Important Verbs

zijn (to be) present I ik ben you je bent he hij is we we zijn you jullie zijn they ze zijn future I ik zal zijn you je zult zijn he hij zal zijn we we zullen zijn you jullie zullen zijn they ze zullen zijn hebben (to have) present I ik heb you je hebt he hij heeft we we hebben you jullie hebben they ze hebben future I ik zal hebben you je zult hebben he hij zal hebben we we zullen hebben you jullie zullen hebben they ze zullen hebben zullen (shall, will) present I ik zal you je zult he hij zal we we zullen you jullie zullen they ze zullen past ik was je was hij was we waren jullie waren ze waren conditional ik zou zijn je zou zijn hij zou zijn we zouden zijn jullie zouden zijn ze zouden zijn present perfect ik ben geweest je bent geweest hij is geweest we zijn geweest jullie zijn geweest ze zijn geweest future perfect ik zal zijn geweest je zult zijn geweest hij zal zijn geweest we zullen zijn geweest jullie zullen zijn geweest ze zullen zijn geweest past perfect ik was geweest je was geweest hij was geweest we waren geweest jullie waren geweest ze waren geweest conditional perfect ik zou zijn geweest je zou zijn geweest hij zou zijn geweest we zouden zijn geweest jullie zouden zijn geweest ze zouden zijn geweest

past ik had je had hij had we hadden jullie hadden ze hadden conditional ik zou hebben je zou hebben hij zou hebben we zouden hebben jullie zouden hebben ze zouden hebben

present perfect ik heb gehad je hebt gehad hij heeft gehad we hebben gehad jullie hebben gehad ze hebben gehad future perfect ik zal hebben gehad je zult hebben gehad hij zal hebben gehad we zullen hebben gehad jullie zullen hebben gehad ze zullen hebben gehad

past perfect ik had gehad je had gehad hij had gehad we hadden gehad jullie hadden gehad ze hadden gehad conditional perfect ik zou hebben gehad je zou hebben gehad hij zou hebben gehad we zouden hebben gehad jullie zouden hebben gehad ze zouden hebben gehad

past ik zou je zou hij zou we zouden jullie zouden ze zouden

Other Verbs
aankomen (to arrive) present I ik kom aan you je komt aan he hij komt aan we we komen aan you jullie komen aan they ze komen aan future I ik zal aankomen you je zult aankomen he hij zal aankomen we we zullen aankomen you jullie zullen aankomen they ze zullen aankomen beginnen (to begin) present I ik begin you je begint he hij begint we we beginnen you jullie beginnen they ze beginnen past ik kwam aan je kwam aan hij kwam aan we kwamen aan jullie kwamen aan ze kwamen aan conditional ik zou aankomen je zou aankomen hij zou aankomen we zouden aankomen jullie zouden aankomen ze zouden aankomen present perfect ik ben aangekomen je bent aangekomen hij is aangekomen we zijn aangekomen jullie zijn aangekomen ze zijn aangekomen future perfect ik zal zijn aangekomen je zult zijn aangekomen hij zal zijn aangekomen we zullen zijn aangekomen jullie zullen zijn aangekomen ze zullen zijn aangekomen past perfect ik was aangekomen je was aangekomen hij was aangekomen we waren aangekomen jullie waren aangekomen ze waren aangekomen conditional perfect ik zou zijn aangekomen je zou zijn aangekomen hij zou zijn aangekomen we zouden zijn aangekomen jullie zouden zijn aangekomen ze zouden zijn aangekomen

past ik begon je begon hij begon we begonnen jullie begonnen ze begonnen

present perfect ik ben begonnen je bent begonnen hij is begonnen we zijn begonnen jullie zijn begonnen ze zijn begonnen

past perfect ik was begonnen je was begonnen hij was begonnen we waren begonnen jullie waren begonnen ze waren begonnen

I you he we you they

future ik zal beginnen je zult beginnen hij zal beginnen we zullen beginnen jullie zullen beginnen ze zullen beginnen

conditional ik zou beginnen je zou beginnen hij zou beginnen we zouden beginnen jullie zouden beginnen ze zouden beginnen

future perfect ik zal zijn begonnen je zult zijn begonnen hij zal zijn begonnen we zullen zijn begonnen jullie zullen zijn begonnen ze zullen zijn begonnen

conditional perfect ik zou zijn begonnen je zou zijn begonnen hij zou zijn begonnen we zouden zijn begonnen jullie zouden zijn begonnen ze zouden zijn begonnen

begrijpen (to understand) present I ik begrijp you je begrijpt he hij begrijpt we we begrijpen you jullie begrijpen they ze begrijpen future I ik zal begrijpen you je zult begrijpen he hij zal begrijpen we we zullen begrijpen you jullie zullen begrijpen they ze zullen begrijpen bellen (to call (by phone)) present I ik bel you je belt he hij belt we we bellen you jullie bellen they ze bellen future I ik zal bellen you je zult bellen he hij zal bellen we we zullen bellen you jullie zullen bellen they ze zullen bellen bereiken (to reach) present I ik bereik you je bereikt he hij bereikt we we bereiken you jullie bereiken they ze bereiken future I ik zal bereiken you je zult bereiken he hij zal bereiken we we zullen bereiken you jullie zullen bereiken they ze zullen bereiken beschermen (to protect) present I ik bescherm you je beschermt he hij beschermt we we beschermen you jullie beschermen they ze beschermen future I ik zal beschermen you je zult beschermen he hij zal beschermen we we zullen beschermen you jullie zullen beschermen

past ik begreep je begreep hij begreep we begrepen jullie begrepen ze begrepen conditional ik zou begrijpen je zou begrijpen hij zou begrijpen we zouden begrijpen jullie zouden begrijpen ze zouden begrijpen

present perfect ik heb begrepen je hebt begrepen hij heeft begrepen we hebben begrepen jullie hebben begrepen ze hebben begrepen future perfect ik zal hebben begrepen je zult hebben begrepen hij zal hebben begrepen we zullen hebben begrepen jullie zullen hebben begrepen ze zullen hebben begrepen

past perfect ik had begrepen je had begrepen hij had begrepen we hadden begrepen jullie hadden begrepen ze hadden begrepen conditional perfect ik zou hebben begrepen je zou hebben begrepen hij zou hebben begrepen we zouden hebben begrepen jullie zouden hebben begrepen ze zouden hebben begrepen

past ik belde je belde hij belde we belden jullie belden ze belden conditional ik zou bellen je zou bellen hij zou bellen we zouden bellen jullie zouden bellen ze zouden bellen

present perfect ik heb gebeld je hebt gebeld hij heeft gebeld we hebben gebeld jullie hebben gebeld ze hebben gebeld future perfect ik zal hebben gebeld je zult hebben gebeld hij zal hebben gebeld we zullen hebben gebeld jullie zullen hebben gebeld ze zullen hebben gebeld

past perfect ik had gebeld je had gebeld hij had gebeld we hadden gebeld jullie hadden gebeld ze hadden gebeld conditional perfect ik zou hebben gebeld je zou hebben gebeld hij zou hebben gebeld we zouden hebben gebeld jullie zouden hebben gebeld ze zouden hebben gebeld

past ik bereikte je bereikte hij bereikte we bereikten jullie bereikten ze bereikten conditional ik zou bereiken je zou bereiken hij zou bereiken we zouden bereiken jullie zouden bereiken ze zouden bereiken

present perfect ik heb bereikt je hebt bereikt hij heeft bereikt we hebben bereikt jullie hebben bereikt ze hebben bereikt future perfect ik zal hebben bereikt je zult hebben bereikt hij zal hebben bereikt we zullen hebben bereikt jullie zullen hebben bereikt ze zullen hebben bereikt

past perfect ik had bereikt je had bereikt hij had bereikt we hadden bereikt jullie hadden bereikt ze hadden bereikt conditional perfect ik zou hebben bereikt je zou hebben bereikt hij zou hebben bereikt we zouden hebben bereikt jullie zouden hebben bereikt ze zouden hebben bereikt

past ik beschermde je beschermde hij beschermde we beschermden jullie beschermden ze beschermden conditional ik zou beschermen je zou beschermen hij zou beschermen we zouden beschermen jullie zouden beschermen

present perfect ik heb beschermd je hebt beschermd hij heeft beschermd we hebben beschermd jullie hebben beschermd ze hebben beschermd future perfect ik zal hebben beschermd je zult hebben beschermd hij zal hebben beschermd we zullen hebben beschermd jullie zullen hebben beschermd

past perfect ik had beschermd je had beschermd hij had beschermd we hadden beschermd jullie hadden beschermd ze hadden beschermd conditional perfect ik zou hebben beschermd je zou hebben beschermd hij zou hebben beschermd we zouden hebben beschermd jullie zouden hebben beschermd

they ze zullen beschermen betalen (to pay) present I ik betaal you je betaalt he hij betaalt we we betalen you jullie betalen they ze betalen future I ik zal betalen you je zult betalen he hij zal betalen we we zullen betalen you jullie zullen betalen they ze zullen betalen bezoeken (to visit) present I ik bezoek you je bezoekt he hij bezoekt we we bezoeken you jullie bezoeken they ze bezoeken future I ik zal bezoeken you je zult bezoeken he hij zal bezoeken we we zullen bezoeken you jullie zullen bezoeken they ze zullen bezoeken bidden (to pray) present I ik bid you je bidt he hij bidt we we bidden you jullie bidden they ze bidden future I ik zal bidden you je zult bidden he hij zal bidden we we zullen bidden you jullie zullen bidden they ze zullen bidden blijven (to stay) present I ik blijf you je blijft he hij blijft we we blijven you jullie blijven they ze blijven future I ik zal blijven you je zult blijven he hij zal blijven we we zullen blijven you jullie zullen blijven they ze zullen blijven brengen (to bring) present I ik breng you je brengt

ze zouden beschermen

ze zullen hebben beschermd

ze zouden hebben beschermd

past ik betaalde je betaalde hij betaalde we betaalden jullie betaalden ze betaalden conditional ik zou betalen je zou betalen hij zou betalen we zouden betalen jullie zouden betalen ze zouden betalen

present perfect ik heb betaald je hebt betaald hij heeft betaald we hebben betaald jullie hebben betaald ze hebben betaald future perfect ik zal hebben betaald je zult hebben betaald hij zal hebben betaald we zullen hebben betaald jullie zullen hebben betaald ze zullen hebben betaald

past perfect ik had betaald je had betaald hij had betaald we hadden betaald jullie hadden betaald ze hadden betaald conditional perfect ik zou hebben betaald je zou hebben betaald hij zou hebben betaald we zouden hebben betaald jullie zouden hebben betaald ze zouden hebben betaald

past ik bezocht je bezocht hij bezocht we bezochten jullie bezochten ze bezochten conditional ik zou bezoeken je zou bezoeken hij zou bezoeken we zouden bezoeken jullie zouden bezoeken ze zouden bezoeken

present perfect ik heb bezocht je hebt bezocht hij heeft bezocht we hebben bezocht jullie hebben bezocht ze hebben bezocht future perfect ik zal hebben bezocht je zult hebben bezocht hij zal hebben bezocht we zullen hebben bezocht jullie zullen hebben bezocht ze zullen hebben bezocht

past perfect ik had bezocht je had bezocht hij had bezocht we hadden bezocht jullie hadden bezocht ze hadden bezocht conditional perfect ik zou hebben bezocht je zou hebben bezocht hij zou hebben bezocht we zouden hebben bezocht jullie zouden hebben bezocht ze zouden hebben bezocht

past ik bad je bad hij bad we baden jullie baden ze baden conditional ik zou bidden je zou bidden hij zou bidden we zouden bidden jullie zouden bidden ze zouden bidden

present perfect ik heb gebeden je hebt gebeden hij heeft gebeden we hebben gebeden jullie hebben gebeden ze hebben gebeden future perfect ik zal hebben gebeden je zult hebben gebeden hij zal hebben gebeden we zullen hebben gebeden jullie zullen hebben gebeden ze zullen hebben gebeden

past perfect ik had gebeden je had gebeden hij had gebeden we hadden gebeden jullie hadden gebeden ze hadden gebeden conditional perfect ik zou hebben gebeden je zou hebben gebeden hij zou hebben gebeden we zouden hebben gebeden jullie zouden hebben gebeden ze zouden hebben gebeden

past ik bleef je bleef hij bleef we bleven jullie bleven ze bleven conditional ik zou blijven je zou blijven hij zou blijven we zouden blijven jullie zouden blijven ze zouden blijven

present perfect ik ben gebleven je bent gebleven hij is gebleven we zijn gebleven jullie zijn gebleven ze zijn gebleven future perfect ik zal zijn gebleven je zult zijn gebleven hij zal zijn gebleven we zullen zijn gebleven jullie zullen zijn gebleven ze zullen zijn gebleven

past perfect ik was gebleven je was gebleven hij was gebleven we waren gebleven jullie waren gebleven ze waren gebleven conditional perfect ik zou zijn gebleven je zou zijn gebleven hij zou zijn gebleven we zouden zijn gebleven jullie zouden zijn gebleven ze zouden zijn gebleven

past ik bracht je bracht

present perfect ik heb gebracht je hebt gebracht

past perfect ik had gebracht je had gebracht

he we you they hij brengt we brengen jullie brengen ze brengen future I ik zal brengen you je zult brengen he hij zal brengen we we zullen brengen you jullie zullen brengen they ze zullen brengen denken (to think) present I ik denk you je denkt he hij denkt we we denken you jullie denken they ze denken future I ik zal denken you je zult denken he hij zal denken we we zullen denken you jullie zullen denken they ze zullen denken doen (to do) present I ik doe you je doet he hij doet we we doen you jullie doen they ze doen future I ik zal doen you je zult doen he hij zal doen we we zullen doen you jullie zullen doen they ze zullen doen dragen (to carry) present I ik draag you je draagt he hij draagt we we dragen you jullie dragen they ze dragen future I ik zal dragen you je zult dragen he hij zal dragen we we zullen dragen you jullie zullen dragen they ze zullen dragen drinken (to drink) present I ik drink you je drinkt he hij drinkt we we drinken you jullie drinken they ze drinken future I ik zal drinken hij bracht we brachten jullie brachten ze brachten conditional ik zou brengen je zou brengen hij zou brengen we zouden brengen jullie zouden brengen ze zouden brengen hij heeft gebracht we hebben gebracht jullie hebben gebracht ze hebben gebracht future perfect ik zal hebben gebracht je zult hebben gebracht hij zal hebben gebracht we zullen hebben gebracht jullie zullen hebben gebracht ze zullen hebben gebracht hij had gebracht we hadden gebracht jullie hadden gebracht ze hadden gebracht conditional perfect ik zou hebben gebracht je zou hebben gebracht hij zou hebben gebracht we zouden hebben gebracht jullie zouden hebben gebracht ze zouden hebben gebracht past ik dacht je dacht hij dacht we dachten jullie dachten ze dachten conditional ik zou denken je zou denken hij zou denken we zouden denken jullie zouden denken ze zouden denken present perfect ik heb gedacht je hebt gedacht hij heeft gedacht we hebben gedacht jullie hebben gedacht ze hebben gedacht future perfect ik zal hebben gedacht je zult hebben gedacht hij zal hebben gedacht we zullen hebben gedacht jullie zullen hebben gedacht ze zullen hebben gedacht past perfect ik had gedacht je had gedacht hij had gedacht we hadden gedacht jullie hadden gedacht ze hadden gedacht conditional perfect ik zou hebben gedacht je zou hebben gedacht hij zou hebben gedacht we zouden hebben gedacht jullie zouden hebben gedacht ze zouden hebben gedacht past ik deed je deed hij deed we deden jullie deden ze deden conditional ik zou doen je zou doen hij zou doen we zouden doen jullie zouden doen ze zouden doen present perfect ik heb gedaan je hebt gedaan hij heeft gedaan we hebben gedaan jullie hebben gedaan ze hebben gedaan future perfect ik zal hebben gedaan je zult hebben gedaan hij zal hebben gedaan we zullen hebben gedaan jullie zullen hebben gedaan ze zullen hebben gedaan past perfect ik had gedaan je had gedaan hij had gedaan we hadden gedaan jullie hadden gedaan ze hadden gedaan conditional perfect ik zou hebben gedaan je zou hebben gedaan hij zou hebben gedaan we zouden hebben gedaan jullie zouden hebben gedaan ze zouden hebben gedaan past ik droeg je droeg hij droeg we droegen jullie droegen ze droegen conditional ik zou dragen je zou dragen hij zou dragen we zouden dragen jullie zouden dragen ze zouden dragen present perfect ik heb gedragen je hebt gedragen hij heeft gedragen we hebben gedragen jullie hebben gedragen ze hebben gedragen future perfect ik zal hebben gedragen je zult hebben gedragen hij zal hebben gedragen we zullen hebben gedragen jullie zullen hebben gedragen ze zullen hebben gedragen past perfect ik had gedragen je had gedragen hij had gedragen we hadden gedragen jullie hadden gedragen ze hadden gedragen conditional perfect ik zou hebben gedragen je zou hebben gedragen hij zou hebben gedragen we zouden hebben gedragen jullie zouden hebben gedragen ze zouden hebben gedragen past ik dronk je dronk hij dronk we dronken jullie dronken ze dronken conditional ik zou drinken present perfect ik heb gedronken je hebt gedronken hij heeft gedronken we hebben gedronken jullie hebben gedronken ze hebben gedronken future perfect ik zal hebben gedronken past perfect ik had gedronken je had gedronken hij had gedronken we hadden gedronken jullie hadden gedronken ze hadden gedronken conditional perfect ik zou hebben gedronken .

you he we you they je zult drinken hij zal drinken we zullen drinken jullie zullen drinken ze zullen drinken je zou drinken hij zou drinken we zouden drinken jullie zouden drinken ze zouden drinken je zult hebben gedronken hij zal hebben gedronken we zullen hebben gedronken jullie zullen hebben gedronken ze zullen hebben gedronken je zou hebben gedronken hij zou hebben gedronken we zouden hebben gedronken jullie zouden hebben gedronken ze zouden hebben gedronken eten (to eat) present I ik eet you je eet he hij eet we we eten you jullie eten they ze eten future I ik zal eten you je zult eten he hij zal eten we we zullen eten you jullie zullen eten they ze zullen eten faxen (to fax) present I ik fax you je faxt he hij faxt we we faxen you jullie faxen they ze faxen future I ik zal faxen you je zult faxen he hij zal faxen we we zullen faxen you jullie zullen faxen they ze zullen faxen gaan (to go) present I ik ga you je gaat he hij gaat we we gaan you jullie gaan they ze gaan future I ik zal gaan you je zult gaan he hij zal gaan we we zullen gaan you jullie zullen gaan they ze zullen gaan gebeuren (to happen) present it het gebeurt future it het zal gebeuren gebruiken (to use) present I ik gebruik you je gebruikt he hij gebruikt we we gebruiken you jullie gebruiken they ze gebruiken future I ik zal gebruiken past ik at je at hij at we aten jullie aten ze aten conditional ik zou eten je zou eten hij zou eten we zouden eten jullie zouden eten ze zouden eten present perfect ik heb gegeten je hebt gegeten hij heeft gegeten we hebben gegeten jullie hebben gegeten ze hebben gegeten future perfect ik zal hebben gegeten je zult hebben gegeten hij zal hebben gegeten we zullen hebben gegeten jullie zullen hebben gegeten ze zullen hebben gegeten past perfect ik had gegeten je had gegeten hij had gegeten we hadden gegeten jullie hadden gegeten ze hadden gegeten conditional perfect ik zou hebben gegeten je zou hebben gegeten hij zou hebben gegeten we zouden hebben gegeten jullie zouden hebben gegeten ze zouden hebben gegeten past ik faxte je faxte hij faxte we faxten jullie faxten ze faxten conditional ik zou faxen je zou faxen hij zou faxen we zouden faxen jullie zouden faxen ze zouden faxen present perfect ik heb gefaxt je hebt gefaxt hij heeft gefaxt we hebben gefaxt jullie hebben gefaxt ze hebben gefaxt future perfect ik zal hebben gefaxt je zult hebben gefaxt hij zal hebben gefaxt we zullen hebben gefaxt jullie zullen hebben gefaxt ze zullen hebben gefaxt past perfect ik had gefaxt je had gefaxt hij had gefaxt we hadden gefaxt jullie hadden gefaxt ze hadden gefaxt conditional perfect ik zou hebben gefaxt je zou hebben gefaxt hij zou hebben gefaxt we zouden hebben gefaxt jullie zouden hebben gefaxt ze zouden hebben gefaxt past ik ging je ging hij ging we gingen jullie gingen ze gingen conditional ik zou gaan je zou gaan hij zou gaan we zouden gaan jullie zouden gaan ze zouden gaan present perfect ik ben gegaan je bent gegaan hij is gegaan we zijn gegaan jullie zijn gegaan ze zijn gegaan future perfect ik zal zijn gegaan je zult zijn gegaan hij zal zijn gegaan we zullen zijn gegaan jullie zullen zijn gegaan ze zullen zijn gegaan past perfect ik was gegaan je was gegaan hij was gegaan we waren gegaan jullie waren gegaan ze waren gegaan conditional perfect ik zou zijn gegaan je zou zijn gegaan hij zou zijn gegaan we zouden zijn gegaan jullie zouden zijn gegaan ze zouden zijn gegaan past het gebeurde conditional het zou gebeuren present perfect het is gebeurd future perfect het zal zijn gebeurd past perfect het was gebeurd conditional perfect het zou zijn gebeurd past ik gebruikte je gebruikte hij gebruikte we gebruikten jullie gebruikten ze gebruikten conditional ik zou gebruiken present perfect ik heb gebruikt je hebt gebruikt hij heeft gebruikt we hebben gebruikt jullie hebben gebruikt ze hebben gebruikt future perfect ik zal hebben gebruikt past perfect ik had gebruikt je had gebruikt hij had gebruikt we hadden gebruikt jullie hadden gebruikt ze hadden gebruikt conditional perfect ik zou hebben gebruikt .

you he we you they je zult gebruiken hij zal gebruiken we zullen gebruiken jullie zullen gebruiken ze zullen gebruiken je zou gebruiken hij zou gebruiken we zouden gebruiken jullie zouden gebruiken ze zouden gebruiken je zult hebben gebruikt hij zal hebben gebruikt we zullen hebben gebruikt jullie zullen hebben gebruikt ze zullen hebben gebruikt je zou hebben gebruikt hij zou hebben gebruikt we zouden hebben gebruikt jullie zouden hebben gebruikt ze zouden hebben gebruikt gehoorzamen (to obey) present I ik gehoorzaam you je gehoorzaamt he hij gehoorzaamt we we gehoorzamen you jullie gehoorzamen they ze gehoorzamen future I ik zal gehoorzamen you je zult gehoorzamen he hij zal gehoorzamen we we zullen gehoorzamen you jullie zullen gehoorzamen they ze zullen gehoorzamen geloven (to believe) present I ik geloof you je gelooft he hij gelooft we we geloven you jullie geloven they ze geloven future I ik zal geloven you je zult geloven he hij zal geloven we we zullen geloven you jullie zullen geloven they ze zullen geloven genieten (to enjoy) present I ik geniet you je geniet he hij geniet we we genieten you jullie genieten they ze genieten future I ik zal genieten you je zult genieten he hij zal genieten we we zullen genieten you jullie zullen genieten they ze zullen genieten geven (to give) present I ik geef you je geeft he hij geeft we we geven you jullie geven they ze geven future I ik zal geven you je zult geven he hij zal geven we we zullen geven you jullie zullen geven they ze zullen geven past ik gehoorzaamde je gehoorzaamde hij gehoorzaamde we gehoorzaamden jullie gehoorzaamden ze gehoorzaamden conditional ik zou gehoorzamen je zou gehoorzamen hij zou gehoorzamen we zouden gehoorzamen jullie zouden gehoorzamen ze zouden gehoorzamen present perfect ik heb gehoorzaamd je hebt gehoorzaamd hij heeft gehoorzaamd we hebben gehoorzaamd jullie hebben gehoorzaamd ze hebben gehoorzaamd future perfect ik zal hebben gehoorzaamd je zult hebben gehoorzaamd hij zal hebben gehoorzaamd we zullen hebben gehoorzaamd jullie zullen hebben gehoorzaamd ze zullen hebben gehoorzaamd past perfect ik had gehoorzaamd je had gehoorzaamd hij had gehoorzaamd we hadden gehoorzaamd jullie hadden gehoorzaamd ze hadden gehoorzaamd conditional perfect ik zou hebben gehoorzaamd je zou hebben gehoorzaamd hij zou hebben gehoorzaamd we zouden hebben gehoorzaamd jullie zouden hebben gehoorzaamd ze zouden hebben gehoorzaamd past ik geloofde je geloofde hij geloofde we geloofden jullie geloofden ze geloofden conditional ik zou geloven je zou geloven hij zou geloven we zouden geloven jullie zouden geloven ze zouden geloven present perfect ik heb geloofd je hebt geloofd hij heeft geloofd we hebben geloofd jullie hebben geloofd ze hebben geloofd future perfect ik zal hebben geloofd je zult hebben geloofd hij zal hebben geloofd we zullen hebben geloofd jullie zullen hebben geloofd ze zullen hebben geloofd past perfect ik had geloofd je had geloofd hij had geloofd we hadden geloofd jullie hadden geloofd ze hadden geloofd conditional perfect ik zou hebben geloofd je zou hebben geloofd hij zou hebben geloofd we zouden hebben geloofd jullie zouden hebben geloofd ze zouden hebben geloofd past ik genoot je genoot hij genoot we genoten jullie genoten ze genoten conditional ik zou genieten je zou genieten hij zou genieten we zouden genieten jullie zouden genieten ze zouden genieten present perfect ik heb genoten je hebt genoten hij heeft genoten we hebben genoten jullie hebben genoten ze hebben genoten future perfect ik zal hebben genoten je zult hebben genoten hij zal hebben genoten we zullen hebben genoten jullie zullen hebben genoten ze zullen hebben genoten past perfect ik had genoten je had genoten hij had genoten we hadden genoten jullie hadden genoten ze hadden genoten conditional perfect ik zou hebben genoten je zou hebben genoten hij zou hebben genoten we zouden hebben genoten jullie zouden hebben genoten ze zouden hebben genoten past ik gaf je gaf hij gaf we gaven jullie gaven ze gaven conditional ik zou geven je zou geven hij zou geven we zouden geven jullie zouden geven ze zouden geven present perfect ik heb gegeven je hebt gegeven hij heeft gegeven we hebben gegeven jullie hebben gegeven ze hebben gegeven future perfect ik zal hebben gegeven je zult hebben gegeven hij zal hebben gegeven we zullen hebben gegeven jullie zullen hebben gegeven ze zullen hebben gegeven past perfect ik had gegeven je had gegeven hij had gegeven we hadden gegeven jullie hadden gegeven ze hadden gegeven conditional perfect ik zou hebben gegeven je zou hebben gegeven hij zou hebben gegeven we zouden hebben gegeven jullie zouden hebben gegeven ze zouden hebben gegeven .

to glide) present I ik glijd you je glijdt he hij glijdt we we glijden you jullie glijden they ze glijden future I ik zal glijden you je zult glijden he hij zal glijden we we zullen glijden you jullie zullen glijden they ze zullen glijden gooien (to throw) present I ik gooi you je gooit he hij gooit we we gooien you jullie gooien they ze gooien future I ik zal gooien you je zult gooien he hij zal gooien we we zullen gooien you jullie zullen gooien they ze zullen gooien halen (to fetch.glijden (to slide. to get) present I ik haal you je haalt he hij haalt we we halen you jullie halen they ze halen future I ik zal halen you je zult halen he hij zal halen we we zullen halen you jullie zullen halen they ze zullen halen hangen (to hang) present I ik hang you je hangt he hij hangt we we hangen you jullie hangen they ze hangen future I ik zal hangen you je zult hangen he hij zal hangen we we zullen hangen you jullie zullen hangen they ze zullen hangen helpen (to help) present I ik help you je helpt he hij helpt we we helpen past ik gleed je gleed hij gleed we gleden jullie gleden ze gleden conditional ik zou glijden je zou glijden hij zou glijden we zouden glijden jullie zouden glijden ze zouden glijden present perfect ik ben gegleden je bent gegleden hij is gegleden we zijn gegleden jullie zijn gegleden ze zijn gegleden future perfect ik zal zijn gegleden je zult zijn gegleden hij zal zijn gegleden we zullen zijn gegleden jullie zullen zijn gegleden ze zullen zijn gegleden past perfect ik was gegleden je was gegleden hij was gegleden we waren gegleden jullie waren gegleden ze waren gegleden conditional perfect ik zou zijn gegleden je zou zijn gegleden hij zou zijn gegleden we zouden zijn gegleden jullie zouden zijn gegleden ze zouden zijn gegleden past ik gooide je gooide hij gooide we gooiden jullie gooiden ze gooiden conditional ik zou gooien je zou gooien hij zou gooien we zouden gooien jullie zouden gooien ze zouden gooien present perfect ik heb gegooid je hebt gegooid hij heeft gegooid we hebben gegooid jullie hebben gegooid ze hebben gegooid future perfect ik zal hebben gegooid je zult hebben gegooid hij zal hebben gegooid we zullen hebben gegooid jullie zullen hebben gegooid ze zullen hebben gegooid past perfect ik had gegooid je had gegooid hij had gegooid we hadden gegooid jullie hadden gegooid ze hadden gegooid conditional perfect ik zou hebben gegooid je zou hebben gegooid hij zou hebben gegooid we zouden hebben gegooid jullie zouden hebben gegooid ze zouden hebben gegooid past ik haalde je haalde hij haalde we haalden jullie haalden ze haalden conditional ik zou halen je zou halen hij zou halen we zouden halen jullie zouden halen ze zouden halen present perfect ik heb gehaald je hebt gehaald hij heeft gehaald we hebben gehaald jullie hebben gehaald ze hebben gehaald future perfect ik zal hebben gehaald je zult hebben gehaald hij zal hebben gehaald we zullen hebben gehaald jullie zullen hebben gehaald ze zullen hebben gehaald past perfect ik had gehaald je had gehaald hij had gehaald we hadden gehaald jullie hadden gehaald ze hadden gehaald conditional perfect ik zou hebben gehaald je zou hebben gehaald hij zou hebben gehaald we zouden hebben gehaald jullie zouden hebben gehaald ze zouden hebben gehaald past ik hing je hing hij hing we hingen jullie hingen ze hingen conditional ik zou hangen je zou hangen hij zou hangen we zouden hangen jullie zouden hangen ze zouden hangen present perfect ik heb gehangen je hebt gehangen hij heeft gehangen we hebben gehangen jullie hebben gehangen ze hebben gehangen future perfect ik zal hebben gehangen je zult hebben gehangen hij zal hebben gehangen we zullen hebben gehangen jullie zullen hebben gehangen ze zullen hebben gehangen past perfect ik had gehangen je had gehangen hij had gehangen we hadden gehangen jullie hadden gehangen ze hadden gehangen conditional perfect ik zou hebben gehangen je zou hebben gehangen hij zou hebben gehangen we zouden hebben gehangen jullie zouden hebben gehangen ze zouden hebben gehangen past ik hielp je hielp hij hielp we hielpen present perfect ik heb geholpen je hebt geholpen hij heeft geholpen we hebben geholpen past perfect ik had geholpen je had geholpen hij had geholpen we hadden geholpen .

to belong) present I ik hoor you je hoort he hij hoort we we horen you jullie horen they ze horen future I ik zal horen you je zult horen he hij zal horen we we zullen horen you jullie zullen horen they ze zullen horen houden (to keep) present I ik houd you je houdt he hij houdt we we houden you jullie houden they ze houden future I ik zal houden you je zult houden he hij zal houden we we zullen houden you jullie zullen houden they ze zullen houden huilen (to cry) present I ik huil you je huilt he hij huilt we we huilen you jullie huilen they ze huilen future I ik zal huilen you je zult huilen he hij zal huilen jullie hielpen ze hielpen conditional ik zou helpen je zou helpen hij zou helpen we zouden helpen jullie zouden helpen ze zouden helpen jullie hebben geholpen ze hebben geholpen future perfect ik zal hebben geholpen je zult hebben geholpen hij zal hebben geholpen we zullen hebben geholpen jullie zullen hebben geholpen ze zullen hebben geholpen jullie hadden geholpen ze hadden geholpen conditional perfect ik zou hebben geholpen je zou hebben geholpen hij zou hebben geholpen we zouden hebben geholpen jullie zouden hebben geholpen ze zouden hebben geholpen past ik herkende je herkende hij herkende we herkenden jullie herkenden ze herkenden conditional ik zou herkennen je zou herkennen hij zou herkennen we zouden herkennen jullie zouden herkennen ze zouden herkennen present perfect ik heb herkend je hebt herkend hij heeft herkend we hebben herkend jullie hebben herkend ze hebben herkend future perfect ik zal hebben herkend je zult hebben herkend hij zal hebben herkend we zullen hebben herkend jullie zullen hebben herkend ze zullen hebben herkend past perfect ik had herkend je had herkend hij had herkend we hadden herkend jullie hadden herkend ze hadden herkend conditional perfect ik zou hebben herkend je zou hebben herkend hij zou hebben herkend we zouden hebben herkend jullie zouden hebben herkend ze zouden hebben herkend past ik hoorde je hoorde hij hoorde we hoorden jullie hoorden ze hoorden conditional ik zou horen je zou horen hij zou horen we zouden horen jullie zouden horen ze zouden horen present perfect ik heb gehoord je hebt gehoord hij heeft gehoord we hebben gehoord jullie hebben gehoord ze hebben gehoord future perfect ik zal hebben gehoord je zult hebben gehoord hij zal hebben gehoord we zullen hebben gehoord jullie zullen hebben gehoord ze zullen hebben gehoord past perfect ik had gehoord je had gehoord hij had gehoord we hadden gehoord jullie hadden gehoord ze hadden gehoord conditional perfect ik zou hebben gehoord je zou hebben gehoord hij zou hebben gehoord we zouden hebben gehoord jullie zouden hebben gehoord ze zouden hebben gehoord past ik hield je hield hij hield we hielden jullie hielden ze hielden conditional ik zou houden je zou houden hij zou houden we zouden houden jullie zouden houden ze zouden houden present perfect ik heb gehouden je hebt gehouden hij heeft gehouden we hebben gehouden jullie hebben gehouden ze hebben gehouden future perfect ik zal hebben gehouden je zult hebben gehouden hij zal hebben gehouden we zullen hebben gehouden jullie zullen hebben gehouden ze zullen hebben gehouden past perfect ik had gehouden je had gehouden hij had gehouden we hadden gehouden jullie hadden gehouden ze hadden gehouden conditional perfect ik zou hebben gehouden je zou hebben gehouden hij zou hebben gehouden we zouden hebben gehouden jullie zouden hebben gehouden ze zouden hebben gehouden past ik huilde je huilde hij huilde we huilden jullie huilden ze huilden conditional ik zou huilen je zou huilen hij zou huilen present perfect ik heb gehuild je hebt gehuild hij heeft gehuild we hebben gehuild jullie hebben gehuild ze hebben gehuild future perfect ik zal hebben gehuild je zult hebben gehuild hij zal hebben gehuild past perfect ik had gehuild je had gehuild hij had gehuild we hadden gehuild jullie hadden gehuild ze hadden gehuild conditional perfect ik zou hebben gehuild je zou hebben gehuild hij zou hebben gehuild .you jullie helpen they ze helpen future I ik zal helpen you je zult helpen he hij zal helpen we we zullen helpen you jullie zullen helpen they ze zullen helpen herkennen (to recognize) present I ik herken you je herkent he hij herkent we we herkennen you jullie herkennen they ze herkennen future I ik zal herkennen you je zult herkennen he hij zal herkennen we we zullen herkennen you jullie zullen herkennen they ze zullen herkennen horen (to hear.

we we zullen huilen you jullie zullen huilen they ze zullen huilen we zouden huilen jullie zouden huilen ze zouden huilen we zullen hebben gehuild jullie zullen hebben gehuild ze zullen hebben gehuild we zouden hebben gehuild jullie zouden hebben gehuild ze zouden hebben gehuild kennen (to know. to be acquainted with) present past I ik ken ik kende you je kent je kende he hij kent hij kende we we kennen we kenden you jullie kennen jullie kenden they ze kennen ze kenden future conditional I ik zal kennen ik zou kennen you je zult kennen je zou kennen he hij zal kennen hij zou kennen we we zullen kennen we zouden kennen you jullie zullen kennen jullie zouden kennen they ze zullen kennen ze zouden kennen kiezen (to choose) present I ik kies you je kiest he hij kiest we we kiezen you jullie kiezen they ze kiezen future I ik zal kiezen you je zult kiezen he hij zal kiezen we we zullen kiezen you jullie zullen kiezen they ze zullen kiezen kijken (to look) present I ik kijk you je kijkt he hij kijkt we we kijken you jullie kijken they ze kijken future I ik zal kijken you je zult kijken he hij zal kijken we we zullen kijken you jullie zullen kijken they ze zullen kijken komen (to come) present I ik kom you je komt he hij komt we we komen you jullie komen they ze komen future I ik zal komen you je zult komen he hij zal komen we we zullen komen you jullie zullen komen they ze zullen komen kopen (to buy) present present perfect ik heb gekend je hebt gekend hij heeft gekend we hebben gekend jullie hebben gekend ze hebben gekend future perfect ik zal hebben gekend je zult hebben gekend hij zal hebben gekend we zullen hebben gekend jullie zullen hebben gekend ze zullen hebben gekend past perfect ik had gekend je had gekend hij had gekend we hadden gekend jullie hadden gekend ze hadden gekend conditional perfect ik zou hebben gekend je zou hebben gekend hij zou hebben gekend we zouden hebben gekend jullie zouden hebben gekend ze zouden hebben gekend past ik koos je koos hij koos we kozen jullie kozen ze kozen conditional ik zou kiezen je zou kiezen hij zou kiezen we zouden kiezen jullie zouden kiezen ze zouden kiezen present perfect ik heb gekozen je hebt gekozen hij heeft gekozen we hebben gekozen jullie hebben gekozen ze hebben gekozen future perfect ik zal hebben gekozen je zult hebben gekozen hij zal hebben gekozen we zullen hebben gekozen jullie zullen hebben gekozen ze zullen hebben gekozen past perfect ik had gekozen je had gekozen hij had gekozen we hadden gekozen jullie hadden gekozen ze hadden gekozen conditional perfect ik zou hebben gekozen je zou hebben gekozen hij zou hebben gekozen we zouden hebben gekozen jullie zouden hebben gekozen ze zouden hebben gekozen past ik keek je keek hij keek we keken jullie keken ze keken conditional ik zou kijken je zou kijken hij zou kijken we zouden kijken jullie zouden kijken ze zouden kijken present perfect ik heb gekeken je hebt gekeken hij heeft gekeken we hebben gekeken jullie hebben gekeken ze hebben gekeken future perfect ik zal hebben gekeken je zult hebben gekeken hij zal hebben gekeken we zullen hebben gekeken jullie zullen hebben gekeken ze zullen hebben gekeken past perfect ik had gekeken je had gekeken hij had gekeken we hadden gekeken jullie hadden gekeken ze hadden gekeken conditional perfect ik zou hebben gekeken je zou hebben gekeken hij zou hebben gekeken we zouden hebben gekeken jullie zouden hebben gekeken ze zouden hebben gekeken past ik kwam je kwam hij kwam we kwamen jullie kwamen ze kwamen conditional ik zou komen je zou komen hij zou komen we zouden komen jullie zouden komen ze zouden komen present perfect ik ben gekomen je bent gekomen hij is gekomen we zijn gekomen jullie zijn gekomen ze zijn gekomen future perfect ik zal zijn gekomen je zult zijn gekomen hij zal zijn gekomen we zullen zijn gekomen jullie zullen zijn gekomen ze zullen zijn gekomen past perfect ik was gekomen je was gekomen hij was gekomen we waren gekomen jullie waren gekomen ze waren gekomen conditional perfect ik zou zijn gekomen je zou zijn gekomen hij zou zijn gekomen we zouden zijn gekomen jullie zouden zijn gekomen ze zouden zijn gekomen past present perfect past perfect .

I you he we you they ik koop je koopt hij koopt we kopen jullie kopen ze kopen future I ik zal kopen you je zult kopen he hij zal kopen we we zullen kopen you jullie zullen kopen they ze zullen kopen kosten (to cost) present I ik kost you je kost he hij kost we we kosten you jullie kosten they ze kosten future I ik zal kosten you je zult kosten he hij zal kosten we we zullen kosten you jullie zullen kosten they ze zullen kosten krijgen (to receive. to get) present I ik krijg you je krijgt he hij krijgt we we krijgen you jullie krijgen they ze krijgen future I ik zal krijgen you je zult krijgen he hij zal krijgen we we zullen krijgen you jullie zullen krijgen they ze zullen krijgen kunnen (can) present I ik kan you je kunt he hij kan we we kunnen you jullie kunnen they ze kunnen future I ik zal kunnen you je zult kunnen he hij zal kunnen we we zullen kunnen you jullie zullen kunnen they ze zullen kunnen kussen (to kiss) present I ik kus you je kust he hij kust we we kussen you jullie kussen they ze kussen ik kocht je kocht hij kocht we kochten jullie kochten ze kochten conditional ik zou kopen je zou kopen hij zou kopen we zouden kopen jullie zouden kopen ze zouden kopen ik heb gekocht je hebt gekocht hij heeft gekocht we hebben gekocht jullie hebben gekocht ze hebben gekocht future perfect ik zal hebben gekocht je zult hebben gekocht hij zal hebben gekocht we zullen hebben gekocht jullie zullen hebben gekocht ze zullen hebben gekocht ik had gekocht je had gekocht hij had gekocht we hadden gekocht jullie hadden gekocht ze hadden gekocht conditional perfect ik zou hebben gekocht je zou hebben gekocht hij zou hebben gekocht we zouden hebben gekocht jullie zouden hebben gekocht ze zouden hebben gekocht past ik kostte je kostte hij kostte we kostten jullie kostten ze kostten conditional ik zou kosten je zou kosten hij zou kosten we zouden kosten jullie zouden kosten ze zouden kosten present perfect ik heb gekost je hebt gekost hij heeft gekost we hebben gekost jullie hebben gekost ze hebben gekost future perfect ik zal hebben gekost je zult hebben gekost hij zal hebben gekost we zullen hebben gekost jullie zullen hebben gekost ze zullen hebben gekost past perfect ik had gekost je had gekost hij had gekost we hadden gekost jullie hadden gekost ze hadden gekost conditional perfect ik zou hebben gekost je zou hebben gekost hij zou hebben gekost we zouden hebben gekost jullie zouden hebben gekost ze zouden hebben gekost past ik kreeg je kreeg hij kreeg we kregen jullie kregen ze kregen conditional ik zou krijgen je zou krijgen hij zou krijgen we zouden krijgen jullie zouden krijgen ze zouden krijgen present perfect ik heb gekregen je hebt gekregen hij heeft gekregen we hebben gekregen jullie hebben gekregen ze hebben gekregen future perfect ik zal hebben gekregen je zult hebben gekregen hij zal hebben gekregen we zullen hebben gekregen jullie zullen hebben gekregen ze zullen hebben gekregen past perfect ik had gekregen je had gekregen hij had gekregen we hadden gekregen jullie hadden gekregen ze hadden gekregen conditional perfect ik zou hebben gekregen je zou hebben gekregen hij zou hebben gekregen we zouden hebben gekregen jullie zouden hebben gekregen ze zouden hebben gekregen past ik kon je kon hij kon we konden jullie konden ze konden conditional ik zou kunnen je zou kunnen hij zou kunnen we zouden kunnen jullie zouden kunnen ze zouden kunnen present perfect ik heb gekund je hebt gekund hij heeft gekund we hebben gekund jullie hebben gekund ze hebben gekund future perfect ik zal hebben gekund je zult hebben gekund hij zal hebben gekund we zullen hebben gekund jullie zullen hebben gekund ze zullen hebben gekund past perfect ik had gekund je had gekund hij had gekund we hadden gekund jullie hadden gekund ze hadden gekund conditional perfect ik zou hebben gekund je zou hebben gekund hij zou hebben gekund we zouden hebben gekund jullie zouden hebben gekund ze zouden hebben gekund past ik kuste je kuste hij kuste we kusten jullie kusten ze kusten present perfect ik heb gekust je hebt gekust hij heeft gekust we hebben gekust jullie hebben gekust ze hebben gekust past perfect ik had gekust je had gekust hij had gekust we hadden gekust jullie hadden gekust ze hadden gekust .

to have done) present I ik laat you je laat he hij laat we we laten you jullie laten they ze laten future I ik zal laten you je zult laten he hij zal laten we we zullen laten you jullie zullen laten they ze zullen laten leggen (to lay) present I ik leg you je legt he hij legt we we leggen you jullie leggen they ze leggen future I ik zal leggen you je zult leggen he hij zal leggen we we zullen leggen you jullie zullen leggen they ze zullen leggen leiden (to lead) present I ik leid you je leidt he hij leidt we we leiden you jullie leiden they ze leiden future I ik zal leiden you je zult leiden he hij zal leiden we we zullen leiden you jullie zullen leiden past ik lachte je lachte hij lachte we lachten jullie lachten ze lachten conditional ik zou lachen je zou lachen hij zou lachen we zouden lachen jullie zouden lachen ze zouden lachen present perfect ik heb gelachen je hebt gelachen hij heeft gelachen we hebben gelachen jullie hebben gelachen ze hebben gelachen future perfect ik zal hebben gelachen je zult hebben gelachen hij zal hebben gelachen we zullen hebben gelachen jullie zullen hebben gelachen ze zullen hebben gelachen past perfect ik had gelachen je had gelachen hij had gelachen we hadden gelachen jullie hadden gelachen ze hadden gelachen conditional perfect ik zou hebben gelachen je zou hebben gelachen hij zou hebben gelachen we zouden hebben gelachen jullie zouden hebben gelachen ze zouden hebben gelachen past ik liet je liet hij liet we lieten jullie lieten ze lieten conditional ik zou laten je zou laten hij zou laten we zouden laten jullie zouden laten ze zouden laten present perfect ik heb gelaten je hebt gelaten hij heeft gelaten we hebben gelaten jullie hebben gelaten ze hebben gelaten future perfect ik zal hebben gelaten je zult hebben gelaten hij zal hebben gelaten we zullen hebben gelaten jullie zullen hebben gelaten ze zullen hebben gelaten past perfect ik had gelaten je had gelaten hij had gelaten we hadden gelaten jullie hadden gelaten ze hadden gelaten conditional perfect ik zou hebben gelaten je zou hebben gelaten hij zou hebben gelaten we zouden hebben gelaten jullie zouden hebben gelaten ze zouden hebben gelaten past ik legde je legde hij legde we legden jullie legden ze legden conditional ik zou leggen je zou leggen hij zou leggen we zouden leggen jullie zouden leggen ze zouden leggen present perfect ik heb gelegd je hebt gelegd hij heeft gelegd we hebben gelegd jullie hebben gelegd ze hebben gelegd future perfect ik zal hebben gelegd je zult hebben gelegd hij zal hebben gelegd we zullen hebben gelegd jullie zullen hebben gelegd ze zullen hebben gelegd past perfect ik had gelegd je had gelegd hij had gelegd we hadden gelegd jullie hadden gelegd ze hadden gelegd conditional perfect ik zou hebben gelegd je zou hebben gelegd hij zou hebben gelegd we zouden hebben gelegd jullie zouden hebben gelegd ze zouden hebben gelegd past ik leidde je leidde hij leidde we leidden jullie leidden ze leidden conditional ik zou leiden je zou leiden hij zou leiden we zouden leiden jullie zouden leiden present perfect ik heb geleid je hebt geleid hij heeft geleid we hebben geleid jullie hebben geleid ze hebben geleid future perfect ik zal hebben geleid je zult hebben geleid hij zal hebben geleid we zullen hebben geleid jullie zullen hebben geleid past perfect ik had geleid je had geleid hij had geleid we hadden geleid jullie hadden geleid ze hadden geleid conditional perfect ik zou hebben geleid je zou hebben geleid hij zou hebben geleid we zouden hebben geleid jullie zouden hebben geleid .I you he we you they future ik zal kussen je zult kussen hij zal kussen we zullen kussen jullie zullen kussen ze zullen kussen conditional ik zou kussen je zou kussen hij zou kussen we zouden kussen jullie zouden kussen ze zouden kussen future perfect ik zal hebben gekust je zult hebben gekust hij zal hebben gekust we zullen hebben gekust jullie zullen hebben gekust ze zullen hebben gekust conditional perfect ik zou hebben gekust je zou hebben gekust hij zou hebben gekust we zouden hebben gekust jullie zouden hebben gekust ze zouden hebben gekust lachen (to laugh) present I ik lach you je lacht he hij lacht we we lachen you jullie lachen they ze lachen future I ik zal lachen you je zult lachen he hij zal lachen we we zullen lachen you jullie zullen lachen they ze zullen lachen laten (to let.

they ze zullen leiden leren (to learn) present I ik leer you je leert he hij leert we we leren you jullie leren they ze leren future I ik zal leren you je zult leren he hij zal leren we we zullen leren you jullie zullen leren they ze zullen leren leven (to live) present I ik leef you je leeft he hij leeft we we leven you jullie leven they ze leven future I ik zal leven you je zult leven he hij zal leven we we zullen leven you jullie zullen leven they ze zullen leven lezen (to read) present I ik lees you je leest he hij leest we we lezen you jullie lezen they ze lezen future I ik zal lezen you je zult lezen he hij zal lezen we we zullen lezen you jullie zullen lezen they ze zullen lezen liggen (to lie (lay. lain)) present I ik lig you je ligt he hij ligt we we liggen you jullie liggen they ze liggen future I ik zal liggen you je zult liggen he hij zal liggen we we zullen liggen you jullie zullen liggen they ze zullen liggen lijken (to look like) present I ik lijk you je lijkt ze zouden leiden ze zullen hebben geleid ze zouden hebben geleid past ik leerde je leerde hij leerde we leerden jullie leerden ze leerden conditional ik zou leren je zou leren hij zou leren we zouden leren jullie zouden leren ze zouden leren present perfect ik heb geleerd je hebt geleerd hij heeft geleerd we hebben geleerd jullie hebben geleerd ze hebben geleerd future perfect ik zal hebben geleerd je zult hebben geleerd hij zal hebben geleerd we zullen hebben geleerd jullie zullen hebben geleerd ze zullen hebben geleerd past perfect ik had geleerd je had geleerd hij had geleerd we hadden geleerd jullie hadden geleerd ze hadden geleerd conditional perfect ik zou hebben geleerd je zou hebben geleerd hij zou hebben geleerd we zouden hebben geleerd jullie zouden hebben geleerd ze zouden hebben geleerd past ik leefde je leefde hij leefde we leefden jullie leefden ze leefden conditional ik zou leven je zou leven hij zou leven we zouden leven jullie zouden leven ze zouden leven present perfect ik heb geleefd je hebt geleefd hij heeft geleefd we hebben geleefd jullie hebben geleefd ze hebben geleefd future perfect ik zal hebben geleefd je zult hebben geleefd hij zal hebben geleefd we zullen hebben geleefd jullie zullen hebben geleefd ze zullen hebben geleefd past perfect ik had geleefd je had geleefd hij had geleefd we hadden geleefd jullie hadden geleefd ze hadden geleefd conditional perfect ik zou hebben geleefd je zou hebben geleefd hij zou hebben geleefd we zouden hebben geleefd jullie zouden hebben geleefd ze zouden hebben geleefd past ik las je las hij las we lazen jullie lazen ze lazen conditional ik zou lezen je zou lezen hij zou lezen we zouden lezen jullie zouden lezen ze zouden lezen present perfect ik heb gelezen je hebt gelezen hij heeft gelezen we hebben gelezen jullie hebben gelezen ze hebben gelezen future perfect ik zal hebben gelezen je zult hebben gelezen hij zal hebben gelezen we zullen hebben gelezen jullie zullen hebben gelezen ze zullen hebben gelezen past perfect ik had gelezen je had gelezen hij had gelezen we hadden gelezen jullie hadden gelezen ze hadden gelezen conditional perfect ik zou hebben gelezen je zou hebben gelezen hij zou hebben gelezen we zouden hebben gelezen jullie zouden hebben gelezen ze zouden hebben gelezen past ik lag je lag hij lag we lagen jullie lagen ze lagen conditional ik zou liggen je zou liggen hij zou liggen we zouden liggen jullie zouden liggen ze zouden liggen present perfect ik heb gelegen je hebt gelegen hij heeft gelegen we hebben gelegen jullie hebben gelegen ze hebben gelegen future perfect ik zal hebben gelegen je zult hebben gelegen hij zal hebben gelegen we zullen hebben gelegen jullie zullen hebben gelegen ze zullen hebben gelegen past perfect ik had gelegen je had gelegen hij had gelegen we hadden gelegen jullie hadden gelegen ze hadden gelegen conditional perfect ik zou hebben gelegen je zou hebben gelegen hij zou hebben gelegen we zouden hebben gelegen jullie zouden hebben gelegen ze zouden hebben gelegen past ik leek je leek present perfect ik heb geleken je hebt geleken past perfect ik had geleken je had geleken .

he we you they hij lijkt we lijken jullie lijken ze lijken future I ik zal lijken you je zult lijken he hij zal lijken we we zullen lijken you jullie zullen lijken they ze zullen lijken lopen (to walk) present I ik loop you je loopt he hij loopt we we lopen you jullie lopen they ze lopen future I ik zal lopen you je zult lopen he hij zal lopen we we zullen lopen you jullie zullen lopen they ze zullen lopen luisteren (to listen) present I ik luister you je luistert he hij luistert we we luisteren you jullie luisteren they ze luisteren future I ik zal luisteren you je zult luisteren he hij zal luisteren we we zullen luisteren you jullie zullen luisteren they ze zullen luisteren maken (to make) present I ik maak you je maakt he hij maakt we we maken you jullie maken they ze maken future I ik zal maken you je zult maken he hij zal maken we we zullen maken you jullie zullen maken they ze zullen maken hij leek we leken jullie leken ze leken conditional ik zou lijken je zou lijken hij zou lijken we zouden lijken jullie zouden lijken ze zouden lijken hij heeft geleken we hebben geleken jullie hebben geleken ze hebben geleken future perfect ik zal hebben geleken je zult hebben geleken hij zal hebben geleken we zullen hebben geleken jullie zullen hebben geleken ze zullen hebben geleken hij had geleken we hadden geleken jullie hadden geleken ze hadden geleken conditional perfect ik zou hebben geleken je zou hebben geleken hij zou hebben geleken we zouden hebben geleken jullie zouden hebben geleken ze zouden hebben geleken past ik liep je liep hij liep we liepen jullie liepen ze liepen conditional ik zou lopen je zou lopen hij zou lopen we zouden lopen jullie zouden lopen ze zouden lopen present perfect ik heb gelopen je hebt gelopen hij heeft gelopen we hebben gelopen jullie hebben gelopen ze hebben gelopen future perfect ik zal hebben gelopen je zult hebben gelopen hij zal hebben gelopen we zullen hebben gelopen jullie zullen hebben gelopen ze zullen hebben gelopen past perfect ik had gelopen je had gelopen hij had gelopen we hadden gelopen jullie hadden gelopen ze hadden gelopen conditional perfect ik zou hebben gelopen je zou hebben gelopen hij zou hebben gelopen we zouden hebben gelopen jullie zouden hebben gelopen ze zouden hebben gelopen past ik luisterde je luisterde hij luisterde we luisterden jullie luisterden ze luisterden conditional ik zou luisteren je zou luisteren hij zou luisteren we zouden luisteren jullie zouden luisteren ze zouden luisteren present perfect ik heb geluisterd je hebt geluisterd hij heeft geluisterd we hebben geluisterd jullie hebben geluisterd ze hebben geluisterd future perfect ik zal hebben geluisterd je zult hebben geluisterd hij zal hebben geluisterd we zullen hebben geluisterd jullie zullen hebben geluisterd ze zullen hebben geluisterd past perfect ik had geluisterd je had geluisterd hij had geluisterd we hadden geluisterd jullie hadden geluisterd ze hadden geluisterd conditional perfect ik zou hebben geluisterd je zou hebben geluisterd hij zou hebben geluisterd we zouden hebben geluisterd jullie zouden hebben geluisterd ze zouden hebben geluisterd past ik maakte je maakte hij maakte we maakten jullie maakten ze maakten conditional ik zou maken je zou maken hij zou maken we zouden maken jullie zouden maken ze zouden maken present perfect ik heb gemaakt je hebt gemaakt hij heeft gemaakt we hebben gemaakt jullie hebben gemaakt ze hebben gemaakt future perfect ik zal hebben gemaakt je zult hebben gemaakt hij zal hebben gemaakt we zullen hebben gemaakt jullie zullen hebben gemaakt ze zullen hebben gemaakt past perfect ik had gemaakt je had gemaakt hij had gemaakt we hadden gemaakt jullie hadden gemaakt ze hadden gemaakt conditional perfect ik zou hebben gemaakt je zou hebben gemaakt hij zou hebben gemaakt we zouden hebben gemaakt jullie zouden hebben gemaakt ze zouden hebben gemaakt meenemen (to take with oneself) present past I ik neem mee ik nam mee you je neemt mee je nam mee he hij neemt mee hij nam mee we we nemen mee we namen mee you jullie nemen mee jullie namen mee they ze nemen mee ze namen mee future conditional I ik zal meenemen ik zou meenemen present perfect ik heb meegenomen je hebt meegenomen hij heeft meegenomen we hebben meegenomen jullie hebben meegenomen ze hebben meegenomen future perfect ik zal hebben meegenomen past perfect ik had meegenomen je had meegenomen hij had meegenomen we hadden meegenomen jullie hadden meegenomen ze hadden meegenomen conditional perfect ik zou hebben meegenomen .

you he we you they je zult meenemen hij zal meenemen we zullen meenemen jullie zullen meenemen ze zullen meenemen je zou meenemen hij zou meenemen we zouden meenemen jullie zouden meenemen ze zouden meenemen je zult hebben meegenomen hij zal hebben meegenomen we zullen hebben meegenomen jullie zullen hebben meegenomen ze zullen hebben meegenomen je zou hebben meegenomen hij zou hebben meegenomen we zouden hebben meegenomen jullie zouden hebben meegenomen ze zouden hebben meegenomen merken (to notice) present I ik merk you je merkt he hij merkt we we merken you jullie merken they ze merken future I ik zal merken you je zult merken he hij zal merken we we zullen merken you jullie zullen merken they ze zullen merken missen (to miss) present I ik mis you je mist he hij mist we we missen you jullie missen they ze missen future I ik zal missen you je zult missen he hij zal missen we we zullen missen you jullie zullen missen they ze zullen missen moeten (must) present I ik moet you je moet he hij moet we we moeten you jullie moeten they ze moeten future I ik zal moeten you je zult moeten he hij zal moeten we we zullen moeten you jullie zullen moeten they ze zullen moeten mogen (may. to be allowed to) present I ik mag you je mag he hij mag we we mogen you jullie mogen they ze mogen future I ik zal mogen you je zult mogen he hij zal mogen we we zullen mogen you jullie zullen mogen they ze zullen mogen past ik merkte je merkte hij merkte we merkten jullie merkten ze merkten conditional ik zou merken je zou merken hij zou merken we zouden merken jullie zouden merken ze zouden merken present perfect ik heb gemerkt je hebt gemerkt hij heeft gemerkt we hebben gemerkt jullie hebben gemerkt ze hebben gemerkt future perfect ik zal hebben gemerkt je zult hebben gemerkt hij zal hebben gemerkt we zullen hebben gemerkt jullie zullen hebben gemerkt ze zullen hebben gemerkt past perfect ik had gemerkt je had gemerkt hij had gemerkt we hadden gemerkt jullie hadden gemerkt ze hadden gemerkt conditional perfect ik zou hebben gemerkt je zou hebben gemerkt hij zou hebben gemerkt we zouden hebben gemerkt jullie zouden hebben gemerkt ze zouden hebben gemerkt past ik miste je miste hij miste we misten jullie misten ze misten conditional ik zou missen je zou missen hij zou missen we zouden missen jullie zouden missen ze zouden missen present perfect ik heb gemist je hebt gemist hij heeft gemist we hebben gemist jullie hebben gemist ze hebben gemist future perfect ik zal hebben gemist je zult hebben gemist hij zal hebben gemist we zullen hebben gemist jullie zullen hebben gemist ze zullen hebben gemist past perfect ik had gemist je had gemist hij had gemist we hadden gemist jullie hadden gemist ze hadden gemist conditional perfect ik zou hebben gemist je zou hebben gemist hij zou hebben gemist we zouden hebben gemist jullie zouden hebben gemist ze zouden hebben gemist past ik moest je moest hij moest we moesten jullie moesten ze moesten conditional ik zou moeten je zou moeten hij zou moeten we zouden moeten jullie zouden moeten ze zouden moeten present perfect ik heb gemoeten je hebt gemoeten hij heeft gemoeten we hebben gemoeten jullie hebben gemoeten ze hebben gemoeten future perfect ik zal hebben gemoeten je zult hebben gemoeten hij zal hebben gemoeten we zullen hebben gemoeten jullie zullen hebben gemoeten ze zullen hebben gemoeten past perfect ik had gemoeten je had gemoeten hij had gemoeten we hadden gemoeten jullie hadden gemoeten ze hadden gemoeten conditional perfect ik zou hebben gemoeten je zou hebben gemoeten hij zou hebben gemoeten we zouden hebben gemoeten jullie zouden hebben gemoeten ze zouden hebben gemoeten past ik mocht je mocht hij mocht we mochten jullie mochten ze mochten conditional ik zou mogen je zou mogen hij zou mogen we zouden mogen jullie zouden mogen ze zouden mogen present perfect ik heb gemogen je hebt gemogen hij heeft gemogen we hebben gemogen jullie hebben gemogen ze hebben gemogen future perfect ik zal hebben gemogen je zult hebben gemogen hij zal hebben gemogen we zullen hebben gemogen jullie zullen hebben gemogen ze zullen hebben gemogen past perfect ik had gemogen je had gemogen hij had gemogen we hadden gemogen jullie hadden gemogen ze hadden gemogen conditional perfect ik zou hebben gemogen je zou hebben gemogen hij zou hebben gemogen we zouden hebben gemogen jullie zouden hebben gemogen ze zouden hebben gemogen .

jullie zullen hebben genoemd. past perfect ik had genoemd. hij heeft genoemd. future perfect ik zal hebben genoemd. hij zal hebben genoemd. je zult hebben genoemd. we hebben genoemd. hij had genoemd. past ik ontbeet je ontbeet hij ontbeet we ontbeten jullie ontbeten ze ontbeten conditional ik zou ontbijten je zou ontbijten hij zou ontbijten we zouden ontbijten jullie zouden ontbijten ze zouden ontbijten present perfect ik heb ontbeten je hebt ontbeten hij heeft ontbeten we hebben ontbeten jullie hebben ontbeten ze hebben ontbeten future perfect ik zal hebben ontbeten je zult hebben ontbeten hij zal hebben ontbeten we zullen hebben ontbeten jullie zullen hebben ontbeten ze zullen hebben ontbeten past perfect ik had ontbeten je had ontbeten hij had ontbeten we hadden ontbeten jullie hadden ontbeten ze hadden ontbeten conditional perfect ik zou hebben ontbeten je zou hebben ontbeten hij zou hebben ontbeten we zouden hebben ontbeten jullie zouden hebben ontbeten ze zouden hebben ontbeten past ik ontmoette je ontmoette hij ontmoette we ontmoetten present perfect ik heb ontmoet je hebt ontmoet hij heeft ontmoet we hebben ontmoet past perfect ik had ontmoet je had ontmoet hij had ontmoet we hadden ontmoet . we zullen hebben genoemd. jullie zouden hebben genoemd. je hebt genoemd. ze hebben genoemd. je zou hebben genoemd. conditional perfect ik zou hebben genoemd. jullie hebben genoemd. hij zou hebben genoemd. jullie hadden genoemd. je had genoemd. we hadden genoemd. ze zullen hebben genoemd.nadenken (to think (about)) present I ik denk na you je denkt na he hij denkt na we we denken na you jullie denken na they ze denken na future I ik zal nadenken you je zult nadenken he hij zal nadenken we we zullen nadenken you jullie zullen nadenken they ze zullen nadenken nemen (to take) present I ik neem you je neemt he hij neemt we we nemen you jullie nemen they ze nemen future I ik zal nemen you je zult nemen he hij zal nemen we we zullen nemen you jullie zullen nemen they ze zullen nemen noemen (to mention) present I ik noem you je noemt he hij noemt we we noemen you jullie noemen they ze noemen future I ik zal noemen you je zult noemen he hij zal noemen we we zullen noemen you jullie zullen noemen they ze zullen noemen ontbijten (to have breakfast) present I ik ontbijt you je ontbijt he hij ontbijt we we ontbijten you jullie ontbijten they ze ontbijten future I ik zal ontbijten you je zult ontbijten he hij zal ontbijten we we zullen ontbijten you jullie zullen ontbijten they ze zullen ontbijten ontmoeten (to meet) present I ik ontmoet you je ontmoet he hij ontmoet we we ontmoeten past ik dacht na je dacht na hij dacht na we dachten na jullie dachten na ze dachten na conditional ik zou nadenken je zou nadenken hij zou nadenken we zouden nadenken jullie zouden nadenken ze zouden nadenken present perfect ik heb nagedacht je hebt nagedacht hij heeft nagedacht we hebben nagedacht jullie hebben nagedacht ze hebben nagedacht future perfect ik zal hebben nagedacht je zult hebben nagedacht hij zal hebben nagedacht we zullen hebben nagedacht jullie zullen hebben nagedacht ze zullen hebben nagedacht past perfect ik had nagedacht je had nagedacht hij had nagedacht we hadden nagedacht jullie hadden nagedacht ze hadden nagedacht conditional perfect ik zou hebben nagedacht je zou hebben nagedacht hij zou hebben nagedacht we zouden hebben nagedacht jullie zouden hebben nagedacht ze zouden hebben nagedacht past ik nam je nam hij nam we namen jullie namen ze namen conditional ik zou nemen je zou nemen hij zou nemen we zouden nemen jullie zouden nemen ze zouden nemen present perfect ik heb genomen je hebt genomen hij heeft genomen we hebben genomen jullie hebben genomen ze hebben genomen future perfect ik zal hebben genomen je zult hebben genomen hij zal hebben genomen we zullen hebben genomen jullie zullen hebben genomen ze zullen hebben genomen past perfect ik had genomen je had genomen hij had genomen we hadden genomen jullie hadden genomen ze hadden genomen conditional perfect ik zou hebben genomen je zou hebben genomen hij zou hebben genomen we zouden hebben genomen jullie zouden hebben genomen ze zouden hebben genomen past ik noemde je noemde hij noemde we noemden jullie noemden ze noemden conditional ik zou noemen je zou noemen hij zou noemen we zouden noemen jullie zouden noemen ze zouden noemen present perfect ik heb genoemd. we zouden hebben genoemd. ze hadden genoemd. ze zouden hebben genoemd.

you jullie ontmoeten they ze ontmoeten future I ik zal ontmoeten you je zult ontmoeten he hij zal ontmoeten we we zullen ontmoeten you jullie zullen ontmoeten they ze zullen ontmoeten openen (to open) present I ik open you je opent he hij opent we we openen you jullie openen they ze openen future I ik zal openen you je zult openen he hij zal openen we we zullen openen you jullie zullen openen they ze zullen openen pakken (to grab) present I ik pak you je pakt he hij pakt we we pakken you jullie pakken they ze pakken future I ik zal pakken you je zult pakken he hij zal pakken we we zullen pakken you jullie zullen pakken they ze zullen pakken passen (to fit) present I ik pas you je past he hij past we we passen you jullie passen they ze passen future I ik zal passen you je zult passen he hij zal passen we we zullen passen you jullie zullen passen they ze zullen passen plannen (to plan) present I ik plan you je plant he hij plant we we plannen you jullie plannen they ze plannen future I ik zal plannen you je zult plannen he hij zal plannen jullie ontmoetten ze ontmoetten conditional ik zou ontmoeten je zou ontmoeten hij zou ontmoeten we zouden ontmoeten jullie zouden ontmoeten ze zouden ontmoeten jullie hebben ontmoet ze hebben ontmoet future perfect ik zal hebben ontmoet je zult hebben ontmoet hij zal hebben ontmoet we zullen hebben ontmoet jullie zullen hebben ontmoet ze zullen hebben ontmoet jullie hadden ontmoet ze hadden ontmoet conditional perfect ik zou hebben ontmoet je zou hebben ontmoet hij zou hebben ontmoet we zouden hebben ontmoet jullie zouden hebben ontmoet ze zouden hebben ontmoet past ik opende je opende hij opende we openden jullie openden ze openden conditional ik zou openen je zou openen hij zou openen we zouden openen jullie zouden openen ze zouden openen present perfect ik heb geopend je hebt geopend hij heeft geopend we hebben geopend jullie hebben geopend ze hebben geopend future perfect ik zal hebben geopend je zult hebben geopend hij zal hebben geopend we zullen hebben geopend jullie zullen hebben geopend ze zullen hebben geopend past perfect ik had geopend je had geopend hij had geopend we hadden geopend jullie hadden geopend ze hadden geopend conditional perfect ik zou hebben geopend je zou hebben geopend hij zou hebben geopend we zouden hebben geopend jullie zouden hebben geopend ze zouden hebben geopend past ik pakte je pakte hij pakte we pakten jullie pakten ze pakten conditional ik zou pakken je zou pakken hij zou pakken we zouden pakken jullie zouden pakken ze zouden pakken present perfect ik heb gepakt je hebt gepakt hij heeft gepakt we hebben gepakt jullie hebben gepakt ze hebben gepakt future perfect ik zal hebben gepakt je zult hebben gepakt hij zal hebben gepakt we zullen hebben gepakt jullie zullen hebben gepakt ze zullen hebben gepakt past perfect ik had gepakt je had gepakt hij had gepakt we hadden gepakt jullie hadden gepakt ze hadden gepakt conditional perfect ik zou hebben gepakt je zou hebben gepakt hij zou hebben gepakt we zouden hebben gepakt jullie zouden hebben gepakt ze zouden hebben gepakt past ik paste je paste hij paste we pasten jullie pasten ze pasten conditional ik zou passen je zou passen hij zou passen we zouden passen jullie zouden passen ze zouden passen present perfect ik heb gepast je hebt gepast hij heeft gepast we hebben gepast jullie hebben gepast ze hebben gepast future perfect ik zal hebben gepast je zult hebben gepast hij zal hebben gepast we zullen hebben gepast jullie zullen hebben gepast ze zullen hebben gepast past perfect ik had gepast je had gepast hij had gepast we hadden gepast jullie hadden gepast ze hadden gepast conditional perfect ik zou hebben gepast je zou hebben gepast hij zou hebben gepast we zouden hebben gepast jullie zouden hebben gepast ze zouden hebben gepast past ik plande je plande hij plande we planden jullie planden ze planden conditional ik zou plannen je zou plannen hij zou plannen present perfect ik heb gepland je hebt gepland hij heeft gepland we hebben gepland jullie hebben gepland ze hebben gepland future perfect ik zal hebben gepland je zult hebben gepland hij zal hebben gepland past perfect ik had gepland je had gepland hij had gepland we hadden gepland jullie hadden gepland ze hadden gepland conditional perfect ik zou hebben gepland je zou hebben gepland hij zou hebben gepland .

we we zullen plannen you jullie zullen plannen they ze zullen plannen planten (to plant) present I ik plant you je plant he hij plant we we planten you jullie planten they ze planten future I ik zal planten you je zult planten he hij zal planten we we zullen planten you jullie zullen planten they ze zullen planten praten (to talk) present I ik praat you je praat he hij praat we we praten you jullie praten they ze praten future I ik zal praten you je zult praten he hij zal praten we we zullen praten you jullie zullen praten they ze zullen praten proberen (to try) present I ik probeer you je probeert he hij probeert we we proberen you jullie proberen they ze proberen future I ik zal proberen you je zult proberen he hij zal proberen we we zullen proberen you jullie zullen proberen they ze zullen proberen racen (to race) present I ik race you je racet he hij racet we we racen you jullie racen they ze racen future I ik zal racen you je zult racen he hij zal racen we we zullen racen you jullie zullen racen they ze zullen racen raken (to touch) present we zouden plannen jullie zouden plannen ze zouden plannen we zullen hebben gepland jullie zullen hebben gepland ze zullen hebben gepland we zouden hebben gepland jullie zouden hebben gepland ze zouden hebben gepland past ik plantte je plantte hij plantte we plantten jullie plantten ze plantten conditional ik zou planten je zou planten hij zou planten we zouden planten jullie zouden planten ze zouden planten present perfect ik heb geplant je hebt geplant hij heeft geplant we hebben geplant jullie hebben geplant ze hebben geplant future perfect ik zal hebben geplant je zult hebben geplant hij zal hebben geplant we zullen hebben geplant jullie zullen hebben geplant ze zullen hebben geplant past perfect ik had geplant je had geplant hij had geplant we hadden geplant jullie hadden geplant ze hadden geplant conditional perfect ik zou hebben geplant je zou hebben geplant hij zou hebben geplant we zouden hebben geplant jullie zouden hebben geplant ze zouden hebben geplant past ik praatte je praatte hij praatte we praatten jullie praatten ze praatten conditional ik zou praten je zou praten hij zou praten we zouden praten jullie zouden praten ze zouden praten present perfect ik heb gepraat je hebt gepraat hij heeft gepraat we hebben gepraat jullie hebben gepraat ze hebben gepraat future perfect ik zal hebben gepraat je zult hebben gepraat hij zal hebben gepraat we zullen hebben gepraat jullie zullen hebben gepraat ze zullen hebben gepraat past perfect ik had gepraat je had gepraat hij had gepraat we hadden gepraat jullie hadden gepraat ze hadden gepraat conditional perfect ik zou hebben gepraat je zou hebben gepraat hij zou hebben gepraat we zouden hebben gepraat jullie zouden hebben gepraat ze zouden hebben gepraat past ik probeerde je probeerde hij probeerde we probeerden jullie probeerden ze probeerden conditional ik zou proberen je zou proberen hij zou proberen we zouden proberen jullie zouden proberen ze zouden proberen present perfect ik heb geprobeerd je hebt geprobeerd hij heeft geprobeerd we hebben geprobeerd jullie hebben geprobeerd ze hebben geprobeerd future perfect ik zal hebben geprobeerd je zult hebben geprobeerd hij zal hebben geprobeerd we zullen hebben geprobeerd jullie zullen hebben geprobeerd ze zullen hebben geprobeerd past perfect ik had geprobeerd je had geprobeerd hij had geprobeerd we hadden geprobeerd jullie hadden geprobeerd ze hadden geprobeerd conditional perfect ik zou hebben geprobeerd je zou hebben geprobeerd hij zou hebben geprobeerd we zouden hebben geprobeerd jullie zouden hebben geprobeerd ze zouden hebben geprobeerd past ik racete je racete hij racete we raceten jullie raceten ze raceten conditional ik zou racen je zou racen hij zou racen we zouden racen jullie zouden racen ze zouden racen present perfect ik heb geracet je hebt geracet hij heeft geracet we hebben geracet jullie hebben geracet ze hebben geracet future perfect ik zal hebben geracet je zult hebben geracet hij zal hebben geracet we zullen hebben geracet jullie zullen hebben geracet ze zullen hebben geracet past perfect ik had geracet je had geracet hij had geracet we hadden geracet jullie hadden geracet ze hadden geracet conditional perfect ik zou hebben geracet je zou hebben geracet hij zou hebben geracet we zouden hebben geracet jullie zouden hebben geracet ze zouden hebben geracet past present perfect past perfect .

to drive) present ik raakte je raakte hij raakte we raakten jullie raakten ze raakten conditional ik zou raken je zou raken hij zou raken we zouden raken jullie zouden raken ze zouden raken ik heb geraakt je hebt geraakt hij heeft geraakt we hebben geraakt jullie hebben geraakt ze hebben geraakt future perfect ik zal hebben geraakt je zult hebben geraakt hij zal hebben geraakt we zullen hebben geraakt jullie zullen hebben geraakt ze zullen hebben geraakt ik had geraakt je had geraakt hij had geraakt we hadden geraakt jullie hadden geraakt ze hadden geraakt conditional perfect ik zou hebben geraakt je zou hebben geraakt hij zou hebben geraakt we zouden hebben geraakt jullie zouden hebben geraakt ze zouden hebben geraakt past ik redde je redde hij redde we redden jullie redden ze redden conditional ik zou redden je zou redden hij zou redden we zouden redden jullie zouden redden ze zouden redden present perfect ik heb gered je hebt gered hij heeft gered we hebben gered jullie hebben gered ze hebben gered future perfect ik zal hebben gered je zult hebben gered hij zal hebben gered we zullen hebben gered jullie zullen hebben gered ze zullen hebben gered past perfect ik had gered je had gered hij had gered we hadden gered jullie hadden gered ze hadden gered conditional perfect ik zou hebben gered je zou hebben gered hij zou hebben gered we zouden hebben gered jullie zouden hebben gered ze zouden hebben gered past het regende conditional het zou regenen present perfect het heeft geregend future perfect het zal hebben geregend past perfect het had geregend conditional perfect het zou hebben geregend past ik reisde je reisde hij reisde we reisden jullie reisden ze reisden conditional ik zou reizen je zou reizen hij zou reizen we zouden reizen jullie zouden reizen ze zouden reizen present perfect ik heb gereisd je hebt gereisd hij heeft gereisd we hebben gereisd jullie hebben gereisd ze hebben gereisd future perfect ik zal hebben gereisd je zult hebben gereisd hij zal hebben gereisd we zullen hebben gereisd jullie zullen hebben gereisd ze zullen hebben gereisd past perfect ik had gereisd je had gereisd hij had gereisd we hadden gereisd jullie hadden gereisd ze hadden gereisd conditional perfect ik zou hebben gereisd je zou hebben gereisd hij zou hebben gereisd we zouden hebben gereisd jullie zouden hebben gereisd ze zouden hebben gereisd past ik rende je rende hij rende we renden jullie renden ze renden conditional ik zou rennen je zou rennen hij zou rennen we zouden rennen jullie zouden rennen ze zouden rennen present perfect ik heb gerend je hebt gerend hij heeft gerend we hebben gerend jullie hebben gerend ze hebben gerend future perfect ik zal hebben gerend je zult hebben gerend hij zal hebben gerend we zullen hebben gerend jullie zullen hebben gerend ze zullen hebben gerend past perfect ik had gerend je had gerend hij had gerend we hadden gerend jullie hadden gerend ze hadden gerend conditional perfect ik zou hebben gerend je zou hebben gerend hij zou hebben gerend we zouden hebben gerend jullie zouden hebben gerend ze zouden hebben gerend past present perfect past perfect .I you he we you they ik raak je raakt hij raakt we raken jullie raken ze raken future I ik zal raken you je zult raken he hij zal raken we we zullen raken you jullie zullen raken they ze zullen raken redden (to save) present I ik red you je redt he hij redt we we redden you jullie redden they ze redden future I ik zal redden you je zult redden he hij zal redden we we zullen redden you jullie zullen redden they ze zullen redden regenen (to rain) present it het regent future it het zal regenen reizen (to travel) present I ik reis you je reist he hij reist we we reizen you jullie reizen they ze reizen future I ik zal reizen you je zult reizen he hij zal reizen we we zullen reizen you jullie zullen reizen they ze zullen reizen rennen (to run) present I ik ren you je rent he hij rent we we rennen you jullie rennen they ze rennen future I ik zal rennen you je zult rennen he hij zal rennen we we zullen rennen you jullie zullen rennen they ze zullen rennen rijden (to ride.

to call) present I ik roep you je roept he hij roept we we roepen you jullie roepen they ze roepen future I ik zal roepen you je zult roepen he hij zal roepen we we zullen roepen you jullie zullen roepen they ze zullen roepen schaatsen (to skate) present I ik schaats you je schaatst he hij schaatst we we schaatsen you jullie schaatsen they ze schaatsen future I ik zal schaatsen you je zult schaatsen he hij zal schaatsen we we zullen schaatsen you jullie zullen schaatsen they ze zullen schaatsen schrijven (to write) present I ik schrijf you je schrijft he hij schrijft we we schrijven you jullie schrijven they ze schrijven future I ik zal schrijven you je zult schrijven he hij zal schrijven we we zullen schrijven you jullie zullen schrijven they ze zullen schrijven schrikken (to be startled) present I ik schrik you je schrikt he hij schrikt we we schrikken you jullie schrikken they ze schrikken ik reed je reed hij reed we reden jullie reden ze reden conditional ik zou rijden je zou rijden hij zou rijden we zouden rijden jullie zouden rijden ze zouden rijden ik heb gereden je hebt gereden hij heeft gereden we hebben gereden jullie hebben gereden ze hebben gereden future perfect ik zal hebben gereden je zult hebben gereden hij zal hebben gereden we zullen hebben gereden jullie zullen hebben gereden ze zullen hebben gereden ik had gereden je had gereden hij had gereden we hadden gereden jullie hadden gereden ze hadden gereden conditional perfect ik zou hebben gereden je zou hebben gereden hij zou hebben gereden we zouden hebben gereden jullie zouden hebben gereden ze zouden hebben gereden past ik riep je riep hij riep we riepen jullie riepen ze riepen conditional ik zou roepen je zou roepen hij zou roepen we zouden roepen jullie zouden roepen ze zouden roepen present perfect ik heb geroepen je hebt geroepen hij heeft geroepen we hebben geroepen jullie hebben geroepen ze hebben geroepen future perfect ik zal hebben geroepen je zult hebben geroepen hij zal hebben geroepen we zullen hebben geroepen jullie zullen hebben geroepen ze zullen hebben geroepen past perfect ik had geroepen je had geroepen hij had geroepen we hadden geroepen jullie hadden geroepen ze hadden geroepen conditional perfect ik zou hebben geroepen je zou hebben geroepen hij zou hebben geroepen we zouden hebben geroepen jullie zouden hebben geroepen ze zouden hebben geroepen past ik schaatste je schaatste hij schaatste we schaatsten jullie schaatsten ze schaatsten conditional ik zou schaatsen je zou schaatsen hij zou schaatsen we zouden schaatsen jullie zouden schaatsen ze zouden schaatsen present perfect ik heb geschaatst je hebt geschaatst hij heeft geschaatst we hebben geschaatst jullie hebben geschaatst ze hebben geschaatst future perfect ik zal hebben geschaatst je zult hebben geschaatst hij zal hebben geschaatst we zullen hebben geschaatst jullie zullen hebben geschaatst ze zullen hebben geschaatst past perfect ik had geschaatst je had geschaatst hij had geschaatst we hadden geschaatst jullie hadden geschaatst ze hadden geschaatst conditional perfect ik zou hebben geschaatst je zou hebben geschaatst hij zou hebben geschaatst we zouden hebben geschaatst jullie zouden hebben geschaatst ze zouden hebben geschaatst past ik schreef je schreef hij schreef we schreven jullie schreven ze schreven conditional ik zou schrijven je zou schrijven hij zou schrijven we zouden schrijven jullie zouden schrijven ze zouden schrijven present perfect ik heb geschreven je hebt geschreven hij heeft geschreven we hebben geschreven jullie hebben geschreven ze hebben geschreven future perfect ik zal hebben geschreven je zult hebben geschreven hij zal hebben geschreven we zullen hebben geschreven jullie zullen hebben geschreven ze zullen hebben geschreven past perfect ik had geschreven je had geschreven hij had geschreven we hadden geschreven jullie hadden geschreven ze hadden geschreven conditional perfect ik zou hebben geschreven je zou hebben geschreven hij zou hebben geschreven we zouden hebben geschreven jullie zouden hebben geschreven ze zouden hebben geschreven past ik schrok je schrok hij schrok we schrokken jullie schrokken ze schrokken present perfect ik ben geschrokken je bent geschrokken hij is geschrokken we zijn geschrokken jullie zijn geschrokken ze zijn geschrokken past perfect ik was geschrokken je was geschrokken hij was geschrokken we waren geschrokken jullie waren geschrokken ze waren geschrokken .I you he we you they ik rijd je rijdt hij rijdt we rijden jullie rijden ze rijden future I ik zal rijden you je zult rijden he hij zal rijden we we zullen rijden you jullie zullen rijden they ze zullen rijden roepen (to shout.

I you he we you they future ik zal schrikken je zult schrikken hij zal schrikken we zullen schrikken jullie zullen schrikken ze zullen schrikken conditional ik zou schrikken je zou schrikken hij zou schrikken we zouden schrikken jullie zouden schrikken ze zouden schrikken future perfect ik zal zijn geschrokken je zult zijn geschrokken hij zal zijn geschrokken we zullen zijn geschrokken jullie zullen zijn geschrokken ze zullen zijn geschrokken conditional perfect ik zou zijn geschrokken je zou zijn geschrokken hij zou zijn geschrokken we zouden zijn geschrokken jullie zouden zijn geschrokken ze zouden zijn geschrokken slapen (to sleep) present I ik slaap you je slaapt he hij slaapt we we slapen you jullie slapen they ze slapen future I ik zal slapen you je zult slapen he hij zal slapen we we zullen slapen you jullie zullen slapen they ze zullen slapen spelen (to play) present I ik speel you je speelt he hij speelt we we spelen you jullie spelen they ze spelen future I ik zal spelen you je zult spelen he hij zal spelen we we zullen spelen you jullie zullen spelen they ze zullen spelen spreken (to speak) present I ik spreek you je spreekt he hij spreekt we we spreken you jullie spreken they ze spreken future I ik zal spreken you je zult spreken he hij zal spreken we we zullen spreken you jullie zullen spreken they ze zullen spreken staan (to stand) present I ik sta you je staat he hij staat we we staan you jullie staan they ze staan future I ik zal staan you je zult staan he hij zal staan we we zullen staan you jullie zullen staan past ik sliep je sliep hij sliep we sliepen jullie sliepen ze sliepen conditional ik zou slapen je zou slapen hij zou slapen we zouden slapen jullie zouden slapen ze zouden slapen present perfect ik heb geslapen je hebt geslapen hij heeft geslapen we hebben geslapen jullie hebben geslapen ze hebben geslapen future perfect ik zal hebben geslapen je zult hebben geslapen hij zal hebben geslapen we zullen hebben geslapen jullie zullen hebben geslapen ze zullen hebben geslapen past perfect ik had geslapen je had geslapen hij had geslapen we hadden geslapen jullie hadden geslapen ze hadden geslapen conditional perfect ik zou hebben geslapen je zou hebben geslapen hij zou hebben geslapen we zouden hebben geslapen jullie zouden hebben geslapen ze zouden hebben geslapen past ik speelde je speelde hij speelde we speelden jullie speelden ze speelden conditional ik zou spelen je zou spelen hij zou spelen we zouden spelen jullie zouden spelen ze zouden spelen present perfect ik heb gespeeld je hebt gespeeld hij heeft gespeeld we hebben gespeeld jullie hebben gespeeld ze hebben gespeeld future perfect ik zal hebben gespeeld je zult hebben gespeeld hij zal hebben gespeeld we zullen hebben gespeeld jullie zullen hebben gespeeld ze zullen hebben gespeeld past perfect ik had gespeeld je had gespeeld hij had gespeeld we hadden gespeeld jullie hadden gespeeld ze hadden gespeeld conditional perfect ik zou hebben gespeeld je zou hebben gespeeld hij zou hebben gespeeld we zouden hebben gespeeld jullie zouden hebben gespeeld ze zouden hebben gespeeld past ik sprak je sprak hij sprak we spraken jullie spraken ze spraken conditional ik zou spreken je zou spreken hij zou spreken we zouden spreken jullie zouden spreken ze zouden spreken present perfect ik heb gesproken je hebt gesproken hij heeft gesproken we hebben gesproken jullie hebben gesproken ze hebben gesproken future perfect ik zal hebben gesproken je zult hebben gesproken hij zal hebben gesproken we zullen hebben gesproken jullie zullen hebben gesproken ze zullen hebben gesproken past perfect ik had gesproken je had gesproken hij had gesproken we hadden gesproken jullie hadden gesproken ze hadden gesproken conditional perfect ik zou hebben gesproken je zou hebben gesproken hij zou hebben gesproken we zouden hebben gesproken jullie zouden hebben gesproken ze zouden hebben gesproken past ik stond je stond hij stond we stonden jullie stonden ze stonden conditional ik zou staan je zou staan hij zou staan we zouden staan jullie zouden staan present perfect ik heb gestaan je hebt gestaan hij heeft gestaan we hebben gestaan jullie hebben gestaan ze hebben gestaan future perfect ik zal hebben gestaan je zult hebben gestaan hij zal hebben gestaan we zullen hebben gestaan jullie zullen hebben gestaan past perfect ik had gestaan je had gestaan hij had gestaan we hadden gestaan jullie hadden gestaan ze hadden gestaan conditional perfect ik zou hebben gestaan je zou hebben gestaan hij zou hebben gestaan we zouden hebben gestaan jullie zouden hebben gestaan .

to put.they ze zullen staan stappen (to step) present I ik stap you je stapt he hij stapt we we stappen you jullie stappen they ze stappen future I ik zal stappen you je zult stappen he hij zal stappen we we zullen stappen you jullie zullen stappen they ze zullen stappen staren (to gaze) present I ik staar you je staart he hij staart we we staren you jullie staren they ze staren future I ik zal staren you je zult staren he hij zal staren we we zullen staren you jullie zullen staren they ze zullen staren ze zouden staan ze zullen hebben gestaan ze zouden hebben gestaan past ik stapte je stapte hij stapte we stapten jullie stapten ze stapten conditional ik zou stappen je zou stappen hij zou stappen we zouden stappen jullie zouden stappen ze zouden stappen present perfect ik ben gestapt je bent gestapt hij is gestapt we zijn gestapt jullie zijn gestapt ze zijn gestapt future perfect ik zal zijn gestapt je zult zijn gestapt hij zal zijn gestapt we zullen zijn gestapt jullie zullen zijn gestapt ze zullen zijn gestapt past perfect ik was gestapt je was gestapt hij was gestapt we waren gestapt jullie waren gestapt ze waren gestapt conditional perfect ik zou zijn gestapt je zou zijn gestapt hij zou zijn gestapt we zouden zijn gestapt jullie zouden zijn gestapt ze zouden zijn gestapt past ik staarde je staarde hij staarde we staarden jullie staarden ze staarden conditional ik zou staren je zou staren hij zou staren we zouden staren jullie zouden staren ze zouden staren present perfect ik heb gestaard je hebt gestaard hij heeft gestaard we hebben gestaard jullie hebben gestaard ze hebben gestaard future perfect ik zal hebben gestaard je zult hebben gestaard hij zal hebben gestaard we zullen hebben gestaard jullie zullen hebben gestaard ze zullen hebben gestaard past perfect ik had gestaard je had gestaard hij had gestaard we hadden gestaard jullie hadden gestaard ze hadden gestaard conditional perfect ik zou hebben gestaard je zou hebben gestaard hij zou hebben gestaard we zouden hebben gestaard jullie zouden hebben gestaard ze zouden hebben gestaard stellen (to place. to suppose) present past I ik stel ik stelde you je stelt je stelde he hij stelt hij stelde we we stellen we stelden you jullie stellen jullie stelden they ze stellen ze stelden future conditional I ik zal stellen ik zou stellen you je zult stellen je zou stellen he hij zal stellen hij zou stellen we we zullen stellen we zouden stellen you jullie zullen stellen jullie zouden stellen they ze zullen stellen ze zouden stellen sterven (to die) present I ik sterf you je sterft he hij sterft we we sterven you jullie sterven they ze sterven future I ik zal sterven you je zult sterven he hij zal sterven we we zullen sterven you jullie zullen sterven they ze zullen sterven sturen (to send. to steer) present I ik stuur you je stuurt present perfect ik heb gesteld je hebt gesteld hij heeft gesteld we hebben gesteld jullie hebben gesteld ze hebben gesteld future perfect ik zal hebben gesteld je zult hebben gesteld hij zal hebben gesteld we zullen hebben gesteld jullie zullen hebben gesteld ze zullen hebben gesteld past perfect ik had gesteld je had gesteld hij had gesteld we hadden gesteld jullie hadden gesteld ze hadden gesteld conditional perfect ik zou hebben gesteld je zou hebben gesteld hij zou hebben gesteld we zouden hebben gesteld jullie zouden hebben gesteld ze zouden hebben gesteld past ik stierf je stierf hij stierf we stierven jullie stierven ze stierven conditional ik zou sterven je zou sterven hij zou sterven we zouden sterven jullie zouden sterven ze zouden sterven present perfect ik ben gestorven je bent gestorven hij is gestorven we zijn gestorven jullie zijn gestorven ze zijn gestorven future perfect ik zal zijn gestorven je zult zijn gestorven hij zal zijn gestorven we zullen zijn gestorven jullie zullen zijn gestorven ze zullen zijn gestorven past perfect ik was gestorven je was gestorven hij was gestorven we waren gestorven jullie waren gestorven ze waren gestorven conditional perfect ik zou zijn gestorven je zou zijn gestorven hij zou zijn gestorven we zouden zijn gestorven jullie zouden zijn gestorven ze zouden zijn gestorven past ik stuurde je stuurde present perfect ik heb gestuurd je hebt gestuurd past perfect ik had gestuurd je had gestuurd .

he we you they hij stuurt we sturen jullie sturen ze sturen future I ik zal sturen you je zult sturen he hij zal sturen we we zullen sturen you jullie zullen sturen they ze zullen sturen terugkomen (to come back) present I ik kom terug you je komt terug he hij komt terug we we komen terug you jullie komen terug they ze komen terug future I ik zal terugkomen you je zult terugkomen he hij zal terugkomen we we zullen terugkomen you jullie zullen terugkomen they ze zullen terugkomen trekken (to pull) present I ik trek you je trekt he hij trekt we we trekken you jullie trekken they ze trekken future I ik zal trekken you je zult trekken he hij zal trekken we we zullen trekken you jullie zullen trekken they ze zullen trekken trouwen (to marry) present I ik trouw you je trouwt he hij trouwt we we trouwen you jullie trouwen they ze trouwen future I ik zal trouwen you je zult trouwen he hij zal trouwen we we zullen trouwen you jullie zullen trouwen they ze zullen trouwen uitleggen (to explain) present I ik leg uit you je legt uit he hij legt uit we we leggen uit you jullie leggen uit they ze leggen uit future I ik zal uitleggen hij stuurde we stuurden jullie stuurden ze stuurden conditional ik zou sturen je zou sturen hij zou sturen we zouden sturen jullie zouden sturen ze zouden sturen hij heeft gestuurd we hebben gestuurd jullie hebben gestuurd ze hebben gestuurd future perfect ik zal hebben gestuurd je zult hebben gestuurd hij zal hebben gestuurd we zullen hebben gestuurd jullie zullen hebben gestuurd ze zullen hebben gestuurd hij had gestuurd we hadden gestuurd jullie hadden gestuurd ze hadden gestuurd conditional perfect ik zou hebben gestuurd je zou hebben gestuurd hij zou hebben gestuurd we zouden hebben gestuurd jullie zouden hebben gestuurd ze zouden hebben gestuurd past ik kwam terug je kwam terug hij kwam terug we kwamen terug jullie kwamen terug ze kwamen terug conditional ik zou terugkomen je zou terugkomen hij zou terugkomen we zouden terugkomen jullie zouden terugkomen ze zouden terugkomen present perfect ik ben teruggekomen je bent teruggekomen hij is teruggekomen we zijn teruggekomen jullie zijn teruggekomen ze zijn teruggekomen future perfect ik zal zijn teruggekomen je zult zijn teruggekomen hij zal zijn teruggekomen we zullen zijn teruggekomen jullie zullen zijn teruggekomen ze zullen zijn teruggekomen past perfect ik was teruggekomen je was teruggekomen hij was teruggekomen we waren teruggekomen jullie waren teruggekomen ze waren teruggekomen conditional perfect ik zou zijn teruggekomen je zou zijn teruggekomen hij zou zijn teruggekomen we zouden zijn teruggekomen jullie zouden zijn teruggekomen ze zouden zijn teruggekomen past ik trok je trok hij trok we trokken jullie trokken ze trokken conditional ik zou trekken je zou trekken hij zou trekken we zouden trekken jullie zouden trekken ze zouden trekken present perfect ik ben getrokken je bent getrokken hij is getrokken we zijn getrokken jullie zijn getrokken ze zijn getrokken future perfect ik zal zijn getrokken je zult zijn getrokken hij zal zijn getrokken we zullen zijn getrokken jullie zullen zijn getrokken ze zullen zijn getrokken past perfect ik was getrokken je was getrokken hij was getrokken we waren getrokken jullie waren getrokken ze waren getrokken conditional perfect ik zou zijn getrokken je zou zijn getrokken hij zou zijn getrokken we zouden zijn getrokken jullie zouden zijn getrokken ze zouden zijn getrokken past ik trouwde je trouwde hij trouwde we trouwden jullie trouwden ze trouwden conditional ik zou trouwen je zou trouwen hij zou trouwen we zouden trouwen jullie zouden trouwen ze zouden trouwen present perfect ik ben getrouwd je bent getrouwd hij is getrouwd we zijn getrouwd jullie zijn getrouwd ze zijn getrouwd future perfect ik zal zijn getrouwd je zult zijn getrouwd hij zal zijn getrouwd we zullen zijn getrouwd jullie zullen zijn getrouwd ze zullen zijn getrouwd past perfect ik was getrouwd je was getrouwd hij was getrouwd we waren getrouwd jullie waren getrouwd ze waren getrouwd conditional perfect ik zou zijn getrouwd je zou zijn getrouwd hij zou zijn getrouwd we zouden zijn getrouwd jullie zouden zijn getrouwd ze zouden zijn getrouwd past ik legde uit je legde uit hij legde uit we legden uit jullie legden uit ze legden uit conditional ik zou uitleggen present perfect ik heb uitgelegd je hebt uitgelegd hij heeft uitgelegd we hebben uitgelegd jullie hebben uitgelegd ze hebben uitgelegd future perfect ik zal hebben uitgelegd past perfect ik had uitgelegd je had uitgelegd hij had uitgelegd we hadden uitgelegd jullie hadden uitgelegd ze hadden uitgelegd conditional perfect ik zou hebben uitgelegd .

to deserve) present I ik verdien you je verdient he hij verdient we we verdienen you jullie verdienen they ze verdienen future I ik zal verdienen you je zult verdienen he hij zal verdienen we we zullen verdienen you jullie zullen verdienen they ze zullen verdienen past ik viel je viel hij viel we vielen jullie vielen ze vielen conditional ik zou vallen je zou vallen hij zou vallen we zouden vallen jullie zouden vallen ze zouden vallen present perfect ik ben gevallen je bent gevallen hij is gevallen we zijn gevallen jullie zijn gevallen ze zijn gevallen future perfect ik zal zijn gevallen je zult zijn gevallen hij zal zijn gevallen we zullen zijn gevallen jullie zullen zijn gevallen ze zullen zijn gevallen past perfect ik was gevallen je was gevallen hij was gevallen we waren gevallen jullie waren gevallen ze waren gevallen conditional perfect ik zou zijn gevallen je zou zijn gevallen hij zou zijn gevallen we zouden zijn gevallen jullie zouden zijn gevallen ze zouden zijn gevallen past ik ving je ving hij ving we vingen jullie vingen ze vingen conditional ik zou vangen je zou vangen hij zou vangen we zouden vangen jullie zouden vangen ze zouden vangen present perfect ik heb gevangen je hebt gevangen hij heeft gevangen we hebben gevangen jullie hebben gevangen ze hebben gevangen future perfect ik zal hebben gevangen je zult hebben gevangen hij zal hebben gevangen we zullen hebben gevangen jullie zullen hebben gevangen ze zullen hebben gevangen past perfect ik had gevangen je had gevangen hij had gevangen we hadden gevangen jullie hadden gevangen ze hadden gevangen conditional perfect ik zou hebben gevangen je zou hebben gevangen hij zou hebben gevangen we zouden hebben gevangen jullie zouden hebben gevangen ze zouden hebben gevangen past ik veranderde je veranderde hij veranderde we veranderden jullie veranderden ze veranderden conditional ik zou veranderen je zou veranderen hij zou veranderen we zouden veranderen jullie zouden veranderen ze zouden veranderen present perfect ik heb veranderd je hebt veranderd hij heeft veranderd we hebben veranderd jullie hebben veranderd ze hebben veranderd future perfect ik zal hebben veranderd je zult hebben veranderd hij zal hebben veranderd we zullen hebben veranderd jullie zullen hebben veranderd ze zullen hebben veranderd past perfect ik had veranderd je had veranderd hij had veranderd we hadden veranderd jullie hadden veranderd ze hadden veranderd conditional perfect ik zou hebben veranderd je zou hebben veranderd hij zou hebben veranderd we zouden hebben veranderd jullie zouden hebben veranderd ze zouden hebben veranderd past ik verdiende je verdiende hij verdiende we verdienden jullie verdienden ze verdienden conditional ik zou verdienen je zou verdienen hij zou verdienen we zouden verdienen jullie zouden verdienen ze zouden verdienen present perfect ik heb verdiend je hebt verdiend hij heeft verdiend we hebben verdiend jullie hebben verdiend ze hebben verdiend future perfect ik zal hebben verdiend je zult hebben verdiend hij zal hebben verdiend we zullen hebben verdiend jullie zullen hebben verdiend ze zullen hebben verdiend past perfect ik had verdiend je had verdiend hij had verdiend we hadden verdiend jullie hadden verdiend ze hadden verdiend conditional perfect ik zou hebben verdiend je zou hebben verdiend hij zou hebben verdiend we zouden hebben verdiend jullie zouden hebben verdiend ze zouden hebben verdiend .you he we you they je zult uitleggen hij zal uitleggen we zullen uitleggen jullie zullen uitleggen ze zullen uitleggen je zou uitleggen hij zou uitleggen we zouden uitleggen jullie zouden uitleggen ze zouden uitleggen je zult hebben uitgelegd hij zal hebben uitgelegd we zullen hebben uitgelegd jullie zullen hebben uitgelegd ze zullen hebben uitgelegd je zou hebben uitgelegd hij zou hebben uitgelegd we zouden hebben uitgelegd jullie zouden hebben uitgelegd ze zouden hebben uitgelegd vallen (to fall) present I ik val you je valt he hij valt we we vallen you jullie vallen they ze vallen future I ik zal vallen you je zult vallen he hij zal vallen we we zullen vallen you jullie zullen vallen they ze zullen vallen vangen (to catch) present I ik vang you je vangt he hij vangt we we vangen you jullie vangen they ze vangen future I ik zal vangen you je zult vangen he hij zal vangen we we zullen vangen you jullie zullen vangen they ze zullen vangen veranderen (to change) present I ik verander you je verandert he hij verandert we we veranderen you jullie veranderen they ze veranderen future I ik zal veranderen you je zult veranderen he hij zal veranderen we we zullen veranderen you jullie zullen veranderen they ze zullen veranderen verdienen (to earn.

vergeten (to forget) present I ik vergeet you je vergeet he hij vergeet we we vergeten you jullie vergeten they ze vergeten future I ik zal vergeten you je zult vergeten he hij zal vergeten we we zullen vergeten you jullie zullen vergeten they ze zullen vergeten vergeven (to forgive) present I ik vergeef you je vergeeft he hij vergeeft we we vergeven you jullie vergeven they ze vergeven future I ik zal vergeven you je zult vergeven he hij zal vergeven we we zullen vergeven you jullie zullen vergeven they ze zullen vergeven verkopen (to sell) present I ik verkoop you je verkoopt he hij verkoopt we we verkopen you jullie verkopen they ze verkopen future I ik zal verkopen you je zult verkopen he hij zal verkopen we we zullen verkopen you jullie zullen verkopen they ze zullen verkopen verlangen (to desire) present I ik verlang you je verlangt he hij verlangt we we verlangen you jullie verlangen they ze verlangen future I ik zal verlangen you je zult verlangen he hij zal verlangen we we zullen verlangen you jullie zullen verlangen they ze zullen verlangen verlaten (to leave) present I ik verlaat you je verlaat he hij verlaat we we verlaten past ik vergat je vergat hij vergat we vergaten jullie vergaten ze vergaten conditional ik zou vergeten je zou vergeten hij zou vergeten we zouden vergeten jullie zouden vergeten ze zouden vergeten present perfect ik heb vergeten je hebt vergeten hij heeft vergeten we hebben vergeten jullie hebben vergeten ze hebben vergeten future perfect ik zal hebben vergeten je zult hebben vergeten hij zal hebben vergeten we zullen hebben vergeten jullie zullen hebben vergeten ze zullen hebben vergeten past perfect ik had vergeten je had vergeten hij had vergeten we hadden vergeten jullie hadden vergeten ze hadden vergeten conditional perfect ik zou hebben vergeten je zou hebben vergeten hij zou hebben vergeten we zouden hebben vergeten jullie zouden hebben vergeten ze zouden hebben vergeten past ik vergaf je vergaf hij vergaf we vergaven jullie vergaven ze vergaven conditional ik zou vergeven je zou vergeven hij zou vergeven we zouden vergeven jullie zouden vergeven ze zouden vergeven present perfect ik heb vergeven je hebt vergeven hij heeft vergeven we hebben vergeven jullie hebben vergeven ze hebben vergeven future perfect ik zal hebben vergeven je zult hebben vergeven hij zal hebben vergeven we zullen hebben vergeven jullie zullen hebben vergeven ze zullen hebben vergeven past perfect ik had vergeven je had vergeven hij had vergeven we hadden vergeven jullie hadden vergeven ze hadden vergeven conditional perfect ik zou hebben vergeven je zou hebben vergeven hij zou hebben vergeven we zouden hebben vergeven jullie zouden hebben vergeven ze zouden hebben vergeven past ik verkocht je verkocht hij verkocht we verkochten jullie verkochten ze verkochten conditional ik zou verkopen je zou verkopen hij zou verkopen we zouden verkopen jullie zouden verkopen ze zouden verkopen present perfect ik heb verkocht je hebt verkocht hij heeft verkocht we hebben verkocht jullie hebben verkocht ze hebben verkocht future perfect ik zal hebben verkocht je zult hebben verkocht hij zal hebben verkocht we zullen hebben verkocht jullie zullen hebben verkocht ze zullen hebben verkocht past perfect ik had verkocht je had verkocht hij had verkocht we hadden verkocht jullie hadden verkocht ze hadden verkocht conditional perfect ik zou hebben verkocht je zou hebben verkocht hij zou hebben verkocht we zouden hebben verkocht jullie zouden hebben verkocht ze zouden hebben verkocht past ik verlangde je verlangde hij verlangde we verlangden jullie verlangden ze verlangden conditional ik zou verlangen je zou verlangen hij zou verlangen we zouden verlangen jullie zouden verlangen ze zouden verlangen present perfect ik heb verlangd je hebt verlangd hij heeft verlangd we hebben verlangd jullie hebben verlangd ze hebben verlangd future perfect ik zal hebben verlangd je zult hebben verlangd hij zal hebben verlangd we zullen hebben verlangd jullie zullen hebben verlangd ze zullen hebben verlangd past perfect ik had verlangd je had verlangd hij had verlangd we hadden verlangd jullie hadden verlangd ze hadden verlangd conditional perfect ik zou hebben verlangd je zou hebben verlangd hij zou hebben verlangd we zouden hebben verlangd jullie zouden hebben verlangd ze zouden hebben verlangd past ik verliet je verliet hij verliet we verlieten present perfect ik heb verlaten je hebt verlaten hij heeft verlaten we hebben verlaten past perfect ik had verlaten je had verlaten hij had verlaten we hadden verlaten .

you jullie verlaten they ze verlaten future I ik zal verlaten you je zult verlaten he hij zal verlaten we we zullen verlaten you jullie zullen verlaten they ze zullen verlaten verliezen (to loose) present I ik verlies you je verliest he hij verliest we we verliezen you jullie verliezen they ze verliezen future I ik zal verliezen you je zult verliezen he hij zal verliezen we we zullen verliezen you jullie zullen verliezen they ze zullen verliezen vertellen (to tell) present I ik vertel you je vertelt he hij vertelt we we vertellen you jullie vertellen they ze vertellen future I ik zal vertellen you je zult vertellen he hij zal vertellen we we zullen vertellen you jullie zullen vertellen they ze zullen vertellen vertrekken (to depart) present I ik vertrek you je vertrekt he hij vertrekt we we vertrekken you jullie vertrekken they ze vertrekken future I ik zal vertrekken you je zult vertrekken he hij zal vertrekken we we zullen vertrekken you jullie zullen vertrekken they ze zullen vertrekken vertalen (to translate) present I ik vertaal you je vertaalt he hij vertaalt we we vertalen you jullie vertalen they ze vertalen future I ik zal vertalen you je zult vertalen he hij zal vertalen jullie verlieten ze verlieten conditional ik zou verlaten je zou verlaten hij zou verlaten we zouden verlaten jullie zouden verlaten ze zouden verlaten jullie hebben verlaten ze hebben verlaten future perfect ik zal hebben verlaten je zult hebben verlaten hij zal hebben verlaten we zullen hebben verlaten jullie zullen hebben verlaten ze zullen hebben verlaten jullie hadden verlaten ze hadden verlaten conditional perfect ik zou hebben verlaten je zou hebben verlaten hij zou hebben verlaten we zouden hebben verlaten jullie zouden hebben verlaten ze zouden hebben verlaten past ik verloor je verloor hij verloor we verloren jullie verloren ze verloren conditional ik zou verliezen je zou verliezen hij zou verliezen we zouden verliezen jullie zouden verliezen ze zouden verliezen present perfect ik heb verloren je hebt verloren hij heeft verloren we hebben verloren jullie hebben verloren ze hebben verloren future perfect ik zal hebben verloren je zult hebben verloren hij zal hebben verloren we zullen hebben verloren jullie zullen hebben verloren ze zullen hebben verloren past perfect ik had verloren je had verloren hij had verloren we hadden verloren jullie hadden verloren ze hadden verloren conditional perfect ik zou hebben verloren je zou hebben verloren hij zou hebben verloren we zouden hebben verloren jullie zouden hebben verloren ze zouden hebben verloren past ik vertelde je vertelde hij vertelde we vertelden jullie vertelden ze vertelden conditional ik zou vertellen je zou vertellen hij zou vertellen we zouden vertellen jullie zouden vertellen ze zouden vertellen present perfect ik heb verteld je hebt verteld hij heeft verteld we hebben verteld jullie hebben verteld ze hebben verteld future perfect ik zal hebben verteld je zult hebben verteld hij zal hebben verteld we zullen hebben verteld jullie zullen hebben verteld ze zullen hebben verteld past perfect ik had verteld je had verteld hij had verteld we hadden verteld jullie hadden verteld ze hadden verteld conditional perfect ik zou hebben verteld je zou hebben verteld hij zou hebben verteld we zouden hebben verteld jullie zouden hebben verteld ze zouden hebben verteld past ik vertrok je vertrok hij vertrok we vertrokken jullie vertrokken ze vertrokken conditional ik zou vertrekken je zou vertrekken hij zou vertrekken we zouden vertrekken jullie zouden vertrekken ze zouden vertrekken present perfect ik ben vertrokken je bent vertrokken hij is vertrokken we zijn vertrokken jullie zijn vertrokken ze zijn vertrokken future perfect ik zal zijn vertrokken je zult zijn vertrokken hij zal zijn vertrokken we zullen zijn vertrokken jullie zullen zijn vertrokken ze zullen zijn vertrokken past perfect ik was vertrokken je was vertrokken hij was vertrokken we waren vertrokken jullie waren vertrokken ze waren vertrokken conditional perfect ik zou zijn vertrokken je zou zijn vertrokken hij zou zijn vertrokken we zouden zijn vertrokken jullie zouden zijn vertrokken ze zouden zijn vertrokken past ik vertaalde je vertaalde hij vertaalde we vertaalden jullie vertaalden ze vertaalden conditional ik zou vertalen je zou vertalen hij zou vertalen present perfect ik heb vertaald je hebt vertaald hij heeft vertaald we hebben vertaald jullie hebben vertaald ze hebben vertaald future perfect ik zal hebben vertaald je zult hebben vertaald hij zal hebben vertaald past perfect ik had vertaald je had vertaald hij had vertaald we hadden vertaald jullie hadden vertaald ze hadden vertaald conditional perfect ik zou hebben vertaald je zou hebben vertaald hij zou hebben vertaald .

flown)) present I ik vlieg you je vliegt he hij vliegt we we vliegen you jullie vliegen they ze vliegen future I ik zal vliegen you je zult vliegen he hij zal vliegen we we zullen vliegen you jullie zullen vliegen they ze zullen vliegen voorkomen (to prevent) present I ik voorkom you je voorkomt he hij voorkomt we we voorkomen you jullie voorkomen they ze voorkomen future I ik zal voorkomen you je zult voorkomen he hij zal voorkomen we we zullen voorkomen you jullie zullen voorkomen they ze zullen voorkomen voorkomen (to occur) present we zouden vertalen jullie zouden vertalen ze zouden vertalen we zullen hebben vertaald jullie zullen hebben vertaald ze zullen hebben vertaald we zouden hebben vertaald jullie zouden hebben vertaald ze zouden hebben vertaald past ik vertrouwde je vertrouwde hij vertrouwde we vertrouwden jullie vertrouwden ze vertrouwden conditional ik zou vertrouwen je zou vertrouwen hij zou vertrouwen we zouden vertrouwen jullie zouden vertrouwen ze zouden vertrouwen present perfect ik heb vertrouwd je hebt vertrouwd hij heeft vertrouwd we hebben vertrouwd jullie hebben vertrouwd ze hebben vertrouwd future perfect ik zal hebben vertrouwd je zult hebben vertrouwd hij zal hebben vertrouwd we zullen hebben vertrouwd jullie zullen hebben vertrouwd ze zullen hebben vertrouwd past perfect ik had vertrouwd je had vertrouwd hij had vertrouwd we hadden vertrouwd jullie hadden vertrouwd ze hadden vertrouwd conditional perfect ik zou hebben vertrouwd je zou hebben vertrouwd hij zou hebben vertrouwd we zouden hebben vertrouwd jullie zouden hebben vertrouwd ze zouden hebben vertrouwd past ik vond je vond hij vond we vonden jullie vonden ze vonden conditional ik zou vinden je zou vinden hij zou vinden we zouden vinden jullie zouden vinden ze zouden vinden present perfect ik heb gevonden je hebt gevonden hij heeft gevonden we hebben gevonden jullie hebben gevonden ze hebben gevonden future perfect ik zal hebben gevonden je zult hebben gevonden hij zal hebben gevonden we zullen hebben gevonden jullie zullen hebben gevonden ze zullen hebben gevonden past perfect ik had gevonden je had gevonden hij had gevonden we hadden gevonden jullie hadden gevonden ze hadden gevonden conditional perfect ik zou hebben gevonden je zou hebben gevonden hij zou hebben gevonden we zouden hebben gevonden jullie zouden hebben gevonden ze zouden hebben gevonden past ik vloog je vloog hij vloog we vlogen jullie vlogen ze vlogen conditional ik zou vliegen je zou vliegen hij zou vliegen we zouden vliegen jullie zouden vliegen ze zouden vliegen present perfect ik heb gevlogen je hebt gevlogen hij heeft gevlogen we hebben gevlogen jullie hebben gevlogen ze hebben gevlogen future perfect ik zal hebben gevlogen je zult hebben gevlogen hij zal hebben gevlogen we zullen hebben gevlogen jullie zullen hebben gevlogen ze zullen hebben gevlogen past perfect ik had gevlogen je had gevlogen hij had gevlogen we hadden gevlogen jullie hadden gevlogen ze hadden gevlogen conditional perfect ik zou hebben gevlogen je zou hebben gevlogen hij zou hebben gevlogen we zouden hebben gevlogen jullie zouden hebben gevlogen ze zouden hebben gevlogen past ik voorkwam je voorkwam hij voorkwam we voorkwamen jullie voorkwamen ze voorkwamen conditional ik zou voorkomen je zou voorkomen hij zou voorkomen we zouden voorkomen jullie zouden voorkomen ze zouden voorkomen present perfect ik heb voorkomen je hebt voorkomen hij heeft voorkomen we hebben voorkomen jullie hebben voorkomen ze hebben voorkomen future perfect ik zal hebben voorkomen je zult hebben voorkomen hij zal hebben voorkomen we zullen hebben voorkomen jullie zullen hebben voorkomen ze zullen hebben voorkomen past perfect ik had voorkomen je had voorkomen hij had voorkomen we hadden voorkomen jullie hadden voorkomen ze hadden voorkomen conditional perfect ik zou hebben voorkomen je zou hebben voorkomen hij zou hebben voorkomen we zouden hebben voorkomen jullie zouden hebben voorkomen ze zouden hebben voorkomen past present perfect past perfect .we we zullen vertalen you jullie zullen vertalen they ze zullen vertalen vertrouwen (to trust) present I ik vertrouw you je vertrouwt he hij vertrouwt we we vertrouwen you jullie vertrouwen they ze vertrouwen future I ik zal vertrouwen you je zult vertrouwen he hij zal vertrouwen we we zullen vertrouwen you jullie zullen vertrouwen they ze zullen vertrouwen vinden (to find) present I ik vind you je vindt he hij vindt we we vinden you jullie vinden they ze vinden future I ik zal vinden you je zult vinden he hij zal vinden we we zullen vinden you jullie zullen vinden they ze zullen vinden vliegen (to fly (flew.

I you he we you they ik kom voor je komt voor hij komt voor we komen voor jullie komen voor ze komen voor future I ik zal voorkomen you je zult voorkomen he hij zal voorkomen we we zullen voorkomen you jullie zullen voorkomen they ze zullen voorkomen ik kwam voor je kwam voor hij kwam voor we kwamen voor jullie kwamen voor ze kwamen voor conditional ik zou voorkomen je zou voorkomen hij zou voorkomen we zouden voorkomen jullie zouden voorkomen ze zouden voorkomen ik ben voorgekomen je bent voorgekomen hij is voorgekomen we zijn voorgekomen jullie zijn voorgekomen ze zijn voorgekomen future perfect ik zal zijn voorgekomen je zult zijn voorgekomen hij zal zijn voorgekomen we zullen zijn voorgekomen jullie zullen zijn voorgekomen ze zullen zijn voorgekomen ik was voorgekomen je was voorgekomen hij was voorgekomen we waren voorgekomen jullie waren voorgekomen ze waren voorgekomen conditional perfect ik zou zijn voorgekomen je zou zijn voorgekomen hij zou zijn voorgekomen we zouden zijn voorgekomen jullie zouden zijn voorgekomen ze zouden zijn voorgekomen voorstellen (to introduce. to imagine) present past I ik stel voor ik stelde voor you je stelt voor je stelde voor he hij stelt voor hij stelde voor we we stellen voor we stelden voor you jullie stellen voor jullie stelden voor they ze stellen voor ze stelden voor future conditional I ik zal voorstellen ik zou voorstellen you je zult voorstellen je zou voorstellen he hij zal voorstellen hij zou voorstellen we we zullen voorstellen we zouden voorstellen you jullie zullen voorstellen jullie zouden voorstellen they ze zullen voorstellen ze zouden voorstellen vormen (to shape) present I ik vorm you je vormt he hij vormt we we vormen you jullie vormen they ze vormen future I ik zal vormen you je zult vormen he hij zal vormen we we zullen vormen you jullie zullen vormen they ze zullen vormen vallen (to fall) present I ik val you je valt he hij valt we we vallen you jullie vallen they ze vallen future I ik zal vallen you je zult vallen he hij zal vallen we we zullen vallen you jullie zullen vallen they ze zullen vallen vragen (to ask) present I ik vraag you je vraagt he hij vraagt we we vragen you jullie vragen they ze vragen present perfect ik heb voorgesteld je hebt voorgesteld hij heeft voorgesteld we hebben voorgesteld jullie hebben voorgesteld ze hebben voorgesteld future perfect ik zal hebben voorgesteld je zult hebben voorgesteld hij zal hebben voorgesteld we zullen hebben voorgesteld jullie zullen hebben voorgesteld ze zullen hebben voorgesteld past perfect ik had voorgesteld je had voorgesteld hij had voorgesteld we hadden voorgesteld jullie hadden voorgesteld ze hadden voorgesteld conditional perfect ik zou hebben voorgesteld je zou hebben voorgesteld hij zou hebben voorgesteld we zouden hebben voorgesteld jullie zouden hebben voorgesteld ze zouden hebben voorgesteld past ik vormde je vormde hij vormde we vormden jullie vormden ze vormden conditional ik zou vormen je zou vormen hij zou vormen we zouden vormen jullie zouden vormen ze zouden vormen present perfect ik heb gevormd je hebt gevormd hij heeft gevormd we hebben gevormd jullie hebben gevormd ze hebben gevormd future perfect ik zal hebben gevormd je zult hebben gevormd hij zal hebben gevormd we zullen hebben gevormd jullie zullen hebben gevormd ze zullen hebben gevormd past perfect ik had gevormd je had gevormd hij had gevormd we hadden gevormd jullie hadden gevormd ze hadden gevormd conditional perfect ik zou hebben gevormd je zou hebben gevormd hij zou hebben gevormd we zouden hebben gevormd jullie zouden hebben gevormd ze zouden hebben gevormd past ik viel je viel hij viel we vielen jullie vielen ze vielen conditional ik zou vallen je zou vallen hij zou vallen we zouden vallen jullie zouden vallen ze zouden vallen present perfect ik ben gevallen je bent gevallen hij is gevallen we zijn gevallen jullie zijn gevallen ze zijn gevallen future perfect ik zal zijn gevallen je zult zijn gevallen hij zal zijn gevallen we zullen zijn gevallen jullie zullen zijn gevallen ze zullen zijn gevallen past perfect ik was gevallen je was gevallen hij was gevallen we waren gevallen jullie waren gevallen ze waren gevallen conditional perfect ik zou zijn gevallen je zou zijn gevallen hij zou zijn gevallen we zouden zijn gevallen jullie zouden zijn gevallen ze zouden zijn gevallen past ik vroeg je vroeg hij vroeg we vroegen jullie vroegen ze vroegen present perfect ik heb gevraagd je hebt gevraagd hij heeft gevraagd we hebben gevraagd jullie hebben gevraagd ze hebben gevraagd past perfect ik had gevraagd je had gevraagd hij had gevraagd we hadden gevraagd jullie hadden gevraagd ze hadden gevraagd .

I you he we you they future ik zal vragen je zult vragen hij zal vragen we zullen vragen jullie zullen vragen ze zullen vragen conditional ik zou vragen je zou vragen hij zou vragen we zouden vragen jullie zouden vragen ze zouden vragen future perfect ik zal hebben gevraagd je zult hebben gevraagd hij zal hebben gevraagd we zullen hebben gevraagd jullie zullen hebben gevraagd ze zullen hebben gevraagd conditional perfect ik zou hebben gevraagd je zou hebben gevraagd hij zou hebben gevraagd we zouden hebben gevraagd jullie zouden hebben gevraagd ze zouden hebben gevraagd wachten (to wait) present I ik wacht you je wacht he hij wacht we we wachten you jullie wachten they ze wachten future I ik zal wachten you je zult wachten he hij zal wachten we we zullen wachten you jullie zullen wachten they ze zullen wachten wandelen (to stroll. to function) present I ik werk you je werkt he hij werkt we we werken you jullie werken they ze werken future I ik zal werken you je zult werken he hij zal werken we we zullen werken you jullie zullen werken they ze zullen werken weten (to know) present I ik weet you je weet he hij weet we we weten you jullie weten they ze weten future I ik zal weten you je zult weten he hij zal weten we we zullen weten you jullie zullen weten past ik wachtte je wachtte hij wachtte we wachtten jullie wachtten ze wachtten conditional ik zou wachten je zou wachten hij zou wachten we zouden wachten jullie zouden wachten ze zouden wachten present perfect ik heb gewacht je hebt gewacht hij heeft gewacht we hebben gewacht jullie hebben gewacht ze hebben gewacht future perfect ik zal hebben gewacht je zult hebben gewacht hij zal hebben gewacht we zullen hebben gewacht jullie zullen hebben gewacht ze zullen hebben gewacht past perfect ik had gewacht je had gewacht hij had gewacht we hadden gewacht jullie hadden gewacht ze hadden gewacht conditional perfect ik zou hebben gewacht je zou hebben gewacht hij zou hebben gewacht we zouden hebben gewacht jullie zouden hebben gewacht ze zouden hebben gewacht past ik wandelde je wandelde hij wandelde we wandelden jullie wandelden ze wandelden conditional ik zou wandelen je zou wandelen hij zou wandelen we zouden wandelen jullie zouden wandelen ze zouden wandelen present perfect ik heb gewandeld je hebt gewandeld hij heeft gewandeld we hebben gewandeld jullie hebben gewandeld ze hebben gewandeld future perfect ik zal hebben gewandeld je zult hebben gewandeld hij zal hebben gewandeld we zullen hebben gewandeld jullie zullen hebben gewandeld ze zullen hebben gewandeld past perfect ik had gewandeld je had gewandeld hij had gewandeld we hadden gewandeld jullie hadden gewandeld ze hadden gewandeld conditional perfect ik zou hebben gewandeld je zou hebben gewandeld hij zou hebben gewandeld we zouden hebben gewandeld jullie zouden hebben gewandeld ze zouden hebben gewandeld past ik werkte je werkte hij werkte we werkten jullie werkten ze werkten conditional ik zou werken je zou werken hij zou werken we zouden werken jullie zouden werken ze zouden werken present perfect ik heb gewerkt je hebt gewerkt hij heeft gewerkt we hebben gewerkt jullie hebben gewerkt ze hebben gewerkt future perfect ik zal hebben gewerkt je zult hebben gewerkt hij zal hebben gewerkt we zullen hebben gewerkt jullie zullen hebben gewerkt ze zullen hebben gewerkt past perfect ik had gewerkt je had gewerkt hij had gewerkt we hadden gewerkt jullie hadden gewerkt ze hadden gewerkt conditional perfect ik zou hebben gewerkt je zou hebben gewerkt hij zou hebben gewerkt we zouden hebben gewerkt jullie zouden hebben gewerkt ze zouden hebben gewerkt past ik wist je wist hij wist we wisten jullie wisten ze wisten conditional ik zou weten je zou weten hij zou weten we zouden weten jullie zouden weten present perfect ik heb geweten je hebt geweten hij heeft geweten we hebben geweten jullie hebben geweten ze hebben geweten future perfect ik zal hebben geweten je zult hebben geweten hij zal hebben geweten we zullen hebben geweten jullie zullen hebben geweten past perfect ik had geweten je had geweten hij had geweten we hadden geweten jullie hadden geweten ze hadden geweten conditional perfect ik zou hebben geweten je zou hebben geweten hij zou hebben geweten we zouden hebben geweten jullie zouden hebben geweten . to walk) present I ik wandel you je wandelt he hij wandelt we we wandelen you jullie wandelen they ze wandelen future I ik zal wandelen you je zult wandelen he hij zal wandelen we we zullen wandelen you jullie zullen wandelen they ze zullen wandelen werken (to work.

they ze zullen weten willen (to want) present I ik wil you je wil he hij wil we we willen you jullie willen they ze willen future I ik zal willen you je zult willen he hij zal willen we we zullen willen you jullie zullen willen they ze zullen willen worden (to become) present I ik word you je wordt he hij wordt we we worden you jullie worden they ze worden future I ik zal worden you je zult worden he hij zal worden we we zullen worden you jullie zullen worden they ze zullen worden wonen (to dwell) present I ik woon you je woont he hij woont we we wonen you jullie wonen they ze wonen future I ik zal wonen you je zult wonen he hij zal wonen we we zullen wonen you jullie zullen wonen they ze zullen wonen zakken (to go down) present I ik zak you je zakt he hij zakt we we zakken you jullie zakken they ze zakken future I ik zal zakken you je zult zakken he hij zal zakken we we zullen zakken you jullie zullen zakken they ze zullen zakken zeggen (to say) present I ik zeg you je zegt ze zouden weten ze zullen hebben geweten ze zouden hebben geweten past ik wilde je wilde hij wilde we wilden jullie wilden ze wilden conditional ik zou willen je zou willen hij zou willen we zouden willen jullie zouden willen ze zouden willen present perfect ik heb gewild je hebt gewild hij heeft gewild we hebben gewild jullie hebben gewild ze hebben gewild future perfect ik zal hebben gewild je zult hebben gewild hij zal hebben gewild we zullen hebben gewild jullie zullen hebben gewild ze zullen hebben gewild past perfect ik had gewild je had gewild hij had gewild we hadden gewild jullie hadden gewild ze hadden gewild conditional perfect ik zou hebben gewild je zou hebben gewild hij zou hebben gewild we zouden hebben gewild jullie zouden hebben gewild ze zouden hebben gewild past ik werd je werd hij werd we werden jullie werden ze werden conditional ik zou worden je zou worden hij zou worden we zouden worden jullie zouden worden ze zouden worden present perfect ik ben geworden je bent geworden hij is geworden we zijn geworden jullie zijn geworden ze zijn geworden future perfect ik zal zijn geworden je zult zijn geworden hij zal zijn geworden we zullen zijn geworden jullie zullen zijn geworden ze zullen zijn geworden past perfect ik was geworden je was geworden hij was geworden we waren geworden jullie waren geworden ze waren geworden conditional perfect ik zou zijn geworden je zou zijn geworden hij zou zijn geworden we zouden zijn geworden jullie zouden zijn geworden ze zouden zijn geworden past ik woonde je woonde hij woonde we woonden jullie woonden ze woonden conditional ik zou wonen je zou wonen hij zou wonen we zouden wonen jullie zouden wonen ze zouden wonen present perfect ik heb gewoond je hebt gewoond hij heeft gewoond we hebben gewoond jullie hebben gewoond ze hebben gewoond future perfect ik zal hebben gewoond je zult hebben gewoond hij zal hebben gewoond we zullen hebben gewoond jullie zullen hebben gewoond ze zullen hebben gewoond past perfect ik had gewoond je had gewoond hij had gewoond we hadden gewoond jullie hadden gewoond ze hadden gewoond conditional perfect ik zou hebben gewoond je zou hebben gewoond hij zou hebben gewoond we zouden hebben gewoond jullie zouden hebben gewoond ze zouden hebben gewoond past ik zakte je zakte hij zakte we zakten jullie zakten ze zakten conditional ik zou zakken je zou zakken hij zou zakken we zouden zakken jullie zouden zakken ze zouden zakken present perfect ik ben gezakt je bent gezakt hij is gezakt we zijn gezakt jullie zijn gezakt ze zijn gezakt future perfect ik zal zijn gezakt je zult zijn gezakt hij zal zijn gezakt we zullen zijn gezakt jullie zullen zijn gezakt ze zullen zijn gezakt past perfect ik was gezakt je was gezakt hij was gezakt we waren gezakt jullie waren gezakt ze waren gezakt conditional perfect ik zou zijn gezakt je zou zijn gezakt hij zou zijn gezakt we zouden zijn gezakt jullie zouden zijn gezakt ze zouden zijn gezakt past ik zei je zei present perfect ik heb gezegd je hebt gezegd past perfect ik had gezegd je had gezegd .

he we you they hij zegt we zeggen jullie zeggen ze zeggen future I ik zal zeggen you je zult zeggen he hij zal zeggen we we zullen zeggen you jullie zullen zeggen they ze zullen zeggen zeilen (to sail a sailing boat) present I ik zeil you je zeilt he hij zeilt we we zeilen you jullie zeilen they ze zeilen future I ik zal zeilen you je zult zeilen he hij zal zeilen we we zullen zeilen you jullie zullen zeilen they ze zullen zeilen zetten (to put. to recall) present past I ik herinner me ik herinnerde me you je herinnert je je herinnerde je he hij herinnert zich hij herinnerde zich we we herinneren ons we herinnerden ons you jullie herinneren je jullie herinnerden je they ze herinneren zich ze herinnerden zich future conditional I ik zal me herinneren ik zou me herinneren present perfect ik heb me herinnerd je hebt je herinnerd hij heeft zich herinnerd we hebben ons herinnerd jullie hebben je herinnerd ze hebben zich herinnerd future perfect ik zal me hebben herinnerd past perfect ik had me herinnerd je had je herinnerd hij had zich herinnerd we hadden ons herinnerd jullie hadden je herinnerd ze hadden zich herinnerd conditional perfect ik zou me hebben herinnerd . to place) present I ik zet you je zet he hij zet we we zetten you jullie zetten they ze zetten future I ik zal zetten you je zult zetten he hij zal zetten we we zullen zetten you jullie zullen zetten they ze zullen zetten zeven (to sift) present I ik zeef you je zeeft he hij zeeft we we zeven you jullie zeven they ze zeven future I ik zal zeven you je zult zeven he hij zal zeven we we zullen zeven you jullie zullen zeven they ze zullen zeven hij zei we zeiden jullie zeiden ze zeiden conditional ik zou zeggen je zou zeggen hij zou zeggen we zouden zeggen jullie zouden zeggen ze zouden zeggen hij heeft gezegd we hebben gezegd jullie hebben gezegd ze hebben gezegd future perfect ik zal hebben gezegd je zult hebben gezegd hij zal hebben gezegd we zullen hebben gezegd jullie zullen hebben gezegd ze zullen hebben gezegd hij had gezegd we hadden gezegd jullie hadden gezegd ze hadden gezegd conditional perfect ik zou hebben gezegd je zou hebben gezegd hij zou hebben gezegd we zouden hebben gezegd jullie zouden hebben gezegd ze zouden hebben gezegd past ik zeilde je zeilde hij zeilde we zeilden jullie zeilden ze zeilden conditional ik zou zeilen je zou zeilen hij zou zeilen we zouden zeilen jullie zouden zeilen ze zouden zeilen present perfect ik heb gezeild je hebt gezeild hij heeft gezeild we hebben gezeild jullie hebben gezeild ze hebben gezeild future perfect ik zal hebben gezeild je zult hebben gezeild hij zal hebben gezeild we zullen hebben gezeild jullie zullen hebben gezeild ze zullen hebben gezeild past perfect ik had gezeild je had gezeild hij had gezeild we hadden gezeild jullie hadden gezeild ze hadden gezeild conditional perfect ik zou hebben gezeild je zou hebben gezeild hij zou hebben gezeild we zouden hebben gezeild jullie zouden hebben gezeild ze zouden hebben gezeild past ik zette je zette hij zette we zetten jullie zetten ze zetten conditional ik zou zetten je zou zetten hij zou zetten we zouden zetten jullie zouden zetten ze zouden zetten present perfect ik heb gezet je hebt gezet hij heeft gezet we hebben gezet jullie hebben gezet ze hebben gezet future perfect ik zal hebben gezet je zult hebben gezet hij zal hebben gezet we zullen hebben gezet jullie zullen hebben gezet ze zullen hebben gezet past perfect ik had gezet je had gezet hij had gezet we hadden gezet jullie hadden gezet ze hadden gezet conditional perfect ik zou hebben gezet je zou hebben gezet hij zou hebben gezet we zouden hebben gezet jullie zouden hebben gezet ze zouden hebben gezet past ik zeefde je zeefde hij zeefde we zeefden jullie zeefden ze zeefden conditional ik zou zeven je zou zeven hij zou zeven we zouden zeven jullie zouden zeven ze zouden zeven present perfect ik heb gezeefd je hebt gezeefd hij heeft gezeefd we hebben gezeefd jullie hebben gezeefd ze hebben gezeefd future perfect ik zal hebben gezeefd je zult hebben gezeefd hij zal hebben gezeefd we zullen hebben gezeefd jullie zullen hebben gezeefd ze zullen hebben gezeefd past perfect ik had gezeefd je had gezeefd hij had gezeefd we hadden gezeefd jullie hadden gezeefd ze hadden gezeefd conditional perfect ik zou hebben gezeefd je zou hebben gezeefd hij zou hebben gezeefd we zouden hebben gezeefd jullie zouden hebben gezeefd ze zouden hebben gezeefd zich herinneren (to remember.

you he we you they je zult je herinneren hij zal zich herinneren we zullen ons herinneren jullie zullen je herinneren ze zullen zich herinneren je zou je herinneren hij zou zich herinneren we zouden ons herinneren jullie zouden je herinneren ze zouden zich herinneren je zult je hebben herinnerd hij zal zich hebben herinnerd we zullen ons hebben herinnerd jullie zullen je hebben herinnerd ze zullen zich hebben herinnerd je zou je hebben herinnerd hij zou zich hebben herinnerd we zouden ons hebben herinnerd jullie zouden je hebben herinnerd ze zouden zich hebben herinnerd zien (to see) present I ik zie you je ziet he hij ziet we we zien you jullie zien they ze zien future I ik zal zien you je zult zien he hij zal zien we we zullen zien you jullie zullen zien they ze zullen zien zingen (to sing) present I ik zing you je zingt he hij zingt we we zingen you jullie zingen they ze zingen future I ik zal zingen you je zult zingen he hij zal zingen we we zullen zingen you jullie zullen zingen they ze zullen zingen zitten (to sit) present I ik zit you je zit he hij zit we we zitten you jullie zitten they ze zitten future I ik zal zitten you je zult zitten he hij zal zitten we we zullen zitten you jullie zullen zitten they ze zullen zitten zoeken (to seek) present I ik zoek you je zoekt he hij zoekt we we zoeken you jullie zoeken they ze zoeken future I ik zal zoeken you je zult zoeken he hij zal zoeken we we zullen zoeken you jullie zullen zoeken they ze zullen zoeken past ik zag je zag hij zag we zagen jullie zagen ze zagen conditional ik zou zien je zou zien hij zou zien we zouden zien jullie zouden zien ze zouden zien present perfect ik heb gezien je hebt gezien hij heeft gezien we hebben gezien jullie hebben gezien ze hebben gezien future perfect ik zal hebben gezien je zult hebben gezien hij zal hebben gezien we zullen hebben gezien jullie zullen hebben gezien ze zullen hebben gezien past perfect ik had gezien je had gezien hij had gezien we hadden gezien jullie hadden gezien ze hadden gezien conditional perfect ik zou hebben gezien je zou hebben gezien hij zou hebben gezien we zouden hebben gezien jullie zouden hebben gezien ze zouden hebben gezien past ik zong je zong hij zong we zongen jullie zongen ze zongen conditional ik zou zingen je zou zingen hij zou zingen we zouden zingen jullie zouden zingen ze zouden zingen present perfect ik heb gezongen je hebt gezongen hij heeft gezongen we hebben gezongen jullie hebben gezongen ze hebben gezongen future perfect ik zal hebben gezongen je zult hebben gezongen hij zal hebben gezongen we zullen hebben gezongen jullie zullen hebben gezongen ze zullen hebben gezongen past perfect ik had gezongen je had gezongen hij had gezongen we hadden gezongen jullie hadden gezongen ze hadden gezongen conditional perfect ik zou hebben gezongen je zou hebben gezongen hij zou hebben gezongen we zouden hebben gezongen jullie zouden hebben gezongen ze zouden hebben gezongen past ik zat je zat hij zat we zaten jullie zaten ze zaten conditional ik zou zitten je zou zitten hij zou zitten we zouden zitten jullie zouden zitten ze zouden zitten present perfect ik heb gezeten je hebt gezeten hij heeft gezeten we hebben gezeten jullie hebben gezeten ze hebben gezeten future perfect ik zal hebben gezeten je zult hebben gezeten hij zal hebben gezeten we zullen hebben gezeten jullie zullen hebben gezeten ze zullen hebben gezeten past perfect ik had gezeten je had gezeten hij had gezeten we hadden gezeten jullie hadden gezeten ze hadden gezeten conditional perfect ik zou hebben gezeten je zou hebben gezeten hij zou hebben gezeten we zouden hebben gezeten jullie zouden hebben gezeten ze zouden hebben gezeten past ik zocht je zocht hij zocht we zochten jullie zochten ze zochten conditional ik zou zoeken je zou zoeken hij zou zoeken we zouden zoeken jullie zouden zoeken ze zouden zoeken present perfect ik heb gezocht je hebt gezocht hij heeft gezocht we hebben gezocht jullie hebben gezocht ze hebben gezocht future perfect ik zal hebben gezocht je zult hebben gezocht hij zal hebben gezocht we zullen hebben gezocht jullie zullen hebben gezocht ze zullen hebben gezocht past perfect ik had gezocht je had gezocht hij had gezocht we hadden gezocht jullie hadden gezocht ze hadden gezocht conditional perfect ik zou hebben gezocht je zou hebben gezocht hij zou hebben gezocht we zouden hebben gezocht jullie zouden hebben gezocht ze zouden hebben gezocht .

zorgen (to take care (of)) present I ik zorg you je zorgt he hij zorgt we we zorgen you jullie zorgen they ze zorgen future I ik zal zorgen you je zult zorgen he hij zal zorgen we we zullen zorgen you jullie zullen zorgen they ze zullen zorgen zwaaien (to wave) present I ik zwaai you je zwaait he hij zwaait we we zwaaien you jullie zwaaien they ze zwaaien future I ik zal zwaaien you je zult zwaaien he hij zal zwaaien we we zullen zwaaien you jullie zullen zwaaien they ze zullen zwaaien zwemmen (to swim) present I ik zwem you je zwemt he hij zwemt we we zwemmen you jullie zwemmen they ze zwemmen future I ik zal zwemmen you je zult zwemmen he hij zal zwemmen we we zullen zwemmen you jullie zullen zwemmen they ze zullen zwemmen past ik zorgde je zorgde hij zorgde we zorgden jullie zorgden ze zorgden conditional ik zou zorgen je zou zorgen hij zou zorgen we zouden zorgen jullie zouden zorgen ze zouden zorgen present perfect ik heb gezorgd je hebt gezorgd hij heeft gezorgd we hebben gezorgd jullie hebben gezorgd ze hebben gezorgd future perfect ik zal hebben gezorgd je zult hebben gezorgd hij zal hebben gezorgd we zullen hebben gezorgd jullie zullen hebben gezorgd ze zullen hebben gezorgd past perfect ik had gezorgd je had gezorgd hij had gezorgd we hadden gezorgd jullie hadden gezorgd ze hadden gezorgd conditional perfect ik zou hebben gezorgd je zou hebben gezorgd hij zou hebben gezorgd we zouden hebben gezorgd jullie zouden hebben gezorgd ze zouden hebben gezorgd past ik zwaaide je zwaaide hij zwaaide we zwaaiden jullie zwaaiden ze zwaaiden conditional ik zou zwaaien je zou zwaaien hij zou zwaaien we zouden zwaaien jullie zouden zwaaien ze zouden zwaaien present perfect ik heb gezwaaid je hebt gezwaaid hij heeft gezwaaid we hebben gezwaaid jullie hebben gezwaaid ze hebben gezwaaid future perfect ik zal hebben gezwaaid je zult hebben gezwaaid hij zal hebben gezwaaid we zullen hebben gezwaaid jullie zullen hebben gezwaaid ze zullen hebben gezwaaid past perfect ik had gezwaaid je had gezwaaid hij had gezwaaid we hadden gezwaaid jullie hadden gezwaaid ze hadden gezwaaid conditional perfect ik zou hebben gezwaaid je zou hebben gezwaaid hij zou hebben gezwaaid we zouden hebben gezwaaid jullie zouden hebben gezwaaid ze zouden hebben gezwaaid past ik zwom je zwom hij zwom we zwommen jullie zwommen ze zwommen conditional ik zou zwemmen je zou zwemmen hij zou zwemmen we zouden zwemmen jullie zouden zwemmen ze zouden zwemmen present perfect ik heb gezwommen je hebt gezwommen hij heeft gezwommen we hebben gezwommen jullie hebben gezwommen ze hebben gezwommen future perfect ik zal hebben gezwommen je zult hebben gezwommen hij zal hebben gezwommen we zullen hebben gezwommen jullie zullen hebben gezwommen ze zullen hebben gezwommen past perfect ik had gezwommen je had gezwommen hij had gezwommen we hadden gezwommen jullie hadden gezwommen ze hadden gezwommen conditional perfect ik zou hebben gezwommen je zou hebben gezwommen hij zou hebben gezwommen we zouden hebben gezwommen jullie zouden hebben gezwommen ze zouden hebben gezwommen .

to put. ricevere kunnen (can) potere kussen (to kiss) baciare lachen (to laugh) ridere laten (to let. to walk) werken (to work. piacere geven (to give) dare glijden (to slide. to steer) terugkomen (to come back) trekken (to pull) trouwen (to marry) uitleggen (to explain) vallen (to fall) vangen (to catch) veranderen (to change) verdienen (to earn. to be acquainted with) conoscere kiezen (to choose) scegliere kijken (to look) guardare komen (to come) arrivare kopen (to buy) comprare kosten (to cost) costare krijgen (to receive.Important Verbs zijn (to be) essere hebben (to have) avere zullen (shall. to deserve) vergeten (to forget) vergeven (to forgive) verkopen (to sell) verlangen (to desire) verlaten (to leave) verliezen (to loose) vertellen (to tell) vertrekken (to depart) vertalen (to translate) vertrouwen (to trust) vinden (to find) vliegen (to fly (flew. flown)) voorkomen (to prevent) voorkomen (to occur) voorstellen (to introduce. to glide) scivolare gooien (to throw) gettare halen (to fetch. to be allowed to) nadenken (to think (about)) nemen (to take) noemen (to mention) ontbijten (to have breakfast) ontmoeten (to meet) openen (to open) pakken (to grab) passen (to fit) plannen (to plan) planten (to plant) praten (to talk) proberen (to try) racen (to race) raken (to touch) redden (to save) regenen (to rain) reizen (to travel) rennen (to run) rijden (to ride. to function) weten (to know) willen (to want) worden (to become) wonen (to dwell) zakken (to go down) zeggen (to say) zeilen (to sail a sailing boat) zetten (to put. to call) schaatsen (to skate) schrijven (to write) schrikken (to be startled) slapen (to sleep) spelen (to play) spreken (to speak) staan (to stand) stappen (to step) staren (to gaze) stellen (to place. to get) prendere . to suppose) sterven (to die) sturen (to send. will) aankomen (to arrive) arrivare beginnen (to begin) iniziare begrijpen (to understand) capire bellen (to call (by phone)) telefonare bereiken (to reach) raggiungere beschermen (to protect) proteggere betalen (to pay) pagare bezoeken (to visit) visitare bidden (to pray) pregare blijven (to stay) stare brengen (to bring) portare denken (to think) pensare doen (to do) fare dragen (to carry) trasportare drinken (to drink) bere eten (to eat) mangiare faxen (to fax) faxare gaan (to go) andare gebeuren (to happen) succedere gebruiken (to use) usare gehoorzamen (to obey) obbedire geloven (to believe) credere genieten (to enjoy) godere . to belong) houden (to keep) mantenere huilen (to cry) piangere kennen (to know. to have done) leggen (to lay) leiden (to lead) leren (to learn) leven (to live) lezen (to read) liggen (to lie (lay. to place) zeven (to sift) zich herinneren (to remember. to drive) roepen (to shout. to get) recuperare hangen (to hang) appendere helpen (to help) aiutare herkennen (to recognize) riconoscere horen (to hear. lain)) lijken (to look like) lopen (to walk) luisteren (to listen) maken (to make) meenemen (to take with oneself) merken (to notice) missen (to miss) moeten (must) mogen (may. to recall) zien (to see) zingen (to sing) zitten (to sit) zoeken (to seek) zorgen (to take care (of)) zwaaien (to wave) zwemmen (to swim) . to imagine) vormen (to shape) vallen (to fall) vragen (to ask) wachten (to wait) wandelen (to stroll.