You are on page 1of 9

Afgiftekantoor ANTWERPEN X

Secessie
Kwartaalblad voor de Studie van Separatisme en Directe Democratie

Lambermont: een schaamteloze Vlaamse capitulatie ..............................................................29

Nr. 4
Driemaandelijks: juli – augustus – september 2001
Een uitgave van het Mia Brans Instituut
www.secessie.nu
Secessie
Kwartaalblad voor de Studie van Separatisme en Directe Democratie

Een uitgave van het Mia Brans Instituut
Lemméstraat 3
2018 Antwerpen

verantw. uitg.: Dr. Alexandra Colen
hoofdredacteur: Mr. Paul Belien
e-post: paul@secessie.nu

www.secessie.nu
Nr. 4
Driemaandelijks: juli – augustus – september 2001

De auteurs zijn alleen verantwoordelijk voor de
inhoud van hun eigen tekst. Secessie is een
discussieforum waarbinnen uiteenlopende
meningen mogelijk zijn.

Ja, ik wil Secessie
Dit blad is gratis.* Als u
het wil blijven ontvangen,
volstaat het uw naam op te
geven bij:
Secessie
Lemméstraat 3
2018 Antwerpen.
Indien u de verspreiding
van dit blad wil steunen,
kan dit door storting van
een vrijwillige bijdrage op
rek. 979-9529001-17
van Secessie, Antwerpen.
Erratum bij het vorige nummer:
De uitgave zal gestaakt
In het artikel van Dr. Marc Platel viel een deel
worden wanneer uw van een zin weg op pag. 16, onderaan de 2de
vrijwillige giften ons niet paragraaf, 4de laatste regel. Er moet staan:
langer in staat stellen de Ex-BRT directeur Karel Hemmerechts…
uitgave en verspreiding titelde zijn boek over Brussel „Triëst van het
Noorden,” ook al niet erg vriendelijk. Dirk
te financieren. Wilmars tekent…
De auteur vraagt ons eveneens om te bena-
* Aanbod niet geldig in het drukken dat hij zijn artikel „uiteraard schreef
buitenland. vanuit een allerindividueelste impressie.”
Lambermont:
een schaamteloze Vlaamse capitulatie

Twee rampen bedreigen de Dankzij het Lambermont-akkoord (en het eraan gekoppelde Lombard-akkoord)
Vlamingen in Brussel, aldus staat Brussel opnieuw in het middelpunt van de institutionele discussie.
Dat is trouwens één van de weinige positieve gevolgen van dit inhoudelijk
Brigitte Grouwels; ten eerste het
slechte akkoord. Ongeacht wat sommige (Vlaams-)Brusselse politici ook
loslaten van Brussel door mogen beweren is het immers absoluut wenselijk dat Vlamingen (en
Vlaanderen; ten tweede het Franstaligen) van buiten Brussel zich gaan „bemoeien” met de institutione-
Lambermontakkoord. le structuur van wat, per slot van rekening, nog altijd hun hoofdstad is. Dat
zal Brussel en alle Brusselaars op termijn ten goede komen. Bovendien is het
ook zo dat we als Vlamingen sterker staan in een discussie van Gemeenschap
tot Gemeenschap dan in een discussie onder de Brusselse taalgroepen.
Het valt alleen nog te bezien of de belangstelling voor de Brusselse institu-
tionele problematiek er ook nog zal zijn na de beslechting van het debat over
Lambermont. Is Brussel, met andere woorden, voor de tegenstanders van
Lambermont enkel een instrument in hun strijd tegen dit akkoord? Of zijn
zij bereid om zich te engageren in een constructieve poging om een alternatief
te ontwikkelen? En zijn zij bereid om aan dat institutioneel alternatief ook
een concrete invulling te geven via een volgehouden Vlaams lange-
termijnbeleid voor en in Brussel?
Het is altijd gemakkelijker om te zeggen waar men tegen is. Maar belangrij-
ker is waar men voor is. Als ik mij tegen Lambermont verzet dan is dat niet
omdat ik, als lid van een federale en Vlaamse oppositiepartij, geacht wordt
om alle regeringsvoorstellen af te wijzen maar wel omdat dit akkoord lijn-
recht ingaat tegen de toekomstvisie die ik zelf voor Brussel en voor Vlaams-
Brussel heb. Een toekomstvisie die – daar ben ik van overtuigd – gedeeld kan
worden door een meerderheid van de Vlamingen in Brussel en daarbuiten
en die beter past in het algemeen belang van Brussel en van heel Vlaanderen.

Een Vlaamse toekomstvisie voor Brussel
Als we een toekomstvisie voor Brussel willen ontwikkelen moeten we natuur-
lijk wel eerst bepalen over wat voor een Brussel we het hebben.
Het is evident dat Brussel in de voorbije decennia belangrijke demografische
wijzigingen heeft ondergaan. Er is een grote instroom geweest van buiten-
landse nieuwkomers vanuit zeer veel verschillende landen en met de meest
diverse sociaal-economische en culturele achtergronden. Er komen zich
trouwens nog steeds elk jaar duizenden nieuwkomers in Brussel vestigen. Er
is ook de ontwikkeling geweest van Brussel als Europese hoofdstad en als
vestigingsplaats van talloze internationale instellingen, bedrijven en orga-
nisaties. Deze „internationalisering” van Brussel en zijn bevolking is een
permanent gegeven dat door de meeste Brusselaars, en de meeste Brusselse
Vlamingen, ervaren wordt als een positief gegeven. De vraag is hoe we
ermee omgaan.
Vooral aan Vlaamse kant stellen sommige opinieleiders in Brussel dat het
multiculturele gegeven in Brussel moet resulteren in een verwerping van de
tweeledigheid, gebaseerd op de Vlaamse en Franse Gemeenschappen. Men
promoot de visie van een Brusselse „stadstaat” en zet zich daarbij vooral vlij-
tig af tegen Vlaanderen.

29
Omgekeerd is er ook bij sommigen in de rest van Vlaanderen een tendens
merkbaar om Brussel af te schrijven als Vlaamse stad. De hoofdstad is voor
velen een vreemde stad geworden, of erger nog: een blok aan het been dat
de verdere autonome ontwikkeling van Vlaanderen verhindert.
Het hoeft geen betoog dat deze beide tendensen elkaar versterken. Zij resul-
teren in allerlei proefballonnetjes voor een „Brussels, DC”, een „autonome
stadstaat”, een „Brusselse Gemeenschap” of zelfs een „Brusselse natie”.
Dergelijke scenario’s zijn niet alleen onwerkbaar en onrealistisch. Ze gaan ook
lijnrecht in tegen de belangen van zowel Brussel als Vlaanderen. Om dit te
staven hoeven we niet terug te vallen op emotionele of historische argu-
menten. Er zijn immers voldoende andere argumenten voorhanden.
Ten eerste is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aanwezigheid van
een belangrijke internationale gemeenschap in Brussel onverzoenbaar is met
een tweeledige visie op Brussel als hoofdstad van Vlamingen en Franstaligen.
Er wordt beweerd dat Brusselaars van buitenlandse afkomst niet willen kie-
zen tussen het aanbod van de twee Gemeenschappen. Anderen beweren dat
alle buitenlanders per definitie gedoemd zijn om voor het Franstalige aan-
bod te kiezen. Toch stellen we nu al vast dat allochtone Brusselaars dage-
lijks kiezen tussen het aanbod van beide Gemeenschappen inzake onderwijs,
kinderopvang, welzijnsvoorzieningen, culturele centra, enz. En een steeds gro-
ter aantal allochtonen kiest daarbij voor het Vlaamse aanbod. Waarom zou
een allochtoon zich wel in Antwerpen of in Gent kunnen integreren in een
Vlaams netwerk, maar niet in Brussel. Daar zit gewoon geen logica in. De
allochtonen in Brussel zijn geen obstakel voor een Vlaams Brussel. Ze
zijn er een essentieel en belangrijk onderdeel van!
Het is precies op die domeinen Ten tweede is er het feit dat de Vlaamse positie in Brussel in grote mate
waar Vlaanderen het meest afhankelijk is van de band met de rest van Vlaanderen. De Vlamingen in
zelfstandig optreedt in Brussel Brussel die denken dat ze het zonder Vlaanderen ook wel kunnen moeten
even nadenken over de toestand in de meeste (gelukkig niet alle) Brusselse
(bv. onderwijs) dat we gemeenten. Daar hebben de Vlamingen vaak weinig of niets in de pap te brok-
het sterkst staan. ken. Omgekeerd is het zo dat het precies op die domeinen is waar Vlaanderen
het meest zelfstandig optreedt in Brussel (bv. onderwijs) dat we het sterkst
staan. En het is op diezelfde domeinen dat de Brusselse Vlamingen de
grootste aantrekkingskracht uitoefenen op andere Brusselaars. Er is dus een
directe en positieve correlatie tussen de rol van de Vlaamse
Gemeenschap in Brussel en de positie van de Brusselse Vlamingen in
de hoofdstad.
Ten derde is er het geografische feit dat Brussel midden in Vlaanderen ligt.
Wie ervoor pleit dat Vlaanderen Brussel verlaat, slaat meteen ook een groot
gat in het Vlaamse territorium en vergroot daarmee de druk op de Vlaamse
Rand rond Brussel. Of denkt men dat Vlaanderen in de Rand sterker zal staan
wanneer de Vlamingen helemaal niets meer te zeggen hebben in Brussel?
Het tegendeel is waar. Hoe sterker Vlaanderen staat in Brussel, hoe vei-
liger onze positie is in de Rand. En omgekeerd natuurlijk!
Ten vierde is er de hoofdstedelijke rol van Brussel. De meeste Brusselaars
(Vlamingen èn Franstaligen) beseffen terdege hoe belangrijk die rol is voor
Brussel. Men kan echter niet terzelfdertijd hoofdstad zijn van een land en de
grootste Gemeenschap van dat land proberen uitsluiten. Brussel kan maar
hoofdstad blijven als alle Vlamingen er zich kunnen thuisvoelen; als er een
doorleefde tweetaligheid is op alle niveau’s en in alle sectoren; en als de
hoofdstedelijke rol ingevuld wordt op een wijze waarin ook de rest van
Vlaanderen zich kan herkennen. De hoofstedelijke rol van Brussel is iets
wat alle Vlamingen aangaat.
Tenslotte, en zeker niet in het minst, is er de sociaal-economische belan-
gengemeenschap die Brussel en Vlaanderen aan elkaar bindt. De hoofdstad

30
is nog altijd het klop-
pende hart van onze
Vlaamse economie, van
onze verkeersinfrastruc-
tuur en van onze
Europese en internatio-
nale contacten. Het is
de voornaamste werk-
stad van Vlaanderen en
een belangrijk sociaal-
economisch beslis-
singscentrum. Het is
evident dat Vlaanderen
dit niet kan en mag weg-
gooien. Even duidelijk
is dat Brussel en al zijn
inwoners enkel wel kun-
nen varen bij een nau-
were band met het eco-
nomisch dynamische
Vlaanderen. Samen
Vlaamse pendelaars komen aan in een staan Brussel en Vlaanderen in voor ongeveer 85 % van de Belgische uitvoer.
Brussels station. De stad is de Het leidt geen twijfel dat ze het elk apart veel minder goed zouden doen.
voornaamste werkstad van Vlaanderen Vlaanderen en zijn hoofdstad sluiten economisch nauw bij elkaar aan.
en het kloppende hart van de Vlaamse Wie die band doorsnijdt zal aan beiden onherstelbare schade berok-
economie. kenen.
Het is ook belangrijk om op te merken dat de ervaring leert dat het in
Brussel veel éénvoudiger èn productiever is om onder Vlamingen en
Franstaligen samen te werken vanuit eigen instellingen dan binnen het
kader van de bi-communautaire sector. De uitbouw en versterking van een
eigen Vlaams netwerk en een eigen Vlaams beleid in de hoofdstad is geen
obstakel voor een goede samenwerking met de Franstaligen. Het is juist de
eerste en essentiële stap om tot zo’n samenwerking te komen. Ik stel overi-
gens vast dat de meeste Franstaligen daar helemaal geen problemen mee
hebben. De tijd dat er aan Franstalige kant een pathologische angst heerste
voor al wat Vlaams was en dat elk nieuwe Vlaamse instelling in Brussel
beschouwd werd als een paard van Troje is stilletjes aan voorbij. Ook heel
wat Franstaligen verwelkomen meer Vlaamse investeringen in de hoofd-
stad. Van waar elders zouden ze moeten komen? Vlaanderen moet zich in
Brussel dus vooral niet wegmoffelen maar wel duidelijk zichtbaar en zelf-
bewust het terrein betreden en een uitgestoken hand bieden aan één-
ieder die in de hoofdstad met ons wil samenwerken.
Het is dan ook evident dat onze toekomstvisie voor Brussel er één moet
zijn waarin
• Brussel nog sterker verbonden wordt met Vlaanderen;
• Brussel meer uitgebouwd wordt als hoofdstad van alle Vlamingen;
• de Brusselse instellingen op alle niveau’s een evenwichtige inbreng van
Vlamingen en Franstaligen waarborgen;
• Vlaanderen ruimere mogelijkheden krijgt om een eigen beleid te ont-
wikkelen, ook in en voor zijn hoofdstad.
Die toekomstvisie is niet nieuw. De hierboven vermelde principes vormden
de kern van de resolutie die het Vlaams Parlement op 3 maart 1999 bijna una-
niem goedkeurde i.v.m. de positie van Brussel in de volgende staatshervor-
ming. Die resolutie maakte deel uit van de vijf resoluties die een coherent
en ruim gedragen Vlaams eisenpakket omvatten. Het was de grote verdienste

31
van dit eisenpakket dat het een coherente, alomvattende visie bood voor een
wezenlijke verdieping van onze Vlaamse autonomie waar Brussel volledig in
geïntegreerd was.
In plaats van die visie, worden we nu echter geconfronteerd met het
Lambermont-akkoord.

Het Lambermont-akkoord
Het Lambermont-akkoord wordt door de huidige paars-groene meerder-
heid verkocht als een belangrijke stap naar een nieuw België, waar commu-
nautaire vrede en samenwerking zal heersen. Dit akkoord is inderdaad een
betekenisvolle stap. Maar dan wel in de verkeerde richting!
Op het moment dat deze bijdrage geschreven wordt (5 juni) ziet het ernaar
uit dat de PSC de federale meerderheidspartijen zal bijspringen om het
Lambermont-akkoord aan de vereiste 2/3de
meerderheid te helpen. Die 2/3de meer-
derheid zou dan de facto bestaan uit 100 %
van de Franstalige Volksvertegenwoordigers
en minder dan 55 % van de Vlaamse
Volksvertegenwoordigers. Dit is wel het
beste bewijs dat Lambermont een on-
evenwichtig akkoord is, een akkoord dat
op maat van de Franstaligen is gesneden.
Lambermont is een onevenwichtig
akkoord omdat er tegenover de (wel zeer
vrijgevige) herfinanciering van de Franse
Gemeenschap geen enkele belangrijke
en solide Vlaamse verworvenheid staat.
Van het Vlaamse programma dat in de loop
van de vorige legislatuur in het Vlaams
Parlement werd uitgewerkt, en dat daar
Bij de grondwetsherziening van 1970 goedgekeurd werd met een zeer ruime consensus, kwam niets in huis. Niet
dachten sommige franstalige omdat de Franstalige Lambermont-onderhandelaars dit eisenpakket afwe-
Brusselaars dat het federalisme een zen, maar omdat de Vlaamse onderhandelaars het niet eens op tafel legden. Absoluut
"carcan" zou worden voor Brussel. essentiële Vlaamse eisen, zoals bv. de defederalisering van het gezond-
Uiteindelijk werd Brussel een derde heidsbeleid en de gezinsbijslagen (wat nodig is om meer doeltreffend tege-
gewest, net zoals Vlaanderen en moet te komen aan de terechte verwachtingen van de bevolking) worden door
Wallonië. Thans bouwt het het Lambermont-akkoord niet alleen niet gerealiseerd. Doordat Lambermont
Lambermont-akkoord het federalisme tegemoet komt aan alle essentiële Franstalige eisen wordt deze Vlaamse eis
nog verder uit op basis van drie (net als vele andere) voor vele jaren geblokkeerd. Dat wil zeggen dat de moge-
gelijkwaardige gewesten. lijkheden voor Vlaanderen om ook op domeinen als gezondheids- en gezins-
beleid in Brussel een eigen beleid te ontwikkelen gefnuikt blijven.
Lambermont is ook een onevenwichtig akkoord omdat er resoluut geko-
zen werd voor de uitbouw van een federalisme op basis van drie gelijk-
waardige Gewesten, en niet voor de opbouw vanuit de twee grote
Gemeenschappen. Er komt geen enkele vorm van fiscale autonomie voor
de Gemeenschappen. Sterker nog, de enige reeds bestaande gemeenschaps-
belasting (m.n. het kijk- en luistergeld) wordt overgeheveld naar de drie
gewesten. Vlaams-Brussel wordt op fiscaal vlak gewoon losgeknipt van de rest
van Vlaanderen. Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest krijgt er ongevraagd
nog wat fiscale bevoegdheden bij. Dit alles kan alleen maar resulteren in een
fiscale concurrentie die nadelig is voor Brussel, dat een onvoldoende groot
draagvlak heeft, èn voor Vlaanderen, dat de verfransingsdruk op de Rand
alleen maar zal zien toenemen. Ook op het vlak van de inhoudelijke bevoegd-
heidsoverdrachten wordt de tendens naar de 3 Gewesten, en weg van de
Gemeenschappen, bevestigd. Het beste voorbeeld hiervan is de organieke

32
gemeentewet, waar Brussel nog een beetje meer een gewest „à part entière”
wordt.
Lambermont is tenslotte ook een onevenwichtig akkoord omdat het
Brussel-luik ervan absoluut onevenwichtig is. In ruil voor een niet-afdwing-
bare regeling die voorziet in een Vlaamse schepen zonder afdwingbare
bevoegdheden en middelen in sommige Brusselse gemeenten, wordt kwistig
met federaal (en dus hoofdzakelijk Vlaams) geld gestrooid. Bovendien wordt
de overheveling van de gemeentewet naar het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest ook gekoppeld aan een ernstige afzwakking van de bestaande dub-
bele meerderheid op gewestelijk niveau. In ruil voor meer geld dat hoofd-
zakelijk naar de Franstaligen gaat krijgen de Brusselse Vlamingen dus min-
der macht. En dat durven sommige Vlaamse politici een vooruitgang noe-
men! We leven inderdaad in het land van het surrealisme.

De capitulatie van de Vlaamse onderhandelaars
Bij het begin van de huidige legislatuur bevonden de Vlaamse onder-
handelaars zich in een uitzonderlijk gunstige uitgangspositie. De Franse
Gemeenschap had nood aan een herfinanciering en was bereid om daarom
in een institutionele onderhandeling te stappen.
Maar na bijna twee jaar is de balans voor Vlaanderen bijna volledig nega-
tief:
• er komt geen echte fiscale autonomie voor de Gewesten en helemaal
geen fiscale autonomie voor de Gemeenschappen;
• de financiering van de Gemeenschappen via de voor Vlaanderen
ongunstige BTW-sleutel wordt nog uitgebreid,wat betekent dat er
nog tientallen miljarden extra Vlaams geld naar de Franstaligen gaat;
• er komt geen defederalisering van gezondheidszorg en kinder-
bijslagen;
• de zogenaamde regionalisering van de buitenlandse handel en het
landbouwbeleid is verre van volledig en bij de verdeling van de des-
betreffende middelen wordt Vlaanderen opnieuw benadeeld;
• de defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking wordt in een
werkgroep begraven;
• de gewestvorming met drie wordt versterkt;
• enz.
Hetzelfde geldt voor de situatie in
In volwaardig federale landen zoals Zwitserland en de Verenigde
Brussel. Ook daar waren de
Staten bedraagt de fiscale autonomie ongeveer 50 %. Het
Franstaligen vragende partij voor
Lambermont-akkoord zorgt evenwel slechts voor een autonomie
een herfinanciering van hun Franse
van 26 % in 2004. Momenteel heeft Vlaanderen voor 7 % van de
Gemeenschapscommissie. Maar
ontvangsten eigen fiscale autonomie (exclusief milieuheffingen
ook hier werd het zogenaamde
en kijk- en luistergeld). Door de regionalisering van de gewest-
Lombard-akkoord een fiasco voor
belastingen en het kijk- en luistergeld (totaalpakket 140 miljard,
de Brusselse Vlamingen:
waarvan 84 miljard voor Vlaanderen) komt daar 13 % bij. Dat is
dus in totaal 20 %. Rekening houdend met de maximale moge- • er komt geen gewaarborgde
lijkheden voor de toepassing van de op- en afcentiemen (die ver- Vlaamse aanwezigheid in alle
bonden zijn met gewestelijke bevoegdheden) op de personen- Brusselse gemeenteraden en
belasting, leidt dat in 2002 tot 23 % en in 2004 tot 26 %. schepencolleges;
(Nota VEV, 5 februari 2001) • de dubbele meerderheid voor
sommige beslissingen op gewes-
telijk niveau wordt ernstig afge-
zwakt.

33
De Franse Gemeenschap en de Franse Gemeenschapscommissie wor-
den echter wel voor het volle pond geherfinancierd. Meer nog, ze krij-
gen zoveel extra Vlaams geld dat ze zelfs reserves kunnen aanleggen!
En terwijl de buit aan Franstalige kant volledig binnen is, moeten de
Vlamingen nog afwachten of de regionalisering van de gemeente- en
provinciewet en de Vlaamse minimum-vertegenwoordiging in de
Brusselse Hoofdstedelijke raad al dan niet door het Arbitragehof
vernietigd worden.
Er zijn geen Belgische partijen en Hoe zijn we vanuit zo’n gunstige uitgangspositie tot zo’n slecht resultaat
ook geen Belgische politieke gekomen?
families meer. Alle Franstalige De verklaring hiervoor ligt in de fundamenteel verkeerde aanpak. Ondanks
partijen hebben met Lambermont al het gepraat over een nieuw communautair klimaat weigeren de meerder-
duidelijk gedemonstreerd dat voor heidspartijen een echte, diepgaande dialoog van Gemeenschap tot
Gemeenschap. Men verkiest een korte-termijnaanpak, waarbij slechts één
hen enkel de belangen van de doel telt: het vrijwaren van de paars-groene meerderheid op federaal niveau.
Franse Gemeenschap tellen. En binnen die federale meerderheid zijn het duidelijk de Franstaligen die de
lakens uitdelen.
Vlaanderen stond in deze onderhandelingen niet sterk omdat zelfs de
Vlaamse regering verkoos om zich te profileren als onderaannemer van de
federale regering, eerder dan als verdediger van de Vlaamse belangen.
Vandaar dat eerst de resoluties van het Vlaams Parlement, maar later ook de
beloftes uit het eigen regeerakkoord, zonder meer overboord gegooid wer-
den. Hetzelfde scenario speelde zich af op Brussels niveau, waar de paars-
groene partijen het Vlaamse front doorbraken en de lastige CVP aan de
deur zetten. Om de federale meerderheid te dépanneren gingen de Vlaams-
Brusselse onderhande-
laars van VLD-VU en SP-
Agalev zonder verpinken
lijnrecht in tegen het
Vlaams-Brussels minimum-
programma dat zij tussen
mei 2000 en februari 2001
tot driemaal toe mee
onderschreven. We zijn de
schaamte inderdaad voor-
bij. Ruim zelfs.
We kunnen alleen maar
hopen dat nu de ogen bij
alle Vlaamse partijen zul-
len opengaan. Er zijn geen
Belgische partijen en ook
geen Belgische politieke
families meer. Alle Frans-
Ooit waren de liberalen een „pest voor talige partijen, inclusief de zogenaamd „unitaristische” PSC, hebben met
Vlaanderen.” Herhaalt de geschiedenis Lambermont duidelijk gedemonstreerd dat voor hen enkel de belangen van
zich? Ja, maar nooit op dezelfde manier, de Franse Gemeenschap tellen. Belgische belangen zijn er voor hen niet meer.
want een deel van de Volksunie zit nu De Vlaamse profeten van de Belgische modelstaat zouden hier beter hun con-
met de liberalen in het Lambermont- clusies uit trekken. Het wordt tijd dat alle Vlaamse partijen ook duide-
schuitje. lijk maken dat voor hen de Vlaamse belangen op de eerste plaats
komen. Dat is trouwens niet meer dan logisch.
Het is evident dat die Vlaamse belangen ook de Vlaamse belangen in Brussel
moeten omvatten. En ook in Brussel kunnen we die belangen het best ver-
dedigen vanuit een zelfbewuste Vlaamse opstelling. Dat sluit samenwerking
met Franstaligen of anderstaligen in de hoofdstad helemaal niet uit. Wel inte-
gendeel. De ervaring heeft geleerd dat het perfect mogelijk is om binnen het

34
kader van een open Vlaamse lijst ook positief samen te werken met anders-
talige kandidaten èn kiezers.

Na Lambermont
Op het moment dat dit geschreven wordt is het niet helemaal zeker of het
Lambermont-akkoord ook effectief wet wordt, al lijkt het wel waarschijnlijk.
Indien Lambermont alsnog struikelt, dan zal Vlaanderen op zijn minst een
nodige adempauze gewonnen hebben. Meer dan ooit is dan de tijd aange-
broken voor bezinning onder Vlaamse partijen, zodat we zo snel mogelijk
kunnen overgaan tot een echte dialoog van Gemeenschap tot Gemeenschap.
Die dialoog moet evenwichtig zijn en gestoeld op de verzuchtingen van
Vlamingen en Franstaligen. Zij moet uitmonden in een evenwichtig akkoord
dat een substantiële verdieping inhoudt van de Vlaamse autonomie, ook in
de hoofdstad.
Krijgt Lambermont alsnog doorgang, dan mogen we niet bij de pakken blij-
ven zitten. Ook dan zal er behoefte zijn aan bezinning. Die zal zich dan
noodgedwongen moeten beperken tot de wijze waarop we binnen een mank
institutioneel kader zoveel mogelijk invulling kunnen geven aan een effec-
tief Vlaams beleid in en voor de hoofdstad. Ook dat is belangrijk. Maar het
kan de fouten van een slecht akkoord niet goedmaken. De kleine en toeval-
lige Vlaamse meerderheid die ons met Lambermont opzadelt neemt een
zware verantwoordelijkheid.

Brigitte Grouwels*

* Brigitte Grouwels is fractievoorzitter van de CVP in de
Brusselse Hoofdstedelijke Raad. Ze is eveneens lid van het
Vlaams Parlement en voormalig Vlaams Minister van
Brusselse aangelegenheden en Gelijkekansenbeleid
(1997-1999).
35