goddelijke dingen schrijf, die aan de verdorven menselijke natuur geheel en al vreemd zijn, zo zal de lezer zich zonder twijfel ergeren en verwonderen over de eenvoud van den schrijver. De verdorven natuurdrift ziet de hogere dingen aan als een trotse, wilde, oneerbare vrouw, die in haar begeerte zich steeds naar schonere mannen wendt om met hen te boeleren. Zo is het ook gesteld niet de hovaardige, verdorven natuur des mensen;

zij ziet slechts naar datgene, dat in de wereld praalt en schittert en denkt, dat God de ellendige vergeten heeft en hem deswege plaagt. Deze verdorven menselijke natuur denkt, dat de Heilige Geest slechts naar het grote dezer wereld ziet, naar de kunst en de diepgaande studie. Al is het er nu zo mee gesteld, zo is het toch noodzakelijk, in het verleden te zien, dan zult ge de oorzaak daarvan ontdekken. Wie was Abel? Een schaapherder. Wie waren Henoch en Noach? Eenvoudige lieden. Wie was Abraham, Izaak en Jacob? Zij waren veeherders. Wie was Mozes, de dierbare man Gods? Een veeherder. Wie was David toen Gods mond hem riep? Een schaapherder. Wie waren de grote en kleine profeten? Gewone en geringe lieden, eensdeels slechts boeren en herders, die men voor dwazen hield. En of zij tekenen en wonderen deden, toch zag de wereld slechts naar het hoge, al was de Heilige Geest de voetbank voor hunne voeten. De trotse duivel echter heeft ten allen tijde in deze wereld koning willen zijn. Hoe kwam nu onze Koning Jezus Christus in deze wereld? Hij was arm en in grote kommer en ellende, en Hij had niets, waarop Hij het Hoofd kon nederleggen. Mattheus 8 : 20. Wie waren zijn apostelen? Arme, verachte, ongeleerde vissers. Wie geloofde aan hun prediking? Het arme en geringe volk; de schriftgeleerden waren de beulen van Christus, die riepen: kruist Hem. Lukas 23 : 21. Wie heeft ten allen tijde Christus' Kerk het trouwst beleden? Het arme, verachte volk, dat om Christus' wil zijn bloed vergoten heeft. Wie heeft de ware, reine, christelijke leer vervalst, haar overal aangevochten? De schriftgeleerden, pausen, kardinalen, bisschoppen en grote heren. Waarom volgde de wereld deze mensen? Omdat zij aanzienlijk waren en schitterden voor de wereld. Zo is de menselijke natuur. Wie heeft de geldzucht, afgoderij en bedrog van den paus in Duitsland uit de kerk verwijderd? Een arme, verachte monnik. Door welke macht of kracht? Door de macht Gods des Vaders en de kracht van God, den Heiligen Geest. Wat is nog verborgen? De juiste leer van Christus? Neen, maar filosofie en de diepe oorsprong van God; de Hemelse zaligheid, de openbaring van de schepping der Engelen, de openbaring van de gruwzame val, van de duivel, door wie het boze ontstaan is, de schepping dezer wereld, de diepe oorzaak en het geheimenis des mensen en van alle schepselen in deze wereld; het jongste gericht en de verandering van deze wereld, het geheimenis der opstanding uit de doden en van het eeuwige leven. Dit zal in grote eenvoud en in nederigheid geopenbaard worden. Waarom niet in de hoge regionen der kunst? Opdat niemand zou kunnen roemen, dat hij het bewerkt heeft en zodoende de hovaardij des satans aan de dag gebracht en te niet gedaan zou worden. Waarom doet God dat? Uit grote liefde en barmhartigheid jegens alle volkeren en om hierdoor aan te tonen, dat nu de tijd van het wederbrengen van datgene, wat verloren was gegaan, aangebroken is.

Opdat de mensen de volkomenheid zouden aanschouwen en genieten, en in de reine en diepe en lichtende kennis van God zouden wonen. Daarom zal, vóórdat dit geschiedt, het morgenrood opgaan, waardoor men de komende dag tegemoet kan treden. Wie nu slapen wil, dat hij slape en wie waken wil en zijn lampen bereid wil maken, dat hij wake. Ziet, de bruidegom komt; hij die waakt en bereid is, hij gaat mede ter eeuwige Hemelse bruiloft. Wie echter slaapt, wanneer de bruidegom komt, dat hij slape, in eeuwigheid in de duistere kerken der boosheid. Daarom wil ik de lezer getrouw waarschuwen, dat hij dit boek volijverig leze, en zich niet aan de eenvoud des schrijvers ergere; want God ziet niet naar het boze en verhevene, want slechts Hij is hoog en verheven; Hij ziet op de nederige, om hèm te helpen. Wanneer ge eenmaal de geest en de bedoeling van de schrijver begrijpt, zo zult ge geen vermaning meer van node hebben, maar ge zult u in dit Licht verbergen en vrolijk zijn, en uw ziel zal lachen en triomferen. Merk op: De liefde, welke de vijfde oergeest in de goddelijke kracht is, is de verborgen bron, die het lichamelijke schepsel niet begrijpen, noch omvatten kan. Slechts wanneer deze bron zich in het lichaam uitleeft, zo zegeviert het lichaam in de liefde en gedraagt zich lieflijk en vriendelijk; want deze geest behoort niet bij de vorming van een lichaam, maar hij beïnvloedt het lichaam en stijgt in het lichaam op, zoals een bloem uit de aarde opstijgt. Deze zelfde geest heeft zijn oorsprong in de zoete hoedanigheid van het water. Versta dit, zoals het verstaan moet worden. Ten eerste is daar de wrange, zure eigenschap, daarna de zoete, dan de bittere; de zoete houdt het midden tussen de zure en de bittere. Nu veroorzaakt de zure: hardheid, koude en duisternis en de bittere verscheurt, jaagt, woedt en verdeelt. Deze twee eigenschappen strijden en worstelen zo met elkander en stellen zich zó te weer, dat uit hun wrijving de hitte geboren wordt; deze nu is in genoemde eigenschappen duister, zoals de hitte b.v. in een steen. Wanneer men een steen neemt, of iets anders, dat hard is, en wrijft ermede op hout, zo worden de beide dingen verhit. Nu is deze hitte duisternis, en daarin is geen licht; evenzo is het ook in de goddelijke kracht. De zure en bittere hoedanigheid zonder het zoete water worstelen zó zeer met elkander, dat zij de duistere hitte doen geboren worden en in zich doen ontbranden. En dit nu tezamen is de toorn Gods, de bron en oorsprong van het helse vuur, hetgeen te zien is bij Lucifer. Deze verhief zich en stelde zich mèt zijn regimen zó zeer te weer, dat de zoete bron in hem verdroogde, het zoete, waarin het licht ontstoken en de liefde opstijgt. Daarom is hij nu ten eeuwige dage een zure, harde, koude, bittere, vurige en onwelriekende bron; want, toen de zoetheid in hem verdroogde, zo werd hij gelijk een duister jammerdal en als een

huis van verderf en ellende. Het licht wordt ontstoken temidden van de hitte, in het zoete bronwater. Dat is het begin des levens, wart de zure en bittere eigenschappen zijn de aanvang en de oorzaak van hitte en licht. Alzo wordt het zoete bronwater een schijnend licht, zoals de heldere, blauwe Hemel. En datzelfde heldere bronwater ontsteekt de zure en bittere eigenschap; en de hitte, die door de zure en bittere eigenschap in het zoete water ontstaat, stijgt uit dat zoete bronwater ook op in de bittere en zure eigenschap, en in deze twee eigenschappen wordt het licht eerste droog en schijnend, daarna beweeglijk en overwinnend. En wanneer dan het licht in het bittere en het zure opstijgt, zo proeven zij beide het zoete en heldere water, en in het zoete water is ook weer het licht, maar slechts licht van een Hemelsblauwe kleur. Dan siddert de bittere eigenschap en verdrijft de hardheid in de zure eigenschap; en het licht schijnt helder in deze eigenschap, veel helderder dan de glans der zon. Hierdoor wordt zij zacht licht, lieflijk en soepel en krijgt leven. Dit nu is de juiste bronwel der liefde. Hoe zou daar niet de liefde en de vreugde zijn, waar temidden van de dood het leven geboren wordt en midden in de duisternis het licht. Ge zegt: hoe geschiedt dat? Ja, wanneer mijn geest in uw hart zou zetelen en in uw hart zou opstijgen, zo zou deze uw lichaam begrijpen; maar op andere wijze kan ik het u niet aantonen; ge kunt het ook niet begrijpen of verstaan; de Heilige Geest ontsteke uw Geest, opdat dit licht in uwe harten schijne. Dan wordt dit licht in u geboren zoals in God en stijgt op in de zure en bittere eigenschap van uw wezen, in het zoete water, en zegeviert, zoals het in God zegeviert. Wanneer dit plaats vindt, zult ge mijn boek eerst verstaan en eerder niet. Wanneer het licht in de bittere hoedanigheid ontstaat, d.w.z.: wanneer het bittere en droge het zoete bronwater des levens opvangt en daarvan drinkt, zo woedt de bittere Geest levend in de zure, wrange geest en deze is nu gelijk een zwangere geest, die zwanger is van leven en voortdurend leven voort moet brengen. Want het zoete water en het licht, dat daarin ontstaan is, stijgt voortdurend in de zure hoedanigheid op en de bittere eigenschap zegeviert daarin, dit is gelijk lachen en vreugde, als louter liefhebben. Want deze zure eigenschap heeft het zoete water lief, omdat de geest des lichts daarin geboren werd, die haar verlicht en verwarmt; want in het water, in de hitte en in het licht is het leven. De zure eigenschap heeft de bittere lief, dewijl deze in het water, in hitte en 'licht triomfeert in haar, en haar ook heimelijk maakt. En ten derde heeft de zure eigenschap de hitte lief, dewijl in de hitte het licht geboren wordt, waardoor zij verlicht en verwarmd wordt. De' zoete kwaliteit heeft de zure lief, omdat zij deze doet opdrogen, zodat zij niet wordt zoals het water, en haar hoedanigheid in kracht bestaat, zodat in de zuurheid het licht schijnend en droog wordt. Daartoe is de zuurheid oorzaak van de hitte, die in het zoete water ontstaat, waarin het licht opgaat, en het zoete

water schijnt in groter klaarheid. De zoete hoedanigheid heeft de bittere ook lief, dewijl zij een oorzaak der hitte is, en dewijl deze laatste in het zoete water, in hitte en licht triomfeert, en siddert en de zoetheid beweeglijk en levend maakt Ten derde heeft de zoete kwaliteit de hitte zeer lief; zo lief, dat ik het met niets kan vergelijken. Vergelijk dit met twee jonge mensen, hoewel de vergelijking veel te zwak is; wanneer zij vol liefde in elkander opgaan, komt zulk een vuur tot stand. Wanneer zij te samen als een zouden zijn, zo zouden zij dat doen, maar deze aardse liefde is slechts koud water, vergeleken bij dit vuur. In deze halfdode wereld kan men geen juiste vergelijking vinden, als slechte deze: de opstanding der doden op de jongste dag: dit is een volkomen zuiver voorbeeld, waarmede men de goddelijke dingen kan vergelijken, het juiste liefde-ontvangen. De zoete eigenschap heeft daarom de hitte zo lief, omdat zij de Geest des lichts in haar ontsteekt, die is de geest des Levens, want leven ontstaat uit hitte; als dat niet zo was, zo zou alles zijn gelijk een donker dal. En de bittere eigenschap heeft ook alle andere eigenschappen of oerbronnen lief; vooreerst de zoete; want de bitterheid wordt door het zoete water gelaafd. Zij lest haar grote dorst daarin, zodat zij zacht wordt en licht. En in de zure eigenschap zegeviert zij en ten slotte ontleent zij haar kracht en sterkte aan de hitte, waarin ook haar vreugde tot uiting komt. En deze hitte heeft ook alle andere kwaliteiten lief en de liefde is zo groot jegens allen, dat men het niet zeggen kan; zij vindt haar oorsprong in de andere. De Vader der hitte is: de bittere en de zure kwaliteit; de zoete eigenschap is haar moeder, die haar ontvangt, behoudt en baart, want door de harde wrijving van het zure in het bittere ontstaat de hitte, die in de zoetheid opgaat als in een stuk hout. Wilt ge dit niet geloven, zo doe uwe ogen open en beschouw een boom, zie hem aan en bezint u: eerst ziet ge de gehele boom. Neem een mes en snijd in de boom en proef dan, hoe het hout smaakt: allereerst zult ge de zure eigenschap waarnemen; deze doet uw tong samentrekken, deze houdt en trekt ook alle krachten van de boom tezamen. Daarna proeft ge de bitterheid; deze eigenschap maakt dat de boom beweeglijk is, d.w.z., dat hij groeit, groent en takken, loof en vruchten krijgt. Daarna proeft ge de zoetheid; deze is tegelijk zacht en scherp, want van de zure en de bittere eigenschap krijgt zij haar scherpte. Deze drie eigenschappen nu zijn duister en dood, wanneer de hitte niet aanwezig ware, inwendig. Zodra echter het voorjaar komt, en de zon met haar stralen de aarde verrijkt en verwarmt, wordt de geest der hitte in de boom levend gemaakt, en de boom begint te groenen, te groeien en te bloeien; de geest komt tot uiting in de hitte en alle andere geesten of kwaliteiten gaan vol liefde aan de arbeid; en tussen hen allen bestaat een hartelijke liefde. De hitte echter wordt door de kracht en de drift der zure en bittere kwaliteit in het zoete water geboren; de

zonnewarmte echter hebben zij nodig om ontstoken te worden, dewijl de eigenschappen in deze wereld te machteloos en niet levend genoeg zijn, hetwelk de schuld is van koning Lucifer. Dit zult ge lezen bij de behandeling van de val van Lucifer en bij de schepping van deze wereld. Over de liefde, zaligheid en eensgezindheid dezer vijf bronnen Gods. Hoewel het onmogelijk is hierover voldoende duidelijk te schrijven met menselijke handen, zo ziet de verlichte geest des mensen het toch voor zich; want deze geest is evenzo geschapen als het licht in de goddelijke kracht en hij is te vergelijken met de hoedanigheden, die in God aanwezig zijn. Dit slechts is te bejammeren ten opzichte van de mensen: hunne eigenschappen zijn bedorven en niet levend genoeg, waardoor hun geest of streven, werken, opstijgen en ontsteken in deze wereld niet tot volkomenheid kan geraken. Daartegenover staat, dat het wederom verheugend is, dat de menselijke geest in zijn nooddruft door den Heiligen Geest wordt ontstoken en verlicht, zoals de zon de koude in boom of kruid aanraakt en omzet in warmte, waardoor wederom hitte wordt voortgebracht. Merk nu op: Zoals de lichaamsdelen van de mens elkander liefhebben, evenzo ook de geesten in de Goddelijke Kracht; daar is niets dan verlangen, begeren en vervullen, zodat zij in elkander triomferen en zich verheugen; want door deze geesten ontstaat het verstand en het onderscheid tussen God, Engelen, mensen, dieren en vogels, en in alles wat leeft. Want in deze vijf eigenschappen komt het zien, het ruiken, het proeven en het vallen tot uiting en zij allen vormen als 't ware één Geest. Wanneer het licht opgaat, ziet de ene geest de anderen en als het zoete bronwater in het licht alle andere geesten aandoet, zo proeven zij elkander en nemen elkander waar. Dan worden de geesten levend; de kracht des levens doordringt alles, de ene voelt en ruikt de ander. Het is niets dan een hartelijk liefhebben, een vol vriendschap elkander zien, een welaangenaam rieken, proeven en voelen, een zalig kussen, een elkander eten en drinken, een in liefde wandelen. Dat is de lieflijke bruid, die zich verheugt in hare bruidegom, dit is liefde, vreugde en gelukzaligheid, licht, klaarheid en een lieflijke geur, een zoete en verrukkelijke smaak. Eeuwiglijk en zonder einde; hoe kan enig schepsel zich daarin ten volle verheugen! Ach, liefde en zaligheid neemt geen einde. Uw diepte is niet te doorvorsen; ge zijt overal, slechts in de grimmige duivelen zijt ge niet; deze hebben zich zelf te gronde gericht. Vraag: Spreek nu, waar kunt ge nu deze lieflijke geesten vinden? Wonen zij in de Hemel?

Antwoord: Dat is de andere open poort der Godheid: ge moogt uwe ogen openen en de geest in uw halfdode hart tot ontwaken voeren, want het is geen duistere rede of fantasie. Merk op: De zeven geesten betrekken in hun gebied of ruimte de Hemel en deze wereld, en de ruimte en diepte buiten en boven de Hemel, boven de wereld, onder de wereld en in de wereld, ja, de ganse Vader, Die noch begin nóch einde heeft. Zij omvatten ook alle schepselen in de Hemel en in deze wereld en deze allen zijn door en uit deze geesten geschapen en leven in hen als in hun eigendom. En hun leven en hun inzicht wordt op zulk een wijze in hen geboren, zoals het Goddelijke Wezen geboren wordt, en ook in dezelfde kracht. Uit ditzelfde 'lichaam der zeven Geesten Gods zijn alle dingen gemaakt en daaruit komen voort alle Engelen, alle duivelen, de Hemel, de aarde, de sterren, de elementen, de mensen, de dieren, de vogels, de vissen, alle wormen, het hout en de bomen, daarnevens de stenen, het kruid, het gras en alles, wat bestaat. Nu vraagt ge: wijl nu God overal is en Zelf Alles is, hoe komt het dan, dat in deze wereld zulk een koude èn zulk een hitte is, waarbij alle schepselen zich te weer stellen en er niet veel anders is dan ijdele boosheid in deze wereld. (De oorzaken hiervan zijn de vier eerste gestalten der natuur). Ziet, dit is de oorzaak en de boosheid: Toen koning Lucifer in zijn rijk zetelde als een trotse, hovaardige bruid, zo omvatte zijn gebied de plaats, waar nu de Hemel is, die gemaakt is uit het water, en ook de plaats van de wereld die geschapen werd, zowel als de ruimte ertussen. Waar nu de aarde is, was een reine en heilige Salniter, waarin de zeven Geesten Gods volkomen en lieflijk waren, zoals ze dat nu zijn in de Hemel, hoewel ze nog in deze wereld werkzaam zijn. Toen Koning Lucifer zich verhief, zo verhief hij zich in de zeven Oergeesten en ontstak hen, zodat alles brandende werd. De zure hoedanigheid werd zo hard, dat zij stenen voortbracht en zo koud, dat zij het zoete bronwater tot ijs maakte. En het zoete bronwater werd zeer dik en onwelriekend en de bittere eigenschap werd zeer bijtend en toornig, waardoor het gif zich een uitweg zocht; en het vuur of de hitte werd brandend en verterend en alles tezamen werd een vermenging en bezinking, die voosheid in zich had. Daarna nu is koning Lucifer van zijn koningsplaats of zetel gestoten, die hij had, op de plaats, waar thans de Hemel is, en aldaar is spoedig daarop de schepping dezer wereld gevolgd, en de harde, vaste materie, die in de aangestoken zeven Oergeesten gearbeid had, is tezamen gevoegd, daarvan zijn de aarde en de stenen gemaakt. Hierna zijn alle schepselen uit de aangestoken Salniter der zeven geesten van God geschapen. Nu zijn deze Oergeesten te vurig geworden in hun nieuwe toestand, zodat de ene de andere voortdurend vernielde met zijn boze werking. Alzo doen nu ook de schepselen, die uit de brongeesten geschapen zijn en volgens dezelfde stuwkracht leven; zij verweren zich tegen elkander,

voeren strijd met elkander en toornen jegens elkaar naar de aard der hoedanigheden. Nu wil God in het jongste gericht het boze van het goede scheiden, het goede wederom in het zachte en lieflijke licht stellen, alwaar het goede voor de gruwzame val van de duivel ook was, en Hij wil het boze aan koning Lucifer tot een eeuwige woonplaats geven. Alsdan zullen twee rijken ontstaan; het ene ontvangen de mensen met hun koning Jezus Christus, het andere ontvangen de duivelen in hun boosheid en alle goddeloze mensen. Dit is alzo een korte leiddraad, opdat de lezer het goddelik geheimenis nu des te beter zal kunnen begrijpen. Bij de val van de duivel en bij de schepping dezer wereld zult ge alles uitvoerig beschreven vinden; ik wil derhalve de lezer vermanen, dat hij alles in volgorde leze, zo zal hij het juiste inzicht bekomen. Wel is waar is dit alles van af het begin der wereld aan geen enkel mens geheel geopenbaard geworden; dewijl het echter Gods wil is, zo zal ik Hem laten besturen en ik wil toezien, wat Hij met dit alles wil doen. Want Zijne wegen zijn meestentijds verborgen; later evenwel ziet de Geest Gods wegen in hun volle diepte.

HOOFDSTUK X.
Over de zesde oergeest in de goddelijke kracht. De zesde oergeest in de goddelike kracht is het geluid of de toon waardoor alles klinkt en geluid van zich geeft; waardoor de spraak en het onderscheid tussen de verschillende dingen ontstaat; ook ontstaat er door het geluid en het gezang der heilige Engelen; alle kleuren, de schoonheid en het Hemelse vreugderijk ontstaan ook hieruit. Nu vraagt ge: Wat is de toon of het geluid, of hoe ontstaat deze geest? Merk op: Alle zeven geesten Gods worden tegelijk geschapen; de ene doet de andere ontstaan, geen is de eerste, en ook geen is de laatste; de laatste doet zowel de eerste ontstaan, als de eerste de anderen, te weten de derde, vierde tot de laatste toe. Dat er echter toch een de eerste genoemd wordt, vindt hierin zijn oorzaak, dat één ten slotte begonnen is bij de vorming en ontwikkeling van een schepsel. Alle zeven zijn ze eeuwig; geen van allen heeft begin of einde en daaruit volgt, dat zij één, enig, eeuwig en almachtig God vertegenwoordigen. Want wanneer iets uit of in het Goddelik Wezen geboren wordt, zo wordt het niet door één van deze geesten geformeerd, maar door alle zeven geesten; en wanneer enig schepsel, dat is als een afschaduwing van de Godheid, zondigt ten opzichte van één der zeven

Oergeesten, zo zondigt het ten opzichte van alle zeven geesten. Daarom is zulk een schepsel weerzinwekkend voor God en al zijne schepselen; en hij staat in eeuwige vijandschap en schande voor God en alle schepselen. De toon of Mercurius ontstaat uit de eerste, dat is de zure en harde kwaliteit. De hardheid is de oorsprong van de toon, maar zij kon de toon niet alleen voortbrengen, zij is de Vader; en de Salniter is de Moeder; anders wanneer de hardheid vader en moeder beide waren, zo zou een harde steen ook geluid moeten geven. De klank of de stem stijgt op in de bliksem, in het midden, waar het licht uit de hitte geboren wordt. Wanneer de zure kwaliteit met de bittere strijd voert, zodat de hitte opstijgt in het zoete bronwater, zo steekt deze hitte het zoete bronwater aan als een bliksem en deze bliksem is het licht, dat vaart in de hitte, in de bittere kwaliteit. De bittere eigenschap vangt het licht op, waardoor zij schrikt en daarna vaart zij met haar sidderen en verschrikken in de wrange en harde hoedanigheid. Nu is de bittere hoedanigheid zwanger van licht en zij beweegt zich in de beide andere kwaliteiten en is in hen als lichamelijk gevangen. Wanneer nu de geesten zich bewegen en spreken willen, zo moet de harde kwaliteit dat mogelijk maken; en de bittere met haar bliksem doet haar als 't ware openspringen; dan komt de klank te voorschijn en alle zeven geesten zijn zwanger van geluid. Deze onderscheiden het “woord”, zoals het was in het centrum, in de middelste cirkel, toen het nog in de raad der zeven geesten besloten was. En daarom hebben de zeven geesten Gods aan het schepsel een mond geschonken, opdat, wanneer hij spreken of geluid voortbrengen wil, hij dit zonder scheuring te veroorzaken, kan doen. Daarom bevinden zich alle aderen en kracht- of Oergeesten in de tong, opdat de toon zoet vloeiend naar buiten zou kunnen treden. Merk hier nu op de bedoeling en het geheimenis. Als de bliksem opstijgt in de hitte, zo vangt het zoete water hem allereerst op, want daarin is hij duidelijk te zien; hij schijnt in het water. Wanneer nu het water de bliksem opvangt, d. i. de geboorte van het licht, het allereerste licht, zo verschrikt het water daarvan, en het wordt doorzichtig en beweeglijk. Dan stijgt de hitte in het licht op. Wanneer dan de zure kwaliteit, die zeer koud is, de hitte en de bliksem opvangt, zo verschrikt ook zij, alsof het onweer losbreekt. Wanneer de hitte met het licht in deze koude doordringt, ontstaat een grimmige flikkering, vol van vuuren lichttinten. Deze zelfde bliksemstraal of flikkering keert weer terug en het zoete water vangt hem op, en vaart met dezelfde grimmigheid op en al opvarend verandert zij en krijgt een groene en Hemelsblauwe kleur, en het water siddert vanwege de door hem opgevangen bliksemstraal. De bliksemstraal op zichzelf behoudt die grimmigheid of woede; daardoor ontstaat de bittere hoedanigheid of de geest der bitterheid. Deze stort zich weer in de zure, wrange eigenschap en ontsteekt de hardheid of

scherpheid en het licht of de bliksemstraal droogt op in die hardheid en schijnt helder; het is veel helderder dan de glans der zon. Nu wordt het licht in de harde hoedanigheid gevangen gehouden, zodat het als 't ware een lichamelijk bestaan heeft en zo moet het eeuwigdurend licht verspreiden. De bliksem siddert in het lichaam en door dat sidderen worden alle eigenschappen beweeglijk gemaakt, altijd en eeuwigdurend. De bliksem van het vuur, die in het licht aanwezig is, siddert en triomfeert altijd op deze wijze en de hardheid doet dienst als lichaam, dat hem behoudt en doet opdrogen. En dit bewegen in de hardheid is wederom de toon, de klank, die het geluid voortbrengt, en het licht of de bliksem brengt de klank of echo voort, en het zoete water maakt de toon zacht en vloeiend, zodat men haar, om zich met het gesproken woord aan een ander kenbaar te maken, gebruiken kan. Hier kan men de oorsprong der bittere hoedanigheid nog beter zien. De oorsprong is dáár, waar de bliksem des levens in de hitte opgaat in de zure eigenschap; en wanneer dan de bliksem, in vermenging met het water en de zure eigenschap geraakt, zo ontstaat daardoor een strenge, vurige, grimmige geest, die vernielt en rond woedt in zijn vurigheid. Ik kan het nergens anders mee vergelijken dan met een donderslag, waarbij het vuur van te voren naar de aarde schiet, zodat de mens niet meer kan zien op zulk een ogenblik. Merk nu op: Wanneer nu deze geest van het vuur en de geest der zuurheid met elkander worstelen, zo veroorzaakt deze laatste een strenge, harde, koude wrangheid en de geest des vuurs veroorzaakt een verschrikkelijke, verwoede hitte. Het opstijgen van de hitte en de wrangheid brengt een geest van toorn en woede teweeg, een geest, die woedt en raast, als wilde hij de Godheid verscheuren. Ge moet echter dit goed verstaan. Hij brengt zowel zijn vader en zijn moeder voort, als dezen hem voortbrengen, want nadat hij lichamelijk geboren is, zo doet hij, met de zure, wrange eigenschap steeds opnieuw het vuur te voorschijn treden, en het vuur brengt het licht voort, en het licht is de bliksem, die alle leven steeds opnieuw in alle Oergeesten doet ontstaan; daardoor worden die Oergeesten geboren, die elk op zich zelf één der anderen tot leven roepen. Hier moet ge echter begrijpen, dat het niet zó is, dat één geest in staat ie een andere geest te doen geboren worden, twee geesten kunnen het ook niet, neen, het is zó te verstaan, dat de geboorte van één geest ie het werk van alle zeven geesten tezamen, zes van hen doen altijd de zevende geboren worden, en was de één er niet, zo zouden de anderen er ook niet zijn. Dat ik echter hier somtijds slechts twee of drie geesten op noem in plaats van hen allen, (wanneer er sprake is van de geboorte van één van hen), dat doe ik terzake van mijn zwakheid; ik kan ze nl.. niet alle zeven in

mijn verdorven brein in hun volkomenheid ondervragen. Ik zie hen wel alle zeven, maar wanneer ik over hen nadenk, zo stijgt de geest van de middelste oerbron op, daar waar de geest des levens geboren wordt. Deze mijn geest kan de zeven geesten Gods niet allen tegelijk bevatten; maar is slechts in staat een bepaald gedeelte van die geesten te overzien. Iedere geest heeft zijn eigen oorsprong; zo is het ook gesteld met het inzicht, het begrip der mensen. Hij heeft in zich de bronwel van alle zeven geesten, maar die geest die op een bepaald ogenblik over de andere heerst, begrijpt hij liet beste. Ook doet een bepaalde geest, wanneer hij in werking is gesteld, niet alle zeven geesten aan. In zijn opstijgen brengt hij ze wel in beweging, maar hij wordt al opstijgend gevangen gehouden, zodat hij niet over hen allen zegevieren kan. Dit ie het wezen van de gedachtenouders, wanneer een bepaalde gedachte haar weg kon nemen door alle zeven hoedanigheden heen, zo zou zij vrij zijn van de banden der natuur. Alzo ie het ook met de mens. Wanneer één geest in werking komt, zo brengt hij de andere ook tot activiteit en ziet hen alle, omdat hij uit het hart omhoog stijgt, waar in de hitte het licht ontstoken wordt, zodat de geest, die opstijgt in dat licht, de andere geesten ziet. Het licht is echter in onze verdorven toestand slechts waar te nemen als een weerlichten; want wanneer ik de bliksem, die ik toch wel zie en herken voor hetgeen hij is, niet mijn tegenwoordige lichaam werkelijk zou begrijpen, zo zou mijn lichaam daardoor verheerlijkt worden (uit de bliksem ontstaat het licht der majesteit), dan zou mijn lichaam niet meer een dierlijk lichaam zijn, maar het zou gelijk zijn aan het lichaam van Gods Engelen. Maar hoort: wacht nog een stonde en geeft het dierlijke lichaam de wormen tot spijze. Wanneer God Zijn zeven geesten in de verdorven aarde ontsteken wil, alsdan zal de Salniter, die ge in de aarde zaait, niet geschikt zijn voor het vuur. Dan zullen uw Oergeesten, die zich vrij maken, in de Salniter, die ge gezaaid hebt, wederom opstaan, daarin triomferen en weder tot een lichaam worden. Wie echter geschikt geacht wil worden voor het vuur der zeven goddelijke geesten, hij zal daarin blijven, en zijn Oergeesten zullen in grote pijn opstijgen, hetgeen ik ter plaatse duidelijk bewijzen zal. Ik kan u niet de ganse goddelijkheid meetkundig beschrijven, zij is niet meetbaar, maar voor den Geest, die 'leeft in Gods liefde, is zij niet onbegrijpelijk; hij begrijpt haar, zij 't slechte gedeeltelijk. Tracht daarom het ene na het andere te verstaan; dan zult ge het geheel zien. In deze onze verdorvenheid hebben wij geen dieper inzicht met hetgeen aan ons ie geopenbaard; deze wereld met haar begin en haar einde geeft ons slechts een beperkt inzicht. Ik zou ook gaarne in dit mijne benauwde bestaan dieper doorzicht hebben, opdat mijn zieke lichaam gelaafd zou worden, maar ik doorzoek de ganse wereld en kan niets ontdekken; alles

is ziek, lam, gewond, blind, doof en stom. Ik heb vele geschriften van grote meesters gelezen, in de hoop de oorsprong en de diepte der dingen daarin te zullen ontdekken, maar ik heb niets gevonden dan een half dode geest, die zich angstvallig beijvert gezond te worden, en ik kan terzake van zijn grote zwakheid niet tot volkomen kracht geraken. Alzo is het met mij gesteld als met een angstige vrouw in barensnood, volkomen lafenis zoekend en deze slechts ten dele vindend. De geest bewijst daardoor, welk een kracht er van volkomen lafenis zou uitgaan, wanneer eenmaal de grote Samaritaan komt en de wonden bindt en heelt, en de mens in de eeuwige herberg leidt; aldaar zal hij ten volle verzadigd worden. Hetgeen ik hier bedoel ie een kruid, welke reuk mijn geest verkwikt. En dit kruid is niet aan iederen landman bekend, ook niet aan iederen geneesheer; het groeit wel in elke tuin, maar menigmaal ie het bedorven en slecht, want de gesteldheid van de akker ie zodanig, dat het niet tot wasdom kan komen. Daarom kent men het niet; zelfs de kinderen kennen dit geheimenis nauwelijks, hoewel het vanaf 's werelds begin een dierbaar en kostelijk geheimenis is geweest. Hoewel in menig mens een bron is aangeboord, zo is toch de hoovaardij spoedig gekomen en heeft alles bedorven. De mens heeft het in zijn eigene taal niet willen beschrijven, hij heeft gemeend, dat dat te kinderlik zou zijn en dat hij zich in diepzinnige bewoordingen zou moeten uiten, opdat de wereld zou kunnen zien, dat hij een man is; en hij hield het voor beter, het verborgen te houden en met diepzinnige, vreemde namen aan te duiden, opdat men het niet zou herkennen. Alzo was des duivels hoogmoedig verlangen. Maar hoor, gij eenvoudige moeder, gij die al uw kinderen op deze wereld doet geboren worden, die kinderen, die zich later uwer schamen en u verachten, en die toch uw kinderen zijn, die gij gebaard hebt. Zo spreekt de geest, die werkt in de zeven goddelijke geesten, die uw Vader is: versaag niet. Zie, ik ben uw sterkte en uwe kracht. Ik zal u in uwe ouderdom een zoete drank doen drinken. Dewijl al uwe kinderen, die gij gebaard en in hun jeugd gezoogd hebt, u verachten, en u in uw ouderdom niet willen onderhouden, zo wil Ik u troosten en u in uwe hoge ouderdom een jonge zoon geven. Hij zal blijven in uw huis, zolang gij leeft en u verzorgen en u troosten, wanneer uw trotse kinderen tegen u woeden en razen. Merk hier op wat er verder gezegd wordt omtrent de toon of klank_ Alle eigenschappen beginnen aanvankelijk in het midden; merk op, hoe het vuur ontstaat, want daar ontstaat ook, in alle hoedanigheden, de bliksem des levens; deze wordt in het water gevangen, dat blijft lichten; dan verhoogt de zuurheid het wederom, en tenslotte wordt het helder schijnend. Merk op: Steek een stuk hout aan, zo zult ge het geheimenis zien. Het vuur ontsteekt zich zelf in de hardheid van het hout, dat is de zure, harde

bron, de Saturnusbron. Deze maakt het hout hard en ruw. Nu echter tast het licht, dat is de bliksem, niet de hardheid aan, want als dat zo was, zou een steen ook branden, maar het licht tast het sap, het vocht, dat in het hout aanwezig is, aan; dus het water. Dewijl sap in het hout is, zo straalt het vuur als een licht, dat glans verspreidt; als echter het vocht in het hout verdroogd is, zo verdwijnt het licht en het hout is een gloeiende kool gelijk. Ziet nu, de boosheid die in het licht opvaart, tast het vocht van het hout niet aan, maar wanneer de hitte zich uitstort in de hardheid, zo wordt de bliksem geboren. De boosheid of bitterheid wordt midden in de hardheid en hitte in de bliksem geboren en zo ver als deze bliksem, d. i. de vlam vuurs, reikt, zo ver reikt ook de boosheid der bitterheid, die de zoon is van de hardheid en de hitte. Dit geheimenis echter zult ge weten: dat de bitterheid voordien al in het hout aanwezig was; anders zou deze bitterheid niet zo plotseling in het vuur tot uiting komen. Want zoals vuur ontstaat, wanneer men hout aansteekt, evenzo ontstaat ook het hout in en boven de aarde. Zo evenwel de boosheid in het schijnende licht zou ontstaan, zo zou deze boosheid gelijke tred houden met de glans van het licht; dit geschiedt niet. Het is zo: de bliksem is de moeder van het licht, want de bliksem doet het licht ontstaan en hij is de vader der boosheid, want de boosheid blijft in de bliksem als een zaad in den Vader, en deze zelfde bliksem veroorzaakt ook de toon of het geluid. Wanneer deze toon uitgaat van de hardheid en de hitte, zo komt daaruit geluid te voorschijn en het licht maakt de klank helder en het water maakt de klank zacht. Hij wordt gevangen in de hardheid en hij leeft als het ware in alle andere hoedanigheden. Want iedere oergeest in de zeven Geesten van God zijn zwanger van de andere geesten Gods en zij zijn allen tezamen als één geest; geen bestaat buiten de anderen en van eeuwigheid tot eeuwigheid brengt de een de anderen voort. Hier wil ik de lezer vermanen, dat hij de goddelijke geboorte juist beschouwt. Ge moogt niet denken, dat de ene geest naast de andere bestaat, zoals ge de sterren aan de Hemel naast elkander ziet staan, neen, ze zijn alle zeven met elkander verweven, als één geest, zoals ge dat waar kunt nemen bij een mens. Hij heeft menigerlei gedachten vanwege de werking van de zeven geesten Gods, die in het menselijk lichaam wonen, maar ge moet toegeven, zo ge niet dwaas wilt zijn, dat ieder lichaamsdeel ook de kracht bezit van andere delen van het lichaam. Naar gelang van de eigenschap, die in een bepaald geval de boventoon heeft, naar gelang daarvan beheersen ook de gedachten het gemoed. Wekt ge in uw wezen de geest des vuurs, zo ontspringt in u bitterheid en toorn; want zodra het vuur ontstoken wordt, hetgeen in de hardheid en de boosheid geschiedt, zo welt de boosheid op in de bliksem. Want wanneer ge u tegen iets verzet, hetzij tegen liefde of tegen toorn, of tegen wat ook, dan ontsteekt ge die hoedanigheid, die daarmee parallel loopt en dat brandt in uw

gehele geest in; maar de oergeest wordt ontstoken in de bliksem. Want wanneer ge iets aanschouwt, dat tegen u gekeerd is en wat ge niet goedkeurt, zo tekent uw hart protest aan. Het is, alsof ge een steen zoudt nemen en daarmee op een hoefijzer zoudt slaan, zodat er een vonk zou uitspatten. Allereerst smeult het; wanneer ge echter nog meer in opstand komt, zo is het, alsof ge het vuur aanblaast, zodat de vlam eruit slaat. Dan is het tijd om te blussen, of wanneer het vuur te groot is geworden, zo brandt het door en verteert alles en doet schade aan de naaste. Zegt ge nu: hoe kan men het vuur, dat werd ontstoken, blussen, hoort dan toe. Ge hebt het zoete bronwater in u, giet het uit in het vuur, zo zal het uitdoven. Laat ge het branden, zo doet het in uw wezen opdrogen de bron van alle zeven Oergeesten, zodat ge verdroogt. Wanneer dit geschiedt, zo zijt ge een hellebrand en voor u is geen hulp meer. Wanneer ge echter aanziet, wat ge liefhebt, en ge maakt de geest in uw hart levend, zo ontsteekt ge het vuur; dat brandt allereerst in het zoete water als een gloeiende kool. Terwijl het nu smeult, zo doet het u weldadig aan en verteert u niet; wanneer uw hart zich echter verheft en de zoete bron ontstoken wordt, zodat het een laaiend vuur wordt, zo worden alle Oergeesten aangestoken, dan brandt uw gehele lichaam, en mond en handen komen in werking. Dit vuur is het meest schadelik, en heeft vanaf het begin van de wereld het meeste verdorven en het is moeilijk om het te blussen. Want wanneer het ontstoken is, zo brandt het in het zoete water en het moet gedoofd worden door de bitterheid. Daarom volgt hierop ook een treurig gemoed, wanneer iemand het zou toelaten, dat in zijn lichaam vuur zou branden in het zoete bronwater. Maar dit zult ge weten, dat ge heerser over uw eigen gemoed blijft. Er ontstaat géén vuur in uw lichaam of geest, of ge verwerkt het zelf. Het is waar: al uwe geesteswerkingen ontsprongen van zelf en werken in u; de ene heeft steeds grotere macht en kracht over u dan de andere. Want wanneer in de ene mens de heerschappij der geesten gelijk was aan die in een andere mens, zo zouden wij allen een gelijkvormige wil en een zelfde gestalte bezitten; zij zijn echter alle zeven onder het gezag van uw ene belichaamde geest, welke de ziel heet. (Zij heeft in zich het eerste principe der geest der zielen, het tweede en de sterrengeest in de elementen, het derde, namelijk deze wereld.) Wanneer nu een vuur in een oerbron ontstaat, zo is dit aan de ziel niet verborgen; zij mag onmiddellik de andere bronnen wekken, die het ontstoken vuur niet gunstig gezind zijn en zij mag het vuur blussen. Zou echter het vuur te groot worden, zo heeft zij haar gevangenis, waarin zij de geest, die werd aangestoken, mag opsluiten, nl.. in de harde scherpe kwaliteit, en de andere geesten moeten hare gevangenisbewaarders zijn, totdat de toorn voorbij gaat en het vuur uitdroogt. Merk op wat dit betekent. Wanneer een bepaalde geest of oerbron u te heftig een bepaalde

richting uitdrijft, wat tegen de natuurwet ingaat, zo moet ge uw ogen daarvan afwenden. Helpt dat niet, neem dan die geest en werp hem in de gevangenis. Dat wil zeggen: wendt uw hart af van de tijdelijke wellust, van eten en drinken en overdaad, van de rijkdom dezer wereld en denk dat op de dag van heden het einde van uw leven daar is; wendt u af van de overvloed dezer wereld en roept ernstig tot God en geeft u aan Hem over. Wanneer ge dat doet, zo zal de wereld met u spotten en zij houdt u voor een dwaas. Draag dit kruis met geduld, en laat den gevangen Geest niet meer uit de gevangenis en vertrouw op God, Hij zal u de kroon der goddelijke vreugde geven. Scheurt zich echter de geest weer uit de gevangenis los, zo werpt hem er weer in; beschouwt hem als uw wederpartij, zo lang u leeft. Wanneer ge maar zoveel overhoudt, dat hij niet de bronwel van uw hart geheel in vlammen doet opgaan, waardoor uw ziel wordt gelijk een dor stuk hout; en wanneer iedere bron nog zijn sap bezit, wanneer gij heen gaat, zo zal het vuur dat ontstoken werd u ten jongste dage niet schaden en in uw Oergeesten niet verankerd blijven, maar ge zult, na dit droevige bestel in de opstanding een triomferende Engel Gods zijn. Nu zoudt ge kunnen vragen: Is dan in God ook een tegenstelling tussen de verschillende geesten Gods? Neen. Of ik ook al hier hun oorsprong aantoon, waarbij een ieder van hen wel zeer goed de grote ernst van God dient te verstaan, daaruit volgt nog niet, dat er onenigheid tussen hen bestaat. Want de allerinnerlijkste, diepste geboorte in de kern is zó, dat geen schepsel in het lichaam er door kan worden aangegrepen, maar daar, waar de verborgen Geest geboren wordt, daar geschiedt de aanraking; deze zelfde geest wordt op zulk een wijze en in zulk een kracht geboren. Mij echter wordt de poort van het gemoed geopend, opdat ik het zien en kennen kan, anders zou het mij ook verborgen blijven tot aan deze dag. Dit is ook van voor de grondlegging der wereld aan alle mensen verborgen geweest, maar ik laat aan God het bestuur over. In God triomferen alle geesten als één geest; en de ene geest verzacht en bemint steeds de anderen, en is niets dan louter vreugde en gelukzaligheid. Hunne geboorte evenwel, welke in het verborgene plaats heeft, moet alzo zijn, want het leven en het verstand en de alwetendheid worden alzo geboren, en het is een eeuwige geboorte, die nooit verandert. Ge moet niet denken, dat in de Hemel ook maar één lichaam, of één onderdeel is, dat men voor alle anderen met de naam van God zou kunnen benoemen, neen, de ganse goddelijke kracht, die zelf de Hemel en aller Hemelen Hemel is, wordt alzo geboren en dit is God de Vader, uit Wie alle heilige Engelen zijn geboren en zij allen leven uit deze goddelijke kracht; ook wordt de geest aller Engelen immer en eeuwig uit deze kracht geboren, alsook de geest aller mensen. Want deze wereld behoort tot het lichaam van God den

Vader, als de Hemel daartoe behoort; maar de geesten zijn in de onbegrensdheid van deze wereld door koning Lucifer ontstoken geworden, zodat alles in deze wereld is alsof het half versmacht is en dood; daarom zijn wij arme mensen zo verblind en leven te midden van het grootste gevaar. Ge moet daarom nog niet denken dat het Hemelse licht in deze wereld in de oerbronnen Gods geheel gedoofd is. Neen, er is slechts een duisternis, welke wij met onze verdorven ogen niet doorschouwen kunnen; zo God echter deze duisternis doet wijken, die zweeft boven het licht, en uwe ogen worden geopend, zo ziet ge op de plaats, waar ge zijt, en waar ge zit of ligt, Gods schone aangezicht en de gehele Hemelse poort. Ge durft uw ogen niet naar de Hemel opheffen, want er staat geschreven: het “Woord” is nabij u; namelijk op uw lip en in uw hart. 5 Mozes 30 :, Romeinen 10 : 8. Zo nabij is God u, dat de geboorte der heilige Drievuldigheid ook in uw hart plaats heeft; God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden allen in uw hart geboren. Wanneer ik hier nu schrijf over het centrum of het midden, en dat de oerbron der Goddelijke geboorte in het midden plaats vindt, zo betekent dat niet, dat er in de Hemel een bijzondere plaats is of een bijzonder lichaam waaruit het vuur van het goddelijk leven ontspringt en van waaruit de zeven geesten Gods uitgaan in de volheid van den Vader, maar ik spreek op menselijke wijze over deze dingen ter wille van het onverstand van de lezer, over de wijze, waarop de Engelen zijn gevormd en zoals in God alles bestaat. Ge kunt geen plaats, noch in de Hemel, noch op de aarde noemen, waar de goddelijke geboorte niet alzo geschiedt, noch in enige Engel of heilige mens, noch daarbuiten. Waar een oerbron of oergeest in de goddelijke kracht aangeroerd wordt, waar ook, behalve in de duivelen en in alle goddeloze verdoemde mensen, zo is de goddelijke geboortebron aanwezig en daar zijn tegelijkertijd alle zeven Oergeesten Gods aanwezig en het is, alsof ge een ruimtelijke cirkel zou sluiten en als het ware de gehele goddelijkheid binnen dien cirkel. Zo ook wordt de goddelijkheid in een schepsel geboren; de volheid des Vaders is tot aan alle einden der wereld en in alle dingen. Op deze wijze kan men God noemen: een almachtige, alwetende, alziende, alhorende, alriekende, alproevende, alvoelende God, die alom tegenwoordig is en hart en nieren proeft van Zijn schepselen. En op deze wijze zijn Hemel en aarde de Zijne, en alle duivelen, benevens alle goddeloze zijn Zijne gevangenen, voor eeuwig, en zij moeten, in de Salniter, die zij ontstoken hebben, eeuwige pijn lijden en eeuwige smaad en schande. Want het volschone aangezicht Gods met alle heilige Engelen zal boven hen, onder hen en dan rondom hen vol van schoonheid, heerlijkheid en klaarheid lichten, en alle heilige Engelen met alle heilige mensen zullen over hen triomferen voor eeuwig, en vol van grote vreugde, lieflijkheid en gelukzaligheid van Gods Heiligheid zingen:

van Zijne koninklijke heerschappij, van de lieflijke vrucht van het Hemelse gewas en dat zal, naar de wijze van de zeven Oergeesten Gods, veelstemmig weerklinken. Daar naast zullen de duivelen met alle goddelozen in een hel geworpen worden; aldaar zal een helse walm opstijgen en er zal kwelling zijn en het helse vuur en de helse koude en bitterheid zullen, naar de aard der aangestoken Gods geesten, voor eeuwig in hunne lichamen branden en in al hun heerscharen. Maar daar is voor hen geen hulp, hun smart wordt nog groter, hoe meer zij het betreuren, hoe meer de helse grimmigheid ontstoken wordt; zij moeten in de hel vertoeven; zij zijn als doodsbeenderen; als de schapen, verzengd door het vuur; de afschuw knaagt aan hen, zij durven hunne ogen niet opheffen vanwege de schande, want zij zien in hun nabijheid niets dan een strengen rechter en boven hen en rondom hen zien zij de eeuwige vreugde. Niet, dat zij het begrijpen of zien, maar zij voelen het als zodanig. Daar is een ach en wee, een knersen en wenen en er is geen uitredding, het is hen, alsof de donder immer weerklinkt en het bliksemt, want alzo gedragen zich de geesten Gods, als ze aangestoken worden. De eerste hardheid veroorzaakt de harde, ruwe, koude en zure eigenschap; de zoetheid is verdroogt; ze is als een gloeiende kool wanneer er geen vocht meer in het hout is; het verdroogt en er is geen lafenis; de bitterheid is als een helse pestilentie en is bitterder dan gal, het vuur brandt als zwavel; de liefde is vijandschap; de toon is slechts een hard kloppen als een holle klank, alsof er een donderslag weerklonk, het gebied van de zevende geest is als een huis der treurnis. Hunne spijze is gruwel en deze groeit op uit de boosheid van alle hoedanigheden. Ach en wee, zonder einde, eeuwigheid, daar bestaat geen tijd, een andere koning zit op de troon; deze houdt een eeuwig gericht; zij zijn een voetbank voor zijne voeten. Ach, schoonheid en wellust dezer wereld, o rijkdom en trotse pracht, o macht en geweld, uw boze en grote pracht, wel al uw wellust tezamen is als een brandstapel door het helse vuur verbrand. Eet en drink, verberg u onder een schone schijn, heers gij schone Godin, die tot hoer geworden zijt; uw schande en smaad duurt eeuwig.

HOOFDSTUK XI.

Over de zevende oerbron in de Goddelijke kracht.

De zevende geest Gods in de Goddelijke kracht is het lichamelijke, de stoffelijke vorm, die uit de andere zes geesten geboren wordt jen waarin alle Hemelverschijningen tot aanschijn komen; de vorm, waarin alles gegoten wordt en waarin alle schoonheid en vreugde opgaan. Dat is de ware geest der natuur, ja, de natuur zelf, waardoor men de dingen begrijpt, en waarin alle schepselen in Hemel en op aarde samengevat zijn in een stoffelijk geuit beeld. Ja, de Hemel zelf is op die wijze geformeerd en alle natuurlijkheid in God is onderworpen aan deze geest. Zo deze geest er niet ware, zo zou er ook geen Engel of mens zijn en dan zou God een ondoorgrondelijk Wezen zijn, Die slechts zou bestaan in Zijn ondoorvorsbare kracht. Nu doet de vraag zich voor: hoe is deze gestalte of vorm? Zijt ge een wijze Mercuriusgeest, die alle zeven goddelijke geesten doordringt en hen beproeft en doorzoekt, wie zij zijn, zo zult ge bij de verklaring van deze zevende geest de werking en het wezen van de ganse goddelijkheid verstaan en zijn bedoeling begrijpen. Verstaat ge echter deze geest niet, zo laat dit boek met rust; en bemoei er u niet mee, want dan zijt ge in Saturnus te zeer gevangen en geen filosoof in deze wereld. Laat nu uw oordeel achterwege, of ge zult er voor gestraft worden; ik heb u daarvoor getrouwelijk gewaarschuwd;;; wacht totdat ge in het volgende leven zijt, zo zal de Hemelpoort voor u opengedaan worden en dan zult ge het ook verstaan. Merk nu op: Hier moet ik het gehele Goddelijk Lichaam, als ik het zo mag aanduiden, in het midden, in het hart raken en het verklaren. Ge zult waarnemen, hoe alle zeven geesten steeds weder elkander doen geboren worden en ge zult opmerken, dat de Godheid geen begin en geen einde heeft. Aanziet daarom de lust uws geestes, en het eeuwige goddelijke vreugdenrijk, de Hemelse zaligheid en de lichamelijke vreugden die in eeuwigheid geen einde nemen. Wanneer de bliksem zich in 't centrum verheft, zo is de goddelijke geboorte in volle werking; in God is het immer en eeuwig alzo, maar bij ons arme kinderen des vleeses niet. In dit leven duurt de zegevierende goddelijke geboorte in ons mensen slechts zó lang, als deze bliksemstraal aanhoudt; daarom is onze kennis stukwerk; in God echter blijft deze bliksemstraal onveranderlijk en eeuwig voortduren. Ziet, alle zeven geesten zouden zonder deze bliksemstraal zijn als een donker dal. Nu bewegen zich de vier geesten (bitter enz.) in de bliksem, want ze worden alle vier daarin 'levend gemaakt, deze viervoudige kracht stijgt op, alsof het leven zelf openging; en deze kracht, die is opgestegen, is de liefde; dit is de vijfde geest; deze is, alsof een dode geest wederom levend is geworden en plotseling in grote klaarheid zich openbaarde. De ene kracht maakt de andere beweeglijk; de zure, wrange klopt, de hitte veroorzaakt in liet

kloppen een duidelijke klank of geluid; de bittere verdeelt deze klank en het water maakt hem zacht; dit is de zesde geest. Nu stijgt de toon op in alle vijf geesten, als een 'lieflijke muziek en blijft bestaan, want de wrange kwaliteit doet hem verdrogen. Nu is in deze toon of klank de kracht van de zes Oergeesten en hij is als 't ware het zaad van de zes andere geesten die tezamen gevoegd zijn tot een lichaam en waaruit een geest is gemaakt; deze heeft de eigenschap van alle geesten en dit is de zevende geest van God in de goddelijke kracht. Deze geest heeft de kleur van het blauw van de Hemel, want hij is uit de zes andere geesten geboren. Wanneer nu de bliksem, die zijn plaats heeft te midden van de hitte, in de andere geesten zijn licht afstraalt, zodat zij opstijgen en de zevende geest doen geboren worden, zo stijgt ook de bliksem op in de zevende geest, bij de geboorte der zes anderen. Dewijl echter de zevende geen aparte eigenschap heeft, waardoor hij zich van de anderen kan onderscheiden, zo kan de bliksem in deze zevende geest niet lichtender worden, want hij verbindt, door middel van de zevende geest, de zes andere geesten tot één lichaam en de bliksem woonte midden dezer zeven geesten en vindt zijn oorsprong in hen allen. De zeven geesten zijn de vader van het Licht en het Licht is dus hun Zoon, dien zij van eeuwigheid tot eeuwigheid baren. En het Licht verlicht hen en maakt voortdurend de zeven geesten levend en rijk aan vreugde, want zij leven allen en bewegen zich allen uit de kracht van het Licht. Ziet, ik wil het u nog éénmaal tonen; of ge het ook begrijpen mocht, opdat deze grootse arbeid niet tevergeefs zal geschieden of zonder nuttigheid. De zure, wrange kwaliteit is de eerste geest; deze trekt tezamen, en maakt alles droog; de zoete hoedanigheid is de tweede; deze verzacht en kalmeert. De derde geest is de bitterheid, die ontstaat uit de vierde en de eerste; wanneer de derde vol woede met de wrange strijdt, zo ontsteekt hij het vuur, en de boosheid ontspringt in dat vuur en gaat op in de wrangheid. En deze zelfde boosheid of grimmigheid wordt de geest der bitterheid. Zelfstandig en in de zoetheid wordt hij verzacht, in de hardheid wordt hij lichamelijk concreet gemaakt; nu bestaat hij en ook de vierde geest is geboren. Nu gaat de bliksem in de kracht van deze vier kwaliteiten op in de hitte en stijgt op in het zoete bronwater en de bitterheid maakt hem triomferend en de zure maakt hem schijnend, droog en lichamelijk, de zoete maakt hem zacht. En het Licht staat in het midden van hen als een hart. Wanneer dit Licht, dat in het midden van hen is, in de vier geesten schijnt, zo stijgen de krachten van deze vier geesten op in dat Licht en worden levend, en zij hebben het Licht lief, dat wil zeggen, zij laten het op zich inwerken en worden zwanger van dat Licht en deze zelfde geest, die hen allen omvat is de liefde des levens; dit is de vijfde geest. Wanneer zij deze liefde in zich voelen, zo zijn zij in staat tot grotere vreugden, want de een ziet de andere in het Licht en de

ene maakt de andere werkzaam; dan ontstaat de toon of klank, dit is de zesde geest/ In deze toon gaat de kracht van alle zes geesten op en komt er in tot uiting. Ze vormen tezamen één lichaam en dit is het lichaam der natuur, waarin alle Hemelse schepselen en gestalten en gewassen geformeerd worden.

De heilige poorten. Het licht echter, waardoor de zeven geesten kunnen bestaan, waardoor zij triomferend en vreugdevol worden, en waarin het Hemelse vreugderijk opgaat, is de waarachtige Zoon Gods, dien wij Christenen, aanbidden en eren, als de tweede Persoon in de Heilige Drievuldigheid. En de zeven geesten Gods zijn allen tezamen God de Vader, want er bestaat geen geest buiten de anderen; zij behoren allen bij elkander; wanneer de ene er niet was, zo zou de andere er ook niet zijn. Het Licht echter is een andere persoonlijkheid, want het wordt uit de zeven geesten eeuwigdurend geboren en deze stijgen voortdurend op in het Licht en hunne krachten gaan vol lichtglans uit naar de zevende natuurgeest en vormen en scheppen alles in de zevende geest. Deze uitgang vol licht is de H. Geest. De bliksem of het hart, dat in de krachten geboren wordt, blijft in het midden van hen en is de Zoon; en de glans in alle krachten gaat uit van den Vader en den Zoon en schept en vormt in de zevende natuurgeest alles naar de kracht en de werking der zeven geesten; naar hun aard en onderscheidingen. En dit is de waarachtige Heilige Geest, dien wij, Christenen als derde persoon in de Goddelijkheid eren en aanbidden. Alzo ziet gij, blinde jood, Turk en heiden, dat er drie personen in de Godheid bestaan; ge kunt het niet loochenen, want ge leeft en bestaat zelf in deze drie personen; ge hebt uw leven van hen ontvangen, door hen leeft ge en ge zult ten jongsten dage uit de kracht van deze drie personen van de doden opstaan en eeuwig leven. Wilt ge nu, volgens de wet der natuur, heilig en goed in deze wereld hebben geleefd, en wilt ge de bliksem, die ik noem den Zoon Gods, die u de wet der natuur in uw zeven Oergeesten leert, niet verduisteren door boze opstandigheid, welke tegenstrijdig is aan de wetenschap der natuur, zo zult ge met alle Christenen in eeuwige vreugde leven. De natuurwetten zijn een goddelijke ordening; wie daaruit leeft behoeft geen andere wetten, want hij vervult Gods wil. Want uw ongeloof doet niet ter zake, dit heft Gods Waarheid niet op; het geloof echter versterkt de geest der hope en betuigt, dat wij Gods kinderen zijn; het geloof wordt in de bliksem, in het licht geboren en worstelt met God zo lang, tot het

overwint en de zege behaalt. Gij richt ons en u zelf, wanneer ge de geest van ijverzucht tot toorn opblaast; deze blust uw licht uit. Ge zijt toch aan een zoete boom gegroeid en ge bedwingt de boze invloeden en leeft heilig en goed naar de wet der natuur, die u zeker aantoont, hetgeen goed is. Zijt ge echter niet uit een boze twijg gegroeid, ik bedoel uit zeer goddeloos zaad, daar er vaak distels groeien, hoewel er toch hulp zou zijn, wanneer de wil zou worden gebroken; maar aan een goede boom verdorren ook nog dikwijls de takken, en zijt ge blind, wie zal u scheiden van de liefde Gods, waarin ge geboren zijt, en waarin ge leeft, zo ge daarin tot aan 't einde volhardt? Wie zal u van God scheiden, in Wie ge hier geleefd hebt? Wat ge in de akker gezaaid hebt, dat zal opkomen; of het tarwe, koren, gerst of doornen zijn; wat voor uiteindelijk vuur niet geschikt is, dat zal ook niet branden. God echter zal zijn goede zaad niet zelf vernietigen, maar het opkweken, opdat het vruchten drage ten eeuwigen leve. Dewijl nu alles in God leeft en bestaat, waarom beroemt het onkruid er zich dan op méér te zijn dan de tarwe? Meent ge, dat God een huichelaar is, en iemands persoon of naam aanziet? Wie was ons aller vader? Was het Adam niet? Waar zijn zoon Kaïn boos voor Gods aangezicht leefde, waarom hielp hem zijn vader Adam niet? Maar hier heet het: wie zondigt, moet gestraft worden. (Ezechiel 18 : 4-20). Had Kaïn niet zijn licht verduisterd, wie zou hem dan scheiden van de Liefde Gods. Alzo ook gij, ge beroemt u er op, een Christen te zijn en' ge kent het Licht, waarom wandelt ge dan niet daarin? Meent ge, dat de naam “Christen” u heilig maakt? Wacht, en ge zult het ervaren. Ziet, menige jood, Turk en heiden zal u voorgaan in het rijk der Hemelen; zij hebben hunne lampen brandend gehouden. Wat is het voordeel ervan, een Christen te zijn? Zij weten de weg des levens en weten, hoe zij uit' hun val wederom tot opstanding komen. Wil echter iemand in zijn val volharden, zo werpt men hem in de kuil, daar moet hij, met alle goddeloze heidenen vernietigd worden. Ziet daarom toe, wat ge doet, en wie ge zijt; gij oordeelt anderen en zijt zelve blind. De geest echter zegt: gij hebt geen recht, hem te oordelen, die beter is dan gij; zijn wij niet allen vleselijk geschapen en is ons leven niet Godes, zij het in liefde of in toorn? Want wat ge zaait, dat zult ge ook maaien. God is niet de oorzaak ervan, dat gij verloren gaat, want de wet, recht te doen staat in de natuur geschreven en gij bezit deze wet in uwe harten. Ge weet zeer goed, dat ge goed en vriendelijk behoort te handelen jegens uwe naaste; ook weet ge, dat ge uw eigen leven, dat is uw lichaam en uwe ziel, niet behoort te schande te maken en te bezoedelen. Waarlijk, hierin bestaat de kern en de Liefde Gods; God ziet niet naar naam of geboorte;

wie echter in Gods liefde woont, woont in het Licht; het Licht echter is het Hart van God. Wie nu God in 't harte draagt, hoe zal hij Hem wederom kunnen verliezen? Neen, hij is uit God geboren. O gij blinde en half dode wereld, laat àf van uw richten; o gij blinde jood, Turk en heiden, laat af van uw laster en geef u over aan de gehoorzaamheid aan God en wandel in het Licht; zo zult ge zien, hoe ge uit uw val kunt opstaan, en hoe ge u in deze wereld tegen de helse grimmigheid te weer kunt stellen. Ge zult ervaren, hoe ge kunt zegevieren en eeuwig niet God kunt leven. Er is waarlijk slechts één God; wanneer echter de blinddoek van uwe ogen weggedaan wordt, zodat gij Hem ziet en herkent, zo zult ge ook al uwe broeders zien en herkennen, of het Christenen, joden, Turken of heidenen zijn. Of meent ge, dat God slechts de God der Christenen is? Leven niet ook de heidenen in God? Al wie rechtvaardig is, is hem aangenaam en die heeft Hij lief. (Apost. 10 : 35). Of zoudt ge weten, gij die een Christen zijt, hoe God u van den boze wil verlossen? God liet Zijn Zoon een mens worden, teneinde het menselijk geslacht te verlossen! Is Hij alleen uw Koning? Staat er niet geschreven in Hagg. 2 : 8: Hij is aller heidenen troost? Hoort, door éne mens kwam de zonde in de wereld en door éne rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens (1 Cor. 15 : 22). Wat weet enig mens? Ge wist toch ook niet, hoe God met u wilde te werk gaan, daar gij dood waart in uw zonden. Zoals nu de zonde, zonder onderscheid heerst door éne mens over allen, alzo zegeviert ook de barmhartigheid en verlossing door éne voor allen. Den heidenen, joden en Turken echter is blindheid wedervaren, zij zoeken de rust, begeren genade, maar zoeken deze niet op de juiste plaats; God echter is allerwegen en ziet naar des harten grond. Zo echter in hun kommervolle bestaan het Licht in hen geboren wordt, wie zoudt gij dan zijn, dat gij hen zoudt willen oordelen? Ziet, gij blinde mens, ik wil het u tonen; ga naar een weide; daar ziet ge menigerlei kruid en bloemen; ge ziet bittere, wrange, zoete, zure, witte, gele, rode, blauwe, groene bloemen; groeien zij niet alle uit de aarde? Staan zij niet naast elkander? Misgunt ook de ene de andere zijn schone gestalte? Als er echter een onder hen is, die zich te hoog verheft en verdoet, wijl hij geen vocht genoeg in zich heeft, is dat de schuld van de aarde? Zij geeft hèm toch ook zijn sappen, zo goed als aan de anderen. Wanneer echter doornen daaronder groeien en de hovenier komt om te oogsten, zo houwt hij hen mede af, maar de vele bloemen verzamelt hij in zijn schuren. Alzo is liet ook met de mensen; er zijn velerlei gaven en bekwaamheden; de ene mens verstaat de dingen Gods beter dan de andere; dewijl zij echter den levenden Geest in zich hebben, zo zijn zij niet verwerpelijk;

wanneer echter de geest verdort, zo deugt hij tot niets dan om in het vuur geworpen te worden. Behoren echter de Turken tot de wrange en de heidenen tot de bittere kwaliteit, wat gaat het u aan? Wanneer het Licht in de wrange en de bittere eigenschap schijnen gaat, zo straalt het óók. Gij echter zijt in de warmte geboren, alwaar het licht opstijgt in het zoete bronwater. Ziet toe, dat de hitte u niet verbrandt; ge moogt het wel blussen. Gij nu spreekt aldus: Is het dan goed, dat de heidenen, Joden en Turken volharden in hunne blindheid? Neen, maar dit zeg ik echter: hoe kan hij zien, die geen ogen heeft, om te zien. Wat weet de arme 'leek ervan, wat de priesters in hun dronkenheid rumoeren? Hij gaat daarheen in zijn eenvoud en het is hem angstig te moede. Ge spreekt aldus: Heeft God dan de Turken, joden en heidenen blind gemaakt? Neen, maar voor God voor hen het Licht ontstak, zo leefden zij voor hun hartenlust en wilden zich niet door den Geest laten leiden, waardoor het licht werd uitgeblust. Het Licht is echter daarom niet geheel geblust, en het kan in een mens wederom geboren worden, dewijl de mens uit God is en in Hem leeft, hetzij in liefde of in toorn. Zo nu de mens verlangt, zo zal hij daardoor nog niet zwanger worden; zo hij echter zwanger is, zo kan hij ook baren. Dewijl voor hem echter het uitwendige Licht schijnt, zo kent hij zijnen Zoon niet, dien hij heeft doen geboren worden; wanneer echter het Licht ten jongste dage zal opgaan, zo zal hij hem zien. Ziet, ik zeg u een geheimenis; het is de tijd, dat de bruidegom zijn bruid kroont. Waar is de kroon? Tegen middernacht, te midden van de zuurheid wordt het Licht geboren. Vanwaar komt evenwel de bruidegom? Uit het midden, waar de hitte het Licht voortbrengt en het vaart tegen middernacht in de zure eigenschap; alsdan wordt het Licht helder. Wat doen zij, die in de volheid des dags leven? Zij zijn in de hitte ontslapen, maar het stormweder zal hen opwekken. Velen onder hen zullen ten dode toe verschrikt zijn. Wat doen zij die in de avondstond leven? Hun bittere kwaliteit wil strijden met de anderen, maar wanneer zij het zoete water proeven, zo wordt hun geest verzacht. Wat doen dan degenen die in de morgenstond leven? Ge zijt van de aanvang af als een trotse bruid; de kroon is u, van de aanvang af aan geboden, gij echter leefde met de anderen.

Van de Goddelijke en Hemelse natuur, werking en eigenschappen.

Zo gij nu weten wilt, hoe de verschijningsvorm van de Hemel is, welke gestalte en verschijningsvorm de Engelen hebben en wat eigenlik de heilige Hemelse en goddelijke natuur is, zo merk dan op de bijzonder-

heden, die zich vertonen bij deze zevende oergeest Gods. Deze zevende oergeest is de geest der natuur, want de zes anderen doen de zevende geboren worden; en de zevende, wanneer hij geboren is, is als een moeder der anderen, die hen omsluit en hèn weer doet ontstaan, want het lichamelijke en natuurlijke is de verschijningsvorm, de uiterlijke manifestatie, waarin de zes andere Oergeesten besloten liggen. Merk hier op de betekenis: De zes Oergeesten stijgen elk naar zijn eigen kracht en naar zijn eigen aard op en als zij opgestegen zijn, zo vloeien hun krachten tezamen en de hardheid doet droogte ontstaan. Deze lichamelijke verdroging noem ik in dit boek de goddelijke Salniter. Met het woord “Salniter” bedoel ik in dit boek het volgende: Uit het eeuwige centrum der natuur ontstaat het andere principe, zoals het licht uit het vuur ontstaat. Zo is het ook met de twee geesten: hitte en lucht. In 'lucht kan pas groei bestaan en vuur veroorzaakt eigenschappen. Alzo, wanneer geschreven is: De Engelen zijn uit God geschapen, zo wordt daarmede bedoeld, dat zij zijn geschapen uit Gods eeuwige natuur, waarmede men bedoelt de zeven Oergeesten. En de goddelijke heilige natuur wordt hier niet bedoeld als te zijn: een vuur, maar een Licht. Het vuur geeft ons een geheimenis der eeuwige natuur en der Godheid, daar er twee principes zijn, tweeërlei bron; een waarin grimmige, zure, bittere, angstige, verterende, die zetelt in het vuur en het Licht, dat uit het vuur ontstaat, en dat woont in het vuur en toch niet door het vuur wordt aangetast, omdat het een andere bron heeft. De zachtmoedigheid, waarin een begeerte der liefde is, waarmede dan bedoeld wordt, dat deze begeerte der liefde iets anders is dan het vuur. Want het vuur wil alles verteren en stijgt nog op en de zachtmoedigheid van het Licht is werkelijkheid; de geest des eeuwigen levens wordt door het Licht geschapen en het Licht maakt ook water met de oertoestand van de lucht. Alzo zal de lezer van dit boek deze drie principes of geboortes verstaan. Deze zijn de oertoestanden van de eeuwige natuur in de eeuwige Wil van God, welke Wil of welk begeren zich voortstuwt in grote angst tot in het vierde principe naar het vuur, waar het Licht ontstaat. Wij nu verstaan de heilige drievoudigheid in het Licht buiten de natuur als een andere bron en met het vuur verbonden, evenals vuur en licht in de natuur. En het derde principe op deze wereld is uit het eerste geschapen. Dit alles is door de schrijver de eerste maal niet voldoende begrepen, hoewel het hem klaar verscheen, zo, kon toch niet alles door hem begrepen worden. Het is, als wanneer er een plasregen neervalt, waardoor de groei ontstaat. Daarbinnen is het zaad der godheid; het is als een moeder, die het zaad ontvangt en immer weder vruchten voortbrengt naar de hoedanigheid van het zaad. In dit opstijgen der zes Oergeesten stijgt ook op: de Mercurius, de toon of het geluid van deze zes geesten en in de zevende geest is hij als in de moeder; hij brengt allerlei vrucht voort en kleuren naar de werkingen der zes geesten. Ge

moet hier echter weten, dat de Godheid niet ophoudt met arbeiden, maar zonder onderbreking werkt als een lieflijk worstelen, kampen en bewegen; zoals twee schepselen, die elkander in grote liefde vinden. Ge moogt het vergelijkenderwijze zó verstaan, alsof zeven mensen een vriendschappelijk spel der vreugde speelden. De ene zegeviert over de andere, en de derde komt de overwonnene te hulp en vertoeft alzo een vreugdig ogenblik te midden van hen. Zij strijden wel tegen elkander, maar zijn toch liefdevol jegens elkander gezind. Alzo is ook de werking der zes geesten Gods in de zevende; nu eens heeft de ene de boventoon, dan weer de andere en allen strijden in liefde met elkander. En wanneer het Licht te midden van dit strijden mede opstijgt, zo woont de Heilige Geest in de kracht van het Licht in het spel der zes anderen. Alsdan groeien uit de zevende allerlei vruchten des levens, gewassen en kleuren. Welke eigenschap nu de sterkste is, die eigenschap is in de vrucht ook het sterkst vertegenwoordigd. Ook wat betreft de kleuren. In dit worstelen of strijden wordt de Godheid geformeerd naar oneindige en ondoorgrondelijke gestalte en naar velerlei hoedanigheden. Want de zeven Oergeesten zijn zeven hoofdbronnen; wanneer Mercurius erin opstijgt, maakt hij alles beweeglijk. De natuur en de drievoudigheid is niet één en hetzelfde; er is onderscheid tussen hen, hoewel de drievoudigheid woont in de natuur, maar onbegrepen, en toch er eeuwig mee verbonden. Merk nu op, hoe de zevende geest in de natuur is gevormd. Het zoete water is het begin geweest in de natuur en de zuurheid doet het samenkrimpen. Wanneer het is samengekrompen, zo ziet het blauw als de Hemel; wanneer het Licht of de bliksem daar binnen in op gaat, zo gelijkt het een edele jaspis of een glazen zee, waarin de zon schijnt en die zeer zuiver en klaar is. Wanneer echter de bittere hoedanigheid zich er aan toevoegt, zo verdeelt het water zich, alsof het leefde en er ontstaat een groenachtige verschijning of vorm, als een groene bliksem, waardoor iemand het licht als 't ware benomen wordt en hij niet meer zien kan. Wanneer echter de hitte zich daarbij voegt, zo verandert het groen in iets roodachtigs, alsof een karbonkel er uit te voorschijn lichtte. Wanneer echter het Licht, hetwelk de Zone Gods is, in deze natuurzee schijnt, zo bekomt het zijn gele en witte kleur, die ik met niets kan vergelijken; met deze aanschouwing moet ge wachten tot in het toekomende leven. Want dat is de ware Hemel, die uit God is en waarin de heilige Engelen wonen, dewelke ook in de aanvang daaruit voortgekomen zijn. Ziet, wanneer nu Mercurius of de toon in deze natuurHemel opgaat, dan opent zich het goddelijke vreugdenrijk der Engelen; daar ontplooien zich de vormen, gestalten en kleurenen de vrucht bloeit en groeit daar in zijn volkomenheid. Vruchten van allerlei loofbomen, kruiden en gewassen, verrukkelijk om te aanschouwen, lieflijk van geur en smaak. Ik spreek hier als met Engelentong: ge moet het niet aards verstaan. Met de Mer-

curius is het evenzo. Ge moet niet denken, dat er een hard kloppen, klinken of galmen in de godheid is, alsof men een machtige bazuin zou nemen en daarin zou blazen. O neen, mens, gij half dode Engel, zo is het niet; wel zingen de heilige Engelen, schallen en bazuinen, want God heeft hen uit Zichzelf voortgebracht, opdat zij de Hemelse vreugde zouden vermeerderen. Zulk een gestalte had Adam ook, toen God hem schiep, voordat Eva uit hem gemaakt werd, maar de verdorven Salniter in Adam heeft met de boom des levens gevochten totdat hij overwonnen heeft en Adam moede werd, waardoor hij insliep. Toen geschiedde het, dat de barmhartigheid Gods te zijner hulpe nabij was. Een vrouw werd geformeerd. Was dat niet geschied, zo zou hij nu nog slapen. Dit, hetgeen hierboven is meegedeeld, is de schone en heilige Hemel; deze is in de gehele Godheid en heeft begin noch einde. Geen schepsel kan hem met zijn zintuigen bereiken. Toch moet ge dit weten, dat een bepaalde hoedanigheid zich aan de ene plaats krachtiger vertoont dan op een andere plaats. Nu eens heeft de tweede of derde, dan weer een der anderen de voorrang. Het is alzo een eeuwigdurend werken, worstelen en vreugdevol opstijgen in liefde. De Godheid betoont zich immer wondervoller, onbegrijpelijker en ondoorgrondelijker. Zo, dat zelfs de heilige Engelen zich nooit genoeg er in kunnen verheugen en nooit genoeg het Te Deum Laudamus kunnen zingen. Zij zingen voor al Gods grote hoedanigheden; voor zijn wondervolle openbaring en wijsheid; van zijn schoonheid en kleuren, vruchten en gestalten. Aan zijn hoedanigheden is geen begin en geen einde. En hoewel ik alhier heb beschreven, hoe alles is ontstaan, en hoe zich alles heeft gevormd, en hoe de Godheid zich openbaart, zo moogt ge daarom nog niet denken, dat er een rust of uitdoving plaats vindt en dat het daarna weder op dezelfde wijze voortgaat. Neen, maar ik kan alles slechts stuk voor stuk beschrijven, terzake van des lezers onverstand, opdat hij het zou kunnen begrijpen. Ge moogt ook niet denken, dat ik in de Hemel heb vertoefd en deze dingen met mijn vleselijke ogen heb gezien. O neen, ik ben slechts als gij, en heb in mijn wezen geen groter licht ontvangen dan gij; ook ik ben een zondig en sterfelijk mens evenals gij en ik moet elke dag en elk uur met de duivel worstelen, welke met de verdorven natuur strijdt, die in mijn vlees is, zoals in alle mensen. Menigmaal zegevier ik over hem, maar toch zegeviert hij ook menigmaal over mij. Ons leven is een gestadige strijd met de duivel. Deze strijd is de edele ridderkrans; hij duurt voort, totdat de oude mens-Adam gedood wordt; in deze oude Adam heeft de Satan toegang tot de mens. Hiervan wil de sophist niets weten, want hij wordt niet uit God, maar uit vlees en bloed geboren. Hij wil niet in gaan; de duivel houdt hem vast; God verblindt niemand. Slaat hij mij zoo moet ik terug wijken, maar de

Goddelijke kracht helpt mij wederom overeind; dan bekomt de satan zijn straf en verliest de slag. Wanneer hij overwonnen is, zoo gaat de Hemelpoort van mijn geest open; dan ziet de geest het goddelijk en Hemelse Wezen; niet buiten het lichaam, maar in de oerbron van het hart opent zich als 't ware een deur, waardoor uitzicht is op datgene, wat de geest, door middel van de hersenen, als stoffelijk zintuig, ziet van de hogere dingen. Want de mens is uit alle krachten Gods gemaakt, uit alle zeven geesten Gods, evenals ook de Engelen; dewijl hij nu echter verdorven is, zo oefent de Goddelijke geboorte niet altijd zijn invloed op hem uit, en evenmin op de anderen. En al zou dat wèl zo zijn, zo schijnt het hoge Licht nog niet in allen, en al schijnt het, zo begrijpt de verdorven menselijke natuur het nog niet. Want de H. Geest laat zich niet door het zondige vlees binden, maar vertoont zich als een bliksemstraal, evenals het vuur uit een steen, wanneer men daarop slaat. Wanneer echter deze bliksemstraal in het hart gevangen wordt, zo gaat hij door de zeven geesten naar de hersenen; als het morgenrood stijgt hij daarin op; dit is ook het doel. In dit Licht ziet de ene geest de andere, ruikt de een de andere, proeft de een de andere en hoort de een de ander en elk van hen is, alsof de gehele goddelijkheid zich in hem openbaarde. Hierin ziet de geest tot in de diepte der Godheid; want in God is nabij en ver één en dezelfde God, over Wie ik in dit boek schrijf en is zowel in Zijne Drievoudigheid in het lichaam der heilige zielen als in de Hemel. Van Hem ontvang ik mijn inzicht en van niets of niemand anders; ik wil ook niets anders weten als God alleen; deze zelfde God en Hij is ook de zekerheid mijns geestes, zodat ik bestendig ben in het geloof en op Hem vertrouwe. En of een Engel uit de Hemel het mij ook zoude zeggen, zo zou ik het toch niet kunnen geloven, veel minder het begrijpen; ik zou steeds twijfelen, of het zo zou zijn, maar de zon gaat in mijn geest op; daarom ben ik er zeker van en ik zie de oorsprong en de geboorte der heilige Engelen en van alle dingen, in de Hemel en op deze aarde. Want de heilige Ziel is als één geest met God; of zij al een schepsel is, zo is zij toch aan de Engelen gelijk; zo ziet ook de ziel des mensen véél dieper dan de Engelen; de Engelen zien slechts tot in de Hemelse pracht en praal; de ziel ziet in de Hemel en in de hel, want zij leeft tussen beide in. Daarom moet zij zich wel laten verdrukken en alle dagen en uren met de duivel worstelen, dat wil zeggen met de helse eigenschappen, en zij leeft in deze wereld in groot gevaar; daarom heet dit leven met recht een jammerdal vol van angst, en vol van worstelen en strijden. Maar het koude en halfdode lichaam verstaat deze strijd der zielen niet altijd; het weet niet, wat hem wedervaart, maar het is zwaarmoedig en angstig, en gaat van de ene plaats naar de andere; zoekt onthouding of rust. En wanneer het dit vindt, zo vindt het nog niets, want twijfel en ongeloof doen zich voelen;

het is dikwijls als ware het geheel van God verstoten; het verstaat niet de kamp des geestes; hoe de geest nu eens overwint, dan weer de nederlaag lijdt, en welk een heftige strijd er gestreden moet worden met de helse en met de Hemelse eigenschappen; welk een vuur de duivelen aanblazen en de heilige Engelen wederom blussen, geef ik aan iedere heilige ziel te bedenken. Ge moet weten, dat ik hier geen geschiedenis schrijf, die mij door anderen verteld is geworden. Ik moet voortdurend strijd voeren; menigmaal is het mij moeilijk gemaakt, evenals aan alle mensen. Maar om des strijds wille, de strijd, die hevig is en om de wille van de ijver, die wij aan de dag leggen, gewerd mij deze openbaring. Het is mij een dringende behoefte, dit alles op papier te stellen. Wat echter hierna volgen zal, weet ik nog niet geheel en al, alleen weet ik, dat mij ettelijke toekomstige geheimenissen getoond werden. Want wanneer het licht opgaat, zo doorlicht het alles, maar de mens kan niet alles goed verstaan, want het is hem, alsof te midden van een onweer, de bliksem te voorschijn schiet en dan plotseling weer verdwijnt. Alzo gaat het ook in 's mensen ziel, wanneer zij voortgaat te strijden, zo ziet zij de Godheid als in een bliksemstraal, maar de zonde overschaduwt alles weer, want de oude Adam behoort tot de aarde, en niet met zijn tegenwoordige lichaam, tot de goddelijkheid. Ik schrijf dit niet tot eigen lof en eer, maar opdat de lezer wete, waarin mijn kennis bestaat; opdat hij mij niet aanziet voor iemand, die ik niet ben. Want hetgeen ik ben, dat zijn al degenen, die in de kracht van Jezus Christus, onze Koning jagen naar de troon der eeuwige vreugde en leven in de hope der Volmaking, welke aanvangt op, in de dag der Opstanding, die nu aanstaande is. Ziet daarom toe, dat ge niet slapend bevonden wordt in uwe zonden; waarlijk de wijzen zullen het bemerken, maar de goddelozen blijven in hunne zonden. Zij zeggen: wanneer is de dwaas aan het einde zijner dromen? Zij zijn ontslapen in hunne vleselijke lusten. Ziet gij toe, welke droom gij droomt. Ik wilde ook wel rusten in alle zachtmoedigheid, maar ik moet dit verrichten en God, die de wereld gemaakt heeft, is mij veel te sterk; ik ken Zijner Handen werk; dat Hij mij plaatse waar Hij slechts wil. En of ik ook al in de wereld en in des duivels getier zijn moet, zo is toch mijn hoop op God gericht en op het toekomstige leven, en wel wil ik het wagen en Zijne Geest niet wederstreven. Amen.

HOOFDSTUK XII.

Over de geboorte der Heilige Engelen. Over de heerschappij en ordening der Engelen en over het Hemelse vreugdeleven.

Ge zult vragen: Wat is eigenlik een Engel? Ziet, toen God de Engelen schiep, zo schiep hij ze uit de zevende oergeest, welke de natuur is, of de heilige Hemel. Het woord “schiep” moet ge verstaan, alsof men zou zeggen: te zamen trekken of samendrijven, zoals de aarde tezamen gedreven is. Toen God, de Godheid zich bewoog, zo trok de wrange kwaliteit de Salniter der natuur tezamen en deed deze verdrogen; zo ontstonden de Engelen. Zoals nu een bepaalde kwaliteit was in Zijn beweging, zo werd ook de Engel. Er zijn zeven Goddelijke Geesten; deze hebben alle zeven hun beweging, en het Licht, dat in hen is, heeft ook zijn beweging; en de Geest, die van de zeven Geesten Gods uitgaat, is ook in beweging. Nu wilde de Schepper, naar het voorbeeld van Zijne Drievuldigheid, ook drie legerscharen scheppen, niet ver van elkander verwijderd, maar de een verbonden met de ander als een cirkel. Merk nu op: Zoals nu de Geesten waren in hun werk en tot ontwikkeling komen, alzo werden ook de schepselen; in het midden van elk heirleger werd het hart van elk heirleger geformeerd en als het ware belichaamd; daaruit ontstond een vorst der Engelen of Grootvorst. Zoals de Zoon van God temidden van de zeven geesten Gods geboren wordt, en Hij het Hart en het Leven is van de zeven Geesten Gods, alzo werd ook een koning der Engelen in het midden van Zijn gebied, uit de natuur of uit de Hemel geschapen en dat wel uit de kracht der zeven Oergeesten; deze nu is het Hart van een heirleger en heeft de hoedanigheid, macht en sterkte van dat bepaalde heirleger en is temidden van hen de allerschoonste. Zoals de Zoon van God is het Hart en het Leven en de sterkte van alle zeven Goddelijke Geesten, alzo is ook een Engelenkoning in zijn gebied. Zoals nu in de Goddelijke kracht zeven belangrijke kwaliteiten zijn, waaruit het Hart van God geboren wordt, alzo zijn ook ettelijke machtige Engelenvorsten, naar het voorbeeld van iedere hoofdeigenschap, in elk heirleger geformeerd. (Hun aantal weet ik niet.) Naast de koning zijn zij aanvoerders der andere Engelen. Hier zij opgemerkt, dat de Engelen niet alle van één maaksel zijn, ook zijn zij in kracht en macht niet alle aan elkaar gelijk; wel heeft iedere Engel de kracht van alle zeven oerbronnen in zich, maar in elk van hen is een bepaalde eigenschap de meest opvallende en hij glorieert ook in die eigenschap. Want, zoals op die bepaalde plaats de Salniter ten tijde der Schepping geweest is, alzo is ook de Engel geschapen; zoals van de weidebloemen elk hare kleur van haar overheersende eigenschap ontvangt en ook haar naam daaraan ontleent, alzo is het ook gesteld neet de heilige Engelen. Enkele van hen zijn

gevormd uit de wrange hoedanigheid; zij zijn lichtbruinachtig en zijn het koudst. Wanneer nu het Licht van den Zoon van God hen beschijnt, zo zijn zij als een bruine lichtstraal geheel helder. Enkelen zijn genoemd naar de hoedanigheid van het water en deze zijn licht als de Hemel en wanneer het licht hen beschijnt, zo zijn zij als een kristallen zee. Enkelen zijn gevormd naar de bittere eigenschap; deze zijn als een kostelijke groene steen, die er uitziet als een bliksemstraal en wanneer het Licht hen beschijnt, zo weerkaatst het roodachtig groen, alsof er een karbonkel glansde, of, alsof het Leven daar zijn oorsprong had. Anderen zijn gevormd naar de hoedanigheid van de hitte; deze zijn de allerlichtste, geelachtig en roodachtig; en wanneer het Licht hen beschijnt, zo zien zij er uit als het Licht van den Zoon van God. Enkelen zijn hoofdzakelijk gevormd uit de hoedanigheid der Liefde; zij zijn zeer licht, wanneer het Licht hen beschijnt en zij zien er uit als het Hemelse Vreugdenrijk zelf. Zij zijn lichtblauw en hun verschijning is lieflijk. Anderen zijn gevormd uit de eigenschap van de toon, het geluid. Ook deze zijn lichtend. Wanneer het Licht hen beschijnt, zo zien zij er uit, als een omhoog schietende bliksemstraal. Enkelen zijn gevormd als uit alle hoedanigheden der gehele natuur; zij zien er uit als de Hemel, die uit alle geesten tezamen geformeerd is. De Koning echter is het Hart van alle eigenschappen en heeft zijn gebied in het midden als een oerbron; evenals de zon zich te midden der planeten bevindt en zij een koning der sterren is en het hart der natuur in deze wereld, zo groot is ook Cherubijn of Koning der Engelen. En zoals de zes andere planeten naast de zon leiders zijn van de heirscharen en doen hetgeen de zon verlangt, opdat deze in hen regeren en werken moge, zo doen alle Engelen des Konings wil en de Engelenvorsten beraadslagen tezamen met den Koning. Ge zult echter moeten weten, dat zij allen elkander gelijkelijk liefhebben; geen van hen misgunt één der anderen zijn schoonheid en gestalte, want zoals het gesteld is met de geesten van God, alzo is het met hèn gesteld. Ook hebben zij allen tegelijk de Goddelijke Vreugden en genieten allen tegelijk de Hemelse spijzen, waarin geen onderscheid is. Slechts in de kleuren en kracht is onderscheid, maar niet in de volmaaktheid ervan, want een ieder heeft de kracht van alle goddelijke geesten in zich; wanneer het Licht van den Zoon van God hen beschijnt, zo is de hoedanigheid van iedere Engel te onderkennen aan de kleur. Ik heb over de gestalten en de kleuren slechts een weinig gesproken; er is echter veel meer over te zeggen, hetgeen ik, ter wille van de kortheid niet wil doen. Want zoals de Godheid zich tot in het oneindige openbaart, zo zijn er ook een onbeperkt aantal gestalten en kleuren onder de Engelen; ik kan het slechts vergelijken met de bloei van de aarde in Mei, hoewel dit slechts een dood en aards voorbeeld is.

Over de vreugde der Engelen. De vraag doet zich nu voor: Wat doen de Engelen Gods in de Hemel of waarom en tot welk doel heeft God hen geschapen? Dat moogt gij, gierigaards, opmerken; gij die in deze wereld naar eer, roem, hovaardij, geweld, geld en goed streeft en die de armen afbeult, en meent, dat ge beter zijt dan de eenvoudige mens, die God bedoeld heeft, dat ge zijn zoudt. Vraag: Waarom heeft God Engelenvorsten geschapen inplaats van Engelen, die allen gelijk zijn? Ziet, God is een God van orde; zoals het met Hem zelf is, met Zijn Heerschappij, met Zijne Geboorte en het Zijn werkingen, zo is het ook met Zijne Engelen. In Hem zijn in ’t bijzonder zeven kwaliteiten aanwezig, waardoor het gehele Goddelijke Wezen voortgestuwd wordt, en waardoor dit telkens opnieuw tot openbaring komt. Door die zeven hoedanigheden blijft de Godheid eeuwig en onveranderlijk. En zoals te midden der zeven Geesten Gods het Hart geboren wordt, waaraan de Goddelijke vreugde ontspringt, alzo is het ook met de Engelen gesteld. De vorsten der Engelen zijn geschapen naar het voorbeeld van de Goddelijke Geesten; de Cherubijn als het hart van God; zoals nu het Goddelijk Wezen werkt, alzo werken ook de Engelen. Een bepaalde hoedanigheid openbaart zich in het Wezen Gods het sterkst op een bepaald ogenblik. Zo is het ook met de Engelenvorst. Waar God in Zijn werkingen worstelt en kampt, daar is ook een werking van deze Engelenkoning. Daar vangt hij aan met zijn legioenen en zingt, klinkt, danst en jubileert vol vreugde. Dat is een Hemelse muziek, want een ieder zingt daar naar de kwaliteit van zijn eigen stem en de koning is de aanvoerder van de reidans, zoals een zanger met zijne leerlingen en de koning verheugt zich en jubileert met zijne Engelen ter ere van den groten God en tot vermeerdering der Hemelse vreugden en dit is als een heilig spel; tot Godes ere en tot vreugde zijn zij geschapen. Wanneer de Hemelse muziek der Engelen weerklinkt, zo beginnen in de Hemelse heerlijkheid, in de goddelijke Salniter allerlei gewassen te groeien, allerlei kleuren en gestalten komen tot aanschijn, want de Godheid openbaart zich in oneindigheid van soort, kleur, vorm en vreugde. Waar de Zoon Gods zich afzonderlijk openbaart, als een triomf, daar rijst op de vreugdevolle muziek der drie koninklijke heirscharen van de gehele Engelenwereld. Welk een vreugde dit zijn zal, geef ik aan een ieder te bedenken, ik kan het met mijn verdorven natuur niet verstaan, nog veel minder beschrijven. Met dit gezang roep ik de lezer op tot dat leven, hij zal zelf te midden der reien verkeren; wat hij hier niet verstaat, dat zal hij

ginds aanschouwen. Weet, dat dit geen verzinsel is. Wanneer het 'licht opgaat, zo erkent en ziet de Geest het. Daarom: Wacht niet en gedraagt u niet als iemand, die hoont, of gij zult door God een spotter bevonden worden en het zou u kunnen vergaan als de koning Lucifer. Wat doen de Engelen, wanneer zij niet zingen? Ziet, wat de Godheid doet, dat doen zij ook. De geesten Gods vloeien in elkander over, en stijgen in elkander op, zij omhelzen elkander als 't ware en gaan in elkander op. Het leven bloeit open vol vreugde en is vol eeuwigdurende verkwikking en de Engelen wandelen in de Hemelse gebieden vriendelijk, lieflijk en vreugdevol met elkander. Zij aanschouwen de wonderlijke en lieflijke aanblik van de Hemel en eten van de lieflijke vruchten des Levens. Wat spreken zij met elkander? Ziet, gij schone, trotse en hovaardige mens; de wereld zal u hier te eng worden en ge denkt, dat niemand aan u gelijk is; bedenk, of ge een Engelennatuur of een natuur des duivels hebt. Met wie zal ik nu de Engelen vergelijken? Ik wil hen vergelijken met kleine kinderen, die in Mei, wanneer de schone rozen bloeien, met elkander naar buiten gaan en de mooie bloemen afplukken en daaruit kransen vlechten. Zij dragen ze in hunne handen en verheugen zich er over en spreken met elkander over de velerlei soorten schone bloemen; zij nemen elkander bij de hand en wanneer zij thuis komen, zo tonen zij de bloemen aan hunne ouders en zijn blij; dan verheugen zich de ouders in hunne kinderen en met hunne kinderen. Alzo doen ook de heilige Engelen in de Hemel; zij nemen elkander bij de hand en wandelen in de schone Mei des Hemels en spreken van de lieflijke en schone gewassen in de Hemelse lusthof. Zij eten van de verrukkelijke vruchten Gods en gebruiken de schone bloemen des Hemels voor hun spel en maken zich schone kransen en verheugen zich in de schone Mei van God. Daar is niets dan een hartelijk liefhebben, een zachtmoedige liefde, een vriendelijk spreken onderling, een lieflijk samen zijn, daar elk vreugde in de ander heeft en de ander eert. Zij weten van geen boosheid, list of bedrog; de Goddelijke vruchten en de lieflijkheid Gods zijn voor hen allen; de een mag er evenzo zijn deel aan hebben als de andere; daar is geen wangunst, geen nijd, geen afkeer, neen, alle harten zijn in liefde met elkander verbonden. Daaraan nu heeft de Godheid Zijn hoogste welgevallen, evenals de ouders aan de kinderen, dat Zijne lieve kinderen in de Hemel zich vriendelijk gedragen. De Godheid zelf handelt evenzo; de ene oergeest vermeit zich in de anderen. Daarom kunnen de Engelen ook niets anders doen dan wat hun Vader doet, hetgeen ook onze koning Jezus Christus getuigde toen Hij bij ons op aarde woonde; zoals in het Evangelie staat: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: de Zoon kan niets van zich

zelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen, want zo wat Die doet, dat doet ook de Zoon desgelijks. Joh. 5, vers 9. En Mattheus 18:3 zegt: Voorwaar zeg ik u: Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkees, zo zult gij in het Koninkrijk der Hemelen geenszins ingaan. Daarmede bedoelt Hij, dat onze harten in liefde verbonden moeten zijn, zoals de heilige Engelen Gods en dat wij elkander met eerbied moeten bejegenen, evenals de Engelen Gods ook doen. Wij mogen elkander niet beliegen en bedriegen, elkander het brood uit de mond stoten uit grote gierigheid; ook zal de een niet over de ander heersen en hèm verachten, die niet listig is als de duivel. O neen, zo doen de Engelen in de Hemel niet; zij hebben elkander lief; geen denkt schoner te zijn dan de ander; elk heeft vreugde aan de ander en verheugt zich over des anderen schone gestalte en zijne lieflijkheid; hunne 'liefde jegens elkander bloeit op, zodat zij elkander bij de hand nemen en vreugdevol omhelzen. Evenals wanneer de bliksem des levens omhoog stijgt te midden van de goddelijke kracht, waaraan alle geesten Gods hun leven te danken hebben en waardoor zij zich zeer verheugen, terwijl er is een heilig en lieflijk omhelzen, voelen, proeven, horen, zien en ruiken, zo is het ook bij de Engelen. Wanneer de een de ander aanschouwt, hoort en voelt, zo gaat in zijn hart het licht op en de ene geest omvangt de anderen. Zo ge nu wilt weten, waar hun liefde, deemoed en vriendelijkheid haar oorsprong heeft, zo merk het volgende op: Iedere Engel is geschapen als de Godheid en hij is als een kleine God, want, dewijl God de Engelen schiep, zo schiep hij ze uit zichzelf; nu is God op de ene plaats evenzeer tegenwoordig als op de andere. Overal is God: Vader, Zoon en Heilige Geest. In deze drie namen en in de kracht dezer drie namen bestaan de Hemel en de aarde en alles, wat in uw hart opkomt. En wanneer ge een kleine cirkel zoudt afsluiten, waarbinnen ge nauwelijks zoudt kunnen zien of die ge u nauwelijks zoudt kunnen voorstellen, zo is niettegenstaande dat, toch de gehele goddelijke kracht daarbinnen tegenwoordig en de Zoon Gods wordt er in geboren en de Heilige Geest in het midden van die cirkel uit van den Vader en den Zoon. Is het niet in liefde, zo is het in toorn, zoals er staat geschreven in Psalm 18 : 26: Bij de goedertierene houdt Gij U goedertieren en bij de oprechten man houdt Gij U oprecht. De toorn Gods wordt opgewekt en is ook in alle geesten Gods op die plaats, waar zij is opgewekt en de liefde Gods wordt opgewekt en is ook in alle geesten Gods op die plaats, waar zij wordt opgewekt. De Engelen zijn allen hetzelfde geschapen. Allen zijn zij geschapen uit de Goddelijke Salniter der Hemelse natuur; slechts dit is het onderscheid tussen hen, dat elk van hen, toen God hen schiep, een bepaalde hoedanigheid in meerdere mate bezat dan de ander; dat in elk van hen een bepaalde eigenschap overheerste.

Daardoor is het gekomen, dat de Engelen alle hun verschillende kwaliteiten hebben, en er velerlei kleuren en schoonheden zijn, terwijl toch alles uit God is. Nu heeft echter iedere Engel alle eigenschappen Gods in zich, maar één van deze eigenschappen is het sterkst in hem vertegenwoordigd; naar die eigenschap is hij genoemd en in deze eigenschap triomfeert hij. Zoals nu de eigenschappen in God elkander voortdurend voortbrengen, terwijl zij ook in elkander opstijgen en elkander liefhebben, en, zoals de bliksem in het zoete water in de hitte opgaat, waardoor het leven, de vreugde geboren worden, alzo is het ook in één Engel; zijne innerlijke geboorte is niet anders dan de uiterlijke geboorte in God. Zoals de Zoon Gods in de middelste oerbron in de hitte, in het zoete water geboren wordt uit alle zeven Geesten Gods, van wie zij hun leven en hun vreugde ontvangen, zo wordt ook de Zoon Gods in dezelfde gestalte in een Engel, in de middelste oerbron van het hart in de hitte in het zoete water geboren en hij verlicht wederom alle zeven Oergeesten van de Engel. En zoals de Heilige Geest van den Vader en den Zoon uitgaat en alles vormt en verbeeldt en alles lief heeft, alzo gaat ook de Heilige Geest die in de Engel is uit in zijne medebroeders en heeft hen lief en verheugt zich met hen. Want er is geen onderscheid tussen de geesten van God en de Engelen, dan slechts dit ene verschil, dat de Engelen schepselen zijn en dat hun lichamelijk wezen een begin heeft; hunne kracht echter, waaruit zij geschapen zijn, die is God Zelf en deze is van eeuwigheid af en blijft in alle eeuwigheid. Daarom zijn zij zo vlug als de gedachten der mensen, waarheen zij zich willen begeven, aldaar zijn zij ook alreeds; daarbij kunnen zij groot zijn en klein, zoals zij willen. En dat is het waarachtige wezen van God in de Hemel; ja het is de Hemel zelf. Wanneer uwe ogen geopend zouden zijn, zo zoudt ge het op de aarde, op de plaats waar ge zijt, duidelijk kunnen zien. Want als God dit de geest des mensen kan laten aanschouwen, de geest die toch in het vlees huist, en kan Hij zich in het vlees openbaren, dan kan Hij zich ook buiten het vlees openbaren, wanneer Hij dat wil. O, gij huis der zonde in deze wereld, hoe zijt ge door de dood en door de hel omsloten, waak op: de ure uwer opstanding is aanstaande, de dag breekt aan; het morgenrood gloort aan de kim. O, gij domme en dode wereld, wat verlangt gij toch tekenen; is uw gehele lichaam dan verstard en wilt ge niet uit de slaap ontwaken? Ziet, u is een groot teken gegeven, waar gij slaapt en ziet het niet. Daarom Zal de Heer u in Zijn toorn een teken geven, de toorn, die gij opgewekt hebt door uwe zonden.

Over de Hemelse verrukking van de drie koninkrijken der Engelen. Hier toont de geest, dat daar waar iedere Engel geschapen is, dat de plaats in de Hemelse natuur, waarin en waaruit hij tot een schepsel is geformeerd, zijn eigen verblijfplaats is, die hij rechtens bezit, zolang hij in Gods liefde blijft. Want het is de plaats, die hij van eeuwigheid af gehad heeft, alvorens hij een schepsel geworden is. De Salniter heeft op deze plaats gewerkt, waar hij geboren is. Ge moet echter niet menen, dat God hierdoor gebonden is en hen van die plaats niet kan verdrijven, wanneer hij anders te werk gaat, dan op de wijze, die God niet hem heeft voorgehad. Want zolang hij in de liefde en in de gehoorzaamheid blijft, zo is die plaats rechtens de zijne. Wanneer hij zich echter verheft, en het vuur der toorn aldaar ontsteekt, zo ontsteekt hij ook het huis Zijns Vaders en is afkerig van datgene, waaruit hij geschapen is en hij maakt uit datgene, wat vóór zijn opstand één was, twee. Wanneer dat nu geschiedt, zo behoudt hij zijn lichamelijk natuurrecht, maar wil het schepsel, dat een begin heeft, zich verzetten tegen hetgeen waaruit het ontstaan is, hetwelk vóór hem bestonden géén begin heeft, en wil dan het schepsel zijn plaats verwoesten, die plaats, waar hij vol liefde tot aanzijn gekomen is, en wil hij deze liefde tot een vuur van toorn maken, zo stort die liefde het vuur der toorn over het schepsel uit en werpt het schepsel tegelijkertijd uit. Daardoor ontstaan ook de rechten in deze wereld. Want wanneer de zoon zich tegen den vader verzet en den vader slaat, zo heeft hij zijn vaderlijk erfdeel verloren en de vader mag hem uit het huis stoten. Omdat hij echter zijn zoon is, zo heeft de Vader geen macht, hem te onterven. Dit wereldlijke recht is ontleend aan het Hemelse recht, zoals ook veel andere wereldlijke rechten, welke in de boeken van Mozes beschreven zijn. Zij zijn alle ontleend aan de goddelijke natuur in de Hemel, hetgeen ik ter plaatse duidelijk bewijzen wil. Nu zou iemand kunnen zeggen: Zo is dan een Engel geheel gebonden aan de plaats waar hij ontstaan is, zodat hij daar niet vandaan durft of kan gaan. Neen, zo min als de geesten Gods zich in hun opstijgen en tot bloei komen laten belemmeren, zo min als zij zich laten tegenhouden om met elkander te verkeren, evenmin zijn ook de Engelen aan hun plaats gebonden, zoals de geesten Gods voortdurend in elkander opgaan en liefdevol met elkander verkeren, terwijl toch iedere geest zijn eigen standplaats heeft en zijn eigen taak. Het geschiedt nimmer, dat b.v. de hitte verandert in koude of de koude in hitte; maar ieder behoudt zijn natuurlijke plaats en is in wisselwerking met alle anderen en daardoor ontstaat het Leven; evenzo verkeren ook de heilige Engelen in alle drie de koninkrijken met elkander en de een ontvangt van de ander, d.w.z.. de een ontvangt van de schone gestalte, van de deugd en van de

vriendelijkheid van de ander en heeft daarvan de grootste vreugde en toch behoudt ieder zijn natuurlijke eigenschappen en de plaats, die hij van de aanvang af heeft gehad, blijft zijn eigendom. Het is er mee, als met iemand, die een boezemvriend of geliefd wezen uit een ander land thuis verwacht. Hij heeft voor die mens een hartelijk verlangen gehad en er is vreugde en een vriendelijk welkom en een gesprek vol liefde, wanneer de vriend daar is. De waard zet de gasten het allerbeste voor, hoewel dit slechts koud water is vergeleken bij het Hemelse onthaal. 'Alzo verkeren ook de heilige Engelen met elkander. Wanneer de heer van een koninkrijk der Engelen bij een andere heer komt, of de ene Engelenkoning bij de andere, dan is er niets dan louter liefde en blijdschap door de ontmoeting binnen te vinden. Een verrukkelijk wandelen in liefde, een lieflijk spreken en een eerbiedigen van elkander, vol ingetogenheid en deemoed; er is een liefdevol elkander omhelzen en leiden en de blijde reidans vangt aan. Het is er mee als met de kleine kinderen, wanneer zij in Mei naar buiten gaan en de bloemen plukken met elkander en vriendelijk met elkander spreken. Wanneer dit is geschied, zo dragen zij ze in hunne handen en dansen, om de tijd te verdrijven, een reidans. Zij zingen de vreugde hunner harten uit en verheugen zich. Evenzo doen ook de Engelen in de Hemel, wanneer zij bij elkander komen, ieder van uit zijn eigen plaats. Want de verdorven natuur dezer wereld arbeidt volijverig, opdat zij Hemelse vormen zou kunnen te voorschijn brengen en de kleine kinderen moeten vaak hunner ouders leermeesters zijn, wanneer de ouders dit slechts konden verstaan. Er is helaas thans verderf bij de jongeren en bij de ouden. Bij deze deemoed der Engelen vermaant de Geest de kinderen dezer wereld, dat zij er acht op zullen geven, of zij elkander wel zulk een liefde toedragen of er bij hen zulk een deemoed is als bij de Engelen; zij worden vermaand om te bedenken, wat zij voor schepselen zijn en of zij op de Engelen gelijken. Zij toch hebben het derde koninkrijk der Engelen in zich. Ziet, uwe liefde, uw deemoed en uwe vriendelijkheid wil de Geest u alhier voor ogen stellen, gij schone Engelenbruid. Aanzie toch uw tooi; welk een grote vreugde zal de bruidegom aan u hebben, gij lieve Engel, die elke dag met de duivel danst. Wanneer er thans iemand een hogere plaats gaat bekleden, zo is hem een oudere mens die niet evenzo hoog verheven is als hij, niet goed genoeg. Hij acht zijn minderen alsof het de voetbank voor zijn voeten ware. Hij tracht hun bezittingen met list te ontvreemden; kan hij dit niet met list, zo doet hij het met geweld, opdat hij genoegdoening kan vinden voor zijn hoogmoed. Komt een eenvoudig mens tot hem, die zich niet goed verweren kan, zo legt hij hem het zwijgen op alsof hij een hond ware; heeft deze iets met hem te maken, zo moet hij iemand van aanzien zijn, om gehoor te kunnen krijgen. Wat zijt gij voor Engelenvorst, o mens. In

het navolgende hoofdstuk, de behandeling van de val des duivels, zult ge u zelf weerspiegeld zien; bezie u zelf dan. Wanneer b.v. thans de ene mens iets meer van een of andere wereldse wetenschap weet dan de andere, of de een heeft meer gestudeerd dan een ander, dan is hij boven die ander verheven. Hij kan niet met hem spreken en kan zijne trotse gang niet volgen. De eenvoudige moet zijn nar zijn, terwijl hij toch een trotse Engel is en in zijn liefde een dode mens; dit alles wordt ook weerspiegeld in het navolgende hoofdstuk. Ten derde: Wanneer tegenwoordig de ene mens rijker is dan de andere, zo moet de arme de nar zijn. Wanneer hij een schoner gewaad tonen kan dan zijn naaste, zo is een arm mens hem niet genoeg meer en het oude gezang is hier van toepassing, dat luidt: De rijke dwingt de arme en doet zijn zweet vloeien, opdat zijn geld zal klinken. Deze Engelen worden ook in het navolgende hoofdstuk uitgenodigd zich zelf in de spiegel te aanschouwen. Ten vierde is het toch geheel en al een duivelse en gemene verhovaardiging, dat de ene mens zich boven de andere zou verheffen en hem zou verachten, beliegen, bedriegen en haten. Dat hij woeker van hem zou nemen, hem 't zijne zou misgunnen en nijd jegens hem zou gevoelen. Het brandt thans in de wereld alsof er een hels vuur is ontstoken. O wereld, waar is uw deemoed? Waar is uw liefde? Waar is uwe vriendelijkheid? Wanneer thans de mond spreekt: God groet u, zo denkt het hart, ja wees daarvoor gewaarschuwd. O, gij schoon koninkrijk der Engelen, hoe waart ge getooid en hoe heeft de duivel een moordenaarshol van u gemaakt. Meent ge, dat ge thans in de heerlijkheid staat? Ja, midden in de hel staat ge. Werden uwe ogen slechts geopend, dan zoudt ge het zien. Of meent ge, dat de Geest dronken is en u niet ziet? O, hij ziet u zeer zeker; uw schande staat voor God, naakt en open. Ge zijt als een ontuchtige vrouw, dag en nacht en zegt nog: ik ben een kuise maagd. Ach, wat kunt ge u spiegelen aan de heilige Engelen. Riekt uwe liefde en uw deemoed niet naar de hel? Dit alles zal in het volgende hoofdstuk besproken worden.

Over de koninklijke voorrang of het gezag der drie Engelenkoningen. Evenals de Godheid in haar Wezen drievoudig is, dewijl het uitgaan uit de zeven Oergeesten Gods ook op drievoudige wijze plaats heeft, nml. als Vader, Zoon en Heilige Geest, (één enig God), waarin de ganse Goddelijke Kracht bestaat, en alles wat er bestaat, terwijl de drie personen in de Godheid niet te scheiden zijn, alzo werden naar dit heilige voorbeeld, drie afzonderlijke Engelen uit de beste kernen der natuur geschapen; uit het wezen der Drie-eenheid in de goddelijke natuur, en wel

met dat gezag en die macht, welke de Drie-eenheid heeft in de zeven Oergeesten Gods. Want de Drie-eenheid Gods gaat op in de zeven geesten van God en is het hart en het leven van alle zeven geesten; evenzo hebben de drie Engelenkoningen ieder hun eigen plaats en zijn daarover heer en koning, alsook over de onder hen geplaatste Engelen. De goddelijke Drie-eenheid echter is onveranderlijk en de koning heeft de heerschappij over de Engelen. Zoals nu de Goddelijke Drie-eenheid is als een Enig Wezen, terwijl de drie persoonlijkheden der Drie-eenheid met elkander verbonden zijn, evenzo als de verschillende delen van het menselijk lichaam, en zoals de ene plaats is als alle andere plaatsen, hoewel de een een andere bestemming heeft dan de andere, zoals het ook is met de verschillende delen van het menselijk lichaam, zo zijn ook de drie koninkrijken der Engelen met elkander verbonden en geen der drie bestaat afzonderlijk. Geen Engelenkoning mag zeggen: “Dit is mijn rijk” en een andere mag in mijn rijk niet komen. Al is het ook zijn oorspronkelijk, van nature geërfd rijk, en al zal het dat ook blijven, zo zijn toch alle andere koningen en Engelen zijn broeders, naar de natuur uit denzelfden Vader als hij en alle zijn zij de erfgenamen van het rijk huns Vaders. Zoals de Oergeesten Gods elk hun eigen plaats hebben en bestemming en toch met de andere geesten tezamen den enigen God uitmaken, (wanneer de andere er niet waren, zo was hij er óók niet), alzo gaat óók de ene geest in de andere op en evenzo is het ook met de heilige Engelen. Zij allen leven in en uit God. Daarom leven zij alle vriendelijk en vreedzaam bij elkander in het rijk huns Vaders, als geliefde broeders; er is geen grens voor elk van hen wat betreft het werk, waartoe elk van hen geroepen is. Een eenvoudig mens zou nu kunnen vragen: op welke wijze bewegen de Engelen zich of waarop steunen hunne voeten? Ik wil u hier het juiste daaromtrent meedelen. Zoals u het hier vindt uitgedrukt, zo is het in de Hemel, want de geest ziet onbelemmerd in deze diepte; ook is het zeer begrijpelijk. De gehele natuur des Hemels bestaat door de kracht van de zeven Oergeesten en de beweeglijkheid van alle eigenschappen wordt veroorzaakt door de kracht van de zevende oergeest; deze natuur of beweeglijkheid is zeer licht en als een nevel en als een meer van kristal, dat men door alles heen kan zien. Er onder en er boven is de diepte. De Engelenlichamen zijn ook op deze wijze samengesteld, maar hun lichamen zijn alleen van een drogere substantie en deze zijn de kern uit de natuur, het beste en de schoonste glans der natuur. Op de zevende Geest Gods, die dik als een nevel is en helder als een kristallen zee, bewegen zij zich als 't ware, zij stijgen en dalen en gaan waarheen zij willen. Want zij zijn zo beweeglijk als de Goddelijke Kracht zelf; toch beweegt de een zich nog sneller dan de andere, elk naar zijn aard. Uit deze zelfde zevende natuurgeest ontstaat ook de Hemelse vrucht en

de Hemelse kleur. En de Engelen wonen tussen Hemel en aarde, stijgen en dalen en waar zij ook zijn, hun voet rust alsof zij op de aarde stonden. De ouden hebben de Engelen met vleugels geschilderd, maar zij behoeven geen vleugels, want zij hebben handen en voeten, evenals de mensen, maar dan naar Hemelse trant. Er zal op de dag van de opstanding uit de doden tussen Engelen en mensen geen onderscheid zijn, zij allen zullen één gestalte hebben. Hetgeen ik ter plaatse duidelijk bewijzen wil en hetgeen ook onze Koning Jezus Christus zelf duidelijk getuigt, wanneer Hij zegt: In de opstanding zullen zij gelijk zijn aan de Engelen Gods. (Mattheus 22 :30). Over de grote heerlijkheid en schoonheid der drie Engelenkoningen. Over den Koning of Grootvorst Michaël. Michaël betekent: Sterkte Gods of Kracht en hij draagt deze naam zeer terecht, want Hij is uit de zeven Oergeesten, als de kwintessens uit deze Oergeesten geformeerd en staat daar nu in de plaats van God den Vader. Niet, dat hij God de Vader is, die vertegenwoordigd wordt door de zeven Oergeesten, maar hij (Michaël) is, temidden van de schepselen in de natuur, ook een schepsel en die heerst over de andere schepselen, evenals God de Vader in de zeven Oergeesten werkt. Toen God zich lichamelijk manifesteerde, zo deed Hij dat drievoudig. Zoals in God deze drievoudigheid het grootste en voornaamste is, terwijl Hij naar Zijn gestalte en andere hoedanigheden onmeetbaar is, dewijl Hij zich zo veelzijdig betoont in Zijn werkingen, alzo heeft Hij ook drie hoofdEngelen of Engelenvorsten geschapen, naar het voorbeeld Zijner Drievuldigheid. Hij heeft Engelenvorsten geschapen naar het voorbeeld der zeven Oergeesten: Gabriël, een Engel of vorst van het geluid, van de toon of van de snelle tijding en Raphaël en nog anderen in het koninkrijk van Michaël. Ge moet dit niet zo verstaan, als zouden deze lichamelijke Engelen in de Godheid, d. i. in de zeven Oergeesten Gods, te heersen hebben; neen elk van hen moet over zijn eigen onderdanen regeren. Zoals de Goddelijke Drie-eenheid heerst over alles, wat in de Godheid besloten ligt, gestalten en figuren, en deze vormt en verandert, zo zijn ook de drie Engelenkoningen heer over de Engelen, geheel en al. Zij kunnen zich echter niet lichamelijk veranderen, zoals God daartoe wel in staat is, die hen geschapen heeft. Zij zijn ook niet zó met hen verbonden als ziel en lichaam dat zijn. Want de koning is hun hoofd en zij zijn des konings leden en de vorstenEngelen zijn des konings raadgevers, zoals de vijf zintuigen 's mensen raadgevers zijn of zoals de handen en voeten, mond, neus, oog en oren de werktuigen zijn, die de mens ten dienste staan, om de ver-

langde werkzaamheden mee te verrichten. Zoals nu alle Engelen aan den koning verbonden zijn, alzo is ook de Koning aan God, Zijnen Schepper verbonden, zoals lichaam en ziel aan elkander verbonden zijn. Het lichaam is God en de ziel is de Engelenkoning, die in het lichaam Gods zetelt, en die ook in het lichaam Gods vorm heeft aangenomen; hij blijft enig in het lichaam Gods, zoals de ziel in haar plaats. Daarom ook heeft God hem zo hoog verheven, als Zijn eigendom, evenzo als de ziel glorieert over het lichaam. Alzo ziet koning of grootvorst Michaël God den Vader in zijn verheerlijking of klaarheid en hij is een vorst of koning, aan God onderworpen, op de berg Gods en hij arbeidt in de regionen, waarin hij tot aanzijn is gekomen. Dezelfde ruimte, waarin hij en zijne Engelen geschapen zijn, is Zijn koninkrijk en hij is een dierbare Zoon Gods des Vaders, een Zoon, aan wien de Vader Zijn welbehagen heeft. Ge moet hem niet met het Hart of het Licht van God vergelijken, dat Licht, dat in den Vader woont, hetwelk noch begin, noch einde heeft, zoals God de Vader zelf. Want deze vorst is een schepsel en heeft een begin; hij is echter in God den Vader en is met Hem in liefde verbonden, als zijn geliefde Zoon, dien Hij uit zich zelven geschapen heeft. Daarom heeft God hem de kroon van ere, macht en heerschappij op het hoofd gezet, dewijl in de Hemel niets hogers en schoners en ook niets machtigers is, behalve God zelf in Zijn Drievuldigheid, dan hij. Hiermede is een der Engelenkoningen naar het inzicht van de Geest juist beschreven.

Over de andere koning, thans Lucifer genaamd, terzake van zijn val. Koning Lucifer, sluit uwe ogen een weinig en doe uwe oren dicht, opdat ge niets moogt horen en niets moogt zien, anders zoudt ge u zeer schamen, wijl een ander thans op uw troon zit. Uw schande zal, vóór het einde der wereld, geheel en al geopenbaard worden, welke schande ge van voor de grondlegging der wereld verborgen gehouden en onderdrukt hebt, waar ge dat slecht hebt gekund. Thans wil ik uw koninklijke rang beschrijven, niet ter wille van u, maar ter wille van de mensen. Deze hoogmachtige, volheerlijke en schone koning heeft zijn oorspronkelijke naam verloren vanwege zijn val, want thans heet hij Lucifer, dat wil zeggen, één, die verstoten is uit Gods Licht. Zijn naam is in de aanvang niet zo geweest, want hij is vorst in het hart van God geweest, staande in het klare Licht; hij was de allerschoonste onder de drie Engelenkoningen.

Over zijn totstandkoming. Zoals Michaël is geschapen naar het voorbeeld van de eigenschappen, wijze en aard van God den Vader, alzo werd ook Lucifer geschapen naar het voorbeeld van de eigenschappen, de wijze en de schoonheid van God den Zoon en hij is met Hem in liefde verbonden geweest als een geliefde zoon en zijn hart heeft in het centrum van het Licht gestaan, juist, alsof hij zelf God ware. Zijn schoonheid was bovenmatig groot, Gods Zoon heeft hem gans en al omvat en hij is geweest als een koning. Zijn gebied, zijn plaats en' de ruimte, die hij met zijn gehele legermacht inneemt, en waarin hij ook tot aanzijn kwam en die ook zijn koninkrijk is geweest, deze ruimte is de Hemel en deze wereld, waarin wij met onzen Koning Jezus Christus wonen. Want onze Koning zit in goddelijke almacht, zoals eens koning Lucifer zat, op de koninklijke zetel van de verstoten Lucifer en het rijk van koning Lucifer is nu Zijn Rijk geworden. Vorst Lucifer, hoe vindt ge dat? Zoals nu God de Vader met Zijn Zoon in grote liefde verbonden is, zo is ook koning Lucifer met koning Michaël in grote liefde verbonden geweest, want de oerbron van den Zoon Gods heeft gereikt tot midden in 't hart van Lucifer. Het licht, dat hij in zich heeft gehad was zijn eigendom, en dat heeft, omdat het scheen tegelijk met het Licht van den Zone Gods, opgehouden zijn eigen licht te zijn en is één Licht geworden, hoewel het aanvankelijk twee Lichten waren. Niettegenstaande dat, waren deze twee met elkander verbonden als lichaam en ziel. En zoals het Licht van God in alle krachten des Vaders regeert, alzo heeft hij ook in al zijne Engelen geregeerd als een machtige koning Gods, en hij heeft op zijn hoofd de schoonste kroon des Hemels gedragen. Hierbij wil ik het thans laten, dewijl ik in een ander hoofdstuk nog veel met hem te maken zal hebben. Dat hij thans nog met zijn kroon prijke, spoedig zal zij hem worden afgenomen.

Over de derde Engelenkoning, Uriël genaamd. Deze lieflijke vorst en koning ontleent zijn naam aan het Licht, of van de bliksem of van oorsprong des Lichts; dit beduidt God de Heilige Geest. Zoals de Heilige Geest uitgaat van het Licht en alles vormt en in alles heerst, alzo is ook de macht en de lieflijkheid van een Cherubijn; deze is de koning en het Hart van al zijne Engelen. D.w.z.. wanneer zijne Engelen hem slechts aanzien, zo worden zij aangedaan met ede wil van

hunne koning. Zoals des harten wil alle ledematen des lichaams aansteekt, zodat het 'lichaam doet, hetgeen het hart heeft besloten, of zoals de Heilige Geest in het centrum van het hart ontstoken wordt, en alle leden van het gehele lichaam verlicht, zo doet ook de Cherubijn met zijn glans en zijn wil al zijne Engelen aan en doorlicht hen en maakt hen alle tezamen tot één lichaam en de koning is het hart in het midden van hen. Deze heerlijke en schone vorst nu is gevormd naar het voorbeeld van den Heiligen Geest en hij is een heerlijke en schone Vorst Gods, en hij is met de andere vorsten in liefde verbonden. Dit nu zijn de drie vorsten Gods in de Hemel. Wanneer nu het Licht des Levens, d.i. de Zoon Gods, in het centrum en in de Oergeesten Gods opgaat, en zich triomferend vertoont, zo gaat ook de Heilige Geest vol triomf op. In dit opgaan wordt het ganse Hemelse heirleger, alle Engelen, triomferend en vreugdevol, en het schone “Te Deum laudamus” stijgt op. Terwijl dit geschiedt wordt de Mercurius in het hart opgewekt, zowel als in de ganse Salniter des Hemels. En de wonderlijke en schone Hemel vormen komen tot uiting in menigerlei kleuren en soorten en iedere geest toont zich in een buitengewone gestalte. Ik kan het met niets beters vergelijken dan met de aller edelste stenen, smaragd, jerubin, onix, saphir, diamant, jaspis, hyacinth, amethist, beryll, sardis, karbonkel en dergelijke. Op deze wijze en in deze kleuren vertoont zich de Hemel aan God, wanneer de geesten Gods opstijgen; wanneer nu het Licht van den Zoon van God daarin schijnt, zo is het als een zee van licht door de kleuren der boven, beschreven edelstenen.

Over de wonderlijke verhoudingen, veranderingen en het in beweging zijn der hoedanigheden in de Hemelse natuur. Dewijl dan de geest het aanzien des Hemels kan onderscheiden, zo kan ik het niet nalaten, dit alles te beschrijven en ik 'laat Hem besturen, die dit alles zo wenst. Hoewel de duivel spotters en verachters kan oproepen, die dit alles versmaden, zo vraag ik hiernaar niet; ik heb genoeg aan de volzalige openbaring Gods. Dat zij spotten, totdat zij met eeuwige schande beladen zijn; alsdan zal het berouw aan hen knagen. Ik ben ook niet in de Hemel opgestegen en heb het niet met mijn lichamelijke ogen gezien; nog minder heeft iemand het mij gezegd. Want ál zou er een Engel komen en het mij mededelen, zo zou ik het toch, zonder Gods Licht, niet verstaan, nog minder geloven. Want ik zou steeds in twijfel zijn, of het ook een goede zou zijn, die het bevel Gods zou uitvoeren, nademaal zich ook de duivel in de gestalte van -een Engel kan voordoen, ten einde de mensen te verleiden (2 Cor. 11 : 14). Dewijl echter het Licht

helder schijnt en de Heilige Geest opvaart met vurige drang, zo kan ik aan dit alles niet weerstaan; de wereld moge mijnentwege spotten. De Geest betuigt, dat het nog slechts een kleine wijl zal duren, voordat de bliksem of het Licht in deze wereld zal opgaan. De Geest is een verkondiger of boodschapper hiervan. De mens, die op dat moment dan niet door den Heiligen Geest is wedergeboren, zal ook in eeuwigheid niet meer naar de Geest herboren kunnen worden; hij blijft in de duisternis, als een dode, harde vuursteen, in welke de boosheid en het verderf eeuwigdurend stand houden, hij zal eeuwig spotten temidden van de helse gruwelen, want zoals de boom is, zo ook zijn zijne vruchten Gij leeft tussen Hemel en hel; in welke van de twee gij zaait, zult ge ook oogsten en dat zal uw spijze in eeuwigheid zijn. Zo ge spot en verachting zaait, zo zult ge ook spot en verachting oogsten, en dat zal dan uwe spijze zijn. Daarom, o mensenkind, neem u in acht en vertrouw niet te veel op wereldse wijsheid; zij is blind en blind geboren; wanneer echter het Licht des Levens in haar wordt ontstoken, zo is zij niet meer blind, maar zij ziet. Want in joh. 3 : 7 spreekt Christus: Verwonder u niet, dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. En joh. 3 :5 zegt: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. Waarlik, men moet uit de Geest geboren worden, den Heiligen Geest, die opgaat in het zoete bronwater des harten, in het Licht. Daarom ook heeft Christus de Doop, of de wedergeboorte in den Heiligen Geest in het water, ingesteld. Hetgeen een groot geheimenis is en ook aan alle mensen is verborgen gebleven van voor de grondlegging der wereld tot nu toe, hetgeen ik ter plaatse duidelijk wil beschrijven en bewijzen. Wanneer ge deze wereldruimte aanziet, zo kunt ge hiermee een vergelijking trekken met de Hemel. De sterren beduiden de Engelen; want zoals de sterren tot aan het einde van deze bedeling onveranderd door blijven staan, evenzo moeten de Engelen in de Hemel eeuwig onveranderd blijven. De elementen beduiden de verhoudingen en veranderingen van het aanzicht des Hemels. Want zoals de ruimte tussen sterren en de aarde immer verandert naar de uiterlijke verschijningsvorm; nu eens is deze ruimte heerlik licht, dan weer donker; nu weer is er wind, dan weer regen of sneeuw, soms is de ruimte blauw, dan weer groenachtig of wit, dan weer donker, zo ook verandert de Hemel van uiterlijk en van kleur. Echter niet op dezelfde wijze als in deze wereld, want alles is onderhevig aan verandering, die ontstaat door de invloed van het opstijgen der Goddelijke Geesten. En het Licht van den Zoon van God schijnt eeuwig te midden hiervan, hoewel het de ene keer zich duidelijker doet kennen dan de andere keer. Daarom is de wonderlijke Goddelijke Wijsheid onbegrijpelijk. De aarde beduidt de Hemelse natuur of de zevende oergeest, waarin de kleuren en

vormen tot uiting komen. De vogels, vissen en andere dieren beduiden de menigerlei verschijningsvormen, die er in de Hemel zijn. Dit moet ge weten, want de geest betuigt, dat er in de Hemel, evenals op de aarde allerlei vormen en verschijningen voorkomen, zoals de vogels, de vissen en de andere dieren dezer wereld, maar zij komen voor naar Hemelse uitbeeldingsvorm en op Hemelse wijze. Evenzo ook komen voor allerlei bomen, kruiden en bloemen. Maar evenzo alles bloeit, evenzo vergaat het ook weer, want het wordt niet tot een lichaam gemaakt, zoals bij de Engelen, maar dit alles ontstaat door de opstijgende eigenschappen in de natuurgeest. Wanneer een bepaalde vorm door de Geest geschapen wordt en wanneer dan een andere Geest met deze eerste Geest strijdt en hem overwint, zo verandert deze vorm of ze verdeelt zich, al naar gelang der verschillende hoedanigheden. Dit is als een heilig spel Gods. Daarom ook zijn schepselen als de dieren, de vogels, de vissen en de wormen in deze wereld niet geschapen ten eeuwigen leven, maar ze zijn vergankelijk, zoals de Hemelse uitbeeldingsvormen ook vergankelijk zijn. Dit schrijf ik ter inleiding hier neer; bij de behandeling van de schepping dezer wereld zult ge het uitvoerig beschreven vinden.

HOOFDSTUK XIII.
Over de verschrikkelijke, bedroevende en ellendige val van het Koninkrijk van Lucifer. Ik nodig hier alle hovaardige, gierige, nijdige en toornige mensen uit; zij zullen de oorsprong hunner hovaardigheid, hunner gierigheid, van hun nijd en toorn zien en ook zullen zij het einde hiervan zien en de beloning, die hen wacht. De geleerden hebben velerlei oorzaken te berde gebracht over het ontstaan der zonden en de oorsprong van de duivel. Zij hebben hierover nagedacht en gemeend, ieder voor zich, dat zij het bij het rechte einde hadden, maar het is hun allen tot nu toe verborgen gebleven. Daar het thans echter geheel zal worden geopenbaard, als in een heldere spiegel te zien, zo is het wel te vermoeden, dat de grote dag der openbaring Gods nu nabij is, en het vuur dat ontstoken is en de grimmigheid zich van het Licht af zullen scheiden. Daarom zij niemand verblind, want de tijd van de teruggave van wat de mens verloren heeft, is thans nabij, het morgenrood breekt aan; het is tijd te ontwaken uit de slaap. Nu doet de vraag zich voor: Wat is de oorsprong van de eerste zonden van het Koninkrijk van Lucifer? Hier moet men de diepte der goddelijke wijsheid wederom betrachten en

zien, waaruit koning Lucifer tot een schepsel gemaakt is, of, wat de eerste bron der boosheid in hem geweest is. Zowel de duivel en zijn aanhang, alsook alle goddeloze mensen, die in het verderf zijn gestort door eigen schuld, zeggen, dat God hun onrecht aandoet, wanneer Hij hen verstoot. De huidige wereld kan ook wel zeggen, dat God het in zijn wijze raad alzo heeft besloten, dat sommige mensen zalig zullen worden en sommigen verdoemd, en dat God daartoe vorst Lucifer heeft verstoten, opdat hij een voorwerp van Gods toorn zou zijn. Alsof de hel of het boze er van eeuwigheid af geweest zou zijn en het in Gods bedoeling lag, dat er schepselen in die hel zouden moeten verblijven! Sommigen zeggen en trachten met de Schrift dit te bewijzen, terwijl zij toch geen kennis hebben van den ware God, noch van de Schriften, hoewel in de Schrift wel sommige dingen verkeerd zijn opgetekend. Christus zegt: De duivel is een mensenmoordenaar en een leugenaar van den beginne af geweest en hij is in de waarheid niet staande gebleven. Omdat echter de redetwisters en degenen, die menen recht te spreken, hem {de duivel} getrouwelijk bijstaan en de Goddelijke Waarheid in leugen verdraaien, en omdat zij van God een grimmige en naijverige duivel maken, die het boze heeft geschapen en in stand wil houden, zo zijn zij allen met elkander, tezamen met de duivel moordenaars en leugenaars. Want zoals de duivel de stichter en de Vader der hel en verdoemenis is, en hij de hel zelf gebouwd en gereed gemaakt heeft tot zijn koninklijke verblijfplaats, zo zijn ook degenen die de duivel helpen de leugen te bekrachtigen en de barmhartige, vriendelijke God een moordenaar en een naijverig vernietiger noemen, bouwmeesters van de leugen en de verdoemenis en zij verdraaien Gods Waarheid in leugen. Want in de profeten spreekt God: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen. Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijne weg en leve. En in de Psalmen staat (Psalm 5:5), Want Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid. Daartoe heeft God de mensen wetten gegeven, en hen het kwade verboden en het goede bevolen. Zo God dan het boze wilde en óók het goede, zo zou Hij het met Zichzelf oneens zijn en daaruit zou volgen, dat er een verwoesting zou plaats grijpen in het Wezen van God; dat het ene tegen het andere zou opstaan en het een het andere zou vernietigen. Hoe dit nu alles zo geworden is, of, hoe de boosheid haar eerste bron, haar oorsprong of begin gehad heeft, wil ik in de grootste eenvoud verklaren. De geest nodigt daartoe alle verdwaalde en door de duivel verleide mensen uit, opdat zij het mogen begrijpen. Wie zich nu niet hoeden wil voor zijn leugens, terwijl hij dit toch wel kan, voor hem is er geen raad, hier noch elders. Wie met hem zaaien wil, die zal óók met hem oogsten. De oogst is reeds uit, en een ieder zal oogsten, wat hij gezaaid heeft. Hier

wil ik de mij toevertrouwde schat aan anderen uitdelen, zoals het mij bevolen is; wie met mij handelen en woekeren wil, die is daartoe vrij, of hij nu een Christen, een jood, een Turk of een heiden is, dit is mij alles hetzelfde. Mijn koophuis staat voor iedereen open en niemand zal bedrogen worden; aan ieder zal recht geschieden. Dat een ieder nu toeziet dat hij zodanig handel drijve, dat hij zijnen Heer rente verwerve, want ik vrees, dat er wel eens een koopman zal zijn, die het niet eens zal zijn met hetgeen ik te koop heb te bieden, daar mijn koopwaar menigeen onbekend zal zijn, en ook niet ieder mens mijn taal zal verstaan. Daarom wil ik iedereen waarschuwen, dat hij voorzichtig handelt en zich niet voorstelt, dat hij rijk is en niet arm kan worden; waarlijk, ik heb wonderbare zaken te koop; niet iedereen zal dat verstaan. Wanneer er nu iemand in het verderf zou komen, dat hij zichzelf daarvan de schuld moge geven; hij behoeft Licht in zijn binnenste, opdat zijn verstand en zijn gemoed daardoor verlicht zullen worden. Wanneer hij dat niet heeft, is het beter, dat hij niet gaat tot mijn koophuis, of hij bedriegt zichzelve, want de zaken, die ik te koop heb, zijn zeer edel en duur en hebben een scherp verstand nodig, om goed te worden onderscheiden; neem u daarom in acht en stijg niet op, zo ge geen ladder ziet, of ge zult vallen. Mij echter is de ladder Jacobs getoond, op dezelve ben ik in de Hemel gestegen, en heb mijne waren ontvangen, die ik te koop heb; wil iemand mij naklimmen op deze ladder, hij zie toe, dat hij niet dronken zij, maar omgord met het zwaard des geestes. Want hij moet langs een gruwelijke afgrond omhoog stijgen, en hij zou wel eens duizelig kunnen worden; voorts moet hij het Hellerijk passeren, alwaar hij hoon en spot zal moeten verduren; dat zal hij wel bemerken. Ik heb het zelf in deze strijd ook dikwijls met een treurig hart moeten ervaren, dat de zon voor mij is ondergegaan, maar dan is zij toch wederom opgegaan. En hoe vaker zij verduisterd werd, des te helderder en schoner ging zij weer op. Dit schrijf ik niet tot eigen lof, maar omdat het u mogelijk ook zo zou gaan en ge dus, nu ge dit weet, niet behoeft te wanhopen. Want dit alles kost veel arbeidens; hij, die tussen Hemel en hel met de duivel vechten wil, wete dit wel. De duivel is een machtige vorst. Zie daarom toe, dat ge het pantser des geestes aandoet, kom anders niet naar mijn koophuis, of ge zult verkeerdelijk handelen met mijne koopwaar. Ge moet de duivel en de wereld versagen, wilt ge een waar strijder zijn, anders zult ge niet overwinnen; zo ge echter niet overwint, laat mijn boek met rust en blijf bij het oude of ge zult het loon des bozen ontvangen. Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten (Gal. 6:7). Het is voorwaar een enge weg, die door de hellepoorten tot God voert, menige benauwing en druk moet worden verdragen; het menselijke vlees is teder en jong en de duivel is ruw en hard en daarbij duister, vol van hitte, bitterheid, zuurheid en koude.

Deze twee passen slecht bij elkander. Daarom wil ik de lezer getrouwelijk waarschuwen wat betreft dit grote geheimenis, opdat hij het goed verstaat en God bidt om Zijn Heilige Geest, dat die Hem verlichte. Zonder verlichting des Heiligen Geestes zult ge dit geheimenis niet verstaan. want ‘s mensen geest is als een slot, dat goed bewaakt is; dit moet eerst geopend worden. Geen mens kan dit doen; de Heilige Geest is degene, die het slot kan ontsluiten. Wilt ge daarom, als door een open poort, in de goddelijke dingen binnEngeleid worden, zo moet ge in Gods liefde wonen. Merk nu op: Iedere Engel is geschapen in de zevende oergeest, dat is de natuur; daaruit is zijn lichaam gevormd, en hem is zijn lichaam tot een eigendom gegeven en hij is vrij, evenals God vrij is. Buiten zijn lichaam heeft een Engel geen stuwkracht; zijn stuwkracht en zijn beweeglijkheid komt tot uiting in zijn lichaam; dit lichaam is gevormd op de wijze, zoals ook God toegerust is. Zijn licht en zijn inzicht, ja zijn hele leven is geschapen naar het voorbeeld van het Wezen Gods. Want het lichaam is de lichamelijk gemanifesteerde natuurgeest en omsluit de andere zes geesten, welke zich in het lichaam van de Engel gedragen als in de godheid. Lucifer nu heeft het allerschoonste en krachtigste lichaam van alle vorsten Gods, die in de Hemel zijn, gehad. En het licht, dat hij in zijn wezen had, vormde met het Hart Gods of de Zoon Gods één geheel. Toen hij echter had gezien, dat hij zo schoon was, en had ondervonden, dat hij zoveel macht had, zo heeft zijn geest, die in zijn lichaam woonde, en die als ‘t ware zijn hart of zoon was, zich verheven, ten einde over God te triomferen, omdat hij van goddelijke geboorte was. In de middelste oerbron, wat het hart is, heeft de geboorte haar oorsprong; de wrange eigenschap komt in botsing met de bittere eigenschap en met de hitte, waardoor het Licht verstoken wordt; dit is de Zoon, die altijd in hem woont, en hem verlicht en levend maakt. Dat zelfde licht in Lucifer is nu zó schoon geweest, dat het de Hemelse Gestalte overtroffen heeft en in ditzelfde licht is het volkomen verstand geweest, want al de zeven oerbronnen brengen hetzelfde licht voort. Nu zijn echter de zeven Oergeesten de vader van het Licht en zij doen zoveel licht te voorschijn breken, als zij maar willen en het Licht kan niet groter zijn dan de Oergeesten toelaten, dat het is. Wanneer het licht geboren is, verlicht het alle Oergeesten, zodat zij zelfstandig zijn en zij allen willen ook het Licht tot aanzijn brengen. Nu heeft echter ieder van hen de macht zijn wil te veranderen, al naar gelang het noodzakelijk is voor het ontstaan van het Licht; wanneer dat nu geschiedt, zo kan de geest niet triomferen, maar moet zich matigen. En daarom zijn alle zeven geesten vol van macht en ieder van hen heeft de teugel in de hand, zodat hij de geest, die in hem woont, in toom kan houden en hem kan belemmeren verder te gaan, dan hem toegestaan

wordt. De zeven geesten echter, die in een Engel zijn, die het licht en het verstand voortbrengen, zijn met de gehele Godheid verbonden, zodat zij niet meer kunnen bewerkstelligen in enig opzicht dan God Zelf en ook niet op een andere wijze. En wel, aangezien zij een gedeelte van het geheel zijn, want God heeft hen daartoe uit zichzelf geschapen. Nu deden echter de Oergeesten in Lucifer dit niet, maar, omdat zij zagen, dat zij de voorrang hadden, zo gingen zij zodanig te werk, dat de geest, die in hen geboren werd, zeer vurig werd en in de oerbron van het hart opsteeg als een trotse jonkvrouw. Zo de Oergeesten zeer lieflijk gearbeid zouden hebben, zoals zij deden, voor zij lichamelijk werden, toen zij nog in gemeenschap met God waren, vóór de schepping, zo zouden ook zij een lieflijke zoon in zich weten, die gelijk zou zijn aan den Zoon van God en zo zou het Licht in Lucifer en de Zoon Gods als één geweest zijn; een samensmelting vol van lieflijkheid en verrukking. Want het grote Licht, hetwelk het Hart van God is, heeft zacht en lieflijk zich verenigd met het kleine Licht, dat in Lucifer is, als met een jongen zoon, want de kleine zoon in Lucifer is als een geliefde broeder voor het Hart van God. Met dat doel heeft God de Vader de Engelen geschapen; evenals Hij in Zijn eigenschappen veelvoudig en in Zijn verandering onbegrijpelijk is in Zijn liefdesspel, zo spelen ook de geesten of de lichten der Engelen, die als de Zoon Gods zijn, voor God in het grote Licht zeer lieflijk, opdat de vreugde in Gods Hart vermeerderd moge worden, en er in God een Heilig Spel gespeeld worde! De zeven geesten der natuur, die in de Engelen wonen, vermeien zich lieflijk in God, hun Vader, evenals zij deden, voor zij lichamelijk waren. Zij verheugen zich in hun nieuwgeboren Zoon, het licht en verstand van hun wezen. En dat licht stijgt op in het hart van God en verheugt zich in Gods Licht, zoals een kind zich verheugt bij zijn moeder; daar is een hartelijk liefhebben en omhelzen. Hier openbaart zich een zingen en juichen; alle hoedanigheden verheugen zich daarin en iedere geest volvoert zijn goddelijke arbeid, zoals God de Vader zelf. Want de zeven geesten kunnen, evenals God, alles zien, voelen, ruiken, proeven en horen, wat God de Vader maakt. Toen zij zich echter verhieven en in opstand kwamen, deden zij tegen hun natuurrechten in en dus anders, dan God de Vader deed en dat was gekeerd tegen de Godheid. Want zij ontstaken de Salniter des lichaams en deden een triomferenden Zoon geboren worden, die in de wrange eigenschap, hard, ruw, duister en koud was en in de zoete eigenschap brandend, bitter en vurig. De toorn was een hart als vuur; de liefde was een hoogmoedige vijandschap jegens God. Daar stond nu de bruid in de zevende natuurgeest, als een trots dier en meende, dat zij méér was dan God en dat niemand aan haar gelijk was.

De liefde was verkoeld; het Goddelijk hart kon haar niet beroeren, want er was tussen hen een afkeer, het hart van God was liefderijk en zacht en het hart van de Engel duister, koud, hard en vurig. Nu was het de bedoeling, dat het hart van God zich met het hart van de Engel zou vereenzelvigen en dat nu kon niet geschieden, want het was het harde, dat zich stelde tegenover het zachte; het zure tegenover het zoete, het duistere tegenover het lichte, het vuur tegenover een lieflijke warmte en het harde kloppen tegenover een lieflijk gezang. Hoor, Lucifer, wie is er schuld aan, dat ge een duivel geworden zijt? Is God het, zoals ge verkeerdelijk doet voorkomen? O neen, gij zelf; de Oergeesten in uw wezen. Ge kunt niet zeggen, dat God de Salniter, waaruit Hij u schiep, heeft ontstoken, neen, uw eigen Oergeesten deden het, nadat ge reeds een vorst en koning van God waart. Daarom, wanneer ge zegt, dat God u alzo heeft geschapen en u, zonder voldoende oorzaak uit uw eigen plaats heeft verstoten, zo zijt ge een leugenaar en een moordenaar. Het hele heir des Hemels getuigt tegen u. Als het niet waar is, zo stel u voor Gods aangezicht en leg verantwoording af; maar ge ziet het ook zonder dat wel, maar durft het niet te aanschouwen. Zie de Zoon van God aan, misschien zult ge gezond worden. Maar wacht een ogenblik, want er zit een ander op uw zetel, en Hij is voor Zijnen Vader een gehoorzaam Zoon en doet, zoals de Vader doet. Wacht nog een korte tijd, zo zal het helse vuur u kussen, ge zult spoedig uw kroon verliezen. Nu zou iemand kunnen vragen: Wat is dan eigenlijk die vijandschap jegens God, die in Lucifer woont, en waarom hij van zijn plaats verdreven is? Hier wil ik u de kern en het hart van Lucifer tonen, zo zult ge zien, wat een duivel is, of, hoe hij een duivel geworden is. Zie daarom toe en vraag hem niet te gast, want hij is de verklaarde vijand van God en alle mensen en Engelen in de eeuwigheid. Wilt ge dit nu juist verstaan, dan moet ge niet van God een duivel maken, zoals sommigen doen, die zeggen: God heeft het boze geschapen en wil dat sommige mensen verloren zullen gaan! Dit nu vermeerdert de leugens van de duivel, en degenen die zo spreken roepen over zich zelf het strengste oordeel op, omdat zij Gods waarheid tot leugen verdraaien. De gehele Godheid heeft in Zijn Wezen de scherpe hoedanigheid, die scherpte, die het koude en duistere samentrekken, veroorzaakt. Een gelijke koude als de winter brengt, waardoor het water in ijs verandert. Wanneer in de winter temidden van de koude, de zon zou worden weggenomen, welk een koude en diepe duisternis zou er zijn; er zou geen leven kunnen bestaan. Op een dergelijke wijze heerst de zure, wrange eigenschap in het innerlijkst Wezen van God; deze eigenschap veroorzaakt het bijeenhouden van een lichaam en de hardheid doet het verdrogen, zodat het lichamelijk kan

bestaan. Wanneer in het lichaam geen eigenschap meer zou zijn, die de boosheid der vier andere eigenschappen te niet zou doen, zo zou daarbinnen een gestadige vijandschap heersen; want de bittere eigenschap zou gekeerd zijn tegen de wrange, zij zou daarin worstelen opdat de wrange vernietigd wordt. Eveneens zou de wrange gekeerd zijn tegen de bittere, zij zou de bittere tezamen trekken en gevangen houden, zodat deze haar weg niet kan gaan. En de hitte zou gekeerd zijn jegens deze beiden, omdat zij met haar ontbranding alles verhit en ook gekeerd, gekant is tegen de koude. En de toon, de klank, zou in vijandschap met alle andere zijn, wegens het geweld, waarmee zij zich in alles openbaart. Dit nu is de diepste en innerlijkste geboorte Gods, en dit is, waarom Hij zich een toornig en naijverig God noemt, hetgeen te lezen is in de tien geboden, die gegeven zijn op de berg Sinaï (2 Mozes 20:5 & 5 Mozes 5:9). De duivel is een schepsel geworden, dat in de hel en het eeuwige verderf als in een moordenaarshol gestoten is. Omdat hij nu echter een verklaard vijand van God is, en zijn helpers dwingt te erkennen, dat God het boze en het goede heeft gewild en sommigen tot verderf heeft geschapen, zo laat de Geest Gods u, wanneer ge in vijandschap met hem zijt, zien, wie God is en wie de duivel; uw hart zal ontstoken worden en ge zult zien, hoe de duivel een duivel geworden is. Is uw hart niet dichtgegrendeld door moedwil en godslasteringen en gruwelijke zonden, waarvan ge geen afstand wilt doen, zo waak op en zie. Ik neem de Hemel en de aarde, benevens de sterren en elementen en alle schepselen en de mens in zijn ganse openbaring zelf tot getuige en ik wil het ook helder en duidelijk ter bestemder plaatse met alles, wat ik reeds hierover heb gezegd, bewijzen, inzonderheid bij de handeling van de schepping van alle creaturen. Is u dit niet genoeg, zo bidt God, dat hij uw hart opent, zo zult ge Hemel en hel en de ganse goddelijkheid in al haar kwaliteiten zien en kennen; dan zult ge wel ophouden de duivel gelijk te geven. Ziet, de geboorte Gods, naar Zijn innerlijkste Wezen, is alzo scherp. Ge moet dit echter goed verstaan. Zo ik u de Godheid juist beschrijven wil, zo is het daarmee gesteld, als met een wiel. Dit bestaat uit b.v. zeven wielen, waarvan het één in het andere is geplaatst. Deze kunnen alle kanten uit, voor- en achteruit en dwars daarop en zij behoeven in hun verschillende bewegingen niet iedere maal opnieuw gesteld te worden. Eén wiel bracht steeds in zijn omwending, het andere in beweging; geen gaat verloren; alle zeven blijven zichtbaar. En de zeven naven komen als 't ware voort uit de zeven raderen; in hun omwenteling zo, dat de naven vrij -en zelfstandig zijn. En uit de naven ontspringen de spaken, die in hun omwenteling geheel recht zijn. Geen van hen gaat verloren; zij allen draaien met elkander rond, zoals de wind hen dat laat doen. De zeven raderen nu zijn de zeven geesten Gods, die allen uit elkaar zijn ontstaan. De ene heeft een andere omwenteling dan de andere. Zij zijn in elkander

gevoegd als een ronde kogel. Men ziet alle zeven raderen, en elks ommegang en alles wat bij hen behoort. En de zeven naven zijn als één naaf, die in zijn omwenteling alle kanten uit draait; de raderen hebben steeds dezelfde naven en uit de naven ontstaan steeds de zeven spaken. Geen rad, naaf of spaak gaat verloren. En het rad draait, zoals de wind het drijft. En dat is het hart, die éne naaf, of het binnenste der wielen. Dit beduidt de Zoon Gods, die alle zeven geesten van God de Vader geboren doet worden. Hij is de Zoon van al de zeven geesten. Het hart Gods is steeds het middelpunt, evenals de naaf het middelpunt is van het rad. Zo ook kan er maar één hart van God zijn en niet zeven. Dat ene hart is het middelpunt en het leven van alle zeven geesten. De spaken nu, die het houvast bieden, beduiden God de Heilige Geest, die van de Vader en van de Zoon uitgaat, en toch tegelijkertijd in Hem aanwezig blijven. Zoals er nu vele spaken zijn, die alle in 't midden van het wiel rond draaien, zo is de Heilige Geest de werkmeester van God en Hij vormt alles, wat in God aanwezig is. Er is slechts één enkele God met zeven Oergeesten, evenals er maar één rad is, alhoewel er zeven raderen zijn, maar zij alle vormen als ‘t ware, één geheel. Het rad, in zijn bouw, stelt de wrange eigenschap voor, welke het lichamelijke wezen der Godheid tezamen houdt en doet verdragen, zodat het bestaan kan. En het zoete bronwater ontstaat door het opstijgen der geesten, want, als het Licht in de hitte te voorschijn komt, zo verschrikt de wrange kwaliteit door grote vreugde. Het harde, lichamelijke wordt hierdoor zachtmoedig. Deze schrik of de aanblik van het Licht nu stijgt op in de wrange kwaliteit. Deze schrik of bliksem stijgt in alle kwaliteiten op, evenals in het bovengenoemde rad, dat zich omwentelt. Het Licht gaat schijnen temidden der zeven Oergeesten en zij verheugen zich in het Licht. En wanneer de geesten vol Licht in elkander werken en opstijgen, wordt het leven geboren, want allen geven zij elkander van hun eigenschappen. De ene geest voelt en proeft de anderen, de ene toont de anderen, en de klank stijgt op naar het hart; dan opent zich het vreugderijk van de Zoon van God en alle zeven geesten zegevieren en verheugen zich in het hart van God; een ieder naar zijn eigen hoedanigheid. Zoals een zure en groene appel door de zon smakelijk gemaakt wordt, zodat zij heerlijk is om te eten en men proeft haar goede kwaliteiten, zo ook behoudt de Godheid haar eigenschappen, maar er is in de Godheid een stille werking, als een lieflijk spel. Wanneer echter de eigenschappen zich zouden verheffen, zo zou, evenals in Lucifer, het vuur in hen worden ontstoken. Dit nu is de waarachtige geboorte der Godheid, die van eeuwigheid af zo is geweest, en altijd zo zal blijven. In het rijk van Lucifer, de Verderver, wordt dit anders geopenbaard, zoals ik hierboven al beschreven heb en in

deze wereld, die ook ten halve is aangestoken, is het weer op een andere wijze tot uiting gekomen tot op de dag der wederbrenging; daarvan zal ik schrijven bij de behandeling van de schepping der wereld. In deze heerlijke, lieflijke en Hemelse Salniter of Goddelijke Kwaliteiten is ook het rijk van Lucifer ontstaan. En toen Lucifer geschapen was, stond hij daar in zijn volkomenheid en was de schoonste vorst in de Hemel; getooid en aangedaan met de klaarheid van de Zoon van God. Zo echter Lucifer, zoals hij voorgeeft, bij het ontstaan der schepping verdorven werd, zo zou hij zijn volkomenheid, zijn schoonheid en zijn klaarheid nimmer gehad hebben, maar dan was hij al spoedig een boze, grimmige duivel geworden en niet een Cherubijn.

Over de heerlijke geboorte en de schoonheid van de koning Lucifer. Ziet toe, gij moord- en leugengeest, hier wil ik uw koninklijke geboorte beschrijven, hoe ge geschapen zijt door God; hoe schoon ge geworden zijt en met welk doel God u geschapen heeft. Wanneer ge iets anders zou zeggen, zo zoudt ge liegen, want Hemel, aarde en alle schepselen, ja, de ganse Godheid getuigt tegen u. God heeft u tot Zijn Lof geschapen uit Zichzelve tot een vorst en koning Gods, evenals de vorsten Uriël en Michaël. Toen de Godheid te scheppen aanving, en schepselen maken wilde, zo heeft Hij niet de Oergeesten aangestoken; anders zouden zij eeuwig branden, maar Hij is de wrange kwaliteit aan het bewerken gegaan. Deze heeft de Goddelijke Salniter tezamen getrokken en doen verdrogen, en de ganse Goddelijke Kracht van al de zeven Oergeesten is in het Lichaam gevangen en eigendom van het Lichaam geworden, hetgeen in de eeuwigheid niet meer kan worden te niet gedaan. De samengevoegde kracht van alle zeven Oergeesten is in het Lichaam opgestegen en geschapen naar het voorbeeld van de Godheid. Dit moet ik echter hier melden, dat Lucifer de koning, een belichaming was van zijn koninkrijk; hij is er het hart van, temidden van zijn Engelen; zoals God dat ingesteld had van de aanvang der Schepping af. Zijn gebied, hetwelk hem door God toebedeeld was, omvatte de Hemel en de wereld, alsook de diepte der aarde. Hij had zijn vorsten, die zijn raadgevers zijn; ook had hij zijn Engelen. Zeven van die Engelen hadden alle zeven geesten in zich, maar één onder hen was de voornaamste. Toen nu de koning zodanig was belichaamd, zo is onmiddellijk, op dat zelfde ogenblik, de geboorte der heilige Drievuldigheid van God, tot aanzijn gekomen in hem. Dit is geschied in vrijheid, evenals het vuur het ijzer doorgloeit, terwijl het ijzer toch ijzer blijft of, zoals het licht de duisternis vervult en daardoor vreugdevol wordt. Want in dit samenvoegen tot een Lichaam is de ge-

boorte met grote triomf werkelijkheid geworden en alle Oergeesten hebben zich vreugdevol en triomferend betoond. En in hetzelfde ogenblik is het Licht uit de zeven geesten in het hart opgegaan, als een nieuwgeboren Zoon van God, Welke ook terstond het Lichaam van alle zeven Oergeesten uit het middelpunt van het hart heeft verheerlijkt, en het Licht van de Zoon van God heeft ook alles met een bovenaardse glans omschenen. Want de geboorte van de nieuwe Zoon in het hart van Lucifer heeft het gehele Lichaam doordrongen en is door de Zoon van God, die buiten het lichaam is geweest, verheerlijkt geworden met de grootste hemelse Schoonheid, naar het voorbeeld van de Zoon van God. Zo is ook terstond de geest van de nieuwgeboren Zoon in het hart van Lucifer door Zijn mond uitgegaan en heeft met de Heilige Geest van God gemeenschap, en is vol van de grootste vreugde als een dierbare broeder ontvangen. Daar staat nu de schone bruid. Wat zal ik over haar schrijven? Is zij niet een vorst Gods geweest? En wel de allerschoonste?

Over het verschrikkelijke hovaardige en droevige begin van de Zonde. Als nu koning Lucifer zo schoon, heerlijk, hoog en heilig geschapen is, zo behoorde hij God zijn Schepper te loven, te prijzen en te eren, en hij behoorde te doen, wat God, Zijn Schepper deed. In God helpen en beminnen alle Oergeesten elkander. Zij doordringen elkander en temidden van de hemelse pracht vormen zij schone gestalten en gewassen, vruchten en kleuren. Dat alles is in God als een heilig spel. Daar nu God eeuwige schepselen uit zichzelf geformeerd heeft, zo behoren deze in de hemelse pracht niet op dezelfde wijze te werk te gaan als God Zelf. Neen, tot dat doel zijn zij niet zo geformeerd, want de Schepper had daarom het lichaam van de Engelen droger tezamen gevoegd en belichaamd, opdat de eigenschappen harder en vaster zouden worden, en de toon bekend zou worden. En opdat de zeven Oergeesten in de Engel, in het midden van het hart het Licht en de Geest, welke ten monde des Engels uitvaart in de goddelijke kracht, een heldere klank zou voortbrengen en zijn als lieflijke muziek. Wanneer de Heilige Geest de hemelse vrucht vormt, zo is de toon welke van de Engelen uitgaat, aanwezig bij de vorming van de vrucht, en de vrucht is de spijze der Engelen. Daarom bidden wij ook in het “Onze Vader”: Geef ons heden ons dagelijks brood. Mattheus 6:11. Opdat deze zelfde toon, dit zelfde woord: geef, hetgeen wij door de geest met onze mond spreken in de Goddelijke Kracht, ons zal helpen ons dagelijks brood te verwerkelijken, hetgeen de Vader ons hierna tot spijze geeft. En

als dan zo onze toon opgaat in Gods spraak en zo de vrucht gevormd wordt, zo moet ons dat gezond maken en wij zijn deswege geworteld in Gods Liefde en wij gebruiken de spijze als een natuurrecht, daar onze geest in Gods Liefde deze spijze heeft helpen vormen. Hierin is de hinderlijkste en grootste diepte Gods verborgen: O, mens, denk daaraan; te gelegener plaats zal ik dit uitvoerig verklaren. Tot bovengenoemd doel nu heeft God de Engelen geschapen en zij beantwoorden ook daaraan, want hun geest spreekt door middel van hun mond, evenals God de Heilige Geest uitgaat van de Vader en de Zoon en Hij de Heilige Geest helpt alles vorm en gestalte aan te nemen, door Mercurius, zowel gezang, spreken als een hemels spel der vreugde. Dit alles is het werk van de Heilige Geest. Want zoals God in de natuur werkt en allerlei vormen, gestalten, gewassen, vruchten en kleuren te voorschijn roept, alzo doen ook de Engelen en zij verheugen zich in de bloemen in de Hemelse Meimaand en spreken daarover vol eenvoud. En de toon of rede stijgt, te midden van den Goddelijke Salniter, op en helpt vormen en uitbeelden. Hiervan ziet ge toch ook in deze wereld veel voorbeelden. Wanneer enig mens of schepsel iets aanschouwt, zo kan het gebeuren, dat het bedorven of vernietigd wordt, wegens het vergif, dat in dat schepsel aanwezig is. Daartegenover staat, dat er mensen, andere schepselen, dieren zijn, die met hun stem of hun woorden, de boosheid veranderen in goedheid en de dingen weer in hun juiste verhouding terug brengen. Dit is nu de goddelijke kracht, waaraan alle schepselen onderworpen zijn, want alles, wat er leeft en zweeft, is in God en God Zelf is Alles, en alles, wat gemaakt is, is uit Hem gemaakt, of het nu uit Liefde of uit Vorm gemaakt is.

De oerbronnen der zonde. Toen nu Lucifer door God als koning geschapen was, en zijn geest in hem woonde en werkte en hij door God vol Liefde ontvangen werd en werd verheerlijkt, zo zou hij ogenblikkelijk zijn gehoorzame wandel in God hebben moeten aanvangen, en hij zou als een lieve zoon in het huis zijns vaders hebben moeten wonen. Dit echter deed hij niet. Toen in hem het licht werd geboren en zijn Oergeesten daardoor verlicht en ontstoken werden, verheugden zij zich allen zeer, en verhieven zich bovenmate, méér dan hen toekwam en wilden machtiger en groter zijn dan God. Daardoor werden de Oergeesten te vurig; de wrange hoedanigheid deed het zoete water verdrogen. En de geweldige en grote hitte, die in het zoete water was ontstaan, waardoor het bittere in het zoete teweeg gebracht wordt, worstelde met de wrange eigenschap, als wilde de hitte haar uit grote vreugde uit elkander doen springen. Want het licht was zo schel, dat

het de Oergeesten onverdraaglijk was. Daar nu het zoete water door de samentrekking verdroogd was, zo bleef er slechts een kleine vlam over (want het licht ontstaat in de zoetheid van het water), en glinsterde als een heet stuk ijzer, dat nog niet geheel gloeiend is en daardoor donker. Of het is ook te vergelijken met een harde steen, die men in ‘t vuur werpt, welk men dan in de hitte laat liggen, zo lang men wil. Hij wordt dan niet gloeiend, dat komt, doordat hij te weinig water in zich heeft. Alzo stak nu de warmte het verdroogde water aan en werd daardoor volkomen opgezogen. Niet zó, dat de geest van het water zou worden verzwolgen, welke in alle zeven Oergeesten woont, maar hij werd in een donkere, hittige, zure eigenschap veranderd. Hier is de zure eigenschap geboren, welk ook thans op deze aarde aanwezig is. In de Hemel, in God, is hij op deze wijze niet aanwezig, en ook niet in de Engelen. Zij veroorzaakt droefenis en ellende, een verzaking van het goede. Toen dit nu geschiedde (zie boven) zo verweerden de Oergeesten zich tegen elkander op de wijze, zoals ik hierboven bij de bespreking van het zevenvoudige rad heb uiteengezet, want zij plegen in elkander op te stijgen en elkander aan te steken en in elkander op te gaan, hetgeen leven en liefde veroorzaakt. In alle geesten was nu echter niets dan ijdelheid, vurig verderf en koude; dus, toen zij in elkander opstegen werd het gehele lichaam boos, want hitte en koude voerden strijd met elkander. Toen dan nu het zoete water verdroogd was, ontsprong de bittere eigenschap (die door ‘t eerste licht ontstond), in het lichaam en deed alle geesten aan, als wilde zij het lichaam verwoesten. Zij woedde en worstelde er in als het ergste vergif zou doen. Daardoor ontstond het eerste vergif, hetwelk wij, arme mensen nu te verwerken hebben, en daardoor is de bittere, giftige dood in ons vlees gekomen. Te midden van dit woelen en werken werd nu het leven in Lucifer geboren, d.w.z. zijn zoon, in zijn hart. Wat dit voor een leven en voor een zoon geweest moet zijn, geef ik de lezer te bedenken. Want zoals de vader was, zo werd ook zijn zoon, nl. een duistere, zure, koude, bittere, wrange, harde oerbron en de liefde was, te midden dezer bittere eigenschap een vijandin van de hoogmoedige koning. Alzo steeg nu de toon, de klank op, door de bittere eigenschap, door de hitte en het verdroogde water in het hart, in de Zoon. Daar ging de geest uit; zoals hij in het hart geboren was, zo ging hij in de mond wederom uit. Welk een gast hij voor God en de heilige Engelen geweest zal zijn en voor de andere koninkrijken, geef ik u te bedenken. Hij zou één hebben moeten zijn met God en Zijn Zoon, als één hart en één God, ach, hoe droevig, hierover te schrijven.

HOOFDSTUK XIV.

Hoe Lucifer, de schoonste Engel in de Hemel, de vreselijkste duivel geworden is. Ziehier koning Lucifer; men zal u de Hemelse kroon ontnemen; gij kunt niet meer in de Hemel regeren. Sta nu nog een wijle stil; wij willen u aanzien, zoals ge vroeger waart. Welke een schone bruid zijt ge. Och, kon ge slechts het vuil van u werpen, zo, dat ge weder rein zoudt zijn. Wij willen uw tucht en deugd beschrijven. Welaan, gij filosofen en gij, die oordeelt, dat koning Lucifer de gerechtigheid liefheeft, treedt nu toe en kiest zijn partij, nu hij nog de kroon draagt. Want wij willen hier over hen recht spreken. Hij zal uw koning zijn, zo gij het recht kunt handhaven; zo niet, zo zal hij in de hel gestoten worden en een ander zal uw koninklijke kroon dragen, een, die beter regeert, dan gij. Toen nu Lucifer zo droevig gevallen was, waren al zijn Oergeesten tegen God gekeerd, want zij allen arbeiden anders dan God en er ontstond eeuwige vijandschap tussen God en Lucifer. Nu zou iemand kunnen vragen: Hoe lang heeft Lucifer in Gods Licht gewoond? Toen Lucifer geformeerd werd, werd op dat zelfde ogenblik ook in hem het licht ontstoken. Want zodra zijn Oergeesten, bij de opbouw van zijn lichaam, begonnen te arbeiden, zoals hun natuurrecht was, tezelfdertijd ging het licht des levens in zijn hart, te midden van het zoete bronwater op. Toen het lichaam opgebouwd was, voer de geest in het hart, door de mond in het hart van God. Hij was een buitengewoon vorst en koning, en Gode zeer welgevallig en hij werd met grote vreugde ontvangen. Evenzo voer ook de geest van het hart uit in alle bronaderen des 'lichaams en ontstak alle geesten. Het koninklijke lichaam werd ogenblikkelijk verheerlijkt en stond als een koning Gods in grote klaarheid, die heerlijker was dan het heir des Hemels. In dit heldere licht werden nu tegelijkertijd de zeven Oergeesten ontstoken, het is ermee, als een vuur, dat men ontsteekt. Zij triomfeerden, vol trots en vreugde en verhieven zich belangrijk. Zo zij echter op de plaats, die hen was gegeven, gebleven waren, en hadden gearbeid, zoals zij hadden moeten doen, van eeuwigheid af, zo zou het licht hen niet geschaad hebben, want zij waren geen nieuwe geesten, uit iets anders geschapen, maar het waren de oude geesten die geen begin gehad hadden; die eeuwig in God geweest waren. Ook toen God het lichaam schiep, zo doodde hij niet van te voren de Oergeesten, maar hij formeerde het lichaam van koning Lucifer uit het beste, wat in hem was, uit de kern. Anders, wanneer de eigenschappen gedood zouden zijn geworden, zo zouden zij behoefte gehad hebben aan een nieuw leven en zouden er aan twijfelen, of de Engel eeuwig zou kunnen bestaan. God schiep daarom

Engelen uit zich zelf, opdat zij vaster en krachtiger zouden zijn belichaamd dan de ideeën, figuren, die door de werkingen der goddelijke geesten in de natuur ontstonden, en die daardoor ook weer te niet gingen. Opdat der Engelen licht helderder zou schijnen en de klank het geluid, dat van hen uitging, schoner en helderder zou klinken, opdat het goddelijke vreugdenrijk groter en heerlijker zou worden. Dit is de reden, waarom God Engelen heeft geschapen. Dat er echter gezegd wordt, dat de Engel een nieuw licht zou hebben voortgebracht, of een nieuwe geest, is zó te verstaan: Toen de Oergeesten vaster en krachtiger belichaamd waren, scheen het licht helderder in en uit het lichaam, dan voor die tijd in den Salniter. Want in het lichaam werd een helderder licht ontstoken dan voorheen, toen de Salniter dun was. Daarom werden ook de Oergeesten trots en meenden, dat zij een veel schoner licht bezaten (of zoon), dan de Zoon Gods was. Daarom ook verhieven zij zich en wilden niet meer zijn in God, hunne Vader, zij verachtten de geboorte van den Zoon van God en meenden, dat zij zich wel konden tonen als de schoonste bruid des Hemels. Zij wisten wel, dat zij slechts een deel van God waren en niet God zelf. Ook wisten ze, hoever hun macht zich uitstrekte, maar zij wilden zich daarmee niet vergenoegen; zij wilden méér zijn dan God en heersen over de Godheid en alle koninkrijken. Hij, Lucifer, wilde de Heer zijn, en geen ander zou nevens hem mogen regeren. Dit is nu de oorsprong van de hovaardij, der nijd, der begeerte en des toorns. Want in de boze werkingen brandde de toorn vurig en was daarbij bitter als gal. Van buiten uit werden zij in die richting voortgestuwd; de zeven Oergeesten verenigden zich ten einde samen te trachten zich boven God te plaatsen. Toen zij dit echter, op de hun gestelde plaatsen, niet konden bewerken, zo veinsden zij, tegenover elkander: De wrange eigenschap was de eerste moordenaar en veinzer, want, toen hij zag, dat zij zulk een schoon licht voortbracht, zo voegde zij zich nog meer tezamen, dan God haar gedaan had, en meende, dat zij veel verschrikkelijker zou zijn en regeren als een strenge heer. Zij heeft dan ook datgene veroorzaakt, waardoor de aarde en de stenen ontstaan zijn, hetgeen ik bij de behandeling van de schepping der wereld wil beschrijven. De bittere eigenschap was de tweede moordenaar; toen zij zich 'liet gelden, zo stortte zij zich vol geweld in de zure, wrange eigenschap alsof zij het lichaam uiteen wilde doen springen. De zure eigenschap echter liet dit toe, al had zij de bittere geest wel gevangen kunnen nemen en in het zoete water kunnen dompelen, tot zijn hoogmoed vergaan was. Maar zij wilde wel zulk een broeder hebben, want dat was haar tot nut, aangezien de geest der bitterheid door haar tot aanzijn is gekomen. De hitte is de derde moordgeest. Deze heeft haar moeder, het zoete water, vermoord, maar de geest der zuurheid, der wrangheid is daarvan de oorzaak, want hij heeft met zijn samentrekking en verharding,

niet de bittere eigenschap, het vuur ontstoken. Het vuur is het zwaard van de zure en van de bittere hoedanigheid. Dewijl echter het vuur in het zoete water opgaat, zo zou het de wrange eigenschap in 't water kunnen tegenhouden, maar het werd ook een huichelaar en veinzer en hielp het zoete water vermoorden. De vierde moordenaar is de toon, want hij klinkt in het vuur, in het zoete water en stijgt op in het lichaam. Hij huichelde ook met de bittere eigenschap en gedroeg zich als een donderslag, alsof hij, op deze wijze zijn goddelijkheid zou kunnen bewijzen; en het vuur gedroeg zich als de bliksem; zij meenden dat zij groter waren dan God. En zó lang gingen zij hiermee voort, totdat zij hun moeder, het zoete water vermoorden; toen werd het gehele lichaam als een dal der duisternis; en werd tot een duivelslichaam. Een zwarte, duistere duivel. Het woord “teu” ontleent zijn oorsprong aan het harde kloppen of klinken, en het woord “fel” komt van ,,val”. Zo heet dan nu Lucifer “Teufel” = duivel, en niet meer Cherubijn of Serafijn. Nu zou men kunnen vragen: Had God dan niet, de hovaardigheid van Lucifer kunnen weren, zodat hij afstand deed van zijn hoogmoed? Dat is een moeilijke vraag, die alle degenen, die het voor de duivel opnemen, aanwenden zullen. Maar zij zijn allen voor des bozen rechtbank genodigd; zij mogen toezien, dat zij zich voor hun Heer verantwoorden, of het recht zal laten gelden en hij zal zijn kroon verliezen.

De wonderlijke openbaring. Ziet, koning Lucifer is het hoofd geweest in zijn ganse gebied en een geweldig koning, en hij werd geschapen uit de kern van zijn gebied en hij heeft, doordat hij zich wilde verheffen, zijn gehele koninkrijk willen aansteken, zodat alles zou branden, zodat het brandt in zijn wezen. Of nu de Godheid hem al tot boete heeft gemaand en hem heeft willen verlichten en zachtmoedig jegens hem heeft willen handelen, zo kon dit alles niet verhinderen, dat bij Lucifer geen andere wil aanwezig was, dan de wil, om over den Zoon van God te heersen en zijn gehele koninkrijk aan te steken, en hij wilde op deze wijze zelf God zijn en meer dan alle heirscharen der Engelen. Toen het Goddelijk Hart vol liefde en zachtmoedigheid tegen Lucifer toornde, zo had hij hiervoor niets anders dan verachting en hij meende, dat hij véél beter was en hij toornde wederom met vuur en koude, in harde donderslagen tegen den Zoon van God en meende, dat deze hem onderdanig moest zijn. Hij wilde heer zijn, en hij verachtte het licht van den Zoon van God. Zegt nu: hoe is het

mogelijk, dat hij zoveel macht gehad heeft? Ja, hij heeft die macht gehad, want hij is een deel van God geweest en wel uit Gods kern; hij heeft ook geworsteld met de grootvorst Michaël, om hem te verderven, maar deze heeft hem overwonnen, dewijl de kracht van God, die aanwezig was in Lucifer's rijk tegen Lucifer zelf meegestreden heeft, totdat hij eindelik van zijn koninklijke troon als een overwonnene, verstoten is. Openbaring 12. Nu kunt ge zeggen: Had God dan niet zijn hart kunnen verlichten zodat hij boete deed. Maar hij wilde niet verlicht worden, want hij verachtte het licht van Gods Zoon en hij verhief zich meer en meer, tot het water des eeuwigen levens, dat in hem was, in het licht der majesteit geboren, geheel verdroogde en zijn licht werd uitgeblust. Toen was het gedaan.

Van de val van al de Engelen van Lucifer. Nu zou iemand kunnen vragen: Hoe komt het nu, dat al zijn Engelen deelden in de val van Lucifer? Zoals de koning het gebood, zo deden zijn onderdanen. Toen hij zich verhief en God wilde zijn, zo zagen zijne Engelen dit aan en zij allen deden, zoals hun koning deed. Zij allen deden, als wilden zij de Godheid bestormen. Want allen waren zij hem onderdanig en hij heerste over al zijn Engelen, want hij was geschapen uit de kern van de Salniter, waaruit ook zijne Engelen geformeerd waren. Daarom ook wilden zij allen de voorrang hebben en met hunne Heer regeren in het ganse gebied, over alle goddelijke krachten; dit lieten zij zich niet ontnemen. Nu zou men kunnen vragen: Heeft God dit dan voor de schepping der Engelen niet geweten? Neen, want wanneer God dit zou hebben geweten, vóór de schepping der Engelen, zo zou dit een vooropgezet plan zijn geweest en zou er geen sprake zijn van vijandschap jegens God, want God zou hem dan, van de aanvang af, als duivel geschapen hebben. God heeft hem echter geschapen als een vorst des lichts, en daar hij ongehoorzaam werd en zich bóven God wilde verheffen, zo stootte God hem van zijn troon en schiep midden in onze tijd een nieuwe koning uit dezelfde Godheid, waaruit ook Lucifer geschapen was, en zette hem op de koninklijke troon van Lucifer en gaf hem macht en gezag, zoals Lucifer die bezat, vóór zijn val en deze koning heet Jezus Christus en is de Zoon van God en de Zoon des mensen, hetgeen ik ter plaatse klaar en duidelijk wil bewijzen. God is een God van liefde. God weet niet van het boze; God wil niet het boze en in Zijn liefde, hetgeen het enige is in God, openbaart zich niet het boze. Wanneer dat niet zo zou zijn, zo zou de liefde niet zachtmoedig

en deemoedig wezen. Toch heet God ook een verterend vuur. Maar dit is magisch te verstaan. De wetenschap van het boze vindt haar oorsprong in. de duivel; daaruit is ook de val ontstaan. Maar de wetenschap van het vreugdenrijk vindt haar oorsprong in de liefde van God, want een bepaalde kennis veroorzaakt een soortgelijke kennis. Wanneer ik dus zeg: De liefde Gods heeft het boze gewild, zo weerspreek ik de Schrift. Want Gods liefde wil slechts datgene, dat door haar wordt aangetrokken en niets meer. Zo is in de schepping het boze en het goede ontstaan en ik vermaan de lezer, de diepe zin van dit alles recht te verstaan en niet te dwalen, maar onze oudere geschriften ook te lezen, alwaar dit voldoende wordt toegelicht. Over de grote zonde en de afkeer en eeuwige vijandschap van Koning Lucifer met zijn heerscharen jegens God. Wat de verborgen zonde is, is van voor de grondlegging der wereld verborgen gebleven en in geen mensenhart geheel geopenbaard. Ik zelf verwonder mij er zéér over, nog meer dan de lezer zich er over verwonderen zal, dat het mij geopenbaard is. Ik schrijf dit niet tot eigen roem, want mijn roem is mijn hoop op het toekomende; ik ben even zo goed een arme zondaar als alle andere mensen, maar ik verwonder mij er over, dat God zich in zulk een eenvoudig man als ik ben, zo geheel en al wil openbaren en hem er daarna nog toe dringt, dit alles neer te schrijven, wijl er toch veel betere schrijvers zijn dan ik, die slechts door de wereld bespot wordt. Maar ik kan en wil God niet weerstaan. Ik ben nu zo hoog gestegen en mag niet meer omzien, anders zou het mij duizelen. Het is de lust mijns harten de ladder, die ik bestegen heb, tot het einde toe te gaan. Bij het opstijgen, wordt het mij niet bang te moede, slechts bij het terugblikken duizelt het mij en wanneer ik zou willen omkeren vrees ik voor vallen. Daarom verlaat ik mij op den sterken God en ik wil het met Hem wagen. Ik wil zien, wat hieruit worden zal. Ik heb slechts één lichaam, hetwelk bovendien sterfelijk is en licht te verstoren. Ik wil dat lichaam echter gaarne ervoor geven, dat ik in het licht en de kennis blijve. Dit is mij voor nu en later genoeg. Ook zal ik niet vertoornd zijn jegens God, dewijl ik wellicht terwille van Zijne Naam smaad zal moeten lijden. Hieraan heb ik mij gewend. Ik wil met de profeet David zingen: Bezwijkt mijn vlees en mijn bloed, zo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid (Psalm 73 : 26). De zonde heeft zeven aanzichten; daaronder zijn vier oerbronnen en het achtste aanzicht is het huis des doods. De zeven vormen of gestalten zijn de zeven Oergeesten van het lichaam; wanneer zij aangestoken zijn, zo spreidt een ieder van hen een buitengewone vijandschap jegens God ten toon. Uit deze zeven komen nu vier anderen naar voren en deze vormen

den nieuwen God, die gekeerd is tegen den ouden God, evenals twee verklaarde vijandelijke legers, die elkander eeuwige vijandschap gezworen hebben. De eerste zoon is de hovaardij; de tweede zoon is de gierigheid; de derde zoon is de nijd; de vierde zoon is de toorn. Dit willen we nu beschouwen van uit zijn oorsprong en hoe het vijandschap jegens God is, ge zult zien, wat het begin en de wortel der zonde is en waarom zij door God niet kan worden geduld. Welaan, gij filosofen en juristen, gij, die wilt bewijzen, dat God het boze en het goede geschapen heeft en wil handhaven; gij die beweert, dat het een vooropgestelde bedoeling van God is geweest, dat de duivel gevallen is en dat vele mensen verloren zullen gaan. Gij die zegt, dat God alles wel had kunnen veranderen, wanneer hij dat had gewild. Hier wordt gij door de geest van ons koninkrijk, tezamen met uw vorst Lucifer, die gij verdedigt, ten derde mate voor het gerecht genood; geef thans antwoord! Want hier, te midden van deze zeven Oergeesten en de vier nieuwe zonen in het huis des Hemelse Vaders zal het recht worden volvoerd. Als gij bewijzen kunt, dat de zeven geesten van Lucifer, de vier nieuwe zonen uit recht en billijkheid hebben doen geboren worden en dat zij dan ook de Hemel en al het goddelijke rechtvaardig regeren, zo zal koning Lucifer wederom op zijn troon geplaatst worden en zijn koninkrijk zal hem weer geworden. Wanneer gij dit niet bewijzen kunt, zo zal aan hem een ruimte tot zijn eeuwigdurende gevangenis worden gegeven; aldaar zal hij met zijn zonen, voor altijd gevangen zijn en gij moet toezien, dat ook over u niet het oordeel worde uitgesproken. Wanneer ge dan de duivel verdedigen wilt: waarmede zal hij u belonen? Hij heeft niets dan helse gruwelen tot zijn beschikking.

Over de eerste gestalten of vormen. De eerste geest is de wrange, zure kwaliteit; deze wordt gebruikt voor de vorming. Alhoewel zij iets te scherp is, zo wordt dit gematigd door het zoete water, zodat zij zeer zacht, lieflijk en vreugdevol is. Zij ontleent aan de andere Oergeesten haar liefde. Zij bemint haar kinderen zeer; alle zes andere Oergeesten zijn haar kinderen. De geesten hadden het inzicht, de wetenschap en eeuwige wet Gods in zich en wisten, wat uit de godheid voortkwam. Zo ook wisten zij, dat het Hart van God het eerste in de gehele Godheid was; ook wisten zij dat zij niets meer bezaten om mee te doen of te laten, dan hun eigen lichaam, want zij zagen wel, dat de Godheid zich openbaarde buiten hun lichaam, zoals de Godheid van eeuwigheid af gedaan had. Zij wisten ook wel, dat zij niet alles in alles

waren; wel moesten zij de vreugde vermeerderen en vriendelijk verkeren met de eigenschappen buiten hun 'lichaam. Zij hadden ook alle macht, met de gewassen, figuren en gestalten te doen, hetgeen zij wilden; het was alles een hartelijk spel van liefde in God. Zij zouden God, hunne Schepper niet hebben kunnen ontstemmen, al hadden zij alle Hemelse gestalten en gewassen te niet gedaan. Hij zou steeds weder nieuwe hebben doen groeien, want alles was slechts een goddelijk spel. Daartoe waren zij ook geschapen, dat zij met de gewassen en de gestalten en figuren spelen zouden en ze gebruiken, al naar hun welgevallen. Zo zijn van eeuwigheid af, de vormen gemaakt, zij zijn door de Oergeesten veranderd en vervormd en weer vergaan. Dit is het eeuwige spel Gods geweest van de tijd van de schepping der Engelen af. Hiervan hebt ge een goed voorbeeld, als ge het slechts zien wilt en er niet blind voor zijt. Aanzie de dieren, vogels en alle gewas dezer wereld. Dit alles was tevoren geschapen, vóórdat de mens geschapen werd. Deze is degene, die God schiep, in plaats van de verstoten Lucifer. Wat deed nu echter de wrange kwaliteit in Lucifer? Toen God haar had voortgebracht, merkte zij, dat zij machtig en geweldig, en zij zag, dat zij schoner was, wanneer de gestalten buiten haar waren. Daarom werd zij hoogmoedig en verhief zich en wilde strenger zijn dan de Salniter buiten haar lichaam. Dewijl zij dit echter niet alleen kon doen, zo huichelde zij met de andere geesten, zodat zij haar volgden en allen deden als zij, een ieder in zijn eigen kwaliteit. Toen zij zich nu op deze wijze verenigden, brachten zij ook een dergelijke geest voort, die de mond, de ogen, de oren en de neus verliet en die in aanraking kwam met de Salniter buiten het lichaam. Want dit was de bedoeling van de wrange kwaliteit, dat zij, wijl zij zo heerlik als de kern uit het ganse koninkrijk belichaamd was geworden, ook door haar geest, buiten haar 'lichaam in de Salniter Gods met haar scherpte machtig zou kunnen regeren en alles moest in haar macht staan. Zij wilde alles door haar geest, die zij voortbracht, vormen en verbeelden evenals de Godheid; zij wilde de eerste zijn in het wezen God; dat was haar plan. Wijl zij dit echter op de plaats, die haar toekwam, niet kon bereiken, zo verhief zij zich en ontstak zichzelf; daarmee ontstak zij ook hare geest, die als een boze geest de mond, de oren, de ogen en de neus uitging en strijd voerde tegen de Salniter en deze aanstak en alles met geweld deed samentrekken. De wrange bron ontstak de wrange kwaliteit en heerste met geweld in de Salniter. Dit nu wilde de zure eigenschap van de Salniter niet toestaan; deze voerde strijd met het zoete water tegen deze geest; het baatte echter niet; de strijd werd hoe langer hoe heviger, totdat de wrange eigenschap van de Salniter werd ontstoken. Toen dit nu geschiedde, werd de storm zo machtig, dat de wrange kwaliteit de Salniter tezamen trok, zodat daaruit harde stenen ontstonden; daardoor

ontstonden stenen in deze wereld. Ook het water in de Salniter werd samengetrokken, zodat het zeer dik werd, hetgeen op het ogenblik het geval is. Toen de wrange of zure eigenschap echter ontstoken was, zoals Lucifer, werd zij ook koud, dewijl de koude haar wezen is; daarom ontsteekt zij thans met haar koude vuur in de Salniter alles. Daardoor is het water zo koud, dik en donker geworden in deze wereld, en daardoor is alles zo hard en onbegrijpelijk geworden, hetgeen niet zo was vóór de tijd der Engelen. Dit nu was, wat de Goddelijke Salniter zeer tegenstond. Strijd en eeuwige vijandschap was er. Ge zult zeggen: God zou in staat zijn geweest hieraan weerstand te bieden, zodat het niet zo had behoeven te komen. Ja, gij blinde mens; er stond niet een mens of een dier voor God, doch een God stond tegenover een God, een sterke tegenover een sterke. Hoe zou God hem weerstand kunnen bieden! Met liefde bereikte Hij hem niet; Lucifer verachtte deze en wilde zelf God zijn. Zou God hem dan met toorn tegemoet treden, hetgeen toch eindelik zou moeten geschieden. Dan zou God ontstoken moeten worden door de Salniter, waarin Lucifer woonde en hem volijverig bestrijden. Door deze strijd nu is dit koninkrijk zo duister, woest en boos geworden, zodat na deze schepping een andere schepping zal moeten plaats vinden. Gij filosofen en juristen van vorst Lucifer: oordeelt, of de wrange geest in Lucifer goed gehandeld heeft of niet. Bewijs het in de natuur; ik wil niet afgaan op uw langdradige en uitvoerige geschriften, maar het bewijs moet geleverd worden door levende getuigen. Ik schets u de volgende levende getuigen: de geschapen Hemel, de sterren, de elementen, de aarde, de stenen, de mensen en eindelik uw duistere, koude, harde, rauwe, boze vorst Lucifer zelf; dit alles is doordat hij zich heeft verheven, zo geworden. Tekent tegen deze geest protest aan. Wanneer ge dit niet doet, zo zal hij verdoemd worden. Want dit is het recht Gods, dat het kind, dat aan de moeder zijn ontstaan te danken heeft, zich voor haar zal verootmoedigen en haar gehoorzaam zal zijn. Heeft het niet zijn leven en zijn 'lichaam van de moeder ontvangen. Zo is ook het huis der moeder, omdat de moeder leeft, niet het eigendom van het kind; zij houdt het kind slechts uit liefde bij zich en voedt het; kleedt het met de schoonste klederen, die zij heeft en geeft ze aan het kind tot een eigendom, opdat zij te meerder vreugde aan het kind zal hebben en met het kind tezamen vreugde mag beleven. Wanneer echter het kind zich tegen de moeder verzet en alles van de moeder rooft en over haar heerst, haar daarbij nog slaat en haar dwingt anders te handelen, dan recht en billijkheid toelaten, zo is het rechtvaardig, dat het kind uit het huis verdreven wordt en zijn kinderlik erfdeel verliest. Evenzo is het met God en zijn kind Lucifer gegaan. De Vader heeft ook hem het schoonste gewaad om de leden gehangen in de hoop, welge-

vallen van hem te hebben; toen echter het kind de versieringen ontving, verachtte het den Vader en wilde heersen over den Vader en zijns Vaders huis verstoren. Daarenboven sloeg hij den Vader en wilde zich niet laten gezeggen en niet van den Vader leren.

Over de andere gestalten of de geest van de zonde-oorsprong in Lucifer. De andere geest is het water. Zoals nu de wrange, zure kwaliteit de Vader is der zes andere geesten, en hen bijeenhoudt en in stand houdt, zo is het zoete water de moeder, waarin alle geesten ontvangen en geboren worden. Zij maakt hen zacht en drenkt ze. Door haar ontvangen zij hun leven en het licht van het vreugderijk gaat in haar op. Koning Lucifer heeft het zoete water ook onder zijn heerschappij gehad en wel de kern en het allerbeste ervan. Want God heeft zijn zoon het schoonste sieraad omgehangen, in de hoop, veel vreugde van hem te beleven. Wat doet nu de zure, wrange eigenschap met haar moeder het zoete water? Zij huichelde met de bittere eigenschap en niet de hitte, opdat zij zich zouden verheffen en aangestoken zouden worden; zij wilden de moeder vermoorden en omvormen tot een zure eigenschap; daardoor wilden zij met hun geest over de Godheid heersen; alles moest voor hen bukken en zij wilden alles met hun scherpte vormen. Hierna deden zij het zoete water verdrogen in het lichaam van Lucifer en de hitte ontstak het en de .wrangheid deed het verdrogen; toen werd het geheel zuur en scherp. Toen nu op deze wijze de geest Lucifer werd geboren, zo was het leven des geestes hetwelk in het water opgaat, evenals ook het licht, geheel zuur en scherp. Deze geest der zuurheid nu raasde uit alle macht tegen het zoete water, buiten het lichaam, in de Salniter Gods en dacht, dat hij de eerste moest zijn en uit eigen kracht alles moest formeren. Dit was de tweede vijandschap jegens God: hierdoor ontstond de zuurheid in deze wereld; zij is er niet altijd geweest. Een goed voorbeeld hiervan is het volgende: Wanneer gij iets zoets in de warmte plaatst, en het laat staan, zo wordt het zuur, hetgeen ook water, bier of wijn in een vat doet. Van de andere eigenschappen verandert er geen, dan alleen dat ze een onaangename reuk krijgen, hetgeen zijn oorzaak vindt in de eigenschap van het water. Nu zult ge zeggen: Waarom heeft God den bozen Geest van Lucifer, die uit het lichaam van Lucifer is uitgegaan, in zich toegelaten? Hij had hem toch kunnen weren. Ge dient te weten, dat er tussen God en Lucifer geen ander onderscheid is geweest, als dat hetwelk er is tussen de ouders en hun kinderen. Want zoals de ouders het kind uit hun eigen lichaam voortbrengen, naar hun

gelijkenis en het in hun huis als een natuurlijke lichamelijke erfenis laten wonen en het verzorgen, zo nabij is ook het lichaam van Lucifer aan God. Want God heeft hem uit Zijn Wezen voortgebracht; daarom heeft Hij hem ook tot een erfgenaam zijner goederen gemaakt en heng de gehele ruimte, waarbinnen hij werd geschapen, tot een bezit gegeven. Nu moet ge weten, waarmede Lucifer tegen God gestreden en God vertoornd heeft: met zijn lichaam heeft hij het niet kunnen doen, want zijn lichaam strekte zich niet verder uit dan de plaats die hem toebehoorde. Het is iets anders. De geest, welke in het midden, in het hart van alle zeven Oergeesten geboren werd, is ook (omdat hij nog in het lichaam is, wanneer hij geboren is) als één met God. Er is geen onderscheid. Er is geen onderscheid tussen beiden. Wanneer dezelfde geest, welke in het 'lichaam geboren wordt, door de ogen iets aanschouwt, of door de oren iets hoort, of door de neus ruikt, zo leeft hij daarin en hij werkt temidden daarvan als in zijn eigendom. En wanneer het hem behaagt, zo eet hij daarvan en wordt er door aangestoken, hij voert een strijd mee, veroorzaakt een matiging; laat iets bepaalds zijn zo groot en zo wijd het maar wil: zo ver als zijn oorspronkelijk koninkrijk in God reikt, zo ver kan de geest regeren en hij wordt door niets tegengehouden. Want er is in deze geen onderscheid tussen God den Heiligen Geest en de Geest des lichaams. Slechts dit, dat de Heilige Geest van God de ganse volheid is en een andere geest slechts een gedeelte, en waar hij komt, daar heerst hij tezamen met God. Want hij is uit God en in God en kan niet tegengehouden worden, dan alleen door de zeven natuurgeesten des lichaams, die den Geest voortbrengen; zij hebben de teugels in handen. Gods Geest heeft in zich alle bronnen, maar er zijn drie grondprincipes. De ene bron (1e principe) is in het vuur, de tweede in het licht en de derde is in de geest dezer wereld, in de lucht en de sterren. Als de wrange kwaliteit, als de Vader, het Woord of den Zoon of Geest formeert, zo staat hij in het midden van het Hart en wordt door de andere geesten beproefd, of hij goed is. Wanneer hij nu aan het vuur welgevallig is, zo laat het vuur de straal (de bliksem, waarin de geest der bitterheid woont), door het zoete water heen gaan; aldaar ontvangt het de liefde en vaart met hem in de wrange kwaliteit. Wanneer deze in de wrange, zure kwaliteit woning hebben gemaakt, met de nieuwgeboren geest of de Wil, zo verheugt zich de wrange kwaliteit van den nieuwen jongen Zoon en verheft zich. Daar wordt hij gegrepen door de toon, het geluid en dat gaat van zijn mond uit, ook de ogen, de oren en de neus doen datgene, wat door de raad der zeven geesten besloten is. Deze raad kan de geest veranderen, zoals hij wil. Daarom is de oorsprong van alles het hart; de raad der zeven geesten, zoals zij den Geest voortbrengen, zo is hij ook. Op een dergelijke wijze nu heeft Lucifer de Godheid tot toorn verwekt (d. i. de eeuwige natuur is ontstoken naar het 1e principe), dewijl hij met al

zijn Engelen als een boosaardige duivel tegen God strijd heeft gevoerd, met de bedoeling het gehele gebied onder zijn heerschappij te brengen en onder het bevel van de hem toebehorende geesten, opdat deze alles zouden kunnen formeren. Het gehele gebied zou zich, zo wilde hij het, moeten buigen en zijn geesten zouden het moeten regeren en formeren. En zoals dit in de Engelen plaats vond, zo kan het ook plaats vinden bij mensen. Daarom: bezint u, gij hovaardige, gij gierige, nijdige, toornige, lasterlijke, ontuchtige, diefachtige en woekerzuchtige mensen, welk een Zoon of Geest gij naar God uitzendt. (De ziel is oorspronkelijk door het woord: “er zij” (fiat) in de eeuwige natuur te voorschijn geroepen, welke is Gods natuur naar het eerste principe en de eeuwige oertoestand der natuur. En wanneer zij in de oertoestand ontstoken wordt, zo ontsteekt zij daarmee de toorn Gods in de eeuwige natuur.) Ge zegt: wij zenden onze geest niet uit naar God, maar naar onze medemensen en hun arbeid, zoals het ons behaagt. Welaan: toon mij één plaats, waar ge uw verlangende geest heen zendt, hetzij dat ge hem zendt naar een mens, een dier, klederen, akkers, geld, of wat ge maar noemen wilt, toon mij één plaats, waar God niet is. Uit Hem is alles en Hij is in allen en Hij is zelf Alles en behoudt en draagt alles. Hij is echter in vele dingen met zijn toorn aanwezig, dewijl vele dingen hard en boos zijn en niet aan de Godheid gelijk. Ja, mensenkind, het is alles waar. In goud, zilver, stenen, akkers, klederen, mensen en dieren is de toorn Gods. Maar weet, dat ook de kern der liefde in alles verborgen is. (God bezit alles, naar de natuur; Hij bezit Zichzelf). Meent ge, dat ge recht doet, zo ge u in Gods toorn zoudt baden: ziet toe, dat Hij uw lichaam en uw ziel niet ontsteekt en gij eeuwig zoudt moeten branden, gelijk Lucifer. Wanneer echter God aan het einde dezer bedeling het verborgene aan het 'licht zal brengen, zo zult ge wel zien, waar Gods liefde en Gods toorn woonde. Ziet daarom toe en neem u in acht en wendt uwe ogen af van het kwaad of ge zult u zelf in 't verderf storten. Ik roep Hemel en aarde tot getuige dat ik alhier volbracht heb, hetgeen God mij heeft geopenbaard. Het is Zijn wil. Alzo heeft koning Lucifer in Zijn lichaam het zoete water in scherpte en zuurheid doen veranderen, met de bedoeling hiermee in zijn overmoed de Godheid te regeren. Hij heeft het zo ver gebracht, dat hij in deze wereld met zijn scherpte en wrangheid alle schepselen in het hart aangrijpt, zo ook het loof en het gras en alles wat er is, als een koning en vorst dezer wereld. Wanneer nu niet de goddelijke liefde in de gehele natuur in deze wereld aanwezig ware, en wij arme mensen en alle schepselen deze in de strijd niet deze liefde gevoelden, zo zouden wij in één ogenblik allen vernietigd worden. Daarom zingen wij zeer terecht: Midden in het leven zijn wij met de dood verbonden; waar zullen wij dan heen vlieden, opdat wij genade zouden ontvangen? Tot u, Heer Jezus Christus alleen. Daar is de Held in

de strijd tot Wien wij vluchten moeten, welke is onze Koning Jezus Christus, Hij heeft in zich de liefde des Vaders en strijdt met goddelijke macht en kracht tegen de helse gruwelen. Tot Hem moeten wij vluchten. Hij behoudt voor ons in deze wereld de liefde Gods, anders zou alles verloren gaan. Hoop slechts, wacht en arbeidt. Het duurt nog slechts een korte wijl, tot de satan neergeveld ligt. Gij filosofen en rechtsgeleerden, die van God een duivel maakt, en zegt, dat Hij het kwade wil: geeft hier nogmaals antwoord en zegt of gij het recht aan uw zijde hebt; zo niet, zo zal de geest der zuurheid in Lucifer vervloekt zijn, als een verderver en vijand van God en van Zijn ganse Hemelse heirleger.

HOOFDSTUK XV.
Over de derde gestalte der zonde in Lucifer. De derde Geest in God is de bittere Geest, welke ontstaat in het licht des levens, want het licht des levens gaat op in 't zoete water, door wrijving van de wrange en de warme eigenschap; het licht blijft in 't zoete water, als het hart heel zacht vertoeven en het licht is sidderend en wordt door vuur en water, schrik en wrange geest bitter, ter oorzake van het water waarin het opstijgt. Ditzelfde licht of deze zelfde schrik of bittere geest wordt in de zure, wrange kwaliteit gevangen en verheerlijkt in het klare licht in de wrange kwaliteit en zeer vreugdevol; dit nu is de beweeglijkheid of de wortel des levens, die in de zure eigenschap het woord vormt, zodat in het lichaam een gedachte of een wil geboren wordt. Deze zelfde hoogtriomferende en vreugdevolle geest wordt in de goddelijke Salniter zeer loffelijk en gebruikt voor de vorming, want hij woont hoofdzakelijk in de toon, de klank en in de liefde en is het hart van God in de geboorte zeer nabij en daarmee in vreugde verbonden, dewelke ook zelve de bron der vreugden of het opstijgen in het Goddelijk hart is. En hier is geen onderscheid dan slechts hetzelfde verschil, dat er is tussen lichaam en ziel bij de mens. Het lichaam beduidt: de zeven Oergeesten des Vaders en de ziel beduidt: de eniggeboren Zone Gods des Vaders. De ziel beduidt Gods Hart. Zoals het lichaam de ziel voortbrengt, alzo brengen ook de zeven geesten Gods den Zoon voort; en zoals de ziel iets aparts is, wanneer zij geboren is, en toch met het lichaam verbonden is, en zonder dat lichaam niet kan bestaan, zo is ook de Zoon van God, wanneer hij geboren is, een afzonderlik Wezen, terwijl hij toch weer niet bestaan kan zonder den Vader. Merk nu op: Op een dergelijke wijze nu bestond ook de bittere kwaliteit in Lucifer; en er was geen oorzaak aanwezig, dat Lucifer zich zou ver-

heffen; ook geen drift, geen stuw. Hij volgde de trotse hoogmoed der zure, wrange kwaliteit alsof dit de Vader was en meende ook, dat hij over de ganse Godheid moest heersen en terwijl hij zich zondig verhief, ontstak hij zichzelven. Toen hij nu de geest hielp in het lichaam geboren worden, zo werd deze geest in deze gestalte een grimmige, stekende, woedende, verscheurende geest,. met de eigenschappen van het helse vuur; een grimmig en vijandig wezen. Toen nu deze geest in de animalische geest uit het hart van Lucifer en van zijne legioenen trachtte in de Godheid zijn wil te doen doordringen, zo was dit niet anders dan een verscheuren, verbreken, steken, moorden en gif-branden. Daarom zegt ook Christus in joh. 8 : 44: De duivel is een mensenmoorder van den beginne en is in de waarheid niet staande gebleven. Lucifer meende evenwel, dat hij op deze wijze méér dan God was, en dat er niemand zo vol verschrikking zou kunnen heersen en regeren als hij. Alles zou voor hem moeten buigen en met zijn geest wilde hij over de ganse Godheid vol geweld heersen als een koning die macht heeft. Omdat hij de schoonste was, wilde hij ook de machtigste zijn. Hij zag en wist echter wel van het zachte en deemoedige in God Zijn Vader; hij wist óók wel, dat deze zachtmoedigheid van eeuwigheid af geweest was en dat hijzelf ook in goddelijke zachtmoedigheid zou moeten voortbrengen, zoals een geliefde en gehoorzame zoon. Dewijl hij echter nu zo schoon en heerlik geschapen was, als de koning der natuur, zo meende hij daarom tevens, daar hij in God en uit God geformeerd was, dat er niemand was, die over hem zou kunnen zegevieren of die hem zou kunnen veranderen. Hij wilde zelf de Heer zijn en met zijn scherpte in alles heersen en ook wilde hij, dat zijn lichaam de gestaltenis zou zijn, die men zou moeten vereren. Hij wilde zichzelf een nieuw koninkrijk oprichten, want alles zou hem moeten toebehoren. Hij wilde God zijn in plaats van God zelf. Hij werd in zijn hovaardigheid met duisternis en blindheid geslagen en maakte zichzelf tot een duivel. Deze moet hij ook zijn en eeuwig blijven. Hij erkende in God slechts de majesteit en niet het Woord. Hij verblindde zichzelf door de wrange duisternis, want hij wilde zich verheffen en in het vuur heersen, over het licht en over de zachtmoedigheid. Toen nu deze boze duivelse geesten in de Salniter Gods op roof uitgingen, zo was daar niets dan een branden, steken, moorden, roven en een afschuw van alles, want het hart van God verlangde liefde en zachtmoedigheid, Lucifer wilde deze liefde en zachtmoedigheid met geweld in woede en boosheid doen verkeren. Daar was niets dan vijandschap en afkeer; hij ontstak met geweld de Salniter Gods, die van eeuwigheid af gerust had in Zijn zachtmoedigheid. Hier is van toepassing, wat geschreven staat in 2 Mozes 20 : 5 en 5 Mozes 5 : 9. God noemt zich een toornig en naijverig God, jegens hen, die Hem haten, d.w.z. jegens hen, die Zijn toorn en gramschap nog meer doen ontbranden met hun

duivelse geesten, met vloeken, lasteren en velerlei grimmigheid, die in het harte woont; met hovaardij, gierigheid, nijd en toorn, dit alles, wat in u is, werpt ge op God, d.w.z. dit alles dicht ge toe aan de voortbrengselen der natuur. Daarom moet zij door het vuur op de proef gesteld worden en de geest ook, daar de boosheid in het vuur moet blijven. Wanneer ge uwe ogen opent en het wezen Gods aanschouwt, zo steekt ge als met doornen in het wezen Gods, en ge ontsteekt de toorn Gods. Als de toon in uwe oren klinkt, en gij hem opvangt uit het wezen Gods, zo is het, alsof ge donderslagen hoorde. Bedenk, wat ge verricht met uw neus en uw mond, wanneer ge spreekt en de rede uit uw mond vloeit, als een zoon van alle zeven geesten, bedenk dan, of 't hiermee niet gesteld is als met Lucifer, die in de Salniter Gods woedde. Hierin is geen onderscheid. Daartegenover staat, dat God óók spreekt: Ik ben een barmhartig God en doe barmhartigheid jegens duizenden dergenen, die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 2 Mozes 2O : 6 en 5 Mozes 5 : 1O. Merk hier op: dat zijn diegenen, die het ontstoken vuur met hun liefde, zachtmoedigheid en volijverige liefdebemoeiingen, met hun gebed uitdoven. Dat veroorzaakt menigmaal moeite en zorg, want het ontstoken vuur des toorns van God treedt hen menigmaal tegen, zodat zij niet weten, waar zich te bergen; op hen weegt een centenaarslast en het kruis drukt hen zwaar. Maar dit is hun troost en sterkte tegenover de grimmigheid en het aangestoken vuur: Den vromen gaat het licht op in de duisternis, zoals de profeet David zegt in Psalm 112 : 4. Zelfs in deze strijd tegen de Goddelijke toorn en de boosheid des duivels en die van alle goddeloze mensen gaat de vrome het licht in zijn hart op en de liefde Gods omvangt hem, opdat hij onder zijn kruis, niet zal versagen en voortvaart te strijden tegen de toorn en de boosheid. Wanneer er niet altijd nog vele vrome mensen op aarde waren, die de toorn Gods zouden te niet doen door hun vroomheid, zo zou het helse vuur reeds lang ontstoken zijn, en ge zoudt zien, waar de hel is, waarin ge thans niet gelooft. Maar dit zegt de geest: zodra de boosheid de liefde in deze wereld overwint, zo wordt het vuur ontstoken. Dat de boosheid heden ten dage zoo hevig woedt, behoeft niet bewezen te worden, want het treedt dadelijk aan de dag. Ziet, door Gods wonderbare liefdedrang wordt nog een tijdlang een vuur ontstoken, dat gericht is tegen die toorn; wanneer dit echter minder wordt, is het einde dezer bedeling nabij. Of echter Lucifer gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat hij de boosheid in de Salniter Gods heeft opgeroepen, waardoor deze wereld zo doornig, rotsachtig, nijdig en vals is, dit moeten de advocaten en vertegenwoordigers van Lucifer hier maar uitmaken; waar dit niet het geval is, moet deze derde, bittere geest ook buitengeworpen en verdoemd worden.

Over de vierde verschijningsvorm of gestalte in Lucifer. De vierde geest Gods is de hitte; zij wordt geboren tussen de bittere en de wrange eigenschap en in het zoete water opgevangen; daarbij wordt zij schijnend en lichtend en zij is de ware bronwel des levens. Want in het zoete water wordt zij geheel zacht; daardoor ontstaat de liefde; het is een lieflijk verwarmen en geen brandend vuur. Waar water is, is geen vuur, maar wel een lieflijk verwarmen en een zacht koesteren; wanneer echter het water verdroogt, komt het vuur te voorschijn, hetwelk brandt. Zo dacht ook Heer Lucifer. Zou hij zijn vuur ontsteken, zo zou hij vol ijver, met geweld heersen over de Goddelijke kracht. Hij dacht dat het vuur eeuwig zou branden en licht verspreiden. Hij had niet het plan, het licht uit te doven, maar wilde, dat het in het vuur zou blijven branden. Hij wilde het water doen opdrogen, en zodoende zou het licht in het brandende vuur blijven zweven. Hij wist echter niet, dat, wanneer hij het opgedroogde water zou ontsteken, dat de kern, de olie of het hart van het water ook versteend zou worden en er uit het licht duisternis en uit het water een onwelriekende geur zou te voorschijn komen. Want de olie, of het vet in het water wordt door de zachtmoedigheid en de weldadigheid geboren en in datzelfde vette bestanddeel juist, wordt het licht schijnende; zo echter dat vet verbrand is, zo ontstaat er in het water een stank en het wordt bovendien geheel donker. Alzo ging het ook met de hovaardigheid van Lucifer. Een korte wijl zegevierde hij in zijn lichtglans; toen echter zijn licht uitdoofde, werd hij een zwarte duivel. Hij meende echter, dat hij eeuwig in het heldere licht van de goddelijke kracht kon heersen, als een verschrikkelijke God en hij worstelde met zijn vuurgeest, met de Salniter Gods, met de bedoeling het gehele gebied van zijn koninkrijk te ontsteken. Inderdaad heeft hij ook wat bereikt, want hij heeft de goddelijke krachten brandend gemaakt, hetgeen bewezen wordt door de zon en de sterren. Zo wordt ook dikwijls het Salnitervuur ontstoken in de elementen, zodat het er uitziet, alsof de ruimte, de diepte brandt, hetgeen ik ter plaatse bespreken wil. Hij trad terug uit de zachtmoedigheid en wilde slechts het vuur doen ontbranden; viel daardoor in de duisternis. De lezer moet het niet zo verstaan, dat de duivel Gods Licht ontstoken heeft, maar hij ontstak de natuurgestalten, waaruit het licht te voorschijn treedt. Want hij heeft het licht niet in zich opgenomen, evenmin als -het vuur het licht in zich opneemt. Hij is in het vuur gegaan en werd in de duisternis uitgedreven en hij heeft, buiten zijn wezen, zijn verschijningsvorm, noch licht, noch vuur. Lucifer mag niet zeggen, dat God de helse eigenschappen heeft voortgebracht, opdat hij tot boosheid zou vervallen, neen, hij heeft dat zelf gedaan; bovendien heeft hij de godheid beledigd en hij heeft van de krachten Gods helse krachten gemaakt, waarin hij voor eeuwig woning gemaakt heeft. Want toen hij en al zijn Engelen de

oergeest van het vuur in zich deden ontbranden, zo brandde het vet in het zoete water en er ontstond een branden, steken, verscheuren en woeden. Daardoor ontstond een angel des doods, want door de hitte werd de bittere kwaliteit zo brandend, stekend en boos, als ware het gehele lichaam louter vuur geworden; temidden van de wrange, zure kwaliteit werd er een strijd gevoerd, alsof men met vurige pijlen het lichaam doorstak. Daarentegen streed het koude vuur van de wrange eigenschap tegen de hitte en tegen het bittere gif, alsof er een oproer plaats vond, en er was in het lichaam van Lucifer niets dan moorden, roven, branden en steken; het was als een verschrikkelijk hels vuur. Deze vuur- en duivelsgeest verhief zich nu ook in het centrum van het hart en wilde door middel van de wil-geest, geboren uit de zeven Oergeesten en het beeld Gods vertegenwoordigend, in de ganse goddelijke kracht heersen en de gehele goddelijke Salniter ontsteken. Hij wilde een nieuwe en geweldige God zijn. Wanneer ik nu hier over de wil-geest schrijf, zo moet ge ook weten, wie en hoe deze is, anders zult ge tevergeefs hierover leren en het zal u gaan als de wijze heidenen, die opstijgen tot voor Gods aangezicht en dat toch niet zien kunnen. De zielegeest is veel subtieler en onbegrijpelijker dan het lichaam of de zeven Oergeesten, die het lichaam vormen en bestendigen; want hij gaat uit van de zeven geesten, zoals God de Heilige Geest uitgaat van den Vader en den Zoon. De zeven Oergeesten ontvangen hun lichaam uit de natuur, d.w.z. uit de zevende oergeest in de goddelijke kracht, welke ik in dit boek de Salniter Gods of de “begrijpelijkheid” noem, waarbinnen zich de Hemelse beschrijvingen voltrekken. Dat is een geest, zoals al de zeven geesten, met dit verschil, dat de zes anderen onbegrijpelijk zijn, dewijl de goddelijke kracht juist in die zevende oergeest zich openbaart, hetgeen voor de schepselen verborgen en onbegrijpelijk is. De ziele-geest ontstaat in het hart uit de zeven Oergeesten naar de aard en de wijze, waarop de Zoon Gods geboren wordt en hij behoudt zijn plaats in het hart en vangt van daaruit in de goddelijke kracht zijn werking aan, zoals de Heilige Geest werkt en uitgaat van den Vader en den Zoon; hij heeft dezelfde hoedanigheid als God de Heilige Geest. Wanneer deze ziele-geest uitgaat van het lichaam, zo is hij als één met de verborgen Godheid; en hij is evenzeer vertegenwoordigd bij de vorming van een bepaald ding in de natuur als God de Heilige Geest zelf. Daarvan ziet ge een voorbeeld, wanneer ge een timmerman een huis ziet bouwen, of een andere ambachtsman enig ander kunstig handwerk ziet maken. De handen, welke de natuur aanduiden kunnen het werkstuk niet maken, maar de zeven geesten zijn de eerste bouwmeesters van het werkstuk en de ziele-geest wijst de zeven geesten de vorm, die gebezigd moet worden. Dan vormen de zeven geesten het werkstuk en maken het begrijpelijk en

dan eerst arbeiden de handen naar dit voorbeeld van de geest; want vóór ge een werk volvoeren kunt, moet het in de gedachte bestaan en in het denken verwerkelijkt zijn. De ziel begrijpt dit Zij ziet, wat God, haar Vader maakt en arbeidt mede in de Hemelse vorming; daarom schrijft zij de natuurgeesten een model voor, een voorbeeld, hoe zij een bepaald iets moeten vormen. En naar dit voorbeeld der ziel worden alle dingen in deze wereld gemaakt, want de verdorven ziel arbeidt steeds, opdat zij Hemelse vormen zou kunnen voortbrengen. Zij kan dit echter niet, want voor haar arbeid heeft zij slechts aardse, verdorven Salniter, ja, een half dode natuur zelfs, waarin zij geen Hemelse beelden kan vormen. Hierdoor kunt ge verstaan, welk een grote macht in de Hemelse natuur de geesten der verstoten Engelen gehad hebben, en hoe zij de natuur in de Hemel verdorven hebben, waar zij aanwezig waren en met hun gruwelijkheid hebben verwoest, waardoor de vreselijke boosheid, die in deze wereld heerst, ontstond. Want de natuur, door hen aangestoken, brandt nog steeds, tot aan de jongste dag en deze vuurbron is een eeuwige vijandschap jegens God. Of echter deze vuurgeest, die aangestoken werd, gelijk heeft met te zeggen, dat God zelf hem aangestoken heeft, waardoor het vuur des toorns ontstoken werd, dit zal bewezen moeten worden; waar dit niet het geval is, zo zal deze vuurgeest vervloekt worden.

Over de vijfde gestalte van het zondebeginsel in Lucifer en zijn Engelen. De vijfde oergeest in de goddelijke kracht is de liefde. Zij is de zachtmoedigheid en de deemoedigheid en wordt in het licht des levens geboren. Wanneer het licht als een schrik er doorheen vaart, waardoor de vreugde geboren wordt, zo komt het ontstoken licht in het zoete water en gaat zacht door het vuur tot in de wrange kwaliteit en verzacht het vuur en maakt de wrange eigenschap zacht en week, hetgeen ook door het water veroorzaakt wordt. Wanneer echter het vuur deze zachte, zoete en weke smaak proeft, zo wordt het vuur veranderd in een zoete warmte, zeer liefderijk; en te midden van het vuur ontstaat een vreugdevol leven en de wrange eigenschap wordt van deze zachte warmte doordrongen en vervuld en het harde wordt week gemaakt; hetgeen dik was wordt dun gemaakt en de duisternis wordt veranderd in licht. Wanneer echter het bittere met het wrange en de vuurgeest deze zachtmoedigheid proeft, zo is aldaar niets dan louter verlangen, begeren en vervullen; een zacht en lieflijk proeven, kussen en liefdeleven. Want alle Oergeesten worden in deze wisselwerking zeer lieflijk, teder, deemoedig en vriendelijk, en dit is

de Godheid. Want de goddelijke geboorte wordt teweeg gebracht door de vier eerste Oergeesten, daarom moeten zij ook zéér streng zijn, hoewel zij toch ook hun tedere moeder “water” in hun midden hebben. De liefde wordt teweeg gebracht door de vijfde oergeest; de vreugde door de zesde oergeest en de zevende geest brengt voort de vorm, hij is de uitdrukking van het begrepene. Welaan dan Lucifer, gij die de liefde had, hoe hebt ge u gedragen? Is uwe liefde ook zulk een oerbron? Wij zullen haar thans bezien en aanschouwen, welke een lieflijke Engel gij geworden zijt. Merk nu op: Wanneer Lucifer zich niet te hoog had verheven en zich niet aangestoken had, zo zou zijn oerbron der liefde dezelfde zijn als de oerbron der liefde in God, want in hem was geen andere Salniter dan in God. Toen hij zich echter verhief teneinde met zijn geest over de Godheid te heersen, zo was het hart des lichts, welke de kern der liefde in het zoete water is, een grimmige bron des vuurs, waardoor in het gehele lichaam een sidderen en branden ontstond. Toen nu de zielegeest geboren werd temidden van dit vuur, zo drong hij uit het lichaam vol boosaardigheid de natuur of de Salniter Gods binnen en verstoorde de liefde in de Salniter. Hij drong vol woede en vol venijn door alles heen en meende, dat hij alleen God was. En hij wilde over alles heersen. Hierdoor nu is de eeuwige vijandschap en de afkeer tussen God en Lucifer ontstaan; want de kracht Gods werkt zacht, lieflijk en vriendelijk, en de geesten van Lucifer zijn scherp, vol vuur en zeer snel. Dit kunt ge b.v. waarnemen bij de Salniter der sterren, wanneer deze Salniter is aangestoken. De sterren moeten zich tot aan de jongste dag zeer snel omwentelen; de boosheid scheidt zich van de sterren af en wordt aan Lucifer tot een eeuwige woonplaats gegeven. Dat dit echter aan God onwelgevallig is in hoge mate, behoeft geen betoog. Laat de mens bedenken, of een dergelijke bron van vuur ook in zijn lichaam aanwezig is en welke gevolgen dat dan met zich meebrengt. Dit geschiedt dan zeker degenen, die de duivel herbergen willen. Daar de duivel dan gast is, houdt hij zich zeer stil; wanneer hij echter geen gast meer is, maar meester, zo zal hij het huis overweldigen, evenals hij dat deed met het lichaam Gods. Daarom is nu het vuur des toorns van God nog in het lichaam Gods van deze wereld tot aan het einde toe en menig schepsel wordt in dit vuur verzwolgen. Of nu God deze vijandschap en deze grimmige vuurbron in Lucifer zelf teweeg gebracht en aangestoken heeft, dat moet bewezen worden. Waar dit niet het geval is, zo moet deze verdorven vuurbron, die daar staat in de plaats der liefde, ook verdoemd worden.

Over de zesde gestalte of verschijningsvorm van het zondebeginsel in Lucifer en zijn Engelen. De zesde oergeest in de goddelijke kracht is de Mercurius of de toon, temidden waarvan de Hemelse vreugde opgaat. Deze geest neemt zijn oorsprong in de bliksem des vuurs, d.w.z. in de bittere kwaliteit en stijgt op door het zoete water; daarin wordt hij verzacht, zodat hij luidklinkend wordt. In de wrange eigenschap wordt hij gevangen gehouden en daar beweegt hij alle geesten. Door deze beweging ontstaat de toon; in de bliksem zetelt zijn oorsprong en in het zoete water, in de liefde zetelt zijn lichaam of wortel. Deze toon nu is het goddelijke vreugdenrijk; het triomferen, waarin het goddelijke en zachte liefdesspel in God opstijgt, evenals vormen, beelden en allerlei figuren. Ge moet hier echter weten, dat deze eigenschap zeer zacht en lieflijk alle geesten doordringt op de wijze, waarop in een mensenhart een lieflijk en zacht vreugdevuur opgaat. Een hart, waarin de zielegeest hoogtij viert, als ware hij in de Hemel. Deze geest nu is vaak niet nodig bij de vorming van het lichaam, maar om onderscheid aan te geven; verschillen te doen uitkomen en beweging te veroorzaken, en in 't bijzonder om vreugde te verschaffen. Wanneer de zielegeest in het hart temidden der zeven Oergeesten geboren is, zodat de wil der zeven Oergeesten als 't ware belichaamd is, zo voert de toon hem wederom buiten het lichaam. Deze is als een wagen, waarop de geest zich heeft nedergezet en waarmede hij henen vaart. Hij volvoert dan datgene, wat in de raad der zeven geesten besloten is. Want de toon vaart door de zielegeest in de natuur Gods of in de Salniter van de zevende oergeest der goddelijke kracht, dewelke oorspronkelijk zijn moeder is. Deze tezamen veroorzaken de bepaalde vormen, ook weer het verschil. Toen de ziele-geest in het lichaam van Lucifer geboren werd, zo stak een vurige slang zijn kop omhoog in de Salniter Gods. Wanneer de mond ging spreken, d.w.z. toen de zeven Oergeesten het woord hadden gevormd en inhoud hadden gegeven, en dit, door de toon in de Salniter Gods uitgedragen, zo was dat niet anders alsof er een vurige bliksemschicht door het luchtruim koer, of een boze slang vol woede en venijn, te voorschijn kwam, om haar boos werk te verrichten. Daardoor komt het ook, dat men de duivel de oude slang noemt. (Openbaring van joh. 12 : 9) en ook is dit de oorzaak er van, dat er adders en slangen in deze bedorven wereld zijn, alsook allerlei ander ongedierte als wormen, padden, vliegen, luizen, enz., ja alles wat er bestaat. Ook het onweren, lichten en hagelen wordt hierdoor veroorzaakt. Merk nu op: Wanneer de toon opstijgt te midden van de goddelijke natuur, zo stijgt hij zacht en lieflijk op, tegelijkertijd uit alle zeven Oergeesten en hij brengt het woord of de vormen voort. D.w.z.: wanneer

een bepaalde oergeest de wil heeft, iets teweeg te brengen, dan doordringt hij zacht en lieflijk door de zes andere geesten tot hij tot in het hart is doorgedrongen; daarin wordt de wil gevormd en beproefd. Dan spreken de zes andere Oergeesten deze wil uit, door de toon, door de klank vanuit Gods Hart, d.i. den Zoon van God. En dit woord blijft dan als een positieve manifestatie daar staan. De toon gaat zacht en lieflijk uit van het woord en brengt de wil van het woord voort, d.w.z. door de toon komt de daad tot stand, die de wil voorschrijft. Dit nu is de Heilige Geest, die alles, wat in het hart, in de raad der zeven geesten besloten ligt, vormt en uitbeeldt Op een dergelijke wijze behoorde ook Lucifer voort te brengen, als een geliefkoosde zoon in de natuur. Gelijk een zoon des huizes den vader helpt bij zijn arbeid, naar de wijze en het inzicht van zijn vader, zo had ook Lucifer met zijn Engelen in het grote huis van God den Vader, naar Gods wijze, met zijn zielegeest alle verschijningsvormen en gewassen in de Salniter Gods moeten helpen formeren. Want de gehele Salniter behoorde een huis der verrukkingen te zijn, waarin Engelenlichamen vertoeven en alles zou naar de lust van hunne geesten zich hebben moeten vormen, opdat zij nooit of te nimmer enige afkeer zouden hebben van iets, dat geschapen was. Hun ziele-geest behoorde aanwezig te zijn bij de vorming. De vorming uit de Hemelse elixers geschiedt magisch. Alles geschiedt volgens de wil en de bekwaamheid der natuur en der schepselen. En de Salniter moet het eigendom der schepselen zijn. Wanneer zij slechts onder Gods wil gebleven waren, zo zou alles het hunne geweest zijn en hun wil zou ten allen tijde vervuld zijn geworden. Het zou zijn geweest als een vreugdevol bestaan naar de lust hunner harten. Want God en Zijn schepselen zouden één hart en één wil geweest zijn. Toen Lucifer zich echter verhief en zijn Oergeesten ontstak, zo voer de ziele-geest in de toon of de klank uit alle lichamen der Luciferische Engelen en hij voer in de Salniter Gods, als een vurige slang of draak en vormde allerlei giftige en vurige verschijningen, zoals daar zijn de wilde en verscheurende dieren. Dit is de oorzaak van het ontstaan der wilde dieren in deze wereld, want het heirleger van Lucifer heeft de Salniter der aarde en der sterren ontstoken, daarna gedeeltelik gedood' en verdorven. Want toen God, na de val van Lucifer, de schepping dezer wereld bewerkstelligde, zo werd alles uit de zelfde Salniter geschapen, waarin Lucifer zijn verblijfplaats had. Zo moesten hierna ook de schepselen dezer wereld uit dezelfde Salniter geschapen worden. Zij vormden zich nu, naar de aard der eigenschappen, boos en goed. Welk dier nu, naar zijn eigenschappen (het vurige, het bittere of het wrange), het sterkst vertegenwoordigd was, in Mercurius, dat dier werd ook óf bitter, óf wrang, óf vurig, óf boos; alles naar de eigenschap, die het

sterkst in het dier vertegenwoordigd was. Dit deel ik hier reeds mede, maar het zal bij de behandeling van de schepping dezer wereld uitvoerig beschreven en bewezen worden. Of nu deze vurige toon en deze drakengeest in Lucifer en zijn Engelen gerechtvaardigd is en of God hem alzo geschapen heeft, hierover zullen degenen die rechtspreken over Lucifer, die van God een duivel wilde maken, zich moeten verantwoorden. Zij zullen dan moeten bewijzen, of God een God is, die het kwaad wil en het ook geschapen heeft. Waar dat niet het geval is, zo zal ook deze geest gedoemd zijn, ten eeuwigen dage in gevangenschap te leven. Dat zij van hun lasteringen en leugens afstand doen, anders zijn zij slechter dan de wilde heidenen, die van God niets weten willen, welke toch ook in God leven. Vele van zulke godslasteraars zullen het Hemelrijk bezitten, hetgeen ik ter plaatse ook verklaren wil.

HOOFDSTUK XVI.
Over de zevende gestalte of verschijningsvorm van het zondebeginsel Lucifer en zijn Engelen. Opent hier wijd uwe ogen, want ge zult verborgen dingen zien; dingen, die alle mensen, van voor de grondlegging der wereld verborgen gebleven zijn; ge zult de moordholen des duivels en gruwelijke zonden, vijandschap en verderf aanschouwen. De duivel heeft de mensen de toverij geleerd, om zijn rijk daarmee te versterken; ja, had hij de mens het juiste fundament hetgeen daaronder gelegen is, geopenbaard, zo zou menigeen wonderen doen. Welaan gij tovenaars, goochelaars, die met de duivel boeleert, komt bij mij en ik zal u wijzen, hoe gij met uw kunsten naar de hel gaat. Gij vleit uzelf ermee, dat ge de duivel onderdanig zijt en meent, dat gij goden zijt; ik wil hierover schrijven, want ik ben ook een natuurkundige g.~worden, maar niet op uwe wijze. Ik ontdek uwe schande door goddelijke openbaring, zodat het u tot een oordeel zij. Een oordeel over uwe wetenschap. Dewijl dan de boog der grimmigheid alreeds gespannen is, zo mag een ieder wel toezien, dat hij wakker zij, want de tijd is gekomen, om op te waken uit de slaap. De zevende verschijningsvorm of gestalte in de goddelijke kracht is de natuur of het uitvaren uit de andere zes Oergeesten. Want de wrange hoedanigheid trekt de Salniter van de zes andere geesten tot zich, zoals een magneet de Salniter van het ijzer tot zich trekt en wanneer dit is

geschied, zo kunnen de zes andere geesten Gods hun werkingen uitoefenen. Deze zevende geest heeft de kleur en is van de soort als alle geesten, want hij is als 't ware de belichaming van de andere geesten. Zo ook worden uit deze geest alle vormen en gestalten geformeerd. Ook de Engelen zijn daaruit geschapen. Deze geest wordt voortdurend door de zes anderen voortgebracht; hij bestaat eeuwigdurend en zal nooit te niet gaan. Daartegenover brengt hij ook weer de zes andere geesten voort, want deze zijn door de zevende oergeest als door een moeder omsloten en zij betrekken hun voedsel, hun kracht en hun sterkte steeds weer uit het lichaam hunner moeder. Want de zevende geest is het lichaam en de anderen zijn het leven en in het midden bevindt zich het hart des lichts, hetwelk zij allen tezamen als een levenslicht steeds weer voortbrengen; dat licht nu is de Zoon en de vruchtbare beweeglijkheid of doordringing, dat door alle geesten komt tot uiting in het hart bij het uitbreken van het Licht. De Godheid is gelijk aan een rad, een wiel, dat zich met zijn velgen en spaken en zijn naaf omwentelt. Het is in elkander gevoegd alsof het zeven raderen waren, zodat het zonder het te verplaatsen naar alle kanten draaien kan. Men ziet steeds alle zeven raderen en de ene naaf in het midden daarvan in rechte lijn en kan toch niet begrijpen, hoe het wiel is gemaakt. Men verwondert er zich steeds weer over het wiel, omdat de omwenteling zeer wonderlik is, terwijl het wiel toch op zijn plaats blijft. Op een dergelijke wijze wordt de Godheid steeds weer opnieuw geboren en vergaat nooit en op de zelfde wijze ook ontstaat steeds weer het leven in Engelen en mensen. Naar de beweging der zeven goddelijke geesten worden de schepselen en de gestalten der vergankelijkheid geformeerd. Of het wezen der zeven Oergeesten ook al in hen tot uitdrukking komt, dat neemt niet weg, dat hun bijzondere eigenschap slechts in de zevende oergeest zijn uitdrukking vindt, welke de zes andere vormt en ook verandert. Daarom worden ook de gestalten en de vergankelijke vormen en creaturen veranderd, naar het voorbeeld van de zevende natuurgeest, waarin zij opgaan. De Engelen echter zijn niet alleen uit de zevende natuurgeest gevormd, zoals de vergankelijke schepselen, maar, daar de Godheid de schepping der Engelen bewerkstelligde, daar werd de godheid uit zijn verschillende bestanddelen tot één geheel samengevoegd, evenals dat met de Engelen het geval was. Denk aan de beide beginselen: vuur en licht; ieder afzonderlik te zien. Het was als één lichaam. Versta dit juist. Het lichaam van een Engel en het leven op de geboorte in dat lichaam ontstaat door de zes andere Oergeesten. De geest of het hart, waarin het licht opgaat en uit het licht de ziele-geest, die ook buiten of zonder het lichaam met de Godheid arbeidt, is het Hart Gods, waaruit de Heilige

Geest ontspringt. En zoals in de zevende goddelijke natuurgeest, welke ontstaat uit de zes anderen, niet de ganse kennis en het volkomen inzicht der zes anderen ten volle geopenbaard wordt (want de 7e geest kan zijn oorsprong, de zes anderen niet peilen), zo kan een Engel óók niet de ganse goddelijke volkomenheid doorgronden. De geest, niet het lichaam kan het verstaan, dewijl deze arbeidt met het Hart en den Geest van God. De zevende oergeest is als het ware het huis of het eigendom der zes anderen. Zij bouwen dat huis naar hun welgevallen. Hij is als een lusthof, waarin de eigenaar van het huis naar zijn welgevallen allerlei vruchten, gewassen zaait en er vreugde aan heeft. Zo bouwen de zes geesten steeds deze lusthof en zij zaaien er hunne vruchten in en genieten van die vruchten tot versterking van hun lichaam en tot hun vreugde; dit is de tuin, waar de Engelen wonen en waarin zij wandelen. De wonderlijke verhoudingen evenwel, die aan de dag treden in de gewassen in deze tuin ontstaan door de werkingen en het liefdesspel der andere geesten. Wie de eerste van hen is in het spel der liefde, vormt de gewassen naar zijn inzicht en wijze, terwijl de anderen daarbij behulpzaam zijn. Nu eens is de een primair, dan weer een ander, soms de derde enz. Daarom ook bloeien er zo menigerlei gewassen, hetwelk voor het verstand der Engelen totaal onbegrijpelijk is. De zielegeest der Engelen echter begrijpt het volkomen. Dit is ook voor mij ten enen male verborgen, maar voor mijn ziele-geest niet. Zo lang deze met God verbonden is, begrijpt hij het. Wanneer hij echter in de zonden valt, zo wordt de deur voor hem gesloten. Dit doet de duivel, maar door grote geestesarbeid kan zij wederom geopend worden. Ik weet wel, dat de duivel in zijn toorn met deze openbaring in het hart van vele mensen de spot zal drijven, want hij schaamt zich er over, dat nochtans deze openbaring er is, ook mijn ziel heeft hij menige druk veroorzaakt, maar ik laat Hem besturen, die het zo gewild heeft. Hem kan ik niet weerstaan en al zou mijn aardse lichaam alzo te niet gaan, zo zal toch God in mij triomferen. Dit begeer ik ook en niets anders. Ik weet, dat uit mijn nieuwe lichaam, hetgeen op de dag der opstanding uit dit mijn tegenwoordig verdorven lichaam geboren zal worden, deze geest zal opvaren en dat dat nieuwe 'lichaam aan God en de heilige Engelen gelijk zal zijn. Want het triomferende licht en mijn geest toont het mij genoegzaam; ook heb ik de diepte der goddelijke dingen doorvorst en deze naar de mate mijner gaven en mijner stuwkracht beschreven; zij het dan vol zwakheid en onmacht; dewijl de in mij wonende zonden en de zonden, die ik geërfd heb menigmaal de deur hebben gegrendeld. De duivel heeft als een slechte vrouw voor de deur gedanst en zich vrolijk gemaakt en zich verheugd over mijn angsten en mijn gevangenschap. Evenwel zal hem dit weinig voordeel voor zijn koninkrijk aanbrengen. Daarom heb ik niet anders te verwachten dan zijn grimmige toorn, maar

mijn vast vertrouwen in de held in de strijd, welke mij dikwijls van knellende banden heeft bevrijd, doet mij strijden tot op de dag van mijn verscheiden.

Over de verschrikkelijke en ellendige vernietiging van Lucifer in de zevende natuurgeest. Het treurhuis des doods. Wanneer alle bomen schrijvers waren, en alle takken schrijfpennen, alle bergen boeken en alle gewassen inkt, zo zouden zij allen tezamen de jammer en de ellende niet kunnen beschrijven, die Lucifer met zijn Engelen heeft teweeg gebracht. Want hij heeft van het huis des Lichts een huis der duisternis gemaakt en van het huis des vreugden een huis der treurigheid; van het huis der lusten en der verkwikking een huis van honger en dorst. Van het huis der zachtmoedigheid een gestadig onweer en een bliksemen. Van het huis des vredes een eeuwigdurend jammer- en tranenhuis; van het huis der lachenden een huis vol schrik en beven. Hij heeft van het licht en de weldadigheid een eeuwige en helse pijn gemaakt. Van de lieflijke spijzen maakte hij gruwelen en onwelriekendheid, welke een gruwel was voor elke vrucht. Van het huis van de cederen van de Libanon maakte hij een steenachtig, rotsachtig huis des vuurs. Van de zoete reuk maakte hij stank. Hij veroorzaakte eenzaamheid en vernietiging, het einde van alle goeds, van het goddelijk lichaam maakte hij een duistere, zwarte, koude, verhitte, zich zelf verslindende en toch niet verterende duivel, welke de vijand is van God en Zijne Engelen en het ganse heir der Hemelen is tegen hem gekeerd. De geleerden hebben veel geredeneerd, gevraagd en nagedacht over de boosheid, die in alle schepselen aanwezig is. Ook in de dierenwereld zijn er giftige en boze dieren, wormen en gewassen. Hierdoor ontstaat bij sommige geleerden verwondering en zij zijn tot de slotsom gekomen, dat God het boze gewild heeft, dewijl hij zoveel kwaads geschapen heeft. Sommigen hebben aan de val des mensen de schuld gegeven; anderen aan de werking van de duivel. Dewijl echter alle schepselen en alle gewassen geschapen werden vóór de mens geschapen werd, zo moogt ge de mens niet hiervan de schuld geven, want de mens heeft niet het dierlijke lichaam ontvangen bij de schepping, maar zijn lichaam is eerst geworden zoals het is, bij zijn val. Zo heeft ook de mens niet de boosheid en het vergif in de dieren, de vogels, de wormen en de stenen gebracht, want hij had niet zulk een lichaam; wanneer hij de boosheid in de schepping veroorzaakt had, zo zou hij in eeuwigheid geen genade vinden. De arme mens heeft niet de vooropgezette bedoeling gehad te vallen in de zonde; neen, de duivel heeft hem aangestoken met zijn vergif. Dit zult ge alhier

beschreven vinden, niet met de bedoeling, iemand te honen, maar uit liefde en tot een deemoedige lering, die ik uit de afgrond van mijn geest heb opgedolven. Tot een gewisse troost voor de arme, kranke, oude Adam, die thans zijn laatste reis aanvaarden moet. Want in Christus zijn wij allen als één lichaam. Daarom ook wil deze Geest van harte gaarne, dat zijn medeleden gelaafd zullen worden met een dronk van de edele wijn Gods, alvorens zij hun reis aanvaarden, opdat zij standvastig zijn in de grote strijd tegen de duivel, en de zege kunnen erlangen. Opdat de overwinning des duivels in deze wereld te niet worde gedaan en de grote naam des Heren geheiligd moge worden. Toen koning Lucifer met zijn Engelen zo volheerlijk, schoon en goddelijk was geschapen, als een Cherubijn en een koning in God, zo liet hij zich verblinden door zijn schone, edele gestalte, toen hij zag welk een heerlijke en schone geest er in hem woonde. Toen dachten zijn zeven Oergeesten dat zij zich konden verheffen en ontsteken. Zij meenden ook schoon, heerlik en machtig te zijn, zoals de ziele-geest. Daarmede wilden zij in hun ganse gebied met eigen kracht en macht heersen als een nieuwe God. Zij zagen wel, dat de ziele-geest van dezelfde hoedanigheid was als het hart van God. Daarom besloten zij zich te ontsteken en te verheffen, in de verwachting zó klaar, zó diep en zó almachtig te zijn, als de diepste diepte van het goddelijk hart. Want zij wilden het natuurlijke lichaam, hetwelk tot aanzijn was gekomen uit den natuurgeest Gods, verheffen, opdat hun zeven Oergeesten zó hoog en zó verheven zijn zouden als de ziele-geest. En deze zouden over het hart Gods moeten zegevieren, dat aan hen onderdanig zou moeten zijn, meenden zij. En tezamen, met de zeven geesten Gods wilden zij alles formeren en tot aanzijn roepen. En deze hoogmoed en eigen wil was gans en al gericht tegen God, want een Engel behoorde te blijven op de plaats, die hem was aangewezen en deemoedig te zijn en stil en niet de alwetendheid en het begrip te bezitten van de heilige Drievoudigheid. Neen, de zeven geesten behoorden zich in de staat waarin zij geboren waren, te gedragen zoals God het wenste. Zo is ook de goddelijke geboorte. De zevende natuurgeest grijpt niet terug naar Zijn Vader, die hem geschapen heeft, maar is degene, die, wat de zes andere oereesten vormen en uitbeelden, in zich doet verwerke naar des Vaders Wil. Ook zo grijpt geen der andere geesten terug naar den Vader, maar met de andere geesten vormt hij in het middelpunt des harten één complete wilsuiting, zo, dat het hart en de zeven geesten Gods één Wil zijn. Want dit is de wet der “begrijpelijkheid”, dat zij niet toestaat, dat het onbegrepene heerst, want de kracht, welke in het middelpunt uit alle zeven geesten als 't ware wordt belichaamd, is wel onbegrijpelijk en niet te doorvorsen, maar niet onzichtbaar, want het is de kracht, niet van énen

geest, maar van alle zeven geesten. Zo kan nu ook een bepaalde geest in zijn eigen lichaam niet het Goddelijk Hart begrijpen en doorvorsen, want hij begrijpt slechts datgene in het Hart Gods, dat congeniaal is aan zijn eigen hart, maar de zeven geesten tezamen begrijpen het ganse Goddelijk Hart. Zo is het ook met de mensen. En bij de geboorte aller geesten, dewijl de ene steeds weer de andere voortbrengt, verstaat een elk der geesten alle anderen, maar slechts dan, wanneer zij opvaren in het Licht des Levens. Het hart echter is iets eigenaardigs, wanneer het tot aanzijn is gekomen. Een bijzondere persoonlijkheid en niet gescheiden van de geesten. Elk der geesten ook blijft aan zijn plaats gebonden en kan niet in een andere geest overgaan. Allen tezamen zijn zij de enige en ene Godheid. Dewijl nu het lichaam van Lucifer uit de natuur geschapen werd, zo was het geheel en al onrechtmatig, dat hij zich verhief buiten de macht, die hem toebedeeld was. Dit was tegen de goddelijke ordinantie. Ja, gij hebt u te hoog verheven, en ge wilde wellicht deze kunst de mensen óók leren, zodat zij ook zulke godheden zouden worden, als gij geworden zijt. Gij blinde en hovaardige tovenaars, dit is uw kunst, dat gij de elementen van uw lichaam, door uwe bezweringen en door verschillende eigenschappen verandert en ge meent hiertoe het recht te hebben, maar bewijs, dat het niet in gaat tegen God. Hoe zoudt ge menen, dat ge uzelf in een andere gestalte zoudt kunnen veranderen. Gij wilt de duivel nadoen en zijt niettemin verblind, ál hebt gij deze kunst nog zo goed geleerd. Gij weet de weg niet te vinden, want het hart doet de Oergeesten veranderen. Dit nu deed ook Lucifer, toen hij God zijn wilde. Zegt ge nu: hoe is dat mogelijk? Ziet, wanneer de lichamelijke Oergeesten hun wil gebruiken om toverij te plegen, zo is de zielegeest, die verborgen is in de hoedanigheden van sterren en elementen, en daarin heerschappij voert, een tovenaar en heeft zich in de toverij begeven. Het dierlijke lichaam echter kan dit zo gemakkelijk niet doen, maar het moet door tekenen en bezweringen en door allerlei, daartoe dienstige instrumenten betoverd worden, zodat de zielegeest het dierlijke lichaam onzeker maakt en het kan veranderen in de gestalte, die oorspronkelijk de bedoeling was van de Oergeesten. Het dierlijke vlees kan zich zelf niet veranderen, maar het wordt in een substantie voortgebracht, die is te vergelijken met dat van een dier, of met hout of iets dergelijks. Iets, dat in de elementen een bepaalde bedoeling en een bepaald aanzicht heeft. Maar de siderische geesten kunnen een andere vorm of gestalte aannemen, maar ook slechts zolang, als de natuur het hun toelaat. Want, wanneer zij zich, de natuur nml., in haar omwentelingen en doordringen van alles, verandert, zodat een bepaalde oergeest de eerste wordt, zo ligt haar kunst daar neder, en hare goddelijkheid, die er is in de eerste oergeest, neemt een einde. Bestaat zij

langer, zo moet zij opnieuw, naar het beeld van de thans regerende oergeest geschapen worden. De natuur laat niet elk ogenblik met zich spotten, maar alles moet plaats grijpen naar de wil van die geest, die de eerste is. Niet dezelfde geest Gods, die in de natuur de eerste is, veroorzaakt toverij, maar deze ontstaat door de boosheid van de Salniter, dewelke Lucifer heeft aangestoken. Wanneer de macht van deze zelfde geest geëindigd is, zo kan het aangestoken vuur de maker der toverij óók niet meer dienen. Want het vuur des levens in de natuur is in deze tegenwoordige tijd niet het huis van satans geweld; nademaal de liefde in het vuur des toorns verborgen is, en Lucifer met zijn Engelen gevangen is in het gericht Gods, zo is zij het vuur des toorns, ontdaan van de liefde, deelachtig geworden en zijne tovenaars zullen, zonder twijfel, hetzelfde ondervinden. Dit schrijf ik hier ter waarschuwing, opdat gij de grond der toverij zult begrijpen; ik meen niet de heidense toverij te beschrijven, hiervan heb ik ook niets geleerd, maar de ziele-geest ziet de toverij, die het lichaam niet kan verstaan. Dewijl deze echter geheel en al gekeerd is tegen de Liefde en Zachtmoedigheid Gods, en daarvan een afkeer heeft, en de mensen verderf brengt, zo wil de geest deze tovenaars en allen, die de ordeningen Gods willen omzetten, in het vuurbad van Gods toorn onderdompelen. Over het ontsteken van het vuur des toorns. Toen nu Lucifer met al zijn Engelen zich verhief, zo ontbrandde het vuur des toorns ogenblikkelijk in het lichaam, en het volzalige licht in de zielegeest doofde uit en er werd een boze duivelse geest geboren; alles geschiedde naar de wil der Oergeesten. Deze ziele-geest nu was met de godheid in de natuur verbonden en was met deze van één en dezelfde hoedanigheid. Deze was als een moordenaar en een dief, die begeerde te moorden en te roven en alles onder zijn heerschappij te brengen. Hij ontstak alle zeven geesten in de natuur en er was niets dan een bitter, wrang, vurig woeden en verscheuren. Ge moet niet denken, dat de duivel de godheid overwonnen had; neen, maar hij heeft de toorn Gods opgewekt, welke in eeuwigheid in het verborgene had gerust, en hij heeft uit de Salniter Gods een moordhol gemaakt, want, wanneer men het stro met het vuur in aanraking brengt, zo brandt het. Ook zo dringt het vuur van Gods toorn in de natuur niet door tot de binnenste hartekern, welke de Zone Gods is; nog minder reikt het tot aan de verborgen heiligheid des geestes, maar het dringt door in de zes Oergeesten ter plaatse, waar de zevende oergeest geboren wordt. Want op deze plaats is Heer Lucifer tot een schepsel geworden en zijne heerschappij ging niet verder; ware hij echter in de liefde gebleven, zo

zou zijn ziele-geest gereikt hebben tot in het middelpunt van het Hart van God, want de liefde doordringt de gehele Godheid. Toen echter zijne liefde werd uitgedoofd, zo kon de ziele-geest niet meer reiken tot in Gods Hart en zijn voornemen werd verijdeld. Hij woedde en zwoegde in de natuur, welke is de zevende oergeest Gods. Dewijl echter de kracht van alle zeven geesten in de natuur tot uitdrukking kwam, zo werden zij ook alle zeven door de toorn aangedaan, maar slechts naar het uiterlijke. Want het hart kon de duivel niet aanraken; zo ook kon hij het innerlijkste wezen der Oergeesten niet aanraken. De heerlijkheid der zeven Oergeesten was bij het allereerste aanraken al te niet gedaan en aanstonds door de ziele-geest in bezit genomen. Op dit ogenblik heeft koning Lucifer de hel en het eeuwige verderf voor zich gereed gemaakt. Toen nu de natuur zodanig werd aangedaan en door het vuur werd aangestoken, zo veranderde het huis der vreugden in een huis der droefenis. Toen dit geschiedde, zo doofde ook het licht in de natuur uit en alles werd duister en droevig; het water werd zéér koud en dik en werd als in kluisters gevangen gehouden. Dat is de oorsprong van het element “water” op aarde. Want voor de wereld tot aanzijn was gekomen, was het water zéér dun, ijl, zoals de lucht. Toen werd daarin het “leven” geboren, hetwelk thans zo ten dode gedoemd en verdorven is. De volzalige 'liefde, die opging in het licht des levens, verkeerde in bitter en boos vergif, in een moordhol en een angel des doods. Uit de toon, de klank ontstond een hard kloppen, een huis van ellende. In totaal werd het alles een zeer duister en ellendig gebeuren in het gebied van Lucifer. Ge moet evenwel niet denken, dat de natuur tot in haar diepste diepte verdorven en aangestoken is; neen, zij is dit slechts voor een deel. Het meest innerlijke echter, waarin de zeven Oergeesten leven en werken, bleef hetgeen het was, dewijl de duivel niet tot hiertoe kon doordringen. Thans echter is het meest innerlijke datgene, wat de boventoon voert. Zij zal de dorsvloer doorzuiveren en het kaf koning Lucifer tot een eeuwige spijze geven. Want, wanneer de duivel had kunnen schouwen en doordringen tot in het innerlijkste, zo zou terstond zijn ganse koninkrijk een brandende hel geworden zijn. Thans echter moet hij als een gevangene tot de jongste dag in zijn gevangenis verblijven, de jongste dag, die zeer nabij is. Lucifer heeft zijne Oergeesten tot in de diepste diepte aangestoken, en deze brengen nu een duivelse geest voort, dewelke voor eeuwig een vijand Gods is, heeft de Salniter tezamen getrokken, en de duivel niet dit te doen, een eeuwige verblijfplaats gegeven. Want hij kan niet in een ander Engelen-koninkrijk gestoken worden, maar hem moet een woonplaats overblijven. De Salniter werd hem ook niet terstond als enige woonplaats gegeven, dewijl de geesten nog daarin werkten en woonden. Want God wilde iets anders hiermede uitrichten. Koning

Lucifer moest een gevangene blijven, totdat een ander Engelenheir uit dezelfde Salniter, terzelfder plaatse, zou komen. Dit nu waren de mensen. Welaan, gij rechtsgeleerden van Lucifer, spreekt hier recht over uwen koning. Spreekt uit of het zijn recht was, het vuur des toorns in de natuur te ontsteken. Zo niet, zo brande hij eeuwig en uwe leugens tevens. Dit zijn alzo de zeven soorten of gestalten van het zondebeginsel en de eeuwige vijandschap jegens God. Hierna volgen spoedig de vier nieuwe zonen van Lucifer, die hij in zich deed geboren worden; daarom is hij uit zijne plaats verstoten en werd hij de gruwelijkste der duivelen.

Over de eerste zoon: de hovaardij. Nu doet de vraag zich voor: Wat heeft Lucifer er toch toe bewogen, zich boven God te willen stellen? Ge moet goed verstaan, dat Lucifer, buiten God om, in 't geheel geen drang tot hovaardij zou gehad hebben; zijn schoonheid leidde hem ten val. Toen hij zag, dat hij de schoonste vorst in de Hemel was, zo verachtte hij de werkingen en bedoelingen der Godheid en dacht, dat hij met zijn vorstelijke kracht over de Godheid zou kunnen regeren. Alles meende hij, zou voor hem moeten buigen. Toen hij evenwel bemerkte, dat hij zulks niet kon uitvoeren, zo ontstak hij zichzelf, met de bedoeling zijn doel op een andere wijze te bereiken; zo ontstond uit den Zoon des Lichts een zoon der duisternis.

Over de tweede zoon: de begeerte. Deze tweede zoon was de begeerte. Deze kwam voort uit de hovaardij, want hij meende over alle koninkrijken der Engelen te kunnen heersen, als één enige God. Alles zou voor hem moeten buigen en met zijne kracht wilde hij alles formeren. Door zijn schoonheid meende hij alles in zich te hebben. Aan deze twee eigenschappen spiegele zich de tegenwoordige wereld en denke erover na, hoe dit alles vijandig is jegens God. Hiermede vaart zij naar de duivel en de wraak zal eeuwig daar zijn; roof en verslinding zal haar deel zijn en helse gruwelen.

De derde zoon is de nijd, de afgunst.

Deze ontstaat uit de hovaardij en de begeerte. Zij is stekelig en bitter als gal. Zij kwam ook voort uit de hovaardij, want de hovaardij dacht: gij zijt schoon en machtig. De begeerte dacht: alles moet het mijne zijn en de afgunst dacht: alles, wat mij niet gehoorzamen wil, steek ik aan. Maar terwijl zij dit deed, ging zij verder dan haar macht reikte, want hare macht beperkte zich tot de plaats, die haar toebehoorde en waaruit zij geschapen was.

De vierde zoon is de toorn. Deze is het ware brandende, helse vuur en ontspringt ook uit de hovaardij. Want, toen hij in zijn hovaardij, zijn begeerte en zijn afgunst niet bevredigen kon, zo ontstak hij in zich zelf het vuur des toorns en gedroeg zich in de natuur Gods als een brullende leeuw, waardoor de toorn Gods werd opgewekt en al het boze zich baan brak. Hierover zou zeer veel te schrijven zijn. Gij zult het echter bij de behandeling der schepping beter kunnen verstaan. Daar namelijk vindt men vele levende getuigen, zodat niemand zal durven of kunnen twijfelen. Alzo is koning Lucifer het begin der zonden en een angel des doods en een verwekker van de toorn Gods, het begin van al het kwade en een verwoester dezer wereld. En wat er ook voor kwaads geschiedt: hij is daarvan de grondoorzaak. Hij is ook een moordenaar en de vader van de leugen en de stichter der hel. Een vernietiger van al het goede en een eeuwige Godsvijand en een hater van alle goede Engelen en mensen, met wien ik en alle mensen, die denken zalig te worden, alle dagen en alle stonden strijden en worstelen moeten, als tegen hun ergste vijand.

Het uiteindelijke oordeel. Dewijl God hem echter als een ernstige vijand heeft vervloekt en tot eeuwigdurende gevangenschap heeft veroordeeld, en dewijl mij, door Gods geest, zijn helse rijk geopenbaard is geworden, zo vervloek ook ik hem, evenals alle heilige mensenzielen en zweer hem, als mijn eeuwige vijand, die mij menigmaal geteisterd heeft, af. En eveneens zweer ik af al zijne rechtsgeleerden en helpers en ik wil, door de goddelijke genade, zijn rijk geheel en al openbaar maken en bewijzen, dat God een God van liefde en zachtmoedigheid is, Die het kwade niet wil en geen lust heeft in 's mensen verderf. Hij wil juist, dat allen zalig worden. Psalmen 5 : 5. Ezecheël 18 : 23 en 33 : 11. 1 Tim. 2 : 4. Ik wil bewijzen, dat al het boze

afkomstig is van de duivel en in hem ontspringt.

Over de strijd en de verstoting van deze koning Lucifer en zijn Engelen. Toen zich nu de gruwzame Lucifer als een verderver en vernietiger van alle goeds betoonde, zo was het ganse Hemelse heirleger tegen hem gekeerd en hij tegen hen. Toen brak de strijd aan. En de grootvorst Michaël strijdt met zijne legioenen tegen hem en de duivel met zijne legioenen zegevierde niet, maar werd van zijn plaats verdreven als een overwonnene. Openbaring van joh. Hoofdstuk 12. Nu zou iemand kunnen vragen: Wat voor strijd mag dat zijn, waarin zonder wapenen gestreden wordt? Dit verborgene verstaat alleen de Geest, dewelke alle stonden en elke dag met de duivel strijden moet; het vlees kan dit niet verstaan. Ook de siderische geesten in de mens kunnen dit niet verstaan en het wordt door de mensen gans niet begrepen, tenzij de zielegeest één is met de innerlijke geboorte in de natuur, in het centrum; dáár, waar het Licht van God gekant is tegen het rijk des duivels. Wanneer de siderische geesten verlicht worden door de zielegeest, welke in het Licht met God één is, zo worden de siderische geesten brandend van ijver en zeer begerig naar het Licht; daarentegen wordt de ziele-geest des duivels toornig en schrikaanjagend en zeer afkerig. Dan ontstaat in de mens het vuur van de strijd, zoals ook in de Hemel dat vuur tussen Michaël en Lucifer losbrandde. De arme ziel moest zich 'laten verdrukken en verminken. Zo zij echter zegeviert, zo doet zij haar inzicht en kennis doordringen tot in alle delen van het menselijk bestaan. Want zij dringt met geweld door de zeven geesten der natuur, welke ik hier de siderische geesten noem en zij heerst in de raad der wijsheid. Dan eerst komt de mens tot de erkenning, van wat de duivel is en hoe het komt, dat hij hem zo vijandig gezind is. En hoe groot zijn macht is. Ook beseft hij dan, dat hij alle uren en elke dag met hem worstelen moet, hetgeen het vernuft, de wijsheid des mensen niet begrijpen kan, zonder deze strijd te strijden. Want de vleselijke geboorte des mensen is des duivels woonhuis, waarin hij, als in een vesting, met de ziel des mensen strijd voert en haar menige stoot toebrengt. Deze vleeswording nu is niet een lichamelijk aanzijn, dat geschikt is om het woonhuis der ziel te zijn. Neen, er wordt strijd gevoerd met het licht, dat in de mens is, door de kracht van God tegen de duivel. Daarentegen spuwt de duivel zijn vergif uit op de zeven Oergeesten, welke de ziel doen geboren worden. Hij doet dit, teneinde haar te verderven, opdat het gehele lichaam hem ten eigendom zou worden. Zo nu de ziel haar licht en haar inzicht in het

menselijk gemoed wil doen doordringen, zo moet zij een verwoede strijd voeren. De weg is smal en zij wordt door de duivel menigmaal ter aarde gestoten; zij moet echter standhouden als een ridder in de strijd. Wanneer zij nu zegeviert, zo heeft zij de duivel overwonnen. Zo de duivel evenwel zegeviert, zo wordt de ziel gevangen genomen. Dewijl echter de vleselijke geboorte niet het eigenlijke tehuis der ziel is, en zij dit vleselijke lichaam, deze vleselijke woning niet erfelijk bezitten kan, zoals de duivel, zo duurt de strijd zó lang, als het vleselijk lichaam stand houdt. Wanneer dit echter verstoord, te niet gedaan wordt en de ziel onoverwonnen en vrij is, zo is de strijd volstreden en de duivel moet voor eeuwig van deze geest wijken. Dit is zwaar te verstaan en kan, te midden van deze strijd eigenlik in 't geheel niet verstaan worden; al zou ik hierover vele boeken schrijven, zo zoudt ge dit toch nog niet kunnen begrijpen, tenzij dan dat uw geest dit zelf zou wedervaren en het inzicht in deze dingen in u zou geboren worden. Zonder dat kunt ge het begrijpen, noch geloven. Zo ge het echter verstaat, zo begrijpt ge ook de strijd welke de Engelen met de duivelen gevoerd hebben, want de Engelen zijn niet vleselijk, op dezelfde manier als de mensen dat zijn; evenmin is de duivel dat. Want hun lichamelijkheid openbaart zich alleen in de zeven Oergeesten, maar de geboorte der ziel in de Engelen is van dezelfde hoedanigheid als God; bij de duivelen is dit echter niet zo. Daarom moet het u hier bekend gemaakt worden dat de Engelen in de kracht en door den Geest van God gestreden hebben tegen de duivelen en hen uit het licht van God verstoten hebben en in een hel gedreven, d.w.z. in een klein gebied, een gevangenis gelijk. Daar is hun gebied thans tot aan de jongste dag. Dan zal hun een verblijfplaats worden aangewezen, op de plaats, waar thans de aarde is en die plaats zal de brandende hel genaamd worden, welke in de duisternis zal zijn, alwaar de bron des licht niet in zal kunnen doordringen. Lucifer wacht daarop en hoort naar deze profetie, want ge zult de ontstoken Salniter, die ge zelf ontstoken hebt, tot uw eeuwig huis ontvangen. Maar niet in dezelfde vorm, zoals thans, neen, temidden van het vuur des toorns zullen alle dingen gescheiden worden en aan u zal het duistere, koude, ruwe, harde en bittere, tot een eeuwige woning worden gegeven. Daar zult ge een almachtige God zijn, als een gevangene, in een diepe kerker; ge zult aldaar Gods Licht niet zien, noch ooit bereiken, en de goddelijke toorn, vol bitterheid zal de grens zijn, van uw gebied, waaruit ge nimmer zult kunnen ontkomen!

HOOFDSTUK XVII.

Over de droevige en ellendige toestand der verdorven natuur en de oorsprong der vier elementen, in de plaats van de Heilige Godsregering. Hoewel God een eeuwige, almachtige regeerder is, die niemand weerstaan kan, zo heeft de natuur toch een wondervoile heerschappij ontvangen, welke voor de tijden des toorns niet geweest is. Want de zes Oergeesten hebben de zevende natuurgeest in deze wereld vol liefde doen geboren worden, evenals het thans in de Hemel geschiedt en geen vonk van toorn was er aanwezig. Alles is zeer licht geweest en geen ander licht was er nodig, want de oerbron van het Goddelijk Hart heeft alles verlicht en was in alles en deze was onuitblusbaar en heeft zonder ophouden geschenen; de natuur was lieflijk en schoon. Zodra echter de strijd in de natuur met de trotse duivelen een aanvang nam, zo heeft in de zevende natuurgeest, in het gebied van Lucifer, welk gebied de plaats van deze wereld is, alleen een andere gestalte en een andere werking bekomen. De uiterlijke mens begrijpt deze dingen niet; slechts door het licht, dat in het hart gebroken wordt, is het te verstaan. Ziet, toen Lucifer met zijn heirleger het vuur des toorns in de Goddelijke natuur ontstak, zodat God vertoornd werd, zo werd de natuur boos, koud, verhit, bitter, zuur en wrang. De geest, die voordien in de natuur vol liefde en zachtmoedigheid had gewerkt, werd vol van verschrikking, welke geest men thans het element “lucht” of “wind” noemt. Want toen de zeven Oergeesten ontstoken werden, zo brachten zij een dergelijke geest voort; zo ook werd het zoete water, hetwelk voor de tijden des toorns zeer dun was, dik en de wrange eigenschap werd zeer scherp, want zij trok zich tezamen als het zout. Want het zoute water, of het zout, hetwelk thans nog in de aarde gevonden wordt, heeft zijn oorsprong uit het eerste ontsteken der wrange kwaliteit; zo zijn de stenen en ook de aarde ontstaan. Want de wrange kwaliteit deed de Salniter tezamen trekken en verdrogen; daardoor ontstond de bittere aarde; de stenen echter zijn ontstaan uit de Salniter, die zich openbaarde in de kracht van de toon, de klank. Want zoals de natuur heeft gewerkt en geworsteld, naar die mate is de materie genoemd en tezamen getrokken. Nu zou men kunnen vragen: hoe kan een Zoon, die men begrijpen kan, geboren worden uit een moeder, die men niet begrijpen kan. Dit is te vergelijken met het ontstaan der aarde en der stenen, die ook uit het onbegrepene voortgekomen zijn. Ziet, de ruimte tussen Hemel en aarde is ook niet te verstaan; onbegrepen; de eigenschappen der verschillende elementen doen menigmaal levende wezens vol verschrikking geboren worden, zoals sprinkhanen, vliegen en wormen. Dat geschiedt door de samentrekking der eigenschappen, en in deze samengetrokken Salniter openbaart zich dan zeer spoedig het leven. Want, wanneer de hitte de zuurheid, de wrangheid ontsteekt, openbaart

zich het leven, terwijl de bittere hoedanigheid des levens oorsprong is. Op dezelfde wijze zijn ook de aarde en de stenen ontstaan. Toen echter het licht werd uitgedoofd, zo werd de warmte gevangen gehouden en er kon niets meer geboren worden. Daardoor ontstond de dood in de natuur en daarna moest een andere schepping van licht volgen; anders zou de aarde eeuwig dood en zonder licht zijn. Nu echter brengt zij hare vruchten voort door middel van het nieuw geschapen licht. Nu zou iemand kunnen vragen: Is God, bij het ontsteken van het vuur des toorns in deze wereld dan heengegaan, zodat er niets dan een vuur des toorns is overgebleven? Of is uit den énigen God een tweevoudige God ontstaan? Dit kunt ge het beste verstaan, wanneer ge ziet naar uw eigen lichaam, dit nu is door de val van Adam te vergelijken met deze wereld. Ten eerste is daar het dierlijke vlees, hetwelk door de lust zo geworden is; het is verderf geworden. Toen Adam uit de verdorven Salniter der aarde, d.w.z. uit het zaad, hetwelk de Schepper verkreeg uit de verdorven aarde, geschapen werd, zo had hij in de aanvang geen sterfelijk vlees, want, dan was hij sterfelijk geweest naar het lichaam, neen, hij had een kracht lichaam als de Engelen; waarin zijn geest eeuwig zou kunnen bestaan, en eeuwig van de vruchten der Engelen zou kunnen eten, welke vruchten dan ook, in het paradijs vóór zijn val, vóór de Heer de aarde vervloekte, voor hem groeiden. Dewijl echter het zaad, waaruit Adam geschapen was, aangedaan was met de verdorven duivelse begeerten, zo verlangde Adam naar zijne moeder, d.w.z. hij at van de vrucht der verdorven aarde. Dewijl echter Adams geest verlangde naar deze vrucht, welke als de verdorven aarde was, zo deed ook de natuur voor hem opkomen een oom, die ook was als de verdorven aarde. Want Adam was het hart in de natuur; daarom hielp zijn zielegeest ook deze boom vormen, waarvan hij gaarne eten wilde. Toen echter de duivel zag, dat de lust in Adam aanwezig was, zo verdreef de Salniter, waaruit Adam gemaakt was, nog méér. Toen brak de tijd aan, dat het nodig was, dat de Schepper voor Adam een vrouw schiep, welke hierna de zonde veroorzaakte en van de verboden vrucht at. Anders, wanneer Adam zou hebben gegeten van de boom, vóór uit hem de vrouw geschapen was, zo zou alles nog vreselijker geworden zijn. Dewijl het hier echter noodzakelijk is een diepzinnige beschrijving te geven, zo verzoek ik hierover te ''lezen de beschrijving van de val van Adam. Toen nu Adam van de vrucht at, die boos en goed was, zo ontving hij ook spoedig een dergelijk lichaam. De vrucht was verdorven, zoals thans alle vruchten op aarde zijn. Zo werd ook het lichaam van Adam en Eva verdorven. Nu is echter het vlees des mensen niet de gehele mens, want de mens kan

uit het vlees de Godheid niet begrijpen, anders zou het vlees niet sterfelijk zijn. Want Christus zegt in joh. 6 : 63. De geest is het leven; het vlees is tot niets nut. Want het vlees kan het Hemelrijk niet beërven, maar het is slechts het zaad, dat in de aarde gezaaid word, en waaruit het lichaam zal oprijzen zoals dat was vóór de val. De Geest echter is het eeuwige Leven, hetwelk van één hoedanigheid is met God en die de innerlijke Godheid in de natuur verstaat. Zoals nu de mens naar zijn uiterlijke wezen verdorven en naar zijn vleselijke geboorte in de toorn Gods ligt en een vijand Gods is als zodanig, zo is hij naar zijn geestelijke geboorte een kind en erfgenaam Gods, die met God leeft en regeert, en van één hoedanigheid is met God. En zo is de plaats van deze wereld nu geworden. Alle dingen, die bestaan in deze wereld, in de ganse natuur, zijn onderworpen aan het vuur van de Goddelijke toorn. Want het is door het ontsteken der natuur zo geworden en Heer Lucifer met zijn Engelen heeft zijn woning thans ook dáár, waar het vuur des toorns is. Nu is echter die Godheid ook in de uiterlijke geboorte, want anders zou de mens geen hoop meer hebben en dan zou deze wereld niet in de kracht en de liefde van God staan. Maar de Godheid is verborgen in de uiterlijke geboorte; Hij heeft de wan in Zijn hand en zal het kaf en de ontstoken Salniter wegwerpen en de innerlijke geboorte zal daaraan worden onttrokken en aan Heer Lucifer en zijn aanhang tot een eeuwige woonplaats worden gegeven. Terzelfder tijd moet Lucifer in de uiterlijke geboorte, die de natuur is, in het vuur des toorns gevangen gehouden worden. Hier heeft hij grote macht en kan alle schepselen in het hart aangrijpen. Daarom moet de ziel des mensen voortdurend met de duivel vechten en kampen, want steeds houdt hij de mens de paradijsappel voor. Dit is de oorzaak der boosheid, waarmede de ziel wordt geïnfecteerd. Hiermede hoopt Lucifer hen in zijn gevangenschap te doen delen. Wanneer dit hem echter niet gelukt, zo geeft hij hen menige harde stoot en de mens moet voortdurend in ellende leven in deze wereld. Want hij bedekt het edele zaadkorreltje, zodat de mens zichzelven niet kent; zo meent dan de wereld, dat hij door God zo geplaagd en geslagen wordt en zó blijft het rijk des duivels steeds verborgen. Want echter, ge hebt mij ook menige stoot gegeven, ik heb u leren kennen; ik wilde de deur een weinig openen, opdat anderen ook zien wie ge zijt.

HOOFDSTUK XVIII.
Over de schepping der Hemelen en der aarde en de eerste dag. Daarover schrijft Mozes in zijn eerste boek, als ware hij daarbij geweest en als had hij het zelf gezien; zonder twijfel heeft hij het in geschriften van zijne voorvaderen ontvangen; het is ook mogelijk, dat hem in de geest iets meer is geopenbaard, dan aan zijne voorvaderen. Dewijl er echter ten tijde, dat God Hemel en aarde geschapen heeft, nog geen menselijk wezen geweest is, die zulks heeft aanschouwd, zo is daaruit niet te besluiten, dat Adam, vóór zijn val, dewijl hij nog het diepe inzicht in de kennis Gods had, dit in de geest heeft geweten. Toen hij echter ten val was gekomen, zo heeft hij dit alles als een donkere en verborgen gebeurtenis in zijn binnenste bewaard en overgebracht op zijn nakomelingen. Openbaar is geworden, dat de eerste wereld vóór de zondvloed zo weinig heeft geweten van de hoedanigheden en het eigene van God, evenals de laatste waarin wij taps leven. Want uiterlijke, vleselijke geboorte heeft nimmer de Godheid kunnen verstaan of doorgronden; zo dit niet zo ware, zo zou daarover méér geschreven zijn. Dewijl echter aan mij, door de goddelijke genade in deze hoge waarden dit grote geheimenis in mijn geest naar de innerlijke mens, dewelke van één hoedanigheid is met de Godheid, iets geopenbaard is geworden, zo kan ik niet nalaten, deze dingen naar de kracht mijner gaven te beschrijven en ik wil de lezer getrouwelijk vermanen, zich aan de eenvoud des schrijvers niet te storen. Want ik doe dit niet uit begeerte naar roem, maar wil in ootmoedigheid onderwijzen, opdat de werken Gods de lezer beter bekend mogen worden en des duivels rijk zal worden geopenbaard; omdat de tegenwoordige wereld in al haar boosheid en laster vol is van des duivels woelen en werken. Dat de tegenwoordige wereld toch moge zien, in welke kracht en uit welke drang zij leeft, zodat ik, met het mij overgeleverde pond, kan woekeren en hetzelve aan mijnen God en Schepper niet renteloos behoef weder te geven, als een luie dienstknecht, die in de wijngaard des Heren zijn tijd in ledigheid heeft doorgebracht en zijn loon opeist zonder ervoor gearbeid te hebben. Wanneer echter de duivel spotters en verachters zou doen opstaan, die zouden zeggen, dat het mij niet paste, mij zozeer in deze hoge goddelijke dingen te begeven en daarin te speuren, zo geef ik deze ten antwoord, dat ik niet opgeklommen ben tot in de sferen Gods; dat mij dit, als gering mensenkind, ook niet mogelijk zou zijn, maar dat de Godheid in mij is nedergedaald. Dit is mij ook geopenbaard door Zijne Liefde. Hem, die weet en verstaat, laat ik besturen en zorgen; Hij begeert het zo; ik arme aardworm kan niets doen. De Geest echter nodigt al deze spotters en verachters uit afstand te

doen van hunne boosheid; waar dit niet geschiedt, zo zullen zij als kaf door Gods toorn worden verstrooid. Toen God nu in het gebied van Lucifer, welk gebied de ganse ruimte dezer wereld besloeg, in toorn ontstak, zo doofde het licht uit en alles werd duister en de Salniter werd ruw, koud, hard, bitter en zuur, vol van roering en broeiing, alles naar gelang van de werking der aldaar werkende Oergeesten. Want waar de wrange kwaliteit de boventoon voerde, aldaar werd de Salniter tezamen getrokken tot verdroging, zodat harde stenen ontstonden. Aan de plaatsen echter, waar de geest der wrangheid, der zuurheid met de geest der bitterheid tezamen als eerste gearbeid heeft, aldaar is het zand ontstaan, want de geest der bitterheid heeft de Salniter gebroken. Op de plaatsen, waar de toon, de klank, mèt de geest der zuurheid in het water de eerste is geweest, daar ontstond koper, ijzer en dergelijke steenachtige ertsen. Waar echter het water met alle Oergeesten tegelijk in werking is getreden, daar ontstond de wilde aarde en het water werd in kloven en spleten, als in een wolk tezamen gehouden. Want de geest der zuurheid, als de vader der verdorven natuur, heeft het met zijn scherpheid bij elkander gehouden. De geest der bitterheid echter is de voornaamste veroorzaker der zwarte aarde, want door zijn bitterheid is de Salniter naar zijn uiterlijke geboorte gedood geworden, waardoor dan de wilde aarde ontslapen is. De hitte heeft in de geest der wrangheid de hardheid veroorzaakt. Waar de hitte nu als eerste eigenschap aanwezig was, daar heeft zij het alleredelste der aarde, als goud, zilver en edelgesteente doen ontstaan. Want toen het licht, vanwege de hardheid, ruwheid en scherpheid der materie gedoofd was, zo werd heet in de hitte, welke de vader van het licht is, opgenomen en daardoor verzwolgen. Nu moet ge het volgende goed verstaan: Waar de geest der hitte in het zoete water, in de liefde de voornaamste, de eerste is geweest, daar heeft de geest der wrangheid de materie tezamen getrokken, tot één gevoegd; zo is het alleredelste erts en gesteente ontstaan. Wat echter betreft de kostelijke gesteenten, als daar zijn, karbonkel, smaragd, onyx en dergelijke, die de alleredelste zijn, zij vinden hun oorsprong daar, waar het licht in de liefde is opgegaan. Want dit licht wordt in de zachtmoedigheid geboren en het is het hart der Oergeesten; daarom zijn deze gesteenten ook zeer lieflijk om te aanschouwen. Iemand zou kunnen vragen: Waarom toch heeft deze mens in deze wereld het goud, het zilver en de edelgesteenten boven al het andere lief en waarom gebruikt hij deze tot verweer of bescherming van zijn lichaam? Het goud, het zilver en de edelgesteenten en alle lichte ertsen vinden hun oorsprong in het licht, hetwelk vóór de tijden des toorns, in de natuur, d.w.z. in de zevende natuurgeest geschenen heeft.

Dewijl nu ieder mens gelijkvormig is aan deze wereld, zo hebben ook des mensen Oergeesten de kern of het allerbeste in de verdorven natuur lief en zij wenden dit aan tot hun bescherming en verweer. De allerinnerlijkste kern echter, welke de Godheid is, kunnen zij niet begrijpen, want het vuur des toorns heeft zich daarvoor gelegd als een sterke muur en deze muur moet door een krachtige stormloop ten val worden gebracht, wanneer de siderische geesten naar binnen willen schuiven. Voor de zielegeest echter staat de deur open, want door niets wordt hij tegengehouden en hij is als God zelf naar zijn innerlijke wezen. Nu zou iemand kunnen vragen: Hoe moet ik dan nu de drievoudige geboorte in de natuur verstaan? Ziet, de meest innerlijke en diepste geboorte noemen we het licht; dit is het hart der Godheid, hetwelk uit de Oergeesten Gods geboren werd. Geen oergeest kan afgescheiden van de anderen het licht begrijpen, maar iedere oergeest begrijpt slechts datgene, wat met zijn eigen hoedanigheid in het licht overeenstemt. Alle Oergeesten tezamen echter verstaan het licht in zijn ganse rijkdom, want zij allen tezamen zijn de Vader van het licht. Zo ook begrijpen de Oergeesten der mensen de innerlijkste geboorte der Godheid, welke in het licht staat, niet ten volle; maar iedere oergeest werkt en beweegt zich in het hart Gods. En dit is de verborgen geboorte in de natuur, dewelke geen mensenkind met zijn verstand of bekwaamheid begrijpen kan, maar de ziel des mensen alleen kan het begrijpen, de ziel, die staat in het licht Gods. De andere geboorte in de natuur wordt geopenbaard in de zeven geesten der natuur. Deze geboorte is meer begrijpelijk en duidelijker, maar toch ook slechts voor de kinderen van dit geheimenis; de landman verstaat het niet, al zou hij het ook zien, ruiken, proeven, horen en voelen. Hij ziet het aan en weet toch niet, hoe het innerlijke van deze dingen is. Hieronder wordt verstaan het verdorven verstand zonder de geest Gods en het geldt voor de dokter evenzeer als voor de landman; beiden zijn ten opzichte van de Godheid even blind en de landman heeft menigmaal, zo hij zich door God laat leiden, meer inzicht dan de dokter. Dit nu zijn de geesten, waarin alle dingen, in de Hemel en op deze aarde, vastgeklonken 'liggen en waaruit de derde geest geboren is, waarin de verderfelijkheid vastligt. Deze geest echter of deze geboorte heeft zeven aanzichten, als daar zijn: wrang, zoet, bitter, warm. De vijfde Geest is de Liefde, die ontstaat door het licht des levens, welke de zinnelijkheid, de lichamelijkheid en het verstand voortbrengt. De zevende geest is de klank; de toon, die het geluid en de vreugde voortbrengt en hij is de opborrelende bron van alle geesten. In deze zesde geest openbaart zich de geest des levens, de wil of het verstand en de gedachten van alle schepselen, ook alle kunsten en veranderingen, vormen en beeltenissen. De zevende geest is de natuur, waarin het lichamelijke van alle zes andere geesten gestalte vindt, want

de zes andere brengen de zevende voort. In deze geest openbaart zich het stoffelijke, het lichamelijke wezen van Engelen, duivelen en mensen. Te midden der zes andere geesten wordt het licht ook geboren, hetwelk het hart van God is.

Over de derde geboorte. Deze derde geboorte nu is de begrijpelijkheid; de doorzichtigheid der natuur, welke voor de tijd van de toorn Gods lieflijk, doorzichtig en helder geweest is, zodat de Oergeesten door alles heen hebben kunnen zien. Er waren toenmaals noch aarde, noch stenen en er was ook niet een dergelijk licht, zoals er thans is; dat was ook niet, nodig, want het licht bevond zich in het midden van al hetgeen er was en verspreidde zodoende voldoende licht over al het bestaande. Toen evenwel koning Lucifer was geschapen, verwekte hij in deze derde geboorte de toorn Gods, want de lichamen der Engelen zijn in deze derde geboorte tot lichaam bevestigd. Dewijl dan nu de duivelen hunne lichamen aangestoken hebben, met het doel daarmede over de godheid te heersen, zo heeft de Schepper deze derde geest of derde geboorte in de natuur óók in zijn toorn aangestoken en de duivel daarin gevangen genomen en hem een eeuwige woonplaats daarin toegewezen, opdat hij niet hoger zou klimmen dan God. Dewijl echter de duivel uit hovaardij en moedwil zichzelf heeft ontstoken, zo zijn zij gans en al uit het Licht verstoten geworden en kunnen dit ten eeuwigen dage niet doorgronden of verstaan. Want het licht van hunne harten, hetwelk van één hoedanigheid was met het hart van God, hebben zij zelf uitgedoofd en in de plaats daarvan een bittere, harde, wrange en verhitte duivelsgeest doen ontstaan. Nu moet ge echter niet denken dat daarom uit de ganse natuur of de plaats dezer wereld, een bittere toorn Gods ontstaan is. Neen, dit is het doel. De toorn begrijpt niet de innerlijke geboorte in de natuur, want de liefde Gods is nog in de gehele ruimte dezer wereld verborgen; zo ook is het huis, waarin Heer Lucifer zijn verblijfplaats heeft, nog niet geheel en al verloren, want er is in alle dingen dezer wereld liefde en toorn in elkander verweven en deze beide worstelen steeds met elkander. Maar de duivelen kunnen het worstelen van het Licht niet verstaan, maar slechts het worstelen van de toorn. Daarin zijn zij scherprechters en zij leggen beslag op het recht, hetwelk over alle goddeloze mensen door Gods toorn gesproken wordt. Geen mens mag zeggen, dat hij in het vuur des toorns, waarin de vergeving plaats vond, geboren is met de vooropgezette bedoeling van God, dat dit zo gebeuren zou. Neen; want de verdorven aarde staat niet temidden van het vuur des toorns van God.

Slechts de uiterlijkheid, de uiterlijke verschijningsvorm, die zo hard, zo droog en bitter is, is daaraan onderworpen. Waarbij een ieder wel bemerken kan, dat de boosheid en het vergif niet in de liefde Gods kunnen wonen, anders zou het geen liefde zijn. Neen, in de liefde Gods is enkel zachtmoedigheid. Ik zeg niet, dat de mens zondeloos en heilig door de moeder ter wereld wordt gebracht, maar niet is het waar, dat zoals de boom is, ook de vrucht is. Het is dus niet aan God te wijten, wanneer een moeder een onheilig kind baart, maar aan haar eigen zonde. Wanneer evenwel een wilde loot in een goede akker wordt geplant en goed verzorgd wordt en bemest, zo groeit er een goede boom uit de twijg, hoewel deze wild was, want hier is alles mogelijk. Toch verkeert menigmaal het goed eerder in kwaad, dan het kwaad in goed. Een ieder mens is vrij, als 't ware zijn eigen God. Hij kan in dit leven toorn uitstralen of licht. En welk kleed hem omhangt, naar dat kleed wordt hij beoordeeld. Welk lichaam hij in de aarde zaait, een dusdanig lichaam zal ook worden opgewekt, alhoewel in andere vorm en verklaard, maar geheel naar de aard van het zaad, dat gezaaid werd. Want zo de aarde geheel van God verlaten zou zijn, zo zou zij nimmer een goede vrucht dragen; maar alleen boze vruchten. Dewijl echter de aarde nog leeft en bestaat door Gods liefde, zo zal de toorn niet eeuwig branden, maar de liefde, die heeft overwonnen zal liet vuur des toorns t-, niet doen. Alsdan zal de hel, waar zich de liefde van de haat zal afscheiden, beginnen te branden. In deze wereld echter zijn liefde en toorn in alle schepselen dooréén geweven. Wat nu in de strijd de overwinning behaalt, is de erfenis, die overblijft, hetzij het Hemelrijk, hetzij het rijk der hel. Daarmee wil ik nog niet zeggen, dat de dieren het Hemelrijk zullen beërven, want zij behoren bij de verdorven aarde met al haar goedheid en boosheid; zo zij echter uit de moederaarde voortkomen, zo zijn zij uit de aarde aards. Daarom zal ook in een goed dier de Salniter niet de duivel ten eigendom worden gegeven, maar hij zal eeuwig in Gods natuur groeien en bloeien. D.w.z. hun verschijning zal een afschaduwing zijn van de wonderen en de eeuwige magie op deze aarde en andere Hemelse verschijningen voortbrengen. Maar de Salniter, die verborgen is in de boze dieren zal, vol van de toorn Gods, eeuwig boze en verderfelijke vrucht voortbrengen. Want wanneer de aarde aangestoken wordt, zo brandt het vuur des toorns, maar het licht schijnt in de liefde. Dan zal er scheiding komen tussen deze beiden en zij zullen elkander niet meer kunnen verstaan. In deze tijd echter heeft alles een tweevoudige bron. Wat ge hier in de geest zaait, zij het met gedachten, woorden of werken, dat zult ge ook hebben en dat zal uw woning voor immer zijn. Zo kunt ge hieruit ook opmaken, waaruit de aarde en de stenen voortgekomen zijn. Zo echter deze zelfde Salniter in het ganse gebied van deze wereld zou zijn gebleven, zo zou alles geweest

zijn als een donker dal, want het Licht zou mede, in de derde geboorte, gevangen zijn gehouden. Het Licht van het Goddelijk Hart is niet gevangen gehouden in de innerlijke geboorte, maar het uiterlijke licht. Dewijl echter de gehele ruimte, het gehele gebied, wegens de verdorven Salniter der aarde en de stenen zeer donker was, zo kon de godheid dit niet verdragen, maar hij voegde aarde en stenen tot een klomp tezamen. Daarover schrijft Mozes in 1 Gen. 1 : 1 : In den beginne schiep God Hemel en aarde. Deze woorden moet men goed beschouwen en overdenken, wat zij te betekenen hebben. Het woord am = in, wordt in het hart geboren en vindt zijn weg, tot het de lippen bereikt. Daar wordt het gevangen gehouden en gaat, vol klank, terug naar de plaats van uitgang. Dat wil zeggen, dat het geluid, de klank is voortgekomen uit het Goddelijk Hart en het gehele gebied dezer wereld heeft omvat. Toen het echter boos bevonden werd, is het wederom teruggekeerd naar zijn plaats van uitgang. Het woordgedeelte: an = aan wordt vanuit het hart door de mond naar buiten gestoten en klinkt lang na. Wanneer men het uitspreekt, zo wordt, midden in het uitspreken, door het verHemelte, een druk uitgeoefend, waardoor het afgestoten wordt. Het woord is dus half binnen, half buiten de mond. Dat wil zeggen, dat het hart van God een afkeer van de vernietiging en het verderf heeft gehad en het verdorven wezen van zich heeft gestoten, maar het toch wederom, in het centrum, in het hart heeft gevat en het heeft vastgehouden. Zoals de tong het woord als 't ware in tweeën deelt en het, half binnen en half buiten de mond zijn plaats vindt, zo wil ook het Goddelijk Hart de ontstoken Salniter niet geheel verwerpen, maar alleen de boosheid en de duivelse lusten en het andere zal, na deze tijd, wederom worden opgebouwd. Het woord fang = vang, vindt snel zijn weg van het hart naar de mond, waar het de mond verlaat. Het wordt achter in de mond, waar de tong wortelt, door het verHemelte vastgehouden en wanneer het los gelaten wordt, zo vaart het snel vanuit het hart naar de mond en uit de mond. Dat beduidt de snelle uitstoting van de boosheid der duivelen, tezamen met de verdorven Salniter; want de sterke en snelle Geest stoot de adem met geweld van zich en behoudt toch de juiste toon, de klank van het woord of de uitspraak achteraan bij het verHemelte. Die juiste toon of klank is de juiste geest van het Woord. Dat betekent, dat de boosheid en verdorvenheid voor eeuwig uit het Licht Gods verstoten werd, maar de innerlijke geest, die tegen zijn wil ook aangedaan is met boosheid, zal wederom naar zijn plaats van uitgang terugkeren. De laatste lettergreep fang - beduidt, dat de innerlijke geesten door het verderf ook niet geheel rein meer konden blijven, en deswege zuivering en loutering, als door het vuur, behoeven, hetgeen aan het einde van deze bedeling geschieden zal. Het woord: schuf = schiep wordt gevormd boven en onder de tong, en

veroorzaakt, dat de tanden, in onder- en bovenkaak tezamen komen en zo wordt het woord ook als 't ware tezamen gedrukt; en wanneer het woord is gevormd en uitgesproken, zo gaat de mond snel weer open. Dat beduidt het sterke samentrekken van de verdorven Salniter der wrange kwaliteit, tot een gehéél, één klomp, want de tanden houden het woord gevangen en laten de geest, tussen de tanden, langzaam naar buiten treden. Dat betekent, dat de wrange, zure kwaliteit de aarde en de stenen stevig bij elkander houdt, en de geesten der aarde uit de geest der wrangheid laat groeien en bloeien, hetgeen wedergeboorte en wederbrenging van de geesten der geesten van de aarde betekent. Dat echter de mond, na het uitspreken van het woord, snel weder wordt geopend, heeft te maken met de ruimte rondom de aarde, en wel dit, dat God de Heer daar Zelf wonen wil en Zijn heerschappij aldaar wil uitoefenen en de duivel, als gevangene, in het vuur des toorns wil werpen. Het woord God wordt gevormd midden op de tong en wordt uit liet hart naar buiten gestoten. Daarna laat het de mond geopend en blijft op zijn koninklijke zetel en zendt zijn klank uit naar buiten en ook naar binnen; wanneer echter het woord is uitgesproken, dan ontstaat er nog een druk tussen de boventanden en de tong. Dat beduidt, dat toen God Hemel en aarde, daarnevens alle schepselen geschapen had, Hij op zijn goddelijke, eeuwige en almachtige troon is gebleven en deze niet verlaten heeft en dat alleen hij alles is. De laatste klemtoon heeft betrekking op de scherpte van Zijne Geest, waarmede Hij onmiddellijk alles naar Zijn wil volvoert. Het woord Himmel = Hemel wordt in 't hart genoemd en eindigt bij de lippen, die dan gesloten worden na de eerste 'lettergreep. De lettergreep mel opent de 'lippen weer en bevindt zich midden op de tong en de geest treedt aan beide zijden der tong naar buiten. Dat beduidt, dat de innerlijke geboorte een geheimenis is voor de uiterlijke, natuurlijke geboorte door de vreselijke zonden en dat de innerlijke geboorte dus ook evenmin door de uiterlijke begrepen kan worden. Wijl dit woord echter een woord is met twee lettergrepen en de tweede lettergreep: mel, de mond weer opent, zo wil dat zeggen, dat de poorten der goddelijkheid wederom geopend zijn geworden. Dat later de tweede lettergreep: mel, op de tong gevormd, door het geHemelte wederom wordt vastgehouden, betekent, dat God aan dit verdorven koninkrijk weder een koning of grootvorst wil geven, die de innerlijkheid, het eigen wezen der Godheid wederom zal openbaren en daardoor de Heilige Geest van beide zijden, d.w.z. uit de innerlijke diepte des Vaders en des Zoons in deze wereld wil uitzenden, opdat deze wereld door de nieuwe koning als nieuw geboren zal zijn. Het woord: und = en vormt zich in het hart en wordt door de tong in het bovengedeelte van de mond gevangen gehouden. Wanneer de tong weer

wordt losgelaten, zo ontstaat er nog een druk vanuit het hart naar de mond. Dit stelt voor het onderscheid tussen de heilige en de aardse geboorte. Het woord verlaat het hart snel, maar wordt met de tong tegen net verHemelte vastgehouden, zodat men niet verstaan kan welk woord het is. Dat beduidt, dat de aardse en verdorven geboorte de innerlijke geboorte niet kan verstaan, maar zij is vol dwaasheid en onbegrip. De laatste druk, die uitgaat uit het hart, beduidt dat de aardse geboorte wel met de innerlijke geboorte van één hoedanigheid is, wat betreft het stoffelijke, het zinnelijke, maar dat zij deze niet kan verwerkelijken. Daarom is dit woord als 't ware stom, onbetoond; het heeft geen “zin” en wordt slechts gebruikt, om onderscheid aan te geven. Het woord: Erden = aarde ontspringt in het hart en vormt zich achter in de mond boven de tong, bij het achtergedeelte van het verHemelte, waar het siddert, trilt. Voor de eerste lettergreep is echter de tong niet nodig. Dan legt zij zich neer in de onderkant van de mond en verschuilt zich daar als voor een vijand. De andere lettergreep: den = de wordt door de tong tegen het bovengeHemelte aangedrukt en laat de mond open en de geest der vorming verlaat de neus, in plaats van de mond. Al gaat er wellicht een klein gedeelte door de mond, het grootste gedeelte van datgene, wat naar buiten treedt, gaat via de neus. Dit is van grote beduidenis. Het woord: er = aar veronderstelt de ontstoken wrange en bittere kwaliteit, de ernstige toorn Gods, die siddert achter in de mond; de tong is daarvoor bevreesd en legt zich plat neer in de onderkaak. Het woord den = de wordt wederom op de tong gevormd en de geest onttrekt de kracht aan het woord en treedt langs een andere weg, langs de neus, er mede naar buiten; ook vaart hij daarmede naar de hersenen voor de koninklijke vierschaar. Dat wil zeggen, dat de Salniter der aarde voor eeuwig van Gods Licht en Heiligheid verstoken is. Dat evenwel de geest de kracht van het woord in zich opneemt, en langs een andere weg naar buiten treedt, wil zeggen, dat God het hart der aarde uit de boosheid wil uitheffen en tot zijn lof voor eeuwig wil bestemmen. Hij wil de kern, het beste, de goede geest uit de aarde doen te voorschijn treden en tot zijn eer en heerlijkheid tot vernieuwing en wedergeboorte voeren. O mens, bezint u, welk zaad ge in de aarde zaait. Hetgeen ge zaait, dat zal ook opkomen, bloeien en vrucht dragen, hetzij in liefde of in toorn. Wanneer echter het boze zal worden gescheiden van het goede, zo zult ge naar dit leven, naar dat wat ge in dit leven geleefd hebt, hetzij in de Hemel of in het helse vuur. Uw ziel zal daar heen varen, waarnaar ge thans hebt gestreefd. Of zoudt ge menen, dat ik dit uit mij zelven bedacht heb? Waarlik, neen, maar de geest heeft ten tijde van mijn beschrijving gearbeid en is opgegaan in de diepte der goddelijke dingen. Daardoor ben ik tot dit inzicht gekomen en niet temidden van grote aardse vreugden, maar temidden van angst en droefenis. Want wat ik terwille van dit alles heb moeten lijden

van de duivel en zijn trawanten, welke zowel in mijn eigen wezen als in alle andere mensen nog zetelt, dat kunt ge onmogelijk verstaan. Zo de filosofen en de doktoren niet altijd vol hovaardij waren geweest, maar zouden acht hebben geslagen op hetgeen profeten en apostelen geleerd hebben, zo zouden er in de wereld andere inzichten en een andere filosofie heersen. Om dit alles uit te dragen ben ik te zwak en heb ik te weinig geleerd, ook ben ik niet goed ter tale, maar dat neemt niet weg, dat het inzicht mij niet ontbreekt. Ik kan het alleen niet met voldoende gewicht en met veel sierlijkheid aan de dag brengen. Maar ik heb genoeg aan mijn gave en ik wil een filosoof der eenvoudigen zijn.

Over de schepping van het Licht in deze wereld. Sluit uw lichamelijke ogen, want zij zijn u bij de overdenking van deze dingen van weinig nut. Open de ogen uwer ziel, zodat ik u de schepping Gods tonen kan. Toen God de verdorven Salniter der aarde en der stenen, welke in de uiterlijke geboorte door ontsteking tot stand waren gekomen, tot een klomp had samengedreven, zo was de derde geboorte in de natuur in de ruimte boven de aarde nog niet rein en klaar, nademaal de toorn Gods nog daarin brandde. En hoewel de innerlijke geboorte licht en helder was, zo kon toch de uiterlijke geboorte, die nog lag onder de vloek van Gods toorn, haar niet doorgronden. Deze was vol duisternis. Mozes schrijft ook: “En duisternis was op de grond.” 1 Genesis 1 : 2. Het woord op beduidt de uiterlijke geboorte en het woord in beduidt de innerlijke geboorte. Zo echter de innerlijke geboorte duister ware geweest, zo zou de toorn Gods eeuwig in deze wereld verzonken zijn gebleven en nooit zou het licht zijn geworden; zo evenwel heeft de toorn niet in Gods hart gezegevierd. Daarom is Hij een goede, barmhartige, reine, zachtmoedige, vriendelijke God en Zijn liefde ontspruit uit Zijn Hart en doordringt de uiterlijke geboorte, waar nog de toorn verblijf houdt en blust dien; daarom staat er geschreven: “Er zij licht.” Het woord sprak is uitgesproken op menselijke wijze; gij filosofen, opent uwe ogen en ik zal u in mijn eenvoud de sprake Gods leren en ge zult verstaan, welke de diepte daarvan is. Het woord sprak wordt gevormd tussen de tanden; deze sluiten zich op elkander en de geest verlaat de mond tussen de tanden”door. De tong wordt in het midden omgebogen en van voren spitst zij zich, alsof zij fluisterde, wat er voor geluid is en alsof zij vreesde daarvoor. Wanneer echter de geest het woord vormt, zo doet hij de mond dichtgaan en vormt het verdere gedeelte van het woord aan de achterzijde van het verHemelte

boven de tong, temidden der bittere en wrange kwaliteit. Dan schrikt de tong en legt zich neer tegen de onderkant van de mond. Daarna verlaat de geest, vanuit het hart, sterk en machtig als een koning de mond en vervult de gehele mond en ook buiten de mond blijft zijn invloed nog gelden. Hij maakt een lange lettergreep als een geest, die de toorn heeft gestild. Hij blijft dan op de plaats waar hij geboren is en laat de geest der zachtmoedigheid naar buiten treden vanuit het hart. Dan blijft hij doorklinken en helpt het woord vormen, terwijl hij steeds op de zelfde plaats blijft, als een gevangene, die vol van verschrikking is. Dit is een groot geheimenis. Merk hier de betekenis op van deze dingen. Wanneer ge deze begrijpt, zo verstaat ge de Godheid. Zo niet, dan zijt ge blind naar de geest. Oordeelt niet of ge zult u te pletter lopen tegen een sterke muur en ge zult gevangen genomen worden door het vuur des toorns en eeuwig daarin blijven. Ziet, mensenkind, welk een Hemelpoort, hellepoort, aardepoort, ja een poort tot de Godheid zelf, de geest voor u opensluit. Ge moet u niet voorstellen, dat God te dien tijde op menselijke wijze gesproken heeft; dat het slechts een onmachtig, menselijk spreken geweest is. Het menselijke woord heeft wel dezelfde vorming, verhoudingen, kwaliteit en bekwaamheid. Maar de mens verstaat het niet immer. Dit verstand echter is edel en kostbaar, want het is geboren uit het inzicht, dat geopenbaard is door den Heiligen Geest. Gods Woord echter, dat Hij toenmaals met kracht gesproken heeft, heeft Hemel en aarde en aller Hemelen Hemel, ja de ganse godheid omvat. Allereerst wordt het gevormd tussen de gesloten tanden en het geeft een sissend geluid, hetgeen betekent, dat de Heilige Geest bij de aanvang der schepping door de harde, gesloten muur der geboorten, gevaren is. Want er staat geschreven: “En duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.” De afgrond, de diepte of ruimte stelt voor de innerlijke geboorte en de duisternis beduidt de uiterlijke, verdorven geboorte; het water beduidt de zachtmoedigheid des geestes. Dat de geest tussen de tanden naar buiten treedt met een sissend geluid, wil zeggen, dat de geest uit het Hart van God, door de toorn heen gevaren is. Dat de tanden gesloten blijven, terwijl de geest uitwijkt, wil zeggen, dat deze toorn den Heiligen Geest niet begrepen heeft. Dat de tong zich neerlegt tegen de onderkant van de mond en van voren zich spitst en zich niet bij het sissen laat gebruiken, beduidt, dat de uiterlijke geboorte, tezamen met alle schepselen die zich daarin bevinden, den Heiligen Geest, die uit de innerlijke geboorte, uit het Hart Gods uitgaat, niet begrijpen en niet tegenhouden of weren kunnen, al zouden zij alle macht daartoe aanwenden. Want Hij laat zich niet tegenhouden door gesloten kamers of muren, neen, door niets. Hij laat zich niet opsluiten,

hoewel de tanden gesloten zijn, opdat het Hem belet zou worden. Dat de lippen geopend zijn, wanneer de Geest door de tanden naar buiten treedt, betekent, dat Hij, door het verlaten van het Hart Gods en het betreden der schepping, de poorten des Hemels wederom ontsloten heeft en door de poorten des goddelijke toorns is gegaan. Hij heeft de toorn Gods verzegeld en de duivel opgesloten in zijn toornvuur, zodat hij voor eeuwig daarin blijven moet. Verder beduidt het, dat de Heilige Geest een open poort heeft in deze wereld vol haat en Zijn werk aldaar verricht, onbegrepen door de hellekrachten. Hij verzamelt een heilig zaad ten eeuwigen leven, gans onbegrijpelijk voor de krachten der hel en ook gans en al niet naar de wil van die krachten. Zoals de Geest uitgaat door de tanden en de tanden zich toch niet bewegen en de wil des Geestes niet begrijpen kunnen, zo bouwt de Heilige Geest zonder dat de duivel het begrijpen kan, zonder ophouden aan een heilige tempel in het huis dezer wereld. Dat het woord sprak in het achtergedeelte van het verHemelte boven de tong temidden der zure en bittere kwaliteit wordt gevormd, wil zeggen, dat God temidden van het woeden en tieren van de Satan, in deze wereld een huis heeft opgericht tot zijn eer, waarin hij wonen kan met Zijnen Heiligen Geest, zoals de geest vanuit het Hart sterk en machtig naar buiten treedt bij het uitspreken van het woord sprak, zo heerst ook de Geest Gods in de uiterlijke geboorte dezer wereld en bouwt een tempel, onbegrepen door het huis des toorns. Dat de zure en bittere geest zo woedt en zich te weer stelt, wanneer de Geest van het hart uit gaat en heerst vol geweld, beduidt, dat de toorn Gods tezamen met de duivelen tegenovergesteld is aan de liefde; dat zij beiden, gedurende deze gehele bedeling met elkander worstelen en strijden, als twee 'legers. Dit is dan ook de oorsprong van alle strijd tussen mensen en dieren in deze wereld. Dat de zure en bittere kwaliteit mede het woord vormt, terwijl toch de geest van het Hart het woord uitspreekt, wil zeggen, dat alle schepselen, welke door het woord tot aanzijn zijn gekomen zoals de vogels, de vissen, de wormen, het kruid en het gras, de bomen en de heesters, boos en goed tegelijkertijd zijn; in hen alle woont, naast de Liefde Gods ook de verdorvenheid, hoewel uiteindelijk alles toch door de Geest der liefde bestuurd wordt. Deze beide krachten zullen strijd met elkander voeren. Daardoor zal dan, in menig schepsel het vuur des toorns zo fel branden, dat het lichaam, met den Geest eeuwigdurend een Salniter des toorns in de hel geven zal. De Geest, die in het hart geboren wordt, moet door de poorten der hel gaan en kan zeer gemakkelijk ontstoken worden; het is er mee, als met hout en vuur; als ge dit niet blust, dan brandt het. O mens, gij werd niet zoals de dieren geschapen door het woord; boos en goed. Had ge niet van

het goede en van het kwade geproefd, zo zou het vuur des toorns niet in u branden, maar dan zoudt ge ook een dierlik lichaam gekregen hebben. De liefde Gods zij nu barmhartig over ons, het kwade is geschied. Dat zich, na het vormen van het woord, in de wrange en bittere eigenschap de mond zich wijd opent, en de twee geesten, die der wrange en bittere kwaliteit en de geest van het hart, beduidt, dat de schepselen in grote angst en in grote moeilijkheden zullen leven en zich niet in een lichaam, maar in twee lichamen zullen kunnen uitdrukken. Want de wrange en bittere eigenschap ontneemt de Geest des Harten de kracht en gordt zichzelve niet die kracht. Daarom is de natuur in de geest des harten zo zwak geworden en daarom heeft de natuur de man en de vrouw geschapen. Het genoemde heeft ook betrekking op de goede en de boze wil in de natuur, en in alle schepselen. Daardoor ontstaat een gestadig worstelen, strijden en doden, dat de wereld maakt tot een waar jammerdal, vol van kruisdagen, vol van moeite en arbeid. Want toen de Geest der Schepping is verschenen, heeft hij te midden van het hellerijk de schepping moeten formeren. Dewijl dan nu de uiterlijke geboorte in deze wereld tweevoudig is, d.w.z. boos en goed, zo is er een gestadig pijnigen, jammeren en klagen en alle schepselen moeten zich in dit leven wel 'laten martelen en deze wereld heet terecht een moordhol des duivels. Dat de zure en bittere geest achterin de mond, op de tong op dezelfde plaats blijft en door het woord mede de mond verlaat en niettegenstaande dat, toch niet van daar kan gaan, wil zeggen, dat de duivel en de toorn Gods in alle schepselen wel regeren, maar toch niet oppermachtig zijn in hen. Hij zal in zijn gevangenis blijven en alle schepselen belagen. De zachte geest des harten breekt door de wrange en bittere eigenschap heen - en overwint deze; al wordt hij door deze gedaante aangedaan, hij komt toch als overwinnaar wederom te voorschijn. Wanneer hij echter vrijwillig zich zou laten vangen en niet zou strijden, zo zou hij schuld dragen. Zo is het ook niet de schepselen, die maar voortdurend in het vuur van de hel zaaien en oogsten willen, in 't bijzonder is het zo met de mens, die leeft in gestadige hovaardij, gierigheid, nijd en toorn en nooit daartegen strijden wil. De toorn Gods en het vuur der hel roepen zij over zich op, naar lichaam en ziel. Dat de tong zich onder in de mondplaat neerlegt, wanneer het woord naar buiten gaat, heeft te maken met de Animalische Geest der schepselen, de zielegeest in 't bijzonder van de mensen. Het woord, dat in het bovengedeelte van de mond gevormd wordt, en van een hoedanigheid is met de wrange en bittere geest, stelt voor de zeven geesten der natuur of de siderische geboorte, waarin de duivel regeert en waarin de Heilige Geest de duivel tegentreedt en hem overwint. De tong stelt de ziel voor; deze wordt geboren uit de zeven geesten der natuur en is dus haar zoon;

wanneer de zeven geesten nu dit willen, zo moet de tong zich volgens hun verlangen bewegen en doen wat zij wensen. Wanneer nu de Luciferische geesten niet met de duivel heulen, zo houden zij de zielegeest gevangen. Hier hebt ge nu een korte en waarachtige inleiding van liet “Woord”, hetgeen God heeft gesproken, volgens het inzicht des Geestes juist beschreven en naar de mate van mijn gaven medegedeeld. Nu is de vraag: Wat heeft God gesproken? Hij sprak: “Er zij licht en er was licht.” Het licht is uit de innerlijke geboorte naar buiten getreden en heeft de uiterlijke geboorte lichtend gemaakt. Daardoor heeft de uiterlijke geboorte een natuurlik, eigen licht gekregen. Ge moet niet denken, dat het licht der zon en der natuur hetzelfde is als het Hart Gods, dat in het verborgene, licht uitstraalt. Neen, ge zult het licht der natuur niet aanbidden, want het is niet het Hart Gods, maar een licht, hetwelk ontstaat door de vetheid van het zoete water en door de werking der andere geesten in de derde geboorte en daaraan zijn kracht ontleent. Deze derde geboorte noemt men niet “God”, hoewel zij in God en uit God is. Toch is het licht der natuur een werktuig Gods. En God is ook niet van de natuur gescheiden, neen, zij beiden zijn als één lichaam en één ziel. De natuur is het lichaam; het Goddelijk Hart is de Ziel. Nu zou iemand kunnen vragen: welk licht is het dan geweest, dat ontstoken werd? Zijn het de zon en de sterren geweest? Neen, de zon en de sterren zijn eerst uit datzelfde licht geschapen geworden op de vierde dag. Het is een licht, dat opgegaan is in de zeven geesten der natuur, het heeft geen eigen verblijfplaats gehad, maar het heeft overal geschenen, maar niet zo helder als de zon, maar zoals het blauw des Hemels, en van een lichtsterkte, overeenkomstig de hoedanigheid der Oergeesten, totdat hierna de eigenlijke schepping en ontsteking van het vuur, in het water in de geest der wrangheid, der zuurheid, met de zon gevolgd is.

HOOFDSTUK XIX.
Over de Hemel en de gestalte der aarde en van het water, over het licht en de duisternis over de Hemel. De ware Hemel, welke onze menselijke, eigen Hemel is, waar de ziel henen vaart, wanneer zij afscheid neemt van het lichaam en waar Christus onze Koning heengegaan is en vanwaar hij ook, van Zijnen Vader, gekomen is en geboren en als een mens in de maagd Maria tot vlees is geworden, deze Hemel is de kinderen der mensen verborgen geweest en de mensen hebben hierover allerlei meningen gehad. Ook de geleerden

hebben hierover veel geschreven en hebben elkander hevig bestreden. Hierdoor werd de Heilige Naam Gods schande aangedaan; Zijn leden werden verwond; Zijn Tempel verstoord en de heilige Hemel is door deze laster en vijandschap ontheiligd geworden. De mensen hebben ten allen tijde en allerwege gemeend, dat de Hemel vele honderden of duizenden mijlen van deze aarde verwijderd is en dat alleen God in de Hemel woont; ook hebben vele natuurkundigen het gewaagd, de afstand te meten en zij hebben zeldzame dingen geopenbaard. Zelfs heb ik het zelf, vanwege mijn inzicht en hetgeen aan mij werd geopenbaard, er voor gehouden, dat dit alleen de ware Hemel zou zijn, welke zich met een ronde boog, lichtblauw uitstrekt hoog boven de sterren, in de mening, dat God alleen daar woont en in deze wereld slechts regeert door de kracht van Zijn Heiligen Geest. Dewijl ik echter door deze opvattingen menig schok heb gehad, zonder twijfel door dien Geest, die daarin behagen had, zo ben ik eindelik in een grote zwaarmoedigheid en treurigheid geraakt, toen ik de geweldige ruimte dezer wereld, de zon en de sterren, de wolken, de regen en de sneeuw aanschouwde, en in mijn geest de gehele schepping dezer wereld overdacht. Toen vond ik in alle dingen het goed en het kwaad; liefde en haat in de redeloze schepselen zowel als in de mensen, ja zelfs in de aarde, de elementen, in hout en in stenen. Daarna overdacht ik de kleine menselijke levensvonk. Wat betekende zij ten opzichte van de grote werken van God, die werken, die betreffen het scheppen van de Hemel en van de aarde. Dewijl ik echter bemerkte, dat in alle dingen het boze en het goede aanwezig is, en dat het in deze wereld de goddeloze even goed gaat als de vrome; ook dat de wilde volkeren de vruchtbaarste en schoonste landen bewonen en dat het geluk voor hen bereikbaarder was dan voor de vromen, zo werd ik zeer bedroefd, en niets was in staat mij te troosten. Daarover zal de duivel zich zeer zeker hebben verheugd, die mij dan ook menigmaal de heidense gedachten, die ik hier verzwijgen zal, heeft ingeprent. Toen zich echter, te midden van deze droefenis mijn geest waarvan ik weinig of niets begreep, ernstig tot God verhief en mijn gehele hart en gemoed, als in een grote storm, met alle andere gedachten en met al mijn willen zich er toe zette, deze dingen te verslaan, zonder daarbij na te laten met de liefde en de barmhartigheid Gods te worstelen om te overwinnen, toen zegende Hij mij, d.w.z. hij verlichtte mij met Zijn Heiligen Geest, opdat ik Zijn wil zou mogen verstaan en verlost zou worden van mijn droefenis. Alzo brak de geest door. Toen ik echter in mijn grote ijver zo zeer jegens God en alle hellepoorten woedde, als waren er in mij nog meer krachten aanwezig, hetgeen ik waarlik niet zou hebben gekund zonder de bijstand van den Geest van God, zo is weldra, na menige verwoede krijg mijn geest door de poorten der hel tot in de meest innerlijke geboorte der Godheid doorgedrongen en daar met liefde

ontvangen, zoals een bruidegom zijn geliefde bruid tegentreedt. Welk een triomf dit geweest is, kan ik niet beschrijven of mededelen; het laat zich ook niet met iets anders vergelijken als. slechts met dit beeld: Het leven, dat midden in de dood geboren wordt; het is ook te vergelijken met de opstanding uit de dode. In dit licht heeft mijn geest al spoedig alles kunnen doorzien en hij heeft aan alle schepselen, aan het kruid en aan het gras God herkend en het is hem duidelijk geworden, wie God is, hoe God is en wat Zijn wil is. Ook is aldra in dit licht mijn wil gegroeid en ik heb een intense behoefte gevoeld het Wezen Gods te beschrijven. Dewijl ik echter de diepe en innerlijke geboorte Gods in hun in-eigen wezen niet begrijpen kon en ook met mijn verstand niet doorvorsen kan, zo heeft het jaren geduurd, alvorens mij het juiste begrip deelachtig werd. Het is er mee gegaan als met een jonge boom, die men in de aarde plant. Deze is in de aanvang jong en teer en zijn aanblik verheugt ons, in 't bijzonder, wanneer hij voorspoedig opgroeit. Hij draagt echter niet dadelijk vruchten, en al bloeit hij ook, zo vallen de bloesems toch af, want er komt menigmaal een koude windvlaag, vorst of sneeuw te dragen, die over hem heen gaan, vóór hij opgroeit en in staat is vruchten te dragen. Zo is het met deze Geest ook gegaan. Het eerste vuur was slechts het zaad; nog niet een voortdurend bestendig licht. Sinds dien heeft menige koude wind over dat zaad gewaaid. Deze boom heeft ook menigmaal getracht, vruchten te dragen na de bloeitijd, maar de bloesems zijn van de boom afgeslagen tot nu toe. En daar staat hij nu, al groeiend, met zijn eerste vruchten. Van dit Licht nu ontving ik mijn inzicht, mijn willen en mijn stuwkracht en over dit inzicht en deze kennis wil ik, naar de mate van mijn gaven, schrijven. Ik wil God laten besturen, al zou ik ook daarmede de toorn opwekken van de wereld, de duivel en alle hellepoorten en ik wil opmerken wat Gods bedoeling in deze dingen is. Want Zijn bedoeling te kennnen, daartoe ben ik te gering, hoewel de geest enkele dingen die nog in de toekomst verborgen liggen, in dit Licht tot mijn kennis heeft gebracht. Naar de uiterlijke mens echter ben ik veel te zwak en te gering, dit te verstaan. Maar de ziele-geest, welke van één hoedanigheid is met God, verstaat het niet; het dierlijke lichaam echter vangt slechts een flauw beeld ervan op, evenals men slechts een indruk krijgt van iets, wanneer het weerlicht. Zo is het met de innerlijke geboorte der ziel, wanneer zij door de uiterlijke geboorte, verlicht door den Heiligen Geest, door de poort der hel vaart; deze poort echter wordt spoedig weer gesloten, want de toorn Gods grendelt de vesting en deze is in Zijn macht. Dan is het inzicht van de uiterlijke mens vervlogen en hij gaat voort in zijn angst en droefenis als een zwangere vrouw, die, wanneer de pijnen komen, gaarne haar kind zou willen baren, maar het niet kan en immer angstig is.

Alzo vergaat het ook het lichaam; wanneer het eenmaal de zoetheid van God gesmaakt heeft, zo hongert en dorst het zonder ophouden daarnaar. Maar de kracht van Gods toorn staat tegenover hem en voert strijd met hem en een mens moet in deze wedloop steeds blijven strijden een kamp. Dit heb ik de lezer tot troost geschreven, opdat hij wellicht zou gaan verlangen met mij het smalle pad te bewandelen. Dat hij dus niet vertwijfele, wanneer hij de poorten der hel op zijn weg ontmoet, d.w.z. de toorn van God. Wanneer zullen wij met elkander over deze smalle weg der vleselijke geboorte wandelende, op de groene weide komen, waar de toorn Gods niet meer is? Alsdan zullen wij ons verlustigen en de geleden schade niet meer gedenken. Het zal zijn, alsof wij een koningskroon dragen. Dit tegenwoordige leven is dan slechts een korte wijl en niet waard, dat men het nog noemt. Wanneer ge uw gedachten over de Hemel samenvat, wat, waar of hoe de Hemel is, zo moogt ge uw gedachten niet instellen op een afstand van duizenden mijlen hier vandaan, want diezelfde plaats of Hemel is niet uw Hemel. En of hij nu al met uw Hemel verbonden is, als waren zij één lichaam, hetwelk zij ook zijn (beide zijn zij het lichaam van God) zo zijt gij toch niet in dezelfde plaats, die honderdduizenden mijlen van hier verwijderd is, tot een schepsel geworden, maar gij zijt dat geworden in de Hemel van deze wereld, die zulk een ruimte en diepte heeft, dat geen schepsel het weten kan. Want de ware Hemel is overal; ook op de plaats, waar gij gaat en staat; wanneer uw Geest de innerlijke geboorte Gods verstaat en door het siderische en vleselijke heen dringt, is hij reeds in de Hemel. Dat is echter waarachtig, dat een reine, schone Hemel, in alle drie de geboorten zich uitstrekt boven de ruimte dezer wereld, in dewelke Gods Wezen, benevens de heilige Engelen, vol schoonheid, zuiverheid en vreugde zich verheft. Dit is onloochenbaar, en hij, die dit ontkent, is niet uit God geboren. Ge moet echter verstaan, dat de ruimte dezer wereld, met zijn innerlijke geboorte, met de Hemel boven ons, van één hoedanigheid is en dat dit één hart, een wezen, een wil, één God, ja alles in allen is. Dat echter de ruimte dezer wereld niet een Hemel genoemd wordt en dat er een afscheiding is tussen de Hemel boven ons en om ons is, dat betekent het volgende. De Hemel boven ons omvat de twee koninkrijken van Michaël en Uriël en al de heilige Engelen, die niet tegelijkertijd met Lucifer ten val gekomen zijn. Aan hen is deze Hemel gebleven, zoals hij van eeuwigheid aan geweest is, alvorens de Engelen geschapen werden. De andere Hemel is deze wereld, waarin eens Lucifer koning was. Hij heeft de uiterlijke geboorte in de natuur ontstoken en dat is nu de toorn Gods en dit kan niet God of Hemel, maar het verderf genoemd worden.

Daarom reikt de bovenste Hemel in zijn uiterlijke geboorte zo ver, als de toorn Gods reikt en zo ver als de heerschappij van Lucifer gereikt heeft. Want de verdorven geboorte kan de reine geboorte niet begrijpen. D.w.z. De uiterlijke geboorte dezer wereld kan de uiterlijke geboorte van de Hemel, die boven deze wereld is, niet verstaan; zij staan tegenover elkander als leven en dood of als een mens tegenover een steen. Daarom is er een afsluitsel tussen de uiterlijke geboorte van de boven-Hemel en deze wereld, want tussen beiden in staat de dood; die heerst overal in de uiterlijke geboorte in deze wereld. Daarmede is deze wereld gegrendeld; er is een grote kloof tussen beiden. En daarom kunnen wij, in onze uiterlijke geboorte, de Engelen niet zien en de Engelen kunnen ook niet bij ons wonen. In de innerlijke geboorte echter wonen zij bij ons. En zo wij met de duivel kampen, zo houden zij zijne slagen tegen in de innerlijke geboorte en zij zijn de toeverlaat der heilige zielen. De andere geboorte van deze wereld is de siderische geboorte, waaruit de derde en heilige geboorte ontstaat, waarin liefde en toorn met elkander strijden. De andere geboorte is aanwezig in de zeven Oergeesten dezer wereld en zij openbaart zich overal, en in alle mensen en in al het geschapene. Nu heerst echter de Heilige Geest ook in de andere geboorte en helpt mede, de derde, heilige geboorte te doen ontstaan. Deze derde is de klare en heilige Hemel, welke, met het Hart van God buiten en boven alle Hemelen als één hart tezamen werkt. Allen tezamen zijn ook één hart, dat deze wereld draagt en in stand houdt en de duivel in het vuur des toorns gevangen houdt als een almachtige en onbegrijpelijke God. En uit dit hart is Jezus Christus, Gods Zoon, in het lichaam van de maagd Maria door alle drie de geboorte heen gegaan opdat Hij door en met Zijn innerlijke geboorte de duivel, de dood en de hel zou gevangen nemen, in de uiterlijke geboorte en de toorn Gods als een koning en Vorst zou overwinnen en krachtens Zijne geboorte in het vlees tot alle mensen zou kunnen doordringen. En door dit ingaan in de innerlijke geboorte des harten van de Hemel dezer wereld, in de siderische en uiterlijke geboorte, is Jezus Christus, Gods en Maria's Zoon, een Heer en Koning van onze Hemel en onze aarde geworden, die in alle drie geboorten heerst over zonde, dood en duivel. En met Hem dringen wij door het zondige, verdorven vleselijke en door de toorn Gods tot in onze Hemel. In deze Hemel zetelt thans onze Koning Jezus Christus ter rechterhand Gods en Hij omvat alle drie geboorten, als een almachtige Zoon des Vaders, die door en in alle drie geboorten in deze wereld op alle plaatsen tegenwoordig is en alles omvat, draagt en behoudt, als de nieuwgeboren Zoon des Vaders vol van macht, zittende op de stoel des grootmachtige en thans verstoten en vervloekte koning Lucifer, de duivel.

Daarom, mensenkind, vreest niet en versaagt niet. Wanneer ge in ernst en ijver uw tranen zaait, zo zaait ge hen niet op aarde, maar in de Hemel, want in uw siderische geboorte zaait ge en in de lichamelijke oogst ge en in de Hemel bezit en geniet ge dit alles. Ge moet u zelve niet door de duivel laten beïnvloeden, maar wanneer hij u slaat, zo slaat gij hem wederom. Want wanneer ge hem bestrijdt, zo verstoort ge zijne woonplaats en dat veroorzaakt een groot oproer, alsof gij een geweldige strijd met hem voerde. En hoewel aan uw lichaam smart wedervaart, zo wedervaart hem meer kwaad. Wanneer hij overwonnen is, brult hij als een leeuw, wie men zijn jongen ontrooft, want alsdan pijnigt hem de toorn Gods. Wanneer ge hem echter herbergt, zo zal hij zich in uw boezem vestigen en u ten slotte overwinnen. Zo hebt ge hier een waarachtige beschrijving van de Hemel en al kunt gij het met uw verstand niet begrijpen, zo kan ik het zeer wel begrijpen. Denkt gij er ook naarstiglijk over, wat God en wie God is. Ge ziet in deze wereld slechts de ruimte, de diepte, die ons omringt en de geboorte der elementen. Zoudt ge nu willen zeggen, dat God daarin niet tegenwoordig is? Wat is er dan te dier plaatse vóór de tijd, dat deze wereld er was, geweest? Wilt ge zeggen, dat er niets was? Wanneer ge dat zegt, zo- spreekt ge zonder verstand; ge moet wel toegeven, dat God aldaar tegenwoordig was, anders zou er immers niets geweest zijn? Is God daar dan geweest, wie heeft Hem verstoten of overwonnen, dat Hij aldaar niet meer is? Is God echter daar nu nog, zo is Hij nog in Zijn Hemel en tevens is Hij daar in Zijn volle Drievuldigheid. De duivel echter heeft het vuur des toorns ontstoken; daardoor zijn de aarde, de stenen en de elementen zo beweeglijk, zo koud, zo bitter en. zo verhit geworden. Hij heeft de uiterlijke geboorte te niet gedaan. Daarover te schrijven en te behandelen, hoe zij wederom levend geworden is en zich zelf steeds opnieuw tot nieuw leven wekt, is mijn taak en voornemen. Ook het dierlijke vlees des mensen wordt veroorzaakt door de duivel en de zonde in het vlees is de toorn Gods. Nu rijst deze vraag: Waardoor ontstaat en waarheen wendt zich de toorn Gods? De Geest geeft daarop antwoord. Aan het einde dezer bedeling zal de duivel na de opstanding der doden, de plaats of de ruimte, waar zich thans onze aarde bevindt, worden toegewezen ten eigendom. Doch niet door alle drie de geboorten, neen slechts door de uiterlijke, welke thans ook alleen bereikbaar voor hem is. De innerlijke echter zal hem in haar macht hebben en houden en tot een voetbank gebruiken; hij zal nimmer deze innerlijke geboorte kunnen verstaan. Dit is niet zó te verstaan, dat het vuur des toorns zal worden uitgeblust, want wanneer dat zo ware, zo zouden de duivelen ook wederom heilige Engelen worden en in de heilige Hemel leven; maar daar dit niet zo is, zo moet de duivelen een plaats in

deze wereld ter woning zijn aangewezen. Werden slechts der mensen ogen geopend! Zij zouden dan overal God zien in Zijn Hemel, want de Hemel staat temidden van de innerlijke geboorte. Daar Stephanus de Hemel geopend heeft gezien en den Heer Jezus Christus ter rechterhand Gods, zo heeft zijn geest zich niet eerst verplaatst in de Hemel boven ons. Neen, hij is doorgedrongen tot de Hemel, d.w.z. tot de innerlijke geboorte; dat is de Hemel die overal is vertegenwoordigd. Ge moet ook niet denken, dat de Godheid een Wezen is, dat slechts in de Hemel boven ons troont. En dat onze ziel, wanneer zij afscheid neemt van het lichaam, naar die Hemel boven ons afreist en zodoende een reis van vele honderdduizend mijlen moet afleggen. Dat is in 't geheel niet nodig, want de ziel wordt tegelijkertijd geplaatst temidden van die innerlijke geboorte, d.w.z. zij is in de Hemel bij God, en zij is als 't ware in God en bij alle heilige Engelen en kan zich nu eens boven, dan weer beneden ophouden; door niets wordt zij vastgehouden. Want in de innerlijke geboorte, in de Hemel, is de Godheid, naar welk aanzicht ook, als één Lichaam, één open poort. De heilige Engelen wandelen zowel in de innerlijke geboorte bij onzen koning Jezus Christus als in hun eigen gebied. En waar zou de ziel des mensen dan liever vertoeven, dan bij haar Koning en Verlosser, Jezus Christus. Want God is nabij en verre als één en hetzelfde. Overal is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De poort der Godheid is in de Hemel niet anders dan in deze wereld. Waar zou grotere vreugde kunnen zijn, dan op de plaats, waar elke stond schone, lieflijke, nieuwgeboren kinderen en Engelen tot Christus gaan, die door de dood het leven hebben verkregen! Deze zullen ontwijfelbaar kunnen spreken van veel strijd, die zij hebben moeten strijden. En waar zou grotere vreugde zijn, dan waar temidden van de dood ononderbroken het leven zich baan breekt! Geeft niet iedere nieuwe ziel blijdschap? Er is dan louter vreugdevolle tegemoetkoming en verwelkoming. Denkt ge, dat, wanneer de ziel der kinderen opvaart naar hun ouders, die hen uit hun lichaam hebben doen geboren worden, dat er dan geen Hemel zou zijn? Of meent ge, dat ik te aards gezind schrijf? Al gebruik ik een aardse tong, zo is toch het verstand, dat de tong doet spreken, Hemels. Over deze dingen zou ik, na mijn uiterlijke geboorte en alleen uit de kracht daarvan, niet kunnen spreken. Ik weet wel, dat deze zaak, betreffende de drie geboorten, niet door het hart van elkeen zal kunnen worden verstaan, vooral niet waar dat hart te aards gezind is en gegrendeld door de uiterlijke geboorte. Ik kan het echter niet anders doorgeven, want het is de waarheid en wanneer ik nu zuiver uit en naar de geest schrijf, zo verstaat het aardse hart dit niet, omdat het te weinig op de geest is afgestemd.

Over de gestalte der aarde. Nietswaardige schrijvers hebben beschreven, dat de Hemel en de aarde uit niets zijn geschapen. Het verwondert me echter, dat onder zulke voortreffelijke mannen er niet één gevonden wordt, die de juiste oorzaak heeft kunnen beschrijven, nademaal toch dezelfde God, die thans leeft, van eeuwigheid af bestaan heeft. Waar nu evenwel niets is, daar kan ook niets ontstaan. Elk ding moet een wortel, een oorzaak hebben, anders kan het niet groeien; zouden de zeven Oergeesten der natuur er niet geweest zijn, van eeuwigheid af aan, zo zou er geen Engel, geen Hemel en ook geen aarde ontstaan zijn. De aarde echter is uit de verdorven Salniter der uiterlijke geboorte ontstaan. Dat kunt ge niet loochenen, wanneer ge de aarde en de sterren aanschouwt! Ge moet toegeven, dat daarin de dood huist; zo dit niet zo ware, zo zou goud noch zilver aanwezig kunnen zijn en kruid noch gras zou er op kunnen groeien. Nu zou iemand kunnen vragen: Zijn dan alle drie geboorten daarin vertegenwoordigd? Ja. Het leven dringt dóór de dood heen. De uiterlijke geboorte is de dood; de andere is het Leven, hetwelk door het vuur des toorns èn door de liefde bestaat. De derde geboorte is het geheiligde Leven. De aarde, naar haar uiterlijke verschijningsvorm is verdorven en dood; dat verstaat ieder mens. De Salniter is echter ook door de toorn teniet gedaan; dit kunt ge niet ontkennen, want ge kunt niet loochenen, dat de toorn Gods in de aarde aanwezig is, anders zou zij niet zo hard, bitter, zuur en vergiftig zijn. En dan zou zij ook niet zulke vergiftige en boze gedierten voortbrengen. Zo ge echter zoudt zeggen, dat Gode deze met voorbedachte rade zo geschapen heeft, zo zou zelfs de boosheid zeggen: zeg mij, waarom werd de duivel verstoten? Ge zult zeggen: wegens zijn hovaardigheid. Hij wilde méér zijn dan God. In welk opzicht? Welk geweld heeft hij gebezigd? Zeg mij; weet gij het? Zo niet, zwijg en hoor toe. In den Salniter der aarde vertoefde hij voor de tijden der Schepping, toen de ruimte dezer wereld nog dun en doorzichtig was en de Hemelse heiligheid slechts bestond en aanwezig was in de ruimte, waar het koninkrijk dezer wereld eens zou wezen. Toen waren daar geen aarde en geen sterren. Er was slechts een Hemels zaad, hetwelk uit de zeven Oergeesten der natuur geboren was. Hemelse vruchten en verschijningsvormen openbaarden zich aldaar, welke dienstig konden zijn tot een vreugdevol spel der Engelen. Toen echter de toorn daarin ontbrandde, zo werd de Salniter teniet gedaan. Dit is echter niet zó te verstaan, dat de

aarde geheel dood zou zijn. Want hoe zou iets in God geheel kunnen sterven? Iets, dat van eeuwigheid aan leven heeft gehad. Neen, de uiterlijke geboorte, het uiterlijk aanzijn is verbrand, bevroren en versteend. De andere geboorte echter doet temidden van die eerste dood wederom nieuw leven geboren worden en de derde geboorte vindt plaats tussen de eerste en de tweede, d.w.z. tussen Hemel en hel, te midden van het vuur des toorns en de geest dringt door in dat vuur des toorns en brengt het geheiligde Leven voort, hetwelk bestaat en stand houdt in en uit der liefde kracht. En in deze zelfde geboorte zullen de doden opstaan, die het heilige zaad gezaaid hebben. Zij echter, die in het vuur des toorns gezaaid hebben, zullen ook opstaan in het vuur des toorns. Want de aarde zal wederom levend worden, nademaal zij God in Christus wederom tot nieuw leven heeft geroepen door Zijn vleeswording en nademaal Christus ter rechterhand Gods zit. Maar het vuur des toorns blijft. Zoudt ge nu zeggen, dat er geen leven in de aarde is, zo zoudt ge spreken als een blinde, want ge ziet toch, dat kruid en gras uit de aarde opgroeit. Wanneer ge nu zoudt zeggen, dat er slechts één soort geboorte zou zijn, zo zoudt ge ook spreken, als één, die niet onderscheiden kan, want het kruid en het hout, hetwelk opwast uit de aarde, is niet de aarde. Ook is de vrucht van de boom niet het hout; ook de kracht der vrucht is niet God, maar God is in het middelpunt der innerlijke geboorte in alle drie natuurlijke geboorten verborgen en wordt niet gekend, dan slechts in de geest der mensen; ook kan de uiterlijke geboorte van de vrucht Hem niet bevallen en vasthouden, maar God houdt de uiterlijke geboorte vast en brengt ze ook tot stand. De andere vraag is deze: Waarom is de aarde zo steenachtig, bergachtig en oneffen? De bergen zijn zo geworden, doordat de verdorven Salniter op die plaatsen zich heeft opgehoopt; want op de ene plaats is meer van dien Salniter aanwezig dan op de andere plaats. Dat is afhankelijk van de Oergeesten Gods en waar zij werken. Op de plaatsen, waar het zoete water het eerst aanwezig was, daar is veel van dat deel der aarde tot water geworden. Waar echter de wrange eigenschap in de bitterheid in Mercurius het eerst aanwezig was, ontstonden veel stenen en daar bleef de aarde ook aarde zonder meer. Waar echter de hitte in het Licht het eerst aanwezig is geweest, daar ontstond veel goud en zilver en menige schone en schitterende edelsteen; vooral waar de liefde in het licht het eerst aanwezig is geweest. Aldaar ontstonden de edelste gesteenten en het zuiverste goud. Toen zich echter de aarde, in één materiële substantie tot een klomp, een bal had verdicht, zo is het water, dat er in aanwezig was, er uitgeperst; waar het echter met de ruwe, wrange kwaliteit in de harde rots ingeperst werd, daar bevindt het zich nu nog in de aarde en het heeft in de loop der tijden letterlik grote openingen veroorzaakt, waardoor het

weg kan stromen. Op de plaatsen, waar grote zeeën en meren zijn, daar is het water van de aanvang af geweest en niet later pas gekomen. En dewijl daar, op die plaatsen, dan niet veel Salniter geweest is, zo werd de aarde een dal en bleef het water daar staan. Want het dunne doorzichtige water zoekt het dal en is deemoedig. Het verheft zich niet, zoals de bittere en wrange kwaliteit en zoals het vuur dat hebben gedaan in de schepselen der duivelen. Daarom zoekt het water steeds de nederigste, laagst gelegen plaatsen op aarde, hetwelk de geest der zachtmoedigheid vertegenwoordigt, waarin liet Leven geboren wordt, hetgeen ge bij de schepping des mensen kunt lezen.

Over de dag en de nacht. De ganse goddelijkheid met al haar krachten en werkingen, met haar eigen wezen, haar opstijgen en doordringen der dingen en haar veranderingen, is de algehele wording, baring. Alles wordt omvat en is begrepen in den Geest des Woords. Zoals de geest het woord vormt en het woord uitzendt, zo is er ook in de natuur een doordringen, opstijgen, worstelen en overwinnen en wel in dezelfde mate. Want toen de mens in de zonde viel, werd hij uit de innerlijke geboorte overgezet in de twee andere, voornoemde geboorten. Deze omvingen hem al spoedig en waren één met hem, alsof de mens hun eigendom was; de mens ontving al spoedig den Geest en alles, wat voortkwam uit de siderische en uiterlijke geboorte. Daarom spreekt de mens alle woorden uit, zoals de natuur het hem ingeeft, want de geest des mensen, die wortelt in de siderische geboorte en van één hoedanigheid is met de ganse natuur, is zoals de natuur zelf. Wanneer hij iets ziet, zo geeft hij dat de naam naar zijn eigenschap. Doet hij dit echter, dan moet hij zich ook in een dergelijke vorm indenken en zich zo gedragen, als datgene, wat hij benoemen wil, zich gedraagt. Dit is de kern van het ganse goddelijke verstand. Ik schrijf dit niet, en ik breng dit ook niet aan het licht, opdat onmiddellijk iemand mij zou naschrijven en het, naar zijn goeddunken, zou openbaren en als heilige waarheid zou uitspreken. Hoort toe. Daarvoor is iets meer nodig. Uw animalische geest moet vooraf met de innerlijke geboorte in God in overeenstemming zijn en in het Licht staan, opdat hij de siderische geboorte juist kan onderscheiden en vrije toegang heeft tot alle drie de geboorten. Anders kunt ge geen heilige en klare filosofie schrijven, maar ge zult bevonden worden een spotter te zijn. Ik wil gaarne aannemen, dat de duivel verheugd zou zijn, wanneer hij slachtoffers zou maken. Menigeen heeft door hem moeten lijden en hij probeert talloze malen, of hij over de mensen kan zegevieren. Maar ik zal niet ophouden, bekend te

maken, wat ik moet bekend maken. Het is nu de tijd, dat de waarheid zich baan zal breken. Wie nu slapen wil, zal toch worden wakker geschud door het grimmige stormweder. Opdat nu een ieder acht geve, wil ik dit alles, naar de wil en de stuwkracht des geestes getrouwelijk mededelen. Mozes schrijft: God heeft het Licht gescheiden van de duisternis en het Licht “Dag” genoemd en de duisternis “Nacht”. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de eerste dag. Dewijl het woord “avond” en het woord “morgen” ingaat tegen alle verstand en filosofie, zo kan men het daarvoor houden, dat Mozes niet de schrijver is van dit schriftgedeelte, maar het is door zijne voorvaderen op hem overgegaan, d.w.z. hij heeft dit beeld overgenomen. Die voorvaderen hebben alle zes scheppingsdagen gezien als een aaneenschakeling van gebeurtenissen, die snel plaats vond en de schepping van Adam in 't kort besproken en het op deze wijze op 't nageslacht overgebracht. Want avond en morgen zijn er niet geweest vóórdat de zon en de sterren er waren, dewelke eerst op de vierde dag zijn geschapen, hetgeen ik bewijzen wil met zekere bewijsstukken, wanneer ik schrijf over de schepping van zon en sterren. Dag en nacht echter zijn er wel geweest; dat wil ik hier verklaren. Ge moet de ogen uws geestes wijd openen, zo ge dit verstaan wilt. Doet ge dit niet, zo zult ge blind blijven. Dit grote werk is tot nu toe voor de mensen verborgen gebleven. Thans zal het God zij gedankt, eindelik dag worden, want het morgenrood breekt door. Het doorbreken der innerlijke geboorte is kenbaar aan het rode, groene en witte van de regenboog. Nu spreekt ge: Hoe kan er dan dag en nacht geweest zijn, terwijl er geen morgen en geen avond was? Over morgen en avond kan alleen gesproken worden in verband met de maan en worden veroorzaakt door het licht van de zon; deze maakt avond en morgen en ook de dag; ook de nacht, dat weet elk mens. Toentertijd waren er evenwel niet twee soorten scheppingen des avonds en des morgens, maar toen avond en morgen ingezet hadden, zo zijn deze ook gebleven.

Over de dag. Het woord dag vindt zijn oorsprong in het hart; het gaat de mond uit door de wrange en bittere eigenschap, die evenwel hierdoor niet wordt aangedaan, maar het gaat van de plaats, waar het gevormd is en die achteraan bij het geHemelte is, naar voren, onbegrijpelijk voor de wrange en bittere eigenschap. Wanneer het woord dag dan op de tong komt, zo sluit de tong met het verHemelte de mond af; wanneer dan de geest de plaats der tanden bereikt en naar buiten wil, zo laat de tong de

mond weer open gaan en wil als 't ware ook naar buiten dringen vol vreugde. Wanneer nu het woord naar buiten breekt, uitgesproken wordt, zo gaat de mond inwendig wijd open, en het woord met zijn klank wordt nog eenmaal tezamen gevat en wekt de zure, wrange en bittere kwaliteit alsof deze slaperiger waren, die in de duisternis sliepen. Dan verlaat het woord de mond. Dan wordt de wrange kwaliteit als 't ware verscheurd, naar buiten getrokken, als één, die uit de slaap wordt opgeschrikt, maar de geest der bitterheid, welke uitgaat van de vuurbliksem, het licht, blijft op zijn zelfde plaats. Hij komt niet in beweging en merkt niets op. Dit zijn belangrijke zaken. Dat de geest zich ten eerste in het hart opmaakt tot zijn tocht en door alle wachten heendringt tot hij de plaats der tong heeft bereikt, beduidt, dat het Licht, uit het hart van God, door de uiterlijke, verdorven, grimmige, dode, bittere en wrange geboorte in de natuur dezer wereld is te voorschijn gekomen, onbegrijpelijk voor dood en duivel. In het evangelie van Johannes staat geschreven in het eerste hoofdstuk: Het Licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Dat echter de tong, met het bovengedeelte van het verHemelte de mond afsluit, wanneer de geest de tong bereikt, beduidt, dat de zeven Oergeesten der natuur in deze wereld ten tijde der schepping door de goddelijke toorn niet waren teniet gedaan, maar levendig en wakker waren, want de tong stelt het leven voor het leven der natuur, waarin de ziele-geboorte of heilige geboorte plaats vindt. Dat echter de geest de tong dan spoedig aandoet, aansteekt, wanneer hij haar bereikt, hetgeen de tong aangenaam is, en haar bijna, vóór de geest, de mond doet verlaten, beduidt, dat de zeven Oergeesten der natuur, welke de siderische geboorten vertegenwoordigen, zoals liet Licht Gods, hetwelk dag heet, zich openbaren, en goddelijk leven en willen ontvangen hebben en vol van vreugde zijn, evenals de tong in de mond. Dat het voorste gedeelte van het verHemelte zich inwendig verwijd en als 't ware ruimte geeft aan de Geest naar Zijn welgevallen, beduidt, dat de gehele siderische geboorte zich ten volle en vol vriendschap in het Licht heeft geopenbaard en de boosheid is niet opgewekt. Dat zich echter de geest, wanneer hij de mond verlaat, eerst nog éénmaal als 't ware tezamen ook op de tong in het achtergedeelte van het verHemelte, en de wrange kwaliteit opwekt als ware hij een slaper en daarna snel de mond verlaat, dit beduidt dat de geest der wrangheid wel is waar alles in de gehele natuur vormen en behouden moet, maar eerst dan, wanneer de Geest des Lichts het geschapen heeft. Dan wekt hij de geest der wrangheid, der zuurheid en geeft het hens, opdat deze het beware en verzorge. En dit moet zo zijn, anders zou er niets lichamelijks kunnen bestaan; zo zou ook de samengevoegde massa, die aarde geworden is en de stenen niet kunnen bestaan en zou er wederom een dikke, duistere en verscheurde Salniter

ontstaan, die in de ruimte rond zweefde. Dit betekent ook, dat deze Salniter ten laatste, wanneer de geest zijn scheppingen en andere werkingen in deze wereld zal hebben volvoerd, ten jongste dage wederom zal worden opgewekt ten leven. Dat de geest gestalte aanneemt en niet de wrange eigenschap wekt, beduidt, dat de natuur het Licht Gods niet zo zonder meer zal begrijpen, maar zich in het licht der genade zal verheugen en door hetzelve opgewekt, de wil van het Licht zal uitdragen, zoals liet dierlijke lichaam der mensen de wil des geestes volvoert en niettemin zijn dit geen twee verschillende zaken. Dat echter de geest der bitterheid zwijgt en het werk des geestes niet hoort en verstaat wil zeggen, dat liet bittere vuur des toorns, hetwelk zijn oorsprong vindt in liet licht des toorns, ten tijde van het ontstaan van het licht en ook later door het Licht zelf niet gewekt wordt en hetzelve niet berijpt. Het ligt gevangen in de uiterlijke geboorte en moet de Geest des Lichts zijn arbeid in de natuur laten verrichten, zoals hij wil, en hij kan de werken des lichts zien, horen, noch verstaan. Daarom denke niemand, dat de duivel de werken des Licht uit zijn hart zou kunnen verwijderen; hij kan ze zien noch verstaan. En of hij nu al in het vlees raast en tiert als in een roofslot, versaagt niet. Breng niet zelf de werken des toorns in uw hart, dat liet Licht moet ontvangen. Zo gij hem weerstaat, zo zal uwe ziel beveiligd zijn voor de dove, stomme en blinde duivel. Ge moet niet denken, dat dit een waan is, waarover ik schrijf. Voor de geest staan de poorten des Hemels, maar ook de poorten der hel open. De geest kan doordringen in heide en aanschouwt ze en kan zich door beide laten leiden, want de siderische geboorte staat tussen beide in en moet zich wel laten verdrukken. En al kan de Salniter mij niet van het Licht beroven, zo kan hij het toch wel menigmaal voor mij onzichtbaar maken door middel van de uiterlijke en vleselijke geboorte. Dat zijn de slagen, waarmede liet mosterdzaad wordt getroffen; hierover spreekt ook de apostel Paulus, wanneer hij zegt, dat hens een doorn in 't vlees werd gegeven. Hij heeft de Heer gebeden, dat Hij hem daarvan verlosse, waarop de Heer hem heeft geantwoord: Mijne genade is u genoeg. 2 Cor. 12, vers 7, 8 en 9. Want hij was ook tot op deze plaats genaderd en zou gaarne het Licht zonder verhindering tot zijn eigendom in de siderische geboorte gehad hebben, maar het mocht niet zo zijn, want de toorn is inherent aan de vleselijke geboorte en moet het verderf in het vlees dragen. Wanneer echter de factor “toorn” uit de siderische geboorte zou worden genomen, zo zou hij aan God gelijk zijn en alle dingen weten, evenals God zelf. Hetwelk nu nog slechts gegeven is aan de ziel, die van één hoedanigheid is met het Goddelijk Licht; zij kan het echter niet geheel en al weer in de siderische geboorte terug brengen, want zij is een ander aanzicht; een andere uiting. Zoals ook de appel ook niet zijn smaak en zijn geur weer kan terug doen

keren in de boom of in de aarde, al is de appel als het ware de zoon, het kind van de boom. Zo gaat het evenzo in de natuur. De heilige Mozes had zulk een inzicht en zulk een belevenis in dit Licht, dat ook liet Licht de siderische geboorte verlichtte, hetgeen te zien was aan het verheerlijkte gelaat van Mozes. Hij begeerde ook het Goddelijke Licht in zijn volkomenheid in de siderische geboorte te zien. Maar dit mocht zo niet zijn, want de grendel des toorns was daarvoor geschoven. Ook kan de natuur der siderische geboorte in deze wereld het Licht Gods niet in bezit nemen. Daarom is het Hart Gods, hetwelk alomtegenwoordig is, en alles verstaat, verborgen. Zo ziet ge, dat de dag vóór de tijd, dat de zon en de sterren een waren, aanwezig was, want toen God sprak: “Er zij Licht' (1 Mozes 1 en 3) is het Licht in de duisternis doorgebroken en de duisternis heeft het niet begrepen, maar is gebleven, wat zij voor dien was. Zo ziet ge ook, hoe de toorn Gods in de uiterlijke geboorte dezer wereld verborgen ligt, en niet kan worden opgemerkt; de mensen zelf wekken hem dan op en zijn van een hoedanigheid, wat betreft hun lichamelijkheid met de toorn, die in de uiterlijke geboorte der natuur is. Daarom, wanneer nu enig mens ter helle vaart, mag hij niet zeggen, dat God dat heeft gedaan; neen, dat ligt aan hem zelf. De mens zelf roept het vuur des toorns in zijn wezen op, hetwelk, wanneer het gaat branden, één wordt met de toorn Gods en het helse vuur. Wanneer uw Licht is uitgeblust, zo staat ge temidden der duisternis en in die duisternis is Gods toorn verborgen; wanneer ge die echter opwekt, zo brandt hij in uw binnenste. In een steen is ook vuur. Maar wanneer men niet op de steen slaat, dan blijft het vuur verborgen. Alleen wanneer men op de steen slaat, springt het vuur te voorschijn. Is er dan iets aanwezig, dat tot voedsel kan strekken voor het vuur, dan brandt het vuur en wordt steeds groter. Alzo vergaat het de mens ook, wanneer hij het verborgen vuur ontsteekt. Over de nacht. Het woord nacht wordt allereerst gevormd in het hart en de geest is in tegenspraak met de wrange eigenschap; hierna komt het woord op de tong; nu sluit de tong de mond af, totdat de geest komt en zich op de tong nederzet. Dan wordt de mond snel geopend en laat de geest naar buiten treden. Dat het woord zich eerstens in het hart vormt en met de wrange kwaliteit in tegenspraak is, wil zeggen dat de duisternis te midden van de zeven Oergeesten een aanvang heeft genomen. Dat hij met de wrange kwaliteit in tegenspraak is wil zeggen dat de duisternis in opstand en afkerig is geweest van den Heiligen Geest, hetgeen den Heiligen Geest heeft bedroefd. Dat hij door de donkere poort gaat, wil zeggen, dat de

geest door de duisternis, die nog in rust is, henen vaart en die tot Licht wekt, wanneer zij met het vuur ontsteekt. Alhier is het noodzakelijk, dat de oordelende wereld eens opmerkzaam toeziet. Zij wil de mens reeds verdoemen, wanneer zij nog in het moederlichaam is. Men weet toch niet, o liet vuur des toorns door de ouders reeds in de kinderen is ontstoken. Ook de Geest Gods werkt temidden der duisternis en Hij kan de duisternis in Licht verkeren. Daarom is het echter heilzaam en nuttig voor de mens, het uur zijner geboorte te weten. Menigeen is het evenwel ook tot schade, dit te weten. Dat de mond zich sluit, wil zeggen dat het ganse gebied van deze wereld in de siderische en ook in de uiterlijke geboorte zeer duister is geweest en daarna Licht is geworden door het uittreden van den Geest. Dat de geest der bitterheid niet opwaakt, terwijl de geest voortvaart beduidt, dat het donkere nacht is in de uiterlijke geboorte dezer wereld. Deze heeft het Licht niet in bezit genomen en zal dat ook in eeuwigheid niet doen. Daardoor komt het, dat de schepselen met de ogen slechts het siderische licht zien, want anders, wanneer de duisternis niet heerste in de uiterlijke geboorte, zou de siderische geest kunnen héén zien door hout en stenen, ja, door de ganse aarde, zodat hij zou kunnen zien hoe het in de Hemel is en hij zou door niets worden tegengehouden. Nu echter is de duisternis gescheiden van het licht en blijft in de uiterlijke geboorte. Hierin is de toorn Gods verzonken tot aan de jongste dag; alsdan wordt het vuur des toorns ontstoken en de duisternis zal het huis van het eeuwige verderf zijn. Hier zullen Lucifer en alle goddelozen, die gezaaid hebben in de akker des toorns, voor eeuwig wonen. De siderische geboorte echter, waarin thans het natuurlijke licht zich bevindt en waarin de heilige geboorte plaats grijpt, zal aan het einde dezer bedeling ook ontstoken worden en zij zal de toorn en de heilige geboorte van elkander scheiden, want de toorn kan de heilige geboorte niet begrijpen. De toorn wordt echter aan het huis der duisternis gegeven in de siderische geboorte. En de toorn zal het helse vuur en het huis der duisternis, hetwelk de uiterlijke geboorte is en de dood genoemd worden en koning Lucifer zal daar God zijn en zijne Engelen, met alle verdoemde zielen, zullen zijne dienaren zijn. In deze afgrond der hel zal de vrucht der hel geboren worden, alles zal daar plaats vinden naar de aard en de wijze der hel, evenals alles in de Hemel geschiedt naar Hemelse trant en op Hemelse wijze. Alzo kunt ge verstaan, wat de schepping des Hemels en der aarde beduidt en wat God de eerste dag heeft geschapen. Deze wordt als een gewone dag, zoals wij mensen die kennen, gerekend, dewijl zonder twijfel de aardbodem al spoedig zijn omwentelingen is begonnen en zich ten tijde dat God het Licht heeft gescheiden van de duisternis, eenmaal heeft omgewenteld en zijn loop voor de eerste maal heeft volbracht.

HOOFDSTUK XX.
Over de tweede dag. Van de tweede dag staat geschreven: En God sprak: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren en dat make scheiding tussen wolken en wateren. En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn; en het was alzo. En God noemde het uitspansel Hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag. Genesis 1 : 6, 7 en 8. Deze beschrijving toont nogmaals aan, dat niet Mozes de schrijver van dit bijbelgedeelte is, want het is zeer eenvoudig en simpel beschreven, alhoewel het getuigt van een voortreffelijk verstand. Zonder twijfel heeft de Heilige Geest niet meer willen openbaar maken, opdat de duivel niet alle geheimenissen der schepping zou weten. Want hij zelf (de duivel) verstaat de schepping van het Licht niet, en hij verstaat niet, hoe de Hemel uit het water ontstaan is. Want hij kan het Licht en de heilige voortbrenging noch zien, noch begrijpen; hij kan alleen verstaan wat geboren wordt uit de wrange, bittere, zure en verhitte kwaliteit, waardoor ook de uiterlijke geboorte ontstaan is, welke zijn koninklijk slot is. Het is niet zo te verstaan, dat hij geen macht zou hebben, het element water aan zich te onderwerpen. Want de uiterlijke, verdorven geboorte behoort niet het element water, ook bij de toorn Gods; en de dood is daarin verzonken, evenals in de aarde. Alleen de geest, die spreekt door middel van Mozes' woorden, bedoelt hier een ander soort water, hetgeen de duivel niet begrijpen kan. Wanneer dit echter reeds lange tijd bekend zou zijn geweest, zo zou de duivel het hebben geweten en geleerd, vóór dat de mensen het wisten en hij zou, zonder twijfel, zijn hels zaad wederom ook hierin gestrooid hebben. Daarom heeft de Heilige Geest het verborgen gehouden tot op de laatste stond vóór de avond, waarop zijne duizend jaren zijn voleindigd. Alsdan zal hij wederom voor een korte tijd vrij gelaten worden, hetgeen te lezen is in de openbaring, Openbaring van Johannes 2O : 3. Dewijl hij echter thans losgelaten is, zo laat God overal in deze wereld lichten ontsteken, opdat de mensen hem (den duivel) zullen leren kennen en zich voor hem hoeden zullen. Dat een ieder erkenne, dat de duivel inderdaad losgelaten is in deze wereld. Aanzie de wereld bij dit licht en ge zult ontdekken, dat thans alle vier de nieuwe zonen, welke de duivel, toen hij uit de Hemel verstoten

werd, heeft doen geboren worden, de wereld regeren. Deze vier zonen heten: hovaardij, gierigheid, nijd en toorn. Zij zijn het hart des duivels en zijn ziele-geesten. Daarom: aanschouw de wereld en ge zult ontdekken, dat zij geheel en al van één hoedanigheid is met deze vier zonen des duivels. Daarom zij men voorzichtig. Want dit is de tijd, waarvan alle profeten hebben gesproken; Christus zegt in het evangelie: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? De wereld meent, dat zij thans in haar bloeitijd is, dewijl zij het heldere licht boven zich ziet, maar de Geest toont mij aan, dat de wereld midden in de hel staat, want zij verlaat de liefde en heeft zich verhangen aan gierigheid en woeker. Bij haar is geen barmhartigheid. Een ieder roept: och, had ik slechts geld. De machtige zuigt de nederige het merg uit het gebeente en laat hem zwoegen in 't zweet zijns aanschijns. Er is leugen en bedrog, moord en roof; men kan met recht deze wereld noemen: des duivels woonplaats. Het heilige Licht is thans nog slechts geschiedenis en wetenschap; de geest wil daarin niet arbeiden. En men meent, dat dit het geloof is dat men belijdt. O, gij blinde en dwaze wereld, die vervuld zijt van de duivel. Dat is geen geloof. Ge weet, dat Christus voor u is gestorven en Zijn bloed voor u heeft vergoten, opdat gij zalig zoudt worden. Nu is dat alles nog slechts geschiedenis en wetenschap. Ook de duivel weet het, maar het baat hem niet. Zo ook gij, dwaze wereld. Ge laat het bij de wetenschap, gij past het niet toe en beleeft het niet. Daarom ook zal de wetenschap u oordelen. Wilt ge echter weten, wat het ware geloof is, zo merk dan op het volgende: Uw hart moet niet met de vier zonen des duivels, met hovaardij, gierigheid, nijd en toorn, heulen, vol van boosheid, leugen, bedrog en moordzucht, en niet uw naaste de bete uit de mond stoten uit gierigheid. Ge moet ook niet dag en nacht op list zinnen, hoe ge de duivel wel het meest ter wille kunt zijn en hoe ge het best aan uw wereldse lusten zult kunnen voldoen. Zo spreekt de Geest volijverig in deze wereld: Dewijl uw geest en uw wil van één willen is met de duivel, zo zijt ge niet één met God en al bidt ge mij elk uur aan en buigt uw knie voor mij, zo heb ik toch geen lust in uwe werken. Wat brandt ge mij wierook? Meent ge, dat ik de duivel tot mij toe zou laten of de hel binnen zou laten in de Hemel? Keert terug en strijdt tegen de boosheid des duivels; nijg uw hart tot de Heer uwen God en wandel naar Zijn wil. Of meent ge, dat ik onoprecht ben, gelijk gij? Alzo zeg ik u: wanneer uw hart niet met God één is, vol liefde, zo zijt ge een huichelaar, een leugenaar en een moordenaar voor God; want God verhoort niemands gebed wanneer het hart zich niet in gehoorzaamheid geheel tot Hem wendt. Wilt ge strijden tegen Gods toorn, zo moet ge de

helm der gehoorzaamheid en der liefde aandoen, anders zult ge niets bereiken. Bereikt ge niet, dan is uw strijd tevergeefs en ge blijft een dienaar des duivels. Wat baat u uw wetenschap, wanneer ge niet strijdt! Immers niets. Het is er mee, als met een mens, die een grote schat verborgen weet, maar deze niet zoekt, terwijl hij hem toch zou kunnen vinden en hij sterft, bij al zijn wetenschap, toch van de honger. Dit zegt de geest; vele heidenen, die de wetenschap niet hebben en niettemin strijden tegen de boosheid, zullen vóór u het rijk der Hemelen bereiken. Wie zal hen veroordelen, wanneer hun hart God liefheeft? Al kennen zij Hem niet, zij arbeiden toch, in Zijnen Geest in gerechtigheid en reinheid des harten; vol liefde jegens elkander. Zij getuigen, dat Gods wet in hun hart is. Rom. 2 : 15. Dewijl gij het echter weet en ge doet het niet, terwijl zij het niet weten, maar het wel doen, zo zijt gij door hen geoordeeld en tevens uw weten en gij zult als een huichelaar en een onwillige dienstknecht bevonden worden, die gesteld is in de wijnberg Zijns Heren, maar daarin niet arbeiden wil. Wat meent ge, dat de vader zeggen zál, wanneer hij het u toevertrouwde pond van u zal opvorderen, en ge hebt het in de aarde begraven? Zal Hij niet zeggen: Gij boze en luie knecht, waarom woekert gij niet met het pond, opdat het rente opbrenge; en ik zou het mijne met interest terug hebben ontvangen. Het lijden van Christus is nuttig vooreerst den heidenen, die slechts één pond ontvangen hebben en den Vader vijf pond terug hebben gegeven; gij zijt onnutte dienstknechten. Wanneer men juist verstaan wil, hoe God de wateren der aarde heeft gescheiden, zo zal men grote dingen ontdekken. Want het water, dat op de aarde is, is even verderfelijk en dood als de aarde zelf en behoort ook tot de uiterlijke geboorte, die in de dood gevangen ligt, evenals de aarde en de stenen. Niet zo, dat deze geheel en al door God verstoten is; dat niet, want het hart behoort nog tot de siderische geboorte, waarin de heilige geboorte plaats vindt. Maar de dood is inherent aan de uiterlijke geboorte; daarom zijn de wateren gescheiden geworden. Nu spreekt ge: hoe kan dat zijn? Ziet naar het water, dat in de diepte is, in deze aarde, hetwelk van een hoedanigheid is met het element lucht en vuur. Dat is het water der siderische geboorte, waarin het siderische leven zich beweegt en waarin hoofdzakelijk de Heilige Geest werkt; de derde en innerlijke geboorte brengt ook daardoor de toorn Gods voort. Dat zelfde water is ook gelijk aan de lucht. Dat echter water, lucht en vuur in elkander overgaan en bij elkander behoren, kan elk verstandig mens zien en begrijpen. Want ge ziet menigmaal in de diepte van het water; doch slechts een kort ogenblik, want al spoedig zijn er weer regenwolken, die het oppervlak van het water ondoorzichtig maken. Dat gebeurt, wanneer de sterren van boven en het water op aarde wordt ontstoken. Dan ontstaat water, hetwelk

niet geschieden zou, wanneer de toorn niet in de siderische geboorte zou wonen. Dewijl echter alles verdorven is, zo moet het water dat boven is het wrange, zure, bittere der aarde te hulp komen en haar vuur blussen en verzachten, opdat het leven en ook de heilige geboorte temidden van de dood en de toorn Gods het licht kan zien. Dat ook het element vuur in de diepte in lucht en water regeert, ziet ge bij de bliksem; ook ziet ge, hoe het licht der zon het element vuur op de aarde ontsteekt, terwijl het menigmaal in het gebied van de maan, zeer koud is. God heeft de twee soorten van water van elkander gescheiden; de ene soort heeft Hij op de aarde en het andere in de diepte doen zijn, waar ze altijd geweest is. Dewijl echter de toorn ook in het water, dat in de diepte der aarde is, aanwezig is, zo ontstaat er steeds, door het ontsteken der sterren en van het water een dusdanig water, dat aan de dood in de uiterlijke geboorte onderworpen is. Hetwelk, dewijl het met innerlijke geboorte van één hoedanigheid is, de Salniter der verdorven aarde te hulp komt en de toorn verzacht, opdat in de siderische geboorte alles levend wordt en de aarde, door de dood het leven voortbrengt.

De poorten van het geheimenis. Dat er echter een uitspansel is tussen Hemel en aarde, beduidt het volgende. De gehele ruimte van de maan tot aan de aarde is begrepen met al haar werkingen in de toornige en begrijpelijke geboorte en de maan is daarvan een godin. Zo staat ook het huis des duivels, des doods en der hel in het gebied, dat ligt tussen de maan en de aarde. Dewijl nu de toorn Gods in de uiterlijke geboorte in de diepte door de duivelen en alle goddelozen, dagelijks door de grote zonden der mensen, wordt ontstoken, zo heeft God het uitspansel, hetwelk Hemel heet, tussen de uiterlijke en de innerlijke geboorte gesteld. Want de uiterlijke geboorte van het water kan de innerlijke geboorte van het water niet verstaan, dewelke “Hemel” heet. Hemel is het firmament, de vuurzee uit de zeven geesten der natuur, waaruit de sterren met het woord fiat=word geschapen zijn. Nu komt de innerlijke geboorte des Hemels in aanraking met de aarde en het water van de aarde met de aarde zelf wordt gevangen gehouden. Ware dat niet zo, zo zou het water zich, bij de omwenteling van de aardbodem, verdelen; ook zou dan de aarde in stukken uiteen vallen en in de diepte verzinken. Nu houdt echter dat uitspansel tussen de Hemel en de aarde het water gevangen. Zoudt ge nu vragen: wat is dat dan voor een uitspansel, dat ik zien noch begrijpen kan?. Het is de scheiding tussen de

reine goddelijkheid en de verdorven natuur, die men doorbreken moet, wanneer ge tot God wilt gaan. Het is het uitspansel, hetwelk niet geheel ligt onder de toorn Gods, maar dat ook niet geheel rein is en waarvan geschreven staat in het boek Joh. 15:15. “De Hemelen zijn niet zuiver in Zijne ogen.” Op de jongste dag zal de toorn zijn weggevaagd. Want er staat geschreven: Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbij gaan. (Mattheus 24:35 en Marcus 13:31.) Nu is echter het onreine, dat er is: de toorn; het reine is het Woord Gods, welk Hij h=gesproken heeft. In 1 Gen. 1 staat: Er kwam scheiding tussen het water boven het uitspansel en het water onder het uitspansel.

De poorten der Godheid Merk hier op het verborgen geheimenis Gods. Wanneer ge nu de ruimte rondom de aarde aanschouwt, zo moet ge niet zeggen, hier is het niet, dat God in Zijn Heiligheid woont. Want de Drievuldigheid, God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest woont daar alom en het ganse uitspansel kan hem niet bevatten. Alles is als één lichaam, de uiterlijke geboorte, de innerlijke geboorte, het uitspansel des Hemels en de siderische geboorte, waarin de toorn Gods ligt. Het vlees is vooreerst de uiterlijke geboorte, welk een huis des doods is; de tweede geboorte is de siderische, waarin het leven zich openbaart, en waarin lichaam en toorn met elkander strijden. Dit weet de mens zelf zeer goed. De siderische geboorte brrengt te midden van de uiterlijke geboorte, d.w.z. in het dode vlees, het leven teweeg. De derde geboorte staat tussen de siderische en de uiterlijke geboorte en heet de ziel. En deze kent en begrijpt de uiterlijke mens niet, de siderische geboorte begrijpt het óók niet, maar iedere oergeest begrijpt slechts datgene, waaraan hij verwant is. En de ziele-mens moet door de poort des Hemels tot God doordringen en met God leven, anders kan de gehele mens niet in de Hemel en tot God komen. Want een ieder mens, die zalig worden wil, moet alle drie de geboorten eerst in deze wereld verwerkelijken. De mens kan niet geheel rein en zonder zonde zijn, want de geboorte, de Hemelen voornoemd, zijn ook voor God niet rein. (Joh. 15:15) Altijd worstelen liefde en haat met elkander; daarom noemt god zichzelve ook een toornige, naijverige God. Exodus 2O : 5 en Deuteronomium 5 : 9. Zoals nu de mens is naar zijn lichamelijke verschijningsvorm, zo is ook het lichaam Gods in deze wereld; in het water wordt het leven geopenbaard. En in de natuur, als het ware het 'lichaam Gods, is de verstarring,

het wrange en het bittere van de dood, waarin het water ook dood is. Hierin ligt nu de duisternis, waarin zowel koning Lucifer met zijne Engelen, als alle goddeloze mensen gevangen liggen, alsook de geesten die afgezonderd zijn en die de verdoemde mensen toebehoren. Deze geboorte, deze verschijningsvorm is niet in staat het Hart Gods waar te nemen, hoe dat kan; met geen enkel zintuig. Zij is zo geworden door koning Lucifer in zijn hovaardij. De andere geboorte- of verschijningsvorm is de siderische. Ge moet het leven der zeven Oergeesten goed verstaan. Liefde en haat leven beide in hen. Deze geboorte dringt door de uiterlijke, verstarde verschijningsvorm heen; door de dood en brengt leven in de dood, d.w.z. in de verstarde aarde, in water, in het vlees van mensen en dieren, van vogels, vissen en wormen. En tot in deze geboorte, deze verschijningsvorm kan de duivel doordringen, verder niet, en daar is zijn woning. Daarom kan de duivel niet weten, dat er nog iets anders, een nieuw beginsel is in het andere gedeelte van deze verschijningsvorm. Tot hiertoe is de mens met zijn inzicht en kennis van de aanvang -der wereld af gekomen; het andere, dat we Hemel noemen, heeft de geest tot nu toe voor de mens verborgen gehouden, opdat de duivel daarvan niet zou weten en zijn gif wederom daarin zou laten werken. Dit andere deel der siderische geboorte, welke in de liefde wortelt, is het uitspansel des Hemels, dat de duivelen en hun haat gevangen houdt. Zij kunnen er niet in komen, want in de Hemel woont de Heilige Geest, die uitgaat uit het Hart van God' en tegen de boosheid strijdt en Hem een tempel bouwt temidden der boosheid. En in deze Hemel woont de mens, die God vreest, want deze Hemel is zowel in mensen als in de ruimte boven de aarde. En zoals de ruimte boven de Hemel is, zo is ook de mens. Beiden zijn onderhevig aan liefde en haat, tot na de afscheiding der ziel. Dan, als de ziel zich van het lichaam afscheidt, blijft zij alleen in de Hemel der liefde, of in de Hemel der haat. Wat zij gekozen heeft bij het verlaten van het lichaam, dat is haar eeuwige onveranderlijke woning en zij kan daar nimmer meer uit geraken, want er is een grote kloof tussen beiden, hetgeen Christus zegt, wanneer hij spreekt over de rijke jongeling. Lucas 16 :26. In die Hemel wonen bij ons de heilige Engelen en in het andere gedeelte de duivelen; in deze Hemel leeft de mens tussen Hemel en hel en hij moet van de boosheid menige verzoeking en vervolging ondervinden en zich menigmaal laten martelen en pijnigen. De haat heet het kruis en de Hemel heet het geduld; de geest, die daarin opstijgt heet de hoop, die met God van één hoedanigheid is en strijd voert met de haat en het geloof, dat van één hoedanigheid is met God en strijdt met de haat, tot het overwint. 1 Joh. 5 : 4. Hierin is de gehele Christelijke leer vervat; wie anders leert, die weet het niet en zijn lering heeft geen grond en zijn hart jammert en stelt zich te

weer en weet niet wat het doen zal. Zijn geest zoekt eeuwigdurend naar rust en vindt ze niet. Hij is ongeduldig en zoekt immer naar iets nieuws en wanneer hij dit vindt, zo maakt hij hiervan een afgod, als had hij een nieuwe schat gevonden; er is geen standvastigheid in hem. Hij zoekt steeds iets anders. Gij theologen, alhier gaat de poort des geestes voor u open. Wilt gij nu niet zien, en uwe volgelingen leiden langs grazige weiden in plaats van op de dorre heide? Zo ge dit verzuimt, zo zult ge dit voor de rechterstoel Gods moeten verantwoorden. Ziet dan toe. Ik neem de Hemel tot getuige, dat ik hier zeg, wat ik verplicht ben te zeggen, want de geest drijft mij daartoe, zodat ik mij daartegen niet verzetten kan, wat er ook zou gebeuren.

De heilige poorten. De derde geboorte in het lichaam Gods, dat deze wereld uitmaakt, is onder het uitspansel der Hemelen verborgen en deze Hemelen zijn van één hoedanigheid ermee. Deze derde geboorte is het almachtige en heilige Hart Gods, waarin onze Koning Jezus Christus zetelt ter rechterhand Gods als Heer en Koning van het ganse lichaam dezer wereld, die met Zijn Hart alles omvat en in stand houdt. En deze Hemelen zijn ook zijn rechterstoel en zijn Oergeesten heersen in het lichaam dezer wereld en alles is met Hem verbonden wat in de siderische geboorte, in de liefde zetelt. Het andere deel dezer wereld is met de duivel verbonden. Ge moet niet denken, zoals Johannes Calvijn heeft gedacht, dat het lichaam van Christus niet almachtig is en niets begrijpt, dan wat Hemzelf betreft. Neen, mensenkind, gij dwaalt en verstaat de Goddelijke Kracht niet; een ieder mens omvat in zijn siderische Oergeesten de ganse ruimte oftewel het lichaam dezer wereld en die ruimte omvat de mensen. Alles is als één lichaam, maar met verschillende 'leden. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat de Oergeesten in het natuurlijke lichaam van Christus niet van één hoedanigheid zouden zijn met de Oergeesten der natuur? Zijn lichaam toch is immers ook uit de Oergeesten der natuur en Zijn Hart is ontsproten aan de derde geboorte, hetwelk het Hart van God van alle Engelen en alle Hemelen, ja, den gansen vader omvat. Gij calvinisten, laat hier uw mening varen. Gij dwaalt; martelt uw zelven niet. God is een Geest. (Joh. '4:24) en niet te vergelijken met enig lichamelijk wezen, want in de lichamelijkheid schuilt de dood. Het lichaam van Christus is niet meer in de stoffelijkheid, in de lichamelijkheid maar in de goddelijke openbaring van de natuur; gelijk aan de Engelen zullen ook onze lichamen, in de opstanding niet meer de samenstelling van vlees en

beenderen hebben van thans. Maar zij zijn de lichamen der Engelen gelijk. En hoewel de vormen aanwezig zullen zijn en de krachten en mogelijkheden en ook alle vermogens, die de mens heeft en al de verschillende lichaamsdelen, behalve de geslachtsdelen, en de ingewanden, zo zullen we dan toch niet de zelfde harde substantie bezitten. Christus zeide n.l. tot Maria Magdalena in de tuin van Jozef, bij het graf, na zijn opstanding: “Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader, (Joh. 2O:17). Als wilde Hij zeggen: Ik heb nu niet meer het stoffelijk 'lichaam, al toon ik U mij zelven in mijn stoffelijk lichaam, want anders zoudt ge Mij, met uw eigen stoffelijk lichaam niet kunnen herkennen. Zo wandelde hij ook de veertig dagen na Zijne opstanding niet steeds zichtbaar voor de discipelen, temidden van hen, maar onzichtbaar, in zijn Hemelse Engelengestalte. Wanneer hij echter met Zijne discipelen spreken wilde toonde Hij zichzelven aan hen in Zijn lichamelijke gestalte, opdat Hij natuurlijke woorden met hen zou kunnen spreken; want de goddelijke woorden zijn voor degenen, die in de stof zijn, onbegrijpelijk; ook het feit, dat hij zich tot zijne discipelen begaf, door dichte deuren heengaande, toont voldoende duidelijk aan, dat Zijn lichaam niet stoffelijk meer was. (Joh. 2O : 19). Ook is het nodig, dat ge weet, dat zijn lichaam met alle zeven geesten in de natuur van één hoedanigheid is in de siderische geboorte, in dat gedeelte n.l. dat door de liefde wordt beheerst en dat in staat is, zonde, dood en duivel te bedwingen. Nu verstaat ge, wat God die dag, toen Hij het water onder het uitspansel gescheiden heeft van het water daarboven, gemaakt heeft. Zo ziet ge ook, hoe ge in deze wereld vooral in de Hemel, maar ook in de hel zijt en als het ware woont tussen Hemel en aarde in groot gevaar. Zo neemt ge ook waar, dat de Hemel in een mens woont, en overal waar ge ook gaat, staat of u neerlegt, is uw geest een deel van Gods Geest en voor zover uw Geest deel is van Zijn Geest Zijt ge in den Hemel en uwe ziel is in God. Daarom spreekt ook Christus: “Mijne schapen zijn in mijn hand en niemand zal ze uit Mijne hand rukken. (Joh. 1O). Zo ziet ge ook, dat ge, voor zover ge in boosheid leeft, ge in de hel leeft bij alle duivelen. Wanneer uwe ogen slechts geopend waren, zo zoudt ge wonderen zien; maar ge vertoeft tussen Hemel en aarde en kunt niet zien. Ge wandelt op een smalle weg. Er zijn vele mensen, die menigmaal des Hemels en der helle poorten gekend hebben. Zij hebben aangetoond, hoe menig mens met een levend lichaam in de hel woont. Hen heeft men zeer bespot maar ten onrechte, want dit bestaat inderdaad. Wat dit te zeggen heeft, wil ik uitvoerig te bestemder plaatse uiteen zetten. Dat het water nu twee verschillende geboorten, aanzichten heeft wil ik hier, uit de natuur zelf bewijzen, want de natuur is de wortel, de moeder van alle talen, die in

deze wereld zijn en in haar voltrekt zich de openbaring aller dingen. Want toen Adam voor de eerste maal heeft gesproken, heeft hij alle schepselen naar hunne gezondheid en innerlijke werkwijze een eigen naam gegeven. Dit is de sprake der natuur, maar niet een ieder is dit gegeven, want dit is een geheimenis, hetwelk mij door de genade Gods werd medegedeeld, door den Geest, die mij welgevallig was. - Het woord: water, wordt genoemd in het hart en sluit de tanden. De bittere kwaliteit wordt niet aangedaan en het woord verlaat de mond tussen de tanden door; de tong helpt den Geest en is er mee van één hoedanigheid en de Geest verlaat vol macht de mond, door de tanden. Wanneer echter de Geest grotendeels naar buiten is getreden, komt de Geest der wrangheid en bitterheid en is van één gevoelen en werking met het woord. Hij blijft echter op zijn plaats en is duidelijk in de lettergreep te onderkennen. Dat nu de Geest in het hart een aanvang neemt, buiten het hart treedt, de tanden sluit en met de tong door de tanden naar buiten treedt, wil zeggen, dat het Hart Gods vol beweging en leven is, Gods Geest het houdt omvangen; dit is het uitspansel des Hemels. Zoals de tanden zich op elkaar sluiten en de Geest naar buiten treedt tussen de tanden door, alzo gaat ook de Geest vanuit het hart in de siderische geboorte. En zoals de tong daarbij gevormd wordt en van één willen is met den Geest, alzo vormt zich ook de ziel des mensen door en met den H.G. en kan daardoor mede de Hemel binnengaan en medezeggenschap hebben. Dat zij echter eerst later het zure en het bittere opwekt en dan zich tot een woord vormt, wil zeggen, dat wél alles is als één lichaam, maar dat toch de Hemel en de H. G. tezamen met het Goddelijk Hart één bepaalde plaats innemen, en de duivel, tezamen met de boosheid, noch de H.G., noch de Hemel kan begrijpen of ir, bezit nemen. De duivel vormt met zijn boosheid alles, in de uiterlijke geboorte; alleen wat in de stof is, zoals de wrange en bittere eigenschap zich tot woord vormt en daarmee van één hoedanigheid is. Dat echter de Geest in de aanvang, onbeperkt van de bittere en wrange kwaliteit zijn weg vindt, beduidt dat de poort Gods overal in deze wereld opgericht staat, waar de H.G. zijn werking uit oefent, en dat de Hemel overal geopend is, ook te midden van deze onze aarde. En de duivel kan in de Hemel niets begrijpen en niets waarnemen maar is als een morrend, grommend dier, dat eerst komt nadat de H. G. zich een tempel gebouwd heeft. De duivel is dit niet aangenaam; want hierdoor wordt zijn rijk bedreigd.

HOOFDSTUK XXI.

Over de derde dag. Hoewel de Geest, in de geschriften van Mozes, de meest diepzinnige geheimenissen in zijn letteren verborgen houdt, zo is toch alles zo klaar en duidelijk geschreven, dat er geen sprake is van verwarring. Toen God door Zijn Woord, Hemel en aarde heeft geschapen, het licht van de duisternis heeft gescheiden en aan elk ding zijn vaste plaats had toebedeeld, zo heeft al dra elk dier dingen zijn eigen werking kunnen aanvangen. Op den eersten dag heeft God den verdorven salniter, welke ontstaan is door het ontsteken van de toorn, tezamen gevoegd, oftewel door zijne machtige Geest geschapen, want het woord: schuf = schiep duidt hier op die samenvoeging. Te midden van deze samendrijving, samenvoeging werd koning Lucifer, tezamen met zijn Engelen, als een oermachtige vorst in de ruimte, waar de stof heerst, gedreven. Dit is de ruimte tussen de natuurgoden: de maan en de dode aarde. Toen nu dit was geschied, is deze ruimte licht geworden, en het licht heeft zich, met de verbogen Hemel, afgescheiden van de duisternis en de kogel der aarde werd in het grote rad der natuur eenmaal omgewenteld, waarmee tegelijkertijd één dag zijn loop had volbracht; één dag, die vier en twintig uren telt. De scherpe scheiding is ontstaan bij het ingaan van de verschillende dagen en ook de kloof tussen de boosheid, de toorn en de liefde en het licht ontstond toen en koning Lucifer werd in het huis der duisternis tot een uiteindelijk gericht gevangen genomen tot nu toe. Zo werd ook het water des levens gescheiden van het water des doods, maar met dien verstande, dat het op het tijdstip dezer bedeling aan elkander verbonden is als lichaam en ziel, hoewel het een het andere niet begrijpen kan. Slechts de Hemel, is als een kloof, een afscheiding tussen beide, zodat het ene soort water aan de dood onderworpen is en het andere aan het leven. Zo regeert de onbegrepen Geest, die God heet, alom in deze wereld en vervult alles, terwijl de duivel in de duisternis woont, en God niet kan waarnemen, met geen enkel zintuig; slechts Gods werken kan hij waarnemen en verstoort deze. Toen nu God de duivel in de duisternis had gesloten, voer hij voort met zijn schepping in de zevende natuurgeest en alles ging wederom voort, zoals dat van eeuwigheid af geweest was. Mozes schrijft daarover, wanneer hij zegt in 1 Gen. 1 vers 11-13. God zeide: Dat, de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid, zaad zaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde: en het was alzo. En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid, zaad zaaiende naar zijn aard en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was naar zijn aard: en God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag. Dit is juist en zuiver beschreven; maar het ware begrip, de diepere betekenis blijft

verborgen in de woorden en is nooit door de mensen begrepen. Want de mens heeft sedert de tijd van zijn val, nooit het allerinnerlijkste der dingen kunnen begrijpen, zoals daar in de Hemelse geboorte. Want zijn verstand was gevangen in de uiterlijkheid der dingen en heeft niet in de Hemel kunnen schouwen en de innerlijke geboorte niet kunnen waarnemen, welke niettegenstaande dat toch ook in de verdorven aarde, ja overal tegenwoordig is. Ge moet niet denken, dat God iets nieuws hier heeft geschapen, dat er voorheen niet was; wanneer dat het geval was, zo zou er een andere God geweest zijn, hetgeen toch niet mogelijk is. Buiten deze eeuwige God bestaat niets en ook de poorten der hel bestaan niet buiten deze eeuwige God. Er is slechts een afscheiding, een vijandschap ontstaan tussen de liefde, die in het licht staat en de boosheid, die in de duisternis ligt en zij beiden kunnen elkander niet begrijpen, hoewel ze als één lichaam zijn. De Salniter, waaruit de aarde ontstaan is, is er van eeuwigheid al geweest en was besloten in de zevende oergeest, welke de natuurgeest is; de andere zes Oergeesten brachten voortdurend de zevende oergeest tot leven en zij worden ook zelf door hem omsloten; zij zijn de kracht en het leven geweest van de zevende oergeest, zoals de siderische geboorte dat was in het vlees. Toen evenwel koning Lucifer de boosheid in deze wereld had teweeg gebracht en met zijn hoogmoed de dood en het vergif daarin had gevoerd, zo hebben zich te midden van de boosheid of de angel des doods, aarde en stenen gevormd. Hierna volgde weer de uitspuwing, want de Godheid kon iets dergelijks niet verdragen, daar zij vol van liefde en licht is, en de verdorven Salniter werd op een hoop gedreven en heer Lucifer eveneens. En het ingeboren licht in de verdorven Salniter werd uitgeblust en er kwam scheiding tussen liefde en haat, zodat er niet meer zulke Salniter zou ontstaan, en de Hemel de toorn, de boosheid in de uiterlijke geboorte der natuur, in de duisternis zou doen blijven en er zodoende scheiding zou zijn tussen liefde en haat. Toen dit in twee dagen voleindigd was, zo ging op de derde dag het licht in de duisternis op, en de duisternis met hare trawanten konden het licht niet begrijpen of bevatten. Toen ontsproten uit de aarde: gras en kruid en bomen, een ieder naar zijn aard. (1 Gen. 1 : 12). In dit woord is verborgen de kern der eeuwige geboorte en dit kan door vlees en bloed niet verstaan worden, maar de Heilige Geest moet dóór de animalische geboorte, de siderische geboorte in de mens aansteken, anders is hij blind naar de geest en weet niets anders dan de aardse dingen; hij weet dan slechts van aarde, stenen, gras, kruid en houtachtige bomen. Hier staat nu geschreven: God sprak, dat de aarde voortbrenge: gras en kruid en vruchtbare bomen. Het woord sprach = sprak is een eeuwigheidswoord en is, voor de tijden der boosheid, van eeuwigheid af in de Salniter geweest, toen deze nog Hemels en vol van leven was. Dit is ook

nooit geheel verdwenen, alleen uit de stof is het verdwenen. Toen echter het licht in de uiterlijke stofverschijning of in de dood wederom opging, zo stond daar het woord der eeuwigheid in zijn volheid en bracht dóór en uit de dood het leven voort en de verdorven Salniter bracht wederom vruchten voort. Dewijl echter het woord der eeuwigheid van één willen moest zijn met de verderfenis, zo kon het niet anders of de vruchten werden goed en boos. Want uit de aarde, welke in de dood ligt, moesten de vruchten voortkomen; evenzo moest uit de siderische geboorte, welke in de liefde, maar ook in haat wortelt, de geest of het leven voortkomen. Alzo bracht de aarde vruchten voort: gras, kruid en bomen, elk naar zijn aard. Dat wil zeggen: zoals zij, volgens Hemelse hoedanigheid, soort en vorm geweest waren. Alzo heeft ook de aarde geen vreemd leven voortgebracht; alleen datgene wat van eeuwigheid af in haar schoot verborgen lag. Zoals zij voor de tijden des toorns Hemelse vruchten heeft voortgebracht, die een heilig, rein en Hemels lichaam hebben gehad en tot spijze hebben gediend voor de Engelen, zo bracht zij thans vruchten voort volgens haar tegenwoordige staat, d.w.z. vol van boosheid, gif, dood en hardheid; want zoals de moeder was, alzo werden ook de kinderen. De vruchten der aarde liggen daarom nog niet geheel in de Goddelijke toorn, want het Woord, hetwelk onsterfelijk en overerfelijk en van eeuwigheid af in de Salniter der aarde geweest is, ontsproot wederom uit de dood en bracht vruchten voort uit het dode lichaam der aarde; maar de aarde heeft het woord niet aangegrepen; evenwel heeft het Woord de aarde niet haar kracht aangedaan. Zoals nu de ganse aarde, tezamen met het Woord was, alzo was ook de vrucht. Het Woord echter bleef verborgen en liet de zeven Oergeesten uit de uiterlijke, verdorven en aan de dood onderworpen geboorte het lichaam formeren. Ge moet niet denken, dat de uiterlijke, aan de dood onderworpen geboorte der aarde, eigenlik nu niet meer aan de dood onderhevig is, en dat haar vrucht niet aan de dood is onderworpen. Neen, dat kan zo niet zijn, want wat voor God eenmaal dood is, dat is dood en zal uit eigen kracht ook nooit meer levend worden; maar het Woord, hetwelk van één hoedanigheid is met de siderische geboorte in het aanzicht der liefde, brengt door de siderische geboorte, dwars door de dood, het leven voort. Want ge ziet ook, hoe alle vruchten der aarde, tenslotte te niet gedaan worden. Dat de vruchten een ander aanzijn bekomen, veel schoner, krachtiger en geuriger, wordt veroorzaakt, doordat de siderische geboorte de kracht ontleent aan “het Woord” en een ander lichaam, een ander voorwerp schept, dat half aan het leven, half aan de dood toebehoort en het midden houdt tussen de liefde en de toorn Gods.

De vreugdevolle poorten der mensen. Ziet, zo spreekt de geest in het Woord, dat het hart der aarde is, en waarmede mijn geest één is in inzicht en kennis en waardoor ik in staat ben deze woorden te schrijven: De mens is uit het zaad der aarde, uit een tezamen gevoegde substantie geformeerd. En wel zodanig, dat de liefde en niet de boosheid aan zijn ontstaan ten grondslag ligt. Maar wel was de boosheid inherent aan zijn wezen, deze kon hij niet ontkomen, evenmin als de vrucht ontkomt aan de bitterheid van de boom. En de mens keerde zich tot de boosheid en at van de vruchten van de boom, die aan de dood onderworpen was. Zo werd ook hij naar het uiterlijk aan de dood onderworpen en zijn leven overgeplaatst in de siderische geboorte. Daar staat hij nu, als 't ware tussen de Hemel en de aarde, in het rijk van de duivel, die steeds strijd voert, met het doel hem wederom, vanuit zijn rijk naar de aarde te verbannen; of een kind des toorns, dat in de hel thuis behoort, van hem te maken. Waarop heeft hij nu zijn hoop gevestigd? Ziet, gij blinde heidenen, gij die de schrift napluist, opent uwe ogen wijd en schaamt u niet wegens uw eenvoud, want God is in het verborgene en Hij is nog veel eenvoudiger dan gij; als ge Hem slechts zien kon. Ziet, uw geest of uwe ziel is aan de siderische geboorte ontsproten en is wat wij noemen: de derde geboorte in u, evenals de appel aan de boom de derde geboorte van de aarde is. Dit moet ge echter weten, dat de appel aan de tak naar zijn innerlijkste geboorte van één hoedanigheid is met het Woord Gods, door welks kracht hij (de boom) uit de aarde is gegroeid. Dewijl nu de boosheid bij zijn wezen behoort, zo blijft zij gebonden aan deze materiële wereld, en mitsdien aan de dood. Maar uit de kracht, waaruit hij ook zijn leven put, zijn levensvatbaarheid en die één is met de goddelijke kracht, uit die kracht zal hij ten jongste dage wederom op de Hemelse plaats geplaatst worden en gescheiden van de dood en opgaan vol Hemelse heerlijkheid. En hij zal heerlijke vruchten voortbrengen. De levenskracht, waaruit alles ontstaat, zal bij de vernieuwing dezer wereld wederom wonderen voortbrengen. Gij zijt echter uit het zaad der aarde, uit de kracht van “het Woord” geschapen (rode aarde is vuur en water, dat door het woord fiat uit de aarde wordt gemaakt). De mens is naar de aarde aards en zijn lichaam is aan de dood onderworpen. Maar 's mensen hoop ligt in God; daar God hem geformeerd heeft. Maar het aan de dood onderworpen vleselijke lichaam is aan de toorn Gods en de hel onderworpen. De siderische geboorte brengt de ziele-geboorte teweeg, die de derde is. En de ziel leeft tussen liefde en haat op deze wereld en is aan beiden onderworpen. Dewijl ge echter uw verstand bezit en niet zijt zoals de

appel aan de boom, maar geschapen zijt als een Engel naar Gods beeld op de plaats van de verstoten duivel en dewijl ge weet, dat ge, met uw siderische geboorte één zijt met het Goddelijke Woord, zo kunt ge in deze dode materie, door middel van uw ziel heerser zijn en ge moet zeggen, dat uwe ziel in de Hemel is en met God regeert. De ziel namelijk, die het Woord heeft begrepen, kan door niets teruggehouden worden, de Hemel binnen te treden; de duivel ziet haar niet, want hier vertoeft de duivel niet. Dewijl ge echter eensdeels aan de dood zijt verknocht, zo kan de duivel wel tot uw hart doordringen, wanneer ge het hem toestaat. Dan is uw hart gelijk aan een donker dal en wanneer ge niet naarstiglijk arbeidt om het licht wederom te doen geboren worden, zo ontsteekt hij het vuur des toorns in uw hart. Dan zal uwe ziel één zijn met de toorn Gods en ge zult een duivel zijn en geen Engel en ge kunt de poorten des Hemels niet binnen gaan. Zo ge echter met de duivel strijd voert en de liefde vasthoudt in uw siderische geboorte, zo blijft uwe ziel voor de duivel verborgen en ze heerst met God tot aan de dag der wederbrenging van dit, wat verloren is. Wanneer ge echter met uw siderische geboorte in de boosheid blijft, zo zult ge nimmer de poorten des Hemels bereiken; waar ge het zaad gezaaid hebt, d.w.z. waar uw ziel is, aldaar zal ook uw lichaam uit de dode opstaan.

De poorten der kracht. Dat lichaam en ziel ten dage der opstanding wederom verenigd zullen worden, kunt ge zien bij het ontstaan der aarde. Want de Schepper sprak: Dat de aarde voortspruite gras, kruid en vruchtbaar geboomte, een ieder naar zijn aard. En zo geschiedde het, en zoals er voor de tijden des toorns Hemelse gestalten en vormen geweest waren, zo ontstonden er nu aardse vormen. Alles werd, bij het grote oproer des duivels, door het Woord omsloten, dit alles is, naar Zijn eigen wezen tot openbaring gekomen. Was er op dat tijdstip roof en moord, zo zal dit op de jongste dag ook het geval zijn in nog sterker mate. Waar de siderische geboorte der aarde in de liefde staat en de uiterlijke geboorte aan de dood is onderworpen, daar zal dit ook zo blijven en het leven en de dood zullen gescheiden blijven. Waar zou de ziel des mensen ten dage der wederopstanding liever vertoeven, dan in haren Vader, dan in het lichaam, dat haar heeft doen geboren worden. Het dierlijke lichaam wordt teniet gedaan, maar de kracht houdt stand en daaruit komen voort schone bloemen, die evenwel in het vuur verbrand worden; niettemin 'ligt de kracht verborgen in de vier elementen en de ziel is er mee van één hoedanigheid. Want de ziel vertoeft in de Hemel en deze Hemel is overal; ook midden

in deze wereld. O mens, bezie uzelve in deze spiegel; ge zult hierover uitvoerig kunnen lezen bij de behandeling van de schepping van de mens. Dit schrijf ik slechts, opdat ge de kracht der schepping beter zoudt mogen begrijpen en ge de sprake des geestes beter zoudt leren verstaan. De open poorten der aarde. Nu zou iemand kunnen vragen: Uit welke stof of kracht is het kruid, het gras en het geboomte voortgekomen. De eenvoudige zegt: “God heeft alles uit niets gemaakt”; hij kent echter dezen God niet en weet niet, wat Hij is. Wanneer deze mens de aarde aanschouwt en de ruimte rondom de aarde, dit alles is God niet en God is daar ook niet. Hij stelt zich voor, dat God woont boven de Hemelen en boven de sterren en die met Zijnen Geest regeert; die geest, die van Hem uitgaat in deze wereld en deze mens denkt, dat God hier op en in deze wereld tegenwoordig is. Deze meningen heb ik ook gelezen in de boeken en geschriften der doktoren en juist daarom is er zoveel verschil van mening en zoveel getwist onder de geleerden ontstaan. Dewijl God mij echter de poorten van Zijn Wezen in Zijne grote liefde heeft ontsloten, en dewijl Hij het verbond gedenkt, dat hij met de mensen heeft gesloten, zo wil ik alle goddelijke poorten ernstig en getrouwelijk, naar de mate van mijn gaven, opensluiten, zo ver als God het mij toestaat. Dit is niet zo te verstaan, dat ik al deze dingen begrijp, maar ik wil mededeling doen van hetgeen ik begrijp. Het Wezen Gods is als een wiel, waarin vele kleine raderen in elkander grijpen, die voortdurend omwentelingen maken. Men ziet het rad wel en verwondert er zich over, en toch kan men het in zijn omwentelingen niet begrijpen; hoe meer men het echter aanschouwt, hoe meer men er mee vertrouwd raakt; en hoe meer men er van leert, hoe meer blijdschap men er over heeft, want steeds ziet men iets wonderbaarlijkers. Een mens kan hieromtrent nooit genoeg zien en leren. Zo gaat het mij eveneens. Wat ik op de ene plaats niet voldoende heb beschreven, dat zult ge ergens anders uitvoeriger behandeld vinden en wat ik in dit boek niet kan behandelen, om der lengte wille, zult ge in een volgend boek behandeld vinden. Dit boek is als de eerste twijg, die groeit aan de tak, als het eerste kind, gebaard door de moeder. Evenmin als dat kind dadelijk lopen kan, evenmin kan ik in dit eerste boek al dadelijk alles naar de eis behandelen. Want hoewel de geest het rad wel ziet, en zijn verschijning wil begrijpen, zo kan de geest dit toch niet vanwege de omwentelingen van het rad. Wanneer de geest echter de vaste omtrek weer waarneemt, zo leert hij ook weer meer en verstaat alles beter. Merk nu op: De aarde heeft juist

zulke eigenschappen en Oergeesten, als de ruimte rondom de aarde of de Hemelen en alles tezamen behoort tot één groot lichaam en God is hun lichaam. Dat ge Hem echter niet geheel en al ziet en kent, wordt veroorzaakt door de zonden, waarin ge verzonken ligt; daardoor is de goddelijke kracht voor u verborgen, zoals het merg in de beenderen voor het vlees verborgen is. Zo ge achter met uw geest door het lichamelijke, het vleselijke heen breekt, zo zult ge den verborgen God aanschouwen. Zoals het merg in de beenderen doordringt en aan het vlees kracht en sterkte geeft, en het vlees het merg toch niet begrijpen kan, maar wel de kracht ervan ervaren, zo kunt gij de verborgen Godheid in het vlees niet zien, maar wel ontvangt ge Zijne kracht en ge begrijpt daaruit, dat God in u woont. Het dode vlees is namelijk niet inherent aan het leven en het ontvangt het licht niet, maar het leven in God gaat op in het dode vlees, en brengt uit dat dode vlees een ander Hemels en levend lichaam voort, hetwelk het licht kent en verstaat. Want dit tegenwoordige lichaam is slechts een omhulsel, waaruit het nieuwe lichaam opgroeit (het nieuwe lichaam groeit uit het oude door het vlees en bloed van Christus) zoals het zaad in de aarde. Het omhulsel echter zal niet weder opstaan en levend worden, zoals dit ook bij het koren niet geschiedt; dit zal voor eeuwig in de dood blijven. Daarom draagt de mens des duivels woning hier op aarde mede in zijn lichaam; het menselijk lichaam is als 't ware in zekere zin een woonplaats voor hem. Aanziet de geheimenissen der aarde, zoals zij voortbrengt, moet ook gij voortbrengen. De aarde is niet het lichaam, maar zij is de moeder, de voortbrengster van het lichaam, evenals uw vlees niet de geest is, maar het vlees is de moeder, de veroorzaakster van den Geest. En nu is in beiden, in de aarde en ook in uw vlees het licht van de Godheid verborgen; het breekt door en doet een lichaam geboren worden; de mens krijgt een menselijk lichaam en de aarde een lichaam dat voor haar geschikt is. Want zoals de moeder is, zo is ook het kind. Het kind der mensen is de ziel, die uit de siderische geboorte, uit het vlees geboren is. Het kind der aarde is datgene, wat de aarde oplevert. gras, kruid, geboomte, zilver, goud en allerlei ertsen. Nu zegt ge: hoe zal ik dit alles verstaan? Ziet: alle zeven Oergeesten Gods zijn in de aarde aanwezig en brengen iets voort, evenals in de Hemel, want de aarde is van God en God sterft nooit; alleen de uiterlijke geboorte is aan de dood onderworpen. Daarin rust de toorn en daarin wordt koning Lucifer een eeuwig huis bereid.

Over de zeven geesten Gods en hunne werking in de aarde.

Ten eerste is daar de geest der wrangheid, der zuurheid; deze trekt in de siderische geboorte der zeven Oergeesten een bepaalde massa tezamen, doordat zij aansteking veroorzaakt boven de aarde. Door de scherpe koude wordt daarna weer verdroging veroorzaakt. Zoals deze geest der wrangheid het water tezamen voegt en ijs daaruit maakt, zo trekt hij ook het water in de aarde tezamen en maakt een droge massa daaruit. Dan is er de geest der bitterheid. Deze ontstaat in het vuur en is ook in de stof of de massa. Hij kan niet gebonden zijn, wanneer er verdroging plaats vindt, maar hij komt in wrijving met de geest der wrangheid in de verdroogde massa, totdat hij het vuur heeft aangestoken. Wanneer dit geschiedt, zoo verschrikt de geest der bitterheid en zo komt hij in werking en blijft leven. Versta dit goed. In de aarde kunt ge, behalve gewassen, kruiden en metalen, niets bespeuren dan alleen wrang en bitter water. Nu is er ook zoet water in, in tegenstelling met het wrange en bittere water. Ook is het dun, terwijl het andere hard en bitter is. Daardoor ontstaat er een gestadig worstelen en strijden. Maar in die worsteling is nog geen leven; neen, het is als een donker dal, waarin de verschillende factoren elkander niet verdragen. Daardoor ontstaat beweeglijkheid. Ook de toorn Gods, die in het verborgene is, ontstaat daardoor. Zo ook is daardoor ook de duivel, de dood en de hel ontstaan, hetgeen ge bij de behandeling van de val des duivels lezen kunt. Wanneer nu deze drie factoren: het wrange, het bittere en het zoete in wrijving komen met elkander, zo voert de wrange kwaliteit de boventoon, want zij is de sterkste, en trekt met geweld de zoete tezamen, dewijl de zoete zacht is en wegens haar zachtheid kan uitzetten, zodat zij zich gevangen moet geven. Wanneer dit nu geschiedt, zo wordt het bittere mede gevangen genomen en tot verdroging gebracht, dan zijn de drie genoemde eigenschappen in strijd met elkander en dat doet de massa verdrogen; vooral de wrange kwaliteit veroorzaakt steeds meer verdroging. Wanneer het zoete water zich niet meer handhaven kan, komt de angst, evenals bij de mens, wanneer hij sterven gaat, boven, zo, dat de geest zich afscheidt van het lichaam en het lichaam aan de dood wordt overgegeven; zo ook wordt het water gevangen genomen. En in deze angst ontstond angstzweet, evenals bij een stervende mens. Dit angstzweet is van één hoedanigheid met de wrange en bittere eigenschap, want het is als 't ware haar zoon, die zij, uit het zoete water hebben doen geboren worden. Wanneer dit nu plaats vindt, zo is de wrange en bittere hoedanigheid verheugd over haar zoon en een elk van hen geeft die zoon van zijn kracht en zijn leven. De wrange en de bittere eigenschap onttrekken voortdurend het sap aan de aarde en geven die aan de jonge zoon. Het lichamelijke echter, dat uit het zoete water door samentrekken is ontstaan, blijft dood en nu heeft het vocht van het lichaam of het

voorwerp, hetwelk van één hoedanigheid is met het wrange en het bittere, gelegenheid om zich te laten gelden. Maar de twee kwaliteiten, wrangheid en bitterheid, kunnen niet laten te strijden met elkander. De wrange eigenschap is sterk; de bittere is snel. Wanneer de wrange naar de bittere grijpt, zo ontwijkt deze haar en neemt het vocht van de zoon mee. Dan wil de wrange eigenschap de bittere overal volgen en haar gevangen nemen; dan wil de bittere eigenschap uit dat lichaam, dat voorwerp gaan en dit zet daardoor uit. Wanneer dat lichaam of voorwerp dan niet meer uitzetten kan, en de strijd te hevig, zo moet de bitterheid zich gevangen geven. Dan breekt zij los uit het lichaam en neemt de zoon mee. Dit is nu het ontstaan en het groeiproces van een wortel, die in de aarde is. Nu zegt ge: hoe kan in deze geboorte God zijn? Ziet, dit is de geboorte der natuur. Wanneer nu in deze drie eigenschappen, te weten: bitter, zuur en zoet, niet het ontstoken vuur des toorns zou zijn, zo zoudt ge wel zien, waar God is. Nu evenwel is het vuur des toorns in alle drie eigenschappen aanwezig. De wrangheid is veel te koud en veroorzaakt in een bepaald lichaam of voorwerp te veel samentrekking. Zo is het zoete te dik en te duister en de bittere te stekelachtig, te moorddadig en verwoed en zij kunnen het niet eens worden. Anders, wanneer het zure niet zo zeer zou worden aangestoken, en het water niet zo dik zou zijn en het bittere niet zo moordend, zo zouden zij het vuur kunnen ontsteken, waardoor het licht zou veroorzaakt worden. En uit het licht wordt de liefde geboren en uit de bliksem des vuurs de toorn; dan zoudt ge wel zien of aldaar niet een Hemels lichaam zou zijn, waarin het Licht Gods zou schijnen. Dewijl echter het wrange te koud is en het water te zeer verdroogd, zo neemt het hete vuur het op in haar koude en het zoete water wordt te niet gedaan. Ook zo neemt zij het bittere gevangen en verdroogt mede. Bij deze verdroging wordt het vet, dat in het zoete water is, opgelost. Het vet, waarin het vuur wordt ontstoken en uit het vet ontstond een wrange en bittere geest. Want wanneer het vet, dat in het zoete water is, verdwijnt, zo verandert het in angstzweet, waarin de wrange en de bittere eigenschap zijn. Dit is niet zo op te vatten, dat het water geheel te niet gedaan wordt. Neen, dat kan zo niet zijn, maar het is zó, dat de geest der wrangheid de zoetheid of de vetheid van het water opneemt en dit nodig heeft. Want hij, is geheel verstard en heeft nu het water nodig om tot leven te komen; hij ontneemt het water zijn vetheid en ontneemt ook aan het water zijn macht. Dan ontstaat uit het water een angstzweet, dat het midden houdt tussen dood en leven en het vuur kan niet ontstoken worden. Want het vet wordt vastgehouden in het koude vuur en het gehele lichaam, het gehele voorwerp, dat in angst geboren wordt, blijft als een duister dal en kan het leven niet begrijpen of omvatten. Want het leven, hetwelk in het licht staat, kan zich niet baanbreken in het harde, bittere en wrange lichaam,

omdat het gevangen ligt, alhoewel het niet ten dode is opgeschreven. Ge ziet, dat dit alles waarachtig is. Neem een wortel die aangedaan is met de eigenschap: warmte, kilte, en leg deze in warm water of neem haar in de mond en maak haar warm en vochtig; zo zult ge spoedig het leven, dat in haar is, zien en hoe zij werkt en streeft. Wanneer zij zonder warmte zou zijn, zo is zij daar in de dood gevangen en koud, zoals een stuk hout. Ge ziet ook wel, dat de plant dood is, want, wanneer de kracht uit de wortel gevloden is, zo is de plant een dood ding en kan niet groeien. De aarde heeft zeven Oergeesten en door de werking des duivels zijn de geesten des levens wel gevangen genomen, maar niet gedood. De eerste drie: zuur, zoet en bitter behoren en zijn noodzakelijk bij de vorming van een bepaald lichaam, in de stoffelijkheid. Dit is wat we genoemd hebben de uiterlijke geboorte. De andere drie: hitte, liefde en klank of toon, staan in het onbegrijpelijke en vertegenwoordigen de innerlijke geboorte, waarmede de Godheid vertegenwoordigt de innerlijke geboorte, waarmede de Godheid van één hoedanigheid is. Wanneer nu de eerste drie niet verstard zouden zijn in de dood, zodat zij door de hitte zouden kunnen worden aangestoken, zo zoudt ge spoedig een lichtend, Hemels lichaam zien en ge zoudt ook zien waar God is. Dewijl deze drie eerste eigenschappen der aarde in de dood verstard zijn, zo blijven zij ook daarin en kunnen zich niet tot het licht omhoog heffen; zij blijven in de duisternis, waarin de goddelijke toorn, dood en hel gelegen zijn. Ook zijn in die duisternis de eeuwige gevangenis en de smarten des satans. Hier ziet ge wederom, hoe het rijk van God en het hellerijk als één, lichaam zijn; en toch kan het ene rijk het andere niet begrijpen. Want de innerlijke geboorte, die vertegenwoordigd wordt door de andere kwaliteiten, nml.: hitte, licht, liefde en geluid, maakt de uiterlijke geboorte beweeglijk, zodat deze in werking wordt gesteld en lichamen voortbrengt. Al bevindt zich nu een bepaald lichaam in de uiterlijkheid, in de stof, zo wordt dat lichaam toch geformeerd, naar de aard der innerlijke geboorte, want hierin komt het woord tot openbaring en het woord is de klank, welke in het licht des vuurs door de bittere en wrange kwaliteit omhoog stijgt. Wanneer echter de klank van het woord Gods door de wrange, bittere dood omhoog moet stijgen en in het halfdode water een lichaam moet voortbrengen, zo wordt dat lichaam ook tegelijkertijd goed en boos; ook dood en levend, want het is aan beide zijn ontstaan verschuldigd en onderworpen aan zijn moeder: de aarde, wat betreft zijn verschijningsvorm en zijn kracht. Dat nu het leven onder en in de dood verborgen ligt en ook in de kinderen der aarde, dat wil ik U bewijzen. Ziet, de mens wordt ziek; en wanneer hem geen raad gegeven wordt, zo

sterft hij door een bitter en wrang kruid, dat uit de aarde opwast, of ook wel door water, dat de dood veroorzaakt of door andere gewassen, die de aarde oplevert; ook wel door vlees, dat bedorven is. Wanneer er nu echter een verstandige dokter is, die bij de zieke onderzoek doet naar de oorzaak van zijn ziekte, welke deze oorzaak dan ook is, hetzij Mees, kruid of water dat bedorven was, en hij distilleert dit of verbrandt het tot pulver, al naar de materie, die hij heeft, noodzakelijk maakt, dan blijft hierna in het water of in het pulver de siderische geboorte bestaan, waarin leven en dood met elkander strijd voeren; beide, leven en dood kunnen zich doen gelden, en het dode lichaam is er dan niet meer. Wanneer ge nu dit water of pulver met een goede therial of iets dergelijks vermengt, waardoor de macht van het boze in de siderische geboorte wordt vastgehouden en ge geeft de kranke een warme drank, hetzij wijn of bier in, zo zal het leven omhoog willen stijgen, maar wordt daarin belemmerd door de boosheid, die in de siderische geboorte is. Zo veel kan echter wel geschieden, dat de ziekte de mens ontnomen wordt, want het siderische leven ontneemt de Engel des doods zijn scherpte, wanneer dat bepaalde middel zegeviert, zo wordt de mens wederom gezond. Alzo ziet ge, hoe de kracht van het woord en des eeuwigen levens in de aarde en hare kinderen in de dood verborgen ligt en voor de dood onbegrijpelijk, toch levenwekkend is. Deze kracht dringt om tot licht en leven te komen, maar kan dat niet ten volle, tenzij zij aan de dood ontheven is. Nu zou iemand kunnen vragen: Welke substantie is er aanwezig, waardoor de siderische geboorte der aarde haar werkingen een dag eerder is aangevangen dan de siderische geboorte rondom de aarde, nademaal toch het vuur rondom de aarde veel sneller aangestoken wordt dan het vuur in de aarde? Ook de aarde, wil zij vrucht voortbrengen, moet aangestoken worden door het vuur, dat rondom, in de ruimte, aanwezig is. Ziet, gij verstandige geest, met u en niet met het vlees kan men spreken; opent de deur uwer siderische geboorte wijd en hef uw siderische geboorte voor een deel in het licht, laat het andere deel in de boosheid en zie toe dat uw zielegeboorte één is met het Licht. Verhef uw geest en zie van dit alles de diepe zin, en al kunt ge het niet begrijpen, zo weet, dat het dan nog in u geboren moet worden. Merk nu het volgende op: Toen nu de Godheid zich opmaakte om de schepping te volvoeren, zo gebeurde dat niet op deze wijze, dat een gedeelte in werking was en een ander gedeelte rustte, maar alles was tegelijk in de stof aanwezig; de ganse ruimte, de gehele diepte; alles, wat tot het rijk van Lucifer behoord had, als de Salniter zijn werking uitoefende. De volvoering der drie geboorten duurde zes dag- en zes nachtperioden, en in die tijd werkten alle zeven Goddelijke Geesten volledig, alsook het hart der geesten, terwijl de Salniter der aarde zich in deze tijd twee maal omwentelde. Bij iedere omwenteling werd een be-

paald gedeelte, corresponderende met de daarbij behorende Oergeesten tot aanzijn gebracht. De eerste oergeest nu is de wrange, koude, scherpe en harde en deze was de eerste dag in werking. De astrologen noemen dit het saturnale. Op deze dag zijn de aarde en de stenen geschapen; daarnevens het uitspansel des Hemels. De tweede dag wordt beschouwd door de astrologen, als de dag, waarop de zon werd geformeerd; toch moet volgens de astrologen Jupiter op die dag geschapen zijn. Want op deze tweede dag is het licht, uit het hart der zeven Oergeesten door de Hemel heengebroken en is milder geworden door het water, dat boven de aarde is. Het water des levens wordt, in het licht Gods, uit de dood geboren. En alzo is het licht Gods in het water des Hemels, door de duistere en wrange dood, heengebroken. Zo is de Hemel, het uitspansel, gemaakt te midden van de twee soorten water. Het licht des levens, hetwelk de klaarheid van Gods Zoon weerspiegelt, openbaart zich in het water. Alzo openbaart zich ook het inzicht en het licht des levens bij de mensen, ja, het ganse Goddelijke Licht openbaart zich in deze wereld op een dergelijke wijze. Op de derde dag werd Mars tot aanzijn geroepen. Deze was een geest vol beweging, woede en bitterheid. Bij de derde aardeomwenteling heeft de bittere eigenschap met de wrange strijd gevoerd. Versta deze dingen goed. Als het licht in het zoete water, door de wrangheid heengedrongen was, ging de bliksem des vuurs op in de wrange, harde en dode eigenschap; deze heeft alles in beweging en tot leven gebracht, en daardoor is ook het leven en de beweging ontstaan. Ik spreek hier nu niet alleen over de aarde en het uitspansel, maar ook over de beweging en het leven, dat in de aarde, ja overal plaats greep. Dewijl echter de Hemelse vruchten, vóór de tijden des toorns slechts ontstonden door de beweging der Oergeesten, en daardoor ook weer te niet gedaan werden, en veranderingen ondergaan hebben, zo zijn zij op de derde dag van de schepping der dingen ook door de werking van het vuur in de wrange eigenschap der aarde tot aanzijn gekomen. Al is nu het gehele Goddelijke Wezen in de aarde verborgen, zo is het daarom nog niet mogelijk, dat de aarde Hemelse vruchten heeft kunnen voortbrengen, want de geest der wrangheid heeft het zegel des doods gebracht, zodat het Goddelijk Hart verborgen blijft. De uiterlijke geboorte is de natuur en deze kan niet teruggrijpen naar het Goddelijk Hart, dat komt haar niet toe ook, zij is het lichaam, waarin de Oergeesten tot uiting komen en hun vruchten voortbrengen. Daarom ook is de aarde op de derde dag begonnen met het voortbrengen van gras, kruid, enz.

HOOFDSTUK XXII.

Over het ontstaan der sterren en over de schepping van de vierde dag. Hier wil ik beginnen de siderische geboorte te beschrijven. Het is wel te begrijpen, wat het eerste gedeelte van dit boek bedoelt, waar het zegt: “Morgenrood in opgang”, want ook voor een eenvoudig mens is hier het Wezen Gods te zien en te begrijpen. Warneer de lezer door zijn ongeloof en onbegrip nu maar niet blind is. Ik heb de natuur en al hare kinderen tot getuigen voor hetgeen ik hier zal zeggen.. Zijt verstandig, zie om u heen en zie op u zelf, en denk na, zo zult ge spoedig ontdekken welke de Geest is, waaruit ik schrijf. Het bevel des geestes wil ik gehoorzaam uitvoeren. Ziet toe en laat u niet op een dwaalweg voeren. De poort van het inzicht staat voor u open. En hoewel de geest het niet eens zal zijn met sommige astrologen, zo is mij dat onverschillig; ik moet God méér gehoorzaam zijn dan de mensen, welke blind zijn naar de geest. Willen zij niet zien, dan moeten zij maar blind blijven. Toen op de derde dag het licht des vuurs opging, uit het Licht, dat in het zoete water was, welk eerste licht de bittere kwaliteit is, zo was de gehele natuur werkend', en bewegend, zowel in de aarde als op en boven de aarde en het leven begon zich in alle dingen te openbaren. Uit de aarde ontsprong gras, kruid en bomen en in de aarde vormde zich zilver, goud en allerlei ertsen. In de ruimte rondom de aarde was er een openbaring van verschillende krachten. Opdat ge echter moogt verstaan hoe alles geschiedde, zo wil ik alles na elkander, in de juiste volgorde beschrijven, opdat ge de diepte en de grond van dit geheimenis zult verstaan. Ik wil beginnen bij de aarde, vervolgens behandelen de ruimte rondom de aarde, ten derde spreken over het ontstaan der sterren, ten vierde over de zeven hoofdeigenschappen der planeten en hun hart, hetwelk de zon is; ten vijfde spreken over de vier elementen, ten zesde over de uiterlijke, stoffelijke, zichtbare geboorte, die uit dit gehele gebied voortkomt en ten slotte over de wonderlijke verhoudingen en de bekwaamheid van de gehele natuur. Hierbij wil ik alle navolgers van de heilige en hooggeleerde kunsten, van de astrologie en de theologie uitnodigen. Ik wil hun de oorzaak tonen en het bewijs dezer dingen geven. En al heb ik niet gestudeerd als zij, daarover maak ik mij geen zorgen. Zij zullen nog zoveel te leren hebben, dat menigeen van hen nodig zal hebben, om dit te doorgronden en te verstaan. Ik heb hun wijze van doen niet nodig, noch hun scholing; ik heb niet van hen geleerd, maar heb een andere leermeester en deze is de natuur zelve. Uit haar en van haar heb ik filosofie, theologie en astrologie geleerd en niet van of door mensen. Dewijl echter de mensen goden zijn en het inzicht ontlenen aan God de Vader, uit Wien zij voortgekomen

zijn, en in Wien zij leven, zo veracht ik hun filosofie, astrologie en theologie zeker niet. Want ik meen, dat deze menigmaal op ware grondslag rust en ook wil ik mij beijveren, hun formules over te nemen. Want ik moet erkennen, dat zij hierin meer zijn dan ik en dat ik uit hun formules mijn eerste inzicht en kennis heb opgebouwd. Ik wil die formules ook niet verdraaien of verbeteren; dat kan ik ook niet; ik heb ze nooit geleerd en laat ze dus in hun waarde. Maar ook wil ik niet geheel afgaan, op wat zij leren, maar ik wil als een ijverige knecht de aarde doorwroeten, opdat ik deze gehele boom met wortel, stam, takken, twijgen en vruchten kan zien. Zodoende zal mijn schrijven niets nieuws voor u bevatten; uw filosofie en de mijne zullen dezelfde zijn. Zij zullen zijn als één boom, die enerlei vrucht draagt. Ik heb ook niet het bevel ontvangen, u om uw opvattingen te verdoemen, over uw hovaardij, nijd en toorn; hierover beklaagt de geest der natuur zich zeer; niet ik. Wat zou ik, arme worm, doen, ik die zo machteloos ben. Zij zijn in de wellusten des vlezes verzonken en hebben het talent in de aarde begraven. De geest heeft lange tijd bij hen aangehouden, opdat zij zich zouden bekeren, want het heldere licht is nabij; maar zij dwalen rond, zoeken de sleutel tot de waarheid, terwijl ze deze met zich dragen. Zij weten dit echter niet en gaan, al zoekend, vol eergierigheid en hovaardij rond. Daarom spreekt de geest der natuur; dewijl zij niet uit hun slaap ontwaken en de deur niet willen openen, zo wil ik liet zelf doen. Wat zou' ik, arme, eenvoudige mens over hun kunst leren of schrijven, wanneer het mij niet eerst door de geest der natuur geleerd was; uit die geest leef ik en ben ik. Ik ben slechts een leek en ontvang geen beloning; zou ik echter daarom de Geest weren, zodat hij niet zou kunnen meedelen wat hem goed dunkt? Ik ben slechts de grendel, die voor de deur is geschoven; wanneer de geest mij weg zou willen werpen, zo zou ik hem dat niet kunnen beletten. Ziet, ik zeg u: zodra de deur tot aan haar scharnieren open gaat, zo worden alle onnutte grendels weggeworpen; want de deur zal nadien niet meer gesloten worden, maar open blijven staan en de vier winden zullen in- en uitgaan. Alleen de tovenaar zal menigeen trachten te verblinden, zodat hij de deur niet ziet. Dan zegt hij: er is geen deur; alles is gesloten. Dan gaat hij niet meer daarheen. Zo laten zich de mensen afwijzen. Wanneer dit plaats heeft, zo vertoornt zich de geest, die de poorten heeft geopend, dewijl niemand meer in- en uit wil gaan. Degenen, die binnen zijn, blijven binnen en degenen, die buiten zijn, blijven buiten. Nu doet de vraag zich voor: Wat zijn de sterren? Daarover schrijft Mozes in Genesis in hoofdstuk 1 14 : 15. En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des Hemels, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en dat ze zijn tot tekenen en tot gezette tijden,

en tot dagen en jaren. En dat zij, zijn tot lichten in het uitspansel des Hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo. God maakte de twee grote lichten; het grote licht tot heerschappij des daags en het kleine licht tot heerschappij des nachts, ook de sterren. En God stelde ze in het uitspansel des Hemels, om licht te geven op de aarde (16, 17, 18). En om te heersen op de dag en in de nachten om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag, dat het goed was. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag (19). Deze beschrijving toont duidelijk aan, dat Mozes de schrijver van dit schriftgedeelte niet is; want de schrijver heeft noch God, noch de sterren onderscheiden. En het is wel te vermoeden, dat de schepping niet vóór de zondvloed werd beschreven, maar als een duister verhaal in de gedachten heeft gesluimerd van de opeenvolgende geslachten tot na de zondvloed, toen de mensen meer overdadig begonnen televen. De heilige vaderen hebben, toen zij dit zagen, de schepping beschreven, opdat men deze niet zou vergeten en de wereld, die overdadig leefde, een spiegel zou hebben en men hierin zouden kunnen zien, hoe het ten tijde der schepping was en dat er een God bestaat. Ook, dat deze wereld niet van eeuwigheid af zo geweest is. Dat zij dit maar mogen hebben gezien en de verborgen God maar mogen hebben gevreesd. Dit is ook hun Alvader geweest, na en ook vóór de zondvloed, hun voornaamste onderwijzing en lering; op deze wijze is het den mensen onderwezen, zoals ook het gehele boek job hiervan getuigt. Daarna zijn de wijze heidenen gekomen; zij zijn ten opzichte van de kennis der natuur iets dieper doorgedrongen in hare geheimen en ik moet naar waarheid getuigen, dat zij in hun filosofie en inzicht genaderd zijn voor Gods aangezicht. Niettemin hebben zij God noch gezien, noch gekend. Alzo is de mens aan de dood gebonden en daarin als 't ware opgesloten. Zij, de heidenen, hebben de zon en de sterren als goden vereerd en aangebeden, maar zij hebben niet verstaan, hoe deze ontstaan zijn en waaruit. Wellicht hebben zij verondersteld, dat, datgene waaruit zij zijn voortgekomen, groter en ouder moest zijn dan de sterren. De aarde en de stenen hebben zij daarbij tot voorbeeld; deze zijn uit iets voortgekomen, evenals de mensen en alle schepselen op de aarde. Dit alles overtuigt hen, dat in deze dingen nog een hogere macht aanwezig is, die dit alles zo geschapen heeft, als het thans is. Maar waarom zal ik schrijven over de verblindheid der heidenen; zijn niet onze doktoren even blind als zij; zij toch weten dat er een God is, die alles geschapen heeft; zij weten echter niet, waar en hoe deze God zich openbaart. Wanneer zij over God schrijven willen, zo zoeken zij Hem buiten deze wereld, in een Hemel, als ware hij een beeltenis die met iets zou kunnen worden vergeleken. Zij laten wel toe, dat deze God met Zijn Geest in deze wereld alles bestuurt en regeert, maar niettemin denken zij,

dat Hij een stoffelijk lichaam heeft, dat vele duizenden mijlen van de aarde verwijderd, in een Hemel verblijf houdt. Welaan, gij doktoren. Zo gij het ware inzicht omtrent deze dingen hebt, zo geeft de geest antwoord. Ik wil u iets vragen. Wat denkt ge, dat er geweest is op de plaats waar thans deze wereld is ten tijde, toen deze wereld er nog niet was? Of waaruit meent ge, dat de aarde en de stenen ontstaan zijn? Of, wat denkt ge, dat er in de diepte der aarde is, en waardoor deze diepte ontstaan is? Of hoe stelt ge u voor de betekenis van dit woord: De mens is naar Gods beeld geschapen. En wat wil het zeggen, dat God in hem woont? Wat is de toorn Gods? En wat meent ge, dat God een afkeer van de mensen zou hebben, zodat Hij hen pijnigt, nadat Hij hen eerst heeft geschapen? Dat Hij hen tot eeuwige pijn veroordeelt? Waarom zou Hij dan datgene geschapen hebben, waaraan de mens zich vergrijpt. Waaruit en waarom is dat dan ontstaan? En wat is de oorzaak of het begin van de toorn Gods, waaruit hel en duivel ontstaan zijn? En hoe komt het, dat alle schepselen in deze wereld niet elkander strijd voeren en elkander belagen en toch wordt alleen den mensen hunne zonden toegerekend. En waaruit zijn de vergiftige en boze dieren, benevens al het ongedierte ontstaan. En hoe was de oorsprong der heilige Engelen? En ten slotte: wat is de ziel des mensen en wat is de grote God zelf? Geef daarop juist en afdoend een antwoord en bewijst dit en laat af van uw woordenstrijd. Zo ge uit uw vorige geschriften bewijzen kunt, dat gij den enigen, waren God kent, in Zijn liefde en toorn en zo gij bewijzen kunt dat God niet is in sterren, elementen, aarde, stenen, mensen, dieren, loof, kruid en gras, noch in Hemel of op de aarde, en zo gij kunt aantonen, dat ik gefaald heb, zo wil ik de eerste zijn, die dit toegeef en zo zal ik mijn boek verbranden en al datgene wat ik geschreven heb herroepen en vervloeken en mij door u, gehoorzaam laten onderrichten. Dat neemt niet weg, dat er toch ook zaken zijn, waarin ik me gemakkelijk kan vergissen; sommige zaken zijn niet voldoende duidelijk geworden. De mens kan deze, met zijn halfdode natuur niet genoegzaam begrijpen. Wat ge echter op de ene plaats niet voldoende verklaard vindt, dat zult ge op een andere plaats verduidelijkt vinden; zij het niet in dit boek, dan in een volgend. Nu kunt ge zeggen: het komt mij niet toe, deze dingen te vragen, want God is een geheimenis, hetwelk niemand doorvorsen kan. Hoort: komt het mij niet toe, om te vragen, zo komt het u niet toe, mij te oordelen. Wanneer ge u er op beroemt de leider der blinden te zijn, doordat ge inzicht hebt in de waarheid, zo moet ge niet zelf blind zijn; hoe zoudt ge de blinden anders de weg kunnen wijzen! Beiden zoudt ge ondergaan in uw blindheid. Zegt ge nu: wij zijn niet blind; wij zien de weg des lichts, waarom twist ge dan over die weg. Niemand toch ziet deze weg geheel, zoals hij is. Gij

leert anderen de weg en zoekt hem zelven; gij tast in het duister rond en ziet de weg niet. Of meent ge, dat het een zonde is, wanneer iemand naar de weg vraagt? O, gij blinde mensen, laat af van twisten en vergiet geen onschuldig bloed; verwoest stad en land niet naar de wil des duivels en zijn goeddunken. Doet aan de helm des vredes en gordt u aan met naastenliefde en weest zachtmoedig. Laat af van nijd en hovaardij; misgunt elkander niets, ontsteekt niet het vuur des toorns, maar 'leeft in zachtmoedigheid, kuisheid, vriendelijkheid en reinheid, zo leeft ge in God. Ge moogt niet vragen: waar is God. Hoort toe, gij blinde mens. Gij leeft in God en God in u en zo ge heilig leeft, zo zijt ge zelven God; waar ge om u heen ziet, daar is God. Wanneer ge de ruimte tussen de sterren en de aarde aanschouwt, zegt ge: dat is God niet en hier is God niet. O, gij arme, verdorven mens, laat u onderwijzen: in de ruimte boven de aarde, waar ge niets ziet en erkent, en waarvan ge zegt: hier is niets, aldaar is de lichtende Godheid in Zijn Drievoudigheid. Of meent ge, dat God van Zijn troon die Hij van eeuwigheid gehad heeft, ten tijde van de schepping deze wereld is geweken? O neen, zo dan het niet zijn; al zou God dit willen, zo zou Hij dit toch niet kunnen doen, want Hij is zelf alles. Evenmin als een lichaamsdeel zich af kan scheuren van het lichaam, evenmin kan God van zich zelf worden afgescheurd. Dat hij zoveel aanzichten heeft evenwel, wordt veroorzaakt doordat Hij enig is. Hij is naar zijn wezen drievoudig. Daardoor is Hij zo oneindig onmeetbaar. Over deze drievoudigheid wil ik hier schrijven en de kinderen dezer wereld aantonen, wie God is. Niet om mij daarop te beroemen of uit hovaardij, of om enig mens te krenken. Neen, de geest zal u in alle zachtmoedigheid en vriendelijkheid onderwijzen, zoals een Vader zijne kinderen onderwijst. Het werk is niet door mijn vernuft tot stand gekomen, maar door de liefdesopenbaring des Heiligen Geestes, die in het vleselijke is doorgebroken. Uit eigen kracht kan ik niet veel en ben ook slechts een blinde, maar door Gods geest ziet mijn geest alles, hoewel ik niet standvastig genoeg ben. Maar wanneer de geest van de liefde Gods door mijn geest werkt, dan versta ik de Godheid. Niet alleen mij gaat het zo, maar alle mensen, of het nu Christenen, joden, Turken of heidenen zijn. Allen, waarin de zachtmoedigheid en de liefde leven, staan ook in het licht Gods. Zoudt ge willen zeggen: Neen? De Turken, de Joden en de heidenen hebben immers hetzelfde lichaam dat gij hebt; zij bezitten dezelfde lichaamskracht die gij gebruikt en dezelfde God, die uw God is, is ook hun God. Zegt ge: Zij kennen God echter niet en eren Hem niet. Ja, mensenkind, ge kunt u er op beroemen, dat gij Hem beter kent. Maar waar de liefde door de zachtmoedigheid wordt geopenbaard, daar openbaart zich het Goddelijk Hart. Want het hart Gods wordt in het

zachte water van het aangestoken licht geboren, hetzij in de mens of buiten de mens, het wordt overal in het centrum, in het midden tussen de uiterlijke en de innerlijke geboorte geboren. En wat gij ook aanschouwt, daar is God. Het begrip echter staat in deze wereld in de toorn, die de duivel heeft ontstoken en in de verborgen kern midden in de toorn wordt het licht, of het hart Gods geboren, hetgeen voor de toorn onbegrijpelijk is, en elk blijft op zijn plaats. Ik zal daarom niet veel ophef maken van het ongeloof en de halsstarrigheid der joden, Turken en Heidenen, en hun grimmigheid en boosheid jegens de Christenen. Neen, dat zijn ijdele strikken des duivels, die de mensen daardoor tot hovaardigheid, gierigheid, nijd en toorn aanjaagt, waarmede hij in hen het helse vuur ontsteekt. Ook kan ik niet zeggen, dat deze vier zonen des duivels ook niet in de Christenheid regeren, ja zelfs in ieder mens. Nu vraagt ge: Wat is dan het onderscheid tussen Christenen, joden, Turken en Heidenen? Hier komt de geest u op alle mogelijke wijzen tegemoet; wilt ge niet zien, zo wees dan blind. Het onderscheid ligt ten eerste hierin, dat God aanhoudend de weg gewezen heeft, zodat diegenen, die weten, wat God is, en hoe zij Hem dienen kunnen, door hunne wetenschap door de toorn in de liefde Gods dringen en de duivel overwinnen kunnen; doen zij dat niet, dan zijn zij niets beter dan zij, die het niet weten. Zo echter diegene die de weg niet kent, door de toorn in de liefde dringt, zo is hij gelijk aan hem, die door zijn wetenschap is doorgedrongen; zij, die echter in de toorn volharden en die nog in zich zelve ontsteken, zijn allen aan elkander gelijk, hetzij het Christenen, joden, Turken of Heidenen zijn. Of meent gij, dat gij God daarmede zoudt kunnen dienen? Wilt ge huichelen en u mooier voordoen, dan ge zijt? Ik neem dan aan, dat gij een Engel zijt, een schone Engel, die liefde in zijn hart heeft, en een barmhartig en zachtmoedig leven leidt, en tegen de boosheid strijdt en door de toorn Gods in het licht dringt, die leeft met God en is één geest met God. Want God heeft geen andere diensten nodig, dan dat zijn schepsel, hetwelk in zijn liefde is, niet van hem zal weggaan, maar heilig zal zijn gelijk Hij is. Daarom gaf ook God aan de joden de wet, dat zij zich beijveren zouden in heiligheid en liefde, opdat ze voor de ganse wereld een spiegel zouden zijn. Toen zij in hovaardigheid geraakten en zich op hun geboorte voor de liefde gingen beroemen, en uit de wet der liefde een scherf des toorn maakten, toen stiet God hen van de lichtbron weg en trok naar de heidenen. Vervolgens is dit het onderscheid tussen de Christenen, joden, Turken en Heidenen, dat de Christenen weten van de boom des levens, welke

Christus is, die is de vorst van onze Hemel en Die in alle geboorten als een koning in God zijn Vader regeert, en dat de mensen zijn leden zijn. Nu weten de Christenen, hoe zij krachtens deze boom uit hun dood, door Zijn dood, in Zijn leven binnendringen kunnen, en met hem heersen en leven; dat zij dan ook door dat binnendringen, met hun nieuwe geboorte uit dit dode lichaam, bij Hem in de Hemel kunnen zijn. En ofschoon het dode lichaam midden in de hel bij alle duivelen is, toch heerst de nieuwe mens met God in de Hemel, en voor hem is de boom des levens een sterke deur, waardoor hij het leven binnengaat. Dit zult u te zijner plaatse uitvoerig vinden. Maar 'let nu op. - Mozes schrijft, dat God heeft gesproken: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des Hemels, die hun licht geven op aarde en scheiden de dag van de nacht, en maken jaar en tijden. Deze beschrijving toont ons aan, dat de eerste schrijver niet geweten heeft, wat sterren zijn, hoewel hij toch vatbaar is geweest voor de rechten van God. Hij heeft echter de Godheid bij het hart genomen en heeft uit het hart gezien, wat het hart en de kern dezer schepping was, en de geest heeft hem de siderische en uiterlijke dode geboorte verborgen gehouden, en heeft hem alleen op het geloof, naar het hart van de Godheid gedreven. Wat ook de hoofdzaak is, wat voor de mens het meest nodig is, want wanneer hij het ware geloof aangrijpt, dan dringt hij door de toorn van God, door de dood heen in het leven, en heerst met God. Daar echter de mensen in de laatste tijd veel luisteren naar de wortel van de boom, door welke de natuur aantoont, dat de tijd van het kaalworden van de boom nabij is, daar wil hun de geest hetzelfde aantonen en de Godheid zich geheel en al openbaren. Dat is het morgenrood en het aanbreken van de grote dag Gods, waarop zal teruggebracht worden en opgaan, alles, wat uit de dood tot wedergeboorte des levens is geboren. Zie, toen God sprak: Er zij licht, toen is het licht in de krachten der natuur, of de zeven geesten Gods opgegaan, en het uitspansel des Hemels, dat in het woord in het hart van het water staat, is tussen de siderische en uiterlijke geboorte met het woord en het hart van het water ingesloten, en de siderische geboorte is de grensplaats, die half in de Hemel en half in de toorn gelegen is. Uit datzelfde halve deel van de toorn, komt altijd de dode geboorte voort en uit de andere helft, dat met zijn innerste kern tot in het binnenste hart en licht van God reikt, ontstaat nu altijd door de dood het leven, en de siderische geboorte is toch niet twee, maar één lichaam. Toen echter in twee dagen de schepping van Hemel en aarde verricht was, en de Hemel in het hart van het water tot onderscheid van het licht en de toorn Gods, gemaakt was, verrezen op de derde dag door de schrikt van de vuurstraal, die vanuit het hart van het water opging, en door de dood heendrong, voor de dood onbegrijpelijk, weer allerlei vormen, zoals

het voor de tijd van de aangestoken toorn geschied was. Daar echter het water, dat de geest van het siderische leven is, midden in de toorn en ook in de dood stond, vormde zich ook ieder lichaam zodanig, als de geboorte tot leven en beweging was. Van de aarde. De aarde was nu de Salniter, die uit de innerlijke geboorte uitgespuwd was en in de dood stond. Toen echter de vuurstraal door het woord in het water opsprong, toen ontstond er een schrik; daaruit kwam voort de beweeglijkheid in de dood, en diezelfde beweeglijkheid in alle zeven geesten is nu de siderische geboorte. De diepte. Versta dat goed. Toen op de derde dag de vuurstraal zich in het water van de dood ontstak, is door het dode lichaam van het water en van de aarde het leven doorgedrongen. Nu echter begrijpt het dode water en de aarde niets meer dan de bliksem of vuurschrik; daardoor ontstaat de beweeglijkheid. Het licht echter, hetwelk in de vuurstraal heel zachtjes opgaat, kan noch de aarde, noch het dode water begrijpen. Het behoudt echter zijn plaats in de kern, die het vet of het water des levens, of de Hemel is; want het is het levenslichaam, dat de dood niet kan aantasten en toch in de dood opgaat. Zo ook kan de toorn het niet aantasten, doch de toorn blijft in de schrik van de vuurstraal en maakt de beweeglijkheid in het dode lichaam van de aarde en in het water. Het licht dringt echter zachtjesaan door en brengt de geboorte tot stand, die door de schrik van de vuurstraal zijn samengestelde lichaam bekomen heeft. De gewassen der aarde. Wanneer nu de toornige vuurstraal de natuurgeesten, die in de aarde in de dood staan, met zijn grimmige schrik opwekt en beweeglik maakt, dan beginnen de geesten naar hun eigengeaarde goddelijke rechten zich te ontwikkelen, zoals zij van eeuwigheid af gedaan hebben, en stellen een lichaam samen met de eigenschappen, die aan die plaats verbonden zijn. Zoals de Salniter in de tijd der aansteking des toorns in de dood gestorven is, en terzelfder tijd in het innerlijke leven der zeven Geesten Gods kwalificerend is geweest, zo is hij ook in de tijd der wedergeboorte in de vuurstraal weer opgegaan en is niet anders nieuw geworden dan in een andere levensgestalte, welke in de greep des doods staat. Nu is de Salniter van de aarde en het water, in zijn dode wezen, niet meer in staat zich te veranderen en tot in het oneindige voort te brengen, zoals hij in zijn Hemelse verblijfplaats deed; maar wanneer de Oergeesten het lichaam

vormen, dan gaat hij in de kracht van het licht op. En het leven van het licht breekt door de dood heen, en schept hem een lichaam uit de dood, dat niet gelijk is aan het water en de dode aarde, en hij krijgt ook niet hun smaak en reuk, doch de kracht van het licht dringt door en maakt zich evenredig met de kracht der aarde en neemt de dood zijn angel en de toorn zijn giftig geweld weg en dringt midden in het lichaam als een hart in het gewas. Hierin staat de kern van de Godheid in het midden van zijn Hemel, welke in het water des levens verborgen ligt; begrijpe, wie het verstaan kan! Van de metalen in de aarde. De metalen hebben, evenals de gewassen op aarde, een zelfstandigheid en geboorte. Want het metaal of erts heeft, ten tijde van de aansteking des toorns in het rad van de zevende natuurgeest, in het web der liefde gestaan, waar achter de vuurstraal het zachte weldoen geboren werd. Daarin is de heilige Hemel, die zich in deze geboorte, waar de liefde de eerste is, in zulk een heerlijke klaarheid en schone kleuren vertoont, gelijk het goud, het zilver en de edelstenen. Maar het zilver en het goud in het dode begrip is slechts een donkere steen, in verhouding tot de oorsprong der Hemelse geboorte. Ik zet het slechts daarom hier neer, opdat ge zoudt weten, waaruit het zijn oorsprong heeft. Zoals het het schoonste opstijgen en scheppen in de heilige Hemelse natuur is geweest, zo wordt het ook in deze wereld door de mensen het meest bemind. De natuur heeft de mens wel in zijn hart geschreven, dat het beter was dan andere stenen en aarde; echter de oorsprong, waardoor het is ontstaan of waar het vandaan is gekomen, heeft zij hem niet kunnen openbaren. Het morgenrood van de dageraad is daarbij slechts op te merken. Er zijn veel en velerlei ertsen, al naarmate de Salniter in de natuurHemel in zijn opstijgen in het licht der liefde de eerste is geweest. Iedere oergeest heeft de aard en de eigenschappen van alle Oergeesten in zich; want hij wordt steeds met de anderen in verbinding gebracht, waardoor het leven en de onpeilbare geboorte Gods ontstaat, maar naar één kracht is hij de eerste, en dat is zijn eigen lichaam, waarvan hij de naam draagt. Nu heeft iedere oergeest de eigenschap van de hele natuur en zijn samenstel is in de tijd van de aansteking des toorns mede in de dood belichaamd geworden en uit iedere geestelijke substantie zijn aarde, stenen, erts en water ontstaan. Daarom vindt gij ook in de aarde erts, steen, water en aarde in verschillende hoedanigheden, kwaliteiten, en daarom is de aarde van zo verschillende hoedanigheid, al naarmate in de tijd der wansteking,

een van de kwaliteiten in iedere oergeest primair is geweest. De natuur heeft de mens wel zoveel geopenbaard, dat hij weet, hoe hij van de vreemde geboorte van iedere oergeest, de vreemde materie zo afsmelten kan, dat van iedere oergeest datgene, wat in hem primair is, ook nummer één blijft. Daarvan hebt gij aan zilver en goud een voorbeeld; gij kunt het niet eerder tot zuiver zilver en goud maken, aleer het zeven maal in het vuur gesmolten is. Wanneer dat geschiedt, dan behoudt het in het midden van het hart der natuur, hetgeen het water is, zijn eigen kwaliteit en kleur. Eerst moet de wrange hoedanigheid, welke de Salniter in de harde dood gevangen houdt, afgesmolten worden, dat is het grove stenige puin. Hierna de zure dood van het water, daarvan wordt een giftige salpeterzuur afgescheiden, hetgeen in de opgang van de vuurstraal zich in de dood bevindt. Dat is de oorzaak, ja de meest boze oorzaak van de dood, ja de wrange en de bittere dood zelf; want dat is de plaats, waar het leven, dat in het zoete water ontstaat, in de dood gestorven is en dat wordt pas afgescheiden in de tweede smelting. Ten derde wordt het bittere, dat bij de aansteking van het water in de vuurstraal ontstaat, afgesmolten; want dat is een wreedaard, een doder, een verbreker, en er kan geen zilver noch goud bestaan, als die nog niet gedood is, omdat hij alles ruw maakt en zich vertoont in verschillende kleuren; hij vaart door alle geesten en neemt de kleuren van alle geesten in zich op. Ten vierde moet de vuurgeest, die zich bevindt in de gruwelijke angst en droefheid des levens, ook afgesmolten worden, want hij is een gestadige vader van de toorn, en uit hens wordt de helse smart geboren. Wanneer nu deze toorn van de vier geesten gedood is, dan blijft de ertssalniter in het water als een taaie substantie, en ziet eruit als de geest, die zich in het aarde-erts bevindt; en het licht, dat in het vuur staat, kleurt hem naar zijn eigen kwaliteit, hetzij zilver of goud. De materie ziet er na de vierde afsmelting van zilver en goud eender uit; zij is nog niet taai en zuiver genoeg, het goud of zilver bestaat nog niet. De vorm is er wel maar de geest is er nog niet in. Wanneer die substantie voor de vijfde maal gesmolten wordt, dan stijgt de liefdegeest in het water door het licht heen op en maakt de dode vorm weer levend, zodat de stof, die na de eerste vier smeltingen overgebleven is, weer de kracht bekomt, welke in de oergeest van dat erts primair was. Als dat erts nu voor de zesde maal gesmolten wordt, dan wordt het wat harder, dan beweegt zich het leven, dat in de liefde is opgegaan en uit deze beweging ontstaat de toon van de hardheid en het erts bekomt een heldere klank; want de harde, puinachtige, bittere en vurige materie is weg. Ik houd het er voor, dat in deze zesde smelting voor de alchimisten met

hun zilver- en goudmaken, het grootste gevaar ligt, want hiertoe is nodig een echt fijn vuur, en het kan gauw opgebrand en dof worden, en ook veel te week door een te koud vuur. Het moet een middelmatig vuur zijn, opdat de geest in het hart niet opstandig worde doch integendeel heel zacht heen en weer schommele, dan behoudt het' zijn zoete en zachte klank en verheugt zich immer, als het zich weer in het Godslicht zou ontsteken. Wanneer echter het vuur in de vijfde en zesde smelting te heet is, dan wordt het nieuwe leven, dat in de liefde in de opgang van de lichtkracht uit het water geboren wordt, weer in grimmigheid en toorn ontstoken, en uit het erts komt een verbrand schuim en puin voort, en de alchimist heeft in plaats van goud, slijk. Als het nu voor de zevende maal gesmolten wordt, dan is daar nog een fijner vuur voor nodig, want aldaar stijgt het leven op en verheugt zich in de liefde en wil zich uiteindelijk vertonen, zoals het voor de tijd van de toorn in de Hemel gedaan heeft. In deze beweging wordt het weder vet en weelderig, het neemt toe en breidt zich uit en de grootste diepte wordt zeer vreugdevol geboren uit het hart van de geest, alsof het een Engelachtige triomftocht wilde aanvangen, en zich in Goddelijke kracht en vorm, volgens het recht van de Godheid, eindeloos vertonen. En daardoor verkrijgt het lichaam zijn grootste sterkte en kracht en het lichaam kleurt zich in de hoogste glans en houdt zijn zuivere schoonheid in ere. En als het nu vlug gemaakt wordt, dan heeft het zijn echte kracht en kleur, er ontbreekt niets aan; alleen dit, dat de geest zich met zijn lichaam niet tot het licht opheffen kan, het moet een dode steen blijven. Of hij nu al veel krachtiger is dan andere stenen, nochtans blijft het lichaam in de dood. Dat is nu van de blinde mensen de aardse God, die zij aanbidden en eren, en zij laten de levende God, die binnenin verborgen ligt, maar steeds op zijn plaats blijven. Het dode vlees begrijpt ook slechts een dode God en verlangt slechts naar zulk een dode God, maar het is een God, die menigeen in de hel gestort heeft. Evenwel moogt gij mij niet voor een alchimist houden, want ik schrijf alleen uit de kennis des geestes en niet uit ervaring, hoewel ik toch nog wel iets meer zou kunnen zeggen: in hoeveel dagen en op welke uren deze dingen in orde gemaakt moeten worden; want men kan niet in een dag goud maken, dat duurt wel een hele maand. Het is echter niet mijn plan, dat te proberen, aangezien ik niet in staat ben met vuur om te gaan, en ook niet weet welke kleuren de Oergeesten in hun uiterlijke geboorte hebben, hetgeen twee grote hinderpalen zijn; ik weet deze dingen slechts door een andere mens, die niet in de begrijpelijkheid zich bevindt. Bij de beschrijving van de zon zult u wel iets meer en diepers daarvan

vinden. Mijn bedoeling is alleen, de gehele Godheid, zoveel in mijn vermogen ligt, te beschrijven; hoe deze in liefde en toorn is, en hoe zij zich nu in deze wereld openbaart. Over de kostbare stenen zult u lezen bij de beschrijving der planeten.

HOOFDSTUK XXIII.

Van de diepte boven de aarde. Wanneer de mens de diepte boven de aarde aanschouwt, dan ziet hij niets dan sterren en waterwolken, dan denkt hij, er moet wel een andere plaats zijn, waar de Godheid zich met Zijn Hemelse en Engelenscharen ophoudt. Hij wil de diepte benevens haar indeling van de Godheid afscheiden, want hij ziet daar niets dan sterren en het verband daar tussen is vuur, lucht en water. Dan denkt hij: God heeft dat alles door Zijn besluit uit niets gemaakt, hoe zou God in wezen zijn, of hoe zou God zelf zijn? Hij stelt zich altijd voor, dat het een huis is, waarin God met zijn geesten regeert en woont; God zal toch geen God kunnen zijn, wiens wezen opgaat in de kracht van dat regeren. Menigeen zou zeggen: wat is dat voor een God, wiens lichaam, wezen en kracht bestaat uit vuur, lucht, water en aarde? Ziet, gij niet begrijpende mens, ik wil u de ware diepte van de Godheid aantonen. Als dat gehele wezen niet God is, dan zijt gij niet God's beeld; als ergens een vreemde God is, dan hebt gij geen deel aan hem, want gij zijt uit deze God geschapen en gij, gij leeft in deze zelfde God, en diezelfde God geeft u steeds uit Zijn kracht, zegen, spijs en drank. Ook is al uw wetenschap in deze God gelegen, en wanneer gij sterft, dan wordt gij in deze God begraven. Wanneer er een andere God is buiten deze, wie zal u dan uit deze God, waarin gij ondergegaan zijt, weer levend maken? Hoe zal u die andere God, waaruit gij niet geschapen zijt en in wien gij nooit geleefd hebt, uw lichaam en geest weer te samen vormen? Als gij nu van een andere materie zijt dan God zelf, hoe zult u dan Zijn kind zijn? Of hoe zal de mens en koning Christus Gods lichamelijke Zoon zijn, die uit Zijn hart geboren is? Als dus zijn Godheid een ander wezen is dan zijn lichaam, dan zoudt gij tweeërlei Godheid in hem zien; zijn lichaam zou dan zijn van de God dezer wereld en zijn hart zou dan zijn van een onbekende God. Och, doe uw geestesogen open, gij mensenkind, ik zal u hier de

echte, waarachtige, eigenlijke poort van de Godheid laten zien, zoals maar een God haar hebben wil. Ziet, dat is de echte, enige God, uit wien gij geschapen zijt en in wien gij leeft. Wanneer gij die diepte en de sterren en de aarde aanschouwt, dan ziet gij uw God, en in diezelfde leeft en zijt gij ook, en diezelfde God regeert u ook, en uit diezelfde God hebt u ook uw zintuigen en zijt gij een schepsel uit Hem en in Hem, anders was u niets. Nu zult gij zeggen, dat ik heidens schrijf. Hoor en zie en merk het onderscheid op, hoe dat alles is, want ik schrijf niet heidens, maar filosofisch; ik ben ook geen heiden, maar ik heb de diepte en het ware bewustzijn van den enigen groten God, Die alles is. Wanneer gij de diepte, de sterren, de elementen en de aarde beschouwt met uw ogen, dan begrijpt gij niet of de Godheid wel daar en daarbinnen is; gij ziet en begrijpt echter niet uw ogen ten eerste de dood, en daarna de toorn van God en het helse vuur. Wanneer gij echter uw gedachten ontwikkelt en denkt, waar God zal zijn, dan grijpt gij de siderische geboorte aan, waar liefde en toorn elkaar bewaken. Wanneer gij echter een geloof schept aan den God, die in heiligheid in dit bestuur regeert, dan breekt gij de Hemel en grijpt gij God bij liet heilig hart. Als dat nu geschiedt, dan zijt gij gelijk aan de gehele Godheid, die zelf Hemel, aarde, sterren en elementen is, en ge hebt dan ook een bestuur in u, en ge zijt ook zulk een wezen, zoals de gehele Godheid op de plaats van deze aarde is. Nu zegt gij: Hoe moet ik dat verstaan? Er is een Godsrijk en een hellen of duivelsrijk, van elkander gescheiden; dat kan toch niet één lichaam zijn? Ook zijn de aarde en de stenen niet God, ook niet de Hemel en de sterren, ook niet de elementen, hoeveel te minder kan een mens dan God zijn, anders zou hij niet door God verstoten kunnen worden? Houd die vraag nog even voor u, ik wil u hier achtereenvolgens over de grondslagen vertellen.

Van de siderische geboorte en Gods geboorte. Vóór de tijden, dat de Hemel, de sterren en de elementen geschapen zijn, en vóór de schepping der Engelen, is er geen toorn Gods geweest, ook geen dood, noch duivel, noch aarde, noch stenen. Ook zijn ei geen sterren geweest, maar de Godheid heeft ze uit zichzelf heel zacht en lieflik doei geboren worden en in beelden gevormd, welke volgens de Oergeesten belichaamd zijn geworden, met hun scheppen, worstelen en opgaan, en zij zijn ook weer door hun worstelen vergaan en hebben zich in een andere gedaante geformeerd, geheel naar de aard als iedere oergeest

primair is geweest, zoals gij hierboven 'lezen kunt. Maar let nu goed op. De eerste en harde geboorte, waaruit de toorn Gods, de hel en de dood tot aanzijn zijn gekomen, is wel van eeuwigheid af in God aanwezig geweest, maar niet ontvlambaar of belangrijk. Want de gehele God bestaat uit zeven aanzichten of zevenderlei vorm of geboorten, en als deze geboorten er niet waren, dan was er geen God, noch leven, nog Engel, noch schepsel. Deze geboorten hebben geen begin, maar zijn eeuwig zo geweest, en volgens deze diepte weet God zelf niet, wat hij is. Want Hij kent geen begin, ook niet zijns gelijken en ook geen einde. Van deze zeven scheppingen, is er geen een de eerste, geen een de tweede, de derde, de laatste, maar zijn alle zeven, elk de eerste, tweede, derde, de laatste. Toch moet ik naar de aard en wijze van schepping, de een achter de ander zetten, anders begrijpt gij het niet; want de Godheid is als een rad met zeven raderen in elkaar gemaakt, waarin men begin nog einde ziet. Let nu op. Eerst komt de zure zelfstandigheid; deze ontstaat steeds uit de zes andere geesten; van zichzelf is zij hard, koud, scherp, zoals zout en dan nog veel scherper. Een mens kan haar scherpte riet genoeg begrijpen, aangezien zij in een mens niet enig en alleen is, maar naar de aard, waarop zij door de helse kwaliteit wordt aangestoken, weet ik, hoe zij is. Deze zure scherpe hoedanigheid, trekt en houdt in het goddelijk lichaam de vormen en beelden tezamen en droogt ze uit, zodat ze bestaan. De tweede geboorte is het zoete water, dat ook uit alle andere zes geesten wordt geboren. Het is de zachtzinnigheid, welke uit de andere zes ontstaat en zich in de zure geboorte indringt, het zure steeds weer aansteekt, oplost en verzacht, zodat het zijn zuurheid niet kan tonen, zoals het in zijn scherpte buiten het water gewild zou hebben. De derde geboorte is de bitterheid, welke uit het vuur in het water ontstaat; zij wrijft en verontrust de zure scherpe koude en maakt de koude aan het bewegen, waardoor de beweeglijkheid ontstaat. De vierde geboorte is het vuur; het ontstaat uit de wrijving of beweeglijkheid in de zure geest en het is nu scherp brandend en I,et bittere wordt stekend en woedend. Wanneer echter de vuurgeest in de zure koude zo woedend te werk gaat, dan ontstaat daar een angstige, verschrikkelijke, bevende en scherpe, onwillige voortbrenging. Let hier op de diepte, want ik spreek hier op duivelachtige manier, alsof het godslicht in deze vier soorten nog niet ontstoken zou zijn, alsof de Godheid een begin zou hebben. Ik kan het echter niet anders en nader uitleggen, opdat gij het verstaan zult. In deze vier bewegingen is een harde en zeer verschrikkelijke, scherpe en grimmige koude, zoals van gesmolten en ijzig koud zout water, hetwelk toch geen water is maar een harde kracht als steen. Daarin woedt het, doodt het, steekt het en brandt liet, en het water is steeds als

een stervende mens, wanneer zich zijn ziel van het lichaam gaat scheiden, in een verschrikkelijke angst en smartopenbaring. O mens tracht te begrijpen, hoe gij hier ziet waar de duivel met zijn grimmige toornige boosheid zijn oorsprong heeft en waaruit Gods toorn en het helse vuur, en ook de dood en de hel en de eeuwige verdoemenis ontstaan. Merk dat goed op, gij filosofen! Wanneer nu die vier geboorten zo met elkander omwoelen, dan ontstaat eerst de hitte; die steekt het zoete water aan en daarin wordt het dan licht. Versta dit goed: wanneer het licht ontstoken wordt, dan gaat de vuurschrik voorbij; wanneer gij op een steen slaat, dan ziet gij eerst de vuurschrik en daarna pas maakt zich het licht uit de vuurschrik los. Nu vaart de vuurschrik in het water door de harde kwaliteit heen, en maakt het beweeglik; dan openbaart zich het licht in het water en gaat schijnen als een onbegrijpelijk en lieflik wezen, waarover ik noch enig schepsel genoeg praten of schrijven kan, maar waarover ik slechts kan stamelen als een kind, dat graag wil leren praten. Dat licht ontstaat in het midden der vier soorten, uit het vet van het zoete water, en vervult het gehele lichaam van deze geboorte. Het is echter zo zacht, weldadig, welriekend en goed smakend, dat ik niets anders weet, dat daarmede te vergelijken is dan wanneer midden in de dood het leven oprijst, of wanneer een mens die midden in een vuurzee staat, daar plotseling uit gered en in zachte weldadige omgeving geplaatst wordt, waar de smarten, die hij door het vuur ondervond, plotseling van hem weggenomen worden. Zo wordt de openbaring van de vier soorten in zulk een zachte weldadigheid omgezet, zodra het licht daarin opgaat. Gij moet mij echter goed begrijpen, dat ik schrijf op menselijke manier, op de wijze van een mens, die door de duivel is gevangen en plotseling uit het helse vuur in het licht Gods geplaatst wordt. Want het 'licht heeft in de Godsopenbaring geen begin; integendeel, het heeft eeuwig in de openbaring geschenen en God weet zelf daar het begin niet van. De geest doet alleen de poorten van de hel voor u open, opdat gij zult zien hoe het er daar bij de duivelen in de hel uitziet, en hoe het met de mens gesteld is, als het goddelijk licht uitdooft en hij zich bevindt in de toorn Gods; dan leeft hij in zulk een openbaring, in zulk een angst, smart en leed. Ik kan dit op geen andere wijze beschrijven, want ik moet zo schrijven, alsof de openbaring Gods een aanvang zou genomen hebben of neemt, waaruit alles zo geworden is. Ik schrijf hier echter waarachtige en waardevolle woorden, die alleen door de geest verstaan worden. Let nu op de poort Gods. Het licht, dat nu uit het vuur geboren wordt en in het water gaat schijnen en de gehele geboorte vervult, veelicht en verzacht, dat is het waarachtige hart van God, of Gods Zoon; want hij wordt zo steeds uit den Vader geboren; hij is van een ander voorkomen als de

hoedanigheden en openbaringen van den vader. Maar de schepping van God kan het licht niet vatten of begrijpen en het in zijn scheppen gebruiken. Hoewel het licht vrij voor hem staat, kan geen enkel schepsel het begrijpen, en toch vervult en verlicht het de ganse schepping, als de eniggeboren Zoon van den Vader. (Joh. 1, 14.) En dat licht noem ik in de menselijke geboorte, de dierlijke geboorte. (“Versta het beeld, dat uit de ziel naar Gods gelijkenis is ontsproten”) of de geboorte van de ziel, welke van gelijke kwaliteit is als deze Goddelijke dierlijke geboorte en hierin is de ziel van de mens een met het hart van God, als zij echter ook in dit licht staat. De vijfde geboorte in God is nu zo, dat wanneer het licht heel zacht en lieflik door de eerste vier geboorten heendringt, brengt het het hart van het zoete water, een liefdevolle kracht met zich mee. En wanneer de scherpe geboorten dat proeven, dan worden zij ook zacht en liefdevol en 'lijkt het alsof steeds weer het leven in de dood oprijst. Dan vervult iedere geest de anderen en verkrijgt niets dan nieuwe kracht, de zure hoedanigheid wordt verzacht, want de kracht van het licht uit het zoete water maakt ze zacht, en in het vuur stijgt de zachte liefde op, het verwarmt de koude en het zoete water maakt de scherpe smaak heel lieflik en zacht. In de scherpe en vurige geboorten is niets anders dan een liefdesverlangen en proeven, een vriendelijk aansteken en lieftallige openbaringen; daar is louter liefde en alle toorn en bitterheid zijn als in een grote vesting in het midden opgesloten; deze geboorte is geheel en al van een zachte weldadigheid, de bittere geest is nu de levende beweeglijkheid. De zesde geboorte is zo: wanneer de geesten in hunne geboorte zo van elkander proeven, dan worden zij zeer vriendschappelijk, want de vuurstraal of scherpte uit de geboorte stijgt nu boven hen uit en zweeft gelijk de lucht in deze wereld. Wanneer de ene kracht de andere in beweging brengt, dan proeven zij van elkander en worden vriendschappelijk, want het licht wordt uit alle krachten geboren en dringt weer door alle krachten heen, waardoor en waarin zich de verheven vreugde openbaart, waaruit de klank voortkomt. Door het heen en weer bewegen openbaart zich de levende geest, hoewel onvatbaar en onbegrepen, zich indringende in de geboorten en is van een vriendelijke en lieflijke hoedanigheid, als lieflijke muziek. En als de geboorte plaats vindt, dan grijpt het licht haar vast en heeft door de zwevende geest weer klank in de geboorte. Deze golvende, zwevende geest is het derde aanzicht van de goddelijke geboorte en heet God de Heilige Geest. De zevende geboorte is en behoudt zijn aanschijn en vorming in den Heiligen Geest; als deze door de scherpe geboorte heengaat, gaat hij met het geluid en vormt allerlei beelden, allen in evenredigheid met de wijze waarop de scherpe

geboorten met elkander omspringen. Want zij dartelen in de geboorte steeds met elkander als in een liefdesspel en naarmate de kleuren en de smaak in de geboorte de boventoon voeren, zo worden ook de beelden gevormd. En deze geboorte heet nu: God, Vader, Zoon, Heilige Geest, en niet een is de eerste en ook niet de 'laatste. En al maak ik nu ook onderscheid en plaats de een achter de ander, daarom is toch niet een de eerste en ook niet de laatste, doch zij zijn van eeuwigheid af in eenzelfde wezen en plaats zo geweest. Ik moet ze afzonderlik beschrijven, opdat de lezer het begrijpen zal, want ik kan niet Hemelse, doch alleen menselijke woorden schrijven. Weliswaar is het juist beschreven, alleen bestaat het wezen Gods uit kracht, en dat kan wel de geest begrijpen doch niet het dode vlees. Aldus kunt gij begrijpen, wat de Godheid voor een wezen is, en hoe die drie aanzichten zich in de Godheid bevinden. Gij moogt de Godheid niet met de een of andere beeltenis vergelijken, want zij is de oorsprong van alle dingen. Evenzo, wanneer in de eerste vier soorten niet de scherpe geboorte was, dan zou er geen beweeglijkheid zijn, het licht zou zich niet kunnen ontsteken en het leven zou niet geboren worden. De scherpe geboorte van de beweeglijkheid en van het leven is eveneens de oorsprong van het licht waaruit de levende en schrandere geest ontstaat, welke daar in de geboorte scheidend, vormend en beeldend optreedt. De zure koude geboorte is de aanvang van alle dingen; ze is wrang, streng, samentrekkend en vasthoudend, en zij vormt en trekt het geschapene zo tezamen, dat het dik wordt en daaruit de natuur ontstaat; derhalve vindt de natuur en de begrijpelijkheid haar oorsprong in liet gehele lichaam Gods. Deze natuur nu is een dood, dom wezen, en staat niet mede in de kracht der geboorte, doch is een lichaam, waarin de kracht geboren wordt. Toch is zij het lichaam van God en bezit de kracht van de gehele schepping, en de Oergeesten grijpen hun sterkte en hun kracht uit het lichaam der natuur, en scheppen immer voort en de zure geest trekt maar steeds weer tezamen en verdroogt; op deze wijze bestaat het lichaam en bestaan ook de Oergeesten. De andere geboorte is nu het water, dat zijn oorsprong neemt in het lichaam der natuur. Opgelet! Wanneer het licht het zure samengetrokken lichaam der natuur doorschijnt en verzacht, dan ontstaat in dat lichaam een zachte weldadigheid. Dan wordt die harde kracht zeer zacht, en smelt weg als ijs voor de zon, en wordt dun, zoals het water in de lucht; nochtans blijft de kern der natuur, de Hemelse begrijpelijkheid, bestaan. De wrange en de vurige geest houden haar vast, en het zoete water, dat bij de ontsteking van het

licht van het natuurlichaam afsmelt, gaat door de strenge, ernstige koude en vurige geboorte heen en maakt haar zoet en lieflik. Hiermede wordt de ernstige en strenge geboorte gelaafd, en wanneer zij het zoete water proeft, dan wordt zij opgewekt en verheugt zich en er is een voortdurend opwellen van vrolijkheid, waar zich het leven der zachtmoedigheid openbaart. Het is het water des levens, waarin zich de liefde, zowel in God, als in de Engelen en mensen, openbaart, want het ontstaat alles uit eenzelfde kracht en oorsprong. Als nu de geboorte der krachten het water des levens proeft, dan gaat zij sidderen van liefdesvreugde, en dat zelfde sidderen of bewegen, hetwelk uit het midden der geboorte opstijgt, is bitter, want zodra het water des levens de geboorte binnenkomt, stijgt het snel als een vreugdesprong der geboorte omhoog. Omdat het zo snel opstijgt, en zich de geboorte ook zo snel verheft, voordat zij geheel van het water des levens is doordrongen, daarom behoudt de schrik haar bitterheid uit de strenge geboorte, want aanvankelijk is de geboorte heel streng, koud, vurig en zuur. Daarom is die schrik ook zo geweldig en sidderend, want zij beweegt de gehele geboorte, beweegt zich daarin heen en weer, totdat zij het vuur in de grimmigheid aansteekt, waaruit het licht zijn oorsprong heeft. Dan wordt de sidderende schrik met de zachtheid van het licht doorstraald en gaat de geboorte op en neder, wentelt zich om zich zelf heen als een rad, dat door middel van zeven raderen in elkander gemaakt is. Uit dat wentelen en draaien ontstaat de klank of de toon naar ieders geaardheid en steeds doordringt de ene kracht de andere, want de krachten zijn allen lichamelijke broeders in een lichaam, en de zachtmoedigheid stijgt op en vertoont zich tot in het oneindige. Naar de kracht, die zich bij dat omwentelen het sterkste in de geboorte vertoont, naar diezelfde kracht, soort en kleur, vormt nu de Heilige Geest de beelden in het lichaam der natuur. Zo ziet gij, hoe geen enkele kracht de eerste is, en ook niet de tweede, derde, vierde, de laatste; maar hoe de laatste zowel de eerste als de eerste de 'laatste doet geboren worden; en de middelste vindt haar oorsprong zowel uit de eerste, tweede, derde, enz. Ook ziet gij, dat de natuur niet van de krachten Gods kan worden onderscheiden, maar dat alles een lichaam is. De Godheid, dat is de heilige kracht van Gods hart, wordt in de natuur geboren. Zo ontstaat ook de Heilige Geest, die steeds uitgaat vanuit het hart des lichts door alle krachten van den Vader heen, en alles maakt en alles vorm geeft. Deze openbaring onderscheidt men in drie aanzichten, waarvan ieder een afzonderlik geheel vormt, hoewel toch geen van de drie van de ander is los te maken.

De poorten van de Heilige Drievuldigheid. De hele schepping, welke de Hemel aller Hemelen is, zowel deze wereld, die zich bevindt in het lichaam van het heelal, alsook de plaats van de aarde en alle schepselen, en alles waarover gij peinst en denkt, dat alles is God de Vader, die geen begin noch einde heeft; en wat gij ook moogt waarnemen of waarover gij moogt denken, ook in het kleinste kringetje, dat gij moogt uitzoeken, daarin is de ganse openbaring van God, volkomen, onophoudelijk en onweerstandelijk. Is het licht in een of ander schepsel of op een of andere plaats uitgedoofd, dan komt de strenge geboorte, die in de binnenste kern van het licht verborgen ligt, naar voren. Dat is nu het ene deel. Het andere deel of aanzicht is het licht, dat uit alle krachten steeds weder geboren wordt, en wederkerig alle krachten van den Vader doorstraalt, en de oorsprong van alle krachten is. Men onderscheidt het echter als een afzonderlik aanzicht van den Vader, omdat het de geboorte van den Vader niet begrijpen kan en toch des Vaders Zoon is, die steeds weer uit den Vader geboren wordt. Hier hebt gij een voorbeeld voor alle aangestoken lichten in deze wereld, denk daar over na! De Vader heeft deze, zijn enig geboren Zoon daarom zo lief, omdat deze zoon het licht en de zachte weldadigheid in Zijn leven is, door welke kracht de vreugde en het geluk van den Vader uitbreekt. Dit zijn nu de drie aanzichten, en geen van de drie kan de andere vatten, vasthouden of begrijpen; het ene is even groot als de anderen, en als een van de drie er niet was, dan waren de anderen er ook niet. Let hier op, gij joden, Turken en Heidenen, want het geldt u, voor u wordt hier de poort van God geopend, verhardt uzelf niet langer, want het is nu de juiste tijd. Gij zijt dat alles met uw Godloochening vergeten, maar zodra gij u bekeert, dan zal het licht en het hart van God in u opgaan als de stralende zon. Zulks schrijf ik in de kracht en de erkenning van de grote God, en ik versta Zijn wil heel goed, want ik leef en ben in Hem en ontspruit met deze arbeid uit Zijn Wortel en stam, en zo moet het ook zijn. Kijk nu goed uit; blijft ge blind, dan is er geen raad meer en gij moogt niet zeggen, dat ge het niet geweten hebt; sta op, de dag breekt aan! Het derde deel of het derde aanzicht in het wezen Gods is de bewegende geest, die uit het oprijzen in schrik, daar, _waar het leven geboren wordt, ontstaat. Hij beweegt in alle krachten en is de geest van het leven, en de krachten kunnen hem niet meer grijpen of pakken; hij steekt de krachten aan en maakt door zijn bewegingen vormen en beelden, en formeert ze naar de aard, als de worstelende geboorte ter plaatse is. En als gij niet blind zijn wilt, dan zult gij weten, dat de lucht dezelfde God is, maar dat op de plaats dezer wereld de natuur daarin voor het

grootste deel in toornvuur is ontstoken, hetgeen heer Lucifer heeft gedaan, en de Heilige Geest, die de geest der zachtmoedigheid is, ligt daarin, in zijn Hemel opgesloten. Nu moet gij niet vragen: waar is die zelfde Hemel? Zij is in uw eigen hart, laat haar vrij, de sleutel hiervoor wordt u hier getoond. Zo bevinden zich dan een God en drie verschillende godheden in elkander en de een kan de andere niet vatten of vasthouden, of de oorsprong van de ander doorgronden; echter doet de Vader den Zoon geboren worden, en de Zoon is het hart, de liefde en het licht des Vaders en is ook de oorsprong van alle vreugden en de bron van alle leven. De Heilige Geest is de geest des levens, de vormer en schepper aller dingen en de uitvoerder van Gods wil. Hij heeft uit en in het lichaam van God alle Engelen en schepselen geschapen en hij onderhoudt en vormt nog dagelijks alles; hij is de scherpzinnigheid en de levende geest Gods. Zoals de Vader uit zijn krachten het woord spreekt, zo vormt de geest het.

Van de grote eenvoud Gods. Wel geliefde op het bruine paard, dat u van de Hemel in de hel rijdt, en van de hel in de dood, waarin de angel des doods steekt, keer tot u zelf in, gij wereldwijze mens en zie hoe vol gij zit met boze wijsheid. Merkt het op, gij wereldwijze rechters, hoe gij niet voor deze spiegel, voor het stralende en klare aangezicht van God wilt komen, om u daarin te spiegelen; de geest biedt u de geboorte in de binnenste halve cirkel aan, waar de wijsheid geschapen wordt en waarin de scherpte van de angstige geboorte Gods zich bevindt, want daaruit ontspruit uw wijsheid en uw dieper verstand. Wilt u een godheid zijn en geen duivel, bedient u dan van de heilige en zachte rechten Gods; zo niet, dan zult gij altijd en eeuwig in de strenge en ernstige Godsgeboorte blijven. Dit zegt de geest tot u als een woord Gods, en niet mijn dode vlees. Gij moet weten, dat ik het niet zeg door middel van mijn dode verstand, maar dat mijn geest met God verkeert, en weet, hoe de godheid in al haar openbaringen, smaak en reuk is; daaruit maak ik op, dat de godheid een zeer eenvoudig, zacht, lieflik en stil wezen is, dat de geboorte van de drie-eenheid heel zacht en vriendelijk, lieflik en enig geschiedt, en dat de scherpte van de binnenste geboorte zich nimmer in de zachtheid der drie-eenheid kan opheffen, doch in de diepte verborgen blijft. Die scherpte heet in het verborgene Gods toorn, en het wezen van de zachtmoedigheid in de drieheid, heet God. Er gaat niets van de scherpte uit, dat daar verwoest of de toorn aansteekt, doch de geesten spelen heel zoetjes met elkander als kleine kinderen wanneer zij

pret met elkander hebben, omdat een ieder zijn eigen werk heft. Zij spelen met elkander en liefkozen elkaar. Zulk werk doen ook de heilige Engelen, en in de drieheid bevindt zich een zacht, lief lik en zoet water, waaruit de geest zich door middel van de klank steeds verheft. De ene kracht brengt de andere zo in beweging, dat het lijkt, alsof er lieflijke gezangen of snarenspel oprijzen. En naar de wijze van opstijgen van de geesten op de verschillende plaatsen,, naar die wijze wordt ook de toon gevormd, maar zeer zacht, voor de lichamen der Engelen onbegrijpelijk, maar voor de dierlijke geboorte van de Engelen zeer wel begrijpelijk. En zoals de godheid zich op elke plaats vertoont, zo vertonen zich ook de Engelen, want de Engelen zijn uit dit wezen geschapen en hebben de vorsten der Oergeesten gods onder zich, zoals zij zich in de geboorte Gods bevinden. Zoals zich daarom het wezen Gods in de geboorte vertoont, zo vertonen zich ook de Engelen. Diezelfde kracht, die in alle tijden de eerste wordt en uit het hart van God in den Heiligen Geest jubelt, doet de krachtvorst der Engelen zijn lofgezang aanheffen en jubelen met zijn Heer; eerst de ene en al spoedig de andere, want de geboorte van God is als een rad. Wanneer echter het hart van God zich in al zijn helderheid vertoont, dan rijst de gehele schare van heilige Engelen van alle drie de Koninkrijken op. En in dit oprijzen van het hart van God, is Jezus Christus koning en de eerste, Die de koninklijke reidans leidt met alle heilige mensenzielen tot aan de jongste dag. Dan worden de heilige mensen, volmaakte Engelen, en de goddelozen volmaakte duivelen, en wel voor eeuwig. Spiegelt u hieraan, gij wijze wereld, hoe gij aan uw wijsheid komt. Nu zult gij zeggen: Gij zoekt een veel diepere wijsheid dan wij; gij wilt in de verborgenheden Gods doordringen, hetgeen aan geen mens is toegestaan. Wij zoeken slechts de menselijke wijsheid en gij wilt aan God gelijk zijn, geheel en al weten hoe God is in alle dingen, zowel in de Hemel als in de hel, in duivelen, Engelen en mensen. Daarom is het niet slecht om spitsvondige, scherpe list te zoeken, want zij brengt eer, macht en rijkdom. Antwoord. Als gij mij op deze ladder, door middel waarvan ik tot in de diepte van God opstijg, naklimt, dan zult gij zeer gestegen zijn. Ik ben niet door mijn verstand of door vooropgezette wil tot deze gevoelens, deze arbeid en erkenning gekomen; ik heb ook deze wetenschap niet gezocht, ik heb er ook niets van geweten. Ik heb alleen gezocht naar het hart van God om mij voor de akeligheid van de duivel te kunnen verbergen. Toen ik dat bereikt had, toen is mij deze zware taak opgelegd, de wereld te openbaren en te verkondigen, dat de dag des Heren aanstaande is. En aangezien gij zo slecht luistert naar de wortel van de boom, moet ik u openbaren, wat de gehele boom is, en u mededelen dat het morgenrood reeds zichtbaar is van de dag, tot welke Gods raad al

lange tijd geleden heeft besloten. Amen. Zo ziet gij nu, wat God is en hoe zijn liefde en toorn van eeuwigheid geweest zijn, ook hoe zijn wezen is en gij moogt niet zeggen, dat gij niet in God leeft en zijt, of dat God iets vreemds is, dat gij niet bereiken kunt; overal, waar gij zijt, is de poort van God. Zijt gij nu heilig, dan zijt gij met uw ziel dicht bij God in de Hemel; zijt gij echter goddeloos, dan zijt gij met uw ziel dicht bij het helse vuur. Luister nu verder. Toen God de Engelen allen tezamen schiep, werden zij uit Gods schepping geschapen; hun lichaam werd geformeerd uit de natuur en daarin werd hun geest en het licht geboren, zoals de godheid geboren wordt. En zoals de Oergeesten van God steeds hun kracht en sterkte uit het lichaam der natuur namen, zo deden ook de Engelen; zij namen ook hun kracht en sterkte steeds uit de natuur van God. En zoals de Heilige Geest alles in de natuur maakt en vormt, zo helpt ook de Engelengeest, die van dezelfde kwaliteit is als de Heilige Geest, alles vormen en uitbeelden, zodat alles één hart en één wil vertegenwoordigt, en er louter lust en vreugde heerst. De Engelen zijn kinderen van de grote God, die hen uit zijn lichaam der natuur geschapen heeft ter vermeerdering van de goddelijke vreugde. Hieruit zult gij verstaan dat de Engelenlichamen de schepping Gods niet kunnen begrijpen; het lichaam verstaat het ook niet, alleen hun geest verstaat het; het lichaam blijft stil evenals de natuur in God, en laat de geest met God arbeiden en dartelen. Want de Engelen spelen voor God en in God evenals kleine kinderen met en voor hun ouders, waarmede de goddelijke vreugde wordt vermeerderd. Toen echter de grootmachtige vorst en koning Lucifer, geschapen werd, wilde hij niet zo doen, maar hij verhief zich en wilde alleen God zijn en ontstak in zichzelf het toornvuur. Zo deden ook zijn Engelen. En toen dat geschiedde, loeide hij met zijn aangestoken vuurgeest in de Godsnatuur en daar werd het gehele 'lichaam der Godsnatuur, zover als zijn heerschappij reikt, aangestoken. Daar echter zijn licht uitdoofde, kon hij geen macht krijgen over twee geboorten van God, de Zoon van God en de Heilige Geest, en daar bleef hij staan in de scherpe geboorte van God. Het licht van God en de geest van God kunnen de scherpe openbaring van God niet begrijpen, daarom zijn het ook twee afzonderlijke aanzichten van God. Daarom kon Lucifer met zijn strenge, koude en harde vuurgeboorte, het hart en de heilige geest van God niet meer beroeren, noch proeven, noch voelen, maar werd met zijn vuurgeest uitgesmeten in de buitenste natuur, waarin hij het toornvuur had aangestoken. Diezelfde natuur is weliswaar het lichaam van God, in welke zich de Godheid openbaart, maar de duivels kunnen de zachte geboorte van God, welke in het licht opgaat, niet begrijpen. Want hun lichaam is niet in het lichaam

bestorven, en leeft in de buitenste en strenge geboorte Gods, waar het licht nooit meer ontstoken wordt. Hun vet in het zoete water is opgebrand, en uit dat zelfde water is een zure stank ontstaan, waarin het licht Gods niet meer kan ontstoken worden en het godslicht kan daar ook niet meer binnengaan. Want de Oergeesten in de duivelen zijn in de verharde toorn opgesloten, hun lichamen zijn een harde dood en hun geesten zijn een grimmige angel van de toorn Gods, en hun Oergeesten openbaren zich voortdurend in de innerlijke scherpte, naar het recht der scherpe Godheid. Zij kunnen zich niet anders openbaren, ook kunnen zij niet afsterven of vergaan; zij blijven in de allerangstigste geboorte en er is in hen niets dan louter grimmigheid, toorn en boosheid, omdat de aangestoken vuurbron van eeuwigheid tot eeuwigheid opstijgt. Zij kunnen ook in der eeuwigheid niet meer de zoete en lichte geboorte Gods beroeren, noch zien noch begrijpen. Van de aangestoken natuur. God heeft daarom de natuur zo hevig aangestoken en zijn boosheid daar zodanig ingelegd, dat hij daarmede voor de duivelen een woonhuis bouwde en ze daarin gevangen hield, opdat zij kinderen van zijn toorn zouden zijn, in wie deze met zijn kwade driften zou regeren, en zij in de toorn.

HOOFDSTUK XXIV.
Van het samenstellen der sterren. Toen nu het gehele lichaam der natuur in de ruimte dezer wereld als in de harde dood, waarin toch het leven verborgen was, verstard lag, bracht God het hele lichaam der natuur dezer wereld op de vierde dag in beweging, en schiep uit de natuur, uit het opgegane licht, de sterren. Het rad van de geboorte Gods bewoog zich weer, zoals het van eeuwigheid af had gedaan. Het heeft zich wel op de eerste dag bewogen, en is met de geboorte in het lichaam van de verdorven natuur begonnen, en op de eerste dag heeft zich het leven van de dood gescheiden, maar op de tweede dag is de scheiding daartussen geschapen, en op de derde dag is het leven door de dood heengebroken. Toen is het licht door de duisternis heengebroken en heeft het dode lichaam der natuur bloeiend en beweeglik gemaakt. Want op de

derde dag heeft het lichaam zo hevig in angst gezeten, dat het liefdesvuur in de dood werd ontstoken en het levenslicht door het verstarde lichaam des doods is heengebroken en tot opbloei gekomen. Het heeft echter op de derde dag nog in de vuurschrik gestaan, waaruit de beweeglijkheid is voortgekomen. Op de vierde dag is het licht opgegaan en heeft zijn zetel in het huis van de dood gekozen, maar de dood kan het niet begrijpen. Zo min als de strenge geboorte Gods, die zich in de binnenste kern bevindt, waaruit het leven ontstaat, de zachtmoedigheid, en het licht der zachtmoedigheid alsmede de geest in de zachtmoedigheid begrijpen kan, evenmin kan ook de dode duisternis dezer wereld het licht van de natuur begrijpen, ook de duivel niet. Maar het licht schijnt door de dood heen en heeft zich zijn koninklijke zetel gemaakt midden in het huis van de dood en van de toorn Gods en doet een nieuw Godslichaam geboren worden uit het huis van de toorn, dat eeuwig in de liefde Gods bestaat, hetgeen voor de oude aangestokenen in de uiterste geboorte, onbegrijpelijk is. Nu zult gij vragen: Hoe moet ik dat verstaan? Ik kan het u wel niet in uw hart schrijven, want niet iedereen is daar bevattelijk voor, hoe de geest zich bevindt in het huis van de toorn en toch niet in verbinding staat met het licht Gods, maar ik zal het in aardse gelijkenissen aantonen, in de hoop, dat gij de diepe zin ervan zult kunnen begrijpen. Zie naar een boom; die heeft van buiten een harde grove bast, die dor en verdroogd, maar niet geheel dood, doch slechts machteloos is, en er bestaat een groot onderscheid tussen haar en het lichaam dat onder de schil groeit. Het inwendige heeft zijn levende kracht en breekt door de verharde schors heen en doet vele mooie jonge lichamen uit zijn oude lichaam geboren worden. De schors echter is alsof zij dood is, en kan het leven van de boom niet begrijpen, maar hangt om hem heen en is een bedekking van de boom, waarin de wormen nestelen en waardoor de boom eindelik ten gronde gaat. Zo is ook het gehele huis dezer wereld. De buitenste duisternis is het huis van de toorn Gods, waarin de duivelen wonen. Het is met recht het huis des doods, want het heilige licht Gods is daarin gestorven (begrijp goed: het licht is tot in zijn oorsprong teruggetreden en het uiterlijke wezen van God lijkt alleen maar dood, daar het toch in God leeft, doch vanuit een andere bron). Het lichaam van dit grote huis, hetwelk onder de schors van de duisternis verborgen ligt, en door de duisternis niet te begrijpen wordt, dat is het huis des levens, waarin liefde en toorn door elkaar heendraaien. Nu dringt de liefde steeds door het huis van de dood heen en doet heilige, Hemelse takken, die in het licht staan, uit de boom ontspruiten. Want zij groeien door de schors van de duisternis heen, evenals de tak door de schors van

de boom, en ze zijn één leven met God. De toorn groeit ook in het huis van de duisternis, en houdt menige edele tak, door zijn besmetting met de grimmigheid, in de dood gevangen. Dat is nu de samenvatting of inhoud van de siderische geboorte, waarover ik u schrijven wil. Nu wordt er gevraagd: wat zijn dan de sterren en waaruit zijn zij geworden. Zij zijn de kracht van de zeven Oergeesten Gods. Toen de toorn Gods door de duivel in deze wereld was aangestoken, is het gehele wereldhuis in de natuur of in de buitenste geboorte als in de dood verzonken, waaruit de aarde en de stenen zijn voortgekomen. Toen al die harde zelfstandigheden tot een klomp samengedreven waren, werd de diepte zuiver, maar geheel donker, want het licht was in de toorn ondergegaan. Nu kon het lichaam Gods van deze wereld niet in de dood blijven en daarom bewoog God zich met zijn zeven Oergeesten tot een nieuwe geboorte. Gij moet deze hoge wijsheid echter goed begrijpen. Het licht Gods, dat zowel de Zoon Gods is als de Heilige Geest, is niet gestorven. Het 'licht, dat van eeuwigheid af van het hart van God is uitgegaan, en de natuur, die uit de zeven geesten geboren werd, verlicht heeft, dat licht is uit de verdorven natuur geweken. Daardoor is de natuur van deze wereld met haar bewustzijn in de dood gebleven en kan het licht Gods niet vatten, doch is een donker huis des duivels geworden. Hierna heeft God op de vierde dag der schepping het hele huis van deze wereld met de eigenschappen opnieuw geschapen en heeft de Oergeesten in het huis der duisternis gezet, opdat Hij zich daaruit weer een nieuw lichaam zou kunnen vormen, te zijner lof en ere. Zijn bedoeling was namelijk om uit dit huis weer een andere Engelenschaar te scheppen. Hij wilde een Engel scheppen, die Adam zou zijn. Deze zou uit zich schepselen geboren doen worden, gelijk aan hem, die dan het huis der nieuwe geboorte zouden bezitten. Midden in de tijd zou hun koning uit het lichaam van een mens geboren worden, die bezit zou nemen van het nieuw geschapen rijk in de plaats van de verdorven en verstoten Lucifer. Onder de voltrekking van deze tijd wilde God dit huis met zijn eigenschappen als een koninklijk domein versieren en plaats maken voor de Oergeesten, opdat zij in dat huis der duisternis wederom schepselen en beelden zouden voortbrengen, zoals zij van eeuwigheid af al gedaan hadden, totdat het nieuw geschapen heer van Engelen, (de mensen), geheel voltooid zou zijn. Dan wilde God de duivel in het huis der duisternis, in een eeuwige hel opsluiten, en het gehele huis in zijn licht doen opglanzen tot aan de hel van de duivel toe. Nu wordt er gevraagd: Waarom heeft God de duivel niet eerder opge-

sloten, dan had hij niet zoveel onheil kunnen stichten? Ziet, het was Gods plan, en dat moest uitgevoerd worden, om in de verdorven natuur der aarde een nieuwe Engelenschaar op te bouwen, dat wil zeggen een nieuw lichaam, dat eeuwig in God zou bestaan. Het lag in het geheel niet in Gods bedoeling, dat hij de duivel de gehele aarde tot eeuwige woonplaats zou geven, doch alleen de dood en de grimmigheid, die de duivel daarin gebracht had. Want wat had de Salniter der aarde in de ogen van God gezondigd, dat hij geheel en al in de schande zou moeten blijven? Niets, hij was slechts een lichaam, dat zich stil te houden had, als de duivel zich daarin verhief. Wanneer hij nu de duivel een eeuwig woonhuis zou hebben ontruimd, dan zou uit diezelfde plaats niet een nieuw lichaam opgebouwd hebben kunnen worden. En wat had nu diezelfde ruimte voor God gezondigd, dat zij voor eeuwig in de schande zou moeten blijven? Niets, dat zou een onbillijkheid geweest zijn. Nu was dit het voornemen van God, dat Hij uit de aarde een schone Engelenschaar wilde maken en daarbij nog allerlei vormen. Daarop zou alles groeien en bloeien en geboren worden, zoals men ziet aan de ertsen, de stenen, bomen, kruid en gras, en aan allerlei dieren naar Hemelse vorm. En aangezien deze vorming vergankelijk was, omdat zij voor God niet rein was, wilde God aan het einde van die tijd het hart en de kern uit de nieuwe wedergeboorte trekken en het scheiden van de dood er de toorn, opdat deze nieuwe wedergeboorte buiten deze plaats in God voor eeuwig zou kunnen groeien en bloeien, en Hemelse vruchten voortbrengen. Na voltrekking der nieuwe wedergeboorte zou de dood van de aarde er. de toorn aan Heer Lucifer als een eeuwig huis worden aangewezen. Ondertussen zou Lucifer in de diepte boven de aarde in de duisternis gevangen liggen, en daar ligt hij nu en hij kan zijn lot spoedig verwachten. Opdat zulk een nieuwe geboorte buiten de wil van de duivel om voltrokken zou kunnen worden, heeft de Schepper zich als het ware in het lichaam deze wereld, scheppend in zijn Oergeesten gemaakt, en alle sterren zijn niets anders dan krachten van God en het gehele lichaam van deze wereld ligt besloten in de zeven Oergeesten. Dat er echter zoveel sterren zijn met zo verschillende werkingen, dat komt, omdat de zeven geesten Gods elkander voortdurend beïnvloeden en altijd maar door scheppen, steeds en oneindig. Dat de sterrenlichamen onveranderlijk op hun plaats blijven, zoals zij altijd gedaan hebben, betekent, dat er een vaste geboorte zal zijn, waardoor het verstijfde aardelichaam steeds weer in dezelfde uitwerking, opnieuw aangestoken en herboren zal worden, evenals het huis der duisternis boven de aarde. Het nieuwe lichaam zal steeds uit de dood wedergeboren willen worden, zolang totdat de tijd en het gehele nieuwe lichaam voltooid zal zijn. Nu zegt ge: De sterren zijn dus zoveel als God, die wij als God eren en

aanbidden moeten? Zover zijn de wijze heidenen ook gekomen, die weliswaar met hun scherpe verstand onze filosofen verre overtroffen hebben, maar de werkelijke deur tot het bewustzijn is toch voor hen gesloten gebleven. Zie, de sterren zijn uit God samengesteld; gij moet echter het verschil goed begrijpen, want zij zijn niet het hart en de zachte, reine Godheid, die men als God eren en aanbidden moet, doch zij zijn de binnenste en scherpe geboorte, waaruit het hart van God zich steeds openbaart en van waaruit de Heilige Geest uit de aanvang des levens steeds opgaat. De scherpe geboorte van de sterren kan noch het hart van God, noch de Heilige Geest bevatten. Maar het licht Gods, hetwelk opgaat in de angst evenals het golven van den Heiligen Geest, blijft geheel vrij, en heerst te midden van de schoot van de verborgen Hemel, die ontstaat uit het water des levens. Vanuit diezelfde Hemel hebben de sterren hunne eerste ontsteking bekomen, en nu zijn zij als een werktuig, dat God voor de openbaring nodig heeft. Het is met deze geboorte juist als bij de mensen, wier lichaam ook een vader is van de ziel, want de ziel wordt uit de kracht des levens geboren, en als het lichaam zich bevindt in de angstige geboorte van God en niet in grimmige en helse geboorte, dan wordt de ziel van de mensen van dezelfde kwaliteit als van de zuivere Godheid, dus als een deel van zijn lichaam. Zo ook wordt het hart of het licht van God in het lichaam dezer wereld steeds weer geboren en dat zelfde hart is één met het eeuwige, zonder begin of einde zijnde hart van God den Vader, die in en boven alle Hemelen is. Het licht wordt niet alleen in en uit de sterren geboren, maar in het gehele lichaam dezer wereld. Deze sterren steken het lichaam dezer wereld steeds weer aan, zodat de geboorte overal zal plaats vinden. Nu moet ge dit goed begrijpen. Het licht of het hart van God neemt zijn oorsprong niet alleen uit de wilde en ruwe sterren, waarin liefde en toorn door elkander gemengd zijn, maar uit de plaats, waar het zachte water des levens steeds weer geboren wordt. Dat water is bij de aansteking des toorns niet door de dood gegrepen kunnen worden, omdat het bestaat van eeuwigheid tot eeuwigheid en reikt tot alle einden dezer wereld. Het is het water des levens, hetwelk door de dood heen breekt en waaruit het nieuwe lichaam Gods in deze wereld gebouwd zal worden. Het bevindt zich zowel in de sterren als op alle plaatsen, maar nergens is het te vatten of te begrijpen, en toch vervult het alles en allen. Het is ook in de lichamen der mensen, en wie naar dat water verlangt, en ervan drinkt, in die mens wordt het licht des levens aangestoken, hetwelk het hart van God is, en daaruit welt de Heilige Geest op. Nu zegt gij: Hoe komt het dan, dat de sterren zich bevinden in liefdestoorn? Ziet, de sterren zijn

vanuit het ontstoken huis des toorns opgegaan, evenzo als de beweeglijkheid van het kind in het moederlijf, in de derde maand, zich manifesteert. Nu zijn echter de sterren aangestoken door het eeuwige, onsterfelijke water des levens en datzelfde water is nooit gestorven. Toen God zich in het lijf dezer wereld bewogen had, heeft de angstvalligheid zich in de geboorte dezer wereld ingedrongen, waardoor de vuurstraal is ontstaan, en het licht der sterren is aangestoken door het water des levens. Tot aan de derde dag, tot de tijd der ontsteking van de toorn Gods in deze wereld, is de natuur in haar angstvalligheid een duister dal geweest, dat midden in de dood stond. Op de derde dag echter is het leven door de dood heengebroken en de nieuwe geboorte heeft zich toen ingezet. Want zolang en geen uur langer heeft ook de nieuw geboren Koning en Genadevorst van deze wereld, Jezus Christus, in de dood gerust, en heeft de eerste dag van de schepping der natuur en de tijd in de dood weer tot licht doen geboren worden, opdat deze tijd met de eeuwige tijd weer eenzelfde tijd zou zijn, met geen dag des doods daar tussen in, en opdat de eeuwige liefde en de nieuw geboren liefde uit het nieuwe lichaam der natuur, één eeuwige liefde zou zijn, en dat er geen onderscheid zou bestaan tussen de eeuwige liefde en de nieuw geboren liefde, maar dat de nieuwgeboren liefde zou reiken tot in het wezen, dat van eeuwigheid geweest is en ook tot in eeuwigheid zal bestaan. Zo is de nieuwgeboren liefde, die uit het water des levens in het licht, in de sterren en in het gehele lichaam dezer wereld is opgegaan, met de eeuwige oneindige liefde verbonden, zodat het één hart zij en één geest, die alles draagt en schraagt. Bij deze aansteking van het licht in de sterren en de elementen, heeft zich daarom de geboorte der natuur niet geheel en al in de heilige zachtmoedigheid veranderd, zoals zij voor de tijd' des toorns geweest is, zodat de geboorte der natuur nu geheel heilig en rein zou zijn; neen, integendeel, zij staat in de scherpe, strenge, en angstige geboorte, waar de toorn Gods onophoudelijk gloeit evenals het helse vuur. Wanneer de natuur met haar scherpe geboorte zich in de liefde naar Hemels recht veranderd had, dan zou de duivel zich weer bevinden op de heilige plaats van God. Gij kunt dit heel goed zien en waarnemen aan de afgrijselijke hitte en koude, en het vergif der bitterheid en al het zure in deze wereld, hetgeen alles in de geboorte van de sterren zich bevindt, en waarin de duivel gevangen ligt. De sterren zijn slechts de aansteking van het grote huis, want het gehele huis ligt in de dood verstard, evenals de aarde; de buitenste geboorte is dood en verstijfd als de bast om de boom; de siderische geboorte echter is het lichaam, van waaruit het leven opspringt.

In het lichaam is de geboorte scherp, maar de nieuwe geboorte, die in het water des levens opgaat en door de dood heen dringt, maakt haar zacht. Toch kan zij de kern der scherpe geboorte niet veranderen, maar zij doet zich daaruit geboren worden, behoudt haar heilige nieuwe leven voor zich zelf, en dringt door de toornige dood heen en de toornige dood begrijpt het niet. Deze liefde en toorn vormen nu wel een lichaam, maar het water des levens is de Hemel van de scheiding tussen hen, zodat de liefde niet de toorn kan omvatten of begrijpen, en ook de toorn niet de liefde; de 'liefde echter gaat in het water des levens op en neemt uit de eerste en strenge geboorte de kracht, die in het licht is, hetwelk uit de toorn werd geboren; en zo ontstaat het nieuwe lichaam uit het oude. Het oude lichaam, dat staat in de strenge geboorte, behoort de duivel tot huis, het nieuwe is het rijk van Christus. Nu wordt er gevraagd: Zijn dan nu alle drie de aanzichten van de Godheid in de geboorte der zachtmoedigheid in deze wereld? Ja, zij zijn alle drie in deze wereld, in de volle geboorte der Liefde, zachtmoedigheid, heiligheid en reinheid en zij worden steeds in zulk een zelfstandigheid en wezen geboren, zoals het van eeuwigheid af gebeurd is. Zie, God de Vader sprak tot het volk Israëls, op de berg Sinaï, toen Hij hun de wet gaf: Ik ben een toornig en ijverig God dergenen, die mij haten. 2 Mos. 2O :5. 5 Mos. 5 : 9. Nu moet gij echter van dezen enigen Vader, die tegelijk toornig en liefderijk is, niet twee personen maken, want het is één Vader, die steeds uit zijn hart zijn geliefde Zoon doet geboren worden, en van beiden gaat de Heilige Geest uit. Let nu op de diepte in het centrum. De Vader is het enige wezen, dat zelf alles is en die zijn geliefde Zoon altijd al heeft doen geboren worden en in beiden is de Heilige Geest in de bliksem, waar het leven een aanvang neemt, steeds ontstaan. Nu is uit de strenge en ernstige geboorte van de Oergeesten des Vaders, waarin zich de naijver en de toorn bevinden, steeds het lichaam der natuur geboren. Het licht van den Zoon als het hart des Vaders staat in de natuur, maar zij kan het niet begrijpen. Het licht bevindt zich midden in de geboorte en is de plaats van het leven, van waaruit het zachte leven van God geboren wordt uit alle krachten van den Vader, en vanuit diezelfde plaats komt de Heilige Geest uit Vader en Zoon voort. Diezelfde krachten des Vaders, die midden in de ontsteking van het licht zich bevinden, zijn de heilige Vader, de zachte Vader en de zuivere geboorte Gods, en de daarin opgaande geest is de Heilige Geest; de scherpe geboorte echter is het lichaam, waarin dit heilige leven steeds weer geboren wordt. Wanneer het licht Gods door deze scherpe geboorte heen schijnt, dan wordt zij rustig als een slapende mens, wiens leven steeds doorgaat, maar wiens

lichaam rust. In het lichaam der natuur is de aansteking geschied en uit dit lichaam waren ook de Engelen geschapen en wanneer zij zich niet in hun overmoed verheven en zichzelf aangestoken hadden, dan waren hun lichamen eeuwig in de stille en onbegrepen zachtmoedigheid gebleven, zoals het geval is met de andere vorstenrijken der Engelen buiten deze wereld; hun geest zou zich eeuwig in het lichaam der zachtmoedigheid geopenbaard hebben, zoals het geval is met de heilige drievuldigheid in het lichaam van God, en hun ingeboren geest zou met de heilige drievuldigheid één hart, één willen, en één liefde geweest zijn, want daarom waren zij ook in het lichaam van God, tot vreugde van de Godheid geschapen. Lucifer echter wilde zelf de machtigste God zijn, ontstak zijn lichaam, wekte daarin de scherpe geboorte Gods op en stelde zich tegenover het lichte hart van God met de bedoeling om met zijn scherpte daarin te heersen, hetgeen toch onmogelijk was. Toen hij tegen liet recht van de Godheid in opstand kwam en zich aanstak, toen verhief zich ook de scherpe geboorte in het lichaam des Vaders tegen hem en nam hem als een toornige zoon in de scherpe geboorte gevangen en daarin voert hij nu zijn eeuwige heerschappij. Toen evenwel de Vader in het lichaam de scherpte ontstak, heeft Hij daarom nog niet de heilige bron aangeraakt, waar zich het liefderijke hart openbaart, zodat zijn hart in de toorn zou komen te zitten. O neen, dat is onmogelijk, want de scherpe geboorte kan de heilige en reine niet begrijpen, maar de heilige en reine dringt door de scherpte heen en doet zich een nieuw lichaam geboren worden, dat zich weer bevindt in de zachtmoedigheid. En datzelfde nieuwe 'lichaam is het water des levens, hetgeen ontstaat, als het licht door de toorn heendringt en de Heilige Geest is de vormgever daarin. De Hemel is de scheiding tussen de liefde en de toorn en is ook de plaats, waar de toorn zich in liefde verandert. Wanneer gij nu naar de zon en de sterren kijkt, moet gij niet denken, dat zij de reine God zijn, en gij moet u niet voornemen hen iets te bidden of te smeken, want zij zijn de heilige God niet; zij zijn de aangestoken geboorte van Zijn lichaam, waar liefde en toorn met elkander worstelen. De heilige God echter is in het midden van al deze dingen in zijn Hemel verborgen, en gij kunt Hem niet zien noch begrijpen; de ziel en de siderische geboorte begrijpt hem half, want de Hemel bevindt zich tussen de liefde en de toorn en diezelfde Hemel is overal, ook in uzelf. En wanneer gij nu den heiligen God in Zijn Hemel aanbidt, dan aanbidt gij Hem in de Hemel, die in u zelf is, en diezelfde God breekt met Zijn licht en daarin de Heilige Geest, door uw hart heen en doet uw ziel in een nieuw godslichaam, dat met God in zijn Hemel heerst, herboren worden. Want het aardse lichaam, dat gij draagt, is één lichaam met geheel het ontstoken lichaam dezer wereld, het

lichaam komt ook overeen met geheel het lichaam dezer wereld. Er is geen onderscheid tussen de sterren en de diepte, alsmede tussen de aarde en uw lichaam, want het is alles één lichaam. Alleen dat onderscheid is er, dat uw lichaam een zoon is van het heelal en daarmede ook gelijkenis heeft. Zoals elk nieuw lichaam dezer wereld wordt geschapen in zijn Hemel, zo wordt ook uw nieuwe mens in zijn Hemel geboren, want alles is één Hemel, waarin God woont, en waarin de nieuwe mens woont en dat kan niet van elkander gescheiden worden. Wanneer gij echter goddeloos zijt, dan is uw geboorte niet geschikt voor de Hemel, doch voor de toorn, en zij blijft in een ander deel van de siderische geboorte, waar de ernstige en strenge vuurbron opspuit en gij blijft in de dood verankerd, zolang, totdat gij door de Hemel heenbreekt en met God gaat leven. Op de plaats van uw Hemel zit de toornduivel; wanneer gij echter daardoor heen breekt, moet hij wijken en de Heilige Geest neemt dan zijn plaats in; vanuit het andere deel der grimmigheid ziet de duivel u dan aan, want dat is dan zijn plaats en de Heilige Geest weerstaat hem, en de nieuwe mens ligt in zijn Hemel onder bewaking van den Heiligen Geest verborgen en de duivel kent de nieuwe mens niet, omdat hij zich niet bevindt in zijn Hemel doch in de Hemel, de vesting van God. Ik schrijf dit als een woord, dat in de Hemel ontstaan is; waar de heilige Godheid zich immer openbaart, waar de golvende geest in de bliksem des levens opgaat, daar is dit woord en deze bekentenis geboren en door het liefdevuur van Gods Algeest uitgegaan. Ik weet wel, wat de duivel van plan is, want het deel van de ernstige en strenge geboorte, waar liefde en toorn tegenover elkander gesteld zijn, kijkt hem in het hart. Wanneer hij met zijn grimmige en helse verleiding komt, als een vleiende hand, dan begint hij met zijn toorn in het gedeelte waar de strenge geboorte zich bevindt en daar staat hij tegenover de Hemel, daar wordt de schone bruid aanschouwd. Hij steekt door de oude mensen heen met de bedoeling om de nieuwe te verderven. Wanneer zich echter een tegen hem verzet, dan wijkt de hellehond en dan is de nieuwe mens veilig, hoe ook de hellehond in de siderische geboorte aan de ingang van zijn hol te keer gaat. Ik denk echter, dat het wel spotters zal verwekken, als ik zeg, dat ik mij gesteld zie tegenover de schranderste duivel. Zij zullen wel zeggen dat ik door mijn eigen waanwijsheid de Godheid wil uitpluizen. Ja, beste spotters, gij zijt wel gehoorzame zonen van de duivel, gij moogt gerust met de kinderen van God spotten, als zou ik de Godheid in mijn vermogen zo diep kunnen doorgronden; als de Godheid niet in mij gestalte had genomen, zoudt ge denken, dat ik dan sterk genoeg zou zijn om weerstand te kunnen bieden? Ja, beste trotse mens, de Godheid is ook een zeer zacht, eenvoudig en stil wezen, en grabbelt niet in de grond van de hel en van de dood, maar is

alleen in zijn Hemel, waar niet dan een zachtmoedigheid is en daarom zal het mij ook niet overkomen zulks te doen. Maar zie, ik heb dit ook niet naar voren gebracht, het is echter uw begeerte en uw hoogmoedige lust, die de Godheid heeft bewogen, u uw hartsbegeren in de hoogste eenvoud in de grootste diepte te openbaren, opdat het een getuigenis over u zou zijn en een aankondiging van de ernstige dag van God. Dit zeg ik u als een woord van de ernstige God, dat in de bliksem des levens geboren is.

HOOFDSTUK XXV.
Van het gehele sterrenlichaam, dat is de gehele astrologie of het gehele lichaam dezer wereld. De geleerden en hoogervaren sterrenkundigen zijn door middel van hun verstand zover gekomen, dat zij de loop en de werking der sterren kennen, en dat zij weten, wat hun samengaan, hun invloed en doorbreken van krachten betekent en met zich meebrengt, en hoe zij regen, wind, sneeuw en hitte veroorzaken, alsmede kwaad en goed, geluk en ongeluk, leven en dood in al het gebeuren in deze wereld. Dat is een waar fundament, hetwelk ik in de geest als werkelijkheid erken; echter staat hun kennis in het huis van de dood in de buitenste begrijpelijkheid en in een ander aanzicht van het leven, en de wortel van de boom des levens is hun tot nu toe verborgen gebleven. Het is ook niet mijn bedoeling om van de takken van de boom te schrijven, zodat ik hun kennis omkeer; ook bouw ik niet op hun grond, maar laat hun kennis in hun waarde, omdat ik ze niet bestudeerd heb, maar beschrijf naar de geest mijn kennis van de wortel, de stam, de takken en de vrucht van de boom, zoals slechts een toegewijde knecht des Heren de gehele boom dezer wereld kan beschrijven. Ik heb niet de pretentie, iets nieuws naar voren te brengen, want ik heb dienaangaande geen opdracht, doch mijn kennis reikt tot in de geboorte der sterren, uit het midden waarvan het leven zich openbaart en door de dood heenbreekt, en waar de golvende geest ontstaat en doorbreekt. Uit datzelfde drijven en golven, schrijf ik ook. Ik weet ook heel goed, dat de kinderen des vlezes met mij spotten en zeggen zullen, dat ik mijn roeping maar afwachten en mij om deze dingen niet bekommeren moet en dat ik maar rustig moet aannemen, datgene, wat mij en de mijnen de buik vult, en dat ik dat alles maar moet overlaten

aan de filosofen, die erin gestudeerd hebben, en daartoe geroepen zijn. Met deze aanvechting heeft de duivel mij al menige stoot gegeven, en mij zo in het nauw gebracht, dat ik mij dikwijls heb voorgenomen, het er maar bij te laten, maar mijn plan is mij te zwaar geworden. Toen ik over de buik heb nagedacht, en besloten was mijn voornemen maar te laten varen, werd de poort des Hemels in mijn bewustzijn toegegrendeld. Toen is het mijn ziel zo bang te moede geweest, alsof zij door de duivel was gevangen. Het gezonde verstand heeft zulke slagen gekregen, dat het leek of het lichaam geheel ten gronde moest worden gericht, maar de geest heeft niet opgehouden zich daartegen te verzetten, zolang, totdat hij weer door het dode bewustzijn is heengebroken, de deur der duisternis heeft geforceerd en zijn plaats heeft ingenomen, waardoor weer nieuw leven en nieuwe kracht binnen kunnen stromen. Hierdoor begrijp ik dus, dat de geest door kruis en droefenis heen bewaard moet worden; mij heeft het ook aan lichamelijke aanvechtingen niet ontbroken, ik heb steeds moeten vechten en steeds weer vond ik de duivel weer tegenover mij staan. Toen ik echter ontdekte, dat mijn eeuwig heil daarvan afhangt, en dat door mijn nalatigheid de poorten naar het licht voor mij toegegrendeld werden, ben ik besloten God te laten beschikken en zal ik mijn vleselijk verstand gevangen nemen; want het licht is de vesting van mijn Hemel, waarin mijn ziel veiligheid kan vinden voor het gedonder van de duivel, en die Hemel heb ik met moeite en onder harde stormen door de liefde Gods, en het aanvaarden van mijn verlosser Koning Jezus Christus, veroverd. Ik heb de poorten van de kennis des lichts verkozen en wil aan de drang en de kennis van de Geest gehoor geven, en al zal mijn stoffelijke lichaam tot de bedelstaf geraken of geheel ten gronde gaan, daar zal ik niet naar vragen, maar met den koninklijke profeet zeggen: en als mijn lichaam en mijn ziel versmachten, dan zijt gij God mijn heil, mijn troost en mijns harten toeverlaat! (Ps. 73, 26). Met U wil ik het wagen en ik zal Uw Geest niet wederstreven en of mijn vlees daaronder mocht lijden, toch moet het geloof in de erkenning van het licht boven het verstand uitgaan. Ik weet ook heel goed dat het een jongere niet past zich tegen de meester te verzetten en dat de zeer ervaren meesters in de astrologie ver boven mij staan. Maar ik werk naar mijn roeping zoals zij naar de hunne, opdat ik niet als een luie knecht zal bevonden worden, maar opdat ik, als mijn Heer komt om het talent, dat hij mij heeft overhandigd, terug te vorderen, dat met woeker zal mogen teruggeven. Daarom wil ik Zijn talent niet in de aarde begraven, doch ermede woekeren, opdat Hij ten tijde der opvordering niet tot mij zou kunnen zeggen: Gij ontrouwe knecht, waarom hebt gij mijn talent in de duisternis verborgen en er niet mede gewoekerd? (Math. 25, Luk. 19). Ik zal met het mijne woekeren, en

als Hij het geheel van mij afneemt om het aan een ander te geven, die met het zijne nog meer gewoekerd heeft, dan zal ik zeggen, dat Zijn wil moge geschieden en ik zal Hem laten regeren. Let nu op. Het gehele huis dezer wereld, dat in het zichtbare en begrijpelijke wezen staat, is het huis van God, of het oude lichaam, hetgeen voor de tijd van de toorn in Hemelse klaarheid gestaan heeft. Toen echter de duivel daarin de toorn heeft aangestoken, is het een huis van duisternis en dood geworden. Daarom heeft zich dan ook de heilige geboorte Gods als een afzonderlik lichaam van de toorn afgescheiden en het beste deel van de Hemel tussen liefde en toorn geplaatst, zodat de geboorte van de sterren zich in het midden bevindt, maar zo, dat hun buitenste vorm in de toorn van de dood staat; en met de daarin opgaande geboorte, welke in liet midden zetelt, waar de Hemel is afgesloten, bevindt zij zich in de zachtmoedigheid van het leven. De zachtmoedigheid golft tegen de toorn en de toorn tegen de zachtmoedigheid en zo vormen zij twee verschillende rijken in hetzelfde lichaam dezer wereld. Aangezien echter de liefde en zachtmoedigheid van God het lichaam of de plaats van deze toornwereld niet in de eeuwige toorn en schande wilde doen blijven, maakte Hij van geheel het oude lichaam dezer wereld een vorm voor een lichaam, waarin het leven naar goddelijke aard en wijze, in ontstoken toorn zou kunnen heersen. Naar Goddelijke rechten moest daaruit evenwel een nieuw lichaam geboren worden, dat in heiligheid en reinheid, tot in eeuwigheid zou bestaan. Daarom is er een uiteindelijke scheidingsdag in God vastgesteld, waarop liefde en toorn van elkander gescheiden zullen worden. Als gij, nu naar de sterren, de diepte, alsmede de aarde kijkt, dan ziet gij met uw stoffelijke ogen niets dan het oude lichaam in de toornige dood; de Hemel kunt gij met uw stoffelijke ogen niet zien, want die blauwe koepel, die gij in de hoogte ziet, is niet de Hemel, doch slechts het oude lichaam, dat men zinnebeeldig de verdorven natuur noemt. De mensen hebben gedacht, dat die blauwe koepel, die zich om de sterren heen spant, de heilige Hemel afsluit, maar zo is het niet. Het is het bovenste water der natuur, dat veel helderder is dan het water onder de maan en als de zon haar stralen door de diepte heen daarop laat vallen, lijkt het lichtblauw. Hoe diep en hoe groot de ruimte dezer wereld is, weet niemand, en als er soms al natuurkundigen of astrologen het ondernomen hebben de diepte met een passer te meten, dan is hun meten toch maar verdichtsel of een meten naar stoffelijke begrenzing, precies als iemand, die de wind zou willen grijpen. De echte Hemel is overal in deze tijd tot aan de jongste dag, en het toornhuis van de hel en de dood is ook overal in deze tijd tot aan de jongste

dag. Maar de woning van de duivel is thans vanaf de maan tot aan en in de aarde in de diepe hel, en juist daar waar zich wilde en onbebouwde woestenijen bevinden, en waar de aarde zeer steenachtig en bitter is. Haar koninklijk bestuur bevindt zich in de diepte aan de vier uiteinden van de equinoxcirkel, waarover ik op een andere plaats spreken zal; hier wil ik u aantonen, hoe het lichaam van deze wereld is ontstaan en hoe het ook nu nog bestaat, en hoe het bestuur zich daarin handhaaft. Het gehele lichaam dezer wereld is als een menselijk lichaam, want het is in zijn buitenste omtrek door de sterren of uitgegane natuurkrachten omsloten, en in het lichaam heersen de zeven geesten der natuur en het hart der natuur bevindt zich binnenin. De algemene sterren echter vertegenwoordigen de wonderlijke evenredigheid of de verandering van God; toen God de sterren schiep, toen schiep Hij ze uit het opstijgen van de oneindigheid, uit het oude, thans aangestoken lichaam Gods. Zoals de zeven Oergeesten Gods, vóór de tijd van de toorn, met hun opstijgen en hun samenvoegen, zich steeds weer uit elkaar ontwikkelden, waardoor zoveel vormen en Hemelse gewassen zijn ontstaan, zo vormde ook de heilige God zijn lichaam van deze verdorven natuur in evenveel en even verschillende krachten als eertijds in de heiligheid in de geboorte aanwezig waren. Begrijp deze hoge dingen goed! Iedere ster heeft haar bijzondere eigenschap, hetgeen gij aan de bloeiende aarde kunt zien en de Schepper heeft het oude ontstoken lichaam daarom door middel van zo vele en velerlei krachten weer opgebouwd en levend gemaakt, opdat zich in dit oude leven in toorn, weer een nieuw leven zou openbaren. De Hemel werd afgesloten opdat het nieuwe leven alle krachten en werking zou hebben, als het oude eenmaal vóór de tijd des toorns bezeten had, en opdat het met de zuivere Godheid buiten deze wereld van een zelfde kwaliteit zou zijn en met de Godheid buiten deze wereld één heilige God zou wezen. De nieuwe geboorte ten tijde van de schepping ware ook zo stralend schoon geweest, als de mens niet was verdorven en daardoor de gehele natuur, zodat God de akker moest vervloeken, waar de mens greep naar de vrucht van het oude lichaam, daar bleef voor hem de vrucht van het nieuwe lichaam in zijn Hemel verborgen, en de mens moet haar nu met het nieuwe lichaam aanschouwen en kan haar met het natuurlijke lichaam niet genieten. Ik zou er wel van willen eten, maar ik kan ze niet bereiken, want de Hemel is de afsluiting tussen het oude en het nieuwe lichaam, ik moet daarnaar blijven smachten, totdat ik in dat andere leven zal zijn, en nu mijn dierlijke 'lichaam de toornappel van moeder Eva te eten geven.

Van de aansteking van het hart of het leven dezer wereld. Toen God het lichaam dezer wereld in twee dagen in de juiste vorm had gebracht en de Hemel had gesteld als een scheiding tussen de liefde en de toorn, toen drong op de derde dag de liefde dwars door de Hemel heen in de toorn, waardoor het oude lichaam in de dood zich bewoog en zich in siddering gereed maakte tot een geboorte. De liefde is gloeiend heet en steekt de vuurbron aan en wringt zich in de harde en koude substantie van de verstarde dood, totdat de zure zelfstandigheid op de derde dag wordt verhit, waardoor dan de zure aarde beweeglik wordt. Zo stond alles in de vuurschrik tot aan de vierde dag, toen het licht van de zon werd ontstoken en het ganse lichaam sidderde in barensweeën als een barende vrouw. In die zure zelfstandigheid, die het leven omvat en omsloten had gehouden, waakte nu de hitte op, die door de liefde Gods werd aangevuurd. Die hitte drong de zure substantie uit het dode lichaam naar buiten, terwijl zij toch haar standplaats behield in het midden van het lichaam. Toen nu echter het licht van de zon aangestoken werd, kwam de naastbijzijnde kring om de zon in een vuurschrik te staan, want het licht van de zon werd in het water zichtbaar en de bitterheid uit het water voer in de vuurschrik mede uit. Het licht was er vlug bij en greep de vuurschrik vast als een gevangene en zo werd zij lichamelijk. Hierdoor is in de eerste omgang de planeet Mars ontstaan, wiens kracht zich bevindt in de bittere vuurschrik, want hij is een vechtersbaas, een doder en een onstuimige als een vuurstraal; daarbij is hij een heftige en giftige vijand der natuur, door wiens opwaken en geboorte in de aarde allerlei vergiftige en boze vormen ontstaan zijn. Daar echter de hitte in het middelpunt van het lichaam zo machtig groot was, straalde zij ook zo ver van zich af en opende de kamer des doods door haar aansteking van het licht zo ver, dat zij (de zon) de grootste ster werd. Toen het licht zich in de hitte ontstak, werd de hete plaats in het licht gevangen genomen en kon het lichaam van de zon niet groter worden. Toen het licht de hitte verzachtte, bleef het lichaam van de zon als een hart in het midden staan, want het licht is het hart der natuur en niet de hitte. Hier moet gij werkelijk opletten. Zo ver het middelste punt is ontstoken zo groot is ook de zon, want de zon is niets anders dan een aangestoken. punt in de natuur. Gij moogt niet denken, dat er misschien nog een andere kracht bij is, zoals in de gehele diepte van het lichaam overal is. Wanneer de liefde Gods door haar Hemel heen het ganse lichaam van deze wereld zou willen aansteken, dan zou het overal even licht zijn als in de zon. Wanneer nu van de zon die grote hitte kon worden weggenomen, dan zou zij één licht zijn met God; daar dat in deze tijd niet kan geschieden, blijft zij

een koning en regeerder in het oude verdorven en aangestoken lichaam der natuur en de zuivere God blijft in de zachte Hemel verborgen. Het licht der zachtmoedigheid, de zon, is van één kwaliteit met de reine Godheid; de hitte slechts kan het licht niet begrijpen, daarom blijft ook de plaats der zon in het lichaam van de toorn Gods en gij moogt de zon niet aanbidden of als God eren, want haar plaats of lichaam kan het water des levens, wegens de grimmigheid, niet begrijpen.

De voornaamste grondslag van de zon en de planeten. Hier zal ik bestrijders genoeg hebben, die zullen weten af te keuren; want zij zullen niet letten op de Geest, maar op hun tijdperk en zeggen, dat de astrologen het veel beter weten en het beschreven hebben, en dat zij naar die geopende poort Gods zullen kijken als een koe naar een nieuwe deur. Ja, beste lezer, ik weet wel hoe de astrologen hierover denken, ik heb ook een paar regels uit hun geschriften gelezen en ik weet wel hoe zij de loop van de zon en de sterren beschrijven; ik veracht het ook niet, want ik houd het merendeel voor goed en juist. Dat ik enigszins anders schrijf, doe ik niet uit een waan of een wil, omdat ik twijfel of het wel zo is; ik mag geen twijfel hebben daaromtrent, en zo kan geen mens mij daarin onderrichten. Ik heb mijn wetenschap niet door studie; weliswaar heb ik over de stand en plaatsing der zeven planeten in de astrologische boeken gelezen en ik vind ze ook zeer juist, maar de oorsprong waaruit zij zijn voortgekomen, kan ik niet door mensen te weten komen, omdat zij het niet weten. Ik ben er ook niet bij geweest, toen God ze geschapen heeft. Wijl mij echter in mijn geest de deur der diepte en de poort van de toorn, alsmede de kamer des doods door de liefde Gods ontsloten zijn geworden, zo kan de geest daarbinnen schouwen. In verband daarmede zie ik, dat de geboorte der natuur heden nog is en zich openbaart, als in de aanvang en dat alles, wat in deze wereld opgaat, hetzij mensen, dieren, bomen, kruid, gras, erts of wat nog meer, alles in zulk een hoedanigheid en vorm opgaat en alle leven, zowel boos als goed, neemt zijn oorsprong evenzo. Want dat is het recht van de Godheid, dat alle leven in het lichaam Gods op eenzelfde wijze tot aanzijn komt, en hoewel het door menigerlei vorming geschiedt, het leven heeft toch maar één oorsprong. Deze waarheid zie ik niet met stoffelijke ogen, maar met de ogen, waarin bij mij het leven geboren is en daar staat voor mij de poort naar de Hemel en de hel open en de nieuwe mens kijkt midden in de siderische geboorte, want voor hem staan zowel de binnenste als de buitenste poort open. Aangezien die nieuwe mens zich nog bevindt in de oude mens van toorn en dood, en in zijn Hemel, daarom kijkt hij door beide heen; op deze

wijze ziet hij ook de sterren en de elementen, want in God is geen afscheiding tussen het oude en het nieuwe, het oog van God ziet alles. Als mijn geest niet zag door middel van Zijn geest, dan zou ik blind zijn, maar aangezien ik de poort Gods in mijn geest ontwaar en ook het streven bezit om die te bereiken en binnen te gaan, daarom zal ik schrijven over wat ik aanschouw, en zal mij aan geen menselijke autoriteit storen. Nu moet u niet denken, dat mijn oude mens een levende heilige of een Engel is; o neen, hij bevindt zich met alle mensen in het huis van de toorn en de dood en is nog een altijd durende vijand van God; hij staat nog te midden van zijn zonden en boosheid evenals alle mensen en hij is nog vol gebreken en tekortkomingen. Toch moet ge weten, dat hij in voortdurende angstige baringsnood verkeert en gaarne wil los komen van de toorn en de boosheid, maar het niet kan. Het is ermede gesteld als met het gehele huis dezer wereld, waar steeds de liefde in strijd is met de toorn en waaruit steeds uit die angstige worsteling iets nieuws wordt geboren. En zo moet het ook gaan, als gij opnieuw geboren wilt worden; op een andere wijze kan geen mens de wedergeboorte bereiken. De mens haakt hier steeds naar heerlijke dagen des vlezes, naar rijkdom en schoonheid en hij weet niet, dat hij daarmede in de kamer des doods vastzit en de angel des toorns op hem is gericht. Zie, ik zeg u dit als een woord des levens, door middel waarvan ik de erkenning des geestes aanneem te midden van de geboorte van het nieuwe lichaam dezer wereld, waarover de mens Jezus Christus, een heerser en koning tezamen met zijn eeuwige Vader is; voor de stoel van Zijn troon staan alle heilige zielen der mensen en zij verheugen zich. De begeerte des vlezes naar zoete welvaart, rijkdom en macht is een toornbad, waarin gij loopt en elkander verdringt, alsof gij erin gezogen werd. Er is daarin een groot gevaar. Wilt ge weten hoe het is, dan zal ik het u door een gelijkenis zeggen. Wanneer gij u naar hartelust baadt in rijkdom en macht, dan is het met u gesteld als met iemand, die in het water staat, maar geen grond onder de voeten voelt, en het water tot aan de mond voelt komen. Gij zwemt met de handen en houdt u in evenwicht, nu eens in de diepte dan weer minder diep en u hebt toch steeds een grote angst om de grond te raken, want dan komt het water zo dikwijls in de mond, dat de dood te wachten staat. In zo'n toestand en niet anders bevindt gij u, gij met uw wellusten des vlezes, en als ge nu wilt vechten, zult ge toch niet overwinnen, maar ge zult in uw zachte bed vermoord worden. De mens heeft steeds een geweldig leger voor zich, dat tegen hem vecht; en wil hij zich niet verweren, dan wordt hij gevangen genomen en verslagen. Hoe zal hij, die in het diepe water zwemt, zich wel kunnen verweren. Hij heeft al genoeg te doen met zich in evenwicht te houden en dan wordt hij

tegelijkertijd nog door de duivel bestookt. Het ene gevaar volgt het andere op, zoals ook onze koning Christus zegt: Het is moeilik voor een rijkaard om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan. Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. (Math. 19, vs. 24 en Marcus 18, vs. 25). Wil iemand wedergeboren worden, dan moet hij zich niet als onderdaan geven aan zijn hebzucht, zijn hovaardij of zijn eigen kracht, ook moet hij niet luisteren naar de wil van zijn vlees, maar hij moet vechten en strijden tegen zichzelf, tegen de duivel en alle vleselijke lusten en hij moet bedenken, dat hij een knecht en pelgrim is op aarde, die door het gevaarlijke tranendal moet komen in een andere wereld. Daar zal hij heer zijn en zijn heerlijkheid zal in steeds meer volkomen lust en schoonheid stralen. Opgelet! De zon heeft haar eigen koninklijke plaats en zij wijkt van die plaats, waar zij eenmaal ontstaan is, niet af! Sommigen menen, en dat hebben zelfs ook enkele astrologen geschreven, dat zij in een dag en een nacht om de aarde heenloopt. Enigen hebben het ook ondernomen om te meten, hoe groot haar kringloop zou zijn. Deze mening is fout. De aarde draait rond en loopt met de andere planeten als in een rad, om de zon. De aarde blijft niet op eenzelfde plaats staan, maar loopt in een jaar rondom de zon, zoals ook de andere planeten onder de zon, uitgenomen Saturnus en Jupiter. Deze kunnen dat vanwege hunne grotere omvang niet doen, aangezien zij hoog boven de zon staan. Nu vraagt gij u af: Wat is dan toch de zon en wat zijn de planeten, of hoe zijn zij gemaakt? Kijk, de andere planeten zijn zelfstandige lichamen, die hun lichamelijke eigenschappen hebben en niet gebonden zijn aan een bepaalde plaats, als slechts aan een kring, langs welke zij zich bewegen. De zon echter is niet zulk een lichaam, maar zij is een plek, die door het licht Gods is ontstoken. Begrijp het goed. De plaats, waar de zon zich bevindt, is een plaats als gij ergens op aarde zoudt kunnen kiezen. Wanneer God het licht door de hitte wilde aansteken, dan zou de ganse aarde zon zijn, want dezelfde kracht, waarin de zon staat, is overal en vóór de tijd des toorns is het overal op de plaats dezer wereld zo licht geweest, als de zon nu is, maar niet zo onverdraaglijk. De hitte is toen niet zo groot geweest, als in de zon, daarom was dat licht ook zacht, maar wegens de grauwe grimmigheid van de zon, werd de zon van de zachtmoedigheid van God afgescheiden. Daarom mag men dus niet zeggen, dat de zon een open poort van het Godslicht is, want zij is als het licht in het menselijk oog, dat behoort bij de plaats en het lichaam van het oog, maar er is onderscheid tussen het 'licht en het lichaam. En of het nu al door de hitte in het water, uit het lichaam ontstaat, daarom is 't nog

niets buitengewoons, dat het lichaam niet begrijpen kan. Eenzelfde onderscheid is er ook tussen God den Vader en den Zoon. Alzo is op de vierde dag in de angstgeboorte dezer wereld in het midden van deze wereld de zon opgegaan en staat op haar eeuwige lichamelijke plaats stil, want zij kan zich geen andere plaats kiezen of zich op een andere plaats neerzetten. Zij is het enige natuurlijke licht in deze wereld en buiten haar is er geen ander licht in het huis des doods. En of het nu al lijkt alsof de andere sterren ook helder licht afstralen, toch is het niet zo; zij nemen deze glans allen van de zon, zoals spoedig hieronder volgt. De ware geboorte van de zon en de planeten is geschied als volgt: Toen de Hemel als afscheiding werd gesteld tussen het licht van God en de aangestoken verwording van het lichaam dezer wereld, toen was het lichaam van deze wereld een duister dal en had niet het licht, dat in het buitenste lichaam buiten de Hemel geschenen had. Alle krachten stonden daar als in de dood gevangen en gingen zo hevig tegen elkaar te keer, dat in het midden van het lichaam hitte ontstond. Toen het gebeurde dat de angstige geboorte in de hitte kwam te staan, toen brak de liefde in het licht van God door de Hemel der scheiding heen en stak de hitte aan. Toen ging in de hitte, in het water, of het vet in het water het schijnende licht op en het hart van het water ontstak zichzelf en dat is in een ogenblik gebeurd. Toen het licht het lichaam goed had omvat, is het lichaam daardoor in een tamelijk zachtmoedige toestand veranderd, zodat het niet meer in die verschrikkelijke angst behoefde te zijn. De hitte is van het licht zo geschrokken, dat zich haar verschrikkelijke vuurbron heeft stil gelegd en niet meer in staat is zich te ontsteken. Uit Goddelijke voorzorg heeft zich de doorbreking van het licht in de 'liefde Gods, door de Hemel niet verder doorgezet. Daarom is de zon niet groter geworden.

Van de planeet Mars. Toen de zon zich had ontstoken, is de afgrijselijke vuurschrik uit de plaats van de zon naar buiten gevlogen, als een wrede, ongebreidelde bliksemstraal en heeft in zijn lichamelijk wezen de grimmigheid van het vuur, waardoor het water zo bitter is geworden, meegenomen, en het water is de kern of oorsprong van de schrik. De astrologen schrijven, dat de planeet Mars 15.750 mijlen boven de zon staat, hetgeen ik voor goed aanneem, aangezien ik niet met passer en cirkel weet om te gaan. Zo ver is de vlugge vuurschrik van zijn plaats weggevlogen, totdat hij ook door het licht is gegrepen en door het licht werd gevangen genomen. Daardoor moest hij stilhouden en zijn plaats

innemen. Dat het licht hem niet eerder heeft gegrepen, dat komt door zijn grimmigheid en zijn snelheid als de bliksem. Het licht heeft hem niet eerder kunnen tegenhouden en vasthouden, voordat het hem geheel en al doortinteld had. Daar staat hij nu als een strijder, doder, beweger van het gehele lichaam dezer wereld, want dat is zijn taak, dat hij met zijn beweging in het rad der natuur alles beweegt, waardoor alles zijn oorsprong heeft. Van de planeet Jupiter. Toen nu de bittere schrik door het licht gevangen werd, drong het licht in eigen kracht nog hoger de diepte in, totdat het in de harde en koude zetel der natuur reikte. Toen kon de kracht van de eerste opgang uit de zon niet hoger en bleef daar lichamelijk staan en nam die plaats als woning in. Gij moet dit echter goed verstaan. Het is de kracht van het licht geweest, die op die plaats is blijven staan. Zij is een zeer zacht, vriendelijk, lieflijk en zoet wezen. Van dit wezen schrijven de astrologen, dat het 7875 mijlen boven Mars staat. Het is de verzachter van de verstorende, woedende Mars en een oorsprong van de zachtheid in alle leven en ook een oorsprong van het water, waaruit het leven geboren wordt, zoals ik hierna vermelden zal. Zover heeft nu de kracht des levens uit de zon gereikt en niet hoger. De glans of schijn echter, die uit zijn kracht opging, reikt tot aan de sterren en door het gehele lichaam der wereld. Gij moet goed begrijpen hoe deze twee planeten ontstaan zijn. Toen de kracht van Gods hart uit de eeuwige, onsterfelijke bronwel van het water des levens, door de afscheidende Hemel heendrong en het water op de plek van de zon aanstak, toen vloog een vuurstraal, die verschrikkelijk en bitter is, uit het water en daaruit is Mars ontstaan. Direct vloog de kracht van het licht die vuurstraal achterna als een zacht verheven leven; zij achterhaalde de vuurschrik en verzachte deze in die mate, dat hij onmachtig werd om verder door de diepte heen te dringen en daarom sidderend stil bleef staan. De uitgetrokken lichtkracht was veel krachtiger dan de vuurschrik; daarom steeg zij ook hoger dan de vuurstraal, totdat zij zo diep doordrong tot in de natuur-strengheid, dat zij niet verder kon en ook stil hield. Uit die kracht is de planeet Jupiter ontstaan, en niet uit de zelfde plek waar zij nu staat. Zij steekt steeds die zelfde plek met haar kracht aan en moet beschouwd worden als een bewoonster van die plaats, die steeds in een huurhuis heen en weer verhuizen moet. De zon echter heeft een eigen huis, anders geen enkele planeet.

Wanneer men de geboorte of aanvang der sterren goed wil doorvorsen, dan moet men eigenlik op de hoogte zijn van de oorsprong des levens, hoe het leven zich in een lichaam openbaart, want alles is één geboorte. Wie dat niet weet of verstaat, die kan ook niets weten van de geboorte der sterren, want alles tezamen is een groot lichaam. Ieder levend creatuur staat ten opzichte van zijn geboorte in zijn lichaam als de geboorte van het natuurlijke lichaam dezer wereld, want alle leven moet zich openbaren, zoals de Godheid zich openbaart. Wanneer men daarover goed nadenkt, hetgeen zonder de bijzondere verlichting des Heiligen Geestes niet kan geschieden, dan onderkent men aanvankelijk de zure koude en strenge geboorte, welke de oorzaak is van de stoffelijke natuur, of de vorming aller dingen. Als die strenge, koude, scherpe samentrekkende kracht er niet was, dan was er geen natuurlik of stoffelijk wezen; ook bestond dan niet de geboorte Gods en alles zou ondoorgrondelijk zijn. Maar in deze harde, strenge en koude kracht, staat het stoffelijk wezen of het lichaam, waarin zich de levensgeest openbaart, en uit diezelfde geest het licht en het verstand, waardoor dan weer de zintuigen en de erkenning aller krachten ontstaat. Toen het licht werd geboren, werd het geboren midden in het lichaam als een hart of geest uit alle krachten, en het staat op zijn oorspronkelijke plaats stil en gaat toch door alle krachten heen. Evenals het uit alle krachten geboren is en de oerbron van alle krachten bezit, zo dringt het ook met zijn glans in iedere kracht, waardoor dan de smaak, de reuk, het gezicht, het gehoor, het gevoel, de rede en het verstand ontstaan. Zoals het nieuwe leven zich in een schepsel aankondigt, zo zal het ook zijn bij de wedergeboorte van het nieuwe leven in het verdorven lichaam dezer wereld. En wie dat loochent, die heeft noch het juiste verstand, noch het begrip der natuur. Ook is zijn bewustzijn niet uit God geboren, doch hij is een bespotter van God. Ziet, gij kunt niet loochenen, dat het leven ontstaat in de hitte van het hart, maar in datzelfde leven bevindt zich ook dat licht der dierlijke geboorte. Het hart betekent nu de zon, zij is ook het begin van het leven in het buitenste lichaam dezer wereld. Nu kunt gij niet zeggen, dat de dierlijke geboorte uit het hart wijkt, omdat het lichaam in beweging is. Eveneens wijkt de zon niet van haar plaats af, doch behoudt haar eigen plek als een hart voor zich, en straalt als een licht, of als een geest door het gehele lichaam en door alle krachten van het lichaam heen. Haar geboorte neemt ook een aanvang uit alle krachten en dar., om is zij niet haar licht en haar warmte ook weer een geest en hart van het gehele lichaam dezer wereld. Verder kunt gij niet loochenen, dat de gal in een creatuur ontstaan is uit het hart, want zij is een ader naar het hart en zij veroorzaakt de

beweeglijkheid, waardoor de hitte geboren wordt. Zij heeft haar eerste oorsprong uit de flits van het leven, als dat zich in het hart openbaart, en het licht in het water opgaat. De vuurschrik gaat vooraf, hij stijgt uit de angst in het water, in de hitte op. Wan( wanneer de hitte in de koude en zure hoedanigheid zo in angst komt te zitten, dat het licht zich door de verborgen Hemel van het hart, ;n de lichamelijkheid ontsteekt dan schrikt de bange dood in de toorn Gods en wijkt als de bliksem van het licht en stijgt boven zichzelf uit vol schrik bevende en vreesachtig, terwijl het licht uit het hart hem nazit en hem beïnvloedt, zodat hij stil blijft staan. En zo is de planeet Mars, want zo is zij ontstaan en zijn eigen hoedanigheid is niet anders dan een giftige bittere vuurschrik, die uit de plek van de zon is uitgevaren. Nu is hij echter steeds een aansteker van de zon, evenals de gal een opwekker is van het hart, waar de hitte, zowel in de zon als in het hart stand houdt, en waardoor het leven aller dingen zijn oorsprong vindt. Ten derde kunt gij ook niet loochenen dat de hersenen in het hoofd van een schepping niet de kracht van het hart vertegenwoordigen, want uit het hart stijgen alle krachten in de hersenen op, waardoor in de hersenen de zintuigen van net hart ontstaan. Het brein in het hoofd heeft zijn ontstaan te danken aan de kracht van het hart. Nadat de vuurschrik van de gal of Mars van het licht des levens is afgeweken, dringt de kracht uit het hart door het licht des levens verder tot in het hoofd in de strenge hoedanigheid, en wanneer dan die kracht niet hoger kan, dan wordt zij door de strenge geboorte gevangen genomen en door de koude verdroogd. Daar bevindt zij zich nu en is van de zelfde kwaliteit als de levensgeest in het hart en is een koninklijke stoel voor de geest van het hart; tot zover dringt de geest van 's harten kracht door en daar wordt zij erkend. Het brein zetelt in de strenge geboorte en is in zijn eigen lichaam de zachte kracht van het hart. Dat beduidt met recht de nieuwe wedergeboorte, die te midden van de omstrEngeling des doods en des toorns, in zijn Hemel opnieuw tot aanzijn komt en door de dood heen in het leven dringt. Daar wordt de geest of de gedachten weer een geheel scheppende persoonlijkheid door het aansteken en bewust worden van alle krachten, hetgeen ik in de mens de dierlijke geboorte (de geboorte van de ziel) noem. En wanneer de nieuwe geest in het brein algeheel verdierlijkt is, dan gaat hij weder terug naar zijn moeder, het hart en dan staat hij als een volmaakte geest of wil, of als een wedergeboren persoonlijkheid, die in een mens wordt genoemd de ziel. Zoals het wezen en de afkomst van het brein in de mensen is, zo is ook het wezen en de afkomst van de planeet Jupiter, want zij heeft haar oorsprong uit de opgang des levens, uit de kracht, die uit het water des levens van de zonneplek door het licht is opgegaan. En diezelfde kracht is zo hoog gestegen, totdat zij weer in de strenge harde en koude kracht is

gevangen genomen en daar is blijven stilstaan, door de eerst omwenteling lichamelijk geworden en door de strenge en koude kracht ingedroogd. Uit het brein in de lichamelijke heerlijkheid en wijsheid der natuur, geboren worden, maar de echte heilige geest in de mensen, wordt geboren uit het water des levens in de verborgen Hemel. De uiterlijke Jupiter is slechts de zachtmoedigheid en het verstand in het uiterlijke begrip; de heilige bronwel is onbegrijpelijk en voor het uiterlijke verstand ondoorgrondelijk. De siderische geboorte staat slechts met de wortel in de heilige Hemel, doch met de lichamelijkheid in de toorn.

HOOFDSTUK XXVI.
Van de planeet Saturnus. Saturnus, de koude, scherpe en strenge, zure heerser heeft zijn aanvang en afkomst niet van de zon, want hij heeft de kamer des doods in zijn macht en hij is uitdroger van alle krachten, waardoor de lichamelijkheid ontstaat. Zoals de zon is het hart van het leven en de oorsprong van alle geesten in het lichaam dezer wereld, zo is Saturnus,het begin van alle lichamelijkheid en tastbaarheid; in de macht van deze twee planeten staat het gehele lichaam dezer wereld en er is geen schepsel, of maaksel, of ander ding in deze wereld, dat niet afhankelijk is van deze twee machten. Saturnus vindt zijn oorsprong in de ernstige, zure en strenge angstigheid van het gehele lichaam dezer wereld, want toen ten tijde van de ontsteking des toorns, het licht in de uiterlijke geboorte dezer wereld, de geboorte der natuur of bevattelijkheid, het opstijgen der geboorte uit alle Oergeesten, uitdoofde, toen stond de zure hoedanigheid in haar scherpste en strengste geboorte en trok de werking van alle Oergeesten geheel en al zuur en hevig tezamen. Daaruit zijn de aarde en de stenen ontstaan en dat was het huis des doods of de insluiting van het leven, waarin dan koning Lucifer gevangen zit. Toen echter op de eerste dag het licht door het Woord of door het hart van God iets in de wortel van het natuurlichaam dezer wereld weder aanbrak, zoals het uitzoeken van de jongste dag of de aanvang der beweeglijkheid des levens, toen bezat de strenge en zure geboorte weder een opgang des levens in zich. Van toen af aan heeft zij in de angstige dood gestaan tot aan de derde dag; toen is de liefde Gods door de afscheidende Hemel heengedrongen en heeft het licht van de zon aangestoken.

Daar echter het hart of de kracht van de zon de angstige geboorte of hoedanigheid van grimmigheid en toorn niet afsluiten of matigen kon, stond deze gehele omgeving in gruwelijke angst, als een vrouw in barensnood, en kon geen hitte verwekken wegens de verschrikkelijke koude en zuurheid. Waar evenwel de beweeglijkheid begonnen was door de kracht van de verborgen Hemel heen, daar kon de natuur niet rusten, maar zij maakte zich sidderend gereed tot scheppen en deed uit de geest van de scherpte de zure koude en strenge zoon geboren worden, de ster Saturnus. De geest van de hitte kon zich niet ontsteken, waaruit het licht en uit het licht door het water, de liefde en zachtmoedigheid ontstaat, doch het was een geboorte van strenge, koude en hevige grimmigheid, die is een verdroger, een vernietiger, en een vijand van de zachtheid. Die geboorte is het, die in de creaturen het harde gebeente vormt. Saturnus is niet aan zijn plaats gebonden, zoals de zon, want hij is niet een stoffelijke plaats in de ruimte der diepte, maar hij is een zoon, die uit de kamer des doods, uit de ontstoken, harde en koude angst geboren is, en hij is nu een bewoner van de ruimte, waarin hij rondloopt, want hij heeft zelf een stoffelijk lichaam, zoals een kind, wanneer het uit de moeder geboren wordt. “Toen het scheppende Fiat het rad schiep, is ook wel Saturnus met het rad geschapen, maar niet uit de zon.” Waarom hij echter van uit God de strenge geboorte is opgegaan en wat zijn taak is, zal ik nader vermelden bij de omloop der planeten. Zijn hoogte kan men eigenlik niet goed te weten komen; ik voor mij meen, dat hij tussen Jupiter en de algemene sterren in het midden van de diepte staat, want hij is het hart van de lichamelijkheid der natuur. Evenals nu de zon* het hart van het leven is en de oorsprong der natuurgeesten, zo is Saturnus het hart en de ooi sprong van alle lichamen en vormen in de aarde en op de aarde en in het gehele lichaam der wereld. En zoals bij de mens de schedel een omvatter en omsluiter der hersenen is, waarin de gedachten tot ontwikkeling komen, zo is de saturnale kracht een omvatter, verdroger en vasthouder van alle lichamelijkheid en tastbaarheid. En evenals Jupiter, de openbaarder en schepper der zachtmoedigheid, staat tussen de grimmige Mars en de strenge Saturnus, en de zachtheid in de schepselen doet geboren worden, zo ontstaat ook het leven en het doel van alle creaturen tussen deze beide zelfstandigheden, zo ook het nieuwe lichaam dezer wereld, alsook de nieuwe mens, waarover gij zult kunnen lezen bij de beschrijving van de mens.

Van de planeet Venus. Venus, de lieftallige planeet of de ontsteker der liefde in de natuur, heeft

haar oorsprong en afkomst uit de opgang van de zon; haar hoedanigheid, haar wezen en haar ontstaan echter is als zodanig geschapen. Versta dit goed. Toen de liefde Gods de plek van de zon aanstak, toen ging eerst door de angst uit de zeven Oergeesten der natuur de verschrikkelijke bittere vuurschrik uit de zon weg; die vuurschrik was te voorschijn geroepen door de ontsteking van de bittere toorn Gods in de zure zelfstandigheid van het water. Bij de aansteking van de zon ging die vuurschrik vanuit de kamer des doods op en was toen een veroorzaker van de dood en een verwekker van het leven, hij steeg grimmig en sidderend omhoog, totdat het licht van de zon hem vastgreep en doordrong, toen werd hij door de zachtheid van het licht bevangen en bleef stilstaan, en uit deze werkingen is de planeet Mars ontstaan. Na de vuurschrik is de kracht van het licht, die oorspronkelijk uit het vet van het water achter de vuurschrik geboren werd, hem plotseling als een grote macht nagerend en heeft de vuurschrik gevangen genomen en zich boven hem gesteld als een vorst en een temmer van de grimmigheid. Daaruit is nu de zintuiglijke waarneming in de natuur of de planeet Jupiter geworden.

De poort der liefde. Toen nu de twee geesten van beweeglijkheid en leven vanuit de plaats van de zon waren uitgegaan, drong de zachtzinnigheid als een zaad van het water met de kracht van de liefde heel zoetjes en vriendelijk beneden zich in de kamer des doods; daaruit is de liefde des levens of de planeet Venus ontstaan. Gij moet echter de diepe betekenis hiervan goed begrijpen. De geboorte of de opgang der zeven planeten en alle sterren is niet anders geschied, dan zoals het leven en de wonderbare indeling van de Godheid van eeuwigheid af is ontstaan. Toen koning Lucifer de plaats dezer wereld voor zich als een toornhuis had ingericht en meende zo grimmig en geweldig te kunnen heersen, doofde het licht in de natuur uit en verstijfde de hele natuur als in een lichaam des doods, waarin geen beweeglijkheid was en zo moest hij als een eeuwige gevangene in de duisternis verblijven. Nu wilde echter de heilige God de plek van het lichaam, namelijk de ruimte dezer wereld, niet in eeuwige duisternis en schande laten blijven en als eigendom aan de duivel overlaten, maar schiep een nieuwe heerschappij van het 'licht en van alle zeven Oergeesten der Godheid, welke de duivel niet begrijpen noch aantasten zou kunnen; het zou hem ook nergens toe kunnen dienen, want hij kan in het licht van de zon niet meer

zien dan in de duisternis, omdat hij in dit licht niet is geboren; daarom heeft hij er ook niets aan. Als er dan een nieuwe heerschappij zou zijn, dan moest liet er een zijn, , die de duivel niet zou kunnen aantasten om haar als zijn stoffelijk eigendom te gebruiken. Dat is alzo geschied: De liefde, of liet Woord of het hart, dat is de eniggeboren Zoon van den Vader, die is het licht, de zachtmoedigheid, de liefde en de vreugde van God, (Hij zegt zelf, als hij zich tot de mensheid richt: Ik ben het licht der wereld. Joh. 8-12) heeft deze wereld bij het hart genomen en in het midden van deze ruimte op de plaats, waar de machtige vorst en koning Lucifer zijn zetel had gehad, is een nieuwe schepping ontstaan. Uit deze ontstoken plaats van de zon zijn op bijzondere wijze zesderlei hoedanigheden ontstaan en geboren, allen naar goddelijk geboorterecht. Eerst is de vuurschrik of de beweeglijkheid in de hitte opgegaan; dat is de aanvang van het leven in de smart van de dood. Ten tweede is het licht in het vet van het water in de hitte schijnend geworden; dat is nu de zon. Ten derde: toen het licht van de zon het gehele lichaam van de zon doorstraald had, is de kracht van het leven, die door de eerste inwerking opgegaan is, omhoog gestegen, juist zoals het gaat, wanneer men een stuk hout aansteekt of vuur uit een steen slaat. Men ziet eerst de glans en uit die glans de vuurschrik en na de vuurschrik de kracht van het aangestoken voorwerp of lichaam, en dat licht met de kracht van het lichaam verheft zich zeer plotseling boven de schrik en regeert veel hoger. dieper en machtiger dan de vuurschrik. Ook wordt de kracht van het aangestoken lichaam in de uitgetogen kracht buiten het vuur zacht, lief lik en vernuftig, en daaruit kan men pas goed het goddelijke wezen begrijpen. Zo is het ook gegaan met het ontstaan van de zon en de twee planeten Mars en Jupiter. Wijl ook de plek van de zon alle hoedanigheden naar de rechten van de Godheid bezat evenals alle andere plaatsen, daarom stegen ook ten tijde van de eerste ontsteking alle hoedanigheden op en neer en ontwikkelden zich naar eeuwige rechten. De kracht van het licht, die de zure en bittere hoedanigheid van de plaats der zon verzachtte en dun maakte als het water of als de liefde des levens, toog naar zijn deemoedige aard naar beneden. Daaruit is de planeet Venus ontstaan. Zij doet in het huis van de dood de zachtmoedigheid naar buiten komen, zij ontsteekt het water en zij dringt zachtjes door de hardheid, zij ontsteekt de liefde, waarnaar de hogere beheersing als de bittere hitte van Mars en de hartelijke gevoeligheid van Jupiter begerig wordt. Daaruit ontstaat de beïnvloeding; de venuskracht maakt de grimmige Mars zacht en vertedert hem, en Jupiter maakt zij deemoedig, want anders zou de kracht van Jupiter door de harde kamer van Saturnus heenbreken en door de schedel van mensen en dieren, en de zinnelijke waarneming zou veranderen in

hoogmoed boven het goddelijke geboorterecht, naar de aard en wijze als van de trotse duivel.

Over de planeet Mercurius. Als we eigenlik grondig weten willen, hoe de planeten en sterren ontstaan zijn; als we van het binnenste der aarde het wezen willen verstaan, moeten we beginnen met de innerlijke geboorte, het ontstaan van het leven in de mens te beschouwen. Want beiden hebben eenzelfde begin, verlopen gelijk en voor beiden gelden dezelfde wetten. Want het rad van sterren en planeten is niet anders, dan de geboorte in het 7e kosmische gebied, waarin zich beelden en figuren als Hemelse vruchten hebben gezet naar Gods ordonnantie. Omdat de mens door God naar Zijn beeld geschapen is, heeft zijn leven eenzelfde begin en opgang als planeten en sterren. Zo als het leven van de mens evolueert, hebben ook planeten en sterren vorderingen gemaakt na hun geboorte; er is in deze geen verschil. Het centrum of de cirkel van de geboorte des levens. De grote diepte. Voor deze spiegel roept de Geest de geneesheren, maar in 't bijzonder hen, die langs anatomische weg en door allerlei onderzoekingen de geboorte en des levens opgang doorgronden willen en die daardoor tegen Gods wil in recht en wetten met voeten getreden hebben. Zij hoopten de wonderschone verhoudingen en de verschijning van de natuur te doorgronden en zo dienstbaar te kunnen maken aan de gezondheid van anderen. Daar zij echter in de natuur voor moordenaars en misdadigers worden aangezien, als werkers tegen Gods wetten en rechten in, veroordeelt de geest, die God herbergt, deze moordenaars. Zij hadden de wonderlijke geboorte van de mens veel juister benaderd, als zij hun goddelijke inzichten niet vervalst hadden tot trotse hoogmoed en duivelse moordlust. Zij wilden niet met Goden, maar met mensen strijden; zij ontvingen hun verdiende loon. Gij, gepromoveerden, gaat zien, kijkt toe of een nederige leek de menselijke geboorte onderzoeken kan, als hij zoekt mèt God en naar God. Is het onjuist, weerlegt het. Is het juist, erkent het. Ik schrijf over de geboorte van het mensenleven, om U de oorsprong van sterren en planeten beter te doen begrijpen; bij de beschrijving van de schepping van de mens, zult ge alles dieper en beter bewezen vinden aangaande het begin van de mens. Let eens op: Het zaad in de mens wordt net zo geboren, als de

wonderlijke afmetingen en verschijning in haar strijd en opgang in de eeuwigheid is geboren. Want het menselijke vlees vertegenwoordigt het lichaam van God, dat geboren is uit de zes andere Oergeesten, waarin zich steeds weer de zes geesten ontwikkelen, waardoor vormen en lichamen ontstaan. Het hart van God of de heerlijke zuivere Godheid openbaart zich in het midden van dat lichaam, waarin het levenslicht opgaat. Men kan in het menselijk lichaam drie gebieden onderscheiden aangaande de geboorte. Elk staat afzonderlik en toch zijn zij niet gescheiden, doch zijn één; de mens is een drie-eenheid dus, evenals de Godheid. Het vlees leeft niet op zichzelf, maar het is dood en dom; als de geest ophoudt het bekwaam te besturen, is het dadelijk 'n dood ding, dat verrotten en verstuiven moet. ,Daarentegen kan een geest niet bestaan zonder het stoffelijk lichaam, want is hij hiervan gescheiden, dan kan hij zich niet manifesteren. Want het lichaam is de moeder voor de geest, waarin de geest geboren wordt en waardoor hij in krachten toeneemt. De geest blijft wel alleen voortbestaan, maar hij verliest alle bestuur. Deze drie manifestaties vormen de ganse mens, met lichaam en geest en zij hebben ten aanzien van 't begin en van hun manifestatie zeven aanzichten, overeenkomende met de 7 Godsaanzichten of die der 7 planeten. Gods geboorte is eeuwig, zonder begin en zonder einde; zo is ook de geboorte en voortgang van sterren en planeten eeuwig en de spiraalgang van het mensenleven. Let goed op: Als wij denken -en denken wat er is in en buiten de wereld, als wij ons verdiepen in het Wezen van alle Wezen, dan denken wij in het Lichaam van God, die het Wezen van alle Wezen is, en die een eeuwig Wezen is. Het heeft in zijn verblijfplaats geen beweging, verstand of bevattingsvermogen; het is een duistere diepte, die begin noch einde kent. Daarbinnen is het dik noch dun; het is een donkere dodenkamer, waar niets te onderscheiden is; koude noch warmte vindt men er; het is het einde aller dingen. Zo is het lichaam der diepte, de werkelijke dodenkamer. In deze duisternis van de 7 goddelijke geesten is wederom begin noch einde; er is geen eerste, tweede, derde of laatste. In deze 7 gebieden onderscheiden we drie aanzichten; geen kan van de andere gescheiden worden of kan zonder de andere bestaan. De 7 geesten vullen elkander van eeuwigheid tot eeuwigheid aan. Het eerste gebied beslaat de stof, de diepste diepten, het wezen van alle wezen; hij verbergt op alle plaatsen de 7 geesten in zich: hij bezit ze, is er onafscheidelijk van; bewust. Als de zeven geesten hier of daar niet strijden met succes, is daar ook geen beweging, maar diepe duisternis. Hoewel de Geesten volmaakt zijn, en de plaats niet een donker huis is, (zoals we van een donkere kamer

spreken) kunnen toch de brandende geesten der planeten en sterren de elementen niet doen ontbranden. De bron van de 7 geesten is evenwel overal; buiten het strijden staat deze stil en men ontwaart geen beweeglijkheid. En dit gehele wezen begrijpt de eeuwigheid, die niet van God is, maar de niet-almachtige natuur, waar weliswaar de Godheid onaantastbaar in de kern der zeven geesten verborgen blijft, maar begrepen noch verstaan wordt. De gehele wereld is zulk een huis geworden, toen de Godheid zich voor de gruwelijke duivels in de zeven geesten verborgen had. Als nu niet de 7 planeten en sterren uit de geesten van God opgerezen waren, dan zouden de krachten, die de doodskamer in 't duistere huis van deze wereld aan alle kanten, overal weer aansteken en doen groeien waaruit het gebied van het oerbeginsel ontstaat, niet meer werken. Verder zult U ook wel weten, dat het gebied der 7 goddelijke geesten in dit huis dezer wereld daarom niet uitgedroogd is, dat alles slechts van de planeten en sterren zijn leven en zijn begin ontvangen moet. Neen, want de smetteloze Godheid staat alom in de kring, in 't hart van de gehele diepte verborgen en de 7 geesten staan in het lichaam van de diepte in angst en groot vurig verlangen en worden door planeten en sterren steeds ontstoken, waardoor de beweging en de geboorte in de diepte ontstaat. Daar zich echter het hart van God in het lichaam van deze wereld bij de uiterlijke geboorte, die de lichamelijkheid is, verbergt, is de lichamelijkheid een donker huis en alles staat in grote nood en heeft een licht nodig, dat in de duisternis der kamer schijnt; dat is de zon zolang, tot dat het hart van God in de 7 geesten Gods in 't huis van deze wereld weer zal bewegen en de 7 geesten ontsteken. Dan eerst zullen de zon en de sterren weer in hun eerste stand terug treden en in zulke vorm; want Gods hart of Zijn Licht zal weer in de lichamelijkheid, d. i. in 't lichaam van deze wereld lichten en alles doordringen. Dan houdt de angst op, want als de angstvalligheid in het gebied van de geboorte de zoetheid van 't licht Gods proeft, dat het hart van God midden in het geboortegebied overwint, dan is alles vreugdevol en het ganse lichaam overwint, wat heden ten dage in het huis van deze wereld niet kan zijn door de boze gevangen duivel, die in de uiterlijke geboorte in het lichaam van deze wereld huis houdt tot aan het Godsgericht. Hier kunt ge nu begrijpen, hoe het hart Gods de bezem in de hand heeft en eens de dorsvloer vegen zal, waarvan ik hier ernstig melding maak, als 'n uitspraak in 't licht des levens, - daar het hart in 't levenslicht doorbreekt en het lichten van de dag verkondigt.

Van de mensen en de sterren. De diepte of het huis dezer wereld is een duister huis, waar zich de lichamelijkheid, dik, donker, angstig en halfdood voortplant en voor de planeten en sterren zijn beweeglijkheid ruimt, die het lichaam in de uitwendige geboorte ontsteken; daardoor ontstaat zowel de oerbeweeglijkheid als het beeldende en scheppende wezen. Daarom is ook het vleeskleed van de mens een donker dal, waar de angst voor de geboorte des levens is en zich altijd zeer inspant, met het doel zich te verheffen tot het licht, waaraan zich het leven zou willen ontsteken. Daar evenwel het hart Gods zich in het centrum of de kern verbergt, kan dit niet; de angst brengt niet meer voort dan zaad. Het vleeskleed brengt zaad voort, dat zijns gelijke is, voor een ander mens en het geesteshuis in het rad van de 7 geesten schept in het zaad een geest van zijn geest, zijns gelijken voor een nieuwe geest. En het verborgen hartenhuis schenkt hem ook weer zo’n geest, die het vleeskleed en ook de geboortegeesten, die tot de sterren behoren, in 't lichaam verborgen dragen, maar ze niet ontsteekt tot na deze tijdrekening. De derde geest is de ziel in de mens, die een is met Gods hart, als een Zoon of kleine God in de grote onmeetbare God. Deze drie onderscheiden gebieden worden in 't zaad geboren, dat zijn oorsprong heeft in 't vlees, zoals reeds gezegd. Neemt goede nota van het verborgen geheim, gij natuurkundigen, let op!

De toegang tot het grote geheimenis. Uit de angstvolle kamer in 't lichaam van deze wereld, uit de 7 geesten Gods zijn de sterren opgegaan. Deze ontstaken het lichaam van deze wereld en uit het lichaam komt voort de vrucht of het zaad, dat water, vuur, lucht en aarde is. De aarde is de vrucht van de 7e Geest Gods; dat is de natuur, de lichamelijkheid, waarin zich de andere geesten openbaren en de Salniter van de 7e geest in eindeloze gestalten en vormen, zodat de aarde ook haar zaad voortbrengt, zoals het ons voor ogen ligt. Het vleeskleed des mensen is ook zo'n huis, als de duistere diepte dezer wereld, waarin de zeven geesten Gods vrucht dragen. Daar echter de mens eigenaar is van zijn 'lichaam, dat een Zoon van het ganse lichaam Gods is, brengt hij ook bij hem behorend zaad voort, uit het gebied van zijn lichamelijke Oergeesten? Het lichaam voedt zich met het zaad van de zeven goddelijke geesten uit 't lichaam van de grote diepte, die vuur, lucht, water en aarde is. Van de aarde neemt hij de geboorte der aarde of de vrucht, want deze is

edeler dan de aarde, zij is het beste bestanddeel.

Uit de Salniter, uit de natuurgeesten. Want toen het 'lichaam der natuur door de duivel ontstoken werd, trok het Woord of het hart van God de massa tezamen, nog voor de bedorven Salniter tezamen werd gedrukt; dat heet nu aarde wegens de harde grimmigheid of verderf. Toen de aarde tezamen gedrukt was, stond de massa in de donkere diepte in de voortgebrachte Hemel tussen de angstvolle geboorte en de liefde van Gods hart, tot de 6de dag; toen liet Gods hart het licht des levens uit Zijn hart in het binnenste van de massa of in de derde openbaring schijnen. Toen dit gebeurde, vingen de 7 Oergeesten aan zich te bekwamen in de massa en zich in de vaste substantie van 't zaad dat de Oergeesten voortbrachten als vuur, lucht en water, evenals in 't lichaam der diepte. Zo werd de mens een levende ziel, in wezen gelijk aan de opgegane zon, en op gelijke wijze de 7 planeten. Het licht in de mens, dat door Gods hart ingeblazen was, betekent de zon, die in de hele diepte licht, waarover U bij de schepping des mensen meer vinden zult. Zie nu, evenals in de diepte dezer wereld, door aansteken van de sterren uit het lichaam der duistere diepte zaad geboren wordt, gelijk aan het grofstoffelijke lichaam, zo wordt ook op gelijke wijze in het vleselijke des mensen zaad geboren overeenkomstig het eeuwige geboorterecht der 7 Oergeesten. En in het zaad zijn 3 onderscheiden dingen, waar het een het ander niet doorgronden kan; zij bevinden zich toch in een en hetzelfde zaad, en vermengen zich ook met elkaar tot één wezen; het is ook één wezen en ook drie onderscheiden dingen; overeenkomstig de drie-eenheid Gods. Eerstens is het ganse lichaam van de mens een duister huis, dat zonder de inwerking van de 7 geesten, geen beweeglijkheid heeft, maar slechts een donker dal is, evenals het lichaam uit de diepte der wereld. Zo is in het donkere lichaam van de mens ook een dergelijke wetmatigheid bij de 7 geesten, evenals in het lichaam der diepte. Als de 7 geesten overeenkomstig het geboorterecht Gods zich doen gelden, dan wordt er uit het strijden der 7 geesten zaad geboren, dat zijns gelijke is. Dit zaad heeft eerstens een moeder, dat is de donkere kamer van het vleeshuis; ten tweede heeft het een moeder, dat is het wiel van de 7 geesten, overeenkomstig de 7 planeten; ten derde heeft het een moeder, die in de cirkel van de 7 geesten in het midden geboren wordt; dat is het hart van de 7 geesten. Dat is nu de moeder der zielen die de 7 geesten doorschijnt en levend

maakt en op deze plaats verbindt zich het zaad met Gods hart; maar slechts voor diegene in wien het licht ontstoken wordt; voor wien echter het vuur van de toorn brandt, blijft deze derde moeder in de donkere kamer gevangen. En of ze nu al de derde moeder is, zij blijft de dwaas, als het licht niet ontstoken wordt, evenals de diepte dezer wereld een dwaas voor Gods hart; die diepte dezer wereld, waarin het wiel der 7 geesten in grote angst staat, en in zo grote rampen en verliezen in hitte en koude, als maar denkbaar is. Als evenwel de derde moeder in 't Licht ontbranden gaat, dan staat zij in de geschapen Hemel van 't heilige leven en doorlicht de andere moeder, van wie de 7 geesten een vriendelijke tegemoetkoming willen ontvangen, wat de liefde des levens is, waarover ge in hoofdstuk 8 over de liefdegeboorte Gods lezen kunt. De derde moeder kan ze niet altijd standvastig doorlichten, want zij staat in 't huis van de duisternis, maar zij geeft ze menigmaal een blik, net of het weerlicht; daarnaar wordt de derde moeder menigmaal zeer begerig en verheugt zich zeer; maar de grimmigheid van Gods toorn roept alles weer terug tot de orde. Zo ook danst de duivel op deze poort; want de nieuwe mens ligt verborgen in de gevangenis, waarin ook de duivel opgesloten is. Ik geloof, dat in het huis der werelddiepte zowel het vleeshuis als de diepte, alles bij elkaar hoort als één lichaam; het is ook één lichaam maar met vele delen of ledematen.

De diepte in 't centrum. Zie, wanneer nu het zaad geboren is, staat het midden in 't hart van het lichaam, want daar juist ontvangt de moeder de drie-eenheid. Eerstens grijpt de wrange geest; hij trekt een massa uit het zoete water samen, dat wil zeggen uit de vetheid van het hartebloed of sap of olie van 't hart. Die zelfde olie heeft reeds het principe van de drie-eenheid in zich, evenals de gehele mens, want het is alsof men kruitvuur in stro wierp. De vraag doet zich voor: Hoe gaat dat? Hier komen we eerst recht op het terrein van de mens; let goed op. Want het is de spiegel van het grote geheim, de diepe verborgenheid der mensen. Hier hebben alle geleerden van de wereld omheen gedanst; alle hebben de deur gezocht en toch niet gevonden. Nu moet ik opnieuw opmerken, dat het 't morgenrood van de dag is, zoals de deurwachter het hebben wil.

Let weer op: Als de Salniter of de werking van de 6 Oergeesten, wat de zevende natuurgeest is, in de ruimte van deze wereld aangestoken wordt, dan staat het woord of het hart Gods alom midden in de kring van de 7 geesten, als een hart dat alles, hieronder te verstaan het ganse wereldruim, plotseling vervult. Daar echter in de diepte, dat is het hele wereldruim van den Vader, (hieronder is te verstaan 't hart van Gods lichaam, dat wil zeggen het stoffelijke Hart van God), het lichaam van de Vader en het hart in het gehele lichaam lichtte, als des Vaders Glans, daardoor was de bedorven Salniter overal met het licht of het hart van God verbonden en het hart van God kon daar ook niet uit vluchten, maar verborg zijn glans en schijn in het lichaam van de gehele voor de gruwelijke duivel ontstoken geesten. Toen dit gebeurde, werden de Oergeesten zonder uitzondering zeer grimmig en hevig strijdend; de wrange geest, als de sterkste, trok in de zevende natuurgeest de werking van de andere vijf vreselijk tezamen; hierdoor ontstonden de bittere aarde en de stenen; zij waren echter nog niet tezamen gedreven, maar zweefden in de gehele diepte. Te dien tijde is de massa tezamen getrokken, want toen zich Gods hart in de Salniter verborg, bekeek het de gehele ruimte of het lichaam weer en dacht, hoe zij weer geholpen kon worden, opdat weer een Engelenrijk in de diepte dezer wereld zou kunnen ontstaan. De aanblik was echter de liefdegeest in Gods hart, die de olie van het water verbond op de plaats van de aanblik, waar alreeds de olie en het water elkaar doordrongen. Het 'licht was opgegaan. Denk hierbij aan de aanblik van de heilige Petrus in het huis van Kaifas; zo is het eveneens. Zoals de man de vrouw aanziet en de vrouw de man en zijn geest; versta hieronder de bron der liefde, die bij de opgang van 't leven uit het water door het vuur gaat en ook de vrouwelijke geest, een geest, die door anderen in dezelfde olie van 't hart gevangen wordt, waardoor spoedig een massa, zaad of dringend willen van een ander mens in de massa ontstaat. Juist op deze wijze is de eerste massa ook ontstaan, want de liefdegeest in Gods hart zag in het lichaam van de in toorn ontstoken Vader het water des levens aan, waardoor en waaruit de liefde in vuur opging, vóór de tijd van de toorn; op dit ogenblik heeft een geest de andere gevangen; de olie of het water in de toorn heeft de liefdegeest in Gods hart ontvangen, zich daarmee verenigd en de wrange geest heeft de massa samengetrokken. Daar is het als een geboorte of een wil van een gehele schepping, en het schepsel geweest, evenals het zaad in de mens. De Hemelvesting is tussen Gods hart en de onmeedogenloze doodskamer gesloten, anders was het leven spoedig in de massa ontbrand. Want de vesting was zowel in de massa als daarbuiten, wat het doel van scheiding tussen Gods hart en de grimmige duivels is. Daarom moest het woord of Gods hart de

opborrelende geest in de massa opblazen, wat eerst op de 8ste dag door zekere onbekende oorzaken gebeurde. Was de Hemel niet als een vesting in de massa tussen Gods hart en de lichamelijke Oergeesten van de massa, dan had de massa de ziel uit eigen kracht kunnen ontsteken, zoals het met de heilige Engelen gebeurde. Er bestond echter kans, dat het zou gaan als met de mooie zoontjes van Lucifer, omdat de lichamelijke Oergeesten in de massa in vurige toorn ontstoken waren. Daarom moest de Hemel zijn een vesting tussen de vonken, die het hart van God bij 't eerste aanschouwen ontvangen hadden; voor 't geval, dat het lichaam in vurige toorn omkwam, opdat toch het heilige zaad bleef; dat de ziel is, die zich met Gods hart verbond. Hieruit kon een nieuw lichaam ontstaan als God de diepte dezer wereld weer in 't licht van Gods hart zou aansteken, zoals dan ook geschied is; moge de liefde Gods zich erbarmen. Mozes de man Gods schrijft, dat God de mens uit een aardkluit gemaakt heeft, zoals de geleerden vertaald hebben; hij is -er niet bij tegenwoordig geweest, toen het gebeurde. Toch heeft Mozes wel de waarheid geschreven, maar het juiste inzicht, waaruit de aarde ontstaan is, is Mozes en zijn nakomelingen bij het ontcijferen verborgen gebleven; de geest heeft alles tot op deze tijd verborgen gehouden. Het is ook voor Adam, omdat hij nog in 't Paradijs geweest is niet geopenbaard; nu wordt alles verklaard, want Gods hart heeft aan de dodenkamer aangeklopt en wil binnen komen. Daarom zullen hier steeds meer enkele lichtstralen in enkele mensen doorbreken en de dag aankondigen. Als het morgenrood van de opgang tot het ondergaan schijnt, dan is er verder geen tijd meer, maar Gods hart gaat op en wordt Ra Ra R. P. in de koude buiten de stad gestoten; en met hem Um R. P. Dit zijn verborgen woorden, die alleen in de godsnatuur begrepen worden. Mozes heeft gelijk, als hij zegt, dat de mens uit de aarde geschapen is; maar in de tijd, dat de massa door 't woord bestond, was de massa nog geen aarde. Als deze evenwel niet door 't woord onderhouden was, zou terzelfder tijd de zwarte aarde daaruit zijn voortgekomen; maar het koude vuur des toorns was er al in. Op hetzelfde moment, dat Lucifer opkwam, vertoornde de Vader in de Oergeesten tegen de legioenen van Lucifer, en verborg zijn goddelijk hart in de Hemelse vesting; daar was de Salniter of de werking van de lichamelijkheid al brandende, want buiten het licht is de donkere doodskamer. De massa wordt in de Hemelse vesting gehouden, opdat zij niet verstart, want toen Gods hart met zijn warme liefde de massa bekeek, ontstond er olie in de massa, wat uit het water door het vuur omhoog gaat, waardoor

het Licht opgaat, waardoor de geest der liefde opgaat, en zwanger werd van een jonge zoon. Dat was het zaad der liefde, want de ene liefde ontving de andere; de liefde der massa ontving die uit de aanblik van Gods hart, werd daarmee een en werd zwanger. En dat is de geboorte van de ziel; door deze zoon is de mens Gods beeld. De Oergeesten in de massa konden hierdoor niet spoedig door de ziel ontstoken worden, want de ziel stond slechts in 't zaad in de massa met het Godshart in Zijn Hemel verborgen, tot de Schepper de Massa aanblies; toen ontbrandde ook de ziel der Oergeesten; toen 'leefden lichaam en ziel beide. De ziel leefde wel voor 't lichaam, maar het stond in het hart Gods in de massa in de Hemel verborgen en het is slechts een heilig met God overeenkomend zaad, dat eeuwig, onvergankelijk en onveranderlijk is, want het was een nieuw en rein zaad van een Engel en Gods beeld. De werking van de ganse massa was een opgang of aantrekking van Gods woord door de werking der Oergeesten of van de Salniter, waaruit de aarde ontstond. Deze uittocht was nog niet tot aarde geworden alsof de aarde zelf de Salniter was, maar werd door 't woord onderhouden. Toen de geest der liefde uit Gods hart die Salniter van de massa aanschouwde, werd de Salniter in 't centrum der ziel zwanger, en het woord stond in de massa in de klank, maar het licht bleef in 't centrum der massa, in de vesting des Hemels, in de olie des harten verborgen, en bewoog zich niet buiten de Hemelvesting in de geboorte van de Oergeesten. Overigens, toen het licht in de zielegeboorte ontbrand was, hadden alle 7 Oergeesten, naar het eeuwige geboorterecht des Vaders in het licht overwonnen en zich gemanifesteerd; het was een levende Engel. Daar de toorn de Salniter reeds doordrongen had, was er kans op schade, als bij Lucifer. Nu doet zich de vraag voor: Waarom zijn ditmaal niet ook vele massa's geschapen? Daaruit kon spoedig een heel leger van Engelen in de plaats van de gevallen Lucifer gekomen zijn. Waarom moest er toch zo'n lange tijd in toorn verlopen? En waarom moest het ganse leger uit de enkele massa geboren worden in zulk een lange tijd? Of heeft de Schepper dit keer de val van de mens niet gezien en onderkend? Dit is de juiste poort van Gods verborgenheid, waaraan de lezer merken moet, dat het niet in het menselijk vermogen lag zo iets te onderkennen of te weten, tenzij het morgenrood in 't centrum der ziel aanbrak. Want het is een goddelijk geheim, dat geen mens door eigen verstand kan doorgronden. Ik acht mij zelf daartoe ook niet waardig. Er zouden ook spotters genoeg zijn; de verdorven natuur schaamt zich zeer voor het licht. Ik kan het spreken daarom niet nalaten, want als het goddelijke Licht in de

cirkel van de levensgeboorte aanbreekt, verheugen zich de oei geesten en zien de cirkel des levens hunne moeder terug in de eeuwigheid en ook voor zich uit in de eeuwigheid. Het is geen standvastig wezen of een verklaring van de Oergeesten, nog minder van het dierlijke lichaam, maar het zijn stralen, van 't doorbreken van Gods licht met vurige drang, die door. het zachte water des levens in de liefde opstijgt en in zijn Hemel staan blijft. Daarom kan ik het ook niet verder brengen dan van 't hart tot de hersens voor de vorstelijke stoel der zintuigen. Daar wordt het in de Hemelse vesting opgesloten. Het gaat niet weer door de Oergeesten in de moeder des harten terug, zodat het op de tong zou kunnen komen. Indien dit gebeurde, zou ik het mondeling mededelen en het de wereld aankondigen. Daarom wil ik het in de Hemel laten staan en naar mijn kunnen overschrijven en met verwondering toezien, wat er toch gebeuren gaat. Ik kan het in de Oergeesten niet genoeg begrijpen, omdat zij in de angstige kamer staan. Met mijn ziel zie ik het niet, maar de Hemelse vesting is ertussen, waarin zich de ziel verheugt, en daar zelf haar stralen van Gods licht ontvangt; daarom gaat door alles het licht door de Hemelse vesting als bij een onweer, maar zeer zacht, als een lieflijke vreugde. Ik kan in de bevattelijkheid van mijn instaande Oergeesten, of in de cirkel van het leven niets anders zien, dan dat de dag aanbreekt. Daarom wil ik naar dit weten schrijven, al zou nu de duivel de wereld instormen; en dat kan hij toch niet. Hier wordt hem ook zijn zandloper getoond. Dus gij genadezoekers, die ge meent te zijn, U gaat liet aan, gij die het eenvoudige geloof goed vindt voor een dwaze, gij hebt lang voor deze deur gedanst en U op de Schrift beroepen, maar God heeft enkele mensen in 't moederlijf uit genade tot het Hemelrijk verkoren en andere verstoten. Maak U nu veel massa's, waaruit andere mensen van andere inhoud kunnen groeien, zo kan U recht geschieden. Uit de enkele massa kunt ge niet meer dan een liefde Gods maken, die door de eerste mensen heen door allen dringt. God geve, Petrus of Paulus hebben niet anders geschreven, zo kijkt toch naar 't hart. Als ge 't hart maar vangt, dan hebt ge grond genoeg. Als God mij nog een tijd laat leven, wil ik U de genadekeuze van de heilige Paulus wel wijzen.

HOOFDSTUK XXVII.
Ik maak de God-liefhebbende lezer bekend, dat dit boek “Aurora” niet af is gekomen; want de duivel dacht zich daar uit te spinnen, daar hij zag,

dat de dag daarin zou aanbreken. Ook heeft de dag het morgenrood reeds ingehaald, zodat het bijna licht is geworden. Nog wel enige dertigtallen vellen horen erbij. Daar de storm het heeft afgebroken, is het niet klaar gekomen. Intussen is het dag geworden, zodat het morgenrood voorbij is. En sedert die tijd is aan de dag gewerkt! Het zal ook altijd zo staan blijven, tot een eeuwige gedachtenis, omdat het ontbrekende in de andere boeken is aangevuld. Jac. B. 162O.