You are on page 1of 52

Running head: MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

Twitter: een informatie- of sociaal medium? Een onderzoek naar de motieven voor Twittergebruik en de invloed van geslacht en de persoonlijke karakteristieken need to belong en need for cognition hierin

Bachelorscriptie Desiree van der Heiden d.vdrheiden@uvt.nl ANR: s969021 Begeleider: Dr. A. el Aissati Tilburg University School of Humanities Communicatie- en Informatiewetenschappen Bedrijfscommunicatie en Digitale Media Juni 2011

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Samenvatting

Het doel van deze studie was het onderzoeken van de motieven voor twittergebruik. Tevens is er hierbij gekeken of geslacht en de persoonlijke karakteristieken need to belong en need for cognition invloed hadden op deze motieven. Aan het onderzoek deden 694 twitteraars mee door het invullen van een online vragenlijst met betrekking tot dit onderwerp. De data zijn bestudeerd aan de hand van statistische analyses middels het programma SPSS. Uit de resultaten werd duidelijk dat twitteraars vooral informatiemotieven hadden voor het gebruik van Twitter. Daarnaast bleken ook sociale utiliteit en, zij het in mindere mate, entertainment een rol te spelen in twittergebruik. Uit de resultaten kwam naar voren dat geslacht geen invloed had op de motieven; sterker nog: mannen en vrouwen hadden ongeveer gelijke redenen voor twittergebruik. De need to belong bleek ook geen effect te hebben: twitteraars met een hoge need to belong scoorden niet significant hoger op de sociale motieven dan twitteraars met een lage need to belong. Voor de need for cognition konden geen uitspraken worden gedaan in verband met een te kleine groep die een lage score had op deze schaal. De conclusie van dit onderzoek is dat, in tegenstelling tot eerder onderzoek, Twitter niet slechts een informatie- of nieuwsmedium is. De sociale conversatie is ook van belang op Twitter. Tevens zijn twittergebruikers qua motieven grotendeels gelijk; de bovengenoemde externe factoren hadden geen significant effect op de redenen voor twittergebruik. De beperkingen en ideen voor vervolgonderzoek worden in dit rapport besproken. Trefwoorden: Twitter, motieven, geslacht, need to belong, need for cognition, sociale media

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Inhoudsopgave

II

Samenvatting

p. I

1. Inleiding

p. 1

2. Theoretisch kader 2.1 Twitter 2.2 Uses en Gratifications Theorie 2.2.1 Kernassumpties. 2.2.2 Gratifications sought en gratifications obtained. 2.2.3 Uses en Gratifications typologien. 2.2.4 Uses en Gratifications en het internet. 2.3 Antecedenten voor gratifications sought van Twitter 2.3.1 Geslacht. 2.3.2 Persoonlijke karakteristieken. Need to belong. Need for cognition. 2.4 Niet behandelde antecedenten voor gratifications sought 2.5 Antecedenten voor gratifications obtained van Twitter 2.6 Conceptueel model

p. 4 p. 4 p. 5 p. 6 p. 6 p. 7 p. 7 p. 8 p. 8 p. 9 p. 9 p. 10 p. 10 p. 11 p. 11

3. Methode 3.1 Design 3.2 Participanten 3.3 Materiaal 3.3.1 Twitter 3.3.2 Motieven voor Twittergebruik Sociale utiliteit Inter-persoonlijke utiliteit Entertainment Informatie 3.3.3 Persoonlijkheidsstellingen 3.3.4 Pilot

p. 14 p. 14 p. 15 p. 16 p. 16 p. 16 p. 17 p. 17 p. 17 p. 17 p. 18 p. 18

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 3.4 Procedure p. 18

III

4. Resultaten 4.1 De onderzoeksvraag 4.2 De hypotheses met betrekking tot geslacht 4.3 De hypotheses met betrekking tot de persoonlijke karakteristieken

p. 20 p. 20 p. 21 p. 22

5. Discussie 5.1 Onderzoeksvraag en hypotheses 5.2 Theoretische en praktische implicaties 5.3 Beperkingen en toekomstig onderzoek 5.4 Conclusie

p. 25 p. 25 p. 29 p. 30 p. 32

6. Referenties

p. 33

7. Bijlage

p. 39

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 1. Inleiding

Volgens diverse statistieken (eBizMBA, 2011; Kazeniac, 2009; Nations, 2010; NielsenWire, 2010a) behoort Twitter inmiddels tot de top drie van sociale netwerksites ter wereld. Sociale netwerksites zijn webgebaseerde services die het gebruikers mogelijk maken een profiel te creren die door andere gebruikers kunnen worden bekeken en waarmee connecties met anderen kan worden aangegaan (Boyd & Ellison, 2008). Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van sociale netwerksites toeneemt: volgens een meting in februari 2010 spendeert de internationale webgebruiker ongeveer vijf en een half uur per maand aan sociale netwerksites; dit is een toename van twee uur ten opzichte van het jaar ervoor (NielsenWire, 2010b). Twitter telt momenteel 200 miljoen geregistreerde gebruikers, waarvan er 14 miljoen dagelijks actief zijn. Deze twitteraars, of tweeps zoals ze in de volksmond ook wel worden genoemd, zorgen ervoor dat er per dag 130 miljoen tweets de wereld in worden gestuurd (Kok, 2011). Twitter wordt gezien als een vorm van microbloggen: het posten van korte berichten via SMS, web, Instant Messaging, mobiele clients, desktop tools en widgets (ugun, 2007). Naast Twitter bestaan er diverse andere microblogdiensten, bijvoorbeeld Jaiku, Yammer, Posterous en Tumblr. Zoals de bovengenoemde statistieken echter al laten zien is Twitter tot op heden de meest populaire dienst voor microbloggen. Het wezenlijk verschil met bloggen is dat het bij microbloggen gaat om het posten van updates, ideen en notificaties (140 karakters of minder), terwijl weblogs gebruikt worden voor het schrijven van beknopte essays en gedachten (Ebner & Schiefner, 2008). Microbloggen stimuleert het gebruik van korte berichten, waardoor de gebruiker minder tijd en cognitieve capaciteit hoeft te besteden aan de inhoud van het bericht. Daarnaast is het gewoonlijk dat een microblogger meerdere malen per dag zijn of haar profiel update, terwijl de gemiddelde blogger om de paar dagen een nieuw bericht plaatst. Microbloggen kan dus worden gezien als een snellere vorm van communicatie dan het gewone bloggen (Java, Song, Finin, & Tseng, 2007). De toegankelijkheid en het gemak in gebruik draagt waarschijnlijk bij aan het succes van Twitter (Middlebrook, 2007, als geciteerd in Johnson & Yang, 2009, p. 3). Wetenschappers hebben namelijk aangetoond dat het gemak in gebruik significant gerelateerd is aan zowel huidig als toekomstig gebruik van informatietechnologie (Davis, 1989; Lederer, Maupin, Sena, & Zhuang, 2000). Onderzoek van Sysomos (2010b) laat zien dat 44% van de gehele twitterpopulatie zich tussen januari 2010 en middenaugustus 2010 heeft aangemeld.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

Ter vergelijking: slechts 4,7% van alle twitteraars heeft zich voor januari 2009 geregistreerd. Op basis van deze gegevens is dus aan te nemen dat Twitter nog steeds groeiende is. De groei van Twitter en de tijd die wordt gespendeerd op sociale netwerksites duiden aan dat mensen een nieuwe manier hebben gevonden om met elkaar te communiceren. Een rapport van Nielsen (2009) laat zien dat sociale netwerksites inmiddels populairder zijn dan e-mail. Om inzicht te krijgen in deze nieuwe manier van communiceren, moet er worden gekeken naar wat de redenen zijn voor het gebruik van Twitter en hoe goed Twitter de behoeften van twitteraars ook daadwerkelijk vervult. De Uses en Gratifications theorie biedt een degelijk raamwerk om dit te onderzoeken. Hoewel de Uses en Gratifications theorie gebaseerd is op de massamedia, laat onderzoek zien dat deze theorie ook nuttig is om het internet te onderzoeken (Morris & Ogan, 1996; Ruggiero, 2000). Diverse onderzoekers (Ebersole, 2000; Hwang & Lombard, 2006; Raacke & Bonds-Raacke, 2008; Stafford, Stafford, & Schkade, 2004) hebben deze theorie dan ook al gebruikt om de motieven en het gebruik van internet(applicaties) te analyseren. Echter, microblogs zoals Twitter zijn nog een relatief nieuw fenomeen waardoor de wetenschappelijk publicaties op dit gebied nog beperkt zijn. Bij mijn weten zijn er slechts vier onderzoeken (Chen, 2011; Coursaris, Yun, & Sung, 2010a, 2010b; Johnson & Yang, 2009) gedaan die de motieven voor twittergebruik bekijken in het licht van de Uses en Gratifications theorie. Slechts n daarvan is daadwerkelijk relevant voor het huidige onderzoek, namelijk het onderzoek van Johnson & Yang (2009). De uitkomst van dit onderzoek is dat twitteraars vooral informatiemotieven hebben voor het gebruik van Twitter. Dit is een paradoxale uitkomst, omdat Twitter wordt gezien als een sociale netwerksite en men dus zou verwachten dat twitteraars vooral sociale motieven hebben voor hun twittergebruik. Onderzoek van Kwak, Lee, Park, & Moon (2010) concludeerde op basis van een analyse van 40 miljoen twitteraars en ruim 100 miljoen tweets dat Twitter voornamelijk wordt gebruikt voor het verspreiden van nieuws. Ook dit onderzoek kan dus worden gerelateerd aan informatiemotieven voor het gebruik van Twitter. Echter, uit de bovenstaande onderzoeken is niet duidelijk of de motieven voor twittergebruik verschillen voor externe factoren als geslacht en persoonlijke karakteristieken. Deze factoren kunnen mogelijk als antecedenten optreden met betrekking tot de motieven voor, en wellicht ook de vervulde behoeftes van twittergebruik. Dit onderzoek heeft dan ook tot doel de Uses en Gratifications van Twitter in kaart te brengen voor de Nederlandse twitteraars (tevens moet gezegd worden dat er nog weinig wetenschappelijk onderzoek is over Twitter in Nederland), waarbij er extra wordt ingezoomd op de zojuist genoemde factoren. Het huidige onderzoek

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

heeft wetenschappelijke relevantie, omdat het een uitbreiding is op bestaand onderzoek naar Twitter. Tevens is dit onderzoek maatschappelijk relevant, gezien Twitter een nieuwe manier is van communiceren en het dus nodig is meer inzicht te krijgen in deze communicatiewijze. Bovendien kan het voor bedrijven een indicatie geven hoe ze hun klanten het beste op Twitter kunnen binden: met informatie of juist door sociale conversatie? Ten slotte kan het resultaat van het onderzoek worden betrokken in het design van toekomstige internetmedia. Ook hier geldt dan: moet er worden uitgegaan van het informatiemotief of sociale motieven?

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 2. Theoretisch kader

2.1 Twitter Twitter werd in maart 2006 opgericht door Obvious Corp, een bedrijf uit San Francisco (Fitton, Gruen, & Poston, 2010). Het online sociaal netwerk geeft gebruikers de mogelijkheid om korte berichten te plaatsen, genaamd tweets (maximaal 140 karakters), die gelezen kunnen worden door andere gebruikers. Twitteraars kunnen andere twittergebruikers volgen, wat betekent dat men bericht krijgt als de desbetreffende twitteraar een nieuwe update heeft geplaatst. Andere twitteraars kunnen ook jouw profiel volgen, zodat zij al jouw geplaatste updates kunnen bijhouden. Op deze manier ontstaat het onderscheid tussen followers (twitteraars die jou volgen) en followees (twitteraars die je zelf volgt) (Huberman, Romero, & Wu, 2009). Een twitteraar (voor de duidelijkheid aangegeven met de letter A) kan elke andere twittergebruiker (B) volgen, zonder dat deze twittergebruiker (B) de desbetreffende twitteraar (A) hoeft terug te volgen (Kwak, et al., 2010). Dit in tegenstelling tot sociale netwerksites als Facebook en Hyves, waarbij er sprake is van wederkerige relaties tussen gebruikers. De twitterberichten die de gebruiker plaatst, zijn zichtbaar op de profielpagina van de desbetreffende gebruiker. Iedereen kan deze pagina bekijken, mits de twittergebruiker zijn of haar profiel niet op priv heeft gezet. In dat geval kunnen alleen de followers van deze twitteraar het profiel zien. De publieke geschiedenis van twitterberichten kan doorzocht worden met de zoekmachine van Twitter (Johnson & Yang, 2009). Tegenwoordig geeft ook Google tweets weer in de zoekhistorie (Mayer, 2009). Twitterberichten kennen een limiet van 140 karakters, hoewel er tegenwoordig diverse tools bestaan die langere tweets ondersteunen zoals Deck.ly en Twitlonger. Twitteraars kunnen een antwoord geven op de vraag Whats happening? (voorheen was dit What are you doing?) en hiervan een update plaatsen. Echter, Twitter wordt tegenwoordig ook gebruikt voor andere doeleinden zoals het delen van weblinks, fotos, videos en opvallende berichten. Twitter was namelijk diverse keren de eerste bron van informatie voor nieuwswaardige gebeurtenissen (Mashable, z.d.). Neem bijvoorbeeld de crash van het vliegtuig van U.S. Airways dat in de rivier de Hudson belandde. Janis Krums uit Florida was de eerste die een foto van dit ongeval plaatste op zijn twitteraccount (Frommer, 2009). Naast het feit dat twitteraars updates kunnen plaatsen, bestaat er ook de mogelijkheid om conversaties met andere twittergebruikers aan te gaan. Dit kan door middel van een mention of reply (@), die rechtstreeks gestuurd worden naar de desbetreffende twitteraar en

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

ook zichtbaar is voor anderen. Er bestaat ook de mogelijkheid om priv te communiceren met een andere twitteraar, middels een Direct Message (DM). Deze berichten kunnen alleen worden bekeken door de zender en ontvanger van het bericht (Johnson & Yang, 2009). Niet alleen individuen maken gebruik van Twitter. Vanwege het gemak van informatieverspreiding zijn onder andere bedrijven, gemeenten, universiteiten en dagbladen ook op Twitter te vinden. Zo heeft nieuwsmedium Nu.nl (@NUnl) een eigen twitteraccount, waar de laatste nieuwsupdates op worden geplaatst. Ook Tilburg University (@uvt_tilburg) twittert met enige regelmaat over het nieuws van de universiteit en opkomende symposia. Tevens hebben diverse celebrities een eigen Twitteraccount. Zangeres Britney Spears (@BritneySpears), president van de Verenigde Staten Barack Obama (@BarackObama), acteur Ashton Kutcher (@aplusk) en presentatrice Oprah Winfrey (@Oprah) zijn slechts enkele voorbeelden van bekende personen die op Twitter te volgen zijn. Er bestaan allerlei applicaties voor het gebruik van Twitter. Natuurlijk is er de mogelijkheid om Twitter te bereiken via het web, maar ook computerapplicaties als TweetDeck en Seesmic Desktop geven toegang tot Twitter. Daarnaast kan men on the go twitteren middels gratis applicaties voor diverse smartphones en diensten als Twitter voor SMS (Twitter, 2011). Zoals gezegd heeft Twitter wereldwijd 200 miljoen geregistreerde gebruikers. Hiervan zijn er waarschijnlijk 14 miljoen dagelijks en 40 miljoen maandelijks actief. Actief wil zeggen dat er een update is gepost op het profiel van de twitteraar. Nederland kent volgens de laatste statistieken (Schoonderwoerd, 2011) 418.621 actieve twitteraars. Actief werd in dit onderzoek geoperationaliseerd als het aantal twitteraars die binnen n maand minimaal tien tweets hadden geplaatst. Dat Twitter in Nederland populair is blijkt wel uit het feit dat Nederland op plek acht staat in de top tien van landen met de meeste twittergebruikers (Sysomos, 2010a). Nederland voert zelfs de leiding als top twitterland met het hoogste percentage twittergebruik in de internetpopulatie (Meeuwsen, 2011).

2.2 Uses en Gratifications theorie De Uses en Gratifications theorie is een uitbreiding op de behoeften en motivatie theorie van Maslow (1970). In deze theorie beweert Maslow dat mensen actief zoeken om hun hirarchie van behoeften te vervullen. Deze hirarchie is als het ware een piramide van behoeften. De piramide begint met biologische en lichamelijke behoeften zoals eten en drinken. De niveaus die daarop volgen zijn de behoeftes aan veiligheid en zekerheid, saamhorigheid, waardering en erkenning en tot slot de behoefte aan zelf-actualisatie. Zodra de

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

behoefte op het eerste niveau is vervuld, gaat het individu door naar het tweede niveau om de volgende behoefte te verwezenlijken. Dit gaat zo door totdat het individu het hoogste niveau van zelf-actualisatie heeft bereikt (als geciteerd in West & Turner, 2010, p. 394). Iedereen heeft dus bepaalde behoeften. Deze behoeften kunnen volgens de Uses en Gratifications theorie ook door de media worden gerealiseerd. In het kort draait de Uses en Gratifications theorie dan ook om de volgende vraag: Wat doen mensen met de media? (West & Turner, 2010). 2.2.1 Kernassumpties. De Uses en Gratifications theorie kent vijf kernassumpties. Ten eerste zegt de theorie dat mensen actief zijn in hun keuze voor bepaalde media of mediainhoud. De selectie en het gebruik van deze media is doelgericht. Activiteit is een relatief begrip: individuen verschillen in activiteit met betrekking tot hun mediagebruik. Bovendien kan activiteit verschillen per tijdstip, dag of per type inhoud. Als bijvoorbeeld het journaal op televisie is, kan een individu plots van een inactieve mediagebruiker naar een actieve mediagebruiker gaan. Daarnaast benvloeden sociale en psychologische factoren (onder andere de omgeving en de persoonlijkheid van iemand) de mediaselectie van een persoon. De tweede assumptie zegt dat het initiatief om behoeftegratificatie en mediumkeuze aan elkaar te relateren bij de mediagebruiker ligt. Als derde zegt de Uses en Gratifications theorie dat de media concurreren met andere vormen van communicatie of andere alternatieven, zoals een gesprek met anderen, om behoeften te vervullen. De overige twee assumpties zijn vanuit een methodologisch oogpunt, in verband met het onderzoeken van de Uses en Gratifications van het mediapubliek. De vierde assumptie meent dan ook dat de doelen van mediagebruik kunnen worden afgeleid uit data die afkomstig zijn van het mediapubliek. Dit wil dus zeggen dat de Uses en Gratifications theorie beweert dat mensen genoeg zelfkennis hebben over hun mediagebruik, interesses en motieven. Deze zelfkennis kan onderzoekers helpen een duidelijk beeld van het mediagebruik van individuen te creren. Ten slotte kunnen waardeoordelen over de media-inhoud alleen door het publiek zelf worden gedaan. Onderzoekers moeten hun waardeoordelen over de link tussen de behoefte van een individu en de keuze voor een bepaald medium of media-inhoud opschorten totdat de motieven en behoeften volledig duidelijk zijn. Het individu is tenslotte de enige die de selectie van media kan bepalen en dus is het individu ook de enige die media-inhoud kan beoordelen. (Katz, Blumler, & Gurevitch, 2003; Rubin, 2009; West & Turner, 2010) 2.2.2 Gratifications sought en gratifications obtained. Gratifications sought zijn de motieven en verwachtingen die individuen hebben over een bepaald medium voordat men daar daadwerkelijk mee in contact is geweest. Gratifications obtained verwijzen naar de

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

behoeften van het individu die vervuld worden door gebruik te maken van het desbetreffende medium. Gratifications sought en gratifications obtained hoeven niet overeen te komen. Het verschil tussen beide gratificaties geeft de mate aan waarin een individu tevreden is met het gebruikte medium. Het moge duidelijk zijn dat een grote mate van tevredenheid kan zorgen voor herhalend gebruik van het medium en dat ontevredenheid leidt tot teleurstelling bij de mediagebruiker waardoor het gebruik van dit medium afneemt of zelfs stopt. Bij ontevredenheid wordt er dan op zoek gegaan naar alternatieve media of niet-media gedrag die de behoeften wel kunnen vervullen (Johnson & Yang, 2009; Quan-Haase & Young, 2010). 2.2.3 Uses en Gratifications typologien. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen diverse redenen hebben voor het gebruik van internet(applicaties). De meest voorkomende redenen zijn: entertainment, informatie, sociale interactie, ontvluchten (of tijd doden) en het onderhouden van relaties (Hwang & Lombard, 2006). Het huidige onderzoek leidt op basis van de bovenstaande redenen en de gebruikte typologie in het onderzoek van Hwang en Lombard (2006) de volgende categorien af voor de Uses en Gratifications van Twitter: sociale utiliteit, inter-persoonlijke utiliteit, entertainment en informatie. Diverse andere onderzoeken (Johnson & Yang, 2009; Ko, Cho, & Roberts, 2005; Leung, 2001; Papacharissi & Rubin, 2000) hebben soortgelijke categorien gebruikt, met enige verschillen daargelaten. Sociale utiliteit is gericht op het delen van informatie met anderen die je kent, het onderhouden van relaties met vrienden en familie, het kijken naar wat bekenden aan het doen zijn en je verbonden voelen met andere mensen. Inter-persoonlijke utiliteit focust zich meer op het verminderen van eenzaamheid en de behoefte om met iemand anders te praten. Bij entertainment draait het om het doden van tijd en het hebben van plezier. Informatie houdt in dat een individu de informatie zoekt en verkrijgt via het medium, het bijhouden van het nieuws en de mogelijkheid om de eigen mening te uiten. 2.2.4 Uses en Gratifications en het internet. De Uses en Gratifications theorie is van oorsprong een theorie gebaseerd op de massamedia. Echter, sinds de opkomst van het internet wordt de theorie steeds vaker toegepast op diverse internetapplicaties. Zo is er onder andere onderzoek gedaan naar de Uses en Gratifications van Instant Messaging (Hwang & Lombard, 2006), bloggen (Li, 2005), online kranten (Mings, 1997), sociale netwerksites als Facebook en MySpace (Joinson, 2008; Raacke & Bonds-Raacke, 2008), YouTube (Shao, 2009), Wikipedia (Lim, 2009) en Second Life (Cummings, 2008). Zoals vermeld is de Uses en Gratifications tot op heden vier keer toegepast op Twitter. Het onderzoek van Johnson en Yang (2009) is daarvan het meest relevant voor het huidige onderzoek. Echter, dit onderzoek richt zich niet op de invloed van mogelijke antecedenten op de gratifications sought en gratifications

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

obtained van Twitter. Het huidige onderzoek heeft de intentie hier wel op in te gaan. Tevens wordt dit onderzoek gedaan onder de Nederlandse twitteraars, wat voor een andere context zorgt dan het onderzoek van Johnson en Yang (2009).

2.3 Antecedenten voor gratifications sought van Twitter De eerste onderzoeksvraag (OV) van het huidige onderzoek is als volgt:

OV1. Wat zijn de motieven voor het gebruik van Twitter? (gratifications sought)

Het onderzoek van Johnson & Yang (2009) hanteerde ook de bovenstaande onderzoeksvraag. Echter, zij keken niet naar de invloed van mogelijke antecedenten op de motieven voor het gebruik van Twitter. Gangadharbatla (2008) gaf in zijn onderzoek ook al aan dat maar weinig studies de antecedenten voor de adoptie van sociale netwerksites in rekening nemen. Reden om daar met dit onderzoek verandering in te brengen, door de antecedenten geslacht en persoonlijke karakteristieken als variabelen mee te nemen. 2.3.1 Geslacht. Onderzoek (Eagly & Johnson, 1990; Gilligan, 1982; Tannen, 1990) laat zien dat vrouwen meer georinteerd zijn op inter-persoonlijke communicatie terwijl mannen vooral gericht zijn op informatie of taken (als geciteerd in Jackson, Ervin, Gardner, & Schmitt, 2001, p. 374). Deze verschillen tussen mannen en vrouwen zijn in diverse onderzoeken toegepast op het gebruik van het internet. Zo hadden Jackson, et al. (2001) de hypothese dat vrouwen meer gebruik maken van e-mail en mannen meer doen aan websurfen; dit op basis van de bovengenoemde behoeften. Deze hypothese werd in het onderzoek bevestigd. Onderzoek van Boneva, Kraut & Frohlich (2001) toonde eveneens aan dat vrouwen e-mail meer gebruiken voor het onderhouden van inter-persoonlijke relaties en het vergroten van hun sociale netwerk. Andere onderzoeken (Odell, Korgen, Schumacher, & Delucchi, 2000; Weiser, 2000) hebben tevens de assumptie versterkt dat mannen het web gebruiken voor het verzamelen van informatie en entertainment en dat vrouwen het internet benutten voor communicatie (Shaw & Gant, 2002). In de inleiding is al vermeld dat diverse onderzoeken (Johnson & Yang, 2009; Kwak, et al., 2010) concludeerden dat Twitter vooral wordt gebruikt om informatie te verspreiden en de behoefte van het individu voor het verkrijgen van informatie te vervullen. Echter, op basis van het bovenstaande zou men verwachten dat dit voor geslacht verschilt. Vrouwen hebben voor het gebruik van internet en het gebruik van internetapplicaties zoals e-mail vooral communicatie- en relatiemotieven. Gerelateerd aan de Uses en Gratifications typologien valt

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

het dan ook te verwachten dat vrouwen voor het gebruik van Twitter hoger scoren op sociale en inter-persoonlijke utiliteit als motieven. De bovenstaande informatie doet tevens vermoeden dat het gebruik van Twitter door mannen meer gerelateerd is aan de motieven entertainment en informatie. Onderzoek van TNS Global en The Conference Board (eMarketer, 2009) laat zien dat vrouwen Twitter vooral gebruiken om in contact te blijven met vrienden (48,4% tegenover 33,6% van de mannelijke twitteraars), terwijl mannen Twitter daarnaast ook nog gebruiken om het nieuws bij te houden (30,7% tegenover 21,3% van de vrouwelijke twittergebruikers). Hoewel dit onderzoek is gedaan onder de Amerikaanse twitteraars is het waarschijnlijk dat dit ook gegeneraliseerd kan worden naar Nederland, omdat beide landen de Westerse cultuur kennen. Bovenstaande discussie leidt tot de volgende hypotheses (H):

H1:

Vrouwelijke twitteraars hebben in vergelijking met mannelijke twitteraars meer sociale motieven (sociale utiliteit en inter-persoonlijke utiliteit) voor het gebruik van Twitter.

H2:

Mannelijke twitteraars hebben in vergelijking met vrouwelijke twitteraars meer motieven met betrekking tot entertainment en informatie voor het gebruik van Twitter.

2.3.2 Persoonlijke karakteristieken. Zoals vermeld zijn er weinig onderzoeken die kijken naar de antecedenten voor het gebruik van sociale netwerksites. Een uitzondering hierin is het onderzoek van Gangadharbatla (2008). Hij wijst vier antecedenten aan voor de adoptie van Facebook. Twee van deze antecedenten worden in dit onderzoek gebruikt, namelijk de need to belong en de need for cognition. Het spreekt voor zich dat de persoonlijkheid van een individu vele karakteristieken kent. Het is daarom onmogelijk om al deze karakteristieken in rekening te nemen bij dit onderzoek. Er is dan ook voor gekozen om in dit onderzoek alleen de need to belong en need for cognition mee te nemen als variabelen voor het gebruik van Twitter. Need to belong. De need to belong is de behoefte om sterke en stabiele interpersoonlijke relaties op te bouwen met anderen (Baumeister & Leary, 1995). Deze behoefte valt terug op drie drijfveren waarom mensen bij een groep willen horen (Schutz, 1966): inclusie, wat ongeveer gelijk is aan de need to belong; affectie, de behoefte voor liefde en geliefd te zijn door anderen; en controle, de drang om macht over anderen uit te oefenen of om anderen macht over jou te geven (als geciteerd in Gangadharbatla, 2008). De need to belong zit in alle mensen, maar de intensiteit van deze behoefte verschilt sterk per persoon.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

10

De informatie over de need to belong is te relateren aan het sociale utiliteit motief dat ook gericht is op het onderhouden van relaties, zij het dan met vrienden en familie. De need to belong kan tevens gerelateerd worden aan het inter-persoonlijke utiliteit motief, alleen wellicht in mindere mate dan het sociale utiliteit motief. Inter-persoonlijke utiliteit draait immers ook om de behoefte om met anderen te zijn of te praten. De volgende hypothese wordt opgesteld met betrekking tot de need to belong:

H3.

Twitteraars die hoog scoren op de need to belong zullen meer sociale motieven hebben (sociale en inter-persoonlijke utiliteit) voor het gebruik van Twitter dan twitteraars die laag scoren op de need to belong.

Need for cognition. De need for cognition verwijst naar de mate waarin een individu nadenkt over dingen en hoeveel plezier er wordt beleefd aan cognitieve inspanning (Cacioppo, Petty, & Kao, 1984). Deze karakteristiek verschilt, net als bij de need to belong, per persoon. Onderzoek legt een relatie tussen de need for cognition en het zoeken naar informatie (Gangadharbatla, 2008). Hoewel Gangadharbatla (2008) geen relatie vond tussen de need for cognition en de bereidheid om zich aan te melden bij een sociale netwerksite als Facebook, is het af te vragen of dit ook geldt voor Twitter. Immers, zoals onderzoek heeft aangewezen (Johnson & Yang, 2009; Kwak, et al., 2010), wordt Twitter vooral gebruikt om informatie in te winnen en te verspreiden. Het is dan ook te verwachten dat de need for cognition gerelateerd is aan het informatiemotief van de Uses en Gratifications theorie. Op basis hiervan wordt hypothese vier opgesteld:

H4.

Twitteraars die hoog scoren op de need for cognition zullen meer het informatiemotief aandragen voor het gebruik van Twitter dan twitteraars die laag scoren op de need for cognition.

2.4 Niet behandelde antecedenten voor gratifications sought Factoren als leeftijd, opleidingsniveau en cultuur worden regelmatig onderzocht voor hun invloed op de onderzoeksuitkomst. Hoewel leeftijd en opleidingsniveau wel zullen worden gevraagd aan de respondenten, wordt er niet verwacht dat deze factoren van invloed zijn op de motieven voor twittergebruik. Diverse onderzoeken (EdisonResearch, 2010; Ringeling, 2010; Schoonderwoerd, 2010; Sysomos, 2009) laten namelijk zien dat de meerderheid van de twittergebruikers zich onder de leeftijdsgrens van dertig jaar bevindt (afhankelijk van welk

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

11

onderzoek, tussen de 60 en 80 procent). Gezien deze grote groep jonge gebruikers van Twitter is het daarom lastig om een vergelijking te maken tussen jonge en oude twitteraars. Dit geldt tevens voor opleidingsniveau: Twitter wordt volgens onderzoek (EdisonResearch, 2010; Ringeling, 2010) voornamelijk gebruikt door hoger opgeleiden (HBO- en WO-studenten en afgestudeerden), wat het moeilijk maakt de groep lager en hoger opgeleiden met elkaar te vergelijken wat betreft hun motieven voor het gebruik van Twitter. Hoewel het wel degelijk mogelijk is dat er verschillen bestaan tussen culturen en de motieven voor twittergebruik (bijvoorbeeld collectivistische versus individualistische culturen), is het in verband met de geringe tijd niet mogelijk om ook dit aspect in het huidige onderzoek mee te nemen.

2.5 Antecedenten voor gratifications obtained van Twitter Zoals gezegd, geeft de vijfde assumptie van de Uses en Gratifications theorie aan dat onderzoekers hun waardeoordeel over de link tussen de behoeften van een individu en de keuze voor een bepaald medium of media-inhoud achterwege moet laten totdat de motieven en behoeften volledig duidelijk zijn. De mediagebruiker is dus de enige die kan oordelen over hoe goed het medium aan de behoeften voldoet. Dit is dan ook de reden dat er van tevoren geen hypotheses kunnen worden opgesteld over de gratifications obtained van Twitter en of deze voor de antecedenten geslacht en persoonlijke karakteristieken verschillen. Deze aspecten worden daarom als onderzoeksvragen opgenomen:

OV2. Welke behoeften worden bevredigd door Twitter te gebruiken? (gratifications obtained) OV3. Verschillen gratifications obtained voor geslacht? OV4. Verschillen de gratifications obtained voor persoonlijke karakteristieken? Need to belong Need for cognition

2.6 Conceptueel model De eerste vraag waarop dit onderzoek antwoord tracht te geven is de vraag wat de motieven zijn voor het gebruik van Twitter (OV1). Het theoretisch kader geeft aan dat deze motieven, ofwel gratifications sought, diverse antecedenten kunnen hebben. Het huidige onderzoek gaat in op de invloed van geslacht en persoonlijke karakteristieken op de motieven die mensen hebben voor twittergebruik. De literatuurdiscussie leidt tot de hypotheses dat vrouwen meer sociale motieven hebben voor het gebruik van Twitter (H1) en dat mannen meer motieven

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

12

met betrekking tot informatie en entertainment zullen geven (H2). Tevens wordt er verwacht dat de persoonlijke karakteristieken need to belong en need for cognition zullen leiden tot verschillende motieven voor twittergebruik: het vermoeden is dat twitteraars die hoog scoren op de need to belong vooral sociale motieven hebben om Twitter te gebruiken (H3) en twitteraars die een hoge need for cognition hebben meer informatiemotieven zullen geven voor hun twittergebruik (H4). Figuur 1 toont het conceptueel model aan van de gratifications sought.

Figuur 1. Conceptueel model van de gratifications sought van Twitter.

Onderzoekers moeten volgens de Uses en Gratifications theorie van tevoren geen waardeoordeel geven over de link tussen de behoeften van een individu en de keuze voor een bepaald medium of media-inhoud. Het individu is de enige die de mediaselectie kan bepalen en dus is het individu de enige die de media-inhoud kan beoordelen. Er kunnen dus geen hypotheses worden opgesteld over de gratifications obtained van Twitter en of deze voor de antecedenten geslacht en persoonlijke karakteristieken verschillen. Vandaar dat hiervoor onderzoeksvragen worden geformuleerd met betrekking tot welke behoeften worden bevredigd door gebruik te maken van Twitter (OV2) en of deze voor de antecedenten geslacht (OV3) en persoonlijke karakteristieken (OV4) verschillen. Figuur 2 weergeeft het conceptueel model van de gratifications obtained.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

13

Figuur 2. Conceptueel model van de gratifications obtained van Twitter.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 3. Methode

14

3.1 Design Dit onderzoek maakt gebruik van de enqute, ook wel bekend als de survey of vragenlijst. De enqute is over het algemeen een goede manier om data te verzamelen met betrekking tot attitudes en opinies. Dit omdat je deze informatie niet kan verkrijgen door te observeren; het is alleen mogelijk hier door vragen achter te komen (Baarda, de Goede, & Kalmijn, 2007). Het interview wordt ook met regelmaat gebruikt om attitudes en opinies te achterhalen. Echter, voor dit onderzoek is het doen van interviews niet de geschikte methode. Ten eerste omdat men de twitteraars dan persoonlijk moet kennen en dit wellicht invloed heeft op de antwoorden. Daarnaast is het via interviews niet mogelijk om de attitudes van vele personen te verkrijgen, zeker in een kort tijdbestek. De enqute is hiervoor meer geschikt. Bovendien kan de enqute online worden afgenomen, waardoor respondenten thuis de vragenlijst kunnen invullen op een moment dat dit hen schikt. De voordelen van de enqute zijn dan ook dat er in een kort tijdbestek snel, gemakkelijk en goedkoop grote groepen mensen kunnen worden bereikt. Echter, er moet ook gedacht worden aan de nadelen van het houden van enqutes. Zo zijn de antwoorden niet altijd even betrouwbaar, omdat mensen zich laten leiden door de omstandigheden waarin ze zich op het moment van invullen verkeren. Ten tweede zijn de verkregen data niet altijd valide, doordat mensen zich soms niet bewust zijn van de motieven voor hun gedrag. De Uses en Gratifications theorie gaat er echter wel vanuit dat mensen bewust zijn van hun motieven voor mediaselectie. Daarnaast speelt ook sociale wenselijkheid een rol bij het afnemen van enqutes: ook deze factor kan van negatieve invloed zijn op de validiteit van de antwoorden van de respondenten. Ten slotte hebben enqutes te maken met non-respons, dat wil zeggen dat mensen niet mee willen doen aan de enqute. De mensen die wel de enqute invullen kunnen een selecte categorie van personen vormen, wat invloed heeft op de representativiteit van het onderzoek (Baarda, et al., 2007). Ondanks deze nadelen is er binnen dit onderzoek toch gekozen voor de enqute, dit omdat deze vorm van onderzoek doen het beste toepasbaar is op het onderwerp Twitter. Uiteraard wordt er in de discussie rekening gehouden met de bovengenoemde beperkingen van de enqute. Hoewel de termen voor het participantendesign meer toepasselijk zijn voor een experiment, kan er worden gezegd dat deze vorm valt onder het within participants design. Dit omdat er sprake is van n en dezelfde enqute voor alle participanten. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen. In dit onderzoek kunnen de motieven voor

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

15

twittergebruik worden aangewezen als de afhankelijke variabele; daar waarover de voorspellingen worden gedaan. Het geslacht (man/vrouw) en de persoonlijke karakteristieken (need to belong/need for cognition) vallen onder de onafhankelijke variabelen; hiervan wordt vermoed dat ze invloed hebben op de afhankelijke variabele.

3.2 Participanten In totaal deden 877 twitteraars mee aan het onderzoek. Echter, doordat sommige vragenlijsten niet geheel waren ingevuld of dubbele antwoorden kenden, zijn diverse respondenten uit het onderzoek verwijderd. Er bleven uiteindelijk 694 participanten over die de vragenlijst geheel (op enkele missende antwoorden na) hadden ingevuld. Alle participanten vulden het onderzoek vrijwillig in; hier stond geen vergoeding of prijs tegenover. Wel werd alle participanten de mogelijkheid geboden de volledige scriptie te ontvangen. Hiervoor konden zij e-mailen naar een speciaal e-mailadres. De verdeling mannen/vrouwen was ongeveer gelijk: 338 mannen (48,7 procent) en 355 vrouwen (51,2%). De leeftijd van de respondenten loopt van 14 tot 66 jaar met een gemiddelde leeftijd van 34 jaar (mediaan 32 jaar). Dit is een hogere gemiddelde leeftijd dan verwacht, want zoals in het theoretisch kader al is aangegeven, valt de grootste groep twitteraars over het algemeen onder de leeftijdsgrens van 30 jaar. Wel moet er gezegd worden dat de standaarddeviatie van leeftijd vrij groot was met 12 jaar. De gemiddelde leeftijd is daardoor niet geheel representatief. De modus is daarom wellicht meer geschikt als representatieve leeftijd van de respondenten, namelijk 23 jaar. Uit de frequentietabel blijkt tevens dat de begin twintigers de hoogte frequenties kennen. Dit bevestigt dan toch enigszins het beeld dat vele twitteraars nog vrij jong van leeftijd zijn. De respondenten zijn over het algemeen hoger opgeleid. De gemiddelde opleiding was hoger beroepsonderwijs (HEAO, HBO e.d.). Het hoger beroepsonderwijs en de universiteit (WO) vormden samen het grootste percentage van de opleidingen, te weten 71,5 procent. Dit was ook de verwachting gezien eerder onderzoek (EdisonResearch, 2010; Ringeling, 2010) al had aangetoond dat de meerderheid van de twitteraars hoogopgeleid is. Uit de data bleek tevens dat de respondenten bestonden uit fervente twitteraars. De majoriteit van de twitteraars was al 1 jaar of langer actief op Twitter: de categorien 1 jaar maar minder dan 2 jaar en meer dan 2 jaar vormden samen 65,5 procent van de antwoorden. Twitter werd door 88,3 procent van de respondenten meer dan 5 dagen per week gebruikt. De grootste categorie (41,9%) besteedt per dag gemiddeld 30 tot 59 minuten aan

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

16

Twitter. Daarnaast wordt Twitter regelmatig bekeken: de meerderheid (65,6%) geeft aan Twitter zes keer of meer per dag gade te slaan.

3.3 Materiaal Om de hypotheses te testen werd gebruik gemaakt van een online vragenlijst, die werd gehost op www.onderzoekdoen.nl. De enqute bestond uit diverse onderdelen. Respondenten kregen eerst een introductie te lezen waarin hun medewerking werd gevraagd om deel te nemen aan een onderzoek met als onderwerp Twitter. In deze introductie werd Twitter kort uitgelegd en vervolgens kon men het doel van deze studie lezen: het onderzoeken van de motieven voor twittergebruik. Ten slotte gaf de introductie aan wat de respondenten konden verwachten tijdens het invullen van de vragenlijst en werd er benadrukt dat alle antwoorden anoniem zouden worden verwerkt. De introductie eindigde met het feit dat de medewerking van de respondent werd gewaardeerd en dat de onderzoeker hiervoor dankbaar was. De vragenlijst begon vervolgens met enkele persoonsgegevens waaronder geslacht, leeftijd en opleiding. Daarna volgden de categorien Twitter, motieven voor twittergebruik en persoonlijkheidsstellingen (zie 3.3.1 tot en met 3.3.3.). De vragenlijst eindigde met een vraag aan de respondent om de link van het onderzoek te twitteren door middel van een Tweetbutton. Dit om het respondentenaantal te vergroten. De respondent werd op het einde de mogelijkheid gegeven om een digitaal transcript van de uiteindelijke scriptie te ontvangen. Daarnaast werd de respondent nogmaals bedankt voor deelname aan het onderzoek en de vragenlijst kon worden afgesloten. 3.3.1 Twitter. Na de vragen met betrekking tot de persoonsgegevens begonnen de respondenten met het invullen van de vragen over hun twittergebruik. De volgende vragen werden aan de respondent gesteld: Hoe lang gebruikt u Twitter al?, Hoeveel dagen per week maakt u gebruik van Twitter?, Hoeveel minuten gebruikt u Twitter gemiddeld per dag (van de dagen dat u Twitter daadwerkelijk gebruikt)? en Hoeveel keren per dag bekijkt u Twitter (van de dagen dat u Twitter daadwerkelijk gebruikt)?. De laatste drie vragen zijn afkomstig uit het onderzoek van Johnson & Yang (2009). De vragen waren van gesloten aard: de respondent kon kiezen uit verschillende antwoordcategorien. 3.3.2 Motieven voor twittergebruik. De motieven voor twittergebruik, ofwel de gratifications sought, werden gemeten door achttien stellingen over de categorien sociale utiliteit, inter-persoonlijke utiliteit, entertainment en informatie. De meerderheid van deze stellingen zijn gehaald uit het onderzoek van Hwang & Lombard (2006). Voor de categorie informatie zijn ook nog vragen gebruikt van Papacharissi & Rubin (2000). Deze stellingen

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

17

werden beantwoord op een zevenpuntsschaal, waarbij alle antwoordopties werden genoemd: zeer mee oneens; mee oneens; enigszins mee oneens; niet mee oneens, ook niet mee eens; enigszins mee eens; mee eens en zeer mee eens. De gehele vragenlijst is te vinden in de bijlage. Sociale utiliteit. De volgende stellingen werden gebruikt om sociale utiliteit te meten: Ik gebruik Twitter om te zien wat anderen aan het doen zijn, Ik gebruik Twitter om informatie uit te wisselen met mensen die ik ken, Ik gebruik Twitter om in contact te blijven met vrienden en familieleden, Ik gebruik Twitter om anderen te laten weten dat ik in ze genteresseerd ben en Ik gebruik Twitter om me betrokken te voelen met wat er in het leven van andere mensen speelt. De Cronbachs Alpha voor deze schaal was .69 (M = 24.13; SD = 5.03). Inter-persoonlijke utiliteit. Inter-persoonlijke utiliteit werd gemeten door de volgende items: Ik gebruik Twitter omdat ik iemand nodig heb om mee te praten of om samen mee te zijn, Ik gebruik Twitter om me minder alleen te voelen, Ik gebruik Twitter om me gerust te stellen dat er iemand is, Ik gebruik Twitter om over interessante dingen te praten en Ik gebruik Twitter om uitgaan te vermijden. De schaal kende een Cronbachs Alpha van .73 (M =12.51; SD = 4.13). Entertainment. De categorie entertainment betrof vier stellingen, namelijk: Ik gebruik Twitter omdat het entertainend is, Ik gebruik Twitter om plezier te hebben, Ik gebruik Twitter om de tijd te verdrijven als ik me verveel en Ik gebruik Twitter om niet over andere dingen na hoeven te dingen. De Cronbachs Alpha voor de schaal Entertainment kwam uit op .73 (M = 16.80; SD = 4.39). Informatie. De stellingen van de categorie informatie waren als volgt: Ik gebruik Twitter om de informatie te verkrijgen die ik zoek, Ik gebruik Twitter omdat het een nieuwe manier is van onderzoek doen, Ik gebruik Twitter om bij te blijven met het nieuws en Ik gebruik Twitter om mijn persoonlijke gevoelens en meningen vrij te uiten. De Cronbachs Alpha voor deze schaal was .46 (M = 20.12; SD = 3.71). Dit is te laag om te spreken van een betrouwbare schaal. Stelling vier - Ik gebruik Twitter om mijn persoonlijke gevoelens en meningen vrij te uiten - werd daarom uit de schaal gehaald, waarna de Cronbachs Alpha uitkwam op .62 (M = 15.70; SD = 3.26). In de vragenlijst werd alleen het kopje Motieven voor twittergebruik vermeld. De categorien sociale utiliteit, inter-persoonlijke utiliteit, entertainment en informatie werden in de vragenlijst niet bij naam genoemd. Dit omdat het mogelijk van invloed had kunnen zijn op de manier waarop de respondenten de vragen invulden.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

18

3.3.3 Persoonlijkheidsstellingen. Om hypotheses drie en vier te kunnen beantwoorden, moest worden gekeken naar hoe hoog de respondenten scoorden op de schalen van de need to belong en need for cognition. Voor de need to belong werd de schaal van Leary, Kelly, Cottrell, & Schreindorfer (2006) gebruikt. Deze schaal kent tien stellingen die werden beantwoord op een vijfpuntsschaal, waarbij alle antwoordopties werden gegeven: helemaal niet kenmerkend voor mij, niet kenmerkend voor mij, neutraal, kenmerkend voor mij en heel kenmerkend voor mij. De vertaling van deze schaal is grotendeels van Belet (2008). Echter, enkele woorden zijn hierbij aangepast. Onder andere een woord als aanvaarden is veranderd in accepteren. De schaal kende een Cronbachs Alpha van .79 (M = 27.79; SD = 5.87). De need for cognition schaal is gecreerd door Cacioppo, et al. (1984). De Nederlandse schaal, die ook wel de bekend is onder de naam neiging tot nadenken, is afkomstig van Pieters, Verplanken en Modde (1987, als gebruikt in Bliek, 2005) en werd in het huidige onderzoek toegepast. Deze schaal kent vijftien items en werd beantwoord op dezelfde vijfpuntsschaal, zoals gebruikt bij de need to belong. De Cronbachs Alpha voor de need for cognition schaal was .82 (M = 55.12; SD = 7.33). 3.3.4 Pilot. Drie mensen hebben de vragenlijst ingevuld voor een pilot-test. En van hen heeft zich met name gefocust op de begrijpbaarheid en de spelling en grammatica van de vragen en niet zozeer op de antwoorden. De pilot heeft er toe geleid dat er voor is gekozen de vragen met betrekking tot de vervulde behoeften van Twitter (gratifications obtained) uit de vragenlijst te schrappen. De proefrespondenten gaven namelijk allen aan dat zij het idee hadden dat ze de vragen dubbel aan het invullen waren. Hiermee doelden zij op de vragen van de gratifications sought en de gratifications obtained, gezien deze vragen grote gelijkenissen kennen. Een nadere kijk naar de resultaten van deze proeftest liet zien dat er geen of nauwelijks verschillen waren tussen de antwoorden op de vragen van de gratifications sought en de gratifications obtained. Alle proefrespondenten hadden het vermoeden dat deze vragen ervoor zouden kunnen zorgen dat mensen tijdens de vragenlijst zouden afhaken en dat het de vragenlijst te lang maakt. Om dit te vermijden is er daarom voor gekozen dat het huidige onderzoek zich verder alleen richt op de motieven voor twittergebruik, wat tot gevolg heeft dat de onderzoeksvragen twee tot en met vier in de rest van dit onderzoek niet zullen worden beantwoord.

3.4 Procedure Op het twitteraccount van de auteur (@Desireevdh) werd op maandag 18 april 2011 rond 11.00 uur het volgende bericht geplaatst: GEZOCHT: NLse twitteraars die een

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

19

vragenlijst willen invullen voor twitteronderzoek aan de #UvT: http://t.co/Vra79Ta. RT aub. Voor het tijdstip van deze tweet is bewust gekozen, gezien Sysomos (2009) aangeeft dat de activiteit op Twitter het hoogst is tussen 11.00 uur s ochtends en 15.00 uur s middags. In de tweet werd er gevraagd om een retweet, dit om het bereik van het aantal respondenten te vergroten. Tevens werden er direct messages gestuurd naar diverse accounts met een groot aantal volgers met de vraag of zij de bovenstaande tweet wilden retweeten. Daarnaast werden via de e-mail vrienden, familie en studiegenoten aangeschreven met de vraag de vragenlijst in te vullen, mits ze actief waren op Twitter, of de link naar het onderzoek door te sturen naar andere twitteraars. De vragenlijst werd op dinsdag 19 april 2011 om 18.30 uur gesloten. Door de grote respons is de website van www.onderzoekdoen.nl twee keer plat gegaan. Dit is dan ook de reden geweest het onderzoek te sluiten. Zowel via de Tweetbutton op het einde van de vragenlijst als via retweets heeft het bovenstaande bericht zich als een soort sneeuwbaleffect (n twitteraar vergelijk het zelfs met een viral) via Twitter verspreid. Dit heeft geleid tot 401 tweets met betrekking tot het onderzoek en de link naar de vragenlijst. @Twirus_dag meldde dat @Desireevdh op nummer zes stond in de top acht twitteraars van 18 april 2011. Daarnaast waren er 95 e-mails binnengekomen met de vraag de uiteindelijke scriptie te mogen ontvangen. Gezien de vragenlijst online werd verspreid, konden de respondenten de vragenlijst invullen wanneer en waar hen dat uitkwam. Vermoedelijk heeft de meerderheid van de twitteraars de vragenlijst thuis of op het werk ingevuld. De vragenlijst duurde ongeveer vijf zeven minuten.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 4. Resultaten

20

De onderzoeksvraag luidde wat de motieven zijn voor het gebruik van Twitter. Op basis van deze vraag zijn er hypotheses opgesteld om te kijken of deze motieven verschilden voor geslacht en de persoonlijke karakteristieken need to belong en de need for cognition. Door middel van een chi-kwadraattoets zijn deze hypotheses onderzocht. De vragen van elke schaal (bijvoorbeeld de schalen sociale utiliteit of need to belong) werden samengenomen in n score door een gemiddelde. Dit gemiddelde werd gevormd door de scores van de vragen van de desbetreffende schaal samen te nemen. Deze score werd vervolgens hergecodeerd in een nieuwe variabele. De 1 stond voor de scores 1 tot en met 3 op de zevenpuntsschaal, de score 0 werd gegeven indien het gemiddelde uitkwam op 4 en de 2 werd gebruikt voor de scores 5 tot en met 7. Zo ontstond per schaal een indeling waarbij de 1 stond voor het niet of nauwelijks hebben van het desbetreffende motief; de 0 hield in dat de proefpersoon neutraal was over het hebben van het motief en de 2 betekende dat de proefpersoon dit als een motief zag voor twittergebruik. Op deze manier kon er goed inzicht worden gekregen in de motieven voor het gebruik van Twitter en konden er duidelijke tabellen worden gemaakt door middel van de chi-kwadraattoets.

4.1 De onderzoeksvraag Uit tabel 1 kunnen de motieven voor twittergebruik (OV1) worden afgeleid. De tabel laat zien dat Twitter het meest wordt gebruikt voor informatiemotieven. 527 van de 682 twitteraars (noot: het totaal aantal twitteraars verschilt doordat niet elke respondent alle vragen heeft ingevuld) gaven dit motief een 5 of hoger, ofwel een score 2 voor de motiefcategorie informatie. Sociale utiliteit komt op de tweede plek voor motieven voor twittergebruik met een totaal aantal van 438 twitteraars die op deze motieven een 2 scoorden. Net n persoon minder dan de helft gaf aan Twitter te gebruiken voor

entertainmentmotieven. 199 (28.9%) twitteraars waren neutraal over het hebben van entertainmentmotieven voor het gebruik van Twitter. Hier kan men uit concluderen dat Twitter ook voor entertainment wordt gebruikt, zij het in mindere mate dan voor informatie en sociale utiliteit. Twitter wordt volgens de resultaten niet of nauwelijks gebruikt voor interpersoonlijke utiliteit motieven: slechts 17 twitteraars hadden een score van 2 voor dit motief. 596 twitteraars (88.4%) kwamen uit op een score van 1 (de scores van zeer mee oneens tot en met enigszins mee oneens) voor het inter-persoonlijke utiliteit motief.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Tabel 1 Aantal maal score 2 per motiefcategorie Soc. ut. Aantal twitteraars (N) / totaal aantal twitteraars Aantal twitteraars (N) in percentage 438/637 Int. ut. 17/674 Entert. 343/688 Info. 527/682

21

65.1

2.5

49.9

77.3

4.2 De hypotheses met betrekking tot geslacht De eerste twee hypotheses keken naar de invloed van geslacht op het hebben van verschillende motieven voor het gebruik van Twitter. Hierbij werd ervan uitgegaan dat vrouwelijke twitteraars meer sociale motieven (sociale utiliteit en inter-persoonlijke utiliteit) zouden hebben in vergelijking met mannelijke twitteraars (H1) en dat mannelijke twitteraars meer motieven zouden hebben met betrekking tot entertainment en informatie in vergelijking met vrouwelijke twitteraars (H2). De chi-kwadraattoets gaf geen bevestiging voor beide hypotheses. In tabel 2 en 3 zijn de aantallen en percentages per motiefcategorie gegeven voor zowel de mannen als de vrouwen. Voor het sociale utiliteit motief was het verschil tussen mannen en vrouwen niet significant (chi-kwadraat = 0.14; df= 2; p > 0.05). Mannen en vrouwen bleken zelfs ongeveer gelijk te scoren voor het motief sociale utiliteit: 213 mannen (64.7%) en 225 vrouwen (65.4%) gaven een score van 5 of hoger voor dit motief (ofwel: score 2 voor de motiefcategorie sociale utiliteit). Zoals gezegd in paragraaf 4.1 heeft de meerderheid van de respondenten geen interpersoonlijke utiliteit motieven voor Twitter. Vrouwen gaven weliswaar iets meer aan interpersoonlijke utiliteit motieven te hebben voor twittergebruik, maar dit was slechts een percentage van 3.5% (N = 12) van alle vrouwen in vergelijking met 1.5% (N = 5) van de mannen. Ook voor inter-persoonlijke utiliteit waren de verschillen dus niet significant (chikwadraat = 2.96; df = 2; p > 0.05). De verdeling voor het motief entertainment was voor mannen en vrouwen eveneens niet significant verschillend (chi-kwadraat = 4.09; df = 2; p > 0.05). 157 mannen (46.6%) vielen binnen de categorie score 2 voor de entertainmentmotieven. Voor de vrouwen waren dit er 186 (53.0%). Dit is dus zelfs tegen de verwachting van hypothese 2 in: vrouwen geven namelijk vaker aan Twitter voor entertainmentdoeleinden te gebruiken dan mannen.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

22

Mannen en vrouwen verschilden ook niet significant voor de informatiemotieven (chikwadraat = 1.30; df = 2; p > 0.05). De verdeling was nagenoeg gelijk: 258 mannen (77.2%) en 269 vrouwen (77.3%) vielen binnen scoregroep 2 voor de motiefcategorie informatie. Hoewel het een verschil is van slechts 11 respondenten, scoorden ook hier de vrouwen hoger dan de mannen voor de informatiemotieven. Dit is in tegenstelling met hypothese 2.

Tabel 2 Aantal maal score 2 per motiefcategorie voor de mannen Soc. ut. Aantal twitteraars (N) / totaal aantal mannelijke twitteraars Aantal twitteraars (N) in percentage 213/329 Int. ut. 5/333 Entert. 157/337 Info. 258/334

64.7

1.5

46.6

77.2

Tabel 3 Aantal maal score 2 per motiefcategorie voor de vrouwen Soc. ut. Aantal twitteraars (N) / totaal aantal vrouwelijke twitteraars Aantal twitteraars (N) in percentage 225/344 Int. ut. 12/341 Entert. 186/351 Info. 269/348

65.4

3.5

53.0

77.3

4.3 De hypotheses met betrekking tot de persoonlijke karakteristieken De derde en vierde hypothese van het onderzoek hebben betrekking op de persoonlijke karakteristieken need to belong en need for cognition. De verwachting was dat twitteraars die hoog scoren op de need to belong meer sociale motieven (sociale en inter-persoonlijke utiliteit) zouden hebben voor het gebruik van Twitter dan twitteraars die laag scoren op de need to belong (H3). Tevens werd vermoed dat twitteraars die hoog scoren op de need for cognition meer het informatiemotief zouden aandragen voor het gebruik van Twitter dan twitteraars die laag scoren op de need for cognition (H4).

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

23

De hypothese met betrekking tot de need to belong werd niet bevestigd. In tabel 4 en 5 zijn de resultaten te zien voor de need to belong en de motiefcategorien sociale utiliteit en inter-persoonlijke utiliteit. De meerderheid van de respondenten af aan, zoals reeds gezegd in paragraaf 4.1, geen inter-persoonlijke utiliteit motieven te hebben voor het gebruik van Twitter. 74.4% (N = 62) van de twitteraars met een hoge need to belong gaf aan sociale utiliteit motieven hebben. Echter, 60.7% (N = 116) van de twitteraars met een lage need to belong gaf tevens aan sociale utiliteit motieven te hebben. De twitteraars met een hoge need to belong gaven weliswaar meer aan sociale utiliteit motieven te hebben voor het gebruik van Twitter dan de twitteraars met een lage need to belong; dit verschil was niet significant (chikwadraat = 9.03; df = 4; p 0.05).

Tabel 4 Aantal maal score 2 per motiefcategorie voor de twitteraars die hoog scoorden op de need to belong (score 2) Soc. ut. Aantal twitteraars (N) / totaal aantal twitteraars die hoog scoorden op de NtB Aantal twitteraars (N) in percentage 62/83 Int. ut. 6/83

74.7

7.2

Tabel 5 Aantal maal score 2 per motiefcategorie voor de twitteraars die laag scoorden op de need to belong (score 1) Soc. ut. Aantal twitteraars (N) / totaal aantal twitteraars die laag scoorden op de NtB Aantal twitteraars (N) in percentage 116/191 Int. ut. 2/193

60.7

1.0

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

24

Voor de vierde hypothese over de need for cognition viel geen betrouwbare vergelijking te maken. Slechts 9 twitteraars scoorden laag op de need for cognition schaal en een meerderheid van 424 twitteraars (65%) had een hoge need for cognition. Over deze hypothese valt dus op basis van de verkregen data geen uitspraak te doen.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 5. Discussie

25

5.1 Onderzoeksvraag en hypotheses Het doel van deze studie was het onderzoeken van de motieven voor het gebruik van Twitter. Er werd hierbij gekeken of deze motieven verschilden voor de externe factoren geslacht en persoonlijke karakteristieken, namelijk de need to belong en de need for cognition. Dit werd onderzocht voor Nederlandse twitteraars. Tot op heden zijn er namelijk nog nauwelijks onderzoeken gedaan naar Twitter in Nederland. Bovendien waren dit veelal geen onderzoeken met een wetenschappelijke grondlegging. De onderzoeksvraag van deze studie betrof de motieven voor het gebruik van Twitter. Hierbij werd er nog geen onderscheid gemaakt naar geslacht en persoonlijke karakteristieken. De informatiemotieven scoorden met een ruime meerderheid het hoogst voor het gebruik van Twitter. Dit is in lijn met het onderzoek van Johnson & Yang (2009), waaruit bleek dat twitteraars vooral informatiemotieven hadden voor twittergebruik. Het resultaat kan tevens gerelateerd worden aan de studie van Kwak, et al. (2010), die concludeerden dat Twitter voornamelijk werd gebruikt voor het verspreiden van nieuws. Een mogelijke reden hiervoor is dat Twitter het makkelijk maakt om inhoud te delen, waaronder artikelen, weblinks of videos. Bovendien zijn steeds meer bedrijven, organisaties en kranten op Twitter te vinden. Neem de nieuwswebsite Nu.nl (@NUnl) of Tilburg University (@uvt_tilburg). Via korte berichtjes kunnen twitteraars op de hoogte worden gehouden van het laatste nieuws en zo informatie vergaren. Het is dan ook niet voor niets dat diverse mensen speculeren dat Twitter weleens het einde van de RSS reader zou kunnen betekenen. Tevens is Twitter regelmatig eerder dan de autoriteitsnieuwsbronnen met belangrijk nieuws: dit zag men onder andere tijdens de noodlanding van een vliegtuig van U.S Airways in de Hudson (Frommer, 2009) of met de dood van Osama Bin Laden (BBC, 2011). Echter, uit de resultaten van het huidige onderzoek bleek ook dat een ruime meerderheid sociale utiliteit motieven had voor twittergebruik. Deze motiefcategorie stond namelijk op de tweede plaats van de motieven voor het gebruik van Twitter. Dit is in tegenstelling tot de bovengenoemde onderzoeken. Hieruit blijkt namelijk dat Twitter niet alleen een informatiemedium is; het heeft tevens een sociale kant. Twitteraars hebben dus ook de behoefte om informatie te delen met bekenden, relaties te onderhouden met vrienden en familie, zich verbonden te voelen en te kijken naar wat deze bekenden aan het doen zijn. Twitter is hier ook geschikt voor vanwege de snelheid van het medium; zeker in vergelijking met e-mail of gewone blogs (Java, et al., 2007). Men kan gemakkelijk op de hoogte blijven

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

26

van de ander door simpelweg de statusupdates van de desbetreffende persoon te bekijken. Wel is het zo dat het hebben van sociale motieven voor het gebruik van Twitter kan worden gemodereerd door het aantal vrienden of bekenden van de twitteraar die zelf ook twitteren. Uit onderzoek van Huberman, et al. (2009) bleek namelijk dat twitteraars meer twitterden indien ze veel echte vrienden hadden die ook actief waren op Twitter. Het resultaat dat sociale motieven ook een rol spelen, sluit wel aan bij het onderzoek van Mischaud (2007). Dit onderzoek liet zien dat Twitter vooral werd gebruikt om berichten te sturen naar andere twitteraars die de twitteraar kent (sociale utiliteit), het publiceren van persoonlijke meningen en gedachten en om nieuwswaardige informatie te delen met anderen (beide informatie motieven). Ook hieruit blijkt de informatie- en sociale utiliteit functie van Twitter. Onderzoek van Java, et al. (2007) gaf tevens aan dat er drie typen van microbloggen zijn: informatie delen, informatie zoeken en vriendschappelijke relaties. Wederom blijkt dus dat er zowel informatie- als sociale utiliteit motieven voor microbloggen bestaan. Uit de laatste feiten over Twitter komt bovendien naar voren dat de meerderheid van de inhoud van tweets gerelateerd is aan conversatie of doelloos gebabbel (samen 77,7%), terwijl nieuws en informatie van degelijke waarde slechts 12,3% vormen van de inhoud van tweets (Ahles-Frijters, 2011). Om Twitter dus slechts af te doen als een nieuws- of informatiemedium is daarom niet juist; het kent ook zeker sociale kanten. Het inter-persoonlijke utiliteit motief bleek geen rol te spelen in de motieven voor twittergebruik. Vrijwel alle respondenten gaven aan dat dit geen motief is voor het gebruik van Twitter. Inter-persoonlijke utiliteit focust zich op het verminderen van eenzaamheid en de behoefte om met iemand anders te praten. De reden dat dit niet als motief wordt gezien van twittergebruik hangt mogelijk samen met het feit dat er op Twitter geen sprake hoeft te zijn van wederkerige relaties. Er bestaat namelijk een onderscheid tussen followers (twitteraars die jou volgen) en followees (twitteraars die je zelf volgt) (Huberman, et al., 2009). Dit in tegenstelling tot sociale netwerksites als Hyves of Facebook waar de relaties wel wederkerig zijn. Ook via e-mail of Instant Messaging is het veelal het geval dat je de desbetreffende persoon kent, zij het via offline dan wel online ontmoetingen. Hwang & Lombard (2006) vonden bevestiging voor het feit dat Instant Messaging onder andere wordt gebruikt vanwege inter-persoonlijke utiliteit redenen. Het is dus mogelijk dat inter-persoonlijke utiliteit alleen te verkrijgen is via wederkerige relaties of mensen waarmee iemand een persoonlijke band heeft. Via Twitter is dit moeilijk te verwezenlijken door de verschillende structuur van relaties. De Uses en Gratifications theorie geeft als derde assumptie ook aan dat media concurreren met andere vormen van communicatie of overige alternatieven, zoals een gesprek met anderen,

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

27

om behoeften te vervullen. In het geval van inter-persoonlijke utiliteit is deze concurrentie waarschijnlijk dus te groot om Twitter voor deze behoefte te gebruiken. Echter, dat Twitter volgens deze studie niet dient om eenzaamheid te verminderen en met anderen te praten, wil niet zeggen dat er via Twitter geen support kan worden verkregen indien mensen in een moeilijke periode zitten of een bepaald probleem hebben. Een twitteraar wees mij er namelijk op dat Twitter tweepcare kan bieden. Tweepcare houdt de virtuele en soms ook fysieke steun in die andere twitteraars kunnen leveren. Deze twitteraars hoeft men daar niet eens persoonlijk voor te kennen. Uit diverse verhalen over tweepcare blijkt dat steun uit onverwachte hoeken kan komen (Fackeldey, 2010; Ragna, 2010). Net iets minder dan de helft van de respondenten had entertainmentmotieven voor het gebruik van Twitter. Echter, samengenomen met de twitteraars die neutraal waren over het hebben van entertainmentmotieven, was dit toch nog een ruime meerderheid. Er kan dus worden gezegd dat Twitter wordt gebruikt om de tijd te doden en plezier te hebben. Net als bij informatiemotieven geldt dat hiervoor steeds meer mogelijkheden zijn op Twitter. Dat kan zijn door het volgen van bekende mensen als presentatrice Oprah Winfrey (@Oprah), actrice Gwyneth Paltrow (@GwynethPaltrow) of cabaretire Claudia de Breij (@claudiadebreij); maar ook door de grote hoeveelheid magazines op Twitter zoals de Viva (@VIVA_nl) of de Flair (@Flaironline). Op deze manier zijn er vele mogelijkheden om via Twitter entertainment te verkrijgen. De eerste twee hypotheses onderzochten de invloed van geslacht op de motieven voor twittergebruik. Het vermoeden was dat vrouwen voornamelijk sociale motieven (sociale en inter-persoonlijke utiliteit) zouden hebben voor het gebruik van Twitter en dat mannen met name informatie- en entertainmentmotieven zouden aangeven voor twittergebruik. Beide hypotheses werden niet door de resultaten bevestigd. Opvallend was dat mannen en vrouwen qua motieven nagenoeg gelijk waren. In het geval van entertainment en informatie hadden vrouwen deze motieven zelfs meer dan mannen, wat tegen de verwachting in was. Dit was echter geen significant resultaat. De hypotheses met betrekking tot geslacht waren gebaseerd op eerdere onderzoeken (Boneva, et al., 2001; Jackson, et al., 2001; Odell, et al., 2000; Weiser, 2000) die aantoonden dat vrouwen e-mail en het web met name gebruikten voor het onderhouden van inter-persoonlijke relaties, communicatie en het vergroten van hun sociale netwerk en dat mannen vooral doen aan websurfen en het web gebruiken voor het verzamelen van informatie en entertainment. Deze lijn kan op basis van het huidige onderzoek niet worden doorgetrokken naar Twitter. Voor Twitter kan dus worden geconcludeerd dat mannen en vrouwen geen significante verschillende motieven hebben; sterker nog: ze komen

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

28

nagenoeg overeen. Voor de motieven van twittergebruik is de factor geslacht in eerder onderzoek niet meegenomen of is hiervoor gecontroleerd. De derde en vierde hypothese gingen in op de persoonlijke karakteristieken need to belong en need for cognition. De verwachting was dat twitteraars die hoog scoren op de need to belong meer sociale motieven (sociale en inter-persoonlijke utiliteit) zouden hebben voor twittergebruik dan twitteraars die laag scoren op de need to belong. Voor de need for cognition was het vermoeden dat twitteraars die hoog scoren op deze schaal meer informatie motieven zouden aangeven voor het gebruik van Twitter dan twitteraars die een lage need for cognition hebben. Over de hypothese aangaande de need for cognition konden geen uitspraken worden gedaan in verband met een te kleine groep die laag scoorde op de need for cognition schaal. De hypothese met betrekking tot de need to belong werd niet bevestigd. Voor de inter-persoonlijke utiliteit motieven gold dat de meerderheid van de twitteraars deze niet had voor het gebruik van Twitter. De sociale utiliteit motieven verschilden niet significant voor twitteraars die hoog dan wel laag scoorden op de need to belong. Een mogelijke reden is dat sociale utiliteit en de need to belong op twee verschillende gronden zijn gebaseerd. Sociale utiliteit is onder andere gericht op het delen van informatie met anderen die je kent, het kijken naar wat bekenden aan het doen zijn en het onderhouden van relaties met vrienden en familie. De need to belong focust zich meer op het onderdeel zijn van een groep, zoals je familie, vrienden of collegas. Op Twitter is groepsvorming lastiger, omdat een twitteraar niet al zijn followers of followees hoeft te kennen. Mensen met een hoge need to belong zullen hun behoefte om bij een groep te willen horen dus moeilijk via Twitter kunnen vervullen. Dit gaat waarschijnlijk beter via sociale netwerksites als Facebook of Hyves. Gangadharbatla (2008) vond in zijn onderzoek dan ook een positief effect van de need to belong op de attitudes met betrekking tot sociale netwerksite Facebook. De sociale utiliteit motieven zoals het kijken naar wat bekenden aan het doen zijn en het onderhouden van relaties met vrienden en familie zijn niet noodzakelijk gericht op groepsvorming en dat kan de reden zijn dat er geen relatie is gevonden tussen de need to belong en sociale utiliteit motieven. Dit gaat tegen de Uses en Gratifications theorie in; Katz, Blumler & Gurevitch (1974, als geciteerd in Papacharissi, 2009, p. 138) spraken namelijk over de sociale en psychologische origine van motieven. Uit de resultaten van deze studie blijkt echter dat er geen verschil bestaat voor de psychologische factor need to belong (en mogelijk ook de need for cognition). Het is natuurlijk wel denkbaar dat de motieven voor twittergebruik verschillen voor andere sociale en psychologische factoren.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 5.2 Theoretische en praktische implicaties

29

Dit onderzoek biedt verschillende theoretische en praktische implicaties. Ten eerste draagt deze studie bij aan de wetenschappelijke kennis met betrekking tot Twitter. Zoals is aangegeven in de introductie, is er tot op heden nog weinig onderzoek gedaan naar Twitter. Dit heeft er mogelijk mee te maken dat Twitter nog een vrij nieuw medium is. Bovendien zijn er nog weinig onderzoeken betreffende Twitter in Nederland. Daar komt bij dat deze onderzoeken zich niet hebben gericht op de motieven voor twittergebruik. In dit opzicht heeft het huidige onderzoek dus een duidelijke wetenschappelijke relevantie. Tevens heeft het deze studie aangetoond dat Twitter niet alleen wordt gebruikt voor informatiedoeleinden en het verspreiden van nieuws. Sociale utiliteit motieven waren ook aanwezig. Dit is in tegenstelling tot eerdere onderzoeken van Johnson & Yang (2009) en Kwak, et al. (2010). Informatiebehoeften waren weliswaar het belangrijkste voor het gebruik van Twitter; sociale motieven moeten niet vergeten worden. Dit onderzoek biedt dus een nieuw perspectief in vergelijking met voorgaande onderzoeken naar Twitter, met name in vergelijking met de studies die zich richtten op de Uses en Gratifications van Twitter. Entertainmentmotieven konden ook worden gerelateerd aan twittergebruik, zij het in mindere mate dan informatie en sociale motieven. Gezien de mogelijkheden om entertainmentbehoeften via Twitter te vervullen toenemen, zou dit in te toekomst mogelijk een belangrijkere rol kunnen spelen. Denk hierbij aan het toenemende aantal bekende personen op Twitter en het aantal magazines, entertainmentblogs en televisie- en filmbedrijven die twitteren. Uit het huidige onderzoek bleek daarnaast dat voor inter-persoonlijke utiliteit Twitter geen of een minder geschikt medium is. Het vermoeden is dat inter-persoonlijke utiliteit of support beter kan worden gehaald uit de offline wereld of via wederkerige relaties (zoals via Instant Messaging (Hwang & Lombard, 2006)). Verder toonde deze studie aan dat de externe factoren geslacht en persoonlijke karakteristieken, waarbij werd gekeken naar de need to belong en need for cognition, geen rol speelden. Eerdere onderzoeken naar de motieven voor twittergebruik hadden nog geen antecedenten meegenomen in de onderzoeksopzet. Het huidige onderzoek biedt dan ook de wetenschappelijke kennis dat geslacht en de need to belong kunnen worden uitgesloten van invloed op de motieven voor het gebruik van Twitter. Voor de need for cognition kan dit niet met honderd procent zekerheid worden gezegd, gezien hiervoor moeilijk een vergelijking kon worden gemaakt voor de twitteraars met een hoge dan wel lage need for cognition.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

30

Dit onderzoek biedt tevens praktische implicaties. Ten eerste het design van Twitter: het moet zich niet alleen richten op sociale conversaties, maar juist ook de informatieaspecten benadrukken. Twitter heeft dit dan ook onlangs gedaan met een nieuw design. Omschreef Twitter zich voorheen nog als a service for friends, family, and coworkers to communicate and stay connected through the exchange of quick, frequent answers to one simple question: What are you doing? (Mashable, z.d.); tegenwoordig noemt Twitter zichzelf een informatienetwerk, waar ieder individu informatie kan vinden over datgene wat hij of zij interessant vindt (Twitter, 2011). De nieuwe slogan van Twitter is dan ook Follow your interests, met de bijbehorende vraag What is happening?. Twitter heeft dus een goede omslag gemaakt in het nieuwe design. Een minpuntje is wel dat Twitter nu vooral de nadruk legt op het zijn van een informatienetwerk, terwijl het meer is dan dat. De sociale conversatie speelt nog steeds een belangrijke rol. Wellicht dat Twitter haar eigen definitie nog meer kan omschrijven als een combinatie van informatie en sociaal dialoog. Hoewel de huidige studie niet ingaat op de bedrijfscontext, kunnen de resultaten mogelijk informatie bieden voor bedrijven en organisaties die zich willen profileren op Twitter. Gezien de resultaten dat twitteraars zowel informatie als sociale motieven hebben, is het voor bedrijven aan te raden een balans te zoeken in tweets met betrekking tot informatie en sociale conversatie. Een twitteraccount dat slechts links biedt naar informatie op de website en niet ingaat op vragen of opmerkingen van klanten, zal zichzelf niet van een goede kant laten zien op Twitter. Het is belangrijk om ook het gesprek met de klant aan te gaan. Bovendien is Twitter hier een krachtig medium voor, gezien de snelheid van berichtjes. Hierbij moet gezegd worden dat het bovenstaande speculatie is. Om echt zekerheid hierover te krijgen zal onderzoek naar Twitter nodig zijn dat zich richt op de context van bedrijven en organisaties.

5.3 Beperkingen en toekomstig onderzoek Ondanks dat het huidige onderzoek diverse nieuwe inzichten biedt, moet er wel rekening worden gehouden met de beperkingen van deze studie. Het feit dat er gebruik is gemaakt van een enqute speelt namelijk een rol. De antwoorden die worden gegeven op enqutes zijn niet altijd even betrouwbaar, omdat situationele en omgevingsfactoren mogelijk van invloed kunnen zijn op het invulgedrag. Sociale wenselijkheid kan ook van invloed zijn geweest op de verkregen resultaten: met name voor de vragen van de need to belong en need for cognition heeft dit mogelijk een rol gespeeld. Het is bijvoorbeeld te verwachten dat mensen hoog willen scoren op de need for cognition, om te laten zien dat zij graag over

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

31

dingen nadenken en niet zomaar alles aannemen. Daarnaast heeft de respondentenpopulatie zichzelf geselecteerd: twitteraars hebben de enqute op vrijwillige basis ingevuld en vormen dus mogelijk een selecte categorie van personen, die misschien al genteresseerd zijn in onderzoek. Van het huidige onderzoek kan dan ook niet worden gezegd dat de relaties causaal zijn. Daarvoor zou een longitudinaal onderzoek moeten worden opgezet, mogelijk met enkele diepte-interviews om de resultaten te versterken. Een andere beperking van het onderzoek is dat het niet mogelijk was ook in te gaan op de gratifications obtained van Twitter. Uit de pilot-test bleek dat men de vragen van de gratifications sought en obtained teveel op elkaar vond lijken, waardoor de antwoorden nauwelijks verschilden. In verband met de geringe tijd voor dit onderzoek is toen besloten deze vragen eruit te halen in plaats van ze te veranderen. Toekomstig onderzoek zou een andere manier kunnen bedenken om toch de vervulde behoeften van Twitter in kaart te brengen. De laatste statistieken met betrekking tot Twitter laat namelijk wel een verschil zien tussen waarom we Twitter gebruiken en hoe we Twitter gebruiken. Zo scoort het delen van nieuwswaardige berichten redelijk hoog (55%) voor hoe we Twitter gebruiken, terwijl een lager percentage (gemiddeld 26%) aangeeft dat het vinden van nieuws en het up-to-date blijven een reden is voor hun twittergebruik (Voets, 2011). Er zijn nog diverse andere mogelijkheden voor vervolgonderzoek op basis van de huidige studie. Zo kan er worden gekeken naar de invloed van cultuur op de motieven voor twittergebruik: verschillen de motieven voor collectivistische dan wel individualistische culturen? Een andere mogelijkheid is om te kijken naar de invloed van het aantal vrienden dan wel volgers op Twitter. Mogelijk treedt dit op als moderator voor de motieven. Uit eerder onderzoek blijkt namelijk dat twitteraars die meer wederkerige relaties of daadwerkelijke vrienden hebben op Twitter ook meer twitteren (Huberman, et al., 2009; Krishnamurthy, Gill, & Arlitt, 2008). Deze factor was in eerste instantie meegenomen in het huidige onderzoek. Echter, deze is er op aanraden uitgehaald, omdat dit het onderzoek te uitgebreid zou maken. Een eveneens interessant onderzoeksdoel is om te kijken naar de redenen waarom mensen wel dan wel niet twitteren. Zitten hier bepaalde motieven achter? En verschillen deze voor bepaalde karakteristieken? Het moge dus duidelijk zijn dat er op het gebied van Twitter nog vele onderzoeksmogelijkheden zijn. De bovengenoemde ideen zijn slechts enkele mogelijkheden voor vervolgonderzoek. Gezien de nog steeds groeiende populariteit van het medium, is de verwachting dat het aantal onderzoeken naar Twitter zal toenemen.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 5.4 Conclusie

32

Afgezien van de genoemde beperkingen, biedt deze studie zowel theoretische als praktische implicaties en een antwoord op de onderzoeksvraag Wat zijn de motieven voor het gebruik van Twitter?. Twitteraars blijken vooral informatiemotieven te hebben voor hun twittergebruik, gevolgd door sociale utiliteit en entertainmentmotieven. Met dit onderzoek is dan ook aangetoond dat Twitter niet slechts een informatiemedium is, maar dat het ook een sociale kant kent. Dit geeft een nieuw inzicht ten opzichte van eerder onderzoek, wat Twitter aanmerkte als vooral een informatie- of nieuwsmedium. Daarnaast is gebleken dat geslacht en de need to belong geen invloed hadden op de motieven voor twittergebruik. Man of vrouw, een hoge of lage need to belong: het bleek geen effect te hebben op de gegeven motieven voor het gebruik van Twitter. Er konden geen uitspraken worden gedaan over het mogelijke effect van de need for cognition op de motieven voor twittergebruik in verband met een te kleine groep twitteraars die laag scoorde op deze schaal.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 6. Referenties

33

Ahles-Frijters, K. (2011, 5 juni). [infographic]: nieuwe feiten en cijfers over Twitter. Geraadpleegd via http://www.dutchcowboys.nl/twitter/22393 Baarda, D. B., de Goede, M. P. M., & Kalmijn, M. (2007). Basisboek enquteren: handleiding voor het maken van een vragenlijst en het voorbereiden en afnemen van enqutes. Groningen/Houten: Wolters-Noordhoff. Baumeister, R. F., & Leary, M. R. (1995). The need to belong: Desire for interpersonal attachments as a fundamental human motivation. Psychological bulletin, 117, 497497. BBC. (2011, 2 mei). Bin Laden raid was revealed on Twitter. Geraadpleegd via http://www.bbc.co.uk/news/technology-13257940 Belet, S. (2008). De groep als veilige haven: Affiliatie en reputatie in bedreigende omstandigheden. Master of Science, Universiteit Gent, Gent. Bliek, F. (2005). "Need for closure" en "Need for cognition" als verklarende variabele voor het gebruik van productattributen. Graad van licentiaat, Universiteit Gent, Gent. Boneva, B., Kraut, R., & Frohlich, D. (2001). Using e-mail for personal relationships. American Behavioral Scientist, 45(3), 530. Boyd, D. M., & Ellison, N. B. (2008). Social network sites: Definition, history, and scholarship. Journal of Computer Mediated Communication, 13(1), 210-230. Cacioppo, J. T., Petty, R. E., & Kao, C. F. (1984). The efficient assessment of need for cognition. Journal of Personality Assessment, 48(306-307). Chen, G. M. (2011). Tweet this: A uses and gratifications perspective on how active Twitter use gratifies a need to connect with others. Computers in Human Behavior, 27(2), 755-762. Coursaris, C. K., Yun, Y., & Sung, J. (2010a). Twitter users vs. quitters: A uses and gratifications and diffusion of innovations approach in understanding the role of mobility in microblogging. Paper gepresenteerd tijdens Mobile Business and 2010 Ninth Global Mobility Roundtable (ICMB-GMR), Athene, Griekenland. Coursaris, C. K., Yun, Y., & Sung, J. (2010b). Understanding Twitters adoption and use continuance: the Synergy between Uses and Gratifications and Diffusion of Innovations. Geraadpleegd via http://aisel.aisnet.org/sighci2010/3

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK ugun, A. (2007, 24 oktober). Microbloggen als communicatiemedium. Geraadpleegd via http://www.frankwatching.com/archive/2007/10/24/microbloggen-alscommunicatiemedium/ Cummings, N. M. (2008). The uses and gratifications of communication in virtual spaces:

34

media depictions of Second Life, 2002-2008. Bachelor of Arts, Honors College of the University of Oregon, Eugene. Davis, F. D. (1989). Perceived usefulness, perceived ease of use, and user acceptance of information technology. MIS quarterly, 13(3), 319-340. Ebersole, S. (2000). Uses and gratifications of the Web among students. Journal of Computer Mediated Communication, 6(1). eBizMBA. (2011). Top 15 most popular social networking websites | March 2011. Geraadpleegd via http://www.ebizmba.com/articles/social-networking-websites Ebner, M., & Schiefner, M. (2008). Microblogging-more than fun. Paper gepresenteerd tijdens Mobile Learning Conference, Algarve, Portugal. EdisonResearch. (2010, 29 april). Twitter usage in America: 2010. Geraadpleegd via http://www.edisonresearch.com/twitter_usage_2010.php eMarketer. (2009, 28 juli). Why people use Twitter. Geraadpleegd via http://www.emarketer.com/(X(1)S(0iskuefgl2wfuz55oyjggund))/Article.aspx?R=1007 193 Fackeldey, J. (2010, 22 juli). Twitter: Een kleine moeite en een groot plezier. Geraadpleegd via http://www.fackeldeyfinds.com/twitter-kleine-moeite-en-groot-plezier/ Fitton, L., Gruen, M. E., & Poston, L. (2010). Twitter for Dummies (2nd ed.). Indianapolis, Indiana: Wiley Publishing, Inc. Frommer, D. (2009, 15 januari). U.S. Airways crash rescue picture: Citizen journalism, Twitter at work. Geraadpleegd via http://www.businessinsider.com/2009/1/usairways-crash-rescue-picture-citizen-jouralism-twitter-at-work Gangadharbatla, H. (2008). Facebook me: collective self-esteem, need to belong, and internet self-efficacy as predictors of the iGenerations attitudes toward social networking sites. Journal of Interactive Advertising, 8(2), 1-28. Huberman, B. A., Romero, D. M., & Wu, F. (2009). Social networks that matter: Twitter under the microscope. First Monday, 14(1), 8. Hwang, H. S., & Lombard, M. (2006). Understanding instant messaging: Gratifications and social presence. Proceedings of PRESENCE 2006, 50-56.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Jackson, L. A., Ervin, K. S., Gardner, P. D., & Schmitt, N. (2001). Gender and the Internet: Women communicating and men searching. Sex Roles, 44(5), 363-379. Java, A., Song, X., Finin, T., & Tseng, B. (2007). Why we twitter: understanding

35

microblogging usage and communities. Paper gepresenteerd tijdens Proceedings of the 9th WebKDD and 1st SNA-KDD 2007 workshop on Web mining and social network analysis, San Jose, Californi. Johnson, P. R., & Yang, S. (2009). Uses and gratifications of Twitter: An examination of user motives and satisfaction of Twitter use. Paper gepresenteerd tijdens Association for Education in Journalism and Mass Communication Boston, Massachusetts. Joinson, A. N. (2008). Looking at, looking up or keeping up with people?: motives and use of Facebook. Paper gepresenteerd tijdens CHI 2008, Florence, Itali. Katz, E., Blumler, J. G., & Gurevitch, M. (2003). Utilization of mass communication by the individual. In V. Nightingale & K. Ross (Eds.), Critical readings: media and audiences (pp. 35). Maidenhead, Berkshire: Open University Press. Kazeniac, A. (2009, 9 februari). Social networks: Facebook takes over top spot, Twitter climbs. Geraadpleegd via http://blog.compete.com/2009/02/09/facebook-myspacetwitter-social-network/ Ko, H., Cho, C. H., & Roberts, M. S. (2005). Internet uses and gratifications: A structural equation model of interactive advertising. Journal of Advertising, 34(2), 57-70. Kok, B. (2011, 21 februari). Twitter in 20 getallen. Geraadpleegd via http://twittermania.nl/2011/02/twitter-20-getallen/ Krishnamurthy, B., Gill, P., & Arlitt, M. (2008). A few chirps about twitter. Paper gepresenteerd tijdens Proceedings of the first workshop on Online social networks New York. Kwak, H., Lee, C., Park, H., & Moon, S. (2010). What is Twitter, a social network or a news media? Paper gepresenteerd tijdens International World Wide Web Conference 2010, Raleigh, North Carolina. Leary, M. R., Kelly, K. M., Cottrell, C. A., & Schreindorfer, L. S. (2006). Individual differences in the need to belong: Mapping the nomological network. Nietgepubliceerd werk, Wake Forest University. Lederer, A. L., Maupin, D. J., Sena, M. P., & Zhuang, Y. (2000). The technology acceptance model and the World Wide Web. Decision Support Systems, 29(3), 269-282. Leung, L. (2001). College student motives for chatting on ICQ. New Media & Society, 3(4), 483.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

36

Li, D. (2005). Why do you blog: A uses-and-gratifications inquiry into bloggers' motivations. Master of Arts, Marquette University, Milwaukee, Wisconsin. Lim, S. (2009). How and why do college students use Wikipedia? Journal of the American Society for Information Science and Technology, 60(11), 2189-2202. Mashable. (z.d.). What is Twitter? Geraadpleegd via http://mashable.com/what-is-twitter/ Mayer, M. (2009, 21 oktober). RT @google: Tweets and updates and search, oh my! Geraadpleegd via http://googleblog.blogspot.com/2009/10/rt-google-tweets-andupdates-and-search.html Meeuwsen, F. (2011, 17 februari). The top Twitter country? The Netherlands. Geraadpleegd via http://www.inspirationoverload.nl/the-top-twitter-country-the-netherlands Mings, S. M. (1997). Uses and gratifications of online newspapers: A preliminary study. The Electronic Journal of Communication, 7(3). Mischaud, E. (2007). Twitter: Expressions of the whole self. MSc, London School of Economics and Political Science, London. Morris, M., & Ogan, C. (1996). The Internet as mass medium. Journal of Communication, 46(1), 39-50. Nations, D. (2010, 15 maart). The top 10 most popular social networks (2010). Geraadpleegd via http://webtrends.about.com/b/2010/03/15/the-top-10-most-popular-socialnetworks.htm Nielsen. (2009). Global faces and networked places: A Nielsen report on social networking's new global footprint. Geraadpleegd via http://blog.nielsen.com/nielsenwire/wpcontent/uploads/2009/03/nielsen_globalfaces_mar09.pdf NielsenWire. (2010a, 4 mei). Facebook and Twitter post large year over year gains in unique users. Geraadpleegd via http://blog.nielsen.com/nielsenwire/global/facebook-andtwitter-post-large-year-over-year-gains-in-unique-users/ NielsenWire. (2010b, 19 maart). Global audience spends two hours more a month on social networks than last year. Geraadpleegd via http://blog.nielsen.com/nielsenwire/global/global-audience-spends-two-hours-more-amonth-on-social-networks-than-last-year/ Odell, P. M., Korgen, K. O., Schumacher, P., & Delucchi, M. (2000). Internet use among female and male college students. CyberPsychology & Behavior, 3(5), 855-862. Papacharissi, Z. (2009). Uses and Gratifications. In D. W. Stacks & M. B. Sawen (Eds.), An integrated approach to communication theory and research. New York: Taylor & Francis.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

37

Papacharissi, Z., & Rubin, A. M. (2000). Predictors of internet use. Journal of Broadcasting & Electronic Media, 44(2), 175-196. Quan-Haase, A., & Young, A. L. (2010). Uses and gratifications of social media: A comparison of Facebook and instant messaging. Bulletin of Science, Technology & Society, 30(5), 350. Raacke, J., & Bonds-Raacke, J. (2008). MySpace and Facebook: Applying the uses and gratifications theory to exploring friend-networking sites. CyberPsychology & Behavior, 11(2), 169-174. Ragna. (2010, 26 oktober). Tweepcare. Geraadpleegd via http://ragnaja.wordpress.com/2010/10/26/tweepcare/ Ringeling, X. (2010). Twitteronderzoek 2010. Geraadpleegd via http://www.contentgirls.nl/down/twitteronderzoeksrapport.pdf Rubin, A. M. (2009). Uses-and-gratifications perspective on media effects. In J. Bryant & M. B. Oliver (Eds.), Media effects: Advances in theory and research (3rd ed.). New York: Routledge. Ruggiero, T. E. (2000). Uses and gratifications theory in the 21st century. Mass Communication and Society, 3(1), 3-37. Schoonderwoerd, N. (2010, 31 juli). Twitter onderzoek. Geraadpleegd via http://nl.twirus.com/details/blog/672/ Schoonderwoerd, N. (2011, 20 februari). Top 418.621 van Nederlandstalige twitteraars. Geraadpleegd via http://nl.twirus.com/details/blog/731/Top-418.621-vanNederlandstalige-twitteraars Shao, G. (2009). Understanding the appeal of user-generated media: a uses and gratification perspective. Internet Research, 19(1), 7-25. Shaw, L. H., & Gant, L. M. (2002). Users divided? Exploring the gender gap in Internet use. CyberPsychology & Behavior, 5(6), 517-527. Stafford, T. F., Stafford, M. R., & Schkade, L. L. (2004). Determining uses and gratifications for the Internet. Decision Sciences, 35(2), 259-288. Sysomos. (2009). Inside Twitter. Geraadpleegd via http://www.sysomos.com/insidetwitter/ Sysomos. (2010a). Exploring the use of Twitter around the world. Geraadpleegd via http://blog.sysomos.com/2010/01/14/exploring-the-use-of-twitter-around-the-world/ Sysomos. (2010b). Twitter statistics for 2010: An in-depth report at Twitters growth 2010, compared with 2009. Geraadpleegd via http://www.sysomos.com/insidetwitter/twitterstats-2010/

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

38

Twitter. (2011). Twitter: About. Geraadpleegd op 5 maart 2011, via http://twitter.com/about Voets, J. (2011, 8 juni). Infographic: Het Grote Wie, Wat & Waar van Twitter. Geraadpleegd via http://www.dutchcowboys.nl/twitter/22416 Weiser, E. B. (2000). Gender differences in Internet use patterns and Internet application preferences: A two-sample comparison. Cyberpsychology and behavior, 3(2), 167178. West, R., & Turner, L. H. (2010). Introducing communication theory (4rd ed.). New York: McGraw-Hill.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 7. Bijlage Dit is de oorspronkelijke vragenlijst, zoals deze op onderzoekdoen.nl heeft gestaan.

39

Project Twittergebruik Wij vragen uw medewerking aan een onderzoek over het gebruik van Twitter. Doel van het onderzoek Twitter werd opgericht in maart 2006 en sindsdien is het medium groeiende. Momenteel kent Twitter wereldwijd 200 miljoen geregistreerde gebruikers. Dagelijks komen daar 460.000 nieuwe gebruikers bij. De actieve twitteraars zorgen ervoor dat er per dag meer dan 100 miljoen tweets de wereld in worden gestuurd. Maar wat zijn de motieven voor Twittergebruik? Aan het beantwoorden van deze vraag kunt u een bijdrage leveren door deel te nemen aan dit onderzoek. Deze vragenlijst bestaat uit algemene vragen en vragen met betrekking tot het bovenstaande. Denk bij deze vragen niet te lang na; het gaat om uw persoonlijke mening. Foute antwoorden bestaan dan ook niet. Het invullen van de vragenlijst duurt ongeveer 5 minuten. De vragenlijst bestaat uit enkele open vragen en vragen die op een zeven- of vijfpuntsschaal worden beantwoord. Het is van belang dat u de vragenlijst in n keer invult, anders gaan de resultaten verloren. Tevens heeft u geen optie om terug te gaan naar de vorige pagina, dus kijk goed of u alles heeft ingevuld. Alle antwoorden worden anoniem behandeld. Wij stellen uw medewerking op prijs en zijn u daarvoor dankbaar.

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Persoonlijke gegevens Hieronder worden enkele persoonlijke gegevens van u gevraagd. Dit is puur voor onderzoeksdoeleinden en hier wordt uiteraard vertrouwelijk mee omgegaan. Wat is uw geslacht? o man o vrouw Wat is uw leeftijd? . 1. o o o o o o o De hoogste opleiding die ik heb afgerond: Lager onderwijs Voorbereidend beroepsonderwijs (VMBO, LTS, LHNO) Algemeen vormend onderwijs (Mavo, Havo, Mulo) Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (Gymnasium, Atheneum, HBS) Middelbaar beroepsonderwijs (MBO, MTS, MEAO e.d.) Hoger beroepsonderwijs (HEAO, HBO e.d.) Universiteit (WO)

40

Twitter Hieronder volgen enkele vragen over uw Twittergebruik. Uitleg tekens: In de onderstaande vragen leest u regelmatig het teken - <. Bijvoorbeeld 0,5 jaar - < 1 jaar. Daarmee wordt dan bedoeld: 0,5 jaar of meer, maar minder dan 1 jaar. Bij de volgende optie ziet u dan staan: 1 jaar - < 1,5 jaar. Die optie houdt 1 jaar of meer, maar minder dan 1,5 jaar in. Hoe lang gebruikt u Twitter al? o minder dan 0,5 jaar o 0,5 jaar - < 1 jaar o 1 jaar - < 2 jaar o 2 jaar of meer Hoeveel dagen per week maakt u gebruik van Twitter? o 1 2 dagen per week o 3 4 dagen per week o 5 of meer dagen per week Hoeveel minuten gebruikt u Twitter per dag (van de dagen dat u Twitter daadwerkelijk gebruikt)? o minder dan 30 minuten o 30 - < 60 minuten o 60 minuten of meer Hoeveel keren per dag bekijkt u Twitter (van de dagen dat u Twitter daadwerkelijk gebruikt)? o 1 - 2 keer o 3 - 5 keer o 6 keer of meer

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Motieven voor Twittergebruik Op deze pagina volgen een aantal stellingen. Geef aan welk cijfer het beste uw mening weergeeft. Sociale utiliteit (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Ik gebruik Twitter om te zien wat anderen aan het doen zijn. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om informatie uit te wisselen met mensen die ik ken. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om in contact te blijven met vrienden en familieleden. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om anderen te laten weten dat ik in ze genteresseerd ben. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om me betrokken te voelen met wat er in het leven van andere mensen speelt. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens

41

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 7. zeer mee eens Inter-persoonlijke utiliteit (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Ik gebruik Twitter omdat ik iemand nodig heb om mee te praten of om samen mee te zijn. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om me minder alleen te voelen. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om me gerust te stellen dat er iemand is. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om over interessante dingen te praten. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om uitgaan te vermijden. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens

42

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Entertainment (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Ik gebruik Twitter omdat het entertainend is. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om plezier te hebben. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om de tijd te verdrijven als ik me verveel. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om niet over andere dingen na hoeven te dingen. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Informatie (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Ik gebruik Twitter om informatie te verkrijgen die ik zoek. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens

43

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK Ik gebruik Twitter omdat het een nieuwe manier is van onderzoek doen. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om bij te blijven met het nieuws. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Ik gebruik Twitter om mijn persoonlijke gevoelens en meningen vrij te uiten. 1. zeer mee oneens 2. mee oneens 3. enigszins mee oneens 4. niet mee oneens, ook niet mee eens 5. enigszins mee eens 6. mee eens 7. zeer mee eens Persoonlijkheidsstellingen Geef aan in hoeverre de volgende uitspraken op u van toepassing zijn (d.w.z. in welke mate beschrijft elke uitspraak u als een persoon). Need to belong (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Ik wil dat andere mensen me accepteren. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik vind het niet leuk om alleen te zijn. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik heb er geen last van als ik gescheiden ben van mijn vrienden voor een langere periode. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij

44

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik heb een sterke behoefte ergens bij te horen. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik vind het vervelend als ik niet betrokken ben bij de plannen van anderen. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik voel me snel slecht wanneer ik weet dat anderen me niet accepteren. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik doe erg mijn best om dingen te vermijden waardoor anderen mij zouden vermijden of uitsluiten. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik ben zelden bezorgd of andere mensen om me geven of niet. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik moet het gevoel hebben dat er andere personen zijn waar ik naartoe kan als ik problemen heb. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Als andere mensen me niet accepteren, dan zit ik daar niet mee. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij

45

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK 2. 3. 4. 5. niet kenmerkend voor mij neutraal kenmerkend voor mij heel kenmerkend voor mij

46

Need for cognition (dit kopje stond niet in de daadwerkelijke vragenlijst) Als ik moet kiezen heb ik liever een ingewikkeld dan een simpel probleem. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik ben graag verantwoordelijk voor een situatie waarin veel nagedacht moet worden. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Denken is niet precies mijn idee van plezier hebben. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik doe liever iets waarbij weinig nagedacht hoeft te worden dan iets waarbij mijn denkvermogen zeker op de proef wordt gesteld. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij
Iets langdurig en precies afwegen geeft me voldoening. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik denk alleen zoveel als nodig is. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

47

Ik houd van taken waarbij weinig nagedacht hoeft te worden wanneer ik ze eenmaal geleerd heb. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik denk liever over kleine dagelijkse dan over lange termijn projecten na. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Het idee om op mijn verstand te vertrouwen vind ik aantrekkelijk. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik geniet echt van een taak waarin men met nieuwe oplossingen voor problemen moet komen. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Nieuwe manieren leren om te denken trekt me niet bijzonder aan. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Het idee om abstract te denken vind ik aantrekkelijk. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Ik heb liever een taak die intellectueel, moeilijk en belangrijk is, dan een taak die enigszins belangrijk is maar waarbij je niet veel hoeft na te denken. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij

MOTIEVEN VOOR TWITTERGEBRUIK

48

Ik vind het voldoende wanneer iets blijkt te werken: hoe of waarom het precies werkt interesseert me niet. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij Gewoonlijk maak ik zelfs uitgebreid afwegingen over zaken die niet persoonlijk op mijzelf betrekking hebben. 1. helemaal niet kenmerkend voor mij 2. niet kenmerkend voor mij 3. neutraal 4. kenmerkend voor mij 5. heel kenmerkend voor mij

Hulp gevraagd Voor mijn scriptieonderzoek heb ik zoveel mogelijk twitteraars nodig die de bovenstaande vragenlijst invullen. Help mij met het verspreiden van deze vragenlijst, door het te twitteren. Klik op deze knop: >Tweetbutton< en lever een bijdrage aan mijn scriptie. Bij voorbaat hartelijk dank! Einde onderzoek U bent aangekomen bij het einde van het onderzoek. Wilt u een digitale versie van mijn scriptie ontvangen zodra deze klaar is? Stuur dan een e-mail naar scriptietwitter@gmail.com Hartelijk dank voor het invullen van deze vragenlijst.