Afgiftekantoor: 2060 Antwerpen 6

P109160

Driemaandelijks: april-mei-juni 2005

Vol 7

Lente 2005

Nr 2

Inhoud
WIL DE WARE JUDAS OPSTAAN! OVER ‘METAFYSISCH GENEZEN’ AFFIRMATIES EN ONTKENNINGEN ZOALS EEN MENS DENKT (DEEL II) INDIVIDUALITEIT EN NIRVANA AAN DE AARTSBISSCHOP VAN CANTERBURY
Afbeelding voorpagina: De Lotus Abonnementen THEOSOFIE: 15€ - Nederland: op postbankrekening 342654 t.n.v. Stichting Theosofie, Veldweg 51, 4874 ML Etten-Leur. Tel. (076) 503.45.03 (e-mail: mariavohe@hotmail.com) - België: op bankrekening 412-0113551-42 t.n.v. THEOSOFIE, St.Norbertusstraat 16, 2060 Antwerpen. Tel. 03 411.06.02 - Dit tijdschrift is een onafhankelijke uitgave, niet gebonden aan enige theosofische of andere organisatie. - Brieven van lezers met kritiek, vragen of opmerkingen met betrekking tot onderwerpen besproken in dit tijdschrift zijn welkom. - Verantwoordelijke uitgever: P. Wouters c/o St.Norbertusstraat 16, 2060 Antwerpen, België. (e-mail: theosofie@skynet.be) - Wettelijk depot: 1987-4759-1.

37 40 46 50 58 67

DE DRIE THEOSOFISCHE DOELSTELLINGEN
Het vormen van een kern van Universele Broederschap van de Mensheid, zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, persoonlijke omstandigheden of richting. De vergelijkende studie van oude en moderne religies, filosofieën en wetenschappen en het aantonen van het belang van zo’n studie. Het onderzoek van de onverklaarde natuurwetten en de latente psychische vermogens in de mens.

Theosofie Vol. 7 Nr. 2 April 2005

Editoriaal
Wil de ware Judas opstaan!
ET EEN GOED GEVOEL voor timing meldde het Nederlandse dagblad Het Parool daags voor Pasen dat een nieuw evangelie is opgedoken: het evangelie van Judas.1 Ruim 1800 jaar nadat het vanwege zijn godslasterlijke inhoud door de kerk in de ban werd gedaan, wordt dit verboden evangelie weer openbaar gemaakt. Het aangetaste document -in leer gebonden, 62 bladzijden- is afkomstig uit Muhazafat Al Minya in Midden-Egypte. Wetenschappers dateren het evangelie zeer vroeg, ergens tussen 34 en 110 na Christus. Daarmee is het ongeveer even oud als het bijbelse evangelie van Johannes. Een Zwitserse stichting heeft inmiddels een kopie van het evangelie en werkt momenteel aan een vertaling.2 Uit de tweede hand was al eeuwen geleden bekend dat er een Judas-evangelie moest hebben bestaan. Zo verwees de 2de-eeuwse kerkvorst Irenaeüs, bisschop van Lyon, al waarschuwend naar deze tekst in zijn geschrift Adversus haereses (Tegen de ketterijen). Het evangelie zou bestaan uit een dialoog tussen Jezus en Judas Iskariot, de discipel die zijn Meester voor een handvol zilverlingen verried en aan de Romeinen uitleverde. Het evangelie blijkt verbonden met de vroegchristelijke groepering der Kaïnieten, vernoemd naar de oudtestamentische zoon van Adam en Eva die zijn broer Abel doodsloeg. Volgens Irenaëus geloofden de aanhangers van deze ‘ketterse’ beweging dat Kaïn zijn voortbestaan dankte aan ‘de Hoogste Macht’ en dat Judas, “de waarheid kennende zoals geen ander die kende, het geheim van het verraad volbracht, waardoor alle dingen, zowel op aarde als in de hemel in verwarring werden gebracht. Zij bedachten een eigen geschiedschrijving, die ze het Evangelie van Judas noemden.”3 Wat maakt deze vondst zo bijzonder? Uiteraard heeft deze tekst een grote historische waarde, maar veel belangrijker is dat dit evangelie een ander, wellicht meer theosofisch licht werpt op het vroege christendom
1 2

M

“Evangelie van Judas opgedoken”, Het Parool, 26 maart 2005. Meer informatie over het Judas-evangelie op de volgende websites: www.earlychristianwritings.com/gospeljudas.html www.facts.ch/dyn/magazin/kultur/453048.html 3 “Een goed inpasbare Judas”, De Volkskrant, 29 maart 2005.

37

en de ware symbolische betekenis van Jezus de Christus. Het verband met de Kaïnieten geeft al aan dat we hier te maken hebben met een inwijdingsgeschrift, want volgens de theosofie is Kaïn, net als Hermes, een personificatie van gnosis of esoterische wijsheid.4 Kaïn (en vermoedelijk ook Judas) verwijst niet naar een historische figuur, maar naar een bepaalde functie, namelijk de functie van Leraar en Inwijder. Alles wijst er op dat het Judas-evangelie een gnostisch document is. Niet alleen door het feit dat Irenaeüs het als zodanig identificeerde, maar ook omdat twee andere teksten die het evangelie vergezelden -een brief van Petrus aan Philippus en de Eerste Openbaring van Jacobus- gnostisch zijn. Het Judasevangelie is dus van evenveel belang als de Nag Hammadi-geschriften, die in 1945 in Egypte werden gevonden, en is qua inhoud waarschijnlijk even explosief als de inmiddels bekende evangeliën van Thomas en Maria Magdalena. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de kerk dit geschrift als ketters bestempelde en dat het alleen van horen zeggen bekend bleef. Waarschijnlijk verschijnt nog dit jaar een vertaling van het Judas-evangelie, maar in afwachting hiervan kunnen we de volgende gnostieke boodschap van H.P.Blavatsky overdenken; een boodschap die ons nu reeds een sleutel verschaft tot wat Judas ons mogelijk te zeggen heeft: “Er is geen duivel, geen kwaad, buiten de mensheid die een duivel voortbrengt. Kwaad is een noodzaak in, en één van de dragers van het gemanifesteerde heelal. Het is nodig voor vooruitgang en evolutie, zoals de nacht nodig is om de dag voort te brengen, en de dood om leven voort te brengen – opdat de mens eeuwig mag leven. Satan vertegenwoordigt metafysisch eenvoudig het omgekeerde of de tegengestelde pool van alles in de natuur. Hij is allegorisch de ‘tegenstander’, de ‘moordenaar’ en de grote vijand van alles, omdat er in het gehele heelal niets is dat niet twee kanten heeft – de keerzijden van dezelfde medaille. Maar in dat geval kunnen licht, goedheid, schoonheid, enz. met evenveel recht satan worden genoemd als de duivel, omdat zij de tegenstanders zijn van duisternis, slechtheid en lelijkheid. En nu zullen de filosofie en de logische grondslag van bepaalde vroege christelijke sekten -die ketters werden genoemd en werden beschouwd als de gruwel van hun tijd- begrijpelijker worden. Wij gaan misschien begrijpen hoe het kwam dat de sekte van de SATANISTEN werd verguisd en zonder enige hoop op rehabilitatie in de toekomst in de ban werd gedaan; zij hielden namelijk hun leringen geheim. Hoe de KAÏNIETEN op grond van hetzelfde beginsel werden verguisd, en zelfs de (Judas) ISKARIOTTEN; want de ware aard van deze apostel en verrader is voor de rechtbank van de mensheid nooit op de juiste manier weergegeven.”5
4 5

H.P.Blavatsky, Isis Ontsluierd, II, Eng.p.508. H.P.Blavatsky, De Geheime Leer, II, Eng.p.389.

38

Kaïn vermoordt Abel. Gustave Doré (1832-1883)
Volgens De Geheime Leer (II, Eng.p.273vn, 388, 469) verwijst deze mythologische broedermoord onder meer naar de splitsing der geslachten. Kaïn is het symbool van de eerste mannelijke, Abel van de eerste vrouwelijke mensheid. Het ‘doodslaan’ betekent bloedvergieten en verwijst naar de menstruatiecyclus en het baren van kinderen, niet naar het nemen van leven  De redactie

lL

lL

lL

39

Filosofie
Over ‘Metafysisch Genezen’
[De twee hiernavolgende artikelen zijn een vertaling van Of ‘Metaphysical Healing’ en Affirmations and Denials van de heer Judge, oorspronkelijk gepubliceerd in Path, januari en maart 1892 (Theosophical Articles by William Q. Judge, Vol. II, Los Angeles, The Theosophy Co., 1980, pp.422427 en pp.429-432). In deze artikelen geeft de heer Judge de theosofische visie weer op gedachtegenezing, soms ook wel metaphysical healing genoemd, omdat volgens deze geneesmethode ziekte metafysisch slechts een illusie is. Ziekte moet worden beschouwd als een inbeelding van het denken. De mens kan zich van zijn kwalen verlossen, door via zijn denken de schijnbare realiteit van ziekte te ontkennen. Eind negentiende eeuw werd deze geneesmethode vooral bekend door de Christan Sciencebeweging, opgericht in 1876 door Mary Baker-Eddy. De centrale leer van Christian Science is het niet bestaan van het kwade, zoals ziekte, armoede of andere vormen van lijden. Omdat God volmaakt en zuivere Geest is, en de mens naar Zijn beeld is geschapen, zijn wij ook volmaakt en zuivere Geest. Doordat de mens enkel Geest is, is hij onsterfelijk, is hij gezond, en kan hij derhalve niét ziek worden. Dat hij tòch ziek wordt, ligt aan het feit dat hij ten onrechte gelooft dat hij niet reeds volmaakt is. Alleen door dit geloof te veranderen, kan de mens genezen, want zolang de mens denkt dat ziekte een werkelijkheid is, zal hij ziek blijven. Deze op het eerste zicht aantrekkelijke gedachte wordt door de heer Judge bekritiseerd, omdat het metafysisch uitgangspunt -de totale ontkenning van relativiteit en onvolmaaktheid- volstrekt onjuist is. Het gemanifesteerde universum met zijn paren van tegenstellingen -zoals goed versus kwaad, ziekte versus gezondheid en armoede versus rijkdom- is niet het product van onze subjectieve inbeelding, maar een objectieve, zij het relatieve realiteit, waarmee de mens wel degelijk rekening dient te houden. Wie derhalve probeert om via het denkvermogen deze relatieve werkelijkheid der tegenstellingen op een magische wijze weg-te-denken, verlost zichzelf niet van ziekte, maar schept voor zichzelf een fantasiewereld, die zuiver het resultaat is van autosuggestie. Judge wijst op het gevaar dat door een regelmatige herhaling van affirmaties (bevestigingen) en ontkenningen -zoals: “ik ben gezond. Er bestaat geen ziekte”- fysieke problemen naar de psycho-mentale of meer innerlijke niveaus van de mens worden teruggedreven. Het lijkt dan alsof de mens van zijn kwaal is genezen, maar

40

in werkelijkheid is deze slechts teruggedrongen naar de meer onzichtbare aspecten van de mens. Zo’n kunstmatige aanpak betekent de ziekten “weer naar hun schuilplaats drijven, de ontwikkeling ervan onderdrukken, de uitputting ervan tot staan brengen en het overbrengen ervan naar de grovere levensniveaus. Ze worden met geweld teruggesleurd om slechts opnieuw te wachten tot ze in een volgend leven op natuurlijke wijze tot uiting kunnen komen. Die natuurlijke uitwerking verloopt via het lichaam.” (W.Q.Judge, “Replanting diseases for future use”, Theosophical Articles, II, p.439.) Judge benadrukt dat de meeste aanhangers van gedachtegenezing voortreffelijke mensen zijn met goede motieven, maar dat hun gebrek aan inzicht in betrouwbare esoterische filosofie ervoor zorgt dat zij de krachten van het denkvermogen misbruiken. Hij was het er helemaal mee eens dat het een goede zaak is over een evenwichtig en opgewekt denken te beschikken en dat men het leven moedig en positief tegemoet moet treden, maar dat betekent nog niet dat men via het denken de pijnlijke aspecten van het leven dient te ontkennen. Dat is verkeerd en gevaarlijk. Als we geen volledig ware aansluiting houden met de werkelijkheid, komt er vroeg of laat een terugslag. De beschouwingen van de heer Judge over gedachtegenezing zijn nog steeds actueel, omdat deze methode ook in onze tijd, vooral binnen de New Age-beweging, veel aanhangers kent. Een bekend voorbeeld is Een Cursus in Wonderen, waarvan de leerstellingen over ziekte en gezondheid in wezen weinig verschillen van Christian Science. De boodschap van deze moderne bijbel van het Nieuwe Tijdsdenken is immers dat deze gemanifesteerde wereld van dood, lijden en ziekte een collectieve illusie is. Het is een door het menselijk denken gecreëerde nachtmerrie, zonder enige objectieve werkelijkheid, want een volmaakte God kan onmogelijk een onvolmaakte wereld scheppen. Niet God, maar de mens heeft door zijn denken deze zogenaamde fysieke wereld geschapen. Ook het fysieke lichaam is niet meer dan een verkeerde gedachte in ons denken. In werkelijkheid dromen we slechts dat we een fysiek lichaam hebben, dus hoe kunnen we ooit echt ziek worden. De ‘healing’ waarvoor Een Cursus in Wonderen een hulpmiddel wil zijn, bestaat er vervolgens in dat we via onze ‘denkgeest’ doordrongen raken van het feit dat deze relatieve wereld niet bestaat. Hoewel Een Cursus in Wonderen mogelijk enkele waardevolle psychologische inzichten bevat -bijvoorbeeld over vergeving en angst- getuigt het werk van een onjuiste metafysica die de mens op een gevaarlijk spoor kan brengen, door bijvoorbeeld alle onaangenaamheden van het leven als een mentale illusie te beschouwen. Dit kan leiden tot een ongezond escapisme. Een onbevooroordeelde overpeinzing van wat de heer Judge zegt over de valkuilen van gedachtegenezing heeft dus ook anno 2005 nog zijn waarde.]

41

D

E TIJD VOOR COMPROMISSEN of stilzwijgen met betrekking tot wat respectievelijk Gedachtegenezing, Mental Science, Christian Science en dergelijke wordt genoemd, is nu voorbij en het ogenblik is aangebroken waarop er duidelijkheid dient te worden geschapen over deze en ook over sommige andere onderwerpen. De eerste toon werd gezet op de theosofische bijeenkomst van 1890, toen H.P. Blavatsky in de door haar rondgezonden boodschap schreef, dat sommige van deze praktijken veel weg hadden van ‘zwarte magie’, zoals zij het in die boodschap uitlegde. Zij zegt : “Met andere woorden, telkens wanneer de genezer, bewust of onbewust, zich mengt in de vrije mentale activiteit van de persoon die hij behandelt, is dit Zwarte Magie.”1 Op dat ogenblik voelden heel wat mensen zich gekwetst, sommigen omwille van zichzelf, en anderen omdat zij het gevoel hadden dat mensen uit de categorie die in die zogenaamde wetenschappen geloven en ze in de praktijk brengen, bijgevolg zouden worden weggestuurd uit de [Theosophical] Society. Vandaar dat heel wat leden er zich angstvallig van onthielden om deze zaak nog ter sprake te brengen en in heel wat afdelingen werd dit onderwerp doodgezwegen.

Eerst en vooral mogen we niet beweren dat er nooit genezingen hebben plaatsgevonden door middel van de bedoelde praktijken. Er zijn gevallen van genezing geweest. Want men zou inderdaad blind moeten zijn voor de verslagen uit de medische wereld indien men zou zeggen dat voor het denkvermogen geen rol is weggelegd bij de genezing van ziekten. Die rol bestaat inderdaad, zoals elke dokter weet, want als de patiënt zich depressief blijft voelen (in zijn denken), dan kan dat leiden tot het falen van het genezingsproces of zelfs tot de dood.2 Maar dat is geen ‘gedachtegenezing’ of ‘mentale genezing’; het is een ondersteuning bij de reguliere behandeling. En aangezien heel veel menselijke ongemakken zijn ingebeeld, soms in acute vorm ten gevolge van het inbeeldingsvermogen, kan het in dergelijke gevallen gebeuren dat genezingen tot stand worden gebracht door de leerscholen waarover we het nu hebben. Sommige zenuwaandoeningen zouden op die manier kunnen worden genezen. En als dat wordt verwezenlijkt door het denkvermogen van de patiënt naar hogere gedachten te leiden, dan kan daartegen geen bezwaar bestaan. Maar indien het denkvermogen vervuld is van een verkeerde filosofie, of als er gebruik wordt gemaakt van de affirmaties en ontkenningen die we in deze ‘wetenschappen’ aantreffen, of er wordt binnengedrongen in de ‘constructie van de goddelijke en spirituele vorm’, dan is het hele gebeuren ronduit slecht.
H.P.Blavatsky gaat uitvoerig in op Christian Science en aanverwante bewegingen, in haar artikel “Christian Science”, in H.P.Blavatsky, Collected Writings, Vol.X, The Theosophical Publishing House, 1964, pp.34-42. [NvdR] 2 Zie ook het in dit nummer opgenomen artikel “Zoals een Mens Denkt” van James Allen. [NvdR]
1

42

Het is dus gepast om onze houding te bepalen aangaande de genezing van lichamelijke kwalen. Het is zo dat voor zover ze van fysieke oorsprong zijn of zich fysiek uiten, die kwalen die voortkomen uit een verkeerd denkpatroon zullen verdwijnen wanneer we tevreden zijn en bij onze wezenskern blijven, terwijl aandoeningen die chronisch zijn, dus mechanisch en fysisch, met gelijksoortige middelen behandeld zouden moeten worden en niet via een poging om het spirituele en goddelijke neer te halen naar dit zijnsgebied. In geen enkele van de oude leerscholen was het iemand toegestaan om goddelijke of spirituele krachten voor zichzelf te gebruiken of ze te verkopen. Verder zien we dat de primitieve mensen de gezondste zijn. Toch zijn ze niet op de hoogte van die dingen en staan zij onverschillig ten opzichte van dergelijke ideeën. Ondanks het feit dat de Indiaan in vroegere tijden veel uit moorden ging en niet rechtschapen leefde, was hij een prachtig voorbeeld van fysieke gezondheid. Dit toont aan dat men gezondheid in stand kan houden door aandacht te schenken aan de gewone natuurwetten op het materiële gebied, door aandacht te besteden aan hygiëne en lichaamsoefeningen. En het is eens te meer duidelijk dat, als we naar de bokser en de atleet kijken, zij door soortgelijke voorschriften in acht te nemen en door volledig de fraaie theorieën van de mentale genezers te negeren, gezond en sterk worden en in staat zijn de grootste vermoeidheid en ontbering te verdragen. Hetzelfde deed zich voor in de tijd van de atleten van Rome en Griekenland. In deze methoden dienen een aantal hiaten te worden aangestipt. Gebruikmakend van het woord ‘gedachte’ zeggen ze dat onze ziekten het gevolg zijn van onze gedachten, maar ze negeren het feit dat kleine kinderen vaak aan zeer hardnekkige ziekten lijden en dit op een zo jonge leeftijd dat niemand zal beweren dat ze de tijd of mogelijkheid hebben gehad om te denken. Er zijn baby’s geweest met de ziekte van Bright en andere kwalen. Dit is een feit dat dreigend opdoemt tegenover de argumenten van de mentale genezer en dat nooit zal worden onderuitgehaald. Maar indien we dit vanuit een theosofisch perspectief bekijken, dan weten we dat de gedachten van het vorige leven de oorzaak zijn van de problemen en vreugden van dit leven, en dat is de reden waarom deze problemen nu uitgewerkt worden via het geëigende kanaal -namelijk het lichaam- en dus zo op weg zijn om van binnen naar buiten eruit te verdwijnen. Dat verdwijnen zou niet mogen worden tegengehouden. Immers: door te proberen om te genezen op de manier van de gedachtegenezer worden de ziekten vaak tegengehouden en teruggestuurd naar hun plaats van herkomst, en worden ze opnieuw in het denkvermogen geplant in de vorm van onuitgewerkte oorzaken die ongetwijfeld op één of ander ogenblik opnieuw naar boven zullen komen in dit of in een ander leven. Dit is één van de grootste gevaren. Het leidt in vele gevallen tot krankzinnigheid.

43

De volgende misvatting zit in de methode van affirmaties en ontkenningen. Beweren zoals zij dat er geen materie is, dat alles geest is, en dat er geen kwaad is maar dat alles goed is, en dat “dit lichaam van mij zuiver is en in goede conditie en vrij van problemen”, is filosofisch en zelfs zuiver taalkundig volledig verkeerd. ‘Geest’ en ‘Stof’ zijn immers begrippen die alleen maar samen kunnen bestaan, en als men het bestaan van één van beide ontkent dan moet de andere ook verdwijnen. Het zijn de twee grote tegenpolen. Zoals de Bhagavad Gita zegt, is er geen geest zonder dat er ook materie is. Het zijn de twee eeuwige waarheden, de twee manifestaties, één aan de ene pool en één aan de andere pool van het absolute, dat noch materie noch geest is maar totaal onbeschrijfelijk behalve -zoals (eerder) gezegd- dat het tegelijkertijd geest en stof is. Op dezelfde manier zijn Goed en Kwaad twee tegenpolen die wederkerig bestaan en waarvan de ene noodzakelijk is om de andere te leren kennen, want als er geen kwaad zou zijn dan zouden we niet weten wat het goede te noemen. Men zou dan evengoed kunnen zeggen dat er geen duisternis is, maar dat alles licht is. Door deze dwaze affirmaties heeft men een einde gemaakt aan alle relativiteit en wordt ons gevraagd om elk juist woordgebruik te laten varen teneinde tegemoet te komen aan diegenen die wensen aan te tonen dat optimisme op alle vlakken en op elk ogenblik de juiste houding is. Degene die de Christian Science aanhangt gaat nog verder en zegt dat God alleen maar goed is, een stelling die in feite helemaal niets betekent dan een woordspel met de term god. Het zou niet werken in het Spaans, want daar is goed bueno en god is dios. Deze bewering weigert eenvoudigweg het harde feit toe te geven dat indien God bestaat hij zowel slecht als goed moet zijn, tenzij we terugvallen op de oude Katholieke opvatting dat de duivel even sterk is als God. En zelfs indien we stellen dat God de duivel heeft gemaakt en hem op zekere dag zal stoppen, dan is het kwade een deel van God tenzij hij in sommige opzichten niet verantwoordelijk is voor de wereld en de wezens. Maar de zonet genoemde affirmatie, dat iemands lichaam in goede conditie en zuiver is en vrij van ziekte, is zowel vernederend als vals. Het mag dan waar zijn dat lichamen illusies zijn, maar het zijn niet de illusies van afzonderlijke individuen maar van het collectieve denkvermogen van de mensheid, en daarom zijn ze -zoals ze nu opgebouwd zijn- relatief echt voor de lagere wezens die de mensheid samenstellen. Niemand heeft de kracht om te ontsnappen uit deze grote illusie van het collectieve denkvermogen tot hij is opgeklommen tot een werkelijk bewuste verwezenlijking van dat denkvermogen op alle niveaus. Deze affirmatie weerlegt zichzelf, want indien één persoon op die manier deze relativiteit kan tenietdoen voor zover het hemzelf betreft door ze eenvoudigweg te ontkennen, hoe komt het dan dat de illusie nog steeds blijft bestaan voor en vat heeft op de overblijvende miljoenen mensen? Bovendien weten we dat het lichaam bestaat uit een geheel van

44

zaken die goed noch zuiver zijn, en dat in de abstracte betekenis van deze bevestigingen de meeste onopgemerkte fysiologische handelingen eigenlijk afstotelijk zijn. De grenslijn tussen zwarte en witte magie is zeer dun, maar wordt vrij duidelijk wanneer men ziet dat de geneeskunst, die gebruik maakt van zulke hogere krachten zoals opgeëist door de betreffende leerscholen, uitgeoefend wordt voor zuiver zelfzuchtige doeleinden en bovendien nog voor geld. Daarin schuilt gevaar en alle theosofen zouden goed moeten opletten dat ze er zelf niet in vervallen of dat ze er niet voor zorgen dat anderen in die richting gaan. Het grote gevaar komt uit de verstoringen die door deze praktijk worden teweeggebracht. Het is een soort yoga maar zonder enige juiste kennis van de methode; het is een blind ronddolen te midden van krachten die zo subtiel en zo krachtig zijn dat ze elk moment zouden kunnen losbarsten. Door op de aangeleerde manier verder te gaan wekt een persoon eigenlijk vanaf het begin latente lichaamsstromen op, die ageren en re-ageren op het astrale en psychische niveau en tenslotte schade veroorzaken. Ik heb verschillende gevallen in gedachte en sommige daarvan zijn gevallen van werkelijke krankzinnigheid, die volledig te wijten zijn aan deze praktijken. Ik zal daarover op een ander ogenblik meer vertellen, en ik zal dan mogelijk in staat zijn om naar buiten te komen met een rapport dat diegenen zal verbazen die, louter ter genezing van bepaalde ziekten die de geneeskunde perfect in staat is te genezen, voor een andere weg kiezen en met krachten spelen waarvan ze geen kennis hebben, en die ook nog in handen leggen van anderen die nog onwetender zijn, en zichzelf ondertussen bedriegen met de gedachte dat ze bezig zijn met hoogstaande filosofie. Filosofie heeft hiermee niets van doen, behalve als middel om het denken op zodanige wijze centraal te plaatsen dat er innerlijke krachten kunnen worden opgewekt. Hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt door om het even welk systeem van praten of denken, en dit ongeacht het misleidende karakter ervan  William Q. Judge

lL

lL

lL

45

Filosofie
Affirmaties en Ontkenningen

I

N HET TIJDSCHRIFT PATH van januari [1892] werd een discussie gestart over ‘gedachtegenezing’ en soortgelijke onderwerpen.* Sindsdien hebben wij een aantal brieven ontvangen van en gesprekken gehad met diegenen die denken dat het artikel niet juist is, of dat het een foutief standpunt inneemt, of dat het niet alle standpunten van alle leerscholen weergeeft. Toen we vervolgens de vraagstellers verwezen naar publicaties van aanhangers van deze leerscholen werd ons gezegd dat die de kwestie niet in het juiste daglicht plaatsen, enzovoort. Het is de bedoeling om in dit artikel te verwijzen naar enkele gepubliceerde uitlatingen van voormelde aanhangers, zodat die kunnen worden onderzocht.

In het januarinummer van een tijdschrift dat Christian Science heet en gepubliceerd werd in Boston, klaarblijkelijk onder de auspiciën van een instituut van deze cultus, staat het volgende te lezen in een artikel met als titel Mijn Genezende Boodschap van Minna Peckham: “Ik verklaar bij deze dat alle pijn, ziekte of dood geen belang heeft en niets betekent. Er is geen ziekte. Ik ontken dat er ooit enige ziekte bestond. Ik geloof niet in armoede; ik weet dat er geen armoede is; er was nooit enige armoede; er zal nooit enige armoede zijn. We hebben grote hoeveelheden rijkdom; iedere man, vrouw en kind is rijk. Het ontbreekt hen aan niets. Ik geloof niet in stormen. Ik weet dat er geen stormen bestaan. Er waren nooit (enige) stormen; er zullen er ook nooit zijn. Ik ontken eens en voor altijd de realiteit van stormen. Ik geloof niet in ongevallen, ik weet dat er nooit ongevallen waren en dat die er nooit zullen zijn.” En al dit geraaskal wordt uitgesproken in volle ernst, gaat nog een groot aantal paragrafen door en eindigt als volgt: “Ik ben een boodschapper van God’s liefde en een drager van positieve boodschappen over wat waar is.” Sommigen wijzen ons erop dat dit soort dingen “geen authentiek voorbeeld is; het is niet representatief.” De moeilijkheid is echter dat de
* Zie het vorige artikel: Over ‘Metafysisch Genezen.’ [NvdR]

46

verschillende ‘metafysici’ van elkaar hetzelfde zeggen en wanneer ze in het nauw gedreven worden door zo’n confrontatie, zeggen ze: “O, dat is niet waar het om gaat.” Maar een nog grotere moeilijkheid is dat de zonet aangehaalde onzin (ook) het exacte resultaat is van de andere methoden, want ze berusten allemaal op een systeem van affirmatie en ontkenning en dat moet, als het tot een logische gevolgtrekking wordt doorgevoerd, precies leiden tot datgene wat Miss Peckham zegt. Zij is klaarblijkelijk niet bang om onversaagd op haar doel af te gaan en zichzelf en alle andere dingen en wezens op deze planeet tot niets te herleiden. Het is trouwens volkomen rechtmatig om nog wat verder te gaan dan haar ‘boodschap’, teneinde de uitgezette redeneertrant als volgt door te voeren: “Er bestaat niets; ik denk niet, ik heb nooit gedacht, ik zal nooit denken, en de gedachten die ik net heb uitgesproken hebben geen bestaan en daarom is alles wat ik heb gezegd niets, en vandaar dat alles wat ik heb ontkend precies het tegenovergestelde is.” Dit is volkomen logisch en correct en het herleidt de hele zaak tot zijn juiste dimensie. De hele reeks affirmaties en ontkenningen doet ons denken aan de passages in de geschriften van de grote Ziener Swedenborg, waar hij die zielen beschrijft die om het even wat bevestigen en ontkennen en die elke bewering herleiden tot precies het tegenovergestelde van wat zou kunnen zijn gezegd. Wij nemen niemand in de maling, maar zijn uiterst serieus en zijn bereid om alle mogelijke argumenten en alle werkelijke onderzoeksscholen aan het woord te laten om onze stelling te onderbouwen. Natuurlijk zullen sommigen het er niet mee eens zijn, maar we zijn bereid de zaak in handen te laten van diegenen die zijn opgeleid om het ware verloop van een argument te begrijpen. Er bestaan regels van de logica die dienen te worden gevolgd, tenzij we op een leeftijd zijn gekomen dat al deze dingen zijn gepasseerd. En de Genezende Boodschap wordt nu ter sprake gebracht, omdat deze publicatie de aandacht trekt van theosofen en theosofische boeken adverteert. Relativiteit Zodra het Absolute zich begon te manifesteren, of, als u wilt, onmiddellijk nadat de Almachtige God de dingen en de wezens schiep, begint de relativiteit, en alle denkvermogens raken verstrikt in haar web en worden verplicht om op relatieve wijze naar de dingen te kijken. En zo gebeurt het dat we ‘goed’ en ‘kwaad’ moeten gebruiken, evenals alle andere woorden, die verwijzen naar deze relatieve dingen en ideeën. Indien er geen materie zou bestaan, zou er geen geest zijn, en evenmin zou het goede er zijn indien het kwade niet zou bestaan. Daarom druist het tegen elke logica en gezond verstand in om te zeggen dat er geen kwaad is. Het is enkel het verlangen van de optimist die niet naar de dingen wil kijken zoals ze zijn, dat mensen ertoe aanzet om te bevestigen dat alles goed is of om te

47

ontkennen dat er kwaad bestaat. Alles is relatief, en er is zowel goed als kwaad, juist zoals licht en duisternis bestaan. Want als het ene niet bestond dan zouden we nooit iets over het andere kunnen weten, aangezien deze begrippen zijn ontstaan vanuit tegengestelden. In deze zogenaamde metafysische kunsten of ‘wetenschappen’ wordt de relativiteit van dingen en ideeën voortdurend ontkend vanuit het verlangen om alles perfect te hebben en precies zoals wij dat wensen. Maar hoe kunnen deze optimisten weten dat ze het juist voor hebben indien ze de relativiteit van tafel vegen? En hoe kan iemand van ons zeggen dat verdriet en armoede niet bestaan? Armoede is een feit -het feit van zonder geldmiddelen te zijn of zonder de dingen die met geldmiddelen kunnen worden gekocht- en dit is zo, ongeacht of de algemene noden van het land waarin men leeft groot of klein zijn. Het is in geen geval een gevoel of te wijten aan inbeelding. Vandaar dat armoede hiér rijkdom kan betekenen voor iemand in India, enzovoort, maar voortdurend is er armoede in één of ander land, ongeacht hoe de relativiteit met betrekking tot dat soort van armoede verandert in een andere natie. Het is dus strijdig met eenieders ondervinding om te zeggen dat er geen armoede is, en het is eveneens in strijd met de logica. Maar het is niet verkeerd om te zeggen dat het effect op je denken kan veranderen al naargelang de manier waarop je naar de zaak kijkt; en dus kun je arm zijn en toch tegelijkertijd tevreden. Maar de armoede blijft niettemin een feit, ondanks de spirituele of morele rijkdom. Werkelijke tevredenheid ontstaat niet vanuit verkrachting van de logica en de feiten, maar vanuit een juiste kijk op dit relatieve universum. En zo’n juiste zienswijze zal nooit bereikt worden door ontkenningen die niet staande kunnen worden gehouden. Veel van de bezwaren die geuit werden tegen de beschouwingen in het artikel van januari [Over ‘Metafysisch Genezen’] sloegen de plank (volledig) mis, want ze hielden de stelling van de schrijver, die ook aan de andere leden van de [Theosophical] Society werd toegeschreven, voor het standpunt dat we moeten blijven denken dat we ziek zijn terwijl we dat niet zijn, en dat we ons ellendig moeten blijven voelen terwijl dit enkel het gevolg is van de ziekelijkheid van het denken. Dit is het uitgangspunt helemaal niet. Veel van onze ellende is te wijten aan ontevredenheid en aan egoïsme, en zal verdwijnen zodra we tevreden en oprecht worden. Veel van onze lichamelijke klachten verdwijnen wanneer we het denkvermogen in zijn normale activiteit hebben hersteld. Maar deze normale activiteit kan niet verworven worden door ongezonde logica en nog ongezondere statistieken. Het gebeurt door het feit te erkennen dat “het denken een gebied op zich is, dat van de hel een hemel, en van de hemel een hel kan

48

maken.” Als we zien dat een reeks van omstandigheden de ene mens gelukkig en de ander precies het tegenovergestelde kan maken, dan weten we dat veel afhangt van de manier waarop we naar onze omgeving kijken; maar dit is een oude denkwijze, die al gangbaar was bij de oudsten van de ouden. Welk recht hebben de ‘metafysici’ om zich dit toe te eigenen? Alle goede dokters hebben gezegd dat veel afhangt van het denken van de patiënt, maar dit neemt de noodzaak van goede dokters niet weg. Het roept enkel op tot meer gezond verstand aan de kant van de patiënten. Laat ons veronderstellen dat er een volk zou bestaan dat van geboorte tot dood doordrongen is van de absurde ontkenningen en affirmaties die we hebben vermeld en probeer u eens voor te stellen wat het effect zou zijn op de volgende incarnatie van zo’n volk. Waarschijnlijk gelooft Miss Peckham niet in reïncarnatie maar indien ze dat wel deed, zou ze zeggen dat het effect goed zou zijn. Maar zouden alle armoede en de stormen en aardbevingen daarmee hebben opgehouden te bestaan? Nauwelijks, omdat in het geval van de natuurlijke worstelingen van Moeder Aarde, wat ook de gedachten mogen zijn die hen hebben veroorzaakt, deze buiten ons gezichtsveld vallen en niet onder invloed staan van onze ontkenningen. Zouden de tegenstellingen die de ware veroorzakers zijn van armoede, ongeacht het bestaansgebied daarvan, ophouden te bestaan? We denken van niet, tenzij alles door middel van het opmerkelijke proces, uitgelegd in het aangehaalde artikel, zou worden herleid tot één levenloos niveau. Maar we weten op zijn minst dat evolutie op alle vlakken een natuurwet is en dat er geen levenloos niveau mogelijk is. Onder de werking van de wet van evolutie moeten deze tegenstellingen er zijn, ongeacht hoe hoog we gaan of hoe lang we voortgaan in deze grote stroom. Dus als deze affirmaties en ontkenningen tot gevolg zouden hebben dat we zouden worden opgeheven van deze sfeer naar een andere, dan zouden de ontkenners en bevestigers daar weer opnieuw moeten beginnen, met het vermoeiende proces van zichzelf te storten in een zee van illusoire gedachten, ontdaan van enige logica, en louter optimistisch. Als deze voorstelling van zaken juist is, is het dan verstandig om dit systeem voort te zetten of er op één of andere wijze morele steun aan te verlenen? William Q. Judge

lL

lL

lL

49

Psychologie
Zoals een Mens Denkt (deel II)
[Onderstaand artikel is het tweede deel van de vertaling van As a Man Thinketh van James Allen. Het eerste deel is verschenen in Theosofie, Herfst 2004, Vol 6, Nr 4, p.141. Een volledige elektronische versie van As a Man Thinketh kan worden geraadpleegd in het door de GLT uitgegeven internet-tijdschrift The Aquarian Theosophist: www.teosofia.com/Docs/vol-4-12.pdf]

Gevolgen van gedachten op gezondheid en lichaam Het lichaam is de dienaar van het denkvermogen. Het gehoorzaamt de werkingen van het denkvermogen, of die nu opzettelijk gekozen zijn of automatisch tot uitdrukking komen. Op bevel van onrechtmatige gedachten verzinkt het lichaam snel in ziekte en verwording. In opdracht van blije en mooie gedachten wordt het bekleed met jeugdigheid en schoonheid. Ziekte en gezondheid zijn, net als onze omstandigheden, geworteld in gedachten. Ziekelijke gedachten zullen worden uitgedrukt door een ziekelijk lichaam. Van angstgedachten is bekend dat ze een mens net zo snel kunnen doden als een kogel en ze doden voortdurend duizenden mensen even trefzeker, hoewel minder snel. De mensen die in angst voor kwalen leven, zijn de mensen die ze krijgen. Zorgelijkheid demoraliseert het hele lichaam snel en maakt het toegankelijk voor ziekte, terwijl onzuivere gedachten, zelfs al worden ze niet fysiek uitgeleefd, vroeger of later het zenuwstelsel zullen vernietigen. Sterke, zuivere en gelukkige gedachten bouwen het lichaam op in vitaliteit en gratie. Het lichaam is een verfijnd en buigzaam instrument dat gemakkelijk reageert op de gedachten die erop worden afgedrukt en denkgewoonten zullen hun eigen gevolgen erop hebben, hetzij goed of slecht. Mensen zullen onzuiver bloed blijven hebben zolang ze onzuivere gedachten blijven hebben. Uit een schoon hart komt een schoon leven en een schoon lichaam. Uit een vervuild denkvermogen komt een vervuild leven en een aangetast lichaam. Denken is de bron van handelen, leven en manifestatie; maak de bron schoon en alles zal schoon zijn. Verandering van dieet zal iemand niet helpen die zijn gedachten niet verandert. Wanneer een mens zijn gedachten zuiver maakt, verlangt hij niet langer naar onzuiver voedsel. Schone gedachten scheppen schone gewoonten. De zogenaamde heilige die zijn lichaam niet wast, is geen heilige. Hij die zijn gedachten heeft versterkt en gezuiverd hoeft geen rekening te houden met het onheilbrengende.

50

Als u uw lichaam wilt perfectioneren, bewaak dan uw denkvermogen. Als u uw lichaam zou willen vernieuwen, verfraai dan uw denken. Gedachten van kwaadaardigheid, afgunst, teleurstelling en vertwijfeling beroven het lichaam van haar gezondheid en gratie. Een zuur gezicht ontstaat niet door toeval; het wordt door zure gedachten gemaakt. Ontsierende rimpels worden gemaakt door dwaasheid, passie en trots. Zoals u geen fijne en gezonde woning kunt hebben als u er niet vrijelijk lucht en zonneschijn binnenlaat, zo kan een sterk lichaam en een stralend, gelukkig, of sereen gelaat alleen ontstaan door de vrije toegang van gedachten van vreugde en goede wil en vredigheid in het denken. Ik ken een vrouw van zesennegentig die het heldere, onschuldige gezicht van een meisje heeft. Ik ken een man die nog niet de middelbare leeftijd heeft bereikt, en wiens gezicht in disharmonieuze trekken is geplooid. Het ene is het gevolg van een lieve en zonnige instelling, het andere is het resultaat van passie en ontevredenheid. Op gezichten van bejaarden zijn er rimpels die door medegevoel zijn ontstaan, andere door sterke en zuivere gedachten en nog andere zijn gekerfd door passie; wie kan ze niet onderscheiden? Bij degenen die rechtschapen hebben geleefd, is de ouderdom kalm, vredig en zacht en mild, als de ondergaande zon. Onlangs heb ik een filosoof op zijn sterfbed gezien. Hij was niet oud, behalve in jaren. Hij stierf net zo beminnelijk en vredig als hij had geleefd. Er is geen betere arts voor het verdrijven van de kwalen van het lichaam als opgewekte gedachten. Er is geen trooster vergelijkbaar met goede wil voor het verdrijven van de schaduwen van verdriet en leed. Voortdurend leven in gedachten van kwaadwilligheid, cynisme, achterdocht en afgunst is opgesloten zitten in een zelfgemaakte gevangeniscel. Maar door over iedereen goed te denken, door tegenover iedereen opgewekt te zijn, geduldig te leren om het goede in alles te vinden, zulke onzelfzuchtige gedachten zijn de werkelijke poorten tot de hemel. Dag in dag uit in gedachten van vrede voor alle wezens vertoeven zal overvloedige vrede brengen aan de bezitter ervan. Denken en doelbewustheid Totdat denken verbonden wordt met doelbewustheid bestaat er geen intelligente vervulling. De meeste mensen laten het schip van het denken doelloos meedrijven op de oceaan van het leven. Doelloosheid is een ondeugd en degene die zijn koers wil uitzetten vrij van catastrofen en vernietiging moet niet doorgaan met dat gezwalk. Zij die geen centraal doel hebben in hun leven vallen gemakkelijk ten prooi aan bezorgdheid, angsten, moeilijkheden en zelfmedelijden, die alle aanwijzingen van zwakheid zijn. Net zo zeker als opzettelijke zonden leidt dat, hoewel via een verschillende weg, naar mislukking, droevigheid en verlies, want

51

zwakheid kan niet blijven bestaan in een universum dat kracht ontwikkelt. Een mens zou zich in zijn hart een legitiem doel moeten voorstellen en dan ernaar streven om het te bereiken. Dit doel zou hij tot het centrale punt van zijn denken moeten maken. Het kan de vorm van een spiritueel ideaal aannemen of een werelds doel zijn, afhankelijk van zijn aard op dat moment. Maar wat het ook is, hij moet zijn gedachtekrachten gestadig richten op het doel dat hij zich heeft gesteld. Hij zou dit doeleinde tot zijn opperste plicht moeten maken en zich helemaal wijden aan het bereiken ervan en niet toestaan dat zijn gedachten afdwalen naar kortstondige grillen, verlangens en fantasieën. De wil om te doen komt voort uit de kennis dat we het kunnen doen. Twijfel en angst zijn de grote vijanden van kennis en hij die ze aanmoedigt, ze niet uitroeit, dwarsboomt zichzelf bij elke stap. Degene die twijfel en angst heeft overwonnen, heeft mislukking overwonnen. Elk van zijn gedachten is verbonden met kracht en alle moeilijkheden worden dapper onder ogen gezien en overwonnen. Zijn doeleinden zijn op de juiste tijd geplant en ze bloeien en brengen vruchten voort die niet voortijdig op de grond vallen. Denken wordt een scheppende kracht als het onbevreesd aan een doelstelling is gekoppeld. Wie dit weet, is klaar om iets te worden dat hoger en sterker is dan een verzameling weifelende gedachten en wisselende indrukken. Wie dit doet, is de bewuste en intelligente gebruiker van zijn mentale vermogens geworden. De factor van het denken in het verwezenlijken van onze doelen Alles wat een mens bereikt en alles wat hem niet lukt om te bereiken, is het directe gevolg van zijn eigen gedachten. In een juist geordend universum, waar verlies van evenwicht totale vernietiging zou betekenen, moet individuele verantwoordelijkheid absoluut zijn. De zwakheid en kracht, zuiverheid en onzuiverheid van een mens zijn van hemzelf en niet van een ander. Ze zijn door hemzelf teweeggebracht en niet door een ander. Ze kunnen ook alleen door hemzelf veranderd worden, nooit door een ander. Zijn omstandigheden zijn ook van hem en niet van een ander. Zijn lijden en geluk zijn van binnenuit ontstaan. Zoals hij denkt, zo is hij; zoals hij blijft denken, zo blijft hij. Een sterk mens kan een zwakkere niet helpen tenzij die zwakkere bereid is geholpen te worden. En zelfs dan moet de zwakke mens uit zichzelf sterk worden. Hij moet door eigen inspanning de kracht ontwikkelen die hij bewondert in een ander. Niemand behalve hijzelf kan zijn situatie veranderen. Gewoonlijk denken en zeggen mensen: “velen zijn slaven omdat er één een onderdrukker is; laat ons de onderdrukker haten!” Maar onder een toenemend aantal mensen bestaat echter de neiging om dit oordeel om te keren en te zeggen: “één is de onderdrukker omdat velen slaven zijn; laat ons de slaven verachten”. De waarheid is dat

52

de onderdrukker en de slaven in onwetendheid samenwerken en terwijl het lijkt alsof ze elkaar kwaad doen, doen ze in werkelijkheid zichzelf kwaad. Een volmaakte Kennis neemt de werking van wetmatigheid waar in de zwakheid van de onderdrukte en de verkeerd toegepaste macht van de onderdrukker. Een volmaakte Liefde, die het lijden ziet dat beide toestanden inhoudt, veroordeelt geen van beide. Een volmaakt Mededogen omvat zowel de onderdrukker als de onderdrukten. Wie zwakheid heeft overwonnen en alle zelfzuchtige gedachten opzij heeft gezet, behoort noch tot onderdrukker noch tot onderdrukten. Hij is vrij. Een mens kan alleen maar opstaan, overwinnen en presteren door zijn gedachten te verheffen. Hij kan alleen zwak, onderworpen en ellendig blijven door te weigeren zijn gedachten te verheffen. Voordat een mens wat dan ook kan bereiken, zelfs in wereldse dingen, moet hij zijn gedachten boven slaafse dierlijke toegeeflijkheid verheffen. Hij hoeft niet noodzakelijkerwijs alle dierlijkheid en zelfzucht op te geven om te slagen, maar tenminste een deel ervan moet worden opgegeven. Een mens wiens eerste gedachte bestiale bevrediging is, kan niet helder denken noch methodisch plannen maken. Hij kan zijn latente vermogens niet vinden en ontwikkelen en zou mislukken in elke onderneming. Omdat hij niet is begonnen zijn gedachten krachtig te beheersen, is hij niet in een positie om zaken te beheersen en serieuze verantwoordelijkheden op zich te nemen. Hij is niet geschikt om onafhankelijk te handelen en er alleen voor te staan, maar hij is slechts beperkt door de gedachten die hij kiest. Er kan geen vooruitgang of verworvenheid zijn zonder opoffering en het wereldse succes van een mens zal worden afgemeten volgens de maatstaf waarmee hij zijn dierlijke gedachten opoffert en zijn denkvermogen richt op de ontwikkeling van zijn plannen en het versterken van zijn vastberadenheid en zelfvertrouwen. Hoe hoger hij zijn gedachten verheft, des te moediger, oprechter en rechtvaardiger hij zal zijn, en des te meer zijn verworvenheden gezegend en duurzaam zullen zijn. Het universum is de egoïsten, oneerlijken en boosaardigen niet gunstig gezind, hoewel het oppervlakkig bezien soms wel zo kan lijken. Het helpt de eerlijken, de grootmoedigen, de deugdzamen. Al de grote Leraren van alle eeuwen hebben dit op verschillende manieren verklaard en een mens hoeft zichzelf alleen maar steeds deugdzamer te maken door zijn gedachten te verheffen om dit te bewijzen en te weten. Intellectuele prestaties zijn het resultaat van denken dat gewijd is aan de zoektocht naar kennis of naar het schone en ware in de natuur. Zulke prestaties kunnen soms gekoppeld zijn aan ijdelheid en ambitie, maar ze zijn niet het resultaat van deze kenmerken. Ze zijn het natuurlijke uitvloeisel van lange en moeizame inspanning en van zuivere en onzelfzuchtige gedachten.

53

Spirituele verworvenheden zijn de vervulling van een heilig streven. Wie voortdurend is afgestemd op hoogstaande en verheven gedachten en gericht op alles wat zuiver en onzelfzuchtig is, zal net zo zeker als de zon tot zijn hoogste punt rijst en de maan vol wordt, wijs en hoogstaand van karakter worden en een positie van invloed en gezegendheid bereiken. Iets bereiken, wat dan ook, is de bekroning van inspanning, het diadeem van denken. Met behulp van zelfbeheersing, vastberadenheid, zuiverheid, rechtschapenheid en goedgerichte gedachten verheft een mens zich. Door dierlijkheid, luiheid, onzuiverheid, verdorvenheid en verward denken degradeert een mens. Een mens kan opklimmen naar groot succes in de wereld, zelfs naar verheven hoogten in het spirituele rijk en opnieuw afdalen in zwakheid en ellende door toe te laten dat arrogante, zelfzuchtige en verdorven gedachten bezit van hem nemen. Overwinningen die worden verkregen door juist denken kunnen alleen door waakzaamheid worden gehandhaafd. Velen bezwijken zodra succes is verzekerd en vallen snel terug in mislukking. Alle prestaties, of het nu in de zakelijke, intellectuele of spirituele wereld is, zijn het resultaat van vastberaden gerichte gedachten, worden door dezelfde wet bestuurd en zijn onderworpen aan dezelfde methode. Het enige verschil ligt in het te bereiken doel. Wie weinig zou willen bereiken hoeft maar weinig op te geven; wie veel zou willen bereiken moet veel opgeven. Wie het hogere wil bereiken moet zeer veel opofferen. Visies en idealen Dromers zijn de verlossers van de wereld. Zoals de zichtbare wereld wordt ondersteund door de onzichtbare, zo wordt de mensheid door al haar beproevingen, zonden en laagheden heen gevoed door de prachtige visioenen van hun individuele dromers. De mensheid mag haar dromers niet vergeten; zij mag hun idealen niet laten vervagen en uitsterven; zij leeft in hen; zij kent hen via de realiteiten die ze op zekere dag zal zien en herkennen. Componist, beeldhouwer, schilder, dichter, profeet, wijze; zij zijn de makers van het hiernamaals, de architecten van de hemel. De wereld is mooi omdat zij hebben geleefd. Zonder hen zou de zwoegende mensheid vergaan. Wie een mooi visioen, een verheven ideaal in zijn hart koestert, zal het ooit verwerkelijken. Columbus koesterde een visie over een andere wereld en hij ontdekte die. Copernicus koesterde de visie van een veelheid aan werelden en een ruimer universum en hij onthulde het. Boeddha aanschouwde het visioen van een spirituele wereld van smetteloze schoonheid en volmaakte vrede en hij trad er binnen. Koester uw visies; koester uw idealen. Koester de muziek die zich in uw hart roert,

54

de schoonheid die zich in uw denken vormt, de pracht die uw zuiverste gedachten omkleedt. Want daaruit zullen alle heerlijke omstandigheden groeien, alle hemelse omgevingen; hiermee zal uiteindelijk uw wereld worden opgebouwd, als u ze trouw blijft. Verlangen is verkrijgen; streven is bereiken. Zullen de laagste begeerten van de mens de hoogste mate van vervulling vinden en zijn zuiverste aspiraties ontkrachten door gebrek aan onderhoud? Zo zit de Wet niet in elkaar. Dat is onmogelijk. “Vraag en u zal gegeven worden.” Droom verheven dromen en zoals u droomt, zo zult u worden. Uw visie is de belofte van wat u ooit zult zijn. Uw ideaal is de voorspelling van wat u uiteindelijk zult ontsluieren. De grootste prestatie was aanvankelijk en een tijdlang een droom. De eik slaapt in de eikel; de vogel wacht in het ei. En in de hoogste visie van de ziel roert zich een ontwakende engel. Dromen zijn de zaailingen van realiteiten. Misschien zijn uw omstandigheden onaangenaam, maar ze zullen niet lang zo blijven als u slechts een ideaal waarneemt en ernaar streeft om het te bereiken. U kunt niet innerlijk reizen en uiterlijk stilstaan. Neem bijvoorbeeld een jongeman die gebrek lijdt onder armoede en hard werk. Lange uren opgesloten in een ongezonde werkplaats, ongeschoold en het ontbreekt hem aan elke vaardigheid tot verfijning. Maar hij droomt van betere dingen. Hij denkt aan intelligentie, aan verfijning, aan gratie en schoonheid. Hij stelt zich een ideale levenssituatie voor of bouwt die mentaal op. He beeld van ruimere vrijheid en een groter perspectief neemt bezit van hem; onrust spoort hem aan om te handelen en hij gebruikt al zijn vrije tijd en middelen, hoe armzalig die ook zijn, om zijn latente krachten en vermogens te ontwikkelen. Al gauw is zijn denken zo veranderd dat de werkplaats hem niet langer kan vasthouden. Die is zo onharmonieus met zijn geestestoestand geworden dat die wegvalt uit zijn leven, zoals een kledingstuk wordt afgedankt. Door de groei van mogelijkheden die passen bij de bewegingsruimte van zijn toenemende krachten, stapt hij er voorgoed uit. Jaren later zien we deze jongeman als een volwassen man. We bemerken in hem een meester van bepaalde geestelijke vermogens die hij uitoefent met wereldwijde invloed en haast onvergelijkbare kracht. In zijn handen houdt hij de touwtjes van gigantische verantwoordelijkheden. Hij spreekt en zie: levens worden veranderd. Mannen en vrouwen hangen aan zijn lippen en zijn woorden hervormen hun karakters. Net als de zon wordt hij het vaste en stralende middelpunt waaromheen ontelbare lotsbestemmingen zich wentelen. Hij is de verwezenlijking van zijn jeugdvisioen geworden. Hij is één met zijn ideaal geworden. Ook u zult het droombeeld van uw hart -en niet slechts de nutteloze wens- verwezenlijken, of deze nu laag of mooi is, of een mengeling van beide. Want u zult altijd aangetrokken worden in de richting van datgene wat u in het geheim het meeste liefheeft. De exacte 55

resultaten van uw eigen gedachten zullen in uw handen geplaatst worden. U zult datgene ontvangen wat u verdient; niets meer, niets minder. Wat uw huidige omgeving ook mag zijn, u zult met uw gedachten, uw visie, uw ideaal, vallen, blijven of opklimmen. U zult net zo klein worden als de begeerte die u beheerst of net zo groot als uw overheersende aspiratie. Zij die onnadenkend, onwetend en lui zijn, zien alleen de schijnbare gevolgen van dingen en niet de dingen zelf, en spreken over geluk of fortuin en toeval. Als ze een mens rijk zien worden, zeggen ze: “wat een geluksvogel!”. Als ze een ander gadeslaan die geschoold wordt, roepen ze uit: “wat wordt hij toch voorgetrokken”. En bij het zien van het heilige karakter en grote invloed van een ander, merken ze op: “het toeval helpt hem voortdurend”. Ze zien niet de beproevingen, mislukkingen en worstelingen waarmee deze mensen te maken hebben gehad teneinde hun ervaring te verwerven. Ze hebben geen idee van de opofferingen die ze zich hebben getroost, van de onversaagde inspanningen die ze hebben geleverd, van het geloof dat ze hebben uitgeoefend zodat zij het schijnbaar onoverkomelijke konden overwinnen en de visie van hun hart verwerkelijken. Ze kennen de duisternis en het hartzeer niet. Ze zien alleen het licht en de vreugde en noemen het ‘geluk’. Ze letten niet op de lange, inspannende reis, maar aanschouwen alleen het aangename doel en noemen het ‘voorspoed’ Ze begrijpen het proces niet, maar nemen alleen het resultaat waar en noemen het ‘toeval’. In alle menselijke zaken zijn er inspanningen en zijn er resultaten. De kracht van de inspanning is de maatstaf voor het resultaat. Toeval bestaat niet. Gaven, krachten, materiële, intellectuele en spirituele bezittingen zijn de vruchten van inspanning. Het zijn voltooide gedachten, bereikte doelen, verwerkelijkte visies. De visie die u in uw geest verheerlijkt, het ideaal dat in uw hart troont, hiermee zult u uw leven bouwen; dit zult u worden. Sereniteit Kalmte in het denken is één van de mooie juwelen van wijsheid. Het is het resultaat van lange en geduldige inspanning in zelfbeheersing. De aanwezigheid ervan is een aanduiding van gerijpte ervaring en van een meer dan gewone kennis van de wetten en werkingen van het denken. Een mens wordt kalm in die mate waarin hij zichzelf opvat als een uit denken voortgekomen wezen, want zulke kennis verplicht hem om ook anderen als het product van hun denken te begrijpen. Terwijl hij een juist begrip ontwikkelt en de interne relaties van dingen door de werking van oorzaak en gevolg steeds duidelijker ziet, houdt hij op met zich druk te maken, ophef en woedeuitbarstingen te veroorzaken, zich zorgen te maken en wrok te koesteren. Hij blijft evenwichtig, bedaard en sereen.

56

De kalme mens, die geleerd heeft zichzelf te besturen, weet hoe zich aan te passen aan anderen. Zij hebben op hun beurt ontzag voor hun spirituele kracht, voelen dat ze van hem kunnen leren en op hem kunnen vertrouwen. Hoe rustiger een mens wordt des te groter zijn succes, zijn invloed en zijn macht ten goede. Zelfs de gewone handelaar zal merken dat de bloei van zijn zaak toeneemt naarmate hij meer zelfbeheersing en gelijkmoedigheid ontwikkelt, want mensen zullen er altijd de voorkeur aan geven om handel te drijven met iemand wiens houding billijk is. De sterke kalme mens is altijd geliefd en wordt gerespecteerd. Hij is als een beschuttende boom in een dor landschap, of een beschermende rots in een storm. Wie houdt niet van een rustig hart, van een goedgehumeurd, evenwichtig leven? Het doet er niet toe of het regent of de zon schijnt, of welke veranderingen tot hen komen die deze zegeningen bezitten want ze zijn altijd sereen en kalm. Dat verfijnde evenwicht van karakter dat we sereniteit noemen is de laatste les in beschaving. Het is de bloesem van leven, de oogst van de ziel. Het is zo kostbaar als wijsheid, begeerlijker dan zelfs het fijnste goud. Hoe onbelangrijk lijkt het louter zoeken naar geld in vergelijking met een sereen leven. Een leven dat in de oceaan van waarheid verblijft, beneden de golven, buiten bereik van stormen, in de Eeuwige Kalmte! Hoeveel mensen kennen we niet die hun leven verzuren, die alles vernielen door een explosief temperament, die hun karakterbeheersing vernietigen en kwaad bloed zetten! Het is de vraag of de meerderheid van de mensen hun levens niet ruïneren en hun geluk bederven door gebrek aan zelfbeheersing. Hoe weinig mensen ontmoeten we in het leven die evenwichtig zijn, die dit verfijnde gedrag hebben dat kenmerkend is voor het afgeronde karakter. Ja, de mensheid bruist van onbeheerste passie, is onstuimig door stuurloos verdriet, wordt heen en weer geblazen door angst en twijfel. Alleen de wijze mens, alleen degene wiens gedachten beheerst en gezuiverd zijn, zorgt dat de winden en de stormen van de ziel hem gehoorzamen. Zielen die door stormen gegrepen zijn, waar jullie ook mogen zijn, onder welke omstandigheden jullie ook mogen leven, weet dat in de oceaan van het leven de eilanden van gelukzaligheid glimlachen en dat de zonnige kust van jullie ideaal jullie komst verwacht. Houd je handen stevig vast aan het roer van je denkvermogen. In de kern van jullie ziel rust de Meester die bevel voert; hij slaapt alleen maar. Wek hem op. Zelfbeheersing is een krachtbron. Juist denken is meesterschap. Kalmte betekent kracht. Zeg tegen uw hart: “Vrede. Wees stil” 
James Allen

lL

lL

lL

57

Metafysica
Individualiteit en Nirvana
[Onderstaand artikel is een vertaling van een brief van Damodar K. Mavalankar aan W.Q. Judge, d.d. 6 september 1881, oorspronkelijk verschenen in The Path (januari 1896) onder de titel “Some Views of an Asiatic”, en later gepubliceerd in S. Eek, Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, Madras, 1965. p.65, alsook in Theosophical Articles and Notes, Los Angeles, The Theosophy Co., 1985, p.257. In deze brief geeft Damodar niet alleen uitleg over de metafysische grondbeginselen van de theosofie, maar staat hij ook stil bij enkele minder bekende leringen over nirvana. De verklarende voetnoten zijn deels van de redactie van The Path (van de heer Judge) en deels van de redactie van Theosofie. Damodar. K. Mavalankar was één van de jongste en ijverigste werkers in de oorspronkelijke Theosophical Society. Nadat hij in contact was gekomen met H.P.Blavatsky en haar als esoterisch leraar (h)erkende, heeft hij afstand genomen van het Indische kastensysteem waarin hij als brahmaan was opgevoed. Vanaf het moment dat hij lid werd van de Theosophical Society heeft hij zich ononderbroken ingezet voor de verspreiding van de theosofie. Al vlug bleek uit zijn levenswijze, zijn onvermoeibare toewijding en zijn begrip van de occulte filosofie, een uitzonderlijke geschiktheid voor esoterisch leerlingschap. Dat hij door de Meesters van Wijsheid werd gezien als een voorbeeld voor iedere theosoof, blijkt uit de volgende woorden van Mahatma K.H.: ”De ‘Broeders’ willen dat ik U allen, inheemsen, meedeel dat tenzij iemand bereid is een echte theosoof te worden, d.w.z. te doen zoals D. Mavalankar deed, -de kaste en zijn oude bijgeloven volledig op te geven en zich een waar hervormer te tonen (vooral in het geval van het kinderhuwelijk)- , hij eenvoudig een lid van de Society zal blijven, zonder enige hoop ooit iets van ons te horen.” (A.T. Barker, De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnet, TUP, 1979, p.514). Na een proefperiode van 7 jaar kreeg hij in februari 1885 -hij was toen 27 jaar- van zijn Meester de opdracht naar Tibet te reizen, om daar zijn scholing als aangenomen chela (leerling) verder te zetten. Wat er na zijn vertrek met hem is gebeurd, is niet precies bekend. In een brief aan Sinnet (17 maart 1885) maakt HPB evenwel de volgende opmerking: “Gelukkige Damodar! Hij ging naar het land van Gelukzaligheid, naar Tibet en moet nu ver weg zijn in de oorden van onze Meesters. Ik verwacht niet dat iemand hem nu ooit nog zal zien.” (De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnet, p.521). Een jaar 58

later verscheen in The Theosophist van juli 1886 een mededeling van H.S. Olcott en T. Subba Row dat Damodar veilig zijn bestemming had bereikt. In The Theosophist van januari 1888 merkt Olcott op dat Damodar reeds drie jaar verblijft in de Ashram van zijn Geestelijke Leraar, en in een brief aan haar oude vriend Khandalavada (november 1889) ontkent HPB de geruchten dat Damodar de reis naar Tibet niet zou hebben overleefd. Zij schrijft bovendien dat “Damodar vanaf zijn laatste geboorte klaar was het hoogste PAD te betreden.” (The Theosophist, augustus, 1932, pp.623-4).]

()
Mijn beste Judge, Ik heb uw brief van 11 juli ontvangen. U vraagt me naar mijn overtuiging over “reïncarnatie”. Dit is een ingewikkelde zaak en daarom moet ik u een duidelijke uiteenzetting geven van mijn volledige levensvisie. Om te beginnen ben ik een Pantheïst en geen Theïst of een Deïst. Ik geloof dat het hele Universum God is. U moet echter wel begrijpen dat het woord “God” voor mij niet dezelfde betekenis heeft die daaraan door Westerlingen wordt gegeven. Onder God versta ik de Natuur of het Universum en niets meer. Daarom zou ik misschien beter een ”Naturalist” kunnen worden genoemd. Volgens mij is het niet mogelijk dat er een buitenkosmische God bestaat. Als die wel zou bestaan, zou de harmonie of het evenwicht in de natuur niet in stand kunnen worden gehouden en zou het gehele Universum, in plaats van een harmonieus geheel, een Toren van Babel zijn. Zo’n harmonie kan alleen behouden blijven door de werking van de Onveranderlijke Wetten van de Natuur. En als de Wetten van de Natuur onveranderlijk zijn, dan zijn ze blind en hebben ze geen leiding nodig.1 Hieruit volgt dat het bestaan van een buitenkosmische God onmogelijk is. Voor zover ik dit kan begrijpen, is dit de voornaamste lering en grondstelling van de Arische Filosofie.2 De Arische en Semitische filosofieën verschillen van mening over dit fundamentele idee. Terwijl de eerste pantheïstisch is en dus het bestaan van een buitenkosmische god niet erkent, is de laatste monotheïstisch en aanvaardt zij dat er buiten de kosmos een intelligente Schepper bestaat. In hoeverre de ene visie meer waar is dan de andere weet ik niet, maar ik accepteer de eerste visie omdat deze, zoals ik het begrijp, een logisch standpunt inneemt, terwijl de laatste meer een kwestie is van blind geloof.
1

Hier moet het gebrek aan kennis van de Engelse taal in aanmerking genomen worden. Wat hier wordt bedoeld, is dat de inherente impuls naar zijn eigen wetten handelt zonder enige buitencosmische inmenging als gids. [Red. The Path] 2 Arisch betekent hier het oorspronkelijke Indogermaanse ras in Noord-India [Red. Theosofie]

59

Sommige pantheïsten erkennen het bestaan van twee bestaansvormen, namelijk Stof en Geest. Maar als ik dieper nadenk over dit onderwerp kom ik tot de conclusie dat deze zienswijze niet geheel logisch is. Want voor zover ik het begrijp, kan er maar één Oneindig Bestaan zijn en geen twee. Noem het Stof of Geest, of welke naam u er ook aan wilt geven, het is één en hetzelfde. Want wie kan er bepalen dat dit Geest en dat Stof is? Kun je ergens een lijn trekken tussen die twee?3 Neem het volgende voorbeeld. IJs is een grove vorm van materie. Als het een beetje verfijnd is dan krijg je water, wat we nog altijd materie noemen. Op een hoger niveau krijg je damp, maar dat is nog steeds materie. En nog hoger wordt het de atmosfeer, maar ook dat is materie. Vervolgens wordt het ether, maar nog steeds is het materie, en zo kun je doorgaan ad infinitum.4 Meer en meer gesublimeerd bereikt het zijn hoogtepunt in het proces van vergeestelijking. Maar het wordt nooit ”niets”. Want als dit zo zou zijn, zou er een moment komen waarop het gehele Universum niets zou worden. En als dat zo is, dan is het Universum niet oneindig, aangezien het ooit een einde heeft. Als het echter een einde heeft, dan moet het ook een begin hebben. Maar als het een begin heeft, moet het zijn geschapen en moeten we dus het bestaan van een buitenkosmische Godheid aanvaarden, hetgeen, zoals zonet is opgemerkt, een onlogisch standpunt is. Zo ontdekken we dus op logische gronden dat de hoogst gesublimeerde vorm van stof niet “niets” kan zijn. In dat geval heeft de stof zo’n hoge vorm van Sublimatie of “Vergeestelijking” bereikt dat iedere verdere activiteit het zou verdichten in plaats van verfijnen. Wat doorgaans onder het woord “Geest” wordt verstaan is niets anders dan die vergeestelijkte vorm van stof, die we met onze eindige zintuigen niet kunnen vatten. Maar het blijft nog steeds materie voor zover het nog altijd “iets” is en het de mogelijkheid heeft zich te verdichten. Sommigen beweren dat deze termen gebruikt worden om de twee extreme toestanden van stof aan te duiden. Maar dan kan ik met mijn beperkte zintuigen niet begrijpen waar je de lijn trekt tussen Geest en Stof. En daar de gradaties oneindig zijn, moet ik als een onvolmaakt eindig wezen deze poging tot begrijpen opgeven. Kortom: er is slechts één eeuwig Oneindig Bestaan, of je dat nu Geest of Stof noemt. Ik noem het Stof daar deze
Vgl. “De Eenheid van Bewustzijn en Materie”, Theosofie, Winter 2003, Vol 5, Nr 1, pp.417. [Red. Theosofie] 4 Of in de woorden van Mahatma K.H.(De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnet, p.154): “In het boek van Kiu-te, wordt de Geest de uiterste sublimatie van de stof genoemd, en stof de kristallisatie van de geest. En er kan geen betere illustratie worden gegeven dan in het zeer eenvoudige verschijnsel van ijs, water, damp en de uiteindelijke verspreiding van de laatste, een verschijnsel dat zich in omgekeerde volgorde herhaalt in opeenvolgende openbaringen en dan de val van de Geest in de stof, of het wordingsproces, wordt genoemd.” [Red. Theosofie]
3

60

term zoals deze gewoonlijk wordt begrepen het meest geschikt is voor mijn verdere uiteenzetting. Stof noemen wij, zoals u weet, een Maya. Nu zijn er sommigen die beweren dat stof illusoir en tijdelijk is wanneer het een vorm en gedaante heeft aangenomen, en dat stof om die reden niet echt bestaat. Ik ben het daarmee niet eens. In mijn opinie -en dat is die van elke rationele metafysicus- is het het enige Bestaan. Het wordt slechts Maya genoemd door deze Transformaties.5 Het staat nooit stil. Het Proces is altijd actief.6 De ene Oneindige Verzameling van stof wordt in sommige aspecten grover en in andere meer en meer vergeestelijkt. De Cirkel ondergaat zijn eeuwige kringloop en er is niets dat hieraan ontsnapt. Alles blijft binnen zijn grenzen door de activiteit van de Middelpuntzoekende en Middelpuntvliedende Krachten. De vormen veranderen maar de Innerlijke substantie blijft dezelfde.7 U zult natuurlijk vragen wat het nut is van goed of slecht te zijn als de Natuur haar eigen verloop heeft? Onze zielen zullen toch op het juiste moment etherischer worden. Maar wat is een Ziel? Is zij stoffelijk of onstoffelijk? Voor mij is ze stoffelijk want, zoals zonet is opgemerkt, bestaat er niets onstoffelijks. Wat is ze dan? Voor zover ik het kan begrijpen, is ze een verzameling van alle eigenschappen tegelijk met datgene wat ons het bewustzijn verschaft dat wij zijn. En zoals Gedachte Stof is, zo is ook iedere eigenschap Stof. Men kan zich dan afvragen of onze zielen zich op het juiste moment zullen vergeestelijken. Welnu, laat ons hier opnieuw het voorbeeld van het ijs nemen. Dit is de meest grofstoffelijke vorm van stof. Wij zeggen dat het water wordt. Maar zou dit gebeuren als het niet met warmte in aanraking kwam? Absoluut niet. De werking van de middelpuntzoekende kracht is sterk en houdt de ijsdeeltjes samen. Het heeft de werking van de middelpuntvliedende kracht nodig en dat gebeurt als er hitte wordt toegevoegd. Als het ijs op een koude plaats zou blijven zou het niet veranderen totdat door toeval de Zonnestralen of iets anders voor warmte zouden zorgen. Dit geldt ook voor de mens. De werking van de middelpuntzoekende kracht houdt ons in onze grofstoffelijke vorm.
Zie ook: “De Eenheid van Bewustzijn en Materie”, Theosofie, Winter 2003, Vol 5 Nr 1, p.9-10. [Red. Theosofie] 6 Mahatma K.H. zegt hierover (De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnet, p.62): “Wij weten dat de stof eeuwig is, d.w.z. geen begin had (a) omdat de stof de Natuur zelf is (b) omdat wat zichzelf niet kan vernietigen en onvergankelijk is, noodzakelijkerwijs bestaat – en daarom noch een begin noch een einde kan hebben (c) omdat de som van ervaringen van talloze eeuwen en die van de exacte wetenschap ons tonen dat de stof (of natuur) handelt door haar eigen bijzondere kracht, en dat geen atoom ervan ooit in een staat van absolute rust verkeert en daarom altijd bestaan moet hebben, d.w.z. dat haar stoffelijk aspect voortdurend andere vormen, combinaties en eigenschappen vertoont, maar dat de beginselen of elementen ervan volstrekt onvernietigbaar zijn.” [Red. Theosofie] 7 Zie ook: “Wat is Leven?”, in Theosofie, Lente 2004, Vol 6, Nr 2, p.54. [Red. Theosofie]
5

61

Als we willen vergeestelijken hebben we de middelpuntvliedende kracht nodig en dat is onze WIL. Dit is het eerste beginsel van het OCCULTISME. Juist zoals onze Zielen etherischer worden door de werking van onze Wil, zo is alles het resultaat van iets anders. De Wet van Oorzaak en Gevolg regelt de activiteit van de werking van de Kringloop van Stof. Niets kan bestaan zonder deze Wet. Alles is in zichzelf tegelijkertijd een oorzaak én een gevolg. Neem nu bijvoorbeeld hitte. Het is er de oorzaak van dat ijs smelt tot water en het is tegelijkertijd het gevolg van een andere kracht. Het ontstond niet uit het niets. Dus hoe kunnen wij onszelf dan vergeestelijken? Door het bestuderen van de werking van Oorzaken en Gevolgen en door daarnaar te handelen. Met andere woorden: door kennis te verkrijgen over de Krachten van de Natuur, in één woord: door het bestuderen van occultisme. Je zou kunnen vragen of we niet hoger en hoger kunnen klimmen zonder occultisten te zijn? Dan is mijn antwoord: zeker niet tot die hoogte die een occultist kan bereiken. Wens je hoger te stijgen? Wel, zoals hierboven is opgemerkt, dit betreft enkel het eerste beginsel van het occultisme, en zoals de ene stap je een zekere vooruitgang brengt, zal meer kennis je tot een grotere vooruitgang leiden, want ieder gevolg moet in verhouding staan tot de oorzaak die het heeft voortgebracht. Zoals gezegd, de werking van stof gaat altijd voort. Op ieder moment trekken wij verschillende soorten stoffelijke atomen aan en stoten ze ook weer af. De vele verlangens van iemand die geen occultist is, zullen er de Oorzaak van zijn dat hij onbewust die stoffelijke atomen aantrekt die niet geschikt zijn voor zijn hogere ontwikkeling. Op dezelfde manier is het mogelijk dat hij de door hem uitgezonden atomen een zodanige neiging meegeeft, dat deze zich zullen mengen met andere atomen van dezelfde negatieve aard waardoor individuen die daardoor worden beïnvloed onterecht zullen moeten lijden voor fouten die zij niet hebben begaan. Een Occultist heeft beide processen onder controle. Hij is Meester over de Situatie. Hij wordt niet geleid door de blinde Krachten van de Natuur. Hijzelf leidt deze Krachten. En doordat hij hun werking kent kan hij voorwaarden scheppen die hem helpen om “Nirvana” te bereiken.8 Maar wat is Nirvana? Ik bedoel met Nirvana geen plaats maar een toestand. Het is die toestand waarin we zo vergeestelijkt zijn dat, in plaats van slechts een uitdrukkingsvorm te zijn van het ene Eeuwige Bestaan, we volledig zijn opgenomen in de Totaliteit of HET GEHEEL zijn geworden. Er is nog een andere reden waarom een gevorderd occultist superieur is aan diegene die tevreden is met de hierboven vermelde eerste stap. Hoe
8

Er wordt gezegd dat de Buddha Nirvana heeft bereikt voor hij de aarde verliet, dus was hij sindsdien altijd al vrij. [Red. The Path].

62

meer hij de Wetten van de Natuur en hun werking heeft bestudeerd en begrepen, des te meer hij in de mogelijkheid is om de Mensheid te helpen. Terwijl de eerste al tevreden is met zijn eigen vooruitgang, vindt de verder gevorderde occultist zijn geluk in het welzijn van de Mensheid, die hij vooruithelpt en begeleidt. U kunt zich afvragen waarom we ons moeten bezighouden met de studie van het occultisme enzovoort, als er toch een tijd moet komen waar het proces van evolutie overgaat in dat van involutie; en als dat gebeurt zal toch alles, en dus ook wij, opgaan in Nirvana? Er zijn twee redenen om het toch te doen. Ten eerste weten we niet wanneer het proces van involutie zal beginnen, misschien zullen er miljoenen en miljarden jaren verstrijken voordat alles in Nirvana zal opgaan. Wie weet door hoeveel transformaties wij nog zullen moeten gaan, want Stof is nooit hetzelfde maar verandert steeds van vorm. De praktische occultist bereikt deze toestand in een relatief korte tijd. Ten tweede, als alles in Nirvana zal zijn, zal ik het niet zijn die Nirvana bereikt. Hier moet ik opmerken dat ik geloof dat de mens alleen in dit leven en geen ander Nirvana kan bereiken. U zal zich dan afvragen waar ik dan uiteindelijk naar toe ga, als ik enige tijd na mijn dood niet naar Nirvana ga? Mijn antwoord is, dat als ik mijn Individualiteit niet behoud, ik ze zal verliezen. Mijn [Geestelijk] Ego blijft, maar mijn Individualiteit gaat verloren. Ik verlies datgene dat mij op dit ogenblik het bewustzijn verschaft dat ik Damodar ben en dat ik als zodanig besta.9 Mijn Geestelijke Ziel of Ego, indien zuiver en goed, zal vergeestelijkt worden en Nirvana bereiken, maar het zal niet langer de Individualiteit van Damodar zijn die deze staat bereikt. Dus moet ik deze Individualiteit behouden tot ik de Nirvanische staat bereik.10 Het Occultisme leert hoe je
Uit de context blijkt dat D.K. Mavalankar het woord Individualiteit hier niet gebruikt als een synoniem voor het Geestelijke Ego, maar in de betekenis van de persoonlijke identiteit van de mens, of zoals hij zelf aangeeft: “datgene dat mij op dit ogenblik het bewustzijn verschaft dat ik Damodar ben en dat ik als zodanig besta.“ Zie ook hierna voetnoot 12. De filosoof Franklin Merrell-Wolff zegt hierover (in zijn Experience and Philosophy, SUNY, 1994, p.174): “Vaak wordt de fout gemaakt de overmeestering van egoïsme te beschouwen als het equivalent van de vernietiging van individualiteit. Met andere woorden: Bevrijding wordt dan gezocht als een toestand van zuiver Universeel Bewustzijn zonder enig element van zelf-bewustzijn. Het is mogelijk dit te bereiken, maar een dergelijk pad resulteert in een toestand die lager is dan de hoogste lotsbestemming van de mens. Individualiteit, de essentiële basis van zelf-bewustzijn of het vermogen te weten dat men weet, kan worden behouden in een vorm die zodanig is bevrijd van de droesem van egoïsme dat zij zich vermengt met Universeel Bewustzijn. In dit geval is de microcosmos als het ware gesmolten, zodat deze niet langer gekristaliseerd is, maar blijft zij niettemin bestaan als een vloeiende draaikolk of kracht, die weliswaar voortdurend één is met de Universele Kracht, maar die zich toch in een bepaald opzicht als een draaikolk daarvan onderscheidt. Dit is het Pad dat leidt tot de hoogste Lotsbestemming van de mens.” [Red. Theosofie]. 10 Vergelijk dit met de volgende uitspraak in De Geheime Leer (deel I, Eng.p.53-54): “Men moet bedenken dat paranishpanna het summum bonum is, het Absolute en dus hetzelfde als paranirvana. Het is behalve de eindtoestand tevens die toestand van subjectiviteit die met
9

63

dat moet doen. Ik ben niet uit Niets ontstaan. De deeltjes waaruit ik ben gevormd, hebben altijd al bestaan en toch weet ik niet in welke vorm zij tevoren bestonden. Waarschijnlijk zijn zij door miljoenen en miljarden transformaties gegaan.11 En waarom weet ik dat nu niet? Omdat ik mijn Individualiteit niet heb behouden. Ik heb de werking van de kracht niet gevoed, die de desintegratie van mijn Individualiteit12 zou hebben belet. Het Occultisme geeft ons die Sleutel. Als ik overeenkomstig handel zal ik Nirvana bereiken. Maar dan zal ik niet eeuwig in die toestand blijven. Want het is oneerlijk dat we voor de handelingen van enkele jaren eeuwig beloond of gestraft zouden worden. Hoe lang kan een mensenleven duren? Niet meer dan vierhonderd jaar. Zou het dan eerlijk zijn dat mijn daden van zo’n korte periode voor eeuwig zouden worden beloond of bestraft? Want wat zijn zelfs miljarden jaren in vergelijking met de eeuwigheid? Nu zou je kunnen vragen wat het nut is Nirvana te bereiken als we weer moeten terugkomen? Er zijn twee redenen. Ten eerste, ik zal een tijdje in Nirvana blijven zolang als de werking van de Kracht mij daar houdt. Met andere woorden: ik zal daar blijven als resultaat van de kracht van mijn poging om er te geraken; het gevolg moet altijd in verhouding staan tot de oorzaak. Hier kun je weer vragen of we dit proces niet ad infinitum kunnen volhouden? Natuurlijk kan dat niet, want de Wet van Uitputting moet zich voltrekken.13 Alles wat je doet moet zich voltrekken ten koste van iets
niets anders verband houdt dan de ene absolute waarheid (para-mârthasatya) op haar eigen gebied. Door die toestand verkrijgt men een juiste waardering van de volledige betekenis van Niet-zijn dat, zoals werd verklaard, het absolute Zijn is. Vroeg of laat zal alles wat nu schijnbaar bestaat, in werkelijkheid en in feite in de toestand van paranishpanna zijn. Maar er is een groot verschil tussen bewust en onbewust ‘zijn’. De toestand van paranishpanna zonder paramârtha, het zichzelf analyserend bewustzijn (svasamvedana), is geen gelukzaligheid maar eenvoudig uitdoving (zeven eeuwigheden lang). Zo zal een ijzeren bal die aan de verzengende stralen van de zon wordt blootgesteld, door en door worden verhit, maar de warmte niet voelen of waarnemen, terwijl dit wel bij de mens het geval is. Om zich te bevrijden van het persoonlijke bestaan, op te gaan in en één te worden met het Absolute en in het volle bezit van paramârtha te blijven, moet men beschikken over ‘een helder en door de persoonlijkheid niet verduisterd verstand’ en moet men ‘de verdiensten van verscheidene levens, gewijd aan het Zijn als geheel (het hele levende en bezielde Heelal) in zich hebben opgenomen”. 11 Dat alle stofdeeltjes van het universum door miljoenen transformaties zijn gegaan en in alle soorten vormen zijn geweest, is een oude bewering van de Adepten. H.P.B. wijst hier op in Isis Ontsluierd en De Geheime Leer. Zij toont aan hoe de adepten materie kunnen gebruiken en verwijst ook naar de proteïsche vorm die de astrale substantie kan aannemen. [Red. The Path] 12 Dit woord is gebruikt om de persoonlijkheden aan te duiden, de persoon in iedere geboorte. Sinds het schrijven van de brief wordt het woord Individualiteit meer gebruikt voor het onvernietigbare deel. [Red. The Path] 13 Als dit juist is -en ik ben het ermee eens- moet Nirvana eindigen net als Devachan en als

64

anders, met andere woorden, je put een zekere hoeveelheid Energie uit waarbij je een zeker Resultaat teweegbrengt. Ten tweede, terwijl je door dit proces gaat van vergeestelijking, geef je een zekere neiging mee aan de deeltjes waaruit je bent opgebouwd. Deze neiging zal altijd blijven terugkeren, en zo zul je in iedere Kringloop d.w.z. in iedere Cyclus van je transformatie of Reïncarnatie dezelfde voordelen hebben die je kunt gebruiken om snel bevrijd te zijn. Door langer in de Nirvanische Toestand te blijven dan de meerderheid van de mensheid ben je in vergelijking vrijer.14 Dus ieder bewustzijn dat eens volledig werd ontwikkeld zal moeten ontbinden als het niet wordt behouden door de zuiverheid van zijn opeenvolgende Ego’s, tot aan het bereiken van de Nirvanische staat. Ik geloof dat de volledige ontplooiing van mijn bewustzijn als Damodar alleen mogelijk is op deze aarde15 en daarom moet iemand op deze aarde worden herboren als hij sterft voordat zijn bewustzijn is ontwikkeld. En dit is maar in twee toestanden mogelijk, namelijk: bij iemand die idioot is vanaf de geboorte of als men in de kinderjaren sterft. Er is echter nog een derde toestand mogelijk en dat is de volgende. Veronderstel dat ik het Occultisme bestudeer en ik bereik een zeker stadium waarin het mogelijk is mijn Individualiteit te behouden, en veronderstel dat mijn lichaam zou worden uitgeschakeld voor de praktische doeleinden ervan. Dan kan ik met mijn kennis gelijk welk lichaam kiezen, want zoals hierboven is gezegd, is de toestand van Nirvana alleen te bereiken in dit aardse leven. Ik mag mij dan wel in een ander lichaam bevinden, maar mijn Individualiteit zal dezelfde blijven als nu en ik zal mezelf kennen als Damodar.16
het eindigt dan moet het individu terugkomen naar één of ander gemanifesteerd gebied of wereld om verder te werken. [Red. The Path] 14 Hier wordt de vergelijking gemaakt met de algemene toestand van alle mensenrassen. Ze zijn niet steeds vrij. Volgens de mening van de schrijver is er een zekere vorm van vrijheid als men in Nirvana is, maar hij verwijst naar andere en geheime leringen die hij niet verklaart. [Red. The Path] 15 Het feit is altijd aanvaard dat we alleen op de aarde de grote potentiële drie-eenheid in ieder van ons kunnen verenigen, zodanig dat we er ons ook van bewust zijn, en dat wanneer dat is gebeurd we over alle illusies in zowel naam of vorm, plaats of tijd of wat dan ook zullen triomferen. [Red. The Path] 16 Mahatma K.H beschrijft dit occulte proces van het verwerven van ‘persoonlijke’ onsterfelijkheid als volgt (De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnet, p.140-141): “het woord ‘onsterfelijkheid’ [heeft] voor ingewijden en occultisten een heel andere betekenis. Wij noemen alleen het ene Leven in zijn algemene collectiviteit en algehele of Absolute Abstractie ‘onsterfelijk’; dat wat begin noch einde heeft, noch enige onderbreking in zijn continuïteit. Is deze term op iets anders van toepassing? Zeker niet. Daarom gebruikten de oude Chaldeeën verschillende voorvoegsels voor het woord ‘onsterfelijkheid’, waarvan er één, de Griekse, de zelden gebruikte term is – panaeonische onsterfelijkheid, d.w.z. beginnend met de manvantara en eindigend met het pralaya van het Zonne Heelal. Zij heeft de duur van een aeon of ‘periode’ van onze pan of ‘gehele natuur’. Onsterfelijk is hij, in de panaeonische onsterfelijkheid wiens eigen bewustzijn en waarneming van het

65

Dit is denk ik nu voldoende voor u. Het is zeer moeilijk om dergelijke gedachten op papier te zetten, want het proces is inspannend. Dergelijke zaken dienen intuïtief te worden begrepen en daarom zijn onze voorstellingen daarover meer etherisch. Het eerste wat ik moet doen is mijn gedachten materialiseren, ze een vorm geven en ze dan neerschrijven. Ik moet ook denken aan de tegenwerpingen die zullen rijzen. Daarom vind ik het gemakkelijker rechtstreeks te discussiëren dan te schrijven of te spreken. Ik ben waarschijnlijk veel punten vergeten, maar ik heb u de belangrijkste ideeën weergegeven, zodat u vragen kunt stellen die ik graag zal beantwoorden. Ik moet u echter vragen alleen mij verantwoordelijk te stellen voor mogelijke vergissingen. Ik heb slechts Isis Ontsluierd en De Hoger Krachten gelezen en heb HPB soms met anderen horen praten. Van hen heb ik aanwijzingen gekregen. Maar het onderhavige werk is helemaal van mijn hand. Als u denkt dat het goed of correct is, dan is alle lof voor hen -onze Broeders- want de richtlijnen kwamen van hen en van HPB. Als er vergissingen in staan dan is dat volledig mijn fout omdat ik hun leringen niet goed heb begrepen. Dit zou erop wijzen dat mijn intuïtie mij in de steek laat. U vraagt mij naar mijn mening over het Westen? Wel, om eerlijk te zijn, ik kan geen hoge dunk hebben van een Theosophical Society die niet zonder kinderlijk ritueel kan! Damodar K. Mavalankar
lL lL lL

Zelf in welke vorm ook, nooit zelfs geen seconde wordt onderbroken tijdens de periode van Egoïteit […] Het is voor het ogenblik voor U voldoende om te weten dat een mens, een Ego als het Uwe of het mijne, onsterfelijk kan zijn van de ene tot de andere [evolutie] Ronde. Laten we zeggen dat ik mijn onsterfelijkheid begin in de huidige vierde Ronde, d.w.z. dat ik een volslagen adept ben geworden, (die ik helaas niet ben) dan weer ik de hand van de Dood af wanneer ik wil, en als ik mij er tenslotte aan moet onderwerpen, brengt mijn kennis van de geheimen van de natuur mij in de positie waarin ik mijn bewustzijn en eigen waarneming van het Zelf, als voorwerp van mijn reflectief bewustzijn en waarneming, behoud; en door zo het uiteenvallen van beginselen te vermijden, dat in de regel na de stoffelijke dood van de gemiddelde mens plaatsvindt, blijf ik als Koothoomi in mijn Ego tijdens de hele reeks geboorten en levens door de zeven werelden en Arupaloka’s [vormloze gebieden], totdat ik tenslotte weer op deze aarde beland tussen de mensen van het vijfde ras van de volledige vijfde Ronders. Ik zou in zo’n geval – ‘onsterfelijk’ zijn geweest voor een (voor U) ondenkbaar lange periode, die vele miljarden jaren omvat. Maar betekent dit dat ‘ik’ daarmee werkelijk onsterfelijk ben? Tenzij ik op dezelfde wijze te werk ga als nu, om opnieuw voor mijzelf vrijstelling te verkrijgen van de Natuurwet, zal Koothoomi verdwijnen en misschien mijnheer Smith worden of een onschuldige Babu als zijn verlof is verstreken. Er zijn mensen die zulke machtige wezens worden, er zijn mensen onder ons die misschien voor de resterende tijd van de Ronden onsterfelijk worden, en dan de hun toegewezen plaats innemen onder de hoogste Chohans, de Planetarische bewuste ‘Ego-Geesten’.” [Red. Theosofie]

66

Religie
Aan de Aartsbisschop van Canterbury
[Naar aanleiding van de benoeming van Joseph Ratzinger tot paus Benedictus XVI publiceren we een open brief van H.P.Blavatsky aan de Aartsbisschop van Canterbury, oorspronkelijk gepubliceerd in Lucifer, Vol. 1, No. 4, December 1887 (H.P.Blavatsky, Collected Writings, Vol. VIII, Adyar, The Theosophical Publishing House, 1960, pp.268- 283). In deze brief geeft HPB de theosofische visie weer op religie, het christendom en meer in het bijzonder op het instituut kerk. Zij brengt de lezer in herinnering dat theosofie de esoterische kern vormt van iedere religie, dus ook van het oerchristendom. Theosofie is dus niet anti-christelijk, zoals velen ten onrechte denken, maar wel anti-kerkelijk. HPB wijst in vlijmscherpe bewoordingen op het wezenlijke onderscheid tussen de in oorsprong theosofische boodschap van Jezus de Christus en de geloofsleer die door de kerk wordt gepredikt. Hoewel deze brief in 1887 is geschreven en is gericht tot de geestelijk leider van de Anglicaanse Kerk, zal de lezer niet veel moeite ervaren om hem te lezen alsof hij anno 2005 voor paus Benedictus XVI is bedoeld.]

()
Gegroet! – Mijn Heer Aartsbisschop van heel Engeland, Daar wij van mening zijn dat de tijd daarvoor gekomen is, maken wij gebruik van een open brief aan uwe Genade als middel om een korte verklaring omtrent het standpunt dat de Theosofie ten opzichte van het Christendom inneemt aan u over te brengen, en via u aan de geestelijkheid, aan haar scharen en aan de Christenen in het algemeen, die ons als de vijanden van Christus beschouwen. Het is uwe Genade ongetwijfeld bekend dat Theosofie geen religie is, maar een filosofie die zowel religieus als wetenschappelijk is; en dat het voornaamste werk van The Theosophical Society tot dusver daarin heeft gelegen in iedere religie de eigen bezielende geest te doen herleven door het stimuleren van en helpen bij het onderzoek naar de ware betekenis van de leringen en voorschriften ervan. Theosofen weten dat hoe dieper men in de betekenis van de dogma’s en ceremoniën van alle religies doordringt, des 67

te groter hun overeenkomst wordt die er klaarblijkelijk aan ten grondslag ligt, tot uiteindelijk een inzicht in hun fundamentele eenheid wordt verkregen. Deze gemeenschappelijke basis is geen andere dan Theosofie – de Geheime Leer van alle tijden, die verwaterd en vermomd om aan de mogelijkheden van de massa en aan de eisen van de tijd tegemoet te komen, de levende kern van alle religies is geweest. The Theosphical Society heeft afdelingen die respectievelijk worden gevormd door Boeddhisten, Hindoes, Mohammedanen, Parsen, Christenen en Vrijdenkers, die als broeders samenwerken op de gemeenschappelijke basis van Theosofie; en het is juist omdat Theosofie geen religie is, noch voor de massa de plaats van een religie kan innemen, dat het succes van de Society zo groot is geweest, niet alleen wat haar groeiend ledental en toenemende invloed betreft, maar ook met betrekking tot het uitvoeren van het werk dat zij op zich heeft genomen – het doen herleven van spiritualiteit in de religie, en het cultiveren van het gevoel van BROEDERSCHAP onder de mensen. Wij Theosofen geloven dat een religie een natuurlijk voorval in het leven van de mens in zijn huidige staat van ontwikkeling is; en dat ondanks het feit dat in zeldzame gevallen individuele mensen zonder religieus gevoel geboren kunnen worden, een gemeenschap een religie moet hebben, dat wil zeggen, een gemeenschappelijke band – op straffe van sociale verwording en materiële vernietiging. Wij geloven dat geen religieuze leer méér kan zijn dan een poging om in de termen van onze aardse ervaringen grote cosmische en spirituele waarheden op ons huidige beperkte begripsvermogen over te brengen, die wij in onze normale bewustzijnstoestand meer vagelijk aanvoelen dan werkelijk waarnemen en begrijpen; en een openbaring moet noodzakelijkerwijs, zo deze iets wil openbaren, tegemoetkomen aan dezelfde aardgebonden behoeften van het menselijk intellect. Daarom kan naar onze mening geen enkele religie absoluut waar zijn, en geen enkele absoluut onwaar. Een religie is waar naar de mate waarin deze in de spirituele, morele en intellectuele behoeften van de tijd voorziet en in deze opzichten de ontwikkeling van de mensheid bevordert. Zij is onwaar naar de mate waarin zij deze ontwikkeling belemmert en het spirituele, morele en intellectuele deel van de menselijke natuur krenkt. En de transcendentale spirituele ideeën van de leidende krachten van het Universum zoals deze door een Oosterse wijze worden gekoesterd, zouden evenzeer een onware religie zijn voor de Afrikaanse wilde als de laag bij de grondse fetisjdienst van de laatste dit zou zijn voor de wijze, hoewel beide visies noodzakelijkerwijs relatief waar moeten zijn, omdat ze beide voor de respectieve individuen de hoogst bereikbare ideeën vertegenwoordigen van dezelfde cosmischspirituele feiten, die nooit in hun waarheid door de mens kunnen worden gekend zolang hij slechts mens blijft. 68

Theosofen respecteren daarom alle religies, en zij koesteren een diepe bewondering voor de religieuze ethica van Jezus. Het zou niet anders kunnen, want deze aan ons overgeleverde leringen zijn dezelfde als die van de Theosofie. In zoverre het moderne Christendom daarom haar aanspraak waar maakt de praktische religie te zijn die door Jezus werd onderwezen, staan de Theosofen er van harte achter. In zoverre als zij tegen die ethiek ingaat, zijn de Theosofen niets anders dan haar tegenstanders. Iedere Christen kan, als hij wenst, de Bergrede vergelijken met de dogma’s van zijn Kerk, en de geest die eruit ademt met de principes die deze christelijke beschaving bezielen en zijn eigen leven beheersen; en dan zal hij in staat zijn voor zichzelf te bepalen in hoeverre hij en de Theosofen het met elkaar eens zijn. Maar belijdende Christenen, in het bijzonder de geestelijken, schrikken ervoor terug deze vergelijking te maken. Als kooplieden die bevreesd zijn voor een faillissement, schijnen zij te vrezen een verschil in hun boekhouding te ontdekken, dat niet zou kunnen worden geëgaliseerd door materiële bezittingen af te wegen tegen geestelijke verantwoordelijkheden. De vergelijking tussen de leringen van Jezus en die van de Kerken is echter regelmatig gemaakt -en vaak met grote geleerdheid en kritische scherpzinnigheid- zowel door hen die het Christendom zouden willen afschaffen als door diegenen die het zouden willen hervormen; en de gezamenlijke uitkomst van deze vergelijkingen, zoals uwe Genade zeker zal weten, komt neer op het bewijs dat de leringen der Kerken en de praktijken van de Christenen op bijna alle punten in directe tegenstelling met de leringen van Jezus zijn. Gewoonlijk zeggen wij tegen de Boeddhist, de Mohammedaan, de Hindoe of de Pars; “Voor u ligt de weg naar de Theosofie in uw eigen religie.” Wij zeggen dit, omdat deze overtuigingen een diep filosofische en esoterische betekenis bevatten, die de allegorieën verklaart die aan het volk werden gegeven; maar tegen de Christenen kunnen wij niet hetzelfde zeggen. De opvolgers van de Apostelen hebben nooit de geheime leer van Jezus opgetekend -de ‘mysteriën van het koninkrijk der Hemelen’- die slechts aan hen (zijn apostelen) gegeven was te kennen.1 Deze werden achtergehouden, uit de weg geruimd, vernietigd. Wat op de stroom der tijd tot ons is gekomen, zijn de leerspreuken, de gelijkenissen, de allegorieën en de fabels, die Jezus uitdrukkelijk richtte tot de spiritueel doven en blinden om later aan de wereld te worden verklaard, en die het moderne Christendom of geheel letterlijk neemt, of naar de grillen van de Vaders der wereldlijke Kerk interpreteert. In beide gevallen zijn ze als afgesneden bloemen: ze zijn gescheiden van de plant waaraan ze groeiden, en van de wortel waaraan die plant zijn leven onttrok. Zouden wij daarom de Christenen aanmoedigen hun eigen religie voor zichzelf te bestuderen,
1

Marcus, iv, 11; Mattheüs, xiii, 11; Lukas, viii, 10.

69

zoals wij de aanhangers van andere overtuigingen doen, dan zou niet kennis van de betekenis van de mysteriën er het gevolg van zijn, maar óf de herleving van middeleeuws bijgeloof en intolerantie, vergezeld van een enorme uitbarsting van loze lipgebeden en preken -iets dergelijks als wat de stichting van de 239 Protestantse sekten in Engeland alleen tot gevolg had- óf anders een grote toename van scepticisme, want het Christendom heeft geen aan zijn beoefenaars bekende esoterische grondslag. Want zelfs u, mijn Heer Aartsbisschop van Engeland, moet zich er pijnlijk van bewust zijn, dat u absoluut niet méér weet van die ‘mysteriën van het koninkrijk der Hemelen’ die Jezus aan zijn discipelen onderwees, dan het nederigste en meest ongeletterde lid van uw Kerk. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen, dat de Theosofen niets inbrengen tegen de politiek van de rooms-katholieke kerk, die enig zulk individueel onderzoek naar de betekenis van de ‘christelijke’ dogma’s verbiedt, noch tegen die van de Protestantse Kerken die dit afraadt, zoals dit bij de esoterische studie van andere religies wel het geval zou zijn. Met hun huidige ideeën en kennis zijn belijdende Christenen niet in staat om met goed gevolg een kritisch onderzoek naar hun geloof te ondernemen. Het onvermijdelijke effect zou zijn, dat hun sluimerende religieuze gevoelens eerder verlamd zouden worden dan gestimuleerd; want bijbelkritiek en vergelijkende mythologie hebben onomstotelijk aangetoond -tenminste aan hen die geen gevestigde spirituele of tijdelijke belangen in de handhaving van de orthodoxie hebben- dat de christelijke religie zoals deze nu bestaat, is samengesteld uit het kaf van het Judaïsme, flarden heidendom en de half verteerde overblijfselen van het gnosticisme en neo-platonisme. Deze wonderlijke samenstelling welke zich geleidelijk vormde rond de opgetekende uitspraken (logia) van Jezus, is na verloop van eeuwen, nu begonnen uiteen te vallen en af te brokkelen van het pure en waardevolle juweel van theosofische waarheid, dat er zo lang door werd bedekt en verborgen, maar deze noch kon vervormen noch vernietigen. Theosofie redt niet alleen deze waardevolle juwelen van het lot dat dreigt voor het afval waarin ze zo lang opgesloten lagen, maar redt dat afval zelf van volledige ondergang; want ze toont aan dat het resultaat van bijbelkritiek allesbehalve de uiteindelijke analyse van het Christendom is, daar elk der stukken die het wonderlijke mozaïek van de Kerken samenstellen, eens tot een religie behoorden welke een esoterische betekenis had. Slechts indien deze stukken worden teruggevoerd tot de plaatsen die ze oorspronkelijk innamen, kan de verborgen betekenis ervan worden waargenomen en de werkelijke betekenis van de dogma’s van het Christendom begrepen. Om dit alles te doen is echter een kennis vereist van de Geheime Leer zoals deze bestaat in de esoterische grondslag van andere religies; en deze kennis is niet in handen van de Geestelijkheid, 70

want de Kerk heeft de sleutels verborgen, en sindsdien verloren. Uwe Genade zal nu begrijpen waarom The Theosophical Society de studie van die Oosterse religies en filosofieën, die zo’n helder inzicht in de innerlijke betekenis van het Christendom geven, tot één van haar drie ‘doelstellingen’ heeft genomen; en u zult, hopen wij, ook inzien dat wij op deze wijze niet handelen als de vijanden, maar als de vrienden van de door Jezus onderwezen religie – in feite van het ware Christendom. Want het is slechts door de studie van die religies en filosofieën, dat Christenen ooit tot een begrip van hun eigen geloof kunnen komen, of de verborgen betekenis van de gelijkenissen en allegorieën kunnen zien, die de Nazarener aan de spiritueel kreupelen van Judea vertelde; en door deze óf als nuchtere feiten óf als fantasieën te beschouwen, hebben de Kerken de leringen zelf belachelijk en verachtelijk gemaakt en het Christendom in ernstig gevaar van volledige ineenstorting gebracht, ondermijnd als het is door historische kritiek en mythologisch onderzoek, naast het feit dat het door de voorhamer der moderne wetenschap is vergruizeld. Moeten dan de Theosofen zelf door de Christenen als hun vijanden worden beschouwd, omdat zij geloven dat het orthodoxe Christendom in haar geheel genomen tegengesteld is aan de religie van Jezus; en omdat zij de moed hebben de Kerken te vertellen dat zij verraders zijn van de MEESTER die zij beweren te eerbiedigen en te dienen? In werkelijkheid verre van dat. Theosofen weten dat dezelfde geest die de woorden van Jezus bezielde, latent aanwezig is in de harten van Christenen, zoals deze van nature in het hart van ieder mens ligt. Hun fundamentele leerstelling is de Broederschap der Mensen, waarvan de uiteindelijke verwezenlijking slechts mogelijk wordt door datgene wat lang voor het leven van Jezus bekend was als ‘de Christus-geest’. Deze geest is zelfs nu potentieel in ieder mens aanwezig en zal tot activiteit worden gebracht als menselijke wezens niet langer door de scheidsmuren van strijd en haat die door priesters en prinsen zijn opgericht, worden weerhouden van begrip, waardering en sympathie voor elkaar. Alle Kerken hebben vele nobele, opofferingsgezinde en deugdzame mannen en vrouwen, verlangend om naar hun inzichten en mogelijkheden goed te doen in hun generatie en vol aspiratie naar hogere dingen dan die der aarde – volgelingen van Jezus ondanks hun Christendom. Voor mensen als deze voelen de Theosofen de diepste sympathie; want slechts een Theosoof, of anders een persoon van de delicate gevoeligheid en grote theologische geleerdheid als uwe Genade, kan de enorme moeilijkheden op waarde schatten, waarmee de tere plant van natuurlijk medelijden te kampen heeft als hij zijn wortel in de onsympathieke grond van onze 71

christelijke beschaving dwingt en in de koude en dorre atmosfeer van theologie tot bloei tracht te komen. Hoe moeilijk moet het bijvoorbeeld niet zijn om een God ‘lief te hebben’, zoals die in een bekende passage van Herbert Spencer wordt afgebeeld: “De wreedheid van een God der Fiji-eilanden, die, voorgesteld als de zielen der doden verslindend, verondersteld mag worden tijdens dit proces marteling teweeg te brengen, is gering, vergeleken met de wreedheid van een God die mensen tot martelingen veroordeelt die eeuwig zijn (…) De bezoeking over honderden generaties aan de nakomelingen van Adam van vreselijke straffen voor een kleine overtreding die zij niet begingen, het verdoemen van ieder mens die zichzelf niet bedient van een beweerde wijze van vergiffenis verkrijgen, waarvan de meeste mensen nooit hebben gehoord, en het bewerkstelligen van verzoening door een zoon te offeren die volstrekt onschuldig was teneinde te voldoen aan de vermeende noodzaak van een zoenoffer, zijn handelwijzen die, indien zij aan een menselijke heerser zouden worden toegeschreven, uitingen van afschuw teweeg zouden brengen …”2 Uwe Genade zal zonder twijfel zeggen dat Jezus nooit de aanbidding van een dergelijke god heeft onderwezen. Hetzelfde zeggen wij Theosofen. Toch is het die god wiens eredienst officieel door u in de Kathedraal van Canterbury wordt geleid, mijn Heer Aartsbisschop van Engeland; en uwe Genade zal het zeker met ons eens zijn dat er inderdaad een goddelijke vonk van religieuze intuïtie in de harten van mensen moet zijn, die hen in staat stelt zich zo goed te verweren tegen de dodelijke werking van zo’n giftige theologie. Indien uw Genade vanaf uw hoge troon een blik om u heen wilt werpen, zult u een christelijke beschaving waarnemen waarin een razende en genadeloze strijd van mens tegen mens niet alleen het duidelijke kenmerk is, maar het algemeen aanvaarde beginsel. Het is thans een aanvaard wetenschappelijk en economisch axioma, dat alle vooruitgang wordt bereikt door de strijd om het bestaan en het overleven van de meest geschikte; en de meest geschikten om in deze christelijke beschaving te overleven zijn niet degenen die beschikken over de kwaliteiten die door de moraal van alle tijden als de beste worden beschouwd -niet de edelmoedigen, de mededogenden, de edelen van hart, de vergevingsgezinden, de nederigen, de waarheidslievenden, de eerlijken en de vriendelijken- maar zij die het sterkst zijn in zelfzuchtigheid, in handigheid, in huichelarij, in
2

“Religion: A Retrospect and Prospect,” in the Nineteenth Century, Vol. XV, No. 83, Januari 1884.

72

bruut geweld, in valse pretenties, in gewetenloosheid, in wreedheid en in hebzucht. De spirituelen en de altruïsten zijn ‘de zwakken’, die door de ‘wetten’ die in het universum heersen als voedsel worden gegeven aan de egoïsten en materialisten –’de sterken’. Dat ‘macht hebben gelijk staat aan gelijk hebben’ is de enige gerechtvaardigde conclusie, het laatste woord van de negentiende eeuwse ethiek, want de wereld is een gigantisch slachtveld geworden, waarop ‘de meest geschikten’ als gieren neerdalen om de ogen en de harten van degenen die in de strijd zijn gevallen uit te rukken. Maakt de religie een eind aan deze strijd? Drijven de Kerken de gieren terug, of troosten ze de gewonden en de stervenden? Aan religie kan nog niet het gewicht van een veer worden toegekend in de hedendaagse wereld zoals deze in het algemeen is, wanneer werelds voordeel en zelfzuchtig plezier in de andere schaal wordt gelegd; en de Kerken staan machteloos om het religieus gevoel onder de mensen te doen herleven, omdat hun ideeën, hun kennis, hun methoden en hun argumenten middeleeuws zijn. Mijn Heer Aartsbisschop, uw Christendom loopt vijfhonderd jaar achter. Zolang de mens redetwistte over de vraag of de ene of de andere god de ware was, of over de vraag of de ziel na de dood naar de ene of de andere plaats ging, begreep u, de geestelijkheid, de vraag en had argumenten bij de hand om de opinie te beïnvloeden – door sluitrede of marteling, al naar het geval vereiste; maar momenteel is hetgeen in twijfel wordt getrokken of ontkend, het bestaan van enig wezen als God in het algemeen, of van enige soort onsterfelijke geest. De wetenschap ontwikkelt nieuwe theorieën over het Universum die achteloos aan het bestaan van enige god voorbij gaan; moralisten brengen theorieën tot stand over ethiek en sociaal leven waarin het als vanzelfsprekend wordt beschouwd dat een toekomstig leven niet bestaat; in de natuurkunde, in de psychologie, in de wetgeving, in de geneeskunde, is het enige dat wordt vereist om welke leraar dan ook het recht te geven op gehoor, dat zijn ideeën geen enkele verwijzing bevat naar een Voorzienigheid of een ziel. De wereld wordt snel tot de overtuiging gevoerd dat god een mythologische voorstelling is, die geen feitelijke grondslag of plaats in de Natuur heeft; en dat het onsterfelijke deel van de mens de dwaze droom van onwetende wilden is, bestendigd door de leugens en listen van priesters die hun oogst binnenhalen door het bij de mens cultiveren van de angst dat hun mythologische God hun denkbeeldige ziel tot in alle eeuwigheid zal martelen in een legendarische Hel. In deze eeuw staan de geestelijken stom en machteloos tegenover al deze zaken. Het enige antwoord dat de Kerk op dergelijke ‘tegenwerpingen’ wist te geven, waren de pijnbanken en de brandstapel; maar deze vormen van logica kan ze nu niet aanwenden. Het is duidelijk dat als de God en de ziel die door de Kerken worden 73

onderwezen denkbeeldige entiteiten zijn, de christelijke verlossing en verdoemenis slechts hersenschimmen zijn, voortgebracht door het hypnotiserende proces van bewering en suggestie op een reusachtige schaal, cumulatief werkend op generaties van milde ‘hysterici’. Welk antwoord heeft u op een dergelijke theorie over de christelijke religie, behalve een herhaling van beweringen en suggesties? Over welke methoden beschikt u om mensen terug te voeren tot hun oude geloof, buiten het doen herleven van hun oude gewoonten? “Bouw meer kerken, zeg meer gebeden, richt meer missies op, en uw geloof in verdoemenis en verlossing zal herleven, en een hernieuwd geloof in God en de ziel zal het noodzakelijke resultaat zijn.” Dat is de politiek der Kerken, en hun enige antwoord op agnosticisme en materialisme. Maar het moet uwe Genade toch bekend zijn, dat het tegemoet treden van de aanvallen der moderne wetenschap en kritiek met zulke wapens als beweringen en gewoonten, is als het erop uit trekken tegen machinegeweren, gewapend met boemerangs en leren schilden. Zolang echter de voortgang der ideeën en de toename van kennis de populaire theologie ondermijnt, brengt elke wetenschappelijke ontdekking, elke nieuwe opvatting van de Europese voortschrijdende gedachtewereld de negentiende eeuwse geest dichter tot de ideeën van Goddelijkheid en Spiritualiteit, die in alle esoterische religies en in de Theosofie bekend zijn. De kerk beweert dat het Christendom de enige ware religie is, en deze bewering bevat twee duidelijke stellingen, namelijk dat het Christendom ware religie is en dat er geen ware religie is buiten het Christendom. Het schijnt Christenen nooit op te vallen dat God en Geest in enige andere vorm zouden kunnen bestaan dan die welke in de leringen van hun Kerk wordt weergegeven. De wilde noemt de missionaris een Atheïst omdat hij geen afgodsbeeld in zijn koffer met zich meedraagt; en de missionaris noemt op zijn beurt iedereen een Atheïst die geen voorstelling van een afgod in zijn gedachten houdt; en noch de wilde noch de Christen schijnt ooit te vermoeden dat er een hoger idee dan dat van hemzelf zou kunnen bestaan van de grootste verborgen kracht die het Universum bestuurt, waarop de benaming ‘God’ veel meer van toepassing is. Het is twijfelachtig of de Kerken meer moeite doen om te bewijzen dat het Christendom ‘waar’ is, dan te bewijzen dat enige andere vorm van religie noodzakelijkerwijs ‘onwaar’ is; en de kwalijke gevolgen van deze, hun lering, zijn verschrikkelijk. Wanneer mensen dogma’s terzijde schuiven, denken zij dat zij tevens het religieuze gevoel hebben weerlegd, en zij concluderen dat religie in het menselijke leven overbodig is – een toeschrijven aan de wolken wat aan de aarde toebehoort, een verspilling van energie dat met meer profijt in de strijd om het bestaan zou kunnen worden aangewend. Het materialisme van deze tijd is daarom het directe 74

gevolg van de christelijke leer dat er geen leidende kracht in het Universum en geen onsterfelijke Geest in de mens is, behalve die welke in christelijke dogma’s wordt bekendgemaakt. De Atheïst, mijn Heer Aartsbisschop, is de bastaardzoon van de Kerk. Maar dit is niet alles. De Kerken hebben de mensen nooit enige andere of hogere reden geleerd waarom zij rechtvaardig, vriendelijk en waarheidslievend zouden moeten zijn dan de hoop op beloning en de angst voor straf; en als zij hun geloof in de Goddelijke grilligheid en Goddelijke onrechtvaardigheid laten varen, is de grondslag van hun moraal ondergraven. Zij kunnen niet eens terugvallen op natuurlijke moraliteit, want het Christendom heeft hun geleerd deze zonder waarde te achten op grond van de natuurlijke verdorvenheid van de mens. Om die reden wordt eigenbelang de enige gedragsregel, en de angst om te worden betrapt het enige afschrikkende middel tegen kwaad. En daarom voert het Christendom de mensen met betrekking tot moraliteit, zowel als tot God en de ziel, van het pad dat tot kennis leidt af, en stort hen in de afgrond van ongeloof, pessimisme en kwaad. De Kerk is nu de laatste plaats waar de mensen voor hulp zouden komen tegen het onheil en het lijden van het leven, omdat zij weten dat het bouwen van kerken en het herhalen van litanieën, noch de krachten der Natuur, noch de raadsvergaderingen der naties beïnvloedt; omdat zij instinctief aanvoelen dat toen de Kerken het principe van opportunisme aanvaardden, ze hun macht verloren om de harten der mensen te bewegen, en sindsdien slechts op het uiterlijk gebied kunnen opereren als de schilddragers van de politieagent en de politicus. De functie van de religie is de mensheid te troosten en te bemoedigen in haar levenslange strijd met zonde en smart. Dit kan ze alleen doen door de mens nobele idealen van een gelukkiger bestaan na de dood en een beter leven op aarde voor te leggen, in beide gevallen door bewuste krachtsinspanning te verkrijgen. Wat de wereld nu nodig heeft, is een Kerk die van Goddelijkheid zal spreken, van het onsterfelijk beginsel in de mens, hetgeen tenminste zal aansluiten bij de ideeën en de kennis van deze tijd. Dogmatisch Christendom is niet geschikt voor een wereld die de rede aanwendt en nadenkt, en slechts diegenen die zichzelf in een middeleeuwse geestestoestand kunnen storten zijn in staat een Kerk te waarderen wier religieuze (los gezien van haar sociale en politieke) functie het is, God in een goed humeur te houden, terwijl de leken datgene doen waarvan zij geloven dat hij het niet goedkeurt; te bidden voor weersveranderingen, en nu en dan de Almachtige te danken voor zijn hulp bij het verslaan van de vijand. Het zijn geen ‘medicijnmannen’, maar spirituele gidsen die de wereld nu zoekt – een ‘geestelijkheid’ die haar idealen zal verschaffen die even geschikt zijn voor het intellect van 75

deze eeuw als de christelijke Hemel en Hel, God en Duivel dit waren voor de eeuwen van duistere onwetendheid en bijgeloof. Voldoet, of kan de christelijke geestelijkheid aan deze eis voldoen? Het lijden, de misdaad, het kwaad, de zelfzucht, de beestachtigheid, het gebrek aan zelfrespect en zelfcontrole, die onze moderne beschaving markeren, verenigen hun stemmen in één verschrikkelijke kreet en antwoorden – NEEN! Wat is de betekenis van de reactie tegen materialisme, waarvan de tekenen heden ten dage de lucht vervullen? Het betekent dat de wereld doodziek is geworden van het dogmatisme, de arrogantie, de zelfgenoegzaamheid en de spirituele blindheid der moderne wetenschap – van diezelfde Moderne Wetenschap welke men gisteren nog toejuichte als de bevrijder van godsdienstige dweperij en christelijk bijgeloof, maar die als de Duivel uit de legenden der monniken als prijs voor zijn diensten het offer van de onsterfelijke ziel van de mens verlangt. En wat doen de Kerken intussen? De Kerken slapen de zoete slaap van subsidies, van sociale en politieke invloed, terwijl de wereld, het vlees en de duivel hun wachtwoorden, hun wonderen, hun argumenten en hun blinde geloof aanwenden. De spiritisten -o! Kerken van Christus- hebben het vuur van uw altaren gestolen om hun séancekamers te verlichten; de aanhangers der Bevrijdingsleer hebben uw sacramentale wijn genomen en drinken zichzelf een spirituele roes in de straat; de ongelovige heeft de wapenen gestolen waarmee u hem eens weerstond en vertelt uw triomfantelijk dat ‘wat u naar voren brengt, tevoren al zo vaak werd gezegd’. Had de geestelijkheid ooit zo’n schitterende gelegenheid? De druiven in de wijngaard zijn rijp en wachten slechts op de juiste werkers om geoogst te worden. Als u de wereld enig bewijs zou geven op het niveau van de huidige intellectuele standaard van waarschijnlijkheid, dat Goddelijkheid -de onsterfelijke Geest in de mens- even werkelijk bestaat als feiten in de Natuur, zouden de mensen u dan niet toejuichen als hun verlosser van pessimisme en wanhoop, van de gekmakende en verdierlijkende gedachte dat er geen andere toekomst is voor de mens dan een eeuwig niets, na een paar korte jaren van bitter zwoegen en smart? – ja; als hun verlosser van de door paniek bevangen strijd van materieel plezier en werelds voordeel, hetgeen het directe gevolg is van het geloof dat dit sterfelijk leven alle facetten van het bestaan omvat? Maar de Kerken bezitten noch de kennis noch het geloof dat nodig is om de wereld te redden, en uw Kerk, mijn Heer Aartsbisschop, misschien wel het minst van alle, met de molensteen van £ 8.000.000 per jaar om haar nek. Tevergeefs tracht u het schip wat lichter te maken door de ballast van leringen, die uw voorvaders essentieel achtten voor het Christendom, overboord te zetten. Wat kan u Kerk nu nog meer doen dan met kale 76

masten voor de storm gaan, terwijl de geestelijken een zwakke poging doen de gapende lekken met de ‘herziene versie’ op te vullen, en met hun sociaal en politiek drukkende last trachten het schip voor kapseizen, en zijn lading van dogma’s en fondsen voor zinken te behoeden? Wie bouwde de Kathedraal van Canterbury, mijn Heer Aartsbisschop? Wie vond de grote kerkelijke organisatie uit, die een Aartsbisschop van Canterbury mogelijk maakt; wie gaf er leven aan? Wie legde de grondslag van het uitgebreide systeem van godsdienstige belastingen die u £ 15.000 per jaar en een paleis oplevert? Wie installeerde de vormen en ceremonieën, de gebeden en litanieën, die enigszins gewijzigd en ontdaan van kunst en ornamenten, de liturgie van de Kerk van Engeland vormen? Wie ontwrong aan de mensen de trotse titels van ‘goddelijke hoogwaardigheidsbekleder’ en ‘Man van God’ die de geestelijkheid van uw Kerk zich zo vol vertrouwen aanmatigt? Inderdaad, wie anders dan de Kerk van Rome! Wij spreken niet in een geest van vijandschap. De Theosofie heeft de opkomst en de val van vele geloven gezien, en zal bij de geboorte en de dood van nog vele meer aanwezig zijn. Wij weten dat het leven van religies onderhevig is aan wetmatigheid. Of u nu uw legitimiteit hebt geërfd van de Kerk van Rome of door geweld verkregen, wij laten het aan u over om met uw vijanden en met uw geweten in het reine te komen; want onze geesteshouding ten opzichte van uw Kerk wordt bepaald door de intrinsieke waardeloosheid ervan. Wij weten dat als ze niet in staat is de ware spirituele functie van een religie te vervullen, ze zeker weggevaagd zal worden, zelfs als de fout meer ligt in haar erfelijke omstandigheden, of in haar milieu en omgeving, dan in haarzelf. De Kerk van Engeland, om een alledaagse vergelijking te maken, is als een trein die loopt op een impuls die ze kreeg voordat de stoom werd afgesloten. Toen ze het hoofdspoor verliet, geraakte ze op een zijspoor dat nergens heen leidt. De trein is bijna tot stilstand gekomen, en vele passagiers hebben haar ten gunste van andere vervoermiddelen verlaten. Degenen die blijven zijn er zich voor het grootste gedeelte van bewust dat zij al die tijd afhankelijk zijn geweest van het beetje stoom dat in de ketel achterbleef nadat de vuren van Rome eronder vandaan waren gehaald. Zij vermoeden dat zij mogelijk nog slechts ‘treintje spelen’; maar de machinist blijft aan de fluit trekken, de controleur gaat rond om de kaartjes te knippen, en de remmers doen hun remmen knarsen, en bij nader inzien is het allemaal best leuk. Want de rijtuigen zijn warm en comfortabel en de dag is koud, en zolang zij fooien krijgen zijn alle werknemers van de vervoersmaatschappij zeer welwillend. Maar zij die weten waarheen zij willen gaan, zijn niet zo tevreden. Gedurende een aantal eeuwen heeft de Kerk van Engeland het gepresteerd 77

gelijktijdig naar twee kanten te weifelen – tegen de rooms-katholieken zeggend: “Wees redelijk!” en tegen de Sceptici: “Geloof!” Door de hevigheid van haar tweeslachtigheid aan te passen, is ze er zo lang in geslaagd te voorkomen dat ze van de omheining zou vallen. Maar nu begeeft de omheining het zelf. Beëindiging van subsidie en scheiding van kerk en staat hangen in de lucht. En wat voert de Kerk namens haarzelf aan? Haar nuttigheid. Het is nuttig om verspreid door het land een aantal onderlegde, morele, onwereldse mensen te hebben, die voorkomen dat de wereld het begrip religie helemaal vergeet en die optreden als centra van liefdadigheid. Maar het is momenteel geen kwestie meer van het herhalen van gebeden en het geven van aalmoezen aan de armen, zoals dit vijfhonderd jaar geleden het geval was. De mensen zijn volwassen geworden en hebben hun denken en de richting van hun sociale, privé- en zelfs spirituele zaken in eigen hand genomen, want zij hebben ontdekt dat de geestelijkheid niets méér weet over ‘Hemelse zaken’ dan zij zelf. Maar de Kerk van Engeland, zo is gezegd, is dermate liberaal geworden dat allen haar zouden moeten steunen. Waarlijk, men kan een uitstekende imitatie van de mis bezoeken, of geregeld ter kerke gaan bij een voorstander van eenheid, en nog steeds in haar schoot verkeren. Deze schitterende tolerantie betekent echter dat de Kerk het noodzakelijk heeft geoordeeld zichzelf tot een open gemeenschap te maken, waarin een ieder kan doen wat in zijn eigen kraam te pas komt, als hij maar wil helpen de fondsen te verdedigen. Tolerantie en liberalisme zijn tegengesteld aan de wetten van het bestaan van enige Kerk die in goddelijke verdoemenis gelooft en de verschijning ervan in de Kerk van Engeland is geen teken van hernieuwd leven, maar van naderende desintegratie. Niet minder misleidend is de energie die de Kerk aan de dag legt in het bouwen van kerken. Ware dit een maatstaf voor religie, hoe vroom zou deze eeuw zijn! Nog nooit was dogmatisme zo goed behuisd, hoewel menselijke wezens mogelijk bij duizenden op straat moeten slapen en letterlijk van honger moet omkomen in de schaduw van onze majestueuze kathedralen, gebouwd in de naam van Hem die geen plek had Zijn hoofd ter ruste te leggen. Maar heeft Jezus u verteld, uwe Genade, dat religie niet in de harten der mensen ligt, maar in tempels die met handen werden gemaakt? U kunt uw piëteit niet in steen veranderen en het ook in uw leven aanwenden; en de geschiedenis toont aan dat een verstening van het religieuze gevoel een even dodelijke ziekte is als verharding van het hart. Zou het aantal kerken echter met honderd worden vermenigvuldigd, en zou iedere geestelijke een centrum van liefdadigheid worden, dan zou dit slechts het werk dat de armen van hun medemensen behoeven maar niet van hun spirituele leiders, in de plaats stellen van datgene wat zij vragen en niet kunnen krijgen. Het zou slechts de spirituele onvruchtbaarheid van de leringen 78

der Kerk duidelijker doen uitkomen. De tijd nadert dat de geestelijkheid zal worden opgeroepen om rekenschap te geven van haar beheer. Bent u gereed, mijn Heer Aartsbisschop, om aan UW MEESTER uit te leggen waarom u Zijn kinderen stenen hebt gegeven toen zij schreeuwden om brood? U glimlacht in uw vermeende geborgenheid. De dienaren hebben zo lang carnaval gevierd in de innerlijke kamers van het huis des Heren, dat zij denken dat Hij zeker nooit zal terugkeren. Maar Hij zei u dat Hij zou komen als een dief in de nacht; en zie daar! Hij komt reeds in de harten der mensen. Hij komt om daar bezit te nemen van Zijn Vaders koninkrijk, waar Zijn koninkrijk alleen heerst. Maar u kent Hem niet! Indien de Kerken zelf niet waren meegespoeld met de vloed van ontkenning en materialisme die de Samenleving heeft overspoeld, zouden ze de snel groeiende kiem van de geest van Christus in de harten der mensen herkennen, die ze nu brandmerken als afvalligen en woestelingen. Ze zouden daar dezelfde geest van liefde, van zelfopoffering, van immens medelijden met de onwetenden, de dwazen en de lijdenden van de wereld herkennen, die in zijn zuiverheid in het hart van Jezus verscheen, zoals deze was verschenen in de harten van andere Heilige Hervormers in andere tijden; en die het licht is van alle ware religie en de lamp waarnaar de Theosofen van alle tijden gepoogd hebben hun schreden te richten langs het smalle pad dat naar bevrijding voert – het pad dat wordt betreden bij elke incarnatie van CHRISTOS of de GEEST VAN WAARHEID. Bij deze, mijn Heer Aartsbisschop, hebben wij met veel respect de voornaamste punten van verschil en onenigheid tussen de Theosofie en de christelijke Kerken aan u voorgelegd, en u verteld van de eenheid van de Theosofie met de leringen van Jezus. U hebt onze geloofsbelijdenis gehoord en kennis genomen van de grieven en aanklachten die wij het dogmatische Christendom voor de voeten werpen. Wij, een handvol nederige eenlingen, noch in het bezit van rijkdom noch van wereldse invloed, maar sterk in onze kennis, hebben ons verenigd in de hoop het werk te doen waarvan u zegt dat uw MEESTER dit aan u heeft toegewezen, maar dat zo droevig wordt veronachtzaamd door die rijke en dominerende kolossus – de Christelijke Kerk. Zult u dit aanmatigend noemen, vragen wij ons af? Zult u, in dit land van vrijheid van meningsuiting, vrijheid van spreken en vrijheid van onderneming, het wagen ons geen andere erkenning te geven dan de gebruikelijke banvloek die de Kerk voor de hervormer heeft klaarliggen? Of mogen wij hopen dat de bittere lessen van ervaring, die deze politiek de Kerken in het verleden heeft verschaft, de harten van hun leiders heeft veranderd en hun inzicht heeft verlicht; en dat het komende jaar, 1888, getuige zal zijn van Christenen die ons in gemeenschap en 79

goede wil de hand reiken? Dit zou slechts een terechte bevestiging zijn dat het relatief kleine lichaam, dat The Theosophical Society wordt genoemd, geen voorloper is van de Anti-Christ, geen broedsel van de Duivel, maar de praktische helper, de redder wellicht, van het Christendom, en dat het slechts tracht het werk te doen hetgeen Jezus, evenals Boeddha en de andere ‘zonen van God’ die hem voorgingen, aan al zijn volgelingen heeft opgedragen op te nemen, maar hetgeen de Kerken, dogmatisch als ze zijn geworden volstrekt onbekwaam zijn om uit te voeren. En tot slot, indien uwe Genade kan aantonen, dat wij de Kerk waarvan u het Hoofd bent, of de populaire Theologie onrecht aandoen, beloven wij onze vergissingen publiekelijk te erkennen. Maar – “WIE ZWIJGT STEMT TOE.” H.P.Blavatsky

lL

lL

lL

80

DE GEÜNIEERDE LOGE VAN THEOSOFEN BEGINSELVERKLARING
Het richtsnoer van deze Loge is onafhankelijke toewijding aan de belangen van de Theosofie. De Loge staat buiten elke Theosofische organisatie. Zij blijft getrouw aan de grote Stichters van de Theosofische Beweging en houdt zich niet op met onenigheden of persoonlijke meningsverschillen. Het werk dat ze ter hand heeft genomen en het doel dat ze voor ogen houdt, nemen haar te zeer in beslag en zijn te verheven om haar tijd te laten of lust te doen voelen zich met bijzaken op te houden. Dat werk en dat doel zijn de verbreiding van de Theosofische grondstellingen en de toepassing van die beginselen in de praktijk van het leven door een zich steeds beter bewust worden van het Zelf; een diepere overtuiging van Universele Broederschap. Zij verklaart dat de onaantastbare grondslag voor eenheid onder Theosofen, waar en hoe ook geplaatst, overeenkomst van doel, streven en lering is. Daar deze grondslag de enig mogelijke en volmaakte band tussen de bij haar aangeslotenen vormt, is verdere reglementering of een bestuur overbodig. Zij stelt zich ten doel dit begrip onder Theosofen te verspreiden om zodoende de onderlinge eenheid te bevorderen. Zij acht allen ‘Theosoof’ die de mensheid zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, persoonlijke omstandigheden of richting in waarheid dienen. Zij heet allen welkom die instemmen met deze grondslag en die wensen zichzelf door studie en op andere wijze te bekwamen om anderen steeds beter te helpen en te onderwijzen. ‘De ware Theosoof behoort tot geen geloof noch sekte en toch behoort hij tot alle.’

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful