HERMENEVS

1
e
JAARGANG, AFL. 1 — 15 SEPTEMBER 1928
Hermeneus
TER INLEIDING
De Vertolker, de Bode. Men kan Hermes zoo noemer, die het
woord der goden overbracht aan de menschen. Vleugels had hij
aan hoed, sandalen en staf. Want hij kwam uit hoogere sferen
naar de aarde en verkondigde dus het bovenmenschelijke. Toch
werd hij door de menschen begrepen, omdat hij het godenwoord
overbracht in hun taal. Maar altijd wisten zij, al kwam hij in
vermomming, dat zijn gedachten hooger waren dar de hunne en
zij eerden in hem het Onbereikbare.
Zóó als deze menschen tegenover het godenwoord, staan wij
tegenover de Oudheid. De menschen die in haar leefden en de werken,
die zij voortbrachten, schijnen ons dikwijls boven menschelijk
kunnen verheven, en wij meenen in hen een vonkje van het god-
delijke genie te herkennen. Wij vragen vergeefs, waarom deze
bezieling juist in hen is gelegd en aanvaarden dus dankbaar, zonder
vragen. Want zij spreken in woord en werk zóó duidelijke taal,
dat wij in hen de vertolkers eeren, die het boven-menschelijke
voor ons begrijpelijk hebben gemaakt.
Voor ons. Laten wij liever zeggen : voor elk van ons een klein,
klein deeltje. En daarvan moeten wij ieder op onze beurt weer
vertolkers zijn voor anderen, opdat wij elkander helpen iets te
verstaan van het wondere geheel, dat wij onder den naam van
Oudheid samenvatten. In dien zin wil ook dit Tijdschrift een
Vertolker zijn : ieder, die iets heeft onderzocht, of iets heeft gelezen,
dat hem trof zóó, dat hij meent te begrijpen, deelt daarvan aan
anderen mede en wekt bij hen nieuwe gedachten of maakt hun
liefde voor de Oudheid dieper en schooner. Daarom plaatsten wij
op den omslag het beeld van den Vertolker, die wij allen willen
zijn, al voelen wij het gebrekkige van ons menschelijk vermogen.
Vertolkers van alles, wat wij in de klassieke Oudheid vereeren.
57

Dat is een grootsche, maar ook groote taak. Want de tijden zijn
voorbij, waarin men zich daarbij geheel of zelfs in hoofdzaak tot
de Letterkunde kon beperken. Al zal deze steeds het middelpunt
blijven vormen, omdat zij het voornaamste is dat de tijden ons
hebben gelaten, toch kunnen wij thans veel andere voortbrengselen
der Oudheid om haar plaatsen en naast haar vereeren. De bouw-
werken, zelfs in ruïne bewonderenswaardig, de beelden, ook als
copie de meesterhand verradend, de inschriften, weerspiegeling
van ambtelijken arbeid, de brieven, die ons een kijk gunnen in
het dagelijksch leven, zij alle helpen ons om een begrip te krijgen
van de Antieke Wereld, in vele opzichten verheven schijnend
boven de onze, in andere gelijk aan onzen tijd in haar eerzucht,
haar wedijver, haar strijd om persoonlijke belangen, haar aan-
hankelijkheid aan gezin en vrienden, haar menschenliefde, haar
streven naar rust en vrede. Als een wonder schijnt het ons, hoe
juist in de laatste jaren door toeval of speurzin telkens nieuwe
ontdekkingen in de landen der Oudheid worden gedaan : steden,
dorpen, paleizen worden blootgelegd, kunstschatten van ongemeene
bekoring komen aan het licht, inscripties en papyri worden gevon-
den en ontcijferd. En al brengt elke vondst naast nieuwe kennis
ook nieuwe raadselen, wij hebben de verwachting, dat deze kunnen
worden opgelost. Zoo rijst, wonder der historie, ook hier het Leven
uit den Dood en de wetenschap der Oudheid blijft in haar groei
van weten en inzicht eeuwig jong.
Van dit alles wil dit tijdschrift zijn lezers brengen. Om het te
ontvangen is noodig : een beetje kennis en een groote belangstelling.
Wij weten dat in kringen van gymnasiasten, van oud-gymnasiasten,
van allen, die zich met de studie der Oudheid bezighouden of
bezig gehouden hebben, de liefde voor de Antieke Cultuur groeiende
is. Moge de bloei van dit tijdschrift er de blijde getuige van zijn
D. COHEN
(1928)
58
Het beeld dat mensen met zich meedragen van verschillende perioden in de
geschiedenis is onvermijdelijk beperkt en eenzijdig. Steeds is er sprake van een selectie
uit de veelheid van bronnen over dat verleden en het is opvallend, dat de bewondering
voor of de beïnvloeding door dat verleden soms sterker is naarmate de kennis erover
geringer is.
Ook van de oudheid hebben de opeenvolgende generaties, sinds die oudheid voorbij
is, zich voorstellingen gemaakt die steeds weer correcties bleken te vereisen. Altijd was
er sprake van een voorkeur voor bepaalde perioden in de oudheid, voor bepaalde
schrijvers of bepaalde cultuuruitingen. De ene keer koos en oordeelde men vooral naar
esthetische maatstaf, de andere keer richtte de interesse zich meer op politieke,
filosofische, godsdienstige, archeologische of weer andere aspecten. Grote aandacht
voor sommige elementen leidde tot onderbelichting van andere. ledere generatie liet
zich bij die selecterende aandacht leiden door haar eigen politieke en culturele situatie.
Soms werd en wordt de geschiedenis gebruikt en misbruikt voor het versterken en
aannemelijk maken van de eigen groepsideologie; Mussolini’s dwepen met Augustus en
het Romeinse imperialisme is er een voorbeeld van.
De indrukwekkende resultaten van de 19e-eeuwse wetenschap, speciaal die der
zogenaamde Altertumswissenschaft, hebben geleid tot verdieping en verbreding van de
kennis van de oudheid in haar totaliteit. De idealisering van (bepaalde aspecten of
perioden in) de oudheid maakte plaats voor een op meer kennis en beter inzicht
gefundeerde benadering. In menig opzicht werd het geïdealiseerde beeld van de
oudheid dat tot die grotere aandacht had geïnspireerd, door de toeneming van de kennis
die er het gevolg van was, weggevaagd.
Intussen hebben in de 20e eeuw de meeste beoefenaren van elk vak dat zich met de
oudheid bezig houdt, er in woord en geschrift blijk van gegeven, dat iets van het
ideaal-beeld van vroegere generaties hen bleef vergezellen. Aan dat enthousiasme, dat
surplus bij hun vakkennis op zichzelf, hebben de niet-vakmensen veel te danken: zij
hebben hun nieuwsgierigheid en hun behoefte aan contact met dat verleden kunnen
bevredigen dank zij de toewijding waarmee de vakmensen popularisering op hoog
niveau hebben nagestreefd en verwezenlijkt. Hermeneus heeft sinds 1928 mogen
bijdragen aan dat contact tussen vakmensen en belangstellenden.
Toch is ook in die zestig jaren wel een en ander veranderd. De geschiedenis van de
laatste decennia heeft bij veel mensen een diep ingrijpende ontluistering van
hooggestemde verwachtingen en gedachten over de mens, de mensheid en haar
59
Ter inleiding

geschiedenis teweeg gebracht. Het geloof in de vanzelfsprekende verbondenheid van
literair-culturele ontwikkeling en menselijkheid in morele zin, het geloof in humanitas
kortom, heeft een knauw gekregen. ‘De humaniora humaniseren niet’, aldus J. Presser
naar aanleiding van de jongste geschiedenis van het land waar de verering voor de
oudheid zo buitengewoon sterk was. Wij zijn zakelijker en nuchterder geworden, in veel
opzichten cynisch; wij schrijven oudheid, niet Oudheid.
Maar waarom dan nog steeds die afzonderlijke en uitzonderlijke aandacht voor de
oudheid? Waaraan ontleent een blad als Hermeneus zijn recht van bestaan? Het
antwoord dat de consumenten, in casu de NKV - leden, er kennelijk iets in zien en er om
vragen, kan voor een redactie toch niet het enige motief zijn om aandacht voor de
oudheid te blijven vragen. Evenmin de omstandigheid dat er leveranciers van
belangwekkende artikelen in overvloed zijn.
De belangstelling voor de oudheid ligt voor mensen in 1988 enerzijds op hetzelfde
niveau als die voor elke andere periode uit het verleden. Alle levens- en cultuurvormen
kunnen mensen fascineren, of ze nu hedendaags of historisch zijn, dus ook die van de
oudheid. Ontwikkelingen in de wetenschappen maken het stellen van steeds nieuwe
vragen aan het materiaal mogelijk en noodzakelijk, zodat de nieuwsgierigheid van
vakmensen en belangstellenden blijvend gevoed wordt. Men denke aan een meer
psychologische of sociologische benadering van sommige problemen in de oudheid of
aan de toenemende interdisciplinaire samenwerking, bijvoorbeeld van archeologie en
natuurwetenschappen.
Anderzijds worden velen geboeid door de manieren waarop die Oudheid in de
verschillende tijdvakken van de geschiedenis gezien, beleefd, verwerkt of verworpen is.
Meer dan bij andere era’s is het juist die continuïteit van de invloed die boeit.
Tenslotte leeft bij vele mensen een sterke behoefte als het ware in gesprek te blijven
met die antieke cultuur, omdat de dragers ervan met bewonderenswaardige originaliteit
een aantal fundamentele vragen van de mensheid voor het eerst hebben gesteld en
beantwoord en op allerlei gebieden de eerste en gewichtige stappen hebben gezet op de
weg van de geschiedenis van ons werelddeel, en daarmee van de mensheid. De
confrontatie met de oudheid kan, zoals de confrontatie met andere perioden en culturen,
mensen leren de eigen cultuur en samenleving te relativeren, maar geeft hun bovendien
de mogelijkheid iets van de wordingsgeschiedenis van die cultuur te begrijpen.
Naar de mening van de redactie zal Hermeneus in dit alles een bemiddelende functie
moeten behouden. De belangstelling van de lezer zal bevredigd en gestimuleerd moeten
worden door artikelen waarin vanuit hedendaagse gezichtspunten de oudheid wordt
belicht. Die gezichtspunten zullen vooral wetenschappelijk bepaald zijn, maar niet
uitsluitend. Ook de meer intuïtieve reflectie op wat de oudheid te bieden heeft is in
Hermeneus op haar plaats.
Dit lustrumnummer wil een illustratie bieden van continuïteit en variatie. Het bevat
een selectie van artikelen uit de eerste vijf jaargangen over uiteenlopende aspecten van
de oudheid. Ze laten, ondanks de beperktheid die de nu eenmaal noodzakelijke selectie
veroorzaakte, iets zien van de manier waarop een vorige generatie dacht en schreef.
Aan hedendaagse deskundigen hebben wij artikelen gevraagd die als pendant van de
vroegere zouden kunnen dienen en de tegenwoordige wijzen van benadering van
dezelfde of gelijksoortige onderwerpen zouden kunnen illustreren. Dat aan de auteurs
bij het schrijven van hun variaties op het oude thema een grote vrijheid is gelaten, zal de
lezer zelf kunnen constateren. Het heeft, hopen wij, de aantrekkelijkheid van het geheel
vergroot.
Namens de redactie
W. Kassies
60
Homerus als primitief dichter
Dat Homerus een primitief dichter is zal wel door niemand ont-
kend worden. Waarin nu precies die primitiviteit bestaat is echter
velen niet recht duidelijk. Men heeft onder invloed der zuiver philo-
logische interpretatie voor deze primitiviteit weinig oog gehad, hoe-
zeer men ook de charme van den dichter onderging.
Thans, nu langzaam aan de classieke studie uit haar isolement ver-
lost wordt en andere onderzoekingen ook op haar terrein zich doen
gelden, wordt het eigenaardige karakter der Homerische poëzie ge-
leidelijk aan beter begrepen.
In een zeer instructief artikel
1
heeft Hans Henning eenige jaren
geleden de aandacht gevestigd op de homerische vergelijking, en
aangetoond, hoe deze geheel vrij is van onze abstraheeri-ng van de
onmiddellijke werkelijkheid, en dit door parallellen uit andere pri-
mitieve literatuur en door middel van uitvoerig psychologisch
onderzoek toegelicht.
Henning betoogt, dat zooals onze taal bij geuraanduiding den
geur in onmiddellijk verband brengt met het voorwerp, dat den geur
veroorzaakt (wat in sommige gevallen met kleur ook nog gebeurt:
de gewone taal
2
past bijvoorbeeld de kleur blond alleen op „haar”
toe) en van jasmijn- en rozengeuren spreekt, zoo Hom. nooit van
de werkelijkheid abstraheert bij zijn vergelijkingen, en deze slechts
te verstaan zijn als men ze onmiddellijk aanschouwelijk opvat.
Wij zeggen „Odysseus is een vos” en denken bij deze vergelijking
terstond aan het tertium comparationis ,,de slimheid”. Hom. kent
zulk een derde niet. Voor H. strekt Harpalion zich uit als een regen-
worm in den doodstrijd (Il. 13, 654) uitsluitend, omdat de dichter
het zoo ziet. Soms ook hoort hij de vergelijking: de Trojaansche grijs-
aards zitten in de Skaeische poort als piepende krekels in het loof
(Il. 3, 152)
3
.
1
„Das Briebnis beim dichterischen Gleichnis und dessen Ursprung”,
Ztchr. für Aesthetik und Allgemeine Kunstwissenschaft XIII Band 4 Heft
1919, S. 371—396. Naar wij vernemen is dit tijdschrift op geen der Nederl.
bibliotheken aanwezig!!!
2
Wij leggen nadruk op dit gewone taal, want dichterlijk kan men b.v.
spreken van „blonde duinen” (Verkade-album).
3
Men vergelijke hiermee Gorter’s „Mei”. In het begin lezen wij daar:
Dan blies een jongen als een orgelpijp
de klanken schudden in de lucht zoo rijp
als jonge kersen, wen een lentewind
in ’t boschje opgaat en zijn reis begint.
Van aanschouwelijkheid is hier geen sprake en slechts met moeite kan men
61

Het is voor ons niet gemakkelijk ons in deze homerische zienswijze
in te denken. Wij zijn overladen met geleerden ballast en letten vaak
niet op wat voor de hand ligt. Zelfs iemand als Goethe kwam eerst
in Italië tot recht verstaan van H. en toen „schien es die Natur
selbst”. Eerst als wij ons van de beperktheid van onze geleerdheid
bevrijd hebben, zal het mogelijk zijn tot de bron zelf te geraken.
Heeft niet de vergelijking van Odysseus’ onrust op zijn bed met de
rolpens aan het spit (Od. 20, 25 sq.) allerlei volkomen onbegrijpe-
lijke zwarigheden opgeleverd, eenvoudig omdat men zich van onzen
gewonen intellectueelen kijk niet los kan maken.
1
Niet enkel in zijn vergelijking, ook in zijn verhaal is H. primitief.
Door dit over het hoofd te zien miskent men licht het karakter van
de Hom. vertellingen, neemt te gemakkelijk zijn toevlucht tot inter-
polaties, vergetend, dat wij H. niet naar onzen maatstaf mogen be-
oordeelen.
Als voorbeeld verwijs ik naar II. 9, 529 sq., de bekende episode
waarin aan Achilles Meleager als voorbeeld wordt voorgehouden,
wiens wrok voor de zijnen tijdens den strijd tusschen de Koereter en
de Aetoliërs zeer ernstige gevolgen heeft gehad.
De gebrekkige manier waarop Il. ons dit alles meedeelt stempelt
het o. i. tot een primitief verhaal. De historische of logische volgorde
van het gebeuren wordt geheel verwaarloosd. Personen treden plot-
seling op om even plotseling weer te verdwijnen. Een nauwkeurige
beschrijving, hoe alles in zijn werk gegaan is, wordt gemist. Ieder een-
voudig verteller toch is subjectief geïnteresseerd en zal altijd dat het
eerst meededen, wat den meesten indruk op hem gemaakt heeft of
hem op een gegeven oogenblik belangrijk voorkomt. Hij veronder-
stelt gewoonlijk nog al wat en laat den hoorder dus meer raden.
Vergeet men dit alles, dan kan men het verhaal van Meleager niet
begrijpen en zal dan trachten de natuurlijke onbeholpenheid weg te
er iets bij „denken”. Het tertium comparationis is duidelijker verderop in
het gedicht:
en menig moe man, die zijn avondmaal
nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
waar het punt van vergelijking de aandacht is, wat evenwel slechts langs
den weg der abstractie te ontdekken is.
1
Bekker zei van deze vergelijking dat zij ,, gehort zu den wunderlichsten”
en vindt haar bovendien „unleidlich”. Faesi merkt er bij op: ,,auch dreht,
worin das tertium comparationis liegt, die Magenwurst ein Anderer, wahrend
Odysseus sich selbst bewegt”. — Alle moeilijkheid vervalt als men slechts de
beweging ziet én van Od. én van de rolpens.
62

nemen door van latere toevoegingen te spreken
1
en zoo H. in een
modern keurslijf dwingen. Een modern verteller toch zou heel anders
te werk gegaan zijn, en als moderne les zou het aan doeltreffendheid
(immers het „overbodige” weglatend) stellig gewonnen hebben, doch
tevens aan bekoorlijkheid ingeboet.
De bekoorlijkheid van het primitieve gedicht en het primitieve
verhaal is de aanschouwelijkheid en onmiddellijkheid. Wij zijn het
contact met de werkelijkheid om ons heen reeds lang kwijt en lezen
slechts middellijk. Wij kunnen niet meer zien noch hooren, wij „den-
ken” slechts. De primitief (en in zooverre dus ook Hom.) is een en
al oor en een en al oog.
Het aanschouwelijke kan ook liggen in taal en stijl. Woorden zijn
in hun oorsprong veelal werkelijkheidsnabij.
2
Echter ook het zins-
verband kan dit primitief karakter vertoonen. Eerst dan wordt het
aanschouwelijke pas recht een inhaerent gedeelte van het verhaal.
De primitieve taal ziet de gebeurtenissen zich in den tijd aan el-
kander rijen en verbindt de zinnen, die dat gebeuren weer moeten
geven hoogstens door een copula (ons: en, en toen, en dan) .Een
rangorde van het gebeurde (vgl. het prim. verhaal) kent zij niet. Alles
komt in één vlak te liggen. Slechts het zich ontwikkelend taalbe-
wustzijn, dat nauw samenhangt met het voortschrijdend kultuur-
proces, brengt relief aan. Dan gaat men argumenteeren en moti-
veeren en ontstaan de causale en concessieve voegwoorden, die zon-
der bezinning onbegrijpelijk zijn. Volgens Meijer
3
is het de lust tot
ordenen, bouwen, die het voegwoord het leven gaf.
Naast vergelijking e. a. is dus de nevenschikking of parataxis de
oorzaak van de ongekunsteldheid en de bekoring van een primitief
1
Paesi spreekt hier van: ,,der historische Zusammenhang der wohl durch
manche späteren Zusätze (curs. v. o.) noch erweiterten und eben deshalb im
einzelnen vielfach nicht recht klaren Erzählung.”
2
Het aanschouwelijk moment kan soms een verrassend licht werpen op
„woordbeteekenissen”, zoo beteekent b. v. het lat. nitor steunen, klimmen,
zich inspannen. Men ziet in het Italiaansche heuvelland den bergreiziger steu-
nend op zijn stok, met inspanning van alle krachten den berg beklimmen.
Niet minder taal vormend is geweest de praktijk van het leven. Cassirer
(Sprache und Mythos Leipzig 1925) geeft o. a. als voorbeeld bij Indianen-
stammen nolávoa dat dansen en arbeiden beteekent, omdat dans en arbeid
hetzelfde doel n.l. de levensverzorging dienen. C. verwaarloost echter te veel
het aanschouwelijk moment (b.v. S. 34).
3
Meijer, Deutsche Stilistik 2
e
Aun. München, S. 80 zegt dat deze lust
„aus vielen einräumigen Hütten grosse zimmerreiche Paläste schut und aus
kiemen Formelversehen dogmatischen oder liturgischen Inhalts umfangreiche
Religions- und Weltweisheitssteine.
63

verhaal of gedicht, kenmerk van die frissche spontaneïteit, die een
volk aan het begin van een kultuurperiode eigen is.
Hom. heeft een dergelijke parataxis gekend, ook al ontgaat dit
de meeste lezers van „vertalingen” en zeer velen, die H. in het oor-
spronkelijk lezen. Zijn zinnen worden vaak door δr of rπειτα δr ver-
bonden, dat ongeveer de kracht heeft van ons: en, en dan (of: en
toen), ook daar waar men het pleegt te vertalen door „maar” of
„want.”
Door vergelijking met een ander zeer verwant literatuurgenre, dat
evenals Hom. aan het begin van een kultuurperiode ontstaan is en
dus eveneens als „overgangsliteratuur”
1
te karakteriseeren is, krijgt
deze paratactische eigenaardigheid bij Hom. achtergrond en teeke-
ning.
Wij bedoelen de Oud-Testamentische verhalen. Zooals wij die
kennen gaat van de oorspronkelijke charme veel verloren. Onze ver-
talingen zijn moderne vertalingen met een praktisch doel. Het naieve
karakter dezer verhalen raakt zoo op den achtergrond.
Het verhaal van Abrahams offerande b.v. (Gen. 22) moeten wij,
willen wij den geest van het verhaal laten spreken, ongeveer aldus
weergeven:
2
(En dan) staat Abraham ‘s morgens vroeg op (en dan) gaat
hij zijn ezel het tuig ombinden (en dan) neemt hij twee van
1
Wij hebben in onze eigen literatuur een merkwaardig voorbeeld van zulk
een ,, overgang” in den onlangs gevierden Stalpaert van der Wielen, die in de
N. R. C. (Avondblad E, 20 Dec. 1930) door J. Prinsen J.Lzn. tot de primi-
tieve kunst wordt gerekend, terwijl hij in enkele van zijn verzen Renaissance-
invloed doet zien.
Men vergelijke:
Jesus beklom een bootje
B n voer ten zeewaert in
Het kreeg zoo menigh stootje
Bn hij lagh er niet te min
Wel vast en diep bij ’t roer en sliep
Wel vast en diep met koele sin.
met het volgende, (dat al direct met een voegwoord begint)
Als Jola (= de Ziel), d’onberade maegd
Van Jesus haer vlucht nam ter wereld-waerd in
En van hem snel wierd nagejaegt
Al lopende roepende: ,,Schoone Goddin
Toeft wat, weest niet verbolgen!
By, waerom loop je dus tegen de wind?
Leeuwen, noch Beeren, noch Tyg’ren u volgen,
Maer het is Jesus die U zoo bemind!”
2
De vertaling is hier van A. v. d. Flier, die over de „Israelietische Vertel-
kunst” schreef in „Onze Eeuw” 1920 blz. 340—358”.
64

zijn knechten mee en Izak zijn zoon, (en dan) gaat hij brand-
offerhout splijten (en dan) richt hij zich op (en dan) gaat hij
heen, enz.
En iets verder:
(en dan) neemt Abraham het brandofferhout, (en dan) legt hij
het op Izak zijn zoon (en dan) neemt hij in zijn hand het vuur en
het mes (en dan) gaan zij beiden te zamen enz.
Het verbindingswoordje dat hier de stijl stempelt is de z.g. wau
copulum, die wanneer twee handelingen verbonden moeten worden,
als wau consecutivum dienst doet (in het eerste geval „we”, in het
tweede „wa”).
Nu vertaalt men deze wau op zeer verschillende manieren. Soms
door „want” of „maar” doch ook door „zoodat”, „opdat”, „terwijl”.
Enkele voorbeelden mogen deze laatste overzettingen toelichten:
Gen. 18 vs. i: En Jahwe verscheen hem . . en hij zat in de deur
van zijn tent (= terwijl hij in de deur v. z. t. z.); Jozua 4 vs. 16:
Gebied den priesters, en zij zullen uit de Jordaan gaan ( = opdat
of dat zij uit de J. gaan); Num. 23 vs. 19: God is geen man en
hij zal liegen (== zoodat hij zal liegen).
De verschillende vertalingen nu (de nuanceeringen zijn nog veel
talrijker dan men uit deze voorbeelden kan opmaken) zijn o. i. niet
anders dan een tegemoetkoming aan het modern taalbewustzijn, dat
zonder den invloed van de literatuur ondenkbaar is. De primitieve
taal zette „en” („en dan”), omdat het voor onze ,,verklarings-
woorden” „omdat”, „opdat”, „wanneer” geen of zoo goed als geen
termen ter beschikking had. Illustratief hiervoor is de beschrijving
van de herkenning door Jozef van zijn broers:
Gen. 42 vs. 7 „(En dan) ziet Jozef zijn broeders (en dan) kent hij
hen”, wat in de Statenvert. is weergegeven door: „als Jozef zijne
broederen zag, zoo kende hij hen”, welke vertaling ongetwijfeld veel
van de oorspronkelijke aanschouwelijkheid doet verliezen.
1
Behalve deze „beteekenissen” heeft men, zooals wij zeiden, „we”
ook de beteekenis „maar” en „want” gegeven. Het heeft hierin (wij
1
A. v. d. Flier blz. 340 zegt naar aanleiding van deze plaats: „Dit (n.l. de
meer letterlijke vertaling) is aanschouwelijker en tegelijk juister. Want het
zien, liet opvangen van het gezichtsbeeld gaat aan de verstandswerking van
het kennen vooraf, hoe snel het een ook op het andere moge volden. Een be-
paling als door: toen, moet daarom alti]d met zekere speelruimte worden
genomen en liet verband, dat hiermede tot stand wordt gebracht heeft nood-
zakelijk zekere speelruimte, zit altijd min of meer los, wat in het Hebreeuwsch
evenzeer wordt vermeden”.
65

wezen er reeds op) een merkwaardige overeenkomst met het Griek-
sche δr dat in Hom. vaak in verbinding b.v. met rπειτα voorkomt
( = en toen (vervolgens)).
De oorspronkelijke functie van deze woordjes is enkel een aan
elkaar verbinden van opeenvolgende gebeurtenissen, zonder van het
bepaalde karakter van die verbinding iets te zeggen. Wij kunnen ons
zinnen moeilijk anders dan door middel van causale, concessieve,
explicatieve e. d. voegwoorden verbonden denken, en het kost ons
moeite ons in te denken een zinsverband dat zulk een verbinding
nog niet kende.
Hom. is evenwel (en ook de O. T. Verhalen) voor den hoorder en
niet voor den lezer.
Men moet zich altijd den verteller denken, bezig met vertellen.
Soms rust hij even en gaat dan plotseling over in iets totaal anders.
De suggestieve werking is onmiskenbaar.
Wat zulk een pauze vermag wordt duidelijk b. v. in Il. 1, 51 v. v.
en vervolgens (α0τoρ rπειτ') ( = en toen) op hen af afzendende
de scherpe pijl
schoot hij — en altijd door brandden de voortdurende brand-
stapels der lijken.
De plotselinge overgang doet scherper het schrijnende van het
zware verlies der Grieken uitkomen, dan woorden vermogen. De
spanning neemt toe, doordat de toon, het gebaar, vooral de rust het
ontbrekende aanvult.
Maar zoo is ook duidelijk dat iedere vertaling (Voss en Vosmaer
ten spijt) falen moet.
Almelo. J. R. BUISMAN
(1932)
66

Er is een wijdverspreid misverstand dat Homerus’ poëzie primitief is en dan bedoelt
men: elementair en krachtig, maar niet verfijnd noch sophisticated: mensen en dingen
worden onverbloemd en ongefilterd onder onze aandacht gebracht, het verhaal vertelt
zichzelf in een naïeve opeenvolging van de gebeurtenissen en de tekst als geheel heeft
een soort van ongelikte eenvoud. Deze appreciatie is al eeuwenoud en het begin ervan
moet waarschijnlijk gezocht worden bij Julius Caesar Scaliger (1484-1555), de vadef
van Joseph Scaliger (1540-1609). De oude Scaliger, die een ongeremd bewonderaar
van de klassieke Latijnse dichtkunst was
1
, heeft in zijn Poetices libri septem (1561) een
tweetal hoofdstukken (V ii en iii) waarin hij Homerus met Vergilius vergelijkt. Aan het
eind vat hij zijn waardeoordeel over Homerus samen in de frase ‘impolita simplicitas’;
naar zijn oordeel zou iedere aspirant-dichter zich verre moeten houden van Homerus,
en Vergilius als zijn voorbeeld moeten nemen.
Dit misverstand over Homerus is verklaarbaar: ‘Homerus is het absolute beginpunt
van de Griekse letterkunde, dus hij moet wel primitief zijn’. Zoals wij zelf ook aankijken
tegen Henric van Veldeke en tegen dat nog oudere, aandoenlijke distichon
hebban olla vogela nestas higunnan
hinase ic anda tu’;
hoe bekoorlijk, en hoe primitief! En heeft het wetenschappelijk onderzoek van deze
eeuw ons niet geleerd dat Homerus’ poëzie thuis hoort onder de noemer ‘oral poetry’?
Hij was er dus een van het gilde der ongeletterde zangers die zingen zoals het hun voor
de mond komt, en hij vertelt onbekommerd, gebruik makend van zijn repertoire^
d.w.z. van de overgeleverde en door hem gememoriseerde vaste woordgroepen
(‘formules’) en standaard-scènes (bijvoorbeeld een maaltijd, het aantrekken van de
wapenrusting, het duel tussen twee helden): moeiteloos en ook eigenlijk wel achteloos
laat hij de hexameters aan de haag van zijn tanden ontglippen. Vergilius daarentegen
had, sprekend over zijn eigen dichterlijke werk, gezegd: carmen se ursae more parere et
lambendo demum effingere: zoals een berin de jongen die ze geworpen heeft likt en likt
tot ze eindelijk hun vorm hebben gekregen, zo bleef Vergilius aan zijn hexameters
werken net zolang tot ze eindelijk klonken zoals hij dat wilde. Verhoudt Homerus zich
dan inderdaad tot Vergilius als ongelikt tot gelikt? Of om het iets minder grof te
zeggen: is het zo dat de Aeneis een complex en subtiel gedicht is waar de bonkige
gestalten van de heroën gehuld zijn in het sombere fluweel van de Vergiliaanse
humaniteit, terwijl de Ilias (om ons even daartoe te beperken) een primitief gedicht is
waar de helden in hun heroïsche en soms stuitende naaktheid rondlopen?
2
67
J. M. Bremer
Homerus
een primitief
dichter?

Het zal duidelijk geworden zijn dat ik het hier niet mee eens ben. Mijn stelling is dat
Homerus’ poëzie niet een ruwe diamant is, niet een ongepolijst begin, maar een
sophistiscated eindpunt van een ontwikkeling. Die stelling is gewaagd: omdat van de
eerdere fasen van die ontwikkeling geen enkel specimen over is, kan een hard bewijs
nooit geleverd worden. Maar toch wil ik een poging wagen om deze stelling aan-
nemelijk te maken en daarbij wil ik nadrukkelijk vooraf stellen, dat datgene wat ik ga
beweren deels voortkomt uit eigen studie, maar ook voor een belangrijk deel uit mijn
samenwerking met Irene de Jong die haar proefschrift (UvA) in december gepresen-
teerd heeft.
3
- Ik zal mijn stelling adstrueren door bespreking van vier elementen van
Homerus’ dichterschap:
— zijn woordkeus
— de vergelijkingen
— de door hem ingelaste verhalen
— het toekijken der goden
Woordkeus
Sinds het baanbrekende onderzoek van Parry en Lord heerst de mening dat Homerus’
poëzie voor een groot deel bestaat uit min of meer vaste woordverbindingen zoals we
die allemaal kennen: 0ναξ 0νδρuν 'Αγαµrµνων 28x in de Ilias, oοδοδoκτυλοσ 'Ηuσ
5x, en vaak ook complete versregels: οl δ' oτε δí σχεδòν iσαν, rπ' 0λλiλοισιν
ióντεσ 12x, en οl δ' rπ' oνεiαθ' rτοιµα προκεiµενα χεtρασ iαλλον 3x. Er is in deze
lijn van onderzoek (het onderzoek van Homerus’ ‘formulaire techniek’) veel verfijning
aangebracht: Hainsworth heeft gewezen op de ‘buigzaamheid’ van de formules, en
Hoekstra heeft datzelfde verschijnsel in een taalhistorisch perspectief geplaatst. Toch
bleef bij de geleerden nog het ongemakkelijk besef voortleven dat er in Homerus’
keuze van woorden en woordcombinaties een half-automatisch element was, een op
mnemotechniek gebaseerde produktie-factor die de zanger in staat stelde om op één
avond honderden hexameters onbekommerd en half improviserend ten gehore te
brengen: een dichterschap waarin vertelling en directe rede in één continuüm van taal
en stijl doorklinken. Ik noemde zojuist dat besef ongemakkelijk. Waarom? Omdat
iedereen die voor poëzie en vertelling ontvankelijk is, toch ook bespeurt dat er in
Homerus meer aan de hand is dan dat.
Nu had Parry zijn onderzoek vooral gericht op de vertellerstekst en dan nog op
bepaalde tamelijk stereotiepe segmenten daarvan: gevechtscènes, speechinleidingen
e.d. Maar de Ilias bestaat voor bijna de helft uit directe rede (45%), en de Odyssee zelfs
voor beduidend meer dan de helft (67%). De retorische kracht van de directe rede bi]
Homerus is al eerder door velen bestudeerd en geprezen, en er was wel een globaal
besef dat die kracht voor een aanmerkelijk deel erop berust dat in de stukken directe
rede de woordkeus en frasering veel minder stereotiep is dan in de vertelling. Toch is
pas sinds kort op dit gebied systematisch onderzoek verricht
4
en daaruit is gebleken
dat de dichter voor de directe rede om zo te zeggen een apart lexicon heeft; vooral de
woorden die op evaluatieve en emotionele wijze verwijzen naar handelingen of per-
sonen worden bijna uitsluitend daar, in de directe rede, aangetroffen: bijvoorbeeld:
κακóσ, 0γαθóσ / δαιµóνιοσ, σχετλiοσ / Iβρισ, αiδuσ / τιµi, σrβασ / 0τoσθαλοσ,
νηλεiσ / αiνóσ / 0γανóσ, µεiλιχοσ, íπιοσ; de zelfstandige naamwoorden op
-φροσuνη. Ook werkt de dichter alleen in de directe rede met verfijnde samen-
stellingen als δθσαριστοτóκεια (XVIII, 54), met retorische opgestapelde negativaals
0φρiτωρ 0θrµιστοσ 0νrστιοσ (IX, 63). Zelfs wat kleine woordjes als µoλα, οiοσ,
λιiν betreft is de discriminatie t.o.v. vertellerstekst opvallend: dié komen daar niet of
nauwelijks voor, al evenmin als superlatieven. Dit alles komt erop neer dat Homerus
68

in de vertellerstekst de gebeurtenissen zó vertelt dat het publiek zelf door te luisteren
naar wat de personages tegen elkaar zeggen zich een oordeel moet vormen over de
morele substantie van het verhaal, net zoals dat bij een toneelstuk het geval is. Dit
moet dan ook wel de reden zijn waarom Aristoteles in zijn Poetica Homerus prijst als
uniek onder de epische dichters: µóνοσ γoρ (...) oτι µιµiσεισ δραµατικoσ rποiσεν
(1448b35): ‘want hij is uniek (...) in het gebruik van de dramatische wijze van
uitbeelden’. Niet zonder enig sarcasme noteert Griffin: ‘All this ought to pose a general
question to the oralists, which I express rather boldly by saying that in important senses the
Homeric epics have two vocabulairees’ (40). En wanneer hij Parry’s uitspraak citeert, dat
bij de keuze van epitheta de zanger zich laat leiden door overwegingen van versbouw
en metrum en anders niets (cursivering van mij, JMB), voegt hij daaraan toe, met een
moordende hoffelijkheid: ‘the phaenomena should not be oversimplified’ (50).
Nu heeft Griffin zelf zich aan een bepaalde simplificatie schuldig gemaakt (waarin
ik hem tot op dit punt in mijn betoog gevolgd heb) door te doen of er niets anders is
dan vertellerstekst en directe rede. Het is de verdienste van De Jong dat zij wijst op de
buitengewoon boeiende overgangszone tussen die twee, namelijk waar de verteller
weliswaar niet een personage aan het woord laat maar wel diens indrukken of
gedachten weergeeft. Zij toont aan dat een groep van gevallen waar Griffin geen raad
mee weet, namelijk emotioneel evaluerende woorden die in de vertellerstekst voor-
komen, op deze wijze toch aan de personages toegeschreven kunnen worden, in een
soort van ‘discours indirect libre’. Een goed voorbeeld is de passage waar Menelaus
voor het eerst in de Ilias Paris naar voren ziet komen en hem te lijf wil:
uσ rχoρη Μενrλαοσ 'Αλrξανδρον θεοειδI
oφθαλµοtσιν iδuν. φoτο γoρ τεiσασθαι 0λεiτην (III, 28-29).
Het woord 0λεiτησ, ‘zondaar’, ‘schurk’, is een qualificatie die niet zozeer door de
verteller als wel door Menelaus aan Paris wordt gegeven. De Roy van Zuydewijn
vertaalt het dan ook met indirecte rede: ‘nu zou hij die man voor zijn wandaden
straffen’. Een ander voorbeeld is wat Homerus doet met het woord 0κηδrστωσ
‘rücksichtslos’, ‘meedogenloos’. Dat woord komt vijfmaal voor in de directe rede, en
slechts eenmaal in de vertellerstekst namelijk waar Andromache in boek XXII de
stadsmuur beklimt en dan, boven gekomen, ziet hoe Hector door Achilles’ paarden
voortgesleept wordt:
τòν δr νóησεν
rλκóµενον πρóσθεν πóλιοσ. ταχrεσ δr µιν iπποι
rλκον 0κηδrστωσ κοtλασ rπi νIασ 'Αχαιuν (XXII 464-5).
Het is Andromache die dit ziet, en het bijwoord aKr|5éoTO)c drukt haar emotionele
reactie uit: ‘Ach, dat die paarden dat zo maar doen zonder enig mededogen!’ Het feit
dat Achilles Hector achter zijn wagen aan bindt, de wagen bestijgt en de zweep over de
paarden legt is in 395-404 tamelijk technisch beschreven in de vertellerstekst; nu pas,
nu de verteller ons het kijken en voelen van Andromache laat meebeleven, valt het
geladen woord 0κηδrστωσ.
Tot zover over dit eerste, voor een gedicht zo fundamentele, aspect van de
homerische poëzie: de woordkeus. De conclusie mag zijn dat Homerus in veel hogere
mate fijnzinnig en kieskeurig zijn woorden hanteert dan men wel dacht. We hebben
hier niet te maken met een grotendeels geautomatiseerde versificator, maar met een
zijn woorden welbewust kiezende en ter plaatse precies aanwendende dichter.
De vergelijkingen
Bowra had er al opgewezen dat vergelijkingen een vast bestanddeel zijn van epische
poëzie in allerlei culturen in en buiten Europa; omdat dat telkens ook dichtertradities
69

zijn op basis van ^oral poetry’ kon het niet anders of er zou een studie verschijnen over
het traditionele en orale karakter van de homerische vergelijking. Die kwam er dan
ook, met de monografie van Scott. Deze Scott komt echter tot de bevinding, dat de
qualificatie oraal en traditioneel alleen van toepassing is op het verschijnsel van de
vergelijking als zodanig en op het voorkomen van bepaalde typen van vergelijkingen
op bepaalde punten van het verhaal: zo wordt bijvoorbeeld, wanneer een strijder zijn
Wapenrusting aantrekt, de schittering van zijn wapens meermalen vergeleken met de
fonkeling van een ster; als hij aanvalt, wordt hij vergeleken met een leeuw; als hij
sneuvelt, met een neerstortende boom.
Maar, zegt Scott, het is waarschijnlijk dat Homerus oorspronkelijk en vernieuwend
is geweest in twee belangrijke opzichten: ten eerste in de brede uitwerking van de
vergelijking en ten tweede in de lading die hij aan de vergelijkingen gaf.
(1) In de uitwerking zelf: want er is gezien het materiaal dat Bowra aandraagt, alle
reden om aan te nemen dat alleen de korte vergelijkingen van het volgende type
traditioneel zijn:
Αiασ rγγuθεν iλθε φrρων σoκοσ íuτε πuργον VII, 219
ψυχí δr κατo χθονòσ íuτε κoπνοσ uχετο XXIII, 100
('Αχιλλεuσ) λrων δ' uσ 0γρια οiδεν XXIV, 41
('Αθiνη) ðρνισ δ' uσ ... διrπτατο l, 320
καππεσrτην rλoτ¸ησιν rοικóτεσ íψηλ¸Iσιν V, 560.
In een linguïstische studie van het homerische vocabulair heeft Shipp aangetoond dat
juist in de uitwerking van de vergelijkingen (en het zijn deze breed uitgewerkte
vergelijkingen die ons allen zo dierbaar zijn) een significant hoog percentage aan-
getroffen wordt van vormen die op linguïstische gronden ‘laat’ genoemd moeten
worden; hij verklaart deze toestand door de hypothese dat veel van die uitwerkingen
door latere rhapsoden aan de Ilias zijn toegevoegd, Scott prefereert (en daar wil ik hem
graag in volgen) aan te nemen dat de ‘laatheid’ van deze taalelementen erop wijst dat
het ‘late moment’ waarop de uitgewerkte vergelijkingen komen, het moment is
waarop Homerus, zeker gebruik makende van overgeleverde poëtisch materiaal, nu
juist zijn eigen superioriteit als dichter demonstreerde.
(2) In de lading die Homerus aan zijn vergelijkingen gaf. Hier zou veel over te
zeggen zijn: ik beperk mij tot een groep van vergelijkingen die door (alweer) Irene de
Jong op treffende wijze assimilated similes genoemd zijn. Wat is het geval? Wie de tekst
van Ilias of Odyssee leest, gaat ervan uit dat de stem die hij hoort en de visie die hij
geboden krijgt, die van de verteller zijn, en dat dit misschien wel bij uitstek geldt voor
de vergelijkingen. In zeer vele gevallen is dat inderdaad zo: men kijkt van een zekere
afstand, met de verteller mee, naar wat aan de heroïsche personages overkomt. Juist
die afstand maakt het mogelijk dat een vergelijking in sommige gevallen de gebeur-
tenis zelfs ironiseert, bijvoorbeeld wanneer in Ilias IV, 141 vv. het bloed dat Menelaos
met schrik uit een oppervlakkige wond over zijn been ziet lopen, door Homerus
vergeleken wordt met purperen lijntjes die een kunstvaardige vrouw aanbrengt op een
voorwerp van blank ivoor, of wanneer hij het rusteloos ronddraaien van Odysseus op
zijn bed (20.25 vv.) vergelijkt met een grote worst die boven een vuurtje geroosterd
wordt: zoals wij in onze taal zouden kunnen zeggen ‘hij zat op hete kolen’! Maar er zijn
ook vergelijkingen waarin het gezichtspunt van een der personages wordt geboden, en
we vinden die juist op belangrijke plaatsen van de vertelling. In boek XXII van de
Ilias maar liefst vier: 25-32, 92-98, 157-166 en 405-411. Ik zal daarvan alleen de eerste
twee kort bespreken; de derde komt straks in mijn vierde hoofdstukje nog te pas.
5
Priamus, staande op de stadsmuur, ziet dat zijn zoon Hector als enige daar buiten de
stadsmuur is gebleven om Achüles op te wachten; in de verte komt Achilles in volle
vaart aanrennen.
70

‘Priamos kreeg hem het eerst in het oog, toen de grijzende koning
hem door de vlakte zag gaan in zijn blinkende rusting-een heldere
sier zoals in de nazomer, tijdens de hondsdagen, stralend
rijst in het diepst van de nacht tussen talloze andere sterren;
Hond van Orion wordt hij genoemd door de mensen en waar hij
veruit het helderste licht geeft, is hij een teken van onheil
die met kwaadaardige koortsen bezoekt de rampzalige mensen -
zo, om de borst van de rennende held, blonk het brons van zijn rusting.’
(25-32 in de vert. van De Roy van Zuydewijn). Deze vergelijking laat ons meekijken
met de angstige blik van de koning die het onheil onafwendbaar ziet naderen.
Hector bleef staan bij de Skaiïsche poort, ondanks de smeekbeden van zijn vader en
moeder (35-91) en
‘wachtte zijn naderende vijand, de reusachtig-dreigende Achilles.
Zoals een slang in de bergen na ’t eten van giftige kruiden
dicht bij zijn hol iemand afwacht - in razende woede ontstoken
kronkelt hij zich bij zijn hol met angstwekkend starende ogen -
zo was ook Hector een en al strijdlust; hij week niet terug en
steunde zijn blinkende schild op een uitspringend deel van de stadsmuur’.
(92-97, zelfde vert.) Het adjectief πελuριοσ heb ik hier (mijn enige correctie op de
Roy van Z.) met ‘reusachtig-dreigend’ weergegeven; want waar het in de homerische
gedichten voorkomt, is het bijna uitsluitend in directe rede, waar een personage iets of
iemand als reusachtig en gevaarlijk ervaart en beschrijft. Zoals de slang op de grond
ligt en een hoge gestalte dreigend ziet naderen maar desondanks niet wijkt van zijn
hol: zo Hector. Met Hectors ogen zien we Achilles naderbij komen.
In deze twee gevallen heeft de dichter dus op bijzonder subtiele manier het
gezichtspunt dat in de vergelijking onder woorden gebracht wordt geassimileerd aan
dat van het personage waar het om gaat. Qua techniek van vertellen zijn we een heel
eind verder dan de eenvoudige ‘Kurzvergleiche’, zoals Homerus die van zijn voor-
gangers had geleerd.
Ingelaste verhalen
Men dacht tot voor kort dat Ilias en Odyssee niet alleen in de eigenlijke verhaalstof: de
gebeurtenissen voorafgaand aan de val van Troje, traditioneel waren, d.w.z.
afhankelijk van eerdere epen, maar ook in de ingelaste verhalen. Want we vinden
verspreid door de Ilias verhalen die ons een glimp te zien geven van heel andere
sagencomplexen: de jacht op het Calydonische everzwijn, de strijd tussen Kentauren
en Lapithen, de Zeven tegen Thebe, de daden van Heracles enz. Homeruskenncrs
spraken daarom vroeger over een cyclus van oudere epen en probeerden vanuit
Homerus die verloren gegane oudere epen te reconstrueren, als waren dat reeds
vormvaste teksten. Niet zelden spraken ze dan hun bewondering uit voor die oude
verloren gegane liederen en hun verbazing over de kreupele manier waarop Homerus
ermee omsprong.
Recent onderzoek heeft daarentegen uitgewezen dat het vermoedelijk juist
andersom is: dat die oudere verhalen er wel geweest zullen zijn maar vermoedelijk nog
tamelijk amorf, in elk geval nog niet in gefixeerde vorm; en dat Homerus die
verhaalstof juist op creatieve, aan zijn doel aangepaste manier presenteert.
Ik beperk mij tot twee kleine voorbeelden uit het eerste boek van de Ilias, Wanneer
het conflict tussen Agamemnon en Achilles in volle hevigheid is uitgebarsten in de
agorè, neemt de oude Nestor het woord» Om zichzelf extra gezag te verschaiien bij zijn
71

poging om het conflict te beslechten vertelt de oude koning van Pylos een verhaal, hoe
men lang geleden in een conflictsituatie óók naar hem geluisterd heeft (1260-274). De
Lapithen, die in een woest gevecht met de Kentauren verwikkeld waren, hadden hem,
Nestor, te hulp geroepen; hij kwam, streed aan hun zijde en hielp hen met goede raad.
Bij nader inzien is dat heel vreemd: die strijd tussen Kentauren en Lapithen was
helemaal geen langdurige oorlog tussen twee staten waarbij het zin had om van verre
bondgenoten te ontbieden. Het was een uit de hand gelopen bruiloftruzie, ontstaan
toen een Kcntaur die gast was op de bruiloft van de Lapithenvorst Peirithoüs zich van
de bruid dreigde meester te maken. Het verhaal is strikt beperkt tot Noordwest-
Griekenland (Thessalië). Nestor hoort daar helemaal niet in thuis. Maar Homerus laat
hem toch dit verhaal vertellen. Waarom? Omdat het daar ook een ruzie was, ontstaan
omwille van een vrouw, precies zoals nu Agamemnon aanspraak maakt op Achilles’
geliefde Briseïs. Zoals Nestor toen bij die ruzie om een vrouw voor de Lapithen een
nuttige bondgenoot en raadsman geweest was, zo kan hij dat nu zijn en daarom
moeten Achilles en Agamemnon naar hem luisteren. Homerus heeft een oude
bekende verhaalstof genomen en daaraan een aan zijn intenties aangepaste vorm
gegeven.
Het tweede voorbeeld betreft de passage I 396-406. Achilles wil daar zijn moeder
Thetis erop wijzen dat zij bij Zeus veel invloed heeft, omdat zij hem lang geleden eens
had geholpen toen hij, Zeus, dreigde het onderspit te delven tegen de andere
Olympiërs, met name Hera, Poseidon en Athene; want Thetis had toen een honderd-
armig monster erbij gehaald, Briareos, en die had het gevaar gekeerd. - Wat moeten we
met dit verhaal? In de oudheid wist men er al geen raad mee (zie de radeloosheid van
de scholia ad locum), Wél kende de traditie het verhaal dat Zeus, bij de strijd om de
macht na de val van Kronos, grote moeite had om de Titanen en Typhoeus te over-
winnen; dat wordt bij Hesiodus uitvoerig verteld, en ook dat - volgens een advies
gegeven door Gaia - Briareos en de twee andere honderdarmigen Zeus toen hielpen de
zege te behalen. Het heeft er alles van dat Homerus dit thema hier ‘transponeert’
(d.w.z. een generatie later plaatst) en daarbij het beslissend ingrijpen aan Thetis
toeschrijft om haar zo van invloed bij Zeus te voorzien. Maar waarom noemt hij dan
Hera, Poseidon en Athena als de revolutionairen bij uitstek? Omdat in de situatie
waarin Thetis zich gaat wagen, deze drie goden de fanatieke beschermers der Grieken
zijn, wanneer Zeus nu een rijd lang de Trojanen de zege gaat geven (dat zou Achilles
graag zien gebeuren, en Theris moet dat voor hem vragen), zullen zij drieën zich
verzetten. Dit verhaal levert dan precies het bewijs dat Zeus hen indertijd óók aan kon.
Alweer een vernieuwend en geheel aan het eigen vertel-doel van Homerus aangepast
gebruik van traditionele verhaalstof.
Ik trek een conclusie die parallel loopt met die in de twee eerdere hoofdstukjes van
mijn betoog: Homerus is een subtiele vernieuwer en niet een poeta dormitans, die
dommelend en haast mechanisch oud materiaal presenteert. In meer algemene zin
valt hierbij nog op te merken dat Homerus uit het mythische materiaal datgene
weglaat wat niet past in zijn eigen poëtische kraam: zo laat hij nooit monsters als
bijvoorbeeld Kentauren het toneel opdraven (de in de traditie vastliggende rol van (fc
Kentaur Cheiron als Achilles’ opvoeder heeft de Iliasdichter aan Phoenix gegeven);
en de drastische gruwelijkheid rond de verwekking van Aphrodite zoals we die bij
Hesiodus vinden (Kronos hakt de geslachtsdelen van zijn vader Ouranos af en smijt ze
in zee; dan wordt door het schuimende sperma vanuit de zee de godin van de
sexualiteit verwekt en geboren) is bij Homerus vervangen door een eerzame geboorte
uit een verbintenis van Zeus met Dione. Minder schokkend, meer verfijnd. Wat
Homerus als verteller aan zijn publiek wil overdragen, is niet dit traditioneel-
72

fabuleuze, maar een bepaald perspectief op wat mensen zijn en wat ze elkaar aandoen.
En daarmee kom ik aan de stof van mijn vierde en laatste hoofdstuk.
Het toekijken der goden
Voor het bewustzijn van de Grieken, zo vroeg als teksten daarover enige bewering
veroorloven, is de macht van de goden voor het belangrijkste deel ‘in den hoge’
gesitueerd en niet primair in de diepte, in de aarde (dit laatste schijnt bij de pre-
helleense religiositeit wel het geval geweest te zijn). De oppergod, Zeus, afstammend
van Ouranos, heeft zijn plaats ‘in den hoge’, op bergtoppen en met name op de
Olympus. Vandaar overziet hij alles. Datzelfde doet ook de zon. Dat toezien heeft in
de eerste plaats een kosmische betekenis, maar wordt door de mensen ook gevreesd
omdat het consequenties heeft voor hun ethisch handelen: zij straffen de boosdoeners.
De locus classicus voor dit bewustzijn is in het derde boek van de Ilias te vinden,
wanneer Grieken en Trojanen een wapenstilstand sluiten en met eden bekrachtigen.
Agamemnon bidt dan:
‘Zeus, van de Ida heersende, roemrijke, machtige Vader!
En gij, Helios, alziende, alleshorende godheid,
gij rivieren en aarde en gij die vanonder het aardrijk
doden aan straf onderwerpt - een elk die een meineed gepleegd heeft -
u roep ik aan als getuigen en vraag u dit pact te bewaken,’ (276-80).
Als de straf al gevoeld wordt als een die althans voor doden zich afspeelt onder de
aarde, zeker is dat de inspectie berust bij de hemelgoden. In Odyssee 17, 484-7 wordt
zelfs gesteld dat de hemelgoden niet tevreden zijn met inspectie vanuit de hemel, maar
dat zij soms, op mensen gelijkend, de steden bezoeken en in ogenschouw nemen hoe
mensen zich aan de wet houden dan wel zich aan anderen vergrijpen.
Welnu, Homerus doet méér dan het doorgeven van deze traditionele voorstelling.
Hij kent aan de goden een nieuwe functie toe en maakt hen tot een in het epos
ingebouwd publiek. Zij kijken toe vanaf de Olympus of vanaf het dichter bij Troje
gelegen Idagebergte op dezelfde wijze als publiek toekijkt bij sportwedstrijden of
toneelvoorstellingen.
6
Meestal kijken ze geboeid (IV, 1-4) en geamuseerd (VII, 61),
een enkele maal met een voorbijgaande emotie van medelijden (XVI, 431; XXII, 169),
soms ook is hun blik door iets anders verderop afgeleid (XIII, 1-7). Wanneer Achilles
eindelijk weer ten strijde trekt en het er naar uitziet dat hij zijn woede op de Trojanen
gaat koelen, komen de goden zelfs en bloc naar beneden om beter te kunnen kijken
(XX, 125-37) en nemen plaats op twee ‘tribunes’ in de vlakte van Troje, de
philhclleense goden op de ene en de philotrojaanse op de andere (XX, 145-52).
Overigens duurt het niet lang of de goden, aldus in twee kampen verdeeld, gaan elkaar
te lijf, in de zogenaamde Theomachie (XXI). Vanaf zijn Olympische loge vermaakt
Zeus zich kostelijk met het kijken naar dit goddelijk handgemeen (XXI, 388 vv.).
Op zich is dit al een vertellerskunstgreep van buitengewoon hoog gehalte en het
publiek van Homerus heeft er zeker van genoten zich door hem telkens in de Olym-
pische fauteuils te laten duwen en van daaruit mee te kijken.7 Wil Homerus dan
bereiken dat wij met het perspectief van de goden naar de gebeurtenissen rond Troje,
naar de lotgevallen van Achilles en Patroclus, van Hector en Andromache moeten
kijken? Ja, maar uiteindelijk ook beslist weer niet. Er zijn vele gegevens die pleiten
voor de stelling dat hij dat niet bedoeld heeft; één daarvan is duidelijk voor een ieder
die met aandacht de passage Ilias XXII 157-166 leest. Achilles achtervolgt Hector
73

rond de muren van Troje en tijdens dit hardlopen passeren de mannen de bronnen van
de Scamander:
Waarlangs renden zij voort, de vluchteling en zijn belager -
sterk was de eerste genoeg, veel sterker was echter de tweede,
en om het hardst liepen zij, want niet om een rund of een draagschild
snelden zij voort^ de gewone prijs bij de wedloop der mannen,
maar om het leven van Hector, de paardenbedwingende krijgsheld’.
De verteller maakt hier dus expliciet duidelijk dat wij, stervelingen als we zijn, ons
goed moeten realiseren dat we dit niet ontspannen, als toeschouwers bij een wedstrijd,
kunnen aanzien: het gaat om het leven en de dood van de mens Hector, wiens vrouw
en kind de verteller ons in boek VI heeft laten ontmoeten, wiens dapperheid,
overmoed en beoordelingsfouten hij ons heeft verhaald in de loop van de Ilias en naar
wiens wanhoopsrede we zojuist in boek XXII 99-130 hebben geluisterd.
Maar dan gaat de tekst als volgt verder:
‘Zoals bij lijkspelen voor een gesneuvelde vriend om een mooie
kampprijs, drievoet of vrouw, wordt gerend en zoals dan de paarden,
eerste klas dravers, in vliegende vaart om het keerpunt heen zwenken,
zo, op hun vliegende voeten, renden zij verder en keerden
driemaal om Priamos’ stad, ten aanschouwen der eeuwige goden’.
74
Griekse zanger. Bronzen beeldje, h. 55 cm.
Geometrische periode. Iraklion, Arch. Mus. inv. 2064

Hiermee benadrukt de dichter dat het in de ogen der goden wél een wedstrijd is,
waarnaar ze kijken zoals de leden van de Engelse aristocratie door hun verrekijkers
naar de races van Ascot kijken: geboeid, en zelfs zo dat het hun spijt wanneer een
dierbaar paard verongelukt: maar ze zijn ten eerste Britten en ten tweede steenrijk,
dus het doet hun in wezen niets. Zo is het ook met de goden in de Ilias: omdat ze zelf
onsterfelijk zijn en probleemloos leven (oεtα ζuοντεσ), zijn ze niet ontvankelijk voor
de ernst en de tragiek van het door geboorte en dood ingeperkte mensenbestaan.
Om nog beter duidelijk te maken dat het afstandelijk perspectief van dit goddelijk
publiek niet het enig mogelijke is, heeft de verteller, juist in dit boek waar het er zo op
aan komt, een tweede, menselijk publiek in zijn vertelling ingebouwd: Priamus en
Hecabe, die op de muren van Troje staan en dit alles moeten aanzien, en tenslotte
Andromache die pas wanneer Hector gedood is, het gegil en geschreeuw vanuit haar
huis verneemt, naar de muren rent en dan, dodelijk geschrokken, ziet hoe Hector
voortgesleept wordt, 0κηδrστωσ.
Dit laatste woord brengt mij terug bij mijn eerste hoofdstuk en signaleert dat het
rijd is om deze uiteenzetting af te ronden. Ik wil met nadruk stellen dat mijn vier
hoofdstukken niet een volledige opsomming zijn van alles wat Homerus tot een groot,
geraffineerd en meeslepend verteller maken. Ze geven misschien tezamen voldoende
aanleiding om de stelling dat Homerus een primitief dichter is te weerspreken. Als ze
ook aanleiding zijn voor de lezers hun Homerus weer ter hand te nemen, zou ik
daarmee zeer gelukkig zijn.
Noten
1. Hij gaf aan zijn begaafde zoon een uitzonderlijk grondige training in Latijn, maar hield hem verre
van het Grieks; pas na de dood van Scaliger senior, toen Joseph als student in Parijs aankwam, kon
hij een begin maken met Grieks te leren. Over vader en zoon Scaliger zie R. Pfeiffer, History of
Classical Scholarship, Oxford 1976, 113-9. Over Joseph Scaliger, die de laatste dertien jaar van zijn
leven doorbracht in Nederland als hoogleraar te Leiden verscheen onlangs een monumentale
studie van de hand van A. Grafton, Joseph Scaliger, Oxford 1983.
2. Zie bijvoorbeeld de tekeningen van Lconard Baskin waarmee Richmond Lattimore zijn overigens
fraaie Iliasvertaling heeft laten illustreren: The Iliad of Homer, Chicago 1962.
3. I. J. F. de Jong, Narrators and Focalizers. The presentation of the story in the Iliad. B. Grüner,
Amsterdam 1987.
4. J. Griffin, ‘Words and Speakers in Homer’, JHS 106 (1986) 36-57, en I. J. F. de Jong, Narrators
etc. (reeds geciteerd in noot 3).
5. Zo is het ook veelzeggend dat op het hoogtepunt zelf van de Odyssee, nl. daar waar Odysseus
eindelijk zijn vrouw in de armen sluit, een vergelijking van dit type wordt gevonden, een die ons
zelfs in staat stelt het emotionele gezichtspunt van de beide personages tegelijk mee te beleven! Zie
mijn bijdrage in Classical Quarterly 37 (1987) 423-426.
6. Zie het slothoofdstuk van J. Griffin’s Homer on Life and Death, Oxford 1980.
7. Men kan hiermee heel goed de kunstgreep vergelijken die de Odysseedichter toepast wanneer hij
in de boeken 6 t/m 8 de Phaeaken beschrijft als paradijselijk gelukkige mensen die leven in
overvloed, en dan Odysseus aan hen zijn grote reisverhalen laat doen (bk 9 t/m 12).
Bibliografie
C. M. Bowra, Heroic Poetry, Oxford 1952
B. K. Braswell, ‘Mythological Innovation in the Iliad’, CQ 65 (1971) 16-26
J. B. Hainsworth, Flexibility of the Homeric Formula, Oxford 1968
A. Hoekstra, Homeric Modifications of Formulaic Prototypes, Amsterdam 1965
M. Parry, The Making of Homeric Verse, Oxford 1971
W. C. Scott, The Oral Nature of the Homenc Simile, Leiden 1974
G. Shipp, Studies in the Language of Homer, Cambrige 19722
75

Thalassa!
door GEERTEN GOSSAERT.
De nacht was in de eikebosschen
Tusschen de heuvlen klaar en koel ;
En statig stapten onze rossen
Naar ‘t oosten en ‘t verlangde doel.
Toen woei een windje in onze ooren
Een vreemd gemurmel ver en veeg . . .
En brieschend sprong mijn vos naar voren,
In oubevolen draf, en steeg,
En stond ter kruine. Onbewogen,
Onder de koperroode maan,
Aanschouwden onze ontroerde oogen,
Onmetelijk, den Oceaan !
Experimenten p. 15
(v. Dishoeck 1919).
LATINE.
Humida quercetis nox incubat orbe sereno,
Tecte quae frondent per iuga litorea ;
Docti propositas orientis tangere metas,
Incessu stabili progrediuntur equi.
Aures ecce meas afflavit leniter aura,
Longe ceu veniens murmur et ambiguum . . .
Prosiliens sonipes fremitu loca complet acuto
Cursumque accelerans ardua sponte petit :
Constitit in summo. Rutiiae sub sidere lunae,
Desuper immotis prospiciens oculis,
Attonitus persto ; sensus iam detinet omnes
Caerulus immensi gurgitis Oceanus !
P. H. DAMSTÉ
(1929)
76

Twee Nugae van Catullus
Het was zeker geen aanstellerij van Catullus, dat hij het bundeltje
verzen, waardoor zijn roem bij het nageslacht het meest zou blijven
voortleven, met den naam van „Nugae”, van grapjes, dingsig-
heidjes, litteraire beuzelingen, betiteld heeft. Ongetwijfeld be-
schouwde hij de Bruiloft van Peleus en Thetis, den Attis de Haarlok
van Berenice, de groote elegieën en epithalamia als zijn eigenlijke
dichterlijke werk, waardoor hij met de Grieken, met de Alexan-
drijnen, kon wedijveren. We mogen er Cornelius Nepos dus dank-
baar voor zijn, dat hij — zooals uit de opdracht van het bundeltje
blijkt — die nietigheid jes lang niet niks vond. Door zijn oordeel is
een reeks van gedichten bewaard gebleven, die geheel eenig zijn
in de antieke litteratuur: levend en direct als weinige gelegen-
heidsgedichten van die soort, waarvan Goethe zeide, dat het de
beste gedichten zijn.
Als alle echte kunst evenwel zijn deze Nugae voor het meerendeel
veel kunstiger dan ze zoo op het eerste gezicht gelijken. Door ,
een zeer preciese doch nooit precieuse woordkeus, door een zeer
nauwkeurige schikking, die het juiste woord ook op de juiste plaats
brengt, en door een geestig gebruik van allitteratie, dat zich nooit
‘opzettelijk opdringt, is hier een effect bereikt, dat te opmerkelijker
is, omdat de middelen als middelen zoo eenvoudig zijn. Men be-
merkt dat het best, als men een paar regels in het Hollandsch
vertaalt en dan ziet hoe weinig er van de charme van het origineel
is overgebleven. Neem slechts de eerste 2 regels van de invitatie
aan Fabullus
1
: Cenabis bene, mi Fabulle apud me / Paucis, si tibi
di favent, diebus — en vertaal naar den zin : Je zult goed bij mij
eten, mijn Fabullus, binnen weinig dagen, als de goden je gunstig
77
1
C a r m e n XIII :
Cenabis bene, mi Fabulle, apud me
Paucis, si tibi di favent, diebus,
Si tecum attuleris bonam atque
[magnam
Cenam, non sine candida puella
Et vino et sale et omnibus ca-
[chinnis.
Haec si, inquam, attuleris, venuste
[noster,
Cenabis bene : nam tui Catulli
Plenus sacculus est aranearum.
Sed contra accipies meros amores
10
Seu quid suavius elegantiusve est :
Nam unguentum dabo, quod meae
[pueliae
Bonanmt Veneres Cupidinesque,
Quod tu cum olfacies, deos rogabis,
Totum ut te faciant, Fabulle, nasum.

zijn. Wat is er nu zoek geraakt ? Ten eerste natuurlijk de spelende
cadance van het vers, en het onschuldig woordspel van mi Fabulle
en di favent, die niet zonder opzet in den overeenkomstigen voet
van het vers staan. Maar ook andere trekken, die misschien minder
opvallen, echter niet minder afdoen tot den indruk. Het kan
niet toevallig zijn, dat het werkwoord, cenabis, voorop gaat, want
dat is voor den Latijnschen zinsbouw vrij ongewoon : op het eten
komt het aan. De versmaat legt een sterken nadruk op den toe-
komst-vorm, niet zonder bedoeling, want Fabullus zal zijn diner
slechts krijgen, als hij het zelf meebrengt. De letter, die deze
ongewisse toekomst accentueert, wordt door herhaling in bene en
Fabulle den lezer nog eens ingeprent, zooals ook in den 2en regel
de allitteratie van di en diebus sterker doet voelen, dat de hulp
der goden noodig is. Voeg daar nog bij, dat het hartelijke mi Fabulle
met apud me ook door klankovereenkomst
1
opzettelijk verbonden
is : dan heeft men, geloof ik, het voornaamste, wat aan de Holland-
sche vertaling dezer regels ontbrak.
Is het nu onmogelijk in het Hollandsch iets van de kleine be-
koorlijkheden van zoo’n versje weer te geven ? Men mag zich
niet tevreden stellen met een bekentenis van onvermogen, om
zich zoodoende de moeite te besparen. Vertalen, zoo goed als men
kan, is ten slotte de eenige manier, om zich ten volle rekenschap
te geven van de waarde van het origineel. En dus :
Dineeren zul je fijn, Fabullus, bij mij
Al binnen zeer kort, als de goden ’t geven,
Wanneer je meebrengt, maat, een fijn, copieus
Diner (en niet vergeet je mooie meisje)
Èn wijn èn zout en al je guitigheden.
Wanneer jij, ooiijkerd, dat meebrengt, zul je
Dineeren fijntjes, want je vriend Catullus
Die heeft zijn heele beurs vol spinnewebben.
Maar daarvoor krijg je in dank „parfait amour”,
Of wat maar liefelijker is en chiquer.
Want ik fourneer parfum, die aan mijn meisje
De goede geesten der bekoring gaven.
Als jij die ruiken zult, vraag je de goden
Fabullus gansch en al tot neus te maken.
1
Iets dergelijks Ovid. Met. 2. 101 : ne dubita. dabitur. Daaruit blijkt dat
zulke dingen niet toevallig zijn.
78

De zuivere hartelijkheid en de fijne Gallische scherts van deze
invitatie voelt men misschien ook in de vertaling. Maar hoort men
nu de beide laatste regels in het Latijn :
— Quod tu cum olfacies, deos rogabis
Totum ut te faciant, Fabulle, nasum —
dan zal men bemerken, dat nasum achteraan pas heelemaal op
de goede plaats staat, want daar spreekt een woord, dat onver-
wacht komt, het sterkst; dat de woordspeling olfacies en te faciant
onvertaalbaar is, dat de allitteraties totum te en faciant Fabulle
verloren zijn gegaan. En ten slotte komt men tot de ontdekking,
dat de nadruk van totum het in het origineel nog wel duidelijker
maakt dan de vertaling doet, hoe blijkbaar Fabullus ook zonder
deze goddelijke parfum al een goed eind op weg was om heelemaal
tot neus te worden.
Veel gecompliceerder van sentiment dan dit versje is dat aller-
bekendste van Catullus’ gedichten : ,,Op den dood van Lesbia’s
musch”.
1
Men weet bij dit gedicht nooit, waar de spot eindigt
en de ernst begint. Natuurlijk vindt Catullus het wel beroerd, dat
het diertje dood is, vooral omdat Lesbia het zich zoo aantrekt,
maar hij is toch meer jaloersch om die smart dan bedroefd. Als
hij zich herinnert, hoe vroolijk en vief het vogeltje was en hoe
bizonder het op de vrouw gesteld was, dan wordt ook hij wel
even verteederd, nu hij dat kleine dooie lijfje voor zich ziet, maar
opzettelijk overdrijft hij meteen weer dat gevoel, om er van af
te komen. En hij eindigt met een verwensching van die ellendige
musch, door wier schuld zijn Lesbia er met hare roodbehuilde
oogen zoo triest en ontoonbaar uitziet.
79
1
C a r m e n III :
Lugete, o Veneres Cupidinesque,
Et quantum est hominum venus-
[tiorum :
Passer mortuus est meae pueliae,
Passer, deliciae meae pueliae,
5
Quem plus illa oculis suis amabat;
Nam mellitus eraf suamquenorat
Ipsam tam bene quam puella
[matrem,
Nee sese a gremio illius movebat,
Sed circumsiliens modo huc modo
[illuc
10
Ad solam dominam usque
[pipiabat.
Qui nunc it per iter tenebricosum
Illuc, unde negant redire
[quemquam.
At vobis male sit, maiae tenebrae
Orci, quae omnia bella devoratis :
15
Tam helium mihi passerem abstu-
[listis.
O factum male ! io miselle passer !
Tua nunc opera meae pueliae
Plendo turgiduli rubent ocelli.

Zoo voelen we hier dus naast en door elkander : een kleine
deernis om het doode muschje, een liefde voor Lesbia, wier diepte
wij peilen door de jaloezie van den minnaar, een vleugje haat
tegen het onbeduidend creatuurtje, dat al die droefheid heeft
veroorzaakt, en over dit alles heen de fijne spot, die opzettelijk
en ironisch dit kleine voorval opblaast tot een wereldschokkende
gebeurtenis. Vandaar dat Catullus zijn klaaglied inzet met een
aanhef in grooten stijl. Zooals de Grieksche dichter Bion den
gestorven Adonis bezingt:
Αioζω τòν ¯Αδωνιν `0πuλετο καλòσ ¯Αδωνισ'.
`uλετο καλòσ ¯Αδωνισ' rπαιoζουσιν ¯Ερωτεσ
aldus Catullus : lugete, o Veneres Cupidinesque . . . Even later
volgt hij Theocritus na, als hij beschrijft, hoe het muschje den
duisteren weg ten Hades gaat, „vanwaar geen schepsel weerkeert”.
Maar natuurlijk had deze van den mensch gezegd, wat Catullus
op het vogeltje toepast. En zoo vindt men in dit gedicht nog
andere toespelingen op de teedere poëzie der Alexandrijnen, die
doen bemerken, hoe de dichter heel even parodieert. Het heeft
geen zin die alle op te sommen. Beter is het te trachten het karakter
van het geheele vers door een vertaling weer te geven. De verschil-
lende nuances van gevoel zullen daarin misschien wel duidelijk
worden, de fijne schakeeringen van klank en rhythme zeer zeker
niet. Is het niet verwonderlijk, dat deze breed-galmende verzen
den zelfden maat hebben als het gedicht aan Fabullus, met zijn
vluggen vlotten gang ? Maar als een vertaling ons de waarde
van het oorspronkelijk beter doet begrijpen, heeft zij haar doel
bereikt. Niet minder dan door haar verdiensten doet zij dat door
haar tekortkomingen :
Klaagt nu minnegodinnen, liefdegoden,
En al minlijker menschen scharen weeklaagt!
Muschje is henengegaan, mijn meisjes muschje,
O het muschje, mijn meisjes eigen schatje,
Dat zij meer dan haar eigen oogen liefhad.
Want een honnetje was hij en zijn vrouwtje
Kend’ie even zoo goed als ‘t kind zijn moeder,
En hij wilde dan ook van haar schoot niet wijken,
Maar steeds hippend rondom haar her- en derheen
Tjilpt’ie almaar door tot de vrouw alleenig —
80

Treedt nu voort lan^s het pad der duisternisse
Naar dat oord, waarvandaan geen schepsel weerkeert.
Wee dan, wee over U, gij duistre machten,
Hellebroed, dat verslindt alles, wat schoon is.
Zoo’n mooi musscheke hebt gij mij ontnomen.
Ramp der rampen, ai ai rampzalig muschbeest.
Door uw toedoen nu zijn mijn meisjes oogen
Van den stroom harer tranen roodgezwollen.
W. KUIPER
(1928)
81

De behandeling van de twee nugae van Catullus door W. K(uiper) ademt een zekere
argeloosheid. Ik gebruik de term niet denigrerend met de bijbetekenis van op
onwetendheid berustende onoplettendheid, maar in de zin van het Latijnse simplicitas,
dat altijd positief gebruikt wordt van mensen die recht door zee gaan, zelf niet
achterbaks zijn en niet steeds boos opzet bij anderen vermoeden.
De argeloosheid komt in Kuipers beschouwingen op twee manieren tot uitdrukking.
Hij bekijkt de gedichten vrijwel geheel in isolement (al gewaagt hij in zijn bespreking
van c. 3 van ‘de teedere poëzie der Alexandrijnen’) en lijkt ervan uit te gaan dat ze zonder
vergelijking met verwante gedichten afdoende kunnen worden geïnterpreteerd.
Opmerkelijk is verder het vertrouwen dat Kuiper heeft in de vertaling als middel om wat
hij noemt ‘de waarde van het origineel’ tot uitdrukking te brengen. Door alle discussies
die er de laatste twintig jaar gevoerd zijn over de waarde van het vertalen in het
onderwijs, over de vertaling als hulpmiddel om tot het origineel door te dringen en over
de doeltreffendheid van de vertaling als toetsmiddel om te controleren of een tekst
begrepen is, zijn we de rustige zekerheid waar Kuiper in dezen blijk van geeft wel kwijt.
De hoop in het onderstaande te laten zien dat door die argeloosheid enkele problemati-
sche kanten van c. 13, waartoe ik me verder zal beperken, onopgemerkt zijn gebleven,
maar ook dat een al te spitsvondig speuren naar dubbele en driedubbele bodems in dit
gedicht tot hoogst onaannemelijke interpretaties heeft geleid.
Catullus 13, ‘a Dutch treat’
1
Beginnen we met de inleidende opmerkingen over c. 13 Cenabis bene, mi Fabulle, apud
me. De aandacht die Kuiper aan enkele vormelijke aspecten van het gedicht besteedt,
zoals allitteratie en assonantie, maakt een eigentijdse indruk. De voorstelling van de
nugae als spontaan genoteerde, uit het leven gegrepen impressies van het natuurtalent
Catullus heeft voor Kuiper klaarblijkelijk al afgedaan. Een enkele observatie is minder
overtuigend, bijvoorbeeld de opmerking dat het toekomst-karakter van het diner,
aangeduid door het futurum cenabis, versterkt wordt door de herhaalde b’s in bene en
Fabulle. Het gebruik van de toekomende tijd is bij uitnodigingen als deze overigens
gebruikelijk. Uit dit kleine taalkundige detail blijkt al dat het zijn nut heeft thematisch
verwante gelegenheidsgedichten naast de invitatie van Catullus te leggen. Het wordt
dan duidelijk dat er een paar standaardelementen in plegen voor te komen, zoals de
mededeling dat het maar een eenvoudige maaltijd zal worden, omdat de gastheer niet
veel geld heeft, waar dan weer tegenover staat dat het er vast vrolijk toe zal gaan. We
82
D. den Hengst
De voor- en
nadelen van
argeloosheid

hebben een uitnodigingsgedicht als c. 13 uit ongeveer dezelfde tijd (60-55 v. Chr.) van
de Griekse dichter Philodemus waarvan de geparafraseerde inhoud aldus luidt: ‘Piso,
kom morgen op het negende uur: de maaltijd zal eenvoudig zijn, maar het gezelschap
belooft veel goeds’ (Anthologia Palatina 11.44) en een generatie later, bij Horatius,
vinden we er drie in de Oden (1.20, 3.29, 4.12) en een in de Brieven (1.5). Ode 4.12 lijkt
nog het sterkst op het gedicht van Catullus. Ook daar vinden we het verzoek aan de
vriend iets voor de maaltijd mee te brengen. Horatius kan zich niet permitteren als een
rijke zijn vriend te onthalen zonder dat die daar iets tegenoverstelt. De lezer verwacht
deze vaste bestanddelen aan te zullen treffen. Wat ieder nieuw gedicht van dit type
interessant moet maken zijn de variaties die de dichter op het thema weet aan te
brengen.
Bij Catullus vallen een paar bijzonderheden direct op. De uitnodiging is nogal vaag:
paucis...diebus, ‘binnen enkele dagen’ (r.2) en bovendien afhankelijk van de goedgun-
stigheid van de goden jegens Fabullus: si tibi di favent, ‘als de goden je goed gezind zijn’.
Vreemder is nog dat Catullus zich niet bij voorbaat voor het sobere karakter van de
maaltijd excuseert, nee, hij gaat veel verder en verwacht letterlijk alles van zijn gast. Die
moet niet alleen het voedsel en de wijn meenemen, maar ook voor een aangename sfeer
zorgen. Daartoe dienen het mooie meisje (candida puella, r.4), het zout (sal, r.5), d.w.z.
de humor en de cachinni (r.5), het schaterlachen. Geen wonder dat een Engelse geleerde
aan dit gedicht de titel ‘A Dutch treat’ heeft gegeven. Catullus drukt de lezer met zijn
neus op het onconventionele van de uitnodiging door de voorwaarde die eraan is
verbonden nadrukkelijk te herhalen: haec si, inquam, attuleris, ‘als je dit alles, ik zeg het
nogmaals, meebrengt’ (r.6). En hij spreekt Fabullus aan met venuste (r.6), een typisch
Catullus-woord, waarmee hij geestverwanten aanduidt, mensen van goede smaak en
met gevoel voor humor. Vooral die laatste eigenschap zal Fabullus in deze situatie te
stade komen.
De tegenprestatie van Catullus
Stelt Catullus hier dan niets tegenover? Wel zeker; al is niet direct duidelijk wat het is.
Hij duidt zijn tegenprestatie eerst aan met meros amores, ‘zuivere, onversneden liefde’
(r.9). Dat is een omstreden uitdrukking die ofwel slaat op Catullus’ hartelijke gevoelens
voor zijn vriend, of, wat mij aannemelijker lijkt, op het volgende unguentum, ‘parfum’
(r.l l). In het laatste geval betekent het ‘iets datje eenvoudigweg fantastisch zult vinden’
(Kuipers in de context van een diner nogal verwarrende ‘parfait amour’ berust
vermoedelijk op de eerste interpretatie).
Het parfum dat Catullus zijn gast aanbiedt heeft op het eerste gezicht niets vreemds.
Reukwerk hoort bij een diner, net als wijn en bloemenkransen. Alleen, Catullus biedt
hier iets aan wat niet van hemzelf is, want het is een geschenk dat de liefdesgoden aan
zijn geliefde, Lesbia, hebben gegeven (r. 11 -12 quod meae puellae/donarunt Veneres
Cupidinesque). Nu wordt het zo simpel ogende gedichtje toch nog ingewikkeld. Wil
Catullus net zo brutaal mooi weer spelen met Lesbia’s bezit als met dat van Fabullus?
Portretteert hij zichzelf als een bohémien avant-la-lettre, die weliswaar geen cent op
zak heeft, maar toch optreedt als een grand seigneur? Beide interpretaties veronderstel-
len een flinke dosis zelfspot bij de dichter. Daar is niets tegen, want Catullus beschikt als
geen ander over het vermogen om zichzelf als het ware van buitenaf te bekijken en met
ironie te beschrijven. Een bezwaar tegen beide interpretaties van het gedicht is wel dat
Lesbia helemaal in de marge blijft, anders gezegd dat de mededeling dat het unguentum
door de goden aan haar gegeven is in het gedicht geen functie heeft. En bovendien, hoe
moeten we ons de situatie voorstellen? Hebben de Veneres Cupidinesque een echte
flacon parfum aan Lesbia gegeven, waar Catullus nu goede sier mee maakt? Zo
letterlijk zal vermoedelijk geen lezer de mededeling met het wel zeer onbestemde
83

subject Veneres Cupidinesque, dat iets moet betekenen als ‘al wat liefelijk en bekoorlijk
is’, hebben opgevat. Denken we niet aan een concrete flacon, dan zal het parfum dat de
liefdesgoden aan Lesbia hebben gegeven wel moeten slaan op de heerlijke geur die zij
van zichzelf bezit. Dat een godheid een vrouw zalft om haar begeerlijker te maken is
een voorstelling die we al bij Homerus aantreffen. In boek 18 van de Odyssee wordt
verteld hoe Athene Penelope in slaap brengt om haar vervolgens ‘langer en sterker’ te
maken dan zijn tevoren was:
κoλλεϊ µrν οl πρuτα προσuπατα καλo κoθηρεν.
0µβροσiω. οiω περ rϋστrφανοσ Κυθrρεια.
χρiεται. εuτ' 0ν i¸η Χαρiτων χορòν lµερóεντα (192-4)
(‘zij reinigde eerst haar schone gelaat met een schoonheidsmiddel, goddelijk,
zoals waarmee de godin van Cythera (Aphrodite) met de mooie kransen zich
zalft, wanneer zij zich schaart in de lieflijke reidans van de Gratiën’).
Is Lesbia zelf de draagster van het parfum, dan houdt dat in dat zij zelf op het diner
aanwezig zal zijn, zodat het een partij wordt voor vier personen: Fabullus, het mooie
meisje, Lesbia en Catullus. Welbeschouwd een voor de hand liggend arrangement. Zo
gelezen ontpopt het gedicht zich als een indirect compliment aan Lesbia, die Fabullus
met haar geur tot verbijstering zal brengen. Een vergelijkbare wending geeft Catullus
aan zijn passer-gedicht (c. 3), waar de lezer zestien regels lang de indruk heeft dat hij
een lijkklacht voor een gestorven dier voor zich heeft, tot in de laatste twee regels alle
aandacht op Lesbia wordt gericht.
Zo blijkt er in dit in vitatie-gedicht toch iets meer schuil te gaan dan de ‘zuivere
hartelijkheid en de fijne Gallische scherts’ die Kuiper erin vond. Catullus heeft de
vertrouwde elementen van het invitatie-gedicht een verrassend nieuwe inhoud gegeven
en, wat mij het belangrijkste lijkt, hij heeft het zwaartepunt van het gedicht zo verlegd
dat in laatste instantie niet Fabullus, maar Lesbia in het middelpunt van de
belangstelling staat.
Twee vertalingen
Als we de vertaling van Kuiper bekijken, kunnen we constateren dat die heel correct is.
Toch is, naar ik hoop, ook wel gebleken dat er meer dan alleen een betrouwbare
vertaling nodig is, willen we ons ‘ten volle rekenschap (...) geven van de waarde van het
origineel’ De dwang van het metrum heeft hier en daar tot concessies en vulwerk geleid
(bijv. ‘maat’ in r.3, ‘dineeren fijntjes’ in r.7, wat extra jammer is omdat de letterlijke
herhaling van cenabis bene begin en eind van het eerste deel van het gedicht markeert).
Sommige woorden klinken na zestig jaar wel heel gedateerd. Met name ‘oolijkerd’ voor
venuste noster wekt de lachlust. Het is mij niet duidelijk hoe Kuiper uit totum aan het
begin van de slotregel afleidt dat Fabullus ‘ook zonder deze goddelijke parfum al een
goed eind op weg was om helemaal neus te worden’. Dat doet beslist afbreuk aan de
uitgelaten voorspelling dat hij de goden zal bidden ‘een en al neus’ te worden.
Met instemming van de vertaler Frans van Dooren zet ik hieronder diens recente
vertaling van hetzelfde gedicht
2
.
Wanneer de goden met je zijn, Fabullus
dan heb je zó bij mij een goed diner.
Maar breng dan wel een flinke zak met eten,
een kruikje wijn en een leuk meisje mee,
en ook de humor moet je niet vergeten.
84

En maak je aldus bij mij dan je entree,
dan zul je prima eten, beste kerel,
want vol met spinrag zit mijn port’monnee.
In ruil hiervoor deelt zich dan pure liefde
en hoogste zinsverrukking aan je mee
door ‘t goddelijk parfum dat Amor zelf
mijn meisje op haar huid en haren dee.
Als je dat ruiken zult, Fabullus, heus,
dan bid je: ‘O God, maak mij tot louter neus!’
Deze vertaling wint het voor mijn gevoel op punten van die van Kuiper. Er zit een
enorme vaart in en de ironische toon van de uitnodiging komt in allerlei kleine details
tot uiting (‘dan heb je zó’, ‘een flinke zak met eten’). Voor de hogere eisen die Van
Dooren aan de vorm gesteld heeft, moet natuurlijk een tol worden betaald. Dat de
werkwoordsvormen accipies en dabo, die voor de structuur van het gedicht zo
belangrijk zijn, in de vertaling bijkans onzichtbaar zijn geworden is spijtig. Verder valt
op dat de moderne vertaling sterker interpreteert. Van Dooren heeft er geen twijfel aan
laten bestaan hoe het unguentum volgens hem moet worden opgevat.
Drie recente studies over c. 13
Er heeft rond dit gedicht een aangename rust geheerst tot 1977. In dat jaar verscheen
een artikel van de Amerikaanse geleerde Robert J. Littman, werkzaam bij de
universiteit van Hawaii
3
. Hij formuleert zijn centrale stelling aldus: ‘I suggest that
unguentum refers to Lesbia’s vaginal secretions which sexual excitement causes to flow’ (p.
123). Volgens Littman is de interpretatie van Catullus veelvuldig gehinderd door
pruderie waardoor niemand zijn ‘obvious solution’ heeft gezien of althans onder
woorden gebracht. Een jaar later kreeg hij krachtige bijval van Judith P. Hallett van
Boston University
4
, die de mening verdedigde dat Martialis 3.12, onmiskenbaar op
Catullus 13 geïnspireerd en eveneens tot een Fabullus gericht, ook een obscene
bijbetekenis heeft. Met andere woorden, Littman bevindt zich, naar het oordeel van
Hallett, in goed, klassiek gezelschap. Het zou te ver voeren de argumentatie over Mart
3.12 na te lopen. Ik volsta ermee te zeggen dat het aanwijzen van termen die in een
geheel andere context wel eens sexuele connotaties hebben nog iets anders is dan het
aantonen van een enigszins consistente erotische structuur van een gedicht als geheel.
Maar zelfs als Halletts interpretatie van Mart. 3.12 juist zou zijn, dan zegt dat strikt
genomen alleen iets over Martialis, niet noodzakelijkerwijs ook over Catullus. Een
beredeneerde aanval op deze interpretatie is gedaan door Charles Witke van de
University of Michigan
5
, die zijn artikel enigszins verrassend en teleurstellend besluit
met een non liquet. Wil de interpretatie van unguentum als hierboven aangegeven
ingang vinden, dan zal zij aan een aantal eisen moeten voldoen. Allereerst op het niveau
van de woordbetekenis. Een blik in de gezaghebbende Oxford Latin Dictionary leert dat
het woord in de Latijnse literatuur van Plautus tot en met Apuleius voorkomt in de
context van diners en luxe-vertoon en dat het wordt geassocieerd met decadentie en
uitgelatenheid, maar de gepostuleerde fysieke betekenis is niet te vinden. Dat zegt niet
alles. Per slot van rekening is onze kennis van de Latijnse literatuur zo fragmentarisch
dat niet kan worden uitgesloten dat unguentum ooit in deze betekenis is gebezigd.
Omgekeerd kunnen we de vraag stellen of de bedoelde lichaamsgeuren ergens als
prikkelend zij n beschreven. Met komisch aandoende pedanterie citeert Littman modem
Amerikaans sexuologisch onderzoek dat heeft aangetoond hoe krachtig hun effect op
de man is, maar ik zou dat allemaal graag cadeau doen voor één niet mis te verstaan
Latijns of Grieks citaat. Dat is tot dusver bij mijn weten niet opgediept.
85

86
Jong meisje giet parfum in alabastron. Wandschildering uit de Romeinse villa onder de Villa della Farnesia.
20 v. Chr. Museo Nazionale Romano, inv. 1183

Het is in twee opzichten onaannemelijk dat Catullus zich met betrekking tot Lesbia
een dergelijke verhulde obsceniteit zou hebben gepermitteerd. Zijn taalgebruik in
eroticis is in het algemeen zelfs voor moderne begrippen heel direct en vaak gewoon
grof. Dat geldt soms ook waar het Lesbia betreft, maar alleen wanneer de dichter
fulmineert tegen haar ontrouw. In de gedichten waar zijn verhouding met Lesbia als
liefdevol wordt beschreven, is het taalgebruik eerder terughoudend.
De belangrijkste vraag is natuurlijk of c. 13 een samenhangende interpretatie toelaat
met deze betekenis van unguentum. Dat is mijns inziens uitgesloten. Immers, dabo tibi
unguentum kan dan alleen nog betekenen dat Catullus zijn geliefde als het ware aan
Fabullus ter beschikking stelt. Dat is op voorhand onwaarschijnlijk en in flagrante
tegenspraak met de bezeten ‘possessiveness’ die hij ten aanzien van Lesbia onder
woorden brengt. En tenslotte, als dit de bedoeling zou zijn, wat moet de candida puella
dan in dit gezelschap? Kortom, de obscene interpretatie van unguentum creëert meer
onduidelijkheden dan zij oplost.
Het moge duidelijk geworden zijn dat er sinds de oprichting van Hermeneus niet alleen
vooruitgang is geboekt. Het lijkt verstandig de hier gewraakte interpretatie als een
typerend staaltje filologie uit de jaren zeventig in het welvoorziene rariteitenkabinet
van de Altertumswissenschaft bij te zetten. Gelukkig dat er tegenstemmen als van Witke
zijn. Anders hadden we met Catullus moeten zeggen ‘O saeclum insapiens et infacetum’
(‘Wat een domme en humorloze tijd’, c. 43.8).
NOTEN
1. Een ‘Dutch treat’ is een feest of een uitstapje, waarbij iedereen voor zijn eigen kosten opdraait
2. Gepubliceerd in De Tweede Ronde, winter 1986, p.150. In Hermeneus 35 (1964), 202-3 staat nog een
Nederlandse vertaling van dit gedicht door P. van Voorst Vader.
3. The unguent of Venus’, Latomus 36 0977), 123-8.
4. ‘Divine unction: Some further thoughts on Catullus 13’, Latomus 37 (1978), 747-8.
5. Catullus 13: A Reexamination’, Classical Philology’ 75 (1980), 325-31.
87

MELOPEE
Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee
P. van Ostaijen
MELOPOEIA
Sub luna labitur longum flumen
Super longum flumen lassa labitur luna
Sub luna super longum flumen labitur lembus in altum
Per iuncos altos
per prata plana
labitur lembus in altum
labitur labenti cum luna lembus in altum
Sic eunt sodales in mare lembus et luna et vir
Quare lenti labuntur et vir et luna una in altum
Paul Claes
88

Nederlandsche opgravingen te Argos
Er zullen wel weinig menschen naar Griekenland komen, die niet
een kleine hoop koesteren iets te zullen vinden ; maar onder hen,
die er komen met het vooropgezette doel om te zoeken, onder de
opgravers dus, zal wel niemand zijn. die niet hoopt iets heel moois
te vinden, een Venus van Milo, een Hermes van Praxiteles of
althans een fraaie gouden beker of kunstig bewerkte dolk, geschikt
om in den nieuwen druk van Luckenbach te prijken. Men behoeft
echter niet lang in Griekenland te zijn om de zekerheid te krijgen,
dat het vinden van mooie dingen er tegenwoordig heel moeilijk is,
grootendeels op toeval berust en bovendien, het doen van sensatio-
ncele vondsten is op zichzelf natuurlijk bijzonder aangenaam,
maar het behoort niet tot de taak, die de archaeoloog zich moet
stellen. Zeker, een mooi beeld geeft, mits goed opgesteld in een
behoorlijk verlicht museum, aan velen kunstgenot, maar in de
meeste gevallen zal het slechts bevestigen wat men allang wist ;
alleen bij hooge uitzondering kan zulk een vondst verrijking van
kennis brengen en daarnaar behoort de wetenschappelijke onder-
zoeker te streven.
Zoo richt zich de aandaclit der hedendaagsche archaeologen in
de eerste plaats op die punten, die van historisch belang zijn :
Athene, Corinthe, Sparta, Argos, Delphi, Olympia. Men zoekt niet
alleen naar mooie dingen, — het gansche leven der Oudheid in al
zijn uitingen tracht men te benaderen. Op grootsche wijze pakken
de Amerikanen het aan ; zoo hebben zij kortgeleden in Athene
liefst een geheele wijk van 400 huizen aangekocht aan den voet van
de Akropolis, alleen met het doel de antieke agora weer bloot te
leggen. Het mooiste voorbeeld van moderne opgravingsmethoden
is wel Delphi, waar de Franschen het geheele dorp Kastri, dat op
de plaats van het oude Delphi was verrezen, vijf minuten gaans
hebben verplaatst, zoodat de tegenwoordige bezoeker, ongehinderd
door de twijfelachtige bekoring van modern-Grieksche huizenbouw,
de beklemmende schoonheid van dit heilig oord in vollen luister
kan ondergaan.
Eenvoudiger gaan andere naties te werk : Engelschen te Sparta,
Zweden in Asine, Hollanders te Argos. Bij deze kleinere expedities
is het meestal één man, die de ziel ervan is, het initiatief neemt en
de leiding heeft. Zoo ook bij ons. Prof. Dr. C. W. Vollgraff was het,
die in 1902 de ontgraving van Argos ter hand nam en het werk
voortzette in 1903, 1904, 1906 en 1912 met verschillende mede-
werkers ; onder deze mag Prof. W. van der Pluym wel aanspraak
89

maken op het praedicaat „vast”, aangezien hij in 1906, 1912 en
eveneens dezen zomer van de partij was.
Waarom werd Argos gekozen ? De beantwoording dezer vraag
ligt voor de hand : uit elk boek der Ilias blijkt, dat Argos in My-
keenschen tijd het centrum van Griekenland was; de naam 'Αργεtοι
geldt voor alle Grieken en ook de andere verzamelnaam ∆αναοi
hoort in Argos thuis. Nu is het wel waar, dat met het „paarden-
voedende Argos” bij Homerus meer het geheele landschap Argolis
bedoeld wordt, maar het was toch wel buiten twijfel, dat de stad,
die aan dat landschap haar naam leende, ook zelf een vruchtbaar
terrein zou blijken voor archaeologisch onderzoek.
Het tegenwoordige Argos, een rommelig, slecht onderhouden
stadje van 14,000 inwoners, ligt iets oostelijk van het Argos der
5e eeuw v. C. Aan drie zijden wordt het omgeven door de reeds in
de Oudheid om haar vruchtbaarheid beroemde vlakte, waardoor
de Inachus stroomt; zuidwaarts loopt men in een goed uur naar
zee, in het westen ligt het moerassige Myli, waar eenmaal de
Lernaeische Hydra door Herakles werd onschadelijk gemaakt, in
het Oosten verrijzen de bergen, aan welker voet Mykene, het
Heraion en Tiryns lagen. Ten noordwesten ligt een steile, 300 M.
hooge berg, de Larisa, op welks top zich de ruïne van een Veneti-
aansch kasteel bevindt; oostelijk daarvan, dus juist ten noorden
van Argos, een schildvormige heuvel, die met volle recht den naam
Aspis draagt. Hier, op en om de Aspis, is bij de vorige expedities
het meest gegraven en met succes. Dicht bij den top werden muren
en andere overblijfselen van een burcht uit vóór-mykeenschen tijd
gevonden, halverwege de westelijke helling een altaar en trap en
vele andere resten uit lateren tijd, maar de belangrijkste vondst was
wel een serie schachtgraven, uitgehold in de rots aan den weg, die
over het smalle zadel tusschen Aspis en Larisa naar Mantinea
loopt. Niet alleen de structuur der graven, maar ook de daarin
gevonden voorwerpen, speciaal het belangrijke vaatwerk, leverden
het bewijs, dat in Mykeenschen tijd hier althans één belangrijke
nederzetting is geweest.
Was dit alles ? Of zou ook een onderzoek van de veel hoogere
Larisa succes kunnen hebben ? Vele archaeologen waren overtuigd
van het tegendeel: men zocht het in Mykeenschen tijd niet zoo
hoog; Tiryns ligt vrijwel in de vlakte en zelfs Mykene ligt veel
lager dan 300 M. en dan nog wel met hooge bergen er vlak naast,
Daartegenover stond de logische overweging van Prof. Vollgraff,
dat het voor den heerscher over Argos een alleronaangenaamst
gevoel moet zijn geweest om te leven aan den voet van de steile
Larisa, als hij de top niet in bezit had; is het bezit van Argos
90

denkbaar zonder bezit van de Larisa ? Bovendien had een vluchtig
onderzoek van den top genoeg aanwijzingen opgeleverd om tot
een opgraving over te gaan.
Nu wordt telkens door belangstellenden de moeilijke, overigens
voor de hand liggende vraag gedaan : „Waren de opgravingen een
succes ?” Hierop is niet met „ja” of „neen” te antwoorden. De
oogst voor het museum te Athene (waarheen alle belangrijke
vondsten verhuizen) is schraal : alleen een bijzonder fraaie zegel-
steen, enkele aardige terra-cotta-fragmenten en een groote menigte
scherven schenken ons de zekerheid, dat er in de Oudheid bezitters
van mooie dingen gewoond hebben. Verder haast niets dan steenen
en stukken muur. Maar wat misschien meer wetenschappelijke
waarde heeft dan het vinden van vele fraaie kunstvoorwerpen, dat
is de thans verkregen zekerheid, dat de Larisa in Mykeenschen tijd
en zelfs veel vroeger is bewoond geweest en dat de poort van het
paleis nog in historischen tijd in gebruik was.
Het woord „paleis” zou waarschijnlijk een eenigszins komischen
indruk maken op iemand, die thans het opgravingsterrein bezoekt.
Van een paleis is er al heel weinig te zien. En dat was dezen zomer
wel een teleurstelling : het groote, zuiver bewerkte blok kalksteen,
dicht bij den ingang diep onder den grond gevonden, het reusachtige
blok breccia, ingemetseld in den Venetiaanschen muur, zij maken
het zeker, dat daar een Mykeensch paleis is geweest ; de cyclopische
ringmuur, die het omgaf, kan vrijwel overal worden gevolgd, maar
van het paleis zelf — geen spoor. Zoo heftig is door den loop der
eeuwen op de Larisa gevochten, zoo grondig is er verwoest, geplun-
derd en verbrand, dat ook van gebouwen uit veel later tijd niet
meer dan stukken fundament zijn overgebleven. Boven alle ruïnes
hebben weer de Venetianen hun trotsch kasteel gebouwd, waarvan
de haast 2 M. dikke muren alles hebben opgeslorpt, wat er aan
bruikbare bouwsteenen te vinden was. Zoo zal ook het Mykeensch
paleis erin „verwerkt” zijn, evenals de twee tempels, waarvan
Pausanias melding maakt en welker poros-fundamenten dezen
zomer inderdaad zijn gevonden. Is het wonder, dat men bij het
aanschouwen van die muren, waarin men telkens zuilentrommels
en kapiteelen ontdekt, den vandalistischen wensch in zich voelt
opkomen om den tand des tijds een handje te helpen en die muren
eens tot den grond toe na te pluizen ?
Behalve het zooeven vermelde blok breccia werden ook nog twee
inscripties gevonden, ingemetseld in den muur en begin Juni nog
onder den grond. De eene heeft betrekking op een tempel, dateert
uit de 6e eeuw v. C. en is in duidelijke archaïsche letters βουστροφηδóν
geschreven De andere evenwel is nog ouder en behoort zeker tot
91

de oudste inscripties, die er ooit zijn gevonden. Deze steen moet
betrekkelijk kort geleden onder den grond zijn geraakt ; een onvol-
ledig afschrift ervan komt voor bij Boeckh, wien het begin onbekend
was en die er dan ook niet veel van heeft kunnen maken.
De tekst bevat negen namen, waarvan er verschillende in de
mythologie voorkomen ; het schijnt dus wel een lijst van mythische
Argivische koningen te zijn, maar merkwaardigerwijze wijkt deze
lijst in allerlei opzichten sterk af van de traditie ; de beroemde
namen van Danaos en zijn afstammelingen komen er niet op voor,
wel Hippomedon en Adrastos, die tot de „Zeven tegen Thebe”
behooren, maar Adrastos twee plaatsen onder den toch veel jongeren
Hippomedon. Bovenaan staat Potamos, waarmee wel de stroom-
god Inachus zal bedoeld zijn.
Het begin der inscriptie (aan Boeckh onbekend) luidt :
ΕΝΝ |ΕΑ∆Α] ΜΙΟΡΓΟΙΕΧ (?) . . . ΑΣΣΑΝΤΟ, d. w. z. „negen vor-
sten” .... maar welk werkwoord heeft er gestaan ? Aangezien bij
het verschijnen van dit nummer de steen wel door Prof. Vollgraff
gepubliceerd zal zijn, meen ik belangstellenden daarnaar te mogen
verwijzen. Dat het laatste woord er nog niet over gezegd is, staat
wel vast.
De vraag naar het succes der opgravingen is eigenlijk ook voor-
barig, want zij zijn nog niet geëindigd. In 1930 hoopt Prof. Voll-
graff het werk te hervatten ; dan wordt eerst de binnenhof van de
Venetiaansche ruïne op de Larisa afgewerkt, waar nog een veelbe-
lovende hoek is af te graven. In dien hoek ligt het fundament van
één der beide tempels, maar op grooter diepte kwamen de laatste
dagen veel Mykeensche en geometrische scherven voor den dag.
Ook beneden is nog veel te doen ; de plaats van de onde agora is
ongeveer bepaald, resten van een stoa zijn reeds bij vroegere
opgravingen voor den dag gekomen, maar van de 14 tempels, die
volgens Pausanias om de agora lagen, is er pas één teruggevonden.
De opmeting en beschrijving van een belangrijk waterbouwwerk,
onder Hadrianus aan den voet der Larisa gebouwd, is dezen zomer
gereed gekomen, maar daarnaast ligt, verwaarloosd en door distels
overwoekerd, het mooie theater ; ook daaraan is nog veel te doen.
Eindigen wij met den wensch, dat de belangstelling voor deze
zuiver Nederlandsche onderneming zich in stijgende lijn moge
bewegen.
Den Haag. O. DAMSTÉ
(1928)
92

Tussen de archeoloog die in de eerste decennia van de 20e eeuw een opgravingsonder-
zoek ondernam in Griekenland en de archeoloog die in de jaren tachtig van diezelfde
eeuw een opgraving leidt in Zuid-Italië bestaan overeenkomsten, maar ook grote
verschillen. Ik wil in dit korte artikel hierop nader ingaan door enkele aspecten te
belichten van het onderzoek dat Vollgratï in het begin van deze eeuw heeft uitgevoerd
in Argos op de Peloponnesus en het onderzoek dat in de afgelopen jaren vanuit de Vrije
Universiteit heeft plaats gevonden in Valesio in de Apulische regio Salento (Afb.1).
Vollgraffs onderzoek in Argos was
gebaseerd op zijn persoonlijke interesse
voor deze in de Griekse mythologie en
historie zo prominente site; hij verrichtte
zijn onderzoek vrijwel geheel zelfstandig
en verzorgde ook alleen de publicaties
ervan. In de huidige situatie vindt
klassiek-archeologisch onderzoek voor-
al in teamverband plaats; men kan het, zo
men wil, projectonderzoek noemen. De
leider van het project wordt bijgestaan
door specialisten die verantwoordelijk
zijn voor onderdelen van het onderzoek
en die ook de publicatie daarvan verzor-
gen. Anders dan in Vollgraffs tijd partici-
peren nu ook studenten actief in het
onderzoek; zij helpen bij de verslagleg-
ging in het veld en assisteren in vele
gevallen bij de publicatie.
Damsté geeft een indruk van Vollgraffs opgraving in Argos in het jaar 1928. Zijn
verslag is duidelijk een momentopname en gebaseerd op een kort bezoek ter plaatse.
Geen wonder dat hij enigszins teleurgesteld is over wat hij te zien krijgt. Had de auteur
in 1987, na afloop van de campagne in Valesio, het opgravingsterrein aldaar bezocht;
dan had hij vermoedelijk niet anders gereageerd: ook daar geen spectaculaire
gebouwen, maar karige resten die bovendien voor het grootste gedeelte weer toegedekt
waren. Een nadere toelichting op Vollgraffs onderzoek is daarom noodzakelijk, omdat
Damsté’s artikel mogelijk een ietwat verkeerde indruk achterlaat.
93
Johannes Boersma
Nederlandse
opgravingen in
Argos -
Nederlandse
opgravingen in
Valesio
Afb. 1. Kaart van Salento (Zuid-Apulië) met be-
langrijke steden uit de Griekse en Romeinse
periode.

Het onderzoek van VoUgraff
Vollgraff heeft in totaal zeven veldcampagnes in Argos ondernomen, vier in de jaren
1902 tot 1906, en vervolgens in 1912, 1928 en 1930. Zijn eerste campagne leidde hij op
26-jarige leeftijd, een jaar voordat hij als privaatdocent in Utrecht zijn universitaire
loopbaan begon. Het is verbazingwekkend, dat iemand op zo’n jeugdige leeftijd en
zonder de ondersteuning van een universitair instituut erin slaagde een archeologisch
onderzoek op te zetten in Griekenland en dan nog wel in het historisch zo interessante
Argos. Dit zal alleen mogelijk geweest zijn, omdat Vollgraff werkte vanuit de École
Française in Athene waarvan hij lid was. Hij heeft zijn onderzoek in Griekenland steeds
vanuit deze school ondernomen en het uiteindelijk ook daaraan overgedragen; de
Franse archeologen hebben nog jaren lang in Argos gewerkt.
Vollgraff heeft op diverse plaatsen in Argos opgegraven. Dikwijls droegen die
opgravingen het karakter van proefonderzoek; Damsté geeft er een overzicht van. In
zijn eerste jaar onderzocht Vollgraff een aantal Myceense schachtgraven en groef hij
een deel van een Bronstijdnederzetting op de Aspisheuvel op; daarmee vond hij. de
eerste aanwijzing voor bewoning in Argos al in het tweede millennium v. Chr. In latere
jaren ontdekte hij de resten van een Myceens paleis op de Larissaheuvel, localiseerde hij
de agora van het klassieke Argos, waarvan hij een gedeelte opgroef, en traceerde hij een
aantal tempels, eveneens gevolgd door opgravingen. Tenslotte legde hij een gedeelte
van het laat-klassieke theater vrij, waarbij hij stuitte op een Romeinse villa met
interessante mozaïeken.
Van al deze onderzoekingen verschenen voorlopige, dikwijls uitvoerige rapporten;
een totaaloverzicht van zijn opgravingen heeft Vollgraff evenwel nooit gegeven. Wel
werd nog in 1956 zijn monografie over de oude opgraving van het heiligdom van
Apollo Pythios gepubliceerd. Hier herkennen we het probleem van de alleen werkende
onderzoeker die niet over de nodige tijd beschikt om zijn onderzoek snel te publiceren,
een probleem dat ook de huidige archeoloog maar al te vertrouwd is en dat nu, althans
gedeeltelijk, wordt ondervangen door de spreiding van de publicatie over de diverse
leden van het onderzoeksteam. Naast voordelen brengt deze spreiding echter ook
risico’s met zich mee. Ad hoc gevormde teams vallen gemakkelijk weer uiteen,
waardoor de publicatie van het onderzoek in gevaar kan komen. Daar staat echter
tegenover dat er in het veld een veel grotere kennis van zaken aanwezig is dan in
Vollgraffs tijd, waardoor het vondstmateriaal snel kan worden bewerkt en voor
publicatie gereed gemaakt. Vollgraff beschikte nog niet over specialisten om hem bij de
uitwerking van zijn opgravingen te assisteren. Dat is misschien de voornaamste reden
geweest, dat zijn opgravingspublicaties voornamelijk tot voorlopige verslagen beperkt
zijn gebleven.
Een tweede opvallend verschil tussen Vollgraffs positie in Argos en die van de
Nederlandse archeologen in Valesio is, dat Vollgraff in een isolement werkte, terwijl het
Nederlandse opgravingsteam in Valesio intensieve contacten onderhoudt met de
archeologische dienst in Tarente, met de universiteit van Lecce en met het regionale
archeologisch museum in Brindisi.
Sommige problemen waarmee Vollgraff in Argos werd geconfronteerd en waarvan
we in zijn verslagen zijdelings het een en ander vernemen komen ook de huidige
klassiek-archeoloog bekend voor. De financiële middelen waarover hij beschikte waren
afkomstig van de Nederlandse Staat, maar vooral van particuliere instellingen en
personen; de participatie van de laatsten is opvallend. Tegenwoordig zijn de rollen
omgedraaid: de overheid is eerste financier, daarna komen de sponsors, hoewel hun
aandeel in de kosten ook nu aanzienlijk kan zijn. Gelijk gebleven is het moeizaam
bijeengaren van de gelden die nodig zijn om het kostbare onderzoek te kunnen
uitvoeren. Vollgraff beschikte niet over eigen opgravingsmateriaal maar moest dit
94

huren van de Amerikaanse School in Athene. Ook nu nog is de aanschaf van materiaal
een kostbare zaak en is het dikwijls moeilijk de beschikking te krijgen over de
benodigde apparatuur, die in sommige gevallen moet worden geleend of gehuurd.
Over de officiële permissie te mogen opgraven, heden ten dage een conditio sine qua
non, spreekt Vollgraff niet; hij zal deze wel via de Franse school hebben verkregen, als
ze al officieel verleend is. Uit de verslagen krijgen we overigens de indruk dat hij grote
vrijheid bezat in de keuze van zijn locaties en objecten en dat hij in de eerste plaats
afhankelijk was van de toestemming van de landeigenaren, met wie hij intensieve
contacten onderhield. Soms werd tot onteigening overgegaan, een proces dat soms
jaren in beslag nam.
Deze contacten waren voor het welslagen van de campagnes van groot belang.
Wanneer Vollgraffin 1928 een deel van het theater vrijlegt kiest hij als plaats voor zijn
stort (er moest een laag grond van zes meter dikte worden verwijderd) een terrein
gelegen tussen het theater en de agora, dat ondanks zijn vruchtbaarheid door de
eigenaar beschikbaar was gesteld. Eerst werd een groot aantal sleuven getrokken, 2.50
meter breed en 4 tot 5 meter diep tot op de rots, om te controleren of er op het terrein
resten van tempels en andere openbare gebouwen lagen. Vollgraff schrijft daarover in
zijn verslag van 1931: ‘Het bleek gelukkige dat hier in de oudheid geen openbare gebouwen
gestaan hadden. Er lag daar ter plaatse een dicht bebouwde woonwijk doorsneden door
nauwe stegen. De oriëntatie der huizen komt overeen met die van den tempel aan de agora.
Het gave aardewerk, dat in ofbg de woonhuizen van het diepste niveau gevonden werd,
behoort tot het klassieke tijdperk; desgelijks de meeste terracotta’s.’ Na deze constatering
werd het terrein volgestort.
Ik heb Vollgraff volledig geciteerd omdat zijn woorden kenmerkend zijn voor de
uitgangspunten van zijn onderzoek. De keuze van Argos als opgravingsterrein was
ingegeven door zijn sterke historische en literaire belangstelling. Argos was immers in
de klassieke tijd een van de belangrijkste centra op de Peloponnesus en de streek werd al
bij Homerus vermeld. Vollgraff begon zijn onderzoek in de jaren waarin de kennis van
de Minoïsche en Myceense culturen uit het tweede millennium v. Chr. snel toenam; zijn
eigen opgravingen sloten daarop aan.
Dat Vollgraff zich bij de keuze van de door hem op te graven gebouwen liet leiden
door Pausanias’ beschrijving van Argos was in zijn tijd volstrekt legitiem; ook bij het
onderzoek van de grote heiligdommen (en later bij de opgraving van de agora van
Athene) was deze een onmisbare gids. En het was eveneens kenmerkend voor zijn tijd
dat hij geheel voorbijging aan de context waarin de agora en de openbare gebouwen
waren geplaatst. Damsté constateert dat Vollgraff in Argos niet op zoek was naar
‘mooie dingen’ en dat dit niet meer het doel was van de archeologen van die tijd.
Integendeel, zoals hij zegt, ‘het gansche leven der Oudheid in al zijn uitingen tracht men te
benaderen’ Dat is wel wat geflatteerd voorgesteld; de voorbeelden die Damsté daarbij
noemt, te weten de opgraving van de Atheense agora en die van het Apolloheiligdom in
Delphi, zijn daarvoor niet bepaald illustratief en Vollgraffs geringe interesse voor de
woonwijken van het klassieke Argos is er zelfs regelrecht mee in tegenspraak.
Het onderzoek in Valesio
Bij nadere beschouwing van het archeologisch onderzoek dat door de Vrije Universiteit
in Valesio wordt uitgevoerd springen enkele duidelijke verschillen met het onderzoek in
Argos in het oog: het Valesio-onderzoek vormt een onderdeel van een groter
onderzoeksprogramma; het wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met andere
universitaire instituten, instellingen en musea; en het heeft het karakter van urgentie.
Het Valesio-onderzoek maakt deel uit van een onderzoeksprogramma getiteld
integratieprocessen in de Oudheid’, waarin prehistorische en klassieke archeologen,
95

oudhistorici en sinds kort ook fysisch-geografen samenwerken, die ieder hun eigen
inbreng hebben. Het archeologisch onderzoek is gericht op de integratie in een wijdere
politieke en culturele wereld van inheemse volken die in randgebieden van de Romeinse
wereld woonden, te weten de Brabantse Kempen en het Apulische Salento. Daarbij gaat
het in de eerste plaats om het romaniseringsproces en om de geleidelijke opname van
deze gebieden in het Romeinse Rijk, maar in het verlengde daarvan worden ook
soortgelijke processen in vroegere en latere periodes bestudeerd; in de Kempen is dat de
Frankische en in Salento de Griekse periode. Het archeologisch onderzoek kan het best
worden gekarakteriseerd als nederzettingsonderzoek in de ruimste zin, waarbij steden
en dorpen, boerderijen en villa’s, en het landschap waarin deze gelegen zijn, voorwerp
van studie vormen.
Het onderzoek in Salento is in 1981 begonnen met een veldkartering - survey - in een
gebied rond de stad Oria, gelegen halverwege tussen Brindisi en Tarente, met de
bedoeling de bewoningsgeschiedenis van het gebied te reconstrueren. Oria zelf
ontwikkelde zich in de 4e eeuw v. Chr. tot een belangrijk inheems centrum dat sindsdien
onafgebroken als zodanig heeft gefungeerd. Het vruchtbare gebied ten noorden van de
stad werd in de 4e eeuw bezaaid met boerderijtjes, die bewoond werden door de sterk
vergriekste inheemse bevolking. In de laat-Republikeinse tijd en in nog sterkere mate
gedurende de Keizertijd concentreerde de bewoning zich in een geringer aantal grote
landbouwbedrijven (villa’s), waarvan er uiteindelijk enkele tot in de Middeleeuwen
bleven voortbestaan.
Het onderzoek in Valesio werd in 1984
opgezet als een vervolg op dat in Oria
(Afb. 2). Beide plaatsen liggen in
dezelfde geologische en culturele regio,
de streek rond Brindisi, hetgeen een
vergelijking van hun ontwikkeling zinvol
en interessant maakt. Evenals Oria
groeide ook Valesio in de 4e eeuw v. Chr.
uit tot een stedelijke nederzetting vanbe-
hoorlijke omvang, maar in tegenstel-
ling tot Oria hield het in de laat-
Republikeinse tijd op als stad te bestaan,
vermoedelijk vanwege de zuigkracht
van het nabijgelegen Brindisi dat zich in
dezelfde tijd tot het bestuurlijke en cultu-
rele centrum van Salento ontwikkelde.
Het stadsgebied van Valesio is nadien
nooit meer intensief bewoond, waardoor
thans archeologisch onderzoek binnen
de antieke stadsmuur mogelijk is. In Oria
is dat vanwege de Middeleeuwse en moderne bebouwing uitgesloten. Aan de andere
kant kan in Valesio de veldkartering meer selectief worden uitgevoerd, omdat daar op
de surveyresultaten uit Oria kan worden voortgebouwd.
Zowel in Oria als in Valesio draagt het onderzoek een urgent karakter. Beide
gebieden zijn volledig in cultuur gebracht en worden intensief bewerkt. Sinds een aantal
jaren vindt grondverbetering plaats door middel van diepploegen en het opblazen van
kalklagen in de bodem; beide hebben desastreuze gevolgen voor de conservering van de
archeologische resten. Daarbij komt nog dat de antieke graven op grote schaal en in snel
tempo worden leeggeplunderd.
96
Afb. 2. Plattegrond van Valesio (situatie 1987).
1: Località Santo Stefano met thermen; 2, 3, 4:
Zichtbare en geregistreerde delen van de stads-
muur.

Werkwijze
Het Valesio-onderzoek is begonnen met de opgraving van een Romeins badgebouw
(thermen) uit de late Keizertijd. Dit gebouw is in de jaren vijftig ontdekt en door de
toenmalige landeigenaar voor een klein gedeelte oppervlakkig onderzocht. Afgezien
van het belang van de thermen zelf vormden deze ook een goed uitgangspunt voor
verder onderzoek: ze lagen centraal midden in het antieke stadsgebied en, zoals uit de
gelijktijdig uitgevoerde survey bleek, midden in een voor-Romeinse bewoningszone; dit
bood gunstige perspectieven voor het onderzoek van de vroegere stad (Afb. 3).
Ook bij het opzetten van een onderzoek binnen een uitgestrekt stadsgebied als dat
van Valesio, dat een oppervlakte heeft van ruim 70 ha, is een survey een noodzakelijk
onderdeel. Het schervenpakket dat door geregeld ploegen aan de oppervlakte komt
geeft een redelijk betrouwbaar, hoewel niet altijd volledig, beeld van de tijdsduur en de
intensiteit van de bewoning en daarmee een indicatie welke terreinen het meest voor
97
Afb. 3. Overzichtspïattegrond van de opgravingen in
localita Santo Stefano (situatie 1986). 1: Voor-
Romeinse muren; 2: Voor-Romeinse straat; 3: Ther-
men; 4: Middeleeuwse en recente muren; 5: Vertrek-
ken van de thermen met hypocaust; 6: Muren
geregistreerd door georadar; 7: Veronderstelde
muren; X: Moderne muur om de thermen: Y:
Asfaltweg.

opgraving in aanmerking komen. In Valesio werd de keuze vergemakkelijkt door de
aanwezigheid van de thermen, die een des te interessanter object van onderzoek
vormden, omdat tijdens de survey nergens anders binnen het stadsgebied aardewerk uit
de Keizertijd was aangetroffen. Klaarblijkelijk was er dus alleen bij de thermen sprake
van een continue bewoning tot in de late oudheid. Later zou blijken, dat de thermen in de
13e eeuw de kern zijn geworden van hernieuwde bewoning. In de locale traditie staat
het thermenterrein bekend als località Santo Stefano, hetgeen de aanwezigheid van een
kerkje suggereert. De vondst van zwaar muurwerk en van een aantal Middeleeuwse
graven tijdens de campagnes hebben deze mondelinge overlevering bevestigd.
In aansluiting op de survey is in Valesio ook geëxperimenteerd met georadar, een
techniek die sinds kort ook in de archeologie wordt toegepast. Door middel van
radarsignalen worden daarbij ondergrondse sporen van muren, graven en de rots zelf op
verschillende dieptes getraceerd en vervolgens getekend. Op basis van deze gegevens
kunnen met meer kans op succes opgravingsterreinen worden geselecteerd.
Bij het ontbreken van een referentiekader kan de interpretatie van de opgevangen
signalen problemen geven; in dat geval zijn controlesondages noodzakelijk om de
signalen te kunnen interpreteren.
De resultaten van het georadaronderzoek in Valesio waren veelbelovend. Naast de
thermen werd onder de asfaltweg een aantal vertrekken getraceerd, aan de oostzijde
van de stad werd over een groot traject het verloop van de stadsmuur vastgelegd en in
het noordoosten werd een van de stadspoorten gelocaliseerd met een erbij behorende
straat. Verder werden er elders in het terrein straten, muren en graven gesignaleerd die
het beeld dat uit de survey was verkregen bevestigden (Afb. 4). Op deze wijze vulden
survey en georadar elkaar op een gelukkige wijze aan. Helaas is georadaronderzoek
momenteel nog te kostbaar om in het gehele stadsgebied van Valesio te kunnen worden
uitgevoerd.
Een andere techniek die in Valesio met succes is toegepast is die van de
fotogrammetrie, met behulp waarvan enkele gedeeltes van de buiten- en binnenschaal
van de stadsmuur zijn gefotografeerd en getekend (Afb. 5). Deze muur dateert
vermoedelijk uit het einde van de 4e eeuw v Chr. en is gebouwd als onderdeel van het
urbanisatieproces dat Valesio toen doormaakte. In het terrein zijn nog aanzienlijke
stukken van de muur zichtbaar, die in een enkel geval nog meer dan twee meter hoog
zijn. Het voordeel van een fotogrammetrische registratie is dat er niet meer ter plaatse
getekend behoeft te worden, maar dat de gemaakte opnames later op elk gewenst
98
Afb. 4. Plattegrond van Valesio met resultaten van
het georadaronderzoek (1986). 1: Verloop van de
stadsmuur volgens luchtfoto’s; 2: In het terrein
zichtbare en geregistreerde delen van de stadsmuur,
3: Verloop van de stadsmuur vastgesteld met geora-
dar, 4: Stralen geregistreerd met georadar; 5: Bin-
nenschaal van de stadsmuur vastgesteld met geora-
dar; 6: Buitenschool van de stadsmuur vastgesteld
met georadar.

moment via driedimensionale weergave in tekeningen kunnen worden overgezet. Naast
de gedeelten die op deze wijze zijn vastgelegd zijn ook enkele kleinere karakteristieke
stukken van de muur nog op de traditionele manier in het veld met de hand
getekend.
Met fotogrammetrie hadden wij al eerder ervaring opgedaan tijdens architectuuron-
derzoek in de jaren zeventig in Ostia. Ook in Valesio bleek de techniek bruikbaar,
hoewel de onregelmatige structuur en het ruwe oppervlak met name van de
binnenschaal van de muur aanvankelijk problemen gaven, aangezien de contouren van
de stenen voor de tekenaar thuis op de foto’s moeilijk herkenbaar waren.
Zoals gezegd wordt het onderzoek in Valesio uitgevoerd door een team van
archeologen en studenten. De feitelijke opgravingswerkzaamheden staan onder leiding
van archeologen en een veldtechnicus die over ruime opgravingservaring beschikken;
anderen houden zich bezig met de registratie van architectuur, aardewerk, munten en
andere vondsten. Ook een fotograaf en een tekenaar maken deel uit van het team. In
toenemende mate worden ook studenten bij de uitwerking van het onderzoek
betrokken. Zij bewerken afzonderlijke materiaalgroepen en worden ingeschakeld bij de
voorbereiding van de publicatie, waaraan zij in sommige gevallen ook bijdragen.
Bij archeologisch onderzoek in Nederland wordt grote aandacht geschonken aan
vergankelijk materiaal zoals hout, leer, botten, zaden en stuifmeel, dat met behulp van
geavanceerde technieken wordt bestudeerd. Tn het Mediterrane gebied zijn de
voorwaarden voor het verzamelen van dergelijk materiaal dikwijls minder gunstig,
terwijl ook de apparatuur voor de bestudering ervan vaak ontbreekt. In deze situatie
begint evenwel verandering te komen en ook in het zuiden wordt er aan het verzamelen
en bestuderen van deze vondstcategorieën steeds meer aandacht geschonken.
Resultaten 1987
In 1987 heeft voor het eerst een groep fysisch-geografen deelgenomen aan het
Valesio-onderzoek. Hun aandacht was gericht op de bestudering van de bodem en de
ontwikkeling van de bodemgesteldheid binnen en buiten het stadsgebied. Dit geomor-
fologisch onderzoek heeft niet alleen waarde voor de kennis van de bodemgeschiedenis
van Salento in het algemeen, maar is ook voor ons archeologisch onderzoek van veel
belang, omdat het inzicht biedt in de terreinomstandigheden en in het gebruik van de
grond in het verleden en zo bijdraagt tot de reconstructie van de bewoningsgeschiedenis
in de oudheid.
Een van de eerste resultaten van het geografisch onderzoek was de ontdekking van
een grote steengroeve ten noorden van het riviertje dat midden door de antieke stad
stroomt; vermoedelijk heeft deze steengroeve het materiaal geleverd voor de bouw van
de stadsmuur. Ook is komen vast te staan dat het riviertje zelf al in de oudheid aanwezig
was en toen in dezelfde bedding stroomde. Hiermee werd de constatering, gedaan op
grond van de survey, bevestigd dat de vroegste bewoning van Valesio in de 8e en 7e
eeuw v. Cbr. bij de rivier was begonnen.
99
Afb. 5. Fofogrammetrische tekeningen van de buitenschaal (boven) en de binnenschaul (onder) van de
stadsmuur van Valesio.

100
Afb. 7. Isometrische reconstructie van de thermen.
Afb. 6. Gereconstrueerde plattegrond van de thermen (1986). 1: Vertrekken met hypocaustverwarming; 2:
Zichtbare muren; 3: Muren geregistreerd met georadar; 4: Veronderstelde muren. IA: Latrine; II-III: Verwarmde
vertrekken (Tepidaria); IV: Vertrek met warmwaterbassins (Caldarium); VA, IX: Ovenruimtes (Praefumia); VB,
VII, VIII: Opslagruimtes; VI: Binnenplaats met put; X: Vertrek met koudwaterbassin (Frigidarium): XI:
Ingangszaal; XII: Kleedkamer (Apodyterium); XIII: Vertrek met utiliteitsfunctie; XIV: Gang; XV: Ingang (galle-
rij ?); XVI, XVU: Vertrekken met utiliteitsfunctie (stallen ?),

ledere opgraving heeft een eigen karakter en eigen kenmerken; het kost tijd om de
grond met zijn verkleuringen te leren kennen, de lagen te onderscheiden en de profielen
te lezen. Daarom is het zaak in het begin voorzichtig te werk te gaan en eerst de nodige
basiskennis te ontwikkelen alvorens een groter oppervlak te onderzoeken. Deze
politiek is ook in Valesio gevolgd. In de eerste twee jaren is het onderzoek
geconcentreerd op de thermen, die geleidelijk zijn blootgelegd totdat in 1987 het gehele
complex, voorzover dit bewaard was gebleven, was opgegraven (Afb. 6). Al dadelijk in
het eerste jaar werden binnen de thermen de resten van muren uit voor-Romeinse tijd
aangetroffen; hun aanwezigheid vormde een bevestiging van de survey rond de thermen
waarbij aardewerk uit dezelfde periode was geregistreerd. De vondsten uit de thermen
suggereerden een datering van het gebouw in het eerste kwart van de 4e eeuw n. Chr.
Deze datering is geverifieerd door middel van een sondage in een verzegelde context
onder een van de nog aanwezige vloeren. De aanleg van het complex kan in verband
gebracht worden met de renovatie van de Via Traiana tussen Brindisi en Otranto en met
de herinrichting van de keizerlijke postdienst (cursus publicus) onder Constantijn de
Grote. De thermen van Valesio kunnen dan worden geïdentificeerd als een van de
wegstations langs deze route; ze staan op de in oorsprong laat-Romeinse Peutinger
Kaart aangegeven als mutatio Valentia (Afb. 7).
Tijdens de derde campagne werd het onderzoek verlegd naar het terrein buiten de
thermen. Er werd gewerkt met een systeem van putten met afmetingen van 4x4 meter,
gescheiden door dammen. In de putten werden muren, straten, lagen dakpannen,
aardewerk en ander materiaal, waaronder munten, gevonden, die aantoonden dat de
voor-Romeinse bewoning nog ongestoord aanwezig was. Uit de verschillende lagen en
uit de profielen bleek dat er sprake was van twee bewoningsfasen, die respectievelijk
dateren uit het einde van de 4e en de 3e eeuw, en uit de 2e eeuw v. Chr.
In 1987 werd besloten een aantal
putten tot grotere oppervlakten samen te
voegen teneinde een beter overzicht van
de muren te verkrijgen (Afb. 8). Enkele
langere dammen bleven staan met het
oog op de noodzakelijke profielen. De
voorlopige chronologie bleek juist te zijn
en kon nog worden aangescherpt. Wat de
huizen betreft bleek nu dat de muren uit
de eerste bewoningsfase op de rots
gefundeerd waren en gebouwd waren
met tichels op een stenen basis, terwijl de
muren uit de jongste fase hoger lagen en
geheel in steen waren opgetrokken. Bij
de ineenstorting van de huizen waren de
daken het eerst naar beneden gevallen,
gevolgd door de muren: de keien van de
muren bedekten de lagen dakpannen, die
op hun beurt op de vloeren van aange-
stampte aarde lagen. Deze stratigrafie
vormde een prachtige illustratie van een
ideale ruïne.
In de profielen waren de vloerniveaus
duidelijk te herkennen; tijdens de opgra-
ving was dit aanvankelijk lastig, aangezien ze alleen aan de grotere hardheid en niet aan
de verkleuring van de grond herkenbaar waren. In dit verband is een citaat uit een van
Vollgraffs rapporten interessant. Bij de opgraving van een aantal Bronstijdhuizen
101
Afb. 8. Overzicht van de opgravingen van de
inheemse stad in 1987.

ontving deze een bezoek van Wilhelm Dörpfeld die in Troje de stratigrafische
opgravingsmethode had ontwikkeld. Deze identificeerde lagen hardgestampte aarde in
de huizen als vloerniveaus en wees Vollgraff op het belang van het gescheiden houden
van de vondsten die boven en die onder de vloeren werden gevonden. Vollgraff
onderkende dit onmiddellijk en hield voortaan de vondsten uit de verschillende lagen
apart. We staan hier aan het begin van het stratigrafisch opgraven, een methode die
naderhand nog verfijnd is, doordat brandsporen, paalgaten en vondstconcentraties in de
lagen afzonderlijk worden geregistreerd.
Een verrassing tijdens de opgraving was de ontdekking van de stenen fundering en
van stookplaatsen van hutten uit de 8e en 7e eeuw v. Chr. De hutten lagen direct op de
rots, ruim anderhalve meter onder het maaiveld; het aardewerk uit de periode was
daardoor bij het ploegen nooit naar boven gehaald en was dus niet tijdens de survey
aangetroffen. In Valesio ontbreken tot dusverre sporen en vondsten uit de 6e en 5e eeuw
v. Chr. Dat is ook in Oria en op andere plaatsen in Salento het geval; een lacune in de
bewoning waarvoor nog geen verklaring is gevonden.
Het onderzoek in Valesio is nog niet afgesloten en voor de afronding ervan zullen nog
enkele campagnes nodig zijn: de stadsmuur dient nog nader te worden onderzocht en
gedateerd, en er zal nog een survey worden uitgevoerd buiten het stadsgebied. Wij
hopen dat het onderzoek ons uiteindelijk in staat zal stellen tot een reconstructie van de
bewoning van de site vanaf de Uzertijd en dat het in wijder perspectief tesamen met het
onderzoek in Oria zal bijdragen tot het verduidelijken van het beeld van de
bewoningsgeschiedenis in de Brindisijnse regio.
De beperkte middelen die tot onze beschikking staan maken het onmogelijk het
stadsonderzoek in Valesio ad libitum voort te zetten. Kosten en baten moeten tegen
elkaar worden afgewogen en wanneer de verkregen gegevens een naar onze mening
voldoende brede basis bieden voor een betrouwbare reconstructie, zullen wij onze
aandacht verleggen naar andere terreinen en objecten teneinde in een zo ruim mogelijk
kader de integratie van de bevolking van Salento in de haar omringende wereld te
kunnen bestuderen.
102

‘O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.’
J. H. Leopold
‘O, mortuae mi, mortuae
mi murmura suavia,
sustollam pallida lumina
nee erit mi mirabile
Nee erit mi mirabile;
in hoc amore moriar
quiete, quiete dormiam
exspectans iam, exspectans te.’
Paul Claes
Drommen slaapwandlaars over aardes vlak;
En rijen roerloos onder ‘t groene dak;
En zielen gaan en komen: haar legioenen
Beduisteren der heemlen open wak.
P. C. Boutens
Turbae per somnum terram ambulant;
Catervae viridi sub tecto stant;
Aguntur animae: quae legiones
Caelorum vacuüm obnubilant.
Paul Claes
103

De waardeering van handenarbeid in het
oude Athene
Het is een algemeen verbreide meening, dat de handenarbeid
in het oude Athene een niet even groote waardeering genoot,
als in onze hedendaagsche samenleving.
Als verklaring hiervoor wordt dan gewoonlijk aangevoerd dat;
de staatsburger in de klassieke oudheid gemeenlijk in het bezit
was van één of meer slaven, die den meesten handenarbeid ver-
richtten. De gewone staatsburger had veel vrijen tijd voor politieke
werkzaamheden, het bezoeken van volksvergaderingen, het be-
kleeden van een staatsambt en had gelegenheid zijn geest te
verfrisschen in de behandeling van politieke, philosophische en
sociale vraagstukken in den kring van medeburgers. Er was hem
daardoor ook de mogelijkheid geboden om zijn lichaam door
voortdurende oefening te harden, om als het noodig was — en
het was vaak noodig — het gebied van zijn vaderland te verdedigen
of dat van een anderen staat binnen te vallen. Men stelt zich
gewoonlijk voor een maatschappij waarin één deel, de eigenlijke
burgers, in staat gesteld wordt om zijn leven van hoogere orde
te leiden ten koste van het andere deel n.l. de slavenbevolking ;
dat dus alle arbeid die in onzen tijd door den burger gedaan wordt
om in zijn onderhoud te voorzien in den ouden tijd door slaven
verricht werd en dat de geestelijke en lichamelijke training, die
bij de meesten onzer slechts na beëindiging van hun eigenlijke
werktaak geschieden kan, de voornaamste bezigheid van den
Atheenschen burger was.
Een zoodanige beschouwing wordt in de hand gewerkt door de
overgeleverde Grieksche literatuur. Vooral Xenophon, Plato en
Aristoteles geven herhaaldelijk blijk handenarbeid te verachten.
Het is echter de verdienste van Otto Neurath
1
aangetoond te
hebben dat de ons bekende literatuur uit het kamp der aristocra-
tische philosofen stamt en niet geacht kan worden de algemeene
Atheensche opvatting weer te geven.
De vrije handwerkslieden, zegt Neurath, zullen in het bewustzijn
van hun medezeggenschap in het bestuur van den staat niet minder
fier geweest zijn op hun handenarbeid dan de tegenwoordige be-
wuste arbeider; zij zullen zelfs met minachting neergezien hebben
op de theoretici die, soms van vreemden bloede, zonder zelf aan
1
Jahrb. f. Nat. u. Stat. 1906. p. 577 e.v. en 1907 p. 145 e.v.
104

het bestuur van den staat deel te nemen, hun aristocratische
leerstellingen verkondigden.
Neurath meent dus dat. evenals tegenwoordig, de waardeering
voor den handenarbeid geheel afhankelijk was van het milieu en
dat men niet mag aannemen, dat handenarbeid in het algemeen
minder waardeering genoot dan in den modernen tijd.
In den zelfden geest beperkt ook Max L. Strack
1
de verachting
voor handenarbeid in het oude Griekenland tot het aristocratische
Sparta en de Grieksche aristocratien van de 7
e
eeuw, en hij verklaart
de uitingen van de kathedersociologen en andere schrijvers in de
4
e
eeuw als gevolg van het fiasco van de democratie, toen sommigen
weer het ideaal meenden te kunnen vinden in den ouden aristo-
cratischen staatsvorm.
Hoe verdienstelijk echter de onderzoekingen van Neurath
geweest zijn, om op de eenzijdigheid van de literatuur te wijzen,
toch heeft zijn conclusie dat de handenarbeid in gelijke eere stond
als bij den modernen mensen bij velen tegenspraak uitgelokt en
naar mijn meening niet ten onrechte. Zooals namelijk uit het
vervolg zal blijken hebben de oude Atheners bij de waardeering
van den arbeid een maatstaf aangelegd, die ons geheel vreemd
is; door deze wijze van oordeelen kon het gebeuren, dat hetzelfde
werk nu eens gewaardeerd, dan weer geminacht werd, al naar
het doel was, dat men zich bij het werk voor oogen stelde.
Volgens dien maatstaf was de waardeering ook afhankelijk van de
vraag, wie de lastgever van het werk was.
Welken maatstaf toch gebruikten de Atheners bij hun beoordeeling
van handenarbeid? Het is Friedrich Oertel, die hierop een duidelijk
antwoord geeft in zijn aanhangsel ophef bekende werk van Robert
von Pöhlmann over het socialisme in de oudheid
2
. Oertel wijst
er op, dat er voor het gevoel van den Athener een groot verschil
bestond tusschen arbeid voor eigen rekening en dien welke in dienst
van een ander geschiedde.
In den loop der eeuwen was dit onderscheid gegroeid. In de
oudste tijden, toen de verhouding van heer tot knecht nog patriar-
chaal was, lette de knecht meer op de weldoende bescherming,
dan op de vernederende knechtschap. Sinds de zevende eeuw
echter was in de verhouding van heer tot knecht het patriarchale
element verdwenen en kreeg het werken voor een ander meer
en meer het karakter van knechtschap. Dan wordt het verschil
1
Hist. Zeitschr. III F 16, 1914 p. 16 e.v.
2
Pöhlmann, Geschichte der Sozi-
alen Frage und des Sozialismus in der antiken Welt; 3
e
druk 1925, p. 543 e.v.
105

tusschen zelfstandig en onzelfstandig werken steeds sterker ge-
accentueerd. Sindsdien werkt de boer slechts met liefde op het
land, als het zijn eigen stukje grond is, de handwerksman slechts
als hij zelf voor de markt of voor zijn klanten produceert.
Vragen we ons dus af, of de handenarbeid in den bloeitijd van
het oude Griekenland geminacht werd, dan kan het antwoord
luiden: niet de handenarbeid in het algemeen werd als minder-
waardig beschouwd, maar slechts die handenarbeid, welke in dienst
van een ander verricht werd.
Hoe is het echter te verklaren, dat deze waardeering van handen-
arbeid in de Atheensche democratie postvatte en zich kon hand-
haven ? Voortgekomen uit de oude adelheerschappij droeg de
Atheensche democratie nog menig kenmerk van haar geboorte.
Uit de adelsethiek zal zij ook de voorstelling overgenomen hebben,
dat arbeid in dienst van een ander een vrij burger onwaardig was.
Ook later wordt de Atheensche burger niet voor de noodzakelijkheid
gesteld om zijn opvatting over den arbeid te wijzigen door den
voortdurenden aanvoer van arbeidskrachten van buiten de stad.
Vreemdelingen, vrije lieden of slaven, waren steeds aanwezig om
het minderwaardig geachte werk te verrichten.
Eén categorie van arbeid was er echter, die, al geschiedde deze
niet voor eigen rekening, voor den Atheenschen staatsburger
toch niet de algemeene minachting deelde: het werk dat verricht
werd ten behoeve van den Atheenschen staat. Toen Pericles bij
het volk het besef wist te wekken, dat het werk ter verfraaiing
van de stad Athene evenzeer van belang was als militaire verrich-
tingen, overwon hij daarmee den afkeer van den Athener voor
dergelijk werk en adelde het.
Dit is dus het fundamenteele onderscheid tusschen de waar-
deering van den arbeid in het oude Athene en onze moderne ap-
preciatie, dat het doel van den arbeid in het oude Athene den
doorslag gaf bij de waardeering. Werk in dienst van een particulier
werd versmaad, terwijl hetzelfde werk voor eigen rekening of
in dienst van den staat gaarne verricht werd. Het werk op zich
zelf vond geen waardeering, het was geacht, als het doel dat men
er mee wilde bereiken achtenswaard en groot was, of wanneer
men zijn individueele vrijheid er niet door aan banden gelegd
voelde. De waardeering voor den arbeid op zich zelf is in het
oude Athene onbekend. De bevrijdende, verlossende kracht van
eiken arbeid onverschillig welke en onverschillig met welk doel
heeft het oude Athene in zijn bloeitijd niet gekend.
H. KNORRINGA
(1928)
106

In de eerste jaargang van Hermeneus (1928; blz. 14-16) besprak Dr. H. Knorringa de
theorie van de Duitse geleerde O. Neurath die protesteerde tegen de opvatting dat de
handenarbeid in het oude Athene veel minder gewaardeerd werd dan in de samenleving
tussen eerste en tweede Wereldoorlog. Neurath wees er niet ten onrechte op dat we de
opinies van een handvol bevoorrechte auteurs niet zo maar mochten veralgemenen.
Vervolgens stelde hij dat de vrije handwerkslieden in Athene net zo fier waren op hun
arbeid als de ‘tegenwoordige bewuste arbeider’. Op dit punt aangeland begon
Knorringa’s kritiek. Hij merkte op dat het onjuist is om alle arbeid over één kam te
scheren. We moeten onderscheiden tussen arbeid voor eigen rekening en arbeid in
dienst van een ander. Voor de laatste soort arbeid - wij zouden nu zeggen loonarbeid -
haalde men de neus op. De oorzaak van deze opvatting zocht Knorringa in de
beschikbaarheid van vrije of onvrije buitenlandse arbeidskrachten: slaven en gastarbei-
ders zouden we nu zeggen. Ten besluit wees Knorringa er nog op dat ‘het werk op zich-
zelf geen waardering vond’. Werk was middel tot een doel en als het doel niet deugde,
deugde sowieso het werk ook niet.
Ik denk, vijftig jaar later, dat Knorringa een paar punten scoorde die in het onderzoek
in den brede geaccepteerd zijn. Het onderscheid tussen loonarbeid en de arbeid van de
kleine zelfstandige wordt door M. I. Finley in zijn baanbrekende The Ancient Economy
(1973; 1985
2
) als essentieel beschouwd. Finley, wiens theorieën over het veronderstelde
primitivisme van de Griekse en Romeinse economie in vergelijking met het
commercieel-kapitalistische karakter van de economie van Middeleeuwen en Ancien
Régime overigens geenszins met huid en haar geslikt dienen te worden, betoogt dat in
de hele oudheid vrije loonarbeid steeds een weliswaar aanwezige maar nimmer
dominante categorie geweest is. In zoverre brengt hij terecht een kleine correctie aan op
het betoog van Knorringa, die de beschikbaarheid voor afhankelijke arbeid van
‘vreemdelingen, vrije lieden of slaven’ als hoofdoorzaak aanwees. Voor Athene moet de
aanwezigheid van vreemdelingen, metoiken of passanten, op de loonarbeidsmarkt
beslist niet zwaar worden aangezet. Hetzelfde geldt voor vrije Atheners als loonarbei-
ders. Een en ander resulteert dus in de redelijke these dat het vooral slaven waren, die
werk verrichtten dat in maatschappijen zonder slavernij door afhankelijke vrijen
vervuld werd. Het stigma van de slavenarbeid is er verantwoordelijk voor dat de paar
vrije loonarbeiders die zich rond of op de Kolonosheuvel in Athene paraat hielden voor
baantjes - een wel zeer rudimentaire voorloper van onze arbeidsbemiddelingsbureaus! -
een zeer gering sociaal prestige genoten. Cicero begreep dat allemaal enkele eeuwen
107
H. W. Pleket
Arbeid adelde
niet in het
klassieke
Athene

later heel goed toen hij loonarbeiders (mercennarii) ‘loco servorum’ achtte. De Stoïcijn
Chrysippus zei in de derde eeuw v. Chr. precies hetzelfde maar dan vanuit het
gezichtspunt van de slaaf: ‘de slaaf is een permanente loonwerker’. Wij hebben in ons
vocabulaire nog een uiterste, verre echo van die mentaliteit: komen wij eens ‘s avonds
ietwat vermoeid thuis of willen wij op een feestje de met het alternatieve leven flirtende
lolbroek uithangen dan wel ons tegen trendy yuppies afzetten, dan kunnen wij
vervolgens onszelf meewarig als ‘loonslaven’ bestempelen.
Knorringa was zijn tijd vooruit met de constatering dat werk op zichzelf niet
gewaardeerd werd. Hier moet overigens met subtiele en principiële nuances worden
gewerkt. Arbeid als waarde op zich bestond niet. De uitspraak van de Duitse graaf
Zinzendorf dat ‘man arbeitet nicht allein, dass man lebt, sondern man lebt um der Arbeit
willen’ zou in het klassieke Athene op groot onbegrip gestuit zijn. Hetzelfde geldt voor
Kants idee dat vrije tijd ‘leere Zeit’ was. Kants Griekse voorgangers vonden vrije tijd
juist het ideaal bij uitstek. Jan Romein heeft ooit de heiliging van de arbeid gerubriceerd
onder de verschijnselen die met elkaar de afwijking van Europa van het algemeen
menselijk patroon gestalte gaven. Men kan zich van deze theorie niet afmaken met de
opmerking dat er in tal van niet-Europese culturen waarde gehecht wordt aan hard
werken en dat ‘luiheid’ een scheldwoord is.
Arbeid als noodzakelijk kwaad
We laten nu gemakshalve de niet-westerse culturen voor wat ze zijn. In de Griekse
wereld zijn er vanaf Hesiodus zeker geluiden op te vangen volgens welke luiheid, d.w.z.
niet-werken (a-ergia), schande oplevert. Daarmee is echter geenszins e contrarie
gezegd dat ‘dus’ de arbeid geheiligd is. Hesiodus dringt zeker wel aan op noeste arbeid
maar denkt bepaald niet in termen van de ‘dignity ofhuman labour’. Werken is een
typisch symptoom van een vervalperiode waarin de machtige grootgrondbezitter
(havik) naar believen de zwakke, kleine boer (nachtegaal) kan knauwen. In die situatie
neemt Hesiodus zijn toevlucht tot ‘werken’ en ‘rechtvaardigheid’ als verschijnselen die
uiteindelijk te verkiezen zijn boven de machtswellust van de corrupte grondheren. Maar
werken is hier uitsluitend een middel tot een doel, namelijk het verkrijgen van rijkdom
en prestige. Arbeid is dus niet een doel op zichzelf maar een middel ter verwerving van
maatschappelijke status; het is in wezen een soort ‘afzien’ waaraan een mens zich moet
onderwerpen teneinde niet door de haviken opgepeuzeld te worden. Het is eerder een
noodzakelijk kwaad dan een verschijnsel dat geheiligd wordt en een grote, in zichzelf
besloten waarde representeert.
In het klassieke Athene was het in wezen niet anders. Perikles weerkaatst in de
Lijkrede het ethos van Hesiodus, wanneer hij zegt dat het geen schande is om voor zijn
onbemiddeldheid uit te komen maar wel om niet te proberen door werken eraan te
ontkomen. Afwijzing van luiheid en lof voor hard werken zijn dus niet identiek met een
glorificatie van de arbeid als waarde op zichzelf.
Arbeid was geen centrale waarde in de Atheense filosofie en politiek. Er is al vaak op
gewezen dat één abstract begrip voor ‘arbeid’ ontbrak in het Grieks van de literatoren
en de inscripties. Natuurlijk, ergon, ergasia en ergazesthai werden, zoals R. Descat
onlangs uiteenzette, gebruikt voor wat wij nu ‘werk’ en ‘werken’ noemen, en wel op
diverse terreinen: landbouw, ambacht, handel, mijnbouw, financiën, ‘en un mot, dans
l’ensemble des activités économiques. Maar juist het feit dat een veelsoortigheid van
activiteiten met ergon aangeduid kon worden, vormde een obstakel voor het ontstaan
van een abstract concept ‘arbeid’. Anders gezegd: te veel Atheners waren in te veel
verschillende soorten werk geïnvolveerd dan dat ze zich achter het ene vaandel van ‘de
arbeid’ konden scharen. Daarnaast dient nog vermeld dat ergon ook nog hele andere
108

zaken dan ‘werk’ kon aanduiden: werkstuk, karwei, gebouw en (later) zelfs vereniging
of gilde.
In Athene hebben politici dan ook nimmer stadgenoten kunnen mobiliseren in een
beweging die de arbeid in het vaandel of programma voerde. Partijen in de moderne zin
van het woord waren er sowieso al niet in Athene’s politieke bestel; een ‘Partij van de
Arbeid’ was al helemaal ondenkbaar geweest. Finley wees er terecht op dat in de
Griekse wereld de politieke slogans bij uitstek waarmee politici massa’s in beweging
konden brengen, die van ‘landverdeling’ en ‘schulddelging’ waren. In het democratische
5e-4e eeuwse Athene is overigens ook van die slogans nauwelijks sprake. Maar Athene
was dan ook a-typisch: welke stad beschikte over én produktieve zilvermijnen én een
lucratief imperium (tot 404 althans) én een magneetachtige haven als Piraeus ? Pas
rond 340 v. Chr. blijken ook in Athene groepen burgers gevoelig voor voornoemde
revolutionaire slogans; lang tevoren hadden zij al weerklonken in andere, aanmerkelijk
minder bedeelde 4e-eeuwse Griekse stadstaten.
Lof op de Landman
De vraag dringt zich natuurlijk op, waarom ‘arbeid’ geen centrale waarde geweest is in
het klassieke Athene. Sommige geleerden gaan, alvorens tot beantwoording van de
vraag over te gaan, allereerst de vraag enigszins aanpassen. Er wordt dan eerst
opgemerkt dat de arbeid van de boer wél verheerlijkt werd en dat het alleen de
ambachtelijke -commerciële arbeid was waarvoor men zijn neus ophaalde. Op de aldus
aangepaste vraag volgt dan als antwoord een verwijzing naar het ideaal van de autarkie
van de agrarische oikos. Kroongetuigen voor de lof op de landman en op de zichzelf in
principe bedruipende oikos alsmede voor de afkeer van ambacht en commercie zijn
uiteraard reactionaire auteurs als Xenophon, Plato en Aristoteles. Het epitheton
‘re-actionair is hier met opzet gebruikt en wel in letterlijke zin. Deze schrijvers
109
afb. l. Attisch rood-figurige amphora, ca. 500 v. Chr., beschilderd door Euthymides.
Langs de linkerrand, van boven naar beneden: ‘hõσ ο0δrποτε Ε0φρóνιοσ’ ‘zoals nooit Euphronios’ (nl.
een vaasschildering gemaakt heeft; Euphromos was een Atheense vaasschilder uit dezelfde tijd), München,
2307.

reflecteren met de door hen beleden idealen niet de sociale realiteit maar ze reageren
ermee op een uiteraard andersoortige maatschappij.
De zucht naar autarkie en de lof op de landman zijn programma-punten van een kleine
agrarische elite, die heftige weerstand bood tegen en furieuze kritiek had op de feitelijke
gang van zaken in Athene, waarin boeren, kleine en grote, voor de markt produceerden
en waarin ruim een kwart van de vrije burgerbevolking in de niet-agrarische sector
werkte en sowieso het autarkie-ideaal aan zijn laars lapte. De loftuitingen op de zichzelf
genoegzame, zelf-werkende landman (de autourgos: van autos: zelf, en ergon: werk) zijn
het produkt van een naar de goede, oude tijd smachtende groep van anti-democratische
grootgrondbezitters geweest. Net als later bij de Romeinen moet het militaire aspect
zeker ook meegewogen worden: werk in de landbouw hardt de man en bereidt hem voor
op het hoplitenwerk. In het klassieke, democratische Athene lag echter zeker niet de
nadruk op hopliten als de kurk van de Atheense defensie. Het was de vloot die Athene
droeg en daarop dienden theten; hopliten gingen hoogstens als mariniers mee op de
dekken van de triremen. Een tegenstelling tussen hopliten en theten is er in de
democratie niet te vinden, zoals W. G. Forrest overtuigend en eloquent heeft
aangetoond.
De lof op de landbouw doet niet alleen archaïsch aan, ze is bovendien ook nog
lichtelijk hypocriet: de ware grondheer, zoals Ischomachos in Xenophons Oikonomikos.
bewerkte niet zelf het land, maar volstond met enig inspectie- en supervisiewerk. Zo hij
al eens echt wat deed, dan deed hij dat voor zijn plezier Men vergelijke zijn mentaliteit
met die van de latere Romeinse keizer Antoninus Pius, die zich af en toe op één zijner
landgoederen te buiten ging aan agrarische arbeid; dat was echter eerder een soort
‘training’ dan reguliere agrarische arbeid. Ik denk dat P. A. Brunt gelijk had toen hij
onlangs de uitspraak van een onbekend persoon in een fragment van Menander (‘het
boerenwerk is het werk van een slaaf’) representatief verklaarde voor de mentaliteit van
de grootgrondbezitter. In dit verband moet ook niet vergeten worden dat in bijvoorbeeld
Aristoteles’ ideale staat de boeren net als de ambachtslieden buiten spel gezet worden:
110
afb. 2. Trots op vakmanschap: Athena en Nikai bekransen werkers in een ceramisch atelier. Attisch rood-
figurige hydria, ca. 460 v. Chr., Milaan, Coll. Torno.

geen van beide categorieën beschikte over voldoende vrije tijd om de ware deugd en
daarmee politieke zeggenschap te verkrijgen. Slechts in de op één na beste staat, de
zogenaamde république des paysans mogen ze weer meedoen. Aristoteles weerspiegelt
daarmee natuurlijk niet de feitelijke sociale situatie van het eigentijdse Athene;
integendeel, hij reageert tegen de realiteit die ver verwijderd is van die republiek en haar
waarden.
Twee dingen geven dus geen pas: eerst de agrarische arbeid afzonderen uit het totale
arbeidsbestel en de verheerlijking daarvan afkondigen in Athene, vervolgens de
minachting voor de resterende, niet-agrarische arbeid relateren aan een dominerend
agrarisch autarkie-ideaal. In het leven van alledag zal de doorsnee Atheense boer, die
zelf de armen uit de mouwen moest steken, zeker niet de bewieroking van de
landarbeid, zoals gepredikt door een aantal reactionaire auteurs, gedeeld hebben. Hij
zal dichter bij Hesiodus’ bovenvermelde mentaliteit gestaan hebben. In het algemeen
geldt dat in de hele oudheid, en ook in Athene,’in de zeer talrijke grafepigrammen
nauwelijks de lof op de agrarische arbeid gezongen werd. De vader van onze hereboer
Ischomachos mag dan arbeidsminnend (philo-ergos) geweest zijn, uit de context blijkt
dat de man vooral bedreven was in het opkopen en weer in bedrijf brengen van
verwaarloosde landerijen. Voorzover mij bekend zijn philo-ergos en philo-ergia termen
die althans in het epigrafische materiaal vooral gebruikt worden ter kenschetsing van
slaven en vrouwen: nauwelijks twee categorieën die de dominante waarden van de
masculiene burgermaatschappij belichaamden.
Slaven
Mij lijkt het het waarschijnlijkst dat het ontbreken van een echte arbeidsideologie in het
klassieke Athene primair gerelateerd moet worden aan de dominantie en alomtegen-
woordigheid van de slavenarbeid. Het moderne onderzoek heeft aangetoond dat de
slaven qua aantal toch gauw zo’n 30% van de totale bevolking uitmaakten. Athene liep
daarmee fraai in de pas met latere (Latijns) Amerikaanse slavenmaatschappijen. Het is
overigens niet zo dat dientengevolge de Athener niet meer werkte. De toonaangevende
politieke elite ontleende zeker een essentieel deel van zijn rijkdom aan de exploitatie
van slavenarbeid; ook de gewone Athener werd geacht een enkele slaaf te bezitten; men
kon zich althans tegenover juryrechtbanken beklagen over het feit dat men zo arm was
dat men zich geen slaaf kon permitteren. Het feit dat vrijen en slaven in de meeste
sectoren van de economie zij aan zij werkten, zij het niet altijd op voet van gelijkheid,
moet voor de perceptie van de vrijen geresulteerd hebben in een zekere stigmatisering
van de arbeid of althans in het ontbreken van de neiging om de arbeid tot centrale
waarde te verheffen. Trots op een concrete arbeidsprestatie kan men in de inscripties
constateren bij menig ambachtsman maar heiliging van de arbeid als zodanig was er
niet bij.
Chr. Meier heeft in een recente studie betoogd dat het de dominantie van de politiek
in het leven van de Atheense burgers geweest is die het onmogelijk maakte om de arbeid
als centrale waarde te pousseren. Zonder nu direct de concrete participatie van de
doorsnee-burger in de democratie te overdrijven, mag toch gezegd worden dat in het
volksvergaderingssysteem de burger zich gemakkelijker als politiek dier kon gedragen
dan in andere, representatieve politieke systemen. Men vergete echter niet dat de
Atheense democratie in dubbel opzicht een produkt was van exploitatie. Intern maakte
het feit zelf van de slaven-maatschappij het de burgers gemakkelijker om tijd vrij te
maken voor het circus in de ekklesia; extern was er lange tijd het Atheense imperialisme
dat de Atheense polis bepaald geen windeieren legde.
De belangrijke vraag of überhaupt in de pagane oudheid een verheven arbeidsideolo-
gie geboren is dan wel het Christendom de ‘uitvindster’ van de heiliging van de arbeid
111

als dienst aan en plicht jegens God geacht moet worden te zijn, valt buiten het kader van
dit opstel. De vraag is daarom zo belangrijk omdat het ‘orthodoxe’ antwoord één van de
steunpilaren levert voor de stelling dat het sociaal-economisch systeem van de oudheid
- Griekse zo goed als Romeinse - fundamenteel verschilt van dat van Middeleeuwen en
Ancien Régime. In die laatste twee perioden zou de opkomst en opbloei van een
verheven ideologie van de arbeid één van de factoren geweest zijn die de geboorte van
het (commercieel) kapitalisme veroorzaakt hebben.
We volstaan hier met de opmerking dat de opwaardering van de arbeid in ieder geval in
de vroeg-Christelijke kerk van de oudheid op gang kwam. Over mogelijke pagane
voorlopers in de kringen van Stoïcijnse filosofen tijdens de Keizertijd verwijs ik de lezer
naar enkele opmerkingen mijnerzijds in het tijdschrift van de Groninger geschiedenis-
studenten GRONIEK. Wat het uiteindelijke antwoord ook moge zijn, het zou wel eens
kunnen zijn dat in grote gedeelten van de pagane oudheid de zweep voor de slaaf
dezelfde functie vervulde als een verheven arbeidsideologie voor werkers in een bestel,
waarin de slavernij hetzij op zijn retour was hetzij vrijwel afgeschaft.
In het bovenstaande is een en ander ontleend aan:
P. A. Brunt, ‘Aspects of the Social Thought of Dio Chrysostom and of the Stoics’, Proceedings of the
Cambridge Philological Society (1973) 9-34.
R. Descat, L’acte et l’effort, Une idéologie du travail en Grèce ancienne (8ème-5ème siècle av. J.-C.), Paris
1986
P. Gamsey, ‘Non-slave labour in the Roman World’. in: P. Garnsey (ed.), Non-slave Labour in the
Greco-Roman World. Cambridge 1980.
C. Jourdain-Annequin, ‘Héraclès, latris et doulos. Sur quelques aspects du travail dans le mythe héroique’,
Dialogues d’Histoire Ancienne 11 (1985) 487-538.
H. Kloft, ‘Arbeit und Arbeitsvertrage in der griechisch-römischen Welt’, Saeculum 35 (1984) 200-221.
S. Mrozek, ‘Zur Verbreitung der freien Lohnarbeit in der römischen Kaiserzeit’, in: H. Kalcyk - B. Gullath -
A. Graeber (edd.). Studien zur Alten Geschichte. S. Lauffer zum 70. Geburtstag dargebracht. Band II (Rome
1986)705-716.
S. Pannoux, ‘La représentation du travail: récit et image sur les monuments funéraires des
Médiomatriques’, Dialogues d’Histoire ancienne 11 (1985) 293-328.
H. W. Pleket, ‘Arbeid en Oudheid’, GRONIEK 85 (1983) 1-7 (met verdere literatuur).
V. Schubert (ed.). Der Mensch und seine Arheit. Eine Ringvorlesung der Universität München (St. Otilien
1986). Daarin met name bijdragen van Chr. Meier. ‘Arbeit, Politik, Identität: neue Fragen im alten Athen’
(blz. 47-109) en W. Stroh, ‘Labor Improbus: die Arbeit im antiken Rom’ (blz. 111-146).
C. B. Welles, ‘Hesiod’s attitude towards Labour’, Greek, Roman and Byzantine Studies (1967) 5-23.
M. A. Wes, Tussen Polis en Technopolis, Leiden 1974 (m.n. blz. 10-13, over Jan Romein, de kritiek op hem,
en de autarkie).
Die Arbeitswelt der Antike. Von einer Autorengruppe der Martin-Luther Universität Halle-Wittenberg.
Leipzig 1983.
112

Love’s Philosophy
The fountains mingle with the river,
And the rivers with the ocean;
The winds of heaven mix for ever
With a sweet emotion;
Nothing in the world is single;
All things by a law divine
In one another’s being mingle; —
Why not I with thine ?
Sec the mountains kiss high heaven,
And the waves dasp one another;
No sister flower would be forgiven,
If it disdained it’s brother;
And the sunlight clasps the earth,
And the moonbeams kiss the sea:
What are all these kissings worth,
If thou kiss not me ?
P. B. SHELLEY.
Amoris Meditatio
Influunt fontes fluviis perennes,
In mare ac mox fluminaserecondunt;
Lenibus ventomm agitant susurris
Flamina caelum.
Singulare in orbe nihil relictum:
Cuncta amat coniungere lex deorum;—
Cur tamen me reicis et repellis,
Grata puella ?
Saxa caelo basta nonne figunt ?
Nonne fluctus oscula dant petuntque?
Rure flos narrare solet sorori
Frater amores.
Solis et lunae radii nitentes
Desinuntnunquam refovere terram.—
Quid valent tot basia, si negas tu
Reddere amorem ?
J. v. IJZEREN
(1931)
113
UIT DE ANTIEKE FOLKLORE
I. De dood van Pan
(traditie en oudere verklaringen)
In Plutarchus’ dialoog „Over het verval der orakels” komt de
vraag aan de orde, of daemonen sterfelijk zijn. In dit verband ver-
telt Philippus, één der deelnemers, het volgende verhaal (c. 17) :
„Sommigen van u hebben ook de lessen gevolgd van den rhetor
Aemilianus. Welnu, zijn vader, de onderwijzer Epitherses, een
stadgenoot van mij, vertelde dat hij eens naar Italië voer op een
koopvaardijschip, dat verscheiden passagiers aan boord had. Eens
op een avond — ze waren juist in de buurt van de Echinadische
eilanden
1
— ging de wind liggen ; het schip, daardoor onzeker in
zijn koers, belandde dicht bij het eiland Paxos. De meeste passagiers
waren nog niet naar bed ; velen zaten zelfs nog na het diner wat te
drinken. Plotseling hoorde men een stem van het eiland Paxos, die
een zekeren Thamous riep. Algemeene verbazing ! Thamous was
1
De Echinades liggen tegenover Ithaca aan de Z.-Kust van Acarnanië ;
Paxos ligt veel Noordelijker, ten Z. van Corcyra ; Palodes is waarschijnlijk
een haven bij het oude Buthrotum in Epirus, dat in het 3
e
boek der Aeneïs
genoemd wordt en tegenwoordig door de Italianen wordt opgegraven.

nl. een Egyptisch stuurman, en slechts enkele van de opvarenden
kenden hem bij name. Tweemaal werd hij geroepen en tweemaal
hield hij zijn mond, maar de derde maal gaf hij antwoord. Toen
zette de ander zijn stem nog wat uit en riep : „wanneer ge bij
Palodes komt, breng dan het bericht over : de groote Pan is dood”.
Toen ze dat gehoord hadden, zoo vertelde Epitherses, waren allen
verbijsterd en vroegen zich af, of ze het bevel moesten opvolgen óf
wel er zich maar liever niet mee inlaten. Maar Thamous hakte de
knoop door : als het daarginds woei, zou hij er stilletjes voorbij-
varen, maar was er op die plaats windstilte en kalme zee, dan zou
hij uitroepen wat hij gehoord had. Toen hij nu ter hoogte van
Palodes kwam, was er geen wind en geen golfslag ; dus riep Thamous
van den achtersteven, de oogen naar het land gericht, wat hij
gehoord had: „de groote Pan is dood”. Nauwelijks had hij dat
gezegd, of er ontstond een luid geklag met kreten van verbazing
gemengd, niet van een, maar van vele wezens. Daar er vele getuigen
waren, verbreidde het verhaal zich snel te Rome, en Thamous werd
door keizer Tiberius bij zich ontboden. Tiberius hechtte zooveel
geloof aan het verhaal, dat hij een onderzoek liet instellen, wie die
Pan eigenlijk was; de geleerden aan het hof stelden daarop de
hypothese op, dat hij de zoon was van Hermes en Penelope”.
Uit de oudheid is dit feitelijk onze eenige bron voor het merk-
waardige en bekende verhaal van Pans dood ; wel komt het ook bij
den kerkvader Eusebius voor, maar die nam het letterlijk van
Plutarchus over. Latere bespiegeling en fantasie heeft evenwel aan
dit bericht een heel andere wending gegeven ; als voorbeeld kies ik
een volmaakt willekeurige bron, de „Nuttall-encyc}opaedia” van
1900, waar men onder den naam ..Pan” o. a. dit leest : „There is a
remarkable tradition, that on the night of the Nativity at Bethlehem
an astonished voyager heard a voice exclaiming as hè passed the
promontory of Tarentum : ,,the great Pan is dead” ”. Welnu, er
loopt inderdaad een onafgebroken lijn van Eusebius naar deNuttall-
encyclopaedie en nog recenter publicatie’s, een lijn van Christelijke
interpretatie. Alleen werd daarbij gewoonlijk niet aan de geboorte
te Bethlehem, maar aan den kruisdood op Golgotha gedacht. ‘’
Het voorval vond immers plaats onder Tiberius, onder wien Jezus
ter dood werd gebracht; al spoedig heette het dan ook, dat de stem
geklonken had in den nacht na Jezus’ sterven, en bedoelde te
1
Niet gelijke maar misschien verwant is het volgende uit Miltons „Hymn
on the Nativity” (1629) :
The shepherds on the lawn,
or ere the point of dawn,
sat simply chatting in a rustig row ;
114

zeggen, dat nu aan de macht van het daemonendom voor goed een
einde was gemaakt. Zoo werd het verhaal van Pans dood een merk-
waardige pendant van Vergilius’ vierde Ecloga, waarin immers
Christus’ geboorte voorspeld zou zijn, gelijk de speurende geleerden
aan het hof van Tiberius een pendant vormen van Herodes’ schrift-
geleerden.
Voor het overige liepen ook in de Christelijke interpretatie de
verklaringen nog uiteen. Volgens sommigen was de gestorven Pan
niemand anders dan de duivel, die dan ook evenals de Arcadische
herdersgod met bokspooten werd afgebeeld : zijn rijk was ten einde
en zijn dienaren jammerden om zijn dood. Volgens anderen was „de
groote Pan” Christus zelf, die immers „de goede herder”, „de groote
herder der schapen” was. Deze opvatting vindt men o. a. bij
Rabelais in het vierde boek van zijn Pantagruel, waarbij het merk-
waardige is, dat hij zelfstandig tot deze verklaring kwam en niet
van Eusebius of lateren afhankelijk is. Deze interpretatie keert dan
bij allerlei schrijvers in verschillende schakeeringen terug, maar in
de i76 eeuw begon ook de kritiek haar stem te doen hooren. Voor
ons eigenaardig is het feit, dat voor het eerst grondig met een zoo
fantastische verklaring gebroken werd door den Haarlemschen
stadsgeneesheer Antonius van Dale in zijn De oraculis veterum
ethnicorum dissertationes duae van 1683. Sindsdien heeft de weten-
schap er voor goed mee gebroken, maar, gelijk we boven reeds
zagen, in meer populaire geschriften ontmoet men de verklaring
nog heden ten dage. En wat belangrijker is, de poëzie zoowel als de
beeldende kunst heeft van haar goed recht gebruik gemaakt en het
verhaal gesymboliseerd. De dood van Pan blijft beteekenen den
ondergang van het heidendom, de vlucht van Griekenlands goden
en daemonen voor de naderende gestalte van Christus. Jaren
geleden — het zal tusschen 1910 en 1915 geweest zijn — was er op
de jaariijksche tentoonstelling van nieuwe schilderijen te Londen
een werk getiteld ,,The new voice” ; de naam van den kunstenaar
is mij ontschoten. Op den voorgrond in een Grieksch landschap de
goedige Pan, die juist in plotselinge en pijnlijke verbazing de herders-
fluit met de zeven pijpen van ongelijke grootte uit den mond
genomen heeft; om hem heen eenige satyrs en nymfen uit zijn
gevolg, allen met een blik van vreemde verwondering op het gelaat,
full little thought they then
that the mighty Pan
was kindly come to live with them below....
Dit citaat, evenals eenige détails in het vervolg, ontleen ik aan G. A.
Gerhard, Der Tod des grossen Pan, Sitz. Ber. Heidelb. Akad. d. Wiss.
Phü.-hist. Klasse, VI (1915) ; vgl. denzelfde in Wiener Studiën XXXVII
(1915) 322—52 en XXXVIII (1916) 343—76.
115

sprakeloos starend naar een punt in de verte. Hier is de stilte, dié
blijvend zal blijken, want ginds aan den horizon verrijst een lich-
tende gestalte en klinkt een stem met nooit gehoorde klank, „the
new voice”. Pan voelt, dat zijn rijk uit is.
Zoo zag ook de Engelsche dichteres Elisabeth Barrett Browning
de figuur van Pan, toen zij in 1844 in een lang gedicht van 39 strofen
reageerde op Schillers „Die Götter Griechenlands”, waarmede zij
in vertaling had kennisgemaakt. Voor Schiller, die in somberen
weemoed aan die lichte en blijde godenwereld terugdacht, was het
heengaan van die goden geen sterven. „Müssig kehrten zu dem
Dichterlande heim die Götter, unnütz einer Welt, die, entwachsen
ihrem Gangelbande, sich durch eignes Schweben halt. Ja, sie
kehrten heim, und alles Schone, alles Hohe nahmen sie mit fort,
alle Farben, alle Lebenstöne, und uns blieb nur das entseelte Wort”.
Reeds bij zijn verschijnen in 1788 had dit gedicht veel stof op-
gejaagd, en ook Elisabeth was verontwaardigd. In haar gedicht gaf
zij uiting aan de overtuiging, dat een Christen niet meer behoefde
te treuren om het verlies van den Olympus ; als motief koos zij
daarbij het verhaal van Plutarchus, en het telkens weerkeerend
refrein luidt: „Pan, Pan is dead”.
Ook een andere, evenmin juiste verklaring is reeds van ouden
datum. Wijsgerige bespiegeling, waarschijnlijk onder invloed van
Orphische mystiek, had oudtijds den naam van Pan in verband
gebracht met het Grieksche pan = „alles” ; zoo werd hij tot een
pantheïstischen algod en gelijkgesteld met de Egyptische godheid
Mendes of Chnum. Hoewel, gelijk we later zien zullen, Egyptische
invloed op het verhaal niet uitgesloten schijnt, is er toch geen reden
om bij Pan niet te denken aan den natuurgod, die immers de god
is van de stilte in veld en woud, maar ook van de plotseling schrik-
aanjagende geluiden, die de eenzaamheid verbreken, van de voces
ex occulto missae, zooals Cicero ze noemt
1
en van den daardoor
veroorzaakten panischen schrik.
2
Hoe dan het verhaal van Pans dood wél te verklaren is ? Daar-
over in een volgend artikel, aan de hand ook van moderne paral-
lellen.
Groningen. H. WAGENVOORT
(1928)
1
De Divin. I 101.
2
Over Pan als verwekker der paniek het laatst Miss R. Harrison in Class.
116

UIT DE ANTIEKE FOLKLORE
II. De dood van Pan
(moderne parallellen en verklaringen)
Het verhaal van den dood van Pan wordt ons, zooals wij zagen,
uitsluitend door Plutarchus verteld, aan wien Eusebius het weer
heeft ontleend. Daarentegen zijn buitengewoon talrijk de sprook-
jes, over heel Europa verbreid, die één of meer, soms alle hoofd-
motieven van het oude verhaal in zich vereenigen. Nadat Gerhard en
anderen reeds heel wat materiaal bijeengebracht hadden, heeft
vooral Taylor
1
zich verdienstelijk gemaakt met het bijeenbrengen
van de zeer verspreide gegevens ; hij verzamelde liefst 246 va-
rianten, waaronder 66 uit Duitschland, 50 uit de Alpenlanden, 2
uit Bohemen, 31 uit Engeland en Ierland, 77 uit Scandinavië, 14
uit Frankrijk en 1 uit Fransch-Canada, 3 van Guernsey. Opvallend
is, dat Griekenland en Italië geheel ontbreken, maar dit kan heel
goed toeval zijn ; slechts één verhaal van Kreta laat zich eenigs-
zins vergelijken. Ook ons land ontbreekt geheel; volgens den
Schrijver vindt men één Nederlandsche variant bij Sepp, Altbaye-
rischer Sagenschatz p. 597, maar de bron, die deze opgeeft, is on-
juist. Een misschien verwant Vlaamsch verhaal zal nog ter sprake
komen.
Een Tiroler sage luidt aldus :
2
„Einst ging im Pinzgau von Saal-
felden durch den holweg herunter ein metzger urn mitternacht. da
rief aus der felswand eine stimme: ‘metzger, wenn du bei der
langen Unkener wand vorbeigehst, so ruf hinein in die spalten :
die Salomo ist gestorben !’ das kann ich thun, erwiederte lachend der
metzger. Noch vor tages grauen an die lange wand gekommen, ruft
er das aufgetragene dreimal hinein. da erfcönte aus der tiefe des
berges ein lautes vielstimmiges wehklagen und jammem, und der
metzger eilte voll schrecken seines weges.” Hier is de overeenkomst
met Pans dood toch wel zeer opmerkelijk, immers de twee voor-
naamste factoren ontbreken niet: de opdracht van een geheim-
zinnige stem om ergens den dood van iemand uit te roepen, en de
vervulling van die opdracht, gevolgd door geweeklaag van talrijke
1
A. Taylor, Northern Parallels to the Death of Pan. Washington Univ.
Studies X 1 (1922).
2
Gerhard p. 35 ; Taylor variant 46.
117

wezens. Ingeval werkelijk de antieke sage met de moderne vari-
anten verwant is, dan moet men m. i. van deze variant uitgaan en
niet, zooals Taylor doet, met de meest eenvoudige vorm beginnen.
Verreweg de meeste varianten zijn nl. simplistischer en tegelijk
onder invloed van vreemde elementen onzuiver geworden. Vergis
ik me niet, dan mag men de eerste verbindingsschakel zien in een
Beyersche variant, die Taylor aldus weergeeft
1
: „Once a peasant
of Kappel (near Schatwald) sold a pair of oxen and was carrying
tome the yoke. As he came to Staiger Kirchweg hè heard a voice
call: ‘Jochträger, teil Gstutzte Mutz, Loringg is dead !’ Wenn he
told this at home there was a wailing and moaning and shrieking
behind the stove that was sad to hear. and yet no one saw anything
at all.” De verandering is nl. in hoofdzaak deze, dat de reiziger,
die de opdracht krijgt, zich daarvan kwijt niet ergens onderweg —
dat wordt hem ook niet meer verzocht — maar in zijn eigen huis ;
daar volgt dan het geweeklaag als in de oorspronkelijke lezing.
Maar toen eenmaal de reiziger het bericht eerst overbracht bij zijn
aankomst thuis, toen lag het voor de hand, dat een vreemd ele-
ment binnensloop, het geloof aan huisgeesten, gedienstige wezens
van allerlei slag, die in de menschelijke woning soms heel onver-
wacht hun intrek nemen en even plotseling verdwijnen. Zoo ver-
telt men in Tyrol
2
: „There was a maid who was descended trom
the stock of the forestdemons (Norggren) and who gave wise ad-
vice in matters concerning wind and weather, baking, sowing, and
the like. Once when the peasant with whom she lived was riding
home late at night through the forest he heard a voice saying:
‘Hoss, Hoss, on your snow-white horse, teil Hanne her father is
dead.’ When he came home he told the maid the news and she
began to lament and wail and disappeared forever.” En weer
komt een nieuw element naar voren : de kern van andere varianten
blijkt te zijn niet de opdracht, maar het feit dat door de opdracht
de geheime naam van den huisgeest verraden wordt. In Baden
b.v. hoort men het volgende vertellen volgens Taylor
3
: „An in-
visible voice called to a farmer who was going home from the field
with a yoke on his shoulder : ‘Yoke-bearer ! Teil Gloria the Kanzel-
mann is dead !’ At supper he told his experience to the maid, ad-
ding : ‘Now we know that your name is Gloria.’ Straightway she
jumped up from the table and was never seen again.”
In vele gevallen is er groote overeenkomst tusschen de namen
van den gestorvene en van hem, voor wien het bericht bestemd is.
1
Variant 55.
2
Taylor var. 82.
3
Var. 66.
118

„Groet Ati en zeg dat Wati dood is F’ heet het in Denemarken, en
elders vindt men Hübel en Habel, Adder en Madder, Find en Kind,
Appele en Appela, enz. ; deze assimilatie van namen is een bekend
verschijnsel in folklore.
Intusschen maakten we nog slechts kennis met enkele voorbeel-
den van één bepaalde variantenkategorie. Men kan nl. drie groepen
onderscheiden
1
: in de eerste bezat het wezen, waarvan de dood
aangekondigd werd, menschelijke gedaante ; in de tweede, die ook
vrij talrijk is, is het daarentegen een kat of kat-achtig wezen ; in
de derde klasse behooren de varianten, waarin het uitbreken van
een brand wordt aangekondigd, waarin kinderen of andere bloed-
verwanten omgekomen zijn. Een verre uitlooper van de tweede
groep schijnt men in Vlaanderen te kennen (volgens Taylor p. 63):
een man zag een heele verzameling katten dansen en hoorde ze
daarbij zingen : „Poot aan poot ! Den duivel is dood !”
Evenwel — hoezeer ook de tweede en derde groep door den
folklorist in dit verband niet mogen verwaarloosd worden — de
eerste komt toch het allermeest in aanmerking voor de verklaring
van den ,,dood van Pan.” Wat nog niet zeggen wil, dat die ver-
klaring voor de hand ligt. Gerhard, in navolging van Mannhardt,
is van oordeel, dat de stervende daemon een vegetatie-geest is ;
zijn heengaan beteekent de komst van den winter en het wegsterven
in de natuur. Inderdaad lijdt het geen twijfel, dat dit de eigenlijke
zin is van vele der varianten ; het is alleen maar moeilijk te be-
wijzen, dat het ook de oorspronkelijke zin was. In elk geval zal men
Taylor moeten toegeven, dat verschillende bijzonderheden in
Plutarchus’ verhaal zoo niet worden opgehelderd. Immers het ster-
ven van een natuurdaemon is een zoo algemeen voorkomend mo-
tief in de oudheid,
2
en de gestadig weerkeerende klacht om zijn
dood een zoo bekend gegeven, dat misverstand bijna uitgesloten
mocht heeten. En toch — in dit geval was de algemeene verbazing
zoo groot en vond men de toedracht zoo mysterieus, dat de zaak
zelfs de aandacht van den keizer trok. Daarom geeft Taylor een
andere interpretatie : de oorsprong van al deze ver uiteenloopende
en toch onderling verwante verhalen zou liggen in een hallucinatie
van het gehoor. In bosch en veld, ver van de bewoonde wereld,
daar hoort men onbestemde geluiden, niet zelden gelijkend op de
kreten van een menschelijke stem. Ze spellen niets goeds, die ge-
luiden ! Wie ze hoort, siddert; zijn fantasie roept schrikbeelden op,
en niet meer zijn het de gewaarwordingen der zintuigen, die zijn
1
Vgl. Otto Weinreich in Arch. f. Relig. Wiss. 22 (1923/24) 329.
2
Vgl. Carl Clemen, Die Tötung des Vegetationsgeistes, Neue Jhrbb.
49—50 (1922) 120 vlgg.
119

denkbeelden teweegbrengen, maar omgekeerd dicteeren hem de
beelden van zijn denken datgene, wat hij gehoord en misschien
ook gezien heeft.
Terwijl er zoowel in Gerhards als in Taylors verklaring aantrek-
kelijke elementen zijn, bevredigen zij m. i. geen van beide geheel.
Zoo oordeelt ook Weinreich,
1
die van meening is, dat men de oplos-
sing toch wel in Oostersche of Grieksch-Egyptische sfeer zal moeten
zoeken. Vroeger had Salomon Reinach reeds den naam van den
stuurman Thamous in verband gebracht met Tammuz, den Syrisch-
‘Babylonischen Adonis, wiens sterven immers jaarlijks in bittere
klacht door zijn volgelingen beweend wordt. Volgens Reinach zou
nu het geheele verhaal zijn ontstaan te danken hebben aan de ge-
heel verkeerd begrepen uitroep: ΘΑΜΟΥΣ ΘΑΜΟΥΣ ΘΑΜΟΥΣ
ΠΑΝΜΕΓΑΣ ΤΕΘΝΗΚΕ. Het epitheton πανµrγασ („de algroote”)
zou dan verstaan zijn als Πoν o µrγασ. De hypothese was even
schrander als verleidelijk, en vond dan ook instemming bij een man
als Frazer, den schrijver van „The golden bough.” Niettemin zijn
er ernstige bezwaren ; dat Grieken in dezen tijd den Syrischen naam
voor den god gebruiken zouden, is beslist vreemd, afgezien nog
van de vraag, of men dan moet aannemen, dat er aan de kust van
Epirus gemeenten waren van Graeco-Syrische Adonisvereerders.
! Weinreich komt nu aan het eerste bezwaar eenigszins tegemoet
“door te onderstellen, dat de gehoorde kreet luidde : Θαµο0σ Θαµο0σ
Θαµο0σ o µrγασ Πoν τrθνηκεν. Dan zou dus aan den Syrischen
naam het Grieksche aequivalent zijn toegevoegd, gelijk men wel
meer deed. Van veel belang m. i. en sterk pleitend voor Oosterschen
oorsprong is een parallel, waarop W. nog wijst. Elders
2
vertelt
nl. Plutarchus een dergelijk verhaal van een geboorte-aankondi-
ging: een zekere Pamyles te Thebe hoorde bij het putten van water
een stem uit den tempel van Zeus (Amon-Rê), die hem beval luid
te verkondigen : µrγασ βασιλεuσ ε0εργrτησ ¯Οσιρισ γrγονεν. De
overeenkomst tusschen beide verhalen is te meer treffend, omdat
evenals Thamous ook Pamyles de naam van een god is, identiek
met Osiris als god der vruchtbaarheid. Zou deze opvatting juist
zijn, dan geeft de „dood van Pan” wel een merkwaardig voorbeeld,
hoe een oorspronkelijk godsdienst-historisch gegeven zich geheel
in folkloristische richting ontwikkelen kan, om dan opnieuw, maar
in geheel anderen zin, religieus te worden geïnterpreteerd.
1
Groningen. H. WAGENVOORT (1928)
1
a. w. 330, 1. Weinreich behandelt ook het motief van Paus dood in de
nieuwste poëzie en roman-litteratuur.
2
De Iside et Osiride 12, p. 355 E. Onafhankelijk blijkbaar van Weinreich
kwam later Georges Méautis nog eens met dezelfde parallel voor den dag
(Musée Belge, 31—1927—52).
120

De auteur van bovenstaande studie over de dood van de grote Pan, wijlen Hendrik
Wagenvoort (1886-1976), was hoogleraar Latijn, eerst te Groningen (1924-1930) en
vervolgens te Utrecht (1930-1956), en één van de meest vooraanstaande Nederlandse
classici van deze eeuw. Zijn voornaamste interesse gold de Romeinse godsdienst, een
terrein waarop zijn meesterschap internationaal was erkend. Daarnaast publiceerde hij
vooral in de eerste jaargangen van Hermeneus een aantal bijdragen over de antieke
folklore die vaak nog steeds de moeite van het lezen waard zijn. Deze studie over de
dood van Pan was typerend voor zijn manier van te werk gaan. Een verhaal uit
Plutarchus’ Over het verval der orakels (c. 17) wordt in een breed kader geplaatst dat ver
over de grenzen van de oudheid heengaat. Het probleem is interessant, de behandeling
boeiend, en het artikel zou misschien ook nu nog bijna ongewijzigd in Hermeneus
hebben kunnen verschijnen - maar is de uitkomst overtuigend?
Het zal de aandachtige lezer zijn opgevallen dat Wagenvoort zijn analyse meteen met
het verhaal zelf begon. Zo’n aanpak is dubieus. Verhalen in antieke dialogen vervullen
vaak een functie binnen dat raamwerk en moeten dus ook in hun context worden
bekeken. Pas als de functie van een verhaal ook in de interpretatie is betrokken, kan de
uitkomst bevredigend zijn. We zullen daarom eerst de inhoud van het verhaal over Pans
dood en zijn positie binnen Plutarchus’ dialoog onder de loupe nemen, vervolgens de
latere verklaringen analyseren en tenslotte de folkloristische parallellen bekijken.
De dood van Pan en het verval der orakels
Over het verval der orakels begint met de ontmoeting te Delphi van twee bereisde
Grieken, Demetrius van Tarsus en Cleombrotus van Sparta. Nadat de laatste had
verteld van zijn bezoek aan het beroemde orakel van Zeus in het Libysche Ammon,
raakte het gesprek op het verval der orakels. De filosoof Ammonius, Plutarchus’
leermeester, had zich intussen met enkele anderen bij het gezelschap gevoegd en stelde
als verklaring het afnemen van de Griekse bevolking voor, een verschijnsel dat de
historicus Polybius ook al had opgemerkt. Cleombrotus vroeg vervolgens aan de
verteller van de dialoog, Plutarchus’ broer Lamprias, of ‘de god’ (let op de vage
aanduiding) het verdwijnen van de orakels had veroorzaakt. Deze wees die mogelijk-
heid nogal fel van de hand, waarop Cleombrotus de klasse der demonen introduceerde
als een mogelijke categorie boosdoeners. In tegenstelling tot de goden, zo stelde hij,
werden demonen namelijk niet als onsterfelijk beschouwd. Als een demon aan het
121
Jan Bremmer
De dood van de
Grote Pan

hoofd van een orakel stond, zou het ophouden van een orakel dus als het verdwijnen of
sterven van die demon kunnen worden beschouwd. Om de mogelijkheid van stervende
demonen te illustreren vertelde vervolgens de ons verder onbekende historicus
Philippus het verhaal over de dood van de grote Pan. De episode heeft dus de duidelijke
functie binnen Plutarchus’ dialoog om de sterfelijkheid van demonen aan te tonen.
Beantwoordt het verhaal aan dit doel? Voordat we deze vraag kunnen beantwoorden
moeten we eerst in detail Philippus1 verslag bekijken, dat, zoals hij vermeldt, afkomstig
was van zijn leermeester Epitherses die het voorval zelf had meegemaakt. Uit andere
bronnen weten wij dat deze ‘onderwijzer’, net als zijn zoon Aemilianus, leefde in de
eerste eeuw n. Chr. en woonde in Nicaea in Bithynië. Omdat Nicaea niet aan de kust ligt,
kan Epitherses zich daar niet hebben ingescheept. De vermelding dat het schip zich al in
de buurt bevond van de Echinades, een eilandengroep voor de kust van Acarnania en
Aiolis, toen een windstilte inviel, doet echter vermoeden dat het schip van Patras kwam.
Merkwaardigerwijze vaart het schip dan ondanks de windstilte op bijna sprookjesach-
tige wijze in snelle vaart naar het eilandje Paxos, dat ongeveer 100 kilometer
noordelijker ligt, waar men dan nog voor het einde van het avondeten arriveert. Dat is
natuurlijk onmogelijk. Er is dus iets vreemds aan de hand met de beschrijving van de
reis, maar dat kan misschien te wijten zijn aan een gebrek aan nautische kennis bij
Plutarchus of zijn bron.
Toen het schip bij Paxos, een eilandje ongeveer 10 kilometer ten zuiden van Korfoe,
kwam, hoorde de Egyptische stuurman Thamous, dat een stem hem riep. Thamous
komt als Egyptische naam maar twee keer elders in de Griekse literatuur voor en wel in
Plato’s Phaedrus (274de) en bij de ten tijde van keizer Marcus Aurelius levende
advocaat Polyaenus (Strategica 3.11.5). Bij Plato is het de naam van een oeroude
Egyptische koning die van de god Theuth de kunst van het schrijven leerde. Nu komt de
naam Thamous niet eerder dan de zesde eeuw v. Chr. in het Egyptisch voor. Bovendien is
Thamous in Polyaenus de naam van een Egyptische koning bij wie de Atheense
condottiere Chabrias in de jaren 362-361 in dienst trad; deze koning wordt elders echter
altijd, en ongetwijfeld terecht, Tachoos ofTakoos genoemd. De naam komt verder in de
Griekse literatuur nog een keer vóór als Tamoos, een admiraal van Cyrus de Jongere,
die in Memphis (!) was geboren, zoals Xenophon (Anabasis 1.4.2) ons informeert. De
conclusie lijkt dan ook redelijk dat Plato, die zijn Phaedrus rond 365 schreef, de naam
van zijn ‘oeroude’ koning ontleende aan de verhalen van Atheners die in zijn tijd Egypte
hadden bezocht. De naam komt dus enkele malen voor in de periode rond 400 en dan
pas weer bij Plutarchus die het werk van Plato uitstekend kende. Is dit toeval of heeft
Plutarchus misschien voor de naam van een oorspronkelijk (?) anonieme Egyptische
stuurman bij de grote filosoof leentjebuur gespeeld? Achterdocht lijkt mij hier
gepast
1
.
De stuurman Thamous werd twee keer geroepen maar antwoordde pas de derde keer.
Zelfs na de boodschap aangehoord te hebben twijfelde hij nog of hij de opdracht zou
uitvoeren. Het is een bekend motief dat de mens niet onmiddellijk gehoor geeft aan
goddelijke roeping. De tegenstand dramatiseert in deze gevallen een moment dat van
kardinaal belang is in het leven van de gelovige. Voor een drievoudige goddelijke
roeping in wakende toestand zou ik geen parallel weten, maar in dromen is zo’n
herhaling niet geheel ongewoon. De derde keer is, als zo vaak, dan de climax van de
roeping die niet meer geweigerd kan worden.
2
Toen Thamous eindelijk antwoordde,
hoorde hij een stem die hem beval de woorden ‘de grote Pan is dood ’ uit te spreken.
Waarom de grote Pan? ‘Groot’ als cultisch epitheton van een Griekse god is een
laatkomer in de Griekse religie. Het waren vooral de aanhangers van de nieuwe,
zogenaamd Oriëntaalse godsdiensten die de behoefte hadden om de grootheid van hun
specifieke god aan te prijzen. Voor de gevestigde Olympische goden als Zeus en Athene
was dit niet nodig: zij hadden hun grootheid in het verleden genoeg bewezen. Vandaar
122

dat juist in de laat-Hellenistische tijd vooral bij de culten die zich in een religieuze
underdog positie bevonden de gewoonte opkwam om de macht, de dunamis, van de god
aan te prijzen door de acclamatie ‘groot’ of’uniek’. Zo riepen volgens De Handelingen
der Apostelen (19, 28) ook de inwoners van Efeze, toen zij de positie van hun godin
bedreigd achtten, uren in koor: ‘Groot is Artemis der Efeziërs’.
Tegelijkertijd is het ook niet helemaal toevallig dat van de klassieke goden juist Pan
in deze tijd ‘groot’ werd genoemd. Het was typerend voor de Hellenistische religiositeit
dat de gelovigen zich meer en meer tot één god wendden. Dit fenomeen was vooral te
bespeuren bij Oriëntaalse goden zoals Isis, Sarapis en Men, maar het is opvallend dat in
latere droomgezichten Pan veel vaker verscheen dan op grond van zijn marginale status
in het Griekse pantheon zou mogen worden verwacht. Bovendien was Pan met de hem
na aan het hart liggende Nymphenjpist de god die zijn vereerders nauw aan zich bond;
er bestond zelfs een aparte categorie van mensen, de panoleptoi of ‘de door Pan
gegrepenen’, die zich aan Pan alleen hadden gewijd. Waar in de laat-Hellenistische tijd
de klassieke goden zich meer en meer schenen terug te trekken op de Olympus, won
juist Pan aan invloed. Hij verscheen regelmatig aan die vereerders die snakten naar een
intiemer contact met het goddelijke. De uitdrukking ‘grote Pan’ past dus in de tijd
waarin het verhaal werd verteld, ook al komt deze combinatie nergens anders in de
Griekse overlevering voor.
3
Thamous was echter niet helemaal overtuigd van de goddelijke afkomst van de steitf
die hem had geroepen. Hij nam zich daarom voor slechts dan te gehoorzamen als het bij
de betreffende plaats, het verder onbekende Palodes, windstil zou zijn en de zee geheel
kalm. Het is natuurlijk niet zo dat Thamous bij een stevig briesje niet had kunnen
roepen, maar volstrekte rust was in het klassieke Griekenland het moment voor de
epifanie. Zo schilderde de boodschapper in Euripides’ Bacchae (1084v.) de toestand net
123
Pan. Bronzen Beeldje uit Arkadië. h. 9.5 cm., ca 450 v. Chr.
Ehem. Staatl. Museen Berlin/Antikenabteilung.

voordat Dionysos zich manifesteerde met de woorden: ‘de lucht werd stil, het
dichtbebladerde dal hield zijn bladeren stil en van de dieren hoorde je geen geluid’. Bij
Plutarchus gaat de stilte echter vooraf aan de definitieve verdwijning van Pan in plaats
van zijn verschijning: een uiterst geraffineerde omkering van het motief Thamous1
aankondiging ging onmiddelijk gepaard met gesteun en uitingen van verbazing zonder
dat we horen van wie al deze geluiden afkomstig waren. Blijkbaar leefden andere
demonen (?) mee met Pan’s sterven en door hun reacties bevestigden zij voor de
toeschouwers zijn dood.
Het is opvallend hoe zorgvuldig Plutarchus het verhaal in tijd en ruimte situeert. Hij
laat zelfs geen mogelijkheid voorbijgaan om de geloofwaardigheid van zijn bericht te
benadrukken. Zo begint Philippus zijn relaas met de mededeling dat hij het verhaal
heeft gehoord van zijn leermeester Epitherses, de vader van de retor Aemilianus ‘van
wie ook sommigen van u de colleges hebben gevolgd’. Epitherses had zich ingescheept op
een schip dat ‘veel passagiers’ aan boord had. ‘De moesten waren nog wakker en velen
dronken een glas wijn na het eten’, toen de stem weerklonk die Thamous riep. Getuigen
genoeg dus. Geen wonder dat, volgens Plutarchus, naderhand het verhaal zich ook in
Rome verspreidde en zelfs keizer Tiberius, die in Antiochië een tempel voor Pan had
laten bouwen, Thamous bij zich ontbood en de geleerden aan zijn hof het probleem liet
onderzoeken. Alsof dat alles nog niet genoeg bewijs voor de authenticiteit was, wordt
het relaas besloten met de opmerking dat ook verschillende van de aanwezigen, die
leerlingen van Aemilianus waren geweest, zijn verhaal konden bevestigen.
Wanneer een schrijver zo zijn best doet om de echtheid van een verhaal te staven, is er
aanleiding tot grote achterdocht. De sceptische lezer vraagt zich natuurlijk af of de
keizer werkelijk zo’n eenvoudige stuurman zou hebben ontvangen. Het is al evenmin
aannemelijk dat Tiberius de geleerden aan zijn hof juist op een mythologisch probleem
zou hebben gezet. Suetonius (Tib. 70) vertelt ons namelijk dat Tiberius er een behagen
in stelde om de grammatici aan zijn hof te overtroeven op het gebied van mythologische
kennis. Hij zal hen nauwelijks met een onderzoek hebben belast op dit gebied waarvan
bovendien de uitkomst nogal ridicuul is; Hermes en Penelope worden namelijk bijna
altijd als ouders van Pan genoemd. Onze twijfels worden bovendien versterkt wanneer
we kijken naar een ander verhaal in deze dialoog dat ook als bewijs voor het sterven van
demonen wordt aangevoerd.
In hoofdstuk 18 vertelt Demetrius dat hij door de keizer op een ontdekkingstocht was
gestuurd naar enkele eilanden in de buurt van Engeland. Het eiland dat het dichtst bij
het vasteland lag had slechts enkele inwoners die allen als heilig en onschendbaar
werden beschouwd. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of een geweldige storm
barstte los. Toen deze was bedaard, vertelden de inwoners dat een van hun
bovennatuurlijke wezens was heengegaan. Op een van de andere eilanden, zo besloot
Demetrius zijn relaas, werd Kronos gevangen gehouden, die daar veel demonen als
dienaren had. Ook dit verhaal schijnt op autopsie en gedetailleerde kennis van de streek
te berusten, waarbij de verteller bovendien nog in de hoogste kringen (de keizer)
verkeert. Helaas wordt dezelfde gebeurtenis ook in Plutarchus’ dialoog over het gezicht
in de maan (c. 26) beschreven, maar daar wordt het verteld door een vreemde aan een
zekere Sulla uit Carthago. Het lijkt er sterk op dat Plutarchus dit verhaal hier heeft
aangepast om op deze manier zijn standpunt te illustreren.
De indruk dat Plutarchus nogal vrij omsprong met de bronnen van zijn verhalen
wordt bevestigd door nog een ander verhaal. Cleombrotus vertelde dat eenmaal per jaar
een kluizenaar aan de kust van de Rode Zee verscheen, maar de rest van zijn tijd
doorbracht in het gezelschap van nymphen en demonen. Met erg veel moeite was
Cleombrotus doorgedrongen tot de verblijfplaats van deze wijze. Deze vertelde hem
dat Apollo in Delphi niet - zoals de locale theologen verkondigden - met de slang Pytho
had gevochten, maar met een gelijknamige misdadiger. Deze rationaliserende verkla-
124

ring komt echter al voor bij de laat-klassieke historicus Ephorus en daarvoor hoefde
Cleombrotus echt niet naar de Rode Zee.
Plutarchus sprong dus nogal vrij met de bronnen van zijn verhalen om. Het lijkt
daarom een redelijke conclusie dat ook het verhaal van de dood van de grote Pan niet in
Rome zelf werd verteld, laat staan in opdracht van Keizer Tiberius bestudeerd. De hele
inkleding duidt hoogstwaarschijnlijk op een literaire fictie.
4
De ontoereikendheid van de verklaringen
Wat moeten wij nu met dit verhaal aan? Eigenlijk is alles raadselachtig. Pan is een god
en als zodanig per definitie onsterfelijk; bovendien wordt hij nergens in de oudheid als
demon gekarakteriseerd. Ook het resultaat van de onderzoekingen van Tiberius’
geleerden levert voor ons niets op. Het lijkt bijna alsof zelfs Plutarchus zelf niets meer
met het verhaal aankon, en andere verwijzingen naar dit verhaal zijn er niet.
Wagenvoort meent de oplossing te hebben gevonden door te verwijzen naar een andere
passage bij Plutarchus, waar hij vertelt dat een zekere Pamyle (ten onrechte door
Wagenvoort een ‘hij’ genoemd) te Thebe bij het water halen een stem hoorde uit de
tempel van Zeus (= Ammon), die haar beval luid te verkondigen: ‘de grote koning, de
weldoener Osiris is geboren’. Jammer genoeg bestaat er wel een Egyptische vorm
Pamyles maar geen vrouwelijke vorm Pamyle en is ook de titel ‘grote koning’ niet
Egyptisch maar Perzisch. Waar Plutarchus het verhaal vandaan heeft, weten we niet
maar zeer waarschijnlijk niet uit locale Egyptische bronnen. Het lijkt haast wel of hij
zelf het verhaal van Pan hier heeft ‘gekannibaliseerd’ om er een authentieke Egyptische
overlevering van te maken. Het volledig ontbreken van elke paralleloverlevering en de
achterdocht die men moet hebben ten opzichte van de afkomst van het verhaal maken
dat elke verklaring volstrekt onverifieerbaar is. Bij de huidige gegevens is Plutarchus’
verhaal een doodlopende straat, waar elk onderzoek tegen een blinde muur loopt.
De kerkhistoricus Eusebius dacht daar heel anders over. Waar Plutarchus de
demonen introduceerde om de oude goden te redden, gebruikte Eusebius juist
Plutarchus om de heidenen met hun stervende demonen om de oren te slaan. Zo citeerde
hij bijna volledig in zijn Praeparatio Evangelica (5.17. 6-13) de verhalen van de dood
van Pan en van het verdwijnen van de Engelse demon. Hij voegde er spitsvondig aan toe
dat de dood van Pan plaats vond onder keizer Tiberius, toen ook Jezus ‘het hele (pan)
geslacht der demonen’ uitdreef en sommige van hen hem zelfs te voet vielen. Met andere
woorden, de dood van Pan was een bewijs te meer voor de werkzaamheid van Christus
op aarde.
Eusebius’ verklaring handhaafde zich nog in de 16e eeuw, hoewel men toen Pan
interpreteerde als het al par excellence, namelijk Christus zelf. Bovendien begon men nu
zelfs de antieke herdersgod te verbinden met Christus als de Goede Herder. Één
voorbeeld mag hier voldoende zijn voor deze curieuze interpretaties. Bij regel 54 van
Spensers Shepheards Calender (‘when Great Pan account of sheperdes shall aske’) merkt
een glosse in de uitgave van 1611 op:
Great Pan, is Christ, the very God of all shepheards, which calleth himselfe the
great and good shepheard. The name is most rightly (me thinks) applyed to him;
for Pan signifieth all, or omnipotent, which is onely the Lord Jesus. And by that
name (as I remember) he is called of Eusebius, in his fift booke De praeparat.
Evangel. who thereoftelleth a proper story to that purpose (dan volgt de vertelling
van Plutarchus). By which Pan, though of some bee understood the great Sathanas
. . . yet I thinke it more properly meant of the death of Christ, the onely and very
Pan, then suffering tor his flocke.
Het was pas de Nederlandse dokter Van Dalen(n), zoals Wagenvoort terecht vermeldt,
die rond 1700 voor het eerst het mes zette in dit soort verklaringen. Toch zou het lang
125

duren, voordat de onhoudbaarheid ervan algemeen werd ingieïrien. Nog F. G. Wekker,
één van de grootste Duitse classici in de eerste helft van de 19e eeuw, verklaarde de
dood van Pan als het geestesprodukt van een bijzonder intelligente tijdgenoot van
Tiberius, die het einde van het polytheïsme had voelen aankomen.
Het is waarschijnlijk niet toevallig, dat het einde van de christianiserende benadering
samenviel met een herwaardering in de Westeuropese cultuur van de god Pan, die
vooral in de tweede helft van de 19e eeuw het symbool werd van het ongeremde
natuurlijke leven. Deze opkomst culmineerde in de vooraanstaande positie van Pan
tijdens de Jugendstil, toen zelfs een kortstondig bestaand Duits literair-artistiek
tijdschrift naar de god werd genoemd; Herman Gorters epische dichtwerk Pan is één
van de laatste vruchten van deze tijdgeest.
5
Het is ook in dezelfde periode dat de
categorie van de stervende en rijzende goden werd geïntroduceerd en het ligt dan ook
voor de hand dat Pan met zo’n stervende god werd geïdentificeerd. Men poneerde zelfs
dat Thamous een verschijning van de Oosterse stervende god Tammuz was: dit soort
gewelddadige ingrepen in de tekst behoeft tegenwoordig geen weerlegging meer.
6
Folkloristische parallellen?
De grote Duitse volkskundige Wilhelm Mannhardt zocht het in een geheel andere
oplossing. Misschien wel als enige geleerde uit de 19e eeuw concludeerde hij dat wij
gewoonweg niet het materiaal hebben om Plutarchus’ verhaal bevredigend te
verklaren. In plaats van het daarbij te laten keek hij in een geheel andere richting.
Tijdens zijn onderzoek naar wouddemonen in de klassieke en moderne tijd stuitte hij op
een sage die een merkwaardige gelijkenis vertoonde met Plutarchus’ verhaal. Ik citeer
zijn versie:
Einige Jahre später ging ein Metzger urn Mitternacht durch den Hohiweg von
Saalfelden im Pinzgau. Da riet eine Stimme aus der Felsenwand: Metzger, wenn
du bei der langen Unkener Wand vorbeikommst, so rufe in die Spalte hinein
‘Salome ist gestorben!’. Noch vor Tagesanbruch an die lange Wand gekommen,
ruft er das Aufgetragene dreimal hinein. Da ertönte aus der Tiefe des Berges ein
lautes vielstimmiges Wehklagen und Jammern, und der Metzger eilte voll
Schrecken seines Weges (Mannhardt, noot 7, p. 149).
Mannhardt besefte dat de mogelijkheid bestond, dat deze sage uit de klassieken in de
Duitse volksoverlevering terecht was gekomen maar verwierp deze gedachte meteen.
Hij kon zich niet voorstellen, dat een verhaal uit de klassieke literatuur zo’n populariteit
onder het volk zou verkrijgen en stelde dat Epitherses een wijdverbreid volksverhaal
had aangepast en als zijn eigen reiservaring had verder verteld. Dit is zeer onwaar-
schijnlijk. De moderne volksverhalen die met Plutarchus’ bericht worden vergeleken,
komen juist niet in Zuid-Europa voor, zodat het onwaarschijnlijk is dat soortgelijke
verhalen in de oudheid daar wel werden verteld.
Ook is het belangrijk op te merken dat het boven geciteerde volksverhaal uniek is. De
verhalen die doorgaans met Plutarchus’ bericht worden vergeleken, zien er als regel als
volgt uit:
A dwarf once drew near to a farmer of Dettersberg white hè was plowing and
asked him to teil Hübel (een raadselachtige, vrouwelijke naam) that Habel
(raadselachtige mannelijke naam) was dead. When the farmer recounted his
strange adventure at the noonday meal, a small woman who had never been seen
before appeared in a corner of the room and ran out of the house in the direction of
the mountain, letting out cries of lamentation. She was never seen again (Taylor,
noot 7,p. 24,no. 10).
Hoewel dit soort sagen altijd vergeleken is met Plutarchus’ relaas, vertoont deze sage
een geheel andere structuur dan het verhaal van Pans dood. Het gaat in deze gevallen
126

altijd om een wezen, vaak een kat, dat zich in menselijk gezelschap bevindt, maar
plotseling tot de wereld der demonen blijkt te behoren.
Tenslotte is een beïnvloeding van de orale traditie door de literatuur in de laatste jaren
verschillende malen aangetoond. Zo is het evident dat de moderne volksverhalen die op
de ontmoeting van Odysseus en Polyphemus lijken uiteindelijk allemaal teruggaan op
Homerus; zo werden ook in Duitsland sprookjes opgetekend die uiteindelijk afkomstig
bleken van de Fransman Perrault.
7
De conclusie moet dan ook luiden dat Mannhardt
terecht getroffen was door de gelijkenis tussen het door hem geciteerde volksverhaal en
Plutarchus’ bericht, maar dat de versie van de sage die hij weergeeft bijna zeker is
aangepast aan het verhaal uit de oudheid.
Met Mannhardt en zijn volgelingen, die ook door Wagenvoort enigzins sceptisch
worden bekeken, hebben we de laatste invloedrijke benadering van Plutarchus’ verhaal
behandeld. Het zal niet toevallig zijn dat na de eerste wereldoorlog de belangstelling
voor het verhaal van Pans dood veel minder werd. De traumatische ervaring van de
ooriog had een einde gemaakt aan de vooraanstaande rol die de vitale god in het
Europese imaginaire speelde. Wagenvoorts artikel is geschreven in een tijd, waarin Pans
dood de geesten al nauwelijks meer vermocht te boeien. Voor de Europese intellectue-
len was de god definitief dood, maar voor godsdiensthistorici blijft het probleem van
zijn dood springlevend.
8
Noten
1. Voor de naam Thamous zie W. Spiegelberg, ‘Die Name Samaus und Thamous, Thamus’, Zs. ƒ. ägyptische
Sprache 64 (1929) 84v; H. Ranke, Die Ägyptischen Personennamen I (Glückstadt 1935) 387-388.
2. Vgl. Die Inschriften von Priene, no. 196; Plutarchus Cor. 24.2v; Procopius Arc. 6; Cosmas et Damian Mir.
24.10-20, 26. 7-18, 34.26-51.
3. Voor ‘grote goden’ en de onderwerping aan één god zie H. S. Versnel, Lampas 9 (1976) 27; H. W. Pleket,
in H. S. Versnel (ed.), Faith, Hope and Worship (Leiden 1981) 152-192. Voor de verering van Pan zie F. T.
van Straten, Bull. Ant. Beschaving 51 (1976) 14,19 (dromen); P. Amandry, ‘Le culte des Nymphes et de Pan à
l’antre corycien’, Bull. Corr. Hell. Suppl. IX (1984) 395-425; J. M. Bremer, ‘Religiositeit op het land’,
Lampas 20 (1987) 23-35.
4. Contra Ph. Borgeaud, ‘The Death of the Great Pan: The Problem of Interpretation’, History of Religions
22 (1983) 254-283. Dit is de beste en ook bibliografisch zeer volledige studie van Pans dood die ik ken, ook
al verschil ik op allerlei punten met de auteur van mening; ik verwijs ook naar deze studie voor verdere
literatuur over de nu volgende christianiserende en folkloristische interpretaties van Pans dood.
5. Vgl. R Merivale, Pan the Goat-God: His Myth in Modern Times (Cambridge Mass. 1969); J. Wertheimer,
“Es lebt der grosse Pan’, literarische Wandlungen eines mythologischen Themas’, Neohelikon 4(1976) no.
1/2, 314-329; A. Assmann, ‘Pan, Paganismus und Jugendstil’, in H. -J. Zimmermann (Hrg.), Antike
Tradition und neuere Philologie (Heidelberg 1984) 177-195; B. Juden, ‘Visages romantiques de Pan’,
Romantismes no. 50 (1985) 27-40; D. Z. Baker, Mythic Masks in Self-reflexive Poetry. A Study of Pan and
Orpheus (Chapel Hill en Londen 1986), een boek dat wat betreft zijn interpretatie van de klassieke
mythologie volstrekt onbetrouwbaar is.
6. Vgl. Ph. Borgeaud, Recherches sur le dieu Pan (Rome 1979) 270-274. Voor stervende en rijzende goden
zie Bremmer, Hermeneus 59 (1987) 182v. Het zou de moeite waard zijn de populariteit van dit motief te
onderzoeken tegen de achtergrond van de opkomende secularisering in de 19e eeuw.
7. Orale traditie in literatuur: Bremmer, ‘Op zoek naar de Cycloop’, Hermeneus 56 (1984) 10-19; A. J.
Dekker, ‘De Huizingasprookjes van Damton’, Volkskundig Bulletin 11 (1985) 28-33. Mannhardt en zijn
volgelingen: W. Mannhardt, Wald- und Feldkulte II (Berlijn 1905
2
) 134, 149-151: A. Taylor, ‘Northern
Parallels to the Death of Pan’, Washington University Studies 10, 1 (1922) 3-102; I. M. Boberg, Sagnet om
den støre Pans dod (Uppsala 1934).
8. Voor informatie en opmerkingen dank ik de redactie van dit nummer en mijn vrienden en collegae André
Lardinois, Dirk van der Plas, Sytze Wiersma en J. Wohlleben.
127

The Two Frogs
A Fable for the Times
Into a can of milk one night
Two frogs together feil. Said Blip,
„We never can survive this slip,”
And with a groan sank out of sight.
But Blop was made of sterner stuff;
He swam around, breast-stroke or side,
And murmured, „Till I’m out of puff
I’ll battle with this milky tide.”
So well he swam that when the sun
Dawned he was happy, for h’d churned
The milk to butter as he turned,
H’d fought his battle and h’d won.
And so, content, he feil asieep
In placid slumber and profound,
While Blip within the golden deep
Lay without life, embalmed and bound.
The moral to this tale comes pat,
Reproving all poor hearts that flutter:
Keep busy and remember that
The milk of doom may turn to butter.
(Punch, May 4, 1932.)
128

Ranae
Fabula Tempestiva
Alta nocte duae ranae cecidere loquaces
In muictram panter. Protinus inde Coax
Tossumus huic numquam’ queritur ‘superesse ruinae’
Atque e conspectu multa gemens abiit.
Quaex vero, stabant solido cui robore vires,
Sulcabat lluctus pectore sive huineris
Et fremuit ‘Flatus donec me liquerit omnis,
Aequore luctabor fortiter hoc niveo’.
Desiit haud umquam placidos pulsare liquores
Et surgente novo sole beatus eraf.
Nempe iü butyrum concreta est copia lactis:
Re bene iam gesta praemia laeta tulit.
Duici declinat contentus lumina somno
Defessosque artus occupat alta quies.
At conditus et aureolo devinctus Averno
Infelix situs est exanimusque Coax.
Fabula quid doceat nimirum cuique patebit:
Ignavos animos arguit ac trepidos.
Usque instare operi nee non constare memento,
Butyrum fieri lactea posse mala.
P. H. DAMSTÉ
(1929)
129

Iets over de begrippen „menschheid”,
„menschenliefde” en „menschelijkheid”
bij de Grieken.
1
Humaniteit is klaarblijkelijk een term van Romeinsche her-
komst ; en degene die, met een Rücksichtslosigkeit tegenover den
lezer, die wij onbillijkerwijs te veel uitsluitend aan Duitsche ge-
leerden toeschrijven, een kilo-zwaar werk aan de omschrijving
van „antike Humanitat” heeft gewijd, speurde nagenoeg alleen de
velerlei schakeeringen van dit begrip na zooals Cicero het gehan-
teerd lieeft. Wilamowitz loochende het bestaan er van bij zijn
Grieken; humaniteit, meende hij, is zoo volkomen ongrieksch,
„dass die Sprache nicht einmal ein Wort dafür hat.” Misschien
alleen reeds als bijdrage tot bestrijding van de veelverbreide mis-
vatting dat, als in een taal een woord ontbreekt, bij het volk dat
haar gesproken heeft het daarmee aangeduide begrip onbekend
moet zijn geweest, scliijnt het de moeite waard de mate van juist-
heid zijner verzekering nader te onderzoeken. Hebben de Grieken
geen „menschelijkheid” gekend ?
Het is zeker dat zij, en waarschijnlijk dat zij reeds vroeg, den
kring van verplichtingen van mensch tot mensch getrokken hebben
buiten de grenzen van hun eigen staats- of volksgemeenschap,
daarmee het begrip „menschheid” ontdekkende en een zeker samen-
hoorigheidsgevoel tusschen alle menschen erkennende. Ren aanwij-
zing daarvan mag men misschien zien in het gebruik van een term,
dien wij plegen te vertalen met „naaste”, en beter weergeven met
„medemensch” : o πrλασ of o πλησiον. Hoe men zich tegenover
dezen heeft te gedragen — daarmee houdt de levenswijsheid der
oud-Grieksche, z.g. Delphische, spreuken zich veelvuldig bezig.
„Spreek geen kwaad van uw mede-mensch.” — „Zijt ge sterk, wees
dan zachthandig, want het is beter dat uw medemensch eerbied
1
Opmerkingen, uitgelokt door de lezing van het werkje van Max Mühl,
Die antike Menschheitsidee in ihrer geschichtlichen Entwicklung. Leipzig,
1928.
130

voor u heeft dan vrees.” — „Doe zelf niet wat ge in een ander af-
keurt”, luidt het menschkundige voorschrift dat zoo nauw verwant
is aan den beroemden „gouden regel” ; oude commentatoren om-
schreven o πλησiον met „quivis alius” ; een modern Duitsch ge-
leerde acht den juisten zin het best weergegeven door het Fransche
„autrui”. Toch is het voorzichtig zich af te vragen of de Griek,
wanneer hij schijnbaar zeer algemeen verplichtingen tegenover
„een ander” erkende, daarbij niet hoofdzakelijk aan zijn mede-
burgers of taalgenooten dacht; evenals de Israëliet niet het voor-
schrift „heb uw naaste lief als u zelf ” (τòν πλησiον staat ook hier
in de Septuaginta), indien hij al daarbij naast zijn volksgenooten
ook de te midden van dezen levende „gerim” op het oog had, toch
de menschen van uitheemsche taal en godsdienst uitsloot.
Een samenhoorigheidsgevoel van alle menschen, buiten den kring
van medeburgers en stamgenooten, zal men ook bij de aanhangers
van Pythagoras erkend hebben; aan hem wordt de uitspraak toe-
geschreven „alle welgezinde (σπουδαtοι) menschen zijn vrienden
van elkaar, ook al wonen zij nog zoo ver en hebben zij elkaar nooit
ontmoet”. Maar vermoedelijk heeft hij toch vooral gedacht aan
zijn sekte-genooten ; en in de talrijke stichtelijke anecdotes, die
de navolging van dit voorschrift door dezen bevestigen, zijn de
menschlievende modellen steeds Grieken.
Volkomen duidelijk uitgesproken is in onze overlevering de
overtuiging, dat het verwantschapsbesef ook niet-Grieken insluit,
door Theophrastus, in een geschrift over de ε0σrβεια, waarvan
ons belangrijke fragmenten bij den neo-platonicus Porphyrius zijn
bewaard. „Tusschen Griek en Griek, tusschen barbaros en barbaros,
tusschen alle menschen stellen wij het bestaan van verwantschap
vast”.
Indien hier nog eens aangewezen wordt dat de Grieken dus het
begrip „menschheid” hebben gekend, geschiedt dit vooral om er de
opmerking aan toe te voegen dat het woord daarvoor altijd is uit-
gebleven, — evenals overigens dit keer in het Latijn.
Uit de verwantschap van alle menschen heeft Aristoteles en zijn
school nader afgeleid het bestaan van sympathie tusschen allen.
De natuur, zoo leert hij, heeft in alle wezens van gelijke afstamming
onderlinge φιλiα ingeplant, het meest in de menschen; van daar
onze huldiging van φιλoνθρωποι. Dit woord, dat in de beschaafde
taal van de IV
e
eeuw meest in den zin van minzaam, met vaak een
nuance van „volksfreundlich” gebruikt wordt, krijgt hier voor het
eerst de beteekenis van ,,menschlievend”. (De moderne van „wel-
dadig voor armen” ontstaat eerst veel later.) Het bestaan van deze
φιλiαtusschen alle menschen (πρòσ oµοrθνουσ καi oµοφuλουσ . . . .
131

καi πρòσ πoντασ 0νθρuπουσ) wordt afgeleid uit het welbekende
feit dat de mensch geneigd is zijn naaste (τοuσ πλησiον), als die
in nood verkeert, te helpen ; hier blijkt men ondubbelzinnig onder
den naaste ook den niet-volksgenoot te begrijpen.
Naast de begrippen „menschheid*’ en „menschenliefde” treft
men duidelijke sporen in de Grieksche wereld van dat der „mensche-
lijkheid” ; en reeds in de V
e
eeuw voor Christus. „Den mensch is
het onwaardig ongeluk van menschen te bespotten” luidt een der
vele fraaie spreuken van Democritus. Sophocles gebruikt het woord
0πoνθρωποσ in den ons vertrouwden zin van „onmenschelijk”.
Tallooze malen komt de term „menschelijk” voor (het Grieksch
kent er drie woorden voor : 0νθρuπινοσ, 0νθρωπικóσ en 0νθρuπειοσ,
zoover ik heb kunnen nagaan zonder onderscheid gebruikt) in al
de schakeeringen die ook wij er van kennen ; en in den zin van
„humaan” treffen wij het althans éénmaal bij den redenaar Andoci-
des, en tweemaal bij Demosthenes aan. Het puntigst is de hooge
beteekenis van liet menschelijke in den mensch wellicht uitgedrukt
in een vaak (en in verschillende lezing) aangehaalden versregel:
uσ χαρiεν rστ' 0νθρωποσ. oταν 0νθρωποσ iι.
Zeker, een woord voor „menschelijkheid” is in het Grieksch
niet ontstaan, evenmin als voor ,,menschheid” ; maar het begrip
heeft niet ontbroken, en is geboren lang voordat wij het in het Latijn
kunnen aantreffen. Cicero laat eenmaal een zijner figuren de bede
uitspreken „si non hominis, at humanitatis rationem haberet” ;
en na hem is deze wending nog vaak gebruikt. Maar zij is niet van
hem afkomstig; reeds Aristoteles zou op een verwijt, dat hij een
aalmoes aan een onwaardige schonk, tot zijn verontschuldiging
aangevoerd hebben: ο0 τuι 0νθρuπωι rδωκα 0λλo τuι 0νθρωπiνωι.
Heeft niet Plinius met het volste recht de Grieken geroemd als
„hommes maxime hommes”?
Utrecht. H. BOLKESTEIN
(1930)
132

Inleiding
Bolkestein schrijft zijn artikel in de Hermeneus van 15 januari 1930 naar aanleiding van
een in 1928 te Leipzig verschenen ‘werkje’ van Max Mühl. Het aardige is nu dat de
Wissenschaftliche Buchgesellschaft het de moeite waard heeft gevonden het ‘werkje’:
Die antike Menschheitsidee in ihrer geschichtlichen Entwicklung. (Mit einem Nachwort
zum Neudruck), Darmstadt 1975, opnieuw uit te geven. Het ‘Nachwort’ dateert van
1972. (De in 1889 geboren auteur is in 1973, dus voor de herdruk uitkwam, overleden.)
Op de titel afgaande zou je het boekje bij voorbaat willen classificeren als een produkt
van de geestelijke situatie na de eerste wereldoorlog, maar blijkbaar had het ook na de
tweede nog voldoende actualiteit. Een eerste vraag lijkt me dus: Komt dit doordat het
geestelijk klimaat van 1928 (1930) minder verschilde van dat van omstreeks 1975 dan
men misschien zou denken? En een volgende vraag is dan: Hoe staan wij er nu in 1988
tegenover? Concreter gezegd, menen wij nog dat een teruggrijpen op opvattingen uit de
oudheid ons in ons leven iets te bieden kan hebben? Daarnaast bestaat uiteraard de
mogelijkheid dat de op de titel gebaseerde veronderstelling onjuist is of eerder dat het
boekje misschien wel specifiek voor zijn tijd is, maar toch van algemeen belang is
gebleven.
Een eerste aanzet tot beantwoording van de hier opgeworpen vragen geeft een
vergelijking van het ‘Vorwort’ van 1927 met het ‘Nachwort zum Neudruck’ uit 1972.
De aanhef van beide is veelzeggend. Ik citeer:
‘Der Weltkrieg und die auf ihn folgende Weltkatastrophe hat den denkenden Menschen
nut besonderer Eindringlichkeit die Frage nach dem Trennenden und Verbindenden im
Zusammenleben der Völkernahegelegt. (...) Die allgemeine Weltlage erzwingt immer wieder
eine Erörterung dieser Frage.’ Aldus Mühl in 1927.
‘Das Vorwort aus dem Jahre 1927 fordert ein Nachwort aus der Sicht von heute./Mit
dem Ende des Zweiten Weltkrieges begann eine neue Epoche der Menschheitsgeschichte.
Vorerst zeigte sich die Welt im Bilde einer allgemeinen Zerfahrenheit; sehr bald folgte die
Aufspaltung in zwei Machte mit Monopolgewalten, Die Möglichkeit eines Atomtodes
erlaubte nur noch den sogenannten kalten Krieg. Den trüben politischen Himmel vor Augen
waren die Menschen von Geföhlen wie Weltangst, Geworfensein gequalt, von Zweifeln an
Gott und einer Theodizee - eine Verhaltensweise, der Jean-Paul Sartre adaquaten
Ausdruck verlieh, wenn er feststellte: “Der Mensch ist eine nutzlose Leidenschaft.”(...)
Demzufolge ware der Mensch jeder sittlichen Verantwortung gegenuber allem geschichtli-
133
M. F. Fresco
Begrippen als
‘menselijkheid’
bij de Grieken

chen Tun und Werden überhoben...’ Aldus Mühl in 1972, die onmiddellijk en met klem
laat blijken dat hij deze conclusie niet accepteert. Zoals bekend mag worden
verondersteld, trekt Sartre zelf deze conclusie allerminst. Integendeel, de mens is
volgens hem gedoemd om vrij te zijn en dat houdt in dat elk mens de verantwoordelijk-
heid draagt voor alles wat er op aarde gebeurt.
Maar goed, het is duidelijk: het ‘werkje’ kan bij nader inzien een brok cultuurgeschie-
denis of geschiedenis van de filosofie in its own right blijken, de auteur ziet zijn geschrift
ook in relatie tot het tijdsgewricht. Hij antwoordt blijkbaar op mijn eerste vraag dat er in
zoverre overeenkomst is tussen de jaren twintig en de jaren zeventig als er na beide
oorlogen een crisissituatie is ontstaan, die bezinning op een essentiële waarde als de
Menschheitsidee actualiteit verleent en dat een bestudering van de opvattingen erover in
de oudheid een dergelijke bezinning kan inspireren. De tweede vraag, dus of een
dergelijk idealisme in 1988 nog mogelijk is, hoop ik straks kort te bespreken.
Der dritte Humanismus
Bolkestein begint zijn artikel met de bekende constatering dat ‘humaniteit’ een term van
Romeinse herkomst is. Dat belet hem niet ermee corresponderende begrippen als
Mensheid’, ‘mensenliefde’ en ‘menselijkheid’ bij de Grieken na te speuren en ... te
vinden. Het ontbreken van een woord dwingt niet tot de gevolgtrekking dat de gedachte
of het begrip ook ontbreekt. Dat ben ik met Bolkestein eens; dit blijkt ook uit de titel van
mijn bijdrage. Maar het ontbreken van een term kan wel een vingerwijzing ervoor zijn
dat de erbij horende gedachte minder sterk leefde. Een zekere voorzichtigheid ten
aanzien van ‘humaniteit’ bij de Grieken is dus op zijn plaats.
En Bolkestein beperkt zich tot de Grieken, anders dan Mühl. Achteraf heb ik zelfs het
gevoel dat in dit verschil een verborgen polemiek zou kunnen liggen. Immers Mühl legt
er de nadruk op dat bij de Grieken deze ideeën slechts ten dele aanwezig zijn
1
en
daartegen zou Bolkestein zich indirect kunnen keren door juist citaten uit de klassieke
tijd te geven.
Er zijn minstens twee opmerkingen van min of meer algemene strekking te maken.
Ten eerste is er een methodisch probleem, inherent aan het bedrijven van historisch en
ermee te vergelijken wetenschappelijk onderzoek. Je vindt en noemt vooral bewijs-
plaatsen die je stelling ondersteunen. Datje minder tegenvoorbeelden ontdekt dan er
zijn, lijkt psychologisch onvermijdelijk. Modern, d.w.z. Popperiaans gezegd: je bent
bezig met verificatie waar je zou moeten falsifiëren. Bolkestein ontkomt niet aan dit
risico, maar dat is binnen de bescheiden grenzen van zijn wel zeer korte en uiteraard
populair-wetenschappelijke stukje voor een tijdschrift als Hermeneus niet meer dan
normaal. Bovendien is hij toch zo ‘voorzichtig zich af te vragen of de Griek, wanneer hij
schijnbaar zeer algemeen verplichtingen tegenover “een ander” erkende, daarbij niet
hoofdzakelijk aan zijn medeburgers of taalgenooten dacht...’. Mühl is bijzonder voorzich-
tig. Hij weegt bijna steeds zorgvuldig de getuigenissen af, trekt geen voorbarige
conclusies, of hoogstens een enkele conclusie die òns nu iets teveel door idealistisch
optimisme ingegeven lijkt.
De tweede opmerking hangt ermee samen. Als ik in de inleiding overweeg of een
dergelijk boekje gezien moet worden in het licht van de culturele situatie van die tijd,
dan zal bij menigeen onmiddellijk de gedachte aan het ‘derde humanisme’ van Wemer
Jaeger opkomen. Het loont de moeite heel kort op dit ‘derde humanisme’ in te gaan, dit
te meer omdat in de tijd van de herdruk ook vrij scherpe kritiek op Jaegers ideeën was
gekomen, iets wat Mühl in zijn Nachwort niet zegt.
2
Zelfs deel I van diens grote werk Paideia was in 1927 nog niet verschenen - dat
dateert van 1933, dus ook van na Bolkesteins artikel -, maar wel had Jaeger al minstens
sedert 1914 een aantal opvallende voordrachten gehouden en als artikelen gepubli-
134

ceerd, waarin hij zijn Bildungsideal nadrukkelijk had uitgesproken. Of Mühl dit werk
van Jaeger kende toen hij ons boekje schreef weet ik niet, al acht ik het waarschijnlijk.
Hij kende en waardeerde in elk geval wel Jaegers boek over Aristoteles. Onloochenbaar
lijkt me dat er verwantschap in geestelijk klimaat is.
Men kent, veronderstel ik, Jaegers opvattingen; niettemin wil ik er even op ingaan.
3
Maar eerst een woord over de uitdrukking ‘Dritter Humanismus’. Zoals er in de tijd van
‘de’ renaissance een eerste humanisme was geweest, zo kon men de tijd van de grote
Duitse klassieken, dus met name Goethe en Schiller, als een nieuwe renaissance en als
een tweede humanisme beschouwen. In elk geval zegt Goethe zelf ergens dat zijn
Iphigenie ‘verteufelt human’ is geworden en dat is in vergelijking met het psychologisch
meerrealistische voorbeeld van Euripides’ Iphigeneia zeker waar. Een teruggrijpen op
de antieken, zoals door Jaeger (en Mühl), kan terecht een ‘Dritter Humanismus’ heten.
Te meer omdat het nu bij uitstek om waarden als menselijkheid, humaniteit gaat. Dat is
juist het onderwerp van Bolkestein (en van mij). Alleen suggereert een dergelijke
benaming telkens dat dit een werkelijk teruggrijpen is en niet eerder een projectie, die
meer eigens en nieuws bevat dan men denkt of dacht. Maar daarin bedriegt men zich
soms. Daarom was de opmerking van Goethe ook zo lucide.
Werner Jaeger keert zich tegen ‘amerikanisering’, d.w.z. tegen massificatie, het om
zich heen grijpen van de technologie, voorts tegen het heul zoeken bij Oosterse goeroes,
tegen de sfeer van Spenglers Untergang des Abendlandes. ‘Humanisme’ hanteert Jaeger
als ‘geschichtlich-übergeschichtliches Prinzip’: Er is niet alleen maar historische en
causale afhankelijkheid van de Grieken. Neen, men is zich ervan bewust geestelijk
doordrongen te worden van Griekse cultuur. De Romeinen hebben dit als eersten
verwerkelijkt: ‘Die Schöpfer und das Prototyp dieses an die Griechen unknüpfenden
Kulturideals sind die Römer, und hierin liegt ein Hauptteil ihrer Bedeutung für eine moderne
humanistische Bildung. Man versuche einmal sich vorzustellen, was Rom uns ohne die
mühevolle Selbstformung des römischen Geistes durch die griechische Bildung bedeuten
würde!’ (1925: p.20,1960: p. 112). Daarom onderscheidt hij tussen een humanisme van
de ‘Hellenen’ en een humanisme van de ‘Philhellenen’. Om dat laatste is het natuurlijk
begonnen. Humanisme, aldus Jaeger, is ‘keine vorübergehende Kulturerscheinung,
sondern ein dauerndes Aufbauprinzip der abendländischen Kultur.’ (t.a.p.). Dat de
Romeinen voorde Griekse ‘Bildung’ - ook in deze tekst al meermalen paideia genoemd
- de term humanitas hebben gemunt, acht Jaeger veelzeggend. (Men moet bedenken dat
in het Duitse ‘Bildung’ steeds twee componenten meeklinken: ‘vorming’ en ‘bescha-
ving’). Voor Jaeger is de Griekse cultuur een voortdurende inspiratiebron en stimulans
en dat rechtvaardigt de grondige bestudering van de Griekse Paideia, onderwerp en titel
van zijn driedelige magnum opus.
Bolkestein
Bolkestein geeft geen definities van de ‘begrippen’ uit zijn titel, maar het is duidelijk
genoeg waar hij op doelt. Niettemin over elke term een enkel woord:
a. Mensheid. Hierachter ligt de overtuiging dat alle mensen in beginsel gelijk of
gelijkwaardig zijn, tot één genus behoren, m.a.w. dat kleinere eenheden misschien wel
waardevoller zijn juist als het aankomt op het realiseren van de beide andere idealen uit
zijn titel, die door hun - letterlijk - globale toepassing onuitvoerbaar, want abstract, leeg
en daardoor voos worden, maar dat die kleinere eenheden, staat, gemeenschap, familie,
gezin, geen absoluut bindende, d.w.z. beperkende kracht toekomt.
b. Mensenliefde. Liefde tot de naaste. Maar wie is er mens? Wij aanvaarden de theorie
niet meer dat de mensheid tot onze eigen clan beperkt blijft, al is werkelijk liefde te
voelen voor alle mensen ook buiten de eigen kring, psychologisch gezien voor zeer
weinigen, helden en heiligen, of zelfs voor niemand weggelegd. Liefde is immers veel
135

meer dan de theoretische erkenning van iemands waarde. Ook de Bijbel, zowel het
Oude als het Nieuwe Testament, vraagt hier niet het onmogelijke. Op de beperking van
de Exodus-plaats wijst Bolkestein zelf, en wat Jezus predikt is sterk ingeperkt door het
‘gelijk Uzelf’. Wat in de Angelsaksische ethiek wel heet ‘supererogatory acts’, daden die
uitgaan boven datgene wat redelijkerwijs gevergd kan worden, wordt dan ook niet
verlangd. Maar het christendom heeft ‘de naaste’ wel degelijk universeel opgevat.
Hierbij kan de interessante kanttekening worden geplaatst dat degene die de ethiek pas
bij de ‘ander’ laat beginnen, en wel heel radicaal, de joodse filosoof Levinas is; maar die
wordt dan ook juist door veel christelijke theologen en filosofen steeds aangehaald en
bestudeerd.
c. Menselijkheid. Misschien de moeilijkste term van de drie. Bij voorzichtig gebruik als
‘medemenselijkheid’ voegt hij weinig toe aan ‘mensenliefde’. Wat Bolkestein blijkbaar
op het oog heeft, is dat de mens zichzelf als mens in pregnante zin trouw moet zijn, niet
onderde menselijke maat mag blijven: de menselijke waardigheid op onszelf toegepast.
Hier is misschien het Engelse ‘humane’ op zijn plaats, wel te onderscheiden van
‘human’. En hier ligt misschien ook een aanknopingspunt voor de ideeën en idealen van
Jaeger.
In zijn nadruk op de Grieken stemt hij in elk geval met Jaeger overeen.
Opnieuw Mühl
Waar Mühl over de Grieken spreekt, doet hij dat zeer genuanceerd. Hij laat onder een
beperkter titel dan de wel zeer lange van Bolkestein vrijwel dezelfde begrippen en
termen aan bod komen als Bolkestein, en bij hem ligt op de achtergrond van de
‘Humanität’ inderdaad de universele notie van mensheid.
Merkwaardig is echter de aanloop van Mühl (p.3 evv.): hij begint namelijk met te
wijzen op bij sommige Presocratici aanwezige opvattingen van de verbondenheid van
alles wat leeft, of zelfs van de hele kosmos. Hij denkt o.a. aan Empedokles, de
Pythagoreeërs. Ik vrees dat dit nu juist weer te veel van het goede is, want dat heeft geen
argumentatieve kracht voor zijn onderzoek naar ‘Die antike Menschheitsidee’.
Als Demokritos in een - volgens Mühl ten onrechte betwijfeld - fragment over een
wereldburgerdom voor de ‘wijze’ spreekt, dan ligt daarin niet alleen een voorbereiding
voor later denken, maar ook, en meer dan door Mühl wordt benadrukt, iets elitairs. Men
heeft later wel aan Sokrates ‘verweten’ dat hij een aristokratie door geboorte door een
aristokratie van de geest heeft vervangen en dit zou als elitair niet helemaal door de
beugel kunnen.
4
Los van dit waardeoordeel kan men constateren dat Sokrates
(469-399) of Demokritos (460-360) chronologisch niet veel verschil hoeft te maken.
Voor Mühl komen bij de Grieken zelf alleen de solisten werkelijk in aanmerking.
Want in de ‘klassieke’ tijd vindt men alleen bij hen een universele mensopvatting
waarbij de ‘barbaroi’ niet op een lager niveau worden geplaatst of zelfs geheel
uitgesloten.
Maar de sofisten werden en worden vaak niet representatief geacht voor het
Hellenendom. Zij keerden zich immers tegen gevestigde waarden en tradities. Daarmee
kwamen de sofisten als leermeesters in de welsprekendheid wel tegemoet aan de
wensen van op carrière beluste jongelieden, maar hun gemakkelijk tot relativisme uit te
werken opvattingen leidden soms tot kwalijke praktijken. Standaardvoorbeelden zijn
Alkibiades en Kritias. Dat waren echter mensen uit de omgeving van Sokrates; het is
best mogelijk dat de slechte naam die vooral Plato de sofisten heeft bezorgd, te wijten is
aan diens streven het blazoen van Sokrates vooral zuiver te houden. Men zou zeker
sommigen onder hen onrecht doen door Plato (en Aristoteles en anderen) klakkeloos te
volgen. Er is dan ook sedert de negentiende eeuw meermalen een poging tot eerherstel
136

geweest. Ook met betrekking tot ons eigen onderwerp is er vanuit modem perspectief
weinig reden op de sofisten neer te zien.
Men kan in de eerste plaats wijzen op de bekende uitspraak van Hippias dat
verschillen tussen mensen alleen op conventie (nomos) berusten, niet van nature
gegeven zijn. Dit wordt hem door Plato in de Protagoras (337) in de mond gelegd.
Overigens wordt ook door Hippias daar meer een universalistisch standpunt geïmpli-
ceerd dan dat het insluiten van niet-Grieken expliciet wordt benadrukt. Plato benadert
juist Hippias steeds zeer ironisch, maar dat kan buiten beschouwing blijven, want hoe
serieus wij een uitspraak van Hippias bij Plato mogen nemen, hangt niet af van de vraag
of Plato dat zelf deed, zelfs niet daarvan of Plato eventueel hem iets laat zeggen dat hij
zo nooit gezegd heeft. Het is voldoende dat een dergelijke uitspraak klaarblijkelijk in
het sofistische klimaat paste. De kans is groot dat Plato deze passage polemisch heeft
bedoeld, want hij hanteert zelf ten aanzien van dit probleem de in die tijd zo belangrijke
tegenstelling tussen nomôi (volgens conventie enz.) en physei (van nature) precies
andersom; zie beneden. Deze preciseringen zijn niet van Mühl, maar van mij.
Zelfs kosmopolitisch ingestelde lieden, te beginnen bij Antisthenes, de voorloper of
vader van de Cynici, zijn individualistisch gericht, aldus Mühl; minder vriendelijk
gezegd: zij zoeken in feite alleen zichzelf; en m.i. terecht laat hij ze buiten de door hem
gezochte conceptie van universele menselijkheid vallen. Menselijkheid, in een gangbare
zin - zie boven - tegenwoordig medemenselijkheid of solidariteit genoemd en al enkele
eeuwen broederschap, kan men natuurlijk ook in eigen beperkte kring beoefenen; ja,
wil men daadwerkelijk iets bereiken, dan moet dat haast wel. Daarop doelde ik zojuist.
Het gaat nu evenwel om het principe, om de antropologische conceptie en die eist
tegenwoordig universaliteit. Denk maar aan de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens. Daarom hanteert ook Mühl dit criterium van wereldburgerdom alleen
universalistisch.
De groten zoals Plato en Aristoteles blijven gebonden aan een beperkte opvatting van
de burgergemeenschap, de polis. Zij willen dan nog wel hun ‘mensenliefde’ tot alle
‘Hellenen’ uitbreiden, maar voor hen blijven de barbaroi van nature vijanden, aldus
letterlijk Plato (Politeia 470). Daarom verwijt Mühl hun juist hun gebrek aan
universaliteit en bevindt hij ze onderde moderne maat. Zij voldoen niet aan zijn (en ons)
criterium. Mühl wil nog wel zeggen dat bij beiden een kiem voor de later universalisti-
sche gedachte van verbondenheid tussen alle mensen aanwezig is (p.23 evv.). Dat lijkt
me eigenlijk wat idealistisch, maar misschien is het wel van een historisch gezichtspunt
uit gezien niet zonder meer onjuist. Mühls argument is vooral dat Plato en Aristoteles
zich keren tegen de ‘Idee der Gewalt und Macht’ (p.23, 27). In elk geval zie ik in
dergelijke passages juist verwantschap met Jaeger.
Maar op p.35 evv. spreekt Mühl overlsokrates(436-338)en diens invloed op lateren
als de historicus Ephoros. Vindt men bij Isokrates, die immers ook in ander verband
algemeen als leerling een voortzetter van de sofisten bekend is, dan toch al een
universele mensheidsgedachte? Als we ervan afzien dat hij de van Plato geciteerde,
typisch etnocentrische formule dat de barbaroi en de Grieken van nature vijanden zijn
ook een enkele keer gebruikt (o.a. Panegyricus 184), dan is het antwoord: jazeker. Alleen
hij doet het op een uitgesproken etnocentrische manier: zijn uitgangspunt is dat de
Griekse cultuur (uiteraard staat er paideia in het Grieks) superieur is, maar ook de
barbaroi zijn er volgens hem voor ontvankelijk, want ook zij zijn mensen. Als hij de
oorlogszuchtige plannen van Philippos van Macedonië ten opzichte van Perzië steunt,
zoals ze door diens zoon, Alexander de Grote, verwezenlijkt zullen worden, dan ziet hij
dit mede als gerechtvaardigd cultuurimperialisme: de Griekse paideia kan zo naar de
barbaroi worden gebracht, die daarna ook bellenen’ kunnen heten. Dit is heel anders
dan de waardering voor de cultuur van andere volken, zoals wij die herhaaldelijk bij
Herodotos aantreffen. Zou Herodotos, deze navorser van de grote botsingen tussen
137

Hellenen en barbaroi, misschien enigszins verholen al een goed voorbeeld zijn geweest
van een ‘Menschheitsidee’, zoals Mühl en Bolkestein zoeken? Mühl noemt de ‘vader der
geschiedenis’ maar eenmaal en terloops (p.8), maar hij lijkt deze kijk op Herodotos wel
te delen.
Het meest essentiële dat we uit de beschouwingen van Mühl in het eerste deel van zijn
boekje, zolang hij over de Grieken spreekt, kunnen halen, is in feite dat we hier en daar
voorlopers vinden van wat later, in de Hellenistische tijd, met name in de Stoa, en bij
Romeinen als Cicero tot rijpheid is gekomen. Het is, aldus de auteur, een probleem om
wereldburgerdom met de ‘Staatsgedanke’ tot een synthese te brengen, een probleem dat
door de Stoa pas na enige eeuwen is opgelost.
Slot
Als wij willen samenvatten en conclusies trekken, dan moeten m.i. drie dingen aan de
orde komen, het artikel van Bolkestein, de waarde van Mühls boekje en de ideeën van
het ‘derde humanisme’ in het licht van het heden.
Welnu, mocht Bolkesteins opzet zijn geweest, eventueel als steun voor Jaegers
ideeën, een oproep te doen: Kijk naar de Grieken, dan acht ik die opzet, alleen al met het
‘werkje’ van Mühl in de hand, niet werkelijk geslaagd. Nog afgezien daarvan dat een
beroep op onze geestelijke voorouders niet doorslaggevend is. Wij zien daarin niet meer
zo’n krachtig argument. Maar dat heeft te maken met het verschil in perspectief tussen
anno 1930 en anno 1988.
Ten tweede, Mühls boekje acht ik een wetenschappelijk waardevolle bijdrage in its
own right. Dat geldt ook voor het hier niet besproken vervolg. Het is zeer zorgvuldig en
weloverwogen geschreven en nog steeds lezenswaard. Het is zeer we1 mogelijk dat een
oudhistoricus vanuit zijn vakkennis er detailkritiek op heeft; die heb ik, hoewel geen
Specialist op dit terrein, ook wel eens, maar niet van betekenis. Hoe dan ook, naar mijn
mening doet het feit dat het vanuit een door de eigen tijd bepaalde idealistische
gedrevenheid is geschreven, geen afbreuk aan de wetenschappelijke kwaliteiten
ervan.
Sterker, deze achtergrond heeft zijn actualiteit nog niet verloren. Het is kenmerkend
dat het in noot 1 vermelde artikel uit het Historische Wörterbuch der Philosophie met een
korte bespreking van de opvattingen van Mühls beruchte tijdgenoot, de conservatief en
latere nazi Carl Schmitt eindigt. Ook in recente discussies van politicologen en filosofen
duikt Schmitt telkens op als nog van belang. De confrontatie tussen conservatieven en
anderen in de Weimarer Republik heeft grotere actualiteit dan ons misschien wel lief is.
Ook het werk van mensen als Freyer (vooral zijn boek over Der objektive Geist) wordt
nog steeds actueel geacht; ja, in oktober 1987 is er te Amsterdam door A. Bodar een
proefschrift verdedigd over iemand uit Freyers conservatieve kring, André Jolles, van
huis uit Nederlander en vriend van Huizinga, maar in 1933 een Duitse nazi. Wij zijn
dergelijke spoken uit het verleden nog niet kwijt en zij lijken weinig op Goethes
‘schwankende Gestalten’ (Zueignung bij de Faust uit 1797).
Daarmee zijn wij intussen bij het derde punt gekomen. Wat hebben Jaegers ideeën en
idealen ons nog te bieden? Als wij naar Duitsland kijken, constateren wij dat het derde
humanisme nog steeds van belang zou zijn als tegenwicht tegen de geest van Freyer en
Schmitt. Kijken wij naar Frankrijk, dan zien wij weliswaar dat in 1944 Sartre zijn
existentialisme een humanisme heeft genoemd, maar hij heeft dit niet volgehouden.
Bovendien is het existentialisme daar allang door allerlei anti-humanistische stromin-
gen afgelost. Daarvan waren tot voor kort de tegen hun wil onder de benaming
‘structuralisten’ samengevatte denkers het belangrijkst, met name M. Foucault. Deze
beschouwt o.a. in het bekende Les mots et les choses (1966) de mens als een recente, al
vrijwel weer achterhaalde uitvinding. Doet nu het feit dat een idealistische en
138

humanistische mensopvatting door Foucault en de zijnen radicaal wordt afgewezen
afbreuk aan de actualiteit van Jaegers ideeën? Misschien, dat hangt af van de juistheid
van de waardevolle, maar niet onbetwistbare structuralistische opvattingen in het
algemeen en vooral van de vraag of dat anti-humanisme een dwingende consequentie is
van Foucaults opvattingen. Dat betwijfel ik ten zeerste. Men kan met deze en andere
Franse stromingen meegaan voorzover zij behoeden voor een te hoog inschatten van de
feitelijke betekenis en invloed van individuele mensen; aan de idealen a la Jaeger hoeft
dat niet af te doen.
En kijken we naar de Verenigde Staten, dan springt het daar nog steeds levende
‘behaviorisme’ in het oog. Humanistische idealen als ‘Freedom and Dignity’ worden
door iemand als Skinner op de schroothoop geveegd, maar daarop is dan ook weer een
felle reactie gekomen, van Chomsky met name; ook anderen blijven humanistische
mensopvattingen hooghouden.
Maar doen de terughoudende conclusies bij Mühl (en in mijn artikeltje nog sterker)
ten aanzien van de universaliteit van de ‘mensheidsidee’ bij de Grieken afbreuk aan wat
Jaeger wil? Ik waag het te betwijfelen. Terug naar de Grieken’, en zeker: ‘terug naar de
klassieke oudheid’ zijn leuzen die het op dit moment slecht doen. Maar dat zou meer
tegen onze tijd, onze cultuur kunnen pleiten dan tegen de leuzen. Bovendien deze
‘querelles des anciens et des modernes’ worden altijd door de ‘anciens’ verloren, maar
dat heeft nooit een ‘renaissance’ belet. De Griekse erfenis is polyinterpretabel genoeg.
Hoe verschillend men de accenten ook kan leggen vanwege de eigen situatie,
uiteindelijk is datgene waarop het, als wij op Jaeger willen voortbouwen - zoals hij dat
zelf in zijn lange leven mutatis mutandis ook zelf heeft gedaan -, aankomt dit: onze
ontmoeting of confrontatie met de Grieken kan telkens weer, zelfs als het geen sluitende
argumentatie biedt, een stimulans, ja een ferment zijn, een steun om wat Spenglers
optimistischer voortzetter A. Toynbee een uitdaging heeft genoemd adequaat te
beantwoorden.
Noten
1. Daarin stemt Mühl overeen met moderne opvattingen, die inhouden datje ze voor Isokrates (436-338)
eigenlijk niet vindt Zie het begin van het lemma ‘Menschheit’ in J. Ritter e.a. (Hrg.), Historisches
Wörterbuch der Philosophie: ‘...erst mit Isokrates entsteht die Vorstellung eines gemeinschaftlichen Wesens
der Menschen...’ (Deel 5, Sp. 1128). Op Isokrates ga ik straks nog even in.
2. Zie ook Hans Oppermann (Hrg.), Humanismus, (Wege der Forschung XVII), Darmstadt 1970, al valt
juist in dit boek die kritiek eigenlijk best mee.
3. Daarbij baseer ik me vooral op zijn lezing Antike und Humanismus uit 1925, dus recent toen Mühl
schreef. Later opgenomen in W. Jaeger, Humanistische Reden und Vorträge, Berlin 1960 (tweede sterk
vermeerderde druk), pp. 103-l 16.
4. Vgl. o.a. H. C. Baldry, ‘The Idea of the Unity of Mankind’ in Grecs et barbares, Entretiens Hardt 5(1962),
p. 178, geciteerd in M. F. Fresco, “Deugd”-opvattingen door de oudheid heen’ in Wijsgerig Perspectief 22
(mei 1982), p.126.
139

IK TRACHT OP POËTISCHE WIJZE
ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen
ware ik geen mens geweest
gelijk aan menigte mensen
maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
zou niet zo bevuild zijn
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
die momentopnamen zijn van die weg
in deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum
niet meer alleen het kwade
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
morrelen
ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht
Lucebert
140
MORE POETICO
more poetico
id est
subtilitate aquarum illustrium
totius vitae spatium
exprimere studeo
si non homo fuissem
similis multitudini hominum
sin essem qui fuerim
angelus saxeus fluidusve
nee ortus neque tabes me tetigisset
nee iter e solitudine in communitatem
iter saxeum saxeum animale animale volucre volucre
tam pollutum esset
quam meis videatur in carminibus
quae lineamenta simt illius itineris
in hoc tempore quae dicta est
pulchritudo pulchritudo faciem habet adustam
nee iam homines consolatur
vermes reptiles mures consolatur
sed hominem terret
et tangit certiorem factum
eum miculam esse in toga universi
nec iam malum modo
plaga letalis nos suscitat sedatve
sed bonum quoque
complexus iubet nos spatium desperate
scabere
ergo linguam
ego quaesivi in pulchritudine
turn audivi illam nil humanius habere
quam haesitantias umbrae
et iubaris exsurdantis
Paul Claes
141
Nederlandsche dichters
VIII.
KLOOS EN DE KLASSIEKEN
Van het begaafde stel studenten, dat in de jaren van tachtig in
Amsterdam in de klassieke letteren studeerde, was Willem Kloos de-
gene, wiens beteekenis voor onze literatuur het grootst zou blijken.
Reeds toen hadden zijn denkbeelden over poëzie zich ontwikkeld in
de richting, die evenzeer door zijn scherpzinnige en geestige kritieken
als door het voorbeeld van den scheppenden kunstenaar en den in-
vloed van zijn persoonlijkheid de overheerschende werd. Nog vóór
zijn candidaatsexamen (Juni 1884) was zijn Inleiding voor Perk’s
gedichten verschenen, waarin voor het eerst het evangelie van de
nieuwe poëzie was verkondigd, en Hein Boeken, aan wiens artikel
in de Historische Aflevering van de Nieuwe Gids (October 1925)
ik deze bijzonderheden ontleen, vertelt, hoe de eerste vraag van
den hoogleeraar in de philosophie Bellaar Spruyt dit geschrift
betrof; met den volgenden examinator, den Graecus Naber, wiens
college hij niet gevolgd had, was de verhouding eenigszins gespan-
nen; niettemin was de uitslag van het examen gunstig. Met het
behalen van den graad van candidaat houdt de relatie van Kloos
met de universiteit op.
Voor de hoofdzakelijk op tekstcritiek gerichte philologie van zijn
dagen had hij geen sympathie, al gelooven wij graag, dat de jonge
dichter de antithese scherper gevoeld zal hebben, dan zij behoefde
te zijn. * Nooit echter heeft hij zich bedrogen gevoeld door het
voorgevoel, waar Boeken van gewaagt, „dat daar in de Oudheid
iets te vinden is voor den wordenden dichter, wat hij elders tever-
geefs zou zoeken.” In de bijna vijftig jaren, die hij nadien al dichtend,
critiseerend, studeerend als nimmer rustend literair fijnproever
heeft gearbeid, keerde hij telkens weer terug tot de Grieksche en
* Over de teleurstelling, die de studie aan de universiteit hem bracht,
sprak Kloos zich uit in de kritiek op ,,Lina Schneider’s Frauengestalten der
Griechischen Sage und Dichtung”, geschreven in Februari 1880, Nieuwere
Literatuurgeschiedenis I blz. 42 vlgg.
142

Latijnsche schrijvers, van wie vooral de eerste zijn liefde hadden.
Wie nu zou meenen, dat de lectuur der Grieksche dichters meer
uit een intuïtief genieten dan een grondige bestudeering van den
tekst bestond, zooals dat bij den jongen Goethe het geval was,
komt telkens bedrogen uit; tallooze opmerkingen in Kloos’ critieken
en studiën, van den vroegsten tot den laatsten tijd, bewijzen het
tegendeel, en zelfs de tekstcritiek blijkt niet vergeten te worden;
men leze b.v. de bespreking van Burgersdijk’s vertaling van
Aeschylus’ Prometheus (Nieuwere Literatuurgeschiedenis I blz. 53
vlgg.) van 1880 en de Inleiding der vertaling van Kuripides’
Alcestis van 1920. De dichter, de criticus en de philoloog reiken
hier elkaar de hand; in het volle besef van zijn deskundigheid kon
hij dan ook van Vosmaer, die zoozeer den nadruk legde op het
Helleensche element in zijn kunst, zeggen, dat zijn kennis van de
Grieken niet reëel en niet grondig was en dat zijn klassicisme een
sympathiseeren niet enkele onderdeelen was, en die nog gezien
door zijn modern sentiment (N. L. II blz. 216).
Het spreekt vanzelf, dat het vooral de Grieksche dichters uit den
klassieken tijd waren, die den jongen Kloos aantrokken. Hier vond
hij het ideaal verwezenlijkt, dat hem voorzweefde: een „poëzie,
voor alles plastisch, voor het oor niet minder dan voor het oog,
in uitdrukking, zoowel als in rhythmus” (Jacques Perk, in de
N. L. I blz. 22; geschreven in 1882). Deze trof hij aan bij de groote
Engelschen en de groote Italianen, Goethe en de Ouden; „doch
Hellas had dit op ons voor, dat zijn verbeelding, frisch en klaar
in den morgen des levens, iedere uiting der ziel, scherp en toch
zacht als de trekken zijner munt, vol maar vast als de beelden zijner
tempels, vermocht te graveeren en te beitelen in de taal, die,
naar verlangen, hard als het marmer zijner groeven, of, als de
honing zijner bergen, vloeibaar kon zijn.” De verheerlijking van
het sonnet als versvorm voor de modernen wordt hierop gebaseerd,
dat het in plastische harmonie en architectonische schoonheid de
„ruischende koren der Grieken” het meest nabij komt; iets verder
worden in dit verband Sophocles en Pindarus genoemd. Hoe hoog
Kloos den eerste stelde, kan nog blijken uit een opmerking in een
vermaarde critiek, die op Schaepman’s in 1886 verschenen Aya Sofia
(N. L. II blz. 1): „Als Sophokles’ Antigone heengaande klaagt, dat
de roem haar beloofd, haar als hoon in de ooren klinkt, dan rilt nog
de negentiende-eeuwer op zijn stoel, zoo intens als de stemming is.”
In den loop der jaren is Kloos de Grieksche dichtkunst ook in
haar andere uitingen gaan waardeeren. In de eerste plaats kreeg
Euripides zijn liefde; het is niet meer de hooge poëtische schoonheid,
die hem treft, maar de voor alle tijden geldende waarheid en
143

menschelijkheid van de karakters, die Kuripides teekent; m de
reeds genoemde Inleiding op de Alkestis vindt men dit uitvoerig
uiteengezet. Zelfs wil het ons schijnen, alsof Aeschylus en Sophocles
bij Euripides achtergesteld worden, als Kloos op blz. XI en XII
nagaat, hoe de drie tragici zich gevoeld zouden hebben, als zij in
de moderne wereld verplaatst waren; de beide eerste, „nog heele-
maal bevangen in de ouderwetsche mythologische voorstellingen en
begrippen, die zij diep voelden en waarvan zij dus magnifieke
kunst maakten”, zouden zich hier geheel misplaatst voelen en zoo
snel mogelijk weer naar den Hades weggevlucht zijn; maar Euripides
zou „glimlachend naast ons, 20
e
eeuwers, staan blijvend”, van
hen zeggen: „och, die daar weg-gaan, waren menschen van mijn
oude Hellas, uitsluitend van Hellas, maar geen echte wereldburgers
van alle tijden zooals gij en ik.” Uit de vertaling zelf blijkt, hoe goed
Kloos in de sfeer van dit moeielijk aan te voelen stuk is door-
gedrongen. Hoe knap is het burleske optreden van Heracles weer-
gegeven, wanneer hij zich in het in rouw gedompelde paleis van
Admetus te goed heeft gedaan en zich tot den geéïgeiden dienaar
richt (blz. 32; vs. 773 vlgg.):
Wel zoo, wat kijk jij somber en nadenkhjk, zeg?
Tegen een gastvriend doet men niet als bullebak,
Neen, hartelijk uitnoodigend ontvangt men hem!
Maar jij, als jij een vriend des huizes komen ziet,
Wacht hem zuur-stroefjes met een fronsend voorhoofd af,
Als ging dat ongelukje-in-huis je heel erg aan.
Komaan, ik zal je mores leeren . . . . . Dichterbij!
Heel anders is de stemming, die de vertaler gevoeld en weer-
gegeven heeft in het prachtige koorlied 'Εγu καi διo µοuσασ (962
vlgg.; blz. 39):
Ik drong door in de Dichtkunst,
En hoog-denkend ook peinsde ik.
Doch ook werkte ik in wetenschap,
Maar niets sterkers dan ’t Noodlot
Vond ik, zelfs niet een heulkruid op
Thracische tafelen, waar
Orpheus’ zangstem verschijnen
Deed hen, noch ook wat Phoibos aan
Heelende middlen gaf ooit
Willend hij het veelgeplaagd
Sterflijk geslacht ten baat zijn.
Èn de woorden èn het metrum (de voor ons zoo lastige glyconeeën
en verwante verzen) geven den indruk, dien het Grieksch maakt,
144

zoo goed weer, als dat in onze taal mogelijk is.
De vergelijking tusschen de Iphigenia Taurica van Euripides en
die van Goethe blijkt voor Kloos ten voordeele van den antieken
dichter uit te vallen; toegegeven, dat de gedachtenwereld van den
Duitschen dichter, diens zijns ondanks „echt-christelijke verdiept-
heid van levensinzicht”, ons nader staat, toch moet erkend worden,
dat zijn stuk „als volmaaktlijk-plastisch geschreven dichtwerk
beschouwd, van een eenigszins lagere orde dan het tooneelstuk
van Euripides moet worden geacht” (blz. XLVII).
Tenslotte wijst de hooge waardeering van de Hellenistische
poëzie, vooral van Callimachus en Hermesianax (blz. XXIV vlgg.),
op de ruimheid van blik, waarmede Kloos, niet stilstaand bij het
geijkte oordeel der neo-humanisten, de Grieksche poëzie bestudeerd
heeft.
Tegenover de Latijnsche dichtkunst stond Kloos van het begin
af aan veel minder sympathiek; bij zijn heftigen strijd tegen den
rhetorischen stijl onzer vroegere poëzie moesten de Romeinsche
poëeten hem, wellicht meer dan in waarheid het geval is, geen echte
dichters voorkomen, maar rhetoren op maat. In den loop der jaren
kwam hij tot de erkenning, dat deze stelling, die nog steeds niet
uit de wereld is, in haar algemeenheid niet opgaat. In de reeds vaker
aangehaalde Inleiding op de Alkestis noemt hij de diepe vereering,
die de ernstige Propertius, een groot en echt kunstenaar, voor
Callimachus koesterde, als een bewijs, dat deze een uitnemend
dichter moet geweest zijn. Hoezeer de geheimzinnige betoovering,
die van Virgilius’ hexameters uitgaat, hem getroffen heeft, bewijst
het sonnet „Vergilius” (blz. 335 van den 3en bundel „Verzen”),
waarvan ik de quatrijnen citeer:
Vergilius te lezen, Liefste! is dwalen
Door hooge en staatge galerijen, lang
Zich strekkend, waar dan, plotsling, stil en bang
Te voorschijn schietend uit verborgen zalen,
Een bleek gelaat komt harmonieus verhalen,
Met stem uitbarstend soms in vreemd gezang,
Van hoogheid en van leed, of door een gang,
Een lange gang, een klacht ging honderd malen.
Dat tenslotte Kloos in zijn oorspronkelijke dichterlijke productie
beïnvloed is door de Grieken, is van algemeene bekendheid. De
dramatische stukken „Rhodopis” en „Sappho” zijn, evenals het
epische stuk „Okeanos”, fragment gebleven; niettemin vormen
zij een gewichtig bestanddeel van Kloos’ poëzie. Wij bewonderen de
statige schoonheid der regels van „Okeanos”, die niet onderdoen
145

voor die van Keats’ „Hyperion”; wij constateeren tevens, dat de
dichter niet slaafs in den geest der antieken schreef. Zijn Rhodopis,
die, het leven van louter zingenot moede, wijn versmaadt en water
vraagt, zijn Zeus, die zich afvraagt
Wee, hebben menschen dan een goden-ziel,
En kunnen goden slechts rampzalig zijn?
zouden door geen Griek zoo gezien zijn: Als bij alle werkelijke
dichters heeft bij Kloos de klassieke literatuur inspiratie gegeven,
zij bleef voor hem niet een uiterlijke tooi.
Rotterdam. W. J. W. KOSTER
(1932)
146
Inleiding
In 1932, toen W. J. W. Koster zijn van grote bewondering getuigende artikel over Willem
Kloos schreef, was de toen 73-jarige leider van De Nieuwe Gids een levende legende.
Dat hij al jaren voortbouwde aan een vrijwel onuitputtelijke serie ronduit matige
sonnetten, ‘Binnengedachten’, en een eindeloze reeks zeer breedsprakige kritieken (die
hij bundelde in meer dan twintig delen Nieuwere literatuurgeschiedenis), vermocht niets
af te doen aan zijn roem, die hij verworven had met de honderd bladzijden poëzie en de
driehonderd pagina’s kritisch proza, die hij in zijn jeugd geschreven had. Minder
getalenteerden probeerden met zorgvuldige nabootsingen van zijn sonnetten uit de
jaren tachtig de Helikon te beklimmen. Ook de academische wereld, waartegen Kloos
als jonge student had stormgelopen, erkende hem nu als een absolute literaire grootheid.
Na het verschijnen van de ‘hagiografie’ van de gezaghebbende Neerlandicus K. H. de
Raaf: Willem Kloos: De Mensch, de Dichter, de Kriticus (Velsen 1934), werd de oude
‘geluidgod’ (Gorter) in 1935 in de aula van de Universiteit van Amsterdam tot eredoctor
in de letteren benoemd. Toen Kloos op 30 maart 1938 voorgoed de door velen
gememoreerde blauwe ogen sloot, maakte een stroom van herdenkingsartikelen en dito
gedichten duidelijk, dat volgens de communis opinio met hem de grootste dichter uit de
contemporaine Nederlandse letterkunde was heengegaan.
Na de oorlog viel, vooral door de publicatie door G. H. ‘s-Gravesande van talrijke
brieven en documenten van de voormannen van de De Nieuwe Gids, Kloos voor velen
van het voetstuk, waarop hij door zijn bewonderaars, waartoe hij niet in laatste plaats
zelf behoorde, was geplaatst. Uit ’s-Gravesandes materiaal kwam hij naar voren als een
alcoholicus, een machtswellusteling en een pathologische leugenaar. Geleidelijk werd
ook duidelijk, dat hij zijn befaamde oudste liefdesgedichten voor steeds weer andere
vrienden (Jan Beckering, Jacques Perk, Albert Verwey, Jan Veth) had geschreven en
later had geprobeerd alle sporen die naar een homoërotische basis verwezen uit te
wissen.
Voor zijn trouw gebleven lezers waren deze onthullingen nogal schokkend. Een
jongere generatie, grootgebracht met Forum of inmiddels in de ban van een nieuwe
‘beweging’, die van Vijftig, was geheel vervreemd van het schoonheidsideaal en het
archaïsch aandoende idioom van Tachtig. Slechts enkelen probeerden met de
presentatie van nieuwe gegevens over de biografische achtergronden van Kloos’
jeugdwerk de belangstelling daarvoor te wekken. Veel succes hadden zij niet. In de
jaren zestig en zeventig wilde de literatuurkritiek van een dergelijke ‘personalistische’
147
R. Th. van der Paardt
De ‘Griekse
beginselen’
van
Willem Kloos

148
foto van Willem Kloos in 1894, gemaakt door Willem Witsen (bezit Lett. Mus.)

benadering van poëzie niets weten. Met de waardering voor de persoon Kloos leek ook
die voor zijn werk verdwenen.
Pas de laatste jaren is er sprake van een opleving in de Kloos-reading: men kan niet
zeggen dat hij allerwegen weer wordt gelezen, maar wel dat er belangwekkende studies
vanuit nieuw perspectief over hem zijn geschreven. De belangrijkste vraagstelling in
het huidige onderzoek lijkt die naar de filosofische of levensbeschouwelijke achter-
grond van Kloos’ poëzie, niet zozeer van zijn evident bespiegelende ‘Binnengedachten’,
als wel van zijn lyrische en dramatische jeugdwerk, waarvan men de ideeënlaag in het
algemeen te weinig heeft onderkend. De belangrijkste Kloos-publicist van het ogenblik,
de Neerlandicus P. Krak, schrijft in een recent overzichtsartikel hierover het volgende:
‘Juist deze kant van Kloos’ dichterschap is nogal verwaarloosd: hij geldt als te particulier, te
individualistisch, te ‘gedachtenloos’. Men hoeft zich echter niet eens zo grondig in zijn werk
te verdiepen om te ontdekken, dat dit een misvatting is. Zo rond 1879 had hij zich een
filosofie eigen gemaakt, die hij in grote trekken aan zijn leermeester Doorenbos ontleend
had en die hij de Griekse levensbeschouwing noemde. Zijn dramatische fragment Rhodopis
getuigt ervan.’ Ik wil in dit artikeltje de vraag centraal stellen wat die Griekse
levensbeschouwing dan inhield - geen eenvoudige vraag, want het antwoord is door het
fragmentarische karakter van het stuk niet zonder meer uit de tekst te destilleren. Ik zal
een beroep moeten doen op externe gegevens: bronnen, ander werk van Kloos,
biografische feiten. Om te beginnen eerst een samenvatting van het fragment, in mei
1880 in het tijdschrift Nederland verschenen als eerste proeve van Kloos’ dichterlijk
talent.
Samenvatting Rhodopis
De tekst van Kloos’ drama, zesentwintig pagina’s in de bekende bloemlezing van Harry
G. M. Prick (1980), is te verdelen in vier eenheden, scènes zo men wil. In de eerste
worden wij geconfronteerd met de Griekse hetaere Rhodopis, die in Egypte een fortuin
heeft vergaard, maar op een keerpunt in haar leven is gekomen. Zij wil met haar
verleden breken; wil reinheid, licht en rust, prefereert water boven wijn. Haar vriendin
Myrrha verzekert haar dat geen sterveling aan de almacht der zinnen ontkomt: ‘Neen,
nimmer meer laat gij, o lokkende Kupris, den eenmaal-geketenden mensch uit uw macht’
Rhodopis wil in wanhoop een einde aan haar leven maken en heeft daartoe al een dolk
getrokken. Dan arriveert ‘een Griekse krijgsman’, in dienst van Charaxes van Samos,
Rhodopis’ minnaar, die haar raadt te vluchten voor de vijand. Rhodopis begrijpt dat haar
minnaar nog leeft en dat zijn gedachten nog steeds naar haar uitgaan. Zij gaat met de
soldaat mee, een ongewisse toekomst tegemoet. Gezien het ‘Voorbericht’ - waarover
straks - heeft het in de bedoeling van Kloos gelegen een ontmoeting tussen Charaxes en
Rhodopis later te presenteren.
Wanneer de soldaat en Rhodopis zijn verdwenen, treedt Mylitta, de zoogzuster van
Rhodopis, op de voorgrond (derde scène). Zij beklaagt deze om het toegeven aan blinde
lust, al heeft zij ook duidelijk zelf onvrede met het eigen bestaan. Uit de op de monoloog
van Mylitta volgende stichomythie tussen Myrrha en Mylitta komt beider levensbe-
schouwing verder tot uitdrukking. Myrrha zoekt de roes der zinnen, die alle lijden sust;
Mylitta kiest voor de geest, die ‘eindloos’ is. Het koor, dat na hun dialoog optreedt
(vierde scène) is op hand van Myrrha. Het gaat ‘allengskens over tot dans, die gestadig in
hartstocht toeneemt’ en vermengt zich met het volk. Lust wordt geloofd, goden bespot.
Een opkomend priester wordt tot dansen gedwongen; hij waarschuwt in heftige
woorden voor de gevolgen van dit bacchanaal, maar het volk volhardt in ‘wellustig
dansen’. Dan grijpt Zeus in, met donder en bliksem, totdat de menigte om genade
smeekt, in pure doodsangst. ‘Wij kruipen, wij kruipen’ roepen volk en koor. Met deze
totale onderwerping, aan de priester en de goden, eindigt het fragment.
149

Kloos over Rhodopis: bronnen en intentie
Hoe kwam Kloos aan de stof voor dit drama? Daarover heeft hij ons zelf ingelicht,
onder meer in een herdenkingsartikel over zijn leermeester, de classicus Willem
Doorenbos, die hem in 1878/’79 opleidde voor het staatsexamen. In die tijd las hij,
behalve de voorgeschreven klassieke auteurs, vooral in het befaamde boek van Georg
Grote, History of Greece (de uittreksels die Kloos maakte van de twaalf delen van dit
werk zijn bewaard). Op een gegeven ogenblik vertelt Kloos, ‘begon ik mij (...) plotseling
een beetje vreemd te voelen, en schreef ik a l’improviste, (zoals mij dat ook later met al mijn
verzen is blijven gaan) dat resultaatje van mijn sympathie voor die verre Griekse oudheid,
onderdoor het onnozele gebabbel over daagse dingen in de niet grote huiskamer, waar ik als
achttienjarige jongen gedwongen was, te zitten, zonder dat ik ooit meer dan een
noodzakelijk woord zes of zeven even zeggen mocht.’ Kloos vertelt dan verder hoe
Doorenbos dit ‘dramatisch stukje wezenlijk niet kwaad’ vond, het opstuurde naar De
Gids ; het van de redactie terug kreeg als ‘ongeschikt’, het vervolgens naar Nederland
stuurde - waarvan hij de secretaris, Schimmel, goed kende - welk tijdschrift het wel, en
met genoegen, opnam.
Twee zaken zijn hier vooral van belang. Ten eerste geeft Kloos hier de ‘bron’ van zijn
fragment; via Grote komen we uit bij Herodotus II 134/5, waar over Rhodopis (een
bijnaam overigens) wordt gezegd dat zij met het door haar verworven fortuin een
pyramide had laten bouwen. Ten tweede onderstreept hij hier zijn ontwaakte liefde voor
de Griekse oudheid - een liefde, die uiteraard door zijn leermeester was gevoed.
Wat de jonge dichter in zijn drama had willen uitdrukken, heeft hij zelf in een
‘Voorbericht’ aangegeven. Het ging hem om drie levensbeschouwingen, waarvan de
‘oosterse’ door Myrrha en het koor, de ‘moderne’ door Mylitta en de ‘Griekse’ door
Charaxes is vertegenwoordigd. Rhodopis aarzelt in haar keuze tussen deze drie, maar is
toch uiteindelijk geneigd de ‘Griekse’ te kiezen. Hiermee is meteen een moeilijkheid bij
de interpretatie van Rhodopis duidelijk geworden: Rhodopis treedt maar even,
Charaxes in het geheel niet op in het door Kloos voltooide gedeelte. Wat met name de
Griekse levensbeschouwing inhield voor de dichter, zullen we vooral uit externe
gegevens moeten reconstrueren.
Dat behoeft niet te worden gedaan voor de andere twee overtuigingen. ‘Oosters’ is
kennelijk de totale overgave aan zinnelijke genietingen, maar ook onderwerping aan
het gezag der goden; ‘modern’ is de keuze voor de geest, de drang naar zelfkennis,
ontkenning ook van het mysterieuze. Myrrha en Mylitta zijn twee allegorische figuren:
hun tweespraak moet een botsing tussen extremen zijn. Het is duidelijk dat de
sympathie van de dichter niet hier lag - maar dat wisten we al.
De begrippen ‘oosters’ en ‘modem’ zijn op het eerste gezicht wat problematisch.
‘Modern’ kan immers niet anders betekenen dan ‘contemporain’, dus hier laat-
negentiende-eeuws: het stuk zou dus bewust anachronistisch zijn. Dat geeft Kloos aan
het eind van zijn ‘Voorbericht’ ook inderdaad aan; ‘Verder diene voor filologen de
opmerking, dat de bronnen met de grootst mogelijke vrijheid zijn gebruikt, en de schildering
volstrekt geen aanspraak maakt op historische, antiquarische of zelfs chronologische
juistheid’. Ook kosters’ klinkt wat vreemd: wij zijn geneigd daarbij aan Chinees of
Japans te denken. In eerste instantie verwijst Kloos kennelijk naar het Midden-Oosten;
het stuk speelt zich immers ook in Egypte af. Maar de volgende regels van het koor
wijzen toch in een andere richting:
God der gruwlen, God van Wraken
Zijt Gij voor wie U verzaken
Voor Uw aardse macht niet blaken,
U geen zielen-offers biên!
150

Hier is sprake van een oud-testamentisch godsbegrip - de God van de 19e-eeuwse
Nederlandse kanselredenaars, opnieuw dus een anachronisme. Dit dubbele begrip
‘oosters’ nu is ons, zij het anders aangeduid, ook bekend van Doorenbos. Daarmee zijn
we beland bij de vraag wat Kloos nu van zijn stimulator had geleerd, c.q. overgenomen
in zijn eerste dichterlijke proeve.
De denkbeelden van Doorenbos
Willem Doorenbos, geb. 1820, studeerde in Groningen, Franeker en Leiden theologie
en letteren en promoveerde te Groningen in 1844 op een klassiek proefschrift De
moribus Creontis, qualem descripsit Sophocles. Zijn carrière als docent was hoogst
ongewoon: na zijn rectoraat, uitgeoefend op het kleine gymnnasium van Winschoten,
belandde hij, via een journalistieke baan, als leraar geschiedenis op een Amsterdamse
HBS, waar hij vele latere Tachtigers onder zijn hoede had. Hij was een vruchtbaar
publicist op velerlei terrein en was een gezocht spreker en debater. Al uit de keuze van
zijn proefschrift en uit het verloop van zijn carrière blijkt dat hij weinig ophad met de
‘Formalbildung’ en het eenzijdig-filologische onderricht op de gymnasia en universitei-
ten. Hij zag het belang van de studie van de oudheid in de confrontatie met een
superieure wereld. Zo schreef hij in 1865 in een artikel in De Nederlandsche Spectator:
‘Wy meenen nog altoos dat een goed doordringen in den geest en in de letterkunde der
Grieken en Romeinen, ons bijzondere kracht zal geven om, te midden der aanbruisende
literatuur van onze naburen, eigen oordelen en idealen te behouden... ik meen, dat de geest,
die eens de Griekse kunstwerken, en daartoe behooren ook de klassieke geschriften der
Romeinen, deed ontstaan, ons leven en onze letterkunde steeds voor te groote lafheid ofte
groote lompheid behoeden zal.’ En over Plato zei hij, zo’n twintig jaar later: ‘De
geschriften van den Atheenschen wijsgeer zetten aan tot een ideale liefde voor waarheid en
recht, en tot eene vrijheid van denken en doen, die geheel in strijd is met het beperkte
doctrinairisme, dat in onze dagen zich van het leven en de letterkunde meester maakte.’
Een hoofdmoment in Doorenbos’ visie op de (cultuurgeschiedenis (die verrassend
constant is gebleven) is zijn tweedeling Aziatisch-Grieks. In de Aziatische beschaving
heersen traditie en starheid, die leiden tot uiterlijkheden, bedrog en huichelarij. Alle
vormen van onderworpenheid, ook die aan de eigen zinnelijkheid, duidt hij aan met de
term ‘Aziatisch’; vrijheid, harmonie tussen daad en gedachte, streven naar kracht en
schoonheid van lichaam en ziel zijn ‘Grieks’. Een enkele keer valt ook het begrip
‘oosters’ als synoniem voor ‘Aziatisch’; zo kenschetst hij de centralistische machtsuit-
oefening van Karel V in Spanje en Lodewijk XIV in Frankrijk als ‘oosterse despotie’.
Hoewel hij zich in deze zin niet heeft uitgelaten over de religieuze ontwikkelingen in het
19e-eeuwse Nederland, is het duidelijk dat hij het orthodoxe Protestantisme en het
strijdbare Katholicisme, waartegen hij dikwijls fulmineerde (hij was het prototype van
de liberale ‘papenvreter’), ook zonder meer als Aziatisch/oosters had kunnen aandui-
den. Nu we de herkomst van het begrip ‘oosterse levensbeschouwing’ bij Kloos hebben
getraceerd, moeten we nog ingaan op de ‘moderne’ en wat verder op de ‘Griekse’. Ik
begin met de laatste en wend mij daarvoor tot het kritisch proza van Kloos uit 1880, het
jaar waarin Rhodopis verscheen.
De criticus Kloos over de oudheid
In Kloos’ eerste bundel kritisch proza. Veertien jaar literatuurgeschiedenis (1896,1898
2
),
staan drie recensies uit 1880 die te maken hebben met de klassieke oudheid. Zij zijn
achtereenvolgens gewijd aan Frauengestalten der griechischen Sage und Dichtung van
Lina Schneider; de nog steeds gebruikte bloemlezing uit de Latijnse literatuur Serta
Romana van J. Woltjer en de vertaling van Aeschylus’ Prometheus van L. A. J.
151

Burgersdijk. In alle drie doet Kloos uitspraken over detetèÏceriisdiede oudheid,
speciaal de Griekse, voor zijn tijd had of zou moeten hebben, maar het uitvoerigst en
duidelijkst daarover is hij in de ook al door Koster vermelde bespreking van het boek
van mevr. Schneider. De bespreking valt in twee delen uiteen: in het eerste deel geeft hij
een beeld van de ‘klassieke studiën aan onze universiteiten’, in het tweede een indruk van
het genoemde boek. Beide zijn echter zó persoonlijk gekleurd, dat zij ons vooral iets
leren over Kloos’ eigen ervaringen en inzichten.
Met die klassieke studiën bedoelde Kloos eigenlijk alleen die waarmee hij zelf vanaf
oktober 1879 te Amsterdam in contact was gekomen. Als voorbeeld noemt hij de
behandeling van de Oden van Horatius. Die werden door het béte noire van de classici
onder de Tachtigers, S. A. Naber, uitsluitend filologisch-tekstkritisch behandeld. Hij
ging voorbij aan de inhoud, de klank, de interpretatie van het geheel, de esthetische
evaluatie - kortom aan alles wat Kloos nu juist had willen horen. ‘De teleurgestelde
muzen-zoon gaat stil naar huis en vindt dat die ouden toch niet zo amusant zijn, als hij zich
dat vroeger in zijn onnoozelheid heeft verbeeld.’
Bij een dergelijke frustratie blijkt een verfrissend, de fantasie prikkelend boek als dat
van mevr. Schneider een ware uitkomst: iedere lezer van moderne literatuur heeft er wel
iets aan. Maar Kloos wijst er dan op dat de betekenis van de oudheid niet alleen daarin
ligt dat ‘zij de moeder onzer hedendaagse beschaving is en de voornaamste waarheden, die
ons verlichten, reeds bij haar in kiem aanwezig’ zijn. Nee, haar rol is groter. ‘Zij houdt ons
in haar overblijfselen het beeld voor eener schoonere wereld dan de onze, eener ideale
eenheid (...). Zij is de hoogte die als toevlucht dient, wanneer de scherpe werkelijkheid onze
zielen heeft gewond (...). Door haar, en door haar alleen, kunnen we ons losmaken van
godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke vooroordelen en bekrompenheid, uit kracht
van het bevrijdende element, dat uitgaat van alles, wat den mensch boven de alledaagsche
en geestdodende gewoonte verheft, maar vooral van haar, die in tegenstelling tot ons,
opgewekte vrijheid en harmonische ontwikkeling als de doeleinden van het leven
beschouwde’.
Het is duidelijk dat hier een leerling van Willem Doorenbos spreekt: zowel de afkeer
van de eenzijdig-filologische tekstbehandeling als de idee dat de oudhied zich kenmerkt
door vrijheid en opgewektheid, schoonheid en harmonie, zijn door hem ingegeven.
Geen wonder dat Kloos juist aan hem, zijn leermeester, Rhodopis liet lezen: hij moet op
de schok der herkenning, en dus instemming, gerekend hebben. Of Doorenbos heeft
ingezien dat zijn pupil behalve een staaltje huisvlijt ook een ‘zelfportret’, een beeld van
zijn ‘innerlijke wezendheid’ (zoals deze dat later zou noemen) ten beste had gegeven, is
de vraag. Dat het dat óók is, wordt tegenwoordig niet meer betwijfeld. Ik zal proberen
het in de biografie van Kloos de plaats te geven die het toekomt.
Verhuld zelfportret
Als geen andere auteur wellicht heeft Willem Kloos in een reeks van autobiografische
excursen in zijn opstellen een indruk willen geven, een rechtvaardiging ook, van zijn
jeugd en vroege schrijverschap. Zij sluiten veelal zo mooi op elkaar aan dat de
bloemlezing die Harry Prick er onlangs uit maakte zich inderdaad laat lezen als wat de
titel belooft: een Zelfportret. We vinden hier zeker niet de Kloos van zijn perfecte eerste
kritieken en essays: de volzinnen met de vele kapitalen bereiden niet altijd een
esthetisch genoegen (om het vriendelijk te zeggen). Maar wat wel duidelijk wordt is dat
Kloos van jongs af aan zich bewust is geweest van een sterke gespletenheid in zijn
persoonlijkheid: aan de ene kant was hij hypergevoelig en emotioneel, aan de andere
kant bespiegelend en afwerend-nuchter. Op diverse plaatsen in zijn autobiografische
herinneringen brengt hij die twee facetten in verband met de grote tegenstelling wat
karakter betreft tussen resp. zijn moeder en zijn vader, wat, gezien de diverse testimonia,
ook wel juist zal zijn.
152

Wanneer de spanning tussen deze twee polen te groot werd, ontlaadde zich die bij
hem in een snelle produktie van verzen, die dan weer voor langere tijd stilstond. De
eerste verzen die deze namen verdienden schreef Kloos in 1877, in het Duits(!), naar
aanleiding van de zelfmoord van een vriend. Jan Beckering. Hij was, weten we nu,
Kloos’ eerste liefde en die gevoelens, alsmede die zelfmoord, hebben hem zo geschokt
dat hij er tientallen jaren later nog steeds, in bedekte termen, op terug zou komen. Het
zijn, dunkt mij, ook deze ervaringen die ten grondslag liggen aan zijn fragment. Als in
zijn andere Griekse evocaties gebruikte hij het ‘principe van de omweg’: hij verbeeldde
de problematiek in antieke setting, in een heterosexuele context. Als Rhodopis had hij
de neiging geheel in zijn emoties te zwelgen, er in onder te gaan (Myrrha) of om ze in te
dammen door zich ervoor af te sluiten (Mylitta). Hij zag van de ene ‘oplossing’ de
gevaren en noemde haar daarom ‘oosters’, van de andere zag hij de ontoereikendheid:
deze ‘moderne’ opvatting over het mysterieuze, het onpeilbare kende hij van de
predikanten van zijn dagen, die uitsluitend de Geest wensten te kennen. Door zijn
beginnende studiën in de oudheid, zijn onderricht van Doorenbos en de lectuur van
Grote, had hij kennis gekregen van een wereld waarin emotie en geest samen gingen,
waar harmonie heerste en opgewektheid - voor de sombere knaap die hij was een
ideaalbeeld. Het bleef bij een torso, aan de uitbeelding van die wensdroom kwam hij
niet toe - zoals hij later noch Sappho noch Okeanos tot een afronding zou kunnen
brengen.
Rest tenslotte de vraag, waarom hij uit de veelheid van Griekse personages nu juist de
figuur van Rhodopis koos. Hier kan een ander biografisch testimonium verrassend licht
op werpen. Sprekend over de lectuur die hem als jongen bezig hield, noemt Kloos onder
meer de Egyptische romans van G. Ebers, die hij ‘met grote gretigheid’ las. ‘Als kleine
jongen had ik in de pyramiden weg willen kruipen, uls ik daar plaatjes van zag, want dan
zou ik (...) zonder dat iemand (...) het merkte, onbeweeglijk-stil zittend maar diep-koel-
opgewonden voor, daar dan rustig blijven zitten, van alle vervelende mensen gescheiden, tot
de Dood mij plots overviel’ Een Griekse die een pyramide oprichtte met wat zij aan de
liefde had te danken ... Geen beter masker kon Willem Kloos zich wensen, toen hij zijn
monument oprichtte... om zich er in te verbergen!
Literatuuropgave en aantekeningen
Teksten: een standaarduitgave van de gedichten van Kloos behoort nog steeds tot de desiderata. Er bestaan
twee goede bloemlezingen, beide inmiddels out of print, van Hubert Michaël, Willem Kloos (1975
2
) en van
Harry G. M. Prick, Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten (1980). De eerste bevat ook proza en
brieven, alsmede een uitvoerige (niet onomstreden) biografie van de jonge Kloos.
Inleiding: de bedoelde publicatie van ’s-Gravesande is De geschiedenis van De Nieuwe Gids; Brieven en
documenten, Arnhem 1955: een supplement verscheen aldaar in 1961. Voor de verwoestende invloed
ervan op het Kloos-beeld zie H. A. Gomperts, De geheime tuin, Amsterdam 1963, 42-54; Gerben Colmjon,
De beweging van Tachtig, Utrecht/Antwerpen 1963, passim. De belangrijkste studie over Kloos’ vroege
poëzie is die van P. Kralt, De Dichter, zijn Geliefden en zijn Muze, Leiden 1985. Min of meer een
samenvatting daarvan is diens artikel ‘Willem Kloos’. in Tachtig [een dubbelnr. van De Fonteyne (IV,2/3)],
Dordrecht 1985, 53-59, waaruit het citaat stamt.
Kloos over Rhodopis: zie Willem Kloos, Zelfportret, ed. H. G. M. Prick, Amsterdam 1986, 115-124. Het
relaas van Kloos klopt niet helemaal met de gegevens die Michaël 19752,320 e.v. biedt, maar het betreft
ondergeschikte details. De denkbeelden van Doorenbos: zie C. G. L. Apeldoorn, Dr. Willem Doorenbos,
Amsterdam 1948, spec. 65-104; het oordeel van A. J. Duyvendijk, De motivering der klassieke vorming,
Groningen 1955, 258/9 over Doorenbos is m.i. nogal ongenuanceerd (‘een renegaat’).
De criticus Kloos over de oudheid: vgl. Kralt 1985,9 e.v. en Rudi van der Paardt, ‘Die antieken, daar zit
veel in’, in Jaarboek van de Mij. der Nederlandse letterkunde, 1983/’84, Leiden 1985, 28-36.
Verhuld zelfportret: voor Jan Beckering zie Kloos, Zelfportret, 83 e.v.; 299. Zijn betekenis voor het werk
van de jonge Kloos is pas achterhaald door H. Michaël, al gaat deze misschien wat ver (vgl. zijn
bloemlezing, p.52 e.v.). Voor de ‘personele’ inslag van Sappho en Okeanos zie Rudi van der Paardt, ‘Antieke
inspiratie bij enkele Nieuwe-Gidsers’, in M. A. Wes ed.. Van Parthenon tot Maagdenhuis, Amsterdam 1985,
151-157 (van 142-170). Voor Kloos’ contacten met de ‘moderne’ predikant, zie zijn Zelfportret
99/100.
153

Wandrers Nachtlied
Der du von dem Himmel bist,
Alles Leid und Schmerzen stillest,
Den, der doppelt elend ist,
Doppelt mit Erquickung füllest,
Ach, ich bin des Treibens müde!
Was soll all der Schmerz und Lust?
Süszer Friede,
Komm, ach komm in meine Brust.
J. W. v. GOETHE.
Viator noctivagus
Caelitus delapsa diis relictis,
Quae gravem luctum excutis et dolorem —
Perditum ter reddere ter beatum
Saepe valebas —
Me viae lassum piget et laboris,
Nil dolorem inter mihi gaudiumque,
Alma pax, in pectora iam revertens
Otia redde
J. v. IJZEREN
(1931)
154

Dat is een grootsche, maar ook groote taak. Want de tijden zijn voorbij, waarin men zich daarbij geheel of zelfs in hoofdzaak tot de Letterkunde kon beperken. Al zal deze steeds het middelpunt blijven vormen, omdat zij het voornaamste is dat de tijden ons hebben gelaten, toch kunnen wij thans veel andere voortbrengselen der Oudheid om haar plaatsen en naast haar vereeren. De bouwwerken, zelfs in ruïne bewonderenswaardig, de beelden, ook als copie de meesterhand verradend, de inschriften, weerspiegeling van ambtelijken arbeid, de brieven, die ons een kijk gunnen in het dagelijksch leven, zij alle helpen ons om een begrip te krijgen van de Antieke Wereld, in vele opzichten verheven schijnend boven de onze, in andere gelijk aan onzen tijd in haar eerzucht, haar wedijver, haar strijd om persoonlijke belangen, haar aanhankelijkheid aan gezin en vrienden, haar menschenliefde, haar streven naar rust en vrede. Als een wonder schijnt het ons, hoe juist in de laatste jaren door toeval of speurzin telkens nieuwe ontdekkingen in de landen der Oudheid worden gedaan : steden, dorpen, paleizen worden blootgelegd, kunstschatten van ongemeene bekoring komen aan het licht, inscripties en papyri worden gevonden en ontcijferd. En al brengt elke vondst naast nieuwe kennis ook nieuwe raadselen, wij hebben de verwachting, dat deze kunnen worden opgelost. Zoo rijst, wonder der historie, ook hier het Leven uit den Dood en de wetenschap der Oudheid blijft in haar groei van weten en inzicht eeuwig jong. Van dit alles wil dit tijdschrift zijn lezers brengen. Om het te ontvangen is noodig : een beetje kennis en een groote belangstelling. Wij weten dat in kringen van gymnasiasten, van oud-gymnasiasten, van allen, die zich met de studie der Oudheid bezighouden of bezig gehouden hebben, de liefde voor de Antieke Cultuur groeiende is. Moge de bloei van dit tijdschrift er de blijde getuige van zijn D. COHEN (1928)

58

Ter inleiding

Het beeld dat mensen met zich meedragen van verschillende perioden in de geschiedenis is onvermijdelijk beperkt en eenzijdig. Steeds is er sprake van een selectie uit de veelheid van bronnen over dat verleden en het is opvallend, dat de bewondering voor of de beïnvloeding door dat verleden soms sterker is naarmate de kennis erover geringer is. Ook van de oudheid hebben de opeenvolgende generaties, sinds die oudheid voorbij is, zich voorstellingen gemaakt die steeds weer correcties bleken te vereisen. Altijd was er sprake van een voorkeur voor bepaalde perioden in de oudheid, voor bepaalde schrijvers of bepaalde cultuuruitingen. De ene keer koos en oordeelde men vooral naar esthetische maatstaf, de andere keer richtte de interesse zich meer op politieke, filosofische, godsdienstige, archeologische of weer andere aspecten. Grote aandacht voor sommige elementen leidde tot onderbelichting van andere. ledere generatie liet zich bij die selecterende aandacht leiden door haar eigen politieke en culturele situatie. Soms werd en wordt de geschiedenis gebruikt en misbruikt voor het versterken en aannemelijk maken van de eigen groepsideologie; Mussolini’s dwepen met Augustus en het Romeinse imperialisme is er een voorbeeld van. De indrukwekkende resultaten van de 19e-eeuwse wetenschap, speciaal die der zogenaamde Altertumswissenschaft, hebben geleid tot verdieping en verbreding van de kennis van de oudheid in haar totaliteit. De idealisering van (bepaalde aspecten of perioden in) de oudheid maakte plaats voor een op meer kennis en beter inzicht gefundeerde benadering. In menig opzicht werd het geïdealiseerde beeld van de oudheid dat tot die grotere aandacht had geïnspireerd, door de toeneming van de kennis die er het gevolg van was, weggevaagd. Intussen hebben in de 20e eeuw de meeste beoefenaren van elk vak dat zich met de oudheid bezig houdt, er in woord en geschrift blijk van gegeven, dat iets van het ideaal-beeld van vroegere generaties hen bleef vergezellen. Aan dat enthousiasme, dat surplus bij hun vakkennis op zichzelf, hebben de niet-vakmensen veel te danken: zij hebben hun nieuwsgierigheid en hun behoefte aan contact met dat verleden kunnen bevredigen dank zij de toewijding waarmee de vakmensen popularisering op hoog niveau hebben nagestreefd en verwezenlijkt. Hermeneus heeft sinds 1928 mogen bijdragen aan dat contact tussen vakmensen en belangstellenden. Toch is ook in die zestig jaren wel een en ander veranderd. De geschiedenis van de laatste decennia heeft bij veel mensen een diep ingrijpende ontluistering van hooggestemde verwachtingen en gedachten over de mens, de mensheid en haar 59

Wij zijn zakelijker en nuchterder geworden. De belangstelling van de lezer zal bevredigd en gestimuleerd moeten worden door artikelen waarin vanuit hedendaagse gezichtspunten de oudheid wordt belicht. in casu de NKV .leden. Dat aan de auteurs bij het schrijven van hun variaties op het oude thema een grote vrijheid is gelaten. mensen leren de eigen cultuur en samenleving te relativeren. Anderzijds worden velen geboeid door de manieren waarop die Oudheid in de verschillende tijdvakken van de geschiedenis gezien. het geloof in humanitas kortom. er kennelijk iets in zien en er om vragen. maar niet uitsluitend. Men denke aan een meer psychologische of sociologische benadering van sommige problemen in de oudheid of aan de toenemende interdisciplinaire samenwerking. Aan hedendaagse deskundigen hebben wij artikelen gevraagd die als pendant van de vroegere zouden kunnen dienen en de tegenwoordige wijzen van benadering van dezelfde of gelijksoortige onderwerpen zouden kunnen illustreren. Meer dan bij andere era’s is het juist die continuïteit van de invloed die boeit. zal de lezer zelf kunnen constateren. Kassies 60 . Alle levens. iets zien van de manier waarop een vorige generatie dacht en schreef. in veel opzichten cynisch. Dit lustrumnummer wil een illustratie bieden van continuïteit en variatie. Ontwikkelingen in de wetenschappen maken het stellen van steeds nieuwe vragen aan het materiaal mogelijk en noodzakelijk. ondanks de beperktheid die de nu eenmaal noodzakelijke selectie veroorzaakte. De confrontatie met de oudheid kan. kan voor een redactie toch niet het enige motief zijn om aandacht voor de oudheid te blijven vragen. Het geloof in de vanzelfsprekende verbondenheid van literair-culturele ontwikkeling en menselijkheid in morele zin. dus ook die van de oudheid.en cultuurvormen kunnen mensen fascineren. wij schrijven oudheid. Het heeft. Evenmin de omstandigheid dat er leveranciers van belangwekkende artikelen in overvloed zijn. maar geeft hun bovendien de mogelijkheid iets van de wordingsgeschiedenis van die cultuur te begrijpen. niet Oudheid. Ze laten. Naar de mening van de redactie zal Hermeneus in dit alles een bemiddelende functie moeten behouden. omdat de dragers ervan met bewonderenswaardige originaliteit een aantal fundamentele vragen van de mensheid voor het eerst hebben gesteld en beantwoord en op allerlei gebieden de eerste en gewichtige stappen hebben gezet op de weg van de geschiedenis van ons werelddeel. Die gezichtspunten zullen vooral wetenschappelijk bepaald zijn. en daarmee van de mensheid. Ook de meer intuïtieve reflectie op wat de oudheid te bieden heeft is in Hermeneus op haar plaats. zodat de nieuwsgierigheid van vakmensen en belangstellenden blijvend gevoed wordt. bijvoorbeeld van archeologie en natuurwetenschappen. zoals de confrontatie met andere perioden en culturen. hopen wij. Tenslotte leeft bij vele mensen een sterke behoefte als het ware in gesprek te blijven met die antieke cultuur. ‘De humaniora humaniseren niet’. Het bevat een selectie van artikelen uit de eerste vijf jaargangen over uiteenlopende aspecten van de oudheid. De belangstelling voor de oudheid ligt voor mensen in 1988 enerzijds op hetzelfde niveau als die voor elke andere periode uit het verleden. heeft een knauw gekregen. of ze nu hedendaags of historisch zijn. Presser naar aanleiding van de jongste geschiedenis van het land waar de verering voor de oudheid zo buitengewoon sterk was.geschiedenis teweeg gebracht. verwerkt of verworpen is. beleefd. aldus J. Maar waarom dan nog steeds die afzonderlijke en uitzonderlijke aandacht voor de oudheid? Waaraan ontleent een blad als Hermeneus zijn recht van bestaan? Het antwoord dat de consumenten. Namens de redactie W. de aantrekkelijkheid van het geheel vergroot.

en deze slechts te verstaan zijn als men ze onmiddellijk aanschouwelijk opvat. In het begin lezen wij daar: Dan blies een jongen als een orgelpijp de klanken schudden in de lucht zoo rijp als jonge kersen.v. bibliotheken aanwezig!!! 2 Wij leggen nadruk op dit gewone taal. 152) 3. Hom. Soms ook hoort hij de vergelijking: de Trojaansche grijsaards zitten in de Skaeische poort als piepende krekels in het loof (Il. want dichterlijk kan men b. en aangetoond. für Aesthetik und Allgemeine Kunstwissenschaft XIII Band 4 Heft 1919. In een zeer instructief artikel 1 heeft Hans Henning eenige jaren geleden de aandacht gevestigd op de homerische vergelijking.en rozengeuren spreekt. zoo Hom. 654) uitsluitend. strekt Harpalion zich uit als een regenworm in den doodstrijd (Il. dat zooals onze taal bij geuraanduiding den geur in onmiddellijk verband brengt met het voorwerp.Homerus als primitief dichter Dat Homerus een primitief dichter is zal wel door niemand ontkend worden. Waarin nu precies die primitiviteit bestaat is echter velen niet recht duidelijk. 371—396. hoe deze geheel vrij is van onze abstraheeri-ng van de onmiddellijke werkelijkheid.de slimheid”. wen een lentewind in ’t boschje opgaat en zijn reis begint. nooit van de werkelijkheid abstraheert bij zijn vergelijkingen. wordt het eigenaardige karakter der Homerische poëzie geleidelijk aan beter begrepen. Van aanschouwelijkheid is hier geen sprake en slechts met moeite kan men 61 . 1 „Das Briebnis beim dichterischen Gleichnis und dessen Ursprung”. Men heeft onder invloed der zuiver philologische interpretatie voor deze primitiviteit weinig oog gehad. Henning betoogt. Naar wij vernemen is dit tijdschrift op geen der Nederl. 13. Thans. Ztchr.. kent zulk een derde niet. 3. hoezeer men ook de charme van den dichter onderging. en dit door parallellen uit andere primitieve literatuur en door middel van uitvoerig psychologisch onderzoek toegelicht. Wij zeggen „Odysseus is een vos” en denken bij deze vergelijking terstond aan het tertium comparationis . spreken van „blonde duinen” (Verkade-album). Voor H. omdat de dichter het zoo ziet. S. dat den geur veroorzaakt (wat in sommige gevallen met kleur ook nog gebeurt: de gewone taal 2 past bijvoorbeeld de kleur blond alleen op „haar” toe) en van jasmijn. nu langzaam aan de classieke studie uit haar isolement verlost wordt en andere onderzoekingen ook op haar terrein zich doen gelden. 3 Men vergelijke hiermee Gorter’s „Mei”.

gehort zu den wunderlichsten” en vindt haar bovendien „unleidlich”. wat den meesten indruk op hem gemaakt heeft of hem op een gegeven oogenblik belangrijk voorkomt. die zijn avondmaal nam. de bekende episode waarin aan Achilles Meleager als voorbeeld wordt voorgehouden. 20. worin das tertium comparationis liegt. Eerst als wij ons van de beperktheid van onze geleerdheid bevrijd hebben. Heeft niet de vergelijking van Odysseus’ onrust op zijn bed met de rolpens aan het spit (Od. Vergeet men dit alles. 62 .) allerlei volkomen onbegrijpelijke zwarigheden opgeleverd. wiens wrok voor de zijnen tijdens den strijd tusschen de Koereter en de Aetoliërs zeer ernstige gevolgen heeft gehad. wahrend Odysseus sich selbst bewegt”. én van de rolpens. die Magenwurst ein Anderer. ons dit alles meedeelt stempelt het o. De gebrekkige manier waarop Il. — Alle moeilijkheid vervalt als men slechts de beweging ziet én van Od. 1 Niet enkel in zijn vergelijking. Faesi merkt er bij op: .auch dreht. 529 sq. ook in zijn verhaal is H. vertellingen. Ieder eenvoudig verteller toch is subjectief geïnteresseerd en zal altijd dat het eerst meededen. 1 Bekker zei van deze vergelijking dat zij . Zelfs iemand als Goethe kwam eerst in Italië tot recht verstaan van H.Het is voor ons niet gemakkelijk ons in deze homerische zienswijze in te denken. dan kan men het verhaal van Meleager niet begrijpen en zal dan trachten de natuurlijke onbeholpenheid weg te er iets bij „denken”. wat evenwel slechts langs den weg der abstractie te ontdekken is. vergetend. zal het mogelijk zijn tot de bron zelf te geraken. tot een primitief verhaal.. Hij veronderstelt gewoonlijk nog al wat en laat den hoorder dus meer raden. dat wij H. Een nauwkeurige beschrijving. Wij zijn overladen met geleerden ballast en letten vaak niet op wat voor de hand ligt. De historische of logische volgorde van het gebeuren wordt geheel verwaarloosd.. Personen treden plotseling op om even plotseling weer te verdwijnen. primitief. eenvoudig omdat men zich van onzen gewonen intellectueelen kijk niet los kan maken. hoe alles in zijn werk gegaan is. waar het punt van vergelijking de aandacht is. Het tertium comparationis is duidelijker verderop in het gedicht: en menig moe man. luisterde. als naar een oud verhaal. neemt te gemakkelijk zijn toevlucht tot interpolaties. wordt gemist. Als voorbeeld verwijs ik naar II. 25 sq.. Door dit over het hoofd te zien miskent men licht het karakter van de Hom. 9. en toen „schien es die Natur selbst”. niet naar onzen maatstaf mogen beoordeelen. i.

als voorbeeld bij Indianenstammen nolávoa dat dansen en arbeiden beteekent.v. verwaarloost echter te veel het aanschouwelijk moment (b. die het voegwoord het leven gaf. wij „denken” slechts. verhaal) kent zij niet. 63 . dat nauw samenhangt met het voortschrijdend kultuurproces. en dan) . De bekoorlijkheid van het primitieve gedicht en het primitieve verhaal is de aanschouwelijkheid en onmiddellijkheid. omdat dans en arbeid hetzelfde doel n. o. nitor steunen. Dan gaat men argumenteeren en motiveeren en ontstaan de causale en concessieve voegwoorden. bouwen. Cassirer (Sprache und Mythos Leipzig 1925) geeft o. Eerst dan wordt het aanschouwelijke pas recht een inhaerent gedeelte van het verhaal. 80 zegt dat deze lust „aus vielen einräumigen Hütten grosse zimmerreiche Paläste schut und aus kiemen Formelversehen dogmatischen oder liturgischen Inhalts umfangreiche Religions.) is een en al oor en een en al oog. Woorden zijn in hun oorsprong veelal werkelijkheidsnabij. doch tevens aan bekoorlijkheid ingeboet. Een modern verteller toch zou heel anders te werk gegaan zijn. C. a. en toen. klimmen. het prim. 34). zich inspannen. a. v. v. S. Naast vergelijking e. 2 Echter ook het zinsverband kan dit primitief karakter vertoonen. met inspanning van alle krachten den berg beklimmen. München. S. de levensverzorging dienen. 3 Meijer. Wij kunnen niet meer zien noch hooren.nemen door van latere toevoegingen te spreken 1 en zoo H.Een rangorde van het gebeurde (vgl. in een modern keurslijf dwingen.der historische Zusammenhang der wohl durch manche späteren Zusätze (curs. Volgens Meijer 3 is het de lust tot ordenen. zoo beteekent b. is dus de nevenschikking of parataxis de oorzaak van de ongekunsteldheid en de bekoring van een primitief 1 Paesi spreekt hier van: . en als moderne les zou het aan doeltreffendheid (immers het „overbodige” weglatend) stellig gewonnen hebben. De primitief (en in zooverre dus ook Hom. Deutsche Stilistik 2 e Aun. het lat. De primitieve taal ziet de gebeurtenissen zich in den tijd aan elkander rijen en verbindt de zinnen. Slechts het zich ontwikkelend taalbewustzijn. Wij zijn het contact met de werkelijkheid om ons heen reeds lang kwijt en lezen slechts middellijk.und Weltweisheitssteine. brengt relief aan. die dat gebeuren weer moeten geven hoogstens door een copula (ons: en. die zonder bezinning onbegrijpelijk zijn. Alles komt in één vlak te liggen..l.) noch erweiterten und eben deshalb im einzelnen vielfach nicht recht klaren Erzählung. Men ziet in het Italiaansche heuvelland den bergreiziger steunend op zijn stok. Het aanschouwelijke kan ook liggen in taal en stijl.” 2 Het aanschouwelijk moment kan soms een verrassend licht werpen op „woordbeteekenissen”. Niet minder taal vormend is geweest de praktijk van het leven.

(Avondblad E. overgang” in den onlangs gevierden Stalpaert van der Wielen. v. krijgt deze paratactische eigenaardigheid bij Hom. dat evenals Hom. achtergrond en teekening. Hom. kenmerk van die frissche spontaneïteit. Wij bedoelen de Oud-Testamentische verhalen. met het volgende.. ongeveer aldus weergeven: 2 (En dan) staat Abraham ‘s morgens vroeg op (en dan) gaat hij zijn ezel het tuig ombinden (en dan) neemt hij twee van 1 Wij hebben in onze eigen literatuur een merkwaardig voorbeeld van zulk een . noch Tyg’ren u volgen. tot de primitieve kunst wordt gerekend. in het oorspronkelijk lezen.” Door vergelijking met een ander zeer verwant literatuurgenre. (Gen. Onze vertalingen zijn moderne vertalingen met een praktisch doel. 1930) door J. en dan (of: en toen).Schoone Goddin Toeft wat. 20 Dec. Het verhaal van Abrahams offerande b.v. heeft een dergelijke parataxis gekend. willen wij den geest van het verhaal laten spreken. dat ongeveer de kracht heeft van ons: en.verhaal of gedicht. 22) moeten wij. Het naieve karakter dezer verhalen raakt zoo op den achtergrond. die over de „Israelietische Vertelkunst” schreef in „Onze Eeuw” 1920 blz. C.Lzn. ook al ontgaat dit de meeste lezers van „vertalingen” en zeer velen. Flier. waerom loop je dus tegen de wind? Leeuwen. Maer het is Jesus die U zoo bemind!” 2 De vertaling is hier van A. Zooals wij die kennen gaat van de oorspronkelijke charme veel verloren. d’onberade maegd Van Jesus haer vlucht nam ter wereld-waerd in En van hem snel wierd nagejaegt Al lopende roepende: .. die een volk aan het begin van een kultuurperiode eigen is. die in de N. die H. 340—358”. (dat al direct met een voegwoord begint) Als Jola (= de Ziel). d. Zijn zinnen worden vaak door δ of πειτα δ verbonden. 64 . weest niet verbolgen! By. Men vergelijke: Jesus beklom een bootje B n voer ten zeewaert in Het kreeg zoo menigh stootje Bn hij lagh er niet te min Wel vast en diep bij ’t roer en sliep Wel vast en diep met koele sin. terwijl hij in enkele van zijn verzen Renaissanceinvloed doet zien. noch Beeren. Prinsen J. R. ook daar waar men het pleegt te vertalen door „maar” of „want. aan het begin van een kultuurperiode ontstaan is en dus eveneens als „overgangsliteratuur” 1 te karakteriseeren is.

hoe snel het een ook op het andere moge volden. Flier blz. t. en zij zullen uit de Jordaan gaan ( = opdat of dat zij uit de J. als wau consecutivum dienst doet (in het eerste geval „we”. Een bepaling als door: toen. in het tweede „wa”). z. Num. Jozua 4 vs. wat in het Hebreeuwsch evenzeer wordt vermeden”. De primitieve taal zette „en” („en dan”). Het heeft hierin (wij 1 A.l.g. 65 . Enkele voorbeelden mogen deze laatste overzettingen toelichten: Gen. 18 vs. de meer letterlijke vertaling) is aanschouwelijker en tegelijk juister. is weergegeven door: „als Jozef zijne broederen zag. 16: Gebied den priesters. wau copulum.. Want het zien. 23 vs. liet opvangen van het gezichtsbeeld gaat aan de verstandswerking van het kennen vooraf. Illustratief hiervoor is de beschrijving van de herkenning door Jozef van zijn broers: Gen. i. moet daarom alti]d met zekere speelruimte worden genomen en liet verband. „wanneer” geen of zoo goed als geen termen ter beschikking had. 42 vs. gaan). wat in de Statenvert. v. De verschillende vertalingen nu (de nuanceeringen zijn nog veel talrijker dan men uit deze voorbeelden kan opmaken) zijn o. welke vertaling ongetwijfeld veel van de oorspronkelijke aanschouwelijkheid doet verliezen. „we” ook de beteekenis „maar” en „want” gegeven. dat zonder den invloed van de literatuur ondenkbaar is. niet anders dan een tegemoetkoming aan het modern taalbewustzijn. Het verbindingswoordje dat hier de stijl stempelt is de z. En iets verder: (en dan) neemt Abraham het brandofferhout. d. 1 Behalve deze „beteekenissen” heeft men. zit altijd min of meer los.). Nu vertaalt men deze wau op zeer verschillende manieren. en hij zat in de deur van zijn tent (= terwijl hij in de deur v. 7 „(En dan) ziet Jozef zijn broeders (en dan) kent hij hen”. enz. „opdat”. omdat het voor onze . 19: God is geen man en hij zal liegen (== zoodat hij zal liegen). . zooals wij zeiden.zijn knechten mee en Izak zijn zoon. dat hiermede tot stand wordt gebracht heeft noodzakelijk zekere speelruimte. die wanneer twee handelingen verbonden moeten worden. „opdat”.verklaringswoorden” „omdat”. i: En Jahwe verscheen hem . 340 zegt naar aanleiding van deze plaats: „Dit (n. z. Soms door „want” of „maar” doch ook door „zoodat”. zoo kende hij hen”. (en dan) gaat hij brandofferhout splijten (en dan) richt hij zich op (en dan) gaat hij heen. „terwijl”. (en dan) legt hij het op Izak zijn zoon (en dan) neemt hij in zijn hand het vuur en het mes (en dan) gaan zij beiden te zamen enz.

Maar zoo is ook duidelijk dat iedere vertaling (Voss en Vosmaer ten spijt) falen moet. Wat zulk een pauze vermag wordt duidelijk b. 51 v. De spanning neemt toe.wezen er reeds op) een merkwaardige overeenkomst met het Grieksche δ dat in Hom. vooral de rust het ontbrekende aanvult. dan woorden vermogen. bezig met vertellen. en het kost ons moeite ons in te denken een zinsverband dat zulk een verbinding nog niet kende. T. in Il. zonder van het bepaalde karakter van die verbinding iets te zeggen. voegwoorden verbonden denken. doordat de toon. is evenwel (en ook de O.v. 1. De suggestieve werking is onmiskenbaar. Wij kunnen ons zinnen moeilijk anders dan door middel van causale. Verhalen) voor den hoorder en niet voor den lezer. Soms rust hij even en gaat dan plotseling over in iets totaal anders. Men moet zich altijd den verteller denken. Almelo. v. concessieve. d. het gebaar. en vervolgens (α τ ρ πειτ ) ( = en toen) op hen af afzendende de scherpe pijl schoot hij — en altijd door brandden de voortdurende brandstapels der lijken. Hom. met πειτα voorkomt ( = en toen (vervolgens)). J. vaak in verbinding b. BUISMAN (1932) 66 . R. De oorspronkelijke functie van deze woordjes is enkel een aan elkaar verbinden van opeenvolgende gebeurtenissen. explicatieve e. v. De plotselinge overgang doet scherper het schrijnende van het zware verlies der Grieken uitkomen.

maar niet verfijnd noch sophisticated: mensen en dingen worden onverbloemd en ongefilterd onder onze aandacht gebracht. aandoenlijke distichon hebban olla vogela nestas higunnan hinase ic anda tu’. en hij vertelt onbekommerd. Zoals wij zelf ook aankijken tegen Henric van Veldeke en tegen dat nog oudere.Homerus een primitief dichter? J. het verhaal vertelt zichzelf in een naïeve opeenvolging van de gebeurtenissen en de tekst als geheel heeft een soort van ongelikte eenvoud. de vadef van Joseph Scaliger (1540-1609). zo bleef Vergilius aan zijn hexameters werken net zolang tot ze eindelijk klonken zoals hij dat wilde.w. en Vergilius als zijn voorbeeld moeten nemen. gezegd: carmen se ursae more parere et lambendo demum effingere: zoals een berin de jongen die ze geworpen heeft likt en likt tot ze eindelijk hun vorm hebben gekregen. terwijl de Ilias (om ons even daartoe te beperken) een primitief gedicht is waar de helden in hun heroïsche en soms stuitende naaktheid rondlopen?2 67 . Vergilius daarentegen had. Bremer Er is een wijdverspreid misverstand dat Homerus’ poëzie primitief is en dan bedoelt men: elementair en krachtig. Aan het eind vat hij zijn waardeoordeel over Homerus samen in de frase ‘impolita simplicitas’. heeft in zijn Poetices libri septem (1561) een tweetal hoofdstukken (V ii en iii) waarin hij Homerus met Vergilius vergelijkt. Dit misverstand over Homerus is verklaarbaar: ‘Homerus is het absolute beginpunt van de Griekse letterkunde. die een ongeremd bewonderaar van de klassieke Latijnse dichtkunst was1.z. M. en hoe primitief! En heeft het wetenschappelijk onderzoek van deze eeuw ons niet geleerd dat Homerus’ poëzie thuis hoort onder de noemer ‘oral poetry’? Hij was er dus een van het gilde der ongeletterde zangers die zingen zoals het hun voor de mond komt. het aantrekken van de wapenrusting. naar zijn oordeel zou iedere aspirant-dichter zich verre moeten houden van Homerus. Deze appreciatie is al eeuwenoud en het begin ervan moet waarschijnlijk gezocht worden bij Julius Caesar Scaliger (1484-1555). gebruik makend van zijn repertoire^ d. dus hij moet wel primitief zijn’. De oude Scaliger. van de overgeleverde en door hem gememoriseerde vaste woordgroepen (‘formules’) en standaard-scènes (bijvoorbeeld een maaltijd. sprekend over zijn eigen dichterlijke werk. hoe bekoorlijk. Verhoudt Homerus zich dan inderdaad tot Vergilius als ongelikt tot gelikt? Of om het iets minder grof te zeggen: is het zo dat de Aeneis een complex en subtiel gedicht is waar de bonkige gestalten van de heroën gehuld zijn in het sombere fluweel van de Vergiliaanse humaniteit. het duel tussen twee helden): moeiteloos en ook eigenlijk wel achteloos laat hij de hexameters aan de haag van zijn tanden ontglippen.

Toch is pas sinds kort op dit gebied systematisch onderzoek verricht4 en daaruit is gebleken dat de dichter voor de directe rede om zo te zeggen een apart lexicon heeft. in de directe rede. dat datgene wat ik ga beweren deels voortkomt uit eigen studie. en er was wel een globaal besef dat die kracht voor een aanmerkelijk deel erop berust dat in de stukken directe rede de woordkeus en frasering veel minder stereotiep is dan in de vertelling.o. Dit alles komt erop neer dat Homerus 68 . aangetroffen: bijvoorbeeld: κακ σ. de zelfstandige naamwoorden op -φροσ νη. toch ook bespeurt dat er in Homerus meer aan de hand is dan dat. λι ν betreft is de discriminatie t. Mijn stelling is dat Homerus’ poëzie niet een ruwe diamant is. µε λιχοσ.Het zal duidelijk geworden zijn dat ik het hier niet mee eens ben. Nu had Parry zijn onderzoek vooral gericht op de vertellerstekst en dan nog op bepaalde tamelijk stereotiepe segmenten daarvan: gevechtscènes.Ik zal mijn stelling adstrueren door bespreking van vier elementen van Homerus’ dichterschap: — zijn woordkeus — de vergelijkingen — de door hem ingelaste verhalen — het toekijken der goden Woordkeus Sinds het baanbrekende onderzoek van Parry en Lord heerst de mening dat Homerus’ poëzie voor een groot deel bestaat uit min of meer vaste woordverbindingen zoals we die allemaal kennen: ναξ νδρ ν Αγαµ µνων 28x in de Ilias.v. νηλε σ / α ν σ / γαν σ. vertellerstekst opvallend: dié komen daar niet of nauwelijks voor. Ik noemde zojuist dat besef ongemakkelijk. Die stelling is gewaagd: omdat van de eerdere fasen van die ontwikkeling geen enkel specimen over is.3 . Waarom? Omdat iedereen die voor poëzie en vertelling ontvankelijk is. en de Odyssee zelfs voor beduidend meer dan de helft (67%). en ο δ π νε αθ τοιµα προκε µενα χε ρασ αλλον 3x. ο οσ. 54). maar een sophistiscated eindpunt van een ontwikkeling. π λλ λοισιν ντεσ 12x. Maar de Ilias bestaat voor bijna de helft uit directe rede (45%). vooral de woorden die op evaluatieve en emotionele wijze verwijzen naar handelingen of personen worden bijna uitsluitend daar. πιοσ. kan een hard bewijs nooit geleverd worden. een op mnemotechniek gebaseerde produktie-factor die de zanger in staat stelde om op één avond honderden hexameters onbekommerd en half improviserend ten gehore te brengen: een dichterschap waarin vertelling en directe rede in één continuüm van taal en stijl doorklinken. γαθ σ / δαιµ νιοσ. Er is in deze lijn van onderzoek (het onderzoek van Homerus’ ‘formulaire techniek’) veel verfijning aangebracht: Hainsworth heeft gewezen op de ‘buigzaamheid’ van de formules. speechinleidingen e. en vaak ook complete versregels: ο δ τε δ σχεδ ν σαν. en Hoekstra heeft datzelfde verschijnsel in een taalhistorisch perspectief geplaatst. α δ σ / τιµ . Maar toch wil ik een poging wagen om deze stelling aannemelijk te maken en daarbij wil ik nadrukkelijk vooraf stellen. niet een ongepolijst begin. σχετλ οσ / βρισ. Toch bleef bij de geleerden nog het ongemakkelijk besef voortleven dat er in Homerus’ keuze van woorden en woordcombinaties een half-automatisch element was. Zelfs wat kleine woordjes als µ λα. σ βασ / τ σθαλοσ. al evenmin als superlatieven. maar ook voor een belangrijk deel uit mijn samenwerking met Irene de Jong die haar proefschrift (UvA) in december gepresenteerd heeft. οδοδ κτυλοσ Η σ 5x. met retorische opgestapelde negativaals φρ τωρ θ µιστοσ ν στιοσ (IX. De retorische kracht van de directe rede bi] Homerus is al eerder door velen bestudeerd en geprezen. Ook werkt de dichter alleen in de directe rede met verfijnde samenstellingen als δθσαριστοτ κεια (XVIII. 63).d.

. en slechts eenmaal in de vertellerstekst namelijk waar Andromache in boek XXII de stadsmuur beklimt en dan. φ το γ ρ τε σασθαι λε την (III. net zoals dat bij een toneelstuk het geval is. 28-29). boven gekomen. en het bijwoord aKr|5éoTO)c drukt haar emotionele reactie uit: ‘Ach. Het is de verdienste van De Jong dat zij wijst op de buitengewoon boeiende overgangszone tussen die twee. De Roy van Zuydewijn vertaalt het dan ook met indirecte rede: ‘nu zou hij die man voor zijn wandaden straffen’. ταχ εσ δ µιν πποι λκον κηδ στωσ κο λασ π ν ασ Αχαι ν (XXII 464-5). dat bij de keuze van epitheta de zanger zich laat leiden door overwegingen van versbouw en metrum en anders niets (cursivering van mij. We hebben hier niet te maken met een grotendeels geautomatiseerde versificator. aspect van de homerische poëzie: de woordkeus.. which I express rather boldly by saying that in important senses the Homeric epics have two vocabulairees’ (40). ‘schurk’. Dit moet dan ook wel de reden zijn waarom Aristoteles in zijn Poetica Homerus prijst als uniek onder de epische dichters: µ νοσ γ ρ (.) τι µιµ σεισ δραµατικ σ πο σεν (1448b35): ‘want hij is uniek (. En wanneer hij Parry’s uitspraak citeert.) in het gebruik van de dramatische wijze van uitbeelden’. Niet zonder enig sarcasme noteert Griffin: ‘All this ought to pose a general question to the oralists. De vergelijkingen Bowra had er al opgewezen dat vergelijkingen een vast bestanddeel zijn van epische poëzie in allerlei culturen in en buiten Europa. maar met een zijn woorden welbewust kiezende en ter plaatse precies aanwendende dichter. nu de verteller ons het kijken en voelen van Andromache laat meebeleven. De conclusie mag zijn dat Homerus in veel hogere mate fijnzinnig en kieskeurig zijn woorden hanteert dan men wel dacht. Het woord λε τησ. ‘zondaar’. is een qualificatie die niet zozeer door de verteller als wel door Menelaus aan Paris wordt gegeven.. Zij toont aan dat een groep van gevallen waar Griffin geen raad mee weet. Nu heeft Griffin zelf zich aan een bepaalde simplificatie schuldig gemaakt (waarin ik hem tot op dit punt in mijn betoog gevolgd heb) door te doen of er niets anders is dan vertellerstekst en directe rede. namelijk emotioneel evaluerende woorden die in de vertellerstekst voorkomen. Het is Andromache die dit ziet. voor een gedicht zo fundamentele. voegt hij daaraan toe.. JMB). met een moordende hoffelijkheid: ‘the phaenomena should not be oversimplified’ (50). op deze wijze toch aan de personages toegeschreven kunnen worden. ‘meedogenloos’. ziet hoe Hector door Achilles’ paarden voortgesleept wordt: τ ν δ ν ησεν λκ µενον πρ σθεν π λιοσ. Tot zover over dit eerste. de wagen bestijgt en de zweep over de paarden legt is in 395-404 tamelijk technisch beschreven in de vertellerstekst. valt het geladen woord κηδ στωσ.in de vertellerstekst de gebeurtenissen zó vertelt dat het publiek zelf door te luisteren naar wat de personages tegen elkaar zeggen zich een oordeel moet vormen over de morele substantie van het verhaal. Een goed voorbeeld is de passage waar Menelaus voor het eerst in de Ilias Paris naar voren ziet komen en hem te lijf wil: σ χ ρη Μεν λαοσ Αλ ξανδρον θεοειδ φθαλµο σιν δ ν. dat die paarden dat zo maar doen zonder enig mededogen!’ Het feit dat Achilles Hector achter zijn wagen aan bindt. Dat woord komt vijfmaal voor in de directe rede. in een soort van ‘discours indirect libre’. Een ander voorbeeld is wat Homerus doet met het woord κηδ στωσ ‘rücksichtslos’. namelijk waar de verteller weliswaar niet een personage aan het woord laat maar wel diens indrukken of gedachten weergeeft. nu pas. omdat dat telkens ook dichtertradities 69 .

Die kwam er dan ook. nu juist zijn eigen superioriteit als dichter demonstreerde.25 vv. met de verteller mee. Wat is het geval? Wie de tekst van Ilias of Odyssee leest. δι πτατο καππεσ την λ τησιν οικ τεσ ψηλ σιν V. met een neerstortende boom. (2) In de lading die Homerus aan zijn vergelijkingen gaf. wanneer een strijder zijn Wapenrusting aantrekt. Juist die afstand maakt het mogelijk dat een vergelijking in sommige gevallen de gebeurtenis zelfs ironiseert. 92-98. (1) In de uitwerking zelf: want er is gezien het materiaal dat Bowra aandraagt. het bloed dat Menelaos met schrik uit een oppervlakkige wond over zijn been ziet lopen. Ik zal daarvan alleen de eerste twee kort bespreken. de schittering van zijn wapens meermalen vergeleken met de fonkeling van een ster.) vergelijkt met een grote worst die boven een vuurtje geroosterd wordt: zoals wij in onze taal zouden kunnen zeggen ‘hij zat op hete kolen’! Maar er zijn ook vergelijkingen waarin het gezichtspunt van een der personages wordt geboden. en we vinden die juist op belangrijke plaatsen van de vertelling.. 141 vv. door Homerus vergeleken wordt met purperen lijntjes die een kunstvaardige vrouw aanbrengt op een voorwerp van blank ivoor. 157-166 en 405-411. de derde komt straks in mijn vierde hoofdstukje nog te pas. hij verklaart deze toestand door de hypothese dat veel van die uitwerkingen door latere rhapsoden aan de Ilias zijn toegevoegd.. 320 (Αθ νη) ρνισ δ σ . 41 (Αχιλλε σ) λ ων δ σ γρια ο δεν l. dat de qualificatie oraal en traditioneel alleen van toepassing is op het verschijnsel van de vergelijking als zodanig en op het voorkomen van bepaalde typen van vergelijkingen op bepaalde punten van het verhaal: zo wordt bijvoorbeeld. 100 XXIV.5 Priamus. zeker gebruik makende van overgeleverde poëtisch materiaal. In een linguïstische studie van het homerische vocabulair heeft Shipp aangetoond dat juist in de uitwerking van de vergelijkingen (en het zijn deze breed uitgewerkte vergelijkingen die ons allen zo dierbaar zijn) een significant hoog percentage aangetroffen wordt van vormen die op linguïstische gronden ‘laat’ genoemd moeten worden. Scott prefereert (en daar wil ik hem graag in volgen) aan te nemen dat de ‘laatheid’ van deze taalelementen erop wijst dat het ‘late moment’ waarop de uitgewerkte vergelijkingen komen. Deze Scott komt echter tot de bevinding. 560. gaat ervan uit dat de stem die hij hoort en de visie die hij geboden krijgt. Maar. bijvoorbeeld wanneer in Ilias IV. naar wat aan de heroïsche personages overkomt. wordt hij vergeleken met een leeuw. 219 ψυχ δ κατ χθον σ τε κ πνοσ χετο XXIII. als hij sneuvelt. In boek XXII van de Ilias maar liefst vier: 25-32. of wanneer hij het rusteloos ronddraaien van Odysseus op zijn bed (20. die van de verteller zijn. in de verte komt Achilles in volle vaart aanrennen. alle reden om aan te nemen dat alleen de korte vergelijkingen van het volgende type traditioneel zijn: Α ασ γγ θεν λθε φ ρων σ κοσ τε π ργον VII. Hier zou veel over te zeggen zijn: ik beperk mij tot een groep van vergelijkingen die door (alweer) Irene de Jong op treffende wijze assimilated similes genoemd zijn. als hij aanvalt. het moment is waarop Homerus. ziet dat zijn zoon Hector als enige daar buiten de stadsmuur is gebleven om Achüles op te wachten. staande op de stadsmuur. In zeer vele gevallen is dat inderdaad zo: men kijkt van een zekere afstand. 70 . met de monografie van Scott. zegt Scott. en dat dit misschien wel bij uitstek geldt voor de vergelijkingen.zijn op basis van ^oral poetry’ kon het niet anders of er zou een studie verschijnen over het traditionele en orale karakter van de homerische vergelijking. het is waarschijnlijk dat Homerus oorspronkelijk en vernieuwend is geweest in twee belangrijke opzichten: ten eerste in de brede uitwerking van de vergelijking en ten tweede in de lading die hij aan de vergelijkingen gaf.

Deze vergelijking laat ons meekijken met de angstige blik van de koning die het onheil onafwendbaar ziet naderen. van De Roy van Zuydewijn). Want we vinden verspreid door de Ilias verhalen die ons een glimp te zien geven van heel andere sagencomplexen: de jacht op het Calydonische everzwijn. om de borst van de rennende held. waar een personage iets of iemand als reusachtig en gevaarlijk ervaart en beschrijft. ondanks de smeekbeden van zijn vader en moeder (35-91) en ‘wachtte zijn naderende vijand. als waren dat reeds vormvaste teksten. In deze twee gevallen heeft de dichter dus op bijzonder subtiele manier het gezichtspunt dat in de vergelijking onder woorden gebracht wordt geassimileerd aan dat van het personage waar het om gaat.w. Met Hectors ogen zien we Achilles naderbij komen. Ingelaste verhalen Men dacht tot voor kort dat Ilias en Odyssee niet alleen in de eigenlijke verhaalstof: de gebeurtenissen voorafgaand aan de val van Troje.in razende woede ontstoken kronkelt hij zich bij zijn hol met angstwekkend starende ogen zo was ook Hector een en al strijdlust. afhankelijk van eerdere epen. Niet zelden spraken ze dan hun bewondering uit voor die oude verloren gegane liederen en hun verbazing over de kreupele manier waarop Homerus ermee omsprong.) Het adjectief πελ ριοσ heb ik hier (mijn enige correctie op de Roy van Z. de daden van Heracles enz. Homeruskenncrs spraken daarom vroeger over een cyclus van oudere epen en probeerden vanuit Homerus die verloren gegane oudere epen te reconstrueren.) met ‘reusachtig-dreigend’ weergegeven. de reusachtig-dreigende Achilles.‘Priamos kreeg hem het eerst in het oog. de strijd tussen Kentauren en Lapithen. Zoals een slang in de bergen na ’t eten van giftige kruiden dicht bij zijn hol iemand afwacht . (92-97.’ (25-32 in de vert.z. toen de grijzende koning hem door de vlakte zag gaan in zijn blinkende rusting-een heldere sier zoals in de nazomer. zelfde vert. blonk het brons van zijn rusting. want waar het in de homerische gedichten voorkomt. zoals Homerus die van zijn voorgangers had geleerd. neemt de oude Nestor het woord» Om zichzelf extra gezag te verschaiien bij zijn 71 . Ik beperk mij tot twee kleine voorbeelden uit het eerste boek van de Ilias. d. Recent onderzoek heeft daarentegen uitgewezen dat het vermoedelijk juist andersom is: dat die oudere verhalen er wel geweest zullen zijn maar vermoedelijk nog tamelijk amorf. de Zeven tegen Thebe. aan zijn doel aangepaste manier presenteert. Wanneer het conflict tussen Agamemnon en Achilles in volle hevigheid is uitgebarsten in de agorè. is hij een teken van onheil die met kwaadaardige koortsen bezoekt de rampzalige mensen zo. stralend rijst in het diepst van de nacht tussen talloze andere sterren. Hond van Orion wordt hij genoemd door de mensen en waar hij veruit het helderste licht geeft. Hector bleef staan bij de Skaiïsche poort. maar ook in de ingelaste verhalen. is het bijna uitsluitend in directe rede. tijdens de hondsdagen. hij week niet terug en steunde zijn blinkende schild op een uitspringend deel van de stadsmuur’. Zoals de slang op de grond ligt en een hoge gestalte dreigend ziet naderen maar desondanks niet wijkt van zijn hol: zo Hector. Qua techniek van vertellen zijn we een heel eind verder dan de eenvoudige ‘Kurzvergleiche’. traditioneel waren. en dat Homerus die verhaalstof juist op creatieve. in elk geval nog niet in gefixeerde vorm.

Briareos. deze drie goden de fanatieke beschermers der Grieken zijn. hij kwam. is niet dit traditioneel72 . Wat Homerus als verteller aan zijn publiek wil overdragen. want Thetis had toen een honderdarmig monster erbij gehaald. hoe men lang geleden in een conflictsituatie óók naar hem geluisterd heeft (1260-274). een generatie later plaatst) en daarbij het beslissend ingrijpen aan Thetis toeschrijft om haar zo van invloed bij Zeus te voorzien. zullen zij drieën zich verzetten. Homerus heeft een oude bekende verhaalstof genomen en daaraan een aan zijn intenties aangepaste vorm gegeven. met name Hera. en de drastische gruwelijkheid rond de verwekking van Aphrodite zoals we die bij Hesiodus vinden (Kronos hakt de geslachtsdelen van zijn vader Ouranos af en smijt ze in zee. Dit verhaal levert dan precies het bewijs dat Zeus hen indertijd óók aan kon. Zeus. Poseidon en Athena als de revolutionairen bij uitstek? Omdat in de situatie waarin Thetis zich gaat wagen. die in een woest gevecht met de Kentauren verwikkeld waren.poging om het conflict te beslechten vertelt de oude koning van Pylos een verhaal.w. Poseidon en Athene. Ik trek een conclusie die parallel loopt met die in de twee eerdere hoofdstukjes van mijn betoog: Homerus is een subtiele vernieuwer en niet een poeta dormitans. Het was een uit de hand gelopen bruiloftruzie. dan wordt door het schuimende sperma vanuit de zee de godin van de sexualiteit verwekt en geboren) is bij Homerus vervangen door een eerzame geboorte uit een verbintenis van Zeus met Dione. De Lapithen. wanneer Zeus nu een rijd lang de Trojanen de zege gaat geven (dat zou Achilles graag zien gebeuren. In meer algemene zin valt hierbij nog op te merken dat Homerus uit het mythische materiaal datgene weglaat wat niet past in zijn eigen poëtische kraam: zo laat hij nooit monsters als bijvoorbeeld Kentauren het toneel opdraven (de in de traditie vastliggende rol van (fc Kentaur Cheiron als Achilles’ opvoeder heeft de Iliasdichter aan Phoenix gegeven). ontstaan omwille van een vrouw. zo kan hij dat nu zijn en daarom moeten Achilles en Agamemnon naar hem luisteren. bij de strijd om de macht na de val van Kronos. meer verfijnd. en die had het gevaar gekeerd. Maar Homerus laat hem toch dit verhaal vertellen. en ook dat . die dommelend en haast mechanisch oud materiaal presenteert. Achilles wil daar zijn moeder Thetis erop wijzen dat zij bij Zeus veel invloed heeft. Maar waarom noemt hij dan Hera. Wél kende de traditie het verhaal dat Zeus. Bij nader inzien is dat heel vreemd: die strijd tussen Kentauren en Lapithen was helemaal geen langdurige oorlog tussen twee staten waarbij het zin had om van verre bondgenoten te ontbieden. Waarom? Omdat het daar ook een ruzie was. grote moeite had om de Titanen en Typhoeus te overwinnen. hadden hem. Het tweede voorbeeld betreft de passage I 396-406. Nestor hoort daar helemaal niet in thuis. dreigde het onderspit te delven tegen de andere Olympiërs. streed aan hun zijde en hielp hen met goede raad. Zoals Nestor toen bij die ruzie om een vrouw voor de Lapithen een nuttige bondgenoot en raadsman geweest was. Het verhaal is strikt beperkt tot NoordwestGriekenland (Thessalië). Minder schokkend. Het heeft er alles van dat Homerus dit thema hier ‘transponeert’ (d. dat wordt bij Hesiodus uitvoerig verteld. te hulp geroepen.Briareos en de twee andere honderdarmigen Zeus toen hielpen de zege te behalen. en Theris moet dat voor hem vragen). Alweer een vernieuwend en geheel aan het eigen vertel-doel van Homerus aangepast gebruik van traditionele verhaalstof.Wat moeten we met dit verhaal? In de oudheid wist men er al geen raad mee (zie de radeloosheid van de scholia ad locum).z. omdat zij hem lang geleden eens had geholpen toen hij. Nestor. .volgens een advies gegeven door Gaia . precies zoals nu Agamemnon aanspraak maakt op Achilles’ geliefde Briseïs. ontstaan toen een Kcntaur die gast was op de bruiloft van de Lapithenvorst Peirithoüs zich van de bruid dreigde meester te maken.

Homerus doet méér dan het doorgeven van deze traditionele voorstelling. 145-52). heeft zijn plaats ‘in den hoge’. roemrijke. 1-4) en geamuseerd (VII. aldus in twee kampen verdeeld. Vandaar overziet hij alles. de steden bezoeken en in ogenschouw nemen hoe mensen zich aan de wet houden dan wel zich aan anderen vergrijpen. XXII. Welnu. De locus classicus voor dit bewustzijn is in het derde boek van de Ilias te vinden. gaan elkaar te lijf. van Hector en Andromache moeten kijken? Ja. de philhclleense goden op de ene en de philotrojaanse op de andere (XX.6 Meestal kijken ze geboeid (IV. één daarvan is duidelijk voor een ieder die met aandacht de passage Ilias XXII 157-166 leest. machtige Vader! En gij. Het toekijken der goden Voor het bewustzijn van de Grieken. Overigens duurt het niet lang of de goden. Zij kijken toe vanaf de Olympus of vanaf het dichter bij Troje gelegen Idagebergte op dezelfde wijze als publiek toekijkt bij sportwedstrijden of toneelvoorstellingen. afstammend van Ouranos. In Odyssee 17. Op zich is dit al een vertellerskunstgreep van buitengewoon hoog gehalte en het publiek van Homerus heeft er zeker van genoten zich door hem telkens in de Olympische fauteuils te laten duwen en van daaruit mee te kijken. Dat toezien heeft in de eerste plaats een kosmische betekenis. een enkele maal met een voorbijgaande emotie van medelijden (XVI. 388 vv. maar dat zij soms. op bergtoppen en met name op de Olympus.7 Wil Homerus dan bereiken dat wij met het perspectief van de goden naar de gebeurtenissen rond Troje. De oppergod. zo vroeg als teksten daarover enige bewering veroorloven. in de zogenaamde Theomachie (XXI).fabuleuze.). 125-37) en nemen plaats op twee ‘tribunes’ in de vlakte van Troje. is de macht van de goden voor het belangrijkste deel ‘in den hoge’ gesitueerd en niet primair in de diepte. 484-7 wordt zelfs gesteld dat de hemelgoden niet tevreden zijn met inspectie vanuit de hemel. Datzelfde doet ook de zon. alleshorende godheid. Vanaf zijn Olympische loge vermaakt Zeus zich kostelijk met het kijken naar dit goddelijk handgemeen (XXI. wanneer Grieken en Trojanen een wapenstilstand sluiten en met eden bekrachtigen. komen de goden zelfs en bloc naar beneden om beter te kunnen kijken (XX.een elk die een meineed gepleegd heeft u roep ik aan als getuigen en vraag u dit pact te bewaken. gij rivieren en aarde en gij die vanonder het aardrijk doden aan straf onderwerpt . 61). Achilles achtervolgt Hector 73 . Zeus. Wanneer Achilles eindelijk weer ten strijde trekt en het er naar uitziet dat hij zijn woede op de Trojanen gaat koelen.’ (276-80). maar uiteindelijk ook beslist weer niet. 431. maar wordt door de mensen ook gevreesd omdat het consequenties heeft voor hun ethisch handelen: zij straffen de boosdoeners. in de aarde (dit laatste schijnt bij de prehelleense religiositeit wel het geval geweest te zijn). Helios. op mensen gelijkend. soms ook is hun blik door iets anders verderop afgeleid (XIII. 169). alziende. naar de lotgevallen van Achilles en Patroclus. maar een bepaald perspectief op wat mensen zijn en wat ze elkaar aandoen. Agamemnon bidt dan: ‘Zeus. Als de straf al gevoeld wordt als een die althans voor doden zich afspeelt onder de aarde. Er zijn vele gegevens die pleiten voor de stelling dat hij dat niet bedoeld heeft. van de Ida heersende. En daarmee kom ik aan de stof van mijn vierde en laatste hoofdstuk. 1-7). Hij kent aan de goden een nieuwe functie toe en maakt hen tot een in het epos ingebouwd publiek. zeker is dat de inspectie berust bij de hemelgoden.

wiens vrouw en kind de verteller ons in boek VI heeft laten ontmoeten. inv. 2064 74 . eerste klas dravers. de paardenbedwingende krijgsheld’. Iraklion. Griekse zanger. veel sterker was echter de tweede. h. Mus. drievoet of vrouw. wiens dapperheid. de vluchteling en zijn belager sterk was de eerste genoeg. kunnen aanzien: het gaat om het leven en de dood van de mens Hector. Arch. Bronzen beeldje. stervelingen als we zijn. overmoed en beoordelingsfouten hij ons heeft verhaald in de loop van de Ilias en naar wiens wanhoopsrede we zojuist in boek XXII 99-130 hebben geluisterd. Geometrische periode. in vliegende vaart om het keerpunt heen zwenken. ons goed moeten realiseren dat we dit niet ontspannen. en om het hardst liepen zij. De verteller maakt hier dus expliciet duidelijk dat wij. op hun vliegende voeten. 55 cm. Maar dan gaat de tekst als volgt verder: ‘Zoals bij lijkspelen voor een gesneuvelde vriend om een mooie kampprijs. ten aanschouwen der eeuwige goden’. renden zij verder en keerden driemaal om Priamos’ stad. wordt gerend en zoals dan de paarden. maar om het leven van Hector. als toeschouwers bij een wedstrijd. want niet om een rund of een draagschild snelden zij voort^ de gewone prijs bij de wedloop der mannen.rond de muren van Troje en tijdens dit hardlopen passeren de mannen de bronnen van de Scamander: Waarlangs renden zij voort. zo.

Men kan hiermee heel goed de kunstgreep vergelijken die de Odysseedichter toepast wanneer hij in de boeken 6 t/m 8 de Phaeaken beschrijft als paradijselijk gelukkige mensen die leven in overvloed. J. 5. Bowra. Hoekstra. The Making of Homeric Verse. een tweede. Heroic Poetry. Bibliografie C. M. Narrators etc. Oxford 1976. menselijk publiek in zijn vertelling ingebouwd: Priamus en Hecabe. Chicago 1962. Flexibility of the Homeric Formula. Oxford 1952 B. geraffineerd en meeslepend verteller maken. het gegil en geschreeuw vanuit haar huis verneemt. nl. 6. zijn ze niet ontvankelijk voor de ernst en de tragiek van het door geboorte en dood ingeperkte mensenbestaan. Oxford 1968 A. Shipp. CQ 65 (1971) 16-26 J. Amsterdam 1987. heeft de verteller. en tenslotte Andromache die pas wanneer Hector gedood is. Om nog beter duidelijk te maken dat het afstandelijk perspectief van dit goddelijk publiek niet het enig mogelijke is. 113-9. Als ze ook aanleiding zijn voor de lezers hun Homerus weer ter hand te nemen.Hiermee benadrukt de dichter dat het in de ogen der goden wél een wedstrijd is. de Jong. toen Joseph als student in Parijs aankwam. kon hij een begin maken met Grieks te leren. Cambrige 19722 75 . en I. die op de muren van Troje staan en dit alles moeten aanzien. Studies in the Language of Homer. Braswell. Scott. I. Grüner. Pfeiffer. Narrators and Focalizers. F. daar waar Odysseus eindelijk zijn vrouw in de armen sluit. pas na de dood van Scaliger senior. The presentation of the story in the Iliad. en dan Odysseus aan hen zijn grote reisverhalen laat doen (bk 9 t/m 12). The Oral Nature of the Homenc Simile. Over Joseph Scaliger. 7. C. de Jong. B. Oxford 1983. J. dodelijk geschrokken. zou ik daarmee zeer gelukkig zijn. Hainsworth. Griffin. Oxford 1980. Zo is het ook veelzeggend dat op het hoogtepunt zelf van de Odyssee. κηδ στωσ. History of Classical Scholarship. en zelfs zo dat het hun spijt wanneer een dierbaar paard verongelukt: maar ze zijn ten eerste Britten en ten tweede steenrijk. ‘Mythological Innovation in the Iliad’. naar de muren rent en dan. Zie bijvoorbeeld de tekeningen van Lconard Baskin waarmee Richmond Lattimore zijn overigens fraaie Iliasvertaling heeft laten illustreren: The Iliad of Homer. Over vader en zoon Scaliger zie R. Zo is het ook met de goden in de Ilias: omdat ze zelf onsterfelijk zijn en probleemloos leven ( ε α ζ οντεσ). Zie het slothoofdstuk van J. Noten 1. JHS 106 (1986) 36-57. Oxford 1971 W. Homeric Modifications of Formulaic Prototypes. dus het doet hun in wezen niets. J. Grafton. ziet hoe Hector voortgesleept wordt. Amsterdam 1965 M. Hij gaf aan zijn begaafde zoon een uitzonderlijk grondige training in Latijn. Ik wil met nadruk stellen dat mijn vier hoofdstukken niet een volledige opsomming zijn van alles wat Homerus tot een groot. een die ons zelfs in staat stelt het emotionele gezichtspunt van de beide personages tegelijk mee te beleven! Zie mijn bijdrage in Classical Quarterly 37 (1987) 423-426. Griffin’s Homer on Life and Death. Joseph Scaliger. die de laatste dertien jaar van zijn leven doorbracht in Nederland als hoogleraar te Leiden verscheen onlangs een monumentale studie van de hand van A. Leiden 1974 G. ‘Words and Speakers in Homer’. K. waarnaar ze kijken zoals de leden van de Engelse aristocratie door hun verrekijkers naar de races van Ascot kijken: geboeid. een vergelijking van dit type wordt gevonden. 4. Dit laatste woord brengt mij terug bij mijn eerste hoofdstuk en signaleert dat het rijd is om deze uiteenzetting af te ronden. F. B. juist in dit boek waar het er zo op aan komt. Ze geven misschien tezamen voldoende aanleiding om de stelling dat Homerus een primitief dichter is te weerspreken. 3. Parry. (reeds geciteerd in noot 3). 2. maar hield hem verre van het Grieks.

Tecte quae frondent per iuga litorea . H. Prosiliens sonipes fremitu loca complet acuto Cursumque accelerans ardua sponte petit : Constitit in summo. In oubevolen draf. Aanschouwden onze ontroerde oogen. Onder de koperroode maan. Dishoeck 1919). den Oceaan ! Experimenten p. . Onmetelijk. Toen woei een windje in onze ooren Een vreemd gemurmel ver en veeg . En brieschend sprong mijn vos naar voren. Docti propositas orientis tangere metas. DAMSTÉ (1929) 76 . En stond ter kruine. En statig stapten onze rossen Naar ‘t oosten en ‘t verlangde doel. De nacht was in de eikebosschen Tusschen de heuvlen klaar en koel . 15 (v. en steeg. . Aures ecce meas afflavit leniter aura. . . Onbewogen. Desuper immotis prospiciens oculis. Incessu stabili progrediuntur equi. sensus iam detinet omnes Caerulus immensi gurgitis Oceanus ! P. Attonitus persto . Longe ceu veniens murmur et ambiguum . LATINE. Rutiiae sub sidere lunae.Thalassa! door GEERTEN GOSSAERT. Humida quercetis nox incubat orbe sereno.

en door een geestig gebruik van allitteratie. quod meae [pueliae Bonanmt Veneres Cupidinesque. mi Fabulle. een zeer preciese doch nooit precieuse woordkeus. dat zich nooit ‘opzettelijk opdringt. apud me Paucis. waarvan Goethe zeide. Door . die het juiste woord ook op de juiste plaats brengt. waardoor zijn roem bij het nageslacht het meest zou blijven voortleven. Men bemerkt dat het best. door een zeer nauwkeurige schikking. die geheel eenig zijn in de antieke litteratuur: levend en direct als weinige gelegenheidsgedichten van die soort.Twee Nugae van Catullus Het was zeker geen aanstellerij van Catullus. van grapjes. Fabulle. We mogen er Cornelius Nepos dus dankbaar voor zijn. is hier een effect bereikt. deos rogabis. dat hij — zooals uit de opdracht van het bundeltje blijkt — die nietigheid jes lang niet niks vond. 10 Cenabis bene : nam tui Catulli Plenus sacculus est aranearum. attuleris. met den naam van „Nugae”. dat hij het bundeltje verzen. nasum. Quod tu cum olfacies. Door zijn oordeel is een reeks van gedichten bewaard gebleven. diebus — en vertaal naar den zin : Je zult goed bij mij eten. omdat de middelen als middelen zoo eenvoudig zijn. diebus. den Attis de Haarlok van Berenice. als men een paar regels in het Hollandsch vertaalt en dan ziet hoe weinig er van de charme van het origineel is overgebleven. waardoor hij met de Grieken. binnen weinig dagen. met de Alexandrijnen. inquam. mijn Fabullus. non sine candida puella Et vino et sale et omnibus ca[chinnis. dat het de beste gedichten zijn. Sed contra accipies meros amores Seu quid suavius elegantiusve est : Nam unguentum dabo. venuste [noster. dingsigheidjes. Ongetwijfeld beschouwde hij de Bruiloft van Peleus en Thetis. dat te opmerkelijker is. Haec si. mi Fabulle apud me / Paucis. Totum ut te faciant. 77 . Als alle echte kunst evenwel zijn deze Nugae voor het meerendeel veel kunstiger dan ze zoo op het eerste gezicht gelijken. si tibi di favent. Si tecum attuleris bonam atque [magnam Cenam. als de goden je gunstig 1 C a r m e n XIII : Cenabis bene. Neem slechts de eerste 2 regels van de invitatie aan Fabullus 1 : Cenabis bene. kon wedijveren. de groote elegieën en epithalamia als zijn eigenlijke dichterlijke werk. litteraire beuzelingen. betiteld heeft. si tibi di favent.

wat aan de Hollandsche vertaling dezer regels ontbrak. want dat is voor den Latijnschen zinsbouw vrij ongewoon : op het eten komt het aan. cenabis. Wat is er nu zoek geraakt ? Ten eerste natuurlijk de spelende cadance van het vers. zul je Dineeren fijntjes. copieus Diner (en niet vergeet je mooie meisje) Èn wijn èn zout en al je guitigheden. dabitur. Voeg daar nog bij. 2. maat. Met. dat het hartelijke mi Fabulle met apud me ook door klankovereenkomst 1 opzettelijk verbonden is : dan heeft men. een fijn. als hij het zelf meebrengt. dat het werkwoord. Maar daarvoor krijg je in dank „parfait amour”. 78 . Als jij die ruiken zult. het voornaamste. en het onschuldig woordspel van mi Fabulle en di favent. dat de hulp der goden noodig is. als de goden ’t geven. voorop gaat. zooals ook in den 2en regel de allitteratie van di en diebus sterker doet voelen. geloof ik. want Fabullus zal zijn diner slechts krijgen. Vertalen. Wanneer jij. echter niet minder afdoen tot den indruk. die misschien minder opvallen. die aan mijn meisje De goede geesten der bekoring gaven. die deze ongewisse toekomst accentueert. om zich zoodoende de moeite te besparen. Want ik fourneer parfum. om zich ten volle rekenschap te geven van de waarde van het origineel. Of wat maar liefelijker is en chiquer.zijn. dat meebrengt. Het kan niet toevallig zijn. wordt door herhaling in bene en Fabulle den lezer nog eens ingeprent. zoo goed als men kan. die niet zonder opzet in den overeenkomstigen voet van het vers staan. 1 Iets dergelijks Ovid. vraag je de goden Fabullus gansch en al tot neus te maken. is ten slotte de eenige manier. Fabullus. Wanneer je meebrengt. De letter. want je vriend Catullus Die heeft zijn heele beurs vol spinnewebben. ooiijkerd. Is het nu onmogelijk in het Hollandsch iets van de kleine bekoorlijkheden van zoo’n versje weer te geven ? Men mag zich niet tevreden stellen met een bekentenis van onvermogen. niet zonder bedoeling. Daaruit blijkt dat zulke dingen niet toevallig zijn. bij mij Al binnen zeer kort. En dus : Dineeren zul je fijn. Maar ook andere trekken. 101 : ne dubita. De versmaat legt een sterken nadruk op den toekomst-vorm.

dan wordt ook hij wel even verteederd.Op den dood van Lesbia’s musch”. 1 Men weet bij dit gedicht nooit. Natuurlijk vindt Catullus het wel beroerd. Sed circumsiliens modo huc modo [illuc 1 10 15 Ad solam dominam usque [pipiabat. waar de spot eindigt en de ernst begint. En hij eindigt met een verwensching van die ellendige musch. dat de nadruk van totum het in het origineel nog wel duidelijker maakt dan de vertaling doet. het sterkst. dat het diertje dood is. dat onverwacht komt. Veel gecompliceerder van sentiment dan dit versje is dat allerbekendste van Catullus’ gedichten : . nu hij dat kleine dooie lijfje voor zich ziet. Qui nunc it per iter tenebricosum Illuc. Nam mellitus eraf suamquenorat Ipsam tam bene quam puella [matrem. Fabulle. dat de woordspeling olfacies en te faciant onvertaalbaar is. nasum — dan zal men bemerken. En ten slotte komt men tot de ontdekking. maar opzettelijk overdrijft hij meteen weer dat gevoel. unde negant redire [quemquam. quae omnia bella devoratis : Tam helium mihi passerem abstu[listis. vooral omdat Lesbia het zich zoo aantrekt. hoe blijkbaar Fabullus ook zonder deze goddelijke parfum al een goed eind op weg was om heelemaal tot neus te worden. hoe vroolijk en vief het vogeltje was en hoe bizonder het op de vrouw gesteld was. want daar spreekt een woord. 5 C a r m e n III : Lugete. maiae tenebrae Orci. Nee sese a gremio illius movebat. door wier schuld zijn Lesbia er met hare roodbehuilde oogen zoo triest en ontoonbaar uitziet. Quem plus illa oculis suis amabat. Als hij zich herinnert. Maar hoort men nu de beide laatste regels in het Latijn : — Quod tu cum olfacies.De zuivere hartelijkheid en de fijne Gallische scherts van deze invitatie voelt men misschien ook in de vertaling. At vobis male sit. maar hij is toch meer jaloersch om die smart dan bedroefd. Et quantum est hominum venus[tiorum : Passer mortuus est meae pueliae.. om er van af te komen. dat de allitteraties totum te en faciant Fabulle verloren zijn gegaan. o Veneres Cupidinesque. Passer. deliciae meae pueliae. deos rogabis Totum ut te faciant. 79 . dat nasum achteraan pas heelemaal op de goede plaats staat. O factum male ! io miselle passer ! Tua nunc opera meae pueliae Plendo turgiduli rubent ocelli.

een vleugje haat tegen het onbeduidend creatuurtje. Het heeft geen zin die alle op te sommen. o Veneres Cupidinesque . en over dit alles heen de fijne spot. Want een honnetje was hij en zijn vrouwtje Kend’ie even zoo goed als ‘t kind zijn moeder. de fijne schakeeringen van klank en rhythme zeer zeker niet. heeft zij haar doel bereikt. Maar steeds hippend rondom haar her. . die opzettelijk en ironisch dit kleine voorval opblaast tot een wereldschokkende gebeurtenis.en derheen Tjilpt’ie almaar door tot de vrouw alleenig — 80 . hoe de dichter heel even parodieert. als hij beschrijft. En zoo vindt men in dit gedicht nog andere toespelingen op de teedere poëzie der Alexandrijnen. wat Catullus op het vogeltje toepast. Even later volgt hij Theocritus na. dat deze breed-galmende verzen den zelfden maat hebben als het gedicht aan Fabullus. De verschillende nuances van gevoel zullen daarin misschien wel duidelijk worden. . Niet minder dan door haar verdiensten doet zij dat door haar tekortkomingen : Klaagt nu minnegodinnen. „vanwaar geen schepsel weerkeert”. Is het niet verwonderlijk. En hij wilde dan ook van haar schoot niet wijken. Zooals de Grieksche dichter Bion den gestorven Adonis bezingt: Α ζω τ ν Αδωνιν π λετο καλ σ Αδωνισ . wier diepte wij peilen door de jaloezie van den minnaar. die doen bemerken. En al minlijker menschen scharen weeklaagt! Muschje is henengegaan. hoe het muschje den duisteren weg ten Hades gaat. een liefde voor Lesbia. Dat zij meer dan haar eigen oogen liefhad. Maar natuurlijk had deze van den mensch gezegd. O het muschje.Zoo voelen we hier dus naast en door elkander : een kleine deernis om het doode muschje. λετο καλ σ Αδωνισ παι ζουσιν Ερωτεσ aldus Catullus : lugete. mijn meisjes muschje. met zijn vluggen vlotten gang ? Maar als een vertaling ons de waarde van het oorspronkelijk beter doet begrijpen. Beter is het te trachten het karakter van het geheele vers door een vertaling weer te geven. dat al die droefheid heeft veroorzaakt. liefdegoden. Vandaar dat Catullus zijn klaaglied inzet met een aanhef in grooten stijl. mijn meisjes eigen schatje.

waarvandaan geen schepsel weerkeert. gij duistre machten. dat verslindt alles. Door uw toedoen nu zijn mijn meisjes oogen Van den stroom harer tranen roodgezwollen. wee over U. W. Hellebroed. wat schoon is.Treedt nu voort lan^s het pad der duisternisse Naar dat oord. Ramp der rampen. KUIPER (1928) 81 . Wee dan. ai ai rampzalig muschbeest. Zoo’n mooi musscheke hebt gij mij ontnomen.

den Hengst De behandeling van de twee nugae van Catullus door W. maakt een eigentijdse indruk. De voorstelling van de nugae als spontaan genoteerde. aangeduid door het futurum cenabis. uit het leven gegrepen impressies van het natuurtalent Catullus heeft voor Kuiper klaarblijkelijk al afgedaan. Hij bekijkt de gedichten vrijwel geheel in isolement (al gewaagt hij in zijn bespreking van c. Door alle discussies die er de laatste twintig jaar gevoerd zijn over de waarde van het vertalen in het onderwijs. De aandacht die Kuiper aan enkele vormelijke aspecten van het gedicht besteedt. ‘a Dutch treat’1 Beginnen we met de inleidende opmerkingen over c.en nadelen van argeloosheid D. zoals de mededeling dat het maar een eenvoudige maaltijd zal worden. Opmerkelijk is verder het vertrouwen dat Kuiper heeft in de vertaling als middel om wat hij noemt ‘de waarde van het origineel’ tot uitdrukking te brengen. zijn we de rustige zekerheid waar Kuiper in dezen blijk van geeft wel kwijt. Het wordt dan duidelijk dat er een paar standaardelementen in plegen voor te komen. waar dan weer tegenover staat dat het er vast vrolijk toe zal gaan. dat altijd positief gebruikt wordt van mensen die recht door zee gaan. bijvoorbeeld de opmerking dat het toekomst-karakter van het diner. versterkt wordt door de herhaalde b’s in bene en Fabulle. Catullus 13. mi Fabulle. maar ook dat een al te spitsvondig speuren naar dubbele en driedubbele bodems in dit gedicht tot hoogst onaannemelijke interpretaties heeft geleid. over de vertaling als hulpmiddel om tot het origineel door te dringen en over de doeltreffendheid van de vertaling als toetsmiddel om te controleren of een tekst begrepen is. omdat de gastheer niet veel geld heeft. zelf niet achterbaks zijn en niet steeds boos opzet bij anderen vermoeden. apud me. waartoe ik me verder zal beperken. Een enkele observatie is minder overtuigend. We 82 . 13 Cenabis bene. Ik gebruik de term niet denigrerend met de bijbetekenis van op onwetendheid berustende onoplettendheid. 13. zoals allitteratie en assonantie. Het gebruik van de toekomende tijd is bij uitnodigingen als deze overigens gebruikelijk. maar in de zin van het Latijnse simplicitas. De argeloosheid komt in Kuipers beschouwingen op twee manieren tot uitdrukking. onopgemerkt zijn gebleven. Uit dit kleine taalkundige detail blijkt al dat het zijn nut heeft thematisch verwante gelegenheidsgedichten naast de invitatie van Catullus te leggen. K(uiper) ademt een zekere argeloosheid. De hoop in het onderstaande te laten zien dat door die argeloosheid enkele problematische kanten van c.De voor. 3 van ‘de teedere poëzie der Alexandrijnen’) en lijkt ervan uit te gaan dat ze zonder vergelijking met verwante gedichten afdoende kunnen worden geïnterpreteerd.

6).9). 4. r. Daar is niets tegen. kom morgen op het negende uur: de maaltijd zal eenvoudig zijn.12 lijkt nog het sterkst op het gedicht van Catullus. het schaterlachen. Hij duidt zijn tegenprestatie eerst aan met meros amores. Een bezwaar tegen beide interpretaties van het gedicht is wel dat Lesbia helemaal in de marge blijft. ik zeg het nogmaals. want het is een geschenk dat de liefdesgoden aan zijn geliefde. een typisch Catullus-woord. ‘parfum’ (r. Die moet niet alleen het voedsel en de wijn meenemen. nee. En bovendien. het zout (sal.5). net als wijn en bloemenkransen. bij Horatius. De uitnodiging is nogal vaag: paucis.20. 13 uit ongeveer dezelfde tijd (60-55 v. Horatius kan zich niet permitteren als een rijke zijn vriend te onthalen zonder dat die daar iets tegenoverstelt. De tegenprestatie van Catullus Stelt Catullus hier dan niets tegenover? Wel zeker. Nu wordt het zo simpel ogende gedichtje toch nog ingewikkeld. vinden we er drie in de Oden (1.. die weliswaar geen cent op zak heeft.44) en een generatie later.hebben een uitnodigingsgedicht als c. waarmee hij geestverwanten aanduidt. Wil Catullus net zo brutaal mooi weer spelen met Lesbia’s bezit als met dat van Fabullus? Portretteert hij zichzelf als een bohémien avant-la-lettre.l l). Lesbia. ‘als de goden je goed gezind zijn’. al is niet direct duidelijk wat het is. want Catullus beschikt als geen ander over het vermogen om zichzelf als het ware van buitenaf te bekijken en met ironie te beschrijven. inquam. maar toch optreedt als een grand seigneur? Beide interpretaties veronderstellen een flinke dosis zelfspot bij de dichter.6). of.. anders gezegd dat de mededeling dat het unguentum door de goden aan haar gegeven is in het gedicht geen functie heeft. 3. hebben gegeven (r. maar het gezelschap belooft veel goeds’ (Anthologia Palatina 11.29. In het laatste geval betekent het ‘iets datje eenvoudigweg fantastisch zult vinden’ (Kuipers in de context van een diner nogal verwarrende ‘parfait amour’ berust vermoedelijk op de eerste interpretatie). Bij Catullus vallen een paar bijzonderheden direct op. op het volgende unguentum. wat mij aannemelijker lijkt. Daartoe dienen het mooie meisje (candida puella.12) en een in de Brieven (1.diebus. Ook daar vinden we het verzoek aan de vriend iets voor de maaltijd mee te brengen. Wat ieder nieuw gedicht van dit type interessant moet maken zijn de variaties die de dichter op het thema weet aan te brengen. Ode 4. ‘binnen enkele dagen’ (r. Geen wonder dat een Engelse geleerde aan dit gedicht de titel ‘A Dutch treat’ heeft gegeven.) van de Griekse dichter Philodemus waarvan de geparafraseerde inhoud aldus luidt: ‘Piso. Reukwerk hoort bij een diner.5). meebrengt’ (r. Chr. Vooral die laatste eigenschap zal Fabullus in deze situatie te stade komen.w. En hij spreekt Fabullus aan met venuste (r.2) en bovendien afhankelijk van de goedgunstigheid van de goden jegens Fabullus: si tibi di favent. waar Catullus nu goede sier mee maakt? Zo letterlijk zal vermoedelijk geen lezer de mededeling met het wel zeer onbestemde 83 . 11 -12 quod meae puellae/donarunt Veneres Cupidinesque). ‘zuivere. Het parfum dat Catullus zijn gast aanbiedt heeft op het eerste gezicht niets vreemds. de humor en de cachinni (r. Catullus drukt de lezer met zijn neus op het onconventionele van de uitnodiging door de voorwaarde die eraan is verbonden nadrukkelijk te herhalen: haec si. Alleen. mensen van goede smaak en met gevoel voor humor. attuleris.4). hij gaat veel verder en verwacht letterlijk alles van zijn gast. onversneden liefde’ (r. d. ‘als je dit alles.5).z. Vreemder is nog dat Catullus zich niet bij voorbaat voor het sobere karakter van de maaltijd excuseert. De lezer verwacht deze vaste bestanddelen aan te zullen treffen. Catullus biedt hier iets aan wat niet van hemzelf is. hoe moeten we ons de situatie voorstellen? Hebben de Veneres Cupidinesque een echte flacon parfum aan Lesbia gegeven. r. maar ook voor een aangename sfeer zorgen. Dat is een omstreden uitdrukking die ofwel slaat op Catullus’ hartelijke gevoelens voor zijn vriend.

Lesbia en Catullus. waar de lezer zestien regels lang de indruk heeft dat hij een lijkklacht voor een gestorven dier voor zich heeft. Is Lesbia zelf de draagster van het parfum. kunnen we constateren dat die heel correct is. wat mij het belangrijkste lijkt. ‘maat’ in r. Een vergelijkbare wending geeft Catullus aan zijn passer-gedicht (c. In boek 18 van de Odyssee wordt verteld hoe Athene Penelope in slaap brengt om haar vervolgens ‘langer en sterker’ te maken dan zijn tevoren was: κ λλεϊ µ ν ο πρ τα προσ πατα καλ κ θηρεν.. Fabullus dan heb je zó bij mij een goed diner. willen we ons ‘ten volle rekenschap (. Denken we niet aan een concrete flacon. Sommige woorden klinken na zestig jaar wel heel gedateerd. en ook de humor moet je niet vergeten. Dat een godheid een vrouw zalft om haar begeerlijker te maken is een voorstelling die we al bij Homerus aantreffen. ook wel gebleken dat er meer dan alleen een betrouwbare vertaling nodig is. Het is mij niet duidelijk hoe Kuiper uit totum aan het begin van de slotregel afleidt dat Fabullus ‘ook zonder deze goddelijke parfum al een goed eind op weg was om helemaal neus te worden’. ο ω περ ϋστ φανοσ Κυθ ρεια. ε τ ν η Χαρ των χορ ν µερ εντα (192-4) (‘zij reinigde eerst haar schone gelaat met een schoonheidsmiddel. µβροσ ω. dan houdt dat in dat zij zelf op het diner aanwezig zal zijn. Zo gelezen ontpopt het gedicht zich als een indirect compliment aan Lesbia. 3). goddelijk. Met name ‘oolijkerd’ voor venuste noster wekt de lachlust. dat iets moet betekenen als ‘al wat liefelijk en bekoorlijk is’. naar ik hoop. Maar breng dan wel een flinke zak met eten. Zo blijkt er in dit in vitatie-gedicht toch iets meer schuil te gaan dan de ‘zuivere hartelijkheid en de fijne Gallische scherts’ die Kuiper erin vond. wanneer zij zich schaart in de lieflijke reidans van de Gratiën’). wat extra jammer is omdat de letterlijke herhaling van cenabis bene begin en eind van het eerste deel van het gedicht markeert). een kruikje wijn en een leuk meisje mee.3. 84 .) geven van de waarde van het origineel’ De dwang van het metrum heeft hier en daar tot concessies en vulwerk geleid (bijv. Toch is. die Fabullus met haar geur tot verbijstering zal brengen. hebben opgevat. dan zal het parfum dat de liefdesgoden aan Lesbia hebben gegeven wel moeten slaan op de heerlijke geur die zij van zichzelf bezit. het mooie meisje. zodat het een partij wordt voor vier personen: Fabullus. tot in de laatste twee regels alle aandacht op Lesbia wordt gericht. χρ εται. hij heeft het zwaartepunt van het gedicht zo verlegd dat in laatste instantie niet Fabullus. zoals waarmee de godin van Cythera (Aphrodite) met de mooie kransen zich zalft. Dat doet beslist afbreuk aan de uitgelaten voorspelling dat hij de goden zal bidden ‘een en al neus’ te worden. maar Lesbia in het middelpunt van de belangstelling staat.subject Veneres Cupidinesque. Catullus heeft de vertrouwde elementen van het invitatie-gedicht een verrassend nieuwe inhoud gegeven en. Twee vertalingen Als we de vertaling van Kuiper bekijken.. Wanneer de goden met je zijn. ‘dineeren fijntjes’ in r. Welbeschouwd een voor de hand liggend arrangement.7. Met instemming van de vertaler Frans van Dooren zet ik hieronder diens recente vertaling van hetzelfde gedicht2.

‘een flinke zak met eten’). die de mening verdedigde dat Martialis 3. Dat de werkwoordsvormen accipies en dabo. dan zul je prima eten. Van Dooren heeft er geen twijfel aan laten bestaan hoe het unguentum volgens hem moet worden opgevat. Als je dat ruiken zult. 85 . Allereerst op het niveau van de woordbetekenis. moet natuurlijk een tol worden betaald. Met komisch aandoende pedanterie citeert Littman modem Amerikaans sexuologisch onderzoek dat heeft aangetoond hoe krachtig hun effect op de man is. Per slot van rekening is onze kennis van de Latijnse literatuur zo fragmentarisch dat niet kan worden uitgesloten dat unguentum ooit in deze betekenis is gebezigd. Een jaar later kreeg hij krachtige bijval van Judith P. In ruil hiervoor deelt zich dan pure liefde en hoogste zinsverrukking aan je mee door ‘t goddelijk parfum dat Amor zelf mijn meisje op haar huid en haren dee. dan zegt dat strikt genomen alleen iets over Martialis. Dat zegt niet alles. Het zou te ver voeren de argumentatie over Mart 3. klassiek gezelschap. Omgekeerd kunnen we de vraag stellen of de bedoelde lichaamsgeuren ergens als prikkelend zij n beschreven. maak mij tot louter neus!’ Deze vertaling wint het voor mijn gevoel op punten van die van Kuiper. niet noodzakelijkerwijs ook over Catullus. Voor de hogere eisen die Van Dooren aan de vorm gesteld heeft. werkzaam bij de universiteit van Hawaii3. dan zal zij aan een aantal eisen moeten voldoen. Met andere woorden. in de vertaling bijkans onzichtbaar zijn geworden is spijtig. Fabullus. Ik volsta ermee te zeggen dat het aanwijzen van termen die in een geheel andere context wel eens sexuele connotaties hebben nog iets anders is dan het aantonen van een enigszins consistente erotische structuur van een gedicht als geheel. dan bid je: ‘O God. Er zit een enorme vaart in en de ironische toon van de uitnodiging komt in allerlei kleine details tot uiting (‘dan heb je zó’. Hij formuleert zijn centrale stelling aldus: ‘I suggest that unguentum refers to Lesbia’s vaginal secretions which sexual excitement causes to flow’ (p. Maar zelfs als Halletts interpretatie van Mart. In dat jaar verscheen een artikel van de Amerikaanse geleerde Robert J. onmiskenbaar op Catullus 13 geïnspireerd en eveneens tot een Fabullus gericht. beste kerel. Volgens Littman is de interpretatie van Catullus veelvuldig gehinderd door pruderie waardoor niemand zijn ‘obvious solution’ heeft gezien of althans onder woorden gebracht. naar het oordeel van Hallett. Dat is tot dusver bij mijn weten niet opgediept.12. 123). Hallett van Boston University4. in goed. Een beredeneerde aanval op deze interpretatie is gedaan door Charles Witke van de University of Michigan5.12 juist zou zijn. maar de gepostuleerde fysieke betekenis is niet te vinden. ook een obscene bijbetekenis heeft. Littman bevindt zich. want vol met spinrag zit mijn port’monnee. die zijn artikel enigszins verrassend en teleurstellend besluit met een non liquet. Wil de interpretatie van unguentum als hierboven aangegeven ingang vinden.En maak je aldus bij mij dan je entree. die voor de structuur van het gedicht zo belangrijk zijn. 3. heus. Drie recente studies over c. 13 Er heeft rond dit gedicht een aangename rust geheerst tot 1977. Verder valt op dat de moderne vertaling sterker interpreteert. Een blik in de gezaghebbende Oxford Latin Dictionary leert dat het woord in de Latijnse literatuur van Plautus tot en met Apuleius voorkomt in de context van diners en luxe-vertoon en dat het wordt geassocieerd met decadentie en uitgelatenheid.12 na te lopen. Littman. maar ik zou dat allemaal graag cadeau doen voor één niet mis te verstaan Latijns of Grieks citaat.

inv. Wandschildering uit de Romeinse villa onder de Villa della Farnesia. 1183 86 .Jong meisje giet parfum in alabastron. Chr. 20 v. Museo Nazionale Romano.

Gelukkig dat er tegenstemmen als van Witke zijn. winter 1986. Het moge duidelijk geworden zijn dat er sinds de oprichting van Hermeneus niet alleen vooruitgang is geboekt. Anders hadden we met Catullus moeten zeggen ‘O saeclum insapiens et infacetum’ (‘Wat een domme en humorloze tijd’. wat moet de candida puella dan in dit gezelschap? Kortom. 123-8. maar alleen wanneer de dichter fulmineert tegen haar ontrouw. Dat is mijns inziens uitgesloten. waarbij iedereen voor zijn eigen kosten opdraait 2.8). is het taalgebruik eerder terughoudend. ‘Divine unction: Some further thoughts on Catullus 13’. c. 43. Latomus 36 0977). Het lijkt verstandig de hier gewraakte interpretatie als een typerend staaltje filologie uit de jaren zeventig in het welvoorziene rariteitenkabinet van de Altertumswissenschaft bij te zetten. In de gedichten waar zijn verhouding met Lesbia als liefdevol wordt beschreven. The unguent of Venus’. Dat is op voorhand onwaarschijnlijk en in flagrante tegenspraak met de bezeten ‘possessiveness’ die hij ten aanzien van Lesbia onder woorden brengt. van Voorst Vader. Catullus 13: A Reexamination’. Classical Philology’ 75 (1980). 87 . NOTEN 1.150. Gepubliceerd in De Tweede Ronde. 4. 325-31. En tenslotte. 13 een samenhangende interpretatie toelaat met deze betekenis van unguentum. In Hermeneus 35 (1964). als dit de bedoeling zou zijn.Het is in twee opzichten onaannemelijk dat Catullus zich met betrekking tot Lesbia een dergelijke verhulde obsceniteit zou hebben gepermitteerd. 202-3 staat nog een Nederlandse vertaling van dit gedicht door P. Zijn taalgebruik in eroticis is in het algemeen zelfs voor moderne begrippen heel direct en vaak gewoon grof. 747-8. p. Immers. De belangrijkste vraag is natuurlijk of c. Latomus 37 (1978). 3. Een ‘Dutch treat’ is een feest of een uitstapje. Dat geldt soms ook waar het Lesbia betreft. dabo tibi unguentum kan dan alleen nog betekenen dat Catullus zijn geliefde als het ware aan Fabullus ter beschikking stelt. de obscene interpretatie van unguentum creëert meer onduidelijkheden dan zij oplost. 5.

MELOPEE Onder de maan schuift de lange rivier Over de lange rivier schuift moede de maan Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee Langs het hoogriet langs de laagwei schuift de kano naar zee schuift met de schuivende maan de kano naar zee Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee P. van Ostaijen MELOPOEIA Sub luna labitur longum flumen Super longum flumen lassa labitur luna Sub luna super longum flumen labitur lembus in altum Per iuncos altos per prata plana labitur lembus in altum labitur labenti cum luna lembus in altum Sic eunt sodales in mare lembus et luna et vir Quare lenti labuntur et vir et luna una in altum Paul Claes 88 .

vijf minuten gaans hebben verplaatst. W. maar het behoort niet tot de taak. alleen met het doel de antieke agora weer bloot te leggen. grootendeels op toeval berust en bovendien. zoo hebben zij kortgeleden in Athene liefst een geheele wijk van 400 huizen aangekocht aan den voet van de Akropolis. Men behoeft echter niet lang in Griekenland te zijn om de zekerheid te krijgen. onder de opgravers dus. Argos. maar onder hen. onder deze mag Prof. Eenvoudiger gaan andere naties te werk : Engelschen te Sparta. — het gansche leven der Oudheid in al zijn uitingen tracht men te benaderen. Delphi. Zoo ook bij ons. Corinthe. Hollanders te Argos. de beklemmende schoonheid van dit heilig oord in vollen luister kan ondergaan. een Venus van Milo. waar de Franschen het geheele dorp Kastri. die de ziel ervan is. die niet een kleine hoop koesteren iets te zullen vinden . Olympia. een mooi beeld geeft. zoodat de tegenwoordige bezoeker. Men zoekt niet alleen naar mooie dingen. die van historisch belang zijn : Athene. mits goed opgesteld in een behoorlijk verlicht museum. Zeker. dat het vinden van mooie dingen er tegenwoordig heel moeilijk is. Dr.Nederlandsche opgravingen te Argos Er zullen wel weinig menschen naar Griekenland komen. Zweden in Asine. maar in de meeste gevallen zal het slechts bevestigen wat men allang wist . Zoo richt zich de aandaclit der hedendaagsche archaeologen in de eerste plaats op die punten. C. die in 1902 de ontgraving van Argos ter hand nam en het werk voortzette in 1903. zal wel niemand zijn. alleen bij hooge uitzondering kan zulk een vondst verrijking van kennis brengen en daarnaar behoort de wetenschappelijke onderzoeker te streven. het doen van sensationcele vondsten is op zichzelf natuurlijk bijzonder aangenaam. 1906 en 1912 met verschillende medewerkers . ongehinderd door de twijfelachtige bekoring van modern-Grieksche huizenbouw. Vollgraff was het. 1904. Prof. Sparta. van der Pluym wel aanspraak 89 . een Hermes van Praxiteles of althans een fraaie gouden beker of kunstig bewerkte dolk. aan velen kunstgenot. die de archaeoloog zich moet stellen. die er komen met het vooropgezette doel om te zoeken. het initiatief neemt en de leiding heeft. die niet hoopt iets heel moois te vinden. dat op de plaats van het oude Delphi was verrezen. Bij deze kleinere expedities is het meestal één man. Het mooiste voorbeeld van moderne opgravingsmethoden is wel Delphi. W. Op grootsche wijze pakken de Amerikanen het aan . geschikt om in den nieuwen druk van Luckenbach te prijken.

Aan drie zijden wordt het omgeven door de reeds in de Oudheid om haar vruchtbaarheid beroemde vlakte. is het bezit van Argos 90 . aan welker voet Mykene. uitgehold in de rots aan den weg. Nu is het wel waar. aangezien hij in 1906. een rommelig. dat de stad. maar het was toch wel buiten twijfel.000 inwoners. dat Argos in Mykeenschen tijd het centrum van Griekenland was. Hier. Vollgraff. maar ook de daarin gevonden voorwerpen. op en om de Aspis. leverden het bewijs. zuidwaarts loopt men in een goed uur naar zee. ook zelf een vruchtbaar terrein zou blijken voor archaeologisch onderzoek. Niet alleen de structuur der graven. maar de belangrijkste vondst was wel een serie schachtgraven. C. de naam Αργε οι geldt voor alle Grieken en ook de andere verzamelnaam ∆αναο hoort in Argos thuis. Was dit alles ? Of zou ook een onderzoek van de veel hoogere Larisa succes kunnen hebben ? Vele archaeologen waren overtuigd van het tegendeel: men zocht het in Mykeenschen tijd niet zoo hoog. Tiryns ligt vrijwel in de vlakte en zelfs Mykene ligt veel lager dan 300 M. dat het voor den heerscher over Argos een alleronaangenaamst gevoel moet zijn geweest om te leven aan den voet van de steile Larisa. in het westen ligt het moerassige Myli. Het tegenwoordige Argos. 1912 en eveneens dezen zomer van de partij was. hooge berg. dat in Mykeenschen tijd hier althans één belangrijke nederzetting is geweest. oostelijk daarvan. een schildvormige heuvel. is bij de vorige expedities het meest gegraven en met succes. op welks top zich de ruïne van een Venetiaansch kasteel bevindt. Ten noordwesten ligt een steile. en dan nog wel met hooge bergen er vlak naast.maken op het praedicaat „vast”. Daartegenover stond de logische overweging van Prof. dus juist ten noorden van Argos. halverwege de westelijke helling een altaar en trap en vele andere resten uit lateren tijd. waardoor de Inachus stroomt. dat met het „paardenvoedende Argos” bij Homerus meer het geheele landschap Argolis bedoeld wordt. het Heraion en Tiryns lagen. waar eenmaal de Lernaeische Hydra door Herakles werd onschadelijk gemaakt. die over het smalle zadel tusschen Aspis en Larisa naar Mantinea loopt. slecht onderhouden stadje van 14. ligt iets oostelijk van het Argos der 5e eeuw v. Waarom werd Argos gekozen ? De beantwoording dezer vraag ligt voor de hand : uit elk boek der Ilias blijkt. speciaal het belangrijke vaatwerk. die aan dat landschap haar naam leende. die met volle recht den naam Aspis draagt. 300 M. de Larisa. Dicht bij den top werden muren en andere overblijfselen van een burcht uit vóór-mykeenschen tijd gevonden. in het Oosten verrijzen de bergen. als hij de top niet in bezit had.

Boven alle ruïnes hebben weer de Venetianen hun trotsch kasteel gebouwd. Is het wonder. dateert uit de 6e eeuw v. Maar wat misschien meer wetenschappelijke waarde heeft dan het vinden van vele fraaie kunstvoorwerpen. ingemetseld in den muur en begin Juni nog onder den grond. De eene heeft betrekking op een tempel. kan vrijwel overal worden gevolgd. zoo grondig is er verwoest. Zoo zal ook het Mykeensch paleis erin „verwerkt” zijn. waarvan de haast 2 M. dat men bij het aanschouwen van die muren. overigens voor de hand liggende vraag gedaan : „Waren de opgravingen een succes ?” Hierop is niet met „ja” of „neen” te antwoorden. dat daar een Mykeensch paleis is geweest . wat er aan bruikbare bouwsteenen te vinden was. die het omgaf.denkbaar zonder bezit van de Larisa ? Bovendien had een vluchtig onderzoek van den top genoeg aanwijzingen opgeleverd om tot een opgraving over te gaan. ingemetseld in den Venetiaanschen muur. zuiver bewerkte blok kalksteen. Zoo heftig is door den loop der eeuwen op de Larisa gevochten. De oogst voor het museum te Athene (waarheen alle belangrijke vondsten verhuizen) is schraal : alleen een bijzonder fraaie zegelsteen. C. Nu wordt telkens door belangstellenden de moeilijke. waarin men telkens zuilentrommels en kapiteelen ontdekt. dat is de thans verkregen zekerheid. geplunderd en verbrand. waarvan Pausanias melding maakt en welker poros-fundamenten dezen zomer inderdaad zijn gevonden. evenals de twee tempels. Van een paleis is er al heel weinig te zien. dat de Larisa in Mykeenschen tijd en zelfs veel vroeger is bewoond geweest en dat de poort van het paleis nog in historischen tijd in gebruik was. dicht bij den ingang diep onder den grond gevonden. dikke muren alles hebben opgeslorpt. en is in duidelijke archaïsche letters βουστροφηδ ν geschreven De andere evenwel is nog ouder en behoort zeker tot 91 . Verder haast niets dan steenen en stukken muur. die thans het opgravingsterrein bezoekt. dat ook van gebouwen uit veel later tijd niet meer dan stukken fundament zijn overgebleven. dat er in de Oudheid bezitters van mooie dingen gewoond hebben. maar van het paleis zelf — geen spoor. het reusachtige blok breccia. En dat was dezen zomer wel een teleurstelling : het groote. de cyclopische ringmuur. Het woord „paleis” zou waarschijnlijk een eenigszins komischen indruk maken op iemand. den vandalistischen wensch in zich voelt opkomen om den tand des tijds een handje te helpen en die muren eens tot den grond toe na te pluizen ? Behalve het zooeven vermelde blok breccia werden ook nog twee inscripties gevonden. zij maken het zeker. enkele aardige terra-cotta-fragmenten en een groote menigte scherven schenken ons de zekerheid.

het schijnt dus wel een lijst van mythische Argivische koningen te zijn. ΑΣΣΑΝΤΟ.de oudste inscripties. Den Haag. dan wordt eerst de binnenhof van de Venetiaansche ruïne op de Larisa afgewerkt. z. Ook beneden is nog veel te doen . DAMSTÉ (1928) 92 . De tekst bevat negen namen. In dien hoek ligt het fundament van één der beide tempels. O. Bovenaan staat Potamos. want zij zijn nog niet geëindigd. maar daarnaast ligt. het mooie theater . is dezen zomer gereed gekomen. die er ooit zijn gevonden. Deze steen moet betrekkelijk kort geleden onder den grond zijn geraakt . Vollgraff gepubliceerd zal zijn. verwaarloosd en door distels overwoekerd. dat de belangstelling voor deze zuiver Nederlandsche onderneming zich in stijgende lijn moge bewegen. maar van de 14 tempels. die volgens Pausanias om de agora lagen. Vollgraff het werk te hervatten . waarmee wel de stroomgod Inachus zal bedoeld zijn. wel Hippomedon en Adrastos. staat wel vast.. maar merkwaardigerwijze wijkt deze lijst in allerlei opzichten sterk af van de traditie . De opmeting en beschrijving van een belangrijk waterbouwwerk. een onvolledig afschrift ervan komt voor bij Boeckh. De vraag naar het succes der opgravingen is eigenlijk ook voorbarig. die tot de „Zeven tegen Thebe” behooren. d. resten van een stoa zijn reeds bij vroegere opgravingen voor den dag gekomen. maar welk werkwoord heeft er gestaan ? Aangezien bij het verschijnen van dit nummer de steen wel door Prof. ook daaraan is nog veel te doen. „negen vor- sten” . waar nog een veelbelovende hoek is af te graven. Het begin der inscriptie (aan Boeckh onbekend) luidt : ΕΝΝ [ΕΑ∆Α] ΜΙΟΡΓΟΙΕΧ (?) . de plaats van de onde agora is ongeveer bepaald. Eindigen wij met den wensch. waarvan er verschillende in de mythologie voorkomen . de beroemde namen van Danaos en zijn afstammelingen komen er niet op voor. is er pas één teruggevonden. Dat het laatste woord er nog niet over gezegd is. maar op grooter diepte kwamen de laatste dagen veel Mykeensche en geometrische scherven voor den dag. . w. wien het begin onbekend was en die er dan ook niet veel van heeft kunnen maken. maar Adrastos twee plaatsen onder den toch veel jongeren Hippomedon. . onder Hadrianus aan den voet der Larisa gebouwd. In 1930 hoopt Prof... meen ik belangstellenden daarnaar te mogen verwijzen.

De leider van het project wordt bijgestaan door specialisten die verantwoordelijk zijn voor onderdelen van het onderzoek en die ook de publicatie daarvan verzorgen. 93 . Zijn verslag is duidelijk een momentopname en gebaseerd op een kort bezoek ter plaatse. na afloop van de campagne in Valesio. hij verrichtte zijn onderzoek vrijwel geheel zelfstandig en verzorgde ook alleen de publicaties ervan. men kan het. Een nadere toelichting op Vollgraffs onderzoek is daarom noodzakelijk. Ik wil in dit korte artikel hierop nader ingaan door enkele aspecten te belichten van het onderzoek dat Vollgratï in het begin van deze eeuw heeft uitgevoerd in Argos op de Peloponnesus en het onderzoek dat in de afgelopen jaren vanuit de Vrije Universiteit heeft plaats gevonden in Valesio in de Apulische regio Salento (Afb. Vollgraffs onderzoek in Argos was gebaseerd op zijn persoonlijke interesse voor deze in de Griekse mythologie en historie zo prominente site. het opgravingsterrein aldaar bezocht. Damsté geeft een indruk van Vollgraffs opgraving in Argos in het jaar 1928. In de huidige situatie vindt klassiek-archeologisch onderzoek vooral in teamverband plaats. omdat Damsté’s artikel mogelijk een ietwat verkeerde indruk achterlaat. gevallen bij de publicatie.Nederlandse opgravingen in Argos Nederlandse opgravingen in Valesio Johannes Boersma Tussen de archeoloog die in de eerste decennia van de 20e eeuw een opgravingsonderzoek ondernam in Griekenland en de archeoloog die in de jaren tachtig van diezelfde eeuw een opgraving leidt in Zuid-Italië bestaan overeenkomsten. zo men wil. Kaart van Salento (Zuid-Apulië) met beonderzoek. projectonderzoek noemen. Had de auteur in 1987. 1. Geen wonder dat hij enigszins teleurgesteld is over wat hij te zien krijgt. dan had hij vermoedelijk niet anders gereageerd: ook daar geen spectaculaire gebouwen. maar ook grote verschillen. zij helpen bij de verslagleglangrijke steden uit de Griekse en Romeinse ging in het veld en assisteren in vele periode.1). Anders dan in Vollgraffs tijd participeren nu ook studenten actief in het Afb. maar karige resten die bovendien voor het grootste gedeelte weer toegedekt waren.

dikwijls uitvoerige rapporten. dat Vollgraff in een isolement werkte. waardoor de publicatie van het onderzoek in gevaar kan komen. daarmee vond hij. Dikwijls droegen die opgravingen het karakter van proefonderzoek. Vollgraff beschikte nog niet over specialisten om hem bij de uitwerking van zijn opgravingen te assisteren. Vollgraff heeft op diverse plaatsen in Argos opgegraven. Tenslotte legde hij een gedeelte van het laat-klassieke theater vrij. waardoor het vondstmateriaal snel kan worden bewerkt en voor publicatie gereed gemaakt. maar vooral van particuliere instellingen en personen. wordt ondervangen door de spreiding van de publicatie over de diverse leden van het onderzoeksteam. Vollgraff beschikte niet over eigen opgravingsmateriaal maar moest dit 94 . waarvan hij een gedeelte opgroef. omdat Vollgraff werkte vanuit de École Française in Athene waarvan hij lid was. vier in de jaren 1902 tot 1906. althans gedeeltelijk. Een tweede opvallend verschil tussen Vollgraffs positie in Argos en die van de Nederlandse archeologen in Valesio is. Sommige problemen waarmee Vollgraff in Argos werd geconfronteerd en waarvan we in zijn verslagen zijdelings het een en ander vernemen komen ook de huidige klassiek-archeoloog bekend voor. Wel werd nog in 1956 zijn monografie over de oude opgraving van het heiligdom van Apollo Pythios gepubliceerd. een totaaloverzicht van zijn opgravingen heeft Vollgraff evenwel nooit gegeven. Van al deze onderzoekingen verschenen voorlopige. In zijn eerste jaar onderzocht Vollgraff een aantal Myceense schachtgraven en groef hij een deel van een Bronstijdnederzetting op de Aspisheuvel op. Naast voordelen brengt deze spreiding echter ook risico’s met zich mee. een probleem dat ook de huidige archeoloog maar al te vertrouwd is en dat nu. Dit zal alleen mogelijk geweest zijn. Hij heeft zijn onderzoek in Griekenland steeds vanuit deze school ondernomen en het uiteindelijk ook daaraan overgedragen. daarna komen de sponsors. Dat is misschien de voornaamste reden geweest. Zijn eerste campagne leidde hij op 26-jarige leeftijd. de eerste aanwijzing voor bewoning in Argos al in het tweede millennium v. De financiële middelen waarover hij beschikte waren afkomstig van de Nederlandse Staat. en traceerde hij een aantal tempels. terwijl het Nederlandse opgravingsteam in Valesio intensieve contacten onderhoudt met de archeologische dienst in Tarente. hoewel hun aandeel in de kosten ook nu aanzienlijk kan zijn. Damsté geeft er een overzicht van.Het onderzoek van VoUgraff Vollgraff heeft in totaal zeven veldcampagnes in Argos ondernomen. een jaar voordat hij als privaatdocent in Utrecht zijn universitaire loopbaan begon. eveneens gevolgd door opgravingen. In latere jaren ontdekte hij de resten van een Myceens paleis op de Larissaheuvel. de Franse archeologen hebben nog jaren lang in Argos gewerkt. waarbij hij stuitte op een Romeinse villa met interessante mozaïeken. dat iemand op zo’n jeugdige leeftijd en zonder de ondersteuning van een universitair instituut erin slaagde een archeologisch onderzoek op te zetten in Griekenland en dan nog wel in het historisch zo interessante Argos. localiseerde hij de agora van het klassieke Argos. Daar staat echter tegenover dat er in het veld een veel grotere kennis van zaken aanwezig is dan in Vollgraffs tijd. Ad hoc gevormde teams vallen gemakkelijk weer uiteen. met de universiteit van Lecce en met het regionale archeologisch museum in Brindisi. Chr. Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid: de overheid is eerste financier. en vervolgens in 1912. Hier herkennen we het probleem van de alleen werkende onderzoeker die niet over de nodige tijd beschikt om zijn onderzoek snel te publiceren. Het is verbazingwekkend. de participatie van de laatsten is opvallend. dat zijn opgravingspublicaties voornamelijk tot voorlopige verslagen beperkt zijn gebleven. 1928 en 1930. Gelijk gebleven is het moeizaam bijeengaren van de gelden die nodig zijn om het kostbare onderzoek te kunnen uitvoeren.

Over de officiële permissie te mogen opgraven. snel toenam. ‘het gansche leven der Oudheid in al zijn uitingen tracht men te benaderen’ Dat is wel wat geflatteerd voorgesteld. als ze al officieel verleend is. te weten de opgraving van de Atheense agora en die van het Apolloheiligdom in Delphi. De oriëntatie der huizen komt overeen met die van den tempel aan de agora. hij zal deze wel via de Franse school hebben verkregen. de voorbeelden die Damsté daarbij noemt. Eerst werd een groot aantal sleuven getrokken. zoals hij zegt.’ Na deze constatering werd het terrein volgestort. Chr. Deze contacten waren voor het welslagen van de campagnes van groot belang. Het gave aardewerk. zijn eigen opgravingen sloten daarop aan.50 meter breed en 4 tot 5 meter diep tot op de rots. met wie hij intensieve contacten onderhield. die in sommige gevallen moet worden geleend of gehuurd. Ook nu nog is de aanschaf van materiaal een kostbare zaak en is het dikwijls moeilijk de beschikking te krijgen over de benodigde apparatuur. om te controleren of er op het terrein resten van tempels en andere openbare gebouwen lagen. dat in ofbg de woonhuizen van het diepste niveau gevonden werd. Vollgraff schrijft daarover in zijn verslag van 1931: ‘Het bleek gelukkige dat hier in de oudheid geen openbare gebouwen gestaan hadden. 2. Vollgraff begon zijn onderzoek in de jaren waarin de kennis van de Minoïsche en Myceense culturen uit het tweede millennium v. Wanneer Vollgraffin 1928 een deel van het theater vrijlegt kiest hij als plaats voor zijn stort (er moest een laag grond van zes meter dikte worden verwijderd) een terrein gelegen tussen het theater en de agora. instellingen en musea. Damsté constateert dat Vollgraff in Argos niet op zoek was naar ‘mooie dingen’ en dat dit niet meer het doel was van de archeologen van die tijd. Het Valesio-onderzoek maakt deel uit van een onderzoeksprogramma getiteld integratieprocessen in de Oudheid’. Argos was immers in de klassieke tijd een van de belangrijkste centra op de Peloponnesus en de streek werd al bij Homerus vermeld. Soms werd tot onteigening overgegaan. dat ondanks zijn vruchtbaarheid door de eigenaar beschikbaar was gesteld. heden ten dage een conditio sine qua non. De keuze van Argos als opgravingsterrein was ingegeven door zijn sterke historische en literaire belangstelling. 95 . en het heeft het karakter van urgentie. spreekt Vollgraff niet. Ik heb Vollgraff volledig geciteerd omdat zijn woorden kenmerkend zijn voor de uitgangspunten van zijn onderzoek. waarin prehistorische en klassieke archeologen. desgelijks de meeste terracotta’s. zijn daarvoor niet bepaald illustratief en Vollgraffs geringe interesse voor de woonwijken van het klassieke Argos is er zelfs regelrecht mee in tegenspraak. Dat Vollgraff zich bij de keuze van de door hem op te graven gebouwen liet leiden door Pausanias’ beschrijving van Argos was in zijn tijd volstrekt legitiem. En het was eveneens kenmerkend voor zijn tijd dat hij geheel voorbijging aan de context waarin de agora en de openbare gebouwen waren geplaatst. Integendeel. het wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met andere universitaire instituten. een proces dat soms jaren in beslag nam. Uit de verslagen krijgen we overigens de indruk dat hij grote vrijheid bezat in de keuze van zijn locaties en objecten en dat hij in de eerste plaats afhankelijk was van de toestemming van de landeigenaren.huren van de Amerikaanse School in Athene. Er lag daar ter plaatse een dicht bebouwde woonwijk doorsneden door nauwe stegen. behoort tot het klassieke tijdperk. ook bij het onderzoek van de grote heiligdommen (en later bij de opgraving van de agora van Athene) was deze een onmisbare gids. Het onderzoek in Valesio Bij nadere beschouwing van het archeologisch onderzoek dat door de Vrije Universiteit in Valesio wordt uitgevoerd springen enkele duidelijke verschillen met het onderzoek in Argos in het oog: het Valesio-onderzoek vormt een onderdeel van een groter onderzoeksprogramma.

Het stadsgebied van Valesio is nadien 1: Località Santo Stefano met thermen. Daarbij komt nog dat de antieke graven op grote schaal en in snel tempo worden leeggeplunderd. 3. omdat daar op de surveyresultaten uit Oria kan worden voortgebouwd.oudhistorici en sinds kort ook fysisch-geografen samenwerken. maar in het verlengde daarvan worden ook soortgelijke processen in vroegere en latere periodes bestudeerd. de antieke stadsmuur mogelijk is. 4: nooit meer intensief bewoond. 2. Aan de andere kant kan in Valesio de veldkartering meer selectief worden uitgevoerd. gelegen halverwege tussen Brindisi en Tarente. Beide plaatsen liggen in dezelfde geologische en culturele regio. 2).in een gebied rond de stad Oria. de streek rond Brindisi. waarbij steden en dorpen. uit tot een stedelijke nederzetting vanbehoorlijke omvang. boerderijen en villa’s. 96 . Het archeologisch onderzoek kan het best worden gekarakteriseerd als nederzettingsonderzoek in de ruimste zin. Het archeologisch onderzoek is gericht op de integratie in een wijdere politieke en culturele wereld van inheemse volken die in randgebieden van de Romeinse wereld woonden. Sinds een aantal jaren vindt grondverbetering plaats door middel van diepploegen en het opblazen van kalklagen in de bodem. Beide gebieden zijn volledig in cultuur gebracht en worden intensief bewerkt. 2. Oria zelf ontwikkelde zich in de 4e eeuw v. Evenals Oria groeide ook Valesio in de 4e eeuw v.survey . en het landschap waarin deze gelegen zijn. waardoor Zichtbare en geregistreerde delen van de stadsthans archeologisch onderzoek binnen muur. maar in tegenstelling tot Oria hield het in de laatRepublikeinse tijd op als stad te bestaan. Chr. Het onderzoek in Salento is in 1981 begonnen met een veldkartering . Chr. Zowel in Oria als in Valesio draagt het onderzoek een urgent karakter. met de bedoeling de bewoningsgeschiedenis van het gebied te reconstrueren. beide hebben desastreuze gevolgen voor de conservering van de archeologische resten. tot een belangrijk inheems centrum dat sindsdien onafgebroken als zodanig heeft gefungeerd. die bewoond werden door de sterk vergriekste inheemse bevolking. Het onderzoek in Valesio werd in 1984 opgezet als een vervolg op dat in Oria (Afb. voorwerp van studie vormen. in de Kempen is dat de Frankische en in Salento de Griekse periode. waarvan er uiteindelijk enkele tot in de Middeleeuwen bleven voortbestaan. Plattegrond van Valesio (situatie 1987). Het vruchtbare gebied ten noorden van de stad werd in de 4e eeuw bezaaid met boerderijtjes. die ieder hun eigen inbreng hebben. In Oria is dat vanwege de Middeleeuwse en moderne bebouwing uitgesloten. vermoedelijk vanwege de zuigkracht van het nabijgelegen Brindisi dat zich in dezelfde tijd tot het bestuurlijke en culturele centrum van Salento ontwikkelde. hetgeen een vergelijking van hun ontwikkeling zinvol en interessant maakt. Daarbij gaat het in de eerste plaats om het romaniseringsproces en om de geleidelijke opname van deze gebieden in het Romeinse Rijk. Afb. In de laat-Republikeinse tijd en in nog sterkere mate gedurende de Keizertijd concentreerde de bewoning zich in een geringer aantal grote landbouwbedrijven (villa’s). te weten de Brabantse Kempen en het Apulische Salento.

dat een oppervlakte heeft van ruim 70 ha. hoewel niet altijd volledig. dit bood gunstige perspectieven voor het onderzoek van de vroegere stad (Afb. Ook bij het opzetten van een onderzoek binnen een uitgestrekt stadsgebied als dat van Valesio. X: Moderne muur om de thermen: Y: Asfaltweg. Dit gebouw is in de jaren vijftig ontdekt en door de toenmalige landeigenaar voor een klein gedeelte oppervlakkig onderzocht. midden in een voor-Romeinse bewoningszone. beeld van de tijdsduur en de intensiteit van de bewoning en daarmee een indicatie welke terreinen het meest voor Afb. Afgezien van het belang van de thermen zelf vormden deze ook een goed uitgangspunt voor verder onderzoek: ze lagen centraal midden in het antieke stadsgebied en. 3). zoals uit de gelijktijdig uitgevoerde survey bleek.Werkwijze Het Valesio-onderzoek is begonnen met de opgraving van een Romeins badgebouw (thermen) uit de late Keizertijd. 3: Thermen. is een survey een noodzakelijk onderdeel. 3. 2: Voor-Romeinse straat. Het schervenpakket dat door geregeld ploegen aan de oppervlakte komt geeft een redelijk betrouwbaar. 1: VoorRomeinse muren. 97 . 7: Veronderstelde muren. 4: Middeleeuwse en recente muren. 5: Vertrek- ken van de thermen met hypocaust. 6: Muren geregistreerd door georadar. Overzichtspïattegrond van de opgravingen in localita Santo Stefano (situatie 1986).

maar dat de gemaakte opnames later op elk gewenst 98 . met behulp waarvan enkele gedeeltes van de buiten. In het terrein zijn nog aanzienlijke stukken van de muur zichtbaar. 6: Buitenschool van de stadsmuur vastgesteld met georadar. 5). De vondst van zwaar muurwerk en van een aantal Middeleeuwse graven tijdens de campagnes hebben deze mondelinge overlevering bevestigd. Klaarblijkelijk was er dus alleen bij de thermen sprake van een continue bewoning tot in de late oudheid. Naast de thermen werd onder de asfaltweg een aantal vertrekken getraceerd. Op basis van deze gegevens kunnen met meer kans op succes opgravingsterreinen worden geselecteerd. 1: Verloop van de stadsmuur volgens luchtfoto’s. 2: In het terrein zichtbare en geregistreerde delen van de stadsmuur. Verder werden er elders in het terrein straten. aan de oostzijde van de stad werd over een groot traject het verloop van de stadsmuur vastgelegd en in het noordoosten werd een van de stadspoorten gelocaliseerd met een erbij behorende straat.Afb. 4: Stralen geregistreerd met georadar. 5: Binnenschaal van de stadsmuur vastgesteld met georadar. en is gebouwd als onderdeel van het urbanisatieproces dat Valesio toen doormaakte. Op deze wijze vulden survey en georadar elkaar op een gelukkige wijze aan. graven en de rots zelf op verschillende dieptes getraceerd en vervolgens getekend. Deze muur dateert vermoedelijk uit het einde van de 4e eeuw v Chr. die een des te interessanter object van onderzoek vormden. In de locale traditie staat het thermenterrein bekend als località Santo Stefano. Helaas is georadaronderzoek momenteel nog te kostbaar om in het gehele stadsgebied van Valesio te kunnen worden uitgevoerd. omdat tijdens de survey nergens anders binnen het stadsgebied aardewerk uit de Keizertijd was aangetroffen. dat de thermen in de 13e eeuw de kern zijn geworden van hernieuwde bewoning. De resultaten van het georadaronderzoek in Valesio waren veelbelovend. Door middel van radarsignalen worden daarbij ondergrondse sporen van muren. hetgeen de aanwezigheid van een kerkje suggereert. Plattegrond van Valesio met resultaten van het georadaronderzoek (1986). Een andere techniek die in Valesio met succes is toegepast is die van de fotogrammetrie. Bij het ontbreken van een referentiekader kan de interpretatie van de opgevangen signalen problemen geven. In Valesio werd de keuze vergemakkelijkt door de aanwezigheid van de thermen. Het voordeel van een fotogrammetrische registratie is dat er niet meer ter plaatse getekend behoeft te worden. in dat geval zijn controlesondages noodzakelijk om de signalen te kunnen interpreteren. een techniek die sinds kort ook in de archeologie wordt toegepast. muren en graven gesignaleerd die het beeld dat uit de survey was verkregen bevestigden (Afb. die in een enkel geval nog meer dan twee meter hoog zijn. opgraving in aanmerking komen. 3: Verloop van de stadsmuur vastgesteld met georadar. 4). In aansluiting op de survey is in Valesio ook geëxperimenteerd met georadar.en binnenschaal van de stadsmuur zijn gefotografeerd en getekend (Afb. Later zou blijken. 4.

Tn het Mediterrane gebied zijn de voorwaarden voor het verzamelen van dergelijk materiaal dikwijls minder gunstig. Hun aandacht was gericht op de bestudering van de bodem en de ontwikkeling van de bodemgesteldheid binnen en buiten het stadsgebied. Fofogrammetrische tekeningen van de buitenschaal (boven) en de binnenschaul (onder) van de stadsmuur van Valesio. terwijl ook de apparatuur voor de bestudering ervan vaak ontbreekt. bij de rivier was begonnen. gedaan op grond van de survey. Ook is komen vast te staan dat het riviertje zelf al in de oudheid aanwezig was en toen in dezelfde bedding stroomde. waaraan zij in sommige gevallen ook bijdragen. Cbr. Ook een fotograaf en een tekenaar maken deel uit van het team. omdat het inzicht biedt in de terreinomstandigheden en in het gebruik van de grond in het verleden en zo bijdraagt tot de reconstructie van de bewoningsgeschiedenis in de oudheid. In deze situatie begint evenwel verandering te komen en ook in het zuiden wordt er aan het verzamelen en bestuderen van deze vondstcategorieën steeds meer aandacht geschonken. 99 . moment via driedimensionale weergave in tekeningen kunnen worden overgezet. Ook in Valesio bleek de techniek bruikbaar.Afb. De feitelijke opgravingswerkzaamheden staan onder leiding van archeologen en een veldtechnicus die over ruime opgravingservaring beschikken. bevestigd dat de vroegste bewoning van Valesio in de 8e en 7e eeuw v. maar is ook voor ons archeologisch onderzoek van veel belang. Hiermee werd de constatering. zaden en stuifmeel. Resultaten 1987 In 1987 heeft voor het eerst een groep fysisch-geografen deelgenomen aan het Valesio-onderzoek. botten. hoewel de onregelmatige structuur en het ruwe oppervlak met name van de binnenschaal van de muur aanvankelijk problemen gaven. Naast de gedeelten die op deze wijze zijn vastgelegd zijn ook enkele kleinere karakteristieke stukken van de muur nog op de traditionele manier in het veld met de hand getekend. Zoals gezegd wordt het onderzoek in Valesio uitgevoerd door een team van archeologen en studenten. Dit geomorfologisch onderzoek heeft niet alleen waarde voor de kennis van de bodemgeschiedenis van Salento in het algemeen. leer. aardewerk. Een van de eerste resultaten van het geografisch onderzoek was de ontdekking van een grote steengroeve ten noorden van het riviertje dat midden door de antieke stad stroomt. dat met behulp van geavanceerde technieken wordt bestudeerd. anderen houden zich bezig met de registratie van architectuur. Bij archeologisch onderzoek in Nederland wordt grote aandacht geschonken aan vergankelijk materiaal zoals hout. aangezien de contouren van de stenen voor de tekenaar thuis op de foto’s moeilijk herkenbaar waren. munten en andere vondsten. 5. vermoedelijk heeft deze steengroeve het materiaal geleverd voor de bouw van de stadsmuur. Zij bewerken afzonderlijke materiaalgroepen en worden ingeschakeld bij de voorbereiding van de publicatie. In toenemende mate worden ook studenten bij de uitwerking van het onderzoek betrokken. Met fotogrammetrie hadden wij al eerder ervaring opgedaan tijdens architectuuronderzoek in de jaren zeventig in Ostia.

XIII: Vertrek met utiliteitsfunctie. 7. XIV: Gang. VI: Binnenplaats met put. II-III: Verwarmde vertrekken (Tepidaria). IX: Ovenruimtes (Praefumia). VA. Afb. XV: Ingang (gallerij ?). X: Vertrek met koudwaterbassin (Frigidarium): XI: Ingangszaal. IA: Latrine. Gereconstrueerde plattegrond van de thermen (1986). VII. 1: Vertrekken met hypocaustverwarming. XVU: Vertrekken met utiliteitsfunctie (stallen ?). VIII: Opslagruimtes. IV: Vertrek met warmwaterbassins (Caldarium). XII: Kleedkamer (Apodyterium). 4: Veronderstelde muren. 3: Muren geregistreerd met georadar. 6. 2: Zichtbare muren. Isometrische reconstructie van de thermen. VB. XVI. 100 .Afb.

duidelijk te herkennen. voorzover dit bewaard was gebleven. hun aanwezigheid vormde een bevestiging van de survey rond de thermen waarbij aardewerk uit dezelfde periode was geregistreerd. Wat de huizen betreft bleek nu dat de muren uit de eerste bewoningsfase op de rots gefundeerd waren en gebouwd waren met tichels op een stenen basis. was opgegraven (Afb. en uit de 2e eeuw v. die op hun beurt op de vloeren van aangestampte aarde lagen. In 1987 werd besloten een aantal putten tot grotere oppervlakten samen te voegen teneinde een beter overzicht van de muren te verkrijgen (Afb. De vondsten uit de thermen suggereerden een datering van het gebouw in het eerste kwart van de 4e eeuw n. gevolgd door de muren: de keien van de muren bedekten de lagen dakpannen. In de putten werden muren. Er werd gewerkt met een systeem van putten met afmetingen van 4x4 meter. Enkele langere dammen bleven staan met het oog op de noodzakelijke profielen. terwijl de muren uit de jongste fase hoger lagen en geheel in steen waren opgetrokken. Deze stratigrafie vormde een prachtige illustratie van een ideale ruïne. Overzicht van de opgravingen van de In de profielen waren de vloerniveaus inheemse stad in 1987. gevonden. 8). tijdens de opgraving was dit aanvankelijk lastig. Al dadelijk in het eerste jaar werden binnen de thermen de resten van muren uit voor-Romeinse tijd aangetroffen. Afb. Daarom is het zaak in het begin voorzichtig te werk te gaan en eerst de nodige basiskennis te ontwikkelen alvorens een groter oppervlak te onderzoeken. gescheiden door dammen. In de eerste twee jaren is het onderzoek geconcentreerd op de thermen. In dit verband is een citaat uit een van Vollgraffs rapporten interessant. Chr. De thermen van Valesio kunnen dan worden geïdentificeerd als een van de wegstations langs deze route. Tijdens de derde campagne werd het onderzoek verlegd naar het terrein buiten de thermen. 7). aardewerk en ander materiaal. Deze datering is geverifieerd door middel van een sondage in een verzegelde context onder een van de nog aanwezige vloeren. de lagen te onderscheiden en de profielen te lezen. Bij de opgraving van een aantal Bronstijdhuizen 101 . De aanleg van het complex kan in verband gebracht worden met de renovatie van de Via Traiana tussen Brindisi en Otranto en met de herinrichting van de keizerlijke postdienst (cursus publicus) onder Constantijn de Grote. 6). lagen dakpannen. aangezien ze alleen aan de grotere hardheid en niet aan de verkleuring van de grond herkenbaar waren. Deze politiek is ook in Valesio gevolgd. ze staan op de in oorsprong laat-Romeinse Peutinger Kaart aangegeven als mutatio Valentia (Afb. De voorlopige chronologie bleek juist te zijn en kon nog worden aangescherpt. Bij de ineenstorting van de huizen waren de daken het eerst naar beneden gevallen. waaronder munten. Chr. het kost tijd om de grond met zijn verkleuringen te leren kennen. die aantoonden dat de voor-Romeinse bewoning nog ongestoord aanwezig was.ledere opgraving heeft een eigen karakter en eigen kenmerken. 8. die geleidelijk zijn blootgelegd totdat in 1987 het gehele complex. straten. Uit de verschillende lagen en uit de profielen bleek dat er sprake was van twee bewoningsfasen. die respectievelijk dateren uit het einde van de 4e en de 3e eeuw.

ontving deze een bezoek van Wilhelm Dörpfeld die in Troje de stratigrafische opgravingsmethode had ontwikkeld. Deze identificeerde lagen hardgestampte aarde in de huizen als vloerniveaus en wees Vollgraff op het belang van het gescheiden houden van de vondsten die boven en die onder de vloeren werden gevonden. Vollgraff onderkende dit onmiddellijk en hield voortaan de vondsten uit de verschillende lagen apart. We staan hier aan het begin van het stratigrafisch opgraven, een methode die naderhand nog verfijnd is, doordat brandsporen, paalgaten en vondstconcentraties in de lagen afzonderlijk worden geregistreerd. Een verrassing tijdens de opgraving was de ontdekking van de stenen fundering en van stookplaatsen van hutten uit de 8e en 7e eeuw v. Chr. De hutten lagen direct op de rots, ruim anderhalve meter onder het maaiveld; het aardewerk uit de periode was daardoor bij het ploegen nooit naar boven gehaald en was dus niet tijdens de survey aangetroffen. In Valesio ontbreken tot dusverre sporen en vondsten uit de 6e en 5e eeuw v. Chr. Dat is ook in Oria en op andere plaatsen in Salento het geval; een lacune in de bewoning waarvoor nog geen verklaring is gevonden. Het onderzoek in Valesio is nog niet afgesloten en voor de afronding ervan zullen nog enkele campagnes nodig zijn: de stadsmuur dient nog nader te worden onderzocht en gedateerd, en er zal nog een survey worden uitgevoerd buiten het stadsgebied. Wij hopen dat het onderzoek ons uiteindelijk in staat zal stellen tot een reconstructie van de bewoning van de site vanaf de Uzertijd en dat het in wijder perspectief tesamen met het onderzoek in Oria zal bijdragen tot het verduidelijken van het beeld van de bewoningsgeschiedenis in de Brindisijnse regio. De beperkte middelen die tot onze beschikking staan maken het onmogelijk het stadsonderzoek in Valesio ad libitum voort te zetten. Kosten en baten moeten tegen elkaar worden afgewogen en wanneer de verkregen gegevens een naar onze mening voldoende brede basis bieden voor een betrouwbare reconstructie, zullen wij onze aandacht verleggen naar andere terreinen en objecten teneinde in een zo ruim mogelijk kader de integratie van de bevolking van Salento in de haar omringende wereld te kunnen bestuderen.

102

‘O, als ik dood zal, dood zal zijn kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleeke oogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn. En ik zal niet verwonderd zijn; in deze liefde zal de dood alleen een slapen, slapen gerust een wachten op u, een wachten zijn.’ J. H. Leopold

‘O, mortuae mi, mortuae mi murmura suavia, sustollam pallida lumina nee erit mi mirabile Nee erit mi mirabile; in hoc amore moriar quiete, quiete dormiam exspectans iam, exspectans te.’ Paul Claes

Drommen slaapwandlaars over aardes vlak; En rijen roerloos onder ‘t groene dak; En zielen gaan en komen: haar legioenen Beduisteren der heemlen open wak. P. C. Boutens

Turbae per somnum terram ambulant; Catervae viridi sub tecto stant; Aguntur animae: quae legiones Caelorum vacuüm obnubilant. Paul Claes

103

De waardeering van handenarbeid in het oude Athene
Het is een algemeen verbreide meening, dat de handenarbeid in het oude Athene een niet even groote waardeering genoot, als in onze hedendaagsche samenleving. Als verklaring hiervoor wordt dan gewoonlijk aangevoerd dat; de staatsburger in de klassieke oudheid gemeenlijk in het bezit was van één of meer slaven, die den meesten handenarbeid verrichtten. De gewone staatsburger had veel vrijen tijd voor politieke werkzaamheden, het bezoeken van volksvergaderingen, het bekleeden van een staatsambt en had gelegenheid zijn geest te verfrisschen in de behandeling van politieke, philosophische en sociale vraagstukken in den kring van medeburgers. Er was hem daardoor ook de mogelijkheid geboden om zijn lichaam door voortdurende oefening te harden, om als het noodig was — en het was vaak noodig — het gebied van zijn vaderland te verdedigen of dat van een anderen staat binnen te vallen. Men stelt zich gewoonlijk voor een maatschappij waarin één deel, de eigenlijke burgers, in staat gesteld wordt om zijn leven van hoogere orde te leiden ten koste van het andere deel n.l. de slavenbevolking ; dat dus alle arbeid die in onzen tijd door den burger gedaan wordt om in zijn onderhoud te voorzien in den ouden tijd door slaven verricht werd en dat de geestelijke en lichamelijke training, die bij de meesten onzer slechts na beëindiging van hun eigenlijke werktaak geschieden kan, de voornaamste bezigheid van den Atheenschen burger was. Een zoodanige beschouwing wordt in de hand gewerkt door de overgeleverde Grieksche literatuur. Vooral Xenophon, Plato en Aristoteles geven herhaaldelijk blijk handenarbeid te verachten. Het is echter de verdienste van Otto Neurath 1 aangetoond te hebben dat de ons bekende literatuur uit het kamp der aristocratische philosofen stamt en niet geacht kan worden de algemeene Atheensche opvatting weer te geven. De vrije handwerkslieden, zegt Neurath, zullen in het bewustzijn van hun medezeggenschap in het bestuur van den staat niet minder fier geweest zijn op hun handenarbeid dan de tegenwoordige bewuste arbeider; zij zullen zelfs met minachting neergezien hebben op de theoretici die, soms van vreemden bloede, zonder zelf aan

1

Jahrb. f. Nat. u. Stat. 1906. p. 577 e.v. en 1907 p. 145 e.v.

104

Zeitschr. dat hetzelfde werk nu eens gewaardeerd. Volgens dien maatstaf was de waardeering ook afhankelijk van de vraag. 1 105 . wie de lastgever van het werk was. Dan wordt het verschil Hist.het bestuur van den staat deel te nemen. dat men zich bij het werk voor oogen stelde. In de oudste tijden. die ons geheel vreemd is. evenals tegenwoordig. 16 e. hun aristocratische leerstellingen verkondigden. Hoe verdienstelijk echter de onderzoekingen van Neurath geweest zijn. die hierop een duidelijk antwoord geeft in zijn aanhangsel ophef bekende werk van Robert von Pöhlmann over het socialisme in de oudheid 2. Neurath meent dus dat. In den loop der eeuwen was dit onderscheid gegroeid. p. 543 e. dat handenarbeid in het algemeen minder waardeering genoot dan in den modernen tijd. lette de knecht meer op de weldoende bescherming. In den zelfden geest beperkt ook Max L. dan op de vernederende knechtschap.v. dan weer geminacht werd. dat er voor het gevoel van den Athener een groot verschil bestond tusschen arbeid voor eigen rekening en dien welke in dienst van een ander geschiedde. Sinds de zevende eeuw echter was in de verhouding van heer tot knecht het patriarchale element verdwenen en kreeg het werken voor een ander meer en meer het karakter van knechtschap. en hij verklaart de uitingen van de kathedersociologen en andere schrijvers in de 4e eeuw als gevolg van het fiasco van de democratie. om op de eenzijdigheid van de literatuur te wijzen.v. al naar het doel was. 2 Pöhlmann. Strack 1 de verachting voor handenarbeid in het oude Griekenland tot het aristocratische Sparta en de Grieksche aristocratien van de 7e eeuw. toen de verhouding van heer tot knecht nog patriarchaal was. Oertel wijst er op. III F 16. Welken maatstaf toch gebruikten de Atheners bij hun beoordeeling van handenarbeid? Het is Friedrich Oertel. Zooals namelijk uit het vervolg zal blijken hebben de oude Atheners bij de waardeering van den arbeid een maatstaf aangelegd. toch heeft zijn conclusie dat de handenarbeid in gelijke eere stond als bij den modernen mensen bij velen tegenspraak uitgelokt en naar mijn meening niet ten onrechte. 3e druk 1925. door deze wijze van oordeelen kon het gebeuren. 1914 p. de waardeering voor den handenarbeid geheel afhankelijk was van het milieu en dat men niet mag aannemen. Geschichte der Sozialen Frage und des Sozialismus in der antiken Welt. toen sommigen weer het ideaal meenden te kunnen vinden in den ouden aristocratischen staatsvorm.

als het doel dat men er mee wilde bereiken achtenswaard en groot was. Het werk op zich zelf vond geen waardeering. maar slechts die handenarbeid. Vragen we ons dus af.tusschen zelfstandig en onzelfstandig werken steeds sterker geaccentueerd. dat het doel van den arbeid in het oude Athene den doorslag gaf bij de waardeering. Werk in dienst van een particulier werd versmaad. Sindsdien werkt de boer slechts met liefde op het land. waren steeds aanwezig om het minderwaardig geachte werk te verrichten. dan kan het antwoord luiden: niet de handenarbeid in het algemeen werd als minderwaardig beschouwd. of de handenarbeid in den bloeitijd van het oude Griekenland geminacht werd. al geschiedde deze niet voor eigen rekening. KNORRINGA (1928) 106 . Toen Pericles bij het volk het besef wist te wekken. H. dat het werk ter verfraaiing van de stad Athene evenzeer van belang was als militaire verrichtingen. dat arbeid in dienst van een ander een vrij burger onwaardig was. of wanneer men zijn individueele vrijheid er niet door aan banden gelegd voelde. dat deze waardeering van handenarbeid in de Atheensche democratie postvatte en zich kon handhaven ? Voortgekomen uit de oude adelheerschappij droeg de Atheensche democratie nog menig kenmerk van haar geboorte. de handwerksman slechts als hij zelf voor de markt of voor zijn klanten produceert. welke in dienst van een ander verricht werd. Eén categorie van arbeid was er echter. verlossende kracht van eiken arbeid onverschillig welke en onverschillig met welk doel heeft het oude Athene in zijn bloeitijd niet gekend. die. Ook later wordt de Atheensche burger niet voor de noodzakelijkheid gesteld om zijn opvatting over den arbeid te wijzigen door den voortdurenden aanvoer van arbeidskrachten van buiten de stad. Uit de adelsethiek zal zij ook de voorstelling overgenomen hebben. het was geacht. als het zijn eigen stukje grond is. overwon hij daarmee den afkeer van den Athener voor dergelijk werk en adelde het. vrije lieden of slaven. voor den Atheenschen staatsburger toch niet de algemeene minachting deelde: het werk dat verricht werd ten behoeve van den Atheenschen staat. Hoe is het echter te verklaren. De bevrijdende. Vreemdelingen. De waardeering voor den arbeid op zich zelf is in het oude Athene onbekend. terwijl hetzelfde werk voor eigen rekening of in dienst van den staat gaarne verricht werd. Dit is dus het fundamenteele onderscheid tusschen de waardeering van den arbeid in het oude Athene en onze moderne appreciatie.

I. vijftig jaar later. Het stigma van de slavenarbeid is er verantwoordelijk voor dat de paar vrije loonarbeiders die zich rond of op de Kolonosheuvel in Athene paraat hielden voor baantjes . Werk was middel tot een doel en als het doel niet deugde. Ten besluit wees Knorringa er nog op dat ‘het werk op zichzelf geen waardering vond’. Ik denk. Neurath wees er niet ten onrechte op dat we de opinies van een handvol bevoorrechte auteurs niet zo maar mochten veralgemenen. blz.een wel zeer rudimentaire voorloper van onze arbeidsbemiddelingsbureaus! een zeer gering sociaal prestige genoten. In zoverre brengt hij terecht een kleine correctie aan op het betoog van Knorringa. metoiken of passanten. Cicero begreep dat allemaal enkele eeuwen 107 . Voor de laatste soort arbeid . deugde sowieso het werk ook niet. Finley.Arbeid adelde niet in het klassieke Athene H. dat Knorringa een paar punten scoorde die in het onderzoek in den brede geaccepteerd zijn. die werk verrichtten dat in maatschappijen zonder slavernij door afhankelijke vrijen vervuld werd. wiens theorieën over het veronderstelde primitivisme van de Griekse en Romeinse economie in vergelijking met het commercieel-kapitalistische karakter van de economie van Middeleeuwen en Ancien Régime overigens geenszins met huid en haar geslikt dienen te worden. betoogt dat in de hele oudheid vrije loonarbeid steeds een weliswaar aanwezige maar nimmer dominante categorie geweest is.wij zouden nu zeggen loonarbeid haalde men de neus op. Pleket In de eerste jaargang van Hermeneus (1928. H. We moeten onderscheiden tussen arbeid voor eigen rekening en arbeid in dienst van een ander. Knorringa de theorie van de Duitse geleerde O. W. Hij merkte op dat het onjuist is om alle arbeid over één kam te scheren. Vervolgens stelde hij dat de vrije handwerkslieden in Athene net zo fier waren op hun arbeid als de ‘tegenwoordige bewuste arbeider’. Een en ander resulteert dus in de redelijke these dat het vooral slaven waren. Neurath die protesteerde tegen de opvatting dat de handenarbeid in het oude Athene veel minder gewaardeerd werd dan in de samenleving tussen eerste en tweede Wereldoorlog. Finley in zijn baanbrekende The Ancient Economy (1973. Het onderscheid tussen loonarbeid en de arbeid van de kleine zelfstandige wordt door M. Hetzelfde geldt voor vrije Atheners als loonarbeiders. De oorzaak van deze opvatting zocht Knorringa in de beschikbaarheid van vrije of onvrije buitenlandse arbeidskrachten: slaven en gastarbeiders zouden we nu zeggen. die de beschikbaarheid voor afhankelijke arbeid van ‘vreemdelingen. 19852) als essentieel beschouwd. Op dit punt aangeland begon Knorringa’s kritiek. 14-16) besprak Dr. op de loonarbeidsmarkt beslist niet zwaar worden aangezet. vrije lieden of slaven’ als hoofdoorzaak aanwees. Voor Athene moet de aanwezigheid van vreemdelingen.

‘en un mot. wanneer hij zegt dat het geen schande is om voor zijn onbemiddeldheid uit te komen maar wel om niet te proberen door werken eraan te ontkomen. Descat onlangs uiteenzette. namelijk het verkrijgen van rijkdom en prestige. Arbeid was geen centrale waarde in de Atheense filosofie en politiek. dan kunnen wij vervolgens onszelf meewarig als ‘loonslaven’ bestempelen. Hesiodus dringt zeker wel aan op noeste arbeid maar denkt bepaald niet in termen van de ‘dignity ofhuman labour’. Afwijzing van luiheid en lof voor hard werken zijn dus niet identiek met een glorificatie van de arbeid als waarde op zichzelf. Perikles weerkaatst in de Lijkrede het ethos van Hesiodus. Chr.z. precies hetzelfde maar dan vanuit het gezichtspunt van de slaaf: ‘de slaaf is een permanente loonwerker’. Werken is een typisch symptoom van een vervalperiode waarin de machtige grootgrondbezitter (havik) naar believen de zwakke. zoals R. Daarmee is echter geenszins e contrarie gezegd dat ‘dus’ de arbeid geheiligd is. Jan Romein heeft ooit de heiliging van de arbeid gerubriceerd onder de verschijnselen die met elkaar de afwijking van Europa van het algemeen menselijk patroon gestalte gaven. sondern man lebt um der Arbeit willen’ zou in het klassieke Athene op groot onbegrip gestuit zijn. vormde een obstakel voor het ontstaan van een abstract concept ‘arbeid’. Het is eerder een noodzakelijk kwaad dan een verschijnsel dat geheiligd wordt en een grote. d. ambacht. verre echo van die mentaliteit: komen wij eens ‘s avonds ietwat vermoeid thuis of willen wij op een feestje de met het alternatieve leven flirtende lolbroek uithangen dan wel ons tegen trendy yuppies afzetten. Arbeid als noodzakelijk kwaad We laten nu gemakshalve de niet-westerse culturen voor wat ze zijn. financiën. ergasia en ergazesthai werden. In die situatie neemt Hesiodus zijn toevlucht tot ‘werken’ en ‘rechtvaardigheid’ als verschijnselen die uiteindelijk te verkiezen zijn boven de machtswellust van de corrupte grondheren. De uitspraak van de Duitse graaf Zinzendorf dat ‘man arbeitet nicht allein. Men kan zich van deze theorie niet afmaken met de opmerking dat er in tal van niet-Europese culturen waarde gehecht wordt aan hard werken en dat ‘luiheid’ een scheldwoord is. Arbeid als waarde op zich bestond niet. dass man lebt. De Stoïcijn Chrysippus zei in de derde eeuw v. en wel op diverse terreinen: landbouw. Hier moet overigens met subtiele en principiële nuances worden gewerkt. niet-werken (a-ergia). gebruikt voor wat wij nu ‘werk’ en ‘werken’ noemen. het is in wezen een soort ‘afzien’ waaraan een mens zich moet onderwerpen teneinde niet door de haviken opgepeuzeld te worden.later heel goed toen hij loonarbeiders (mercennarii) ‘loco servorum’ achtte. ergon. Wij hebben in ons vocabulaire nog een uiterste. In het klassieke Athene was het in wezen niet anders. Anders gezegd: te veel Atheners waren in te veel verschillende soorten werk geïnvolveerd dan dat ze zich achter het ene vaandel van ‘de arbeid’ konden scharen. Natuurlijk. In de Griekse wereld zijn er vanaf Hesiodus zeker geluiden op te vangen volgens welke luiheid. mijnbouw. Arbeid is dus niet een doel op zichzelf maar een middel ter verwerving van maatschappelijke status. handel. Kants Griekse voorgangers vonden vrije tijd juist het ideaal bij uitstek. dans l’ensemble des activités économiques. Daarnaast dient nog vermeld dat ergon ook nog hele andere 108 . Maar werken is hier uitsluitend een middel tot een doel. kleine boer (nachtegaal) kan knauwen. schande oplevert. Knorringa was zijn tijd vooruit met de constatering dat werk op zichzelf niet gewaardeerd werd.w. Er is al vaak op gewezen dat één abstract begrip voor ‘arbeid’ ontbrak in het Grieks van de literatoren en de inscripties. Hetzelfde geldt voor Kants idee dat vrije tijd ‘leere Zeit’ was. in zichzelf besloten waarde representeert. Maar juist het feit dat een veelsoortigheid van activiteiten met ergon aangeduid kon worden.

een vaasschildering gemaakt heeft. Deze schrijvers 109 . Langs de linkerrand. 500 v. Sommige geleerden gaan. In Athene hebben politici dan ook nimmer stadgenoten kunnen mobiliseren in een beweging die de arbeid in het vaandel of programma voerde. Lof op de Landman De vraag dringt zich natuurlijk op. Er wordt dan eerst opgemerkt dat de arbeid van de boer wél verheerlijkt werd en dat het alleen de ambachtelijke -commerciële arbeid was waarvoor men zijn neus ophaalde. Kroongetuigen voor de lof op de landman en op de zichzelf in principe bedruipende oikos alsmede voor de afkeer van ambacht en commercie zijn uiteraard reactionaire auteurs als Xenophon. Finley wees er terecht op dat in de Griekse wereld de politieke slogans bij uitstek waarmee politici massa’s in beweging konden brengen. van boven naar beneden: ‘hõσ ο δ ποτε Ε φρ νιοσ’ ‘zoals nooit Euphronios’ (nl. Chr. die van ‘landverdeling’ en ‘schulddelging’ waren. 2307. München. karwei. alvorens tot beantwoording van de vraag over te gaan. Maar Athene was dan ook a-typisch: welke stad beschikte over én produktieve zilvermijnen én een lucratief imperium (tot 404 althans) én een magneetachtige haven als Piraeus ? Pas rond 340 v. Partijen in de moderne zin van het woord waren er sowieso al niet in Athene’s politieke bestel. l. lang tevoren hadden zij al weerklonken in andere. Attisch rood-figurige amphora. ca. gebouw en (later) zelfs vereniging of gilde. blijken ook in Athene groepen burgers gevoelig voor voornoemde revolutionaire slogans. Chr. een ‘Partij van de Arbeid’ was al helemaal ondenkbaar geweest. In het democratische 5e-4e eeuwse Athene is overigens ook van die slogans nauwelijks sprake. aanmerkelijk minder bedeelde 4e-eeuwse Griekse stadstaten. waarom ‘arbeid’ geen centrale waarde geweest is in het klassieke Athene..afb. beschilderd door Euthymides. Op de aldus aangepaste vraag volgt dan als antwoord een verwijzing naar het ideaal van de autarkie van de agrarische oikos. Het epitheton ‘re-actionair is hier met opzet gebruikt en wel in letterlijke zin. allereerst de vraag enigszins aanpassen. Plato en Aristoteles. zaken dan ‘werk’ kon aanduiden: werkstuk. Euphromos was een Atheense vaasschilder uit dezelfde tijd).

maar volstond met enig inspectie. ca. zoals W. Trots op vakmanschap: Athena en Nikai bekransen werkers in een ceramisch atelier. zelf-werkende landman (de autourgos: van autos: zelf. In dit verband moet ook niet vergeten worden dat in bijvoorbeeld Aristoteles’ ideale staat de boeren net als de ambachtslieden buiten spel gezet worden: afb. dat was echter eerder een soort ‘training’ dan reguliere agrarische arbeid. waarin boeren. Net als later bij de Romeinen moet het militaire aspect zeker ook meegewogen worden: werk in de landbouw hardt de man en bereidt hem voor op het hoplitenwerk.en supervisiewerk. ze is bovendien ook nog lichtelijk hypocriet: de ware grondheer. 110 . 2.. Chr. Forrest overtuigend en eloquent heeft aangetoond. Het was de vloot die Athene droeg en daarop dienden theten. en ergon: werk) zijn het produkt van een naar de goede. kleine en grote. voor de markt produceerden en waarin ruim een kwart van de vrije burgerbevolking in de niet-agrarische sector werkte en sowieso het autarkie-ideaal aan zijn laars lapte. Een tegenstelling tussen hopliten en theten is er in de democratie niet te vinden. oude tijd smachtende groep van anti-democratische grootgrondbezitters geweest.reflecteren met de door hen beleden idealen niet de sociale realiteit maar ze reageren ermee op een uiteraard andersoortige maatschappij. die zich af en toe op één zijner landgoederen te buiten ging aan agrarische arbeid. democratische Athene lag echter zeker niet de nadruk op hopliten als de kurk van de Atheense defensie. Torno. A. dan deed hij dat voor zijn plezier Men vergelijke zijn mentaliteit met die van de latere Romeinse keizer Antoninus Pius. hopliten gingen hoogstens als mariniers mee op de dekken van de triremen. 460 v. De lof op de landbouw doet niet alleen archaïsch aan. Brunt gelijk had toen hij onlangs de uitspraak van een onbekend persoon in een fragment van Menander (‘het boerenwerk is het werk van een slaaf’) representatief verklaarde voor de mentaliteit van de grootgrondbezitter. Coll. In het klassieke. Milaan. Ik denk dat P. Zo hij al eens echt wat deed. G. Attisch roodfigurige hydria. die heftige weerstand bood tegen en furieuze kritiek had op de feitelijke gang van zaken in Athene. zoals Ischomachos in Xenophons Oikonomikos. bewerkte niet zelf het land. De zucht naar autarkie en de lof op de landman zijn programma-punten van een kleine agrarische elite. De loftuitingen op de zichzelf genoegzame.

Het feit dat vrijen en slaven in de meeste sectoren van de economie zij aan zij werkten.’in de zeer talrijke grafepigrammen nauwelijks de lof op de agrarische arbeid gezongen werd. ook de gewone Athener werd geacht een enkele slaaf te bezitten. die zelf de armen uit de mouwen moest steken.geen van beide categorieën beschikte over voldoende vrije tijd om de ware deugd en daarmee politieke zeggenschap te verkrijgen. Slaven Mij lijkt het het waarschijnlijkst dat het ontbreken van een echte arbeidsideologie in het klassieke Athene primair gerelateerd moet worden aan de dominantie en alomtegenwoordigheid van de slavenarbeid. representatieve politieke systemen. vervolgens de minachting voor de resterende. Trots op een concrete arbeidsprestatie kan men in de inscripties constateren bij menig ambachtsman maar heiliging van de arbeid als zodanig was er niet bij. Aristoteles weerspiegelt daarmee natuurlijk niet de feitelijke sociale situatie van het eigentijdse Athene. Twee dingen geven dus geen pas: eerst de agrarische arbeid afzonderen uit het totale arbeidsbestel en de verheerlijking daarvan afkondigen in Athene. moet voor de perceptie van de vrijen geresulteerd hebben in een zekere stigmatisering van de arbeid of althans in het ontbreken van de neiging om de arbeid tot centrale waarde te verheffen. In het leven van alledag zal de doorsnee Atheense boer. gedeeld hebben. integendeel. Hij zal dichter bij Hesiodus’ bovenvermelde mentaliteit gestaan hebben. Athene liep daarmee fraai in de pas met latere (Latijns) Amerikaanse slavenmaatschappijen. extern was er lange tijd het Atheense imperialisme dat de Atheense polis bepaald geen windeieren legde. Meier heeft in een recente studie betoogd dat het de dominantie van de politiek in het leven van de Atheense burgers geweest is die het onmogelijk maakte om de arbeid als centrale waarde te pousseren. Het moderne onderzoek heeft aangetoond dat de slaven qua aantal toch gauw zo’n 30% van de totale bevolking uitmaakten. de zogenaamde république des paysans mogen ze weer meedoen. uit de context blijkt dat de man vooral bedreven was in het opkopen en weer in bedrijf brengen van verwaarloosde landerijen. Slechts in de op één na beste staat. en ook in Athene. niet-agrarische arbeid relateren aan een dominerend agrarisch autarkie-ideaal. hij reageert tegen de realiteit die ver verwijderd is van die republiek en haar waarden. Het is overigens niet zo dat dientengevolge de Athener niet meer werkte. De vader van onze hereboer Ischomachos mag dan arbeidsminnend (philo-ergos) geweest zijn. De belangrijke vraag of überhaupt in de pagane oudheid een verheven arbeidsideologie geboren is dan wel het Christendom de ‘uitvindster’ van de heiliging van de arbeid 111 . zeker niet de bewieroking van de landarbeid. men kon zich althans tegenover juryrechtbanken beklagen over het feit dat men zo arm was dat men zich geen slaaf kon permitteren. In het algemeen geldt dat in de hele oudheid. zoals gepredikt door een aantal reactionaire auteurs. zij het niet altijd op voet van gelijkheid. De toonaangevende politieke elite ontleende zeker een essentieel deel van zijn rijkdom aan de exploitatie van slavenarbeid. Chr. Intern maakte het feit zelf van de slaven-maatschappij het de burgers gemakkelijker om tijd vrij te maken voor het circus in de ekklesia. mag toch gezegd worden dat in het volksvergaderingssysteem de burger zich gemakkelijker als politiek dier kon gedragen dan in andere. Men vergete echter niet dat de Atheense democratie in dubbel opzicht een produkt was van exploitatie. Zonder nu direct de concrete participatie van de doorsnee-burger in de democratie te overdrijven. Voorzover mij bekend zijn philo-ergos en philo-ergia termen die althans in het epigrafische materiaal vooral gebruikt worden ter kenschetsing van slaven en vrouwen: nauwelijks twee categorieën die de dominante waarden van de masculiene burgermaatschappij belichaamden.

GRONIEK 85 (1983) 1-7 (met verdere literatuur). Studien zur Alten Geschichte. C. S. 47-109) en W. ‘Arbeit und Arbeitsvertrage in der griechisch-römischen Welt’. A.als dienst aan en plicht jegens God geacht moet worden te zijn. Von einer Autorengruppe der Martin-Luther Universität Halle-Wittenberg. Graeber (edd. ‘Hesiod’s attitude towards Labour’. C. ‘La représentation du travail: récit et image sur les monuments funéraires des Médiomatriques’. Identität: neue Fragen im alten Athen’ (blz.fundamenteel verschilt van dat van Middeleeuwen en Ancien Régime. J. L’acte et l’effort. Politik. ‘Labor Improbus: die Arbeit im antiken Rom’ (blz. Mrozek. Leiden 1974 (m. Gamsey. Pannoux. W. Meier.). Dialogues d’Histoire ancienne 11 (1985) 293-328. Wat het uiteindelijke antwoord ook moge zijn. Leipzig 1983. Greek. ‘Aspects of the Social Thought of Dio Chrysostom and of the Stoics’. ‘Non-slave labour in the Roman World’. blz. de kritiek op hem. latris et doulos. Tussen Polis en Technopolis. Proceedings of the Cambridge Philological Society (1973) 9-34. Roman and Byzantine Studies (1967) 5-23. De vraag is daarom zo belangrijk omdat het ‘orthodoxe’ antwoord één van de steunpilaren levert voor de stelling dat het sociaal-economisch systeem van de oudheid . Geburtstag dargebracht. Dialogues d’Histoire Ancienne 11 (1985) 487-538. M.-C. Kloft. valt buiten het kader van dit opstel. waarin de slavernij hetzij op zijn retour was hetzij vrijwel afgeschaft.n. S. Saeculum 35 (1984) 200-221. Stroh. Over mogelijke pagane voorlopers in de kringen van Stoïcijnse filosofen tijdens de Keizertijd verwijs ik de lezer naar enkele opmerkingen mijnerzijds in het tijdschrift van de Groninger geschiedenisstudenten GRONIEK. Lauffer zum 70. H. Band II (Rome 1986)705-716. S. ‘Héraclès. Une idéologie du travail en Grèce ancienne (8ème-5ème siècle av. Garnsey (ed. Kalcyk . over Jan Romein. Daarin met name bijdragen van Chr. Paris 1986 P. In die laatste twee perioden zou de opkomst en opbloei van een verheven ideologie van de arbeid één van de factoren geweest zijn die de geboorte van het (commercieel) kapitalisme veroorzaakt hebben. ‘Zur Verbreitung der freien Lohnarbeit in der römischen Kaiserzeit’. In het bovenstaande is een en ander ontleend aan: P. Cambridge 1980. Welles. A. Der Mensch und seine Arheit. 112 . ‘Arbeid en Oudheid’. ‘Arbeit.B.Griekse zo goed als Romeinse . H. 10-13. V. Sur quelques aspects du travail dans le mythe héroique’.). R.).). en de autarkie). Gullath A. Otilien 1986). Jourdain-Annequin. Wes. Eine Ringvorlesung der Universität München (St. B. Descat. Non-slave Labour in the Greco-Roman World. Schubert (ed. Die Arbeitswelt der Antike. het zou wel eens kunnen zijn dat in grote gedeelten van de pagane oudheid de zweep voor de slaaf dezelfde functie vervulde als een verheven arbeidsideologie voor werkers in een bestel. in: H. We volstaan hier met de opmerking dat de opwaardering van de arbeid in ieder geval in de vroeg-Christelijke kerk van de oudheid op gang kwam. Brunt. 111-146). in: P. Pleket.

IJZEREN (1931) UIT DE ANTIEKE FOLKLORE I. het volgende verhaal (c.— Cur tamen me reicis et repellis. Solis et lunae radii nitentes Desinuntnunquam refovere terram. The winds of heaven mix for ever With a sweet emotion. Welnu. 113 . Paxos ligt veel Noordelijker. die een zekeren Thamous riep. De meeste passagiers waren nog niet naar bed .Love’s Philosophy The fountains mingle with the river. Plotseling hoorde men een stem van het eiland Paxos. Grata puella ? Saxa caelo basta nonne figunt ? Nonne fluctus oscula dant petuntque? Rure flos narrare solet sorori Frater amores. Eens op een avond — ze waren juist in de buurt van de Echinadische eilanden 1 — ging de wind liggen . In mare ac mox fluminaserecondunt.-Kust van Acarnanië . ten Z. v. van Corcyra . velen zaten zelfs nog na het diner wat te drinken. B. De dood van Pan (traditie en oudere verklaringen) In Plutarchus’ dialoog „Over het verval der orakels” komt de vraag aan de orde. And the waves dasp one another. And the rivers with the ocean.— Quid valent tot basia. And the sunlight clasps the earth. daardoor onzeker in zijn koers. dat in het 3e boek der Aeneïs genoemd wordt en tegenwoordig door de Italianen wordt opgegraven. één der deelnemers. Nothing in the world is single. If it disdained it’s brother. vertelde dat hij eens naar Italië voer op een koopvaardijschip. dat verscheiden passagiers aan boord had. belandde dicht bij het eiland Paxos. In dit verband vertelt Philippus. een stadgenoot van mij. het schip. And the moonbeams kiss the sea: What are all these kissings worth. SHELLEY. Singulare in orbe nihil relictum: Cuncta amat coniungere lex deorum. 17) : „Sommigen van u hebben ook de lessen gevolgd van den rhetor Aemilianus. — Why not I with thine ? Sec the mountains kiss high heaven. Algemeene verbazing ! Thamous was 1 De Echinades liggen tegenover Ithaca aan de Z. Palodes is waarschijnlijk een haven bij het oude Buthrotum in Epirus. si negas tu Reddere amorem ? J. zijn vader. No sister flower would be forgiven. Lenibus ventomm agitant susurris Flamina caelum. de onderwijzer Epitherses. All things by a law divine In one another’s being mingle. Amoris Meditatio Influunt fontes fluviis perennes. of daemonen sterfelijk zijn. If thou kiss not me ? P.

een Egyptisch stuurman. Toen ze dat gehoord hadden. Toen hij nu ter hoogte van Palodes kwam. wie die Pan eigenlijk was. Uit de oudheid is dit feitelijk onze eenige bron voor het merkwaardige en bekende verhaal van Pans dood . dat de stem geklonken had in den nacht na Jezus’ sterven. of ze het bevel moesten opvolgen óf wel er zich maar liever niet mee inlaten. en slechts enkele van de opvarenden kenden hem bij name. zou hij er stilletjes voorbijvaren. waren allen verbijsterd en vroegen zich af. er loopt inderdaad een onafgebroken lijn van Eusebius naar deNuttallencyclopaedie en nog recenter publicatie’s. maar de derde maal gaf hij antwoord. maar aan den kruisdood op Golgotha gedacht. maar die nam het letterlijk van Plutarchus over. dit leest : „There is a remarkable tradition. maar van vele wezens. Alleen werd daarbij gewoonlijk niet aan de geboorte te Bethlehem. de „Nuttall-encyc}opaedia” van 1900..nl. Welnu. dat hij de zoon was van Hermes en Penelope”. waar men onder den naam . zoo vertelde Epitherses. een lijn van Christelijke interpretatie. Toen zette de ander zijn stem nog wat uit en riep : „wanneer ge bij Palodes komt. de geleerden aan het hof stelden daarop de hypothese op. that on the night of the Nativity at Bethlehem an astonished voyager heard a voice exclaiming as hè passed the promontory of Tarentum : . als voorbeeld kies ik een volmaakt willekeurige bron. was er geen wind en geen golfslag . Daar er vele getuigen waren. Maar Thamous hakte de knoop door : als het daarginds woei. dan zou hij uitroepen wat hij gehoord had. ‘’ Het voorval vond immers plaats onder Tiberius. of er ontstond een luid geklag met kreten van verbazing gemengd. 114 .Pan” o. al spoedig heette het dan ook.the great Pan is dead” ”. wel komt het ook bij den kerkvader Eusebius voor. Nauwelijks had hij dat gezegd. de oogen naar het land gericht. sat simply chatting in a rustig row . en bedoelde te 1 Niet gelijke maar misschien verwant is het volgende uit Miltons „Hymn on the Nativity” (1629) : The shepherds on the lawn. a. onder wien Jezus ter dood werd gebracht. en Thamous werd door keizer Tiberius bij zich ontboden. or ere the point of dawn. maar was er op die plaats windstilte en kalme zee. Tiberius hechtte zooveel geloof aan het verhaal. Tweemaal werd hij geroepen en tweemaal hield hij zijn mond. Latere bespiegeling en fantasie heeft evenwel aan dit bericht een heel andere wending gegeven . dus riep Thamous van den achtersteven. breng dan het bericht over : de groote Pan is dood”. wat hij gehoord had: „de groote Pan is dood”. niet van een. verbreidde het verhaal zich snel te Rome. dat hij een onderzoek liet instellen..

The new voice” . Akad. dat voor het eerst grondig met een zoo fantastische verklaring gebroken werd door den Haarlemschen stadsgeneesheer Antonius van Dale in zijn De oraculis veterum ethnicorum dissertationes duae van 1683. Gerhard. Deze interpretatie keert dan bij allerlei schrijvers in verschillende schakeeringen terug. full little thought they then that the mighty Pan was kindly come to live with them below. ontleen ik aan G. gelijk we boven reeds zagen. de poëzie zoowel als de beeldende kunst heeft van haar goed recht gebruik gemaakt en het verhaal gesymboliseerd. allen met een blik van vreemde verwondering op het gelaat. maar. de naam van den kunstenaar is mij ontschoten. Voor het overige liepen ook in de Christelijke interpretatie de verklaringen nog uiteen. Volgens sommigen was de gestorven Pan niemand anders dan de duivel.. die juist in plotselinge en pijnlijke verbazing de herdersfluit met de zeven pijpen van ongelijke grootte uit den mond genomen heeft. Wiss. Der Tod des grossen Pan. die dan ook evenals de Arcadische herdersgod met bokspooten werd afgebeeld : zijn rijk was ten einde en zijn dienaren jammerden om zijn dood.. De dood van Pan blijft beteekenen den ondergang van het heidendom. Volgens anderen was „de groote Pan” Christus zelf. dat hij zelfstandig tot deze verklaring kwam en niet van Eusebius of lateren afhankelijk is. Deze opvatting vindt men o. Op den voorgrond in een Grieksch landschap de goedige Pan. Jaren geleden — het zal tusschen 1910 en 1915 geweest zijn — was er op de jaariijksche tentoonstelling van nieuwe schilderijen te Londen een werk getiteld . waarbij het merkwaardige is. om hem heen eenige satyrs en nymfen uit zijn gevolg. dat nu aan de macht van het daemonendom voor goed een einde was gemaakt. „de groote herder der schapen” was. vgl. 115 . Dit citaat. bij Rabelais in het vierde boek van zijn Pantagruel. VI (1915) . Ber. evenals eenige détails in het vervolg. die immers „de goede herder”. Sitz. Heidelb. in meer populaire geschriften ontmoet men de verklaring nog heden ten dage. Zoo werd het verhaal van Pans dood een merkwaardige pendant van Vergilius’ vierde Ecloga. Sindsdien heeft de wetenschap er voor goed mee gebroken. denzelfde in Wiener Studiën XXXVII (1915) 322—52 en XXXVIII (1916) 343—76. Phü. A... d. maar in de i76 eeuw begon ook de kritiek haar stem te doen hooren. En wat belangrijker is. waarin immers Christus’ geboorte voorspeld zou zijn. a.zeggen. Voor ons eigenaardig is het feit. gelijk de speurende geleerden aan het hof van Tiberius een pendant vormen van Herodes’ schriftgeleerden. Klasse.-hist. de vlucht van Griekenlands goden en daemonen voor de naderende gestalte van Christus.

was het heengaan van die goden geen sterven. toen zij in 1844 in een lang gedicht van 39 strofen reageerde op Schillers „Die Götter Griechenlands”. die de eenzaamheid verbreken. en het telkens weerkeerend refrein luidt: „Pan. Over Pan als verwekker der paniek het laatst Miss R. unnütz einer Welt. Pan is dead”. 116 . Ook een andere. aan de hand ook van moderne parallellen. sie kehrten heim. In haar gedicht gaf zij uiting aan de overtuiging. waarmede zij in vertaling had kennisgemaakt. alles Hohe nahmen sie mit fort. „the new voice”. dat zijn rijk uit is. Pan voelt. Voor Schiller. und uns blieb nur das entseelte Wort”. zooals Cicero ze noemt 1 en van den daardoor veroorzaakten panischen schrik.sprakeloos starend naar een punt in de verte. die immers de god is van de stilte in veld en woud. had oudtijds den naam van Pan in verband gebracht met het Grieksche pan = „alles” . H. „Müssig kehrten zu dem Dichterlande heim die Götter. entwachsen ihrem Gangelbande. Ja. 2 Hoe dan het verhaal van Pans dood wél te verklaren is ? Daarover in een volgend artikel. van de voces ex occulto missae. sich durch eignes Schweben halt. alle Farben. Wijsgerige bespiegeling. Hoewel. waarschijnlijk onder invloed van Orphische mystiek. dié blijvend zal blijken. zoo werd hij tot een pantheïstischen algod en gelijkgesteld met de Egyptische godheid Mendes of Chnum. WAGENVOORT (1928) 1 2 De Divin. Groningen. dat een Christen niet meer behoefde te treuren om het verlies van den Olympus . maar ook van de plotseling schrikaanjagende geluiden. evenmin juiste verklaring is reeds van ouden datum. Harrison in Class. die in somberen weemoed aan die lichte en blijde godenwereld terugdacht. is er toch geen reden om bij Pan niet te denken aan den natuurgod. Reeds bij zijn verschijnen in 1788 had dit gedicht veel stof opgejaagd. gelijk we later zien zullen. alle Lebenstöne. und alles Schone. en ook Elisabeth was verontwaardigd. I 101. Egyptische invloed op het verhaal niet uitgesloten schijnt. als motief koos zij daarbij het verhaal van Plutarchus. Zoo zag ook de Engelsche dichteres Elisabeth Barrett Browning de figuur van Pan. want ginds aan den horizon verrijst een lichtende gestalte en klinkt een stem met nooit gehoorde klank. Hier is de stilte. die.

slechts één verhaal van Kreta laat zich eenigszins vergelijken. 31 uit Engeland en Ierland. die deze opgeeft. Taylor variant 46. en de vervulling van die opdracht. ruft er das aufgetragene dreimal hinein. uitsluitend door Plutarchus verteld. maar dit kan heel goed toeval zijn . De dood van Pan (moderne parallellen en verklaringen) Het verhaal van den dood van Pan wordt ons. die één of meer. Een Tiroler sage luidt aldus : 2 „Einst ging im Pinzgau von Saalfelden durch den holweg herunter ein metzger urn mitternacht. hij verzamelde liefst 246 varianten. dat Griekenland en Italië geheel ontbreken. 2 uit Bohemen. Nadat Gerhard en anderen reeds heel wat materiaal bijeengebracht hadden. volgens den Schrijver vindt men één Nederlandsche variant bij Sepp. Studies X 1 (1922). soms alle hoofdmotieven van het oude verhaal in zich vereenigen. 14 uit Frankrijk en 1 uit Fransch-Canada. 35 . und der metzger eilte voll schrecken seines weges. wenn du bei der langen Unkener wand vorbeigehst. 117 . waaronder 66 uit Duitschland. zooals wij zagen. Een misschien verwant Vlaamsch verhaal zal nog ter sprake komen. heeft vooral Taylor 1 zich verdienstelijk gemaakt met het bijeenbrengen van de zeer verspreide gegevens . Ook ons land ontbreekt geheel.UIT DE ANTIEKE FOLKLORE II. is onjuist. 50 uit de Alpenlanden. immers de twee voornaamste factoren ontbreken niet: de opdracht van een geheimzinnige stem om ergens den dood van iemand uit te roepen. Taylor. so ruf hinein in die spalten : die Salomo ist gestorben !’ das kann ich thun. Noch vor tages grauen an die lange wand gekommen. da rief aus der felswand eine stimme: ‘metzger. Northern Parallels to the Death of Pan. 3 van Guernsey. erwiederte lachend der metzger. Altbayerischer Sagenschatz p. Opvallend is. Washington Univ. da erfcönte aus der tiefe des berges ein lautes vielstimmiges wehklagen und jammem. 2 Gerhard p. 77 uit Scandinavië. maar de bron. aan wien Eusebius het weer heeft ontleend. over heel Europa verbreid.” Hier is de overeenkomst met Pans dood toch wel zeer opmerkelijk. Daarentegen zijn buitengewoon talrijk de sprookjes. 597. gevolgd door geweeklaag van talrijke 1 A.

and yet no one saw anything at all. daar volgt dan het geweeklaag als in de oorspronkelijke lezing. in hoofdzaak deze. adding : ‘Now we know that your name is Gloria. 1 2 3 Variant 55. simplistischer en tegelijk onder invloed van vreemde elementen onzuiver geworden. toen lag het voor de hand. Taylor var. i.” De verandering is nl. met de meest eenvoudige vorm beginnen. die Taylor aldus weergeeft 1 : „Once a peasant of Kappel (near Schatwald) sold a pair of oxen and was carrying tome the yoke. baking. voor wien het bericht bestemd is. Hoss.’ When he came home he told the maid the news and she began to lament and wail and disappeared forever. die in de menschelijke woning soms heel onverwacht hun intrek nemen en even plotseling verdwijnen. dan moet men m. Var. die de opdracht krijgt. dat een vreemd element binnensloop. Verreweg de meeste varianten zijn nl. 118 . hoort men het volgende vertellen volgens Taylor 3 : „An invisible voice called to a farmer who was going home from the field with a yoke on his shoulder : ‘Yoke-bearer ! Teil Gloria the Kanzelmann is dead !’ At supper he told his experience to the maid.v. Loringg is dead !’ Wenn he told this at home there was a wailing and moaning and shrieking behind the stove that was sad to hear. 66. on your snow-white horse.” In vele gevallen is er groote overeenkomst tusschen de namen van den gestorvene en van hem. As he came to Staiger Kirchweg hè heard a voice call: ‘Jochträger. dat de reiziger. van deze variant uitgaan en niet. gedienstige wezens van allerlei slag. Maar toen eenmaal de reiziger het bericht eerst overbracht bij zijn aankomst thuis.” En weer komt een nieuw element naar voren : de kern van andere varianten blijkt te zijn niet de opdracht. Once when the peasant with whom she lived was riding home late at night through the forest he heard a voice saying: ‘Hoss. and the like. maar het feit dat door de opdracht de geheime naam van den huisgeest verraden wordt. 82. In Baden b. Ingeval werkelijk de antieke sage met de moderne varianten verwant is.wezens. sowing. zooals Taylor doet. teil Gstutzte Mutz. dan mag men de eerste verbindingsschakel zien in een Beyersche variant. teil Hanne her father is dead. zich daarvan kwijt niet ergens onderweg — dat wordt hem ook niet meer verzocht — maar in zijn eigen huis . Vergis ik me niet. het geloof aan huisgeesten.’ Straightway she jumped up from the table and was never seen again. Zoo vertelt men in Tyrol 2 : „There was a maid who was descended trom the stock of the forestdemons (Norggren) and who gave wise advice in matters concerning wind and weather.

. ver van de bewoonde wereld. 2 en de gestadig weerkeerende klacht om zijn dood een zoo bekend gegeven. in navolging van Mannhardt. menschelijke gedaante . Die Tötung des Vegetationsgeistes. Inderdaad lijdt het geen twijfel. zijn heengaan beteekent de komst van den winter en het wegsterven in de natuur. Carl Clemen. die ook vrij talrijk is. Een verre uitlooper van de tweede groep schijnt men in Vlaanderen te kennen (volgens Taylor p. het is alleen maar moeilijk te bewijzen. Gerhard. 22 (1923/24) 329. Appele en Appela. Find en Kind. 63): een man zag een heele verzameling katten dansen en hoorde ze daarbij zingen : „Poot aan poot ! Den duivel is dood !” Evenwel — hoezeer ook de tweede en derde groep door den folklorist in dit verband niet mogen verwaarloosd worden — de eerste komt toch het allermeest in aanmerking voor de verklaring van den . Otto Weinreich in Arch. in de tweede. waarin kinderen of andere bloedverwanten omgekomen zijn. die geluiden ! Wie ze hoort. In elk geval zal men Taylor moeten toegeven. En toch — in dit geval was de algemeene verbazing zoo groot en vond men de toedracht zoo mysterieus. dat de stervende daemon een vegetatie-geest is . dat de zaak zelfs de aandacht van den keizer trok. 49—50 (1922) 120 vlgg. f. in de derde klasse behooren de varianten. Wiss. die zijn Vgl. dat het ook de oorspronkelijke zin was. enz. Daarom geeft Taylor een andere interpretatie : de oorsprong van al deze ver uiteenloopende en toch onderling verwante verhalen zou liggen in een hallucinatie van het gehoor. In bosch en veld. en niet meer zijn het de gewaarwordingen der zintuigen. Immers het sterven van een natuurdaemon is een zoo algemeen voorkomend motief in de oudheid. dat verschillende bijzonderheden in Plutarchus’ verhaal zoo niet worden opgehelderd. Vgl. Ze spellen niets goeds. dat die verklaring voor de hand ligt. siddert. Relig. en elders vindt men Hübel en Habel. is van oordeel. drie groepen onderscheiden 1 : in de eerste bezat het wezen. niet zelden gelijkend op de kreten van een menschelijke stem.” Wat nog niet zeggen wil. dat misverstand bijna uitgesloten mocht heeten.dood van Pan. . deze assimilatie van namen is een bekend verschijnsel in folklore. Men kan nl.„Groet Ati en zeg dat Wati dood is F’ heet het in Denemarken. Adder en Madder. daar hoort men onbestemde geluiden. Intusschen maakten we nog slechts kennis met enkele voorbeelden van één bepaalde variantenkategorie. zijn fantasie roept schrikbeelden op. dat dit de eigenlijke zin is van vele der varianten . Neue Jhrbb. waarvan de dood aangekondigd werd. waarin het uitbreken van een brand wordt aangekondigd. 1 2 119 . is het daarentegen een kat of kat-achtig wezen .

en vond dan ook instemming bij een man als Frazer. H.denkbeelden teweegbrengen. Vroeger had Salomon Reinach reeds den naam van den stuurman Thamous in verband gebracht met Tammuz. Zou deze opvatting juist zijn. Zoo oordeelt ook Weinreich. 1 Groningen. w. hoe een oorspronkelijk godsdienst-historisch gegeven zich geheel in folkloristische richting ontwikkelen kan. Volgens Reinach zou nu het geheele verhaal zijn ontstaan te danken hebben aan de geheel verkeerd begrepen uitroep: ΘΑΜΟΥΣ ΘΑΜΟΥΣ ΘΑΜΟΥΣ ΠΑΝΜΕΓΑΣ ΤΕΘΝΗΚΕ. De overeenkomst tusschen beide verhalen is te meer treffend. geen van beide geheel. WAGENVOORT (1928) 1 a. 31—1927—52). Het epitheton πανµ γασ („de algroote”) zou dan verstaan zijn als Π ν µ γασ. dat er aan de kust van Epirus gemeenten waren van Graeco-Syrische Adonisvereerders. dan geeft de „dood van Pan” wel een merkwaardig voorbeeld. i. dat men de oplossing toch wel in Oostersche of Grieksch-Egyptische sfeer zal moeten zoeken. wat hij gehoord en misschien ook gezien heeft. waarop W. den schrijver van „The golden bough. om dan opnieuw. ! Weinreich komt nu aan het eerste bezwaar eenigszins tegemoet “door te onderstellen. wiens sterven immers jaarlijks in bittere klacht door zijn volgelingen beweend wordt. 330. Onafhankelijk blijkbaar van Weinreich kwam later Georges Méautis nog eens met dezelfde parallel voor den dag (Musée Belge. 1. religieus te worden geïnterpreteerd.” Niettemin zijn er ernstige bezwaren . en sterk pleitend voor Oosterschen oorsprong is een parallel. Weinreich behandelt ook het motief van Paus dood in de nieuwste poëzie en roman-litteratuur. De hypothese was even schrander als verleidelijk. p. of men dan moet aannemen. nog wijst. Plutarchus een dergelijk verhaal van een geboorte-aankondiging: een zekere Pamyles te Thebe hoorde bij het putten van water een stem uit den tempel van Zeus (Amon-Rê). afgezien nog van de vraag. Van veel belang m. dat de gehoorde kreet luidde : Θαµο σ Θαµο σ Θαµο σ µ γασ Π ν τ θνηκεν. maar in geheel anderen zin. 120 . bevredigen zij m. identiek met Osiris als god der vruchtbaarheid. Dan zou dus aan den Syrischen naam het Grieksche aequivalent zijn toegevoegd. den Syrisch‘Babylonischen Adonis. 2 De Iside et Osiride 12. maar omgekeerd dicteeren hem de beelden van zijn denken datgene. Elders 2 vertelt nl. die hem beval luid te verkondigen : µ γασ βασιλε σ ε εργ τησ Οσιρισ γ γονεν. gelijk men wel meer deed. 355 E. Terwijl er zoowel in Gerhards als in Taylors verklaring aantrekkelijke elementen zijn. i. 1 die van meening is. omdat evenals Thamous ook Pamyles de naam van een god is. is beslist vreemd. dat Grieken in dezen tijd den Syrischen naam voor den god gebruiken zouden.

De dood van de Grote Pan Jan Bremmer De auteur van bovenstaande studie over de dood van de grote Pan. een terrein waarop zijn meesterschap internationaal was erkend. een verschijnsel dat de historicus Polybius ook al had opgemerkt. Daarnaast publiceerde hij vooral in de eerste jaargangen van Hermeneus een aantal bijdragen over de antieke folklore die vaak nog steeds de moeite van het lezen waard zijn. zo stelde hij. Cleombrotus vroeg vervolgens aan de verteller van de dialoog. De dood van Pan en het verval der orakels Over het verval der orakels begint met de ontmoeting te Delphi van twee bereisde Grieken. kan de uitkomst bevredigend zijn. was hoogleraar Latijn. Als een demon aan het 121 . Plutarchus’ broer Lamprias. De filosoof Ammonius. werden demonen namelijk niet als onsterfelijk beschouwd. en één van de meest vooraanstaande Nederlandse classici van deze eeuw. Demetrius van Tarsus en Cleombrotus van Sparta. waarop Cleombrotus de klasse der demonen introduceerde als een mogelijke categorie boosdoeners. vervolgens de latere verklaringen analyseren en tenslotte de folkloristische parallellen bekijken. Deze studie over de dood van Pan was typerend voor zijn manier van te werk gaan. had zich intussen met enkele anderen bij het gezelschap gevoegd en stelde als verklaring het afnemen van de Griekse bevolking voor. en het artikel zou misschien ook nu nog bijna ongewijzigd in Hermeneus hebben kunnen verschijnen . Plutarchus’ leermeester.maar is de uitkomst overtuigend? Het zal de aandachtige lezer zijn opgevallen dat Wagenvoort zijn analyse meteen met het verhaal zelf begon. de behandeling boeiend. Nadat de laatste had verteld van zijn bezoek aan het beroemde orakel van Zeus in het Libysche Ammon. Pas als de functie van een verhaal ook in de interpretatie is betrokken. of ‘de god’ (let op de vage aanduiding) het verdwijnen van de orakels had veroorzaakt. Deze wees die mogelijkheid nogal fel van de hand. Zo’n aanpak is dubieus. Verhalen in antieke dialogen vervullen vaak een functie binnen dat raamwerk en moeten dus ook in hun context worden bekeken. Zijn voornaamste interesse gold de Romeinse godsdienst. Een verhaal uit Plutarchus’ Over het verval der orakels (c. We zullen daarom eerst de inhoud van het verhaal over Pans dood en zijn positie binnen Plutarchus’ dialoog onder de loupe nemen. raakte het gesprek op het verval der orakels. Het probleem is interessant. eerst te Groningen (1924-1930) en vervolgens te Utrecht (1930-1956). wijlen Hendrik Wagenvoort (1886-1976). 17) wordt in een breed kader geplaatst dat ver over de grenzen van de oudheid heengaat. In tegenstelling tot de goden.

Zelfs na de boodschap aangehoord te hebben twijfelde hij nog of hij de opdracht zou uitvoeren. Chr. Tachoos ofTakoos genoemd. hoorde de Egyptische stuurman Thamous. dat een stem hem riep. dat ongeveer 100 kilometer noordelijker ligt. Omdat Nicaea niet aan de kust ligt. afkomstig was van zijn leermeester Epitherses die het voorval zelf had meegemaakt. Voor een drievoudige goddelijke roeping in wakende toestand zou ik geen parallel weten. een admiraal van Cyrus de Jongere. Er is dus iets vreemds aan de hand met de beschrijving van de reis. dan de climax van de roeping die niet meer geweigerd kan worden. Om de mogelijkheid van stervende demonen te illustreren vertelde vervolgens de ons verder onbekende historicus Philippus het verhaal over de dood van de grote Pan. kwam. De stuurman Thamous werd twee keer geroepen maar antwoordde pas de derde keer. en woonde in Nicaea in Bithynië. De conclusie lijkt dan ook redelijk dat Plato. De episode heeft dus de duidelijke functie binnen Plutarchus’ dialoog om de sterfelijkheid van demonen aan te tonen. Het is een bekend motief dat de mens niet onmiddellijk gehoor geeft aan goddelijke roeping.hoofd van een orakel stond. Thamous komt als Egyptische naam maar twee keer elders in de Griekse literatuur voor en wel in Plato’s Phaedrus (274de) en bij de ten tijde van keizer Marcus Aurelius levende advocaat Polyaenus (Strategica 3. zoals Xenophon (Anabasis 1. Bij Plato is het de naam van een oeroude Egyptische koning die van de god Theuth de kunst van het schrijven leerde. De vermelding dat het schip zich al in de buurt bevond van de Echinades. zogenaamd Oriëntaalse godsdiensten die de behoefte hadden om de grootheid van hun specifieke god aan te prijzen. Bovendien is Thamous in Polyaenus de naam van een Egyptische koning bij wie de Atheense condottiere Chabrias in de jaren 362-361 in dienst trad. Beantwoordt het verhaal aan dit doel? Voordat we deze vraag kunnen beantwoorden moeten we eerst in detail Philippus1 verslag bekijken. Nu komt de naam Thamous niet eerder dan de zesde eeuw v. Dat is natuurlijk onmogelijk. hoorde hij een stem die hem beval de woorden ‘de grote Pan is dood ’ uit te spreken. die zijn Phaedrus rond 365 schreef. maar dat kan misschien te wijten zijn aan een gebrek aan nautische kennis bij Plutarchus of zijn bron. De naam komt dus enkele malen voor in de periode rond 400 en dan pas weer bij Plutarchus die het werk van Plato uitstekend kende. Chr. De naam komt verder in de Griekse literatuur nog een keer vóór als Tamoos. die in Memphis (!) was geboren. dat. doet echter vermoeden dat het schip van Patras kwam. in het Egyptisch voor. de naam van zijn ‘oeroude’ koning ontleende aan de verhalen van Atheners die in zijn tijd Egypte hadden bezocht. Merkwaardigerwijze vaart het schip dan ondanks de windstilte op bijna sprookjesachtige wijze in snelle vaart naar het eilandje Paxos. Is dit toeval of heeft Plutarchus misschien voor de naam van een oorspronkelijk (?) anonieme Egyptische stuurman bij de grote filosoof leentjebuur gespeeld? Achterdocht lijkt mij hier gepast1. deze koning wordt elders echter altijd. als zo vaak. een eilandengroep voor de kust van Acarnania en Aiolis. kan Epitherses zich daar niet hebben ingescheept. net als zijn zoon Aemilianus. Het waren vooral de aanhangers van de nieuwe. Voor de gevestigde Olympische goden als Zeus en Athene was dit niet nodig: zij hadden hun grootheid in het verleden genoeg bewezen.4. waar men dan nog voor het einde van het avondeten arriveert. een eilandje ongeveer 10 kilometer ten zuiden van Korfoe. leefde in de eerste eeuw n. en ongetwijfeld terecht. Uit andere bronnen weten wij dat deze ‘onderwijzer’.2 Toen Thamous eindelijk antwoordde. maar in dromen is zo’n herhaling niet geheel ongewoon. De tegenstand dramatiseert in deze gevallen een moment dat van kardinaal belang is in het leven van de gelovige. Vandaar 122 .5). Toen het schip bij Paxos.11.2) ons informeert. zoals hij vermeldt. Waarom de grote Pan? ‘Groot’ als cultisch epitheton van een Griekse god is een laatkomer in de Griekse religie. De derde keer is. zou het ophouden van een orakel dus als het verdwijnen of sterven van die demon kunnen worden beschouwd. toen een windstilte inviel.

er bestond zelfs een aparte categorie van mensen. ook al komt deze combinatie nergens anders in de Griekse overlevering voor. maar volstrekte rust was in het klassieke Griekenland het moment voor de epifanie. De uitdrukking ‘grote Pan’ past dus in de tijd waarin het verhaal werd verteld.3 Thamous was echter niet helemaal overtuigd van de goddelijke afkomst van de steitf die hem had geroepen. de panoleptoi of ‘de door Pan gegrepenen’. Sarapis en Men. Staatl. Hij verscheen regelmatig aan die vereerders die snakten naar een intiemer contact met het goddelijke. Het is natuurlijk niet zo dat Thamous bij een stevig briesje niet had kunnen roepen. toen zij de positie van hun godin bedreigd achtten. won juist Pan aan invloed. Ehem. Het was typerend voor de Hellenistische religiositeit dat de gelovigen zich meer en meer tot één god wendden.) de toestand net 123 .5 cm. Tegelijkertijd is het ook niet helemaal toevallig dat van de klassieke goden juist Pan in deze tijd ‘groot’ werd genoemd. h. Zo riepen volgens De Handelingen der Apostelen (19. het verder onbekende Palodes. 28) ook de inwoners van Efeze. ca 450 v. Dit fenomeen was vooral te bespeuren bij Oriëntaalse goden zoals Isis. 9. de dunamis. dat juist in de laat-Hellenistische tijd vooral bij de culten die zich in een religieuze underdog positie bevonden de gewoonte opkwam om de macht.. Museen Berlin/Antikenabteilung.Pan. windstil zou zijn en de zee geheel kalm. van de god aan te prijzen door de acclamatie ‘groot’ of’uniek’. Bronzen Beeldje uit Arkadië. Chr. Zo schilderde de boodschapper in Euripides’ Bacchae (1084v. maar het is opvallend dat in latere droomgezichten Pan veel vaker verscheen dan op grond van zijn marginale status in het Griekse pantheon zou mogen worden verwacht. Waar in de laat-Hellenistische tijd de klassieke goden zich meer en meer schenen terug te trekken op de Olympus. uren in koor: ‘Groot is Artemis der Efeziërs’. die zich aan Pan alleen hadden gewijd. Bovendien was Pan met de hem na aan het hart liggende Nymphenjpist de god die zijn vereerders nauw aan zich bond. Hij nam zich daarom voor slechts dan te gehoorzamen als het bij de betreffende plaats.

is er aanleiding tot grote achterdocht. 70) vertelt ons namelijk dat Tiberius er een behagen in stelde om de grammatici aan zijn hof te overtroeven op het gebied van mythologische kennis. volgens Plutarchus. die daar veel demonen als dienaren had. werd Kronos gevangen gehouden. Wanneer een schrijver zo zijn best doet om de echtheid van een verhaal te staven. toen de stem weerklonk die Thamous riep. Helaas wordt dezelfde gebeurtenis ook in Plutarchus’ dialoog over het gezicht in de maan (c. Bij Plutarchus gaat de stilte echter vooraf aan de definitieve verdwijning van Pan in plaats van zijn verschijning: een uiterst geraffineerde omkering van het motief Thamous1 aankondiging ging onmiddelijk gepaard met gesteun en uitingen van verbazing zonder dat we horen van wie al deze geluiden afkomstig waren. Blijkbaar leefden andere demonen (?) mee met Pan’s sterven en door hun reacties bevestigden zij voor de toeschouwers zijn dood.zoals de locale theologen verkondigden . Ook dit verhaal schijnt op autopsie en gedetailleerde kennis van de streek te berusten. Deze rationaliserende verkla124 . De sceptische lezer vraagt zich natuurlijk af of de keizer werkelijk zo’n eenvoudige stuurman zou hebben ontvangen. Het is al evenmin aannemelijk dat Tiberius de geleerden aan zijn hof juist op een mythologisch probleem zou hebben gezet.met de slang Pytho had gevochten.voordat Dionysos zich manifesteerde met de woorden: ‘de lucht werd stil. Hij laat zelfs geen mogelijkheid voorbijgaan om de geloofwaardigheid van zijn bericht te benadrukken. Deze vertelde hem dat Apollo in Delphi niet . maar de rest van zijn tijd doorbracht in het gezelschap van nymphen en demonen. Het lijkt er sterk op dat Plutarchus dit verhaal hier heeft aangepast om op deze manier zijn standpunt te illustreren. wordt het relaas besloten met de opmerking dat ook verschillende van de aanwezigen. Nauwelijks was hij daar aangekomen. Thamous bij zich ontbood en de geleerden aan zijn hof het probleem liet onderzoeken. De indruk dat Plutarchus nogal vrij omsprong met de bronnen van zijn verhalen wordt bevestigd door nog een ander verhaal. Op een van de andere eilanden. In hoofdstuk 18 vertelt Demetrius dat hij door de keizer op een ontdekkingstocht was gestuurd naar enkele eilanden in de buurt van Engeland. naderhand het verhaal zich ook in Rome verspreidde en zelfs keizer Tiberius. maar daar wordt het verteld door een vreemde aan een zekere Sulla uit Carthago. Zo begint Philippus zijn relaas met de mededeling dat hij het verhaal heeft gehoord van zijn leermeester Epitherses. vertelden de inwoners dat een van hun bovennatuurlijke wezens was heengegaan. Het is opvallend hoe zorgvuldig Plutarchus het verhaal in tijd en ruimte situeert. waarbij de verteller bovendien nog in de hoogste kringen (de keizer) verkeert. of een geweldige storm barstte los. zo besloot Demetrius zijn relaas. 26) beschreven. maar met een gelijknamige misdadiger. Hermes en Penelope worden namelijk bijna altijd als ouders van Pan genoemd. Geen wonder dat. het dichtbebladerde dal hield zijn bladeren stil en van de dieren hoorde je geen geluid’. Suetonius (Tib. Toen deze was bedaard. die leerlingen van Aemilianus waren geweest. die in Antiochië een tempel voor Pan had laten bouwen. ‘De moesten waren nog wakker en velen dronken een glas wijn na het eten’. zijn verhaal konden bevestigen. Onze twijfels worden bovendien versterkt wanneer we kijken naar een ander verhaal in deze dialoog dat ook als bewijs voor het sterven van demonen wordt aangevoerd. Alsof dat alles nog niet genoeg bewijs voor de authenticiteit was. Epitherses had zich ingescheept op een schip dat ‘veel passagiers’ aan boord had. Met erg veel moeite was Cleombrotus doorgedrongen tot de verblijfplaats van deze wijze. Het eiland dat het dichtst bij het vasteland lag had slechts enkele inwoners die allen als heilig en onschendbaar werden beschouwd. Cleombrotus vertelde dat eenmaal per jaar een kluizenaar aan de kust van de Rode Zee verscheen. Getuigen genoeg dus. de vader van de retor Aemilianus ‘van wie ook sommigen van u de colleges hebben gevolgd’. Hij zal hen nauwelijks met een onderzoek hebben belast op dit gebied waarvan bovendien de uitkomst nogal ridicuul is.

Bij regel 54 van Spensers Shepheards Calender (‘when Great Pan account of sheperdes shall aske’) merkt een glosse in de uitgave van 1611 op: Great Pan. Het lijkt haast wel of hij zelf het verhaal van Pan hier heeft ‘gekannibaliseerd’ om er een authentieke Egyptische overlevering van te maken. 6-13) de verhalen van de dood van Pan en van het verdwijnen van de Engelse demon.ring komt echter al voor bij de laat-klassieke historicus Ephorus en daarvoor hoefde Cleombrotus echt niet naar de Rode Zee.4 De ontoereikendheid van de verklaringen Wat moeten wij nu met dit verhaal aan? Eigenlijk is alles raadselachtig. waar hij vertelt dat een zekere Pamyle (ten onrechte door Wagenvoort een ‘hij’ genoemd) te Thebe bij het water halen een stem hoorde uit de tempel van Zeus (= Ammon). Hij voegde er spitsvondig aan toe dat de dood van Pan plaats vond onder keizer Tiberius. de weldoener Osiris is geboren’. hoewel men toen Pan interpreteerde als het al par excellence. Waar Plutarchus de demonen introduceerde om de oude goden te redden. die rond 1700 voor het eerst het mes zette in dit soort verklaringen. yet I thinke it more properly meant of the death of Christ. toen ook Jezus ‘het hele (pan) geslacht der demonen’ uitdreef en sommige van hen hem zelfs te voet vielen.17. bovendien wordt hij nergens in de oudheid als demon gekarakteriseerd. Het lijkt daarom een redelijke conclusie dat ook het verhaal van de dood van de grote Pan niet in Rome zelf werd verteld. . in his fift booke De praeparat. waar elk onderzoek tegen een blinde muur loopt. then suffering tor his flocke. Eusebius’ verklaring handhaafde zich nog in de 16e eeuw. Pan is een god en als zodanig per definitie onsterfelijk. which is onely the Lord Jesus. for Pan signifieth all. . And by that name (as I remember) he is called of Eusebius. De hele inkleding duidt hoogstwaarschijnlijk op een literaire fictie. who thereoftelleth a proper story to that purpose (dan volgt de vertelling van Plutarchus). the onely and very Pan. Één voorbeeld mag hier voldoende zijn voor deze curieuze interpretaties. Het volledig ontbreken van elke paralleloverlevering en de achterdocht die men moet hebben ten opzichte van de afkomst van het verhaal maken dat elke verklaring volstrekt onverifieerbaar is. Plutarchus sprong dus nogal vrij met de bronnen van zijn verhalen om. De kerkhistoricus Eusebius dacht daar heel anders over. The name is most rightly (me thinks) applyed to him. Wagenvoort meent de oplossing te hebben gevonden door te verwijzen naar een andere passage bij Plutarchus. gebruikte Eusebius juist Plutarchus om de heidenen met hun stervende demonen om de oren te slaan. laat staan in opdracht van Keizer Tiberius bestudeerd. Het was pas de Nederlandse dokter Van Dalen(n). de dood van Pan was een bewijs te meer voor de werkzaamheid van Christus op aarde. Jammer genoeg bestaat er wel een Egyptische vorm Pamyles maar geen vrouwelijke vorm Pamyle en is ook de titel ‘grote koning’ niet Egyptisch maar Perzisch. Bij de huidige gegevens is Plutarchus’ verhaal een doodlopende straat. By which Pan. Waar Plutarchus het verhaal vandaan heeft. die haar beval luid te verkondigen: ‘de grote koning. Toch zou het lang 125 . is Christ. Ook het resultaat van de onderzoekingen van Tiberius’ geleerden levert voor ons niets op. Het lijkt bijna alsof zelfs Plutarchus zelf niets meer met het verhaal aankon. Met andere woorden. though of some bee understood the great Sathanas . Bovendien begon men nu zelfs de antieke herdersgod te verbinden met Christus als de Goede Herder. which calleth himselfe the great and good shepheard. Evangel. zoals Wagenvoort terecht vermeldt. Zo citeerde hij bijna volledig in zijn Praeparatio Evangelica (5. or omnipotent. the very God of all shepheards. en andere verwijzingen naar dit verhaal zijn er niet. namelijk Christus zelf. weten we niet maar zeer waarschijnlijk niet uit locale Egyptische bronnen.

und der Metzger eilte voll Schrecken seines Weges (Mannhardt. dat het einde van de christianiserende benadering samenviel met een herwaardering in de Westeuropese cultuur van de god Pan. Het gaat in deze gevallen 126 . voordat de onhoudbaarheid ervan algemeen werd ingieïrien. ruft er das Aufgetragene dreimal hinein. p. Da riet eine Stimme aus der Felsenwand: Metzger. die het einde van het polytheïsme had voelen aankomen. wenn du bei der langen Unkener Wand vorbeikommst.5 Het is ook in dezelfde periode dat de categorie van de stervende en rijzende goden werd geïntroduceerd en het ligt dan ook voor de hand dat Pan met zo’n stervende god werd geïdentificeerd. die vooral in de tweede helft van de 19e eeuw het symbool werd van het ongeremde natuurlijke leven. één van de grootste Duitse classici in de eerste helft van de 19e eeuw. Deze opkomst culmineerde in de vooraanstaande positie van Pan tijdens de Jugendstil. noot 7. She was never seen again (Taylor. toen zelfs een kortstondig bestaand Duits literair-artistiek tijdschrift naar de god werd genoemd. G. vrouwelijke naam) that Habel (raadselachtige mannelijke naam) was dead. Nog F. Ook is het belangrijk op te merken dat het boven geciteerde volksverhaal uniek is. dat deze sage uit de klassieken in de Duitse volksoverlevering terecht was gekomen maar verwierp deze gedachte meteen. Het is waarschijnlijk niet toevallig. Men poneerde zelfs dat Thamous een verschijning van de Oosterse stervende god Tammuz was: dit soort gewelddadige ingrepen in de tekst behoeft tegenwoordig geen weerlegging meer. Hoewel dit soort sagen altijd vergeleken is met Plutarchus’ relaas. 10). Tijdens zijn onderzoek naar wouddemonen in de klassieke en moderne tijd stuitte hij op een sage die een merkwaardige gelijkenis vertoonde met Plutarchus’ verhaal. vertoont deze sage een geheel andere structuur dan het verhaal van Pans dood.duren. Ik citeer zijn versie: Einige Jahre später ging ein Metzger urn Mitternacht durch den Hohiweg von Saalfelden im Pinzgau. When the farmer recounted his strange adventure at the noonday meal. 149). noot 7. 24. De moderne volksverhalen die met Plutarchus’ bericht worden vergeleken. zodat het onwaarschijnlijk is dat soortgelijke verhalen in de oudheid daar wel werden verteld. zien er als regel als volgt uit: A dwarf once drew near to a farmer of Dettersberg white hè was plowing and asked him to teil Hübel (een raadselachtige. komen juist niet in Zuid-Europa voor. a small woman who had never been seen before appeared in a corner of the room and ran out of the house in the direction of the mountain. Mannhardt besefte dat de mogelijkheid bestond. letting out cries of lamentation. Misschien wel als enige geleerde uit de 19e eeuw concludeerde hij dat wij gewoonweg niet het materiaal hebben om Plutarchus’ verhaal bevredigend te verklaren. so rufe in die Spalte hinein ‘Salome ist gestorben!’. Noch vor Tagesanbruch an die lange Wand gekommen. In plaats van het daarbij te laten keek hij in een geheel andere richting. Wekker. Dit is zeer onwaarschijnlijk. De verhalen die doorgaans met Plutarchus’ bericht worden vergeleken. dat een verhaal uit de klassieke literatuur zo’n populariteit onder het volk zou verkrijgen en stelde dat Epitherses een wijdverbreid volksverhaal had aangepast en als zijn eigen reiservaring had verder verteld. verklaarde de dood van Pan als het geestesprodukt van een bijzonder intelligente tijdgenoot van Tiberius.p.6 Folkloristische parallellen? De grote Duitse volkskundige Wilhelm Mannhardt zocht het in een geheel andere oplossing.no. Hij kon zich niet voorstellen. Herman Gorters epische dichtwerk Pan is één van de laatste vruchten van deze tijdgeest. Da ertönte aus der Tiefe des Berges ein lautes vielstimmiges Wehklagen und Jammern.

Voor ‘grote goden’ en de onderwerping aan één god zie H. 24. A. 4. literarische Wandlungen eines mythologischen Themas’. 34. Ant. Pan the Goat-God: His Myth in Modern Times (Cambridge Mass. M. B. J. Sytze Wiersma en J. 7. Voor stervende en rijzende goden zie Bremmer. 7-18. Mannhardt en zijn volgelingen: W. 1969). J. Cosmas et Damian Mir. Contra Ph. Boberg. ƒ. maar plotseling tot de wereld der demonen blijkt te behoren. Versnel. waarin Pans dood de geesten al nauwelijks meer vermocht te boeien. Lampas 20 (1987) 23-35.und Feldkulte II (Berlijn 19052) 134.). Paganismus und Jugendstil’. Dit is de beste en ook bibliografisch zeer volledige studie van Pans dood die ik ken.8 Noten 1. History of Religions 22 (1983) 254-283. ‘De Huizingasprookjes van Damton’. ‘Northern Parallels to the Death of Pan’. ‘Visages romantiques de Pan’. Volkskundig Bulletin 11 (1985) 28-33. vaak een kat. Hope and Worship (Leiden 1981) 152-192. Versnel (ed. Dekker. Plutarchus Cor. M. Washington University Studies 10. Mythic Masks in Self-reflexive Poetry. Amandry. ägyptische Sprache 64 (1929) 84v. Lampas 9 (1976) 27. Antike Tradition und neuere Philologie (Heidelberg 1984) 177-195. ‘Religiositeit op het land’. ik verwijs ook naar deze studie voor verdere literatuur over de nu volgende christianiserende en folkloristische interpretaties van Pans dood. maar dat de versie van de sage die hij weergeeft bijna zeker is aangepast aan het verhaal uit de oudheid. ‘Op zoek naar de Cycloop’. ook al verschil ik op allerlei punten met de auteur van mening. in H. P. Beschaving 51 (1976) 14.7 De conclusie moet dan ook luiden dat Mannhardt terecht getroffen was door de gelijkenis tussen het door hem geciteerde volksverhaal en Plutarchus’ bericht. “Es lebt der grosse Pan’.10-20.altijd om een wezen. J. een boek dat wat betreft zijn interpretatie van de klassieke mythologie volstrekt onbetrouwbaar is. Het zou de moeite waard zijn de populariteit van dit motief te onderzoeken tegen de achtergrond van de opkomende secularisering in de 19e eeuw. Vgl. Bull. Wohlleben. Procopius Arc. I. Juden. Suppl. 50 (1985) 27-40. S. Voor informatie en opmerkingen dank ik de redactie van dit nummer en mijn vrienden en collegae André Lardinois. hebben we de laatste invloedrijke benadering van Plutarchus’ verhaal behandeld. 2. Ph. Dirk van der Plas. Neohelikon 4(1976) no. Z. R Merivale. in H. ‘Pan. 1/2. -J. S. Taylor. Hermeneus 56 (1984) 10-19. 24. van Straten. Vgl. 6. 1 (1922) 3-102. H. Vgl. 314-329. Die Inschriften von Priene. W. Wald. Zo is het evident dat de moderne volksverhalen die op de ontmoeting van Odysseus en Polyphemus lijken uiteindelijk allemaal teruggaan op Homerus. Sagnet om den støre Pans dod (Uppsala 1934). Baker. die ook door Wagenvoort enigzins sceptisch worden bekeken. Tenslotte is een beïnvloeding van de orale traditie door de literatuur in de laatste jaren verschillende malen aangetoond. Pleket. A Study of Pan and Orpheus (Chapel Hill en Londen 1986). Spiegelberg. dat zich in menselijk gezelschap bevindt. 149-151: A. 127 . ‘The Death of the Great Pan: The Problem of Interpretation’. zo werden ook in Duitsland sprookjes opgetekend die uiteindelijk afkomstig bleken van de Fransman Perrault. Assmann.2v. 26. Recherches sur le dieu Pan (Rome 1979) 270-274. Wertheimer. Voor de naam Thamous zie W. Wagenvoorts artikel is geschreven in een tijd. 196. De traumatische ervaring van de ooriog had een einde gemaakt aan de vooraanstaande rol die de vitale god in het Europese imaginaire speelde. 6. Borgeaud. no. Hell. 8. H. Corr. Die Ägyptischen Personennamen I (Glückstadt 1935) 387-388. ‘Le culte des Nymphes et de Pan à l’antre corycien’. Borgeaud.). Ranke. Voor de verering van Pan zie F. 3. IX (1984) 395-425. Faith. Zs. Bull. 5.19 (dromen). Romantismes no. T. Mannhardt.26-51. Zimmermann (Hrg. ‘Die Name Samaus und Thamous. Hermeneus 59 (1987) 182v. Bremer. D. Met Mannhardt en zijn volgelingen. maar voor godsdiensthistorici blijft het probleem van zijn dood springlevend. Orale traditie in literatuur: Bremmer. Voor de Europese intellectuelen was de god definitief dood. A. Thamus’. Het zal niet toevallig zijn dat na de eerste wereldoorlog de belangstelling voor het verhaal van Pans dood veel minder werd.

While Blip within the golden deep Lay without life. Reproving all poor hearts that flutter: Keep busy and remember that The milk of doom may turn to butter. He swam around. (Punch. breast-stroke or side. The moral to this tale comes pat. „Till I’m out of puff I’ll battle with this milky tide. But Blop was made of sterner stuff. 1932.” So well he swam that when the sun Dawned he was happy. embalmed and bound. content. May 4.The Two Frogs A Fable for the Times Into a can of milk one night Two frogs together feil. And so.) 128 . „We never can survive this slip. Said Blip. he feil asieep In placid slumber and profound. And murmured. H’d fought his battle and h’d won. for h’d churned The milk to butter as he turned.” And with a groan sank out of sight.

P. Aequore luctabor fortiter hoc niveo’. Protinus inde Coax Tossumus huic numquam’ queritur ‘superesse ruinae’ Atque e conspectu multa gemens abiit. stabant solido cui robore vires. DAMSTÉ (1929) 129 . H. Desiit haud umquam placidos pulsare liquores Et surgente novo sole beatus eraf. Nempe iü butyrum concreta est copia lactis: Re bene iam gesta praemia laeta tulit. Usque instare operi nee non constare memento.Ranae Fabula Tempestiva Alta nocte duae ranae cecidere loquaces In muictram panter. Butyrum fieri lactea posse mala. Duici declinat contentus lumina somno Defessosque artus occupat alta quies. Fabula quid doceat nimirum cuique patebit: Ignavos animos arguit ac trepidos. At conditus et aureolo devinctus Averno Infelix situs est exanimusque Coax. Sulcabat lluctus pectore sive huineris Et fremuit ‘Flatus donec me liquerit omnis. Quaex vero.

daarmee het begrip „menschheid” ontdekkende en een zeker samenhoorigheidsgevoel tusschen alle menschen erkennende. en waarschijnlijk dat zij reeds vroeg. is zoo volkomen ongrieksch. want het is beter dat uw medemensch eerbied 1 Opmerkingen. en degene die.of volksgemeenschap. dien wij plegen te vertalen met „naaste”. meende hij. Leipzig. 1 Humaniteit is klaarblijkelijk een term van Romeinsche herkomst . Die antike Menschheitsidee in ihrer geschichtlichen Entwicklung. met een Rücksichtslosigkeit tegenover den lezer. als in een taal een woord ontbreekt. Wilamowitz loochende het bestaan er van bij zijn Grieken.” Misschien alleen reeds als bijdrage tot bestrijding van de veelverbreide misvatting dat.Iets over de begrippen „menschheid”. „Spreek geen kwaad van uw mede-mensch. wees dan zachthandig. speurde nagenoeg alleen de velerlei schakeeringen van dit begrip na zooals Cicero het gehanteerd lieeft. „dass die Sprache nicht einmal ein Wort dafür hat. z. 130 . Delphische. bij het volk dat haar gesproken heeft het daarmee aangeduide begrip onbekend moet zijn geweest. scliijnt het de moeite waard de mate van juistheid zijner verzekering nader te onderzoeken. uitgelokt door de lezing van het werkje van Max Mühl. die wij onbillijkerwijs te veel uitsluitend aan Duitsche geleerden toeschrijven. een kilo-zwaar werk aan de omschrijving van „antike Humanitat” heeft gewijd. en beter weergeven met „medemensch” : π λασ of πλησ ον. Hebben de Grieken geen „menschelijkheid” gekend ? Het is zeker dat zij.g. Ren aanwijzing daarvan mag men misschien zien in het gebruik van een term. humaniteit. „menschenliefde” en „menschelijkheid” bij de Grieken. 1928. spreuken zich veelvuldig bezig. den kring van verplichtingen van mensch tot mensch getrokken hebben buiten de grenzen van hun eigen staats. Hoe men zich tegenover dezen heeft te gedragen — daarmee houdt de levenswijsheid der oud-Grieksche.” — „Zijt ge sterk.

Indien hier nog eens aangewezen wordt dat de Grieken dus het begrip „menschheid” hebben gekend.. en in de talrijke stichtelijke anecdotes. . zijn de menschlievende modellen steeds Grieken. evenals de Israëliet niet het voorschrift „heb uw naaste lief als u zelf ” (τ ν πλησ ον staat ook hier in de Septuaginta). zal men ook bij de aanhangers van Pythagoras erkend hebben. De natuur. wanneer hij schijnbaar zeer algemeen verplichtingen tegenover „een ander” erkende. dat in de beschaafde taal van de IVe eeuw meest in den zin van minzaam. zoo leert hij. waarvan ons belangrijke fragmenten bij den neo-platonicus Porphyrius zijn bewaard. ook al wonen zij nog zoo ver en hebben zij elkaar nooit ontmoet”. van daar onze huldiging van φιλ νθρωποι. het meest in de menschen. . in een geschrift over de ε σ βεια. geschiedt dit vooral om er de opmerking aan toe te voegen dat het woord daarvoor altijd is uitgebleven. een modern Duitsch geleerde acht den juisten zin het best weergegeven door het Fransche „autrui”.” — „Doe zelf niet wat ge in een ander afkeurt”. krijgt hier voor het eerst de beteekenis van . toch de menschen van uitheemsche taal en godsdienst uitsloot. dat het verwantschapsbesef ook niet-Grieken insluit. aan hem wordt de uitspraak toegeschreven „alle welgezinde (σπουδα οι) menschen zijn vrienden van elkaar. door Theophrastus. indien hij al daarbij naast zijn volksgenooten ook de te midden van dezen levende „gerim” op het oog had. tusschen alle menschen stellen wij het bestaan van verwantschap vast”. heeft in alle wezens van gelijke afstamming onderlinge φιλ α ingeplant. oude commentatoren omschreven πλησ ον met „quivis alius” . buiten den kring van medeburgers en stamgenooten. die de navolging van dit voorschrift door dezen bevestigen. — evenals overigens dit keer in het Latijn. „Tusschen Griek en Griek. Een samenhoorigheidsgevoel van alle menschen. daarbij niet hoofdzakelijk aan zijn medeburgers of taalgenooten dacht.) Het bestaan van deze φιλ α tusschen alle menschen (πρ σ µο θνουσ κα µοφ λουσ . luidt het menschkundige voorschrift dat zoo nauw verwant is aan den beroemden „gouden regel” . tusschen barbaros en barbaros. 131 . Uit de verwantschap van alle menschen heeft Aristoteles en zijn school nader afgeleid het bestaan van sympathie tusschen allen. met vaak een nuance van „volksfreundlich” gebruikt wordt.voor u heeft dan vrees. . Dit woord. Toch is het voorzichtig zich af te vragen of de Griek.menschlievend”. Volkomen duidelijk uitgesproken is in onze overlevering de overtuiging. (De moderne van „weldadig voor armen” ontstaat eerst veel later. Maar vermoedelijk heeft hij toch vooral gedacht aan zijn sekte-genooten .

H. νθρωπικ σ en νθρ πειοσ. te helpen . maar het begrip heeft niet ontbroken. en reeds in de Ve eeuw voor Christus. tot zijn verontschuldiging aangevoerd hebben: ο τ ι νθρ πωι δωκα λλ τ ι νθρωπ νωι. een woord voor „menschelijkheid” is in het Grieksch niet ontstaan. en na hem is deze wending nog vaak gebruikt. „Den mensch is het onwaardig ongeluk van menschen te bespotten” luidt een der vele fraaie spreuken van Democritus. Het puntigst is de hooge beteekenis van liet menschelijke in den mensch wellicht uitgedrukt in een vaak (en in verschillende lezing) aangehaalden versregel: σ χαρ εν στ νθρωποσ. evenmin als voor . Cicero laat eenmaal een zijner figuren de bede uitspreken „si non hominis. Tallooze malen komt de term „menschelijk” voor (het Grieksch kent er drie woorden voor : νθρ πινοσ. Sophocles gebruikt het woord π νθρωποσ in den ons vertrouwden zin van „onmenschelijk”. Heeft niet Plinius met het volste recht de Grieken geroemd als „hommes maxime hommes”? Utrecht. Zeker. Maar zij is niet van hem afkomstig.. en in den zin van „humaan” treffen wij het althans éénmaal bij den redenaar Andocides. Naast de begrippen „menschheid*’ en „menschenliefde” treft men duidelijke sporen in de Grieksche wereld van dat der „menschelijkheid” . BOLKESTEIN (1930) 132 .κα πρ σ π ντασ νθρ πουσ) wordt afgeleid uit het welbekende feit dat de mensch geneigd is zijn naaste (το σ πλησ ον). reeds Aristoteles zou op een verwijt. ταν νθρωποσ ι. en is geboren lang voordat wij het in het Latijn kunnen aantreffen. en tweemaal bij Demosthenes aan. at humanitatis rationem haberet” . als die in nood verkeert. zoover ik heb kunnen nagaan zonder onderscheid gebruikt) in al de schakeeringen die ook wij er van kennen . hier blijkt men ondubbelzinnig onder den naaste ook den niet-volksgenoot te begrijpen.menschheid” . dat hij een aalmoes aan een onwaardige schonk.

maar blijkbaar had het ook na de tweede nog voldoende actualiteit...”(. (Mit einem Nachwort zum Neudruck).. Die Möglichkeit eines Atomtodes erlaubte nur noch den sogenannten kalten Krieg. der Jean-Paul Sartre adaquaten Ausdruck verlieh.’ Aldus Mühl in 1927. von Zweifeln an Gott und einer Theodizee . Fresco Inleiding Bolkestein schrijft zijn artikel in de Hermeneus van 15 januari 1930 naar aanleiding van een in 1928 te Leipzig verschenen ‘werkje’ van Max Mühl. (De in 1889 geboren auteur is in 1973.) Die allgemeine Weltlage erzwingt immer wieder eine Erörterung dieser Frage. opnieuw uit te geven. Vorerst zeigte sich die Welt im Bilde einer allgemeinen Zerfahrenheit. Darmstadt 1975. Een eerste aanzet tot beantwoording van de hier opgeworpen vragen geeft een vergelijking van het ‘Vorwort’ van 1927 met het ‘Nachwort zum Neudruck’ uit 1972. Een eerste vraag lijkt me dus: Komt dit doordat het geestelijk klimaat van 1928 (1930) minder verschilde van dat van omstreeks 1975 dan men misschien zou denken? En een volgende vraag is dan: Hoe staan wij er nu in 1988 tegenover? Concreter gezegd.. dus voor de herdruk uitkwam. Het aardige is nu dat de Wissenschaftliche Buchgesellschaft het de moeite waard heeft gevonden het ‘werkje’: Die antike Menschheitsidee in ihrer geschichtlichen Entwicklung. De aanhef van beide is veelzeggend. Ik citeer: ‘Der Weltkrieg und die auf ihn folgende Weltkatastrophe hat den denkenden Menschen nut besonderer Eindringlichkeit die Frage nach dem Trennenden und Verbindenden im Zusammenleben der Völkernahegelegt. (. ‘Das Vorwort aus dem Jahre 1927 fordert ein Nachwort aus der Sicht von heute. Het ‘Nachwort’ dateert van 1972. maar toch van algemeen belang is gebleven. Geworfensein gequalt.eine Verhaltensweise./Mit dem Ende des Zweiten Weltkrieges begann eine neue Epoche der Menschheitsgeschichte.Begrippen als ‘menselijkheid’ bij de Grieken M. Den trüben politischen Himmel vor Augen waren die Menschen von Geföhlen wie Weltangst. wenn er feststellte: “Der Mensch ist eine nutzlose Leidenschaft. sehr bald folgte die Aufspaltung in zwei Machte mit Monopolgewalten. overleden. F.) Op de titel afgaande zou je het boekje bij voorbaat willen classificeren als een produkt van de geestelijke situatie na de eerste wereldoorlog. menen wij nog dat een teruggrijpen op opvattingen uit de oudheid ons in ons leven iets te bieden kan hebben? Daarnaast bestaat uiteraard de mogelijkheid dat de op de titel gebaseerde veronderstelling onjuist is of eerder dat het boekje misschien wel specifiek voor zijn tijd is.) Demzufolge ware der Mensch jeder sittlichen Verantwortung gegenuber allem geschichtli133 .

dat dateert van 1933. Maar het ontbreken van een term kan wel een vingerwijzing ervoor zijn dat de erbij horende gedachte minder sterk leefde. trekt Sartre zelf deze conclusie allerminst. De tweede opmerking hangt ermee samen. Het loont de moeite heel kort op dit ‘derde humanisme’ in te gaan.’ Aldus Mühl in 1972. de mens is volgens hem gedoemd om vrij te zijn en dat houdt in dat elk mens de verantwoordelijkheid draagt voor alles wat er op aarde gebeurt. maar dat is binnen de bescheiden grenzen van zijn wel zeer korte en uiteraard populair-wetenschappelijke stukje voor een tijdschrift als Hermeneus niet meer dan normaal. Der dritte Humanismus Bolkestein begint zijn artikel met de bekende constatering dat ‘humaniteit’ een term van Romeinse herkomst is. Immers Mühl legt er de nadruk op dat bij de Grieken deze ideeën slechts ten dele aanwezig zijn1 en daartegen zou Bolkestein zich indirect kunnen keren door juist citaten uit de klassieke tijd te geven. dus ook van na Bolkesteins artikel -. te vinden. iets wat Mühl in zijn Nachwort niet zegt. dus of een dergelijk idealisme in 1988 nog mogelijk is. inherent aan het bedrijven van historisch en ermee te vergelijken wetenschappelijk onderzoek. Achteraf heb ik zelfs het gevoel dat in dit verschil een verborgen polemiek zou kunnen liggen. die onmiddellijk en met klem laat blijken dat hij deze conclusie niet accepteert. Zoals bekend mag worden verondersteld. of hoogstens een enkele conclusie die òns nu iets teveel door idealistisch optimisme ingegeven lijkt. dit blijkt ook uit de titel van mijn bijdrage. het is duidelijk: het ‘werkje’ kan bij nader inzien een brok cultuurgeschiedenis of geschiedenis van de filosofie in its own right blijken. Maar goed. Mühl is bijzonder voorzichtig.. anders dan Mühl. Ten eerste is er een methodisch probleem.. Je vindt en noemt vooral bewijsplaatsen die je stelling ondersteunen. wanneer hij schijnbaar zeer algemeen verplichtingen tegenover “een ander” erkende. maar wel had Jaeger al minstens sedert 1914 een aantal opvallende voordrachten gehouden en als artikelen gepubli134 . Hij weegt bijna steeds zorgvuldig de getuigenissen af. Bolkestein ontkomt niet aan dit risico. Het ontbreken van een woord dwingt niet tot de gevolgtrekking dat de gedachte of het begrip ook ontbreekt. Een zekere voorzichtigheid ten aanzien van ‘humaniteit’ bij de Grieken is dus op zijn plaats.’. de auteur ziet zijn geschrift ook in relatie tot het tijdsgewricht. Integendeel. die bezinning op een essentiële waarde als de Menschheitsidee actualiteit verleent en dat een bestudering van de opvattingen erover in de oudheid een dergelijke bezinning kan inspireren. dan zal bij menigeen onmiddellijk de gedachte aan het ‘derde humanisme’ van Wemer Jaeger opkomen.z. Dat belet hem niet ermee corresponderende begrippen als Mensheid’. hoop ik straks kort te bespreken. En Bolkestein beperkt zich tot de Grieken. Modern. lijkt psychologisch onvermijdelijk. daarbij niet hoofdzakelijk aan zijn medeburgers of taalgenooten dacht. d.chen Tun und Werden überhoben. De tweede vraag. Hij antwoordt blijkbaar op mijn eerste vraag dat er in zoverre overeenkomst is tussen de jaren twintig en de jaren zeventig als er na beide oorlogen een crisissituatie is ontstaan. Popperiaans gezegd: je bent bezig met verificatie waar je zou moeten falsifiëren.w. Bovendien is hij toch zo ‘voorzichtig zich af te vragen of de Griek.. ‘mensenliefde’ en ‘menselijkheid’ bij de Grieken na te speuren en . Datje minder tegenvoorbeelden ontdekt dan er zijn. Dat ben ik met Bolkestein eens. trekt geen voorbarige conclusies.. dit te meer omdat in de tijd van de herdruk ook vrij scherpe kritiek op Jaegers ideeën was gekomen..2 Zelfs deel I van diens grote werk Paideia was in 1927 nog niet verschenen . Als ik in de inleiding overweeg of een dergelijk boekje gezien moet worden in het licht van de culturele situatie van die tijd.. Er zijn minstens twee opmerkingen van min of meer algemene strekking te maken.

3 Maar eerst een woord over de uitdrukking ‘Dritter Humanismus’. tegen de sfeer van Spenglers Untergang des Abendlandes. Werner Jaeger keert zich tegen ‘amerikanisering’. Dat de Romeinen voorde Griekse ‘Bildung’ . zoals door Jaeger (en Mühl). Maar daarin bedriegt men zich soms. Maar wie is er mens? Wij aanvaarden de theorie niet meer dat de mensheid tot onze eigen clan beperkt blijft. Of Mühl dit werk van Jaeger kende toen hij ons boekje schreef weet ik niet. is ‘keine vorübergehende Kulturerscheinung. Mensheid. Mensenliefde. zo kon men de tijd van de grote Duitse klassieken.20. was Rom uns ohne die mühevolle Selbstformung des römischen Geistes durch die griechische Bildung bedeuten würde!’ (1925: p. want abstract.z. gemeenschap.z. waarin hij zijn Bildungsideal nadrukkelijk had uitgesproken. Niettemin over elke term een enkel woord: a. Humanisme. het om zich heen grijpen van de technologie. Jaegers opvattingen.p. ‘Humanisme’ hanteert Jaeger als ‘geschichtlich-übergeschichtliches Prinzip’: Er is niet alleen maar historische en causale afhankelijkheid van de Grieken. Alleen suggereert een dergelijke benaming telkens dat dit een werkelijk teruggrijpen is en niet eerder een projectie. d.ook in deze tekst al meermalen paideia genoemd . und hierin liegt ein Hauptteil ihrer Bedeutung für eine moderne humanistische Bildung. (Men moet bedenken dat in het Duitse ‘Bildung’ steeds twee componenten meeklinken: ‘vorming’ en ‘beschaving’).). psychologisch gezien voor zeer weinigen. humaniteit gaat.letterlijk .w. 112). Men kent. Om dat laatste is het natuurlijk begonnen. Daarom onderscheidt hij tussen een humanisme van de ‘Hellenen’ en een humanisme van de ‘Philhellenen’. staat. b. voorts tegen het heul zoeken bij Oosterse goeroes. m.’ (t. beperkende kracht toekomt. of zelfs voor niemand weggelegd.a. al acht ik het waarschijnlijk. Liefde tot de naaste. veronderstel ik. De Romeinen hebben dit als eersten verwerkelijkt: ‘Die Schöpfer und das Prototyp dieses an die Griechen unknüpfenden Kulturideals sind die Römer. aldus Jaeger. dat kleinere eenheden misschien wel waardevoller zijn juist als het aankomt op het realiseren van de beide andere idealen uit zijn titel. tegen massificatie. dus met name Goethe en Schiller. d.w. die meer eigens en nieuws bevat dan men denkt of dacht. maar het is duidelijk genoeg waar hij op doelt. Neen. Man versuche einmal sich vorzustellen.w. Liefde is immers veel 135 . Hij kende en waardeerde in elk geval wel Jaegers boek over Aristoteles. als een nieuwe renaissance en als een tweede humanisme beschouwen. Dat is juist het onderwerp van Bolkestein (en van mij). Een teruggrijpen op de antieken. Onloochenbaar lijkt me dat er verwantschap in geestelijk klimaat is. sondern ein dauerndes Aufbauprinzip der abendländischen Kultur.de term humanitas hebben gemunt. Voor Jaeger is de Griekse cultuur een voortdurende inspiratiebron en stimulans en dat rechtvaardigt de grondige bestudering van de Griekse Paideia. Zoals er in de tijd van ‘de’ renaissance een eerste humanisme was geweest. leeg en daardoor voos worden.ceerd. kan terecht een ‘Dritter Humanismus’ heten. niettemin wil ik er even op ingaan.a. maar dat die kleinere eenheden. familie. gezin. Daarom was de opmerking van Goethe ook zo lucide. Bolkestein Bolkestein geeft geen definities van de ‘begrippen’ uit zijn titel.1960: p. acht Jaeger veelzeggend. men is zich ervan bewust geestelijk doordrongen te worden van Griekse cultuur. In elk geval zegt Goethe zelf ergens dat zijn Iphigenie ‘verteufelt human’ is geworden en dat is in vergelijking met het psychologisch meerrealistische voorbeeld van Euripides’ Iphigeneia zeker waar. al is werkelijk liefde te voelen voor alle mensen ook buiten de eigen kring. onderwerp en titel van zijn driedelige magnum opus. Hierachter ligt de overtuiging dat alle mensen in beginsel gelijk of gelijkwaardig zijn.globale toepassing onuitvoerbaar. tot één genus behoren. die door hun . Te meer omdat het nu bij uitstek om waarden als menselijkheid. geen absoluut bindende. helden en heiligen.

Zij keerden zich immers tegen gevestigde waarden en tradities. En hier ligt misschien ook een aanknopingspunt voor de ideeën en idealen van Jaeger. maar ook. aan Empedokles. Men zou zeker sommigen onder hen onrecht doen door Plato (en Aristoteles en anderen) klakkeloos te volgen. Standaardvoorbeelden zijn Alkibiades en Kritias.): hij begint namelijk met te wijzen op bij sommige Presocratici aanwezige opvattingen van de verbondenheid van alles wat leeft. dan ligt daarin niet alleen een voorbereiding voor later denken. en meer dan door Mühl wordt benadrukt. de Pythagoreeërs. Hier is misschien het Engelse ‘humane’ op zijn plaats. daden die uitgaan boven datgene wat redelijkerwijs gevergd kan worden. Voor Mühl komen bij de Grieken zelf alleen de solisten werkelijk in aanmerking. Maar de sofisten werden en worden vaak niet representatief geacht voor het Hellenendom.a. Hij denkt o. c. en wel heel radicaal. te wijten is aan diens streven het blazoen van Sokrates vooral zuiver te houden. Er is dan ook sedert de negentiende eeuw meermalen een poging tot eerherstel 136 . Ik vrees dat dit nu juist weer te veel van het goede is. Daarmee kwamen de sofisten als leermeesters in de welsprekendheid wel tegemoet aan de wensen van op carrière beluste jongelieden. iets elitairs. Men heeft later wel aan Sokrates ‘verweten’ dat hij een aristokratie door geboorte door een aristokratie van de geest heeft vervangen en dit zou als elitair niet helemaal door de beugel kunnen.3 evv. Bij voorzichtig gebruik als ‘medemenselijkheid’ voegt hij weinig toe aan ‘mensenliefde’. de joodse filosoof Levinas is. want dat heeft geen argumentatieve kracht voor zijn onderzoek naar ‘Die antike Menschheitsidee’.4 Los van dit waardeoordeel kan men constateren dat Sokrates (469-399) of Demokritos (460-360) chronologisch niet veel verschil hoeft te maken. Wat in de Angelsaksische ethiek wel heet ‘supererogatory acts’. of zelfs van de hele kosmos. In zijn nadruk op de Grieken stemt hij in elk geval met Jaeger overeen. Maar het christendom heeft ‘de naaste’ wel degelijk universeel opgevat. wordt dan ook niet verlangd. wel te onderscheiden van ‘human’. Ook de Bijbel. Menselijkheid. Op de beperking van de Exodus-plaats wijst Bolkestein zelf. Want in de ‘klassieke’ tijd vindt men alleen bij hen een universele mensopvatting waarbij de ‘barbaroi’ niet op een lager niveau worden geplaatst of zelfs geheel uitgesloten.meer dan de theoretische erkenning van iemands waarde. Hierbij kan de interessante kanttekening worden geplaatst dat degene die de ethiek pas bij de ‘ander’ laat beginnen. vraagt hier niet het onmogelijke. Misschien de moeilijkste term van de drie. Merkwaardig is echter de aanloop van Mühl (p. is dat de mens zichzelf als mens in pregnante zin trouw moet zijn.volgens Mühl ten onrechte betwijfeld . doet hij dat zeer genuanceerd. niet onderde menselijke maat mag blijven: de menselijke waardigheid op onszelf toegepast. maar hun gemakkelijk tot relativisme uit te werken opvattingen leidden soms tot kwalijke praktijken. zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Opnieuw Mühl Waar Mühl over de Grieken spreekt. en bij hem ligt op de achtergrond van de ‘Humanität’ inderdaad de universele notie van mensheid. Dat waren echter mensen uit de omgeving van Sokrates. en wat Jezus predikt is sterk ingeperkt door het ‘gelijk Uzelf’. Als Demokritos in een .fragment over een wereldburgerdom voor de ‘wijze’ spreekt. het is best mogelijk dat de slechte naam die vooral Plato de sofisten heeft bezorgd. Wat Bolkestein blijkbaar op het oog heeft. maar die wordt dan ook juist door veel christelijke theologen en filosofen steeds aangehaald en bestudeerd. Hij laat onder een beperkter titel dan de wel zeer lange van Bolkestein vrijwel dezelfde begrippen en termen aan bod komen als Bolkestein.

zijn individualistisch gericht. Denk maar aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. aldus letterlijk Plato (Politeia 470). De groten zoals Plato en Aristoteles blijven gebonden aan een beperkte opvatting van de burgergemeenschap. Plato benadert juist Hippias steeds zeer ironisch. spreekt Mühl overlsokrates(436-338)en diens invloed op lateren als de historicus Ephoros. Daarop doelde ik zojuist. Zou Herodotos. Overigens wordt ook door Hippias daar meer een universalistisch standpunt geïmpliceerd dan dat het insluiten van niet-Grieken expliciet wordt benadrukt. Mühl wil nog wel zeggen dat bij beiden een kiem voor de later universalistische gedachte van verbondenheid tussen alle mensen aanwezig is (p. dan moet dat haast wel. In elk geval zie ik in dergelijke passages juist verwantschap met Jaeger. om de antropologische conceptie en die eist tegenwoordig universaliteit. Alexander de Grote. kan men natuurlijk ook in eigen beperkte kring beoefenen. Zij voldoen niet aan zijn (en ons) criterium. maar dat kan buiten beschouwing blijven. Daarom verwijt Mühl hun juist hun gebrek aan universaliteit en bevindt hij ze onderde moderne maat. Vindt men bij Isokrates. Dit is heel anders dan de waardering voor de cultuur van andere volken. Daarom hanteert ook Mühl dit criterium van wereldburgerdom alleen universalistisch. Mühls argument is vooral dat Plato en Aristoteles zich keren tegen de ‘Idee der Gewalt und Macht’ (p. de polis. dan is het antwoord: jazeker. die daarna ook bellenen’ kunnen heten. dan ziet hij dit mede als gerechtvaardigd cultuurimperialisme: de Griekse paideia kan zo naar de barbaroi worden gebracht.a. want hoe serieus wij een uitspraak van Hippias bij Plato mogen nemen. Het is voldoende dat een dergelijke uitspraak klaarblijkelijk in het sofistische klimaat paste. Zelfs kosmopolitisch ingestelde lieden. Panegyricus 184). 27). Deze preciseringen zijn niet van Mühl. want hij hanteert zelf ten aanzien van dit probleem de in die tijd zo belangrijke tegenstelling tussen nomôi (volgens conventie enz. hangt niet af van de vraag of Plato dat zelf deed. Als hij de oorlogszuchtige plannen van Philippos van Macedonië ten opzichte van Perzië steunt. Ook met betrekking tot ons eigen onderwerp is er vanuit modem perspectief weinig reden op de sofisten neer te zien. ja.35 evv. maar van mij. want ook zij zijn mensen. aldus Mühl. in een gangbare zin . verwezenlijkt zullen worden.geweest. maar misschien is het wel van een historisch gezichtspunt uit gezien niet zonder meer onjuist. wil men daadwerkelijk iets bereiken. maar voor hen blijven de barbaroi van nature vijanden. Het gaat nu evenwel om het principe.) en physei (van nature) precies andersom. Men kan in de eerste plaats wijzen op de bekende uitspraak van Hippias dat verschillen tussen mensen alleen op conventie (nomos) berusten.i. maar ook de barbaroi zijn er volgens hem voor ontvankelijk. niet van nature gegeven zijn. en m.zie boven . die immers ook in ander verband algemeen als leerling een voortzetter van de sofisten bekend is. Dit wordt hem door Plato in de Protagoras (337) in de mond gelegd.23 evv. dan toch al een universele mensheidsgedachte? Als we ervan afzien dat hij de van Plato geciteerde. Zij willen dan nog wel hun ‘mensenliefde’ tot alle ‘Hellenen’ uitbreiden. de voorloper of vader van de Cynici. zoals wij die herhaaldelijk bij Herodotos aantreffen. deze navorser van de grote botsingen tussen 137 .). zoals ze door diens zoon. Dat lijkt me eigenlijk wat idealistisch. te beginnen bij Antisthenes. Menselijkheid. typisch etnocentrische formule dat de barbaroi en de Grieken van nature vijanden zijn ook een enkele keer gebruikt (o.23. zie beneden. Alleen hij doet het op een uitgesproken etnocentrische manier: zijn uitgangspunt is dat de Griekse cultuur (uiteraard staat er paideia in het Grieks) superieur is.tegenwoordig medemenselijkheid of solidariteit genoemd en al enkele eeuwen broederschap. Maar op p. zelfs niet daarvan of Plato eventueel hem iets laat zeggen dat hij zo nooit gezegd heeft. De kans is groot dat Plato deze passage polemisch heeft bedoeld. terecht laat hij ze buiten de door hem gezochte conceptie van universele menselijkheid vallen. minder vriendelijk gezegd: zij zoeken in feite alleen zichzelf.

de conservatief en latere nazi Carl Schmitt eindigt. in de Hellenistische tijd. met name M. Deze beschouwt o. Wat hebben Jaegers ideeën en idealen ons nog te bieden? Als wij naar Duitsland kijken. in oktober 1987 is er te Amsterdam door A. aldus de auteur. maar niet van betekenis. ja.a. Slot Als wij willen samenvatten en conclusies trekken. al vrijwel weer achterhaalde uitvinding. Maar dat heeft te maken met het verschil in perspectief tussen anno 1930 en anno 1988. een probleem om wereldburgerdom met de ‘Staatsgedanke’ tot een synthese te brengen. ook wel eens. Hoe dan ook. maar hij heeft dit niet volgehouden. alleen al met het ‘werkje’ van Mühl in de hand. Dat geldt ook voor het hier niet besproken vervolg. maar hij lijkt deze kijk op Herodotos wel te delen. een probleem dat door de Stoa pas na enige eeuwen is opgelost. Bovendien is het existentialisme daar allang door allerlei anti-humanistische stromingen afgelost. zolang hij over de Grieken spreekt.Hellenen en barbaroi. geen afbreuk aan de wetenschappelijke kwaliteiten ervan. Nog afgezien daarvan dat een beroep op onze geestelijke voorouders niet doorslaggevend is. Het is. is in feite dat we hier en daar voorlopers vinden van wat later. Het meest essentiële dat we uit de beschouwingen van Mühl in het eerste deel van zijn boekje. de waarde van Mühls boekje en de ideeën van het ‘derde humanisme’ in het licht van het heden. met name in de Stoa. Doet nu het feit dat een idealistische en 138 .i. kunnen halen. Het is zeer we1 mogelijk dat een oudhistoricus vanuit zijn vakkennis er detailkritiek op heeft. deze achtergrond heeft zijn actualiteit nog niet verloren. Daarvan waren tot voor kort de tegen hun wil onder de benaming ‘structuralisten’ samengevatte denkers het belangrijkst. Sterker. een oproep te doen: Kijk naar de Grieken. van huis uit Nederlander en vriend van Huizinga. maar in 1933 een Duitse nazi. De confrontatie tussen conservatieven en anderen in de Weimarer Republik heeft grotere actualiteit dan ons misschien wel lief is. en bij Romeinen als Cicero tot rijpheid is gekomen. die heb ik. mocht Bolkesteins opzet zijn geweest. dan moeten m.8). dan acht ik die opzet. Welnu. het artikel van Bolkestein. naar mijn mening doet het feit dat het vanuit een door de eigen tijd bepaalde idealistische gedrevenheid is geschreven. drie dingen aan de orde komen. Ook in recente discussies van politicologen en filosofen duikt Schmitt telkens op als nog van belang. André Jolles. niet werkelijk geslaagd. Ten tweede. Daarmee zijn wij intussen bij het derde punt gekomen. Het is kenmerkend dat het in noot 1 vermelde artikel uit het Historische Wörterbuch der Philosophie met een korte bespreking van de opvattingen van Mühls beruchte tijdgenoot. Bodar een proefschrift verdedigd over iemand uit Freyers conservatieve kring. Wij zien daarin niet meer zo’n krachtig argument. misschien enigszins verholen al een goed voorbeeld zijn geweest van een ‘Menschheitsidee’. Mühls boekje acht ik een wetenschappelijk waardevolle bijdrage in its own right. constateren wij dat het derde humanisme nog steeds van belang zou zijn als tegenwicht tegen de geest van Freyer en Schmitt. eventueel als steun voor Jaegers ideeën. Kijken wij naar Frankrijk. hoewel geen Specialist op dit terrein. dan zien wij weliswaar dat in 1944 Sartre zijn existentialisme een humanisme heeft genoemd. in het bekende Les mots et les choses (1966) de mens als een recente. Wij zijn dergelijke spoken uit het verleden nog niet kwijt en zij lijken weinig op Goethes ‘schwankende Gestalten’ (Zueignung bij de Faust uit 1797). Foucault. zoals Mühl en Bolkestein zoeken? Mühl noemt de ‘vader der geschiedenis’ maar eenmaal en terloops (p. Het is zeer zorgvuldig en weloverwogen geschreven en nog steeds lezenswaard. Ook het werk van mensen als Freyer (vooral zijn boek over Der objektive Geist) wordt nog steeds actueel geacht.

pp.erst mit Isokrates entsteht die Vorstellung eines gemeinschaftlichen Wesens der Menschen.a.’ (Deel 5. Historisches Wörterbuch der Philosophie: ‘. Humanistische Reden und Vorträge. en zeker: ‘terug naar de klassieke oudheid’ zijn leuzen die het op dit moment slecht doen. En kijken we naar de Verenigde Staten. geciteerd in M. (Hrg.. “Deugd”-opvattingen door de oudheid heen’ in Wijsgerig Perspectief 22 (mei 1982). p. Humanistische idealen als ‘Freedom and Dignity’ worden door iemand als Skinner op de schroothoop geveegd. Men kan met deze en andere Franse stromingen meegaan voorzover zij behoeden voor een te hoog inschatten van de feitelijke betekenis en invloed van individuele mensen. Darmstadt 1970. Vgl. F. ‘The Idea of the Unity of Mankind’ in Grecs et barbares. van Chomsky met name. al valt juist in dit boek die kritiek eigenlijk best mee. als wij op Jaeger willen voortbouwen .humanistische mensopvatting door Foucault en de zijnen radicaal wordt afgewezen afbreuk aan de actualiteit van Jaegers ideeën? Misschien. p. Noten 1. 139 . De Griekse erfenis is polyinterpretabel genoeg. Hoe verschillend men de accenten ook kan leggen vanwege de eigen situatie. Jaeger. 1128). dat hangt af van de juistheid van de waardevolle.. Zie ook Hans Oppermann (Hrg. Berlin 1960 (tweede sterk vermeerderde druk).126..zoals hij dat zelf in zijn lange leven mutatis mutandis ook zelf heeft gedaan -. C. een stimulans. Maar dat zou meer tegen onze tijd. Ritter e.a. aankomt dit: onze ontmoeting of confrontatie met de Grieken kan telkens weer. zelfs als het geen sluitende argumentatie biedt. Op Isokrates ga ik straks nog even in. 178. maar daarop is dan ook weer een felle reactie gekomen. 4. onze cultuur kunnen pleiten dan tegen de leuzen. uiteindelijk is datgene waarop het. Bovendien deze ‘querelles des anciens et des modernes’ worden altijd door de ‘anciens’ verloren. H. die inhouden datje ze voor Isokrates (436-338) eigenlijk niet vindt Zie het begin van het lemma ‘Menschheit’ in J. Sp. ook anderen blijven humanistische mensopvattingen hooghouden.). (Wege der Forschung XVII). Terug naar de Grieken’.). maar dat heeft nooit een ‘renaissance’ belet. Fresco. Maar doen de terughoudende conclusies bij Mühl (en in mijn artikeltje nog sterker) ten aanzien van de universaliteit van de ‘mensheidsidee’ bij de Grieken afbreuk aan wat Jaeger wil? Ik waag het te betwijfelen. 2. ja een ferment zijn. Entretiens Hardt 5(1962). Toynbee een uitdaging heeft genoemd adequaat te beantwoorden. Dat betwijfel ik ten zeerste. 103-l 16. een steun om wat Spenglers optimistischer voortzetter A. 3. dus recent toen Mühl schreef.. Daarin stemt Mühl overeen met moderne opvattingen. aan de idealen a la Jaeger hoeft dat niet af te doen. o. Baldry. Daarbij baseer ik me vooral op zijn lezing Antike und Humanismus uit 1925. Later opgenomen in W. maar niet onbetwistbare structuralistische opvattingen in het algemeen en vooral van de vraag of dat anti-humanisme een dwingende consequentie is van Foucaults opvattingen. Humanismus. dan springt het daar nog steeds levende ‘behaviorisme’ in het oog.

IK TRACHT OP POËTISCHE WIJZE ik tracht op poëtische wijze dat wil zeggen eenvouds verlichte waters de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen ware ik geen mens geweest gelijk aan menigte mensen maar ware ik die ik was de stenen of vloeibare engel geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt de weg van verlatenheid naar gemeenschap de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg zou niet zo bevuild zijn als dat nu te zien is aan mijn gedichten die momentopnamen zijn van die weg in deze tijd heeft wat men altijd noemde schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand zij troost niet meer de mensen zij troost de larven de reptielen de ratten maar de mens verschrikt zij en treft hem met het besef een broodkruimel te zijn op de rok van het universum niet meer alleen het kwade de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig maar ook het goede de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte morrelen ik heb daarom de taal in haar schoonheid opgezocht hoorde daar dat zij niet meer menselijks had dan de spraakgebreken van de schaduw dan die van het oorverdovend zonlicht Lucebert 140 .

MORE POETICO more poetico id est subtilitate aquarum illustrium totius vitae spatium exprimere studeo si non homo fuissem similis multitudini hominum sin essem qui fuerim angelus saxeus fluidusve nee ortus neque tabes me tetigisset nee iter e solitudine in communitatem iter saxeum saxeum animale animale volucre volucre tam pollutum esset quam meis videatur in carminibus quae lineamenta simt illius itineris in hoc tempore quae dicta est pulchritudo pulchritudo faciem habet adustam nee iam homines consolatur vermes reptiles mures consolatur sed hominem terret et tangit certiorem factum eum miculam esse in toga universi nec iam malum modo plaga letalis nos suscitat sedatve sed bonum quoque complexus iubet nos spatium desperate scabere ergo linguam ego quaesivi in pulchritudine turn audivi illam nil humanius habere quam haesitantias umbrae et iubaris exsurdantis Paul Claes 141 .

dat de jonge dichter de antithese scherper gevoeld zal hebben. vertelt. met den volgenden examinator. al gelooven wij graag. dat in de jaren van tachtig in Amsterdam in de klassieke letteren studeerde.Nederlandsche dichters VIII. en Hein Boeken. wiens beteekenis voor onze literatuur het grootst zou blijken. was Willem Kloos degene. Met het behalen van den graad van candidaat houdt de relatie van Kloos met de universiteit op. Nieuwere Literatuurgeschiedenis I blz. „dat daar in de Oudheid iets te vinden is voor den wordenden dichter. den Graecus Naber. waar Boeken van gewaagt. dan zij behoefde te zijn. KLOOS EN DE KLASSIEKEN Van het begaafde stel studenten. waarin voor het eerst het evangelie van de nieuwe poëzie was verkondigd. hoe de eerste vraag van den hoogleeraar in de philosophie Bellaar Spruyt dit geschrift betrof. die evenzeer door zijn scherpzinnige en geestige kritieken als door het voorbeeld van den scheppenden kunstenaar en den invloed van zijn persoonlijkheid de overheerschende werd. die de studie aan de universiteit hem bracht. sprak Kloos zich uit in de kritiek op . geschreven in Februari 1880. Nog vóór zijn candidaatsexamen (Juni 1884) was zijn Inleiding voor Perk’s gedichten verschenen. 42 vlgg. critiseerend.Lina Schneider’s Frauengestalten der Griechischen Sage und Dichtung”. die hij nadien al dichtend. Voor de hoofdzakelijk op tekstcritiek gerichte philologie van zijn dagen had hij geen sympathie.” In de bijna vijftig jaren. wat hij elders tevergeefs zou zoeken. was de verhouding eenigszins gespannen. Reeds toen hadden zijn denkbeelden over poëzie zich ontwikkeld in de richting.. studeerend als nimmer rustend literair fijnproever heeft gearbeid. 142 . keerde hij telkens weer terug tot de Grieksche en * Over de teleurstelling. aan wiens artikel in de Historische Aflevering van de Nieuwe Gids (October 1925) ik deze bijzonderheden ontleen. * Nooit echter heeft hij zich bedrogen gevoeld door het voorgevoel. wiens college hij niet gevolgd had. niettemin was de uitslag van het examen gunstig.

1): „Als Sophokles’ Antigone heengaande klaagt. kan nog blijken uit een opmerking in een vermaarde critiek. zoo intens als de stemming is. 216). geschreven in 1882). iets verder worden in dit verband Sophocles en Pindarus genoemd. zoowel als in rhythmus” (Jacques Perk. De dichter. of.v. In de eerste plaats kreeg Euripides zijn liefde. van wie vooral de eerste zijn liefde hadden. II blz. dat hem voorzweefde: een „poëzie. scherp en toch zacht als de trekken zijner munt. Goethe en de Ouden. van den vroegsten tot den laatsten tijd. in de N. bewijzen het tegendeel. zooals dat bij den jongen Goethe het geval was. Het spreekt vanzelf. dan rilt nog de negentiende-eeuwer op zijn stoel. komt telkens bedrogen uit. voor alles plastisch. die den jongen Kloos aantrokken. men leze b. en die nog gezien door zijn modern sentiment (N. haar als hoon in de ooren klinkt.Latijnsche schrijvers. als de honing zijner bergen. Hier vond hij het ideaal verwezenlijkt. dat de lectuur der Grieksche dichters meer uit een intuïtief genieten dan een grondige bestudeering van den tekst bestond. de bespreking van Burgersdijk’s vertaling van Aeschylus’ Prometheus (Nieuwere Literatuurgeschiedenis I blz. Deze trof hij aan bij de groote Engelschen en de groote Italianen. tallooze opmerkingen in Kloos’ critieken en studiën. die. de criticus en de philoloog reiken hier elkaar de hand. het is niet meer de hooge poëtische schoonheid. maar de voor alle tijden geldende waarheid en 143 . die zoozeer den nadruk legde op het Helleensche element in zijn kunst. „doch Hellas had dit op ons voor. Wie nu zou meenen. dat de roem haar beloofd.) van 1880 en de Inleiding der vertaling van Kuripides’ Alcestis van 1920. dat het vooral de Grieksche dichters uit den klassieken tijd waren. 53 vlgg.” In den loop der jaren is Kloos de Grieksche dichtkunst ook in haar andere uitingen gaan waardeeren. dat zijn verbeelding. frisch en klaar in den morgen des levens. hard als het marmer zijner groeven. L. voor het oor niet minder dan voor het oog. vermocht te graveeren en te beitelen in de taal.” De verheerlijking van het sonnet als versvorm voor de modernen wordt hierop gebaseerd. die op Schaepman’s in 1886 verschenen Aya Sofia (N. 22. zeggen. en zelfs de tekstcritiek blijkt niet vergeten te worden. L. die hem treft. I blz. vol maar vast als de beelden zijner tempels. naar verlangen. dat het in plastische harmonie en architectonische schoonheid de „ruischende koren der Grieken” het meest nabij komt. in het volle besef van zijn deskundigheid kon hij dan ook van Vosmaer. in uitdrukking. iedere uiting der ziel. vloeibaar kon zijn. II blz. Hoe hoog Kloos den eerste stelde. L. dat zijn kennis van de Grieken niet reëel en niet grondig was en dat zijn klassicisme een sympathiseeren niet enkele onderdeelen was.

. . ik zal je mores leeren . Maar niets sterkers dan ’t Noodlot Vond ik. staan blijvend”. Wacht hem zuur-stroefjes met een fronsend voorhoofd af. 20e eeuwers. 144 . waar Orpheus’ zangstem verschijnen Deed hen. . zouden zich hier geheel misplaatst voelen en zoo snel mogelijk weer naar den Hades weggevlucht zijn. van hen zeggen: „och. Neen. wanneer hij zich in het in rouw gedompelde paleis van Admetus te goed heeft gedaan en zich tot den geéïgeiden dienaar richt (blz. 39): Ik drong door in de Dichtkunst. die zij diep voelden en waarvan zij dus magnifieke kunst maakten”. vs. hoe de drie tragici zich gevoeld zouden hebben. 773 vlgg. 32. als zij in de moderne wereld verplaatst waren. als jij een vriend des huizes komen ziet. alsof Aeschylus en Sophocles bij Euripides achtergesteld worden. wat kijk jij somber en nadenkhjk. „nog heelemaal bevangen in de ouderwetsche mythologische voorstellingen en begrippen. zelfs niet een heulkruid op Thracische tafelen. . Hoe knap is het burleske optreden van Heracles weergegeven.menschelijkheid van de karakters. waren menschen van mijn oude Hellas. die daar weg-gaan. En hoog-denkend ook peinsde ik. de beide eerste. als Kloos op blz. Als ging dat ongelukje-in-huis je heel erg aan. die de vertaler gevoeld en weergegeven heeft in het prachtige koorlied Εγ κα δι µο σασ (962 vlgg. dien het Grieksch maakt. m de reeds genoemde Inleiding op de Alkestis vindt men dit uitvoerig uiteengezet.): Wel zoo. Dichterbij! Heel anders is de stemming. die Kuripides teekent. . zeg? Tegen een gastvriend doet men niet als bullebak. maar Euripides zou „glimlachend naast ons. maar geen echte wereldburgers van alle tijden zooals gij en ik. Doch ook werkte ik in wetenschap. Zelfs wil het ons schijnen. blz. XI en XII nagaat.” Uit de vertaling zelf blijkt. noch ook wat Phoibos aan Heelende middlen gaf ooit Willend hij het veelgeplaagd Sterflijk geslacht ten baat zijn. Komaan. hoe goed Kloos in de sfeer van dit moeielijk aan te voelen stuk is doorgedrongen. uitsluitend van Hellas. Èn de woorden èn het metrum (de voor ons zoo lastige glyconeeën en verwante verzen) geven den indruk. hartelijk uitnoodigend ontvangt men hem! Maar jij.

toegegeven. niet stilstaand bij het geijkte oordeel der neo-humanisten.zoo goed weer. In den loop der jaren kwam hij tot de erkenning. In de reeds vaker aangehaalde Inleiding op de Alkestis noemt hij de diepe vereering. bewijst het sonnet „Vergilius” (blz. plotsling. waar dan. Tenslotte wijst de hooge waardeering van de Hellenistische poëzie. dat de gedachtenwereld van den Duitschen dichter. bij zijn heftigen strijd tegen den rhetorischen stijl onzer vroegere poëzie moesten de Romeinsche poëeten hem. De dramatische stukken „Rhodopis” en „Sappho” zijn. niettemin vormen zij een gewichtig bestanddeel van Kloos’ poëzie. wellicht meer dan in waarheid het geval is. als dat in onze taal mogelijk is. Met stem uitbarstend soms in vreemd gezang. in haar algemeenheid niet opgaat. fragment gebleven. is van algemeene bekendheid. Dat tenslotte Kloos in zijn oorspronkelijke dichterlijke productie beïnvloed is door de Grieken. Tegenover de Latijnsche dichtkunst stond Kloos van het begin af aan veel minder sympathiek. dat deze stelling. dat zijn stuk „als volmaaktlijk-plastisch geschreven dichtwerk beschouwd. als een bewijs. XLVII). 335 van den 3en bundel „Verzen”). dat deze een uitnemend dichter moet geweest zijn. geen echte dichters voorkomen. die van Virgilius’ hexameters uitgaat. evenals het epische stuk „Okeanos”. van een eenigszins lagere orde dan het tooneelstuk van Euripides moet worden geacht” (blz. maar rhetoren op maat. Een lange gang. Een bleek gelaat komt harmonieus verhalen. waarvan ik de quatrijnen citeer: Vergilius te lezen. XXIV vlgg. stil en bang Te voorschijn schietend uit verborgen zalen. lang Zich strekkend. Wij bewonderen de statige schoonheid der regels van „Okeanos”. De vergelijking tusschen de Iphigenia Taurica van Euripides en die van Goethe blijkt voor Kloos ten voordeele van den antieken dichter uit te vallen. diens zijns ondanks „echt-christelijke verdieptheid van levensinzicht”. toch moet erkend worden. een groot en echt kunstenaar. een klacht ging honderd malen. Liefste! is dwalen Door hooge en staatge galerijen. of door een gang. Van hoogheid en van leed. op de ruimheid van blik. waarmede Kloos. die niet onderdoen 145 . voor Callimachus koesterde. ons nader staat. die de ernstige Propertius.). de Grieksche poëzie bestudeerd heeft. die nog steeds niet uit de wereld is. vooral van Callimachus en Hermesianax (blz. hem getroffen heeft. Hoezeer de geheimzinnige betoovering.

Zijn Rhodopis. het leven van louter zingenot moede. Rotterdam. KOSTER (1932) 146 . zijn Zeus. En kunnen goden slechts rampzalig zijn? zouden door geen Griek zoo gezien zijn: Als bij alle werkelijke dichters heeft bij Kloos de klassieke literatuur inspiratie gegeven. W. die. wij constateeren tevens.voor die van Keats’ „Hyperion”. J. zij bleef voor hem niet een uiterlijke tooi. dat de dichter niet slaafs in den geest der antieken schreef. wijn versmaadt en water vraagt. hebben menschen dan een goden-ziel. die zich afvraagt Wee. W.

waarop hij door zijn bewonderaars. werd de oude ‘geluidgod’ (Gorter) in 1935 in de aula van de Universiteit van Amsterdam tot eredoctor in de letteren benoemd. Albert Verwey. W. was geheel vervreemd van het schoonheidsideaal en het archaïsch aandoende idioom van Tachtig. ‘s-Gravesande van talrijke brieven en documenten van de voormannen van de De Nieuwe Gids. Voor zijn trouw gebleven lezers waren deze onthullingen nogal schokkend. Veel succes hadden zij niet. was geplaatst. de Kriticus (Velsen 1934). waartoe hij niet in laatste plaats zelf behoorde. Uit ’s-Gravesandes materiaal kwam hij naar voren als een alcoholicus. Toen Kloos op 30 maart 1938 voorgoed de door velen gememoreerde blauwe ogen sloot. waartegen Kloos als jonge student had stormgelopen. maakte een stroom van herdenkingsartikelen en dito gedichten duidelijk. dat volgens de communis opinio met hem de grootste dichter uit de contemporaine Nederlandse letterkunde was heengegaan. In de jaren zestig en zeventig wilde de literatuurkritiek van een dergelijke ‘personalistische’ 147 . vooral door de publicatie door G. Koster zijn van grote bewondering getuigende artikel over Willem Kloos schreef. H. grootgebracht met Forum of inmiddels in de ban van een nieuwe ‘beweging’. de Dichter. Jacques Perk. vermocht niets af te doen aan zijn roem. Dat hij al jaren voortbouwde aan een vrijwel onuitputtelijke serie ronduit matige sonnetten. J. die hij in zijn jeugd geschreven had. Minder getalenteerden probeerden met zorgvuldige nabootsingen van zijn sonnetten uit de jaren tachtig de Helikon te beklimmen. een machtswellusteling en een pathologische leugenaar. Th. Geleidelijk werd ook duidelijk.De ‘Griekse beginselen’ van Willem Kloos R. was de toen 73-jarige leider van De Nieuwe Gids een levende legende. die hij verworven had met de honderd bladzijden poëzie en de driehonderd pagina’s kritisch proza. die van Vijftig. van der Paardt Inleiding In 1932. erkende hem nu als een absolute literaire grootheid. Een jongere generatie. en een eindeloze reeks zeer breedsprakige kritieken (die hij bundelde in meer dan twintig delen Nieuwere literatuurgeschiedenis). H. toen W. Kloos voor velen van het voetstuk. ‘Binnengedachten’. Ook de academische wereld. de Raaf: Willem Kloos: De Mensch. Na het verschijnen van de ‘hagiografie’ van de gezaghebbende Neerlandicus K. dat hij zijn befaamde oudste liefdesgedichten voor steeds weer andere vrienden (Jan Beckering. Slechts enkelen probeerden met de presentatie van nieuwe gegevens over de biografische achtergronden van Kloos’ jeugdwerk de belangstelling daarvoor te wekken. Jan Veth) had geschreven en later had geprobeerd alle sporen die naar een homoërotische basis verwezen uit te wissen. Na de oorlog viel.

gemaakt door Willem Witsen (bezit Lett. Mus.) 148 .foto van Willem Kloos in 1894.

in mei 1880 in het tijdschrift Nederland verschenen als eerste proeve van Kloos’ dichterlijk talent. maar op een keerpunt in haar leven is gekomen. die gestadig in hartstocht toeneemt’ en vermengt zich met het volk. 149 . licht en rust. waarvan men de ideeënlaag in het algemeen te weinig heeft onderkend. Lust wordt geloofd. een ongewisse toekomst tegemoet. Met deze totale onderwerping. M. goden bespot. die ‘eindloos’ is. den eenmaal-geketenden mensch uit uw macht’ Rhodopis wil in wanhoop een einde aan haar leven maken en heeft daartoe al een dolk getrokken.benadering van poëzie niets weten. Prick (1980). want het antwoord is door het fragmentarische karakter van het stuk niet zonder meer uit de tekst te destilleren. te individualistisch. Uit de op de monoloog van Mylitta volgende stichomythie tussen Myrrha en Mylitta komt beider levensbeschouwing verder tot uitdrukking. Met de waardering voor de persoon Kloos leek ook die voor zijn werk verdwenen. Zij wil met haar verleden breken. Mylitta kiest voor de geest.geen eenvoudige vraag. Dan arriveert ‘een Griekse krijgsman’. eindigt het fragment. in pure doodsangst.heeft het in de bedoeling van Kloos gelegen een ontmoeting tussen Charaxes en Rhodopis later te presenteren. Het koor. aan de priester en de goden. Rhodopis begrijpt dat haar minnaar nog leeft en dat zijn gedachten nog steeds naar haar uitgaan. die in Egypte een fortuin heeft vergaard. Haar vriendin Myrrha verzekert haar dat geen sterveling aan de almacht der zinnen ontkomt: ‘Neen. is te verdelen in vier eenheden. o lokkende Kupris. De belangrijkste vraagstelling in het huidige onderzoek lijkt die naar de filosofische of levensbeschouwelijke achtergrond van Kloos’ poëzie. totdat de menigte om genade smeekt. Dan grijpt Zeus in. ander werk van Kloos. die alle lijden sust. de Neerlandicus P. Een opkomend priester wordt tot dansen gedwongen. Gezien het ‘Voorbericht’ . te ‘gedachtenloos’.waarover straks . biografische feiten. Zij beklaagt deze om het toegeven aan blinde lust. schrijft in een recent overzichtsartikel hierover het volgende: ‘Juist deze kant van Kloos’ dichterschap is nogal verwaarloosd: hij geldt als te particulier. maar wel dat er belangwekkende studies vanuit nieuw perspectief over hem zijn geschreven. die hij in grote trekken aan zijn leermeester Doorenbos ontleend had en die hij de Griekse levensbeschouwing noemde. dat dit een misvatting is. hij waarschuwt in heftige woorden voor de gevolgen van dit bacchanaal. dat na hun dialoog optreedt (vierde scène) is op hand van Myrrha. Myrrha zoekt de roes der zinnen. Wanneer de soldaat en Rhodopis zijn verdwenen. scènes zo men wil. als wel van zijn lyrische en dramatische jeugdwerk. Samenvatting Rhodopis De tekst van Kloos’ drama. nimmer meer laat gij. op de voorgrond (derde scène). Het gaat ‘allengskens over tot dans. maar het volk volhardt in ‘wellustig dansen’. Men hoeft zich echter niet eens zo grondig in zijn werk te verdiepen om te ontdekken. niet zozeer van zijn evident bespiegelende ‘Binnengedachten’. de zoogzuster van Rhodopis. Zijn dramatische fragment Rhodopis getuigt ervan.’ Ik wil in dit artikeltje de vraag centraal stellen wat die Griekse levensbeschouwing dan inhield . Krak. Zij gaat met de soldaat mee. De belangrijkste Kloos-publicist van het ogenblik. Ik zal een beroep moeten doen op externe gegevens: bronnen. In de eerste worden wij geconfronteerd met de Griekse hetaere Rhodopis. die haar raadt te vluchten voor de vijand. al heeft zij ook duidelijk zelf onvrede met het eigen bestaan. Pas de laatste jaren is er sprake van een opleving in de Kloos-reading: men kan niet zeggen dat hij allerwegen weer wordt gelezen. wil reinheid. zesentwintig pagina’s in de bekende bloemlezing van Harry G. prefereert water boven wijn. ‘Wij kruipen. Zo rond 1879 had hij zich een filosofie eigen gemaakt. treedt Mylitta. wij kruipen’ roepen volk en koor. met donder en bliksem. in dienst van Charaxes van Samos. Om te beginnen eerst een samenvatting van het fragment. Rhodopis’ minnaar.

Kloos over Rhodopis: bronnen en intentie Hoe kwam Kloos aan de stof voor dit drama? Daarover heeft hij ons zelf ingelicht, onder meer in een herdenkingsartikel over zijn leermeester, de classicus Willem Doorenbos, die hem in 1878/’79 opleidde voor het staatsexamen. In die tijd las hij, behalve de voorgeschreven klassieke auteurs, vooral in het befaamde boek van Georg Grote, History of Greece (de uittreksels die Kloos maakte van de twaalf delen van dit werk zijn bewaard). Op een gegeven ogenblik vertelt Kloos, ‘begon ik mij (...) plotseling een beetje vreemd te voelen, en schreef ik a l’improviste, (zoals mij dat ook later met al mijn verzen is blijven gaan) dat resultaatje van mijn sympathie voor die verre Griekse oudheid, onderdoor het onnozele gebabbel over daagse dingen in de niet grote huiskamer, waar ik als achttienjarige jongen gedwongen was, te zitten, zonder dat ik ooit meer dan een noodzakelijk woord zes of zeven even zeggen mocht.’ Kloos vertelt dan verder hoe Doorenbos dit ‘dramatisch stukje wezenlijk niet kwaad’ vond, het opstuurde naar De Gids ; het van de redactie terug kreeg als ‘ongeschikt’, het vervolgens naar Nederland stuurde - waarvan hij de secretaris, Schimmel, goed kende - welk tijdschrift het wel, en met genoegen, opnam. Twee zaken zijn hier vooral van belang. Ten eerste geeft Kloos hier de ‘bron’ van zijn fragment; via Grote komen we uit bij Herodotus II 134/5, waar over Rhodopis (een bijnaam overigens) wordt gezegd dat zij met het door haar verworven fortuin een pyramide had laten bouwen. Ten tweede onderstreept hij hier zijn ontwaakte liefde voor de Griekse oudheid - een liefde, die uiteraard door zijn leermeester was gevoed. Wat de jonge dichter in zijn drama had willen uitdrukken, heeft hij zelf in een ‘Voorbericht’ aangegeven. Het ging hem om drie levensbeschouwingen, waarvan de ‘oosterse’ door Myrrha en het koor, de ‘moderne’ door Mylitta en de ‘Griekse’ door Charaxes is vertegenwoordigd. Rhodopis aarzelt in haar keuze tussen deze drie, maar is toch uiteindelijk geneigd de ‘Griekse’ te kiezen. Hiermee is meteen een moeilijkheid bij de interpretatie van Rhodopis duidelijk geworden: Rhodopis treedt maar even, Charaxes in het geheel niet op in het door Kloos voltooide gedeelte. Wat met name de Griekse levensbeschouwing inhield voor de dichter, zullen we vooral uit externe gegevens moeten reconstrueren. Dat behoeft niet te worden gedaan voor de andere twee overtuigingen. ‘Oosters’ is kennelijk de totale overgave aan zinnelijke genietingen, maar ook onderwerping aan het gezag der goden; ‘modern’ is de keuze voor de geest, de drang naar zelfkennis, ontkenning ook van het mysterieuze. Myrrha en Mylitta zijn twee allegorische figuren: hun tweespraak moet een botsing tussen extremen zijn. Het is duidelijk dat de sympathie van de dichter niet hier lag - maar dat wisten we al. De begrippen ‘oosters’ en ‘modem’ zijn op het eerste gezicht wat problematisch. ‘Modern’ kan immers niet anders betekenen dan ‘contemporain’, dus hier laatnegentiende-eeuws: het stuk zou dus bewust anachronistisch zijn. Dat geeft Kloos aan het eind van zijn ‘Voorbericht’ ook inderdaad aan; ‘Verder diene voor filologen de opmerking, dat de bronnen met de grootst mogelijke vrijheid zijn gebruikt, en de schildering volstrekt geen aanspraak maakt op historische, antiquarische of zelfs chronologische juistheid’. Ook kosters’ klinkt wat vreemd: wij zijn geneigd daarbij aan Chinees of Japans te denken. In eerste instantie verwijst Kloos kennelijk naar het Midden-Oosten; het stuk speelt zich immers ook in Egypte af. Maar de volgende regels van het koor wijzen toch in een andere richting: God der gruwlen, God van Wraken Zijt Gij voor wie U verzaken Voor Uw aardse macht niet blaken, U geen zielen-offers biên! 150

Hier is sprake van een oud-testamentisch godsbegrip - de God van de 19e-eeuwse Nederlandse kanselredenaars, opnieuw dus een anachronisme. Dit dubbele begrip ‘oosters’ nu is ons, zij het anders aangeduid, ook bekend van Doorenbos. Daarmee zijn we beland bij de vraag wat Kloos nu van zijn stimulator had geleerd, c.q. overgenomen in zijn eerste dichterlijke proeve. De denkbeelden van Doorenbos Willem Doorenbos, geb. 1820, studeerde in Groningen, Franeker en Leiden theologie en letteren en promoveerde te Groningen in 1844 op een klassiek proefschrift De moribus Creontis, qualem descripsit Sophocles. Zijn carrière als docent was hoogst ongewoon: na zijn rectoraat, uitgeoefend op het kleine gymnnasium van Winschoten, belandde hij, via een journalistieke baan, als leraar geschiedenis op een Amsterdamse HBS, waar hij vele latere Tachtigers onder zijn hoede had. Hij was een vruchtbaar publicist op velerlei terrein en was een gezocht spreker en debater. Al uit de keuze van zijn proefschrift en uit het verloop van zijn carrière blijkt dat hij weinig ophad met de ‘Formalbildung’ en het eenzijdig-filologische onderricht op de gymnasia en universiteiten. Hij zag het belang van de studie van de oudheid in de confrontatie met een superieure wereld. Zo schreef hij in 1865 in een artikel in De Nederlandsche Spectator: ‘Wy meenen nog altoos dat een goed doordringen in den geest en in de letterkunde der Grieken en Romeinen, ons bijzondere kracht zal geven om, te midden der aanbruisende literatuur van onze naburen, eigen oordelen en idealen te behouden... ik meen, dat de geest, die eens de Griekse kunstwerken, en daartoe behooren ook de klassieke geschriften der Romeinen, deed ontstaan, ons leven en onze letterkunde steeds voor te groote lafheid ofte groote lompheid behoeden zal.’ En over Plato zei hij, zo’n twintig jaar later: ‘De geschriften van den Atheenschen wijsgeer zetten aan tot een ideale liefde voor waarheid en recht, en tot eene vrijheid van denken en doen, die geheel in strijd is met het beperkte doctrinairisme, dat in onze dagen zich van het leven en de letterkunde meester maakte.’ Een hoofdmoment in Doorenbos’ visie op de (cultuurgeschiedenis (die verrassend constant is gebleven) is zijn tweedeling Aziatisch-Grieks. In de Aziatische beschaving heersen traditie en starheid, die leiden tot uiterlijkheden, bedrog en huichelarij. Alle vormen van onderworpenheid, ook die aan de eigen zinnelijkheid, duidt hij aan met de term ‘Aziatisch’; vrijheid, harmonie tussen daad en gedachte, streven naar kracht en schoonheid van lichaam en ziel zijn ‘Grieks’. Een enkele keer valt ook het begrip ‘oosters’ als synoniem voor ‘Aziatisch’; zo kenschetst hij de centralistische machtsuitoefening van Karel V in Spanje en Lodewijk XIV in Frankrijk als ‘oosterse despotie’. Hoewel hij zich in deze zin niet heeft uitgelaten over de religieuze ontwikkelingen in het 19e-eeuwse Nederland, is het duidelijk dat hij het orthodoxe Protestantisme en het strijdbare Katholicisme, waartegen hij dikwijls fulmineerde (hij was het prototype van de liberale ‘papenvreter’), ook zonder meer als Aziatisch/oosters had kunnen aanduiden. Nu we de herkomst van het begrip ‘oosterse levensbeschouwing’ bij Kloos hebben getraceerd, moeten we nog ingaan op de ‘moderne’ en wat verder op de ‘Griekse’. Ik begin met de laatste en wend mij daarvoor tot het kritisch proza van Kloos uit 1880, het jaar waarin Rhodopis verscheen. De criticus Kloos over de oudheid In Kloos’ eerste bundel kritisch proza. Veertien jaar literatuurgeschiedenis (1896,18982), staan drie recensies uit 1880 die te maken hebben met de klassieke oudheid. Zij zijn achtereenvolgens gewijd aan Frauengestalten der griechischen Sage und Dichtung van Lina Schneider; de nog steeds gebruikte bloemlezing uit de Latijnse literatuur Serta Romana van J. Woltjer en de vertaling van Aeschylus’ Prometheus van L. A. J. 151

Burgersdijk. In alle drie doet Kloos uitspraken over detetèÏceriisdiede oudheid, speciaal de Griekse, voor zijn tijd had of zou moeten hebben, maar het uitvoerigst en duidelijkst daarover is hij in de ook al door Koster vermelde bespreking van het boek van mevr. Schneider. De bespreking valt in twee delen uiteen: in het eerste deel geeft hij een beeld van de ‘klassieke studiën aan onze universiteiten’, in het tweede een indruk van het genoemde boek. Beide zijn echter zó persoonlijk gekleurd, dat zij ons vooral iets leren over Kloos’ eigen ervaringen en inzichten. Met die klassieke studiën bedoelde Kloos eigenlijk alleen die waarmee hij zelf vanaf oktober 1879 te Amsterdam in contact was gekomen. Als voorbeeld noemt hij de behandeling van de Oden van Horatius. Die werden door het béte noire van de classici onder de Tachtigers, S. A. Naber, uitsluitend filologisch-tekstkritisch behandeld. Hij ging voorbij aan de inhoud, de klank, de interpretatie van het geheel, de esthetische evaluatie - kortom aan alles wat Kloos nu juist had willen horen. ‘De teleurgestelde muzen-zoon gaat stil naar huis en vindt dat die ouden toch niet zo amusant zijn, als hij zich dat vroeger in zijn onnoozelheid heeft verbeeld.’ Bij een dergelijke frustratie blijkt een verfrissend, de fantasie prikkelend boek als dat van mevr. Schneider een ware uitkomst: iedere lezer van moderne literatuur heeft er wel iets aan. Maar Kloos wijst er dan op dat de betekenis van de oudheid niet alleen daarin ligt dat ‘zij de moeder onzer hedendaagse beschaving is en de voornaamste waarheden, die ons verlichten, reeds bij haar in kiem aanwezig’ zijn. Nee, haar rol is groter. ‘Zij houdt ons in haar overblijfselen het beeld voor eener schoonere wereld dan de onze, eener ideale eenheid (...). Zij is de hoogte die als toevlucht dient, wanneer de scherpe werkelijkheid onze zielen heeft gewond (...). Door haar, en door haar alleen, kunnen we ons losmaken van godsdienstige, zedelijke en maatschappelijke vooroordelen en bekrompenheid, uit kracht van het bevrijdende element, dat uitgaat van alles, wat den mensch boven de alledaagsche en geestdodende gewoonte verheft, maar vooral van haar, die in tegenstelling tot ons, opgewekte vrijheid en harmonische ontwikkeling als de doeleinden van het leven beschouwde’. Het is duidelijk dat hier een leerling van Willem Doorenbos spreekt: zowel de afkeer van de eenzijdig-filologische tekstbehandeling als de idee dat de oudhied zich kenmerkt door vrijheid en opgewektheid, schoonheid en harmonie, zijn door hem ingegeven. Geen wonder dat Kloos juist aan hem, zijn leermeester, Rhodopis liet lezen: hij moet op de schok der herkenning, en dus instemming, gerekend hebben. Of Doorenbos heeft ingezien dat zijn pupil behalve een staaltje huisvlijt ook een ‘zelfportret’, een beeld van zijn ‘innerlijke wezendheid’ (zoals deze dat later zou noemen) ten beste had gegeven, is de vraag. Dat het dat óók is, wordt tegenwoordig niet meer betwijfeld. Ik zal proberen het in de biografie van Kloos de plaats te geven die het toekomt. Verhuld zelfportret Als geen andere auteur wellicht heeft Willem Kloos in een reeks van autobiografische excursen in zijn opstellen een indruk willen geven, een rechtvaardiging ook, van zijn jeugd en vroege schrijverschap. Zij sluiten veelal zo mooi op elkaar aan dat de bloemlezing die Harry Prick er onlangs uit maakte zich inderdaad laat lezen als wat de titel belooft: een Zelfportret. We vinden hier zeker niet de Kloos van zijn perfecte eerste kritieken en essays: de volzinnen met de vele kapitalen bereiden niet altijd een esthetisch genoegen (om het vriendelijk te zeggen). Maar wat wel duidelijk wordt is dat Kloos van jongs af aan zich bewust is geweest van een sterke gespletenheid in zijn persoonlijkheid: aan de ene kant was hij hypergevoelig en emotioneel, aan de andere kant bespiegelend en afwerend-nuchter. Op diverse plaatsen in zijn autobiografische herinneringen brengt hij die twee facetten in verband met de grote tegenstelling wat karakter betreft tussen resp. zijn moeder en zijn vader, wat, gezien de diverse testimonia, ook wel juist zal zijn. 152

die dan weer voor langere tijd stilstond.. van de andere zag hij de ontoereikendheid: deze ‘moderne’ opvatting over het mysterieuze. Dr. Gerben Colmjon. G. het onpeilbare kende hij van de predikanten van zijn dagen. H. van alle vervelende mensen gescheiden.52 e. Kralt 1985. Het relaas van Kloos klopt niet helemaal met de gegevens die Michaël 19752. waarom hij uit de veelheid van Griekse personages nu juist de figuur van Rhodopis koos. Kloos over Rhodopis: zie Willem Kloos. Prick. Voor de ‘personele’ inslag van Sappho en Okeanos zie Rudi van der Paardt. De eerste verzen die deze namen verdienden schreef Kloos in 1877. Hij was. 1983/’84. Groningen 1955. daar zit veel in’. der Nederlandse letterkunde. p.v.i. De denkbeelden van Doorenbos: zie C.voor de sombere knaap die hij was een ideaalbeeld. naar aanleiding van de zelfmoord van een vriend. want dan zou ik (. Er bestaan twee goede bloemlezingen. Inleiding: de bedoelde publicatie van ’s-Gravesande is De geschiedenis van De Nieuwe Gids.zoals hij later noch Sappho noch Okeanos tot een afronding zou kunnen brengen. beide inmiddels out of print. Van Parthenon tot Maagdenhuis. Kralt. Jan Beckering.. A.. ook deze ervaringen die ten grondslag liggen aan zijn fragment..320 e. Door zijn beginnende studiën in de oudheid. Leiden 1985. Amsterdam 1963. in M. G.Wanneer de spanning tussen deze twee polen te groot werd. 42-54. zijn bloemlezing. L. om zich er in te verbergen! Literatuuropgave en aantekeningen Teksten: een standaarduitgave van de gedichten van Kloos behoort nog steeds tot de desiderata... dunkt mij. ‘Als kleine jongen had ik in de pyramiden weg willen kruipen.. M. in een heterosexuele context. 28-36. De eerste bevat ook proza en brieven. waar harmonie heerste en opgewektheid . Arnhem 1955: een supplement verscheen aldaar in 1961. Gomperts. weten we nu. 153 . zie zijn Zelfportret 99/100. Apeldoorn. Prick. De geheime tuin. Michaël. Kloos’ eerste liefde en die gevoelens. De Dichter.9 e. J. 115-124. noemt Kloos onder meer de Egyptische romans van G. Geen beter masker kon Willem Kloos zich wensen.. al gaat deze misschien wat ver (vgl. Amsterdam 1948. die uitsluitend de Geest wensten te kennen. Zijn betekenis voor het werk van de jonge Kloos is pas achterhaald door H.2/3)]. Brieven en documenten. passim. Utrecht/Antwerpen 1963. had hij kennis gekregen van een wereld waarin emotie en geest samen gingen. van Hubert Michaël. 65-104. 299. alsmede die zelfmoord. het oordeel van A. onbeweeglijk-stil zittend maar diep-koelopgewonden voor. waaruit het citaat stamt. uls ik daar plaatjes van zag. op terug zou komen.) het merkte. 151-157 (van 142-170). tot de Dood mij plots overviel’ Een Griekse die een pyramide oprichtte met wat zij aan de liefde had te danken . ontlaadde zich die bij hem in een snelle produktie van verzen.v. Rest tenslotte de vraag. maar het betreft ondergeschikte details. Ebers. 258/9 over Doorenbos is m. in Jaarboek van de Mij. Het zijn. biedt. Zelfportret. daar dan rustig blijven zitten. nogal ongenuanceerd (‘een renegaat’). in bedekte termen. M.v. zijn onderricht van Doorenbos en de lectuur van Grote. Dordrecht 1985. Hier kan een ander biografisch testimonium verrassend licht op werpen. er in onder te gaan (Myrrha) of om ze in te dammen door zich ervoor af te sluiten (Mylitta). ‘Antieke inspiratie bij enkele Nieuwe-Gidsers’. hebben hem zo geschokt dat hij er tientallen jaren later nog steeds. Zelfportret. De beweging van Tachtig. in het Duits(!). A. alsmede een uitvoerige (niet onomstreden) biografie van de jonge Kloos. in Tachtig [een dubbelnr. en Rudi van der Paardt. Duyvendijk. Min of meer een samenvatting daarvan is diens artikel ‘Willem Kloos’. Amsterdam 1985. Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten (1980). toen hij zijn monument oprichtte.. 53-59. Verhuld zelfportret: voor Jan Beckering zie Kloos. Willem Kloos (19752) en van Harry G. aan de uitbeelding van die wensdroom kwam hij niet toe . Als Rhodopis had hij de neiging geheel in zijn emoties te zwelgen. Sprekend over de lectuur die hem als jongen bezig hield. 83 e. die hij ‘met grote gretigheid’ las. ed.v. Willem Doorenbos. De motivering der klassieke vorming. Als in zijn andere Griekse evocaties gebruikte hij het ‘principe van de omweg’: hij verbeeldde de problematiek in antieke setting. De belangrijkste studie over Kloos’ vroege poëzie is die van P. van De Fonteyne (IV. Hij zag van de ene ‘oplossing’ de gevaren en noemde haar daarom ‘oosters’.) zonder dat iemand (. ‘Die antieken. Leiden 1985. De criticus Kloos over de oudheid: vgl. Voor Kloos’ contacten met de ‘moderne’ predikant. Het bleef bij een torso. spec. Amsterdam 1986. Voor de verwoestende invloed ervan op het Kloos-beeld zie H.). zijn Geliefden en zijn Muze. Wes ed..

Komm. IJZEREN (1931) 154 . Alles Leid und Schmerzen stillest. Ach. J. ach komm in meine Brust. Den. Quae gravem luctum excutis et dolorem — Perditum ter reddere ter beatum Saepe valebas — Me viae lassum piget et laboris. Viator noctivagus Caelitus delapsa diis relictis. in pectora iam revertens Otia redde J. GOETHE. Doppelt mit Erquickung füllest. W. Nil dolorem inter mihi gaudiumque. der doppelt elend ist. v. ich bin des Treibens müde! Was soll all der Schmerz und Lust? Süszer Friede. Alma pax. v.Wandrers Nachtlied Der du von dem Himmel bist.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful