You are on page 1of 21

Politieke Structuren en Processen

Eerste college: dinsdag 6 september 2011 Tijd: 15:00-16:45 uur Plaats: OMHP D008

Inhoud van de module


In het programma Politieke Structuren en Processen (PSP) worden de studenten allereerst ingevoerd in centrale begrippen en kernvragen van de politicologie. Hierbij staat centraal dat het in de politiek zowel gaat om conflicten als om samenwerking ten aanzien van zaken die voor grote groepen mensen geregeld moeten worden. Met deze centrale begrippen en kernvragen moeten studenten in staat zijn zelfstandig een begin te maken met de analyse van politieke situaties en gebeurtenissen. Staten behoren tot de belangrijkste politieke structuren die vorm geven aan conflict en samenwerking. In het programma wordt dan ook uitgebreid aandacht besteed aan staten, om te beginnen aan de Nederlandse staat en haar ontstaansgeschiedenis. Daarnaast wordt aandacht besteed aan andere hedendaagse staten, waardoor een inzicht ontstaat in wat het kenmerkend voor Nederland en de Nederlandse politiek en voor de wijze waarop conflict en samenwerking hier verlopen. In het politieke proces spelen verschillende actoren een rol. In het programma zal onder andere de rol van politieke partijen en belangengroepen aan de orde komen. Verder zal worden ingegaan op het functioneren van een actor die steeds belangrijker wordt: de media. Hoe belangrijk zij ook zijn, staten zijn niet allesbepalend voor de manier waarop conflicten en samenwerking ontstaan en gestalte krijgen. Bovendien verandert ook de positie van staten, door de vorming van supranationale eenheden zoals de Europese Unie en door ontwikkelingen die vaak als globalisering en transnationalisering worden aangeduid. Daarom wordt ook ingegaan op de manier waarop verschillende politieke structuren waaronder staten in samenhang vorm geven aan processen van conflict en samenwerking.

Omvang
6 ECTS

Tijd en plaats hoorcolleges


Blok 1 De hoorcolleges Politieke structuren en processen zijn op dinsdag en vrijdag. Dit gedurende blok 1 van het eerste semester, in dit geval wil dat zeggen de periode van dinsdag 6 september tot en met vrijdag 14 oktober. Dinsdag 15.00 16.45 uur OMHP D008 (Oudemanhuispoort) Vrijdag 13.00 14.45 uur OMHP D008 (Oudemanhuispoort) Blok 2 Gedurende blok 2 vinden de hoorcolleges Politieke structuren en processen plaats op maandag en dinsdag. In dit geval wil dat zeggen de periode van maandag 31 oktober tot en met dinsdag 13 december. Maandag 13.00 14.45 uur Aula (maar op 7 november in de Mozes en Aaronkerk, Waterlooplein) Dinsdag 15.00 16.45 uur OMHP D008 (Oudemanhuispoort)
1

(kijk goed in de planning Van week tot week voor eventuele data die uitvallen/wijzigingen in het programma)

Hoorcollegedocenten
Dr. Ph. van Praag (cordinator) tel.nr.: 020 - 525 4502 kamer: Binnengasthuis 2.57 spreekuur: op afspraak e-mail: P.vanPraag@uva.nl Dr. U. Becker tel. nr.: 020-525 3099 kamer: Binnengasthuis 2.53 spreekuur: donderdag 16.00-17.00 uur e-mail: K.U.Becker@uva.nl

Verplichte literatuur

Becker, U. & Ph. van Praag (red.) (2006) Politicologie, Basisthemas & Nederlandse politiek. Apeldoorn Antwerpen: Het Spinhuis. Eijk, C. van der (2001) De Kern van de politiek. Amsterdam: Het Spinhuis. Hague, R., and M. Harrop (2010) Comparative Government and Politics. An Introduction. Houndmills: Palgrave Macmillan (eight edition). Bij dit boek hoort een website met o.a. zelfstudievragen en allerlei links: http://www.palgrave.com/politics/hague/index.html De volgende vier teksten zullen op Blackboard worden geplaatst en behoren eveneens tot de te bestuderen literatuur. : o Lukes, S. (1974): Power. A Radical View. Houndmills: Macmillan Press ltd.: p. 9-25 & 36-45 o Becker, U. (1999) De historisch context van de Europese democratien uit U. Becker, Europese democratien, vrijheid, gelijkheid, solidariteit en soevereiniteit in praktijk. Amsterdam, Het Spinhuis, pp. 35 41. o Hossein-zadeh. I. The Moslim World and the West: the Roots of Conflict (http://www.payvand.com/news/03/mar/1059.html) o J.Linz and A.Stepan, Towards Consolidated Democracies, Journal of Democracy 7.2 (1996) 14-33; (http://muse.jhu.edu/journals/journal_of_democracy/v007/7.2linz.html) En stukken die eventueel op Blackboard worden gezet

Toetsing
Zowel in blok 1 als in blok 2 bestaat de toetsing voor het vak Politieke Structuren en Processen uit twee onderdelen: een wekelijkse korte toets op Blackboard, en een schriftelijk tentamen over de literatuur en de collegestof. (Alleen al met het oog op het laatste is het dus onmisbaar om de hoorcolleges bij te wonen.) Het deelcijfer voor blok 1 wordt voor 10% bepaald door de cijfers van de wekelijkse digitale toetsen en voor 90% door het schriftelijke tentamen op 24 oktober. Het deelcijfer voor blok 2 wordt eveneens voor 10% bepaald door de cijfers van de wekelijkse digitale toetsen en voor 90% door het schriftelijke tentamen op 19 december. Het eindcijfer voor de module is het gemiddelde van beide deelcijfers. Dit vergt per se deelname aan beide deeltentamens. 2

Wekelijkse toets op blackboard De wekelijkse toetst dient op maandagmorgen tussen 9.00 en 11.00 gemaakt te worden. Klik daarvoor de knop wekelijkse toetsen aan en volg de instructies. Je dient de toets in n keer te maken en je krijgt daarvoor een beperkte tijd, de eerste keer 5 minuten, daarna steeds 10 minuten. Na het voltooien van de toets krijg je te zien hoeveel vragen je goed hebt gemaakt, bij foute antwoorden staat een korte verwijzing naar de stof waar je het goede antwoord kan vinden. Elke student krijgt een andere serie vragen voorgelegd. De vijf beste scores van blok 1 (resp. blok 2) tellen voor 10% mee voor het deelcijfer van het blok. Het schema in blok 1 ziet er als volgt uit 12 september: vijf multiple choice vragen over de stof van de voorafgaande week (5 minuten) 19 september: vijf multiple choice vragen over de stof van de voorafgaande week (week 2) en drie vragen over de stof van week 1 (10 minuten) 26 september: vijf multiple choice vragen over de stof van de voorafgaande week (week 3) en vijf vragen over stof van de weken 1 en 2 (10 minuten) 3 oktober: vijf multiple choice vragen over de stof van voorafgaande week (week 4) en vijf vragen over de stof van de weken 1, 2 en 3 (10 minuten) 10 oktober: vijf multiple choice vragen over stof voorafgaande week (week 5) en vijf vragen over de stof van de weken 1, 2, 3 en 4 (10 minuten) 17 oktober: vijf multiple choice vragen over de stof van de voorafgaande week (week 6) en tien vragen over de stof van de weken 1, 2, 3, 4 en 5 (10 minuten) Het schema in blok 2 is vergelijkbaar en start op maandag 7 november.

N.B. Bij de herkansing van 8 februari 2012 wordt de gehele stof van de module PSP getentamineerd. Eventuele eerder behaalde voldoende deelcijfers (inclusief de cijfers van de wekelijkse toetsen) komen dus te vervallen als het eindresultaat van de twee deelcijfers onvoldoende is. De herkansing van 8 februari 2012 is de enige herkansing van de module zoals dit semester gegeven. Daarna moet de module geheel opnieuw worden gedaan, volgens de op dat moment geldende opzet (dus inclusief eventueel nieuwe stof en literatuur). Bij het bestuderen van de stof kunnen de zelfstudievragen zeer nuttig zijn. Aan het einde van het overzicht van de PSP hoorcolleges staan bovendien twee lijsten met belangrijke begrippen voor respectievelijk tentamen deel I en voor deel II. Op elk tentamen worden over een aantal van deze begrippen vragen gesteld.

Tentamendata
Deel I van het tentamen: maandag 24 oktober van 9.00-11.00 uur. Plaats: IWO 4.04B (Geel) & IWO 4.04C (Rood

Voor studenten met dyslexie is het tentamen op dezelfde dag en tijd maar op een andere plaats en indien nodig langer: @@@ Deel II van het tentamen: maandag 19 december van 13-15 uur. Plaats: Tentamenzaal USC Sporthal 2 Sciencepark. Voor studenten met dyslexie is het tentamen op dezelfde dag en tijd maar op een andere plaats en indien nodig langer: @@@ Deze gegevens zijn nog onder voorbehoud. Kijk voor de laatste gegevens over dag, tijd en plaats van de tentamens altijd op http://www.student.uva.nl/pol/roosters.cfm. Inschrijving voor de tentamens is niet nodig.

PSP van Week tot Week


NB: Bij de literatuur betekent basis dat een tekst de basistekst voor het college is, terwijl achtergrond betekent dat de tekst aanvullend is en voor het tentamen alleen kennisvragen kan opleveren. NB: Achteraan PSP van Week tot Week, op pagina 17, vind je een lijst begrippen waarvan je een korte omschrijving moet kunnen geven. week 36 PSP 1: dinsdag 6 september Conceptuele inleiding I: Wat is politiek? Docenten: Van Praag (en Becker) Literatuur: Van der Eijk hoofdstukken 1-3 (basis) Leerdoelen: kennismaking met de verschillende opvattingen van politiek politicologie als sociale wetenschap inzicht in het gebruik van (omstreden) concepten hoe politiek is de politicologie? PSP 2: vrijdag 9 september Conceptuele inleiding II: De dynamiek van politieke processen? Docent: Van Praag Literatuur: Hague & Harrop hoofdstuk 1 (basis) Van der Eijk hoofdstukken 1 tot en met 3 (opnieuw) Leerdoelen: inzicht in de kernvragen van de politicologie conflict en samenwerking als motor van de politiek inzicht in de aard en dynamiek van conflicten conflict en samenwerking in democratische en niet-democratische stelsels globalisering: effecten op conflict en samenwerking Zelfstudievragen Van der Eijk hoofdstukken 1-3

1. Wat wordt bedoeld met de aspectbenadering van politiek en wat met de domeinbenadering? 2. Geef van elk van de kwadranten van de kenmerkruimte van conflict en samenwerking een - al dan niet - hypothetisch voorbeeld. 3. Probeer de aspectbenadering van politiek toe te passen door voor elk van de volgende organisaties een aantal aspecten en activiteiten aan te geven die politiek van aard zijn en een aantal die dat niet zijn. Geef daarbij een argumentatie. - Een winkeliersvereniging - Een sportclub - Een politieke partij - Een ministerie

4. Pas de kernvragen toe op het vraagstuk of er in Nederland al dan niet rekening rijden moet worden ingevoerd. Leeswijzer bij Hague & Harrop Van de country and regional profiles in het boek hoef je de volgende niet te kennen: - Uganda - Mexico - Canada - Venezuela - Zuid-Afrika - Japan - Zweden week 37 PSP 3: dinsdag 13 september Conceptuele Inleiding III: Democratie, elites en macht Docent: Van Praag Literatuur: Van der Eijk hoofdstukken 4, 5 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 2, pp 25 28; 33-36 (basis) Leerdoelen: inzicht in de politieke actoren, hun motieven en doelen kennis van de verschillende opvattingen over de rol van de elites inzicht in het debat over de macht van politieke elites PSP4: vrijdag 16 september Conceptuele Inleiding IV: Macht Docent: Van Praag Literatuur: Van der Eijk hoofdstukken 5, 6, 7 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 2, pp 25 28; 33-36 (basis) Lukes (basis) (op Blackboard) Leerdoelen: te gebruiken middelen bij conflict en samenwerking explicitering van het begrip macht kennis van de verschillende methoden om macht te onderzoeken kennis van de relatie tussen macht, machtsbronnen en machtsverdeling Zelfstudievragen Van der Eijk hoofdstukken 4-7 en Lukes 1. Wat wordt bedoeld met het begrip rationele actor? 2. Op welke manieren kan macht empirisch worden onderzocht? Wat zijn de voor- en nadelen van de verschillende benaderingen? 3. Wat zijn de overwegingen van Van der Eijk om te kiezen voor een definitie van macht waarin vermogen centraal staat? 4. Hoe hangen de begrippen macht, machtsbronnen en machtsstructuur onderling samen? 5. Waarom is volgens Lukes de pluralistische visie op macht een ndimensionale visie?

6. Volgens Bachrach en Baratz (geciteerd bij Lukes) kunnen de handhavers van de statusquo (zelfs onbewust) bepaalde issues buitensluiten door het bestaande politieke proces te ondersteunen (ze weten misschien wel niet dat die andere issues bestaan). Leg in dit verband het verschil tussen decisions en nondecisions uit. 7. Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve belangen? Waarom is dat verschil zo belangrijk bij Lukes? 8. Waarom bewijst volgens Lukes het kastesysteem dat mensen niet gehoorzamen omdat ze het eens zijn met de heersende elite maar omdat ze het alternatief niet (denken te) kennen? 9. Wat is vanuit het oogpunt van een politicoloog het grootste probleem met begrippen als "latent conflict" en "rele belangen" (Lukes, p. 24 - 25)? 10. Hoe overtuigend vind je de driedimensionale visie op macht van Lukes? week 38 PSP 5: dinsdag 20 september Staats- en natievorming Docent: Becker Literatuur : Becker & Van Praag, hoofdstuk 8 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 4 (achtergrond) Becker 1999 (basis) (op Blackboard) Leerdoelen: Kennis van het relatief jonge karakter van staten en naties Inzicht in het verschil tussen staats- en natievorming Kennis over de Nederlandse staats- en natievorming Begrip van verband en verschil tussen natie en nationalisme Zelfstudievragen bij Becker & Van Praag hoofdstuk 8 (het stuk van Stuurman) 1. Hoe luidt het oude verhaal over de oorsprong van de Nederlanden en wanneer is dat verhaal ontstaan? 2. Wat wordt verstaan onder 'het proces van staatsvorming? Wanneer kwam dit op gang voor wat nu Nederland is? Welke concrete maatregelen of gebeurtenissen waren hiermee gemoeid? 3. Geef aan wat het verband is tussen het proces van staatsvorming in de lage landen, en de oorlog(en) tussen Spanje en Turkije. 4. Waarom zet Stuurman vraagtekens bij de interpretatie van de Nederlandse opstand tegen Spanje als een 'burgerlijke' revolutie? 5. Beschrijf in je eigen woorden het karakter van het Nederlandse Republiek en de rol die de stadhouders speelden. 6. Wat voor factoren kunnen van invloed zijn op vorm en inhoud van staatsvormingsprocessen? Geef aan of deze factoren er heden ten dage meer of minder toe doen dan vroeger. Denk hierbij in ieder geval aan oorlog, economische processen, nationale gevoelens, geografische factoren. 7. Stuurman onderscheidt in zijn beschrijving van de structuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden een reeks 'instellingen' die deel uitmaken van de zich vormende staat. Zet deze op rij, en bekijk per geval wat het meest overeenkomende huidige equivalent is. Ga na wat het verschil in belangrijkheid is van elk in de 17e, respectievelijk 20e eeuw. Doe dit zo mogelijk ook voor enkele tussenliggende perioden (zoals de periode van 1815-1848).

8. Geef aan hoe het verzet tegen centraliserende tendensen, dat onder andere tot uitdrukking
kwam in de Nederlandse Opstand tegen Spanje, zelf bijdroeg aan die centralisering.

9. Wat zijn de belangrijkste veranderingen in de Nederlandse politieke cultuur in de afgelopen


dertig jaar? PSP 6: vrijdag 23 september Nationalisme, civilisaties, collectieve identiteit Docent: Becker Literatuur: Becker & Van Praag, hoofdstuk 3 (basis) Hossein-Zadeh (basis) (op Blackboard) Leerdoelen: Leren werken met de begrippen cultuur, civilisatie en collectieve identiteit Inzicht in het verschil tussen nationale identiteit en nationalisme Inzicht in het verschil tussen nationalisme, etnicisme en racisme Zelfstudie- en nadenkvragen n.a.v. Becker & Van Praag, hoofdstuk 3 en Hossein-Zadeh 1. 2. 3. 4. 5. Wat is cultuur? Is een civilisatie iets wezenlijk anders dan cultuur? Wat zijn de kenmerken van collectieve identiteit? Kunnen we maar n collectieve identiteit hebben of meerdere tegelijk? Wat is er in de afgelopen anderhalve eeuw in de relatie tussen Europa/het Westen en het Midden-Oosten veranderd? 6. Is er een oplossing voor de actuele etnische spanningen? 7. Wat is het belang van tolerantie in de te behandelen context? week 39 PSP 7: dinsdag 27 september Sociaal-economische context van politiek (1) en sekseverhoudingen Docent: Becker Literatuur: Becker & Van Praag, hoofdstukken 1 en 2 (basis) Leerdoelen: Inzicht in de sociaal-economische context van politiek Kennis van sociaal-economische scheidslijnen in historisch perspectief Inzicht in sekseverhoudingen, hun veranderende karakter en hun politiek belang Inzicht in de gecompliceerde verhouding tussen sekse en gender Zelfstudievragen n.a.v. Becker & Van Praag, hoofdstukken 1 en 2 1. 2. 3. 4. 5. 6. Wat is de - historisch unieke - dynamiek van de kapitalistische economie? Waar komt deze dynamiek vandaan? Wat wordt bedoeld met twee-dimensionale klassenstructuur? Wat is het verschil tussen objectieve en subjectieve klassenindeling? Wat houdt de culturele verklaring van de opkomst van het kapitalisme in? Welke factoren liggen ten grondslag aan de sociaal-structurele individualisering van de afgelopen 40 jaar?

7. Welke politieke gevolgen heeft deze individualisering gehad? 8. Had de sociaal-structurele individualisering ook gevolgen voor de sekseverhoudingen? 9. Wat is het verband tussen sekseverhoudingen en cultuur hier en elders in de wereld? 10. Wat isocialisatie? 11. Kunnen we aangeven wat biologisch en sociaal bepaald wordt? 12. Wat is het verschil tussen horizontale en verticale segregatie van de arbeidsmarkt? PSP 8: vrijdag 30 september Kapitalismevormen, globalisering en ondermijning nationale staat Docent: Becker Literatuur: Becker & Van Praag, nog eens hoofdstuk 1 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 4 en 19 (achtergrond) Leerdoelen: Onderscheiding van verschillende kapitalistische politieke economien Elementair kennismaken met processen van globalisering, transnationalisering en Europeanisering Wat is het verschil tussen Europese Integratie en Europeanisering? Inzicht in het karakter van recente globaliseringsprocessen Overzicht van verschillende posities t.o.v. globalisering. Inzicht in de betekenis van autonomie en afhankelijkheid in deze context Zelfstudie- en nadenkvragen 1. Welke ideaal-typische kapitalismen kunnen we onderscheiden? 2. Wat is het verschil tussen ideale typen en empirische gevallen? 3. Wat raakt ons meer: Europeanisering of globalisering? 4. Is het zinvol Europeanisering als bedreiging van de nationale staat te omschrijven? 5. Zijn nationale of territoriale staten zoals Nederland ooit volledig autonoom geweest? 6. Is globalisering een nieuw verschijnsel of verkeren we alleen in een nieuwe fase ervan? 7. Wat is de motor van globalisering: de wil van bepaalde staten of de dynamiek van de kapitalistische markteconomie? week 40 PSP 9: dinsdag 4 oktober Vervolg en verandering verdeling machtsbronnen Docent: Becker Literatuur: Becker & Van Praag, hoofdstuk 5 (basis) Leerdoelen: Zoals onder college 8 Inzicht in het belang van machtsbronnen Elementaire thematisering van het verband macht afhankelijkheid globalisering Zelfstudie- en nadenkvragen 1. Welke sociale gevolgen heeft globalisering hier en elders in de wereld? 2. Wat wordt bedoeld met de slogan 'McWorld' versus 'Jihad'? 9

3. Is globalisering voor arme(re) landen een slechte zaak? 4. Wat zijn machtsbronnen? 5. Welke verandering in de verdeling van machtsbronnen tussen kapitaal, arbeid en staat heeft globalisering bewerkstelligd? PSP 10: vrijdag 7 oktober Democratisering, democratie, dictatuur Docent: Becker Literatuur: Becker & Van Praag, hoofdstuk 4, p. 79 -81 en 89 112 (basis) Linz & Stepan (basis) Hague & Harrop, hoofdstuk 5 en 6 (basis) Leerdoelen: Overzicht Westerse democratiseringstrajecten Overzicht theorievorming democratie Inzicht in de voorwaarden van succesvolle democratisering Inzicht in de voorwaarden voor dictatoriale bestellen Zelfstudie- en nadenkvragen 1. Wat is het verschil tussen democratische procedure en substantie van de democratie? 2. Welke trajecten van democratisering in Europa over de afgelopen 600 jaar kunnen we onderscheiden? 3. Met welke centrale dilemmas hebben we in een democratie te maken? 4. Wanneer vond in de westerse landen de formele democratisering plaats? 5. Wat is consolidatie van een democratie? 6. Wat is een autoritair regime; hetzelfde als een dictatuur? 7. Is het gedrag van de enkeling belangrijk voor het succes van een democratie? 8. Denk over dezelfde vraag ook m.b.t. een dictatuur na. week 41 PSP 11: dinsdag 11 oktober Vervolg en democratievormen: Formele politieke instituties Docent: Becker Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 13 tot en met 16 (achtergrond) Leerdoelen: Inzicht in de basisprincipes van de democratische rechtstaat Inzicht in democratische politieke structuren in vergelijkend perspectief Inzicht in het verschil tussen parlementaire en dualistische democratie PSP 12: vrijdag 14 oktober Politieke instituties en het politieke proces: het vergelijkend perspectief + responsiecollege Docent: Becker Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 15 en 16 (achtergrond) Leerdoel:

10

Kennis van de politieke bestellen i.v.m. politiek-culturele bijzonderheden in verschillende westerse en niet-westerse landen Inzicht in verschil tussen politiek in autoritaire en democratische regimes Zelfstudie- en nadenkvragen

1. Wat is het verschil tussen (de facto) monistische en dualistische politieke bestellen
2. Waarin verschilt de Nederlandse democratie van de Britse, Italiaanse en Franse, zowel formeel gezien als betreffende het karakter van de feitelijke politieke proces? 3. Wat is reductie van complexiteit in het politieke proces? 4. Waarom is het voor het parlement in een parlementaire democratie zo moeilijk de regering te controleren? 5. Wat zijn clintelistische, etatistische en arena-democratie?

week 42 geen PSP-colleges, wel digitale toets op 17 oktober (en wel PEG-colleges en werkgroepbijeenkomsten)
week 43 - tentamenweek

Tentamen deel 1 maandag 24 oktober 2011 Tijd: 09.00-11.00 uur Plaats: IWO 4.04B (Geel) & IWO 4.04C (Rood) Stof: alles (inclusief collegestof) tot en met week 41
Kijk op http://www.student.uva.nl/pol/roosters.cfm voor laatste gegevens over dag, tijd en plaats van de tentamens.

week 44 PSP 13: maandag 31 oktober Politieke instituties en het politieke proces in de VS Docent: Becker Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 15 en 16 (achtergrond) Leerdoelen: Inzicht in het specifiek Amerikaanse politieke proces Inzicht in het verband tussen politieke cultuur en politiek in de VS Kennis nemen van de beperkte bevoegdheden van de machtigste man ter wereld Zelfstudie- en nadenkvragen 1. Wat houdt het individualisme/particularisme van de Amerikaanse politiek in? 2. Waardoor is het effectieve handelingsvermogen van de Amerikaanse president veel meer beperkt van die van de meeste Europese premiers? 3. Welke rol spelen gepolitiseerde media in de Amerikaanse politiek? 4. Wat is de rol van de Tea Party in de Amerikaanse politiek

11

5. Wordt de VS door het grote geld geregeerd? 6. Wat zijn de vooruitzichten van de VS op het globale vlak (Midden-Oosten, Afghanistan, China)? PSP 14: dinsdag 1 november Europa Docent: Becker Literatuur: Hague & Harrop, hoofdstukken 14 en 16 (achtergrond) Leerdoelen: Inzicht verkrijgen in de complexe democratie/bestuursvorm van de EU Gevoelig worden voor de clichs over de EU Inzicht (een beetje) in de problemen en perspectieven van Europa, Zelfstudie- en nadenkvragen 1. 2. 3. 4. 5. Is de EU een staat? Hoe democratisch is de EU? Maakt het EU-besluitvormingsproces daadkrachtig handelen mogelijk? Wat zijn de meest gehoorde clichs over de EU? Zijn er dominante en ondergeschikte lidstaten in de EU? 6. Wat betekent spillover in het Europese integratieproces en zullen de economisch-financile problemen van de Euro-landen tot een nieuwe spillover leiden?

week 45 PSP 15: maandag 7 november Verzuiling en scheidslijnen, typische Nederlands? Docent: Van Praag Literatuur: Becker & Van Praag, hoofdstukken 9 en 10 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 3 (achtergrond) Leerdoelen: inzicht in het proces van verzuiling verzuiling als n vorm van segmentatie in Europa kennis en inzicht in het belang van scheidslijnen de institutionele verankering van scheidslijnen vergelijkende benadering van politieke stelsels PSP 16: dinsdag 8 november Cleavages en spelregels in de Consensusdemocratie Docent: Van Praag Literatuur: Becker & van Praag hoofdstuk 10 en 11 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 7 p.132-134 (basis) Leerdoelen: inzicht in de aard van de Nederlandse consensusdemocratie

12

inzicht in en kennis van de spelregels Nederlandse politiek consensusvorming in andere politieke stelsels

Zelfstudievragen

1. Wat zijn de voornaamste wijzigingen die in 1848 werden doorgevoerd in de Nederlandse


staatsinrichting? 2. Wat wordt verstaan onder 'moderniteit' en 'modernisering'? 3. Geef aan op welke punten van wetgeving de belangrijkste stromingen aan het eind van de 19e eeuw (liberalen, anti-revolutionairen, katholieken en socialisten) elkaar wel of juist niet konden vinden. 4. Wat wordt verstaan onder een cleavage of scheidslijn? Welke scheidslijnen zijn vooral in Nederland van belang (geweest), en welke ook in andere Europese landen? Waaruit blijkt dit? Geef hierbij voorbeelden. 5 Lipset en Rokkan spreken over 'bevroren partijstelsels' (the freezing of party systems). Wat bedoelen ze daarmee? Op welke periode en op welke partijen heeft deze term in Nederland betrekking. 6. Waarom is een (diepgaand) conflict in de samenleving niet altijd een scheidslijn (cleavage)? Onder welke omstandigheden kunnen conflicten zich tot scheidslijnen ontwikkelen? Is er in Nederland sprake van een nieuwe cleavage? 7. In welke opzichten vertonen (vertoonden) Nederland, Oostenrijk, Belgi en Zwitserland een overeenkomstig beeld van zuilen en verzuiling, of juist een verschillend beeld? 8. Op welke punten wijken de spelregels in de Nederlandse politiek anno 2011 af van de spelregels zoals die door Lijphart in 1968 zijn geformuleerd.

Week 46 PSP 17: maandag 14 november Politieke partijen en belangengroepen Docent: Van Praag Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 11 en 12 (basis) Leerdoelen: kennis van en inzicht in verschillende kiesstelsels en hun betekenis kennis van functies en functieverlies politieke partijen kennis van verschillende typen politieke partijen kennis van en inzicht in verschillende partijsystemen kennis en inzicht in de kenmerken en de rol van belangengroepen Zelfstudievragen Ga na wat de verschillen zijn tussen een consensusdemocratie en een meerderheidsdemocratie. 1. Geef in kort bestek een overzicht van de overeenkomsten en verschillen tussen de Nederlandse consensusdemocratie in het interbellum en in de jaren '90. Let daarbij in ieder geval op:

13

2.

spelregels het gedrag van elites het gedrag van de bevolking politieke instituties en hun werking Voer argumenten aan ter verdediging van elk van de volgende stellingen: kiezers hebben meer invloed in een meerderheids- of pluraliteitsstelsel dan in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging kiezers hebben meer invloed in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging dan in een meerderheids- of pluraliteitsstelsel. In partijen met een centrale kandidaatstelling is de partijdiscipline groter In districtenstelsels is het moeilijk voor vrouwen en vertegenwoordigers van minderheden om gekozen te worden in het parlement? 3. Waarom verschillen diverse kiesstelsels die alle gebaseerd zijn op evenredige vertegenwoordiging toch in de mate van evenredigheid ('proportionality')? 4. Welke kiesstelsels en manieren van kandidaatstelling bevorderen de afvaardiging van vrouwen in parlementen? Waarom is dit zo? 5. Wat is een partijsysteem? Welke factoren bepalen of er sprake is van een sterk of zwak partijsysteem? 6. Wat zijn de belangrijkste verschillen en overeenkomsten tussen de traditionele massapartij en de huidige politieke partijen? 7. Geef argumenten voor en tegen de volgende stelling: De opmars van carrirepolitici (politici die nooit een baan hebben gehad buiten de politiek) is de oorzaak van de malaise in de gevestigde politieke partijen. PSP 18: dinsdag 15 november Verkiezingen en kiesgedrag Docent: Van Praag Literatuur: Becker & Van Praag hoofdstuk 6 (basis) Hague & Harrop hoofdstuk 10 Leerdoelen: inzicht in de relatie tussen scheidslijnen, partijvorming en kiesgedrag kennis en begrip van de verschillende theorien over de relatie tussen partijen en kiezers inzicht in de oorzaak van de veranderingen in deze relatie Zelfstudievragen 1. Wat is het verschil tussen een referendum en een volksinitiatief? 2. Wat wordt bedoeld met particularisatie van kiesgedrag (Van der Eijk en Van Praag)? Wat wordt bedoeld met de termen realignment en dealignment? Geef voor de drie genoemde termen aan in welke mate ze van toepassing zijn op de veranderingen in kiesgedrag in Nederland sinds het midden van de jaren zestig 3. Vergelijk de these dat modernisering in de 2e helft van de 20e eeuw tot ontzuiling leidt (Hellemans) met de verklaring van ontzuiling als onderdeel van een proces van particularisatie (Van der Eijk). Sluiten zij elkaar uit, vullen zij elkaar aan, of overlappen zij elkaar? 4. De opkomst bij het referendum over de Europese grondwet in 2005 was hoog (ruim 62%)., maar toch lager dan bij Tweede kamer verkiezingen. Hoe is dat te verklaren? 5. Geef kort aan welke drie soorten theorien ter verklaring van partijkeuze Van der Eijk en Van Praag onderscheiden, en waardoor elk wordt gekenmerkt.

14

6. Welke theorie (of combinatie van theorien) over het kiesgedrag zou het succes van de PVV van Geert Wilders op 9 juni 2010 het beste kunnen verklaren? Kan het verlies van het CDA op dezelfde wijze verklaard worden? 7. Welke factoren zouden kunnen verklaren dat de electorale volatiliteit in Nederland zo sterk is toegenomen? Week 47 PSP 19: maandag 21 november De Moderne verkiezingscampagne Gastcollege van Kay van der Linde (voormalig campagneleider van Pim Fortuyn en oudadviseur Rita Verdonk) Leerdoelen Inzicht verwerven in de moderne wijze van campagnevoeren Inzicht krijgen in de mediastrategie van politieke partijen Inzicht in de rol van de televisie bij campagnes Nota bene: geen PSP-college op dinsdag 22 november (i.v.m. B&B-tentamen) week 48 PSP 20: maandag 28 november Media en Politiek Docent: Van Praag Literatuur: Hague & Harrop hoofdstuk 8 (basis) Becker en Van Praag hoofdstuk 7 (basis) Leerdoelen: inzicht in de plaats van de media in de huidige samenleving kennis over en inzicht in de invloed van de media inzicht in de veranderende relatie tussen media en politiek Zelfstudievragen

1. Geef kort in je eigen woorden weer wat de volgende theorien zeggen over de invloed
van de media op de burger: o cynismespiraal o injectienaaldtheorie o reinforcementtheorie o agendabouwtheorie 2. Geef beargumenteerd weer of de ontwikkeling van beschrijvende journalistiek naar interpreterende journalistiek al dan niet ertoe leidt dat het steeds meer om de poppetjes en steeds minder om de inhoud van het beleid gaat. 3. Wat zou het dominant worden van de interpreterende journalistiek kunnen betekenen voor de berichtgeving over Afrika en Latijns Amerika?

15

4. Dankzij de opkomst van internet, smartphones en tablets is het nieuws permanent en overal beschikbaar. Beargumenteer waarom de ontwikkeling richting het dominant worden van de media logic hierdoor versterkt wordt. 5. Ontleen aan de berichtgeving van de laatste twee weken een bericht (of meerdere berichten over hetzelfde onderwerp) dat in sterke mate de kenmerken heeft van media logic

PSP 21: dinsdag 29 november Politieke cultuur en participatie Docent: Van Praag Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 2 (p 28-33), 7, 9 (basis) Van der Eijk hoofdstuk 6 (achtergrond) Leerdoelen: kennis van begrippen politieke cultuur en subcultuur en onderscheid t.o.v. publieke opinie inzicht in de veranderingen in de politieke cultuur kennis van verschillende vormen van participatie Zelfstudievragen 1. Wat maakt een politieke cultuur tot een civic culture? Waarom is een civic culture volgens Almond en Verba gunstig voor de stabiliteit van een democratie? 2. Wat is het verband tussen de aanwezigheid van social capital in een maatschappij en de kans op een goed functionerend democratisch stelsel? 3. Geef aan waarom de theorie van het social capital aangeduid kan worden als een cultuurpessimistische theorie. 4. In welke mate zijn quotas noodzakelijk om de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek te vergroten? 5. Ga na in welke mate economische ontwikkelingen een rol spelen in de relatievedeprivatietheorie (met name de J-curve variant) over revolutionaire mobilisatie. Is het anderzijds ook aannemelijk dat hervormingen van Gorbatschov in de jaren tachtig ook hebben bijgedragen aan een proces van relatieve deprivatie in Oost-Europa? week 49 PSP 22: maandag 5 december Kabinetsformaties en de rol van het Staatshoofd in Nederland Gastcollege Drs. Ed van Thijn Leerdoelen: inzicht in de praktijk van de Nederlandse kabinetsformatie inzicht en kennis van de verschillende typen kabinet inzicht in de rol van het staatshoofd PSP 23: dinsdag 6 december Regeringsvorming en coalitietheorie Docent: Van Praag Literatuur: Hague & Harrop hoofdstukken 15 en 16 (opnieuw) Leerdoelen: inzicht in en kennis van de regeringsvorming in verschillende stelsels

16

inzicht in en kennis van coalitietheorie

Zelfstudievragen 1. Wat zijn volgens de coalitietheorie de twee belangrijkste doelstellingen die partijen kunnen nastreven in een kabinetsformatie? 2. Wat voor een type coalitiekabinetten kende Nederland sinds 1994? 3. Geef argumenten voor en tegen de stelling dat het staatshoofd te veel macht heeft bij de kabinetsformatie. 4. Zet de voor- en nadelen van een minderheidskabinet op een rij (ongeacht de politieke kleur van het kabinet) 5. Er wordt wel gesteld dat de huidige gedetailleerde en omvangrijke regeerakkoorden vanuit een democratisch oogpunt niet verdedigbaar zijn. Geef een argumentatie ter ondersteuning van deze bewering. Geef tevens argumenten tegen deze stelling. 6. Wat wordt aangeduid met de term 'alleen bij uiterste noodzaak'? Hoe adequaat is de visie van Daudt ter verklaring van de regeringssamenwerking tussen partijen in Nederland? Ga met name ook na of deze theorie van toepassing kan zijn op de formaties van 2003, 2006 en 2010? week 50 PSP 24: dinsdag 13 december Slot en Responsiecollege Docent: Van Praag week 51

Tentamen deel 2 maandag 19 december 2011 Tijd: 13.00-15.00 uur Plaats: Tentamenzaal USC Sporthal 2 Sciencepark Stof: alles (inclusief collegestof) vanaf week 44
Kijk op http://www.student.uva.nl/pol/roosters.cfm voor laatste gegevens over dag, tijd en plaats van de tentamens.

week 3

Inzage PSP tentamen deel 2


Donderdag 19 januari 2012, kamer 2.57 BG 11.00 11.30 studenten met achternaam A t/m K 11.30 - 12.00 studenten met achternaam L t/m/ Z plus schakel- en minorstudenten

17

week 6

Herkansing over de gehele stof: woensdag 8 februari 2012 Tijd: 18.00- 21.00 uur Plaats: IWO 4.04 A (blauw) Stof: alles (inclusief collegestof) vanaf week 44
Kijk op http://www.student.uva.nl/pol/roosters.cfm voor laatste gegevens over dag, tijd en plaats van de tentamens.

Belangrijke Begrippen
Van elk van de volgende termen en begrippen moet je een korte omschrijving kunnen geven, dan wel bij een multiple-choicevraag de juiste betekenis kunnen aangeven

Begrippen Tentamen deel I


absolutisme agendasetting aspectbenadering politiek authority/gezag autoritaire regimes besluitvormingsmethode civic culture counterfactual cross cutting cleavages cultuur/civilisatie democratische rechtstaat domeinbenadering politiek domeinspecificiteit van macht etnicisme gender/ sekse global village globalisering individualisering institutionele actoren kapitalisme (ideaaltypen) kenmerkruimte conflict en samenwerking klassenindeling (subjectief / objectief) latente conflicten law of anticipated reactions legitimiteit macht machtsbronnen methodologisch individualisme mobilisation of bias nationale staat non-decisions

18

omstreden begrip patriarchaat / male dominance pay off structuur politisering van sociaal-economische verhoudingen positiemethode position issues productieve uitbuiting protestantse ethiek rationele actoren rational choice approach reputatiemethode samenleving/maatschappij segregatie

sovereignty/soevereiniteit staat structurele pressie territoriale staat totalitaire regimes theocratie transnationalisering uitkomstenmethode valence issues waarneembare (open of verborgen) en latente conflicten ware belangen ijzeren wet van de oligarchie (Michels)

19

Begrippen Tentamen deel II


adversary politics agendasetting Anti Schoolwet verbond Antithese backbencher beleidsconsensus / institutionele consensus / procedurele consensus catch-all party caucus censuskiesrecht citizens jury clash of civilizations cleavages clientelism cohabitation confederatie constructieve motie van wantrouwen dealignment deconcentratie democratisch centralisme devolutie dominant partijsysteem duaal federalisme duale uitvoerende macht eenheidsregering elitepartij evenredige vertegenwoordiging federalisme fragmentarisering horse race ideologische identificatie institutioneel conservatisme kartelpartij kiesdrempel lijst(en)stelsel massapartij media logic meerderheidsstelsel (absoluut, dan wel pluraliteit) minimal winning coalition / minimal connected winning coalition modernisering nieuwswaarde Old Politics and New Politics Pacificatie particularisatie van het kiesgedrag partij-identificatie Partisan Logic polarisatiestrategie (van de PvdA) politieke cultuur politieke socialisatie populisme postmaterialisme presidentieel stelsel / parlementair stelsel / semi-presidentieel stelsel pseudo event Public Logic regenten regimented participation relatieve deprivatie 'schikken en plooien' schoolstrijd second order elections social capital 'sociale kwestie' spectators and gladiators spin doctors standing committee strategisch monisme STV (enkelvoudig overdraagbare stem) subsidiariteitsbeginsel talking assembly / working assembly twistentijd volatiliteit