You are on page 1of 77

Proefversie Natuurkundeboek

Deel: mechanica en rekenen Studentensupport.nl - 24 oktober 2006 Reacties graag naar vliempt@nikhef.nl

vliempt@nikhef.nl

1

A NATUURKUNDE I .IMPULS, KRACHTEN, ENERGIE 2
De wetten van Newton 1. Impuls 3 / Impulsbehoud / De wetten van Newton opnieuw / 2. Krachten 6 / Veldkrachten: - Gravitatie - Elektrische kracht - Elektrische veldsterkte - Homogeen elektrisch veld Magnetische kracht - Lorentzkracht / Contactkrachten: Normaalkracht - Veerkracht - Schuifwrijving - Rolwrijving Vormweerstand - Viskueze wrijving - Spankracht / Resulterende kracht - Vectorsom - Middelpuntzoekende kracht 3. Energie 13 / Kinetische energie / Rotatie-energie / Arbeid / Potentiële energie / Veerenergie / Trillingsenergie

II . RECHTLIJNIGE BEWEGINGEN 16
1. Basisbegrippen 16 / Coördinaatsysteem en situatietekening / Grafieken interpreteren / Extremen, differentiëren en integreren - Verplaatsing en afgelegde weg - Snelheid, gemiddelde en momentaan - Versnelling, gemiddeld en momentaan - Gemiddelde berekenen met integraal - Verplaatsing en plaatsfunctie - Snelheidsverandering en snelheidsfunctie - Overzicht van formules 2. Bewegingsvergelijkingen 22 / F=0: eenparige beweging - Inhalen, relatieve snelheid - Alternatief: nieuw referentiesysteem / F=constant: eenparig versnelde beweging - Valversnelling en verticale worp - twee verticale bewegingen - discriminantformule / F=-Cx: harmonische trilling / F=-qv: viskeuze wrijving - Vrije val in een vloeistof / F=-cv2: vormweerstand / Numeriek integreren, methode van Euler

III . KRACHTEN EN BEWEGING IN 2 DIMENSIES 30
1. Referentiesystemen 30 / Intertiaalstelsel - Schijnkracht 2. Vrije-lichaamsdiagrammen 33 / Eén systeem - Wrijving op een helling / Twee deelsystemen - Derde wet van Newton Twee diagrammen - Cirkelbeweging 3. Moment en rotatie 36 / Evenwichtsvoorwaarden / Vrije-lihcaamsdiagram voor een uitgebreid lichaam 4. Bewegingen in 2 dimensies 38 / Parametervoorstelling / Ontbinden in componenten / Horizontale worp / Worp in willekeurige richting / Cirkelbeweging /

B WISKUNDE 42 I . REKENEN 43
1. Breuken 43 / Optellen, aftrekken / Splitsen / Vermenigvuldigen, delen 2. Haakjes wegwerken 43 / Haakjes / Bijzondere producten 3. Wortels 44 / Rekenregels 4. Machten 44 / Definitie / Rekenregels / Wetenschappelijke notatie / 5. Logaritmes 46 / Definitie / Rekenregels 6. e-machten en natuurlijke logaritmes 46 / Definitie e en ln / Rekenregels 7. Meetkunde 47 / Gelijke en complementaire hoeken / Hoeken en zijden in een driehoek / Basis en hoogte van een driehoek / De normaal / Oppervlakte- en inhoudsformules 8. Goniometrische functies 49 / Definitie sinus, cosinus, tangens / Definitie arcsin, arctan / Parametervoorstelling van een cirkelbaan / Definitie radiaal / Veelvoorkomende waarden van sin en cos / De grafieken van sin en cos / Periodieke oplossingen / Fase en gereduceerde fase / Rekenregels 9. Oplossen van vergelijkingen 52 / Een vergelijking met een onbekende / Twee vergelijkingen met 2 onbekenden / Tweedegraadsvergelijking 10. Benaderingen 56 / Bij producten / Bij machten / Bij kleine hoeken

II .DIFFERENTIËREN, INTEGREREN, DIFFERENTIAALVERGELIJKINGEN 58
Functies 58 / Symbolen / Meerdere variabelen / Limiet Differentiëren, afgeleide 59 / Afgeleide, differentiaalquotiënt / Afgeleide functie, differentiëren - Puntnotatie / Partieel differentiëren / Regels voor differentiëren / Kettingregel Integreren, primitieve 61/ Integratieconstante / Integraal als oppervlak / Een bepaalde integraal berekenen / Lijst met afgeleiden en primitieven 62 Differentiaalvergelijkingen 62 / Typering DV - Orde - Lineair/niet-lineair - Homogeen/inhomogeen / Oplossen van een lineaire DV - Integratie - Scheiden van variabelen - Karakteristieke vergelijking - Massa-veersysteem / Methode van Euler

III . VECTOREN 67
1. Vectoriële grootheden 67 / Verschuiven / Optellen / Ontbinden in componenten / Eenheidsvector 2. Som- en verschilvector 69 / Somvector / Verschilvector / 3. Vectorproducten 71 / Product met een scalar / Inproduct / Rekenregels inproduct / Uitproduct - berekenen met sinus berekenen met componenten / Rekenregels uitproduct / 4. Differentiëren met vectoren 75 / Differentiëren naar de tijd / Rekenregels differentiëren / Differentiëren naar de plaats: Nablaoperator - Gradiënt -Divergentie - Rotatie

vliempt@nikhef.nl

2

I . Impuls, krachten, energie De wetten van Newton
De grondlegger van de theorie van de bewegingen van lichamen is Newton. De drie wetten die hij formuleerde behoren tot de basisstof van de natuurkunde in het voortgezet onderwijs: De eerste wet is de traagheidswet: als F = 0 , dan is v = constant. De grootte en/of de richting van de snelheid van een lichaam verandert alleen als er van buiten af een kracht op werkt. De tweede wet stelt: F = ma. Een lichaam waarop een kracht F wordt uitgeoefend, krijgt een versnelling die evenredig is met F en dezelfde richting heeft. De derde wet luidt FB , A = − FA, B . Als B een kracht op A uitoefent, dan oefent A op B een even grote kracht in tegengestelde richting uit. De eerste en tweede wet van Newton worden in het voortgezet onderwijs voorgesteld als een relatie tussen een kracht en de snelheid respectievelijk de versnelling. Dit is niet de vorm waarin Newton deze wetten oorspronkelijk presenteerde. In plaats van de begrippen snelheid en versnelling gebruikte hij het meer fundamentele begrip impuls.

1. Impuls
De impuls p van een lichaam is het product van de massa m en de snelheid v. De impuls heeft behalve een bepaalde grootte ook een richting. Het is een vectorgrootheid: p = mv . Om je de impuls van een lichaam voor te stellen, kun je denken aan de stoot die het een ander lichaam kan geven tot het stilstaat. Bij dezelfde snelheid kan een zwaar lichaam een grotere stoot geven dan een minder zwaar lichaam, het heeft een grotere impuls. Impulsbehoud – de wetten van Newton opnieuw I. De 1ste wet van Newton houdt in dat de impuls van een lichaam constant blijft zolang het geïsoleerd is van de omgeving: p = constant. ‘Geïsoleerd van zijn omgeving‘ betekent dat er van buiten af geen kracht op werkt. II. De 2de wet van Newton stelt dat een wisselwerking tussen een bewegend lichaam en zijn omgeving leidt tot een verandering van de impuls dp . Op grond van deze wet is een definitie van

vliempt@nikhef.nl

3

∆p A = −∆p B . ofwel de impulsverandering per seconde: dp . oefenen volgens de 2de wet A en B op elkaar een even grote kracht in tegengestelde richting uit: FAopB = − FBopA . Omdat de wisselwerking voor beide lichamen even lang duurt. Samen kun je A en B als één geïsoleerd systeem (lichaam) beschouwen. Wel kunnen A en B onderling impuls uitwisselen.nl 4 . dan neemt de impuls van de ander in gelijke mate af.6 s. De 3de wet van Newton houdt in dat bij een wisselwerking tussen een lichaam en de omgeving de totale impuls behouden blijft. Stel je als ‘omgeving’ een tweede lichaam B voor dat tegen A aanstoot.kracht mogelijk. Neemt de impuls van de een toe. Voorbeeld impulsbehoud Een roeiboot (M1=180 kg) ligt stil in het water. Iemand (M2=70 kg) springt er in met een snelheid v2=3 ms-1. De ‘landing’ in de boot duurt 0. Welke snelheid hebben de boot met inzittende na de sprong? Een welke kracht wordt tijdens de landing op de boot uitgeoefend? M1 M2 x v2 Figuur 1 Boot voor de sprong vliempt@nikhef. F= dt dt dt III. Kracht is namelijk de sterkte van de wisselwerking. F= dt Herschrijven van deze uitdrukking leidt tot de formule die in het voortgezet onderwijs gebruikelijk is en meestal voor bewegingsvergelijkingen wordt gebruikt: dp d (mv ) dv = =m = ma . Volgens de 1ste wet verandert van dit systeem de (totale) impuls niet. Er geldt: ∑ p = constant.

84 = 1.6 vliempt@nikhef.M1 + M2 u x Figuur 2 Boot na de sprong Voor de sprong is de totale impuls: ∑p= p 1 + p2 = M 1 ⋅ 0 + M 2 ⋅ v2 = M 2 v2 De totale impuls na de sprong is hieraan gelijk: Hieruit volgt: u = M2 v2 M1 + M 2 ∑ p = (M 1 + M 2 ) ⋅ u = M 2 v2 Invullen van de gegeven waarden: u = 70 3 = 0. dp 151 En de kracht is F = = = 2.nl 5 . 180 + 70 De impulsverandering van de boot is ∆p = M 1 ⋅ u − M 1 ⋅ 0 = 180 ⋅ 0.84 ms-1. dt 0.5 10 2 N .5 10 2 kgms -1 .

109 Nm2C-2.z. De elektromagnetische kracht bestaat uit twee componenten. De lading q kan positief of negatief zijn. zonder contact tussen de lichamen en zonder hulp van een medium. Dan is: Fg = m1 g Op aarde wordt het gravitatieveld gedomineerd door de massa van de aarde M . Samen vormt die overige massa een gravitatieveld dat zich over de gehele kosmos uitstrekt. de kleinst voorkomende lading (elementaire lading) is die van het elektron: e=1.w. De gravitatiekracht en de elektromagnetische kracht zijn fundamentele natuurkrachten. die we hier afzonderlijk beschrijven.81 ms -2 . Daardoor is het bij goede benadering naar het middelpunt van de aarde gericht en is de grootte M g = G 2 = 9. d. r Elektrische kracht De elektrische kracht is de onderlinge kracht tussen lichamen op grond van hun elektrische lading. De grootte van de gravitatiekracht tussen twee lichamen met de massa’s m1 en m2 hangt af van de afstand tussen de middelpunten r: mm Fg = G 1 2 2 r Hierin is m de massa in kilogrammen en is G de constante van Newton.z.2. vliempt@nikhef. De eenheid van lading is de Coulomb. In vacuüm is f = 8. ze zijn niet uit andere krachten te verklaren.nl 6 . Een lichaam met massa m ondervindt een gravitatiekracht van alle andere massa’s in de kosmos. d. Dit geldt voor de gravitatie en de elektromagnetische kracht.988. Tegengestelde ladingen trekken elkaar aan. Veldkrachten Van veldkrachten wordt gezegd dat ze ‘op afstand’ werken.602. Gravitatie De gravitatiekracht is de onderlinge aantrekkingskracht tussen lichamen op grond van hun massa.w.10-19 C. gelijknamige ladingen stoten elkaar af. Net als de gravitatiekracht neemt de kracht tussen twee ladingen met r2 af: qq Fe = f 1 2 2 r De grootte van de kracht is afhankelijk van het medium waarin de ladingen zich bevinden. De richting en grootte van dat veld wordt in elk punt gegeven door een gravitatieversnelling g . Krachten Op een lichaam kunnen zowel veldkrachten als contactkrachten werken.

De richting en grootte van dit veld wordt in elk punt gegeven door een elektrische veldsterkte E . Onderlinge krachten tussen voorwerpen op aarde zijn overwegend elektrische krachten.o. y ) ˆ j De componenten van E1 = E1. y + E 2.v. y vliempt@nikhef. y r12 fq1 zijn r12 fq = 21 sin α .nl 7 . de x − as als α is gedefinieerd) en met een negatieve waarde voor q 2 .en de y-richting bij elkaar op tot E som . Het lichaam met lading q1 ondervindt een elektrische kracht van alle overige ladingen in de omringende ruimte. Voorbeeld: de elektrische veldsterkte Bij twee (of meer ) ladingen q moeten de afzonderlijk velden vectorieel worden opgeteld. r1 Ontbind vervolgens ook E2 in componenten met behulp van de hoek β (die in dezelfde draairichting t. Tel de componenten in de x. x = fq1 cos α en E1. De veldsterkte is ˆ Esom = E1 + E 2 = ( E1. Uit beide voorafgaande formules volgt dat de grootte van de elektrische veldsterkte in de ruimte om een enkele lading q2 gelijk is aan q2 E= f 2 . Bereken de grootte van E som met E som = E 2 som. q + E1 r 1 E2 r2 + Q1 Esom β − Q2 α Figuur 3 De elektrische veldsterkte in een punt In figuur 3 ligt de x-as langs de verbindingslijn van de twee ladingen en de y-as staat daar loodrecht op. x + E 2. x + E 2 som. In elk punt is er maar één (resulterende) veldsterkte: Esom . r De richting van E is de richting die de kracht op een positieve lading zou hebben. x )i + ( E1.De elektrische kracht per Coulomb is een factor 1020 groter dan de gravitatiekracht per kg. y . Samen vormen die overige ladingen een elektrisch veld dat zich overal in de ruimte uitstrekt. x en E som . Zie hiervoor eventueel hoofdstuk II-3. De kracht is dan: Fe = q1 E .

Elke bewegende lading heeft een magnetisch veld om zich heen. E som. De kracht wordt ook Lorentz-kracht genoemd. De richting en de grootte hiervan worden in elk punt gegeven door een magnetische inductie B .en de hoek γ van E som met de x-as met E som . In een ruimte waar de richting en de grootte van B constant zijn (homogeen magnetisch veld) en een lichaam loodrecht op de magnetische veldlijnen beweegt. Het lichaam beschrijft dan een eenparige cirkelbeweging met een straal mv . Homogeen elektrisch veld tussen twee platen Een qua grootte en richting constante elektrische veldsterkte verkrijgt men door tussen twee vlakke platen op (relatief kleine) afstand d een spanningsverschil V te zetten. Magnetische kracht De magnetische kracht is een zijwaartse kracht op een lichaam in een magnetisch veld op grond van zijn elektrische lading en de richting en grootte van zijn snelheid.nl 8 . maar alleen tot het afbuigen van zijn baan. r= Bq Voorbeeld: de Lorentz-kracht vliempt@nikhef. x Voor het bepalen van de veldsterktes in een gravitatieveld of een magnetisch veld wordt een vergelijkbare werkwijze toegepast. De kracht op een lichaam met een lading q en een snelheid v volgt uit het uitproduct van v en B (zie hoofdstuk II3): FL = qv × B of als het alleen om de grootte gaat: FL = qvB sin α waarin α de hoek is tussen v en B . De richting van het V veld is loodrecht op de platen van de hoge naar de lage potentiaal en de grootte is: E = . is de Lorentz-kracht constant en staat die altijd loodrecht op de baan. d Men noemt dit een homogeen elektrische veld. De kracht staat loodrecht op v en B . In een ruimte met meerdere bewegende ladingen is het resulterende magnetische veld in een punt de (vector)som van de magnetische velden van de afzonderlijke ladingen. y γ = arctan . Daarom leidt die nooit tot het versnellen of afremmen van het lichaam.

De component loodrecht op het contactoppervlak heet normaalkracht en wordt aangeduid met FN . waaruit de versnelling kan worden berekend. -e( v × B ) v 50 o B v×B Uitwerking: Het aardmagnetische veld veroorzaakt een Lorentz-kracht op elk elektron FL = −e (v × B) en die ligt .10 −17 N .10 Contactkrachten In deze paragraaf sommen we een aantal krachten op die in praktische situaties vaak voor komen. omdat ze alle op microscopisch een diepere (elektrische) oorzaak hebben.1. Omdat elektronen een negatieve lading hebben is die tegengesteld aan de richting van (v × B) : FL maakt een hoek van 400 omhoog met de horizontaal naar het Noorden. Welk effect heeft het aardmagnetische veld op de elektronen? De inclinatie van het aardmagnetische veld is 500 en de sterkte 4.10 6 ⋅ 4.10 −5 ⋅ sin 90 0 = 2. dat 500 is gekanteld ten opzichte van het horizontale vlak.10 6 De afbuigingsstraal is r = = = 4. −5 −19 Bq 4.6.10 −31 ⋅ 3. Bepaal eerst de richting van (v × B) met de rechterhandregel. De grootte is: FL = qvB sin α .10-5 T.10 ⋅ 1. De component evenwijdig aan het contactoppervlak heet wrijvingskracht.10 −19 ⋅ 3. vliempt@nikhef. Bepaal de richting van de Lorentz-kracht.Neem aan dat ten gevolge van een spanningsverschil elektronen een snelheid van 3. mv 9.nl 9 .6.10 −1 m.net als vector B . Het ontbinden in componenten of het vectorieel optellen van componenten wordt beschreven in hoofdstuk II-3 over vectoren. met α = 90 0 Dus FL = 1. Het zijn geen fundamentele natuurkrachten.106 ms-1 in westelijke richting krijgen. Men ontbindt de kracht op een lichaam in een component loodrecht op het contactoppervlak en een langs dit oppervlak. De vector v × B staat loodrecht op het vlak door v en B . Hierop gaan we verder niet in.in het verticale vlak loodrecht op de snelheid v. Zie de figuur bij ‘schuifwrijving’. Normaalkracht Als twee lichamen tegen elkaar zijn gedrukt oefenen ze op elkaar een kracht uit.

∆x Fx Figuur 4 Veerkracht Schuifwrijving FN FW = µFN Fz Figuur 5 Wrijving op een helling De wrijvingskracht FW tussen twee lichamen die langs elkaar schuiven is recht evenredig met de normaalkracht FN waarmee ze tegen elkaar worden gedrukt: FW. Ook µs hangt van de eigenschappen van de oppervlakken af. Deze hangt af van de eigenschappen van de oppervlakken. Voor alle vaste lichamen zijn er waarden voor de indrukking ∆x waarvoor de wet van Hooke geldt Fx = −C∆x . Bij stilstand vanaf F=0 neemt de FW gelijk met F toe (het lichaam blijft immers in rust). Hierin is µd de dynamische wrijvingscoëfficiënt. De index ‘d’ en de toevoeging ‘dynamisch’ geven aan dat deze coëfficiënt betrekking heeft op oppervlakken die ten opzichte van elkaar bewegen.max wordt overschreden: FW.Veerkracht Een vast lichaam kan een normaalkracht uitoefenen omdat het zelf wordt ingedrukt en het rooster waaruit die stof bestaat zich tegen het indrukken verzet. De krachtconstante is groter naarmate het lichaam meer elastisch is. Men kan zich hierbij voorstellen dat de vliempt@nikhef. Alleen is µs iets groter dan µd. Voor welke waarden van ∆x de wet van Hooke geldt.max = µ s FN .d = µ d FN . Hierin is µs de statische wrijvingscoëfficiënt. hangt af van de materiaaleigenschappen en de constructie van het lichaam. In dit stadium spreekt men van statische wrijvingskracht. Hierin is Fx de kracht waarmee het lichaam zich tegen indrukken verzet en is C de krachtconstante.nl 10 . De oppervlakken gaan ten opzichte van elkaar bewegen als een bepaalde maximale waarde FW.

Ook bij rolwrijving is er verschil tussen de statische en dynamische wrijving. vaak met een merkbare schok. 2 Hierin is ρ de dichtheid van het medium. Deze weerstand in het medium kan worden uitgedrukt in een vormweerstandskracht (ook vaak wrijvingskracht genoemd): FW = 1 ρCAv 2 .oneffenheden van de oppervlakken aanvankelijk in elkaar haken en van elkaar moeten worden losgetrokken. De kracht is evenredig met de snelheid en afhankelijk van de geometrie van het lichaam. dan om het in beweging te houden. Een zekere hoeveelheid ervan wordt gedwongen mee te bewegen en hiervoor wordt kinetische energie aan het lichaam onttrokken.70 Glas en glas 0.90 Teflon en staal 0. er is op dat moment immers een kracht Fw = ( µ s − µ d ) FN die het lichaam een versnelling geeft. De rolwrijvingscoëfficiënt is veel kleiner dan de coëfficiënten voor de schuifwrijving.80 ± 0.nl 11 . of een zware kar. Een lichaam komt hierdoor altijd met een schok in beweging.40 0. Daarom vertrekt een trein die begint te rijden.04 Tabel 1 Wrijvingscoëfficiënten Dynamisch µd Rol µr 0.30 Rubber en beton (droog) 1.05 0. Viskeuze wrijving In een eerder hoofdstuk is al de wrijvingskracht beschreven die een lichaam ondervindt als het door een gas of vloeistof beweegt. Spankracht vliempt@nikhef. Voor een bol geldt de wet van Stokes. Vormweerstand Een ander type contactkracht dan hiervoor is beschreven.002 0. En zolang de oppervlakken in beweging blijven. is de vormweerstand die een lichaam ondervindt als het met een bepaalde snelheid door een medium beweegt.25 0. Wrijving tussen Statisch µs Rubber en beton (nat) 0. Zie hoofdstuk I-2: stroming. Daarbij botst het immers met de moleculen waaruit het medium bestaat.001 á 0.04 Rolwrijving Ook de rolwrijvingskracht Fr is recht evenredig met de normaalkracht. v de snelheid.0 Staal en staal 0. Vanwege dit verschil is een grotere kracht nodig om iets in beweging te zetten. A het oppervlak van de grootste dwarsdoorsnede van het lichaam loodrecht op de bewegingsrichting en C is een constante die van de stroomlijn van het lichaam afhangt. vallen ze niet weer helemaal in de oude situatie terug.60 0. Met µr voor de rolwrijvingscoëfficiënt is Frol = µ r FN .

baansnelheid v of hoeksnelheid ω is een resulterende kracht vereist die voldoet aan: mv 2 . Middelpuntzoekende kracht De middelpuntzoekende kracht bij een cirkelbeweging kan niet in een adem worden genoemd met de genoemde veld. waarover de volgende paragraaf gaat. Maar soms heeft het touw wel degelijk invloed op de beweging. De massa van het touw zorgt dat de springer een versnelling groter dan g (vrije val) krijgt. De moleculen van de stof waaruit het touw bestaat verzet zich tegen vervorming. Bijvoorbeeld. Met som wordt de vectorsom bedoeld. De kwestie is: een cirkelbeweging is alleen mogelijk indien de resulterende kracht middelpuntzoekend is. heeft dezelfde oorsprong als de normaalkracht waarmee een lichaam een ander ondersteunt. zowel tegen indrukken als tegen uitrekken. Dit gebeurt in een vrije-lichaamsdiagram.en contactkrachten. Vaak mogen de massa en de rekbaarheid van het koord worden verwaarloosd. Bij het oplossen van problemen is het belangrijk de krachtvectoren goed te visualiseren. Over een klein traject is de uitrekking recht evenredig met de kracht en geldt de wet van Hooke.De trekkracht van een touw op een lichaam dat er aan hangt. Resulterende kracht Vectorsom De versnelling van een lichaam hangt volgens de tweede wet van Newton af van de som van alle krachten op dat lichaam: ∑ F = ma . Voor een eenparige cirkelbeweging van een massa m met straal r. In hoofdstuk II-3 over vectoren wordt beschreven hoe die wordt uitgerekend. F = mω 2 r of F = r vliempt@nikhef. De middelpuntzoekende kracht is geen bijdrage aan de resulterende kracht maar een mogelijk kenmerk ervan.nl 12 . bij bungeejumpen is een rekbaar touw essentieel en is ook de massa niet verwaarloosbaar.

zie hoofdstuk II-3.cosα ∆x Aan de hand van de voorgaande figuur is duidelijk dat een kracht loodrecht op de bewegingsrichting geen arbeid uitoefent.nl 13 . is: W = F ⋅ ∆x . Daarbij is belangrijk hoe de massa over het lichaam is verdeeld ten opzichte van het draaipunt. Energie is een scalaire grootheid. of -omgekeerd. In het eenvoudige geval van een rechtlijnige beweging waarbij de kracht F de richting van de positieve x-as heeft. 2 Dit is de energie die in de vorm van arbeid moest worden toegevoerd om het lichaam vanuit rust de snelheid v te geven. En als de kracht een hoek α met de positieve x-as maakt. baan Zie voor ‘inproduct’ hoofdstuk II-3. Rotatie-energie Rotatie-energie is een bijzondere vorm van kinetische energie. Arbeid Arbeid is het inproduct van de kracht F en de afgelegde weg s : W = ∫ F • ds .3. hebben rotatie-energie. Energie Kinetische energie Een bewegend lichaam heeft louter op grond van de massa m en de grootte van de snelheid v een hoeveelheid energie . Alleen uitgebreide lichamen die om een bepaald punt draaien. Dit geldt voor de zwaartekracht en normaalkracht bij vliempt@nikhef. dan is: W = F ⋅ ∆x ⋅ cos α F α Figuur 6 Arbeid F∆x.de kinetische energie of bewegingsenergie: E k = 1 mv 2 . De beschrijving hiervan valt buiten het bestek van dit boek en komt in eerstejaarscolleges over mechanica aan de orde.de arbeid die het lichaam louter op grond van zijn beweging kan verrichten totdat het stilstaat.

In de laatste figuur ligt de keuze van de laagste positie voor de hand. Het referentiepunt mag willekeurig gekozen worden. niet naar de verplaatsing. g de valversnelling en h de hoogte ten opzichte van een referentiepunt. Na 1 omwenteling is WFw = −2πrFW (terwijl de verplaatsing na 1 omwenteling nul is). Dit proces is omkeerbaar. Hierin is m de massa.een beweging langs een horizontale lijn. Potentiële energie In de figuur ‘arbeid langs de baan’ is er nog een verschil tussen de arbeid van de zwaartekracht en die van de luchtweerstand: de luchtweerstand verricht altijd negatieve arbeid en de zwaartekracht verricht afwisselend positieve en negatieve arbeid. maar omdat de integraal van de projecties van FZ langs de baan nul is. FW S FZ Figuur 7 Arbeid 'langs de baan' Voor het bepalen van de arbeid moet je eerst naar de afgelegde weg s kijken. Het kan het middelpunt van de aarde zijn.nl 14 . De potentiële energie tengevolge van de zwaartekracht hangt af van de hoogte: E P = mgh . vliempt@nikhef. Voor de arbeid van de zwaartekracht in dit voorbeeld geldt na 1 omwenteling WFZ = 0 . Let in de figuur op het verschil tussen de arbeid van de zwaartekracht FZ en die van de luchtweerstand FW op een lichaam S in een verticaal opgesteld rad. Uit de formule volgt dat een lichaam overal op dezelfde hoogte dezelfde potentiële energie heeft. Bij het omhooggaan wordt potentiële energie opgebouwd en tijdens het neergaan wordt die in kinetische energie omgezet. of voor de middelpuntzoekende kracht bij een cirkelbeweging. Dit betekent dat voor de berekening van de arbeid van de zwaartekracht alleen het hoogteverschil (en niet de afgelegde weg of verplaatsing) van belang is. de grond of het laagste punt van een beweging. niet omdat de verplaatsing nul is.

Als er behalve de zwaartekracht geen enkele andere kracht werkt is de som van de kinetische en potentiële energie constant: E P + E K = constant Net als de massa in een zwaartekrachtveld kan een elektrische lading potentiële energie in een elektrisch veld hebben. 2 Hierin is ω = 2 πf . 2 Afleiding: 2 2 ∫ F ⋅ du = ∫ Cu ⋅ du = 12 Cu | = 12 CA o 0 o A A A Trillingsenergie De trillingsenergie van een lichaam met massa m dat een harmonische trilling uitvoert met amplitude A en frequentie f is: E tr = 1 mω 2 A 2 .nl 15 . Bij verplaatsingen u waarbij de wet van Hooke ( Fu = −Cu ) geldt. De afleiding is mogelijk op 2 manieren: De trillingsenergie is de maximale kinetische energie met v max = ωA (zie ‘harmonische trilling’ in het volgende hoofdstuk): 2 E tr = 1 mv max = 1 mω 2 A 2 2 2 De trillingsenergie is ook gelijk aan de maximale veerenergie: E tr = 1 CA 2 . is de veerenergie E V = 1 ku 2 . 2 C volgt uit de voorwaarde voor een harmonische trilling (zie het volgende hoofdstuk): ω 2 = C . m vliempt@nikhef. Veerenergie Omkeerbaar is ook de uitwisseling van kinetische energie en veerenergie.

de x-as.of de versnellingsfunctie.nl 16 . Bedenk altijd eerst met welke functie je te maken hebt. Pas als je weet welke grootheid langs de verticale as staat. Het zou vliempt@nikhef. Basisbegrippen Coördinatensysteem en situatietekening Het beschrijven van een beweging houdt in dat je voor elk tijdstip de plaats aangeeft. dus let op de grootheden langs de assen.d. de snelheids. Zie bijvoorbeeld de onderstaande grafiek. dan slaat de grafiek op een beweging die links van de oorsprong begint.II . Dit begint altijd met het kiezen van een coördinatensysteem. kun je antwoord geven op de volgende vragen: Wat betekent een negatieve waarde? Wat is er op t1 aan de hand? Wat betekent het stijgen/dalen van de grafiek? Wat betekent de extreme waarde op t 2 ? ? t t1 t2 Als langs de verticale as de plaats x uitstaat. de verplaatsing of (begin)snelheid e. op t1 door de oorsprong gaat en op t 2 omkeert richting oorsprong. Interpreteer een grafiek niet te snel. de plaats van het lichaam op een zeker tijdstip. Rechtlijnige bewegingen 1. Wat is de richting van de (positieve) x-as? Waar is de oorsprong? Kies bij een rechtlijnige beweging de x-as zo dat de beweging langs de as plaats vindt. O x − as xt ∆x xt + ∆t Grafieken interpreteren Er wordt gebruik gemaakt van grafieken voor de plaats-. Geef in een schematische situatietekening de belangrijkste kenmerken van de beweging weer: de oorsprong.

Extremen. Bijvoorbeeld xt = 4. xt1 xt2 x − as Het is ook handig om eerst zelf een x-t-diagram te tekenen. Hieronder wordt dit eerst samengevat. versnelt tot t 2 en daarna vertraagd verder gaat. differentiëren en integreren De plaats xt .een bal kunnen zijn die je omhoog gooit en terugvalt.dat je door differentiëren van de plaatsfunctie xt de snelheidsfunctie vt vindt en vervolgens de versnellingfunctie at . Als dezelfde weg heen en terug wordt afgelegd. gemiddeld en momentaan De gemiddelde snelheid is ∆x . In het voortgezet onderwijs leer je . De rechte strepen geven aan dat de absolute waarde wordt genomen. O xt1 xt 2 x − as Staat langs de verticale as de snelheid uit.. De afgelegde weg is echter altijd positief en voor een beweging heen en terug geldt: s = ∆x + ∆x = 2 ∆x . Verplaatsing en afgelegde weg De verplaatsing vanaf het tijdstip t in een tijdsinterval ∆t is: ∆x⋅ = xt + ∆t − xt In de getekende situatie is bij een verplaatsing naar links ∆x negatief. op t1 omkeert.dat door integreren een snelheidsverandering ∆v respectievelijk verplaatsing ∆x uit at respectievelijk vt wordt verkregen. je moet dan wel afspreken op welke positie xo het voorwerp op t=0 is. is de verplaatsing ∆xtotaal = ∆x − ∆x = 0 . v gem = ∆t vliempt@nikhef.8t 2 heeft een maximum bij 4.9 − 19. Zie voor differentiëren en integreren ook hoofdstuk II-2 . Op welke plaatsen dit alles gebeurt. dan gaat het om een beweging die eerst vertraagd naar links gaat.6t = 0 .nl 17 . Snelheid. kun je niet aan de v-t-grafiek zien.dat een functie een extreme waarde heeft als de afgeleide van die functie nul is.9t − 9. de snelheid vt en de versnelling at als functie van de tijd worden voorgesteld door functies en grafieken.

(De koorde is niet een verplaatsing!) Bedenk dat de gemiddelde snelheid niet hetzelfde is als de gemiddelde baansnelheid.nl 18 . maar > 0. ∆t De momentane snelheid is: dx vt = of vt = xt′ dt In het diagram is dit de richtingscoëfficiënt van de raaklijn op t . Als s dezelfde weg heen en terug wordt afgelegd zijn ∆x = 0 en v gem = 0 . Versnelling. Hieruit volgen door een respectievelijk twee maal differentiëren de snelheidsfunctie en de versnellingsfunctie vt = xt′ = (8t − 1) ms-1 at = vt′ = 8 ms-2 Op t= 3 s is: v3 = 23 ms-1 a3 = 8 ms-2 vliempt@nikhef.x xt + ∆t ∆x xt ∆t t t In het diagram hiernaast is dit de richtingscoëfficiënt van de koorde die hoort bij ∆t . gemiddeld en momentaan Op vergelijkbare manier zijn de gemiddelde en momentane versnelling ∆v a gem = ∆t dv d 2 x = anders geschreven: at = vt′ = xt′′ at = dt dt 2 Voorbeeld Stel dat de plaats-tijd-functie gegeven is als: xt = (4t 2 − t + 2) m.

In het algemeen geldt voor een functie q p dat het gemiddelde van q over een interval ∆p gelijk is aan 1 ∫ q p dp . p. ∆t Soms is geen verplaatsing bekend. In het vt -diagram vormt v gem met het interval ∆t = t 2 − t1 een even groot oppervlak als de grafiek van de functie (zie HII.): v gem ∆t = ∫ vt dt . Verplaatsing en plaatsfunctie We schrijven nu voor de plaats x 2 = x1 + v gem ∆t en in het algemeen: x 2 = x1 + ∫ vt dt t1 t2 vliempt@nikhef. Het geldt bijvoorbeeld ook voor de gemiddelde ∆p ∆p hoogte tussen twee plaatsen in een landschap. maar alleen de snelheidsfunctie. In dat geval kan het gemiddelde van vt over een periode uit de integraal van de vt -functie of -grafiek worden afgeleid. t1 t2 v vgem t1 t2 t Hiermee bepalen we ∆x in het interval ∆t .Gemiddelde berekenen met een integraal Op de pagina’s hiervoor werd de gemiddelde snelheid afgeleid uit een definitie uitgaande van de ∆x verplaatsing: v gem = .nl 19 ..

Voorbeeld Stel dat alleen de snelheidsfunctie vt = 8t − 1 gegeven is. vliempt@nikhef. Zie ook hoofdstuk II-2. 0 t Merk op dat de functie vt geen informatie bevat over de plaats tijdens een beweging. De functie at geeft alleen informatie over de snelheidsverandering. Dan geeft integreren: ∫ (8t − 1)dt = (4t 0 t 2 − t ) | = 4t 2 − t + C . niet over momentane snelheden. Indien voor vt een functie bekend is. Snelheidsverandering en snelheidsfunctie De versnellingsfunctie kan vergelijkbaar aan de paragraaf hiervoor worden behandeld: a gem ∆t = ∫ at dt t1 t2 v 2 = v1 + a gem ∆t en in het algemeen: v 2 = v1 + ∫ at dt t1 t2 Ook hier geldt dat bij het berekenen van de integraal een integratieconstante verschijnt en voor de beginsnelheid v1 een andere informatiebron nodig is. Voor het berekenen van plaatsen moeten extra informatie zijn gegeven (bijvoorbeeld x0 ). maar alleen over de verplaatsing. pag .. dan kan die worden geprimitiveerd.nl 20 .

) De snelheidsfunctie en de plaatsfunctie zijn pas volledig is als behalve de versnelling nog de waarden voor x0 en v0 gegeven zijn. Overzicht van formules Differentiëren ∆x v gem = ∆t ∆v a gem = ∆t Integreren vt = dx dt dv d 2 x = at = dt dt 2 1 ∫ qdp ∆p ∆p t2 vt = xt′ at = vt′ = xt′′ Gemiddelde. algemeen q gem = v gem ∆t = ∫ vt dt t1 t2 x 2 = x1 + ∫ vt dt t1 a gem ∆t = ∫ at dt t1 t2 v 2 = v1 + ∫ at dt t1 t2 Bij constante versnelling: versnellingsfunctie at = c snelheidsfunctie vt = v0 + at plaatsfunctie xt = x0 + v0 t + 1 at 2 2 vliempt@nikhef.Voorbeeld Als we uitgaan van de grafiek van at = c en integreren vanaf t=0 dan volgen na een respectievelijk twee keer primitiveren: de snelheidsfunctie: vt = v0 + ∫ adt = v0 + (at ) | = v0 + at + C1 0 0 t t (stel hier C1 = 0 ) en de plaatsfunctie: xt = x0 + ∫ (v0 + at )dt = x0 + (v0 t + 1 at 2 ) | = x0 + v0 t + 1 at 2 + C 2 2 2 0 0 t t (stel ook C 2 = 0.nl 21 .

Hieronder geven we enkele problemen en met hun oplossing.nl 22 . Inhalen.lineaire DV van de 2de orde is homogeen. Na twee keer primitiveren krijg je: x = C 2 + C1t C1 en C 2 zijn de integratieconstanten en we kiezen die zodanig dat we verder alleen te maken hebben met de begincondities: x = x 0 + v 0 t. De oplossing ken je. In de wiskunde noemt men dit een differentiaalvergelijking (afgekort DV).meest eenvoudige . wat creativiteit en de bereidheid tot uitproberen. F = 0 : eenparige beweging Met F = 0 wordt de bewegingsvergelijking: d 2x =0 dt 2 Deze . En ook wordt geleerd dat een sinusvormige trilling ontstaat als F en a = -kx. Het rekenwerk zal in dit geval weinig moeite kosten. In het algemeen is de resulterende kracht op een lichaam niet constant en afhankelijk van de plaats. Zie hfd II-2 . Daaruit volgt de versnelling die geschreven wordt als de tweede afgeleide van de plaats. relatieve snelheid vliempt@nikhef. de snelheid of de tijd. (Zie hfd II-2)Tweede orde omdat de hoogste afgeleide die voorkomt de 2de afgeleide is.2.de tweede wet van Newton .volgt dat de resulterende kracht bepaalt op welke manier de beweging van een lichaam verandert. We beperken ons tot DV’s die met kennis van de vwo-wiskunde kunnen worden opgelost. homogeen omdat de niet van t afhankelijke term is nul is.. Dit leidt tot allerlei types DV en tot allerlei oplossingsmethodes. plus enige ervaring. Snelheid en plaats vindt men vervolgens door een of tweemaal te integreren. Bewegingsvergelijkingen Uit F = ma . Voor het oplossen van DV’s is wiskundekennis nodig. in dit geval een (niet-homogene) lineaire DV van de 2de orde. De tweede wet van Newton wordt dan geschreven als: d 2 x FRES = m dt 2 Dit is de bewegingsvergelijking van het lichaam. In het voortgezet onderwijs komen twee typen bewegingen uitvoerig aan de orde: * de eenparige beweging waarbij F en a nul zijn en v=constant * de eenparig versnelde beweging waarbij F en a constant zijn en v=v0+at. In universitaire cursussen zoekt men eerst een uitdrukking voor de resulterende kracht FRES. We beschrijven hier een toepassing.

0 + v A t = −120 + 20t m x B. (Zie ook H.Een eenvoudig probleem: twee lichamen A en B bewegen met constante snelheden in de richting van de positieve x -as. Op welk tijdstip wordt B door A ingehaald? vA O B vB x − as A Er zijn 2 lineaire vergelijkingen met 2 onbekenden: x A. Het lichaam A is op t = 0 op x = −160 m en zijn snelheid ten opzichte van A is 16 ms-1.0 + v B t = 40 + 4t m Voor een oplossingsmethode zie H. Zie hfd.t = x A.0 = +40 m en v B = 4 ms -1 . Alternatief: kies een nieuw referentiesyteem Kies B als referentiesysteem: B is nu steeds in de oorsprong en heeft ten opzichte van dit syteem snelheid 0. Je moet zelf beoordelen of deze methode handig is.o.. Voor A is x A. II-2.) F = constant : eenparig versnelde beweging Zoals genoemd is voor F = constant de bewegingvergelijking d 2x F = = a. dt 2 m Deze DV is niet homogeen.A t. Men noemt dit de relatieve snelheid van A ten opzichte van B.I-4.t = x B.nl 23 . De oplossing voor x hebben we eerder afgeleid door twee keer integreren: xt = x0 + v0 t + 1 at 2 2 vliempt@nikhef. B = −160 + 16t en met x = 0 volgt opnieuw t = 10 s.v.0 = −120 m en v A = 20 ms -1 en voor B is xB.II-1:. moet je voor A of B weer terugkeren naar het oude referentiesyteem (x=80 m). De plaatsfunctie van A is nu xt . Om de plaats in het oude referentiesysteem te berekenen.

het referentiesysteem (hier: de aarde) . Neem voor g = 10 ms-2. II-1 . Twee verticale bewegingen .9t = 0 Zie verder voor kenmerken van deze 2de graadsvergelijking en een voorbeeld met een verticale worp: hfd.. Bij deze afspraken is de versnelling g = −9. Die raakt de mand net niet.discriminantformule Een ballon daalt met v = 2 ms-1. Bereken de beginsnelheid van de tennisbal.91 ⋅ t 2 Is v0 ≠ 0 . dan spreekt men van een verticale worp.nl 24 .Valversnelling en verticale worp x m F O De val zonder wrijving van een lichaam waarop alleen de zwaartekracht werkt is een voorbeeld van een beweging waarvoor de zojuist beschreven bewegingsvergelijking geldt. Deze extreme waarde wordt bereikt op het tijdstip waarop x ′ = 0 . Kies eerst: .de positieve x-as (hier: verticaal omhoog) . slaat iemand vanaf de grond een tennisbal recht omhoog. dit wil zeggen als v0 − 4. In het geval dat v0 > 0 heeft de beweging een hoogste punt.de oorsprong (hier: bij de grond). Als de mand op 36 m hoogte is. vliempt@nikhef.81 ms-2 en de plaatsfunctie: x = x0 + v0 t − 4. Verwaarloos de luchtweerstand van de bal.

0 ) 2 − 4 ⋅ 36 ⋅ 5 = v 2 B .67 v1. Wij gaan door op de laatste conditie en gaan met de discriminantformule aan de slag. Bij de andere oplossing zou alleen bij een negatieve waarde voor t voldaan worden aan v B = v A = −2 .): b 2 − 4ac = (2 + v B . 2 = = 2 2 -1 Alleen de oplossing v = 25 ms heeft in dit geval betekenis.x A x A. 0 v A. De bewegingsvergelijking wordt: d 2x C = − x = −kx zodat: 2 m dt 2 d x + kx = 0 dt 2 De oplossing van de bewegingsvergelijking is een harmonische trilling: xt = A sin ωt.nl 25 . Daaruit volgen: vt = Aω cos ωt at = − Aω 2 sin ωt = −ω 2 xt vliempt@nikhef.0 + 4v B .II-1. 0 v B . 0 t − 5t 2 Gelijkstellen levert op: 5t 2 − (2 + v B . F = -Cx : harmonische trilling De kracht van het type F = −Cx ken je als veerkracht. Deze kracht treedt op bij alle elastische vervorming.0 − 716 = 0 Hiervoor zijn twee mogelijke oplossingen: − 4 ± 16 − 4 ⋅ 1 − 716 − 4 ± 53. 0 )t + 36 = 0 Omdat er één oplossing is.. moet de discriminant nul zijn (zie H. De plaatsfuncties zijn: x A = 36 − 2t x B = v B .0 B g O Op het tijdstip dat de bal de mand ‘net niet’ raakt is v B = v A = −2 en x A = x B .

Denk bijvoorbeeld aan een houten paal die net onder de oppervlakte in het water drijft en door een kleine stoot een snelheid v0 krijgt. vo De bewegingsvergelijking is: d 2x F q = =− v 2 m m dt Vereenvoudig dit met k = v = v 0 e − kt dv q tot + kv = 0 .Bijzonderheden: de uitwijking is maximaal als v=0 de snelheid is maximaal als a=0 en dus ook x=0. volgt hieruit onmiddellijk de periode T Als we in deze voorwaarde k = en ω = T m en de frequentie f: 1 C m T = 2π f = C 2π m F = -qv : viskeuze wrijving De wrijvingskracht op een lichaam dat met kleine snelheid door een gas of vloeistof gaat. De oplossing is (zie hoofdstuk II-2): dt m vliempt@nikhef.nl 26 . C 2π invullen. xt De bewegingsvergelijking wordt: − ω 2 A sin ωt + kA sin ωt = (k − ω 2 ) A sin ωt = 0 . Dit betekent dat de oplossing x = A sin ωt voldoet indien ω 2 − k = 0 . wordt vooral veroorzaakt door laagjes van het gas of de vloeistof die langs het lichaam stromen. Deze viskeuze wrijvingskracht is evenredig met de snelheid: F = −qv . Stel dat dit de enige kracht is.

m -qv mg-Fopw x Voor een bolvormig lichaam met straal R geldt voor de wrijvingskracht de formule van Stokes: F = 6πη Rv . dus als v = . k De snelheid neemt exponentieel met de tijd af. F = -cv2 : vormweerstand De wrijvingskracht op een lichaam dat met grote snelheid door een gas of vloeistof gaat. De bewegingsvergelijking is nu: vliempt@nikhef. De formule voor vt nadert naar deze m q waarde als t nadert naar oneindig. De plaats nadert exponentieel naar het eindpunt. Vrije val in vloeistof Bij een ‘vrije val’ van een knikker in een vloeistof komt er in de DV een constante bij: dv q =a− v dt m De versnelling a is niet gelijk aan de gravitatieversnelling g omdat de opwaartse kracht in rekening moet worden gebracht.of vloeistofmoleculen veroorzaakt. II-2.nl 27 . kies dan de integratieconstante C = a . Daarin is η de viscositeit van de vloeistof. Zie voor de oplossingsmethode hfd. De kracht is dan F = −cv 2 . Het is een vormweerstand. wordt in hoofdzaak door de botsingen met de gas. De oplossing voor v is: q − t m m vt = (a − Ce ) q Als v0 = 0 .De plaatsfunctie vindt men door te integreren en met C = x0 is: t v 1 1 1 x= v 0 e − kt | + x 0 = v 0 e − kt − v 0 e 0 + x0 = 0 (1 − e − kt ) + x 0 0 −k −k −k k v Merk op dat de term 0 (1 − e − kt ) de uitkomst is van de integraal en de eenheid m heeft. Deze Fopw hangt af van het volume van de knikker en de Vρ dichtheid van de vloeistof: a = g − vl . q ma De snelheid neemt toe totdat a − v = 0 .

of eindwaarden te zeggen.d 2x c ⎛ dx ⎞ =− ⎜ ⎟ 2 m ⎝ dt ⎠ dt 2 Deze DV is niet lineair en niet op de beschreven manieren op te lossen. 2. Op t=0 zijn x0 = 0 en v0 = 30 FW 1. ga uit van een tijdstip t waarop beginwaarden bekend zijn voor alle variabelen (F. De auto wordt dan voornamelijk door de luchtweerstand afgeremd. v en x niet significant veranderen en beschouw a. Dan is constante ‘eind’snelheid v= mg − Fopw c . Stel dat bekend is dat FW = −1. v en x met o de opgestelde uitdrukking voor a o v n = v n −1 + a n −1 ∆t o x n = x n −1 + v n −1 ∆t 5. herhaal dit voor het volgende tijdsinterval .0014v 2 . bijvoorbeeld dat n.nl 28 . De methode van Euler De methode van Euler voor het numeriek integreren van een bewegingsvergelijking houdt het volgende in: 1. Voor de versnelling a stellen we de uitdrukking op: a = vliempt@nikhef. Voorbeeld Een automobilist haalt bij 30 ms-1 zijn voet van het gas. dus als mg − Fopw − cv 2 = 0 . v en x in een tijdsinterval ∆t als constant 4. kun je altijd nog in een spreadsheet numeriek integreren volgens de methode van Euler.x) en constanten (m.c. Numeriek integreren. Hoe verandert dan de snelheid als functie van de tijd? 1. v en x (niet van t). vind een uitdrukking voor de versnelling a als functie van F. methode van Euler Als je geen directe oplossing weet.a.etc). verdeel het integratieinterval in voldoende kleine tijdsintervallen ∆t waarin de waarden van a. c.5v 2 en de auto 1100 kg weegt. We nemen aan dat ∆t = 1 s in dit geval voldoende klein is. m 1100 3. Bijvoorbeeld bij een vrije val: de snelheid is maximaal als de versnelling nul is.5 2 =− v = −0. In concrete gevallen is wel iets over begin. 2. bereken voor het tijdstip t + ∆t nieuwe waarden voor a.v. 3. m. v of x een bepaalde waarde overschrijden. enzovoort tot een eindvoorwaarde is bereikt..

v (m/s) 30 25 vt – grafiek vormweerstand 20 15 10 5 0 0 60 120 180 240 t (s) A t (s) 2 3 4 =0 =A2+1 =A3+1 A 1 2 3 4 t (s) 0 1 2 B x (m) =0 =B2+(C2*1) =B3+(C3*1) B x (m) 0 30 59 C v (m.0014*C4*C4 D A (m.s^-1) =30 =C2+(D2*1) =C3+(D3*1) C v (m.nl 29 .16 -1.s^-2) -1.26 -1.s^-1) 30 29 28 D A (m.0014*C3*C3 =–0.s^-2) =–0.07 vliempt@nikhef.0014*C2*C2 =–0.

snelheid en verplaatsing zowel een grootte als een richting hebben. Enkele tips: Maak een bewuste keuze van het referentiesysteem en het assenstelsel.III . of de as van het schip. je moet de beweging beschrijven van iemand die het dek van een varend schip oversteekt. Krachten en beweging in 2 dimensies Op een lichaam werken vaak meerdere krachten en die kunnen verschillende hoeken ten opzichte van de baan maken. Om in deze gevallen de beweging te beschrijven is een beschouwing in 2 of 3 dimensies nodig. Referentiesystemen Het beschrijven van een beweging begint (wel of niet onbewust) met het kiezen van een referentiesysteem en een assenstelsel dat aan dit referentiesysteem is gekoppeld. 1. Kies een as evenwijdig met een bewegingsrichting die niet verandert. in dit hoofdstuk gebruiken we ze zonder nadere uitleg. bijvoorbeeld de bewegingsrichting van de persoon. Bedenk vooraf welke formules je nodig hebt en kies een assenstelsel waarbij die zo eenvoudig mogelijk worden. dan kies je het schip als referentiesysteem. We beginnen met enkele algemene opmerkingen over de keuze van een referentiesysteem en plaatsen een kanttekening bij het begrip zwaartekracht. vliempt@nikhef. Een referentiesysteem is een lichaam met een zekere afmeting waarvan de delen ten opzichte van elkaar in rust zijn. Vervolgens gaan we in op het gebruik van vrije-lichaamsdiagrammen om de krachten in een systeem te analyseren. Belangrijk is dat grootheden als kracht. Tenslotte bekijken we enkele veel voorkomende bewegingen in 2 dimensies en de daarbij gebruikelijke parametervoorstellingen. De keuze van een goed referentiesysteem vereist enige creativiteit en vooral inzicht in het probleem. In hoofdstuk II. versnelling. Daarover gaat dit hoofdstuk. De positieve x-as kan ook vrij worden gekozen. bijvoorbeeld het punt waar de persoon begon te lopen of de boeg van het schip. Welk referentiesysteem je kiest hangt af van de vraag of er andere lichamen dan het schip en de persoon in de beschouwing worden betrokken. De oorspong kan elk punt op het schip zijn. Het lichaam mag geen punt zijn omdat niet alleen de oorsprong van het assenstelsel maar ook de richting van de assen moet worden vastgelegd. impuls. Overweeg een referentiesysteem waarin zo weinig mogelijk lichamen bewegen.nl 30 . Is dit niet het geval.3 worden die behandeld. Daarna behandelen we het begrip ‘krachtmoment’ dat nodig is om de beweging te beschrijven van lichamen die een bepaalde uitgebreidheid hebben en kunnen roteren. Voorbeeld Stel. Het zijn vectoren en daarvoor gelden speciale rekenregels.

De wetten van Newton gelden alleen voor inertiaalstelsels. Zo’n is geen inertiaalstelsel. Fmpz Fg Fcen Fzw Figuur 9 Zwaartekracht vliempt@nikhef. In een referentiesysteem dat draait of versnelt ten opzichte van het lichaam. Bij het verplaatsen van het referentiesysteem naar een lichaam dat in het oude systeem beweegt.x x x x Figuur 8 Alternatieve referentiesystemen x Is ook een lichaam in het water of op de wal van belang. In bijgaande figuur zijn enkele varianten getekend.nl 31 . Men wijt die versnelling dan aan schijnkrachten. veranderen alle coördinaten en de richtingen en de groottes van de snelheden. dan wordt het een inertiaalstelsel genoemd. Elk referentiesysteem dat met constante snelheid rechtlijnig beweegt ten opzichte van een inertiaalstelsel is opnieuw een inertiaalstelsel. dan zijn andere keuzes te overwegen. verschijnt een versnelling zonder dat er een aanwijsbare kracht is. Zoiets gebeurt bijvoorbeeld op aarde. Inertiaalstelsel Is in een referentiesysteem de versnelling van het lichaam nul zolang er geen kracht op werkt.

In de figuur is dit (sterk overdreven) weergegeven. Bovendien heeft de zwaartekracht overal tussen de polen en de evenaar een component langs het aardoppervlak in de richting van de evenaar. Op 500 Noorderbreedte is de middelpuntzoekende versnelling evenwijdig aan het vlak van de evenaar ongeveer 0. Omdat de afwijking voor veel toepassingen verwaarloosbaar is. maar ook voor een middelpuntzoekende kracht die een lichaam met de aarde laat meedraaien. De zwaartekracht is de verschilvector van de gravitatiekracht en de middelpuntzoekende kracht: Fzw = Fg − Fmpz Behalve op de polen is de zwaartekracht hierdoor kleiner dan de gravitatiekracht. Een andere schijnkracht is de Corioliskracht die verantwoordelijk is voor de draaiing van luchtstromen in de atmosfeer. Zie de figuur. De gravitatie zorgt niet alleen voor de zwaartekracht. Het is dus strikt genomen geen inertiaalsysteem.nl 32 . namelijk de centrifugale kracht Fcen . beschouwt men de aarde niettemin als systeem waarin de wetten van newton gelden. vliempt@nikhef.10 naar het zuiden. Dat is niet helemaal juist.Schijnkracht Vaak stelt men de zwaartekracht gelijk aan de gravitatiekracht tussen de aarde en het lichaam.02 ms-2 en vertoont de zwaartekracht een afwijking van ongeveer 0. Is de plek op aarde het referentiesysteem dan lijkt er een versnelling in de richting van de evenaar te zijn zonder dat er een aanwijsbare kracht voor is. Vanuit de aarde als referentiesysteem wijt men de kleine afwijking van de versnelling aan een schijnkracht. Anders dan in Nederlandse schoolboeken komt het begrip centrifugale kracht in de internationale literatuur vaak voor.

als er alleen verplaatsing is en geen rotatie optreedt. Er komt geen enkel ander lichaam in de figuur voor: geen ondersteunende helling.70 = 35 0 ∑F x = 0 ⇒ mg sin α − µ s FN = 0 vliempt@nikhef. in plaats van een touw een trekkracht etc. geef de richting van de x. Dus in plaats van een helling een normaalkracht en een wrijvingskracht.2. Teken dan het lichaam als een kleine rechthoek.7 en µd = 0. dan is de vorm van het lichaam in de tekening onbelangrijk. 2. geef alle krachten die van buitenaf de verplaatsing beïnvloeden aan met pijlen in de juiste richting en met de juiste relatieve lengte. een kleine cirkel. 3. y FN FW = µFN 35 0 x 35 0 Fz Figuur 10 Vrije-lichaamsdiagram dus FN = mg cos α 1. geen veer die het wegduwt. Toestand in rust: ∑ Fy = 0 ⇒ FN − mg cos α = 0 dus µ s FN = mg sin α Delen geeft: µ s = tan α ⇒ α = arctan 0.6. tekent men het vrije-lichaamsdiagram. De eisen aan het vrije-lichaamsdiagram zijn: 1. 4. teken schematisch alleen het lichaam waarvan je de beweging beschrijft. Teken geen inwendige krachten als die geen invloed hebben op de beweging. We tekenen eerst het vrije-lichaamsdiagram.nl 33 . geen koord waar het aan hangt. Met welke versnelling? Neem g = 10 ms-2. Voorbeeld: wrijving op een helling Een stalen doos ligt in rust op een eveneens stalen helling.en de y-as aan. Door een kleine trilling van de helling glijdt de doos naar beneden. De doos weegt 5 kg. µs = 0. Vrije-lichaamsdiagrammen Eén systeem Om helder te analyseren waardoor de resulterende kracht op een lichaam wordt bepaald. een stip of een recht kruis en laat alle krachten in het zelfde punt beginnen.

Verwaarloos de massa en de wrijving van het koord en de katrol.8 ms -2 Twee deelsystemen Derde wet van Newton Soms bestaat een systeem uit twee met elkaar verbonden objecten. Bereken µd. Volgens de derde wet van Newton is de kracht die A op B uitoefent even groot is als de kracht die B op A uitoefent en tegengesteld gericht: FA →B = − FB→A . Toestand in beweging: ∑ Fx = ma x ⇒ mg sin α − µ d FN = ma x Invullen van mg sin α = µ s FN en FN = mg cos α geeft: µ s FN − µ d FN = ( µ s − µ d )mg cos α = ma x en hieruit volgt a x = ( µ s − µ d ) g cos α ⇒ a x = (0. Het koord tussen het blok en het gewicht loopt over een katrol. In plaats van een verbinding worden dan de interne krachten aangewezen die zij op elkaar uitoefenen. Twee diagrammen Het werken met twee deelsystemen heeft voor het vrije-lichaamsdiagram als consequentie dat voor beide deelsystemen apart een diagram moet worden getekend. De versnelling van het systeem is 1 ms-2. vliempt@nikhef. Neem voor g = 10 ms-2.nl 34 . Dan kan het handig zijn het systeem in twee deelsystemen A en B te splitsen. Voorbeeld Op een tafel ligt een blok hout van 6 kg. De invloed van het andere deelsysteem wordt in elk dagram door een interne kracht voorgesteld.2. Aanpak: Bereken bij blok B dat Fs = 36 N en vervolgens bij blok A dat µFN = 30 N.7 − 0. Het wordt voortgetrokken door een gewicht van 4 kg aan de zijkant van de tafel.6) ⋅ 10 ⋅ cos 35 0 = 0.

De resulterende kracht wordt niet in het vrije-lichaamsdiagram getekend. r Het vrije-lichaamsdiagram van een stoeltje in een zweefmolen laat twee krachten zien: de zwaartekracht verticaal omlaag en schuin omhoog de spankracht in de kabel. vliempt@nikhef. De resulterende kracht heeft op elk punt van de horizontale cirkelbaan dezelfde grootte en is steeds naar het middelpunt gericht. r r mv 2 Bijgevolg is een middelpuntzoekende kracht Fc = of Fc = mω 2 r vereist. α Fspan r mg Figuur 12 Zweefmolen De versnelling die nodig is om een cirkelbeweging met de straal r en met de baansnelheid v af te leggen.nl 35 . is: v2 v ac = of a c = ω 2 r met de hoeksnelheid ω = .Blok A FN Blok B µFN Fs Fs x mB g mA g x′ Figuur 11 Vrije-lichaamsdiagram deelsystemen Cirkelbeweging Een cirkelbeweging treedt op als in elk punt van de baan de resulterende kracht op hetzelfde punt is gericht.

Zie de figuur. Met behulp van de formule en de figuur is dit gemakkelijk in te zien. Evenwichtsvoorwaarden De snelheid en de rotatie van een lichaam veranderen niet als aan twee voorwaarden is voldaan: ∑F = 0 ∑M = 0. Vandaar dat we liever consequent blijven en de grootte van het moment schrijven in de vorm M = rF .3. Moment en rotatie Tot nu toe is er van uitgegaan dat een (resulterende) kracht alleen tot een verplaatsing leidt.nl 36 . Het moment is het uitproduct van de arm r en de kracht F . Men noemt r de arm. vliempt@nikhef. Als de kracht een draaiing tegen de wijzers van de klok veroorzaakt. men mag namelijk de kracht langs de werklijn verschuiven zonder dat het moment verandert. In vectornotatie volgen de grootte en de richting uit een formule: M = r×F . De rotatie van een uitgebreid lichaam wordt veroorzaakt door een moment. Zie hoofdstuk II-3 over vectoren. Daarbij wordt een lichaam als een punt beschouwd en wordt aangenomen dat elke kracht op dit punt werkten. Bij uitgebreide lichamen is dit echter niet geoorloofd. . In het uitproduct is de volgorde van de grootheden belangrijk. De richting van het uitproduct volgt immers uit de rechterhandregel. Ze kunnen om een bepaald punt (massamiddelpunt) draaien en daarom is het belangrijk te letten op de werklijn van een kracht ten opzichte van dit draaipunt. Als de kracht F is en r de afstand is van het draaipunt tot de werklijn van de kracht dan is de grootte van het moment M: M = rF .niet evenwijdig aan zijn werklijn mag worden verschoven. Bij uitgebreide lichamen mag een kracht . Dit beginpunt heeft weinig betekenis. dan rekent men het moment positief. Let op dat de arm de afstand van het draaipunt tot de werklijn is en niet tot het beginpunt van de kracht. werklijn werklijn F r r F + draaipunt draaipunt Figuur 13 Het moment van een kracht In het voortgezet onderwijs is het de gewoonte de formule M = Fr te gebruiken en er een afspraak over de richting aan toe te voegen.wel langs zijn werklijn mag worden verschoven: het moment verandert dan niet. De richting van F × r is tegengesteld aan de richting van r × F .

of kantelpunt moet worden aangegeven en de arm van elke kracht. Dit betekent dat in het vrijelichaamsdiagram van een uitgebreid lichaam ook een draai.Men noemt dit de evenwichtsvoorwaarden. Vrije-lichaamsdiagram voor een uitgebreid lichaam Eerder is opgemerkt dat bij uitgebreide lichamen krachten niet evenwijdig aan hun werklijn mogen worden verschoven. y FN1 Z FN2 r1 mg r2 x Figuur 14 Evenwijdige werklijnen Soms is een rechthoek of een andere tweedimensionale figuur nodig. als het al in rust was. dan .blijft het lichaam in een eenparige cirkelbeweging en/of een eenparig rechtlijnige beweging.blijft een lichaam in rust. Dan verandert immers het moment. .nl 37 . als deze voorwaarden gelden. Bijvoorbeeld een horizontale balk wordt in twee punten ondersteund. y S2 Z S1 mg Figuur 15 Deur x vliempt@nikhef. Bijvoorbeeld een deur hangt op twee scharnieren S1 en S2 in een kozijn. Dus. Geef het lichaam weer door middel van een zo eenvoudig mogelijke figuur. Vaak volstaat een lijnstuk.

y r b t=0 a Figuur 16 Cirkelbaan x v0 g s x vx vy vt y Figuur 17 Horizontale worp De baanvergelijking geeft geen informatie over het tijdstip waarop het lichaam zich in een bepaald punt bevindt. Bewegingen in 2 dimensies Parametervoorstelling De beweging van een lichaam in twee dimensies kan men beschrijven met een baanvergelijking. kracht F en impuls p zijn vectorgrootheden en kunnen in componenten langs de x.4. Zie hoofdstuk II-3 over vectoren voor verdere uitleg over het ontbinden in componenten. Of uit componenten worden samengesteld. Dit houdt in dat we de x.en de y-coördinaat afzonderlijk beschrijven als functie van dezelfde parameter t: xt = f (t ) y t = g (t ) . Deze componenten zijn onafhankelijk van elkaar. Ontbinden in componenten Grootheden als verplaatsing ∆x . Voor een cirkelbeweging zou dit de vergelijking ( x − a) 2 + ( y − b) 2 = r 2 kunnen zijn en voor een horizontale worp y = k ( x − a ) 2 + b . Die drukt het verband tussen de coördinaten uit. versnelling a .en de y-as worden ontbonden. Daarom beschrijft men de beweging liever in de vorm van een parametervoorstelling.nl 38 . vliempt@nikhef. snelheid v .

De snelheid langs de baan op een bepaald tijdstip is de vectorsom van de snelheden langs elke van de assen op dit tijdstip: vt = v x + v y . Druk ϕ uit in v0 en h. vy Voor ϕ geldt: tan ϕ = vx Langs de y-as geldt: h = 1 gt 2 2 dus v y = gt ⇒ v y = 2 gh ⇒ t= 2h . Voorbeeld horizontale worp Een munt wordt met een beginsnelheid v0 van een gladde tafel geschoven en raakt de grond onder een hoek ϕ. Kies je de positieve x-as naar links.Als luchtweerstand een rol speelt. . De hoogte van de tafel is h. Het berekenen van de lengte van een somvector en de hoek met de x-as wordt beschreven in hoofdstuk II-3.en vooral gemakkelijk oplosbare bewegingsvergelijking ontstaat. Indien wrijving en andere krachten geen rol spelen is de parametervoorstelling van de horizontale worp: xt = v 0 t + x 0 y t = 1 gt 2 + y 0 2 Opmerkingen: . g vliempt@nikhef. Onafhankelijk van elkaar vindt dus een versnelde beweging omlaag plaats en tegelijkertijd een eenparige beweging naar rechts. Horizontale worp De ‘horizontale worp’ is een eenvoudig voorbeeld van een beweging die tweeën kan worden gesplitst. Zie voor enkele typen bewegingen het hoofdstuk over rechtlijnige bewegingen.De onafhankelijkheid van de componenten maakt het ook mogelijk het assenstelsel zo te kiezen dat langs elk van de assen een herkenbare . Een horizontale beginsnelheid heeft geen component langs de verticale as en daarom geen invloed op de verticale beweging. Omdat de valversnelling een rol speelt ligt het voor de hand een as verticaal te kiezen. De verplaatsing s is de vector tussen de plaatsen op twee tijdstippen. Neem de figuur ‘horizontale worp’ als uitgangspunt. dan wordt de invloed daarvan afzonderlijk op elk van de bewegingen in rekening gebracht. dus tussen twee punten op de baan: s = ∆x + ∆y .Als het beginpunt als oorsprong wordt gekozen.Als de y-as omhoog positief wordt genomen.nl 39 . dan wordt in de formule g < 0. dan zijn x0 en y0 gelijk aan nul. dan wordt v0 < 0. .

Daarmee worden de snelheid. x = vo cos α en v0.t = vo cos α xt = v 0 t cos α + x 0 en v y .en plaatsfuncties: v x .4 Invullen van t en v0y in ∆y t = −1 gt 2 + v0 y t geeft ∆y t = −1 ⋅ 10 ⋅ 0.8 2 2 Het hoogste punt ligt 0.t = v 0 y − gt tot: 0 = 4 − 10t ⇒ t = 0.nl 40 . dan ontbinden we de snelheid in twee componenten: v0. Het begin en eindpunt zijn op gelijke hoogte.Met v x = v 0 is tan ϕ = vy vx = 2 gh = v0 2 gh v0 2 ⇒ ϕ = arctan 2 gh v0 2 Worp in willekeurige richting Maakt de beginsnelheid een hoek α met de x-as. Bereken het hoogste punt van de bal ten opzichte van zijn beginpunt.t = 0 .4 = 0.t = gt + vo sin α y t = 1 gt 2 + vo t sin α + y 0 2 Hier gelden dezelfde opmerkingen als bij de horizontale worp. Cirkelbeweging Een cirkelbeweging kan worden voorgesteld door de parametervoorstelling: xt = a + r cos ωt y t = b + r sin ωt vliempt@nikhef. Uit videobeelden blijkt dat de bal daar 0. y = vo sin α .4 2 + 4 ⋅ 0. Dit betekent: ∆y t = 0 y t = −1 gt 2 + v 0 y t + y 0 2 ⇒ ∆y t = −1 gt 2 + v0 y t = (−1 gt + v 0 y )t 2 2 Uit ∆y t = 0 volgt − 1 gt + v 0 y = 0 2 v0 y = 1 gt = 4 2 In het hoogste punt is v y . Het begin en eindpunt van de bal zijn op dezelfde hoogte.80 m hoger dan het begin en eindpunt. Voorbeeld worp in willekeurige richting Een basketballer werpt een bal naar een medespeler op een afstand van 6 m. Daarmee leidt v y .8 s over doet.

Hierin is ω de hoeksnelheid. De straal r noemt men ook wel amplitude. De beweging is periodiek met T als de periode of omlooptijd en met f als de frequentie. Met 2π behulp van vT = 2 πr is gemakkelijk in te zien dat: ω = = 2πf . T

Voorbeeld: polaire satellieten Rond de aarde cirkelt een aantal satellieten in banen over de noord- en de zuidpool. Deze polaire banen hebben een periode van ongeveer 1,5 uur. Wat is de straal van deze banen?

Aanpak: De hoeksnelheid voor deze beweging is ω =

2π (rad)s-1. 1,5 ⋅ 3600

De versnelling die is vereist, is: a c = ω 2 r . De versnelling wordt geleverd door de gravitatie: M gr = G 2 . r Hierin is G de constante van Newton en M de massa van de aarde. De waarde van beide kan in de tabellen worden opgezocht. Gelijkstellen van beide uitdrukkingen voor de versnelling geeft: ω 2 r 3 = GM . Hieruit kan r als de enige onbekende worden opgelost.

vliempt@nikhef.nl

41

B Wiskunde

vliempt@nikhef.nl

42

I . Rekenen 1. Breuken Optellen, aftrekken
Breuken optellen of van elkaar aftrekken kan alleen als ze gelijknamig zijn. Optellen en aftrekken gebeurt met de tellers. a c 1 1 1 a+c 2 3 1 + = a ⋅ + c ⋅ = (a + c) ⋅ = − =− b b b b b b b b b

Gelijknamig maken
De waarde van een breuk verandert niet als hij met 1 wordt vermenigvuldigd. En 1 kan worden geschreven als een breuk met de andere noemer: 2 1 8 3 11 a c ad bc ad + bc + = + = + = + = b d bd bd bd 3 4 12 12 12

Splitsen
Tellers kunnen worden gesplitst, noemers niet. a+b a b maar niet: = + c+d c+d c+d 1 1 = 2+3 5 ≠ 1 1 5 + = 2 3 6

Vermenigvuldigen, delen
Het vermenigvuldigen en het delen van een breuk is een operatie die op de teller wordt toegepast. Verschijnt in de teller een breuk, dan vereenvoudig je het geheel met een nieuwe noemer. 1 a 1 a⋅ c a 2 1 2 ⋅ = = ⋅ = 7 3 21 b c b (bc) a a a 2 2 ÷3 = ÷c = c = 7 21 b (bc) b 1 ≡ n. 1 n Immers, 1 moet gelijk zijn aan 3 ‘derde’, of 10 ‘tiende’ delen, etc. Vandaar de veelgebruikte geheugensteun: ‘delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde’: a c ad 2 1 2 3 6 ÷ = ÷ = ⋅ = b d bc 7 3 7 1 7 Bedenk dat bij het delen door een breuk geldt:

2. Haakjes wegwerken Haakjes
Haakjes maken duidelijk welke termen van een uitdrukking wel vermenigvuldigd moeten worden en welke niet:

vliempt@nikhef.nl

43

nl 44 . Rekenregels Het splitsen van wortels is alleen geoorloofd bij producten en quotiënten. Wortels Een wortel ontstaat uit een machtsfunctie. Machten. Voor het vereenvoudigen van wortels gebruikt men vaak de volgende regels: a ⋅b = a ⋅ b a = b m a b a p+q = a p ⋅ a q a mp = a p 4. Zie subparagraaf 4. De machtsfunctie wordt geschreven als: y = a r . Hierin is a het grondtal en r de exponent. We onderscheiden 3 domeinen voor r: Met r > 1 is y een groeifunctie van de graad r: a0 = 1 0de graad 10 0 = 1 1ste graad a1 = a 101 = 10 a r = a ⋅ a ⋅…⋅ a rde graad 10 r = 10 ⋅ 10 ⋅ … ⋅ 10 = 100 … 0 Met 0 < r < 1 is y een wortelfunctie: a = a a = a 3 1 3 1 2 a a m 2 m n n n = am = n am a = a n 1 n a = n an = 1 vliempt@nikhef. Machten Definitie Bij machtsverheffen wordt een grondtal a herhaaldelijk met ditzelfde getal a vermenigvuldigd.a ⋅ (b + c) + d = ab + ac + d (a + b)(c + d ) = ac + ad + bc + bd Bijzondere producten (a + b) ⋅ (a + b) = a 2 + 2ab + b 2 (a − b) ⋅ (a − b) = a 2 − 2ab + b 2 ( a + b) ⋅ ( a − b) = a 2 − b 2 3.

6 105 × 10 −3 ⋅ = 2.een macht van 10.24 ⋅ 105 × 3. Equivalent is: 1386 m 1. .5 10 4 × 10 2 105 × 10−3 waarin = 105 − 3− 4 − 2 = 10− 4 4 2 10 × 10 vliempt@nikhef. Bijvoorbeeld: Verplaatsing 1 = 1. 9.500 km Scheid bij het bereken van producten en quotiënten de significante getallen van de machten van 10.6 ⋅ 10 −3 9.386 km + 0.386 ⋅ 10 6 mm.5 ⋅ 10 2 2.8 × 7.nl 45 . Wetenschappelijke notatie Volgens de regels van de wetenschappelijke notatie bestaat de getalwaarde van een grootheid uit 2 delen: .een getal met alle significante cijfers.114 km = 1. Achter de getalwaarde hoort de eenheid van de betreffende grootheid.386 ⋅ 10 6 ⋅ 10 −3 m = 1.24 × 3.8 ⋅ 10 4 × 7. Voordat je grootheden kunt optellen of aftrekken moeten ze eerst in dezelfde grootte-orde worden uitgedrukt.386 km Verplaatsing 2 = 114 m in dezelfde richting De totale verplaatsing 1. De macht van 10 wordt vervangen door voorvoegsel uit de tabel achterin. het bespaart werk door de machten apart (uit het hoofd) te berekenen.Met r < 0 geeft het negatieve teken aan dat y een breuk is en bepaalt de absolute waarde van r of de noemer een groeifunctie dan wel een wortelfunctie is: 1 graad -1 a −1 = a 1 1 1 1 graad -r a −r = ⋅ ⋅ … ⋅ = r a a a a Rekenregels a n ⋅ a m = a n+m a n ÷ a m = a n−m a p ⋅ b p = (ab ) m m n p 10 2 ⋅ 10 −3 = 10 −1 10 2 ÷ 10 − 3 = 10 5 10 2 ⋅ 10 2 = 100 2 (10 2 ) 3 = 10 6 92 = 9 = 3 3 a n = (a n ) m = a m⋅n a = a n m 1 Merk op dat 10 ( 2 ) = 10 8 .

dan wordt de 10 niet genoemd.nl 46 . Dus 3!= 1 ⋅ 2 ⋅ 3 = 6 . x 2 x3 + + . De exponent r bij die macht heet de r-logaritme van b.. dx ex = 1 + x + Het logaritme met het grondtal e noemt men het natuurlijke logaritme.. e-machten en natuurlijke logaritmes Definities e en ln Een e-macht is een macht met het grondtal: e = 2. Als het grondtal 10 is.. met notatie ‘ln’: a = e x ⇒ x = ln a Rekenregels Voor e-machten en natuurlijke logaritmes gelden dezelfde regels als voor andere machten en logaritmes.71828 . b = ar 100 = 10 2 2 = 10 log 100 = log 100 r = a logb 8 = 23 3= 2 log 8 a log a = 1 a log a n = n a log 1 = 0 Rekenregels De regels voor het rekenen met logaritmes corresponderen met de regels voor machten. Logaritmes Definitie Elk positief reëel getal b kan geschreven worden als een macht van een ander getal a . ofwel de afgeleide van e x is e x : de x = ex ... Bijzonderheden zijn: ln x = ln 10 ⋅ log x ln x = ln a⋅ a log x ln e = 1 en ln 1 = 0 vliempt@nikhef. a log(b ⋅ c)= a log b + a log c log(10 3 ⋅10 2 ) = 3 + 2 = 5 a b log( )= a log b − a log c c a log b m = m⋅ a log b 10 3 ) = 3− 2 =1 10 2 log 10 6 = 3⋅ log 10 2 log( 6. 2! 3! Het symbool ‘3!’ staat voor ‘3 faculteit’. dit is het cumulatieve product van alle natuurlijke getallen ≤ 3. Door het differentiëren van de reeks naar x ontstaat de reeks opnieuw.5.

* α1 = α 3 Deze noemt men Z-hoeken omdat ze overeenkomen met de bij een Z gevormde scherpe hoeken.nl 47 .α α3 α1 α2 Figuur 18 F. dan zijn: * α1 = α 2 Deze noemt men F-hoeken omdat ze zijn ingesloten door de staande en de liggende lijnen van de F (in de figuur is F gedraaid en gespiegeld).7. Ze vallen na 1800 draaien over elkaar. De naast elkaar liggende hoeken bij twee snijdende lijnen zijn complementair (samen 180o). Hoeken en zijden in een driehoek α+β a β c Figuur 19 Hoeken en zijden van een driehoek γ b α In een driehoek is de som van de drie hoeken gelijk aan 180o en verder geldt: a b c = = sin α sin β sin γ a 2 = b 2 + c 2 − 2bc ⋅ cos α b 2 = a 2 + c 2 − 2ac ⋅ cos β c 2 = a 2 + b 2 − 2ab ⋅ cos γ (Zie §8 voor sinus en cosinus. * α2 = α3 Bij twee snijdende lijnen zijn de tegenover elkaar liggende hoeken gelijk.en Z-hoeken Als een recht lijn twee evenwijdige lijnen snijdt.) Bij een rechthoekige driehoek vervalt de derde term en gaan de vergelijkingen over in de stelling van Pythagoras: a 2 = b2 + c2 vliempt@nikhef. Meetkunde Gelijke en complementaire hoeken 180. Ze vallen na verschuiving over elkaar.

Men kan elke zijde als basis kiezen.grondoppervlak. Is het oppervlak een vlak met een rechthoekig assenstelsel x en y.en inhoudsformules Table 1 Formules oppervlak en inhoud Driehoek Parallellogram Cirkel Bol Cilindermantel Bol Cilinder Kegel Piramide b=basis. h=hoogte en r=straal Oppervlak ½bh Bh πr2 4πr2 2πrh (zonder grondvlakken) Inhoud 4/3 πr3 πr2h ⅓ πr2h ⅓. dan staat de normaal loodrecht op beide assen. De normaal in een punt op een bol is de rechte door dit punt en het middelpunt van de bol.Basis en hoogte van een driehoek h a Figuur 20 Basis en hoogtelijn in een driehoek De basis en de hoogte van een driehoek hangen met elkaar samen.nl 48 . Bij een gekromd oppervlak staat de normaal loodrecht op het raakvlak. Oppervlakte. De normaal De loodlijn door een punt op een oppervlak noemt men de normaal. Is de zijde a de basis. dan is de hoogte de lengte van de loodlijn h die op a is neergelaten uit de overstaande hoek.h vliempt@nikhef.

a a b arctan = α arcsin = α arc cos = α r r b a a betekent ‘de hoek waarvan de sinus is’. a en b en de hoek α getekend. Het deel van de cirkel voor 0 ≤ α < 90 0 noemt men het 1ste kwadrant. Tangens = Overstaand/Aanliggend. Correcter is: INV sin (inverse functie van sin). arctan Terugrekenen van een waarde voor de sinus. tegen de wijzers van de klok. arccos en arctangens. cosinus.nl 49 . De hoek wordt gemeten ten opzicht van de positieve x-as. tangens In de figuur is de rechthoekige driehoek met de zijden r. of sin tan De functie arcsin vliempt@nikhef.8. r r -1 -1 Voor arcsin en arctan wordt vaak sin en tan geschreven (het betekent dan bij uitzondering 1 1 niet ). Cosinus = Aanliggend/Schuin .cosα P a bgα 0 b x π 3π/2 Figuur 21 Goniometrische begrippen in een cirkel Definitie sinus. cosinus of tangens naar de waarde van de hoek gebeurt met de functies arcsinus. Definitie arcsin. Goniometrische functies y π/2 r. Er geldt: a sin α = r b cos α = r a tan α = b Een geheugensteun voor deze definities is het anagram soscastoa: Sinus = Overstaand/Schuin .sinα r α r.

: x2 + y2 = r 2.nl 50 . volgen r en α uit: r= x2 + y2 p p en α = arctan yp xp . Indien de x.86 ½√2=0.28 x x graden = ⋅ 2π rad 360 0 In de figuur op de vorige pagina is: bgα α rad = r Veelvoorkomende waarden van sinus en cosinus in graden 0o 30o In rad Sin Cos 0 0 1 π/6 ½ 45o π/4 60o π/3 90o π/2 ½√2=0. is 1 rad = 360 o 360 o = = 57. Zie de figuur met de basiscirkel.y-vlak kan men geven in de vorm van een parametervoorstelling. bijvoorbeeld de hoek α: x P α = r ⋅ cos α y P α = r ⋅ sin α Is α bekend.Parametervoorstelling van een cirkelbaan De plaats van een punt P op een cirkel in het x.32 o 2π 6.71 ½√3=0.en de y-coördinaat bekend. Definitie radiaal Een radiaal (symbool: rad) is de hoek a waarbij de lengte van de boog bgα gelijk is aan de straal r .86 1 0 De grafieken van de sinus en de cosinus ½√3=0.en de y-coördinaat bekend zijn.en de ycoördinaat afzonderlijk worden uitgedrukt als functie van dezelfde (veranderlijke) parameter. dan zijn ook de x. Door de parameter te elimineren ontstaat een baanvergelijking in x. Dit betekent dat de x.71 ½ Tabel 2 Veelvoorkomende waarden van sin en cos vliempt@nikhef. Omdat de omtrek van een cirkel 2πr is. y en r.

71 -0. dan is ook y1 = cos(α1 + 2π ) en y1 = cos(−α1 + 2π ) Fase en gereduceerde fase De fase drukt uit hoe vaak en hoe ver een periode verstreken is: ϕ = . 3600 De gereduceerde fase drukt uit hoe ver de laatste periode verstreken is: in de uitkomst voor φ worden alle cijfers voor de komma weggelaten. dan geven sin α en cos α de uitwijking van P ten opzicht van x-as en de y-as.71 0.50 -0.86 α x 300 x π/6 -1 Figuur 22 Grafieken van sinus en cosinus Periodieke oplossingen De sinus en cosinus zijn periodieke functie met periode 2π als de hoeken in radialen worden uitgedrukt of met een periode van 3600 als dit in graden gebeurt.50 1 0 -0. sin α 0.Indien we in de basiscirkel aan het begin van deze paragraaf de straal r gelijk aan 1 maken.71 0.86 α x 300 x π/6 -1 π/2 π 3π/2 2π 5π/2 3π 7π/2 4π cos α 0.71 -0. Als functie van α zijn dit de onderstaande grafieken. α rad of 2π rad α0 Rekenregels In de driehoek in het 1ste kwadrant is gemakkelijk te controleren dat: vliempt@nikhef.nl 51 .50 1 0 -0.86 0. dan is ook y1 = sin(α1 + 2π ) en y1 = sin((π − α1 ) + 2π ) als y1 = cos α1 .86 0.50 -0. Uitgaande van een hoek in het eerste kwadrant geldt: als y1 = sin α1 .

Pas links en rechts van het = teken zo nodig een inverse of een andere functie toe. logaritme. etc. Maak x vrij en bereken de waarde van x door links en rechts van het = teken dezelfde functie toe te passen: wortels.nl 52 . zoals de logaritme nemen. vliempt@nikhef. optelt of er op een geoorloofde wijze een functie op toepast. deelt. een sinuswaarde van neemt etc. Oplossen van vergelijkingen Het teken ‘=’ in een vergelijking betekent niet ‘er volgt een uitkomst’ maar drukt de gelijkheid van het linkerdeel en het rechterdeel van de vergelijking uit. macht. En die gelijkheid blijft gelden als je links en rechts hetzelfde doet: met hetzelfde getal vermenigvuldigt. Een vergelijking met een onbekende 1 Werkwijze voor het oplossen van vergelijkingen Werk de haakjes weg en maak termen waarin x (of een en andere grootheid) de enige onbekende is. Zet alle uitdrukkingen met x links van het = teken en zet de overige rechts Vereenvoudig opnieuw: maak 1 uitdrukking in x links van het = teken en maak voor de rest 1 uitdrukking rechts van het = teken. tot een macht verheffen.sin(90 0 − α ) = cos α cos(90 0 − α ) = sin α sin 2 α + cos 2 α = 1 sin α tan α = cos α Op grond van spiegeling ten opzichte van een van de assen of ten opzichte van de oorsprong geldt voor hoeken in andere kwadranten: sin(π − α ) = sin α cos(π − α ) = − cos α sin(π + α ) = − sin α cos(π + α ) = − cos α sin(2π − α ) = sin(−α ) cos(2π − α ) = cos(−α ) sin(−α ) = − sin α cos(−α ) = cos α Bijzondere relaties zijn: ⎡1 ⎤ ⎡1 ⎤ sin α ± sin β = 2 sin ⎢ (α ± β )⎥ cos ⎢ (α ∓ β )⎥ ⎣2 ⎦ ⎣2 ⎦ sin(α ± β ) = sin α cos β ± cos α sin β cos(a ± β ) = cos α cos β ∓ sin α sin β sin 2α = 2 sin α cos α cos 2α = cos 2 α − sin 2 α 1 1 − cos α sin α = 2 2 1 1 + cos α cos α = 2 2 9.

3⋅ x ( a = b is oplosbaar als a > 0 ) x log(10 2 .55 Twee bijzonderheden bij het oplossen van een goniometrische functie zijn dat er – vanwege symmetrie – twee oplossingen zijn en dat de oplossing periodiek zijn.74 log( 2 ⋅ 3) + 2 log x = 2.98 x = 10 0.2 ⋅10 3 3 2 .i.74 log 3 + log x + log 2 + log x = 2.2 ⋅ 10 = 10 10 2.98 = 9.g en 8.76 Voorwaarde: − 1 ≤ sin(3x + 4) ≤ 1 ) vliempt@nikhef.3 ⋅ x = (log 1.3 Voorbeeld 3 Los x op uit log3x + log2x = 2.2 ⋅10 3 ) x = 1. Voorbeeld 4 Los x op uit 1 + 2sin(3x + 4) = 2.96 log x = 0.2 ⋅10 3 2.Voorbeeld 1: Los x op uit 1 7 3 3 + = + 3 x −1 7 x −1 7 3 3 1 − = − x −1 x −1 7 3 7−3 9 7 = − x − 1 21 21 4 2 = x − 1 21 x − 1 21 = 4 2 4 ⋅ 21 x −1 = = 42 ⇒ x = 43 2 Voorbeeld 2 Los x op uit 1.3⋅ x = 1.3⋅ x ) = log 1.74 2 log x = 2.74 − log 6 = 1. Zie hiervoor subparagrafen 8.nl 53 .

08 − 4 ± n ⋅ 2π = −0. Dat lukt altijd als alle termen van één vergelijking met de coëfficiënt 6 x − 8 y − 28 = 0 ( trek af) uit de andere vergelijking wordt vermenigvuldigd.08 rad opl.08 ) ± n ⋅ 2π x= π − 1.08 − 4 ± n ⋅ 2π 3 = −0. in beide vergelijkingen dezelfde coëfficiënt 6 x + 9 y − 48 = 0 krijgt.nl 54 .88 = 1.sin( 3 x + 4) = 2.1 : 3x + 4 = 1.97 ± n ⋅ 2 π rad x= 3 3 opl.08 ± n ⋅ 2π 1.64 ± n ⋅ 2 π rad 3 Twee vergelijkingen met 2 onbekenden Los x en y op uit: 2 x + 3 y = 16 3 x − 4 y = 14 2 Coëfficiëntenmethode Methode 1: door 2 x + 3 y − 16 = 0 (×3) 3 x − 4 y − 14 = 0 (×2) bewerking van schrijf beide vergelijkingen in de vorm coëfficiënten ax + by + c = 0 onder elkaar bewerk de vergelijkingen zodanig dat één variabele. 3 17 y − 20 = 0 ⇒ y = 1 verandert dit niets aan de oplossing.) 17 trek de ene vergelijking van de andere af 3 los y op 2 x + 3 ⋅1 − 16 = 0 vul y in één vergelijking in 17 los x op 9 8 4 2 x = 16 − 3 = 12 ⇒ x=6 17 17 17 Methode 2: door vervanging vliempt@nikhef.76 − 1 = 0. bijvoorbeeld x.88 2 3 x + 4 = arcsin 0.2 : 3x + 4 = (π − 1. (Als alle termen van 0 + 9 y − ( −8 y ) − 48 − ( −28) = 0 dezelfde vergelijking met hetzelfde getal worden vermenigvuldigd.

2 − b ± b 2 − 4ac = 2a b .nl 55 .min = c − 50 40 30 20 10 0 -10 -20 -30 0 4 8 12 16 20 Figuur 23 Kenmerken 2de graadsvergelijking Voorbeeld 1: Los x op uit x 2 − 16 x + 40 = 0 vliempt@nikhef. x) uit in de andere vul de uitdrukking voor x in in de andere vergelijking.3 Substitutiemethode 16 − 3 y 2 16 − 3 y − 4 y = 14 3⋅ 2 48 − 9 y − 2 ⋅ 4 y = 2 ⋅14 x= − 17 y + 48 − 28 = 0 17 y = 20 y =1 3 17 9 8 12 17 = 17 = 6 4 17 2 2 ga uit van één vergelijking en druk één variabele (bijv. Er ontstaat nu één vergelijking met één onbekende: y los y op vul y in in de eerder gevonden uitdrukking voor x los x op x= 16 − 3 Tweedegraads graadsvergelijking De algemene vorm van een 2de graadsvergelijking is: y x = ax 2 + bx + c Er zijn oplossingen voor y x = 0 als voor de discriminant geldt b 2 − 4ac ≥ 0 x1. 2a Dit betekent dat de functie y x voor deze waarde van x een minimum (of een maximum) heeft: De functie is symmetrisch om x = − b2 4a − b 2a y max.

2 + . Neem g = 10 ms -2 .8 × 5.. dus g = −10 ms -2 en y t = −5t 2 + 10t + 5 b 10 =− =1s Het hoogste punt wordt bereikt als t = − 2a 2 ⋅ (−5) 10 2 b2 = 5− = 10 m Dan is y max = c − 4a 4 ⋅ (−5) 10.04) Bij machten Een vergelijkbare benadering als hierboven wordt ook bij hogere machten toegepast. Benaderingen Bij producten Als a en b beide groter zijn dan 1 en als b << a .nl 56 .6 (fout = 0. dan is zeker ook b 2 << a 2 .2) = 6 2 − 2 ⋅ 0. Veel gebruikte benaderingen zijn: (1 + x) r ≅ 1 + rx (1 − x) r ≅ 1 − rx r vliempt@nikhef. ≅ 35. zoals in uitdrukkingen die geschreven kunnen worden als r a ⋅ (1 + x ) a ⋅ (1 − x ) Als x klein genoeg is ten opzichte van 1.9 x 2 = 3.2)(6 − 0.x1. dan worden de 2de en hogere machten van x worden vaak verwaarloosd. 2 = − (−16) ± (16) 2 − 4 ⋅ 1 ⋅ 40 2 16 ± 256 − 160 = 8 ± 24 2 = x1 = 12. Op welk tijdstip en hoe hoog bereikt het z’n top? 1 y t = gt 2 + v0 t + x0 2 Omhoog is positief.8 = (6 − 0. In de bijzondere producten in subsectie 2b wordt b 2 dan vaak verwaarloosd: (a − b) ⋅ (a − b) ≅ a 2 − 2ab ( a + b) ⋅ ( a − b) ≅ a 2 Bijvoorbeeld: 5.1 Voorbeeld 2: verticale worp omhoog Een voorwerp wordt vanaf een hoogte x = 5 m met een snelheid v = 10 ms -1 omhoog gegooid.

nl 57 .. Daarin wordt de rechthoekige driehoek met rechthoekszijden b en c ingesloten.. r α c b l Bekijken we een deel van een cirkel met straal r en de booglengte l. α2 α4 4! Hieruit volgt voor kleine α (in radialen): sin α ≅ α cos α ≅ 1 tan α ≅ α In veel gevallen is de eerste benadering voor hoeken tot 150 nog acceptabel.. Bij kleine hoeken α geldt: b≅l c≅r vliempt@nikhef. − .1 −r = (1 + x ) ≅ 1 − rx r (1 + x) 1 −r = (1 − x ) ≅ 1 + rx r (1 − x) Bij kleine hoeken In de wiskunde worden de functies sin en cos met de reeksen benaderd: sin α = α − cos α = 1 − α3 3! 2! + + α5 5! − ..

Het interval noemt men het domein van de functie. Daar wordt gewerkt met veel verschillende grootheden en om die uit elkaar te houden hebben ze vaste symbolen. maar ongelijk aan. De natuur is eindig.t). Een lijst met symbolen van basisgrootheden staat achter in dit boek. Het heeft in de natuurkunde geen betekenis om te praten over afstanden kleiner dan 10-35 m of tijdsverschillen kleiner dan 10-43 s. Voor de plaats in een rechthoekig assenstelsel gebruikt men x. bijvoorbeeld: t ≥ 0 of t ∈ N . Meerdere variabelen De grootheid g kan afhankelijk zijn van meerdere variabelen. bijvoorbeeld t en x en m of nog andere.. vliempt@nikhef. Merk op dat dit in de natuur niet realistisch is. integreren. Indien dit alleen maar geldt voor een eindig interval. bij golven op een wateroppervlak is de uitwijking u zowel van de plaats als van de tijd afhankelijk. m ) of g t . x .Differentiëren. dan wordt dit interval bij de functie gegeven. De functie f drukt uit dat er voor elke mogelijke waarde van variabele t één (ondubbelzinnige) waarde van f(t) is. Symbolen In de wiskunde op school werden bijna altijd y en x voor de afhankelijke en onafhankelijke variabelen gebruikt. de verzameling van de mogelijke functiewaarden f(t) heet het bereikFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. De tijd heeft als onafhankelijke variabele altijd het symbool t . x. t1 te kiezen. Het symboolgebruik bij natuurkunde is hoofdlettergevoelig.m . y en z voor de coördinaten. bijvoorbeeld: g = f (t ) . Bijvoorbeeld. In de plaats-tijdfunctie is x de afhankelijke variabele. En dat geldt ook voor de temperatuurverdeling in een muur als aan één kant de temperatuur verandert. Dit wordt geschreven als: lim f ( t ) = L t →t1 Wiskundig gezien betekent dit dat we f(t) zo dicht bij L kunnen laten komen als we willen door t maar dicht genoeg bij.nl 58 . differentiaalvergelijkingen Functies Een natuurkundige grootheid g kan uitgedrukt worden als een wiskundige functie f van een variabele.t). Limiet De functie f (t ) heeft voor t = t1 een limiet L wil zeggen: f(t) nadert naar L als t nadert naar t1 . In de natuurkunde is dat niet gebruikelijk. dus u(x. dus T(x. Men schrijft dan g = f (t . eventueel met de bijbehorende domeinen. Men noemt f(t) de afhankelijke variabele en t de onafhankelijke variabele. De temperatuur is altijd hoofdletter T.

Alleen als de variabele de tijd is (altijd weergegeven door de letter t).nl 59 . Omdat we in de natuurkunde werken met zoveel verschillende variabelen. afgeleide Afgeleide. Het bepalen van deze afgeleide functie heet differentiëren. Om dit operatiekarakter te d benadrukken wordt deze notatie gebruikt: f (t ) . Het is een nieuwe functie. dt Merk op dat Afgeleide functie. is dat onhandig. De afgeleide geeft aan hoe de waarde van een functie verandert in de buurt van een bepaalde waarde van de onafhankelijke variabele. f (t ) f T + ∆t ∆f fT ∆t T Figuur 24 De grootheid g = f(t) tegen t t ∆f een breuk is.Differentiëren. differentiaalquotiënt De afgeleide of het differentiaalquotiënt van een functie f(t) in het punt t=T is gedefinieerd als ∆f de limiet van het differentiequotiënt als ∆t → 0 : ∆t df (t ) ⎡ f (T + ∆t ) − f (T ) ⎤ = lim ⎢ ⎥ ∆t dt t =T ∆t →0 ⎣ ⎦ In de grafiek van f(t) is de afgeleide van f in het punt T de richtingscoëfficiënt van de raaklijn in het punt T. Het ontstaat door het uitvoeren van een operatie op de functie en niet door het delen van twee grootheden df en dt. Voor het differentiaalquotiënt geldt dit niet en daarom nadert ∆t die niet naar oneindig als ∆t → 0 . De afgeleide van een functie f kan genoteerd worden met behulp van een accent: df d f '= = f (t ) dt dt Puntnotatie Nadeel hiervan is dat je er niet aan kunt zien wat de variabele is. dan gebruiken we de punt notatie: vliempt@nikhef. differentiëren De afgeleide functie (ook gewoon afgeleide genaamd) is de verzameling differentiaalquotiënten voor alle waarden van variabele t.

x) kan dan partieel. dan geldt voor de afgeleide: d df (h) dh(t ) f (t ) = . bijvoorbeeld f(t. die we zonder afleiding geven. (staat er al eerder) Hierdoor zijn in één punt meerdere afgeleiden mogelijk.nl 60 . ∂t Regels voor differentiëren Voor het nemen van een afgeleide van een functie bestaan eenvoudige regels. vliempt@nikhef. de kromme d’s ( ∂.x). Daarbij behandelt men t als een constante als de afgeleide naar x wordt bepaald en x als een constante bij het bepalen van de afgeleide naar t.worden gedifferentieerd. verschil: ( cf ± h ) = c ± . dt dt dt d df dh een product: ( cfh ) = c h + cf . Als f en h twee functies zijn met dezelfde variabele t en als c een constante is. dat wil zeggen naar één van de variabelen . een quotiënt: ⎜ ⎟= dt ⎝ h ⎠ h2 Kettingregel Belangrijk is ook de kettingregel: Als f een kettingfunctie is: f(t)=f(h(t)). De functie f(t. niet δ ): ∂ ( xt 2 ) = t2 ∂x en ∂ ( xt 2 ) = 2 xt . geldt voor het differentiëren van d df dh een som. de tweede afgeleide van f(t) is bijvoorbeeld: d2 f d df d = = f = f 2 dt dt dt dt f = Partieel differentiëren Een grootheid kan van meer dan 1 variabele afhangen.df d2 f f = 2 dt dt Door herhaaldelijk te differentiëren kunnen hogere afgeleiden verkregen worden. dt dh dt d 1+ x Bijvoorbeeld dx ( ) 2 = d 1+ x ( ) d (1 + x ) = 2(1 + x ) dx d (1 + x ) 2 1 2 x −1 2 = 1+ x x . Partiële afgeleiden worden geschreven met speciale tekens. dt dt dt dh df f − h d ⎛ f ⎞ dt dt .

Het idee van de integraal als een ‘oppervlak’ moet je dan loslaten. Integreren is het bepalen van de primitieve van een functie. vliempt@nikhef.nl 61 . De primitieve functie noemt men ook de onbepaalde integraal. ∆t f(t) Figuur 25 Integraal als oppervlak Let op dat de eenheid van ‘het oppervlak’ hier niet m2 is. Bijvoorbeeld. of over een ruimtelijk gebied (3 dimensies). omdat de afgeleide van een constante gelijk aan 0 is. Bijvoorbeeld: f (t ) = cos t heeft als primitieve: F (t ) = sin t + C . Deze wordt weergegeven als F (t ) = ∫ f (t )dt . maar dat die volgt uit het product van de afhankelijke en de onafhankelijke variabele. Integratieconstante In de primitieve is C de integratieconstante. In diverse onderdelen van de natuurkunde komen naast integralen over een interval (1 dimensie) ook integralen over een oppervlak (2 dimensies) voor. De primitieve van f(t) geven we aan met F(t). bij een snelheidsfunctie vt = f (t ) = gt + v0 is de primitieve xt = F (t ) = 1 gt 2 + v0t + C . 2 Het ligt voor de hand C in overeenstemming te brengen met de waarde van x op t=0: C=x0.Integreren. Als men F(t) differentieert. Voor elke waarde van C is de afgeleide van F(t) gelijk aan f(t). dan is f(t) daarvan de afgeleide. Deze constante is dus nodig om de volledige verzameling primitieve functies weer te geven met dezelfde afgeleide f(t). In een bepaalde situatie moet/mag C zodanig gekozen worden dat dit bij de situatie past door bijvoorbeeld een beginwaarde vast te leggen. primitieve De primitieve functie (ook gewoon primitieve genaamd) is in zekere zin het omgekeerde van de afgeleide. In het diagram met de grafiek van f t is ‘het oppervlak onder de grafiek’ voor het interval ∆t gelijk aan de integraal van de functie over dit interval: f gem ∆t = ∫ f t dt . Integraal als oppervlak In het vwo heb je een integraal als een oppervlak leren kennen.

Lijst met afgeleiden en primitieven Afgeleide 0 0 nt n −1 −1 t2 1 t ae at a cos at − a sin at Functie 0 a tn Primitieve C at + C 1 n +1 t (n ≠ −1) + C n +1 1 t ln t ln | t | + C t ln t − t (t > 0) + C e at sin at cos at 1 at e +C a 1 − cos at + C a 1 sin at + C a Merk op dat je een gevonden primitieve functie kunt controleren door die te differentiëren. Indien van f(t) het functievoorschrift bekend is.nl 62 . We korten dit af met ‘DV’.Een bepaalde integraal berekenen Een integraal die begrensd is door een bepaald domein heet een bepaalde integraal. want succesvolle. Het afleiden van de primitieve uit het functievoorschrift heb je vaak nodig bij het oplossen van een belangrijk type vergelijkingen: de differentiaalvergelijkingen. noemen we een differentiaalvergelijking. oplossingmethodes. Door een vliempt@nikhef. Er zijn verschillende types DV-en en voor elk type zijn er aanbevolen. We kiezen steeds t als de onafhankelijke variabele. De oplossing bestaat altijd uit een verzameling functies. Talloze natuurkundige problemen worden door met behulp van DV-en beschreven. Daarvan worden er hier 3 beschreven. Differentiaalvergelijkingen Een vergelijking die minstens 1 afgeleide bevat. dan vindt men de bepaalde integraal door de primitieve functie op te stellen en het verschil te berekenen tussen de eindwaarde en de beginwaarde van deze primitieve: t2 ∫ f (t )dt = F (t ) t1 t2 t1 = F (t2 ) − F (t1 ) Bijvoorbeeld: ∫ 3 1 x 2 dx = 1 x 3 | = 9 − 1 = 8 2 3 3 3 1 3 Achter de primitieve geeft een verticale streep aan dat het verschil moet worden berekend tussen het einde van het domein (boven) en het begin (onder).

Een DV ⎛ df ⎞ waarin f 2 of ⎜ ⎟ voorkomt is dus niet lineair. Ook zijn oplossingsmethodes vaak gebonden aan het type DV.goede keuze van de integratieconstante selecteert je de functie die past bij het werkelijke probleem. Bijvoorbeeld: df d2 f = − g . Typering DV Bij een specifiek systeem hoort vaak een bepaald type DV.dan 2 is de DV homogeen. met als oplossing: = − gt + C1 → f (t ) = − 1 gt 2 + C1t + C2 2 2 dt dt Deze vergelijking beschrijft bijvoorbeeld de vrije val van een voorwerp. dt 2 dt Oplossen van een lineaire DV Sommige DV-en kun je analytisch oplossen. namelijk als er maar één term met f of een afgeleide van f in de DV voorkomt. maar werkt alleen bij sommige eerste orde DV-en. Typering gebeurt op grond van de volgende criteria: Orde In de DV bepaalt de nde afgeleide met de grootste n welke orde de DV heeft. Daarvoor zijn de volgende methodes te gebruiken. m 2 = g is niet homogeen. bijvoorbeeld: df + kf = 0 dt vliempt@nikhef. Integratie Oplossen door simpelweg te integreren is in enkele gevallen mogelijk.dus als β = 0 . De algemene vorm is: df d2 f + a2 f = β a0 2 + a1 dt dt Lineair/niet-lineair De DV is lineair als f en alle afgeleiden van f alleen in de 1ste macht voorkomen. Scheiding van variabelen Het scheiden van variabelen is een iets algemenere methode dan de vorige. ⎝ dt ⎠ Homogeen/inhomogeen Als in de vergelijking alleen termen voorkomen die van t afhankelijk zijn . Dus m d2 f d2 f = 0 is homogeen. Wij beperken ons tot DV’s van de eerste en de tweede orde.nl 63 .

zodat deze toch door scheiding van variabelen opgelost kan worden. bij de snelheid van bewegingen waarin alleen wrijving een rol speelt en bij het (ont)laden van een condensator. bijvoorbeeld: d2 f df df = −a − g h= wordt met 2 dt dt dt dh = − ah − g dt met als oplossing: dh 1 dh = −(ah + g )dt → dh = ∫ − dt → = − dt → ∫ ah + g ah + g − g 1 − at − aC 1 + e e ln(ah + g ) = −t + C → ah + g = e − at − aC → h = a a a Deze vergelijking beschrijft bijvoorbeeld een vrije val met wrijving. bijvoorbeeld e αt . We nemen de algemene vorm voor een lineaire homogene DV van de 2e orde: d2 f df a0 2 + a1 + a2 f = 0 dt dt Het oplossen gaat als volgt: o Substitueer voor f een exponentiële functie.Dit is een homogene lineaire DV van de 1ste orde. o Na invullen en differentiëren blijft staan: α 2 a0eαt + αa1eαt + a2eαt = (a0α 2 + a1α + a2 )eαt = 0. Het oplossen gaat als volgt: o Breng alle termen met f naar de ene en alle termen met t naar de andere kant o Integreer beide kanten o Bereken het resultaat van de integratie o Maak f vrij en kies C passend bij de situatie df = −kdt f ∫ f df = ∫ −kdt ln f = − kt + C f = e − kt +C = f (0)e− kt 1 Soms kan een 2e orde lineaire DV herschreven worden als een 1e orde DV. o Deze laatste 2de graadsvergelijking in α heet de karakteristieke vergelijking en heeft 2 oplossingen: α1. Karakteristieke vergelijking Lineaire homogene DV-en komen in de natuurkunde veel voor. o De e-macht kan buiten haakjes gehaald worden.nl 64 . Er geldt dus dat wat binnen de haakjes staat gelijk moet zijn aan 0: a0α 2 + a1 α + a2 = 0. Dit type kom je tegen bij radioactief verval. De algemene oplossingsmethode maakt gebruik van de karakteristieke vergelijking. 2 = − a0 ± a12 − 4a0 a2 2a1 vliempt@nikhef.

v. de karakteristieke vergelijking: α2 +γ = 0 Je ziet: we vinden op deze manier heel snel en elegant een oplossing voor α . Dat kan echter alleen als we betekenis toekennen aan − 1 . die hier zonder bewijs wordt gegeven: De algemene oplossing van een inhomogene lineaire DV is de som van: 1. Een algemene oplossing vinden lukt nu niet. Het is wel mogelijk de DV voor een bepaald geval door numeriek integreren op te lossen. v en x) constant. dan is de bovengenoemde oplossingsmethode niet toereikend. Maar dit valt buiten het bestek van dit boek. de algemene oplossing van de homogene DV 2. 2 Bij het gebruik van de methode van Euler houdt men gedurende een klein tijdsinterval ∆t de variabelen (zoals a. We kunnen hem echter wel gebruiken om de uiteindelijke oplossing te vinden. Een particuliere oplossing is een concrete oplossing. Het vinden van een particuliere oplossing is vaak wat gepuzzel.b. Voorbeeld: Een massa-veersysteem Dit systeem wordt beschreven door de volgende DV: d 2x + γ x = −g dt 2 Een particuliere oplossing van deze inhomogene DV is: −g x(t ) = γ De oplossing van de homogene DV vinden we m. Dit gebeurt in de theorie van de complexe getallen. vanwege de volgende stelling. Methode van Euler De differentiaalvergelijking β ⎛ dx ⎞ d 2x = − ⎜ ⎟ is niet lineair. als we maar de wortel konden nemen van een negatief getal: α = ± − k . een particuliere oplossing voor de inhomogene DV. omdat de eerste afgeleide in het 2 dt m ⎝ dt ⎠ kwadraat voorkomt. waar i = −1 en e iϕ = cos ϕ + i sin ϕ . Indien op een begintijdstip t n de numerieke waarden van deze variabelen bekend zijn. x v n +1 = v n + a∆t x n +1 = x n + v∆t vliempt@nikhef. zonder integratieconstanten.o De algemene oplossing is nu de som van beide mogelijke oplossingen: f (t ) = C1eα1t + C2 eα 2t Is er sprake van een inhomogene DV. Een eenvoudige methode hiervoor is de methode van Euler.nl 65 . dan berekent men nieuwe waarden voor het volgende tijdstip t n +1 = t n + ∆t met a n +1 = f v .

nl 66 . Een spreadsheet leent zich hier goed voor.En dezelfde procedure wordt voor het volgende interval herhaald. Zie in het hoofdstuk over ‘rechtlijnige bewegingen’ staat een voorbeeld. enzovoort. vliempt@nikhef. Het is van groot belang om het interval ∆t voldoende klein te kiezen. Door in elke cyclus een teller te plaatsen en alle tussenresultaten te bewaren kunnen de grafieken van de variabelen als functie van de tijd (of van andere variabelen) worden weergegeven.

Vectoren worden aangeduid met een pijl boven het symbool van de grootheid. Anders geschreven: A = B als A = B en A en B dezelfde richting hebben.nl 67 . Een voorbeeld is de verplaatsing. of met rechte strepen: ∆r of het symbool zonder pijl ∆r . een vector verandert dus niet door een verschuiving. ∆r v a F p Vector Verplaatsing Snelheid Versnelling Kracht Impuls Stoot (krachtstoot) Arm Moment Hoeksnelheid Impulsmoment Elektrische veldsterkte Magnetische inductie Let op: scalair zijn Afgelegde weg Gemiddelde baansnelheid Stroomsterkte Flux Engelse term Net displacement Velocity Accelaration Force Momentum S r I Impulse Lever arm Torque Angular velocity Angular momentum M ω L E B s v I Φ τ Electric field Magnetic field Total displacement Speed Electric current Flux In dit hoofdstuk behandelen we de rekenregels voor vectoren. Grootheden die een grootte en een richting hebben. Vectoren 1. massa. Verschuiven Twee vectoren zijn gelijk als hun grootte en richting gelijk zijn. temperatuur. Ze hebben alleen een grootte (met een bepaalde eenheid). De nieuwe plaats van een voorwerp weet je pas als je én de richting én de grootte van de verplaatsing kent. In dit geval verandert door het evenwijdig verschuiven van een kracht immers het moment van de kracht. De grootte van een vector wordt eenvoudig zonder pijl aangeduid. Zo noteert men verplaatsing als ∆r . Symbool Veel grootheden hebben ook een richting. vliempt@nikhef. A B Dit geldt niet helemaal voor krachtvectoren die werken op een lichaam dat kan draaien en rotatie-energie kan hebben.II . volgens M = Fr . De meeste zijn in het voortgezet onderwijs toegepast zonder erbij stil te staan. volume. Vectoriële grootheden Afstand. als ∆r . energie zijn voorbeelden van scalaire grootheden. heten vectoren.

C is dan de diagonaal vanuit het gemeenschappelijke beginpunt. De eenheidsvectoren hebben per definitie de j lengte 1 en geen eenheid en hebben daardoor z geen invloed op de berekening van de lengte of de hoek. Men kan A en B een parallellogram laten vormen. Men noemt dit ontbinden in componenten. De vector A kan men ontbinden in een vector Ax evenwijdig aan de x-as met de lengte Ax en een vector Ax evenwijdig aan de y-as met de lengte Ay . moeten vectoren evenwijdig aan de x-as en de y-as worden gedefinieerd. Dit gebeurt ˆ respectievelijk met de eenheidsvectoren i en ˆ . Ontbinden in componenten Uit de optelregel volgt dat elke vector kan worden gesplitst in twee willekeurige vectoren en dus ook in twee vectoren die evenwijdig zijn aan de assen van het gekozen assenstelsel. Het ontbinden in componenten gaat aan bijna alle bewerkingen met vectoren vooraf. (zie figuur) Er geldt voor de grootte: en voor de hoek ϕ tussen de x-as en A : Ook geldt en A= 2 Ax2 + Ay ϕ = arctan Ay Ax Ax = A ⋅ cos ϕ Ay = A ⋅ sin ϕ Eenheidsvector Om de relatie tussen de vector A en de scalaire grootheden Ax en Ay correct te beschrijven. y ) .nl x y 68 ˆ i .Optellen De somvector van twee vectoren A en B vind je door: B te laten aansluiten op A de vector te nemen vanaf het beginpunt van A naar het eindpunt van B : C = A+ B B By Cy Ay Bx C A φ Ax Cx Bij het optellen mag de volgorde worden verwisseld. De vector A uit de tekening wordt geschreven als: ˆ A = Ax + Ay = Ax i + Ay ˆ j ˆ k ˆ j vliempt@nikhef. dus: A+ B = B+ A. Wij gaan steeds uit van een rechthoekig assenstelsel ( x.

en verschilvector Somvector Ga voor het bepalen van de som van twee vectoren als volgt te werk: .nl 69 . De eenheidsvector k past ˆ j volgens de rechterhandregel bij i en ˆ . Som.schrijf de somvector met behulp van de eenheidsvectoren .tel de componenten langs de x-as op en doe hetzelfde langs de y-as .en cosinusformule. k ) . Toepassingen Enkele veelvoorkomende situaties waarbij somvectoren aan de orde zijn: als je het resultaat van verschillende verplaatsingen wilt weten als je de snelheid moet bepalen op een zeker tijdstip na een ‘horizontale worp’ van iets dat in een medium beweegt terwijl dat medium zelf beweegt als je een resulterende kracht op een lichaam moet berekenen als je de elektrische veldsterkte wilt bepalen in de buurt van geladen deeltjes als je het magnetische veld van twee of meer magneten of elektrische stromen wilt kennen. Zie ‘richting uitproduct’. Voor C = A + B houdt dit in: bepaal Ax .Een driedimensionale ruimte beschrijven wij in dit boek met een rechthoekig assenstelsel ˆ j ˆ ( x.bereken de lengte van de somvector en de hoek die de somvector maakt met de x-as. z ) en drie eenheidsvectoren (i . (In de tekening komt de x-as het blad uit. Poolcoördinaten en bolcoördinaten gebruiken wij hier niet.) 2. ˆ. eventueel met de sinus. ˆ Volgens afspraak werken we met een rechtsdraaiend assenstelsel. B x en B y . y.ontbind beide vectoren in componenten . in de richting van de lezer. Ay . vliempt@nikhef. nu is C x = Ax + B x en C y = Ay + B y ˆ ˆ C = C x i + C y ˆ = ( Ax + B x )i + ( Ay + B y ) ˆ j j Vervang C x en C y in de formules voor de lengte en de richting.

8 ⋅ ˆ ms -1 j v 1 ⇒ ϕ = 70 De hoek ϕ volgt uit ϕ = arctan x = arctan vy 8 vy vx ϕ oever Zie verder hoofdstuk I-4 voor een voorbeeld van het berekenen van de elektrische veldsterkte in een punt in de buurt van twee geladen lichamen.nl 70 . C is de vector die gaat van de punt van B naar de punt van A . De stroomsnelheid van het water is overal 0. Zijn snelheid loodrecht op de oever is 0.1 ms -1 . Bereken de hoek tussen de baan van de zwemmer en de kortste verbindingslijn tussen de oevers. In die richting is de snelheid ten opzichte van de grond 60 ms-1. En niet omgekeerd! B A C −B C B A Voorbeeld 3: Een helikopter vliegt bij een zuidenwind van 10 ms-1 in een rechte lijn naar het noordoosten. Hebben in een tekening de vectoren A en B al hetzelfde beginpunt. Verschilvector Er zijn twee manieren om de verschilvector te bepalen: De verschilvector A − B kan worden opgevat als de somvector A + (− B) . De snelheid v van de zwemmer ten opzichte van iemand die op de oever staat te kijken wordt bepaald door 2 componenten: −1 -1 v x = 0. Uitwerking: We kiezen de oever als de x-as en een loodlijn daarop als de y-as.1 ⋅ i + 0. De lengteas van de helikopter maakt een hoek ϕ ten opzichte van het noordoosten. laat − B aansluiten op A volg de oplossingsmethode voor de somvector die hierboven is beschreven.1 ms en v y = 0.8 ms -1 .Voorbeeld: Iemand zwemt naar de overkant van een rivier en is op elk moment loodrecht op de oevers gericht. bedenk dan wat de betekenis is van een ‘verschil’: A − B is de vector die bij B moet worden opgeteld om A te krijgen. vliempt@nikhef. De vector − B is even groot als B en heeft de tegengestelde richting heeft.8 ms . ˆ De vectorvoorstelling is v = 0.

nl 71 . Toch heeft hun product geen richting. In een driedimensionale ruimte is het inproduct van B en C : vliempt@nikhef. is de som van twee vectoren: . Dit is een vectorproduct.de snelheid h van de helikopter ten opzichte van de lucht en . Vectorproducten Product met een scalar Het vermenigvuldigen van een vector met een positief getal heeft geen invloed op de richting. 2 -1 Nu is hx = v x = 42 ms en h y = v y − w y = 42 − 10 = 32 ms -1 v y = v x = v cos 45 = 0 noord hx hy h v α wy 45 o oost 60 ⋅ De hoek α volgt uit α = arctan hx 42 = arctan = 530 hy 32 ⇒ ϕ = 80 3. De juiste schrijfwijze voor de arbeid is: W = F •s bij een constante kracht: W = ∫ F • dr en in het algemeen: Het inproduct heeft alleen een waarde ≠ 0 als de twee vectoren een component in dezelfde of in tegengestelde richting hebben. de arbeid W is een scalar. Uitwerking: De snelheid v in noordoostelijke richting die is gegeven. Er geldt: 1 2 ms -1 = 42 ms -1 . Dit type product heet inproduct. want F en s hebben allebei een richting. Het symbool is • vandaar ‘dot product’ in het Engels.Bereken ϕ . We kiezen de x-as naar het oosten en de y-as naar het noorden. Deze vector is ook gegeven. Een negatieve scalar keert de richting om. alleen op de lengte.de snelheid w waarmee de helikopter met de wind meedrijft. Dan is de gevraagde hoek ϕ = α − 45 o . De lengteas van de helikopter heeft dezelfde richting als de verschilvector van v en w . bijvoorbeeld in de wet van Hooke: F = −α ⋅ x Inproduct In het voortgezet onderwijs werd arbeid berekend met W = Fs .

nl 72 . Voor het berekenen van de flux is dat voldoende. In het vwo leert men dat elektrische veldlijnen loodrecht eindigen op het oppervlak van een geleider en dat de hoeveelheid veldlijnen afhangt van de lading.A = B • C = Bx C x + B y C y + Bz C z Mag het assenstelsel vrij worden gekozen. De energie van een geladen deeltje verandert niet als het beweegt in een equipotentiaalvlak. De flux zelf is geen vector: Φ = ∫∫ B • d A Het dubbele integraalteken geeft aan dat geïntegreerd wordt in 2 dimensies. Rekenregels inproduct C A • B = AB cos ϕ A • A = A2 B • A = A• B B+C • A = B• A+C • A ( ) B • (αA) = α ( B • A) ˆ ˆ ˆ ˆ i •i =1 ˆ• ˆ =1 k •k =1 j j ˆ ˆ ˆ j i • ˆ = 0 ˆ•k = 0 k •i = 0 j ˆ Toepassingen De zwaartekracht verricht geen arbeid op een voorwerp dat langs een horizontale weg beweegt (cos ϕ = 0) . De spankracht in de touwen van een schommel verricht geen arbeid omdat deze kracht loodrecht op de bewegingsrichting van de schommel staat (cos ϕ = 0) . In de wetenschappelijke notatie moet echter tot uitdrukking komen dat zowel B als A vectoren zijn en hun product een inproduct is. De elektrische veldsterkte (en kracht) staan loodrecht op dit vlak: cos ϕ = 0 . Dit is een van de wetten van Gauss die in colleges over elektriciteit zal wordt geschreven in de vorm: Q ∫ E • dA = Φ EL = S ε0 vliempt@nikhef. Met de x − as langs C is: A = B • C = Bx C x + B y ⋅ 0 = Bx C x of A = BC cos ϕ α B Staan de vectoren loodrecht op elkaar dan is hun inproduct 0 . neem dan de x − as langs de ene vector en de y − as loodrecht daarop. met α de hoek tussen B en de loodlijn op het oppervlak. In het vwo leert men dat de magnetische flux door een omsloten oppervlak in een homogeen veld wordt gegeven door Φ = BA cos α .Een oppervlakteelement dA is een vector loodrecht op het oppervlak.

. Hierin is per definitie ˆ j ˆ i׈=k Voor de richting van het uitproduct gebruikt men dus de rechterhandregel: draai de eerstgenoemde vector over de kleinste hoek naar de tweede vector krom de vingers van de rechterhand in de draairichting dan geeft de duim de richting van het uitproduct. En merk op dat I geen vector is! ∫ aan dat de intergratie over een gesloten kromme plaatsvindt en dat Uitproduct Voor het uitproduct gebruikt men het teken × . In het vwo leert men dat op een afstand r van een rechte stroomdraad de magnetische inductie B evenredig is met de stroomsterkte I volgens I B = µ0 (in vacuüm) 2π r Deze experimenteel door Biot en Savart geformuleerde wet wordt beter beschreven door: ∫ B • d = µ0 I Hierin geeft het teken dit niet altijd een cirkel met omtrek 2π r hoeft te zijn. z Richting uitproduct We grijpen terug op het plaatje voor de eenheidsvectoren in een rechtsdraaiend. Q is de omsloten lading.Het integraalteken betekent hier dat moet worden geïntegreerd over het gehele oppervlak dat de geleider omsluit. i. ˆ k ˆ j y ˆ i x ˆ ˆ j ˆ × k = i en k × i = ˆ en dat i × k = − ˆ ˆ ˆ j ˆ ˆ j Controleer dat ook geldt: (Geheugensteun: houd de volgorde i.) Verwisselen van de volgorde heeft een vector in de tegengestelde richting als uitkomst. rechthoekig assenstelsel (zie p. De formule drukt uit dat elke gesloten magnetische veldlijn een stroom I omvat. In het vwo wordt de richting echter los van de grootte behandeld en niet scherp door de gebruikte formules gedefinieerd.nl 73 . De uitkomst is een vector. Het inproduct betekent dat steeds de component van B langs de baan met de verplaatsing d (uiteraard een vector) wordt vermenigvuldigd. Bijvoorbeeld voor het benoemen van de richting van het krachtmoment ( M = Fr ) of van de richting van de Lorentz-kracht bij een bewegende lading ( F = Bqv ) of bij op een stroomvoerende draad( F = BIl sin α ). j. aan. De Engelse term is ‘cross product’.). Zonder het te beseffen werken scholieren met het vectoriële uitproduct. k. Ook is de volgorde waarin de grootheden worden genoemd ongelukkig. zoals in A × B . Dus pas op! Grootte uitproduct met een sinus B α A vliempt@nikhef. dat wil zeggen: met een minteken..

waar alleen de (anti)parallelle componenten effectief zijn. y.. zijn bij het uitproduct alleen de loodrecht op elkaar staande componenten effectief. i. k.. Duidelijk is ook dat –indien mogelijk.. Voor de grootte van het uitproduct C = A × B .In tegenstelling tot bij het inproduct.het berekenen van het uitproduct met de sinusfactor eenvoudiger is..nl 74 . z ) kunnen de vectoren A en B worden geschreven als: ˆ ˆ A = Ax i + Ay ˆ + Az k j ˆ ˆ B = B i +B ˆ+B k j x y z Voor het uitproduct C = A × B geldt nu (let op het cyclisch verwisselen van de gebruikte indices in de volgorde i. B z ˆ i Ax Bx Bedenk dat de coëfficiënten van A en B langs de x-as geen bijdrage leveren aan C x omdat de ˆ ˆ j uitproducten van i met ˆ en k nul zijn... Om de juiste richting voor FL te krijgen. moeten de variabelen echter in een andere volgorde worden geschreven dan gebruikelijk is in vwo-boeken: FL = q (v × B ) en FL = qvB sin α FL = I ( × B) en FL = I B sin α Grootte uitproduct met componenten Ten opzichte van een rechthoekig (en rechtsdraaiend!) assenstelsel ( x. etc. .. met α de kleinste hoek tussen beide vectoren.. Rekenregels uitproduct ˆ j ˆ j ˆ ˆ ˆ ˆ j i × ˆ = k ˆ×k = i k ×i = ˆ ˆ ˆ ˆ ˆ i ×i = 0 ˆ× ˆ = 0 k ×k = 0 j j vliempt@nikhef. ˆ ˆ Cxi i C y ˆ = Ax j ˆ B Cz k x ˆ j Ay By ˆ k Az Bz ˆ Cxi ˆ ˆ i j = ... B y ˆ k Az Bz ˆ ˆ k j C y ˆ = .): ˆ ˆ C = A × B = ( Ay B z − Az B y )i + ( Az B x − Ax B z ) ˆ + ( Ax B y − Ay B x )k j ˆ ˆ ˆ Controleer voor het krachtmoment – waarbij r de richting van i heeft en F de richting van ˆ – dat: j ˆ ˆ M = (rF − 0 ⋅ 0)k = rFk Waarom gebruikt men voor ‘cross product’ het teken ‘× ’? Analyseer de volgende schrijfwijze en ga na welke coëfficiënten een bijdrage leveren aan C x en welke – na het cyclisch verwisselen van de indices – aan C y . j. geldt: C = AB sin α Misschien herkent men hierin de formules FL = Bqv sin α en FL = BIl sin α voor de Lorentzkracht. Az j ... Niet verwonderlijk. want de Lorentz-kracht is een uitproduct. Ay .. Controleer dit zelf.

In mechanicacolleges over rotaties (ook bij bouwmechanica en biomechanica) en bij de colleges over elektriciteit en magnetisme zullen geregeld uitproducten aan de orde komen. Deze operatie heeft een richting en wordt vliempt@nikhef. Een voorbeeld van de Lorentz-kracht als uitproduct wordt gegeven in hoofdstuk I-4. Het differentiëren van een vectorgrootheid naar de tijd levert opnieuw een vector op.nl 75 . 4. Daarin wordt de afbuiging van elektronen in het aardmagnetische veld bekeken. Men differentieert dan afzonderlijk langs elke as van het assenstelsel. Differentiëren met vectoren Differentiëren naar de tijd Differentiëren naar de tijd is een scalaire operatie. Rekenregels differentiëren naar de tijd d dA dB ( A + B) = + dt dt dt d dβ dA ( β A) = A +β dt dt dt d dA dB ( A • B) = • B + A• dt dt dt d dA dB ( A × B) = × B + A× dt dt dt Nabla-operator: differentiëren naar de plaats Grootheden waaraan in elk punt van een ruimte een waarde kan worden toegekend heten veldgrootheden en deze grootheden kan men differentiëren naar de plaats. dp dq en =I =F dt dt Differentieer eerst elke component en bepaal daarna de vectorsom: dp dp x ˆ dp y ˆ dp z ˆ ˆ ˆ = i+ j+ k = Fx i + Fy ˆ + Fz k = F j dt dt dt dt Bij pool.A × B = AB sin α A × B = −B × A A × αB = α ( A × B ) Toepassingen Genoemd zijn al de toepassing van het uitproduct voor de vector voor het krachtmoment en de Lorentz-kracht.en bolcoördinaten zijn niet alle eenheidsvectoren altijd constant en moet bij het differentiëren de kettingregel worden toegepast.

dan is dy dz → Divergentie De divergentie is het inproduct van ∇ met een vectorveld U . geldt voor het magnetische veld altijd ∇ • B = 0 . Als ∇ • E > 0 dan is er een verschil. De elektrische veldsterkte en de magnetische inductie zijn ook vectorvelden. bijvoorbeeld: de hoogte in het landschap (2 dimensionaal) en de temperatuur in de atmosfeer (3 dimensionaal). dU x dU y dU z ∇ •U = + + dx dy dz Bijvoorbeeld: de windrichtingen op een weerkaart vormen een (2 dimensionaal) vectorveld. 1 dimensie): dV E=− dx In woorden: de elektrische veldsterkte is de negatieve gradiënt van de potentiaal. Engels ‘Del operator’): d ˆ d ˆ d ˆ ∇= i+ j+ k dz dy dx Er zijn met de nabla-operator 3 mogelijkheden: Gradiënt De gradiënt in een scalair veld U (symbool ∇U of grad U . In de natuurkunde voor het vwo komt een gradiëntoperatie voor bij de beschrijving van het elektrische veld (homogeen veld.nl 76 . In het elektrische veld geldt: Q ∇•E = ε0 De divergentie geeft aan of op het gehele oppervlak dat een ruimte omsluit evenveel veldlijnen inkomen als er uitgaan. De uitkomst is een vector. ook in het Engels). Als x dV dV = 0 en = 0. Rotatie De rotatie is het uitproduct van ∇ met een vectorveld U . loodrecht op het equipotentiaalvlak staat. omdat een positieve lading wordt omsloten. vliempt@nikhef. dU ˆ dU ˆ dU ˆ ∇U = i+ j+ k dz dy dx Hierbij is de veldgrootheid een scalar. Het symbool is ∇ (Hamiltonoperator of Nabla. En zoals elke scholier eigenlijk wel weet. Het symbool is div U of ∇U .als een vector geschreven. Want er bestaan geen magnetische monopolen en hierdoor keren altijd evenveel veldlijnen op de zuidpool van de magneet terug als op de noordpool vertrekken. De operatie geeft aan hoe sterk de veldgrootheid in een bepaalde richting verandert. De uitkomst is scalair. In het Engels spreekt men van divergence.

nl 77 . dU y dU dU z ˆ dU y dU x ˆ ˆ dU ∇ ×U = ( z − − )i + ( x − )j+( )k dy dz dz dx dx dy Een voorbeeld dat velen wel ‘in woorden’ kennen. De uitkomst is een vector loodrecht op de veldgrootheid. Een vectorveld waarin ∇ × A = 0 noemt men een wervelvrije ruimte. → → vliempt@nikhef. in het Engels: curl .Het symbool is rot of ∇ × . is dB − = ∇× E dt Dit is de inductiewet van Faraday: een verandering van het magnetische veld wekt een elektrisch veld op en kan leiden tot een wervelstroom.