1 Sociologie en de moderne samenleving 1 sociologie: eerste kennismaking

vele terreinen: arbeid-economie-onderwijs- huwelijk-seksualititeit-politiek enz. Sociologen maken gebruik van verschillende denkkaders, theorieën en invalshoek en hanteren verschillende werkwijzen

Hoofdvragen van de sociologie:
1. 2. 3. orde of cohesievraagstuk: wat houdt de samenleving bijeen, hoe komt orde tot stand ongelijkheidsvraagstuk: hoe worden schaarse zaken/voorrechten verdeeld, welke gevolgen heeft dit voor de onderlinge verhoudingen tussen groepen in de samenleving Identiteitsvraagstuk: hoe beïnvloeden maatschappelijke verhoudingen het zelfbeeld en het zelfbesef (identiteit) van groepen en individuen

2. Modernisering
Overgang van traditionele standensamenleving naar moderne samenleving Modernisering: technische veranderingen, verstedelijking, wetenschapsontwikkeling - ontstaan van moderne staten met staatsbureaucratieën. - Sociale voorzieningen ⇒ onderwijs – gezondheid- sociale zekerheid Terugdringen van de betekenis van godsdienst - - Opkomst van verzakelijkte relaties tussen mensen door geldeconomie - Verwerving van meer individuele zelfstandigheid – keuzevrijheid Staat/natievorming – bureaucratisering – democratisering – secularisering – rationalisatie-individualisering Problemen met het moderniseringsbegrip : - het laat zich gebruiken voor zeer uiteenlopende, soms tegenstrijdige interpretaties - sterke ideologische associatie met geloof in de vooruitgang

2.1 Modernisering in sociologisch perspectief
Sociologie: wetenschap die het samenleven van mensen in grotere/kleinere sociale verbanden bestudeert Goudsblom: studie van de manieren waarop mensen de problemen van het samenleven kunnen oplossen - sociale problemen: armoede, criminaliteit, machtsmisbruik, werkloosheid, enz. instituties: regels en bijpassende arrangementen: wie hoort bij wie, wie is de baas, wie doet wat en - wie krijgt wat
Complex van geschreven en ongeschreven regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond een bepaald facet van het sociale leven reguleren Modernisering kan vanuit sociologisch perspectief beschouwd worden als het maatschappelijk veranderingsproces waarbij instituties tot stand zijn gekomen die kenmerkend zijn voor de moderne samenleving 1. de opkomst van nationale staten: nieuwe sociale en politieke instellingen. Bv. parlementaire democratie, moderne staatsbureaucratie, sociale voorzieningen. 2. opkomst van de markteconomie, gebaseerd op geld en streven naar kapitaalsaccumulatie; grondslag voor industrieel productiesysteem en arbeidsbestel 3. verbreiding van verstedelijkt samenlevingspatroon, scheiding tussen publieke en private sfeer 4. afbrokkeling van traditionele religieuze wereldbeeld, opkomst van een seculier cultuur met belangrijke plaats voor de wetenschap Samenleving: banden tussen burgers binnen een staat → staat is het juridisch- organisatorisch kader. Modernisering verwijst ten 1ste naar lange termijn veranderingsproces → macrosociologisch perspectief – wel invloed op persoonlijke leefwereld

2.2 Hoofddimensie van het moderniseringsproces: differentiatie, commodificatie en rationalisatie
differentiatie: splitsing van een oorspronkelijke homogeen geheel in delen met een eigen karakter, samenstelling en functie ⇒ taakdifferentiatie; toewijzing van specifieke taken en functies/arbeidsverdeling ⇒ systeemdifferentiatie: verzelfstandiging en aan aparte sociale structuren koppeling van voorheen binnen een samenleving gecombineerde functies. Bv. het ontstaan van organisaties als scholen en ziekenhuizen. - Commodificatie (marx): menselijke activiteiten en de resultaten daarvan worden meer dan voorheen afgemeten aan het geld dat ze opbrengen. - Rationalisatie (Weber-Simmel): ordening en systematisering van de werkelijkheid om deze voorspelbaar en beheersbaar te maken. Denken en handelen wordt steeds meer onderworpen aan berekening – beredenering en beheersing - Secularisering: vermindering van belang van religieuze factoren in maatschappelijk leven - Opkomst van moderne wetenschappen ( niet meer gericht op bevestiging van kerkelijke dogma’s)
-

2.3 Modernisering en de toekomst van de moderne samenleving
Besef van schaduwzijden van de wetenschappelijke en technische vooruitgang - nationale staat verliest souvereiniteit door internationalisering - crisisverschijnselen in verzorgingsstaat - grootstad lijkt functie als centrum van maatschappelijke dynamiek te verliezen Dit alles leidt tot de Postmoderne Samenleving

3 Sociologie, samenlevingsproblemen en hoofdvragen
Hoofdvragen sociologie ( orde – ongelijkheid – identiteit) vertonen duidelijke verwantschap met samenlevingsproblemen

4 Cohesie, identiteit, ongelijkheid en de Amsterdamse brommerkoeriers
microwereld ( brommerkoeriers) kan niet los staan van macrowereld en bredere samenlevingsverbanden

4.1Sociale cohesie en structuur
Microwereld met onderlinge relaties die via tamelijk vaste patronen verliepen, en eigen regels Hechtheid van onderlinge banden blijkt uit bestaand gewoonten, conformeren van nieuwkomers Sociale structuur: betrekkelijk duurzame en geordende relaties tussen onderdelen van samenlevingsverband waardoor deze aan elkaar gebonden zijn tot één samenlevingsverband Sociale positie: plaats die wordt ingenomen in een veld van sociale interacties Sociale rol: verwachtingen en voorschriften behorend bij een bepaalde positie Internalisering: het zich eigen maken van regels zodat ze niet meer als van buitenaf komend beschouwd worden Sociale controle: methoden die men gebruikt om elkaar aan de regels te laten houden dmv bv spot, informele afkeuring, straf dwangmaatregelen Cohesie: door saamhorigheidsbesef en onderlinge afhankelijkheid Sociaal systeem: alle onderdelen van het samenlevingsverband zijn functioneel met elkaar verbonden Functiebegrip: uitwerking van een sociaal verschijnsel op andere sociale verschijnselen

4.2 Identiteit en cultuur
Identiteit (Frijhoff) wijze waarop een groep zichzelf ziet en waarop anderen die groep als uniek onderscheiden → zelfbeeld van de groep → beeld dat de buitenstaanders op de groep projecteren, vaak met stereotype trekjes Persoonlijke identiteit nauw verbonden met collectieve identiteit Collectieve identiteit: ook veel gemeenschappelijk met andere subculturen Cultuur: het geheel van veronderstellingen, opvattingen, waarden en normen en de materiele uitdrukking ervan die in samenleving/groep gedeeld en overgeleverd worden.

Kern van Cultuur: basisveronderstellingen over menselijke natuur en het universum
Immaterieel: Waarden: keuze van groep/samenleving mbt doeleinden of gedragspatronen die zij nastrevenswaardig vinden Normen: waarden vertaald in concrete gedragsregels en voorschriften → geboden-verboden Materieel: Gebouwen, taal, voeding, kunst gebruiksvoorwerpen → kunnen iets zeggen over normen en waarden

4.3 Sociale ongelijkheid en macht
Sociale ongelijkheid: verschillen tussen individuen en groepen die tot gevolg hebben gunstiger-ongunstiger levensomstandigheden Door: ongelijke verdeling van zaken die als waardevol beschouwd worden bv inkomen, sociaal prestige en macht, kennis ongelijke verdeling van rechten en plichten Objectief: ongelijke levensomstandigheden Subjectief : sociale hiërarchie Sociale mobiliteit: doorstroming tussen verschillende niveau’s van sociale hiërarchie
Onderzoek welke sociale processen en mechanismen ongelijkheden voortbrengen/ongedaan maken Machtsbegrip: vermogen van personen/groepen om gedrag van anderen te beïnvloeden Machtsbronnen: productiemiddelen, kennis, ideologie Ongelijkheid door sociaal prestige – prestigehiërarchie ( ook verschil ♀ en ♂ )

4.4 Relatieve autonomie en sociale verandering
Relatieve autonomie ( van sociale verschijnselen of samenlevingsverbanden) eigen rollen – posities – normen/waarden – taal – gewoonten, regels en rituelen Sociale verandering: veranderingen in structuur en cultuur van een samenlevingsverband Tussen micro en macroniveau bestaan talrijke relaties

Ontwikkeling sociologie door grote maatschappelijke en ideologische veranderingen 18e en 19e eeuw Later opsplitsing economie, geografie, politicologie en sociologie

5 Hoofdvragen van de sociologie en het proces van modernisering
5.1 Het vraagstuk van de sociale cohesie
Bij alle veranderingen zorg over sociale desintegratie - uiteenvallen van de samenleving, verscheurd door conflicten bv. revoluties – klasseconflicten agv groeiende sociale ongelijkheid individualiseringsproces: verandering van sociale relaties, meer zelfstandigheid en keuzevrijheid. - ( verzwakking van traditionele familie-gemeenschap – religieuze banden) verdwijnen van solidariteit

5.2 het vraagstuk van sociale ongelijkheid
Wat houdt de samenleving bijeen - wederzijdse afhankelijkheid - dwang - gedeelde normen/waarden en het daarmee verbonden saamhorigheidsbesef Sociale stratificatie: samenleving opgebouwd uit afgebakende sociale lagen. Sociale mobiliteit meer binnen dan tussen de sociale lagen

2 tegengesteld visies op de aard van de sociale ongelijkheid
Theorie van de industriële prestatiemaatschappij Samenleving met posities gebaseerd op prestaties→ maakt de samenleving meer open → de juiste persoon komt op de juiste plaats terecht Theorie van de klassenmaatschappij ( openheid van de samenlevingsillusie) Nieuwe scheidslijnen, niet formeel op afkomst – geboorterecht , wel ‘sociaal erfelijk’. Prestaties tellen minder dan bezit van hulpbronnen als bezit, geld, opleiding en connecties

5.3 Het vraagstuk der identiteit
Identiteit – identiteitscrisis: door snelle, complexe, verwarrende veranderingen in de samenleving Vroeger identiteit obv familie – stand. Nu: Nationalisme: identiteit obv nationaliteit Proletariërs: identiteit obv gemeenschappelijke ondergeschikte positie in moderne arbeidsbestel Individualiseringsonderzoek→ welke invloed hebben verandering op zelfbeeld

Hoofdstuk 2 Van standenmaatschappij naar moderne samenleving
1 De standenmaatschappij ( 1500 – 1800)
Stand: sociale groepering met formeel juridisch erkende status met eigen voorrechten/plichten Ascription: maatschappelijke positie in hoge mate bepaald door geboorte; sociale mobiliteit bijna onmogelijk

Adel ⇔ boeren: sterk verbonden door wederzijdse afhankelijkheid. Adel → bescherming. Boeren → voedsel Geestelijken waren de dragers van de kennis

1.1 1.1

een agrarische samenleving

Bevolking woonde op platteland, werkte in de landbouw. Inkomen uit bezit van land en werk op het land

1.2 Het feodaal stelsel
Sociale ongelijkheid door het wel of niet bezitten van grond Koning had formeel de macht, gaf grond aan leenheren in ruil voor trouw-steun bv. in geval van oorlog. Boer bewerkte het land in ruil voor bescherming

1.3 De macht van de kerk
Maatschappelijke orde was door God gegeven → dus onaantastbaar Kerk – absoluut gezag op het hele terrein van het geestelijke inclusief de moraal → invloed op het alledaagse leven – beeld van samenleving was statisch Collectiviteit had voorrang op individu, sociale verband bepaalde de identiteit Taak van de wetenschap was beperkt : telkens opnieuw bevestigen van kerkelijke dogma’s . Wetenschap was niet gebaseerd op het gebruik van rede, logica en empirische bewijsvoering

1.4 Tekenen van verandering in de standensamenleving
• • • •

• 2 2

Commercialisering van landbouw – introductie van plattelandsnijverheid- langzaam loswerken van agrarische basis – meer afhankelijkheid van nijverheid/handel. Urbanisering: ontstaan van nieuwe steden – permanente handelscentra-onregelmatige/onzekere relatie tot de feodale wereld Gilden: aan banden leggen van onderlinge concurrentie→ ontstaan van 3e stand : de burgerij Proces van statenvorming: vestiging van gewelds en belastingmonopolie over grotere gebieden met rechtsregels ⇒ hierdoor ontstond infrastructuur die verdere economische ontwikkeling mogelijk maakte Centralisatie: vorst kreeg bij streven naar centralisatie steun van de burgerij, die steun van de vorst nodig had bij het streven naar onafhankelijkheid van de adel en de geestelijken De moderne samenleving in wording

3 3 Sociale veranderingen op korte termijn: de revoluties
Aantal samenhangende ontwikkelingen die elkaar beïnvloed hebben – wisselwerking Revoluties: zowel plotselinge (agressieve) als langdurige (vreedzame) omwentelingen

3.1 3.1

De opkomst van het kapitalisme en de industriële revolutie

Kapitalisme: productie van goederen / diensten te ruilen tegen geld. Begin bij verhandeling van agrarische producten in steden. Industriële revolutie ( 1760-1900) omwenteling op economisch en sociaal gebied door ontwikkeling van een ander productieproces, niet langer afhankelijk van energie van mens en dier, maar van stoomkracht ( later gas/electriciteit) door: - Technologische vernieuwingen - Verworvenheden van de zich ontwikkelende natuurwetenschap Ontstaan van moderne industrie: ondernemingsgewijze productie in fabrieken met arbeiders om voor de markt te produceren: Arbeid vaak opgesplitst in kleine onderdelen. Toename van productiviteit – lage prijzenongeschoolde arbeiders

Explosieve bevolkingstoename: mogelijk door:
stijging in de productiviteit in de landbouw mede door agrarische revolutie meer productie met minder arbeidskracht → meer arbeiders voor industrie→ massale trek naar de stad → verlies van solidariteit- stijging van individuele kansen in de maatschappij. Ascription maakte plaats voor achievement.

3.2 3.2
-

De opkomt van de democratie en de Franse revolutie

De verlichting: onvrede met de standenmaatschappij en het absolutisme Rechten van de mens: 1789 Parijs, de bestorming van de Bastille → verlies van privileges van de adel → wetten voor iedereen geldig Betrokkenheid van grotere groepen bij de politieke besluitvorming

4 4 Sociale veranderingen op lange termijn 4.1Functionele differentiatie: splitsing van een oorspronkelijk homogeen geheel in delen
met een eigen karakter en samenstelling en met een eigen functie tov dat geheel → personen, groepen, instituties en structuur Taakdifferentiatie: arbeidsverdeling bv. man-vrouw of boeren-handelaren-bakkers - - Systeemdifferentiatie: verzelfstandiging/differentiatie van structuren en instituties De kerk speelde een centrale rol → later zelfstandig onderwijs, gezondheidszorg, gezagshandhaving - Integratie; door steeds verfijndere maatschappelijk taak en functie verdeling steeds groter onderlinge afhankelijkheid. Personen/ groepen werden opgenomen in steeds groter sociale verbanden Economische – politieke of culturele integratie, naar geland de aard van de verbondenheid Integratieniveau’s: lokaal – nationaal – internationaal Door functionele differentiatie geleidelijke ondergraving van de stabiele, weinig complexe standenmaatschappij

4.2 Commodificatie: gedaanteverandering van menselijke activiteiten en de resultaten daarvan oiv economische processen (geldelijke waarde) Ruilwaarde – marktwerking
Vanaf de 17e eeuw institutionalisering van geld ( unificatie van monetaire stelsel, kredietsystemen, financieringen van ondernemingen) Geld wordt een universeel ruilmiddel Commodificatie: mechanismen en ontwikkelingen die steeds meer aspecten van het menselijk bestaan voorwerp maken van marktruil en de gevolgen hiervan voor de relaties tussen mensen. Verzakelijking van verhouding werkgever-werknemer: geld, arbeidscontract enz.

4.3 Rationalisatie
Ordenen en systematisering van de werkelijkheid om deze voorspelbaar en beheersbaar te maken. Denken en handelen wordt steeds meer onderworpen aan berekening, beredenering en beheersing Vertrouwen op verstand ipv tradities en dogma’s Secularisering: vermindering van het belang van religieuze factoren voor het maatschappelijk leven. Proces van rationalisatie is het gevolg van een langdurende ontwikkeling Bureaucratisering; ontwikkeling van formele regels en op beheersing gericht organisatiestructuren. Toenemende individualisering

5 De visie van Alexis de Toqueville op modernisering: kritisch commentaar
Belangrijkste kenmerk van de democratische samenleving: tendens in de richting van groter gelijkheid Schaduwzijden volgens Toqueville: - geïsoleerd leven van mensen - te veel waarde aan materiële bevrediging - gespannen relatie tussen gelijkheid en vrijheid ⇒ gevaar voor tirannie van de meerderheid ⇒ drang tot centralisatie (= aantasting van de individuele vrijheid) Oplossing volgens Toqueville:

cultuur Verschillende typen van samenlevingen: republiek – despotisme – monarchie Ideale samenlevingsmodel is afhankelijk van specifiek constellatie van fysiek-sociale factoren. maatschappelijke rijkdom wordt daardoor vergroot – extra productie. Adam Smith: toont maatschappelijke kracht van het menselijke egoïsme → liberalisme Ferguson: ontstaan van burgerlijke samenleving is spontaan.Vorming van intermediaire organisaties – maatschappelijk middenveld Toqueville heeft oog voor zowel positieve als negatieve kanten van modernisering Hoofdstuk 3 Het ontstaan van de maatschappijwetenschappen Ontwikkeling van sociologie door 2 waarneembare processen . Maar brengt ook ongelijkheid mee.2 De Franse filosofen Rationele kennis is superieur aan onwetendheid. zintuiglijke waarneembare werkelijkheid • Reformatie (16e eeuw) nadruk op individu en zijn mogelijkheden Calvinisme ⇒ rationele zelfbeheersing. spaarzaamheid. filosofisch. Menselijke samenleving is het product van menselijk handelen binnen gegeven omstandigheden. Later herziening. oplossing van sociale problemen dmv actie gebaseerd op kritisch onderzoek.1De schotse moraalfilosofen Schotse verlichting – economisch. staat functioneerde binnen een maatschappij ( mengen met sociale relaties en instituties) 2e stap: geloof in de wetenschap als middel om kennis te verwerven over de samenleving 3e stap: taak van wetenschap ⇒ achterhalen van wetmatigheden van de samenleving. Breuk met traditie – poging daarvoor iets nieuws in de plaats te zetten 1ste stap in gewijzigd denken : ontdekking van een sociale werkelijkheid.vele verandering met grote invloed op het alledaagse leven andere wijze van denken over de samenleving . sociaal. Kritiek op de contracttheorie: Samenleving is wel het resultaat van menselijk handelen maar niet van doelbewust handelen gericht op het creëren van de samenleving Ferguson: sociale verschijnselen zijn het gevolg van menselijk handelen niet van menselijk ontwerp. Verworven inzichten gebruiken voor maatschappelijke verandering – verbetering ⇒ maakbare samenleving 1. psychologisch. historisch. Arbeidsverdeling is noodzakelijk gevolg van menselijke natuur. Min of meer wetmatige samenhang tussen sociale verschijnselen. niet door gebed of vertrouwen Invloed van verlichtingsdenken Montesquieu: vroegste voorbeeld van maatschappij theorie. Onderscheiding van staat en samenleving. Radicaal modern Belang van schotse moraalfilosofen → weerwerk op heersende sociale denken gebaseerd op de contracttheorie van Hobbes: om constante bedreiging en onveiligheid in te perken moeten mensen een deel van hun gezag afstaan aan een centraal gezag. calculatie • Verlichting ( 17e-18e eeuw) opruimen van duister bijgeloof en vooroordeel. Verschillende soorten samenlevingen door verschillende omstandigheden → fysiek. Streven naar verbetering van de eigen situatie – fundamentele menselijke drijfveer Sociale verschijnselen vloeien (onbedoeld ) hieruit voort. discipline. religieuze onderwerpen. 1. Zijn vergelijkende aanpak is opmerkelijk Jean-Jaques Rousseau: sociale filosofie is sterk doortrokken van maatschappijkritiek Mens is in zijn huidige levensomstandigheden vervreemd van de oorspronkelijk natuurtoestand De sociale werkelijkheid is maakbaar.- 1 Het gewijzigde denken over de samenleving in de 18e eeuw gewijzigd denken: proces sterk beïnvloed door • Renaissance ( onttovering 15e-16e eeuw): aandacht voor empirie. ongepland proces. Samenleving: contract tussen vrije mensen. gedwongen samenleven in afhankelijkheid gaat tegen het eigenlijke .

2 groepen: productieven: direct of indirect betrokken bij de productie onproductieven: bv koningen. ministers.1 Saint – Simon: industrialisme – nieuw tijdperk. Quetelet (moraalstatisticus) – normaalverdeling . Positieve stadium: verschijnselen verklaren door andere verschijnselen.wezen in. voortvloeiend uit de algemene wil ( volonté général) ⇒ dit is meer dan de wil van alle mensen samen. Wet van drie stadia: ontwikkeling van menselijk denken verloopt via 3 stadia .3 Het sociaal onderzoek Systematische verzameling en bewerking van gegevens over de samenleving 18e –19e eeuw: toenemend belang van empirisch onderzoek mbt samenleving door: . Wet van drie stadia biedt de basis voor rangorde van wetenschappen. sterfte Informatie om publieke opinie te beïnvloeden en effectief maatregelen te kunnen nemen Eerst alleen gegevensverzameling voor staat en kerk.tussen verschijnselen en die proberen te formuleren in weten. Verbetering van maatschappij door orde en vooruitgang. technologische en culturele ontwikkeling. bisschoppen.metafysische stadium → vervanging van bovennatuurlijke verklaringen door abstracte begrippen zodat ziel/rede als verklaringsgrond overblijft. Heden is het stadium van ontwikkelingsproces van de samenleving → basis voor het evolutionisme Grenzen tussen stadia gevormd door opmerkelijke vooruitgang in kennis Groei van kennis stimuleert economische. Voor iedereen geldende normatieve principes voortvloeiend uit gemeenschappelijke belangen. Verlies van dwangkarakter. overwinning van het bijgeloof → bijgeloof is de grootste belemmering van wetenschapsontwikkeling Vermogen zichzelf en zijn levenssituatie te verbeteren is ongelimiteerd 1. geleid door bekwamen op dat gebied.. Theorieën kunnen onderbouwd worden met empirische gegevens.theologisch stadium → verklaring voor verschijnselen in bovennatuurlijke krachten . Sociaal contract: onderwerping aan regels afgeleid uit algemeen belang Verschill Hobbes – Rousseau: staatsmacht (dwang) ⇔ algemene wil Conflict ⇔ consensus ( Comte en Durkheim – conflict ( Spencer en Marx) Condorcet → natuurwetenschappelijk geörienteerd maatschappijtheorie Theorie van de onvermijdelijke vooruitgang van het mensdom.toenemende complexiteit van de samenleving – noodzaak voor overheid om te beschikken over betrouwbare informatie dmv empirisch sociaal onderzoek. alleen nog bestuur over zaken Prestatieprincipe: gelijkheid kan niet bestaan Meritocratie: positie in samenleving obv capaciteiten – prestaties Positivisme: filosofie gebaseerd op waarneembare feiten – sterk geloof in de vooruitgang van de mensheid in de richting van een positieve.Sociale vraagstuk: woon-leef-werk omstandigheden. Sociaal onderzoek: onderzoek van feiten in de samenleving kan bijdragen tot het begrijpen van die samenleving 2 De predisciplinaire maatschappijwetenschap in de 19e eeuw Predisciplinair: sociologie nog niet gevestigd als discipline met eigen specifieke arrangementen 2. Nieuwe synthese van menselijke kennis → theoretische wetenschap van samenleving was een eerste vereiste hiervoor. praktijkgerichte wereldbeschouwing. Bij verschillen tussen mensen zegeviert het recht van de sterkste→ alleenheerschappij in absolutistische staat met onmondige onderdanen Rousseau⇒ samenleving waar natuurlijke verbondenheid tussen mensen bestaat. later verwetenschappelijking Maatschappelijk leven blijkt orde te vertonen. armoede. geen heerschappij meer over mensen. kunnen zonder bezwaar gemist worden: zijn echter de bovenste laag van de standenmaatschappij Nieuwe samenleving is gebaseerd op wetenschap en industrie. indeling op beginsel van afnemende algemeenheid en toenemende ingewikkeldheid: Wiskunde-astronomie-fysica-chemie-biologie-sociologie . nieuwe sociale orde.2 Comte: uitwerking van SS ideeën tot een consistent en omvattend systeem Hoe kan een verscheurde maatschappij weer op orde gebracht worden. Zoeken naar relaties . Hervorming en vooruitgang moeten geleidelijk bewerkstelligd worden ( geen revoluties) - 2.

Staat heeft een dienstverlenende functie De samenleving als systeem én als aggregaat van individuen. gevarieerde onafhankelijke instituties en geloofsovertuigingen. individu is de belangrijkste sociale eenheid. nadruk op noodzaak morele consensus B S ⇒ sterk individualistisch ingesteld. samenwerking tussen het geheel en de delen Spencer is tegen ingrijpen van staat in economisch en sociaal leven ( laissez-faire) Combinatie ‘laissez-faire’ in economie met evolutionistische theorie over sociale ongelijkheid.4 De theorie van de industriële samenleving 1e aankondiging van een nieuw type samenleving. Sociologie (Comte) ⇒ doorgronden en formuleren van wetten die de sociale werkelijkheid beheersen mbt maatschappelijke orde ( sociale statica: gedetailleerde uitwerking van de wet van de drie . Later kreeg Comtes ideaal van maatschappelijke orde en integratie religieuze trekken 2. Contract en vrij markt gelden als reguleringsmechanismen. verplichte sociale samenwerking industriële maatschappij: meer complex en structureel gedifferentieerd. sociale ongelijkheid door verschil in prestaties - Verschillen Britse en Franse variant theorie industriële samenleving Integratie – samenhang F: SS/C ⇒ onderkenning van het gevaar van desintegratie.orde) complementaire processen die samen de sociologie vormen. opgebouwd uit individuen. dominantie van centrale . Samenhang door toenemende afhankelijkheid agv differentieatie F: actieve rol voor de staat. Proces van maatschappelijke veranderingen en reorganisatie moet gestuurd en begeleid worden door sociologen Comte: grondslag van iedere maatschappelijke orde ligt in een gemeenschappelijk stelsel van opvattingen en ideeën. voertuigen van vooruitgang meritocratie: posities obv capaciteiten en prestaties open karakter van samenleving. deze moet ingrijpen in het sociale en economische leven B: passieve rol voor staat.stadia) mbt maatschappelijke vooruitgang ( sociale dynamica: bestudeert de grondslagen van de sociale . Westerse samenleving bevind zich in de overgangsfase naar het positieve stadium.staat en een rigide statushiërarchie. Differentiatie: toename van structuur → toename differentiatie – toenemende integratie militaire maatschappij : geen complexe functionele differentiatie.Sociale wereld.3 Spencer Evolutionisme: samenlevingen en maatschappelijke instituties ontwikkelen zich vanuit eenvoudige naar steeds omgewikkelder vormen – survival of the fittest. is meer dan de som van deze individuen di in tegenstelling tot de verlichtingsdenkers: deze zoeken oplossingen inde elementen van de menselijke natuur en stellen het individu centraal. De overgang gaat gepaard met veel strijd en verwarring. natuurlijke selectie - 2. gebaseerd op wetenschap en techniek. laissez-faire principe .

Communisme: productiemiddelen zijn eigendom van iedereen. vervreemding mens – medemensen. Arbeid is plicht 3. vervreemding arbeider – arbeidsproces. economische basis bepaalt de maatschappelijke bovenbouw > geheel van idealen en ideeën. Scheiding – concurrentie 4. bezitters ⇔ bezitlozen Voorbeelden voor Marx: Engels → sociale vraagstuk Hegel – Feuerbach → dialectiek en materialisme Saint. vervreemding arbeider van zichzelf Klassentegenstelling beperkt zich niet tot economie. hij wordt daarmee ook een vreemde voor zichzelf.Hoofdstuk 4 Marx en de kapitalistische samenleving 1 Marx als criticus van zijn tijd Marx visie afwijkend van de theorie van de industriële samenleving.Materialisme ⇔ idealisme (hegel) →(ontwikkeling van geest )concrete feiten en materiële omstandigheden ⇔ ideaal of idee Dialectische methode ( manier van analyseren van de loop van de geschiedenis) . vervreemding arbeider – produkt. geen vervreemding Filosofische uitgangpunten in de visie van Marx . Produktiekrachten en produktieverhoudingen worden samen produktiewijze genoemd. Arbeider staat als vreemde to zijn eigen arbeid. Produktie voor de markt 2.Dialectiek→ elke situatie roept zijn eigen tegenkrachten op.Simon → revolutionaire actie: scherpe kritiek op bestaande maatschappelijke verhoudingen Engelse economen → ideeën basis voor arbeidswaardeleer Ideeën van Marx hebben een praktische en politieke doelstelling Kapitalistische samenleving is voorbijgaande fase. werkt door in alle instituties. neerslag in instituties als recht. Vervreemding op verschillende niveau’s 1. centraal staat de verhouding tussen 2 antagonistische klassen. Het kapitalisme eindigt door proletarische opstand → in eigen hand nemen van productiemiddelen. ondergaand aan economische tegenstrijdigheden en sociale conflicten 2 Marx visie op de moderne samenleving Klassentegenstelling tussen kapitalist en proletariër. godsdienst. Marx: motor van maatschappelijke verandering ligt in spanningsverhouding tussen produktiekrachten ( deze ontwikkelen zich) en produktieverhoudingen ( deze verstarren) Spanningsverhouding → economisch proces van accumulatie en concentratie van kapitaal gevolgd door crises en Verelendung van het proletariaat. berustend op economische basis.Historisch materialisme : voortgang van geschiedenis → ontwikkeling warbij concrete maatschappelijke verhoudingen zich wijzingen oiv veranderingen in productieverhoudingen. . waarna een nieuwe situatie ontstaat waarin deze tegenstellingen zijn opgeheven Onderscheid dialectische en positivistische methode: DM: diepere samenhang tussen de verschijnselen PM: vaststelling van waarneembare feiten . het wel/niet bezitten van productiemiddelen Arbeidswaardeleer: uitbuiting als toeëigening van de meerwaarde⇒ polarisatie van klassen Vervreemding: arbeid is iets wat de arbeider niet toebehoort. politiek en cultuur Dominante klasse levert dus ook dominante ideeën Vals bewustzijn: arbeiders zijn zich niet bewust van mensonwaardige situatie→ noodzaak voor ontwikkeling van klassebewustzijn. Materiële.

verwetenschappelijking van productie Klassenprincipe..3 Vervreemding of mensonwaardige arbeid Kritiek op Blauner: vereenvoudiging van betekenis van vervreemding door conceptualisatie in subjectieve termen. gemanipuleerd worden ! ! zinloosheid: eigen daden hebben geen relatie met iets ! ! isolement: eigen waarden / motivaties staan geheel los van de maatschappij ! ! zelfvervreemding.sociale voorzieningen – opkomst van de verzorgingsstaat .stijgende lonen . blijft bestaan • arbeid die geen ontwikkeling van vakbekwaamheid toelaat • onbeheersbaarheid • gebrek aan inzicht in productieproces • geringe mate van verbondenheid met het product van de arbeid Gebrek aan beheersbaarheid en controle spelen een grote rol bij het ontstaan van stress Tegenwoordig discussie rond kwaliteit en humanisering van de arbeid Blauner: vervreemding: 4 dimensies: ! ! machteloosheid: geen invloed hebben. machines en organisatie doen dat ook Uitspraken over accumulatie en concentratie van kapitaal kloppen wel.3 Marx en de huidige sociologische agenda 3.arbeidstijdverkorting .2 Hardnekkige ongelijkheid Nu : Pluriforme klassenverhoudingen en verdergaande sociale nivellering .1De toekomstige ontwikkeling van het kapitalisme Arbeidswaardeleer is niet uitgekomen: arbeidskracht is niet langer de enige winstproducerende factor. beperking van eigen concept door technologische determinatie .meer onderwijskansen Uitblijven van voorspelde tweedeling door sterke uitbreiding van nieuwe middengroepen toenemende omvang en bureaucratisering . het grootst in auto en textielindustrie 3. daden hebben geen enkele waarden Vervreemding het geringst in drukkerij en procesindustrie.verbetering van arbeids en levenssituatie van arbeiders . huidige samenleving is minder ‘harde’ kapitalistische samenleving door sociale en politieke strijd Wel is de kloof tussen Noord en Zuid groter geworden 3. hoewel minder extreem.verschuiving naar dienstverlening .

verdeling van taken: ! ! kan leiden tot veel nastreven van eigenbelang → afbreuk van solidariteit ! ! ongelijke kansen door ‘afgedwongen’ (onterechte) arbeidsverdeling – minder cohesie Organische solidariteit moet altijd ingebed zijn in normatief kader dat grondslag vindt in collectief bewustzijn.welke nieuwe andersoortige bindmiddelen passen beter bij nieuwe sterk gedifferentieerde samenlevingen 1. 2 Zelfmoord 2..1 Zelfmoord als maatschappelijk probleem 2. Collectief bewustzijn → basis voor sociale samenhang.2 Durkheims zelfmoordtheorie Fluctuaties in zelfmoordcijfers niet te verklaren door: .economische condities ( snelle veranderingen zowel in opwaartse als neerwaartse richting) Durkheim: sociale feiten vormen een eigen werkelijkheid.. Het zelfmoordcijfer is een sociaal feit. hoe lager het zelfmoordcijfer • Altruistische zelfmoord: gedrevenheid tot zelfmoord door verstikkende sociale culturen • Egoistische zelfmoord: gedrevenheid tot zelfmoord door verminderde sociale cohesie Er is ook verband met de mate van regulering Anomie: als binnen een samenleving geldende normen niet goed in iemands persoonlijkheid zijn verankerd • Fatalistische zelfmoord: bij te sterke regulering • Anomische zelfmoord: bij afname regulering en toename anomie Zelfmoordcijfer ⇒ goede maatstaf voor maatschappelijk welbevinden .in moderne samenlevingen worden oude sociale bindmiddelen steeds onwerkzamer .kosmische invloeden .inwerking van het klimaat op het temperament .imitatietheorie Wel is er verband met: .Hoofdstuk 5 Maatschappijvisies in de klassieke academische sociologie Emile Durkheim Uitgangspunt bij de bestudering van de ontwikkeling van feodalisme naar kapitalisme: Sociale cohesie: wat hield/houdt de mensen bijeen⇒ solidariteit .het behoren tot bepaalde geloofsgenootschappen ( protestantisme ⇑ ) burgerlijke stand ( ongehuwden ⇑ ) . kenmerk van een collectiviteit Hoe steviger de sociale cohesie. maar oncontroleerbare. Mechanisch → automatisch produkt van grote gelijkheid • Nieuw: door differentiatie en specialisatie van functies. meer onafhankelijkheid → individualisering Organische solidariteit: samenbinding door complementariteit van steeds gespecialiseerder taken Organische solidariteit kan cohesie bevorderen ook als de mechanische solidariteit vermindert Anomische arbeidsverdeling: ver voortschrijdende.factor ras .1Mechanische solidariteit Oude bronnen van sociale solidariteit worden vervangen door nieuwe • oude: mechanische solidariteit. komt voort uit het feit dat mensen op elkaar lijken door geringe mate van arbeidsverdeling. losstaand van individuen en oefenen op individuele mensen een dwingende werking uit.

gesymboliseerd door bepaalde plant of dier → totem In elke maatschappij is er onderscheid tussen: .2 Onderzoek naar het Australisch totemisme Durkheim deed zelf geen onderzoek in Australie Clan: verwante groep mensen niet zozeer door bloedbanden.3 De anomietheorie van Merton Anomie (Merton) : niet echte normloosheid maar spanning die ontstaat als veel mensen ambities koesteren die ze niet kunnen verwezenlijken Conformisme: ondanks teleurstellingen zowel in doelen als middelen blijven geloven . de meest uitgekristaliseerde vorm onderzoekt. winst/verlies. Veel sociologen denken dat men in de meest recente verschijnselen. hiervoor moeten nieuwe sociale vormen worden ontwikkeld • 4.3 Functies van religie • Versterking van sociale cohesie Durkheim: in moderne samenlevingen zullen godsdiensten in verval raken/uitsterven Nieuwe sociale vormen zullen zich ontwikkelen die dezelfde functies vervullen als de religies collectieve hevige emoties ( bv over politie-sport enz. streven naar de hoogste opbrengst .Rebellie: afwijzing van doelen en middelen ⇒ nieuwe ervoor in de plaats stellen Middenklasse ⇒ ritualisme Onderste lagen ⇒ innovatie Verbinding van anomietheorie met sociale ongelijkheid→ crimineel/afwijkend gedrag is een sociaal verschijnsel 3 Godsdienst 3.Sacrale sfeer – oneconomisch handelen → gemotiveerd door vrees en eerbied Gevoelens en gedragingen to sacrale voorwerpen vormen de essentie van het verschijnsel religie Durkheim gaat uit van de echtheid van de godsdienstige beleving ( geen zinsbegoocheling). als gevolg van functionele differentiatie proces.Innovatie: ( meestal crimineel of afwijkend genoemd) doelen blijven aanhangen. doelen uit het hoofd zetten . 3.Profane sfeer – zakelijk / economisch handelen. onpersoonlijke. nieuwe middelen proberen .. wel door gemeenschapsgevoel.Terugtrekking: gedesillusioneerd het geloof in doelen en middelen verliezen . In de totem aanbidt de gelovige een anonieme. diffuse kracht → mana Bron van deze kracht is volgens Durkheim de samenleving zelf 3.Ritualisme: middelen blijven aanvaarden.1 De studie van het verschijnsel godsdienst Durkheim: alle essentiele elementen van het godsdienstige denken en leven moet kunnen worden teruggevonden in de meest primitieve religies Bezwaar tegen sociaal evolutionistische redenering → uiteenlopende ontwikkeling mogelijk op verschillende plaatsen.2. nadruk op functies die samenleving ontwikkelt om te kunnen voortbestaan D’’s nadruk op consensus is het duidelijkst herkenbaar in het werk van Parsons → Structureel functionalisme: grote betekenis cultureel systeem van inspirerende en motiverende waarden .) kunnen als samenbind element gaan werken Cognitieve functies > op diffuse en ondoorzichtige wijze helpen bij de orientatie van sociale ruimte Durkheim: cognitieve functies overdragen aan beter toegeruste wetenschappen > sociologie Wetenschap schiet tekort bij de versterking van sociale cohesie.De Durkheimiaanse inspiratie Centraal probleem: sociale cohesie in moderne samenlevingen > later uitgewerkt in het Amerikaans functionalisme en functioneel structuralisme Functionalisme: sociologische stroming die het functioneren van de samenleving als systeem wil verklaren.

Wesenwille : vanuit het diepste sociale wezen van de mens oprijzende wil om met anderen samen te gaan. krachtig gevoel van onderlinge saamhorigheid . emotionele neutraliteit Kalberg: 4 typen rationaliteit in Webers werk: Praktische rationaliteit: zo goed mogelijke behartiging van eigen belangen Theoretische rationaliteit: op abstracte manier nadenken over handelingen. systematisering.traditionele gezag obv tradities . begrijpen van subjectieve zin van handelingen Sociaal handelen classificeren in 4 categorieen obv type motivatie • doelrationeel handelen – welbewust. behartiging van eigenbelang 1.rationele gezag: obv regels en wetten . vastgelegd in de grondwet Driedeling van bases van legitieme macht → kans dat iemand zij wil kan doorzetten binnen een sociale betrekking wordt pas gezag als ondergeschikte dit als legitiem erkennen op 3 gronden . rationeel gedrag • waarderationeel handelen – rationeel gedrag betrokken op een bepaalde waarde of norm • affectief handelen – onbeheerst. berekenende keuze om samen te werken om bepaalde doelen te bereiken Overheerst in Gesellschaft verbanden → sterke economische bindingen. 2.2 Weber → Sociologie als wetenschap van het sociaal handelen Socioloog probeert de drijfveren van mensen te doorgronden. gemotiveerd door emoties handelen • traditioneel handelen – handelen geleid door tradities. .1 In de kunst Nauwkeuriger notatie van muzieknoten. eea ten koste van de spontaniteit. zonder dat dat tot daden hoeft te leiden Substantiële rationaliteit : verbindingen tussen handelingen en waardenstelsels Formele rationaliteit: het op een berekenende wijze afstemmen van de middelen op het gestelde doel.2 In de politiek de drie vormen van gezag Onttovering van het koningschap: beperking van macht. doelgericht. Soortgelijke ontwikkelingen in architectuur of schilderkunst. Domineert in Gemeinschaft verbanden → sterke affectieve bindingen.Hoofdstuk 6 Maatschappijvisies in de klassiek academische sociologie: Max Weber 1 rationalisatie bij Weber: begripsbepaling Weber: inzicht in ontwikkeling van moderne maatschappij door ontwikkeling te interpreteren als een proces van rationalisering: steeds sterkere motivatie van het menselijk handelen door berekenende doelgerichtheid 1. vooruitdenken. 2 De verbreiding van de rationaliseringstendens in het maatschappelijke leven 2. strengere voorschriften voor musici. gewoonten en gebruiken Deze indeling leidt tot zijn conceptualisering van de ontwikkeling van samenlevingen naar het moderne westerse type →steeds meer doelrationeel handelen ⇒ entzauberung Doelrationaliteit: calculerende instelling. Typische westerse vorm van rationaliteit waarbij algemeen geldende wetten/regels worden gebruikt.1 Tonnies : Gemeinschaft und Gesellschaft Tonnies: sociale verbanden zijn de uitkomst van de menselijke wil tot samengaan.Kurwille: weloverwogen.

Protestantisme . streven naar bestendige winst door rationeel geleide economische expansie Ascese: onthouding ondanks het streven naar winst Ontstaan van kapitalistische geest: Weber → bepaalde interpretatie van protestantisme heeft bepaalde motivaties in werking gezet die het ontstaan van kapitalistische geest gestimuleerd hebben.ondernemingen opgezet om zoveel mogelijk winst te maken dmv rationele bedrijfsvoering→ telkens opnieuw winst → rentabiliteit In het kapitalisme wordt de productie gerationaliseerd. Wereldlijk succes wijst op uitverkorenheid → zekerheid op zieleheil → dus hard werken.hierarchische ordening van functies .- - charismatisch gezag: obv geloof in buitengewone toewijding. standen en partijen. overal in de samenleving waar rationaliseringstendensen worden waargenomen. stelsel gebaseerd op rationele bedrijfsvoering Verschil Weber – Marx Weber: essentie kapitalisme is de tendens tot rationalisatie van de productie Marx: essentie kapitalisme → ondernemers.3 Bureaucratisering Opkomst van bureaucratie is onlosmakelijk verbonden met de opkomst van het rationeel legaal gezag Bureaucratie – organisatievorm die zich.Bureaucratie werkt dus zakelijk. niet arbeiders hebben de productiemiddelen in handen Wirtschaftsethos: belangrijk aspect van kapitalisme – passende geesteshouding. neutraal gedrag . door niemand beheerste dynamiek .inefficiente functionering agv strakke procedures en rigide taakverdeling Feitelijke bureaucratische instellingen wijken in veel opzichten af van ideaaltypische karakteriseringen van Weber 3 Oorsprong van rationalisatie: de protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme Moderne variant van het kapitalisme: Weber ⇒ burgerlijke – bedrijven kapitalisme .zakelijk.duidelijk afgegrensde competentiesfeer – aanstelling op grond van bekwaamheden nauwgezette vastgelegde handelingsvoorschriften . Winststreven gecombineerd met ascetische levensstijl. doelmatig. werkt soms dehumaniserend . in gevoelsmatig opzicht.Predestinatieleer: gods besluit over menselijke is onbekend en onbeïnvloedbaar.bureaucratische functionaris moet onpersoonlijke regels toepassen – geen uitzondering .het werken zonder uitzonderingen kan leiden tot slechte behandeling van individuele gevallen. Kapitalisme is een systeem van economisch rationeel handelen. wordt zelden in de pure vorm aangetroffen Duidelijk verband tussen 3 gezagsvormen en 4 typen sociaal handelen Weber: geleidelijke ontwikkeling van gezag gebaseerd op charisma en traditie naar rationeel-legaal 2. Rationaliseringsproces: ongestuurd sociaal proces met eigen. heiligheid. er was een soort wisselwerking ⇒ Wahlverwantschaft: affiniteit tussen elementen protestantse ethiek en kapitalistische ethos 4 klassen. berekenbaar en sluit willekeur uit Kritiek op bureaucratie: . Weber: protestantisme heeft het kapitalisme niet veroorzaakt. heroische kracht Ideaaltypische driedeling. kan ontwikkelen Coordinatie van handelingen van doelrationeel handelende mensen Bureaucratie als ideaaltype: .geen aandacht voor het bovennatuurlijke → toename van natuurwetenschappelijk onderzoek .

Pierre Bordieu: sociale ongelijkheid uitgelegd mbv meerdere dimensies Cultureel kapitaal: schoolse kennis. keuze voor levensstijl en esthetische voorkeuren Economisch kapitaal: inkomen en bezit Sociaal kapitaal : sociaal netwerk 5Ambivalentie in Webers sociologie Webers werk: geen afgeronde theorie. laag met soortgelijke economische positie 2 deling -Marx: behoren tot klasse is afhankelijk van het al dan niet bezitten van productiemiddelen) meer klassen – Weber: groep die op grond van positie in economische leven verschillen naar levenskansen Leden van een klasse zijn zich meestal niet bewust van verbondenheid Standen: wel een zekere verbondenheid – gelijkheid op basis van eer – status → vaak gemanifesteerd in een bepaalde levensstijl → sociale sluiting Partijen: goed georganiseerde politieke formaties: hier is het rationaliseringsproces verder voortgeschreden Incongruenties: frictie tussen bv standenonderscheid en klassenonderscheid bv door snel opkomende klassen agv stormachtige economische ontwikkelingen Driedimensionaal model van sociale stratificatie: posities op 3 onafhankelijke assen: klasse-status-macht.Klassen: verbonden met de economische sfeer. overdaad aan belangwekkende sociologische inzichten met soms onderliggende spanning Methodologisch individualisme: streven om elke sociologische uitspraak te herleiden tot handelingen van individuele mensen Interesse in macrosociale verbanden→ niet altijd herkenning van individuele handelingen • • - Sociologie ⇔ liberaal denken – hoge waarde aan autonomie van het individu Beoordeling moderniseringsproces met nadruk op rationalisering Prijzen van de rechtvaardigheid van de rationeel – legale gezagsuitoefening Tegenover: de ontmenselijkende werking van gerationaliseerde overheidsbureaucratieen - .

verdere ontwikkeling van rationalisering wordt mogelijk door algemener wordend geldgebruik Omgang met geld vergt: rekenvaardigheid.1 Geld en de toenemende rationalisering Rationalisering leidt tot monetarisering van menselijke betrekkingen. mensen komen losser van kleine lokale sociale groepen Verontrustende consequenties Objectieve cultuur verdringt de individuele cultuur Objectieve cultuur → culturele voortbrengselen vormen een soort zelfstandig universum → vervreemdend – vijandig Individuele cultuur → voortbrengselen waarvan men denkt dat men ze zelf gemaakt heeft.2 Het geheim en de visie op de moderne Door functionele differentiatie en specialisatie meer anonimiteit → meer geheimen → meer individualisering Goffman: sociaal leven is een rollenspel met ‘’backstage’’ met zijn geheimen 3 De filosofie van het geld 3. Simmel: binnenwerk Sociologie moet zich onderscheiden door de manier van kijken: sociologische zienswijze → oorsprong van sociologische verschijnselen zoeken in de interacties tussen mensen.→ teleurstelling over vervreemdende en dehumaniserende aspecten van de moderniteit → drijvende kracht achter de ontwikkelingen: proces van rationalisering Verschillen Simmel – Weber Weber: ontwikkelingen op macro-niveau . Hoe intiemer de relatie hoe minder geheimen 2. Intellectuele prestatie. maar het heeft ook bevrijdende elementen. Ontwikkeling van geldeconomie→ onttovering – prostitutie als dieptepunt → verandering in relaties tussen mensen 3.2 De gevolgen van de geldeconomie Door geld beoordelen mensen elkaar steeds minder op persoonlijke eigenschappen.Hoofdstuk 7 Maatschappijvisie in de klassiek academische sociologie : Georg Simmel 1 De sociologie van Simmel Overeenkomsten Simmel – Weber Ambivalente houding to hooggeïndustrialiseerde westerse samenleving .1 de rol van het geheim geheimen en structuren van de banden die mensen met elkaar hebben. 2 Het geheim 2. vermogen tot abstract redeneren. Simmel: doorwerking in leven van mensen en hun relaties Weber : grote maatschappelijke processen –opkomst moderne kapitalistische onderneming en bureaucratische organisaties Simmel: tevens belangstelling voor de manier waarop macrosociale veranderingen doorwerkingen in verhoudingen tussen en binnen mensen Wisselwerking tussen macro en micro niveau Weber: uiterlijke contouren van de modernisering. berekenende mathematische stijl van denken wordt hoog gewaardeerd . . kennis van geheimen is een bron van macht.

Ontwikkeling van complexe typologie van vormen der menselijke betrekkingen Aandacht voor interacties tussen mensen. microrelaties Hoofdstuk 8 Modernisering in sociologisch perspectief 1.3 De differentiatiethese in de sociale wetenschap Parsons→ paradigm of evolutionary change – veranderingstheorie Elk systeem. Structurele scheiding van eenheden volgens hun functionele bijdrage aan de samenleving Taakdifferentiatie: toegenomen variatie en specialisatie in taken Systeemdifferentiatie: structurele scheiding en verzelfstandiging van maatschappelijke domeinen 1. In de moderne samenleving contracten: geheel van bindende afspraken tussen vrije individuen ! ! loonarbeid: centrale rol op het economische toneel ! ! opkomst van een wareneconomie ! ! Deze instituties kwamen tot stand binnen nieuwe institutionele ruimte: de markt→ niet nieuw maar nieuw was wel dat de betekenis ervan zich uitbreidde tot ver buiten de grenzen van de lokale economie Een en ander had grote doorwerking op de samenleving in de vorm van Commodificatie: steeds meer aspecten van het menselijk bestaan worden tot voorwerp van marktruil . verval van gedeelde normen en waarden Opvulling van sociale leegte door bv sacrale rituelen of vrijwillige associatie Marx: integratie binnen de kapitalistische samenleving is een zaak van dwang en autoriteit Weber: staatsmacht→ integrerende kracht in de legitimiteit van de rechtsorde 1.1 Differentiatie en modernisering Door modernisering steeds meer differentiatie: toenemende scheiding en verzelfstandiging van verschillende eenheden of onderdelen van de sociale structuur.2 Differentiatie en sociale cohesie Vroeger: standsgebonden vorm van functionele differentiatie.1 De commodificatiethese en modernisering gemaakt → eigenlijk gaat het om de overgang van de feodale economie naar het 19e eeuwse kapitalisme en de maatschappelijke gevolgen van deze ontwikkeling Ontwikkeling van een aantal nieuwe instituties: ! ! notie van vervreembaar prive-eigendom (koop-verkoop) ! ! opkomst van het contract: in standensamenleving levenslange / overerfbare sociale rechten en verplichtingen.Door voortschrijdende geldeconomie → uitbreiding van objectieve cultuur 4De invloed van Simmel Formele sociologie van Simmel wordt uitgewerkt / voortgezet door Leopold van Wiese. wil het overleven. met tevens homogene verbondenheid in de samenleving. later ontbinding en verval van standen Spencer / Durkheim: differentiatie mechanisme is oorzaak van verlies aan sociale cohesie→ probleem van maatschappelijke integratie. complexere samenleving met groter wederzijdse afhankelijkheid Utilitaisten: sociale cohesie agv door de markt gekanaliseerd eigenbelang Sociologen: anomie door differentiatie.doelverwezenlijking: samenstellende delen moeten zich ondergeschikt maken aan collectieve doelen – politiek systeem • Integratie: stabiele duidelijke relatie handhaven tussen samenstellende delen ter voorkoming van verstoringen → solidariteit – samenlevingsverbanden • Latency functie → Patroonhandhaving: Programmeren/motiveren van personen zodat zij ingeschakeld kunnen worden in het sociale systeem om het waardensysteem van de samenleving te handhaven – gezin-onderwijs-welzijn-gezondheidszorg 2 Commodificatie of de heerschappij van de markt 2. moet differentiëren in een aantal subsystemen die elk een andere functie vervullen → 4 functionele vereisten en de daaraan verbonden subsystemen • Adaptatie functie: aanpassen aan zijn externe omgeving – economisch systeem • Goalattainment.

Saint-Simon: moderne maatschappij was in essentie een prestatiemaatschappij.1 Rationalisatiethese en modernisering Onderscheid rationalisatie ⇔ differentiatie – commodificatie Rationalisatie heeft veel sterker te maken met de handelende actoren in een sociaal systeem.- - toenemende sociale en functionele arbeidsverdeling groepering van grote aantallen mensen in sociaal en politiek handelende klassen 2. intellectuelen – bezittende klasse Weber: verbinding sociale klassen met gedeelde levensstijl . inkomen.Frankfurter Schule: veel aandacht voor gevolgen commodificatie voor cultuur en ideologie van de moderne samenleving Hoe bepalen marktkrachten de machtsverhoudingen en de klassenvorming en wat is de weerslag daarvan op verschillende aspecten van het sociale en culturele leven - 3 Rationalisatie of vrijheid in een ijzeren kroon 3.beambten. technici.o. niet meer afkomst→ meritocratische visie Marx-Weber toonden aan dat ook binnen de productieve klassen krachten werkzaam zijn die leiden tot maatschappelijke ongelijkheid Moderne maatschappij was gesegmenteerd volgens lijnen geënt op kapitalistische en productieverhoudingen Marx-Weber: meningsverschil over werking/invloed marktkrachten op verhouding in samenleving Marx: klassebegrip op grond van bezit van productiemiddelen – proletariaat > arbeidskracht Weber: sociale ongelijkheid gebaseerd op economisch dimensies → meerdere bronnen gebruikt als basis van klassenonderscheid ( bv diploma’s) 4 ‘Socialklassen’ → arbeiders –kleine burgerij. heeft vooral betrekking op nieuw denk-gedrags model dat het handelen van mensen beinvloedt Brubaker: bundeling van Webers opvattingen over rationalisatie in 3 thema’s ! ! Toenemende belang van kennis en wetenschap in de samenleving ! ! Steeds grotere anonimiteit.status – prestige Marx: ‘ klasse an sich’ (puur verzameling van mensen in eenzelfde klasse)ontwikkelt zich tot ‘klasse fur sich’ ( niet alleen dezelfde economische positie maar ze zijn zich ook bewust van die gemeenschappelijke positie) → collectief bewustzijn. de onontkoombare greep van de objectieve cultuur Marx – tijdelijkheid . kennis. gebaseerd op economische tegenstelling 2.2 Commodificatie en ongelijkheid Maatschappijvisie: commodificatiethese verwijst naar problematiek van sociale ongelijkheid .vervreemding Marx rekent op “Sprung in de Freiheit”: Simmel ziet vooral de tragiek van het machteloze individu t.differentiatieprocessen trokken scheidslijnen op basis van arbeidsverdeling tussen verschillende posities en rollen . waarbij enkel de functionele bijdrage aan de economie van belang diende te zijn. relaties worden steeds onpersoonlijker ! ! Toenemende controle / beheersing van de natuur en ook van de sociale wereld .opkomst geldeconomie/ marktverhoudingen veroorzaakt nieuwe distributie van levenskansen Commodificatie heeft vooral gevolgen voor ongelijke verdeling van bezit.3 De commodificatiethese in de sociale wetenschap Een van de meest ingrijpende consequenties van commodificatie betreft factor arbeid Arbeidswaardetheorie (Marx) niet alleen producten van arbeid werden gemaakt tot koopwaar ook de arbeid zelf → dit leidt tot relaties gekenmerkt door uitbuiting. enz. Simmel – overheersing is vastgeworteld in de moderne samenleving Commodificatie en opkomst kapitalisme werken door in: Sociale conflicttheorie→ voortbestaan sociale ongelijkheid en de daaruit voortvloeiende belangenconflicten .

twee facetten. gezagsrelaties en gemeenschapsverbanden Rationalisatie vormt belangrijke drijfkracht achter individualiseringsproces Individualiseringsprocess. Om sociaal handelen te verklaren is het niet voldoende om te wijzen op statistische samenhang van het gedrag. meer accent op autonomie van het individu 3.betekent ook toenemende noodzaak om keuzen te maken Rationalisatie → mogelijkheden voor verregaande individualisering → grotere anonimiteit in een geordende. men moet ook de betekenis voor de handelende persoon kunnen begrijpen Twee belangrijke methodologische uitgangspunten afgeleid van Webers opvattingen . cultureel ondoorzichtelijke wereld Lossere samenhang collectieve en persoonlijke identiteit. Sociologen bestuderen alledaagse sinteractie en communicatieprocessen en de consequenties voor de ontwikkeling van der persoonlijke identiteit 4 Besluit .meer keuzevrijheid .differentiatie → individualisering Durkheims visie op samenhang moderne samenleving nauw verbonden met zijn ideeën over verhouding collectief bewustzijn – persoonlijke identiteit Sociale cohesie alleen mogelijk obv gedeelde collectieve identiteit Nauwe aansluiting en interactie collectieve en persoonlijke identiteit Weber: rationalisatie doorbreekt traditionele overtuigingen.rationalisatie → gedragsdimensie .3.Sociologie dient zijn vertrekpunten te zoeken bij handelende individuen . het verschil tussen rationeel en niet-rationeel gedrag is gradueel.Achterhalen van de betekenis die individuen aan hun gedrag toekennen Gedrag van mensen berust op interpretaties van de werkelijkheid.3 De rationalistiethese in de sociale wetenschap ! ! • • ! rationalisatie drijfkracht achter opkomst moderne westerse samenleving ! grote invloed op ontwikkeling van de sociologie Historisch – sociologische traditie voortbouwend op Webers pogingen de grote transformaties van de moderne westerse samenleving te begrijpen Interpretatieve sociologie voortbouwend op het actorperspectief verbonden met het begrip rationalisatie – microniveau Sociaal handelen gaat altijd met zingeving gepaard.2 Rationalisatie en het identiteitsvraagstuk Door opkomst van moderne samenleving grondige verandering verhouding individu/maatschappij .commodificatie → vervreemding en de gevolgen daarvan voor het bewustzijn en persoonlijke ontwikkeling . .

belastingen en wetten Staten in het vroegmoderne Europa meest dynastische staten. Geweld – belasting → dubbelmonopolie onverbrekelijk met elkaar verbonden 1. militaire. politieke modernisering in Europa Eerste staten ontstonden in vruchtbare gebieden waar landbouwproductie een hoge bevolkingsdichtheid en arbeidsverdeling mogelijk maakte Vroege statenvorming ging gepaard met verscherping van sociale ongelijkheid. gecentreerd rond de vorst • .concurrentie binnen en tussen politieke eenheden als motor voor expansie.Sociologen kenmerken de modernisering van de westerse samenleving aan de hand van differentiatie. Ontwikkeling van sterke. ze grijpen op elkaar in.politieke fragmentatie is een verklaring voor economische – militaire expansie.relatief onafhankelijke burgerij → door concurrentie een dynamische economisch ontwikkeling . economische. Veranderingen bekeken vanuit differentiatie zijn te verbinden met problemen van sociale orde en cohesie Commodificatie – maatschappelijke ongelijkheid Rationalisatie – identiteitsvraagstuk Hoofdstuk 9 Politieke modernisering en de natiestaat 1 Statenvorming.1 Staat : een begripsomschrijving Weber → staat: een territoriaal omlijnde menselijke samenleving. rationalisatie en commodificatie. met gebruik van fysiek geweld door organisatie die op basis hiervan bestuurt.3 Politieke modernisering Ontwikkelingen in staatregimes die bijdragen tot grotere interne en externe effectiviteit → is niet altijd vooruitgang – bij tegelijke invoering in verschillende staten geen machtswinst → niet altijd consensus – interne effectiviteit is niet altijd voor alle groepen een wenselijk effect → politieke vernieuwingen vaak reacties op onbedoelde (interne-externe) ontwikkelingen • Aantal in elkaar grijpende en met elkaar samenhangende ontwikkelingen kenmerkend voor de geschiedenis van de westerse staten na de middeleeuwen → centralisering – juridisering – bureaucratisering – natievorming – democratisering Ontwikkeling voortkomend uit het streven naar vergroting van interne-externe effectiviteit → deze hadden niet altijd de beoogde effecten Ontwikkeling van een afzonderlijke staat kan niet begrepen worden zonder de ontwikkeling van andere staten erbij te betrekken → statenvorming • 2Centralisering van de staatsmacht Middeleeuwen: sterke politieke fragmentatie – vanaf 1300 machtsaccumulatie – centralisatie → door monopolie mechanisme Machtscentralisatie : mede mogelijke door overgang naar geldeconomieën en de daarmee samenhangende uitbreiding van de handel • veranderingen in militaire techniek → buskruit Moderne staten : nauwkeurig / vast omgrensde gebieden met sterk en stabiel geweldsmonopolie door omvangrijke – permanente legermacht en men ongedeelde souvereiniteit Centralisatie binnen staten: landelijke rechtsspraak.2 Statenvorming in Europa vanaf 1500 Waarom werd Europa een wereldmacht: . 3 Processen niet altijd evengoed te scheiden. culturele vernieuwingen 1.1 1. Geweldsmonopolie is het belangrijkste definiërende kenmerk van de staat Elias: stad wordt tevens gekenmerkt door een belastingsmonopolie. Door vorming van grotere politieke eenheden → grotere veiligheid – zekerheid voor burgers Vorming van een labiel – dynamisch netwerk van afhankelijk – concurrerende staten die elkaar opstuwden in technologische. differentiatie tussen overheersende en overheerste klassen 1.

hoeft niet altijd nadelig te zijn → sociale voorzieningen.staatsnationalisme – natie → burgers van een staat . Centralisering.cultuurnationalisme – natie in termen van gemeenschappelijke cultuur .etnisch nationalisme – natie → bloed (geboorte) en ras → racisme Door vroege staatsvorming. macht uitgeoefend obv geweldsmonopolie.Juridisering Belangrijker worden van wetten in de uitoefening van de staatsmacht → die werd centraler. Na WOII weer dominantie van liberaal nationalisme 6 Democratisering Proces van vermindering van ongelijkheid in politieke rechten Drie deelontwikkelingen: • toenemende wettelijke gelijkheid ongeacht godsdienst. industrialisering en schaalvergroting ontsluiting van lokale markten • centralisering. ook ter legitimering daarvan Weber → 3 vormen van gezag Traditioneel gezag Rationeel/legaal gezag : machtsuitoefening berustend op en in overeenstemming met nauwkeurig omschreven wetten die volgens bepaalde procedures tot stand gekomen zijn.feestdagen – monumenten Nationalisme: . bestuur volgens expliciete regels. uniformer. Symbolen van nationale eenheid → volkslied – vlag. afkomst . verankerd in rechtsstelsel Expansie van staatsbureaucratie van 1850 → na WOII in Nederland de ‘verzorgingsstaat’→ sterke toename van de werkgelegenheid in de overheidssector en toename overheidsbestedingen. hedendaags politiek gezag • Charismatisch gezag 17-18e eeuw kenmerk voor politieke modernisering: verschuiving van traditioneel naar rationeel Rationeel/legaal stelsel → burgerrechten gerespecteerd door de overheid • • 4 Bureaucratisering ( Vorming en uitbreiding van een modern ambtenarenapparaat) Staatsdwang. welvaartsgroei en democratisering in het westen va Europa → nationalisme met een liberaal karakter In oost en midden Europa – romantische en militante vormen van etnisch nationalisme. infrastructuur ( wegen en dijken) Traditionele staatsapparaat had geen rationeel – legale legitimering. deze werkten natievorming in de hand • ontwikkeling op cultureel en communicatief gebied → nationale pers • dominante homogene nationale cultuur: tijd-taal-etiquette Onderwijs > aardrijkskunde-geschiedenis → bijdrage aan nationale identiteit. sekse. voorspelbaarder en meer gereguleerd Wetten dienen niet alleen als instrument van macht. politieke en culturele moderniseringsprocessen door commercialisering.Privé monopolie van de vorst maakt langzamerhand plaats voor publiek monopolie Centralisering ging gepaard met: tendens verontpersoonlijking van de staatsmacht en verband met juridisering en bureaucratisering 3. juridisering en bureaucratisering zijn op te vatten als aspecten van de verdichten van afhankelijkheidsbetrekkingen binnen staatsverband 5 Natievorming Naties: samenlevingen waarvan de leden beseffen als politieke en culturele gemeenschap bij elkaar te horen Natievorming ondenkbaar zonder: • economische. Taken en bevoegdheden waren niet scherp afgebakend In de moderne bureaucratieën (va 1800) raakt het ambt zijn persoonsgebonden karakter kwijt Nauwkeurig omschreven taken – aanstellingen obv deskundigheid – zonder willekeur – geconcentreerd Bureaucratisch staatsapparaat heefteen uniformerend effect. juridisering en bureaucratisering.

soms raakpunten.1 Verklaringen voor het ontstaan van de parlementaire democratische staatsvorm Otto Hintze → kiemen van de westerse democratie liggen al in de feodale verhoudingen besloten Deze verhoudingen waren functie van sterke politieke fragmentatie gekenmerkt door 2 zijdige machtsrelatie Opkomst van invloedrijke – omvangrijke stedelijke burgerij is noodzakelijke voorwaarde voor democratisering. meer dwingende werking van internationale afspraken Vorming en versterking van internationale en supranationale organisaties →VN-IMF-EEG Versterking van ontfunctionalisering van nationale staat Nog geen europastaatvorming en euronationalisme Internationalisering en mondialisering roepen nationalistische tegenacties op . Concurrentie tussen staten → motor van modernisering → industriële groei → bureaucratisering Democratie als legitimeringsmiddel om overheidsmaatregelen aanvaard te krijgen. Versnelling door mobiliteit. geld en goederen Autonoom binnenlands beleid steeds minder effectief.het ontstaan van een parlementair stelsel uitbreiding van het actief en passief kiesrecht – eerst alleen hoger mannen → ontstaan van moderne politieke partijen Elitetheorie: iedere complexe maatschappij is onvermijdelijk verdeeld in een heersende elite en een daaraan ondergeschikte massa IJzeren wet van de oligarchie: iedere grote organisatie wordt geleid en beheerst door een kleine groep • • 6. 7Internationalisering Internationalisering: uitvloeisel van eeuwenlang proces. hebben alle betrekking op ontwikkelingen binnen afzonderlijke staten. uitbreiding tussenmenselijke bindingen over de grenzen heen. over economiegodsdienst - - Verschillende verklaringen sluiten elkaar niet uit. circulatie van informatie. Barrington Moor→ aandacht voor veranderde verhoudingen op het platteland Toqueville: democratiseringstendens → consequentie van centralisering van staatsmacht ⇒ verlies van macht van lokalen Toqueville: politieke democratisering is deel van groter proces van maatschappelijke egalisering Lipset: sterk positief verband tussen welvaartsniveau en politieke democratie Welvaartsgroei – als gevolg van industrialisering – voorwaarde voor democratisering Verdeeldheid binnen de politieke elite is voorwaarde voor democratisering bv.

later aandrang ♀ om uit betaalde arbeid terug te trekken. er is echter verschil tussen mensen en machines.. uitbuitingen en staatsonthouding Georganiseerd kapitalisme (Weber-Durkheim) opkomst van grootbedrijf. Fabriekssysteem. Waar burgerij economische en politieke macht verwierf. rationalisering Rationalisatie: systematische pogingen van fabrikanten om de organisatie te stroomlijnen en een uitgekiend beloningssysteem te ontwerpen 3. Huishouden verliest functie productie-eenheid Comte→ vrouwen verwijzen naar gezin. eerste stappen naar staatsinterventie en vorming van vakbonden 2. nadrukkelijk scheiding wonen-werken.Hoofdstuk 10 De opkomst van het moderne arbeidsbestel 1 Het moderne arbeidsbestel Laisse-faire kapitalisme (Marx) – hand in hand gaan van ongebreidelde concurrentie. Als eerst is arbeidsanalyse nodig – exacte kennis van het arbeidsproces Planning department moet daarmee een gestroomlijnde productieorganisatie ontwerpen Ook moet deze zich bezighouden met planning – voorbereiding van dagelijkse werk en controle op voortgang en resultaat van de productie Scheiding doorvoeren tussen denken en doen Standaardisering wordt bereikt door: het geven van gedetailleerde werkvoorschriften . daar wacht een grote beschavende taak. ontwikkelde zich een ideologie met grote nadruk op vrouw-man verschillen → natuurlijke bestemming van de vrouw ligt in huishouden en gezin Vrouwen kan men echter een lager loon betalen → geliefd als fabrieksarbeider In Engelse katoenindustrie 31% ♀ en 25% ♂. fabriekssysteem en loonarbeid Industrialisatie: verandering in productietechniek verandering in productieorganisatie → introductie en verbreiding fabriekssysteem → samengaan van arbeidsverdeling en mechanisatie Marx: fabriekssysteem berust op algemene verbreiding van loonarbeid→vergroting van bereik van arbeidsmarkt → deregulering van arbeidsmarkt → opheffing van ‘coalitieverbod’. • • 3 Veranderingen in de arbeidsorganisatie. In de eerste fase verandert de arbeidsverdeling al wel maar volgt nog niet zo scherp de scheidslijn tussen betaalde en zorgarbeid.Industrialisatie. mensen hebben een eigen wil→ oplossing: .opsplitsing en vereenvoudiging van taken Daardoor wordt de vervangbaarheid van individuele arbeiders groter.1 Taylor: scientific management – wetenschappelijke bedrijfsvoering Aandacht naar modernisering van de organisatie van het arbeidsproces Principe van standaardisering toegepast op factor arbeid → perfecte afstemming van onderdelen van de organisatie op elkaar.

ontstaan van management hiërarchie en gespecialiseerde stafafdeling. ‘Professionele bureaucratie’: combinatie van elementen uit het professionele denken (autonomie en verantwoordelijkheid) met elementen uit het bureaucratiemodel ( afbakening van taak.voor arbeidsverhoudingen binnen het bedrijf → wantrouwen jegens werknemers Rationaliseringsproces → kenmerkend daarvoor → planmatig streven naar vergroting van de efficiency mbv methoden gericht op kwantificering. Sociologische kritiek op Taylor ! Taylor heeft weinig oog voor sociale behoeften zoals erkenning.beloningssystemen ontwerpen die een prikkel vormen voor een optimale prestatie Hierachter gaat een uiterst wantrouwend en eenzijdig economisch mensbeeld schuil. persoonlijk toezicht .De collectivisering en institutionalisering van de arbeidsverhoudingen Arbeidscontract: verplichting arbeid te leveren tegen geldelijke vergoeding Tegenstrijdige belangen → zo weinig mogelijk loon ⇔ zo veel mogelijk vrijheid → spanningsvolle relatie Overgang van individuele naar collectieve arbeidsverhoudingen 4.“ “ “ door arbeiders met een ander vak exclusiviteitsprincipe Later industrie of bedrijfsvakbonden Organisatie op grond van het principe van inclusiviteit –zoveel mogelijk arbeiders uit eenzelfde bedrijfstak Massaorganisatie die . waardering (Hawthorne experiment) ! ! Extreem doorgevoerde arbeidsverdeling en standaardisatie heeft nadelige gevolgen: voor werknemers → gevoelens van machteloosheid.2 De bijdrage van Ford – lopende band principe Spectaculaire winst in productiviteit – probleem ongekend hoog personeelsverloop Bonus voor geselecteerde geschikte arbeiders – binding dmv loonsverhoging en baanzekerheid Fordisme: sociaal economisch stelsel waarbij koppeling tussen massaproductie en massaconsumptie wordt gegarandeerd via sterke vakbonden. resulterend in hoge mate van beheersing van het arbeidsgedrag ! 3.3 Verspreiding van het nieuwe organisatiemodel Moderne industriële arbeidsorganisatie: productiesysteem → technisch gekenmerkt door ver doorgevoerde mechanisatie organisatorisch door ver doorgevoerde horizontale en verticale arbeidsdeling strategie van autonomie destructie: zo volledig mogelijke beheersing van het gedrag van arbeiders door het vrijwel elimineren van de autonomie . Model voor organisaties met veel hooggeschoolde vakspecialisten 4. vergroten van de voorspelbaarheid van het arbeidsproces. levenslange aanstelling en carrièremogelijkheden).systeem van direct.verbod op het verrichten van eigen vakarbeiderstaken door ongeschoolden ... Deze afdelingen namen in grootte en betekenis toe – groei van het witteboordenwerk Ook rationalisatie van de hoofdarbeid → polarisatie in routinewerk en specialisme - Friedman: strategie van responsible autonomy: grote mate van zelfstandigheid voor goed opgeleide werknemers → in de hoop op verantwoordelijk gedrag Zorgvuldige selectie van vaktechnisch competente werknemers met loyaliteit gelokt door de garantie van werkzekerheid en het vooruitzicht op promotie.1 De opkomst van de moderne vakbeweging Eerste vakbonden opgericht door drukkers.planning – voorbereiding van de productie . zinloosheid en zelfvervreemding . sigarenmaker en timmerlieden → gericht op het beschermen van het eigen stukje arbeidsmarkt door: .rol van vakarbeider wordt sterk teruggedrongen door de ‘geoefende’ arbeider In Duitsland werd de traditionele rol van de vakarbeider minder ver teruggedrongen Taylors en Fords principes hadden ook consequenties voor andere werkzaamheden: . sociale zekerheid en een ‘Keynesiaans’ macro-economisch beleid gericht op koopkrachtbehoud 3.

Ontbureaucratiseren van organisaties → afplatting van de organisatie → delegeren van bevoegdheden naar de werkvloer → verzelfstandigen van afdelingen . vroeger summum van efficiëntie.2De integratie van de vakbeweging in het arbeidsbestel Opbouw van vakbonden was voor werkgevers in eerste instantie een bedreiging.Flexibiliseren van personeelsinzet → roulatie over functies → meer deeltijdarbeid.bescherming van zwakke groepen ( kinderen en vrouwen) . Daarvoor is nodig : hechte. tijdelijke contracten en uitzendarbeid Arbeidsverhoudingen worden geïndividualiseerd en geflexibiliseerd. - . 1900: mannelijke kostwinners en huisvrouwen Organisatie en regulering van de arbeidsmarkt → toename van barrières voor gehuwde vrouwen Patriarchaal arbeidsbestel – centrale plaats voor mannelijke voltijds werkende kostwinner 6 Op weg naar een postmodern arbeidsbestel Tayloristische organisatiemodel.steun – bijstandsregeling / werkloosheidsverzekering → openbare arbeidsbemiddeling Huishoudideologie(vrouwen horen thuis) opkomst van ca.Ontstaan van zgn interne arbeidsmarkten – vergroting van de werkzekerheid . later werden ze zakenpartners Verbetering van arbeidsvoorwaarden prioriteit boven arbeidstaakbeheersing Door het sluiten van compromissen garantie van arbeidsvrede Arbeidsverhoudingen krijgen steeds meer een geïnstitutioneerd karakter → symptomatisch voor toenemende overheidsbemoeiing met arbeidsverhoudingen Verdergaande centrale regulering van arbeidsverhoudingen → compromis tussen arbeid en kapitaal Vakbeweging: van oppositionele sociale beweging tot pijler van moderne arbeidsbestel: Neo-corporatisme of overlegeconomie 5 Arbeidsmarkt: organisatie en regulering Op arbeidsmarkt – proces van institutionalisering – organisatie – regulering . nu log bureaucratisch en inefficiënt Zoeken naar nieuwe organisatieprincipes: Andere manier van werken aan de voet van de organisatie.Toenemende bemoeienis van overheid met arbeidsmarkt → maatregelen die arbeidsaanbod op arbeidsmarkt enige bescherming bieden . centraal geleide organisatie met professionele staf en financiele reserves ( stakingskas) 4. nieuwe taak en functie structuren: → samenvoegen van uitgesplitste taken → uitvoerend werk combineren met controle en planning → vergroting van autonomie .! ! ! door middel van het stakingsmiddel werkgevers onder druk kan zetten ! politieke druk op de overheid om inkomens en arbeidsbeschermende maatregelen te nemen.

afzwakken van economische en sociale scheidslijnen Sociale ongelijkheid ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken ongelijke waardering en behandeling van personen en groepen op grond van hun maatschappelijke positie en levensstijl Sociale stratificatie: opbouw van de samenleving uit omvangrijker maatschappelijke lagen waartussen een ongelijkheidsverhouding bestaat en waarvan het lidmaatschap althans ten dele erfelijk is - 2 Veranderingen in het arbeidsbestel Na WOII amerikaanse sociologen: moderne industriële maatschappij is bezig oude klassentegenstellingen te overwinnen Veranderingen in de beroepenstructuur. Ook veranderingen in hoogste regionen van arbeidsbestel – nieuwe toplaag managers en hooggeschoolde vakspecialisten → Managerial revolution→ ! ! toenemende spreiding van kapitaalbezit over grote groep aandeelhouders ! ! toenemende complexiteit van managementactiviteiten.schaalvergroting en bureaucratisering van arbeidsorganisatie en daardoor toename van management en stafactiviteiten toenemende verwetenschappelijking van productie en gebruik van geavanceerde technologie .in moderne open samenleving – hoge intergeneratiemobiliteit . en arbeidsverhoudingen → invloed op de verdeling van schaarse goederen. Technologische ontwikkelingen – automatiserings en informatiseringsproces Sociaal-culturele ontwikkelingen → stijgend opleidingsniveau. kwaliteit en klantgerichte productie. individualisering Politiek-ideologische ontwikkeling: opkomst van het neo-liberale denken door de ineenstorting van de communistische regimes in Oost-Europa Hoofdstuk 11 Sociale ongelijkheid en het moderne arbeidsbestel 1 Ongelijkheid als sociologisch thema Ontwikkeling van het moderne arbeidsbestel → veranderingen in: arbeidsorganisatie. arbeidsmarkt. zelfdiscipline Diploma’s: middel van beroepsgroepen op concurrentiepositie te verstevigen – selectiemechanisme – diplomainflatie Koppeling onderwijs – arbeidsmarkt → belangrijke consequentie voor sociale mobiliteit Inter en intrageneratiemobiliteit.groei van de commerciële dienstensector . doorzettingsvermogen. Veranderingen in allocatieprocessen Meritocratisch ideaal kreeg de eerste helft van deze eeuw nieuwe inhoud door verbreding van het onderwijs Hoge waarde van AVO-diploma’s > duidt op persoonlijkheidseigenschappen als intelligentie.. specialisatie en professionalisering 2. Door differentiatieproces. emancipatieprocesn. met: verschuivingen in de economie → toename van internationale concurrentie en het belangrijker worden van flexibiliteit.Arbeidsmarkt wordt gedereguleerd en geflexibiliseerd. leidde tot taakverdeling.2.ontstaan van complexe beroepenstructuur Van Heek: enorme toename functies op middelbaar en hoger niveau als gevolg van: . trend van internalisering /externalisering > uitwisseling Veranderingsprocessen kunnen in verband gebracht worden met andere veranderingen in de hedendaagse samenleving bv.groei van overheidsactiviteiten – onderwijs en gezondheidszorg Industriële werkgelegenheid werd overvleugeld door dienstensector Marx: middenklasse zou niet bestand zijn tegen polariserende krachten van kapitalistische economie: Er ontstonden echter nieuwe beroepsgroepen die wel in loondienst waren maar hun positie verschilde sociaal aanzienlijk van ‘echte’ arbeiders.

MO-leraren. 6. kantoorbedienden en lagere employes geoefende arbeiders. 5. grote landbouwers en middelbare technici middelgrote oude/nieuwe middenstand.secundair segment met lage mate van werkzekerheid Beeldvorming van werkgevers geeft de doorslag – vicieuze cirkel – eenmaal in het secundaire segment > negatief beeld > niet naar primair segment - .Bij allocatie naast opleiding ook rol voor andere criteria bv sekse – etnische afkomst . Vrije – academische beroepen. hierdoor zijn individuen moeilijker eenduidig maatschappelijk te plaatsen.2. lage beambten ongeoefende arbeiders Kritiek op beroepsprestige stratificatie Wat zegt beroepsprestige nu over sociale ongelijkheid – dit heeft ook te maken met verdeling van schaarse goederen als inkomen en macht. directeuren van grote ondernemingen. 3. ‘midden’ ambtenaren.3 De integratie van de arbeidersklasse Theorie over de verburgerlijking van de arbeidersklasse: arbeiders nemen gedrag – waarden en normen over die voorheen kenmerkend waren voor de middengroep oiv toenemende welvaart en veranderingen in woonwerksituatie ! ! door economische groei → toename van welvaart.veranderingen in functies of beroepen Samenleving niet langer discontinu en gesloten. grotere consumptiemogelijkheden ! ! veranderingen in werksituatie – meer witte boordenwerk ! ! veranderingen in woonsituatie > toenemende geografische mobiliteit – uiteenvallen arbeiderswijken Arbeiders nemen in toenemende mate sociale contactpatronen en denkbeelden van de middengroepen over Arbeiderscultuur lijkt te verdwijnen – individualistische instelling 3 Nieuwe voorstellen over sociale ongelijkheid Beroepsprestigestratificatie (van Heek): niet meer klassen centraal maar beroepen Sociaal aanzien niet langer meer gebaseerd op geboorte of opvoeding maar op beroep Van Heek: beroepsprestige is de sleutel tot de sociale stratificatie Beroepsprestigeladder 1. directeuren kleine ondernemingen. hoofdambtenaren. ongeschoolde arbeiders. middelgrote landbouwers en middelemployes kleine-nieuwe middenstand.1 segmentering van de arbeidsmarkt Theorie van de dubbele arbeidsmarkt primair segment met grote mate van werkzekerheid → heeft te maken met proces van internalisering .door toename van mobiliteit . Multidimensionele modellen van sociale ongelijkheid: sociale-economische status wordt bepaald door meerdere kenmerken Statusdiscrepanties zijn in de moderne samenleving een veelvoorkomend verschijnsel . 2. kleine landbouwers.In onderwijsprocessen die leiden tot bestendiging van sociale ongelijkheid 4.ontstaan ook nieuwe scheidslijnen . 4 Pogingen tot herwaardering van het klassebegrip Grote reserves tegenbeeld van alsmaar vervagende scheidslijnen: Op arbeidsmarkt / organisatie blijven oude scheidslijnen in gewijzigde vorm voortbestaan en . hoge ambtenaren Hoge werknemers. 4.

en handenarbeid Ook grens tussen bovenste/onderste deel primair segment gekoppeld aan hogere diploma’s 4. Achterstand al in de eerste jaren van onderwijs. .4 Een nieuwe variant van het klassebegrip Goldthorpe → klasse : beroepscategorieën met overeenkomstige markt.beïnvloedt het oordeel van leerkrachten over leerlingen .2 Seksesegregatie Vanaf 60er jaren toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen Seksesegregatie: concentratie van bv vrouwen in bepaalde functies Verticale of functiesegregatie.beïnvloedt de beslissingen van ouders en kinderen over het (vroegtijdig) beëindigen van de opleidingen Dit lijkt de reproductiethese te bevestigen maar: ! ! schoolprestatie hebben een steeds grotere invloed op uiteindelijke schoolsucces ! ! invloed van een tekort tijdsperspectief van het onderzoek → op lange termijn neemt het reproductie.en werksituatie Marktsituatie: bron en hoogte van inkomen economische zekerheid mogelijkheden tot verbetering van de economische positie positie die deze categorieën innemen binnen de organisatorische gezagsverhoudingen mate van autonomie bij het uitoefenen van taken Werksituatie: Goldthorpe: beroepen als uitgangspunt → niet sociaal aanzien maar werkgelegenheidsverhouding Van Heek: positie van beroepsgroepen op prestigeschaal Goldthorpe: positie in geheel van machts – en afhankelijkheids relaties op de arbeidsmarkt en in de arbeidsorganisatie Klasse is in eerste instantie een economische categorie Verschil met dichotomie klassenmodel van Marx → aan de bovenkant niet de traditionele kapitalistenklassen → nieuwe bovenlaag met topmanagers en specialisten met Golthorpes klassenindeling → gedifferentieerd beeld van economische verschillen binnen de werkende bevolking Bevestiging van de conclusie dat ondanks toenemende mobiliteit de scheidslijnen tussen klassen hun invloed behouden.beïnvloedt de schoolprestaties .3 Ongelijkheid in het onderwijs Meritocratie: maatschappelijke posities op grond van gevolgd onderwijs Reproductiethese: onderwijs dient bij tot het instandhouden van sociale ongelijkheid Talentenproject: onderzoek of talenten van kinderen uit lagere milieus wel tot volledige ontplooiïng kunnen komen in het onderwijs. 4.Scheidslijn tussen primair en secundair loopt dwars door traditionele scheiding tussen hoofd.effect af Nog steeds grenzen aan intergeneratiemobiliteit door scheidslijnen arbeidsbestel – onderwijs 4. grote rol van gebrekkige taalbeheersing Sociaal milieu is van invloed op eindniveau in onderwijs mede door cultureel kapitaal → . afscherming van hogere functies Horizontale of beroepensegregatie: bepaalde sekse oververtegenwoordigd in bepaalde beroepen Genderverschillen: sekseverschillen die niet tot biologische verschillen te herleiden zijn maar veeleer sociaal en cultureel geconstrueerd zijn Veel verschillen in arbeidsbestel zijn gendered.

kleine zelfstandigen en tenslotte algemene volksverzekeringen Verdieping en verbreding van sociale verzekeringswetgeving tot sociale zekerheid Uitbannen van gebrek – waarborg van algemeen welzijn Hoofdrol voor staat → introductie van Keynisiaans model van overheidsinterventie in economie zonder aantasting van de kapitalistische basis van de vrije markt Economisch beleid gericht op geleide loonpolitie. ! Werkloosheid is cruciaal risico.2 Ontwikkelingslogica. volledige werkgelegenheid.Goldthorpe: mobiliteit is toegenomen. AOW (1957). onbetaalbaarheid dreigt. niet van meer openheid Klasse – levenskansen → bestaan van klassen niet te ontkennen Klasse – levensstijlen → klassen niet meer dezelfde betekenis Samenhang tussen sociaal-culturele verschillen en sociaal-economische verschillen veel losser als gevolg van voortschrijdende proces van individualisering Hoofdstuk 12 De verzorgingsstaat: ontstaan en ontwikkeling Nederlandse samenleving: verzorgingsstaat – bescherming van burgers door netwerk van sociale voorzieningen en instellingen tegen de gevolgen van bestaansrisico’s als bv ziekte en werkloosheid 1 De dubbele inhoud van der verzorgingsstaat Dubbel maatschappelijk probleem ligt ten grondslag aan het ontstaan van verzorgingsstaten . 2. Bijstand en WAO Fase 3: 1945-1970 - . prijsbeheersing Werkloosheidwet (1952). Armenwet Fase 2: ca.nieuwe problemen verbonden met industrialisering en urbanisering Thoenes: verzorgingsstaat→ maatschappijvorm gekenmerkt door democratisch systeem van overheidszorg – garant van collectief welzijn van onderdanen → herverdelingsapparaat 2Ideaaltypische fasering – ontwikkelingslogica 2 stijlen: • Bismarckiaans – wetgeving tegen armoede • Sociale wetgeving bedoeld om industriearbeiders los te weken van het opkomende socialisme door hen sociaal te integreren in de burgerlijke samenleving Beveridge model – spreiding van welvaart Stelsel van Labour om alle britse onderdanen te laten delen in basale welvaart Genese van verzorgingsstaat vanuit startsituatie volgens proces in 4 fasen ! ! startsituatie: industrialisatie is nog maar nauwelijks begonnen Armoedeperspectief: e ! ! 1 fase: ziekte ongevallen en invaliditeit aangrijpingspunten van sociale wetgeving. toegespitst op Nederland Industrialisering in Nederland verliep traag Fase 1 : 1900-1914 Ongevallenwet. echter alleen arbeidsbemiddeling e ! 2 fase : doelgroepverbreding→ ook voor niet industriële loonarbeiders en nietloondienstwerkers Welvaartspreidingsperspectief e ! ! 3 fase: generalisering en verdieping van sociale regelingen → vangnet en waardevast maken e ! ! 4 fase: stelsel onder druk van structurele crisis agv groeiend volume. maar verschil tussen klassen niet verkleind Toename van mobiliteit is het gevolg van structurele verschuivingen. WOI-1940 bescheiden doelgroepenuitbreiding 4 verbredingen: niet alleen gevaarlijke maar alle industriële loonarbeid. Invaliditeit en ouderdom. Ziektewet.onopgeloste arbeidsproblemen zowel structureel als conjunctureel van aard . loontrekkers in overheidsdienst.

vooral ook verspreiding van goede zeden en het aanleren van fatsoensnormen Maatschappelijk werk.CPB – WRR – ABP 4 Het grondslagen debat: waarom je broeders hoeder Hoe verhouden zich individu en samenleving. Raad van Arbeid – ziekenfonds. Overheid als herverdelingsmachinerie door forse economische groei en progressief belastingstelsel Sociale zekerheid vervult cruciale economische rol als stabilisator van koopkracht 3.2 4. armenzorg en sociale wetgeving In standensamenleving was sociale ongelijkheid vanzelfsprekend – afhankelijke van familie Utilitarisme: als ieder streeft naar maximaliseren van eigen lust en minimalisering van onlust ontstaat vanzelf ‘grootste geluk voor de massa’.Fase 4 : Economische crisis (1973 –1978) → snelstijgende overheidsschulden Sinds 70er jaren wijzigingen in arbeidsparticipatie. ‘Gewone’ fase in economische groei Ontstaan van Keynisiaans bestuurde markteconomie met overheid als reguleerder → om inzinking van de economische conjunctuur tegen te gaan door tijdelijke vraagondersteunende maatregelen – koopkrachtbescherming – koopkrachtondersteuning Keynisianisme en Fordisme ( massa. economisch-technisch beheers. Vrije competitie bevordert maatschappelijke vooruitgang.2 Succesvol burgerlijk beschavingsoffensief Volksverheffing vanaf 1900 nastrevenswaardig: niet alleen materiële lotsverbetering.consumptie en productie) brachten welvaartsstijging.3. individualiteit en socialiteit 4.4 Zorg en staat: het sociale als ‘rational choice’ Rational choice: neiging tot het nastreven zo groot mogelijke winst.steun bieden tegen ondervoeding en ziekte – voldoening voor de gever .speeltuinverenigingen → leveranciers van maatschappelijke integratie in burgerlijke culturen 3. arbeidsethos en gezondheidssituatie van oudere werknemers en WAOpraktijk → ongunstiger houding werkenden en niet werkenden 3 Verschillende recente optieken op de verzorgingsstaat 3.1 Verworvenheid van sociale strijd Deel van arbeidsbeweging → opzetten eigen collectieve initiatieven en het afdwingen van collectieve verzekeringen en sociale wetgeving Verzorgingsstaat: 2 gezichtspunten ! ! ! resultaat van langlopend proces dankzij ‘politiek en syndicaal links’ ! recent fenomeen: dankzij politieke groeperingen die van ’45-’70 de verstatelijkte zorg voor zwakkeren gestalte hebben gegeven 3. ‘Self help’is het enige probate middel om armoede af te schudden Sociale kwestie: economisch en sociaal achterblijven van mensen Systeem van armenzorg . school.1 ‘Self help’. kinderbescherming.2 Opkomst en afbrokkeling van solidariteit Solidariteitsbegrip van 70er jaren: Verantwoordelijke samenleving → eigen en famiale verantwoordelijkheid Geen belastingverhoging maar reductie van het uitkeringsniveau .1 4.5 Bureaucratisch – bestuurlijke competentie Analyse van verzorgingsstaat vanuit organisatorisch en beheersmatig perspectief Verzorgingsstaat→ gigantisch administatief.door hulp → onderdanigheid Socialisme : tegen afgedwongen nederigheid 4. vermijden van zoveel mogelijk verlies → realisatie van eigenbelang → strategisch gedrag 3.en uitvoeringsapparaat : bv.

door waarden als rechtvaardigheid.en zinvragen Luhmann: godsdienstig – religieus subsysteem → vervulling van specifieke functie → het organiseren van ultieme zingevingen in een geseculariseerde omgeving – in premoderne samenleving meerdere functies bv gezin – onderwijs Functionele differentiatie subsysteem met eigen functie en doelrationaliteit 3. In een samenleving die in meerdere doelrationeel georganiseerde domeinen uiteenvalt verliezen godsdienst/religie hun sociale en culturele invloed → Weber – zinverlies Secularisatie kenmerkende ontwikkeling: scheiding tussen kerk en staat ..1 Twee visies op secularisatie: privatisering en differentiatie Secularisatie resulteert in privatisering van godsdienst / religie (Weber) Godsdiensten / religies geven antwoorden op algemene levens.verzelfstandiging wetenschapsbeoefening tegenover kerks leergezag en dogma’s . In de westerse samenleving overheerst doelrationaliteit boven waardenrationaliteit.5 Noodzaak van reconstructie Door economische crisis en economische herstructurering ook herstructurering van sociale verzekeringen Door toelatingseisen EMU → verplicht terugdringen van begrotingstekort en staatschuld Betaalbaarheidproblemen samenhangend met cruciale economische.zinverlies: crisis in de menselijke omgang met ultieme levenswaarden.Secularisatie: de tanende sociale en culturele invloed van godsdienst en religie.. technologische en maatschappelijke ontwikkelingen Verzorgingsstaat gaat uit van laag werkloosheidsniveau Sociaal-psychologische dimensie: twijfel aan werkwilligheid werklozen leidde tot roep om verlaging van uitkeringen en teruggrijpen naar oude controlevormen Opnieuw het solidariteitsvraagstuk: voor wie en hoeveel en waarom? Nieuwe sociale kwestie: te veel bezuinigingen → sociale onrust → aantasting van sociale cohesie → maatschappelijke instabiliteit Toekomst verzorgingsstaat: eerder reconstructie dan ontmanteling Hoofdstuk 13 Rationalisatie van de leefwereld (1): secularisatie en kolonisatie 2 2 Weber: het proces van doelrationalisatie Rationalisatie van ondernemingen: streven naar meer efficiëntie – soms ongewenste neveneffecten – proberen deze te voorkomen Weber: rationeel afwegen van waarde of doel.uitbouw van onderwijs los van de kerk Luhmann: functionele differentiatie en secularisatie → 2 zijden van hetzelfde proces Godsdienst is religie. In de moderne samenleving geen plaats voor overkoepelende wereldbeelden → deze omvatten overtuigingen die kunnen gleden binnen alle maatschappelijke domeinen. tussen waarden of doeleinden van verschillende domeinen bestaan gespannen verhoudingen. 3.2 Van secularisatie tot ‘bricolage’ Gevolgen van proces van functionele differentiatie voor zingevingssystemen Gedaalde invloed van godsdienst/religie op algemeen maatschappelijk niveau. niet elke religie is een godsdienst 3. kenmerkt het doelrationeel handelen en processen van doelrationalisatie Waardenrationele handelen > verabsolutering van doel –verontachtzaming van neveneffecten bv. bv laïcering: verlies van invloed van kerk op onderwijs Verzuiling: tegenreactie van ‘kerken’ om te proberen invloed te behouden / herwinnen Privatisering – persoonlijke beleving → mate van kerksheid – sterke daling → veroudering van kerksen → kerkelijkheid ( behoren tot godsdienst) hoger dan kerksheid . middelen en neveneffecten. broederlijkheid > vaak irrationeel genoemd. Door voortschrijdende doelrationalisatie: gevaar voor vrijheidsverlies .

Dubbele betekenis begeleiding door allerlei godsdienstige organisaties van individuen van wieg tot graf .- 4. maar er blijven nog steeds bepaalde dingen waar ieder het over eens. Communicatief handelen is verbonden met geldigheidsaanspraken . 4.functioneel gedifferentieerde samenleving. Meer algemene humanistische visie op mens en samenleving Meer aandacht aan kwaliteit van geboden dienstverlening .Binnen verzuilde organisatie vaak spanningen tussen doel. De visie van Habermas op rationaliteit en rationalisatie Habermas vertrekt vanuit klassiek sociologische vraag: hoe is sociale orde mogelijk? ! strategisch handelen: in omgang met elkaar proberen hun individuele strevingen zo efficiënt mogelijk door te zetten ! ! communicatief handelen: gericht op onderlinge verstandhouding.ingrijpende scheiding binnen alledaagse leefwereld van grote groepen Later was er ook sprake van socialistische zuil – meer algemene betekenis Vorming organisatorisch netwerk op grond godsdienst. bv abstracte principes als gelijkheid – solidariteit Habermas differentiatie van vorm en inhoud → concrete inhoudelijk welomschreven gedragsregels maken plaats voor algemene formele principes.→ godsdienstige bricolage: vorming van eigen normen afwijkend van kerkelijke normen 3.uitspraken zijn objectief waar – normatief legitiem . Algemeen motief voor verzuiling → verzet tegen seculariserende samenleving Ontzuiling: samenwerking – organisaties verschillende zuilen . CH veronderstelt altijd een context van gedeelde opvattingen Habermas: in moderne samenleving kan men steeds minder op gemeenschappelijke vanzelfsprekendheden terugvallen.betreffen de objectieve wereld – feitelijke realiteit .en waardenrationaliteit. wederzijds begrip om zo uit te komen op overeenstemming mbt globale handelingssituatie en de gevolgen daarvan voor de individuele handelingsplannen. Habermas rationalisatie van de leefwereld – fundamentele aanvulling van Webers nadruk op doelrationalisatie Habermas beklemtoont het ontstaan van 2 autonome subsystemen van doelrationeel handelen – politiek en economie – beide domeinen verzelfstandigen zich → ontkoppeling systeem / leefwereld In economisch en politiek systeem zorgen ‘geld’ respectievelijk ‘macht ‘ voor handelingscoördinatie Habermas (itt Weber): rationalisatie is niet perse negatief – men hoeft niet meer te zoeken naar een met argumenten onderbouwde consensus. Van rationalisatie naar kolonisatie van de leefwereld. levensbeschouwing ..Veralgemenisering / generalisering van uitgedragen overtuigingen en waarden.. Verzuiling: gedeeltelijke de-differentiatie op godsdienstige/religieuze basis Verzuiling: vorming van aparte bevolkingsgroepen met eigen netwerken op verschillende maatschappelijke domeinen.ideologie ( politieke partijen) Verzuiling: proces van de-differentiatie binnen de context van een moderne. meer door overheidsbeleid uitgelokt → sociale voorzieningen .verwijzen op normatieve legitimiteit naar de sociale wereld ! Communicatief handelen bezit een eigen soort van redelijkheid → communicatie rationaliteit Fundamentele spelregel : het onderling uitwisselen van goede redenenen heeft alleen zin als het in het teken staat van : dwangloze dwang van het betere argument Communicatief handelen ligt altijd ingebed in een concrete leefwereld → een geheel van impliciete vanzelfsprekendheden.3. Leefwereld is rationeler als handelingscoördinatie steeds afhankelijker wordt van rationeel beargumenteerde overeenstemming tussen de deelnemers ( communicatieve rationaliteit) Steeds minder vanzelfsprekendheden zoals normen/waarden van godsdienst of traditionele overtuigingen Rationalisatie van de leefwereld is synoniem met het vervluchtigen van communicatieblokkades → meer ruimte in het communicatieve handelen. Dit kan ook te ver gaan als markt en staat hun systeemgrenzen voortdurend uitbreiden en zich te veel met leefwereld van mensen gaan bemoeien → kolonisatie van de leefwereld Opkomst van calculerende burger minder gevolg van normverval-egoïsme..

gedragsregels in theaters – musea Tendens tot toenemende arbeidsdeling en economische verafhankelijking in moderne maatschappijen leidden tot affect.tafel gewoonten. meer omvattende controle – groter aantal domeinen onderwerp van zelfbewaking 2.1. in het alledaagse leven Dwang tot zelfdwang → deels bewust. In arbeidssfeer was men afhankelijk van beoordeling chef → interdependentie Ook interdependentie buiten de economische sfeer. Verklaringen voor het civilisatieproces Wording van beschaafde mens hangt samen met de wording van een nieuw type samenleving Na 1800 beschaving bij bredere bevolkingslagen Na 1500 werden de grote hoven het voornaamste draagvlak van het vroegmoderne civilisatieproces → hoofse rationaliteit obv sociale concurrentie op de hoven Distinctiestrijd → hoven werden steeds beschaafder. geleidelijke doorbraak van een meer stabiel patroon van lichaams en affectcontrole Meer methodische ‘ik-regulering’(zelfbeheersing –emoties) 1.2. deze voor te blijven. strategisch handelen komt ook voor • Te sterke rationalisatie van de leefwereld → daar ook stereotypen Habermas verdienste: belangrijke poging om Webers ideeën over samenhang tussen moderniteit en rationalisatie te actualiseren. maar grotendeels onbewust-automatisch 1.3 Visies op Rationalisering : Weber en Habermas Kritiek op Habermas: te sterk op de spits drijven van tegenstelling systeem en leefwereld uitsluiting van communicatief handelen binnen bedrijven Te sterke overheersing van communicatief handelen in leefwereld. om zich te onderscheiden van de imiterende burgerij.3 Van beschavingsoffensieven naar informalisering Uitbreiding van civilisatieproces: bv. Zelfbeheersing: afdemping van driften. stemmingen en neigingen 1.4.Habermas: systeem – leefwereld Hoofdstuk 14 Rationalisatie van de leefwereld (2) : civilisatie en normalisatie 1 het West-Europese civilisatieproces van 1500 tot heden Waardenrationalisatie lag aan de basis van het proces van doelrationalisatie in economische sfeer. ----.Elias’diagnose van het civilisatieproces Vanaf 1500 steeds restrictiever worden van de voorschriften – eet. Weber: onderscheid tussen waarde. Heilszekerheid was absolute waarde – streven naar deugdzaamheid en vermijden van zonde → spaarzaamheid – kapitaalsaccumulatie → doorbraak moderne kapitalisme Rationalisatie van het praktisch handelen of de individuele levensstijl.en drift controle → bv door fabrieksregelementen of dreiging met ontslag .en doel rationalisatie Habermas: tegenstelling tussen communicatieve en strategische rationalisatie • • • Weber: publieke –private sfeer . lichamelijk Meer zelfbeheersing op het vlak van lichamelijkheid en gevoelsleven → drift en affectcontrole → civilisatie (Elias) vanaf ca 1800 stabilisatie Navolging van voorschriften werd steeds meer individuele opdracht ipv sociaal motief Verschuiving van Fremdzwang naar Selbstzwang – toenemende internalisering Civilisatieproces(Elias) 1.

tolerantie tegenover áfwijkende’vormen van seksualiteit ! ! kleinere sociale afstand Wolters: processen informalisering hangen nauw samen met wijzigingen in de machtsbalans tussen gevestigden en buitenstaanders → deze kregen meer macht ten nadele van gevestigde gropen.gezondheidsoffensieven – niet alleen medicalisatie ook bv stadssaneringen. sterfte. Regels van godsdienst – tradities maken plaats voor wetenschappelijk onderbouwde bepalingen 2. volksontwikkeling Armen. Gezondheidsoffensieven en gezinspolitiek va 19e eeuw werd ook het alledaagse leven voorwerp van normaliserende interventies .ziekenzorg → bijbrengen van orde. geboorte. wonen. was-toiletruimte → aandacht op gehuwde vrouw – sterk ‘gendered’ → medici en andere deskundigen namen vaak het voortouw .Beschavingsoffensieven: bewuste pogingen bv van fabrieksdirecteuren om mensen uit lagere sociale milieus meer zelfbeheersing bij te brengen – door onderwijs. 1900 → versoepeling van de normen binnen beschaafde bevolkingsgroepen. publiek hygiëne .erkenning zorgde voor grotere cliëntele -werkgelegenheid 3 Van normalisatie tot elektrificatie van de leefwereld – 20e eeuwse ontwikkelingen 3.ontwikkeling van machtsprocedures om menselijk lichaam te temmen → disciplines . Leven van burgers wordt object van beheersing en controle Stijgende invloed van kennisberoepen of wetenschappelijk onderbouwde kundes bv geneeskunde Systematische observatie van grote groepen mbv disciplines als hiërarchisch toezicht Rationalisatie van machtsuitoefening en verwetenschappelijking gingen in meerdere domeinen samen Normalisatie – pogingen om het . netheid.maatschappelijk lichaam → maatregelen voor doelmatig beheer van voortplanting. huisvesting inz.1 Gezondheids. spaar en arbeidzaamheid Alles in teken van Fremdzwang Van ca. gezondheid en huisvesting → biopolitiek .en psy-cultuur na WOII Feitelijke medicalisatie van het alledaagse leven nam vooral na WOII sterk toe . ! ! 60-70er jaren informalisering: meer ruimte voor verbaal uiten van gevoelens in persoonlijke contacten ! ! grote seksuele handelingsvrijheid.2. echte blijvend binnen het kader van geciviliseerd standaardgedrag. huwelijk en sexualiteit → door politiek – overheid gevoerd beleid – zuigelingenzorg. onderwijswetten → door private organisatie – filantropische verenigingen vaak verzuild • Familialisatie van volkslagen > volksvrouwen moesten kinderen en echtgenoten (her)opvoeden • Sanering van publieke en private ruimten > gescheiden slaapkamers.Biomacht volgens Foucault: de doorbraak van nieuwe vorm van machtsuitoefening – belichaamt door het gevangeniswezen als disciplinaire macht → biomacht Soevereine macht → doodstraf --.1.disciplinaire straf – om afwijkend gedrag te corrigeren . De Swaan → verschuiving van bevels.a..onderzoek voor volhardende afwijkers → dossiers over individuele gevallen disciplinering → vorm van doelrationalisatie in het domein van machtsverhoudingen Grote groepen mensen laten doen wat men wil → o. levensduur.verhoging van eigen maatschappelijk aanzien en invloed van eigen beroepen .menselijk handelen dichtbij het normaal geachte gedragstype te brengen. ter verhoging van productie – winst Biopolitiek van de bevolking – initiatieven in gezondheidszorg.Biomacht → zo rationeel mogelijke beheersen van individuele / maatschappelijke leven Foucault : verbreiding van 2 hoofdvormen .naar onderhandelings huishouding Onderhandelingen impliceert ook meer zelfbeheersing Va 80er jaren weer enige formalisering 2 De normalisatie van de alledaagse leefwereld 2.gezinspolitiek – interventie bij opvoeding.

cosmopolitisme en innovatief gedrag → sociale laboratoria Stad is pluriform samenlevingsverband → ontstaan van nieuwe subculturen • Sociale cohesie in milieu gekenmerkt door dynamiek. wel filantropische hulpverlening.. epidemieën kennen geen grenzen en bedreiging van politieke stabiliteit Door aanhoudende wantoestanden steeds sterkere overheidsbemoeienis Interventies op het gebied van gezondheid.krediet) ! ! eerste conflicten in gedaante van moderne klassenstrijd Kapitalisme.professionalisering – vereenvoudigde versie van professionale kennis van het grote publiek Bijzondere vorm van waardenrationalisatie – het doel – goede gezondheid – resulteert in een meer methodische levensstijl – gezond eten – meer bewegen Vanaf 60er jaren opkomst van geestelijke gezondheidszorg voor grotere groepen Vorming van ‘psy-cultuur’ door direct therapeutisch contact en info via media Omgang met psy-adviezen vergt zelfbeheersing → verdere rationalisatie van het alledaagse leven Ecologisering van gedragsstandaarden – milieuvriendelijke levensstijl 3. werd uiteindelijk te groot en verbonden met de staat Stedelijke explosie 2 – ledig: groei van stedelijke populatie immigratie van voormalige plattelandbewoners → agv gebrek aan levensmogelijkheden op het platteland → belofte van welvaart in de grote steden Bedreigende kanten van stedelijke explosie armoede en erbarmelijke leefomstandigheden . niet minder aantal uren door stijgende culturele eisen.slechte hygiëne → epidemieën Politiek → laissez-faire.Naleving van (para) medische adviezen gaat voor normaal door – internalisatie → maar mensen streven ook naar vermijding van reëel lichamelijk lijden Proto. verscheidenheid en vluchtigheid • Moderne steden worden verdeeld door sociale ongelijkheid. normen en waarden.en waardenrationalisatie Hoofdstuk 15 Modernisering en de stedelijke kwestie 1Sociologie en de stad Bevolkingsconcentratie met toenemende verscheidenheid in activiteiten. huisvesting en arbeid Stedenbouwkundige reconstructie (parijs) tbv verbeterde verkeerscirculatie. Politiek zelfstandige handelssteden waren een essentiële factor bij de ontwikkeling van de modernisering ! ! opbloei nijverheid en ambachten ! ! nieuwe politieke economisch instituties ! ! ontwikkeling van nieuwe vormen van economische rationaliteit (boekhouden.Rationalisatie eist een zekere relativering van het onderscheid tussen doel. deels uit altruïsme en deels vanuit eigen belang. levensstijlen en bevordering van sociale dynamiek. eigen belastingsstelsel. Door rationalisatie van het hh meer tijd voor emotioneel beheer van het gezin Verwevenheid van rationalisatie met machtsprocessen . eigen gekozen stadbestuur. opheffen hygiënische misstanden verdeling van arbeiderswijken in quartiers → beter bereikbaar voor politie bij opstanden .van de moderne stad Stadsontwikkeling in West-Europa in sociaal en cultureel opzicht uniek omdat: .ongeëvenaarde vrijheid van de stedelingen → opbouwen eigen beschaving. stadsmuren → fysiek afscheiding van het platteland.esthetische verfraaiïng Stedenbouwkundige aanpak → uitdrukking van het voortschrijdende rationaliseringsproces - 3 Empirisch onderzoek naar stedelijke problemen Pleidooien voor hervormingen obv sociaal onderzoek: snellere verspreiding epidemieën in arbeiderswijken ...2 De rationalisatie van het huishouden Elektrificatie van het huishouden – verlichting van fysieke last van het huishoudelijke werk. in de stad ontstaan. klassenstrijd en belangtegenstellingen • Persoonlijke en collectieve identiteiten van de stedelingen 2 De ontwikkeling .

relaties met overheersende instrumentel component → Gesellschaft → bereiken van doelen Tönnis: onvermijdelijke en algemene overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft relaties – dichotome model voor plaateland-stad.politiek-militair: pas opkomst van centraal politie-militair ( dus onderdrukkend ) gezag ná de opkomst van autonome stedelijke gemeenschappen Stedelijke samenleving bepaald door combinatie van economische emancipatie en gezamenlijke lotsverbondenheid.Meeste studies uit vorige eeuw en begin deze eeuw → gebrek aan methodische.Tekortkomingen van Mayhews onderzoekingen ( in sloppenwijken Londen): vergankelijkheid van het gebruikte medium (krant) niet voldoende zorgvuldigheid bij het verzamelen van gegevens – fouten in statistische berekeningen.cultureel opzicht: burgers in stad vormen samen een politieke gemeenschap Verklaring voor het ontstaan van stedelijke autonomie: . Deze cultuur is weinig gevoelig voor economische fluctuaties Nederlandse situatie is niet verglijkbaar met VS: sociale polarisatie wordt gedempt door stelsel van sociale voorzieningen - 4 De stad: symbool van de moderne tijd Stad-platteland: centrale tegenstelling inde sociale werkelijkheid Klassieke theorieën over overgang van traditioneel-rurale naar de moderne-urbane samenleving • Gemeinschaft en Gesellschaft – Tönnies Sociale banden: . - Wel historische waarde: aandacht voor stad als çontainer van problemen’ aandacht voor ‘cultuur van de armoede’ → bepaalde groepen worden definitief kansarm en komen in situatie waarin geen perspectief op verbetering van de sociale positie meer bestaat → structurele armoede .religieus: christendom gekenmerkt door sterk individualistische grondslag . vooral ook veranderen ervan Chicago-school: bevrijding van sociologie uit knellende banden met welzijnswerk en de overwegend door predikanten gedomineerde ‘reform-movement’ → deze lieten de sociologie te veel leunen op common-sense interpretaties van de sociale werkelijkheid R. Verschillen West-Europese steden en steden elders: WE steden niet alleen algemeen geldende economische en politieke kenmerken maar ook vorming van stadsgemeenschap in sociaal.homogene wijken – vormen samen mozaiek sociale werelden Bevolkingssortering dient ( volgens Chicago-sociologen) ongehinderd te verlopen - . Verschil hoogstens gradueel en temporeel • Die Stad – Max Weber ( historisch – sociologisch van aard) Kenmerkend voor steden in het algemeen – economische markt gereguleerd binnen kader van sociaal politieke instituties. Dominantie over Amerikaanse sociologen door WASP(white anglo saxon protestants) Niet alleen bestudering van samenleving. Samengaan van individuele vrijheid en gemeenschapszin Kritiek van Weber op moderne stad: individu en stedelijke gemeenschap zijn van elkaar vervreemd Weber: er kan wel gestreefd worden naar combinatie Gesellschaft en Gemeinschaft Beide theorieën hebben een gebrek aan empirische precisie 5 Desintegratie en sociale orde van de moderne stad. niet altijd feitelijke waarheden ontbreken van richtinggevend theoretisch kader (door weerzin tegen theoretici) . Er bestaat echter geen uniforme stedelijke levenswijze – er komen ook andere dan Gesellschaft-relaties voor in steden..Park 4 hoofdthema’s in onderzoek: stadsplan / lokale organisatie economische organisatie / morele orde secundaire relaties en sociale controle temperament \ stedelijke organisatie Verbindende schakel tussen deze onderwerpen → sociale ecologie: leer die relatie tussen fysieke omgeving en sociale verschijnselen centraal stelt Elke stadwijk heeft eigen ‘couleur locale’. systematische en theoretische diepgang.relaties met gevoelsmatige basis → tradities en plaatsbesef → Gemeinschaft .

veranderende externe omstandigheden: → schaalvergroting → overname van taken door centrale overheid > minder belangstelling voor stedelijke problemen ! 6 De nieuwe stadssociologie: stad en staat 2 uitgangspunten van Chicago-school: .Burgess: in moderne stad verschillende zones: stadscentrum met cirkelvormig daaromheen transition zone/woonkazernes – working men’s houses / residential zones – lager middenklasse – commuterszone /hoger employes Afwijkingen zijn het gevolg van ‘storende’ factoren bv overheidsingrijpen .stedelijke processen als resultaat van economisch handelende individuen New-Urban sociology: referentiekader in verzorgingsstaat Studie van relaties tussen stedelijke en statelijke instituties Rex-Moore: studie positie etnische minderheden in Birmingham nav rassenrellen Conflict-sociologisch referentiekader: stedelijke samenleving resultaat conflicten tussen tegenstrijdige belangen Huisvestingsklasse: centrale stedelijke proces → strijd om gebruik van schaarse huisvesting Huisvesting op basis van zowel economisch als etnische status. kennis van woningmarktmogelijkheden > grote ongelijkheid Kritiek op Rex-Moore: te beperkt blikveld – lokale woningmarkt Castell: stedelijke processen bestuderen met primair aandacht voor achterliggende structuren Steden als expressie van meer omvattende maatschappelijke systemen. later verder naar buiten → proces van successie ! ! ! Chicago-school: kritiek → te veel aandacht voor desintegrerende werking van het stedelijk milieu – onvoldoende oog voor nieuwe vormen van sociale organisatie Chicago-school: grote stad leidt weliswaar tot erosie van traditionele instituties maar vormt ook de voedingsbodem voor nieuwe cultuurpatronen en sociale organisatievormen Tekortkomingen Chicago-school: ! te weinig wetenschappelijke en praktisch bruikbare inzichten leven voor de dynamiek van stedelijke processen ! ! pogingen om stad als zowel fysieke structuur als sociaal verschijnsel in ecologische termen zijn blijven steken ! ! theoretisch referentiekader van Park was eenzijdig.stad bestuderen als zelfstandige eenheid . geen autonome eenheden Stad: geen politieke functie – geen ideologische functie – geen productieve economisch functie – wel consumptieve functie → reproductie van arbeidskracht Reproductiefunctie eist voorzieningen op sociaal. educatief vlak Stad: plaats van collectieve consumptie . medisch.Economische factoren → ordenend principe van mensen – activiteit in stedelijke ruimten E. topografische eigenschappen Ecologisch model: ! beeld van sociale gelaagdheid van stedelijke samenleving ! waar sociaal ongelijke groepen te situeren zijn ! welke processen daarachter werkzaam zijn Burgess: stedelijke groei → continue centrifugale beweging Nieuwkomers eerst in transition zone.verschuiving zwaartepunt sociologie naar Oostkust > Colombia – Harvard . te veel aandacht aan onderlinge economische competentie tussen stedelijke groeperingen. te weinig aan politieke-culturele factoren ! ! Onderzoeken precisie – tekort aan reikwijdte en systematiek Einde aan dominante positie van Chicago-school door: .

minder statisch. loyaliteit.Conflicten gaan over diverse vormen van collectieve consumptie Tekortkomingen Castell: abstracte karakter van theorie → belemmering bij operationalisatie tbv concreet onderzoek kritiek van Castell op actorbenadering Chicago-school naar ander kant doorgeslagen. verhoogde sociale mobiliteit en verruiming van individuele keuzemogelijkheden Invloed van de stad op de levenswijze → ontwikkeling van nieuwe gedragspatronen en omgangsvormen Kritiek op Wirth’s ideaaltypische beschrijving van de stad: twijfel over opvatting van stedelijke cultuur als ‘holistische’ eenheid Redfield: Tepotzlán – geïsoleerde gemeenschap met geringe mobiliteit en beperkte arbeidsverdeling. en verwantschap eea.plaatsgebondenheid – stedelijke / plattelands cultuur 2 Een stedelijke cultuur er levenswijze? Wirth→ stad: grote. éénvormige cultuur Lewis: Tepotzlán → sociale tegenstellingen. Te structuralistische benadering van de stad → stedelijke verschijnselen verklaren. niet uit structurele gegevenheden preoccupatie voor economische factoren – onderbelichting van politieke en culturele factoren Hoofdstuk 16 Moderniteit en stedelijke identiteit 1 Stad en cultuur Cultuur: geheel aan betekenissen waarmee men de werkelijkheid tracht te ordenen. Mexico-city→ allerlei vormen van solidariteit.ontstaan van typische woon. zonder inbreng van de handelende actoren. allerlei sociale veranderingen. maar tot versterking van diverse gemeenschapsbanden Levensvatbaarheid van subculturen afhankelijk van voldoende omvangrijk ‘kritische massa’ adepten • Lyn Lofland: steden als samenstellingen van ‘sociaal psychologische domeinen → prive domein : intieme. niet alleen naast elkaar voorkomend. Stedelijke cultuur gekenmerkt door heterogeniteit Kritiek: steden niet één bepaald type cultuur maar plekken van ‘georganiseerde complexiteit’ Herbert Gans: onderzoek italiaanse migranten in sloppenwijk Boston – overheersend hechte bindingen → deze (naar binnen gekeerde blik) kunnen disfunctioneel zijn op het reageren in turbulente omgevingen Lewis/Gans: stedelijke levenswijzen kunnen ook op platteland voorkomen en omgekeerd Steden : niet hermetisch afgesloten systemen – verbonden met bredere maatschappelijke ontwikkelingen Twee sociologen die geprobeerd hebben de traditie van Wirth nieuw leven in te blazen: • Claude Fisher – subculturele theorie Kernvariabelen van Wirth zijn wel degelijk van invloed op sociale relatiepatronen maar ze leiden niet tot groeiende individualisering. Itt Wirth Wirth: geen sociale verbanden met sterke samenhang. maar ook door elkaar heen lopend. normen en betekenissen tussen alles wat is. gemeenschappelijk levenswijze. onzekerheid. en alles wat mensen nastrevenswaardig vinden → geheel van waarden.en werk gebieden heterogeniteit → relativering van eigen cultuur → instabiliteit. oppervlakkige en functionele ontmoetingen – personen in elkaar geïnteresseerd als middel om bepaalde doeleinden te bereiken → doelrationaliteit Bevolkingsdichtheid – scheiding van sociale functies en van uiteenlopende bevolkingsgroepen . dichte en permanente vestiging van sociaal heterogene individuen Karakter van stedelijke cultuur af te leiden uit: • • • omvang –toevallige. conflicten. maar ook wat kan zijn – cultuur → dynamisch . persoonlijke betrekkingen tussen leden → parochiale domein – netwerken gelokaliseerd binnen buurten / wijken → publieke domein – gebieden waar men overwegend met vreemde geconfronteerd wordt Steden wijken af door grote diversiteit en complexiteit van deze domeinen. . hechte onderlinge bindingen.betrokken op sociale figuraties → wisselwerking sociaal – cultureel .

kopieën Samenhang processen van fragmentering en rationalisering rationalisering van stedelijke identiteit gaat gepaard met toenemende tendens tot culturele homogenisering – steden gaan steeds meer op elkaar lijken. Door verbieden van vrije-tijds activiteiten waarbij massavorming optreed Door verschuiving van publiek naar prive domein verlies van stedelijkheid Zijderveld: voortschrijdende modernisering – ontwikkeling steden tot ‘abstracte ruimten’ Mijden van publieke ruimten vanwege vandalisme. Boulevards – ontstaan van nieuwe massaculturen Simmel: stedeling – kenmerkend blasé gedrag → functioneel → door voortdurende confrontatie met veel wisselende indrukken kan psychische overbelasting ontstaan.komst van allochtonen → toegenomen veelvormigheid van stedelijke cultuuruitingen → toegenomen veelvormigheid van consumptieve en recreatieve activiteiten: alledaagse leven niet meer alleen productie maar ook consumptie Tegenstelling Wirth: stedelijke alledaagsheid bepaald door verscheidenheid.Stedelingen vinden hun weg in openbare ruimtes door: → op uiteenlopende wijzen privatiseren / kolonisering van publieke ruimten bv. verloedering en criminaliteit Trend in de richting van cocoonen. tot Rank-Xerox cities.Tegengestelde ontwikkeling – stedelijke leefwereld wordt veelvormiger – groei van complexiteit en gelaagdheid van stedelijke alledaagsheid als gevolg van : → demografische factoren: . Anonimiteit – belangrijkste kenmerk van stedelijke cultuur.groeiende pluriformiteit huishoudens/leefvormen agv individualiseringstendensen . ‘Wereld van vreemdelingen’ wordt later gebied met enclaves met vertrouwd karakter . door toeëigening van cafe’s en dansgelegenheden door bepaalde groepen → symbolische toeëigening van stedelijke openbaarheid bv door graffitti Paradoxale relatie tussen prive/publiek domein in kaart brengen . later opleving consumptieve en recreatieve activiteit ! ! Stedelijke cultuur als domein van menselijke zelfprofilering Gereserveerde opstelling van stedelingen jegens anderen samen met het streven naar zelfprofilering Mode: middel om te experimenteren met / vormgeven aan eigen identiteit Aspect van tijdelijke stedelijke cultuur → verhoogde dynamiek→ 2 krachten: imitatiedrang en distinctiestreven ! ! Stad als brandpunt van consumptieve en recreatieve activiteiten → zelfprofilering dmv consumptief gedrag Esthetisering → neiging om alles vanuit perspectief van goede smaak te beoordelen Nauwe samenhang met enscenering → neiging om alledaagse werkelijkheid ondergeschikt te maken aan spektakel. al dan niet bewuste beïnvloeding van anderen .3 Paradoxen van stedelijkheid Claude Badelaire: kenmerkend voor steden → verandering → ontwikkeling van nieuwe publieke gedragsvormen en omgangsvormen.Lyn Lofland – onderzoek naar gedragingen in openbare ruimten. door imitatie. Hierdoor kan ook sterke hang naar excentriek gedrag ontstaan – ontsnappen aan verveeld bestaan Omgangsvormen → hang naar reserve en individualiteit – bescherming tegen teveel contacten Oorzaken van deze gedragingen en omgangsvormen → steden als bakermat van moderne geldeconomie Geld heeft een nivellerende en rationaliserende invloed op de cultuur → rationalisering van het alledaagse leven Simmel: zoeken naar verbanden tussen ogenschijnlijk tegenstrijdige ontwikkelingen. . feesten en rituelen 4 Stedelijke identiteit : eenheid en verscheidenheid Fragmentering van stedelijke ruimte: steden opgebouwd uit meerdere deelidentiteiten Hoge concentraties van etnische minderheden organiseren aparte culturele entiteiten → ontstaan van multiculturele leefwereld Rationalisering van stedelijke identiteit: modernisering stedelijke identiteit ontstaat niet spontaan en vanzelfsprekend maar doelbewust en met het oog op het bereiken van bepaalde effecten gecreëerd Stadspromotie / city marketing leiden. veelvormigheid en complexiteit - .→ in de loop van de modernisering sterke verschuiving naar levensstijlen betrokken op privedomein → beschavingsoffensief om onderlaag bevolking huiselijkheid bij te brengen.

werkt wantrouwen in de hand – versterkt de neiging tot eigenbelang • organisatiemodel met meerwaarde aan belang van goede intermenselijke verhoudingen inhoudelijk volwaardig / aantrekkelijk werk.ideologische concurrentiestrijd met communistische wereld Vanaf 60er jaren weer conflictmodel → benadering met centrale plaats van grote maatschappelijke tegenstellingen en de daaruit voortvloeiende sociale conflicten ( misschien door afbrokkeling eensgezindheid wederopbouwperiode?) . 20ste eeuw afname van maatschappelijke tegenstellingen toename van middelpuntvliedende kracht die solidariteit binnen samenleving bedreigd * door → proces van statenvorming – integratiemechanismen als politieke/sociale rechten – onderwijs → opkomst van verzorgingsstaat → collectivisering en institutionalisering van arbeidsverhoudingen .anonimiteit .2Sociologische benaderingen van het cohesievraagstuk Grotere populariteit van harmoniemodel(consensus) door afname maatschappelijke tegenstellingen.financiële dimensie → groter beroep uit uitkeringen . morele karakter sociale bindingen en sociale oorzaken afwijkende gedragingen Functionalisme → op consensus gerichte benadering paste goed in het sociale klimaat van beheerste modernisering ( snelle economische wederopbouw met behoud van . 2. dit blijkt uit de opkomst van het functionalisme.meer mogelijkheden tot ontwikkeling van hechte banden met gelijk gezinden → ontwikkeling van pluriforme / multiculturele samenleving → gevaar voor nieuwe sociale tegenstellingen Moderne arbeidsorganisatie: • tayloristisch organisatiemodel: sociale cohesie berust op materiële prikkels en dwang.verzakelijking .morele dimensie > door calculerende mentaliteit bedreiging voor de solidariteit Stad: probleem van sociale cohesie doet zich hier voor in uitvergrote/gecondenseerde vorm . autonomie van werknemers als basis voor normatieve binding van werknemers met organisatie – ontstaan saamhorigheidsbesef Moderniseringsprocessen niet altijd op gespannen voet met hechte sociale relatie Ook zwakkere sociale banden kunnen de sociale cohesie bevorderen ! ! 1.Stedelijke cultuur bevat tal van gemeenschappelijke elementen maar wordt op actieve wijze door individuen en groepen weergegeven Processen van identiteitsconstructie zijn niet los te zien van ogenschijnlijk tegenstrijdige processen van mondialisering en lokalisering Hoofdstuk 17 Cohesie.maatschappelijke stabiliteit .overlegeconomie * door → letterlijk en figuurlijk meer bewegingsvrijheid voor individuen → individualistische levenshouding → minder saamhorigheid en sociale controle Verzorgingstaat: ! stimuleert individualiseringsprocessen – door bestaanszekerheid minder afhankelijk ! uitholling individualiseringsproces .1 Samenhang bedreigd? 1. sociale ongelijkheid en identiteit in de moderne samenleving 1 Opnieuw: het vraagstuk van de sociale cohesie Klassieke sociologen: bedreiging sociale cohesie op 2 manieren: • grote maatschappelijke tegenstellingen ( kapitaalbezitters en arbeiders) • voortschrijdende differentiatieprocessen en de daardoor opgeroepen middelpuntvliedende kracht→ uit elkaar groeien van afzonderlijke delen van samenleving en verlies van bindende krachten van waarden en normen → moreel vacuüm voor individuen 1. Deze stroming grijpt terug op Durkheim < centrale betekenis waardennormen.

Moderne samenleving → klassemaatschappij 2. - Consensus – conflict modellen : richten zich op macroniveau van de samenleving Habermas gaat het ook om het omgekeerde – wat houdt samenleving op microniveau bij elkaar Ook aandacht voor symbolisch interactionisme → nadruk op feit dat gemeenschappelijk handelen vraagt om gemeenschappelijke definitie van de situatie 2. nodig om samenleving goed te laten functioneren. Toenemende wederzijdse afhankelijkheid werkgevers-werknemers. Proces van politieke democratisering heeft geleid tot geleidelijke uitbreiding van burgerrechten Scheidslijnen maatschappelijke verhoudingen zijn minder ondoordringbaar dan vroeger. sociale mobiliteit toegenomen Klassenstructuur → aanzienlijk complexer.) Derde sociologische benadering cohesievraagstuk – Habermas: theorie van communicatieve handelen.deze overeenstemming is afspiegeling dominante positie van sommige groepering → verschil met marxisme: Dahrendorf voerde de maatschappelijke conflicten niet terug op de tegenstelling kapitaal – arbeid (econ. hoe mensen in alledaagse leven overeenstemming brengen als basis van samenhandelen. Opnieuw het vraagstuk van de sociale ongelijkheid ! ! ! Ongelijkheid op basis van sociale afkomst maakt plaats voor ongelijkheid obv prestatie.1Sociale ongelijkheid in verandering Sociale ongelijkheid heeft distributieve en relationele kant • distributief → betrekking op verdeling van maatschappelijk hooggewaardeerde zaken. kleinere verschillen in onderwijsdeelname • relatief → maatschappelijke en afhankelijkheidsrelaties tussen mensen waar binnen verdeling komt. → deze werken door in de arbeidsmarkt. Sociale en ruimtelijke segregatieprocessen → sociale segregatie minder uitgesproken . culturele bagage Marxistische variant conflictsociologie – onderscheid kapitaal – arbeid Niet-Marxistische variant → onderkenning van belang van middengroepen. politieke overtuiging samenhang tussen economische en sociaal-culturele verschillen losser . echter tamelijk rigide functie-beroepen segregatie Etnische ongelijkheid: verschillen geworteld in hardnekkige cultureel verankerde voorstellingen over typische eigenschappen/gewoonten blanken-zwarten enz. inkomen. 2.kostwinnersideologie→ tegenwoordig toenemende vrouwenparticipatie.hernieuwde belangstelling voor marxistisch gedachtengoed ontstaan niet-marxistische conflictsociologie van Dahrendorf → deelt met marxisme overtuiging dat conflicten en belangentegenstellingen bron van maatschappelijke verandering vormen .afwezigheid overeenstemming normen en waarden .2 Sociologische benaderingen van het ongelijkheidsvraagstuk • • • • Functionalistische theorie: sociale ongelijkheid ivm arbeidsverdeling Kenmerkend voor moderne samenleving: ver doorgevoerde differentiatie Sociale ongelijkheid functionele noodzaak. verwerfbaar inkomen en sociaal prestige → afname van ongelijkheid in verdeling van inkomens – flinke toename middengroepen. Meer graduele opbouw en meer acceptatie van maatschappelijke ongelijkheid ! Ontstaan van nieuwe scheidslijnen door voortschrijdende commodificatieproces. → Regulering klassenconflicten dmv verzorgingsstaat/arbeidsbestel → terug dringen van sociale ongelijkheid ( Weber) → sporen van klassenverschil zichtbaar op sociaal gedrag. sociale contacten. Bv. Functionalisme berust op consensusmodel Sociale ongelijkheid berustend op machtsverschillen. culturele voorkeuren.) maar op bezit van of onderworpenheid aan gezag (maatsch. moderne maatschappij wordt steeds meer gedomineerd door burgerlijke middengroepen Ongelijkheid naar sekse: moderne arbeidsbestel . verschillende mate van beschikken over hulpbronnen als bezit.

toenemende sociale mobiliteit.1 Collectieve en persoonlijke identiteit in beweging CI > modernisering leidt tot verzwakken van oude collectieve identiteiten sterke impulsen voor opbouw nieuwe collectieve identiteiten Nieuwe collectieve identiteiten door .vorming natiestaat – nieuwe nationale identiteiten . zelfbewustzijn en gedrag Niet-Marxistisch conflictsociologie: tegenstrijdige belangen machthebbers / onderworpenen en rolverwachtingen bepalen het gedrag en de identiteit van personen Interpretatieve traditie in de sociologie: sociale werkelijkheid beschouwen als uitkomst van interactie en communicatieprocessen tussen handelende individuen → symbolisch interactionisme: centrale plaats voor proces van betekenisgeving: mensen handelen op grond van eigen interpretatie van de werkelijkheid Mead: ‘Self’ komt tot ontwikkeling in voortdurend interactieproces tussen individu en ‘significante anderen’ in zijn omgeving. Constructionistische benadering. verschil geconstrueerd Ongelijkheid berustend op culturele beelden van verschillen ♂ en ♀. Marx conflictsociologie: posities van mensen in kapitalistische productieverhoudingen en de daarmee verbonden antagonistische belangen.stedelijke ontwikkeling – stedelijke identiteit Afzwakking klassebewustzijn door integratie arbeiders in burgerlijke cultuur. opkomst massacultuur Differentiatieprocessen leiden ertoe dat mensen zich in steeds meer sociale kringen bewegen Toenemende mobiliteit en individualisering → persoonlijke identiteit is veranderlijk geworden. verdwijnen arbeiderswijken. 2 componenten voor het ‘Self’ : * me : het beeld dat de buitenwereld op de persoon projecteert * I : de actieve.• Sociale ongelijkheid – genderbegrip. handelingsgerichte component die de identiteitsontwikkeling stuurt Symbolisch interactionisme : losser wordende band collectieve en persoonlijke identiteit Kritiek op functionalisme: te deterministische beeld ven relatie individu en maatschappij Kritiek op symbolisch interactionisme: te voluntaristische kijk op maatschappelijke verhoudingen – te grote speelruimte voor het individu Hoe verenigen we de essentiële stelling dat het menselijk gedrag bepaald wordt door sociale structuren en door in de cultuur vastgelegde denkkaders en gedragsmodellen ( structure) met de stelling dat al die structurele en culturele arrangementen het product zijn van handelende individuen ( agency) . Kenmerkend voor verhouding individu – maatschappij in moderne samenleving → proces van individualisering ! ! meer keuzevrijheid – autonomie ! ! toenemende afhankelijkheid van markt – bureaucratie en de daarin belichaamde denk – gedragsmodellen 3.2 Sociale benaderingen van het identiteitsvraagstuk Verschillende theoretisch – sociologische benaderingen van het identiteitsprobleem functionalisme – sociale rol – rolverwachtingen dmv socialisatieprocessen internalisatie van verwachtingen.arbeidsbestel – ontstaan van klassebesef arbeiders en vrije beroepen . Groeiende heterogeniteit → risico tot fragmentatie van identiteiten → uiteenvallen in deelidentiteiten. bepalen denkbeelden. jong en oud 3 3 Opnieuw: het probleem van de identiteit 3. auto-/allochtonen. In functionalisme vallen collectieve en persoonlijke identiteit grotendeels samen. Genderbenadering – tonen hoe beroepen/functies gemodelleerd worden oiv cultureel verankerde verschillen ♂en♀.

Voorspelling komt alleen uit als aan bepaalde voorwaarden is voldaan Horkheimer en Popper → in sociale wetenschappen is het mogelijk voorwaardelijke voorspellingen te doen Horkheimer : bedoeling van sociale wetenschappen → overgang maken van voorwaardelijke naar onvoorwaardelijke voorspelling ( op alle gebieden) Popper: overstap naar onvoorwaardelijke voorspelling op zeer bescheiden schaal. 3.3 Het evolutionaire model . bloei en verval van samenlevingen en culturen.synthese – uit botsing these – antithese komt een nieuw. staat in teken van geleidelijke vooruitgang Geschiedenis ingedeeld in stadia. belangrijke onderdelen schuiven over in een volgende periode waar ze eventueel weer tot bloei komen Cyclische toekomstmodel heeft minste invloed gehad in sociologie 3. kwalitatief ander maatschappijtype voort Geschiedenis bestaat uit afgeronde perioden die ieder een duidelijke breuk met elkaar hebben 3. deel aan ontwikkelingen binnen de wetenschappen bv opkomst van het postmodernisme en de chaostheorie Belangrijkste functie van voorwaardelijke prognoses: vroegtijdige signalering van te verwachten ontwikkelingen ( early warnings) 3 Historische toekomstmodellen Polak: groot aantal historische toekomstmodellen: deze hebben gemeenschappelijk da geschiedenis in historische perioden/stadia worden ingedeeld en een bepaalde rangorde hebben.Hoofdstuk 18 Sociologie en de toekomst 1 Toekomst denken in de sociologie • • Prognose : alle varianten van voorspellend onderzoek Utopie: meer bepaald door wensbeeld Scenario / toekomstontwerp: tussenpositie prognose en utopie Empirisch toekomstonderzoek 2. conflict-strijd. Vloeiende lijnen en geleidelijke overgangen 3. Ook allemaal in het teken van vooruitgang. niet gebaseerd op tegenstelling. ontwikkelingen ingebed in zekere historische wetmatigheden Teruggang van ‘maakbaarheidsgeloof’ deels gevolg van maatschappelijk – politieke ontwikkelingen bv ondergang van het communisme. Deze mening heeft een dominante positie. omdat samenleving volledig open systemen zijn waarvan de ontwikkeling geheel niet vastligt. Vrijwel altijd gekenmerkt dor pessimistische toekomstvisie van onontkoombaar verval Sorokin: culturen verdwijnen niet geheel. De prognose onvoorwaardelijke prognose : duidelijke uitspraak over toekomstige toestand zonder voorwaarden voorwaardelijke prognose : als-dan formule. Marxisten menen uit verwachte toekomst strenge richtlijnen voor politiek handelen te distilleren Popper denkt dat er een open maatschappij is die voortdurend verandert. Marxisten: samenleving niet volledig open. deze is nu tanende) Dialectisch model → uitgesproken vooruitgangsmodel Nadruk op : samenlevingen gaan gebukt onder interne tegenstellingen en tegenstrijdigheden dit tot uitbarsting moeten leiden ( revolutionair – Marx) Marxistische ontwikkelingsproces .1 Het cyclische model – gebaseerd op een organisch wereldbeeld Opkomst.antithese – oppositie opgeroepen door heersende klasse .these – iedere maatschappij kent zijn heersende klasse . zowel naar tijd als naar maatschappelijk bereik.2 Het dialectische model ( had grote invloed. maar de richting is onbekend Fundamenteel punt in sociologie: relatie (sociale)wetenschap en politiek – huidige praktijk voor deze relatie lijkt te wijzen in de richting van een zekere vervlechting .4 Kritiek op stadiadenken.

‘Bedachte’ toekomst kan werkelijkheid worden door deze te propageren. maar bevat een empirische kern 4. van mogelijke en wenselijke toekomstige toestanden en van reeksen gebeurtenissen die daartoe leiden. Hij benadrukt dat sociale maatregelen ook in het belang van werkgevers zijn. Mars-Engels noemden dit een verwerpelijke vorm van socialisme. Modellen van utopisch realisme Giddens: geschiedenis is niet doelgericht. wetenschap/technologie drijvende krachten achter vooruitgang Wetenschappelijk socialisme: (Marx-Engels)veroordeling van geloof in ‘goede voorbeeld’ en het morel appèl van veel utopische socialisten als Owens. Voorspellende uitspraken kunnen het maatschappelijke proces beïnvloeden ( SFP) • • • Benadrukken van de sociale verbeeldingskracht Afremming van maatschappelijke veranderingsproces door te weinig ontwikkeld menselijke verbeeldingskracht. Scenario bevat: • kern van scenario – ontwerp van de toekomst → streefbeeld • basisanalyse – beschrijving van huidige situatie • streefpad ( stiefkind van ontwerpsociologie) hoe van hier naar daar 5. 5 Scenario’s of maatschappijontwerpen – constructieve / ontwerpsociologie • • • ontwikkeling van prognosetechnieken verhoogde niet de betrouwbaarheid van de voorspellingen → toevlucht zoeken tot scenario’s : deze voorspellen niet Prognoses kunnen de burger passief maken.1 Wat is een scenario: beschrijving huidige toestand van samenleving.4 De Utopie Scherp onderscheid nodig tussen utopie als object sociologisch onderzoek en utopische sociologie Utopische sociologie belangrijk → invloed van utopisch denken op de aanpak van een toekomstige sociologie In utopisch denken 3 varianten: • de utopische roman – grote bloeiperiode in Renaissance → mens als bouwer van een nieuw geordende en anders ingerichte wereld.4. 2 elementen in moderne utopische romans: → wensbeeld van een andere en betere maatschappij ( of het tegendeel antiutopie) → maatschappijkritiek utopische romans kunnen fungeren als bron van inspiratie voor wetenschappers • utopie als voorwetenschappelijke manier van denken Spanning tussen wetenschap en utopie in stroming: ‘utopisch socialisme’ Socialisme: pretentie zowel wetenschappelijk al gericht op een betere toekomst te zijn Utopisch socialisme: verbinding tussen industriële revolutie en eigen toekomstbeeld Saint-Simon : inspireerde tijdgenoten. ze leiden tot productiviteitsverhoging. Scenario’s als hulpmiddel om barrières in denken te doorbreken Exploratie en verduidelijking van keuzemogelijkheden Aangeven van consequenties van een beslissing .2 Functies en gebruik van scenario’s 5 functies op continuüm te plaatsen van normatief/geëngageerd tot zakelijk/pragmatisch • Constructief-emancipatorisch : Scenario als instrument voor het bevorderen van de ‘zichzelf besturende maatschappij’ → maakbaarheid van de samenleving • Appèlfunctie: in welke mate is het legitiem dat een scenario zijn eigen realisering propageert. Utopisch niet wensdroomachting. Moderne burger wil zelf het leven vormgeven 60-70er jaren overspannen verwachtingen over de maakbaarheid van de maatschappij 5. Zij vonden massale strijd en revolutie vereiste van omvorming tot socialistische maatschappij • utopie als constructieve maatschappijkritiek Mannheim: constructieve maatschappijkritiek: niet de intentie maar in welke mate utopische denkbeelden werkelijkheid zijn geworden → relatie utopie – empirische werkelijkheid Marcuse: relatie utopie-empirie minder antithetisch dan veelal gedacht. Toekomstgericht denken is een essentiëel onderdeel van de zelfreflectie moderne samenleving.

dat echter wel een radicale verandering van de westerse cultuur tot gevolg heeft Westerse samenlevingen zullen een overgang doormaken van huidige op burgerlijke materialistische waarden steunende cultuur naar een postmaterialistische cultuur – theoretisch ondersteuning afgeleid van behoeftenhiërarchie van Maslow. – niet begeleid door toenemend optimisme→ ontwikkelingsvermoeidheid Lager ontwikkeld omgekeerd. hoge verwachtingen over toekomstige resultaten van wetenschap en techniek → Weerstand tegen verdere verwetenschappelijking.→ Wetenschapspessimisme. afwijzing van levenscyclustheorie → we groeien naar een postmaterialistischer maatschappij. Inglehart heeft materialistisch behoeften onderverdeeld → Materialistische behoeften → behoeften gericht op levensonderhoud en veiligheid → Postmaterialistische behoeften → sociale en ontplooiïngs behoeften. 3 criteria bij vergelijking . . esthetische en intellectueel Jongeren zijn significant post-materialistischer dan ouderen → leeftijd belangrijkste variabele .niveau van technische-economische ontwikkeling – mate van industrialisering . Minder ontwikkeld – wetenschapsoptimisme • ! ! - houding tegenover ontwikkeling van de eigen maatschappij Hoog ontwikkeld tech. niet toetsbare uitspraken vermijden 6. Galton – nadruk op ( internationale) vergelijking → Verschillen tussen landen groter dan die tussen groepen binnen landen. grotere weerstand bij hoger niveau techn/econ ontwikkeling.theorie van de vormende jaren→ waardenpatroon wordt gevormd in adolescentie Probleem Inglehart → geen longitudinaal onderzoek → geen uitspraak Oplossing → verrichten internationaal vergelijkend onderzoek Engeland-Duitsland > bewijs voor theorie van de vormende jaren.) minder toekomstbesef dan in lager ontwikkelde landen Mensen actief in verleden zijn juist ook actief in heden → geen dromers Toekomst bewustzijn correspondeert met behoefte aan verandering – verbetering - - Plaats en rol van de wetenschap en technologie Verwetenschappelijking → belangrijkste aspect van modernisering Houding tov wetenschap onderscheid tussen verwachting en wens → wetenschappelijk wereldbeeld sterk doorgedrongen in alle lagen./econ. Culturele veranderingen hebben een eigen dynamiek ! Stille revolutie – vrijwel onzichtbaar langzaam proces.Levenscycluseffect → jong-postmaterialistisch.mate en soort van militaire gebondenheid - - Of en in hoeverre is de toekomst een levende dimensie Weinig gedachten over toekomst eigen land – wereld.Toekomst als projectiescherm: empirisch onderzoek naar wat mensen van toekomst verwachten Relatie tussen toekomstverwachtingen en feitelijke gebeurtenissen is complex - - Historisch analogie en comparatieve prognose • Historische analogie: ongelijktijdige vergelijking tussen samenlevingen en culturen Comparatieve prognose: verwachting dat toekomstige ontwikkelingen enigszins voorspeld kunnen worden Empirisch getoetste theorieën die ook uitspraken doen over toekomstige situaties Bv. Wel over eigen toekomst.6 Empirisch onderzoek mbt de toekomst Empirische sociologie wil speculatieve. Images of the world in 2000 → John Galtung ( 11 landen ’67-’70) Dit onderzoek moet in zijn historische context geplaatst worden.1 Varianten van empirisch toekomstonderzoek Verbindingen tussen empirisch onderzoek en toekomstonderzoek .type economische / ideologische systeem – kapitalisme/socialisme . hoe oudere hoe materialistischer . In communistische landen hoger ontwikkeld toekomstbesef dan in niet-communistische In hoogontwikkelde (tech/econ. The Silent Revolution – Inglehart – één van de meest opzienbarende/controversiële sociologische studies: Grootschalig internationaal empirisch onderzoek echter itt Galtung gebaseerd op een theorie: ! Culturele omslag – ommekeer op terrein van waarden – behoeften en opvatting van mensen .

Fukuyama ook somber over de toekomst → verlies van enige ideologisch strijd. Hypothese nog steeds geldig. ze zouden in verzorgingsstaat naar elkaar toe groeien→ compromis. echter niet het einde van alle conflicten Bell/Fukuyama beide een zekere ambivalentie bij de waardering van dit nieuwe tijdperk . de meest dramatische en revolutionaire verandering van de afgelopen decennia . bv inzet en engagement . Op basis van inzicht in historische bewegingswetten kan men voorspellingen doen. ze zijn in wording.Postcommunisme – ineenstorting van communistische systeem.Postmodernisme – visie op veranderingen in de wereld van kunst-cultuur. Bell: in de wereld van het ‘bleke compromis’ is geen ruimte meer voor passie en engagement om de wereld te verbeteren. Goede maatschappij is bedreiging voor de ontwikkeling van de mens.Postnatiestaat: bedreiging van het belang van de natiestaat als hét integrerende politiek en maatschappelijk referentiekader door internationalisering . 3 De triomf van het Westen. wetenschap en zingeving .zekere voldoening: de posthistorische maatschappij is in veel opzichten een goede .Kater van de ‘bereikte utopie’. in stadia in te delen.Nieuwe studie 1990 .: het postcommunistische tijdperk Tot 1989 2 levensvatbare.Postseculiere maatschappij – verdwijnen van de godsdienst Laatste decennia ontstaat twijfel → herlevend fundamentalisme → opkomst van nieuwe vormen . Deze studie kan gezien worden als voorwaardelijke prognose → voorwaarde is economische zekerheid Hoofdstuk 19 De komst van de post-maatschappijen Studies over postmaatschappijen: . nu bewezen door longitudinaal – cohort onderzoek. maar met schokken. Daarmee zou de ideologische tegenstelling als motor van de geschiedenis verdwijnen Convergentiehypothese. bepaalde ontwikkelingslijn. Geschiedenis beweegt zich niet geleidelijk voort.Postverspillingsmaatschappij: gespannen verhouding tussen economische groei en begrensde capaciteit van de aarde • Bovenbouwperspectief – nadruk op cultuur.Postindustriële maatschappij: productieproces als maatschappelijk spilbeginsel . vooruitgang. Fukuyama: duidelijke overwinning voor de liberale democratie → tot stilstandkomen van het historische proces dat gebaseerd was op ideologische conflicten.Postmaterialisme Niet alle postmaatschappijen zijn al werkelijkheid. Verwijst naar maatschappelijke veranderingen die duiden op een ommekeer in het moderniseringsproces .suggestie van een soort omkeringsproces 2 Visies op de toekomstige samenleving • onderbouwperspectief – nadruk op politiek en economie .1 Het einde van de geschiedenis Bell-Fukuyama → dialectische opvatting van het historische ontwikkelingsproces Universele geschiedenis. tegenstrijdige elkaar uitsluitende ideologieën: Kapitalisme ⇔ socialisme/communisme 3.sterke nadruk op bepaalde aspecten van veranderingsproces . Conflict is de motor van de geschiedenis Bell: liberalisme en socialisme uitgeput.

maar alles met concentratie en centralisatie van economische macht bij multinationals 3. stalinisme (autoritaire vorm van marxisme) is verslagen. Gezien de hardnekkigheid hiervan valt aan dat vooruitgangsoptimisme wel wat af te dwingen Is de overwinning van de liberale democratie en de markteconomie wel zo goed voor de wereld? Aziatische landen zijn wel liberaal in economisch opzicht maar niet in maatschappelijk of politiek. maar hedonistische behoeften Callinicos: nadruk op kapitalistisch productiesysteem Bauman: nadruk op consumptieve behoeften van de mens . In 1989 heeft niet de democratie maar het kapitalistische systeem gewonnen.econ. Fukuyama liberale democratie.liberale ( minimale) bv.3 Het Marxisme: nodiger dan ooit? Callinicos: pleidooi voor marxisme. de nieuwe sociale bewegingen : vredesbeweging. Markt .Ideologische ( het liberalisme) . maar ook ‘pest voor de rest’ Winst en Vooruitgang voor de één (VS) betekent verlies en achteruitgang voor de ander (L-Am) • • • • 3. ‘reëel bestaand kapitalisme’ heeft niets te maken met liberaal kapitalisme. Er was een overgang van staatskapitalisme naar een mondiaal geïntegreerd kapitalisme. marxisme en socialisme niet.3. eis tot grotere consumptievrijheid Einde communisme → niet verlichtingswaarden-idealen.economische ( kapitalistische markteconomie) Offe – Habermas: grote tegenstellingen tussen democratie ( gelijkheid) en kapitalisme (prestatie) Offe: verzorgingsstaat heeft verzoening geschapen tussen deze tegenstrijdige principes Levert de combinatie van deze 3 componenten de beste van alle mogelijke maatschappijen op? Esping – Andersen → 3 varianten van verzorgingsstaten: .politieke ( democratie) . deze zouden tijdelijk zijn. Fukuyama’s toekomstbeeld misschien ‘best for the west’.corporatistische . Amerika en GB → Fukuyama .(maakbare samenleving. vertrouwen op wetenschap/techniek Bauman: Postmodernisme: communisme is ideaaltypische vervolmaking van de moderniteit Verzet tegen communisme = verzet tegen beperking individuele keuzevrijheid.sociaal democratische Volgens Esping-Andersen is presteren sociaal-democratische verzorgingsstaten beter dan liberale Fukuyama is ongevoelig voor nieuw opkomende ideologieën bv.2 Kritiek op Fukuyama • Wie heeft er gewonnen? 3 componenten aan winnaar. rationele ordening van de samenleving.4 Postcommunisme als postmodernisme Voor postmodernisten is de val van het communisme feitelijk het einde van de moderniteit. ecologische beweging en New-Age Fukuyama hecht vanuit het vooruitgangsgeloof weinig betekenis aan de herleving van nationalistische en fundamentalistische-religieuze ideologieën.

1 1.1 Het einde van schaarste en gebrek? Kahn/Wiener: postschaarstemaatschappij → zoveel overvloed dat werk en efficiëntie betekenis verloren schijnen te hebben. niet alleen verschillen maar ook tegenstrijdig: .komende postindustriële maatschappij → diensten – tertiaire/kwartaire sector. systeemanalyse en abstracte theorie Voornaamste basis van de postindustriële maatschappij in universiteiten → nieuwe elite – kennis elite PIM is een meritocratie. groeiende groep werklozen en daartussenin meerderheid voor wie arbeid geen zinvolle bezigheid meer is In toekomst wordt arbeid voor de meerderheid enkel een middel om inkomen te verwerven • Bells concept van dienstensamenleving Is het juist te spreken van een verschuiving van industriële naar dienstensector? In feite is er sprake van expansie van beide.2De nieuwe kenniselite Postindustriële maatschappij: meest kenmerkende niet toenemende welvaart maar toenemende belang van wetenschappelijke kennis en de gevolgen daarvan voor beroepenstructuur en sociale verhoudingen Bell(r)evolutionair ontwikkelingsmodel van bepaalde elkaar opvolgende stadia: . ieder door een ander principe geregeerd.Hoofdstuk 20 De toekomst vanuit het onderbouwperspectief 1.pre-industriële maatschappij → gedomineerd door landbouw-primaire sector.cultuur – geregeerd door ontplooiïng van het individu Bell voorziet groeiende spanning tussen economie en cultuur in de toekomst Economie groot geworden door arbeidzaamheid. en uitstel van behoeftenbevrediging.economie – geregeerd door functionele rationaliteit – efficiëntie .politiek – geregeerd door gelijkheid voor wet.industriële maatschappij → machinale goederenproductie – secundaire sector. maar deze verschilt wel fundamenteel van de agrarische • Bell stelt te nadrukkelijk het primaat van de economie en te weinig oog voor cultuur ( als Marx). Stelt onderbouw boven bovenbouw In later werk genuanceerder toekomstbeeld. Nieuwe cultuur is gebaseerd op hedonistische levensstijl met nadruk op ontplooiïng Bell: nadruk op belangrijke wordende rol wetenschap-technologie → verschuiving in beroepenstructuur en sociale stratificatie > nieuwe elites – nieuwe sociale tegenstellingen • . soberheid. belangrijkste verschuiving is die van langbouw naar industrie en diensten • Bell acht de overgang van industriële naar postindustriële fase van vergelijkbaar revolutionair gehalte als die van agrarisch naar industriëel Postindustriële maatschappij verschilt niet kwalitatief van de industriële. Verwende-decadente generatie bedreiging van middle-class → begin van (moreel) verval 1. Richt zich op ervaringsleer. Richt zich op verleden en gezond verstand . Kent toekomstoriëntering met centrale plaats voor prognoses. wel een grotere plaats voor cultuur Maatschappij bestaat uit 3 domeinen. kansen en rechten . verdienste nauw gelieerd aan opleiding Kritiek op Bell niet duidelijk wat hij precies bedoelt met nieuw elite → machtselite of intellectuele elite Tourraine: technocraten en bureaucraten vormen de nieuwe machtselite→ optreden van nieuwe klassentegenstellingen Gorz voorziet maatschappelijke driedeling: aristocratie van goedbetaalde vaste werknemers. proefnemingen en ad-hoc aanpassingen . modellen.

systeem van natiestaten Giddens probeert synthese van verschillende opvattingen over mondialisering te bewerkstelligen. Het heeft in eerste instantie betrekking op vermindering van de invloed van lokale omstandigheden op iemands leven. sneller en grotere gevolgen voor individuen op andere gedeelten van de aarde.2 Wereld of geen wereld: de postnatiestaat 2. Proces van mondialisering heeft consequenties voor de betekenis en het functioneren van de natiestaat →ontfunctionalisering van de staat Nieuw is de vergelijkende of comparatieve sociologie: vergelijkingen van gelijksoortige verschijnselen in verschillende natiestaten → eerste stap naar mondialisering Mondialisering dient echter primair begrepen te worden als transnationalisering 2. binnen een nationale context te isoleren Giddens: mondialisering is een veel fundamenteler proces dan enkel een toenemende interdependentie tussen natiestaten. echter cultuur is de grote afwezige Mondialiseringsprces kent een interne dynamiek te beschouwen als dialectisch proces vol interne tegenstellingen en tegenstrijdigheden .internationale arbeidsdeling .Toenemende integratie in de vorm van een universele wereldomvattende kapitalistische economie . Hij is ook dialecticus → universeel wordend kapitalisme roept verzet op in de vorm van antisysteembewegingen bv.mondiale kapitalistische economie .3Mondialisering als sociologisch vraagstuk Wallerstein: monocausaal denker → mondialiseringsproces → het universeel en qua reikwijdte mondiaal worden van het kapitalistische systeem. Op hoger abstractieniveau: fundamentele verandering van tijd en ruimte in het sociale leven → toenemende reikwijdte van tijd en plaats ( time-space distanciation) 2.Fragmentatie en instabiliteit tgv verzet van antisysteembewegingen Uiteindelijke zal het kapitalisme ineenstorten Gilpin: monocausaal denker – mondialiseringsproces als product van politieke factoren en een permissive global order.tegenstelling homogenisering en differentiatie → mondialisering leidt tot bepaalde vormen van uniformiteit –consumptie –stedenbouw(Mcdonalds) → mondialisering leidt tot meer differentiatie – mogelijke door technologische ontwikkelingen en . Ontwikkeling van veelvuldig sociale verbanden en interdependenties boven niveau natiestaat Consequentie daarvan → gebeurtenissen hebben vaker.1De natiestaat en de sociologische aanpak In sociologie samenleving vaak synoniem met natiestaat. Voor mondiale orde is één dominante staat noodzakelijk (bv VS) Giddens: multicausaal denker – mondialiseringspreces – 4 dimensie die interacteren: . Proces van kapitalistisch mondialisering kent interne contradicties: . nationalistisch en socialistische bewegingen.2Wat is mondialisering Moderne communicatietechnologie heeft de wereld doen inkrimpen.mondiale militaire orde . ecologische. Het wordt steeds minder zinvol sociale verschijnselen.

zijn steeds meer onomkeerbaar geworden Onomkeerbaarheid van mondialisering en mondiale beschaving is controversieel: → naast oecomenisering – opkomend fundamentalisme → opkomend nationalisme Perlmutter denkt dat deze tegenkrachten het grote historische proces niet zullen verstoren\ Mondiale beschaving zal volgens hem wel een pluralistisch karakter vertonen Mondialisering is niet hetzelfde als ‘verwestersing’ Mondiale politieke orde centraal Vrijwel niemand gelooft nog in mondiale orde met een sterke wereldregering 2 varianten van scenario’s die zich tussen mondiale orden en natiestaatsystemen bevinden: → Regionalistisch scenario met zwaartepunt voor de politiek bij de regio’s bv EU realistisch compromis tussen status quo van natiestaten en wereldregering → functionalistische scenario: wereldproblemen proberen op te lossen dmv functionele wereldorganisaties bv Veiligheidsraad. zich sneller ontwikkeld. Oftewel een soort verzorgingsstaat op wereldniveau → hoogst onwaarschijnlijk omdat maatschappelijke en politieke verschillen nog veel te groot zijn. kennis. Op groot aantal terreinen groeiende mondiale interdependenties bv: → transnationale ondernemingen → internationalisering van het hoger onderwijs → oecomenisering → mondiaal ecologisch bewustzijn De vele vormen van mondiale interdependenties hebben zich verdiept. maar dan concurrentie tussen ondernemingen die allen monopolieposities nastreven Conglomeraat van natiestaten . info en rijkdom 2 typen van mondiale organisatie: . mondiaal systeem van natiestaten nog een weinig stabiel systeem met conflicten en onzekerheden Wereldbeschaving → cultuur centraal Perlmutter: wereldorde met gedeelde waarden. kapitaal⇔arbeid of tussen regio’s. zijn groter geworden in schaal en in bewustzijn. Belangrijkste actoren zijn transnationale ondernemingen. Toegroeien naar één open marktsysteem met hoge mate van zelfregulering. WHO. processen en structuren. FAO en Unesco - - - - Hoofdstuk 21 De toekomst vanuit het onderbouwperspectief De postverspillingsmaatschappij . Interne conflicten niet door economie⇔ecologie.4 Scenario’s voor een wereldmaatschappij simpelste scenario → wereldmaatschappij geprojecteerd in verlengde van natiestaat. Secundaire rol voor politiek (G7).open netwerk: er is onderlinge verbondenheid maar model kent noch centrum noch periferie. vooral op gebied van waarden → universalisme: denken dat bepaalde cultuuruitingen gelden voor alle samenleving → particularisme: denken dat cultuuruitingen aan specifiek maatschappijen gebonden zijn Mondialisering heeft geleid tot verspreiding/acceptatie van een universeel waardensysteem Universele waarden zijn echter in feite een weerspiegeling van een liberaal-individualistisch Waardenpatroon en hun verspreiding het gevolg van de westerse hegemonie tegenstrijdigheid concentratie versus netwerkvorming → mondialisering bevordert proces van concentratie van macht. wel toenemende relaties op mondiaal niveau.politiek centraal Gilpin: natiestaten zijn altijd belangrijkste actoren op wereldtoneel geweest Werkelijke machtsbasis nog steeds bij natiestaten.- - verruiming van de macht Spanning tussen universalisme en particularisme. Toegesneden op mondiale sociale bewegingen - 2. Kapitalistische wereldmaatschappij → centrale rol voor economie . dat hoeft nog niet te leiden tot groeiende interdependenties Op wereldniveau nog steeds anarchie.klassiek model van de piramide of het spinnenweb – in centrum geconcentreerde macht .

geminimaliseerd. met ook de meeste economisch groei Koppeling economie-ecologie . bij groei economie meer financiële ruimte voor milieuschoonmaak Visie spanning economie/ecologie is tegenwoordig een minderheidsstandpunt Omslag waarschijnlijk door jarenlang durende hoge werkloosheid 4 Het model van de duurzame samenleving Our Common Future van commissie-Brundtland – discussie over ecologische problematiek → pleidooi voor houdbaarheid. met name de economische en industriële ontwikkeling discussie over nieuwe internationale economische orde. minder ecologische bezorgdheid →Nieuwe modellen zijn dan ook minder normatief Verschil 70-90 van behoefte tot veranderen van de wereld naar uitsluiten het verkennen van de toekomst In Scanning the future wordt de tegenstelling economisch groei – ecologisch evenwicht ontkend → economische groei is nodig voor de ecologie 4 scenario’s voor de wereld economie: ! ! Global schift – verschuiving van centrum wereldeconomie naar landen rond de Grote Oceaan ! ! European Renaissance – grote bloei van (west) Europa ! ! Global Crisis – algehele achteruitgang van de wereldeconomie ! ! Balance Growth – bloeiende geïntegreerde wereldeconomie op weg naar duurzaam ecologisch systeem BGF is ecologisch het meest vriendelijk. - . Nieuwe doelstelling → handhaven van ecologisch evenwicht is van hogere orde. Mensen laten zich niet langer blindelings leiden door moderniseringsproces. Duurzame ontwikkeling → erkenning van groeibehoefte van de arme landen Duurzaamheid → (welvaarts)verdeling niet alleen zaak van bestaande wereldbevolking. spanning tussen welvaartsgroei en welvaartsverdeling ecologische discussie over de wenselijkheid van verminderde economische groei. boven de 5 voor SE-beleid. redelijke inkomensverdeling. terwijl de economische discussie ging over de verkleining van de welvaartskloof arm-rijk 3 De nieuwe golf wereldmodellen Na magere jaren 80 in de 90er jaren weer herleving van ontwikkeling van wereldmodellen Scanning the future (CPB) gekenmerkt door meer optimisme. Invulling van het begrip was vaag en open.2 De wereldmodellen uit de jaren zeventig • • • ecologische problematiek → problematische kanten van het moderniseringsproces. WRR heeft krachtig stelling genomen tegen duurzaamheid als categorisch imperatief 5 De risicomaatschappij Beck: wil zich bezighouden met een toekomst die vorm begint te krijgen en zich afzet tegen een nog altijd dominant verleden Het gaat primair om een empirisch gefundeerde toekomstgerichte maatschappijtheorie Evolutionair drie-stadia model van sociale verandering voormoderniteit – valt grotendeels samen met industriële maatschappij eenvoudige moderniteit reflexieve moderniteit – valt samen met risicomaatschappij. Ze worden zich bewust van de schaduwzijden Inhoud van de risicomaatschappij: essentie valt samen te vatten met het asprincipe van de industriële maatschappij gevormd door distribution of goods and bads Hoe kunnen risico’s en gevaren inherent aan het moderniseringsproces voorkomen. enz. gedramatiseerd of gekanaliseerd worden In risicomaatschappij streven om ‘onbedoelde neveneffecten van menselijk handelen’ te doorzien en beheersbaar te maken. minder bevlogenheid. redelijke economische groei. ook betekenis voor toekomstige generatie Hengel: over duurzaamheid kan niet onderhandeld worden SER: doelstellingen voor sociaal-economisch beleid: volledige werkgelegenheid.

Beck: risico → systematische manier om te gaan met gevaren / onzekerheden die door het modernisering/mondialiseringsproces zelf veroorzaakt worden → gevaar komt dus niet meer ‘van buiten’ maar van ‘binnenuit’( uit zichzelf) Sociaal kenmerk van risico’s → niet zozeer gevaren in verleden maar om geprojecteerde gevaren in de toekomst. Gevaar dat dramatiek van milieuproblematiek op achtergrond verdwijnt. WRR → nieuwe optiek die milieuproblematiek in het hart van de politieke discussie moet brengen. Door ecologische problematiek → risicomaatschappij → andersoortige interpretatie van sociale ongelijkheid en andersoortige politiek ( differentiële politiek) Duurzaamheid – duurzame ontwikkeling →het al of niet dwingende karakter van de ecologische problematiek . welke risico’s wil men nemen WRR ontwikkelde 4 handelingsperspectieven gebaseerd op 2 centrale vragen: • • kan het huidige consumptiepatroon op dit hoge niveau gehandhaafd blijven dient de bestaande productiewijze allen aangepast worden of is een duidelijke verandering noodzaak ! benutten: bewust aanbrengen van ingrijpende maatregelen tbv van het milieu als ongewenst of onmogelijk gezien. Centrale vraag→hoe sterk/kwetsbaar is de natuur. minder bevlogen en optimistischer. het zou innovaties afremmen Volledige controle op techn/econ ontwikkeling • 3. Pessimisme. normatieve geladenheid en bevlogenheid ⇔ zakelijkheid. wordt die aan de maatschappelijke en politieke discussie onttrokken Milieugebruiksruimte zou de maximaal toelaatbare schade aan het milieu tastbaar en meetbaar kunnen maken. Voor sociologie 2 belangrijke vragen .Terug naar de industriële maatschappij. Risico.dominant scenario in politiek en wetenschap ‘Business as usual’met wat ecologische correcties Afzien van publieke controle op techn/econ ontwikkelingen • 2. Maatschappij moet zich voegen naar de ruimte Harde kwaliteitseisen voor ecosystemen bestaan volgens WRR niet. Uitspraken over gevaren/risico’s omvatten altijd een theoretisch en een normatieve component Overeenkomsten Beck – Bell → centrale rol wetenschap en technologie Verschil: Beck → succes van wetenschap/technologie heeft huidige gevaarlijke situatie bepaald Bell→ algemeen positief over rol wetenschap/technologie Beck→ 3 scenario’s voor toekomst ( vooral interesse in de rol van de politiek) • 1.en cultuurgebonden natuurbeelden. Winst van dit WRR-rapport → discussie over milieu los uit technocratisch isolement en ontdaan van het dwingende karakter. ! 7 Samenvatting – 3 grote controversen Tegenstelling wereldmodellen 70-90 er jaren. Milieuvraagstuk kan nu een onderdeel vormen van een vrije maatschappelijke en politieke discussie. Daarvoor zijn sterke en onafhankelijke gerechtshoven en media nodig Uitbreiding en institutionaliseren mogelijkheden van zelfcontrole en zelfkritiek van alle beroepsgroepen Essentie van systemen centrumloze subpolitiek in institutionalisering van de interne controle en het interne debat 6 De WRR over ‘duurzame risico’s Door te stellen dat over duurzaamheid niet onderhandeld kan worden.Differentiële politiek → ontgrenzing van de politiek Uitbreiding en wettelijke bescherming van de mogelijkheden voor wat betreft subpolitiek. Hoge consumptie – aanpassen productiewijze ! ! sparen : duidelijke verandering vooral op terrein van consumptie – rechtvaardiger verdeling. ! ! Behoeden: mens moet zich voegen naar strakke ecologische verantwoorde gedragspatronen met sober leefpatroon → verandering productie en consumptiepatroon. democratisering van de technisch-economische ontwikkeling Democratisering om greep te krijgen op de wetenschappelijke – technologische ontwikkeling Beck→ dit kan niet en het is ook niet wenselijk → aantastig vrijheid van wetenschappelijk en technologisch onderzoek.Wie worden door risico’s het meest getroffen . het gaat om zeer tijds.Wie heeft de ‘definitiemacht’ om te bepalen hoe groot die gevaren/risico’s zijn. Lage consumptie – aanpassen productiewijze ! ! beheren: ontwikkelen van nieuwe productiewijzen om milieu te ontzien – consumptie hoog.

primaat bij paus-bisschop.4Modellen van religieuze gemeenschappen Nieuwe religiositeit → onbemiddelde verbondenheidservaring De Swaan: • Papale/ episcopale model: bv RK. 1. Wel bevrijding van knellende banden van kerkelijke structuren en dogma’s 1.2 Reacties op het secularisatieproces – heimwee naar het preseculiere • Secularisatie leidt bij sommigen tot toekomstshock en behoeft terug te keren tot oudere en zekere waarden → fundamentalistische stromingen bv neo-conservatieve en traditionele in RK en PG kerk → Moral-majority beweging – aanhangers middenklassen. piramidaal model met lijnen uitsluitend van boven naar beneden. boeren en middenstand Omhelzing van secularisatie door kerken om bijvel op modern-seculier wijze te interpreteren: sociaal religieus • 1.Hoofdstuk 22 De toekomst van het bovenbouwperspectief 1. nadruk op autonomie. authentieke en directe religieuze beleving van leden. mogelijk gemaakt door hogere welvaart. geen reciprociteit • • Congregationele model: bv gereformeerd. Het tegenovergesteld:‘goeroe-isme’ Heropleving van spirituele/religieuze toegesneden op behoefte van hedendaagse mens en heeft daarom toekomstwaarde .1Modernisering en secularisatie Kahn/Wiener: trend van ME tot 1970 → toenemend werelds of seculier karakter. zonder plaats voor vragen naar de uiteindelijke zin van het bestaan. men heeft geen voorbeeld Keerzijde secularisatieproces: toenemende kille maatschappij. hiërarchisch.3 De nieuwe spiritualiteit en de Erlebnisgesellschaft Nieuwe spiritualiteit → reactie op secularisatie → heeft meestal betrekking op immarent proces van directe en onbemiddelde verbondenheidservaring met het kosmische en het mystieke bv New-Age. predikant als bemiddelaar tussen God en mens. reciprociteit en horizontaliteit → hoeft nog geen democratisch relaties in te houden 3e model ( niet van Swaan) Quakermodel: alle leden hebben directe relatie met het goddelijkke. Westerse cultuur steeds meer humanistisch. kenmerkend voor moderniseringsproces Kerkelijken : leden van een godsdienstige gemeenschap Kerksen: leden met actief gedrag in de vorm van regelmatige kerkgang 1993 : Nederland meest geseculariseerde land van Europa – 60% > dit schept onzekerheid in proces van culturele vernieuwing. empirisch en pragmatisch Secularisatie als belangrijkste culturele ontwikkeling. Erlebnisgesellschaft → bevrediging van hoger behoeften (Maslow) → spirituele ervaringen Post-seculier maatschappij → sterk geïndividualiseerde en weinig geïnstitutionaliseerde vorm van spiritualiteit en religiositeit → religieuze ‘bricolage’. feminisme of milieu Is dat een voorbode van mogelijke postseculier maatschappij Schulze: 2 soorten duidingspogingen van toekomstgerichte sociologie: Endvisionen en Anfangsbeschreibungen Schulze: Anfangsbeschreibung echter zonder ‘post’ maar nieuw → Erlebnisgesellschaft gekenmerkt door: ‘innenorientierte Lebensauffassungen’ wat zich onder invloed hiervan gemeenschappelijk ontwikkelt Deze cultuursociologie is sterk subjectgericht → centraal: ‘het goede leven’.2 1.

minder gericht op vormen maatschappelijke structuren.normatieve redenen: opvattingen doen onrecht aan menselijke vrijheid.3 De ‘actieve maatschappij’ van utopie naar antiutopie Postmodernisten: consensus over ‘goede maatschappij’bestaat niet meer Etzioni: ‘actieve maatschappij’gebaseerd op 2 principes: • control : technische. veelkleurigheid. heterogeniteit. verwerpelijk als toekomstideaal Dissensus moet nagestreefd worden: sterk vergroting pluriformiteit en verscheidenheid Het ‘maakbaarheidsideaal’is passé. Postmodernen > cultuurrelativistisch standpunt → dit kan tot nihilisme leiden . erkenning van verschillen Debat over multiculturele samenleving: beheerst door controverse universalisme en relativisme.Van gelijkheid naar ongelijkheid-diversiteit (mogelijk door nieuw oneindige consumptiemogelijheden) . laag niveau van consensus . meer op individueel/kleinschalig handelen. organisatorische en politieke vermogen om maatschappij in een richting te sturen • consensus: breed maatschappelijk draagvlak over richting die maatschappij uit moet gaan .2 De postmoderne toestand en een postmoderne sociologie Baumann: kritiek op Habermas’ ‘Projekt der Moderne’: te veel gericht op scheppen maatschappelijke orde→ weinig ruimte voor spontaniteit en chaotische creativiteit Baumann: onderscheid tussen noodzaak ontwikkeling van sociologie van het postmoderne en pm sociologie SVPM: sociologie die probeert te begrijpen wat een PM maatschappij inhoudt Sociologie moet zich transformeren en postmodern worden → volstrekt andere accenten aanleggen .Van maatschappelijke orde naar maatschappelijk orde als schadelijk concept voor vrijheid/ontplooiïng Postmoderne sociologie moet andere begrippen gebruiken om de maatschappij te analyseren 2. Kenmerkend voor postmoderne kunst: • speels herintroduceren en mengen van historische stijlen • met duidelijke voorkeur voor eclectisme ( streven om verschillende stijlen tot iets nieuws te versmelten) • verwerpen van onderscheid ‘high en low culture Postmodernisme in de filosofie: filofische postmodernisme – reactie/kritiek op modernisme moderne denken is een vorm van totaaldenken ( gevaar voor totalitair denken).iedere sociale theorie van enigszins omvattende aard omdat deze simplistisch en terroristisch zou zijn → ‘war on totality’ Postmoderne denken verwerpt alle denkvormen die proberen samenhang en eenheid aan te brengen in huidige samenleving en cultuur om : .Actieve maatschappij: hoge mate van zowel control als consensus : toekomstmuziek Utopie van de actieve samenleving is volgens postmodernisten omgeslagen in antiutopie.1 Ontstaan en kenmerken van het postmodernisme Postmodernisme: olievlekverschijnsel → culturele stroming met oorsprong in de kunstwereld.4 Kritische kanttekeningen Leidt postmodernisme tot wetenschappelijk en cultureel nihilisme? . desintegratie. verwerpen van . pluriformiteit. ook in normatieve zin 2. Tolerantie. diversiteit en openheid. maar optimistischer en hoopvoller beeld → individuele vrijheid en ontplooiïng > vorm van vooruitgang Postmodernist > bescheiden politiek engagement. geringe control. levensstijl is nieuwe basis van sociale stratificatie . Postmoderne tijdperk is fragmentatie.Van productie naar consumptie .2. Wereld gekenmerkt door pluralisme.Communistische maatschappij: hoge mate van control.Gematigde of affirmatieve modernisten ( Baumann) > forse kritiek. verval waarden en chaos .radicale of ‘sceptische’modernisten ( Baudrilland) → pessimistisch. vervolgens uitgebreid naar andere terreinen. zinloosheid.Liberaal-kapitalistische maatschappij (VS) redelijke mate van consensus.empirische redenen: dergelijke opvattingen zijn niet meer te rijmen met de postmoderne wereld . negatief en somber wereldbeeld. veelheid. ‘Control’ en ‘consensus’ zijn uitingen van typisch modernistisch denken. malaise.Traditionele maatschappij: lage score voor zowel control als consensus . sterk geloof in vrij spel van maatschappelijke krachten . 2.Laat honderd bloemen bloeien: het postmodernisme 2.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful