You are on page 1of 26

Blz.

197 – 211 Introductie door Nienke


Deze introductie laat vooral zien hoe de Islam zich verder verspreidde, en instituties van
Moslims zich ontwikkelden van de 10e tot de 19e eeuw.

Conversion to Islam
The Middle East and North Africa
De Arabische veroveringen brachten de Islam naar de rest van het Midden-Oosten en Noord-
Afrika. Niet alleen de veroveraars zelf, maar ook merchants, handelslieden, en missionaries,
brachten het gebied in contact met de godsdienst en haar cultuur.
Het blijft altijd een beetje de vraag of deze bekeringen gebeurden op de punt van het zwaard,
of dat de mensen hier vrijwillig voor konden kiezen. Er zijn allerlei motieven en factoren die
hiermee te maken hebben. Tegenwoordig wordt bijvoorbeeld meestal in beschouwing genomen
dat de regering vooral in het begin liever niet wilde dat mensen zich bekeerden, omdat ze
hierdoor een groot deel van de belastingen mis zouden lopen.

Het grootste deel van de mensen in het Midden-Oosten was sowieso niet snel of makkelijk
bekeerd. Voor een tijd bleef de leefwijze en religie van veel mensen hetzelfde. Ze werden wel
bestuurd door Moslimheersers, maar niet per se overgehaald om hun religie te veranderen.
Pas toen in de 10e tot de 12e eeuw de niet-Moslim instituties om verschillende redenen
vervielen, konden Moslim geleerden de leiding nemen in de opbouw van lokale
gemeenschappen, gebaseerd op het Islamitische geloof en de identiteit daarvan.

Grote delen van Egypte en Iran werden waarschijnlijk bekeerd in de 10e en 11e eeuw.
In Syrië bleven Christenen echter nog tot in de 12e eeuw hun geloof behouden, totdat ze,
mede door hun steun aan de Kruisvaarders, onder druk begonnen te worden gezet door de
autoriteiten. De meesten van hen bekeerden zich in de 13e en 14e eeuw. Er is nog steeds een
belangrijke Christelijke minderheid in dat land.
Een groot deel van de Christenen in Egypte nam de Islam over in de 14e eeuw.
Bekering in Noord-Afrika was een iets ander verhaal, omdat het vooral ging om leiders, chiefs,
van Berberse stammengemeenschappen die de religie aannamen en invoerden. In ieder geval
lijkt verandering van geloof daar sneller te zijn gegaan dan in het Midden-Oosten.

Turkish conquests and conversions in Anatolia, the Balkans, the Middle East, Inner Asia, and
India
Het verpreiden van de Islam buiten het Midden-Oosten was meer gebonden aan het bekeren
van Turkse volkeren, dan aan Arabische. In Azië kwamen de Turkse mensen vanaf de 10e eeuw
in contact met Islam door handelaren en karavaanhandel.
In Anatolië en op de Balkans ontstonden regimes die de godsdienst beschermden.
Ook zeer van belang was de migratie van een aanzienlijk deel van de Turkse populatie, waarbij
ze de oorspronkelijke bewoners van een gebied eigenlijk vervingen. Die zorgde ervoor dat
Islam hier werd verbreid.
De Christelijke kerk werd in Anatolië steeds zwakker, waardoor voor de Christenen een gebrek
aan leiderschap ontstond, wat weer bijdroeg aan het aantal bekeringen. Dit was niet zo op de
Balkans, waar bekering pas later toenam, namelijk onder het Ottomaanse bestuur.
In India werd bekering ook vooral bevorderd door het beleid van het bestuur, maar het bleef
daar beperkt doordat de Moslim elite in verhouding maar klein was.

Conversions in Southeast Asia and sub-Saharan Africa


De bekeringen in Maleisië, Indonesië en sub-Saharaans Afrika vonden vooral plaats doordat
Islamitische kooplieden en missionarissen kleine gemeenschappen stichtten, en daarna de
lokale elites overhaalden hun religie te accepteren en steunen.
In Zuid-Oost Azië had de Islam als voordeel dat de lokale bestuurders toegang kregen tot een
uitgebreid handelsnetwerk. De Portugese en Nederlandse koloniale interventie stimuleerde
acceptatie van Islam nog meer, en zorgde voor een basis van solidariteit onder de mensen.
In Oost-Afrika werden de handelaren en missiewerkers soms zelf onderdeel van de elite, en op
datzelfde continent bleven vaak elementen bestaan van de religie die er daarvoor al was.

Muslim elites and Islamic communities


In iedere Islamitische samenleving speelden 'ulama' en Soefies een grote rol.
De ulama waren wetenschappers op het gebied van de Hadith, en van Islamitisch recht en
theologie. Ze waren over het algemeen georganiseerd in rechtsscholen. De belangrijkste
soennitische rechtsscholen worden benoemd in het boek: de Hanafi, Shafi'i, Maliki en Hanbali.

Doordat de ulama vaak een bepaalde basis van steun hadden onder de bevolking, konden ze
ook politieke invloed uitoefenen en waren het voor de machthebbers belangrijk om rekening
met hen te houden. Soms ondersteunden ze de regering, maar op andere momenten en
plaatsen voerden ze daartegen juist oppositie.

Het Soefisme, in al zijn verschillende vormen, werd na de 13e eeuw het voornaamste teken van
de Islamitische aanwezigheid. Het werd de meest wijdverbreide en populaire vorm van het
geloof.
Wat het Soefisme precies inhoudt is moeilijk te beschrijven, maar het komt neer op de
mystieke beweging van de Islam, waarbij wordt geprobeerd God zelf te ervaren.
Er zijn ruwweg twee stromingen te beschrijven, de ene concentreert zich op de ethische en
emotionele kennis die de soefi zichzelf eigen maakt, de andere richt zich op soefi saints,
heiligen, die hun positie op bovennatuurlijke manier verkrijgen.

In ieder geval ontstonden er overal kleine social gemeenschappen, geleid door een Soefi-
meester. Deze waren vaak weer met elkaar verbonden door afstamming. Belangrijk was het
ontstaan van tariqas, of broederschappen, waarbij verschillende meesters en hun volgers zich
verenigden.
Het vereren van tempels en laatste rustplaatsen van de heiligen leidde ook tot het
samenbrengen en maatschappelijk bijeen houden van groepen mensen.

Als reactie op het soefisme ontstond er in de 17e en 18e eeuw een reformist movement, een
hervormingsbeweging. De volgers van deze stroming vonden dat het geloof moest worden
ontdaan van alle elementen waarover niet was te vinden in de Koran en de Hadith. Het strikte
recht en de culturele uitingen die geleidelijk waren ontstaan, mochten niet overheersen,
mensen moesten leven naar het voorbeeld van de Profeet zelf.
De eerste politieke uiting van deze gedachten kreeg vorm in Arabië, in de Wahhabitische
beweging. Later werd de beweging doorgegeven aan andere landen. Dit hervormde Soefisme
zou later een rol gaan spelen in het op de been krijgen van Moslims, om Islamitische landen te
verdedigen tegen het opkomend kolonialisme vanuit Europa.
Blz. 211 – 225 Introductie door Momo
THE SOCIAL STRUCTURE OF ISLAM
Moslim gemeenschappen hadden complexe structuren.
- 1. Islam kan als een internationale religie worden gezien, waarin alle moslims verbonden zijn
door een gedeelde traditie van leer en geloof, pelgrimage, rechtsscholen en religieuze
broederschappen.
Deze internationale moslimgemeenschap laat ons spreken van 'De Moslimwereld', maar
- 2. op een ander niveau bleef Islam juist erg lokaal, aangezien geleerden en sufi's vanuit hun
eigen gemeenschap praktiseerden waarbij universele vormen van islam werden gefuseerd met
lokale gebruiken, geloven en levenstijlen.
Þ Islam moet gezien worden als een universele religie én in zijn talrijke verschijningsvormen

Islamitisch religieus leiderschap had een grondig effect op de sociale organisatie van
moslimvolkeren.
In urbane gemeenschappen bracht Islam organisatie in de vorm van een moskee, khanaqa of
college/hogeschool. Ook rechtsscholen, sufi broederschappen en shi'i-secten werden vaak ver
geintegreerd in de buurt (elke inwoner was lid/hing dezelfde stroming aan). Islam bracht de
steden ook sociale en politieke integratie, loyaliteit aan de shari'a, regionale en internationale
handelsnetwerken en adminstratieve instellingen.
In dorpsgemeenschappen werd de moslimidentiteit vaak gebouwd op een reeds bestaande
dorpsidenteit. Het islamitisch geloof bracht eenheid tussen diverse volkeren/mensen die hun
eigen banden gebaseerd op bloedverwantschap, territorium, taal, ethniciteit of andere non-
islamitische elementen wilden behoeden. "ieder deed z'n ding", maar Islam verbond toch
iedereen met elkaar.

Na de 13e eeuw werd het Sufisme het centrale aspect in de gemeenschap. Sufi's opereerden
individueel of vanuit broederschappen, stelden dat ze afstammelingen van de Profeet of de
vroege kaliefen waren. Een sufi autoriteit werd gebaseerd deels op afstamming en deels op
sufi-kwaliteiten. Hetzij als individuen, hetzij als leidsmannen waren sufi's betrokken bij de
selectie van leiders, de bemiddeling tijdens conflicten en de organisatie van handel en
economische zaken.
Sufi leiderschap kon ook dienen ter vereniging van clans, geslachten en stammen. De
religieuze identiteit stond dan óp ethnische, stam- of clanloyaliteit.
Het onderbrengen van pastorale of stammenvolkeren is een terugkerend phenomeen. Prime
example is de integratie van de Arabische bedoeinen in de islam-prekende beweging. Zo ook
de Safavieden, die inviduen, clienten en clans verenigden en zo Iran overwonnen en
bestuurden. In de grote stammengemeenschappen speelde moslim religieus leiderschap of de
integratie van de moslimreligie vaak een grote rol. Ook inspireerde Islam tot opstand en
oppositie tegen de gevestigde regimes; de islamitisch impuls om de wereld te veranderen en
een 'new world order' te vestigen.

(op blz 215 staat een rijtje met definities van religieuze 'ambtenaren')

MUSLIM STATES
De meeste moslimgemeenschappen werden bestuurd door staten, bijgestaan door 'ulama en
sufi's. De moslimstaten verschilden vooral in de manier waarop zij religieus gelegitimeerd
waren. In de meeste gevallen was deze legitimatie verbonden aan de persoon van de heerser.
Zo zagen de leiders van de Umayyedn, 'Abbasieden, Fatimieden, Almoravieden, Almohaden en
West-Afrikaanse jihads zich allemaal als geestelijke (religieuze) machten. Zij waren erfgenamen
van de autoriteit van de Profeet (sharif) en zij waren tegelijkertijd leraar en leider.
In andere moslimgemeenschappen was de legitimiteit direct verbonden aan de
staatsinstituten. Zo was het Ottomaanse Rijk gelegitimeerd door haar reputatie als militair
regime dat het gebied van de Islam uitbreidde en het moslimvolk beschermde tegen
ongelovigen.
Algemeen gezien, hing legitimiteit niet alleen af van afstamming of genealogische lijnen, maar
telden ook kosmopolitische aspecten zoals cultuur, architectuur, schilderkunst, muziek, filosfie
en wetenschap mee.
Moslimstaten hadden vaak slavenlegers, zoals de 'Abbasieden, Ghaznavieden, Saljuqen,
Mamlukken, Ottomanen en Safavieden rijken. Ook in Noord en West Afrika werden slaven
gebruikt. Zij werden meestal uit Centraal Azië en de Kaukasus gerecruteerd, maar ook uit non-
islamitische gebieden zoals de Balkan, Georgië en sub-Sahara Afrika. Slaven behielden vaak
hun non-islamitische identiteit.
Ook de administratie van de moslimstaten was gelijksoortig: iqta, de manier waarop belasting
werd geïnd.
Sufisme werd niet overal gesteund, sommige regimes onderdrukten sufi-tegenstanders en
lieten hun taken uitvoeren door ambtenaren. Vaak hadden 'ulama in deze staten wél gezag; zij
verkozen een controlestaat boven een staat gebaseerd op anarchie (een samenleving zonder
macht of autoriteit).
De relatie tussen staat en 'ulama was vaak wederzijds afhankelijk, terwijl de relatie tussen
staat en sufi's tegenstaand was. Sufisme was gewoonlijk apolitiek, terwijl 'ulama meestal
politiek 'compatible' waren. Natuurlijk waren er ook regimes die sufi's protegeerden.
Moslimstaten hadden ook niet-moslim aspecten. Zoals bijvoorbeeld de inlijving van niet-moslim
elites, vaak krijgsheren die meer vasthingen aan hun stamidentiteit dan aan de
moslimidentiteit.
Moslimstaten kenden van nature dubbelzinnigheid: islamitisch & kosmopolitisch beschermer
(van non-islamtische cultuur).

CONFRONTATION WITH EUROPE


In de 18e eeuw hadden de wereldwijde islamitische gemeenschappen hun hoogtepunt bereikt
en begon hun politieke achteruitgang. De Safavieden, Ottomanen, Mogoelen en andere rijken
decentraliseerden en vielen uiteen in kleinere en concurrerende regimes. Ook kwamen veel
gebieden in handen van andere, niet-islamitische volkeren.

Pluralistic European societies


De cruciale factor in de achteruitgang van de moslimregimes was de 'rising power' van Europa.
Vanaf de Late Middeleeuwen was in Europa een proces van technologische ontdekkeingen,
economische welvaart en militaire kracht op gang gekomen. Dit proces had basis in sociaal-
economische en culture conditites, die uiteindelijk tot pluralistische gemeenschappen zouden
leiden.
Middeleeuws Europa was gebouwd op familiestructuren, en er waren (op adellijke nobelen na)
open sociale netwerken. Na het het vallen van het Romeinse Rijk was er geen allesomvattende
politiek meer.
Belangrijk was de trend van het scheiden van Kerk en staat: secularisme. De wereld buiten de
Kerk werd bestuurd door niet-canonieke (kerkelijke) wetten. De wereldlijke regels en wetten
hadden oorsprong in Griekse, Romeinse en Germaanse concepten. Kerk en staat waren niet
alleen afzonderlijke instituten, zij hadden ook afzonderlijke fundamenten.
In Europa werd de mobiliteit van de individu groter en paste men specialisatie in ambachten
toe. Er ontstonden nieuwe burgerstanden; nobelen, ridders, geestelijken en bourgeoisie.
Belangenhebbenden verenigden zich in gildes en andere vormen van organisatie.
Moslimgemeenschappen waren holistisch (vervlochten, 1 geheel); de wet en de umma. Europa
erkende echter meerdere religieuze, ethische of filosofische systemen. Elke richting handelde
naar eigen wetten en regels, eigen morele concepten en eigen filosofie. De mens stond
centraal; het humanisme. Zelfontplooiing werd gestimuleerd.
In deze Europese pluralistische gemeenschap was de relatie tussen de individu en de
gemeenschap anders dan in het Midden Oosten. In het Midden Oosten ging het om deelname
van de individu aan een religieuze gemeenschap. In Europa keek men op 2 niveaus tegen de
individu aan: een was zijn wereldlijke, beroepelijke identiteit, de ander was zijn spirituele
identiteit. De gemeenschap kwam tot stand werd gezien als individuen die hun functie
vervulden, een roeping of rol in een gezamenlijke pluralistische en seculiere wereld.
De Renaissance en Reformatie hebben de Europese tendens tot pluralistische waarden en
zelfontplooiing nog eens extra aangewakkerd. Urbanisatie en groeiende commercie bracht een
angst teweeg, men vreesde voor persoonlijke veiligheid en de uiteindelijke verlossing. Opstand
kwam niet uniform, maar in meerdere bewegingen op gang in Engeland, Frankrijk, Duitsland en
Zwitserland. Protestantse gemeenschappen benadrukten de doctrine van predestinatie
(voorbeschikking). Het protestantse purisme 'verbood' emotionele uitlaatkleppen voor
innerlijke stress, men stond vijandig tegenover kunst, muziek, dans, seksualiteit etc. Er bleven
weinig mogelijkheden tot bevrediging van emotionele behoeftes.
Volgens Max Weber onstond in Europa de "spirit of capitalism". Kapitalisme, onpersoonlijke en
onemotionele verrijking, was de basis voor de moderne Europese beschaving.

European trade and naval power


Technologische uitvindingen en het streven naar materiele welvaart. In de 13e en 14e eeuw
waren er al enkele gebieden in Europa die zich concentreerden op commercie en industrie, in
plaats van landbouw. Op zoek naar rijkdom en voorzien van hoogwaardige technieken om die
te verkrijgen kwam er al snel uitgebreide expansie.
Allereerst werden er nieuwe handelsnetwerken gecreerd. In de 16e eeuw waren er conflicten,
over wie de nieuwe wereldeconomie in handen had. Aan het einde van de 16e eeuw hadden de
Ottomanen hun macht geconsolideerd, maar was het Spaanse rijk uiteengevallen. Holland,
Engeland en Frankrijk werden dominant in de wereldhandel.
Nieuwe routes werden ontdekt, en er kwam een revolutie in de distributie van rijkdom. De
nadruk op de routes in de Middellandse zee verschoof naar de Atlantische zee, wat een
verandering van goederen met zich meebracht; meer landbouw- en industriele producten in
plaats van luxury goods. Er ontstond een systeem waarin kolonien ruwe materialen leverden en
waarin Europa de grootste begunstigde werd. Er ontstond een kapitalistische industriële
economie.
De 'rising power' van Europa bracht wereldweide conflicten met de moslimgemeenschappen.
Terwijl Islam zich aan het uitbreiden was, begon Europa haar eigen ambities te realiseren, ook
gebied veroverend. Zij ontmoetten elkaar bij verschillende grenzen. Rusland lijfden
moslimgebieden in, en ook China veroverde gebied op de moslims in Centraal Azië. In de
Indische zee werd er aangevallen door de Portugezen, Hollanders en Engelsen. De Perzische
Golf, de Rode Zee en Oost Afrika volgden. In Egypte en Noord Afrika vestigde de europse
commercie zich ook. Alleen het Ottomaanse Rijk en Iran werden geen europese koloniën.
In de 18e eeuw was de wereld gereorganiseerd en was Europa het grote machtsblok op gebied
van economie, commercie en politiek. Moslimgemeenschappen waren verzwakt. In de 19e
eeuw ontstond er in het Midden Oosten ontzag voor Europa. Zo waren bijvoorbeeld de
Ottomoan onder de indruk van Europa's militaire en technologische efficiëntie, artistieke stijl en
de Europese moraal van activisme en individualisme. Europese concepten van politiek,
voornamelijk het nationalisme, begonnen invloed te krijgen bij de moslimvolkeren. Deze
invloeden waren het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de moslims.
Blz. 248 – 253 hoofdstuk 14 door Kim
Migratie & turkse islamitische staten in Anatolie (1071-1243):
− De Oghuze bevolking vestigde het Saljuq rijk in Iran en Irak en verspreidden zich over
Georgie, Armenie en Byzantijns Anatolie

Strijd van Manzikert (1071): In deze strijd veroverde de Turken het Byzantijnse rijk van
Romanos 1.

De migrerende bevolking waren georganiseerd in kleine groepen van strijders die de naam
Ghazis hadden en waren onder het leiderschap van stamhoofden (beys) of heilige sufi
geleerden (babas).
Deze Ghazis bleven bij elkaar door de verering van stamhoofden, gezamelijk verlangen naar
vruchtbare grond, buit en om de voldoening van het overwinnen in de naam van de Islam.
Ze verwoesten bestaande ondernemingen en blokkeerden handelsroutes.
Alleen een paar Byzantijnse steden met Christenen en Armeniers bleven overeind.
Ze probeerden de overgebleven bevolking te onderdrukken.
In de 11 eeuw werd de formatie van de turkse stabiele staten tot een regeringsbeleid gevormd
die de volgende 5 eeuwen zo zou blijven.
De geschiedenis van het turks anatolie herhaalde die van de Saljuqqen in Iran en Irak.

De Saljuq staat in centraal en zuid anatolie (konya is de hoodstad) hervormde de gehele


wapenuitrusting van de Turkse Islamitisch Saljuq regering.
Om de dominante nomidische en de veroverende christenen te onderdrukken, bouwde de
turken een groot permanent leger van turkse en christen slaven en ze scheidden de Georgische
en christen huurlingen van elkaar. Er waren namelijk nog wel eens wat problemen met de
nomaden.
De administratie werd gedaan door Iraanse schriftgeleerden.

In het begin van de 13e eeuw werd er een fiscaal overzicht gemaakt en verandererde er het
een en ander.
− Er werden nieuwe gouverneurs aangesteld.
− De economie werd begunstigd door het aantrekken van caravaanhandel en handel over
zee (o.a.zwarte zee, middellandse zee).
− De infrastructuur van het Soennisme werd opgebouwd (bv geleerden vanuit Iran werden
gevraagd naar Anatolie te komen).
− Sufi broederschappen werd beinvloed door overheid door de vele voorzieningen die ze
van de overheid kregen. Hierdoor werd het Sufisme erg belangrijk in Anatolie en
migreerden ze vooral vanuit Azie (waar de mongolen de overhand kregen) naar
Anatolie.
De Sufi babas zorgde voor onderwijs en leiderschap. Ze bouwden ziekenhuizen, ontwikkelde
scholen, zorgde voor veiligheid etc. Ze brachten rust en orde in deze krijgerssamenleving.
Sufi's waren tolerant tegen over christenen

Hajji Bektash werd in heel anatolie vereerd en preekte een islam waarin aspecten van shi'i,
sunni, christenen werden beoefend. Hij bekeerd Tatar- gemeenschappen.
Akhis: stedelijke religieuze broederschappen (groepen ongetrouwde jonge mannen gewijd aan
futuwwa (jong) ethiek van dapperheid en gastvrijheid.
Deze Akhis werden geworven om de bevolkig voor misbruik te beschermen en de armen en
vreemdelingen te helpen.
The Akhis waren gerelateerd aan de Mevlevi's orde waarvan de vrijdagsgebed en de
gezamelijke maaltijden een doel van het stadleven was.

The invasie van de mongolen verwoesten het werk van urbanisatie.


In 1242-42 de mongolen versloegen de Saljuqqen en maakten hen vazallen en informeerde
naar de stabiliteit in Anatolie.
In 1230 grote groepen migreerden (misdadigers, krijgers, nomaden, vluchtelingen, avonturiers)
naar Anatolie vanwege de mongolen.
Er onstonden nieuwe kleine staatjes waaronder Karaman Beylik in Cilicia waarin 1335 Konya
als hoofdstad werd geclaimed als erfenis van de Saljukken. Dit wordt de Dulgadir dynasty
genoemd.

The rise of the Ottomans (1280-1453):


De krijgersstaat van Ertugrul (1280) en zijn zoon Osman werd steeds groter. Naar Osman is
ook het Osmaanse rijk genoemd. Ze kregen steeds meer aanhang en de kleinzoon van Ertugrul
bezette in 1326 de belangrijke stad Bursa en ging verder naar Gallipoli die in 1345 werd
veroverd.
Ze kregen vaste voet in Europa en massa's van turkse krijgers gingen naar de balkan,
De controle van het Osmaanse rijk in het westen werd in 1389 bevestigd met de verovering op
Kossovo. De gebieden om Constantinopel werden veroverd om later volgens plan
Constantinopel te veroveren. Dit plan kwam in de koelkast te staan na de invasie van de
timoren in 1402.
De Osmanen kwamen dit weer te boven, dit joeg de Europeanen angst aan.
In reactie op de veroveringen van de osmanen kondigde de europeanen de laatste kruistochten
aan.
In 1396 werd een coaltitie van de Pausdom en Venice verslagen in de strijd van Nicopolis.
In 1444 werd er weer een nederlaag geleden door de Pausdommen en de koninkrijken van o.a.
Polen, Hongarije, etc in de strijd van Varna.
Uiteindelijk werd in 1453 Constantinopel door de Osmanen veroverd.

Mehmed 11 kreeg steeds meer blijvende houvast in de Balkan. de 2e helft van de 15e eeuw
kwamen ook Griekenland, Bosnie, Herzegovina en Albanie onder Osmaans gezag. De Osmanen
beschermden de Grieks Orthodoxe kerk om de Balkan voor zich te winnen (voor de Turkse
migraties was een groot deel van de bevolking Christen → in de 15e eeuw was meer dan 90%
moslim geworden dit kwam door migratie en bekeringen, deze bekeringen zorgden voor een
zwakker Byzantijns rijk)

In de 13e en 14e eeuw werden christelijke geestelijk leiders van hun functie gehaalden
werden scholen en ziekenhuizen en heilige plaatsen overgenomen. Op het zelfde moment werd
de Islamitische gemeenschap opgebouwd op de overblijfselen van de Byzantijnen. Christenen
zagen dit als een straf van God.
In de Balkan werden ook de meesten Moslims maar dit leidde niet tot de zelfde situatie als in
Anatolie.
Er zou een verschil zijn: 1. de massa van turkse imigratie bleef in Anatolie.
2. Osmaanse administratie beleid in de balkan begunstigde de
Christelijke kerken.
Voor de verovering van Constantinopel werden christenen onderdrukt omdat ze gelijk werden
gesteld met de byzantijnen. Na de verovering werden de christenen meer beschermd.

In de 14e en 15e eeuw werden er veel nieuwe dorpen in de Balkan gesticht door Turkse
Moslims die om Sufi- tekkes heen werden gebouwd. Veel bekeringen tot de Islam vonden plaats
via Bektashi en Mevlevi's Sufi orde. Met de bekeringen werden gebruiken van de Christenen
overgenomen.

Begin 16e eeuw was de bevolking in de Balkan merendeel Christen. De moslims waren bij
elkaar gevestigd in dorpen. In de 17e en 18e eeuw was er een nieuwe golf van Islamization en
kwamer er meer bekeerlingen in de Balkan.
Blz. 253 – 263 hoofdstuk 14 door Roos
THE OTTOMAN WORLD EMPIRE
De ambities tot veroveren van het Osmaanse Rijk kwamen na de verovering van
Constantinopel en de Balkan op hun hoogtepunt. Het Rijk van de Osmanen strekte zich zover
dat ze als het ware het Abassidische wereldrijk erfden. Hierin was de zestiende eeuw er een
van de meest agressieve expansie, de zeventiende van behoud en onderhoud van het gebied
en de achttiende van de eerste tekenen van terugval.
De zwaai naar het Oosten werd gemaakt na de verovering van Constantinopel 1514. Een eeuw
lang streden de Osmanen met Iran, en de uitkomst hiervan (de Kaukasus voor Iran, en het
huidige Irak voor de Osmanen) zorgde ervoor dat de Arabische invloed de overhand kreeg bij
de Osmanen, en niet de Perzische.
Een tweede strijd in het oosten was die op de Indische Oceaan, waar de Osmanen de
Portugezen bevochten; die natuurlijk maar wat graag de handelsroutes binnen hun macht
hadden. De tactiek van de Portugezen was meer gericht op macht op het water en de routes,
terwijl de tactiek van de Osmanen meer gericht was op hun sterke punten op het vaste land en
ze hanteerden een meer defensieve houding op het water.
De echte strijd met de Europeanen kwam later. De veroveringen in de Balkan vielen de
Europeanen niet goed en al snel waren er drie drukpunten. In Roemenië, Hongarije en
uiteindelijk Transylvanie. Tot grote angst van veel Europeanen stonden de Osmanen in 1529 en
later in 1683 aan de poorten van Wenen. In 1606 kwam er een eind aan de expansie van de
Osmanen na een oorlog(je) van dertien jaar.
Maar er was ook mot om de straten tussen Sicilië en Tunesië, een strijd die in 1580 werd
opgegeven omdat het duidelijk werd voor beide partijen dat de grenzen rond de Mediterraanse
zee niet veranderd konden worden.
Aan de Noord Oost kant van het rijk was er ook nog gedonder met de Russen om gebieden
rond de Zwarte en Kaspische zee. Een strijd die verloren werd door de Osmanen.
En zo strekte het Osmaanse rijk zich uit van Ukraine tot Yemen en van het West mediterraanse
gebied tot Iran. Dit was te danken aan het ‘religieuze vuur’ dat de soldaten in zich hadden. De
wil om ‘ongelovig’ land te veroveren. En daarnaast de structuur binnen het Osmaanse leger dat
erg goed georganiseerd was.
Achter de veroveringen stond een sterk Osmaans systeem dat binnen haar instituties vele
structuren had overgenomen van andere volkeren; zoals Saljuqqen en Mamlukken. Maar er
waren ook invloeden te bespeuren die van Byzantijnse oorsprong waren; die kwamen vooral
terug in de administratie; architectuur; gildensysteem en de controle over bijvoorbeeld
provinciale economie.
THE OTTOMAN STATE
Het centrum van het Osmaanse rijk lag in het hof. Het binnenste hiervan was het paleis van de
sultan met alle zaken die er mee te maken hadden (opleidingen voor de koks bijvoorbeeld).
Erbuiten lag het militaire gedeelte.
Murad I gebruikte als eerste Kapikullari (slaafsoldaatunits). Die verdeeld waren in infanterie
(janissaren vooral) en cavelerie. Eerst bestond het uit gevangenen en vrijwilligers maar in 1395
werden er jongens van ‘buiten’ (de Balkan bijvoorbeeld) geronseld als een soort belasting. Dit
is het devshirme systeem. Deze jongens kregen van jongs af aan een opleiding. Het deel van
de janissaren dat niet uit de devshirme kwam was gewoon van Turkse afkomst.
De financiering voor deze militaire structuur had een bureaucratie nodig. Dit ging met
beylerbeyliks die weer opgedeeld waren in sanjak beyliks (provincies) en verder nog in
timarliks (districten?) die als salaris werden gegeven aan officieren.
Binnen de structuur was er een conflict tussen de ghazi’s/Turkse partij en de slaafsoldaten
partij.
Onder Mehmed II schoof het zwaartepunt van de macht richting de slaven en de Grieks
Orthodoxen kregen ook een belangrijke plek binnen het systeem. In de periode 1520 tot 1566
werden de janissaren oppermachtig maar de macht was niet langer in balans.
Net als in Abbasidische en Perzische machthebbers waren de Osmaanse sultans van een
patriarchale autoriteit (men only). Maar binnen het systeem was de opvolging lastig want er
was geen specifieke regel voor. Ofwel; elke zoon kon het zijn. Hier kreeg je natuurlijk veel strijd
onderling.
Vanuit een islamitisch oogpunt moest de sultan de uitvoerder van de Shari’a zijn. Maar in het
Osmaanse leven waren er natuurlijk aspecten die buiten de Shari’a vielen. De sultan stelde dus
een Kanun op die bestond uit firnans, decreten die als wet golden voor dat wat buiten de
Shari’a viel.
Maar daarnaast was de sultan ook de beschermer van de kunsten. Mehmed II deed dit ook voor
Europese kunst maar later wilden de sultans toch de nadruk leggen op Arabisch en Turks.
Zo stond ook de poëzie en de versieringen/afbeeldingen hierbij in het teken van het sultanaat
en het Osmaanse rijk. De invloed van imperialisme was duidelijk te zien. De illustraties
ondersteunden dit. Bij het hof was zelfs een hof-atelier, Nakkashhane, waar kunstenaars en
kalligrafen hun werk in dienst van de staat konden uitvoeren.
Vanaf de zestiende eeuw (begin van grote veroveringen); verschuift het manuscripten werk van
vooral overnemen naar het opschrijven en tekenen van moderne tafarelen. Ook in de
architectuur.
De conclusie is hier dan ook dat het Osmaanse rijk invloed had uit Turkse, Saljuqse en
Mamlukse hoek.
Blz. 263 – 273 hoofdstuk 14 door Farah
THE TURKISH MIGRATIONS AND THE OTTOMAN EMPIRE

Rulers and subjects


Het Ottomaanse regime bepaalde in grote mate hoe de maatschappij werd gestuurd. Zij
domineerden, controleerden en vormden de maatschappij. De Ottomanen werden
onderverdeeld in askeri (heerser) of re’aya (onderdaan). Je mocht alleen lid zijn/blijven van de
elite als je je ook volgens hun manier “the Ottoman way” gedroeg. Dat hield in dat je
beschaafd sprak en goede manieren had. Je kon alleen Ottomaan worden als je als Ottomaan
geboren werd of als je onderwijs genoot binnen een islamitische school of binnen één van de
scholen van het rijk of het leger.
Het onderscheid tussen de heersers en de onderdanen was niet hetzelfde als het onderscheid
tussen de moslims en niet-moslims. Binnen de eliteklasse en de onderdanen had je namelijk
zowel niet-moslims als moslims. Verschillende religies/volkeren waren toegestaan.

Het Ottomaanse regime bestond alleen uit leden van de eliteklasse (askeri).
De Ottomaanse moslims gingen over het leger en de bureaucratie. De Armenen gingen over
het bankwezen. De Armeense sarrafs richtten zich op de doorstroming van het kapitaal. De
Grieken en Joden hielden zich bezig met het ophalen van belastingen en de internationale
handel.
De onderdanen, de re’aya, bestonden uit talloze kleine gemeenschappen. De Ottomaanse
samenleving was een mozaïek van verenigingen, religieuze broederschappen, en
gemeenschappelijke economische groepen.
De niet-moslims waren zelfstandig, maar zij waren wel afhankelijk van hun eigen religieuze
organisatie. De leiders van deze religieuze organisaties waren benoemd door de Moslimstaat
zelf. Zij moesten zich dan ook verantwoorden bij deze staat. Ze waren dus niet geheel vrij in
hun doen en laten. De niet-moslim gemeenschappen werden dhimmi (degene die worden
beschermd), ta’ifa (groep) of jamat (religieus gemeenschap) genoemd. Doordat je
verschillende groeperingen had, werd het millet-systeem gehanteerd. Dat wil zeggen dat een
groep onderdanen een vorm van zelfbestuur geniet onder een eigen leider. Dit om conflicten te
vermijden.
De moslims, als onderdanen, waren verdeeld op een soortgelijke manier. Zij werden verdeeld
onder verschillende rechtsscholen en sufi-broederschappen. De Ottomanen wilden maar al te
graag dat de moslims het voor het zeggen kregen. Dit kon je merken doordat zij meer macht
gaven aan de ulama (moslimgeleerden) en de Sufi-eliten. Het Ottomaanse beschermheerschap
bestond hierdoor uit een uitgebreid systeem van madrasa-onderwijs (madrasa lett: school,
maar staat hier voor de verschillende rechtsscholen).

Binnen de juridische administratie kreeg je ook een uitbreiding. Je had de qadi-vragers, de


belangrijkste juridische adviseur. Hij bekleedde de hoogste positie binnen dit systeem en had
directe contacten met de sultan.
De gewone rechters, de mullahs, waren verdeeld in verschillende klassen. Zij dienden als
notarissen en griffiers en beheerden de eigendommen van weeskinderen en minderjarigen. Ze
hielden ook toezicht op de universiteiten.
Je mocht ook niet zomaar een afspraak maken bij één van hen. Je moest namelijk naar de
rechter/adviseur die bij jouw klasse hoort.
Sufi’s waren tevens erg belangrijk voor de Ottomaanse staat. Zij speelden een grote rol binnen
het leven van de Turkse landelijke gemeenschappen. De Sufi babas mobiliseerden verenigde
Turkse strijders. Zij waren politiek erg belangrijk, omdat zij de mensen konden inspireren zich te
verzetten tegen de staat. Vooral in het oosten van Anatolië had je veel Sufi-groepen die tegen
de dominantie van de staat waren.
Het verzet van de Anatoliërs werd vooral bevorderd door de Turkse volkscultuur. Veel poëzie
werd er geschreven door de Sufi’s, de meest belangrijke was dat van Emre Yunus (1238-1329).
De poezie reisde mee met de soldaten, het werd gezongen in de kampen, het entertainde de
mensen en zo werd het ook onthouden.
De meest invloedrijke groep binnen de Sufi’s was de Bektashis. Zij waren sterk beïnvloed door
zowel het shi’isme als het christendom. Zij leerden de gemeenschap dat er 4 niveaus van
religieuze overtuigingen zijn:
- Shari’a: naleving van de wet
- Tariqa: de ordes waarin Sufi’s zich hebben georganiseerd
- ma’rifa: Het begrijpen van de waarheid
- Haqiqa: de directe ervaring met de goddelijke werkelijkheid
Zo had je ook de Mevlevi tekkes. Zij staan wereldwijd bekend om hun ceremoniële dansen,
zoals de ‘whirling dervishes’. Zij waren ook erg belangrijk bij het bestuderen van Perzische
literatuur en bij het onderwijs van de Ottomaanse bureaucratische elite.
Doordat zowel de sufi’s als de ulama deel uitmaakten van het staatsbestuur, werd het
religieuze probleem een staatsprobleem. De ulama richtten zich meer op islamitische en
wetenschappelijke studies en de hadith, terwijl de Sufi's de nadruk legden op persoonlijke en
religieuze ervaringen. Zo kreeg je verschillende interpretaties.

The ottoman economy


14e eeuw: veroveringen langs de gebieden van de Zwarte Zee, de Egeïsche Zee en de
Middellandse Zee.
De veroveringen zorgden voor een herleving in Anatolie en in de Balkan. Er werden bruggen en
wegen gebouwd. Er kwamen waterputten. De groei van de bevolking stimuleerde de landbouw-
en textielproductie.
15e en 16e eeuw: Bursa en Izmir werden de belangrijkste handelspunten. Bursa had een grote
industrie van zijde met veel elite kooplieden. Izmir had veel kooplieden uit het buitenland.
laat 17e eeuw: Portugezen haalden de belastingen op. De moslims gingen over de regionale
handel en de Grieken over de handel tussen de regio’s en de Armenen over de internationale
handel.
18e eeuw: De Grieken waren hier naar voren gekomen als de beste handelsgemeenschap
Rond deze tijd werd ook de Imaret gebouwd. Dit was een enorm complex dat diende als een
madrassa waar de studenten ook konden wonen. Meerdere instituties waren gevestigd in dit
complex.
Wat ook een belangrijk project was, was de reconstructie van Istanbul. Dit werd gedaan om de
Sultan tevreden te stellen en vanwege administratieve- en handelsdoeleinden. Dit was nodig
om de vroegere welvaart te herwinnen.
Blz. 273 – 282 hoofdstuk 14 door Martine
Provincial administration
De stad werd gecontroleerd met een religieuze bestuur en centraal geregelde economie. Het
platteland daarentegen had een provinciale bestuur en moest belasting betalen.
Anatolië en de Balkan:
Hoewel de centrale regering een nauwe band met deze provincies had was er overal spanning
met het locale bestuur. Dit waren oorlogszuchtige pastorale leiders en sufi opstanden. Op de
Balkan mochten kerken blijven bestaan en een soort zelfstandig bestuur hebben waardoor het
Griekse karakter bleef bestaan.
De periferie (Arabische provincies):
Hier moest nog meer compromissen gesloten worden met het locale bestuur omdat het verder
weg was van het Osmaanse centrum.
Ondanks al deze gebieden met autonomie had het Osmaanse rijk veel macht en
gebruikte de surplus uit deze gebieden voor uitbreiding van het rijk. Ze behielden deze macht
niet alleen met geweld maar vooral met islam en beschaving. Ook lieten ze de locale macht
regelmatig wisselen waardoor deze niet te veel invloed kreeg. Er was weinig vertrouwen en
samenhorigheid onder de bevolking.

The Ottoman empire in disarray


In de 17e en 18e eeuw begon dit te veranderen. Door het eindigen van de expansie kwamen er
opstanden, economische recessie en militaire verliezen. De macht kwam in handen van de
Janissaries, ulama en Osmaanse families.
Het verliezen van de macht had ook te maken met de opkomst van de economische
macht van Europa. Nederland en Brittannië kregen de macht over de handel in Azië waar
voorheen de Osmanen handelden. De Russen over de zwarte zee, en de Engelsen over de
Levant. Als compensatie kreeg het Osmaanse rijk wel een koffiehandel via Jemen naar Europa
en invloed in het mediterraans gebied.
De Europese aandacht verschoof van Turkije en de Arabische provincies naar de Balkan waar
ze met de Joden en Grieken handel dreven. Ook kreeg Frankrijk alleenheerschappij over de
handel met Istanbul en dwong de Osmanen om de macht over de economie los te laten en
betwiste zijn macht door met de Joden en Grieken handel te drijven.
De handel was nadelig voor sommige gebieden maar liet andere ook volop bloeien. Er
waren dan ook nog andere oorzaken nodig voor het verzwakken van het Osmaanse rijk. De
sultans hadden geen directe invloed meer en leefden in harems. Ze hadden geen idee van de
realiteit van de wereld en waren niet bekwaam genoeg om een rijk te regeren. Ook begon de
macht van de Janissaries toe te nemen. Ze luisterden niet meer naar de regering en begonnen
land in te nemen en gezinnen te stichten (De Janissaries waren getrainde slaafsoldaten en er
gebeurde hetzelfde als in andere gebieden met de Mamlukken). Hierdoor was het rijk
gedwongen om een leger van buitenlanders samen te stellen die lang niet zo bekwaam waren
en veel geld kosten. Ze verloren overal gebied op Europa en om dit leger te bekostigen werd
het systeem op het plattenland veranderd naar een tax-farm. Er ontstond zo een
machtsvacuüm op het platteland.

Ondertussen begon de macht van lokale bestuur op het platteland te groeien. Ze begonnen
legers (van o.a. Janissaries en bandieten) op te bouwen en hielden een groot gedeelte van de
surplus voor zichzelf. Het tax-farm systeem werd veranderd naar privé bezit. Door een
bevolkingsgroei gingen steeds meer mensen platteland en steeg de werkeloosheid. Om geld te
verdienen om te overleven werden dit bandieten en werd er veel illegale belasting opgehaald.
Hoewel de regering deze bandieten gebruikten in hun voordeel (bijvoorbeeld voor
onderhandelen, bedreigen en betalingen) zorgde dit er wel voor dat de burgers zich gingen
bewapenen tegen deze bandieten. Ook gingen ze dicht bij elkaar wonen en begonnen een
eigen bestuur op te zetten wat probeerde de macht in handen te krijgen.
Deze ontwikkelingen vonden plaats in Anatolië en de Balkan en zorgen ervoor dat het
geld niet meer naar de centrale regering en Istanbul ging maar op het platteland bleven. De
handel en landbouwproducten veranderden door met name invloed van niet-moslims. Dit was
een proces dat langzaam ging (2 eeuwen!) en het bleef een moeilijke strijd met veel
machtsverschuivingen.
Aan het eind van de 18e eeuw was bijna het complete Osmaanse rijk onder invloed van
onafhankelijke heersers. Er ontstonden lokale dynastieën als de Karaosmanoglu in zuidwest
Anatolië, de Chapanoglu in het centraal plateau, de Pashaoglu in het noord-oost Anatolië. De
Balkan kreeg eigen dynastieën. Damascus, Mosul, Baghdad en Basra kregen een onafhankelijk
bestuur, Egypte kwam onder de Mamlukken en Noord Afrika werd onafhankelijk.
Turkse en Arabische gebieden bleven officieel wel onder de macht van het sultanaat maar op
de Balkan werd het christendom steeds belangrijker en verschoof de interesse steeds meer
naar het westen. Uiteindelijk werd hier het Osmaanse bestuur volledig afgewezen.

Het was niet alleen de afnemende macht van de Osmanen maar ook de toenemende macht
van Europa dat er voor zorgde dat het rijk achteruitging. Rusland was een grote bedreiging en
op meerdere plaatsen werden de grenzen van het Osmaanse rijk teruggedrongen. Hoewel de
Osmanen sommige gebieden weer terug kregen werden de grenzen op de Balkan voorgoed
verlegd. Uiteindelijk moesten de Osmanen erkennen dat de Russen machtig waren en dat
bracht ontsteltenis in het rijk. Dit erkennen hield in dat ze Europese adviseurs naar het
Osmaanse rijk haalden om te helpen het militaire systeem beter te maken. Ook andere dingen
als Europese literatuur en decoratie kregen een invloed in het Osmaanse rijk en dit zorgde er
uiteindelijk voor dat Turkije weer sterker werd.
Blz. 234 – 247 hoofdstuk 13 door Saïd
Safavid Iran
In 1501 bezette Isma’il Tabriz en benoemde zichzelf tot Sjah en binnen 100 jaar veroverde hij
de rest van Iran. Geografische verdeling: Ottomanen: oost Anatolie, Shaybanid:Transoxania tot
Osus River en Isma’il: het huidige Iran zoals die nu is.

Economische achteruitgang en dalende boeren-populaties verminderden de bronnen voor een


gecentraliseerde staat.

Het eerste knelpunt van de Safaviden staat was het versterken van de religieuze autoriteit
van de Sjah en de militaire en administratieve macht van de centrale macht over de
Qizilbash Uymaqs en de heersende Uymaqs (over clans/stammen/dorpen).

Naast Uymaqs waren ook tribalisme, marktkoopmannen en Soefi groepen


mededingers/concurrenten naar de politieke en sociale macht.

Om deze wezenlijke verstrooiing tegen te gaan poogde Sjah Isma’il de macht van Perzische
centrale ambtenaren te vergrootte ten aanzien van de Turkse militaire elites. Net als in de
Islamitische tradities, stelde de Safavids een slavenleger samen van slaven uit Georgië/
Circassian/Armenië en Turkije om tegen de macht van Turkse krijgsheren te strijden.

Eind 6e eeuw was de beweging van de politieke macht teruggesteld door een aantal
onvruchtbare regeren, echter de natievorming programma was hervat dooor Sjah ‘Abbas
(1588-1629). De mix van blanke slaven en Perzische infanterie en geschut gaven ‘Abbas de
militaire macht om de grenzen van zijn rijk te verstevigen en het versterken van de
interne macht.

Het leger en administratieve hervormingen werden gedeeltelijk gefinancierd door uitgebreide


mercantilistische samenwerking, door Armeense kooplieden – overgebracht naar Isfahan – te
laten fungeren als intermediairs tussen de Sjah en buitenlandse klanten. Het (konink)rijk kreeg
een sterke positie in de Iraanse handel. In Iran werd handel gestimuleerd door de aanleg van
wegen en de karavanserais (= Turkse herbergen voor reizigers van Karavanen).

Brits initiatief zorgde voor de eerste stap van Iran naar internationale handel. De eerste Britten
Anthony en Robert Sherly – marktkoop-avonturieren – kwamen in 1598 naar Iran. In 1616
bemachtigde de ‘English East India Company’ het recht om vrij in Iran te handelen. In 1646
heeft de Nederlanders concurrentie de Britse verslagen in handel. In de 18e en 19e eeuw
hervatte de Britten de opperheerschappij in handel in Iran.

Het centrum Sjah ‘Abbas zijn administratieve en economische programma, was door het
creëren van een nieuwe hoofdstad Isfahan. Het was essentieel voor de gecentraliseerde
staat en de legitimering van de Safavid dynastie.

De bazaar (marktplaats) van Isfahan was essentieel voor de economie: gericht op productie en
marketing en was ondergebracht onder het belastingorgaan van de staat.

Ook symboliseerde Isfahan de legitimering van de staat:


- grote pleinen en bazaars symboliseren à ordening van de wereld bij koninkrijkverdrag;
- religieuze monumenten staan voor à Koninklijke voorziening voor het geloof;
- de beeldschone decoratie teken voor à Koninklijke pracht.

Onder ‘Abbas I bereikte de Safavid monarchie het hoogtepunt van de politieke macht. Hoewel
zijn regeren als apogeum van het Iraanse rijk werd gezien, bereikte hij nimmer een volledige
gecentraliseerde regime.
The conversion of Iran to Shi’ism
Parallel aan/naast de staatsvorming richtte de Safavids een religieuze vestiging op, welke zijn
autoriteit en administratieve diensten aan het rijk uitleende. Sjah pro-claimde afstammeling te
zijn van de zevende imam en benoemde zichzelf ‘de schaduw van God en Aarde’.

De volgers van Isma’il waren verondersteld strikt te houden aan de gedragscode genaamd
‘sufigare’, ongehoorzaamheid leidde tot uitsluiting en zelfs tot executie. De devotie van de
Qizilbash is tweezijdig, aangezien zei zagen dat de Safavid niet onoverwinbaar waren: 1514
Slag van Chaldiran.

Aangezien de complicaties van de Qizilbash en de voornamelijk Soenitische bevolking


importeerde Isma’il de “twaalfde r’s” sjiitische geleerde vanuit Syrie, Bahrein, Noordoost Arabië
en Irak.

De geleerde werden ingebed in de door de staat gecontroleerde bureaucratie, als link tussen
de sjah en de religieuze vestiging. Dit zorgde ervoor dat de sjiitische geleerde verwijderd
werden van “geloof”, het gezag accepteerden en die elementen van de sjiitische traditie
benadrukten als zijnde een staatsorde van historische noodzaak.

Om de officiële religie te steunen, werden door de Safavids alle rivaliserende geloven


onderdrukt door de oplegging van het sjiisme, gepaard gaande met een golf aan executies.

De dominantie van het sjiisme was verder verzekerd door de gewelddadige onderdrukking van
het Soenisme:
- Safavids rituelen: met de beledigingen aan de nagedachtenis van de drie Kaliefen;
- schendingen aan de graven van Soenitische geleerden;

De Sjah was ook vijandig naar niet-moslim samenlevingen. Het verdrag van ‘Abbas I maakte
het mogelijk om zicht van het Jodendom en Christendom te laden bekeren tot de Islam. In 1656
volmachtigde ‘Abbas II de wazirs om joden met geweld tot moslims te bekeren.

Het succes van de “twaalfde” sjiisme was niet alleen afhankelijk van de macht van de staat,
maar ook zijn intrinsieke religieuze beroep. De onderdrukking van de Soefisme leidde tot
filosofische ideeën in de “twaalfde” sjiitische vestiging. Een nieuwe filosofische school, onder
leiding van Mir Damad s, 1631(en zijn dicipl Mulla drasse s.1640) werd opgericht.

Centrale probleem van Mir Damad was het creëren van een universum en met daarin de plek
van de mens, d.m.v.: eeuwig (dahr), relatie tussen essentie en attributen (sarmad) tijdelijk
(zaman).

Volgens Mir Daman – als voor neo- platonist and illumniationist – staat de mens in een
intermediaire positie, een brug tussen de wereld en intellect welke de link is tussen zichtbare
en onzichtbare werelden. De nadruk op deze intermediaire realiteit gaf het sjiisme een
rationalistische uitleg van onthulde waarheid, en definieerde de metafysische betekenis van
individuele zoektocht naar spirituele verlossing.

Verering van heilige figuren was ook een onderdeel van het Iranese sjiisme:
- herbouwen van de grote heiligdommen van Mashad en Qum;
- heiligdommen ter verering van Hasayn en Hasan vervingen populaire dorpsheiligdommen;
- pelgrimage naar Karbala ter vervanging van de pelgrimage naar Mekka;
- Ziyarat / ceremoniele bezoeken naar heiligdommen van imams en hun familie als alternatief
van verering soefi heiligdommen.

De festiviteit van de maand Muharram werd een ceremonieel middelpunt van de sjiitische
kalender. Het leven van Husayn werd gemarkeerd als een periode van rouw en verzoening van
zijn dood. Aan het einde van de Safavid periode had het sjiisme de complexe religieuze
sensibiliteit gedupliceerd, welke al gevonden kon worden in het Soenisme. Het werd dus een
alomvattende alternatieve versie van de Islam.
The dissolution of the Safavid empire
De situatie van de staat, het tribalisme en de religieuze instituties opgericht door Sjah ‘Abbas
veranderde ingrijpend eind 17e en begin 18e eeuw. De Safavid rijk was zwak en uiteindelijk
vernietigd door tribale krachten à sjiitische islam was bevrijd van staatscontrole.

- Na de dood van ‘Abbas I nam de macht van de centrale overheid af.


- Om gewelddadige strijden te voorkomen werden de troonopvolgers (Safavid prinsen)
beperkt tot
een paleisharem, opgevoed met geringe educatie en zonder toegang naar de buitenwereld.
- Er was vrede met het Ottomaanse rijk 1639.
- Het Safavid leger werd verwaarloosd en nam in aantal af à het was geen competent militaire
apparaat.
- Het verval van centrale administratie en de procedures voor het reguleren van belasting en
verspreiden van de inkomsten waren verlaten.
- Verzwakking leiden tot herleving van Uymaq (over clans/stammen/dorpen) en de provinciale
opstanden tegen de Safavid autoriteit.
- 18e eeuw Iran in staat van anarchie.
- 1722 de politiek macht van Ghalzai Afghans krijgt de controle over Isfahan.
- Iran aangevallen door zowel de Ottomanen als de Russen, die in 1724 een verdrag hadden
afgesloten.

De Afghanen waren in het noorden aan de macht en de Ottomanen en Russen in het zuiden.
Zuiden. Nadir verdreef van de laatste Safavids in 1736 en noemde zichzelf de sjah van Iran.

In het korte regeren van Nadir herstelde hij het grondgebied van de Iraanse staat, en poogde
een verzoening tussen Soenische en sjiitische islam te bevorderen en daarbij Afghaanse en
oost Iranese tribalisme in het regime te integreren. Nadir werd opgevolgd door Karim Khan
(1750-1779), vervolgens de Qajars. In 1779 werden de Qajars verslagen door de Zand die een
dynastie stichtten die stand hield tot 1924.

De vernietiging van de Iraanse staat in de 18e eeuw hadden ingrijpende gevolgen tussen de
staat en de religieuze elites. Het liet de latente vorderingen van de sjiitische geleerden op de
voorgrond komen:
1. Herbevestiging van de chiliastische (geloof in duizendjarig vrederijk na de terugkomst van
Christus): de verborgene imam aan het einde de tijden zal terugkeren en regeren;
2. Terugtrekking van de geleerde uit openbare aangelegenheden.
De eerdere fusie tussen religie en politieke aspecten van de Safavid samenleving was
vervangen door scheiding tussen religie en politiek en waardevermindering van de
politieke acties.

Eind 17e eeuw sjiitische geleerde zaaide twijfel over de ge-orfen autoriteit van de sjah als de
primaire drager van de sjiitische islam. Biologische erfenis was niet afdoende en een
testamentaire aanwijzing was noodzakelijk om vast te stellen of de afstammeling van een
imam die autoriteit had ge-orfen. De monolithische en alles absorberende religieuze vestiging
gecreëerd door de sjah zorgde ervoor dat hij los kwam te staan van de omarming van de staat.
In de 19e eeuw werd het de leidende tegenstander van het Iraanse regime.

Van de Mongoolse invasie tot de val van de Safavid rijk, de Iraanse geschiedenis is gemarkeerd
door zowel continuïteit als door transformatie van de basispatronen: staat, religie en
maatschappelijke erfenis van de Saljuq tijdperk.

Iran onderging ook buitengewone veranderingen in de relatie tussen de staat en religie. Iran
was virtueel uniek onder moslim gemeenschappen in de mate van hoe de staat de religieuze
vestiging beheerste en in de mate waarin het alle religieuze tendensen absorbeerden
gevonden in het moslim spectrum.

De 18e eeuw bracht een einde aan de premoderne geschiedenis van Iran. De Safavid regime
liet als erfenis aan de moderne Iran na een Perzische traditie van glorieuze monarchie, een
regime gebaseerd op een machtige Uymaq of tribalisme principes en een
samenhangend/monolithisch/gedeeltelijke autonome sjiitische religieuze vestiging.
blz 453-468 door Hans Wurzer
Introduction “Modernity and the Transformation of Muslim
Societies”
In dit hoofdstuk gaat Lapidus in op de moderne ontwikkelingen, die plaatsvonden in de 18 de en
19de eeuw. In eerdere hoofdstukken zagen we al dat Islamitsche veroveringen,
handelscontacten en missionariswerk door de verscheidene Sufi-orders Islam over een enorm
gebied hadden verspreid. De interactie tussen het Islamitisch staatsmodel uit het Midden
Oosten (plus de daarbij behorende [religieuze] instituties) en de lokale sociale instituties en
culturen, leidde vaak tot lokale “mengvormen” van Islam met de traditionele gebruiken. Al
deze mengvormen van lokale- en Islamitische instituties noemt Lapidus het Wereldwijd
systeem van Islamitische samenlevingen.

In Europa
In de 18de en 19de eeuwen kwam daar nog een factor bij; de Europese interventie. Gedreven
door de industriële revolutie, bewerkstelligden vele Europese landen (zoals Nederland)
territoriale rijken overzees om zo nieuwe markten op te zetten en grondstoffen te bemachtigen.
Naast de industriële revolutie, was ook de introductie van bureaucratie als organisatiemiddel
van belang om de efficiëntie en dominantie van de Europese economie te vergroten.
De Franse en Amerikaanse revoluties introduceerden nieuwe ideeën wat betreft de organisatie
van de staat: parlementaire vertegenwoordiging van de burgers, de moderne natiestaat,
nationalisme (nationale identiteit) en gelijkheid van alle burgers. De Verlichting in Europa
bracht ook het begrip van secularisatie (scheiding kerk-staat) naar de voorgrond. Religie had
geen plek meer in politieke-, wetenschappelijke- en economische instituties; de rede zou hier
domineren.

In de Islamitsche wereld
Terwijl de Europeanen de Islamitische wereld aan het veroveren waren in de 18de en 19de eeuw,
werd lokale bevolkingen ook blootgesteld aan deze nieuwe/moderne ideeën zoals nationale
identiteit, burgerschap, secularisatie en staatsinrichting. Deze nieuwe ideeën dwongen lokale
elites hun eigen versie van moderniteit te definiëren, ofwel hoe hiermee om te gaan.
In Europa was het de bourgeosie, die de drijvende kracht achter de bovengenoemde ideeën
was. In veel Islamitsche samenlevingen was de maatschappij echter niet georganiseerd dmv
economische/sociale stratificatie. Hier waren het tribale en religieuze elites, die de politieke
macht en de economie controleerden. Deze lokale elites waren degenen, die moesten reageren
op de bovengenoemde ontwikkelingen en uitdagingen. Deze elites konden ruwweg in twee
groepen worden verdeeld: Islamitische modernisten en Islamitische reformisten.
Modernisten: If you can’t beat them, copy them
De Europeanen hadden door dat het makkelijker werken was met mensen, die door henzelf
waren opgeleid. Zodoende werden de oude lokale elites vervangen door nieuwe militaire,
administratieve en landbezittende elites/intelligentsia. De nieuwe elites waren dan ook
bijzonder onder de indruk van Westerse culturele waarden. Zij zagen de Westerse overname als
een gevolg van hun eigen zwaktes.
De enige manier om weer een (politieke) macht te worden en te concureren met het Westen
was dan ook door elementen van de Europeanen over te nemen. Zij wilden zodoende hun land
naar Westers model moderniseren. De rol van Islam moest daarom ook
geherdefinieerd/verkleind worden (maar niet uitgebannen worden) met een voorkeur voor
secularisme en nationalisme naar Westers model met een sterke centrale administratie en
bureaucratie.
Seculier nationalisme werd het nieuwe bindingsmiddel in de van oorsprong vaak tribale
samenlevingen, waar voorheen Islam die rol vervulde. Arabisch nationalisme (later pan-
Arabisme) werd dus ook een belangrijk verenigende factor naast het pan-Islamisme (wat bijv.
Door de Sultan van de Osmanen werd gepropageerd). Minderheidsgroepen (zoals Christenen
en Joden) kwam het seculier nationalisme ook goed uit.
Ook de economie moest aan drastische hervormingen geloven. Europese productietechnieken
werden geintroduceerd en lokale ambachtslieden werden weggeconcureerd. Ook zogeheten
cash crops (granen, katoen) werden door de Europeanen geintroduceerd, waardoor de lokale
landbouw drastisch gereorganiseerd werd (en dus niet meer selfsufficient was). Mijnen werden
gegraven en spoorwegen aangelegd en het Europees banksysteem werd geintroduceerd.
De legers werden mbv Europese adviseurs met moderne wapens en strategiën uitgerust en
geherorganiseerd. Tenslotte werd het onderwijs en het rechtsysteem ook op de schop genomen
en gemodelleerd naar Europees voorbeeld.

De Sjaak: de Reformisten
Drie groepen waren de dupe van de hervormingsprocessen: de ulama en de oude lokale elites
en (traditionele) handelslui. Islam werd teruggedrongen door het nieuwe staatsmodel op basis
van secularisme. Ook moest het geloof inleveren wat betreft invloed op het onderwijs, wat nu
op Europees model werd gedaan.
De oude lokale elites speelden aanvankelijk een rol in het hervormingsproces, maar werden
snel vervangen door de nieuwe lokale elites/intelligentsia’s. De oude politiek elites moesten nu
genoegen nemen met lagere functies in de overheid en begonnen zich te verzetten tegen
Europees kolonialisme en de nieuwe elite.
De traditionele handelaren zagen hun aandeel in de economie overgenomen worden door
Europese ideeën wat betreft handel (VOC mentaliteit enzo).Ook werd door de Europeanen de
voorkeur gegeven aan Christelijke en Joodse tussenpersonen in handelstransacties.
Het verzet tegen de koloniale machten werd vooral in reformistische termen gevoerd.
Reformisme was het politieke-en morele antwoord van de ulama op transformatie(s) die de
Islamistische samenlevingen ondergingen en de komst van de Europeanen. Het was al
aanwezig voor de komst van de Europeanen, maar de komst leidde tot een intensifering van
het debat. De Ulama en verscheidene Sufi Orders wilden een terugkeer naar een meer pure
vorm van Islam gebasseerd op Koran, Hadith en met een vleugje Sufisme. Het ideaal was om
te leven zoals de Profeet Mohammed geleefd had.
God had immers de Islamitische samenlevingen gestrafd door ze te laten overmeesterd
worden door de Europeanen. De samenlevingen zouden te tolerant zijn geweest tegen niet-
moslims en al die heiligen en tombes, die werden vereerd was nou ook niet de bedoeling. Islam
werd meer een persoonlijke disciplin, een morele verantwoordelijkheid en toewijding wat
betreft de wereldwijde umma. Met geweld optreden tegen de corrupte- en of afgewaterde
versies van Islam (lees “collaborerende modernisten”) was toegestaan.
Reformisme werd verspreid over het Wereldwijd systeem van Islamitische samenlevingen, en
vond vooral een plek geïsoleerde tribale dorpen en het platteland, waar de centrale overheid
minder te zeggen had. Islam werd hier de verenigende autoriteit itt de sterke centrale staat
van de modernisten. Reformisme was ook een goed middel om groepen te verenigen om te
strijden tegen de kolonialisten en het centrale gezag. Denk bijvoorbeeld aan de Federally
Administered Tribal Areas (FATA) in het huidige Noordwest Pakistan, waar de ethnische Pashtu
de dienst uitmaken, en Islam de belangrijkste autoriteit is (de Pakistaanse overhead heeft hier
weinig voor het zeggen).
Er waren tenslotte ook combinaties mogelijk van modernisten-reformisten, zoals
Mohammed ‘Abduh. Hierbij werd op religieus gebied geopteerd voor een terugkeer naar een
purdere vorm van Islam, maar op politiek gebied (en economisch) zou gemoderniseerd moeten
worden om in een concurrentiepositie met Europa te blijven. Dit werd later ook het standpunt
van de Salafi beweging in Egypte.

IN HET KORT
FORMULE: Islam+ lokale samenleving + Europese verlichtingsideeën= contemporaine/
moderne Islamitische staat
REACTIE: MODERNISME EN/OF REFORMISE
DRIE FASEN 18 t/m 20ste Eeuw:
1.) Het opbreken van het Islamitische staatsbestel en de territoriale- en economische
dominantie van Europese koloniale machten (18+19de eeuw)
2.) De formatie van moderne natiestaten door de lokale elites (20ste eeuw) Modernisme
domineerde
3.) Opkomst Islamisme en Islamitisch reformisme (+/- halverwege 20ste eeuw)
Reformisme in
Blz. 469 – 476 hoofdstuk 22 door Madeleine
De Qajar dynastie (1779-1925) regeerden Iran net als de Safavieden(1501-1722) met een
regime dat weinig centrale macht had. Dat kwam doordat lokale stammen veel macht
uitoefenden en omdat de religieus gevestigde orde steeds onafhankelijker werd. De kloof met
de staat werd steeds groter.

In 1905 leidde de Europese veroveringen, culturele invloeden en economische indringing in


Iran tot de Constitutionele Revolutie. Deze werd geleid door intellectuelen, ulama, handelaren
en ambachtslieden die een coalitie te vormden tegen het regime.

Ook de Pahlavi periode daarna (1925-1979) werd een herhaling van de geschiedenis waarbij de
Pahlavis trachtten een centrale macht te vestigen en moderniseringen door te voeren in de
economie en maatschappij. Maar ook hier verzette de ulama zich uit volle macht, gesteund
door het volk, in naam van de islam. De worsteling tussen staat en de ulama is een belangrijk
kenmerk van de Iraanse geschiedenis.

Qajar Iran: the long nineteenth century

De Qajars kwamen aan de macht na een periode van anarchie en tribal struggles. Het Qajar
regime werd nooit een sterk regime. Ze hadden een klein leger dat bestond uit uit Turkoman
en Georgisch slaven; de centrale administratie door de regering was veel te slecht ontwikkeld
om belastingen effectief te innen. De provincies waar zij over regeerden waren nota bene
opgebroken in verschillende stammen en locale facties, geleid door hun eigen
stamhoofden(khans of Ilkhans). Deze hadden formele afspraken met de regering, eigen land,
zelfs recht om eigen belasting te innen en paste hun eigen recht toe. De stamhoofden waren
dus vrijwel onafhankelijk van de staat.

Terwijl de Qajars hun soort van autoriteit behielden werd de macht van de religieus gevestigde
orde (ulama) steeds meer versterkt. In de loop van de 18e en 19e eeuw bereikte de ulama van
Iran een ongekende graad van autonomie, sterk leiderschap en georganiseerdheid. De
religieuze autoriteiten van de ulama (mujtahids, verklaarders van de religieuze wet) werden de
leiders van de moslimgemeenschap.
Ulama versterkte hun banden met het volk door de toepassing van recht, trustfonds,
liefdadigheidsinstellingen en het voorzitten van gebeden bij ceremonies als geboorte, huwelijk
en overlijden. Vooral hun banden met ambachtslieden en handelaren waren belangrijk.

De Europese inbreuk in Iran verhoogde de spanningen tussen staat en ulama.


In de loop van de 18e en 19e eeuw grepen de Russen de macht in noordwest Iran. Van 1826 tot
1885 hadden de Russen Tabriz, Armenië, controle over de Kaspische Zee( een gewilde Iraanse
positie voor handel) en wat Iraanse centraal Aziatische provincies. De Russische veroveringen
werden gecompenseerd door de Britten die de macht in Afghanistan overnamen om hun
Indiase rijk te verdedigen. Het resultaat was dat de russen dominant waren in Inner Azië en de
Kaukasus, en de Britten in Afghanistan. Opvallend genoeg namen deze machten Iran niet onder
koloniaal bewind.
Na 1857 was de Britse en Russische invloed vooral economisch. In 1872 gaf de Iraanse
regering concessies aan Baron de Reuter op vele gebieden zoals railnet constructies, graven
naar mineralen en metalen, kanalen en irrigatiewerken bouwen. In 1890 kregen de Britten
monopoly voor de Iraanse tabak industrie. Ook de Russen wonnen veel op economisch gebied
en werden geldschieters voor de Shah.
Uiteindelijk, in 1907 werd Iran door een overeenkomst verdeeld in een Noordelijk deel waar
Russen invloed hadden en een zuid oostelijke Britse zone, daartussen in zat een neutrale zone
waar Iran met haar monarchie intact bleef, maar in principe geen echte macht meer had.

Net als in het Ottomaanse rijk stimuleerde Europese interventie de Qajars om het staatsbestel
te moderniseren. Het leger werd opnieuw georganiseerd.
Hervormingen brachten ook een nieuwe stroom van Islamitische moderne denkers en door het
westen beïnvloedde intellectuelen. Zij geloofden dat een modernisering in Iran de enige
effectieve oplossing zou zijn om buitenlandse bemoeienis weerstand te bieden en
omstandigheden voor het volk te verbeteren.
De hervormingen hadden amper resultaat omdat maar een kleine groep mensen bereikt werd.
Leiders vreesden wellicht hun eigen autoriteit te verliezen en waren compleet afhankelijk van
Britse en Russische hulp. De Qajar hervormingen waren dan ook onvoldoende om zich te
verzetten tegen buitenlandse uitbreiding.

De Europese interventie veroorzaakte verzet. Bij handelaren en ambachtslieden, die het zwaar
hadden door de economische Europese competitie en hun door de Iraanse staat verkregen
monopolies. Bij de ulama die angstig waren voor alle vreemde buitenlandse invloeden.
Muhammad Shah (1834-48) versterkte de spanning tussen staat en ulama door een anti-ulama
beleid te gaan voeren en doorging met het adopteren van Westerse methoden in de regering
en leger.
Deze spanning werd nog erger tijdens de regering Nasir al-Din Shah die de macht van de ulama
nog meer wilde inperken.

Midden 19e eeuw voelde de ulama zich van alle kanten aangevallen toen er ook nog nieuwe
religieuze bewegingen kwamen.
Sayyid 'Ali Muhammad kreeg aanhangers door te beweren dat hijzelf de verborgen imam was.
Hij schilderde de ulama af als corrupte dienaars van de staat.
Sayyid 'Ali Muhammad werd vermoord in 1850. Zijn aanhangers splitste op. De eerste groep,
de Azalis, bleven zich tegen de Qajars verzetten. De tweede groep volgde Baha'ollah, die
zichzelf profeet verklaarde en de Baha'i religie oprichtte.
Bij de ulama was de enige compenserende ontwikkeling dat Shaykh Murtada Ansari spiritueel
leider voor alle Shi'a werd, en voor het eerst was het religieus leiderschap geconcentreerd op
één persoon.

The constitutional Crisis (1905-11)


In 1891 en 1892 organiseren een coalitie van Ulama, handelaren en kooplieden een nationale
boycot tegen de tabaksmonopolie. Drijfveren waren zowel vijandigheid naar buitenlandse
interventie als verzet tegen het Qajar regime. Ook de intellectuelen voegden zich bij de
oppositie waardoor er voor het eerst eenheid en nationaal verzet was tegen de Qajar
monarchie.

De jaren tussen 1892 en 1905 waren jaren van voorbereiding, de onenigheden tussen staat en
ulama stapelden zich op en leidden uiteindelijk tot de constitutionele crisis. Ondergrondse
bewegingen ontwikkelde constitutionele liberale ideeën, geïnspireerd door de moderniseringen
in het Ottomaanse Rijk en Egypte.

De constitutionele beweging kwam tot een hoogtepunt in 1905 en 1906.


Toenemende schuldenlast van de Shah aan de Russen, Russische steun aan de Baha'is en de
benoeming van een Belg voor de positie van Minister van Post en Telegraaf, leidde tot
protesten in de Bazaar en in 1906 tot het bijeenkomen van een constituent nationale
vergadering. 26% waren ambachtslieden, 15% handelaren en 20% bestond uit ulama. Zij
maakten de grondwet die van kracht bleef tot 1979. Deze nieuwe grondwet maakte de Shah
ondergeschikt aan een parlementaire regering met de Islam als officiële godsdienst van Iran.
Er kwam er periode van onrust en conflicten tussen de shah en oppositie. In 1911 kwamen de
Russen tussen beiden en herstelde de regering van de Shah.
Blz. 489 – 501 hoofdstuk 23 door Fatima
The Partition of the Ottoman Empire
De overgang van 18e eeuw Islamitische Rijk naar het moderne nationale staat veroorzaakte
het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk.
In de 17e en 18e eeuw kende het Ottomaanse Rijk een periode van decentralisatie dat in de
19e eeuw werd hersteld.
Terwijl het Ottomaanse Rijk met hervorming van staat en samenleving worstelde, was het rijk
langzaam er hand aan het afbrokkelen.
Tot aan 1878 werd het afbrokkelen tegen gehouden door the European balance of power.
Daarna verloor het Ottomaanse Rijk haar gebieden in de Balkan aan o.a. de 2 grote machten
GB en Rusland.

Eind 18e eeuw was het Ottomaanse rijk niet meer in staat zichzelf te verdedigen tegen de
groeiende militaire en economische macht van Europa.
Het Ottomaanse Rijk ofwel the sick man of Europe was beschermd door de European balance
of power. Rusland wilde Ottomaanse gebieden overnemen en daardoor toegang hebben tot de
Middellandse Zeegebied. Europa wilde dit juist tegenhouden ter bescherming van haar eigen
commerciële en imperiale interesse.

The European balance of power werd meerdere malen op de proef gesteld.


-Unkiar Skelessi (1833): verdrag tussen Rusland en het Ottomaanse rijk om Dardanellen en
Bosporus te sluiten tegen buitenlandse oorlogsschepen. Dit gebeurde als gevolg van de invasie
van Syrië door Ottomaanse gouverneur van Egypte. En in 1840 ging de andere machten GB en
Oostenrijk ook hiermee akkoord.

-Rusland viel het Ottomaanse rijk aan in de Cirmean War tussen 1853-56 om op te komen voor
de Christelijke minderheid in Jeruzalem. Fransen en Britten hielpen de Ottomanen tegen de
Russen. En in de Treaty of Paris (1856) werden de Russen gedwongen hun zeemachten in de
Zwarte Zee te ontmantellen.

-In 1876 kwam Bosnië Herzegovina in opstand tegen de Ottomaanse heerschappij. Het
Ottomaanse rijk werd gedwongen (door Rusland) de onafhankelijkheid van een aantal Balkan
gebieden te erkennen in de Treaty of San Stefano(1878). In 1878 werd een nieuwe schikking
opgelegd waar de Ottomanen Bessarabia hebben afgestaan aan de Russen. Maar ter
compensatie voor de Russische winst veroverde Oostenrijk Bosnië and Herzegovina, en GB
nam Cyprus als operatie basis. De Ottomaanse heerschappij was daarmee hersteld.

-In 1908 werd the balance of power verstoord door Ottomaanse politieke crisis. Dit leidde tot de
heropening van de strijd tussen Rusland en Oostenrijk gesteund door Duitsland. Er moesten
nieuwe allianties tussen de Balkanstaten gemaakt worden. Deze waren in 1912 voltooid en in
oktober van hetzelfde jaar werd het Ottomaanse Rijk aangevallen door een combinatie Balkan
leger die de onafhankelijkheid van de meesten gebieden wisten te winnen.

-WO I voltooide het proces van dismemberment (verbrokkeling). Het Ottomaanse Rijk vocht
naast Duitsland en Oostenrijk (1914). In reactie daarop besloten de Britten, Fransen, Russen en
Italianen de Ottomaanse provincies te verdelen. Dit laatst werd opgenomen in de Sykes-Picot
agreement (1916).

In 1918 hebben Europese bondgenoten Duitsland, Oostenrijk en het Ottomaanse Rijk verslagen
en het Midden-Oosten verdeeld. Tussen 1912 en 1920 verloor het Ottomaanse Rijk al haar
gebieden in de Balkan.

Ottoman Reform
Militaire en economische hervormingen werden al in de vroege 17e eeuw besproken. Er
kwamen toen twee suggesties:
Het terugbrengen van de wetten (kanuns) van Sulayman the Magnificent of het overnemen van
Europese methodes betreffend militaire training, administratie, educatie, economie…etc. De
laatste optie was gewenst.

Selim III introduceerde de 1e complete hervormingsprogramma (Nizam-i-Jedid=New


Organization), maar werd al snel verslagen door de oppositie van 'Ulama en janitsaren, en werd
in 1807 afgezet.
Daarna volgde Muhammed II die het hervormingsprogramma herleefde. Hij begon op basis van
zijn voorganger selim III, maar nam in zijn hervormingsprogramma streng westerse concepten
van gecentraliseerde staat geregeerd door een absolute monarchie. Conservatieve
tegenstanders werden versalgen, waaronder de janitsaren en verzwakte Ulama. Waqfs,
gerechtshoven en scholen kwamen onder het toezicht van de staat.

De 1e hervormingsfase volgde door Tanzimat (reorganization period) tussen1839-76. De


Ottomanen realiseerden dat radicale veranderingen in economie en samenleving noodzakelijk
waren voor het bereiken van een gecentraliseerde macht. In 1838 kwam het
regeringsmonopolie ten einde en werd internationale handel gestimuleerd door lage tarieven.
Maar hervormingen in handel en banking zorgde voor een dominante positie van Europa in de
Ottomaanse economie.

In vroege 1840 werden Westerse vormen van rechtbanken en wetboeken geïntroduceerd.


En door de in 1917 geïntroduceerde familierecht gebaseerd op Europese systemen, werd een
einde gemaakt aan het islamitische verleden.

Hervormingen in het onderwijs: door het invoeren van nieuwe educatie systemen basis en
middelbare scholen, later ook universiteiten.
Hervormingen voor niet- Moslims: Christenen en Joden kregen de mogelijkheid zich te
integreren in de samenleving (om hun loyaliteit te winnen). In 1856 werden ze gelijke rechten
beloofd en in het leger te mogen deelnemen. Religieuze verschillen zouden geen barrière
moeten vormen voor de Ottomaanse loyaliteit.

De Tanzimat creëerde haar eigen oppositie, een nieuwe klasse, de bureaucraten: pro
modernisering, onderwezen in seculiere scholen en waren onder leiding van Mustafa Reshid
Pasha. Ze publiceerde schriftelijk hun oppositie ideeën (in boeken, kranten, gedichten). Ze
zochten bondgenoten bij de lagere klasse, militaire officiers, liberale Ulama en studenten.

De nieuwe intellectuelen werden in 1860 vertegenwoordigd door the Young Ottoman society.
Zij geloofde in de continuïteit van het Ottomaanse regiem, revitalisering van de Islam en
modernisering volgens de Europese manier. Burgerrecht en het verenigen van verschillende
religies vonden ze belangrijk voor de instandhouding van het Rijk. Ze streefde naar een
gemoderniseerde Islamitische Ottomaanse samenleving.

Na 1876 verslagen te zijn door de Russen kwam al-Hamid II aan de macht. Hij stichtte een
autoritaire religieuze conservatieve regiem met de absolute macht in de handen van de Sultan
die gezien werd als het hoofd van de Islam. Er kwam tegengeluid van Turkse intellectuelen die
tussen 1880-90 ontwikkeling in economie en onderwijs voortzette, en Europese ideeën via de
pers in de samenleving brachten.

In 1905 werd Fatherland Society uitgevonden door Mustafa Kemal, Ottomaanse legerofficier
later president van Turkije.

In 1908 heeft CUP( Committee for Union and Progress door Young Turk congress) de Sultan
gedwongen de constitutie van 1876 te herstellen. De nieuwe regering werd bestuurd door CUP
en het leger met en sterk gecentraliseerd macht. Tussen 1908-12 was de macht in de handen
van het leger.
Tussen 1912-18 was de macht in de handen van CUP. Zij paste een strenge seculiere
programma toe voor scholen, gerechtshoven en wetboeken en voerde de eerste maatregelen
voor vrouwen emancipatie. Ze beperkte de macht van Shaykhs, controleerde Islamitische
instanties en namen steeds meer een seculiere positie in.

Tussen 1908-18 werd het idee van de Ottomaanse hervorming overgenomen door een nieuw
concept, de Turkse nationaliteit geïntroduceerd door de Cup leaders. Voorheen werd het woord
Turk geassocieerd de woorden boer, nomade en ongeschoolde. Ze wilde een identiteit dat Turks
is in plaats van Islamitisch, en modern in plaats van Westers. Het idee van een Turkse Natie
begon aan het einde van het Ottomaanse tijdperk.

De politieke gebeurtenissen tussen 1908-18 maakte een einde aan de multiculturele en


religieuze bevolking in het Ottomaanse Rijk. Hierdoor werd het Turkse idee relevanter
( Christenen en andere minderheidsgroepen werden onafhankelijk). Het Ottomaanse Rijk werd
gereduceerd tot Anatolië met een meerderheid Turken en Koerden, en een kleine minderheid
Grieken en Armenen.

Onder het leiderschap van Mustafa Kemal was de Turkse massa verenigd. Ze vochten samen
tegen buitenlandse bezetting en steunde het Nationale idee.
In 1932 erkende de Europese machten onder het verdrag van Lausanne de onafhankelijkheid
van Turkije in haar huidige grenzen.

Ulama wilde Islam effectief maken in de moderne wereld. Ze waren pro modernisering, maar
het moest wel verenigbaar zijn met de Islam. Ze zaten tussen traditionalisten en modernisten
in.

De Angelo Ottoman verdrag van 1838 leidde tot verwijdering van het Ottomaanse
regeringsmonopolie en tot het participeren van het Ottomaanse Rijk in de internationale
economie. Dit leidde weer tot de groei van het aantal producten voor export, maar ook tot het
falen van de binnenlandse industrieën en bedrijven in competitie met Europa.
Ottomaanse Rijk werd afhankelijk van Europa waar ze geld van had geleend en daardoor in
schulden keerden. Dit had invloed op de structuur van de samenleving. Dit kwam in het
voordeel van de minderheidsgroepen (Grieken, Aramenen, Joden...etc.) die betrokken raakten
in de Internationale handel.
Blz. 501 – 511 Hoofdstuk 23 door Mike
De republiek Turkije
Het Ottomaanse Rijk heeft altijd een traditie van een sterk gecentraliseerde staat en een
krachtig leger gekend. De republiek Turkije heeft deze twee basis begrippen van het
Ottomaanse Rijk 'afgekeken'.

De geschiedenis van het moderne Turkije worden onderverdeeld in twee fases. Fase 1 is de
periode van 1921 tot 1950. Dit is de tijd van dictatuur, religieuze hervormingen en de eerste
stappen naar industrialisatie. Fase 2 is de periode van 1950 tot het heden. Dit is de tijd van een
meerdere partijen systeem, snelle economische veranderingen en sociale 'differentiatie'. De
Kemalistische (Ata Türk) periode begon al in 1921 met de 'Law of Fundamental Organization'
waarin de soevereiniteit van het Turkse volk werd verklaard.

De belangrijkste doelen van de Kemalisten waren economische vooruitgang en culturele


modernisatie. Een ander belangrijk doel van de Kemalisten was om het Turkse volk weg te
houden van de Islam en om ze een seculiere westerse levensstijl te laten leiden. Om dit te
bereiken werden er een aantal maatregelen genomen:
• Het kalifaat werd afgeschaft in 1924
• Sufi broederschappen werden illegaal in 1925
• Het werd verboden om een 'fez' te dragen in 1927
• Het Latijnse alfabet werd in 1928 geïntroduceerd
• In 1935 moesten alle Turken een achternaam naar westers model aannemen

Door al deze veranderingen en hervormingen veranderde ook de positie van de vrouw in


modern Turkije. Zo vond Ziya Gokalp (een man) dat gelijkheid van vrouwen essentieel was voor
de ontwikkelingen van een moderne staat. Het familie recht brak in 1916 en 1917 met de
Sharia, beperkte polygamie, en gaf de vrouwen het recht om te scheiden in bepaalde situaties.
De hervormingen van de jaren '20 en '30 hadden echter een veel grotere impact. Het verbood
polygamie en de rechten van de vrouw om te scheiden werd (bijna) gelijk aan die van een man.
Daarnaast kwam er gelijkheid voor vrouwen in onderwijs en werk. In 1934 kregen vrouwen
kiesrecht en in 1935 waren er vrouwen vertegenwoordigd in het Turkse parlement.

Hoe radicaal al de veranderingen van de Kemalisten ook waren, ze drongen toch niet goed door
tot de bevolking. De hervormingen leidden eigenlijk tot een twee splitsing in de Turkse
maatschappij: aan de ene kant stond de stedelijke, moderne elite en aan de andere kant
stonden de islam georiënteerde mensen van het platteland.

Naoorlogs Turkije
Toen Mustafa Kemal in 1938 stierf, volgde Ismet Inonu hem op. Hij bleef aan de macht tot
1950.

Na de Tweede Wereldoorlog, werden de Verenigde Staten de belangrijkste 'beschermer' van


Turkije. De VS zorgde voor een democratischer systeem, omdat zij een meer partijen systeem
in Turkije wilden.

Omdat de Sovjet Unie aan het uitbreiden was richting het zuiden en de Balkan landen, was
Amerika bang dat Griekenland, Iran en Turkije onder het communistisch bewind zouden komen
te staan. In 1947 verklaarde president Truman van de VS dat Amerika deze landen zou
beschermen tegen de Russen. Hiermee was tegelijkertijd ook de NATO opgericht (waar Turkije
deel van uitmaakte).

Dit leidde tot meer democratisering en meer participatie, maar dit leidde ook tot verdeeldheid
in de politiek. Zo ontstonden er grote tegenstellingen die tegenover elkaar stonden: links tegen
rechts, seculier tegen Islamitisch en Turks tegen Koerdisch. Dit leidde weer tot een aantal
crisissen.
Zo'n crisis was bijvoorbeeld de crisis van 1960. Er heerste enorme inflatie in de Turkse
Republiek, waardoor het Internationaal Monetaire Fonds Turkije dwong om in de inkomens en
uitkeringen te snoeien en om de Turkse munt te devalueren. Dit zorgde voor een militaire
staatsgreep in 1960. Het leger bleef echter maar een jaar aan de macht.

Opleving van Islam en Koerdisch nationalisme


Islam heeft een genuanceerde plaats in de Turkse maatschappij. De stedelijke bovenlaag van
Turkije ziet Islam als ouderwets en een achteruitgang.

In naoorlogs Turkije lag de nadruk vooral op de economie en op de politiek. Islam stond totaal
op de achtergrond. Dit heeft geleid tot een opleving van de Islam. Er ontstonden nieuwe
Islamitische bewegingen. Één van de belangrijkste bewegingen is Said Nursi. Een andere
beweging was de 'National Salvation Party' (opgericht in de jaren '60). Deze politieke partij
pleitte voor een Islamitische staat in Turkije.

In het achterliggende oosten van Turkije wonen veel Koerden. Zij willen cultureel zelfbestuur,
een eigen regering in een federaal kader of complete onafhankelijkheid. Er zijn zo'n 20 tot 25
miljoen Koerden verspreid over Turkije, Iran, Irak en Syrië. Het Koerdische verzet tegen de
Republiek Turkije gaat terug naar 1925, toen Koerden voor het eerst tegen de republiek
vochten. De PKK (Koerdische Arbeiders Partij) word gezien als een terroristische organisatie.