Opdracht 19 WER 1 C periode D Je doet een kort onderzoek naar het onderwijsmodel of didactische model bij jou op school

. Hiervoor neem je als referentie het sociaal constructivisme. Je leest hiervoor een artikel en bekijkt video materiaal. Ten slotte schrijf je een verslag over welk onderwijsmodel er bij jou op de stageschool gehanteerd wordt. Opdracht: 1) Bekijk het videomateriaal op de website van Ecent. Lees ook de vragen die daarbij gesteld zijn (hoef je geen antwoord op te geven). http://www.ecent.nl/artikelen/view.do?supportId=1610 2) Lees onderstaand artikel. 3) Schrijf een verslag over het onderwijsmodel op jouw stageschool aan de hand van je bevindingen in het videomateriaal en de artikelen. Maak enkele (minstens twee) verwijzingen naar deze bronnen. Artikel: Moderne opvattingen over leerprocessen
1. Inleiding

In dit artikel willen we een overzicht geven van een aantal belangrijke nieuwe ontwikkelingen in het denken over de manier waarop mensen effectief kunnen leren. We besteden ook aandacht aan de consequenties die dit heeft voor de manier waarop het onderwijs wordt georganiseerd en de wijze van aanbieden van de leerstof. 2. Leren leren We vinden het tegenwoordig heel belangrijk dat mensen niet alleen iets leren, maar ook dat ze “leren leren”. Dat heeft te maken met moderne maatschappelijke ontwikkelingen waarin veranderingen zich snel veel sneller voltrekken dan vroeger het geval is. Technologische ontwikkelingen voltrekken zich in een hoog tempo en dit heeft veel invloed op de wijze waarop mensen hun arbeid verrichten. Voor de meeste werknemers betekent dit dat ze een heel leven lang moeten blijven leren om hun werk te kunnen blijven doen. Je moet hierbij bijvoorbeeld denken aan leren omgaan met nieuwe apparaten, nieuwe software, leren werken volgens nieuwe procedures, etc. Simons en Zuylen onderscheiden in hun publicatie “van zelfstandig werken naar zelfverantwoordelijk leren” (1) vier vormen van leren:

Zelfstandig werken Bij zelfstandig werken bepaalt de docent wat er moet gebeuren (de taak) en de manier waarop het gebeurt. Het is de bedoeling dat de leerlingen, gestuurd door de docent, de taken uitvoeren. Je zou kunnen zeggen: de docent houdt de leerfuncties strak in de hand. Zelfstandig samenwerken Bij zelfstandig samenwerken verandert er met betrekking tot het bovenstaande eigenlijk niets. Het feit dat de leerlingen moeten samenwerken is een complicerende factor. Zelfstandig leren Bij zelfstandig leren probeert de docent de zorg voor bepaalde leerfuncties uit te besteden aan de leerlingen. Het zal duidelijk zijn dat zelfstandig leren voor leerlingen moeilijker is dan zelfstandig werken. Voor docenten is het ook moeilijk. Al was het alleen maar omdat ze vaak uit zorg besluiten de leerfuncties maar zelf te behartigen. Zelfverantwoordelijk leren De docent geeft in globale termen aan wat het einddoel is en laat het vervolgens aan de leerlingen

Zij geven daarvoor het volgende overzicht: Mate van zelfwerkzaamheid zelfstandig werken Leervaardigheden opdrachten goed lezen luisteren plannen taakverdeling maken groepsplanning maken leidinggeven geleid worden geconcentreerd blijven werken kennis-. Als opstap naar de bovenbouw van het voortgezet onderwijs moet de leerling worden geleerd om zelfstandig te leren. integratie.en toepassingsactiviteiten uitvoeren leerdoelen en taakdoelen uit elkaar houden doelen kiezen overzicht over vakgebied manieren van denken dwarsverbindingen leggen Leerhoudingen geconcentreerd achter elkaar doorwerken op tijd hulp vragen hulpvraag uitstellen bereidheid tot samenwerking bereidheid samenwerken te leren zelfstandig samenwerken zelfstandig leren langere-termijn-perspectief op leren strategisch willen leren interesse voor het vak diepgaand willen leren uitstelgedrag voorkomen zelfverantwoordelijk leren In de fase van basisvorming zal het accent vooral liggen op het zelfstandig werken en het zelfstandig samenwerken. de wijze van werken.) • routinepatronen van zelfstandig werken en samenwerken invoeren .over te bepalen hoe ze dat het beste kunnen bereiken. De didactiek van het leren leren Simons en Zuylen geven de volgende didactische principes als leidraad voor de weg die leerlingen moeten afleggen van zelfstandig werken naar zelfstandig leren: Leerlingen voorbereiden op zelfstandig werken • feedback geven op en informatie geven over tijdsduur en tijdsplanning • feedback geven op en informatie geven over de concentratie. Deze verschillende vormen van leren doen een beroep op verschillende leervaardigheden en leerhoudingen. Met andere woorden: de docent besteedt de zorg voor alle leerfuncties in hoge mate uit aan de leerlingen. de hulpvragen • zorgen dat de hulpvraag wordt uitgesteld • leerlingen leren instructies te lezen en naar instructies te luisteren • leerlingen systematisch de samenwerkingsvaardigheden aanleren Leerlingen steeds vaker en beter zelfstandig laten werken • steeds vaker gelegenheid geven tot zelfstandig (samen)werken • gedurende steeds langere perioden achter elkaar • met steeds minder controle door de docent • met steeds ingewikkelder opgaven • vooral hulp bieden aan de zwakkeren • in steeds grotere groepjes (eerst tweetallen. dan drietallen enz.

. toepassingen uitproberen. gekozen tijdstip en -duur. in cijfers. jezelf nieuwsgierig maken. Ieren is een cumulatief proces: de student verbindt nieuwe kennis aan bestaande kennis. trachten overzicht te krijgen over het geleerde in relatie tot eerder geleerde stof of vaardigheden. leren is een constructief proces: de student moet nieuwe informatie bewerken en relateren aan andere informatie. leertijd en leerplaats. je interesse wekken. anderszins) • systematisch (proces)feedback op gebruik leeractiviteiten geven • vragen stellen over strategiegebruik • nut van strategieën bediscussiëren en aantonen • relatie tussen gebruik leeractiviteiten en prestaties zichtbaar maken Bij de verschillende typen leeractiviteiten denken wij met name aan de volgende zes: 1. Constructivistisch leren Een constructivistische visie op leren kent de volgende uitgangspunten: leren is contextgebonden: de student werkt in en met betekenisvolle situaties. aanvullende of nuancerende beelden en kennis van de werkelijkheid. oefenen en uitbreiden. Deze situaties werken motiverend en verhogen inzicht in de waarde en geldigheid of doelmatigheid van kennis en vaardigheden. Leren is een doelgericht proces: leren is het meest succesvol als de lerende zich bewust is van het doel waar hij naartoe werkt. De lerende construeert zijn eigen kennis en concepten. Dit kan op de volgende wijze gebeuren: Leerlingen voorbereiden op het zelf kunnen uitvoeren en kiezen van leeractiviteiten • leerlingen verschillende soorten leeractiviteiten laten uitvoeren via opdrachten • leeractiviteiten zichtbaar maken via voorbeeldwerking van medeleerlingen of de docent • gebruik goede leeractiviteiten belonen (verbaal. gekozen plaats 3. informatie opnemen door lezen. De stap van zelfstandig (samen)werken naar zelfstandig (samen)leren heeft vooral betrekking op het kiezen van leerstrategieën. het leerproces start met het activeren van bestaande kennis of vaardigheden. luisteren of ontdekken. Het gaat erom dat leerlingen steeds meer strategisch gaan leren in die zin dat zij de keuzen voor bepaalde leerstrategieën. waardoor de interpretatie van de werkelijkheid steeds meer facetten krijgt. de bepaling van de leertijd en leerplaats steeds beter kunnen doen. Leerlingen steeds meer en beter zelfstandig leren leren • strategieën steeds meer zelf laten kiezen • leerlingen zelf tijdstip van leren laten bepalen • Informatie geven over strategiekeuzen • leerlingen plaats van leren laten bepalen • feedback geven op gekozen strategieën.• als docent fluisterend rondgaan om leerlingen niet te storen Om de leerlingen te kunnen voorbereiden op het zelfstandig leren is het belangrijk dat zij alvast vaardig worden in het uitvoeren van de verschillende typen leeractiviteiten. 6. 2. Betekenisvolle situaties confronteren studenten steeds met nieuwe. 3. 5. 4. vaak samen met anderen daarover discussiërend. je uitgedaagd voelen. leren is een actief proces: door de handelingen die de student tijdens het leerproces moet verrichten krijgt hij zicht op de betekenis van hetgeen hij leert. nadenken over opgedane informatie. expliciet en verbaal conclusies formuleren.

plekken waar een experiment uitgevoerd kan worden of een werkstukje kan worden gemaakt. Rijke leeromgevingen. etc. kaarten • Geeft voorkeur aan eerst iets lezen over een onderwerp • Geeft voorkeur aan eerst iets zintuiglijk ervaren (zien. Het is belangrijk om hoge verwachtingen van leerlingen te hebben. Laat leerlingen van verschillende leeftijd en niveaus met elkaar samenwerken. Zorg voor complexe leeromgevingen waarin de zintuigen worden gestimuleerd. concept-maps . Onderzoek wijst het volgende uit: Linker hersenhelft Rechter hersenhelft • Geeft voorkeur aan dingen in volgorde • Kan goed overweg met willekeurige volgorde • Leert vanuit onderdelen naar het geheel • Leert vanuit het geheel (eerst het overzicht) naar de samenstellende • Leest per letter / per woord onderdelen • Houdt van woorden. Alle hier gepresenteerde informatie is ontleend aan het boek “brain based learning” van Eric Jensen (2). Een aantal belangrijke gegevens en consequenties voor het onderwijs laten we hier de revue passeren. We hebben het dan over “krachtige leeromgevingen” waarin door leerlingen veel te leren valt. “Brain-based learning” Technologische ontwikkelingen in de medische wetenschap hebben ervoor gezorgd dat we tegenwoordig veel kennis hebben over de structuur en de werking van de menselijke hersenen. De nieuwsgierige lezer kan in deze bron een schat aan informatie vinden op dit terrein.Leren is een reflectief en diagnostisch proces: de lerende bewaakt het leerproces en toetst zichzelf om lacunes in kennis en vaardigheden te ontdekken en om te beoordelen of het leren nog op de gestelde doelen is gericht. Leren is een sociaal proces: leren vindt in veel situaties beter plaats als er uitwisseling is van opvattingen en benaderingen van een leerprobleem binnen een leergroep. Maak gebruik van de verschillen tussen leerlingen. Vermijd klassikale instructie. persoonlijke opdrachten. Onderwijs op veel verschillende manieren zodat het potentieel van zoveel mogelijk leerlingen wordt aangeboord. horen . Natuurlijk is deze kennis van belang voor het onderwijs. symbolen en • Leest hele zinnen ineens letters • Houdt van plaatjes. stimuleer dat verschillende leerlingen van elkaar kunnen leren. etc. Vermijdt de vorming van homogene groepen. De menselijke hersenen bestaan uit twee helften. projecten. Elke helft is gespecialiseerd in bepaalde taken.) staand feitenmateriaal • Zoekt naar relaties en verbanden in • Kan overweg met gedetailleerde en informatie geordende instructies. experimenten. Zorg voor alternatieve vorming van toetsing om leerlingen op te vangen die beter op een andere wijze leren. 4. computer-werkplekken. ruiken. Zorg voor kleurrijke posters met foto’s of afbeeldingen in de ruimte. Gebruik een veelheid aan activiteiten: excursies. plekken waar meerdere leerlingen met elkaar kunnen overleggen en discussiëren. gebruik wandkaarten.discussies. • Kan overweg met los van elkaar voelen. een leeshoek. Twee hersenhelften. . In de Engelstalige literatuur wordt gesproken over “brain based learning” als het gaat om het inrichten van onderwijs en leersituaties die zijn gebaseerd of minstens proberen in te spelen op de werkingsprincipes van onze hersenen. zelfs als het bewijs van de aanwezigheid van die capaciteiten ontbreekt. etc. studeerplekken. De capaciteiten van de leerlingen worden vaak onderschat. grafieken. Zorg voor de aanwezigheid van informatiebronnen: een videohoek voor het bekijken van video’s. Zorg voor een klimaat waarin elke leerling wordt gerespecteerd en wordt gevoed.

projectonderwijs. Probeer ze dan ook beide en in gelijke mate aan te spreken. laat iets zien. Overigens heeft elk mens ook een dag-nacht ritme die volgens een vloeiende schaal verloopt. In de ochtend kun je beter leesopdrachten. De conclusie die we wel uit het bovenstaande moeten trekken is dat je bij het ontwerpen van leeromgevingen moet streven naar keuzemogelijkheden en naar variatie. Het besef dat je iets hebt geleerd en dat je nu iets kan wat je voorheen niet kon levert een bijdrage aan zelfvertrouwen en het opbouwen van een positief zelfbeeld. een video over het onderwerp bekijken. . Dat kan natuurlijk niet altijd. Daarmee kun je verschillende leerlingen aanspreken. word je ook een betere probleemoplosser: in nieuwe situaties je kennis gebruiken is gemakkelijker als je “weet wat je weet”.• • Geeft voorkeur aan intrinsieke motivatie Houdt van structuur en voorspelbaarheid • • Geeft voorkeur aan extrinsieke motivatie Houdt van open opdrachten en verrassingen. Iedereen die wel eens een lange presentatie heeft bijgewoond kent dit verschijnsel uit eigen ervaring. Veel mensen hebben in de middag “een dip”: het blijkt dat je nieuwe informatie beter ’s ochtends kunt presenteren dan ’s middags. In menige docentenkamer klinkt vaak de verzuchting: “ik heb het ze wel tien keer uitgelegd. Als je jezelf bewust bent van de kennis die je reeds hebt en wat je ermee kan doen. stel een vraag en geef bedenktijd. richt de aandacht even op iets heel anders. etc. Zorg tijdens een presentatie dan ook voor een beetje verstrooiing: maak een grapje. Het levert ook nieuwe brandstof voor de “motivatiemotor”: je hebt er dan meer zin om er nog meer bij te leren. Eenvoudig gezegd: je kunt op meerdere manieren hetzelfde leren. etc. Dat zou duiden op het voorkomen van verschillende leerstijlen. Natuurlijk het wel van belang dat de docent ervoor zorgt dat leerlingen succesvol zijn tijdens het leren. Het is dus niet zo dat een docent mag aannemen dat zijn leerlingen iets weten of iets kunnen omdat hij dat heeft verteld of voorgedaan. Het is voor een docent verstandig om rekening te houden met het tijdstip van de dag. simulaties. Het is goed om in gedachten te houden dat er meerdere wegen naar Rome leiden als het gaat om het realiseren van bepaalde leerdoelen. Zoiets moet niet langer duren dan 10 tot 15 minuten. Verwacht als docent niet dat elke leerling voortdurend voor 100% bij de les is. Anders levert reflectie het omgekeerde effect op. Wat heb ik geleerd? Het is belangrijk om op gezette tijden aandacht aan deze vraag te besteden. Niettemin moet er natuurlijk wel eens wat gepresenteerd worden door de docent. De menselijke hersenen zijn te complex om ze te kunnen beschrijven met één bepaalde leerstijl. Bij het leren spelen beide hersenhelften een belangrijke rol. Na die tijd blijkt de door leerlingen opgenomen informatie weer af te nemen omdat nieuwe informatie niet meer wordt opgeslagen en de informatie aan het begin van de presentatie alweer is vergeten! Het is van belang dat de docent zich tijdens presenteren bedient van duidelijke lichaamstaal en spraak: levendige gebaren en gezichtsuitdrukkingen en heldere van toonhoogte wisselende spraak maakt dat leerlingen de aandacht langer kunnen vasthouden en de informatie ook beter opslaan en onthouden. Onze hersenen werken cyclisch: het is normaal dat na zekere tijd de aandacht verslapt en na zekere tijd weer terugkeert. De vraag leidt tot reflectie: terug kijken op wat je hebt gedaan en daaruit conclusies trekken over wat je ervan hebt geleerd. Leerstijlen: zin of onzin? Er zijn veel onderzoeken gedaan die aantonen dat mensen verschillende voorkeuren hebben ten aanzien van de wijze van aanbieden van “input” en van leerervaringen. Het is belangrijk om leerlingen te leren reflecteren. Niettemin wijst hersenonderzoek uit dat er een grote variëteit is in de manier waarop onze hersenen werken. Presenteren Allereerst merken we op dat er een enorm verschil blijkt te zijn tussen presenteren en leren. vraag ik dat op het proefwerk en hebben ze dat dus bijna allemaal fout”. drama. observatie-opdrachten en luister-opdrachten inplannen en in de middag rollenspel. Je over een onderwerp bijvoorbeeld iets lezen. etc. spelen met een interactieve computersimulatie.

de hoeveelheid licht.Hoe leren we eigenlijk? Om een antwoord op deze vraag te kunnen geven is het verstandig om vier verschillende factoren te onderscheiden die een rol spelen bij het leerproces. Denk bijvoorbeeld aan de temperatuur van de omgeving. per gegeven of meerdere gegevens tegelijk (multitasking) 4. de relatie tussen leerling en de docent. concreet of abstract. De input Iemand heeft altijd een bepaalde input nodig om tot leren te kunnen komen. We beschikken over vijf zintuigen. De context Hiermee bedoelen we de omstandigheden die het leren omgeven. Verwerken kun je op een globaal niveau doen of analytisch. De input is dus meestal visueel of auditief of heeft te maken met geur of smaak of met de tastzin (of bestaat uit een combinatie van deze mogelijkheden). Die vier factoren zijn: 1. is de volgende stap meestal dat je er wat mee doet. het sociale klimaat in de groep. 2. We keren terug naar de vraag: hoe leren we? En formuleren hierop als antwoord: Altijd in context: Veldafhankelijk Veldonafhankelijk Flexibele omgeving Gestructureerde omgeving Onafhankelijk Afhankelijk Inter-afhankelijk Relatie gebaseerd Onderwerp (inhoudelijk) gebaseerd Met een voorkeur voor bepaalde input Visueel extern Visueel intern Auditief extern Auditief intern fysieke input (Engels: kinesthetic-tactile) Gevoelens (Engels: kinesthetic internal) Door middel van verwerken Contextueel-globaal In lineaire volgorde (sequentieel) Conceptueel (abstract) Concreet (door middel van objecten en gevoelens) Door middel van reageren (respons filters) Contextuele factoren Veldafhankelijk . De hersenen hebben echter ingebouwde respons filters. Voordat je tot een bepaalde respons kunt komen moeten deze filters worden gepasseerd. De respons Nadat je de gegevens hebt opgenomen en verwerkt. 3. Verwerken Bij het verwerken gaat het om het manipuleren van data of gegevens.

zoekt vaak oogcontact met de persoon die een presentatie houdt. Ze worden snel afgeleid. videobanden. bijvoorbeeld “zie je wat ik bedoel?”. Inter-afhankelijk Houdt ervan om andere leerlingen te helpen. grafieken). Ze maken vaak eerst mentale plaatjes voordat ze komen tot meer formeel leren. Onafhankelijk Leert het liefst alleen. houden ervan om te schrijven. leren op straat. De plaats waar geleerd wordt is minder van belang: in de bibliotheek. experiment op locatie. de bron waarvan de informatie komt is minder belangrijk. niet kunstmatige wijze en in situaties waarin dat op een natuurlijke wijze gebeurt. Visueel intern Deze mensen kunnen zich beelden voor de geest halen. Dit is voorwaarde om tot leren te komen. worden niet snel afgeleid door geluiden. lezen graag hardop. waar gepraat wordt en waar interpersoonlijke relaties worden gewaardeerd. Houden van discussies in de klas. Heeft veel nauwere tolerantiegrenzen. Willen toetsvragen graag maken in de volgorde waarin ze de antwoorden hebben geleerd. Kan wel samenwerken met anderen. Afhankelijk Leert het liefst door samen te werken met een ander of binnen een groep of team. Kan goed alleen en zelfstandig werken. geluidscassettes. aan of afwezigheid van geluiden. bewegende beelden. Gestructureerde omgeving Geeft de voorkeur aan structuur in de omgeving. De band moet gebaseerd zijn op vertrouwen en respect. Heeft behoefte om zich te kunnen conformeren. zitten. Voorkeur voor bepaalde input Visueel extern Houd van visuele input (plaatjes. maar het leren wordt dan minder effectief. Hebben de neiging tot dagdromen. . Kan goed leren met behulp van de computer. tegen zichzelf of tegen anderen. kunnen zich goed herinneren wat er is besproken. Gebruikt een visuele terminologie. Leert het best op een natuurlijke. Het persoonlijke aspect gaat boven het inhoudelijke. Ze kunnen gesprekken in hun hoofd herhalen. in de klas. Veldonafhankelijk De context is niet relevant. Zelf als de leerling een hekel heeft aan de leraar gaat het leerproces gewoon door. Flexibele omgeving Kan leren onder een groot aantal verschillende omgevingsfactoren: denk bijvoorbeeld aan natuurlijk licht of kunstlicht. Kan wel alleen werken maar het is dan minder effectief.Leert graag in natuurlijke omgeving: excursie. museumbezoek. houden van het vertellen van verhalen. liggen). lezen liever zelf dan dat iemand anders iets opleest. houding (staan. Werkt het best in een omgeving waarin anderen druk aan het werk zijn. Visueel extern ingestelde mensen zijn meestal goede spellers. Behoefte aan autoriteit. zijn gesteld op netheid. veldonderzoek. Het succes waarmee een dergelijke leerling leert is verbonden met het succes waarmee de mede-leerlingen leren. uit leerboeken. Auditief extern Houden ervan te praten. Relatie gebaseerd Er is een band met de leraar nodig. Leert graag door middel van regels. Onderwerp (inhoudelijk) gebaseerd Het om de inhoud. hebben hun zaakjes georganiseerd.

Doen iets en vragen dan: OK. Ze kunnen erg actief zijn. houding. Woorden zijn op zichzelf belangrijk. Intern georiënteerd . dingen met elkaar vergelijken. denk of doe?”. vragen stellen. De kans is groot dat ze werken volgens het multitasking-principe: er wordt aan meerdere dingen tegelijkertijd gewerkt. houden van films en TV programma’s met veel gevoel erin. Communiceert sterk op niet verbale wijze: gebaren. hebben een interne focus. dingen meten. De maatschappelijke normen en waarden liggen ten grondslag aan het gedrag. In de praktijk gaat dat door even de aandacht te richting op de ene taak te richten.Auditief intern Houden ervan om zichzelf vragen te stellen voordat er geleerd gaat worden: “wat weet ik hier al van?”. als drager van een idee of concept. Hebben het vaak moeilijk om een zeker standpunt in te nemen. Deze mensen spreken hun linker hersenhelft meer aan dan de rechter. beeldhouwer. Stellen zichzelf vaak de vraag”wat verwachten anderen van mij dat ik zeg. In lineaire volgorde (sequentieel) Houden ervan om dingen in volgorde. docent. Respons filters Extern georiënteerd Houden zich sterk bezig met de vraag wat anderen ervan denken. acteur. Verwerken Contextueel-globaal Houden ervan om eerst het overzicht gepresenteerd te krijgen. de visie achter de leerstof. na elkaar. “welke mening heb ik hierover? “. accountant. “hands-on” benadering. Stellen prijs op etiquette en familie-waarden. Gevoelens (Engels: kinesthetic internal) Werken sterk met intuïtie. Dit type mensen kom je tegen in beroepen waarbij je je handen of je lichaam gebruikt: danser. toon. Welke aspecten spelen een rol en wat hebben ze onderling met elkaar te maken? Deze mensen willen eerst weten wat het doel is van wat ze gaan leren. Houden van concrete voorbeelden. Hebben vaak “gevoel” voor informatie. maar de directe omgeving van deze mensen kan vaak erg rommelig zijn. iets uitproberen. Grotere kans op analytische instelling. Hoe iets gezegd wordt is belangrijker dan wat er gezegd wordt. “welke betekenis heeft dit voor mij?” Deze mensen zijn sterk in metacognitie. Conceptueel (abstract) Houden van boeken. Fysieke input (Engels: kinesthetic-tactile) Houden van fysieke input. Dit type mensen kom je tegen in de meer abstracte beroepen: schrijver. Een taak al doende uitvoeren is effectiever dan er over lezen of er iets over te horen. Houden van definities en gebruiken woorden op nauwkeurig omschreven wijze (zoals vastgelegd in de definitie). Kunnen soms de vraag stellen: “waarom zo exact?”. maar zitten vaak “in het hoofd”. gebruiken “hands-on” ervaringen. willen iets eerst helemaal begrijpen voordat er iets gedaan gaat worden. Houden van fysieke activiteiten en voelen zich daar goed bij. woorden. taal en het werken met computers. klaar! En wat nu? Houden ervan om zich op één ding tegelijk te concentreren. Ze blinken vaak uit in wiskunde. Ze houden vaak van gestructureerde lessen. tempo. tegenstellingen onderzoeken. houden van actie en beweging. Concreet (door middel van objecten en gevoelens) Houden van concrete dingen: dingen die aangeraakt en gemanipuleerd kunnen worden. Deze mensen spreken hun rechter hersenhelft meer aan dan de linker. Willen leren door te doen. computers. Zijn minder “doe – gericht”. dan de andere en zo heen en weer te springen over meerdere taken. Willen iets uitproberen. ideeën en het discussiëren over ideeën. vrachtwagenchauffeur…….…. af te werken.

Zo gaat het ook bij het aanspreken van een bepaalde leerstijl. Zijn pragmatisch ingesteld. Ze houden ervan om de uitzondering in de regel op te sporen. uitvoeren. Ze nemen regels dan ook niet zomaar aan. Een voorbeeld: er breekt brand uit in de kamer. Het gaat hier dus om doen. brand” gaan schreeuwen. maar gaan ze testen op zoek naar de grenzen van de geldigheid. Kolb onderscheidt 4 soorten leeractiviteiten: • • Actief experimenteren In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten als je dit leest wordt hier door Kolb mee bedoeld het formuleren van concrete voornemens voor handelingen. Experimenteel impulsief Reageren onmiddellijk met het ondernemen van actie als gevolg van een gedachte. zoeken naar dingen die bij elkaar horen. Kolb is een Amerikaans Onderwijskundige die bekendheid heeft gekregen met zijn ideeën over leerstijlen en de manier van leren die daarmee samenhangt. handelen. Nemen informatie tot zich en verwerken die op reflectieve wijze. kijken of er anderen in nood verkeren. Analytisch reflectief Deze mensen reageren intern. Dat is de voorkeursreactie. houden ervan om dingen te doen die passen in een groter schema van met elkaar consistente activiteiten. maar”…. Een auditieve reactie: “brand. Er zijn verschillende manieren waarop iemand kan reageren.. Een fysieke reactie: hard gaan rennen. het voorbereiden en nemen van beslissingen. Kolb maakt onderscheid in verschillende soorten leerstijlen op basis van de voorkeur die mensen hebben voor een bepaald soort leeractiviteit. maar één reactie zal de eerste zijn. Kunnen de kat uit de boom kijken. De cyclus van Kolb.Zijn vaak erg onafhankelijk omdat hun eigen waarden en normen het gedrag bepalen in plaats van die van de maatschappij. . Leerstijlen: een voorkeur of een etiket? Uit onderzoek blijkt dat de manier waarop iemand leert trainbaar is: door korte maar intensieve training kan iemand leren om een bepaalde hersenhelft die hij normaal minder gebruikt. houden van consistentie. Zeggen vaak dingen als: “ja. Willen reflecteren op de mogelijke opties in een bepaalde situatie. Een visuele reactie: snel de situatie visueel in zich opnemen. Vaak zal de reactie uit een combinatie van dingen bestaan. Veel mensen hebben wel een bepaalde voorkeur leerstijl en houden die voorkeur vaak hun hele leven. Zoeken naar overeenstemming (Engels: “matching”) Houden van overeenkomsten tussen dingen. Houden van verschil van mening. juist extra in te schakelen. Blijven op afstand. “waarom niet……?”…………. Ervaren Als je de voornemens in de praktijk gaat uitvoeren doe je ervaringen op. leerstijlen en ervaringsleren. Mismatchers staan sceptisch tegenover woorden in uitspraken als “iedereen” . “niemand”. “altijd”. totdat het niet blijkt te werken. Werken vaak via “gissen en missen” (“trial and error” gedrag). anderen beetpakken en wegduwen. Zoeken naar verschilpunten (Engels: “mismatching”) Deze mensen reageren vaak door verschillen op te merken. zoeken naar de nooduitgang. Het gaat hierbij niet om “zomaar” iets doen: in de fase van actief experimenteren is er immers een plan opgesteld. of “wat als?”. Het gedragspatroon is vaak: iets doen en dat blijven doen. “nooit”. Een leerstijl is dus veranderbaar. Hieronder worden activiteiten verstaan als het opstellen van een werkplan of een plan van aanpak. Deze mensen zijn geneigd eerder met iets in te stemmen.

Het realistisch wiskunde onderwijs ontwikkeld aan het Freudenthal-instituut in Utrecht is daarvan een voorbeeld: eerst wordt er aandacht besteed aan toepassingen. Conceptualiseren Het gaat hier om meer theoretische begripsvorming en generalisatie. leerlingen raken sneller en meer gemotiveerd. Er kan wel sprake zijn van een voorkeur voor een bepaalde leerstijl. In het deel over brain-based learning is al naar voren gekomen dat de menselijke hersenen te complex zijn om iemand een vaste leerstijl toe te kennen. weten beter waar de leerstof toe dient. Dan heb je de mensen die vooral bezig willen zijn met conceptualiseren en actief experimenteren en tenslotte diegenen zich bij voorkeur bezighouden met actief experimenteren en ervaren. Het omgekeerde kan echter evenzeer bruikbaar zijn. getrokken conclusies en theorievorming kunnen vaak weer nieuwe vragen worden gesteld. Vandaar de “cyclus van Kolb”. Kolb spreekt van ervaringsleren. . “klopt het met de verwachtingen? “Je zou deze leeractiviteit trouwens ook “toetsen en evalueren” kunnen noemen. Hierbij worden vragen gesteld als: “is het beoogde resultaat bereikt?”. Er zijn ook mensen met een voorkeur voor observeren en reflecteren en conceptualiseren. Eigenlijk is het bij de beschrijving van de cyclus van Kolb al duidelijk geworden: voor een volwaardig leerproces moeten alle stappen worden gezet. op grond daarvan ontwikkelen leerlingen wiskundige noties. Welke concepten zijn algemeen toepasbaar en bruikbaar? Welke relatie bestaat er tussen verschillende concepten. Door het herhaald doorlopen van de cyclus is er ook sprake van concentrisch leren. Het gaat erom om bepaalde bevindingen op een hoger plan te tillen. kunnen wiskunde beter gebruiken in nieuwe situaties (betere transfer). Volgens Kolb hebben mensen vaak voorkeuren voor bepaalde leeractiviteiten en vooral daarmee aan de slag willen. Vroeger hanteerde men vaak de aanpak “eerst de theorie” daarna de “toepassingen”. Het blijkt dat dit voor veel leerlingen een succesvolle aanpak is. Door de cyclus herhaald te doorlopen komen praktijk en theorie in nauwe relatie tot elkaar te staan en zal iemand zich bepaalde kennis en vaardigheden werkelijk eigen maken. Daarbij zou het dan volgens Kolb zo zijn dat twee stappen erg goed passen bij een bepaalde leerstijlen en de andere twee minder. Wat hebben anderen hierover gedacht en geschreven? Klopt de “eigen theorie” met de theorie zoals je die in de literatuur aantreft? Op grond van de ervaringen.• • Observeren en reflecteren Het gaat hierbij om het terugkijken op en analyseren van het uitgevoerde werk. Iemand kan best op zijn tijd een andere leerstijl hanteren afhankelijk van het onderwerp en allerhande omstandigheden. Je kunt wel tegemoet komen aan het verschil in leerstijl door iemand de keuze te laten waar hij in de cyclus wil instappen. Na de fase van conceptualiseren kun je dus weer verder gaan met actief experimenteren. Kolb neemt daarbij steeds twee activiteiten bij elkaar: er zij mensen die graag bezig zijn met het opdoen van ervaringen en met observeren en reflecteren.