EINDSTAGE (LIO-STAGE

)

Inhoudsopgave Inleiding.................................................................................. ................2 1. De SBL-competenties..................................................................... ...4 2. De voorbereiding van de eindstage.................................................5 2.1 De stageplaats.................................................................................5
2.1.1 Wanneer is de student toelaatbaar?........................................................ .........................5 2.1.2Hoe kom de student aan een stageplaats?................................................................. .......5 2.1.3Welke stappen moeten vóór de start worden gezet?....................................... ..................5 2.1.4. Welke afspraken zijn er met de scholen?.................................................................... ...6 2.2 Het leerwerkplan.................................................................................................... ..............7 3.1 Werknemer zijn, wat betekent dat?........................................................................... ...........9 Hoe wordt een Lio begeleid op school?................................................................... ................10 Hoe wordt een Lio begeleid op het instituut?................................................... ........................11

3. De uitvoering van de eindstage.........................................................9

4 De evaluatie van de eindstage........................................................13
4.1 Het tussenoordeel.................................................................................................... ..........13 4.2 Het eindoordeel............................................................................................................... ...13 4.3 Wat te doen als een van de betrokkenen de stage voortijdig wil beëindigen? .................14

Bijlage 1 Gegevens stageplaats........................................................15 Bijlage 2 Tussenevaluatie eindstage.................................................16 Bijlage 3 Eindevaluatie eindstage......................................................17 Bijlage 4 SBL-competenties...............................................................18 Bijlage 5 Contactpersonen ILS .........................................................27

Carine Frielink, Ans de Klein en Fred Muijrers Instituut voor Leraar en School Mei 2006

1

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Inleiding
Deze handleiding betreft de eindstage van de tweedegraads lerarenopleiding van het ILS en van ArtEZ. In deze stage is een vierdejaars student gedurende 20 weken 4 dagen per week (blokstage) of gedurende 40 weken 2 dagen per week (lintstage) als leraar-in-opleiding (Lio) zelfstandig aan het werk in de stageschool. De schoolpracticumdocent (Spd) begeleidt ‘op afstand’. De activiteiten op school kunnen worden gespreid over de week, maar de vrijdag is de verplichte instituutsdag. De student kan dan op de stageschool niet worden ingeroosterd. Voor een lintstage geldt dat óók de maandag niet op de stageschool kan worden ingeroosterd. Met ingang van augustus 2001 is elke Lio-stage in principe betaald. De Lio kan kiezen uit drie varianten: * blokstage van augustus tot 1 februari, aanstelling 0,5 fte * blokstage van 1 februari tot de zomervakantie, aanstelling 0,5 fte. * lintstage van augustus tot de zomervakantie, aanstelling 0,25 fte; Een Lio wordt op school aangesteld volgens de Lio-CAO. De tweedegraads opleiding telt vier stages: de oriëntatiestage (eerste jaar), de basisstage (tweede jaar), de vervolgstage (derde jaar) en de eindstage (vierde jaar). De eindstage is zoals de naam al zegt de laatste praktijkoefening vóór de student als docent op een school begint. In de eindstage functioneert de Lio als zelfstandig docent, hij staat er alleen voor, maar de begeleiders zijn nabij. Uitgangspunt van de Lio-stage is dat de leerlingen de Lio – die dus ook aangeduid zal worden als (beginnend) docent – niet zien als stagiair, maar als docent. De Lio krijgt taken die elke beginnend docent op school krijgt. De Lio wordt in alle opzichten behandeld als een beginnend docent, met dien verstande dat hij natuurlijk nog niet de capaciteiten van een volleerd docent heeft. Een student die slaagt voor de eindstage, heeft een start- en doorgroeibekwaamheid als tweedegraads docent. Deze handleiding is primair gericht op studenten die de eindstage lopen. Ze heeft daarnaast tot doel de schoolpracticumdocenten (Spd’s) en instituutsdocenten (Ipd’s) alle benodigde informatie over de eindstage te verstrekken. Het ILS wenst alle betrokkenen veel succes toe bij de uitvoering van de eindstage. Samenvatting Lio-stage aanstelling lengte (kan iets variëren door vakantiespreiding) periode betaald met een leerarbeidsovereenkomst 20 weken 4 dagen per week (blok) februari t/m de zomervakantie (blok 2)

hoofddoel aantal lessen

zelfstandig functioneren als startbekwaam docent

10 lesuren begeleidingstijd Spd 3 uur per week contact maken Ipd/Spd voor de start telefonisch tussenevaluatie: schoolbezoek eindevaluatie: schoolbezoek

de Ipd bezoekt de school

tweemaal en eventueel vaker op verzoek van de student of de Spd

2

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

3

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

1. De SBL-competenties
De Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL) heeft zeven kerncompetenties geformuleerd die richtinggevend zijn voor de beroepspraktijk en opleiding van leraren. De lerarenopleidingen in Nederland zijn in de ontwikkeling naar competentiegericht onderwijs inmiddels met deze competenties gaan werken. Onder competenties verstaan we bekwaamheden (geïntegreerd geheel van kennis en inzicht, vaardigheden en attitudes) die tot uitdrukking komen in succesvol gedrag. De verschillende competenties vormen één geheel met de persoonlijkheid van de leraar. Een professionele leraar weet wat hij belangrijk vindt, hoe dat in het dagelijkse handelen zichtbaar te maken is, wat de effecten daarvan zijn en hoe hij daar dan weer op voortbouwt. In bijlage 4 staan deze zeven kerncompetenties, zoals die op beheersingsniveau 3 (d.w.z. op het niveau van startbekwaamheid) geformuleerd zijn door de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL). De uitgebreide beschrijving met gedragsindicatoren is tevens te vinden op: http://www.lerarenweb.nl/bijlagen/CE-VOBVE20mei.pdf

4

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

2. De voorbereiding van de eindstage 2.1 De stageplaats
2.1.1 Wanneer is de student toelaatbaar?
De eindstage is bedoeld als een generale repetitie voor de beginnende leraar. Daartoe moet bij de start aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. Deze voorwaarden hebben enerzijds met de onderwijsbekwaamheid en anderzijds met de aard van de stageplaats te maken. Een student wordt toegelaten tot de eindstage na een positief advies vanuit de opleiding. Zie daarvoor de examenreglementering (studiegids).

2.1.2 Hoe kom de student aan een stageplaats?
De lerarenopleiding zorgt voor stageplaatsen. De student gaat niet zelf op zoek naar een stageplaats. De scholen hebben het ILS verzocht hen niet lastig te vallen met telefoontjes van studenten die stage willen lopen. Het is niet mogelijk een betaalde baan als stage te laten gelden. De Spd’s die voor de begeleiding van de eindstage beschikbaar zijn, zijn ervaren en hebben in de regel een cursus gevolgd in het begeleiden van stagiairs. Bovendien komt een eindstagiair in beginsel op scholen die gewend zijn aan Lio’s en die er ook op ingericht zijn. Een Lio is daar welkom. Bijna alle Lio’s worden geplaatst op zgn. opleidingsscholen. Natuurlijk wil elke student graag een stageplek om de hoek. Maar betaalde plekken liggen niet voor het oprapen. Je moet niet vreemd opkijken als je ver de Achterhoek of Brabant in moet. Een reistijd van 1,5 uur vanaf Nijmegen Centraal behoort tot de mogelijkheden. De student moet daarvoor zelf oplossingen bedenken. Misschien kan hij een tijdje bij zijn ouders of vriend(in) gaan wonen. Scholen willen ook best in hun rooster rekening houden met de langere reistijd. De student kan daarnaast wellicht navragen of hij met docenten van de school kunt meerijden. Dus: bespreek dan zo snel mogelijk de opties op school. Een student kan zich oriënteren op de scholen door gebruik te maken van de volgende bronnen: ∗ Internet: zoek de site van de school. ∗ Op de website van Bureau Extern (http://site.han.nl/educat/ils%2Dbureauextern/) staat allerlei informatie over het betaald Lio-schap.

2.1.3 Welke stappen moeten vóór de start worden gezet?
1. Zodra de plaatsen bekend zijn, zullen voor het betreffende vak de Lio’s worden ingedeeld op de beschikbare plaatsen door de stagecontactpersoon. Let op: Er moet natuurlijk wel plaats zijn. Het ILS probeert zoveel mogelijk betaalde stageplaatsen binnen te halen door de stagescholen in hun aanbod te laten kiezen voor blok1, blok2 of lint. Dit aanbod is de basis voor het indelen van stages. Het kan dus vóórkomen dat een student graag een lintstage wil, terwijl er alleen een stage in blok 1 beschikbaar is. De student kan dan niet eisen dat er een lintstage beschikbaar komt. Zijn keuze is beperkt tot het aanbod van de scholen. De scholen zullen relatief veel lintstages aanbieden. 2. Het Bureau Extern zendt, zodra een student geplaatst is, de school en de Spd een bericht dat hij komt en deze stagehandleiding.

5

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
3. De stagecontactpersoon (Ipd) van het ILS neemt vervolgens als eerste contact op met de Spd. 4. De student schrijft een kennismakingsbrief. Hierin stelt hij zichzelf voor en geeft hij aan wat zijn belangrijkste stagedoelen zijn. Hij denkt daarbij ook aan persoonlijke (leer)wensen, zoals die in zijn leerwerkplan staan verwoord. 5. De Ipd zal de student vertellen wanneer hij contact heeft (gehad) met de school. Daarna kan de student de Spd bellen en een afspraak maken voor een eerste gesprek. Hij maakt een afspraak op zo kort mogelijke termijn. In de regel zullen bij dit gesprek de Spd en een lid van de directie aanwezig zijn. Het is ook verstandig dat de student meteen even bij de administratie van de school langsgaat om afspraken te maken over zijn aanstelling (zie punt 10). Bij opleidingsscholen zullen de algemeen begeleiders (abi/abs) zorg dragen voor de introductie van de student in de stageschool. 6. De student wordt op school aangesteld. Hiervoor zijn drie documenten van belang: * de student ontvangt van de school een akte van benoeming/aanstelling; * de student zorgt voor een leerwerkplan; (zie § 2.5.) * tot slot wordt er een leraararbeidsovereenkomst (lao) getekend door de school, de Ipd en de student zelf. * de student ontvangt daarvoor een oningevuld exemplaar van de lao en er wordt er een naar de school gestuurd. De student zorgt ervoor dat een exemplaar tijdig en getekend bij de school komt en een bij zijn Ipd (de Ipd zal dit doorgeven aan het Bureau Extern). De student maakt voor zichzelf een kopie. * de student wordt aangesteld voor vijf maanden halftime (lint; tien maanden kwarttime) conform de Lio-CAO. (meer info: intranet ILS-HAN onder “stages”). 7. De student houdt er rekening mee dat voor zijn aanstelling aan de school allerlei formaliteiten nodig zijn. Er kan gevraagd worden naar de volgende documenten: (meestal geeft de school hiervoor een aanvraagformulier mee aan de student) * een kopie van het paspoort ; (i.v.m. identificatieplicht) * een verklaring omtrent gedrag;(bij de gemeente waar de student woont kan hij deze aanvragen) * een belastingverklaring. De student zal ook tijdig moeten informeren bij de ziektekostenverzekeringsmaatschappij of zijn verzekering doorloopt (zie § 3.1.). 8. De student maakt tijdens of direct na het kennismakingsgesprek afspraken op school voor één of enkele oriëntatiedagen. Alles wat hij nog vóór de start van zijn werkelijke stage oppikt, is meegenomen. De student zorgt ervoor dat ook alle formaliteiten vóór de start zijn afgerond. Hij kan zich dan vanaf de eerste lesdag volledig concentreren op het lesgeven.

2.1.4.

Welke afspraken zijn er met de scholen?
De stageschool roostert de student in voor 10-13 (blokstage) of 5-6 (lintstage) lesuren per week (zie p. 2.) en wel zodanig dat hij twee of meer eigen klassen krijgt. Alleen dán heeft hij namelijk gelegenheid een (werk)relatie met zijn leerlingen op te bouwen. ∗ Het aantal uren kan per school verschillen. Dit heeft te maken met de lengte van een lesuur en met de wijze waarop de school omgaat met de taakbelasting van docenten. ∗ De inroostering moet zo mogelijk al ruim voor de start van de stage plaats vinden, zodat de Lio direct als gewoon beginnend docent kan starten. ∗ De Spd heeft minstens 3 (blokstage) of 2 (lintstage) uur per week beschikbaar voor begeleiding. (De uren kunnen ook over twee begeleiders verdeeld zijn). ∗ De begeleiding kan plaatsvinden door een of meer schoolbegeleiders. De student spreekt af wie de hoofdverantwoordelijkheid voor de begeleiding op de stageschool draagt. ∗ Formeel is een Lio verantwoording schuldig aan de school (zie ook § 3.1.). 6

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
∗ Er is niets tegen, als de Lio – met mate – voor een zieke of anderszins afwezige Spd of collega invalt. De betreffende lessen dienen wel te worden nabesproken. Daarover zullen vooraf goede afspraken moeten worden gemaakt.

2.2 Het leerwerkplan
In de instituutsperiode die voorafgaat aan de eindstage, volgt de student één dag per week het traject voorbereiding eindstage (VES). Tijdens dit VES-traject legt hij het dossier “Liobekwaam” aan. Dit is een verzameling van documenten (portfoLio), waarin de student op geheel eigen wijze laat zien dat hij “Liobekwaam” is (zie de werkwijzer dossier Liobekwaam). Hiermee geeft hij aan dat hij op het niveau van een Lio tijdens de eindstage in staat is om als zelfstandig leraar te functioneren. Het dossier bestaat uit elf delen die gerelateerd zijn aan de, in bijlage 4 genoemde, SBL-competenties. Deze 11 delen luiden, bezien vanuit het perspectief van de student, als volgt: Deel 1: Hoe wil ik mijn pedagogische competentie verder ontwikkelen? Deel 2: Hoe introduceer ik mijzelf? Deel 3: Hoe wil ik de mij toebedeelde begeleiding als beginnende leraar vormgeven? Deel 4: Hoe stimuleer ik leerlingen tot meer activiteit, tot meer zelfstandigheid, tot meer verantwoordelijkheid, tot samenwerkend leren? Deel 5: Hoe los ik op creatieve en ICT-rijke wijze vakdidactische vraagstukken op? Deel 6: Hoe ziet mijn eerste les er uit? Deel 7: Hoe wil ik omgaan met de mensen in en om de school? Deel 8: Wat voor een vakleraar ben ik? Deel 9: Hoe ga ik de kennis en inzichten die ik heb opgedaan m.b.t. het onderwerp “jeugdkunde” gebruiken tijdens de eindstage? Deel 10: Hoe kan ik op schoolniveau een bijdrage leveren aan de discussie over “het Nieuwe Leren, c.q. actueel onderwijs”? Deel 11: Hoe ziet mijn leerwerkplan eruit? In elk afzonderlijk deel geeft de student een duidelijk antwoord op de vragen: Wat moet ik, wat kan ik, wat wil ik, waarom wil ik dat en hoe wil ik dat gaan doen? Het laatste deel van dit dossier is het leerwerkplan voor zijn eindstage en de opdracht voor de student luidt als volgt: DEEL 11: Leerwerkplan Schrijf een leerwerkplan dat een professionele uitstraling heeft Het leerwerkplan (ook nog wel stageplan genoemd) is een plan waarin je aangeeft hoe je denkt te gaan leren en werken. Het leerwerkplan is je ‘vertrekpunt’ van de Lio-stage. Je leerwerkplan wordt gevoed door je ervaringen tijdens eerdere stages en de ideeën en inzichten die je opdoet tijdens de VESopleidingsdagen. Het bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. Een tekst waarin je aangeeft dat je op het niveau van een Lio tijdens de eindstage in staat bent om als zelfstandig leraar te functioneren. Je doet dit door een samenvatting te geven van je -in de verschillende delen van dit dossier verwerkte- antwoorden op de vraag: Wat moet ik, wat kan ik, wat wil ik tijdens de eindstage, waarom wil ik dat en hoe wil ik dat gaan doen? Verwijs daarbij steeds naar de zeven competenties waarover een startbekwame leraar moet beschikken. Als je dit helder en duidelijk formuleert, beschik je over een lijst met concrete stagedoelen die tijdens de tussen- en de eindbeoordeling kunnen worden geevalueerd. b. De adressen, telefoonnummers, e-mailadressen van je stageschool, Spd, Ipd en jezelf en je lesrooster (zie bijlage 1 van de brochure eindstage) c. Een overzicht van de taken die je op school, in overleg met je begeleiders, gaat uitvoeren.

7

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
Je leerwerkplan is een groeiplan. Het is een plan in ontwikkeling. Het is belangrijk dat je dit laat zien. Je bent een lerende docent, je staat lerend in je beroepsuitoefening. Dit betekent dat je tijdens je Lio-stage je leerwerkplan regelmatig zult aanvullen, uitbreiden, nuanceren of wijzigen.

8

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

3.

De uitvoering van de eindstage

3.1 Werknemer zijn, wat betekent dat?
De directie is de baas Binnen de 50% van je tijd die je aan school werkt is de directie de baas van de Lio. Deze zal hem zo nu en dan taken en opdrachten geven, zoals dat ook bij gewone docenten gebeurt. De Lio is aan de directie van de school verantwoording schuldig. De Lio dient er ook rekening mee te houden dat de school hem (overigens pas na overleg met de opleiding) kan ontslaan. Gedrag Een docent heeft een voorbeeldfunctie. Een Lio zal zich op school, en zeker in het bijzijn van leerlingen, fatsoenlijk moeten gedragen en kleden en hij zal zorgvuldig taalgebruik moeten hanteren. De Lio is op tijd op school en steekt de handen uit de mouwen, ook als dat niet expliciet gevraagd wordt. Hij houdt zich aan afspraken over roken, rommel in school, sectieafspraken. Wensen op school Wensen over het rooster, een verzoek om een vrije dag (kan slechts bij hoge uitzondering) e.d. bespreekt de Lio met de directie of met de afdelingsleiding, niet met de eigen opleiding. Methodes Voor werknemers aan een school bestaat de mogelijkheid bij uitgevers presentexemplaren aan te vragen van de methodes die je in de klas gebruikt, tegen een geringe vergoeding. De Lio zal zich (wellicht) moeten oriënteren op de uitgeversmarkt. Dan kan hij tijdig presentexemplaren van de door hem te gebruiken methode(s) aanvragen. Hij moet dat voorheen wél goed overleggen op de stageschool. Van antwoorden- en docentenboeken worden in de regel geen presentexemplaren verstrekt. De meeste scholen zullen deze voor hun docenten aanschaffen. Ziekte Een betaalde Lio valt, als werknemer, onder het besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid. Als een Lio ziek is, meldt hij dat zo snel mogelijk aan de school (hij oriënteert zich vóóraf op bestaande afspraken hierover). Het Lio-salaris wordt (deels) doorbetaald. Meestal is er ook de afspraak dat een Lio enige tijd van tevoren aan de school meldt wanneer hij weer terugkomt. De Lio moet er goed rekening mee houden dat de roostermaker altijd veel moet regelen bij ziekte van een docent. Ziektekostenverzekering Een Lio hoeft in principe niets te doen om tegen ziektekosten verzekerd te blijven, ervan uitgaande dat hij al verzekerd is via een studentenziektekostenverzekering of een polis bij zijn ouders. Een Lio is weliswaar een werknemer, maar hij is volgens de wet op de studiefinanciering ook nog steeds student. Op grond daarvan mag hij zich (blijven) verzekeren als student. De situatie verandert natuurlijk wel als hij op grond van een bijbaantje verzekerd was. Als hij dit baantje opzegt om Lio-werknemer te worden, moet hij zich opnieuw verzekeren. Advies aan Lio’s is dan ook: informeer altijd bij de verzekeringsmaatschappij hoe het met jouw verzekering zit! Reiskosten Als werknemer zou je recht hebben op een reiskostenvergoeding, maar voor een Lio geldt dit niet. Er wordt vanuit gegaan dat een Lio recht heeft op een ov-kaart. Als hij ver moet reizen, zorgt hij voor een ov-weekkaart. Studiefinanciering Als een Lio tevens voltijdstudent is, blijft ook tijdens het Lio-schap het recht op studiefinanciering bestaan. Vakbond Een Lio heeft te maken met een werkgever. Dit is voor de Lio een goed moment om erover na te denken of hij lid wil worden van een onderwijsvakbond. Een onderwijsvakbond behartigt de belangen van werknemers in het onderwijs, ook van Lio’s. 9

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Eventuele kosten van de stage Wanneer een Lio onkosten maakt die de school zonder hem niet gehad zou hebben, dan komen deze in beginsel voor eigen rekening. Te denken valt aan kopieerkosten die sterk afwijken van wat op de school bij het uitvoeren van onderwijs normaal is. Wanneer de onkosten ook gemaakt zouden zijn zonder de stage-activiteiten van de Lio, dan zijn ze voor rekening van de school. Om misverstanden te voorkómen is het verstandig dat de Lio vooraf een afspraak maakt over zaken die geld kosten, zoals kopieerwerk. Verzekering tijdens stages Ten behoeve van studenten en docenten is door het ILS een collectieve WA-verzekering afgesloten die in werking treedt nadat in een casus eerst de eigen verzekering van de betrokkene(n) is benaderd (zgn. secundaire verzekering). Taken en studielast Een Lio heeft in zijn aanstellingsperiode tijd voor leren en tijd voor werk. Hieromtrent is het volgende centraal geregeld: Blokstage: de Lio is 4 dagen beschikbaar voor de stageschool, er is 1 instituutsdag; hij is dus op de stageschool voor 0,5 fte inzetbaar waarin 10-13 lessen (50 min.). Lintstage : de Lio is 2 dagen (4 dagdelen) beschikbaar voor de stageschool, in te roosteren in maximaal 5 dagdelen; er zijn 2 instituutsdagen en 1 dag (2 dagdelen) is gereserveerd voor studie; hij is dus op de stageschool inzetbaar voor 0,25 fte waarin 5-6 lessen (50 min.). De Lio geeft dus 10-13 lessen (blokstage) of 5-6 lessen (lintstage) per week. De overige activiteiten zijn o.a. afhankelijk van zijn persoonlijke leerwensen, de eisen vanuit het instituut en de mogelijkheden cq. wensen van de stageschool en zijn vastgelegd in het leerwerkplan van de Lio.

Hoe wordt een Lio begeleid op school?
De begeleiding op school wordt verzorgd door een schoolpracticumbegeleider (Spd), soms samen met een algemeen begeleider (coach, abi, abs). De schoolbegeleiders hebben samen minimaal 3 uur per week voor een Lio beschikbaar. Het is belangrijk dat de Lio vraagt hoe deze begeleiders de taken verdelen! De afspraak is dat er in elk geval 2 uur per week beschikbaar is voor begeleidingsgesprekken. De Lio maakt met zijn begeleider(s) de afspraak om twee lessen per week te reserveren voor deze gesprekken. Op de meest scholen wordt voorafgaande aan de stage een introductiedag voor nieuwe docenten en Lio’s georganiseerd. Deze introductie mag een Lio eigenlijk niet missen; hij leert er veel over de school en over schoolregels! Het uitgangspunt van de eindstage is dat een Lio functioneert als zelfstandig docent. Hij staat alleen voor de klas, de Spd is in beginsel afwezig. Deze begeleidt “op afstand”. De Spd probeert in de begeleidingsgesprekken de Lio te laten reflecteren op zijn ervaringen. Vaak zal hierbij de volgende volgorde gehanteerd worden: 1. terugblik op de les (“wat is er gebeurd?”) 2. formuleren van essentiële aspecten (“wat ging vooral goed of fout?”) 3. brainstorm over alternatieven (“hoe kun je het anders aanpakken”) 4. afspraken (“wat ga je de volgende les doen?”) Omdat het in deze gesprekken vooral gaat over de ontwikkeling van de Lío, is het zaak dat deze zélf veel initiatief neemt. Hij stelt een agenda op, noteert de afspraken van de vorige keer en stuurt de Spd zijn weekreflecties. Op deze wijze kan de Lio zelf het gesprek richting geven. Hij kan alles aan de orde stellen wat hij wil. Natuurlijk vallen daaronder de gegeven lessen, maar ook bijvoorbeeld vergaderingen, leerlingbegeleiding, projecten, lesmateriaal, instituutsopdrachten, functioneren in het team etc. Het is belangrijk dat de Lio regelmatig terugkoppelt naar het leerwerkplan of naar een eventuele tussenevaluatie, zodat hij steeds kan controleren of hij nog op koers zit. Advies aan de Lio: Let er wel op dat de begeleidingsgesprekken primair bedoeld zijn om jouw leerproces te verbeteren; het moeten niet uitsluitend gesprekken worden over het programma of over toetsen. Een interessante vraag voor een Lio is: “komt er iemand mijn les bezoeken?” Het 10

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
antwoord is “ja”. De Spd kan zo nu en dan eens komen observeren om zijn zicht op het functioneren van de Lio te verbeteren. Misschien komt er een coach (abi, abs) observeren (op veel scholen bezoeken coaches lessen van nieuwe docenten) en omdat de Lio gewoon ‘in dienst’ is, zal ook een directielid of de abs of abi één of enkele keren een lesbezoek afleggen. Hetzelfde geldt voor de Ipd. Soms ook kan een Lio het gevoel hebben dat het niet lekker loopt, terwijl hij niet weet waar het aan ligt. Hij zal dan aan de Spd moeten vragen of deze een keer wil observeren. En als hij slim is, vraagt de Lio of hij ook bij de Spd (of bij een andere docent) een les mag bijwonen. Het gebeurt op veel scholen dat groepjes docenten elkaar wederzijds coachen. Advies aan de Lio: Beschouw lesbezoek niet als ’n bewijs dat het niet goed gaat, maar als een methode om nog meer te leren: vraag altijd na afloop feedback. Scholing en overleg van begeleiders Om te bevorderen dat de eindstage wordt uitgevoerd zoals beoogd, organiseert het ILS een cursus waar Spd’s zich kunnen scholen in begeleidingsvaardigheden. Het gaat hierbij o.a. om het observeren van lessen, het voeren van begeleidingsgesprekken, ‘begeleiden op afstand’, het doelbewust gebruiken van verschillende begeleidingsstijlen, het beoordelen van de eindstage enz. Over de organisatie van deze bijeenkomsten worden de Spd’s tijdig ingelicht. Belangstellende Spd’s kunnen informatie aanvragen bij het Bureau Extern (zie bijlage 5). Verder zorgen de Ipd’s van elk afzonderlijk vak ervoor dat Spd’s en Ipd’s met elkaar overleggen over alles wat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de stage. Van bijzonder belang hierbij zijn de afstemming tussen de opleidingsactiviteiten in het instituut resp. de stagescholen en de verdere ontwikkeling van de stages in de lerarenopleiding. Spd’s die behoefte hebben aan contact of overleg met of een schoolbezoek van de Ipd, kunnen contact opnemen met de Ipd of de vakcoördinator (zie bijlage 5).

Hoe wordt een Lio begeleid op het instituut?
Gedurende de eindstage werkt en leert een Lio vier dagen per week op de stageschool en leert hij één dag per week op het instituut, n.l. op de vrijdag. Deze wekelijkse terugkomdag op de opleiding wordt de “instituutsdag” genoemd en is een verplicht onderdeel van je eindstage. Het programma van elke instituutsdag bestaat uit drie onderdelen: collen (collega ondersteund leren volgens de methode van intervisie), thema’s (waarbij wordt aangesloten bij de praktijkervaringen tijdens de eindstage) en individuele begeleiding. Een team van kerndocenten begeleidt het leerproces van de Lio tijdens de instituutsdag als geheel. De Ipd (in de regel één van de instituutsdagdocenten) heeft als belangrijkste taak om contacten met de stageschool te onderhouden en om twee beoordelingsgesprekken (de tussen- en de eindbeoordeling) te voeren met de Lio en de Spd op de stageschool. De Ipd volgt verder het leerproces van de Lio tijdens de eindstage en maakt afspraken over het inzien van diens logboek en eventueel de colverslagen. Om misverstanden te voorkomen zetten we de afspraken over de specifieke taken van de Ipd hieronder op een rijtje: 1. De Ipd neemt contact op met de Spd voor aanvang van de stage om te bezien of alles in orde is. De Ipd en of de Abi onderhoudt verder contact met de stageschool, met name door aanwezigheid bij het tussen- en eindbeoordelingsgesprek op de stageschool. 2. De Lio neemt voor aanvang van de stage contact op met de Ipd. De Ipd bekijkt het leerwerkplan (en de rest van het dossier “Lio-bekwaam”) en geeft officieel “groen-licht” voor de eindstage (ook de Spd moet akkoord zijn). 3. De Ipd ontvangt wekelijks het col-verslag van de col-groep van zijn Lio. Dit om op de hoogte te blijven van de praktijkervaringen en het leerproces te kunnen blijven volgen. (De Ipd hoeft verder niets met dit verslag te doen want de col-begeleider heeft tot taak wekelijks het col-verslag van commentaar te voorzien.)

11

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
4. De Lio overlegt met de Ipd over de omgang met het logboek (wil de Ipd het bijvoorbeeld wekelijks lezen?) en over de vormgeving van de begeleiding door de Ipd. De afspraak zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de Lio zelf de begeleiding vraagt die hij nodig heeft. 5. De Ipd schrijft voor het tussen- en eindbeoordelingsgesprek een verslag van het functioneren van de Lio tijdens de opleidingsdagen. 6. De Ipd neemt deel aan het tussen- en eindbeoordelingsgesprek op de stageschool De instituutsdagen tijdens de eindstage zijn, naast het ondersteunen en begeleiden van de eindstage, ook bedoeld voor begeleiding bij het samenstellen van het zogenaamde “dossier Startbekwaam”. Dat dossier bestaat uit verschillende onderdelen en geeft de begeleiders inzicht in de ontwikkeling die de Lio heeft doorgemaakt tijdens de eindstage. Uiteindelijk laat een Lio met dit dossier zien dat hij startbekwaam is, c.q. dat hij de SBLcompetenties op niveau 3 (niveau startbekwaam) beheerst. Een uitgebreide toelichting op de opdracht van dit dossier is te vinden in de ‘werkwijzer dossier startbekwaam’. Een ict-opdracht maakt deel uit van deze werkwijzer. De werkwijzer ontvangt de Lio tijdens de eerste opleidingsdag van zijn eindstage. Het is uitdrukkelijk de bedoeling de Lio de verschillende delen van zijn ‘dossier startbekwaam’ samenstelt in overleg met de begeleider(s) op de stageschool. De Spd ontvangt daarom ook een exemplaar van de werkwijzer van dit dossier.

12

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

4 De evaluatie van de eindstage 4.1 Het tussenoordeel
Halverwege de eindstage stellen de begeleiders samen met de Lio in een gesprek een tussenoordeel op over diens onderwijsbekwaamheid. Dit wil zeggen dat zij een balans opmaken aan de hand van de volgende vragen:  In hoeverre en in welke opzichten beheerst de Lio de SBL-competenties, omschreven in diens leerwerkplan?  Aan welke doelen in het bijzonder moet de Lio nog werken – en tot welke voornemens leidt dat? Het tussenbeoordelingsgesprek gaat als volgt in zijn werk: A. Ter voorbereiding schrijf de Lio zelf een tussenevaluatieverslag (aan de hand van de SBLcompetenties omschreven in zijn leerwerkplan), waarin de Lio bovenstaande vragen beantwoordt. Daarbij gaat hij na wat hij op zijn stageschool en tijdens de instituutsdagen gedaan heeft om de oefendoelen in het leerwerkplan te bereiken. Ook legt hij vast welke activiteiten hij heeft ondernomen t.b.v. de sectie en de school. Op grond hiervan formuleert de Lio voornemens voor het vervolg van de stage. B. De Lio bezorgt dit verslag bij zijn begeleiders, opdat zij dit vóór het evaluatiegesprek kunnen lezen. Op initiatief van de Lio wordt er een afspraak gemaakt voor dit evaluatiegesprek. C. De Spd bereidt het gesprek voor door samen met eventuele andere begeleiders op de stageschool een voorlopig tussenoordeel op te stellen (zie bijlage 2, pagina 14). De Ipd maakt samen met het team van de instituutsdag een verslag van het functioneren van de Lio tijdens de instituutsdag. D. Spd en Ipd voeren samen met de Lio het tussenbeoordelingsgesprek. Hierbij komt alles aan de orde wat voor een goed verloop van de stage van belang is, maar in ieder geval de oefendoelen en voornemens van de Lio. Het is zeer belangrijk dat er helderheid wordt gekregen over wat de Lio in de ogen van zichzelf en van zijn begeleiders nog zou moeten verbeteren. E. Na afloop schrijft de Lio zelf een verslag van het gesprek en dat neemt hij op in zijn ‘dossier startbekwaam’. F. De Spd stelt zonodig het tussenoordeel bij. Dit doet hij als advies aan de Ipd toekomen. Dit advies neemt ook de Lio op in zijn dossier. G. De Ipd stelt samen met het team van de instituutsdag het definitieve tussenoordeel vast. Indien het tussenoordeel inhoudt dat de Lio in staat geacht wordt uiteindelijk de einddoelen van de eindstage te bereiken, worden de eerste 10 weken als voldoende beschouwd en worden 10 studiepunten toegekend. Meetpunten hierbij zijn a. het tussenoordeel over het functioneren van de Lio op de stageschool b. het tussenoordeel over het functioneren van de Lio tijdens de instituutsdag c. de vorderingen van de Lio bij het samenstellen van het dossier. Indien het tussenoordeel twijfel inhoudt, kunnen de eerste 10 weken nog niet als voldoende worden beschouwd. In de resterende weken dient de Lio dan zichtbaar te maken dat hij de stagedoelen alsnog bereikt.

4.2 Het eindoordeel
Bij de eindbeoordeling staat voor de Lio de vraag centraal:”Beschik jij over voldoende onderwijsvaardigheden om zelfstandig in de klas en in de school te kunnen functioneren als beginnend docent?” Met andere woorden: is de Lio startbekwaam? Aan het einde van de eindstage beoordelen de Spd en de Ipd in samenspraak met de Lio diens onderwijsbekwaamheid. Dit eindoordeel komt tot stand in een gesprek dat de betrokkenen voorbereiden aan de hand van de SBL-competenties en het leerwerkplan van de Lio. Ook afspraken die gemaakt zijn bij de tussenevaluatie spelen een rol bij dit oordeel. Het gesprek over het eindoordeel wordt op dezelfde manier voorbereid, gevoerd en vastgelegd als bij het tussenoordeel.

13

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
Voor de procedure van het eindbeoordelingsgesprek verwijzen we naar paragraaf 4.1 (het tussenoordeel), met dien verstande dat voor tussenbeoordeling eindbeoordeling gelezen moet worden. Een format voor het woordrapport “eindevaluatie eindstage” is te vinden in bijlage 3, pagina 15). De Ipd stelt samen met het team van de instituutsdag het eindoordeel vast. Dit kan op twee manieren uitvallen. Is het eindoordeel positief (meetpunten: eindoordeel over het functioneren van de Lio op de stageschool, eindoordeel over het functioneren van de Lio tijdens de instituutsdag en het ‘dossier startbekwaam’), dan wordt de stage met goed gevolg afgesloten. In dat geval worden de resterende studiepunten toegekend. Is het eindoordeel negatief, dan beraden Spd en Ipd zich over de mogelijkheden van herkansing. Eén mogelijkheid is bijvoorbeeld een verlengde (onbetaalde) stage in hetzelfde jaar eventueel op een andere school.

4.3 Wat te doen als een van de betrokkenen de stage voortijdig wil beëindigen?
Het is mogelijk dat een eindstage mislukt. Omdat de Lio officieel in dienst is, betekent het stoppen met de stage tegelijkertijd een ontslag. Daarbij is de nodige zorgvuldigheid gewenst. Over het stoppen van een betaalde Lio-stage zijn de volgende afspraken gemaakt: Indien een van de begeleiders overweegt de stage af te breken, roept deze zo spoedig mogelijk de betrokkenen bij elkaar voor een beoordelingsgesprek: de Spd, de Ipd en de Lio. In dit gesprek wordt op een rij gezet wat er allemaal niet goed loopt. Er worden afspraken gemaakt voor een verbetertraject van een beperkt aantal weken. Indien aan het eind van deze periode geen zichtbare verbetering is opgetreden in het functioneren van de Lio, dan wordt de stage (en daarmee diens aanstelling) gestopt. Degene die de stage wil afbreken, meldt dit de twee overige partijen, (bij de school: de directie, bij het ILS: de stagecoördinator) in een officieel schrijven. Hierdoor wordt de leerarbeidsovereenkomst ontbonden.

14

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Bijlage 1 Gegevens stageplaats
STUDENT (Lio): Naam:......................................................................................................................................... .............. Adres..................................................................................................................................... ................... Telefoon.................................... ................Mobiel:.......................e-mail:................................................. .

SCHOOLPRACTICUMDOCENT (Spd): Naam:.............................................. .................................................................................................... ..... Naam school....................................................................................................................................... ..... Adres school................................. ............telefoon......................e-mail.................................................. . Adres privé:..............................................telefoon......................e-mail.................................................. . Bereikbaar op werkdagen: INSTITUUTSBEGELEIDER (Ipd): Naam:......................................................................................................................................... .............. Kamer:........................................................................................................................................ .............. Telefoon:.................................................................................................................................... ............... E-mail:............................................................................................................................. ......................... Bereikbaar op werkdagen: ROOSTER van de Lio: (noteer precieze tijden en klasen/groepen) maandag van tot dinsdag van tot woensdag van

tot

donderdag van

pauzes tot van tot van tot

15

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Bijlage 2 Tussenevaluatie eindstage
Naam Lio......................................... ...................Stage voor het vak............................................ ....... Naam Spd......................................................... ..Naam Stageschool……………………………………. Naam Ipd............................................... .............Datum……………………………………………………

1. Aan hoeveel eigen klassen geeft de Lio tot nu toe les?...……………………………………………. 2. Hoeveel lessen heeft de Lio tot nu toe in totaal gegeven? ………………………………………

3. Welke activiteiten heeft de Lio verricht ten behoeve van de school en de vaksectie? ………………………………………………………………………………………………………………. 4. Hoe is uw oordeel over de verschillende onderdelen van de stage? Schrijft u a.u.b. een woordrapport over de Lio aan de hand van de SBL-competenties en vermeldt u hierbij de belangrijkste aandachtspunten voor het vervolg van de stage: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Interpersoonlijk competent Pedagogisch competent Inhoudelijk en didactisch competent Organisatorisch competent Competent in samenwerken met collega’s Competent in samenwerken met de omgeving Competent in reflectie en ontwikkeling

5. Zal de Lio naar uw verwachting aan het einde van de stage over voldoende onderwijsbekwaamheid beschikken om zelfstandig in de klas en in de school te kunnen functioneren als beginnend docent? ……………………………………………………………………………………………………………….

Mijn tussenoordeel over de eindstage van ………………………luidt: positief / twijfel / negatief (a.u.b. doorhalen wat niet van toepassing is)

Datum:…………………………. Handtekening Spd: …………………………………………………………

16

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Bijlage 3 Eindevaluatie eindstage
Naam Lio......................................... ...................Stage voor het vak ………………………………

Naam Spd…………………………………………. Naam Stageschool……………………………………. Naam Ipd............................................... .............Datum……………………………………………………

1. Aan hoeveel vaste klassen geeft de Lio tot nu toe les…………………………………………….….. 2. Hoeveel lessen heeft de Lio tot nu toe in totaal gegeven? ………………………………………

3. Welke activiteiten heeft de Lio verricht ten behoeve van de school en de vaksectie? ………………………………………………………………………………………………………………. 4. Hoe is uw oordeel over de verschillende onderdelen van de stage? Schrijft u a.u.b. een woordrapport over de Lio aan de hand van de SBL-competenties en vermeldt u hierbij de belangrijkste aandachtspunten voor het vervolg van de stage: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Interpersoonlijk competent Pedagogisch competent Inhoudelijk en didactisch competent Organisatorisch competent Competent in samenwerken met collega’s Competent in samenwerken met de omgeving Competent in reflectie en ontwikkeling

5. Beschikt de Lio over voldoende onderwijsbekwaamheid om zelfstandig in de klas en in de school te kunnen functioneren als beginnend docent? ……………………………………………………………………………………………………………….

Naar mijn oordeel is ………………………………..wel/niet in staat zelfstandig in de klas en in de school te kunnen functioneren als beginnend docent. (vgl. § 4.2, 4.3) (a.u.b. doorhalen wat niet van toepassing is).

Datum:…………………………. Handtekening Spd: …………………………………………………………

17

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Bijlage 4 SBL-competenties
1

Interpersoonlijk competent

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet ervoor zorgen dat er in de groepen waarmee hij werkt,een prettig leef- en werkklimaat heerst. Dat is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar interpersoonlijk competent zijn. Een leraar die interpersoonlijk competent is, geeft op een goede manier leiding. Zo'n leraar schept een vriendelijke en coöperatieve sfeer en brengt een open communicatie tot stand. Zo' n leraar bevordert de zelfstandigheid van de leerlingen/deelnemers en zoekt in zijn interactie met leerlingen/deelnemers een goede balans tussen  leiden en begeleiden  sturen en volgen  confronteren en verzoenen  corrigeren en stimuleren Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag én van de invloed daarvan op de leerlingen/deelnemers. Hij heeft ook voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de leerlingen/deelnemers tot stand te brengen. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij maakt contact met de leerlingen/deelnemers en hij zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen  hij biedt een kader waarbinnen de leerlingen/deelnemers hun eigen leerproces kunnen vormgeven en hij helpt de leerlingen/deelnemers daarbij  hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de leerlingen/deelnemers en tussen de leerlingen/deelnemers onderling Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van zijn leerlingen/deelnemers en in de ( beroeps)praktijk waar zij zich op voorbereiden  hij is op een praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en kent vooral ook de implicaties daarvan voor zijn eigen doen en laten Indicatoren van de interpersoonlijke competentie Enkele voorbeelden:  De leraar ziet wat er gebeurt in de groepen waarmee hij werkt. Hij luistert naar de leerlingen/deelnemers en reageert op hen. Hij spreekt hen aan op ongewenst gedrag en hij stimuleert gewenst gedrag. Hij laat de leerlingen/deelnemers in hun waarde en zorgt ervoor dat de leerlingen/deelnemers respect opbrengen voor hem en voor elkaar.  Hij maakt de leerlingen/deelnemers medeverantwoordelijk voor de sfeer in de groepen reageert positief op initiatieven van leerlingen/deelnemers.  Hij stimuleert de samenwerking met en tussen de leerlingen/deelnemers. Hij staat open voor vragen van leerlingen/deelnemers en laat merken dat hij begrijpt wat ze zeggen en dat hij hier rekening mee houdt.

18

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
2 Pedagogisch competent

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden die onder andere een goed beeld heeft van zijn ambities en mogelijkheden. Dat is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de leraar pedagogisch competent zijn. Een leraar voortgezet onderwijs en bve die pedagogisch competent is, biedt de leerlingen/deelnemers in een veilige leer- en werkomgeving houvast en structuur bij de keuzes die zij moeten maken en hij bevordert dat zij zich verder kunnen ontwikkelen. Zo'n leraar zorgt ervoor  dat de leerlingen/deelnemers weten dat ze erbij horen, welkom zijn en gewaardeerd worden  op een respectvolle manier met elkaar omgaan en uitgedaagd worden om verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen  initiatieven kunnen nemen en zelfstandig kunnen werken hun affiniteiten en ambities leren ontdekken en op basis hiervan keuzes kunnen maken met betrekking tot hun studie en loopbaan Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en vaardigheid om een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen/deelnemers zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon. De leraar realiseert zo’n veilige leeromgeving voor de groep waarmee hij werkt, maar ook voor individuele leerlingen/deelnemers. En hij doet dat op een professionele, planmatige manier. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een groep, van het individuele welbevinden van de leerlingen/deelnemers en van de vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid  hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een benadering om de leerlingen/deelnemers te begeleiden naar een veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen in de richting van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid  hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit  hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt het zonodig bij, voor de hele groepen ook voor individuele leerlingen/deelnemers  hij signaleert problemen en belemmeringen in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van leerlingen/deelnemers en stelt, eventueel samen met collega‘s, een passend plan van aanpak of benadering op. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is vertrouwd met de leefwereld van zijn leerlingen/deelnemers, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid daarvan, en hij weet hoe hij daarmee om kan gaan  hij is bekend met bedrijfsculturen waar de leerlingen/deelnemers in of na hun opleiding mee te maken krijgen  hij is bekend met de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van tieners, jongvolwassenen en volwassenen, met de problemen en belemmeringen die zich daarbij kunnen voordoen en hij weet hoe hij die problemen in de praktijk kan signaleren en hoe hij daarmee om kan gaan  hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën, hij is vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan; dit alles met name in hun consequenties voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar  hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen én van de culturele bepaaldheid daarvan en hij weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen Indicatoren van de pedagogische competentie Enkele voorbeelden:  Hij ziet hoe leerlingen/deelnemers met elkaar omgaan en wat dat voor gevolgen heeft voor het welbevinden van (individuele) leerlingen/deelnemers. Hij bespreekt met hen de sfeer in de groepen de omgang met elkaar.  Hij helpt deelnemers om ten opzichte van elkaar en/of van hun collega‘s in bedrijf of instelling, 19

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
collegiale omgangsvormen te ontwikkelen en benut hierin de leeromgeving als oefenomgeving voor de werkomgeving. Hij helpt deelnemers bij de ontwikkeling van hun beroepsidentiteit. Hij waardeert de inbreng van de leerlingen/deelnemers, is nieuwsgierig naar hun ideeën en complimenteert hen regelmatig. Hij stimuleert hen om kritisch na te denken over hun opvattingen en gedrag en om daarover in de groep te communiceren.

 

20

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
3 Vakinhoudelijk & didactisch competent

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen zich de leerinhouden van een bepaald vak of beroep eigen te maken en vertrouwd te raken met de manier waar op die in het dagelijkse leven en in het werk gebruikt worden. Ook helpt hij de leerlingen/deelnemers zicht te krijgen op wat zij in de samenleving en in de wereld van het werken kunnen verwachten. Dit is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moet hij vak- of beroepsinhoudelijk en didactisch competent zijn. Een leraar die vak- of beroepsinhoudelijk en didactisch competent is,creëert een krachtige leeromgeving, onder andere door het leren in verband te brengen met realistische en voor de leerlingen/deelnemers relevante toepassingen van kennis in beroepen maatschappij. Zo‘n leraar  stemt de leerinhouden en ook zijn doen en laten af op de leerlingen/deelnemers en houdt rekening met individuele verschillen  bepaalt met de leerling diens (individuele) leertraject, met bijvoorbeeld mogelijkheden voor leren in en buiten school en leren in de context van de beroepsuitoefening   motiveert de leerlingen/deelnemers voor hun leer- en werktaken daagt hen uit om er het beste van te maken en helpt hen om ze met succes af te ronden leert de leerlingen/deelnemers leren en werken, ook van en met elkaar, om daarmee onder andere hun zelfstandigheid te bevorderen

Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende inhoudelijke en didactische kennis en vaardigheid om een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen/deelnemers zich op een goede manier de leerinhouden van een bepaald vak of beroep eigen kunnen maken. De leraar realiseert een krachtige leeromgeving voor de groep waarmee hij werkt, maar ook voor individuele leerlingen/deelnemers. En hij doet dat op een professionele, planmatige manier. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de leerlingen/deelnemers de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun werk aanpakken  hij ontwerpt op basis daarvan gevarieerde leeractiviteiten die voor de leerlingen/deelnemers uitvoerbaar zijn, waaruit zij eventueel kunnen kiezen en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid  hij voert die leeractiviteiten samen met zijn leerlingen/deelnemers uit  hij evalueert die leeractiviteiten en de effecten ervan en stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele leerlingen/deelnemers  hij signaleert leerproblemen en œbelemmeringen en stelt, eventueel samen met collega‘s, een passend plan van aanpak of benadering op. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij heeft zelf een grondige kennis en beheersing van de leerinhouden waarvoor hij verantwoordelijk is en hij is op grond van eigen studie en eventueel werkervaring vertrouwd met de theoretische en (beroeps)praktische achtergronden daarvan  hij kent het belang van die leerinhoud voor het toekomstige beroepen het dagelijks leven van de leerlingen/deelnemers  hij kent op hoofdlijnen de leerinhoud van andere vakken of beroepen waarmee hij binnen zijn school of opleiding samenwerkt  hij weet op hoofdlijnen wat en hoe zijn leerlingen/deelnemers geleerd hebben in het voorgaande onderwijs en hoe hij daarop kan aansluiten  hij heeft kennis van (onderzoeksmatig)ontwerpen van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen,waaronder ict  hij is bekend met verschillende onderwijs- en leertheorieën,met verschillende onderwijsarrangementen voor het voortgezet onderwijs en bve (onder andere actuele vormen van beroepsgerichte didactiek)en hij weet hoe hij die in praktijk kan brengen  hij is vertrouwd met hoe leerlingen/deelnemers leren, wat hun leerbehoeften 21

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
zijn,hoe zij zich ontwikkelen, welke problemen zich daarbij kunnen voordoen en hij weet hoe hij daarmee om kan gaan  hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en taalverwerving op het leren en hij weet hoe hij daar in zijn praktijk rekening mee moet houden  hij heeft een praktische kennis van veel voorkomende leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen en hij weet hoe hij daar mee om kan gaan  hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en volwassenen én van de culturele bepaaldheid daarvan en hij weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen. Indicatoren van de vakinhoudelijke en didactische competentie Enkele voorbeelden:  Hij kan opdrachten, oefeningen en toetsen waar zijn leerlingen/deelnemers mee te maken krijgen zelf foutloos uitvoeren,demonstreren en uitleggen. Dit voor zover die betrekking hebben op zijn vak(gebied).  Hij ontwerpt leeractiviteiten die in het perspectief van de loopbaan van de deelnemer betekenisvol zijn en waarin hij rekening houdt met het niveau van taalbeheersing van de deelnemer: zowel brede geïntegreerde opdrachten of projecten als smalle vakgerichte, zowel schoolgerelateerde als ook werkplekgerelateerde.  Hij ontwerpt in overleg met de praktijkbegeleider opdrachten waarmee de deelnemer in het bedrijf zelfstandig aan de slag kan, die recht doen aan de specifieke kenmerken van het bedrijf of bedrijfstak, die ervoor zorgen dat de leermogelijkheden op de werkplek optimaal benut worden en dat de deelnemer ten behoeve van zijn loopbaan optimaal leerrendement haalt uit het werkplekgerelateerde leren.  Hij biedt de leerlingen/deelnemers keuzes thema‘s, (werkvormen, opdrachten) en zorgt voor actieve betrokkenheid van leerlingen/deelnemers bij de invulling van hun onderwijsprogramma.Hij creëert de randvoorwaarden (sfeer,organisatie, opdrachten,materialen en machines)die de leerlingen/deelnemers in staat stellen zelfstandig te kunnen werken, zodat zij in hun eigen tempo en op hun eigen wijze kunnen leren.

22

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
4 organisatorisch competent

De leraar voortgezet onderwijs en bve draagt zorg voor organisatorische zaken die samenhangen met zijn onderwijs en het leerproces van de leerlingen/deelnemers in de school en op de leerwerkplek. Dat is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moet de leraar organisatorisch competent zijn. De leraar voortgezet onderwijs en bve die organisatorisch competent is, zorgt ervoor dat de leerlingen/deelnemers een ordelijke en taakgerichte omgeving treffen. Waar het leren zich op verschillende plaatsen afspeelt (bijvoorbeeld op verschillende plaatsen in de school, stages, leerbedrijf, buitenschoolse projecten) zorgt de leraar ( eventueel in samenspraak met andere begeleiders) voor afstemming tussen die verschillende plaatsen. Zo‘n leraar zorgt er dus voor dat de leerlingen/deelnemers:  weten waar ze aan toe zijn en welke ruimte ze hebben voor eigen initiatief  weten wat ze moeten (of kunnen) doen, hoe en met welk doel ze dat moeten (of kunnen) doen Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn organisatorische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en vaardigheid om in zijn groepen en zijn andere contacten met leerlingen/deelnemers een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen. Overzichtelijk, in alle opzichten voor hemzelf, zijn collega‘s ordelijk en taakgericht en vooral voor de leerlingen/deelnemers helder. En dat op een professionele, planmatige manier. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele en door de leerlingen/deelnemers gedragen procedures en afspraken  hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen  hij houdt voor zijn onderwijs een planning aan die bij de leerlingen/deelnemers bekend is en waar zij hun eigen planning op kunnen afstemmen, en hij gaat adequaat om met tijd Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is bekend met die aspecten van (groeps- of)klassenmanagement die voor zijn vorm van onderwijs relevant zijn  hij is bekend met de organisatorische aspecten van verschillende soorten leeromgevingen in de school en in het leerbedrijf, zoals open leercentrum, werkplekkenstructuur, beroepspraktijkvorming en praktijklessen Indicatoren van de organisatorische competentie Enkele voorbeelden:  Hij hanteert concrete, functionele en door de leerlingen/deelnemers gedragen procedures en afspraken op een consequente manier. Hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen.  Hij houdt een heldere planning aan, waarbinnen keuzemogelijkheden voor de leerlingen/deelnemers zijn.Hij bespreekt deze met de leerlingen/deelnemers en voor zover mogelijk stelt hij die met de leerlingen/deelnemers op.Hij gaat adequaat om met tijd. In onverwachte situaties improviseert hij op een professionele manier en stelt daarbij duidelijke prioriteiten.

23

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
5 competent in het samenwerken met collega’s

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet ervoor zorgen dat zijn werk en dat van zijn collega's in de school goed op elkaar zijn afgestemd.Hij moet ook bijdragen aan het goed functioneren van de schoolorganisatie. Dat is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moet hij competent zijn in het samenwerken met collega‘ s (binnen de school). Een leraar die competent is in het samenwerken met zijn collega's, levert zijn bijdrage aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op zijn school, aan goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisatie. Dat wil zeggen dat zo’n leraar  goed met collega‘s communiceert en samenwerkt  een constructieve bijdrage levert aan vergaderingen en andere vormen van schooloverleg en aan de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om de school goed te laten functioneren  een bijdrage levert aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met collega‘s. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat van zijn school, aan goede werkverhoudingen en een goede schoolorganisatie. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van belang is met collega’s en hij maakt gebruik van de informatie die hij van collega’s krijgt  hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende vormen van overleg en samenwerken op school  hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie * hij werkt met collega‘s (onderzoeksmatig) samen aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor samenwerking en intervisie  hij is op een praktisch niveau op de hoogte van leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te administreren  hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen voor scholen in het voortgezet onderwijs en bve  hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling Indicatoren van de competentie in het samenwerken met collega’s Enkele voorbeelden:  Hij werkt samen met collega‘s, (docent, instructeur en/of onderwijsassistent) in het voorbereiden, uitvoeren (teamteaching) en evalueren van onderwijs. Hij heeft een gemakkelijk toegankelijke administratie en registratie van leerling(gegevens).  Hij werkt met collega‘s samen aan het verbeteren en vernieuwen van het onderwijs of de organisatie, zoals bijvoorbeeld het ontwikkelen van opdrachten en beoordelingsinstrumenten in het kader van een nieuwe onderwijsvorm of het vormen van kernteams of zelfsturende teams.

24

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
6 Competent in het samenwerken met de omgeving

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet contacten onderhouden met de ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers en met collega‘s van (leer)bedrijven en instellingen waar zijn school voor het onderwijs en de leerlingen/deelnemerszorg mee samenwerkt. Hij moet er ook voor zorgen dat zijn professionele handelen en dat van anderen buiten de school goed op elkaar afgestemd zijn.Bovendien moet hij eraan meewerken dat de samenwerking van zijn school met die bedrijven en instellingen goed verloopt. Dat is de verantwoordelijkheid van de leraar voortgezet onderwijs en bve en om de verantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moet de leraar competent zijn in het samenwerken met de omgeving van de school. Een leraar die competent is in het samenwerken met de omgeving zorgt voor een goede communicatie en afstemming met ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers. Hij zorgt in overleg met de leerling voor een goede communicatie en afstemming tussen school, leerling en bedrijven of instellingen waar de leerling (in het kader van zijn opleiding) mee te maken heeft. Hij maakt doeltreffend gebruik van het professionele netwerk van de school als het gaat om de opleiding van de leerling of de zorg voor de leerling. Hij gaat verantwoordelijk en zorgvuldig om met de contacten die hij namens de school onderhoudt met de omgeving van de school. Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met bedrijven of instellingen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm te geven in het opleiden van de leerling. En hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor de leerlingen/deelnemers en bij zijn school. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij geeft op professionele manier informatie over de leerlingen/deelnemers aan ouders en andere belanghebbenden en hij maakt gebruik van de informatie die hij van hen krijgt  hij zorgt in overleg met de leerling en andere betrokkenen voor afstemming tussen het leren in en buiten de school en voor duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid en bijdrage hierin  hij neemt opeen constructieve manier deel aan verschillende vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school  hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze met betrekking tot een leerling aan ouders en andere belanghebbenden en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met die leerling aan Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en met de culturele achtergronden van de leerlingen/deelnemers en hij weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als leraar  hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar zijn school onderdeel van is  hij is bekend met de cultuur en de actuele gang van zaken in het bedrijfsleven waarin zijn leerlingen/deelnemers participeren en weet hoe hij daar als leraar mee om kan gaan  hij is bekend met de regelgeving en samenwerkingsprocedures tussen zijn school en bedrijven en instellingen waarmee wordt samengewerkt  hij weet hoe hij ervoor kan zorgen dat het binnen- en buitenschoolse leren en de interne en externe begeleiding van zijn leerlingen/deelnemers goed op elkaar zijn afgestemd Indicatoren van de competentie in het samenwerken met de omgeving Enkele voorbeelden:  Hij onderhoudt op een open en constructieve manier contacten met ouders, verzorgers of andere belanghebbenden. Zo spreekt hij mensen en instellingen buiten de school aan die met de leerlingen/deelnemers te maken hebben en is hij ook zelf voor die mensen en instellingen aanspreekbaar. Daarbij stemt hij zijn werk goed af op dat van andere partijen.  Hij kan zijn opvattingen en werkwijzen op het gebied van samenwerken met (potentiële) leerwerkplek biedende bedrijven/instellingen, ouders/verzorgers en anderen buiten de school 25

EINDSTAGE (LIO-STAGE)
verantwoorden. 7 Competent in reflectie en ontwikkeling

De leraar voortgezet onderwijs en bve moet zich voortdurend verder ontwikkelen en professionaliseren. Dat is zijn verantwoordelijkheid en om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moet hij competent zijn in reflectie en ontwikkeling. Een leraar die competent is in reflectie en ontwikkeling, denkt regelmatig na over zijn beroepsopvattingen en zijn professionele bekwaamheid. Zo'n leraar streeft ernaar zijn beroepsuitoefening bij de tijd te houden en te verbeteren. Zo'n leraar   weet goed wat hij belangrijk vindt in zijn leraarschap en van welke waarden, normen en onderwijskundige opvattingen hij uitgaat heeft een goed beeld van zijn eigen competenties, zijn sterke en zwakke kanten werkt op een planmatige manier aan zijn verdere ontwikkeling stemt zijn eigen ontwikkeling af op het beleid van zijn school en benut de kansen die de school biedt om zich verder te ontwikkelen

Bekwaamheidseis De leraar voortgezet onderwijs en bve onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid als leraar. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve het volgende doen:  hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties  hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het beleid van de school en de ontwikkeling en afspraken binnen het team  hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van leerlingen/deelnemers en collega‘s (in school en bedrijf) en ook van collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en supervisie. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis moet de leraar voortgezet onderwijs en bve deze kennis hebben:  hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het bedrijfsleven en de maatschappij die relevant zijn voor zijn onderwijs  hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere scholen voor voortgezet onderwijs en bve en van actuele ontwikkelingen op het gebied van inhouden, werkwijzen en organisatievormen in het voortgezet onderwijs en bve  hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied van de pedagogiek en de didactiek die relevant zijn voor zijn onderwijs  hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren Indicatoren van de competentie in reflectie en ontwikkeling Enkele voorbeelden:  Hij brengt onder woorden wat voor hem in het leraarschap belangrijk is en vanuit welke professionele opvattingen hij werkt.Zo brengt hij zijn beroepsopvatting en werkhouding in verband met de (onderwijskundige en levensbeschouwelijke) identiteit van de school.  Hij kijkt kritisch naar zijn werk en gebruikt evaluatie,reflectie en feedback van anderen om zich verder te ontwikkelen.  Hij benoemt zijn sterke en zwakke kanten, formuleert leervragen en werkt daar planmatig aan. Hij maakt daarbij gebruik van de kaders en structuren die de school biedt (bijvoorbeeld competentiemanagement, persoonlijk ontwikkelingsplan, teamontwikkelingsplan, functionerings- en beoordelingsgesprekken).

.

26

EINDSTAGE (LIO-STAGE)

Bijlage 5 Contactpersonen ILS
Instituut voor Leraar en School, tweedegraads lerarenopleiding Heyendaalseweg 141 te Nijmegen Postbus 30011, 6503 HN Nijmegen Telefoon: 024 - 35 30 200 Directeur Telefoon: e-mail: Coördinator Bureau Extern / Relatiebeheerder regio noord Telefoon: e-mail: Relatiebeheerder regio West Telefoon: e-mail: Relatiebeheerder regio Zuid Telefoon: e-mail: Secretariaat Bureau Extern: Telefoon: e-mail: Sectie Nederlands: Telefoon: e-mail: Sectie Engels: Telefoon: e-mail: Sectie Frans: Telefoon: e-mail: Sectie Duits: Telefoon: e-mail: Sectie Aardrijkskunde: Telefoon: e-mail: Sectie Geschiedenis: Telefoon: e-mail: Sectie Economie: Telefoon: e-mail: Sectie Natuurkunde: Telefoon: e-mail: Sectie Wiskunde: Telefoon: e-mail: Sectie Scheikunde: Telefoon: e-mail: Sectie Biologie: Telefoon: e-mail: Sectie Tekenen/Handvaardigheid ArtEZ: Telefoon: e-mail: dhr. J. van Meegen 024-3530003 jacques.vanmeegen@han.nl dhr. R. Liebrand 024-3530318 rudi.liebrand@han.nl mw. K. Derksen 024-3530023 k.derksen@ils.ru.nl dhr. G. Steverink 024-3530317 gerald.steverink@han.nl Loes Lamkamp, Monique Hovens en Ilona Timmer 024-3530200 bureau-extern@han.nl mw. C. Frielink 024-3530185 carine.frielink@han.nl mw. M. Reiber- Kuijpers 024-3530176 manon.reiber@han.nl dhr. J. Brink 024-3530180 jos.brink@han.nl mw. S van Maanen 024-3530189 susan.vanmaanen@han.nl mw. A. Ottenheim 024-3530069 aike.ottenheim@han.nl mw. A. Ottenheim 024-3530069 aike.ottenheim@han.nl mw. A. Ottenheim 024-3530069 aike.ottenheim@han.nl dhr. T. Brouwers 024-3530028 Twan.Brouwers@han.nl dhr. T. Konings 024-3530046 Ton.Konings@han.nl dhr. T. Somers 024-3530043 Thom.Somers@han.nl dhr. J. Leeman 024-3530050 Jos.Leeman@han.nl dhr. B. Velthuis 06-55183316 bjhm.velthuis@tiscali.nl

27