Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

3 Reacties
3.1 Reacties herkennen 2 De beginstoffen zijn verdwenen. Er zijn nieuwe stoffen ontstaan.

3

Beatrice heeft gelijk, want een deel van de alcohol is verdwenen. Er is een zure stof ontstaan.
Bij a, b, d, e, g, h en j is sprake van een reactie. Het woord dat ontstaat, is reactie.
Er zijn nieuwe stoffen ontstaan. De stoffen voor een gebeurtenis zijn gelijk aan de stoffen erna. De beginstoffen zijn verdwenen. De stoffen voor een gebeurtenis zijn anders dan de stoffen erna. De beginstoffen zijn nog steeds aanwezig.

4

5
chemische reactie geen chemische reactie

6 7

vuur, rook, warmte, lichtflits, knal, geur reactieverschijnselen gasbellen geur kleurverandering knal licht vuur en rook warmte practicum 1 practicum 2 practicum 3 practicum 4

X

X

X X X X

X

8 9 10

Jan ruikt een schroeilucht en er is een zwarte plek te zien. C

warmte brand aardappelen koken rotje aansteken knal geur kleurveranderingen ontstaan van gassen

11 Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Bij het verbranden van hout ontstaan nieuwe stoffen. ☺ b Bij het bakken van brood treedt een reactie op. ☺ c Bij het aanzetten van een knoop ontstaan nieuwe stoffen. d Vuur, kleurverandering en het ontstaan van geuren zijn reactieverschijnselen. ☺

© Noordhoff Uitgevers bv

1

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

12 a b c d e

eieren+ boter + bakmeel + suiker rauwe aardappelen benzine + zuurstof magnesiumlint + zuurstof kaliumjodide-oplossing + loodnitraatoplossing

cake gare aardappelen water en koolstofdioxide witte stof gele stof

13 a alcohol + gist druivensap + gas b gist + meel + water + vet + zout brood + lekker ruikend gas c hout + zuurstof water + koolstofdioxide + brandlucht + as 14 verse melk zure melk

15 a kruit b een knal, een lichtflits, rook en een geur c Die zijn verdwenen in de lucht. 16 C

3.1 Test jezelf 1 a Bij een chemische reactie verdwijnen stoffen en ontstaan nieuwe stoffen. b vuurverschijnselen, kleurverandering, het ontstaan van gassen en het ontstaan van warmte c in een reactieschema a het schroeien van haar b het knippen van papier c het verbranden van aardgas d het bakken van brood e het rotten van een appel f het branden van een zaklamp

2

g ijzer vijlen h het scheuren van een lap stof i j 3 een gasexplosie het breken van porselein

a In 2, 5, 6 en 7 staat een reactieverschijnsel. b Er treden reactieverschijnselen op. Daarom is er sprake van een reactie. C

4

© Noordhoff Uitgevers bv

2

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

3.2 Fasen en faseovergangen 2 Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Het smelten van ijs. ☺ b Het stollen van frituurvet. ☺ c Het bakken van een ei. d Het braden van vlees. e Het condenseren van waterdamp. ☺ f Het branden van een lucifer. g Het rotten van een appel. h Het verscheuren van papier. ☺ i Het verbranden van papier. j Het verdampen van alcohol. ☺ k Van water ijsblokjes maken. ☺ Het gebroken glas is nog steeds glas. Achmed heeft gelijk. a smelten b stollen c verdampen Bij verdampen ontstaan geen andere stoffen. Daarom is verdampen geen chemische reactie. er geen nieuwe stoffen ontstaan.

3 4

5

6 7

8 9

D Bij verdampen van zeewater ontstaan geen nieuwe stoffen.

10 De opgeloste kalk wordt door indampen vast. Er ontstaan geen nieuwe stoffen. Daarom is er geen sprake van een reactie. 11 Het zwartgemaakte hokje staat voor een juist antwoord. van vast naar vloeibaar van vloeibaar naar gas van gas naar vloeibaar van vloeibaar naar vast

© Noordhoff Uitgevers bv

3

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

12

13 a Bij het destilleren van aftershave ontstaan geen nieuwe stoffen. Daarom is er geen sprake van een chemische reactie. b Water heeft hoogste kookpunt, omdat alcohol het eerst is verdampt. 14 a water b nee c Omdat er tijdens het koken van water ook al wat azijnzuur verdampt.

3.2 Test jezelf 1 a Bij het koken van water ontstaat waterdamp. Waterdamp is dezelfde stof als water. Een faseovergang is geen reactie. b Er ontstaan geen nieuwe stoffen. Je kunt de oplossing terugkrijgen door de ingedampte stof weer op te lossen. c Bij destilleren ontstaan geen nieuwe stoffen.

2

3

a nee b Vloeibaar glas is dezelfde stof als vast glas. Het kaarsvet verwarmen is geen reactie. De suiker verwarmen is wel een chemische reactie. 4

4

© Noordhoff Uitgevers bv

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

5

Door zout op te lossen en daarna in te dampen. Na in dampen heb je weer zout. a Marion b Het water is verdampt en het wasgoed is niet veranderd.

6

3.3 Reacties om je heen 2 a Reactieproducten (pijltje uit - rode cirkel) zijn: koolstofdioxide water onbruikbare stoffen Beginstoffen (pijltje in - groene cirkel) zijn: zuurstof koolhydraten vetten eiwitten water b water 3 a b c d e f Er ontstaat een nieuwe stof. Daarom is er sprake van een reactie. Er ontstaat een nieuwe stof. Daarom is er sprake van een reactie. suiker, custard en melk karamelvla Bij het koken gaan de bacteriën dood. de houdbaarheidsdatum

4

Bejaarde mensen hebben minder weerstand en worden gauw ziek als ze bedorven producten zouden eten die ontstaan door reacties in de keuken. B Het zwartgemaakte hokje geeft aan dat er sprake is van een reactie (hokje groen gekleurd). Het open hokje geeft aan dat er geen reactie is (hokje rood gekleurd) Het verkleuren van kleding. Het verkleuren van gordijnen door UV-stralen. Kleurstoffen oplossen in heet water. Het bruin worden van geschilde aardappelen. Het donker worden van de glazen in een bril in zonlicht. Dit wasmiddel zal weinig bleekmiddel bevatten, want anders zal de zwarte kleur snel verbleken. De broekjes en de shirtjes zouden dan niet allemaal dezelfde kleur hebben door verschillende mate van verbleken van de kleur.

5 6

7

8

© Noordhoff Uitgevers bv

5

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

9 10

C bontwasmiddel wasmiddel voor de witte was veel bleekmiddel weinig bleekmiddel

11 c h l o o r b l e e km i d d e l a z i j n z o n l i c h t u v - s t r a l en m i l i eu h a a r v e r f Het woord is reactie. 12 verse melk 13 bestrijdingsmiddelen ontsmettingsmiddelen zure melk bacteriën onkruid ongedierte schimmels 14 a … bacteriën … b … onkruid … ongedierte. c … bacteriën … schimmels ... 15 Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Het hard worden van beton. b Het ontkalken van een koffiezetapparaat. c Het ontsmetten van zwembadwater met chloor. d Een schoonmaakmiddel oplossen in water. 16 Voordeel: Onkruid en ongedierte gaan dood. Nadeel: Het is tijdelijk schadelijk voor het milieu. 17 Bij hoge temperaturen bederft voedsel eerder.

© Noordhoff Uitgevers bv

6

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

18
N E I R E T C A B B T N E N D N S E D L O H T E R J D N I R G N C G H K E I M T Z R T I T I C E V Z C A B W L R N P I L R A N E A T E E E S L B E D T S I T S I M D V R S O E W A T J U E I U E N N I W R O R G C D E V O E B H F I M I L I E U C

De overblijvende letters vormen het woord bestrijdingsmiddelen.

3.3 Test jezelf 1 a Bij voedselbereiding treden vaak reacties op. Bij voedselbederf ontstaan schadelijke stoffen. b Kleuren veranderen door inwerking van bleekmiddel en zonlicht. c Beton wordt hard door de reactie tussen cement, water en lucht. Bestrijdingsmiddelen doden onkruid en ongedierte. Ontsmettingsmiddelen doden schimmels en bacteriën. Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Het bruin worden onder een zonnebank. b Het verkleuren van papier door UV-licht. c Het oplossen van kleurstoffen in heet water. d Het bruin worden van geschilde appels. a b c d e kalk, zand en water het mengen van de grondstoffen Er ontstaat een nieuwe stof. De specie maakt de stenen aan elkaar vast. Beton wat nog niet hard is, bevat het meeste water.

2

3

4

In een meer zitten meer bacteriën. Bacteriën kunnen je ziek maken. Daarom word je eerder ziek als je in een meer zwemt. gipspoeder + water gips

5

© Noordhoff Uitgevers bv

7

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

3.4 Onderzoek naar stoffen 2 3 D Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a water zuurstof + waterstof b zuurstof + water waterstofperoxide c koperchloride koper + chloor d waterstofperoxide water + zuurstof e rauwe aardappel gare aardappel f gare aardappel zwarte stof + stinkend gas

4

Het zwartgemaakte hokje geeft aan dat de bewering waar is (hokje groen gekleurd). Het open hokje geeft aan dat de bewering fout is (hokje rood gekleurd). Bij elke reactie ontstaat er meer dan één reactieproduct. Bij elke ontledingsreactie ontstaat er meer dan één reactieproduct. Een ontledingsreactie heeft altijd één beginstof. Alle stoffen zijn te ontleden. a b c d toestel van Hoffman om het water geleidend te maken waterstof en zuurstof waterstof

5

6

a thermolyse b waterstof en zuurstof thermolyse elektrolyse fotolyse ontleding door warmte ontleding door licht ontleding door elektriciteit

7

8 9

nikkel en chloor Het zwartgemaakte hokje geeft aan dat de gebeurtenis een thermolyse is (hokje groen gekleurd). Het open hokje geeft aan dat de gebeurtenis geen thermolyse is (hokje rood gekleurd). Het indampen van een zoutoplossing. Het verschroeien van haar. Het koken van aardappelen. Het aanbranden van aardappelen. Het smelten van ijs. Het verbleken van kleuren bij wassen.

10 Het stuur hangt in een bad met een oplossing van chroomchloride. Op de oplossing van chroomchloride wordt electrolyse toegepast waarbij het stuur de negatieve elektrode is. © Noordhoff Uitgevers bv 8

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

11 a waterstof b 1 Je vangt het gas op in een lege reageerbuis. 2 Je zorgt ervoor dat het gas niet ontsnapt. 3 Je steekt het gas aan. 12 C 13 a Met een teststrookje. b De mens heeft 5 liter bloed. Dat is 5 kg, of te wel 5000 g. In bloed mag 0,1% glucose voorkomen. 0,1% van 5000 g is 5 gram c D 14 wat je doet Je houdt een gloeiend houtje in een reageerbuis. waarneming Het houtje gaat branden. stof

zuurstof

Je houdt een vlammetje bij de reageerbuis met het gas. Zoutzuur bij de stof doen.
Je doet een teststrookje in urine.

Je hoort een knal.

waterstof

Er ontstaat een gas.

kalk glucose

Er treedt een verkleuring op.

3.4 Test jezelf 1 a Bij ontledingsreacties ontstaan uit één beginstof twee of meer reactieproducten. b Je kunt stoffen ontleden door thermolyse, elektrolyse en fotolyse. c Stoffen in bloed en urine kun je aantonen met teststrookjes. Waterstof kun je aantonen door het aan te steken. Je hoort dan een knalletje. Zuurstof kun je aantonen met een gloeiend stukje hout. Het houtje gaat branden. Kalk is aan te tonen met zoutzuur. Er ontstaan dan een gas.

© Noordhoff Uitgevers bv

9

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

2

a-c

d Het water in de middelste buis stijgt. e Door zuurstof in een buis op te vangen en er een gloeiende houtspaander in te doen. De gloeiende houtspaander vlamt dan op. f Er ontstaat dan in beide buizen een mengsel van waterstof en zuurstof. 3 4 beginstof reactieproduct(en) waterstof + zuurstof ijzer + chloor koolstof + brandbaar gas gele krant te ontleden door Zij heeft hiermee waterstof aangetoond.

water ijzerchloride oplossing
suiker witte krant 3.5 Bouw van stoffen 2

electrolyse electrolyse thermolyse fotolyse

© Noordhoff Uitgevers bv

10

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

3

calcium goud koolstof waterstof broom tin stikstof fluor K Ne I Fe Hg Mg O Pb A a nee b ja c ja

= = = = = = = = = = = = = = = =

Ca Au C H Br Sn N F kalium neon jood ijzer kwik magnesium zuurstof lood

4

5 6

7

Het zwartgemaakte hokje geeft aan dat de stof een nietontleedbare stof is (hokje groen gekleurd). Het open hokje geeft aan dat de stof ontleedbaar is (hokje rood gekleurd). waterdamp waterstof zuurstof koperoxide goud Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Een ontleedbare stof heet een verbinding. b Nikkelchloride is een verbinding van nikkel en chloor. c Elke verbinding kun je weergeven met een kommaformule. d De kommaformule van water is H,O. a b c d een verbinding van koper en chloor water een verbinding van koolstof, zuurstof en waterstof een verbinding van kalium, aluminium, zwavel en zuurstof Cu, Cl H,O C,H,O K,Al,S,O

8

9

10 Mg,O 11 Ni + Br is een mengsel van nikkel en broom. Nikkelbromide is een verbinding. Een verbinding noteer je met een kommaformule.

© Noordhoff Uitgevers bv

11

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

12 water koperchloride waterstofchloride magnesiumoxide kaliumjodide K,I Cu,Cl Mg,O H,O H,Cl

13 Stap 1: Schrijf de beginstoffen en de reactieproducten op.

beginstof: koperchloride - reactieproducten: koper en chloor
Stap 2: Schrijf het reactieschema op in woorden.

koperchloride

koper + chloor

Stap 3: Zoek de symbolen op van elke stof die in het reactieschema voorkomt.

Cu, Cl Cu,Cl

Cu en Cl Cu + Cl

Stap 4: Schrijf nu het reactieschema op in symbolen.

Stap 5: Controleer of elk symbool vóór de pijl ook na de pijl voorkomt.

klopt
14 Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5 beginstoffen: ijzer, water en zuurstof reactieproduct: roest ijzer + water + zuurstof roest Fe H,O O Fe,H,O Fe + H,O + O Fe,H,O klopt

15 Cu + Cl Cu,Cl Al,O Al + O C,H + O H,O + C,O 16 Al,Cl Al + Cl C,H,O H,O + C,H H + Cl H,Cl C,H,O C,H,O + C,O 17 Het zwartgemaakte hokje geeft aan dat het reactieschema juist is (hokje groen gekleurd). Het open hokje geeft aan dat het reactieschema niet juist is (hokje rood gekleurd). Ca,C,O Ca + O C,H,O + O C,O + H,O Fe,S,O Fe + O

© Noordhoff Uitgevers bv

12

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

3.5 Test jezelf 1 a Alle niet-ontleedbare stoffen kun je weergeven met één symbool. b Met een kommaformule geef je aan uit welke nietontleedbare stoffen een verbinding is opgebouwd. c Je schrijft een reactieschema in symbolen als je de stoffen in het reactieschema in woorden vervangt door symbolen of kommaformules. H C Cl N Mg = waterstof = koolstof = chloor = stikstof = magnesium Pb O Br Pb Fe = lood = zuurstof = broom = lood = ijzer

2

3 naam formule 4 Stap1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5 5 koolstofdioxide C,O water H,O alcohol C,H,O suiker C,H,O

beginstoffen: kalium en chloor reactieproduct: kaliumchloride kalium + chloor kaliumchloride K Cl K,Cl K + Cl K,Cl Voor en na de pijl klopt het.

a Ag + O Ag,O b Mg,O Mg + O c C,H,O C+H+O

Examentraining 1 2 3 A Ca,O 1 beginstoffen: kalium + zuurstof – reactieproduct: kaliumoxide 2 kalium + zuurstof kaliumoxide 3K O K,O 4K+O K,O 5 Aan beide zijden van de pijl staan dezelfde elementen. B Al,O Al,O B Al + O

4 5 6 7

© Noordhoff Uitgevers bv

13

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 3

8 9

A B

10 A 11 1 2 3 4 koolstof + zuurstof koolstofdioxide C O C,O C+O C,O Aan beide zijden van de pijl staan dezelfde elementen.

12 1 beginstoffen: water en koolstofdioxide reactieproducten: glucose en zuurstof 2 water + koolstofdioxide glucose + zuurstof 3 H,O C,O C,H,O O 4 H,O + C,O C,H,O + O 5 Aan beide zijden van de pijl staan dezelfde elementen. 13 C 14 C 15 B 16 B 17 C 18 1 beginstoffen: waterstof en roest reactieproducten: ijzer en water 2 waterstof + roest ijzer + water 3 H Fe,O Fe H,O 4 H + Fe,O Fe + H,O 5 Aan beide zijden van de pijl staan dezelfde elementen.

© Noordhoff Uitgevers bv

14

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful