You are on page 1of 51

Supplement bij

Publiekrecht vastgoed
Mr. P.C. Bakker, mr. J.J.M. Gisberts

Vijfde druk

Wolters-Noordhoff Groningen/Houten

Woord vooraf
Het inwerkingtreden van de Woningwet met bijbehorend Bouwbesluit en twee nieuwe Algemene Maatregelen van Bestuur maken het noodzakelijk dit supplement aan de vijfde druk van Publiekrecht vastgoed toe te voegen. Dit supplement bevat informatie over regels voor nieuwbouw; de bouwvergunning. De uitgever

5.5.2 Regels voor nieuwbouw; de bouwvergunning
Deze subparagraaf bevat de volgende onderdelen:

5.5.2.1 5.5.2.2 5.5.2.3 5.5.2.4 5.5.2.5 5.5.2.6 5.5.2.7 5.5.2.8 5.5.2.9

Algemeen Bouwvergunningsvrije bouwwerken, bouwen na een lichte bouwvergunning, bouwen na een reguliere bouwvergunning Bouwen na vrijstelling op grond van art. 17 of 19 WRO Kennisgeving aanvraag bouwvergunning Weigeringsgronden reguliere en lichte bouwvergunning Bouwbesluit Bouwverordening Bestemmingsplan Bouwvergunning met termijn

3 4 15 16 16 18 22 30 31 32 33 34 37 44 47 49 49 49 50

5.5.2.10 Beslissingstermijn op aanvraag bouwvergunning 5.5.2.11 Ontvankelijkheid 5.5.2.12 Welstandsbeleid en welstandscommissie 5.5.2.13 Aanhouden beslissing op de bouwaanvraag 5.5.2.14 De anticipatieprocedure en de samenhang met art. 19 WRO 5.5.2.15 Voorwaarden aan de bouwvergunning 5.5.2.16 Openbaar register 5.5.2.17 Mededeling verlenen fictieve bouwvergunning 5.5.2.18 Intrekken bouwvergunning 5.5.2.19 Bouwvergunning in twee fasen

2

5 Woningwet

5.5.2.1 Algemeen In subparagraaf 5.5.1 zijn de regels uit de Woningwet voor de bestaande bouw beschreven. Door middel van het Bouw- en Woningtoezicht gaat de gemeente na wat de staat van de volkshuisvesting is (bestaande bouw) en wat de staat van de volkshuisvesting wordt (nieuwbouw). Indien de bestaande bouw niet aan de eisen voldoet of als blijkt dat niet volgens de eisen wordt gebouwd, krijgt de eigenaar van het object een aanschrijving. Indien een woning niet meer opgeknapt kan worden, wordt ze onbewoonbaar verklaard. Dit toezicht vindt dus achteraf plaats: het is repressief toezicht. Voor de grotere nieuw- of verbouwplannen is van tevoren een vergunning nodig: het is dan preventief toezicht. Door middel van de bouwvergunning wordt geregeld dat er wordt gebouwd: 1 volgens de technische eisen; 2 volgens de bouwverordening en het bestemmingsplan; 3 niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Doordat de bouwvergunning niet mag worden verleend zolang een bouwplan nog niet in overeenstemming is met enkele andere wetten – zoals de Monumentenwet 1988, de Wet milieubeheer, de Wet Bodembescherming –, helpt het instrument van de bouwvergunning ook bij het bereiken van de doelstellingen van deze wetten. Art. 40 Woningwet zegt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). De eerste vraag die dan rijst is: wat is bouwen? De definitie van bouwen staat in de wet: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk of standplaats voor een woonwagen. De definitie van een bouwwerk staat in de (model)bouwverordening: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Over de begrippen ‘bouwen’ en ‘bouwwerk’ is veel jurisprudentie verschenen. Hoofdlijn is dat de begrippen ruim worden geïnterpreteerd. Een bouwwerk is elk object dat naar constructie, omvang en aard een plaatsgebonden karakter heeft.
Burgemeester en wethouders van Leidschendam hadden een inwoonster medegedeeld dat van gemeentewege was gebleken dat zij, zonder de daarvoor vereiste vergunning, twee gekoppelde keetwagens had geplaatst. Zij hadden haar daarbij aangeschreven de keetwagens binnen een maand te verwijderen, bij gebreke waarvan van gemeentewege, doch op haar kosten daartoe zou worden overgegaan. In de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ARRvS van 8 maart 1987, nr. R03.85.6062, AB 1987, 373) zegt de Afdeling ‘dat een plaatsgebonden situatie onder meer kan worden aangenomen op grond van de kennelijke intentie van de eigenaar of de gebruiker, de duur van de aanwezigheid en het treffen van voorzieningen aan of bij de wagens’.

Uitgangspunt van de Woningwet is dat voor elk bouwen, dat wil dus zeggen het oprichten of veranderen en dergelijke van een bouwwerk, een bouwvergunning nodig is.
Voorbeelden van bouwwerken zijn: een friteskraam, een bloemenkiosk, een sloopautobus als schaftlokaal, een demontabele kas van 15 × 5 meter bestaande uit een gebogen lichtgewicht frame dat met plastic is overspannen, demontabele luifels aan de winkelpand, rolluiken voor een winkel, een vlaggenmast van 13 meter, een bevestigd balkonhek, een benzinepompinstallatie, hekwerken, aanlegsteigers, een privaatgebouwtje, een voormalige directiewagen die voor opslag wordt gebruikt, een terrasafscherming en -overkapping, een stacaravan. Objecten die niet als bouwwerk worden aangemerkt zijn: een olieleiding met een diameter van 60 centimeter zonder fundering, een boogkas van 2 meter hoog en 4 meter breed, een waterbassin voor een tuinbedrijf (aarden wal met plastic), een drijvende woning, keetwagens, een als tijdelijke hulpconstructie dienende damwand en overkluizing.

Door de Woningwet zelf zijn drie belangrijke uitzonderingen gemaakt op het principe dat voor elk bouwen een bouwvergunning nodig is. Geen bouwvergunning is nodig voor bouwen:

5.5.2 Regels voor nieuwbouw; de bouwvergunning 3

1 2 3

dat moet plaatsvinden vanwege een aanschrijving van burgemeester en wethouders of dat behoort tot het gewone onderhoud of dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Betreft de aanschrijving of het gewone onderhoud of het bouwen van beperkte betekenis een monument of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, dan is wel een bouwvergunning nodig. 5.5.2.2 Bouwvergunningsvrije bouwwerken, bouwen na een lichte bouwvergunning, bouwen na een reguliere bouwvergunning Tot de bouwvergunningsvrije bouwwerken behoort dus bouwen ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders of bouwen dat behoort tot het gewone onderhoud. Daarnaast is in de amvb Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, geldend per 1 januari 2003, gedetailleerd aangegeven voor welk bouwen geen bouwvergunning is vereist. De overige bouwwerken waarvoor een bouwvergunning is vereist, zijn verdeeld in licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en reguliere bouwvergunningplichtige bouwwerken. Er is dus een driedeling: 1 bouwvergunningvrij bouwen, 2 bouwen na een lichte bouwvergunning en 3 bouwen na een reguliere bouwvergunning. Een bouwvergunningsvrij bouwwerk hoeft niet te voldoen aan het bestemmingsplan, de bouwverordening of de welstandseisen. Het Bouwbesluit waarin de technische eisen staan, is wel van toepassing, evenals de privaatrechtelijke burenrechtbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Bij het bepalen van de categorieën bouwvergunningsvrije, lichte en reguliere bouwvergunningplichtige bouwwerken heeft het verschil in voor- en achterkant van gebouwen een grote rol gespeeld. Vanuit stedenbouwkundige en welstandsoverwegingen is aan de achterkant veel vrij gelaten en aan de voorkant weinig. Deze voor- en achterkantbenadering heeft als uitgangspunt dat op plaatsen die grenzen aan het openbaar groen en de openbare weg in beginsel niet zo snel bouwvergunningsvrij mag worden gebouwd. Om te voorkomen dat zij- en achtererven dichtslibben met bouwvergunningsvrije bouwwerken geldt een anticumulatieregel: vergunningsvrij gebouwde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen tezamen niet meer dan 50% van het zij- of achtererf in beslag nemen. Bovendien mag niet meer dan 30 m2 van het totale erf bebouwd worden met bouwvergunningsvrije bijgebouwen en overkappingen. Bij recreatiewoningen, woonwagens en tijdelijke bouwwerken, zoals een woonkeet, mogen geen bouwvergunningsvrije aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en dakkapellen worden gebouwd. Het recreatieve of verplaatsbare of tijdelijke gebruik zou daardoor onmogelijk kunnen worden gemaakt. Bouwen in, aan, op of bij een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument of bouwen in een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht is nooit bouwvergunningsvrij en ten minste licht-bouwvergunningplichtig in het belang van de bescherming van het monumentale karakter. Aan- of uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en kozijn- en gevelwijzigingen zijn alleen bij woningen bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig. Bij bedrijven is daarvoor een reguliere bouwvergunning nodig. De overige voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen gelden zowel voor woningen als voor nietwoningen. Bouwvergunningsvrij bouwen houdt in dat gebruik wordt gemaakt van grond of van een bouwwerk. De voorschriften van een bestemmingsplan hebben betrekking op dat gebruik. Zonder speciale regeling zou dergelijk bouwen zonder bouwvergunning mogelijk zijn, maar verboden kunnen zijn doordat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Daarom is in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) in art. 20 geregeld dat de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing blijven voorzover deze betrekking hebben op 1 het bouwen waarvoor is aangegeven dat geen bouwvergunning vereist is, (dat wil zeggen in geval van een

4

5 Woningwet

2

a aanschrijving of b gewoon onderhoud c of het in de amvb aangegeven bouwen van beperkte betekenis) het gebruik van bouwwerken en standplaatsen als aan de gebruiksvoorschriften in de amvb wordt voldaan.

In de amvb staan inderdaad enkele gebruiksvoorschriften: er is bijvoorbeeld aangegeven dat alleen een bouwvergunningsvrij bijgebouw bij een woning mag worden gebouwd als die ‘strekt tot vergroting van het woongenot’. Indien in het bijgebouw een andere functie zou komen, bijvoorbeeld een winkel die in strijd is met het bestemmingsplan, kan de gemeente daartegen optreden en het bestemmingsplan handhaven. Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwvergunningsvrije bouwwerk mag in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. (Kennelijk mag dat ook als die eisen redelijk zijn.) Indien echter de gemeente oordeelt dat er gebouwd is ‘in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand’ volgens de in de gemeente vastgestelde welstandscriteria, kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar op grond van art. 19 Woningwet aanschrijven voorzieningen te treffen om het gebouwde aan te passen. Het gaat dus om een excessenregeling en de toetsing is achteraf. Het is daarom verstandig dat iemand, voordat hij bouwvergunningsvrij gaat bouwen, bij de gemeente informeert naar de welstandscriteria. Voor een aantal bouwvergunningsvrije bouwwerken is het van belang of ze aan de voor- of achterkant worden gebouwd. Aan de voorkant is een bouwwerk minder snel vergunningsvrij. Het gaat om: – aan- en uitbouwen, – bijgebouwen en overkappingen, – kozijn en gevelwijzigingen, – dakkapellen en – erf- of perceelsafscheidingen hoger dan 1 meter. Figuur 1 laat in grote lijnen zien wat de voor- en achterkantbenadering betekent voor de hiervoor genoemde bouwwerken. Alleen bijgebouwen en overkappingen kleiner dan tien vierkante meter mogen wel bouwvergunningsvrij tegen de grens met het buurerf worden gebouwd.

Figuur 1 Voor- en achterkantbenadering (bron: Brochure ministerie van VROM ‘De gewijzigde Woningwet’, september 2002)

5.5.2 Regels voor nieuwbouw; de bouwvergunning 5

Figuur 2 Perceel en erf (bron: Brochure ministerie van VROM ‘De gewijzigde Woningwet’. is bepalend voor het aanmerken van de zijgevels en achtergevel. Daar gelden zowel de voorwaarden voor voor.en uitbouwen.als zijerf.Aan de voorkant van een gebouw bevindt zich de voorgevel. zij. bijvoorbeeld ‘Monument 2’. het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van het gebouw. dakkapellen. niet-tijdelijk en niet een monument en de afmetingen van de garage zijn 6 × 3 × 2. wat voor een bouwvergunning nodig is voor het bouwen van een vrijstaande garage van één bouwlaag op het achtererf – waar geen ander bouwwerk staat – van een bestaande woning. dan zijn de plaats van het huisnummer en de brievenbus. De geplande garage bevindt zich op twee meter van openbaar groen en op twee meter van het naburige erf en beslaat 40% van het achtererf. Figuur 2 helpt bij de bepaling van het voor-. De zwaarste eis aan bebouwing moet dan als doorslaggevend worden beschouwd. Mocht dat geen duidelijkheid opleveren.en achtererf. waarvan er altijd maar één is. licht bouwvergunningplichtig (lichte bv) of regulier bouwvergunningplichtig is (reguliere bv). De voorgevel. Onder het schema staat een lijst met verklaringen waarin de precieze betekenis van de term staat. De aanwijzing als voorgevel moet afgeleid worden uit de voorgevelrooilijn van bestemmingsplan of bouwverordening. aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een mo2 nument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening.of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.en gevelwijzigingen en erfscheidingen tussen één en twee meter hoogte alleen bouwvergunningsvrij mogen worden gebouwd in een zijtuin. aan een zijgevel. zo ja. Toepassing schema In het schema staan verkorte termen. op. Bij hoekwoningen geldt de zijkant daardoor feitelijk als voorkant. Stel dat men wil weten of en. september 2002) Uit het schema op de volgende pagina kan worden afgeleid wanneer bouwen zonder bouwvergunning is toegestaan en wanneer een lichte of een reguliere bouwvergunning nodig is. In zijn algemeenheid geldt dat aan. 6 5 Woningwet . De stroken grond schuin vóór de woningen zijn zowel voor. bijgebouwen en overkappingen.5 meter. de hoofdingang van het gebouw en de hoofdontsluiting van het perceel doorslaggevend.als zijerf. of op het zijdakvlak als die maar niet is gekeerd naar de weg of het openbaar groen. In de meest rechtse kolom in het schema staat vermeld of het bouwplan bouwvergunningsvrij (vrij). zoals in het voorbeeld: Monument: bouwen in. De woning is bestemd voor permanente bewoning. kozijn. of in een beschermd stads.

en oppervlakte maten van art. e. 3 lid 1 anders dan die in lid 1 onder b. f of h voldoet aan de hoogte. 2 ¾ Geen monument ¾ Bouwwerk voldoet aan alle kenmerken van art. balkonvloerafscheiding. 3 ¾ Geen monument Lichte bv Reguliere bv Vrij Vrij Lichte bv Reguliere bv 17 ¾ Monument én voldoet niet aan alle kenmerken van art. balkonvloerafscheiding. 5 18 lid 2 ¾ Bouwwerk bedoeld in art. 2 ¾ Bouwwerk voldoet niet aan alle kenmerken van art.5. 5 lid 2 ¾ Bouwwerk bedoeld in art.en oppervlaktematen in art. 2 7 ¾ Uitbouw of bijgebouw voldoet aan hoogte. 4 lid 2 Lichte bv Reguliere bv Lichte bv ¾ Uitbouw of bijgebouw voldoet niet aan hoogte.Bouwen ¾ Aanschrijving/ gewoon onder1 houd ¾ Geen aanschrijving/gewoon onderhoud ¾ Monument 2 Lichte bv 3 ¾ Geen monument ¾ Balkon. 3 lid 2 ¾ Speeltoestel lager dan drie meter of tuinmeubilair lager dan 12 14 twee meter ¾ Speeltoestel of tuinmeubilair hoger. 4 lid 2 ¾ Ander bouwwerk dan uitbouw of bijgebouw ¾ Monument én voldoet aan alle kenmerken van art. 2 4 Vrij 3 Lichte bv 6 ¾ Monument ¾ Monument én voldoet aan alle kenmerken van art. e. f of h Reguliere bv Lichte bv ¾ Ander bouwwerk dan bedoeld in art. f of h voldoet niet aan de hoogte. 3 lid 1 onder b. e. 3 ¾ Bouwwerk bedoeld in art. 3 10 ¾ Ander bouwwerk dan bedoeld in art. 3 lid 1 13 Vrij Lichte bv ¾ Bouwwerk voldoet niet aan alle kenmerken van art. zonwering. reclamezuil ¾ Geen balkon. maar lager dan vijf 15 meter ¾ Speeltoestel of tuinmeubilair hoger dan vijf meter 16 ¾ Bouwwerk bedoeld in art. zonwering. reclamezuil ¾ Bouwwerk bedoeld in 5 art. 3 lid 1 ¾ Bouwwerk voldoet aan alle kenmerken van art. de bouwvergunning 7 . 2 ¾ Bouwwerk ¾ Monument bedoeld in 9 art.en oppervlakte maten van art. 2 Lichte bv Reguliere 3 bv Vrij 8 ¾ Monument én voldoet niet aan alle kenmerken van art.en oppervlaktematen in art. 3 Reguliere bv 5. 3 lid 3 11 ¾ Bouwwerk bedoeld in art. 3 lid 1 onder b. 3 lid 1 ¾ Bouwwerk bedoeld in art.2 Regels voor nieuwbouw.

zonwering. c het veranderen van een kozijn. Bouwwerk voldoet aan alle kenmerken van art.of perceelafscheiding. mits de bruto-oppervlakte minder is dan 2 m2. e een erf. luik of gevelpaneel van een bestaande woning. d een op de grond staande reclamezuil. bijvoorbeeld indien de hoogte vier meter zou zijn. 6 onder b. balkonvloerafscheiding. Deze kenmerken staan bij 7. zou een lichte bouwvergunning nodig zijn. op. zetten we de volgende stappen: Bouwen – Geen aanschrijving/ gewoon onderhoud – Geen balkon.of oppervlaktematen die 2 zijn gesteld voor een lichte bouwvergunning. 2 Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken. d en e van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken: a een balkon. 2 (het is immers een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag bij een bestaande woning dat strekt tot vergroting van het woongenot) – Geen monument – Bouwwerk voldoet aan alle kenmerken van art. 2 (5) van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken dat aan alle in art. d een dakkapel op een bestaand gebouw. 2. Als dezelfde garage niet aan alle kenmerken zou voldoen. balkonvloerafscheiding. Verklaring en uitleg van termen in het schema Aanschrijving/gewoon onderhoud: bouwen ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders 1 of bouwen dat tot het gewone onderhoud behoort 2 Monument: bouwen in. gezien de beschrijving van de kenmerken bij 7. bestaand woongebouw of een bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw behorend bijgebouw. 2 (5) van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken dat aan alle in art. zie 8: lichte bv. zonwering. Monument én voldoet aan alle kenmerken van art. Deze kenmerken zijn: 3 4 5 6 7 8 5 Woningwet . bijvoorbeeld als de bruto-oppervlakte van de garage 51 m zou zijn. 2: het bouwwerk is een bouwwerk bedoeld in art. of in een beschermd stads. b een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw. Dat wil zeggen: a een op de grond staande aan. aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening. dat of die strekt tot vergroting van het woongenot. Bouwwerk bedoeld in art. Als dezelfde garage niet aan alle kenmerken zou voldoen en ook niet aan de hoogte. c een zonwering bij andere gebouwen dan woningen en woongebouwen. reclamezuil – Bouwwerk bedoeld in art. De conclusie is dat geen bouwvergunning nodig is: vrij.Het schema volgend van links naar rechts. 2: bouwwerk bedoeld in art. reclamezuil: de bouwwerken bedoeld in art. b een vloerafscheiding op een balkon of dakterras. 2 aan het bouwwerk genoemde kenmerken voldoet. Vrij: bouwvergunningsvrij bouwwerk Lichte bv: lichte bouwvergunning Reguliere bv: reguliere bouwvergunning Balkon. kozijninvulling. c.of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw. 2: het bouwwerk is bouwen als bedoeld in Monument (2) én het is een bouwwerk bedoeld in art. 2 aan het bouwwerk genoemde kenmerken voldoet. zou een reguliere bouwvergunning nodig zijn.of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988. die strekt tot vergroting van het woongenot.

45 lid 1 Woningwet.of perceelafscheiding) 1° niet hoger dan 1 meter.5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet. 8° zijkanten meer dan 0. en 9° niet gebouwd op een woning of woongebouw als bedoeld in art. b meer dan 1 meter achter de voorgevelrooilijn.25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van die woning of dat woongebouw. en c meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen. of b een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 meter van het voorerf en meer dan 1 meter van het naburige erf.5 meter van de zijkanten van het dakvlak. 5° zij.of uitbouw) 1° gebouwd aan: a de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen. d (dakkapel) 1° gebouwd op het achterdakvlak of een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak. 7° bovenzijde meer dan 0. op een woonwagen of op een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd. en c de woning of het woongebouw. 5.d. 4° de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrij gebouwde bijgebou2 wen en overkappingen minder dan 30 m .of uitbouw wordt gebouwd. 3° gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan.5 meter. en 6° niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in art. en 2° de bestaande gevelopening wijzigt niet. en 2 c indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer is dan 10 m : meer dan 1 meter van het naburige erf. de bouwvergunning 9 . 2° afstand tot de voorgevel meer dan 1 meter. 3° voorzien van een plat dak. gemeten vanaf het aansluitend terrein. of b een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zij-erf op meer dan 1 meter van het voorerf. of 2° niet hoger dan 2 meter en gebouwd: a op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat. 4° zijwanden ondoorzichtig.) 1° niet aangebracht in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel van een woning of woongebouw. minder dan 1. e (een erf.5. 2° niet hoger dan 3 meter. c (kozijn e. 45 lid 1 Woningwet – dit zijn tijdelijke woningen: woningen waarvoor een tijdelijke bouwvergunning is gegeven –. 4° minder dan 2.5 meter onder de daknok. 3° zij.a (aan.5 meter diep. b 0. b (bijgebouw) 1° gebouwd op: a het achtererf op meer dan 1 meter van de weg of het openbaar groen.of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd. 2° niet hoger dan: a 4 meter. en 5° niet gebouwd bij een woning of woongebouw als bedoeld in art. 6° onderzijde meer dan 0.2 Regels voor nieuwbouw. 5° hoogte. gemeten vanaf het aansluitend terrein. aan een woonwagen of aan een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd. bij een woonwagen of bij een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd. 45 lid 1 Woningwet. gemeten vanaf de voet van de dakkapel.

d een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan. b een bouwwerk van beperkte omvang op een erf. 9 10 5 Woningwet . de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer.en speeltoestellen. e het bouwen van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie. 1. water. rolhek of rolluik bij woningen en woongebouwen.of luchtverkeer. als bedoeld in art. b tuinmeubilair waarvan de hoogte.1 lid 1 Wet milieubeheer. 3 lid 1: a een dakraam in een bestaand gebouw. k het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk. ten dienste van het weg-. of in een vaarwater en in de daarbijbehorende bermen. Bouwwerk bedoeld in art. van beperkte omvang. minder is dan 5 meter. g een afscheiding tussen balkons of dakterrassen. 3: bouwwerk bedoeld in art. c een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten. water. minder is dan 2 meter. 4 lid 2: de uitbouw of het bijgebouw – bedoeld in art. c een collector voor warmteopwekking op of aan een bouwwerk ten behoeve van de warmtevoorziening van het gebruik van dat bouwwerk of van op hetzelfde perceel gelegen andere bouwwerken.8 Uitbouw of bijgebouw voldoet aan hoogte. – volgens art. voor wegaanduiding. luik of rolluik bij andere gebouwen dan woningen en woongebouwen. het openbaar vervoer of het wegverkeer. g het bouwen van een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in art. geen gebouw zijnde. 3 lid 3: a een bouwwerk. h het bouwen van een gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening. waarvan de hoogte. spoorweg-. gemeten vanaf het aansluitend terrein. verkeersgeleiding of tolheffing. • in geval van een bijgebouw. 2 onder a of b genoemde kenmerken voldoet (deze kenmerken staan bij 7a en 7b) en waarvan (art. 2 onder a of b van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunning-plichtige bouwwerken (deze gebouwen staan vermeld bij 5a en 5b) – dat niet aan alle in art. 4 lid 2): • in geval van een uitbouw. de hoogte. gemeten vanaf de voet. – volgens art. f het bouwen van een andere antenne-installatie dan bedoeld bij e of (hieronder) bedoeld volgens art. ten dienste van het weg-. 3 lid 2. op of over een weg of een spoorweg. d een paneel voor de opwekking van elektriciteit uit daglicht op of aan een bouwwerk ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van het gebruik van dat bouwwerk of van op hetzelfde perceel gelegen andere bouwwerken.of luchtverkeer. Dat wil zeggen: – volgens art. en de bruto-oppervlakte minder is dan 50 m . gemeten vanaf de voet. minder is dan 3 meter. minder is dan 2 5 meter. spoorweg-. geen gebouw zijnde. alsmede de daarbijbehorende bevestigingsconstructie. de hoogte gemeten vanaf het aansluitend terrein. b een bouwwerk. 1 onderdeel c Besluit veiligheid attractie. f een zonwering. 3 lid 3 onder c. e straatmeubilair. het telecommunicatieverkeer. i het bouwen van een rolhek. j het bouwen van een magazijnstelling die uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst.en oppervlaktematen in art. de waterhuishouding. 3 Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. a een speeltoestel.

g container voor huishoudelijke afvalstoffen.en speeltoestellen. Bouwwerk voldoet aan alle kenmerken van art. waarvan de hoogte. gemeten vanaf de voet. voor wegaanduiding. de bouwvergunning 11 .en speeltoestellen. 3 lid 2: a een speeltoestel. minder is dan 3 meter. spoorweg-. 3 lid 1 Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken aan het bouwwerk zijn gesteld. geen gebouw zijnde. de waterhuishouding. ten dienste van het weg-. minder is dan 2 meter. 3 (9) van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken dat aan alle in art. 1 onderdeel c Besluit veiligheid attractie. water. 3 genoemde kenmerken voldoet.2 Regels voor nieuwbouw. maar lager is dan 5 meter. Deze kenmerken staan vermeld bij 17. b een bouwwerk. gemeten vanaf de voet. 3 lid 3: a een bouwwerk. e straatmeubilair. i rolhek. het openbaar vervoer of het wegverkeer.10 Monument én voldoet aan alle kenmerken van art. Speeltoestel of tuinmeubilair hoger. 1 onderdeel c Besluit veiligheid attractie. d paneel voor de opwekking van elektriciteit. als bedoeld in art. het 14 Speeltoestel lager dan 3 meter of tuinmeubilair lager dan 2 meter: a een speeltoestel. op of over een weg of een spoorweg. rolhek of rolluik bij woningen en woongebouwen. waarvan de hoogte. Bouwwerk bedoeld in art. j magazijnstelling. f een zonwering. b tuinmeubilair. f andere antenne-installatie. water. spoorweg-. d een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan. luik of rolluik bij andere gebouwen dan woning. waarvan de hoogte. geen gebouw zijnde. de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer. maar lager dan 5 meter: speeltoestel bedoeld in 14 of tuinmeubilair dat hoger is dan 3 meter respectievelijk 2 meter. of in een vaarwater en in de daarbijbehorende bermen. 3 lid 1: a dakraam. 3 lid 1: het bouwwerk voldoet aan alle kenmerken die in art. c een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten. ten dienste van het weg-. Bouwwerk bedoeld in art. alsmede de daarbijbehorende bevestigingsconstructie.of luchtverkeer. k verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk.5. g een afscheiding tussen balkons of dakterrassen. e antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie.of luchtverkeer. minder is dan 2 meter. 11 12 13 nutsvoorziening. 3 lid 1: het bouwwerk is bouwen als bedoeld in Monument (2) én het is een bouwwerk bedoeld in art. Speeltoestel of tuinmeubilair hoger dan 5 meter: speeltoestel bedoeld in 14 of tuinmeubilair dat hoger is dan 5 meter. gemeten vanaf de voet. c collector voor warmteopwekking. h gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten telecommunicatieverkeer. minder is dan 3 meter. b tuinmeubilair. verkeersgeleiding of tolheffing. Bouwwerk bedoeld in art. van beperkte omvang. als bedoeld in art. 15 16 17 5. mits de hoogte. gemeten vanaf de voet. b bouwwerk van beperkte omvang.

b op een plat dakvlak: 1 afstand tot dakranden ten minste gelijk aan hoogte paneel. gemeten vanaf het punt waarop de antenne. en 2 hellingshoek ten hoogste 35°. b (bouwwerk van beperkte omvang ) 1° hoogte.5 meter. 2° bovenzijde meer dan 0. minder is dan 0. het dakvlak kruist. met antennedrager. met antennedrager.5 meter van de zijkanten van het dakvlak. 2 2° bruto-oppervlakte minder dan 2 m . of 12 5 Woningwet . d (paneel voor de opwekking van elektriciteit) 1° bij plaatsing: a op een schuin dakvlak: 1 binnen het vlak van het dak. en de techniekkast: 1 inpandig of ondergronds is geplaatst. gemeten vanaf het aansluitend terrein. b op een plat dakvlak: 1 afstand tot dakranden ten minste gelijk aan hoogte collector. mits deze kabelgoot meer dan 1 meter achter de voorgevel is geplaatst. en 2 hellingshoek ten hoogste 35°. met antennedrager. 2 in of direct op het dakvlak. minder is dan 5 meter. en 3 hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak. en 3° zijkanten meer dan 0. of 3 – op een plat dak is geplaatst. 3 de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig is aangebracht.5 meter onder de daknok. of 3 3 op een plat dak is geplaatst. gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende terrein. gemeten vanaf de voet. 2 in of direct op het dakvlak. en 3° voor-. c (collector voor warmteopwekking) 1° bij plaatsing: a op een schuin dakvlak: 1 binnen het vlak van het dak. en 2° indien het paneel niet een geheel vormt met de installatie voor het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie in dat bouwwerk is geplaatst. of indien bevestigd aan een gevel van een gebouw.2 m3. e (antenne-installatie ten behoeve van mobiele telecommunicatie) 1° bij bouwen op of aan een bouwwerk: a de hoogte van de antenne. geplaatst is op een hoogte van meer dan 9 meter.5 meter boven de dakvoet. en 3 hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak. 2 de techniekkast: – inpandig of ondergronds is geplaatst.Deze kenmerken zijn: a (dakraam) 1° onderzijde meer dan 0. zij. en 4 de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw: – aan of bij een op het dak aanwezig object is geplaatst. 2 op de grond is geplaatst en kleiner is dan 0. dan wel in een kabelgoot. met antennedrager.of achtererf voor niet meer dan 50% bebouwd. – in het midden van het dak is geplaatst. of b de hoogte van de antenne. kleiner is dan 2 m en meer dan 1 meter achter de dakrand is geplaatst. en 2° indien de collector niet een geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water: die installatie in dat bouwwerk is geplaatst. en: 1 de antenne. minder dan 1 meter. gemeten vanaf de voet. kleiner is dan 0.2 m en meer dan 1 meter achter de dakrand is geplaatst.

die minder is dan 40 meter. het openbaar vervoer of het wegverkeer) 1° de hoogte. en een bruto-oppervlakte die minder is dan 50 m . minder is dan 3 meter. luik of rolluik aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie is geplaatst. j (magazijnstelling) 1° de hoogte. en 2° voor ten minste 90% uit glasheldere doorkijkopeningen bestaat. 18 Bouwwerk bedoeld in art. sirenemast. met antennedrager. windmolen. c Het nutsgebouw (art. gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende terrein tot aan de voet van de antenne. 5 lid 2: de hieronder genoemde bouwwerken (bouwwerk van beperkte omvang. of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager. minder is dan 5 meter. de antenne en het nutsgebouw) voldoen aan de hoogte en oppervlaktematen die staan in art. gemeten vanaf de voet. gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende terrein. en 2 2° indien de container bovengronds wordt geplaatst: de bruto-oppervlakte minder is dan 4 m . gemeten vanaf de voet van de antennedrager. a Het bouwwerk van beperkte omvang (art. die minder is dan 3 meter. 5 lid 2 Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken.– elders op het dak is geplaatst. minder is dan 2 meter. met antennedrager. met antennedrager. f of h voldoet aan de hoogte. e. met antennedrager. gemeten vanaf de voet minder is dan 5 meter. en b de hoogte van de antenne.en oppervlakte maten van art. de bouwvergunning 13 .5 meter. of 2° bij bouwen op of aan een hoogspanningsmast. f (andere antenne-installatie) 1° de antenne-installatie achter het voorerf is geplaatst. gemeten vanaf de voet. gemeten vanaf het aansluitend terrein. en 3° het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen. k (verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk) 1° de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk. luik of rolluik bij andere gebouwen dan woningen) 1° het rolhek. of 3° indien het een andere antenne betreft dan bedoeld onder 2°: de hoogte van de antenne. het telecommunicatieverkeer. of indien deze is bevestigd aan de gevel. reclamezuil. 3 lid 1 b. 2° indien het een schotelantenne betreft: a de doorsnede van de antenne minder is dan 2 meter. die min2 der is dan 5 meter. g (container voor huishoudelijke afvalstoffen) 1° de hoogte van de container. 3 lid 1 onder b) heeft een hoogte.5. gemeten vanaf het aansluitend terrein. h (gebouw ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening. gemeten vanaf het aanslui2 tend terrein. en 2 2° de bruto-oppervlakte minder is dan 15 m . 3 lid 1 onder e of f) heeft een hoogte. gemeten vanaf de voet. en 2° de magazijnstelling niet is voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug. en c de techniekkast: 1 inpandig of ondergronds is geplaatst. of op een bouwvergunningplichtige antenne-installatie: a de hoogte van de antenne. meer is dan 3 meter maar minder dan 8. gemeten vanaf het aansluitend terrein. lichtmast. is geplaatst. met antennedrager. minder is dan 3 meter. het dakvlak kruist. b De antenne (art.2 Regels voor nieuwbouw. b de antenne is geplaatst op een hoogte van meer dan 3 meter. 5. 2° de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid. i (rolhek. en een bruto-oppervlakte die minder is dan 5 m . mits de afstand in meter tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne. gemeten vanaf de voet van de antenne. met antennedrager. 3 lid 1 onder h) heeft een hoogte. gemeten vanaf het punt waarop de antenne. of 3 2 op de grond is geplaatst en kleiner is dan 2 m . wegportaal.

De Afdeling: ‘De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vraag doet zich voor hoe zo’n bouwplan beoordeeld moet worden: in zijn totaliteit of moeten de bouwvergunningsvrije delen worden ‘weggedacht’? Uit de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de herziene Woningwet blijkt dat om een goede toets te kunnen verrichten. De voorzitter vond echter dat de interne en externe verbouwing. die zich kenmerkt door de aanwezigheid van historische panden. In haar uitspraak van 9 december 1999 (AB 2000. BR 1995. De vergunning kan dan bijvoorbeeld geweigerd worden als het samenhangende bouwplan niet voldoet aan de technische eisen. Het bouwplan moet dus zowel bouwtechnisch als stedenbouwkundig niet-ingrijpend zijn om het zonder bouwvergunning te mogen realiseren. De aanvrager leed daardoor vertragingsschade die de gemeente moest betalen.94. In haar uitspraak (ABRS van 15 december 1994. er zullen daarvoor dan meer weigeringsgronden moeten zijn. maar ook het stedenbouwkundige aspect.Splitsen van een bouwaanvraag Het kan voorkomen dat een bouwaanvraag wordt ingediend waarvan onderdelen bouwvergunningsvrij zijn. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde in zijn uitspraak van 7 februari 1994 (AB 1994. De Afdeling deelt dit standpunt van de rechtbank niet. uiteindelijk bleek bij de rechter dat géén vergunning nodig was. strekkende tot het geschikt maken van het pand voor gebruik als restaurant. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante (…) zich. tot de gemeente (Maastricht) heeft gewend met de vraag of voor de in geding zijnde werkzaamheden een bouwvergunning nodig zou zijn.’ Een verbouwing waarbij welstandsaspecten aan de orde zijn. Maar het is niet de bedoeling dat een vergunning wordt geweigerd alleen omdat een bouwvergunningsvrij onderdeel niet aan de eisen voldoet. voorafgaande aan het indienen van een aanvraag om bouwvergunning. Burgemeester en wethouders van Giessenlanden hadden betoogd dat voor de verbouwing geen welstandsadvies hoefde te worden aangevraagd omdat ze immers intern was. het plan in zijn totaliteit moet worden beoordeeld. Bouwvergunningsvrij bouwen Om te bepalen of een bouwwerk vrij is (en dus zonder bouwvergunning gebouwd mag worden). het feit dat het balkon wordt aangebracht aan een historisch pand en de omgeving waarin het pand is gelegen. moet niet alleen het bouwtechnische in aanmerking worden genomen. Burgemeester en wethouders van Hoorn hadden een aanschrijving bestuursdwang laten uitgaan tot het verwijderen van een zonder bouwvergunning aangebrachte dubbele deur tussen twee winkelpanden. wat betreft de bouwvergunning onsplitsbaar zijn. blz. Deze vraag is van de zijde van de gemeente. De Afdeling leidt hieruit af dat appellante is 14 5 Woningwet . Het aanbrengen van de afvoerbuizen beschouwden burgemeester en wethouders als van niet-ingrijpende aard. In laatstgenoemde zaak had de gemeente aan de aanvrager bouwvergunning meegedeeld dat een bouwvergunning nodig was.0028. 623) dat het aanbrengen van afvoerbuizen met een hoogte van 70 cm over een achteraanbouw van een pand ten behoeve van de verbouw van een winkel tot restaurant niet is aan te merken als een verandering van nietingrijpende aard. 3 lid 1 onder k van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken). wordt niet snel als van niet-ingrijpende aard beschouwd (zie art. Als de bouwvergunning geweigerd zou kunnen worden alleen vanwege een probleem met een bouwvergunningsvrij onderdeel. 218) bepaalde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de wetsgeschiedenis van de Woningwet 1992 liet zien dat de gebezigde vage term ‘van niet-ingrijpende aard’ niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin moet worden opgevat. H01. Zij hebben met recht mede van belang geacht de omvang van de verandering. nr. Uit de stukken valt niet af te leiden dat burgemeester en wethouders zich uitsluitend hebben laten leiden door hun oordeel over de welstandsaspecten van het plan. De aangeschrevene stelde dat er sprake was van een niet-ingrijpende verandering waarvoor geen bouwvergunning nodig was. onder verwijzing naar de gemeentelijke informatiebrochure (…) bevestigend beantwoord. Voor het aanbrengen van de deuren was een bouwvergunning nodig. 169) geeft de Afdeling nog wat uitleg over het stedenbouwkundige aspect: ‘Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het visuele effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol (…). zou de bouwer die het plan wil doorzetten daarin toch slagen door het bouwvergunningsvrije gedeelte van de aanvraag af te splitsen. Voor het geheel was een bouwvergunning nodig waarvoor een welstandsadvies moest worden gevraagd.

3 Bouwen na vrijstelling op grond van art. 17 of 19 WRO Om te bepalen welke toestemmingen voor een bouwplan van de gemeente op grond van de Woningwet of WRO nodig zijn. 19 lid 3 WRO voor de werken opgesomd in art. Het besluit waarbij (impliciet) wordt vastgesteld dat voor het bouwplan een vergunning is vereist. die hem zonder meer in zijn belang treft. op grond van andere regelingen of privaatrechtelijke bepalingen zou nog wel aparte toestemming nodig kunnen zijn. Bij een permanent bouwwerk komen de vrijstellingen volgens art. doet er niet aan af dat dit oordeel moet worden geacht in hun besluit begrepen te zijn. Zij vindt wel plaats naar aanleiding van de indiening van de bouwaanvraag.2 Regels voor nieuwbouw.afgegaan op van gemeentewege verstrekte.5. 19 lid 1 WRO voor overige werken. Dat zijn de vrijstellingen bedoeld in – art. 17 WRO worden gegeven en een bouwvergunning met een instandhoudingtermijn.5. Daarbij wordt met name onderzocht of het gaat om bouwen in de zin van art. kunnen burgemeester en wethouders zich er niet op beroepen dat aanvrager de vergunning zelf had gevraagd. Indien het bouwplan onder de eerste twee categorieën valt. 2 Zo nee.2. moeten de volgende vragen worden beantwoord. De Afdeling zegt in haar uitspraak van 1 april 1996 (AB 1996. 1 Is het een vergunningsvrij bouwwerk als bedoeld in art. Dat zij hun rechtsoordeel omtrent het bestaan van de vergunningplicht veelal niet met zo veel woorden tot uitdrukking brengen. BR 1998. is de Afdeling van oordeel dat appellante door het indienen van de bouwaanvraag (vertragings)schade heeft geleden. kan de tijdelijke vrijstelling van art. is ten opzichte van de aanvrager een belastende beslissing. 43 lid 1 Woningwet? Dat wil zeggen. betreft het – bouwen ingevolge aan aanschrijving van burgemeester en wethouders of – gewoon onderhoud of – bouwen van beperkte betekenis volgens het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. of het bouwplan wellicht voldoet aan de – soms betrekkelijk vage – criteria van art.’ Indien er dus tussen het bestuur en de burger verschil van mening bestaat over het antwoord op de vraag of er sprake is van bouwen in de zin van de Woningwet. zo ja. 19 WRO? Indien het bouwplan van tijdelijke aard is. Dit karakter wordt er niet aan ontnomen doordat de aanvrager zelf om de verlening van de vergunning heeft verzocht. onjuiste informatie. de bouwvergunning 15 . 40 Woningwet en. Nu dientengevolge met de voorgestane werkzaamheden geen aanvang kon worden gemaakt. 291): ‘Tot het verlenen van een bouwvergunning mogen burgemeester en wethouders slechts overgaan na te hebben vastgesteld dat voor het in de aanvraag omschreven doel inderdaad vergunning is vereist. is voorafgaand aan de bouwvergunning de vrijstelling volgens art. Het is niet uitgesloten dat een bouwaanvraag juist wordt ingediend opdat in rechte komt vast te staan dat geen bouwvergunning is vereist. 17 WRO of onder de drie categorieën vrijstellingen genoemd in art. 955). Een weigeringsgrond kan het bestemmingsplan zijn. gaat de wet ervan uit dat de burger op de daarvoor voorgeschreven wijze een aanvraag om bouwvergunning indient om hierover duidelijkheid te krijgen. de beoordeling van de vergunningplicht geschiedt ambtshalve. Immers.’ Als burgemeester en wethouders menen dat een bouwvergunning nodig is en de aanvrager maakt daartegen terecht bezwaar. 5. Zo ja. dan leveren Woningwet en WRO geen belemmeringen op voor de uitvoering. 43 Woningwet. In die procedure kan ook de vraag aan de orde worden gesteld of een bouwvergunning nodig is (zie hiervoor ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 augustus 1998. 5. 20 Bro of – art. 19 lid 2 of 3 WRO nodig. Deze beoordeling dienen burgemeester en wethouders ambtshalve te verrichten. 19 lid 2 WRO voor de werken in de provinciale circulaire waarbij de provincie aan de gemeenten toestemming heeft gegeven vrijstelling te verlenen of – art. maar niet kan worden gezegd dat de aanvraag er (mede) op is gericht dat het bouwplan als vergunningplichtbig wordt aangemerkt. naar is gebleken. 19 WRO in aanmerking. Een verkrijger van een vergunning kan tegen de vergunning in beroep gaan: hij is ontvankelijk. dan moet een bouwvergunning worden aangevraagd die burgemeester en wethouders moeten verlenen als er geen weigeringsgronden zijn. 3 Indien het plan in strijd is met het geldende bestemmingsplan – en het plan zelf geen toepasbare vrijstelling bevat – moet de vraag beantwoord worden: valt het plan onder de vrijstelling voor tijdelijke werken van art.

46 lid 3 Woningwet zegt dat een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in art. Die bezwaartermijn wordt dus verkort indien een gemeentebestuur met de publicatie wacht. 41 Woningwet luidt: Van een aanvraag om bouwvergunning wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan door burgemeester en wethouders kennisgegeven in een van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-. die daar dus geen gebruik van hoeven te maken. AB 2000. 2 Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in lid 1. geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. 5.2. De verlening daarvan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. onder wie begrepen de aanvrager. mede geacht wordt een verzoek om zo’n vrijstelling in te houden. In art. Gelukkig plegen de meeste gemeentebesturen te publiceren wanneer een bouwvergunning aan de aanvrager bekend is gemaakt. hetgeen een voordeel is. In vele gevallen voldoet een bouwplan alleen aan de geldende regels als tevoren een vrijstelling of ontheffing wordt verleend. 19a WRO staat de procedure beschreven die gevolgd moet worden om de vrijstelling te kunnen verlenen. en bekendmaking betekent volgens de Awb: toezending of uitreiking aan de aanvrager. Indien het geldende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar. Meestal staat de kennisgeving in een huis-aan-huisblad. Deze gebondenheid brengt dus veel rechtszekerheid: als de aanvrager ervoor zorgt dat zijn bouwplan geheel aan de regels voldoet. Let wel: publicatie van de aanvraag is verplicht. geschiedt zij op een andere geschikte wijze. Doet hij dat niet. 150.4 Kennisgeving aanvraag bouwvergunning Art. Daartegen kan dan een bezwaarschrift op basis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden ingediend. Een publicatie in een dagblad is ook voldoende (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 december 1999. 19 lid 1 WRO kan worden gegeven. Als aan de geldende woningwetregels wordt voldaan. zal de rechtbank de beslissing van burgemeester en wethouders vernietigen.of huis-aan-huisblad. moet ook tevoren een voorbereidingsbesluit bekend zijn gemaakt of een bestemmingsplan voor het gebied in procedure zijn gebracht. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is zes weken na bekendmaking van de bouwvergunning. moet de aanvrager de vergunning verkrijgen (dus ook als de aanvrager weigert de leges voor de vergunning te betalen). Vrijstelling geven is niet verplicht: burgemeester en wethouders of gemeenteraad mogen het weigeren.5. 16 5 Woningwet .5. Een bezwaarde tegen een bouwplan kan zich er niet op beroepen dat hij het dagblad niet leest of ten tijde van de publicatie niet aanwezig was: dat is voor zijn risico. nieuws. In die procedure moeten goede redenen aangevoerd worden op basis waarvan over de vrijstelling is beslist. Art.Indien het niet onder zo’n categorie valt. 5. In dat geval mag er geen belangenafweging plaatsvinden. Het bestuursorgaan is niet totaal vrij in hun beslissing over een vrijstelling. De procedure begint met het besluit om die procedure te volgen. Er kan bij een vrijstelling of ontheffing op de specifieke situatie worden ingegaan. De indiener van een aanvraag bouwvergunning hoeft niet apart om een vrijstelling te vragen. Burgemeester en wethouders of gemeenteraad hebben dan de mogelijkheid en de plicht belangen af te wegen. waartoe het veelal nodig zal zijn het bouwplan ter inzage te leggen. dan loopt hij de kans te laat zijn bezwaarschrift in te dienen tegen de bouwvergunning. zodat belanghebbenden kunnen uitrekenen hoeveel weken zij nog hebben om bezwaar in te dienen. Art. Anderzijds is er dan weer wat minder rechtszekerheid. Het wettelijk systeem is zo dat van een bezwaarde wordt verwacht dat hij zelf na publicatie van de aanvraag nagaat of de vergunning is verleend. moet de bouwvergunning worden gegeven. publicatie van de verlening van de bouwvergunning is niet verplicht. het geval waarin Amsterdam de aanvraag in Het Parool had gepubliceerd). 17 of 19 WRO. omdat daartegen bezwaar kan worden gemaakt. omdat niet van tevoren vaststaat hoe het besluit over de vrijstelling zal uitpakken. Als men dat niet kan.5 Weigeringsgronden reguliere en lichte bouwvergunning De bouwvergunning is een gebonden beschikking. is alleen vrijstelling mogelijk als de gemeente een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten verkrijgt waarna de vrijstelling volgens art. 15. Dat wil zeggen dat het bestuursorgaan niet vrij kan beslissen of de vergunning wordt gegeven. maar dat is niet verplicht. 3:41 Awb luidt immers: 1 De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht.2.

44) indien: a het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft. 120. kan daartegen worden opgetreden. in strijd is met redelijke eisen van welstand. of het bouwplan aan de te stellen esthetische eisen voldoet. Aan rechtsopvolgers kan geen aanzeg- 5.2 Regels voor nieuwbouw. – – – – Weigeringsgronden op grond van andere wetten dan de Woningwet zijn: 1 Wet op de stads. vrijstelling verlenen. c het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Door middel van de redelijke eisen van welstand (d) bepalen burgemeester en wethouders. Door middel van de bouwverordening (b) bepaalt de gemeenteraad aan welke aanvullende eisen moet worden voldaan. Burgemeester en wethouders kunnen als het bestemmingsplan dat aangeeft. tenzij er heel bijzondere omstandigheden zijn dan wel het gebouwde spoedig en op eenvoudige wijze kan worden gelegaliseerd. de bouwvergunning 17 . Wat kunnen burgemeester en wethouders dan nog doen? Als iemand zonder bouwvergunning bouwt. Optreden kan door het aanzeggen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. ontheffing verlenen. (WSDV): indien er strijd is met een leefmilieuverordening. Bij bouwen zonder vergunning is alleen de bouwer de overtreder. 2 en 120. In de bouwverordening staan veelal ontheffingsmogelijkheden voor burgemeester en wethouders. Door middel van de bepaling inzake de monumenten (e) wordt voorkomen dat een bouwvergunning wordt gegeven voor een bouwplan aan een monument als daarvoor niet eerst een monumentenvergunning is verleend. 2 Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Ministerie (Wet BIBOB): indien ernstig gevaar bestaat dat criminele activiteiten door het verlenen van een bouwvergunning mogelijk worden gemaakt. 12a lid 1 onderdeel a. De weigeringsgronden voor de lichte bouwvergunning zijn dezelfde als voor de reguliere bouwvergunning. Bijvoorbeeld: ‘Agrarische doeleinden zonder bebouwing’ of ‘woondoeleinden aaneen gebouwde eengezinshuizen’. Toetsing aan het Bouwbesluit vindt alleen plaats voorzover de voorschriften betrekking hebben op constructieve veiligheid en toetsing aan de bouwverordening alleen voorzover de voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn. In beginsel moéten burgemeester en wethouders daartegen optreden en daarmee de voorschriften handhaven. waarop de aanvraag betrekking heeft. geadviseerd door de schoonheids.en dorpsvernieuwing. en dus niet (bijvoorbeeld) de koper of een andere rechtsopvolger. bijvoorbeeld met betrekking tot de in acht te nemen rooilijnen of met betrekking tot het bouwen op verontreinigde bodem. b het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening. aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art.5. of e voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend. 44 Woningwet kan zich het probleem voordoen dat een illegaal totstandgekomen bouwwerk wordt verkocht. 8 lid 8.De reguliere bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd (art. tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. Bij handhaving van art. of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in art. beoordeeld naar de criteria. 120 WW een amvb gemaakt zou worden ter uitvoering van een internationaal verdrag over onderwerpen uit de Woningwet) en b bouwverordening. d het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats. of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht. Zo’n monumentenvergunning wordt alleen verleend in het belang van de monumentenzorg: het monument mag bijvoorbeeld niet te zeer worden aangetast. – Door middel van het Bouwbesluit (a) bepaalt de regering aan welke technische eisen het bouwen moet voldoen. Burgemeester en wethouders kunnen waar dat in het Bouwbesluit is aangegeven. behalve ten aanzien van a Bouwbesluit (eveneens indien op grond van art. Door middel van het bestemmingsplan (c) bepaalt de gemeenteraad hoe de grond in een bepaald gebied mag worden gebruikt. bedoeld in art.of welstandscommissie.

Het invorderen echter van door de gemeente gemaakte kosten (bijvoorbeeld voor het (doen) slopen van het gebouwde) en het opleggen van een dwangsom kan op grond van art.15 Afdeling 2. brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat de vernietiging van het goedkeuringsbesluit (van het uitwerkingsplan) geen terugwerkende kracht heeft.21 Afdeling 2.’ 5. heeft de president terecht overwogen dat de weigeringsgrond van art. Aan rechtsopvolgers kan wel een aanzegging bestuursdwang worden gezonden om hen in de gelegenheid te stellen het illegaal gebouwde af te breken.12 Afdeling 2.3 Afdeling 2. 78).4 Afdeling 2. De uitwerking kan goedgekeurd en van kracht zijn.10 Afdeling 2.9 Afdeling 2. (…) Gelet op het voorgaande. Alle afdelingen hebben een aparte paragraaf ‘Nieuwbouw’ en een paragraaf ‘Bestaande bouw’.22 Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid Algemene sterkte van de bouwconstructie Sterkte bij brand Vloerafscheiding Overbrugging van hoogteverschillen Trap Hellingbaan Elektriciteits. 44 onder c Woningwet doet de vraag rijzen wat moet gebeuren bij toetsing van een bouwplan aan een uitwerking van een globaal (uit te werken) bestemmingsplan. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen § 1.1 Afdeling 2. maar nog niet onherroepelijk omdat daartegen beroep is ingesteld. 5:26 Awb en 5:32 Awb alleen respectievelijk bij en aan de overtreder plaatsvinden (ABRvS van 30 oktober 1998.20 Afdeling 2. AB 99.4 Kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen § 1. Dan is het dus mogelijk dat na de verlening van de bouwvergunning het uitwerkingsplan in beroep vernietigd wordt.5 Ontheffingen § 1.2 Afdeling 2. behalve de afdelingen die alleen betrekking hebben op nieuwbouw.8 Afdeling 2. volgt hier de inhoudsopgave.ging dwangsom worden gezonden wegens een bouw zonder vergunning door een voorganger. NEN-EN en aansluitvoorwaarden § 1.1 Begripsbepalingen § 1. 138): ‘Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999 (AB 2000.6 Bouwbesluit Om een indruk te geven van de onderwerpen die het Bouwbesluit regelt.17 Afdeling 2.5.6 Niet-permanente bouwwerken en woonwagens Hoofdstuk 2 Afdeling 2.7 Afdeling 2.14 Afdeling 2. Daarvan zegt de Afdeling in haar uitspraak van 18 januari 2000 (AB 2000. Burgemeester en wethouders hebben het bouwplan dan ook terecht getoetst aan het uitwerkingsplan. 44 aanhef en onder c zich ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet voordeed.2 Toepassing NEN.13 Afdeling 2.2.16 Afdeling 2.3 Gelijkwaardigheidsbepaling § 1.5 Afdeling 2.6 Afdeling 2. 427).19 Afdeling 2.18 Afdeling 2.11 Afdeling 2.en noodstroomvoorziening Verlichting Gasvoorziening Beweegbare constructieonderdelen Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Beperking van ontwikkeling van brand Beperking van uitbreiding van brand Verdere beperking van uitbreiding van brand Beperking van ontstaan van rook Beperking van verspreiding van rook Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment Vluchtroutes Inrichting van rookvrije vluchtroutes Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Bestrijding van brand Grote brandcompartimenten 18 5 Woningwet . De weigeringsgrond van art.

de bouwvergunning 19 .13 Afdeling 3. nieuwbouw Gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval.18 Afdeling 3.5 Afdeling 4.3 Afdeling 4. nieuwbouw Verblijfsgebied.7 Afdeling 4.24 Toegang van een bouwwerk Afdeling 2. nieuwbouw Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling. nieuwbouw Voorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid Thermische isolatie.2 Afdeling 3. nieuwbouw Bescherming tegen ratten en muizen Drinkwatervoorziening Warmwatervoorziening Daglicht Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid Oppervlakte van de standplaats.18 Hoofdstuk 5 Afdeling 5. toiletruimte en badruimte Spuivoorziening Luchtverversing van overige ruimten Toevoer van verbrandingslucht Afvoer van rook Beperking van de toepassing van schadelijke materialen. verblijfsruimte.5.8 Afdeling 3.17 Afdeling 3. nieuwbouw Voorschriften uit het oogpunt van milieu 5.13 Afdeling 4.6 Afdeling 3.3 Afdeling 3.5 Afdeling 3.25 Inbraakwerendheid. nieuwbouw Afdeling 2. nieuwbouw Geluidswering tussen verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie.20 Hoofdstuk 4 Afdeling 4.9 Afdeling 3.11 Afdeling 3. nieuwbouw Meterruimte.10 Afdeling 4. nieuwbouw Opstelplaats voor een aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel Opstelplaats voor een stooktoestel Opstelplaats voor een warmwatertoestel. nieuwbouw Liftschacht.12 Afdeling 4.6 Afdeling 4.10 Afdeling 3.2 Afdeling 4. nieuwbouw Verblijfsruimte Toiletruimte Badruimte Kleedruimte.1 Afdeling 3. nieuwbouw Beperking van galm.2 Regels voor nieuwbouw. nieuwbouw Vrije doorgang Bereikbaarheid.1 Afdeling 5.14 Afdeling 4. nieuwbouw Toegankelijkheidssector.16 Afdeling 4.15 Afdeling 4.4 Afdeling 4. nieuwbouw Hoofdstuk 3 Afdeling 3.19 Afdeling 3.9 Afdeling 4.12 Afdeling 3.4 Afdeling 3. nieuwbouw Stallingruimte voor fietsen.8 Afdeling 4.7 Afdeling 3.Afdeling 2. nieuwbouw Energieprestatie.11 Afdeling 4. nieuwbouw Liftmachineruimte.17 Afdeling 4.2 Afdeling 5. nieuwbouw Beperking van luchtdoorlatendheid. nieuwbouw Wering van vocht van buiten Wering van vocht van binnen Afvoer van afvalwater en fecaliën Afvoer van hemelwater.23 Hoge en ondergrondse gebouwen. nieuwbouw Bescherming tegen geluid van installaties. nieuwbouw Geluidswering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties.16 Afdeling 3. nieuwbouw Bassin.1 Afdeling 4.15 Afdeling 3.14 Afdeling 3.3 Hoofdstuk 6 Voorschriften uit het oogpunt van gezondheid Bescherming tegen geluid van buiten. nieuwbouw Luchtverversing van een verblijfsgebied.

prestatie-eisen en waar nodig aanwezigheidseisen gesteld. uitgegeven door een onafhankelijk. Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) aangewezen merkteken. Bij een voorschrift van het Bouwbesluit kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders van dat voorschrift ontheffing kunnen verlenen tot een bij dat voorschrift aangegeven niveau.Hoofdstuk 7 Overgangs. onafhankelijk instituut op grond waarvan een bouwmateriaal of bouwdeel. indien het bij het bouwen wordt toegepast. Het Bouwbesluit verwijst ook naar de opgestelde aansluitvoorwaarden voor nutsbedrijven ten behoeve van aansluiting van woningen en gebouwen op het leidingnet. In lid 2 staat dat aan lid 1 (de functionele eis) is voldaan indien er aan de (prestatie-)eisen wordt voldaan die voor de betrokken gebruiksfuncties zijn aangewezen in de vermelde tabellen. Artikel uit het Bouwbesluit: AFDELING 2. afgegeven door een door de minister aangewezen deskundig. 3 lid 1 Woningwet staat dat in het Bouwbesluit kan worden verwezen naar normen of delen van normen en naar kwaliteitsverklaringen. Een norm is volgens art.2 STERKTE BIJ BRAND § 2. 1 Woningwet een document. voorzien van een door de minister van Volkshuisvesting. deskundig instituut.1 Nieuwbouw Art. Prestatie-eis: een gebruiksfunctie heeft voor elke 125 m2 gebruiksoppervlakte of een gedeelte daarvan ten minste één toiletruimte. wordt voor die gebruiksfunctie aan de in lid 1 gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. 2 Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2. wordt geacht te voldoen aan de krachtens de Woningwet aan dat materiaal of deel gestelde eisen. 2. Functionele eis: een te bouwen bouwwerk heeft één of meer toiletruimten. Lid 1 geeft de functionele eis voor brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van nieuwbouw. bouwdeel of bouwconstructie moet voldoen dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van een keurings-.8 1 Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht. zonder dat er gevaar voor instorting is. Lid 1 bevat de functionele eis. In het Bouwbesluit worden bij de beoordelingsaspecten functionele eisen.en slotbepalingen In art. Bij het verbouwen of renoveren van een woning kan ontheffing worden gegeven tot het (lagere) niveau dat is voorgeschreven voor bestaande woningen. 20 5 Woningwet . meet.of berekeningsmethode. waarin wordt omschreven aan welke eisen een bouwmateriaal.2. Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling van het Bouwbesluit bevat het beoordelingsaspect en geeft het kader aan voor de andere voorschriften van de paragraaf.8 voorschriften zijn aangewezen. Een kwaliteitsverklaring is een schriftelijk bewijs.

2. kan op grond van art. 2. Onderwijsfunctie.10 verwijst onder andere naar een norm (NEN 6069) waarin de methode staat beschreven hoe bepaald moet worden of aan de 30-minuten-eis uit art. De toestemming is van rechtswege verleend indien de minister: a niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek een beslissing op dat verzoek heeft genomen. Per gebruiksfunctie worden voorschriften gesteld. De minister kan nu in een bijzonder geval aan burgemeester en wethouders op verzoek toestaan die technische bepalingen uit te werken: zij kunnen nadere voorschriften geven. de bouwvergunning 21 . De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. 2.8 lid 1 voldaan. Andere gebruiksfuncties dan Woonfunctie zijn bijvoorbeeld: Industriefunctie.5. 2.10. Internationale verdragen en een aanvraag bouwvergunning Indien Nederland internationale verdragen sluit ten aanzien van onderwerpen die in de Woningwet worden geregeld.9 is voldaan. wordt geweigerd. worden eisen gesteld aan de constructie van het gebouw: bij brand mag bijvoorbeeld de hoofddraagconstructie gedurende 30 minuten niet bezwijken. Bij ‘bepalingsmethode’ wordt in de tabel verwezen naar art. Daarbij is de oorspronkelijke grondslag van de Woningwet uitgebreid. Kantoorfunctie. bescherming van de gezondheid. c niet binnen de termijn waarmee de beslissing op het verzoek van burgemeester en wethouders is verdaagd. 2. Winkelfunctie. Hij kan de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. 5. Het verzoek en de voorgestelde op te leggen voorschriften zijn gemotiveerd. 7a Woningwet). wordt aan de functionele eis van art. In het Bouwbesluit is ook een zogenoemde algemene gelijkwaardigheidsbepaling opgenomen. een beslissing op dat verzoek heeft genomen. 2. 1:3 Awb waardoor de bezwaar. als is beoogd met het betrokken voorschrift. Art. die gericht was op veiligheid. Art. Indien toestemming wordt verleend. Burgemeester en wethouders kunnen bijvoorbeeld bij een bepaald project na toestemming van de minister voorschrijven dat alleen bepaalde bouwmaterialen mogen worden gebruikt die herbruikbaar zijn of waarvoor een terugneemgarantie is afgegeven.of beroepsmogelijkheid wordt geboden. voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid. Een aanvraag bouwvergunning die daarmee in strijd is.2 Regels voor nieuwbouw. In dat artikel dat hier niet is afgedrukt. b niet binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders heeft besloten de beslissing op dat verzoek te verdagen. bruikbaarheid. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.9) waarvan lid 1 en 2 van toepassing zijn. geldt die toestemming alleen voor het geval waarop het verzoek betrekking heeft. moet hij ten genoege van burgemeester en wethouders aantonen dat aan de functionele eis wordt voldaan. 1. Een verzoek van burgemeester en wethouders aan de minister wordt gedaan aan de hand van een speciaal formulier.5 luidt: ‘Aan een in hoofdstuk 1 tot en met 6 gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis. energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt. Door aan art. behoeft niet te worden voldaan. Bouwbesluit en duurzaam bouwen Voor nieuwbouw kan het Bouwbesluit voorschriften geven die zijn opgesteld uit het oogpunt van milieu. Daardoor wordt het milieu gediend omdat er minder afval ontstaat. 120 Woningwet een algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld waarin voorschriften worden gegeven.8 lid 2 te voldoen. Ook zou een bepaalde bouwwijze kunnen worden voorgeschreven die voor het milieu niet-belastend is. gezondheid en bruikbaarheid. De verlening van toestemming wordt aangemerkt als een besluit in de zin van art.De tabel van lid 2 – hier is maar een deel van de tabel afgedrukt – wijst per gebruiksfunctie een voorschrift aan dat van toepassing is op die gebruiksfunctie. maar ook voorschriften geven die niet steunen op het Bouwbesluit (art.’ Indien een aanvrager van een bouwvergunning een beroep doet op het artikel en wil afwijken van de prestatieeis. Voor de Woonfunctie gelegen in een woongebouw wordt hier verwezen naar een ander artikel (art.

BR 1995. die in een circulaire een ruime uitleg had gegeven aan het begrip ‘technisch voorschrift’ uit art. Aanvullende gemeentelijke verordening Gemeenten mogen wel in eigen verordeningen. vorderde de gemeente verwijdering. andere gebouwen. Indien zulke eisen worden gesteld. 2 Woningwet. Een gemeente mag volgens de minister geen bedingen in een koopovereenkomst opnemen die zijn aan te merken als een technisch voorschrift.5. 6:233a BW. waardoor gemeenten meer mogelijkheden hebben. gezondheid. Mede vanwege het feit dat dit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en dat er sprake was van een beding tussen een uit een monopoliepositie handelend overheidslichaam en een particulier. 122 Woningwet verwijst. Deze ruimte is klein omdat het Bouwbesluit vele aspecten uitputtend behandelt. geen gebouwen zijnde. 8 lid 2 tot en met 6. bruikbaarheid. oneerlijke concurrentie zouden opleveren. Maar als de gemeenteraad een aanvullende gemeentelijke verordening over bouwen heeft vastgesteld. blz. Toen deze voorwaarde werd overtreden door het aanbrengen van hardhouten kozijnen. 94/2646 GR. met als doel bouwen milieuvriendelijk te laten plaatsvinden. 121 Gemeentewet bepaalt onder andere dat de gemeenteraad geen verordeningen mag maken die in strijd zijn met de wet die datzelfde onderwerp regelt. De huidige Woningwet geeft echter aan het Bouwbesluit mede een milieugrondslag. De president sloot zich aan bij de mening van de minister. Dat zijn voorschriften omtrent: a het gebruik van woningen. hebben die geen gevolg voor de verlening van een bouwvergunning: dat is immers een gebonden beschikking die burgemeester en wethouders moeten afgeven als aan de eisen van de Woningwet wordt voldaan. aanvullende voorschriften geven op het gebied van veiligheid. Art. 122 Woningwet. Ten eerste was een van de redenen om het Bouwbesluit op te stellen juist de behoefte aan landelijke eenheid op het gebied van technische bouwvoorschriften. De president van de Rechtbank van Amsterdam moest oordelen over de zaak. en standplaatsen. in wetgeving en jurisprudentie aangegeven grenzen. bijvoorbeeld op Europees niveau. Maar er blijft een zekere ruimte voor de gemeente om eigen en extra aanvullende voorschriften op te stellen waaraan bouwers moeten voldoen. Verder stelde de president dat de regering ook in de toekomst het beleid inzake het gebruik van tropisch hardhout niet publiekrechtelijk wilde gaan regelen en ook dat de burgers ongelijk behandeld werden omdat alleen zij die grond van de gemeente kopen. Ten tweede mogen er geen technische voorschriften worden gegeven die. aan het verbod gebonden zijn. Vooral als gemeenten een monopoliepositie hebben verworven bij de gronduitgifte. energiezuinigheid en milieu. Een gemeente mag bij het opstellen van zo’n verordening niet te ver gaan. moest vooralsnog worden aangenomen dat het door de gemeente gebruikte tropischhardhoutverbod onredelijk bezwarend was en derhalve vernietigbaar op grond van art. Uithoorn handelde in dezen in strijd met art.2. kan het gevaar ontstaan dat gemeenten privaatrechtelijk willen regelen wat publiekrechtelijk niet kan. c het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. 149 Gemeentewet – de ‘autonome’ bevoegdheid van de gemeente –. moet een aanvrager die de bouwvergunning heeft verkregen ook nog aan de eisen van een dergelijke aanvullende verordening voldoen voordat hij kan bouwen. woonwagens. Aldus moet worden voorkomen dat via privaatrechtelijke weg de beoogde rechtseenheid op het technische vlak wordt doorkruist door privaatrechtelijke regelingen. Gedacht kan worden aan het sluiten van overeenkomsten tussen overheid en verenigde bouwers en projectontwikkelaars die tussen partijen op gelijkwaardige wijze totstandkomen. 131) zei hij dat uitgangspunt bij de beoordeling was dat de overheid binnen bepaalde.Privaatrechtelijk handelen door de overheid in strijd met het Bouwbesluit Art. woonketen. bouwwerken.7 Bouwverordening De Woningwet zegt in art. die dus niet steunen op de Woningwet maar op art. 5. haar publieke taak met privaatrechtelijke middelen kan uitoefenen. De gemeente Uithoorn had in gronduitgiftevoorwaarden opgenomen dat geen tropisch hardhout mocht worden toegepast. 8 dat de Bouwverordening uitsluitend de voorschriften bevat bedoeld in art. 22 5 Woningwet . zoals ten aanzien van de toepassing van bouwmaterialen en bouwonderdelen. waarnaar art. In zijn vonnis van 24 november 1994 (nr. 122 Woningwet bepaalt dat de gemeente geen rechtshandeling naar burgerlijk recht mag verrichten ten aanzien van onderwerpen waarin het Bouwbesluit voorziet. b het gebruik van open erven en terreinen en de staat waarin deze zich moeten bevinden.

Bij d en h gaat het om zodanig slopen dat de sloopafval wordt gescheiden ten behoeve van hergebruik en verwerking. 60).of sloopplaats.of sloopplaats aanwezig moeten zijn. opbrekingen en onderzoekingen die met betrekking tot het bouwen of het slopen noodzakelijk zijn. d e f g het slopen.5. de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om woonvergunning (zie subparagraaf 5. – aard en omvang van het onderzoek. en – die de grond raken. In de bouwverordening kunnen ook voorschriften worden opgenomen over het door burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad uit te brengen verslag hoe zij invulling hebben gegeven aan hun bevoegdheid tot het verdagen van een beslissing op een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning.3). h i Bij a en b gaat het dus om gebruik. of ten aanzien waarvan het bestaande. De gemeente kan in de verordening bepalen dat er in plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester wordt aangesteld. 100 lid 3). In het verslag wordt ten minste uiteengezet op welke wijze toepassing is gegeven aan de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria bij de toetsing van aanvragen bouwvergunning. welke rooilijnen in acht moeten worden genomen en hoe de bouwwerken ten opzichte van elkaar moeten worden geplaatst. Deze kunnen bijvoorbeeld bepalen aan welke wegen mag worden gebouwd. In dat geval moet de bouwverordening voorschriften bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester. – de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen moet zijn begonnen en het bouwen of het slopen moet zijn beëindigd. niet-milieubelastend en niet-hinderlijk bouwen en slopen. – de termijn gedurende welke het bouwen of het slopen ten hoogste mag stilliggen. waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot: – de veiligheid op de bouw. alsmede om veilig. Bij i gaat het om de mogelijkheid voor de Bouw. niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. niet om het bouwen. – voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is. – opmetingen.5.of sloopwerkzaamheden. een woonvergunning (art.2 Regels voor nieuwbouw.en Woningtoezichtinspecteur om de bouw stil te leggen. Bij c wordt voorkomen dat gebouwd wordt op verontreinigde bodem. alsmede de wijze van gereedmelding van het bouwen of het slopen. waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief slopen. inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. de bouwvergunning 23 . 61). – het tijdstip en de wijze van overleggen van kwaliteitsverklaringen en van nadere gegevens met betrekking tot de installaties voor drinkwater en energie. – bescheiden die op de bouw. De voorschriften hebben in elk geval betrekking op: – het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem.Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken: – waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven. de vorm en de plaatsing van het kenteken van onbewoonbaarverklaring. het stilleggen van bouwwerkzaamheden (art. en – inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Verder kan de bouwverordening nadere voorschriften bevatten over de verslagen die de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester aan de gemeenteraad eenmaal per jaar moeten voorleggen over de door hen verrichte werkzaamheden. – de tijdstippen waarop met het bouwen of het slopen mag worden en wordt begonnen. de overdraagbaarheid van een bouwvergunning. ontgravingen. Verder moet de bouwverordening voorschriften bevatten omtrent de samenstelling. het uitvoeren van bouw. de vergunning om een onbewoonbaar verklaarde woning voor andere doeleinden dan bewoning in gebruik te geven of te nemen (art. De bouwverordening kan bepalingen bevatten van stedenbouwkundige aard. 5.

2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties Artikel 2.4.10 Artikel 2.16 Artikel 2.en losmogelijkheden bij of in gebouwen Paragraaf 4 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties Artikel 2.2 Paragraaf 3 Artikel 2.3.3.3.3.2 Hoofdstuk 2 Paragraaf 1 Artikel 2.4.11 Artikel 2.3.3.2.3.3.1 Artikel 2.3.8 Artikel 2.1 Artikel 2.3.3.3. Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Ligging van de voorgevelrooilijn Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Ontheffing voor overschrijding van de voorgevelrooilijn Bouwen op de weg Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Hoofdstuk 1 Artikel 1.12 Artikel 2. Afschuining van straathoeken Ligging van de achtergevelrooilijn Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn Erf bij woningen en woongebouwen Erf bij overige gebouwen Ruimte tussen bouwwerken Erf.3.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties Artikel 2.14 Artikel 2.3.4.3.3.4.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties 24 5 Woningwet .3.4.17 Artikel 2.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties Artikel 2. geven we een voorbeeld van een inhoudsopgave.3.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties Artikel 2.20 Artikel 2.3.1.Om een indruk te geven van de inhoud van een gemeentelijke bouwverordening.2.9 Artikel 2.3 Artikel 2.5 Artikel 2.en achtergevelrooilijn Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid Artikel 2.23 Artikel 2.15 Artikel 2.3.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties Artikel 2.3.3.3.13 Artikel 2.3.26 Artikel 2.25 Artikel 2.3.4 Artikel 2.22 Artikel 2.28 Artikel 2.6 Artikel 2.18 Artikel 2.1 Paragraaf 2 Artikel 2.4.3.29 Inleidende bepalingen Begripsomschrijvingen Indeling van het gebied van de gemeente De aanvraag bouwvergunning Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Voorwaarden bouwvergunning Voorschriften van stedenbouwkundige aard Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen Anti-cumulatiebepaling Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.2 Artikel 2.27 Artikel 2.7 Artikel 2.21 Artikel 2.30 Parkeergelegenheid en laad.19 Artikel 2.en terreinafscheidingen Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn Toegelaten hoogte tussen voor.4.1 Artikel 1.3.3.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties Artikel 2.3. Brandblusvoorzieningen.3.24 Artikel 2.

1 Artikel 5.5.11 Paragraaf 5 Artikel 2.6 Artikel 5.4 Artikel 4.Artikel 2.6 Artikel 4.10 Artikel 2. opbrekingen en onderzoekingen Bemalen van bouwputten Veiligheid op het bouwterrein Afscheiding van het bouwterrein Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder Bouwafval Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Melden van werken bij lage temperaturen Verbod tot ingebruikneming Staat van open erven en terreinen.14 Hoofdstuk 5 Paragraaf 1 Artikel 5.4.3 Artikel 2.1.5.10 Artikel 4.3.13 Artikel 4.2.1. Reinheid Preventie Brandveilig gebruik Gebruiksvergunning Vergunning gebruik bouwwerk Aanvraag gebruiksvergunning In behandeling nemen 5.2 Artikel 5.8 Artikel 4.6 Artikel 2.2 Regels voor nieuwbouw.1 Artikel 5.1 Artikel 6.4.5.9 Artikel 2.1 Artikel 4.4.1 Artikel 2.3 Paragraaf 2 Artikel 5.2 Artikel 2.2 Artikel 6.1.4.3.5.8 Artikel 2.2 Artikel 5.5.3 Artikel 4.4.4 Artikel 5.4 Artikel 2.2 Artikel 4.7 Artikel 4. de bouwvergunning 25 . Brandblusvoorzieningen Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Aansluiting op de nutsvoorzieningen Eis tot aansluiting aan de waterleiding Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Eis tot aansluiting aan het aardgasnet Eis tot aansluiting aan de openbare riolering Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen Het weren van schadelijk of hinderlijk ongedierte.9 Artikel 4.1. ontgravingen. brandveiligheidsinstallaties.5 Artikel 2.1 Paragraaf 3 Artikel 5.3 Artikel 5.3.5.1.7 Paragraaf 4 Artikel 5.11 Artikel 4.3.3.3.3 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen Gelijkwaardigheid Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Eis tot aansluiting aan de waterleiding Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Eis tot aansluiting aan het aardgasnet Eis tot aansluiting aan de openbare riolering Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Het uitzetten van de bouw Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Opmetingen.12 Artikel 4.3.1 Hoofdstuk 6 Paragraaf 1 Artikel 6.7 Hoofdstuk 4 Artikel 4.5.5 Artikel 5.1. aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Staat van open erven en terreinen Staat van onderhoud van open erven en terreinen Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.5 Artikel 4.5.

2 Artikel 7.2 Artikel 8.1 Artikel 6.2 Artikel 6.2 Hoofdstuk 6A Paragraaf 1 Artikel 6A. Reinheid Preventie Watergebruik Verboden gebruik van water Installaties Gebruiksgereed houden van installaties Slopen Sloopvergunning Sloopvergunning Aanvraag sloopvergunning In behandeling nemen Termijn van beslissing Samenloop van slopen en bouwen Weigeren sloopvergunning 26 5 Woningwet .4.Artikel 6.3 Artikel 8.1.6 Artikel 6.5 Artikel 6.1 Artikel 6A.1 Paragraaf 6 Artikel 7.2 Paragraaf 5 Artikel 6A.2.1 Artikel 7.4.1 Hoofdstuk 8 Paragraaf 1 Artikel 8.1 Paragraaf 3 Artikel 6A.3 Artikel 6A.2 Artikel 6A.3.1.3.3.4 Artikel 8.1.2.2.3.1 Paragraaf 5 Artikel 7.6.3.2.1.3.1.1.1.3.5.4 Artikel 6.1 Artikel 6A.2.1.1.1.4 Paragraaf 4 Artikel 6A.7 Paragraaf 2 Artikel 6.4.1.1 Artikel 7. open erven en terreinen Hinder Het weren van schadelijk of hinderlijk ongedierte.6 Termijn van beslissing Weigeren gebruiksvergunning Intrekken gebruiksvergunning Verplicht aanwezige bescheiden Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar Gebruikseisen voor bouwwerken Verbod stoffen aanwezig te hebben Opslag en verwerking stoffen Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand Gebruiksgereed houden bluswater winplaatsen Gebruik middelen en voorzieningen Gebruikseisen prostitutiebedrijven Begripsomschrijvingen Begripsomschrijvingen Prostitutiebedrijf Prostitutiebedrijf Inrichtingseisen seksclubs en privé-huizen Verblijfsruimten Werkruimten Badruimten en toiletten Kleedruimte Overige voorzieningen prostitutiebedrijf Verwarmingsinstallaties Veiligheid Brandveiligheid prostitutiebedrijf Brandveiligheidsvoorschriften Overige gebruiksbepalingen Overbevolking Overbevolking van woningen Overbevolking van woonwagens en woonketen Staken van het gebruik Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Staken van het gebruik van een woonwagen Gebruik van bouwwerken.1.3 Paragraaf 3 Artikel 7.3 Paragraaf 3 Artikel 6.1 Artikel 8.1.1 Paragraaf 2 Artikel 6A.2.1 Hoofdstuk 7 Paragraaf 1 Artikel 7.2.2 Paragraaf 4 Artikel 7.1 Artikel 6.5.2 Paragraaf 2 Artikel 7.5 Artikel 8.

8 Artikel 9.3 Artikel 8. verpakken en opslaan van asbest Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen Vrij slopen Sloopafval algemeen Welstand De advisering door de welstandscommissie Samenstelling van de welstandscommissie Benoeming en zittingsduur Jaarlijkse verantwoording Termijn van advisering Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting Afdoening bij mandaat Vorm waarin advies wordt uitgebracht Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen Artikel 10.en slotbepalingen Strafbare feiten Overgangsbepaling bodemonderzoek Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning Overgangsbepaling sloopmelding Overgangsbepalingen Slotbepaling 5.1 Artikel 8.6 Artikel 9.7 Paragraaf 2 Artikel 8.3 Overdragen vergunningen Artikel 10.2 Artikel 8.7 Bijlagen Handhaving Stilleggen van de bouw Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Stilleggen van het slopen Straf-.4 Artikel 8.Artikel 8.4. overgangs.4 Artikel 12.3.6 Artikel 12.3 Artikel 12. de bouwvergunning 27 .2 Artikel 11.3.1 Artikel 9.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Artikel 10.9 Intrekking sloopvergunning Uitzondering op het vereiste van sloopvergunning Sloopmelding Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning Verplichtingen tijdens het slopen Veiligheid op sloopterrein Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Plichten van de houder van de sloopvergunning Plichten van degene die sloopt Wijze van slopen.3.1 Artikel 11.2 Paragraaf 3 Artikel 8.3 Artikel 9.5 Artikel 9.4 Artikel 9.3.6 Paragraaf 4 Artikel 8.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Hoofdstuk 11 Artikel 11.2.2 Artikel 12.3.2 Artikel 9.5 Artikel 8.2.3 Hoofdstuk 12 Artikel 12.1 Artikel 12.5.1 Artikel 8.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Artikel 10.5 Artikel 12.7 Artikel 9.1 Hoofdstuk 9 Artikel 9.2 Regels voor nieuwbouw.1 De aanvraag om woonvergunning Artikel 10.3.1.

Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed. De aanhouding duurt totdat Gedeputeerde Staten met het saneringsplan hebben ingestemd of totdat zij hebben vastgesteld dat er geen sprake is van ernstige verontreiniging. Hoewel geen bodemrapport kan worden gevraagd bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Verder moet het gaan om een bouwplan dat de grond raakt – een verbouwing op een etage kan dus niet worden verhinderd vanwege bodemverontreiniging – of een bouwplan waarbij het niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd: een verbouwing waardoor bijvoorbeeld gebruik van het bouwwerk zal worden gemaakt dat strijdig is met het bestemmingsplan. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die termijn beslissen en (uit het rapport) de ernstige verontreiniging blijkt. Gedeputeerde Staten moeten een beslissing nemen over het saneringsplan. kan toch dergelijk bouwen op verontreinigde bodem worden voorkomen door het aanhouden van de beslissing op de aanvraag bouwvergunning. Dergelijke problemen kan men voorkomen door aan de bouwvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in art. moet de bouwer dit melden aan Gedeputeerde Staten en daarbij de resultaten van nader onderzoek. Art. aldus de ABRvS van 9 juli 1999 (AB 1999/447). Dat staat in de amvb Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning die landelijk regelt welke gegevens aanvragers van een bouwvergunning moeten indienen bij burgemeester en wethouders. 56 Woningwet. de resultaten van een saneringsonderzoek en van een saneringsplan inleveren. Als het bouwplan in de aansluiting voorziet en het bestemmingsplan niet in de weg staat aan de aansluiting maar naburige eigenaren de aansluiting verhinderen. De bouwverordening schrijft voor dat deze voorzieningen zijn aangesloten op de openbare distributienetten en voor afvalwater op de openbare riolering. moet worden gewijzigd. Volgens art. elektriciteit. 52a zegt dat het aanhoudingsbesluit binnen twee weken na de aanvraag moet worden genomen. In dat geval stellen burgemeester en wethouders de aanvrager binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding in de gelegenheid binnen vijf weken een gewijzigde bouwaanvraag in te dienen.Aansluiting op de nutsvoorzieningen Het bouwbesluit schrijft voor dat in bouwwerken voorzieningen zijn voor drinkwater. Bestemmingsplan gaat voor op bouwverordening Art. moet de beslissing op de aanvraag lichte bouwvergunning worden aangehouden. kan worden tegengegaan vanwege bouwen op verontreinigde bodem.10). 46 te lopen binnen welke op een aanvraag bouwvergunning moet zijn beslist (zie subsubparagraaf 5. gas en afvoer van afvalwater. Als de aanvrager daar geen gebruik van maakt. De 28 5 Woningwet . Als dus de gemeente weet of vermoedt dat er zulke bodemverontreiniging is. 52a lid 1 moeten burgemeester en wethouders de beslissing op de aanvraag bouwvergunning niet alleen aanhouden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ter plaatse van het bouwwerk ernstig verontreinigd is. Na beëindiging van de aanhouding beginnen weer de ‘gewone’ termijnen van art. is de vergunning van rechtswege geweigerd. Het kan zijn dat het bouwplan ten gevolge van een saneringsplan waarmee is ingestemd. eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven. Zij kunnen ontheffing van het overleggen van een bodemrapport geven als de gemeente zelf al deugdelijke informatie heeft over de locatie. De Modelbouwverordening bevat daarom voor de genoemde bouwwerken het verbod tot bouwen op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers. Bodemonderzoek en aanhouden beslissing op de aanvraag bouwvergunning De Woningwet verplicht om in de bouwverordening voorschriften op te nemen tegen het bouwen op verontreinigde bodem. 9 Woningwet bepaalt dat voorzover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het betreffende bestemmingsplan. maar ook als uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat van ernstige verontreiniging. is de aanhoudingsbeslissing van rechtswege genomen. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is. Een bouwvergunning moet dus geweigerd worden als niet is voorzien in deze aansluiting.2. Het eventueel saneren van de bodem is een taak van de bouwer. is de belemmering van privaatrechtelijke aard op grond waarvan de bouwvergunning niet kan worden geweigerd.5. Alleen voor deze bouwwerken geldt de verplichting een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid over te leggen.

en losmogelijkheden De bouwverordening bepaalt ook dat indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in.en luchttoetreding gewaarborgd wordt. de bouwvergunning 29 . maar later niet meer omdat buren van hun bouwrecht gebruikmaken. Parkeergelegenheid en laad. op of onder het gebouw. gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw. Indien voor een (stedelijk) gebied uitsluitend de bouwverordening van toepassing is. 19 lid 1 WRO. dakhellingen en hoogte van bebouwing van toepassing blijven voorzover daarmee de licht. dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. kunnen burgemeester en wethouders bij hun besluit over het verlenen van een ontheffing van een stedenbouwkundige bepaling van de bouwverordening alle belangen in de overwegingen betrekken. Eveneens zullen van toepassing blijven de bepalingen inzake: – de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer (hulpdiensten) en gehandicapten. Voor de afweging van belangen ten behoeve van een ontheffing voor het overschrijden van een rooilijn. Om die reden is in de bouwverordening in art. of – valt onder het beleid van de provincie inzake art. Het kan voorkomen dat een geldend bestemmingsplan niet de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening opzij zet – bijvoorbeeld doordat het plan een globaal karakter heeft – en dat het gewenst is van het bestemmingsplan ten behoeve van een bouwplan vrijstelling te verlenen. daarbij is niet een aparte publicatie (naast de publicatie in verband met de vrijstelling) voorgeschreven maar wel dat de aanvraag gedurende twee weken ter inzage ligt. – de minimale ruimte tussen bouwwerken: in verband met mogelijke vervuiling moeten bouwwerken of aan elkaar of op minimaal één meter van elkaar worden gesitueerd.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte indien – de bouwactiviteit voorkomt in art.voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien het betreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen. zou het bouwplan geen doorgang kunnen vinden. Dit om bijvoorbeeld te voorkomen dat ten tijde van de bouwvergunning een woongebouw wél aan de daglichttoetredingseisen voldoet. mag bijvoorbeeld de strijdigheid met een bepaald vastgesteld planologisch beleid worden betrokken (ABRvS van 13 augustus 1998. – de in aanmerking te nemen invloed van de omgeving op het bouwwerk.5. AB 1999/162). Op de voorbereiding van het besluit omtrent de ontheffing is de procedure van afdeling 3. Er moet namelijk van worden uitgegaan dat de terreinen in de omgeving zijn bebouwd tot de hoogte en oppervlakte die ten hoogste – zonder vrijstelling – mogelijk zijn. Uit de jurisprudentie volgt dat voor de grensbepaling gekeken moet worden naar de aard en strekking van de bepalingen. waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Aangenomen moet worden dat de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening inzake rooilijnen. dat is het geval bij de vrijstelling bedoeld in art. tenzij het betreffende bestemmingsplan anders bepaalt.en van de achtergevelrooilijn.2 Regels voor nieuwbouw.29 een ontheffing opgenomen voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van vrijstelling van een bestemmingsplan.5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor. Daaruit blijkt duidelijk dat de bouwverordening een aanvullende werking heeft. 19 lid 2 WRO: dat zijn de activiteiten waarvoor de provincie aan de gemeenten de mogelijkheid geeft vrijstelling te verlenen zonder verklaring van geen bezwaar of – het bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnde toekomstig ruimtelijk beleid. Een vrijstelling van het bestemmingsplan is immers geen ontheffing van de bouwverordening. Bij bestaande bouw moet van de bestaande situatie worden uitgegaan. 5. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn. 20 Bro: de kruimelgevallen. 2. Indien het bouwplan dan in strijd zou zijn met de bouwverordeningvoorschriften en daarvan geen ontheffing kan worden verleend. die door het verlenen van de ontheffing zouden worden gediend of geschaad. – het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen: dit is verboden binnen een strook van zes meter aan weerszijden daarvan.

tenzij er heel bijzondere omstandigheden zijn dan wel het gebouwde spoedig en op eenvoudige wijze kan worden gelegaliseerd. Dan is het dus mogelijk dat na de verlening van de bouwvergunning het uitwerkingsplan in beroep vernietigd wordt. 427). Indien is voorgeschreven dat een bouwperceel een minimale breedte moet hebben van 14 meter en dat het is toegestaan daarop één woning te bouwen.5. Als de opzet van het bestemmingsplan is een bepaalde openheid te bereiken – één woning per 14 meter –. Hier wordt ingegaan op enkele specifieke problemen. brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat de vernietiging van het goedkeuringsbesluit (van het uitwerkingsplan) geen terugwerkende kracht heeft. en dus niet (bijvoorbeeld) de koper of een andere rechtsopvolger. Het is dan bijvoorbeeld mogelijk gemaakt op een bouwperceel één hoofdgebouw te realiseren van een bepaalde maat.’ Overtreding van het verbod te bouwen in strijd met het bestemmingsplan Bij handhaving van art. maar niet dat de plicht wordt opgelegd tot realisering. kan daartegen worden opgetreden.5. Stel dat het bouwvlak een breedte heeft van 24 meter en in eigendom is van twee eigenaren: perceel A is 14 meter breed en perceel B is 10 meter breed. Wat kunnen burgemeester en wethouders dan nog doen? Als iemand zonder bouwvergunning bouwt. 78). Toetsing aan bestemmingsplan en terugwerkende kracht De weigeringsgrond van art. De uitwerking kan goedgekeurd en van kracht zijn. 30 5 Woningwet . 5:26 Awb en 5:32 Awb alleen respectievelijk bij en aan de overtreder plaatsvinden (ABRvS van 30 oktober 1998. 44 Woningwet kan zich het probleem voordoen dat een illegaal totstandgekomen bouwwerk wordt verkocht. AB 1999. Op de bestemmingsplankaart worden bouwvlakken aangegeven waarbinnen in het algemeen verschillende eigenaren over een kadastraal perceel beschikken. Om die reden wordt veelal een zogenoemde dubbeltelbepaling opgenomen die meestal aldus luidt: ‘Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een bouwvergunning of het toestaan van een meldingsplichtig bouwwerk waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven. Hoe ruimer de bewoordingen van de artikelen of de begrenzingen op de bestemmingsplankaart.’ Dubbeltelbepaling Vaak wordt in een bestemmingsplan vrijgelaten waar precies een bouwplan mag worden gerealiseerd. blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.8 Bestemmingsplan In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan het bestemmingsplan. Daarvan zegt de Afdeling in haar uitspraak van 18 januari 2000 (AB 2000. Vervolgens verkoopt hij 4 meter grond aan eigenaar B zodat hij ook over een 14 meter breed perceel beschikt en een woning zou kunnen bouwen. Aan rechtsopvolgers kan wel een aanzegging bestuursdwang worden gezonden om hen in de gelegenheid te stellen het illegaal gebouwde af te breken. Het principe van toelatingsplanologie betekent ook dat toestemming wordt gegeven voor een bepaald bouwwerk door een bouwvergunning of een vrijstelling. In beginsel moéten burgemeester en wethouders daartegen optreden en daarmee de voorschriften handhaven. De vraag moet beantwoord worden of het bestemmingsplan het gebruik van de grond of het bouwplan toelaat. heeft de president terecht overwogen dat de weigeringsgrond van art. wordt daaraan niet voldaan. Hiervoor zijn de methoden beschikbaar zoals in hoofdstuk 1 zijn beschreven. zou men kunnen proberen het bestemmingsplan te ontduiken. Bij bouwen zonder vergunning is alleen de bouwer de overtreder. Aan rechtsopvolgers kan geen aanzegging dwangsom worden gezonden wegens een bouw zonder vergunning door een voorganger.2. Eigenaar A bouwt een woning waarbij voldaan wordt aan de minimale breedte van het bouwperceel. zich ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet voordeed. hoe meer er wordt toegestaan. maar nog niet onherroepelijk omdat daartegen beroep is ingesteld. Het invorderen echter van door de gemeente gemaakte kosten (bijvoorbeeld voor het (doen) slopen van het gebouwde) en het opleggen van een dwangsom kan op grond van art. (…) Gelet op het voorgaande. 44 aanhef en onder c. Burgemeester en wethouders hebben het bouwplan dan ook terecht getoetst aan het uitwerkingsplan. Optreden kan door het aanzeggen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. 138): ‘Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999 (AB 2000. 44 onder c Woningwet doet de vraag rijzen wat moet gebeuren bij toetsing van een bouwplan aan een uitwerking van een globaal (uit te werken) bestemmingsplan. Bij toetsing van een bepaald gebruik van grond of een bouwwerk of van een bouwplan aan het bestemmingsplan moet het bestemmingsplan geïnterpreteerd worden.

2. het renvooi en de bijbehorende planvoorschriften. keet of soortgelijk gebouw om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan woongelegenheid. Hiervoor geldt dat het niet-goedgekeurde deel buiten toepassing blijft.5. op ondergeschikte punten van het bouwplan. Het is niet geoorloofd om – bijvoorbeeld op grond van de beweegredenen die tot onthouding hebben geleid – bepalingen in de planvoorschriften “in te lezen” die niet op de door de wet voorziene wijze rechtskracht hebben gekregen. In haar uitspraak van 22 juni 1998 (AB 1999.9 Bouwvergunning met termijn Normaliter worden bouwvergunningen gegeven zonder instandhoudingtermijn. Indien het gaat om een ingrijpende wijziging van het bouwplan. welke wordt bepaald door de plankaart. nog in de bezwaarschriftfase kon plaatsvinden en ook dat burgemeester en wethouders verplicht kunnen worden geacht om de aanvrager in de gelegenheid te stellen diens aanvraag te wijzigen. Die bezoekt dan het bedrijf en gaat dan bijvoorbeeld na hoeveel tijd de bedrijfsleider aan het agrarisch bedrijf besteedt of zal besteden en wat de vooruitzichten zijn. Bijvoorbeeld: een noodlokaal voor een school. Die kan zijn ontstaan door waardevermindering van een woning na uitvoering van het bouwplan. In vier gevallen wordt echter wel een instandhoudingtermijn gesteld (art. Uit die uitspaak bleek dat een wijziging van de aanvraag. 45 Woningwet): a Bij een woonkeet. een agrarische adviescommissie. de voorlopige bestemming.5. 669). 5. moet de wijziging beschouwd worden als een nieuwe aanvraag.Toetsing aan een bestemmingsplan waaraan voor een deel goedkeuring is onthouden Als door Gedeputeerde Staten aan delen van een bestemmingsplan – bijvoorbeeld van de kaart – goedkeuring is onthouden. Bij een tijdelijke behoefte behoort een termijn waarna het gebouwde niet langer in stand mag worden gelaten. een bouwkeet die slechts nodig is gedurende de bouw.’ Agrarische bedrijven Bestemmingsplannen in het landelijk gebied verschaffen veelal alleen bouwmogelijkheden aan agrarische bedrijven.’(ABRvS van 13 april 1995. b Bij een bouwwerk (niet een woning) dat is bestemd om in een tijdelijke behoefte te voorzien. Indien bijvoorbeeld een achteruitbouw te groot is gemaakt (en vergund). moet een eventuele waardevermindering worden berekend ten opzichte van de situatie met een achteruitbouw met de juiste maten. Schadevergoeding bij onrechtmatig verleende bouwvergunning Indien een bouwvergunning ten onrechte blijkt te zijn verleend. c Bij een bouwwerk dat slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming. de bouwvergunning 31 . De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt hierover dat het moet gaan om een wijziging van het bouwplan die slechts van ondergeschikte betekenis is. kan en mag de toetsing aan die voorschriften uitsluitend betrekking hebben op het wel goedgekeurde gedeelte daarvan. kan een benadeelde – bijvoorbeeld een buurman – bij burgemeester en wethouders om vergoeding van geleden schade verzoeken. kan die worden ‘meegenomen’ in dezelfde procedure. Dit kan slechts anders zijn in het hier niet aan de orde zijnde geval dat de buiten goedkeuring gelaten voorschriften een overgangsbepaling behelzen.2 Regels voor nieuwbouw. Om te bepalen of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. BR 1995. Soms bepaalt een bestemmingsplan dat gedurende enkele jaren een bepaalde bestemming geldt. Indien aan de planvoorschriften gedeeltelijk goedkeuring is onthouden. Als het een kleine wijziging betreft. Bij een dergelijke waardevermindering moet de nieuwe situatie vergeleken worden met de situatie die had kunnen ontstaan als het bestemmingsplan wel op de juiste wijze was toegepast. Een 5. rijst de vraag hoe een bouwplan moet worden beoordeeld als het zich in zo’n ‘witte vlek’ bevindt. Een woonkeet is een loods. het bouwplan moet worden getoetst aan de hand van de voor het perceel geldende bestemming. ‘Dit zal het geval zijn indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. blz. Soms schrijft het bestemmingsplan voor dat aan een bepaalde commissie advies wordt gevraagd. Dat wil zeggen dat de bouwer het gebouwde voor onbepaalde tijd in stand mag laten. Wijziging bouwaanvraag Het komt voor dat een aanvrager na de indiening zijn bouwaanvraag wil wijzigen. winnen burgemeester en wethouders vaak het advies in van een commissie. 60) zegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hier (weer) over: ‘(…) overweegt de Afdeling dat voor de beantwoording van de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

bij d is de termijn gelijk aan de termijn van de vrijstelling. is de bouwvergunning van rechtswege verleend en mag de bouwer zijn bouwplan uitvoeren. 17 of 19 WRO. De termijn kan zowel voor de eerste als de tweede fase eenmalig met zes weken worden verlengd. of op grond van art. Als de bouwvergunning van rechtswege is verleend. indien gedelegeerd. 11 WRO moet worden gewijzigd. Uit ABRvS van 13 augustus 1998 (AB 1999. 19 lid 3 WRO kunnen burgemeester en wethouders verlenen indien het een bouwwerk betreft als bedoeld in art. Dat artikel geeft de mogelijkheid om vrijstelling te geven voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan.4. Men wil bijvoorbeeld een tijdelijk postkantoor in een plantsoen plaatsen. 20 Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro). 16). De vrijstelling op grond van art.2. 15 WRO). Gedeputeerde Staten van de provincie moeten eerst toestemming – een verklaring van geen bezwaar – geven om de vrijstelling te kunnen verlenen door de gemeenteraad of. De instandhoudingtermijn is bij a en b maximaal vijf jaar. AB 2000. Indien op grond van de Wet BIBOB door burgemeester en wethouders advies is gevraagd aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. mogen burgemeester en wethouders niet meer op de bouwaanvraag beslissen (zie bijvoorbeeld ABRvS van 30 augustus 1999.10 Beslissingstermijn op aanvraag bouwvergunning Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag: a om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag. door burgemeester en wethouders. De beslissingstermijn op een aanvraag bouwvergunning in twee fasen – zie subsubparagraaf 5. Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.5. De termijn geldt echter niet voor een bouwwerk ten aanzien waarvan slechts een bouwvergunning kan worden verleend nadat vrijstelling is gegeven op grond van het geldende bestemmingsplan (art. b om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. 19 lid 2 WRO kunnen burgemeester en wethouders verlenen als het bouwplan behoort tot een door Gedeputeerde Staten aangewezen categorie. De zes en twaalf weken zijn dus voorbeelden van een ‘fatale’ termijn.5. Indien niet tijdig is beslist.2. 17 WRO is toegepast. De vrijstelling op grond van art.19 – bedraagt voor elk van beide aanvragen zes weken. In het volgende schema zijn de maximale beslissingstermijnen op aanvragen bouwvergunning opgenomen.2.6 zijn de vrijstellingen op grond van art.d bouwwerk ten behoeve van de voorlopige bestemming behoeft niet langer dan die voorlopige bestemming in stand te blijven. bij c hangt de termijn af van de termijn in het bestemmingsplan. indien er geen andere. 194) blijkt dat de termijn evenmin geldt als de bouwvergunning alleen kan worden verleend als eerst het bestemmingsplan op grond van art. worden de termijnen in het schema met maximaal acht weken verlengd. Er kan geen fictieve bouwvergunning ontstaan als het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gedurende de duur van de vrijstelling mag het tijdelijke bouwwerk in stand blijven. In subsubparagraaf 4. gedurende de verbouw van het definitieve postkantoor. 19 lid 1 WRO kan worden verleend voor een bouwwerk dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. 5. Bij een bouwwerk ten aanzien waarvan art. bijvoorbeeld privaatrechtelijke belemmeringen zijn. 32 5 Woningwet . 17 en 19 WRO besproken. De vrijstelling op grond van art.

4:5 Awb luidt: ‘1 Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Art.11 Ontvankelijkheid Aan burgemeester en wethouders is aldus een termijn gesteld binnen welke beslist moet zijn.5.2 Regels voor nieuwbouw. In de amvb Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is landelijk geregeld welke gegevens en stukken maximaal door burgemeester en wethouders gevraagd mogen worden van een aanvrager van een lichte of reguliere bouwvergunning. 4:5 lid 1) besluiten de aanvraag niet te behandelen. 19 lid 2 of 3 WRO waarbij geen verklaring van geen bezwaar nodig is Lichte bouwvergunning en vrijstelling op grond van art. mogen ook andere gegevens en bescheiden.Schema beslissingstermijnen bouwvergunning Bouwvergunning/vrijstelling Lichte bouwvergunning Reguliere bouwvergunning Reguliere bouwvergunning in fasen: eerste fase Reguliere bouwvergunning in fasen: tweede fase Lichte of reguliere bouwvergunning en vrijstelling op grond van art. de bouwvergunning 33 . Het formulier kan worden gedownload van de internetsite van het ministerie van VROM. die bij de aanvraag nog niet bekend zijn. anders is de vergunning ‘fictief’ verleend. 19 WRO waarbij wel een verklaring van geen bezwaar nodig is Beslissingtermijn Binnen zes weken Binnen zes weken Binnen zes weken Binnen zes weken Binnen vier weken na de vrijstelling Binnen vier weken na de vrijstelling Binnen zes weken na afloop terinzagetermijn vrijstelling Verdaging – Eenmaal zes weken Eenmaal zes weken Eenmaal zes weken – – – Binnen twaalf weken na afloop terinzagetermijn vrijstelling – Binnen zes weken na ontvangst van de verklaring Binnen twaalf weken na ontvangst van de verklaring – – 5. het Bouwbesluit. 19 lid 2 of 3 WRO waarbij geen verklaring van geen bezwaar nodig is Reguliere bouwvergunning en vrijstelling op grond van art. De termijn is uiterlijk drie weken voor aanvang van de betreffende bouwwerkzaamheden.2. later worden aangeleverd. 17 WRO Lichte bouwvergunning en vrijstelling op grond van art. kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behan- 5. mogen burgemeester en wethouders volgens de Awb (art. Het is dan ook belangrijk dat de aanvraag beoordeelbaar is: de aanvrager moet de gegevens verstrekken zodat de aanvraag aan de regels van de Woningwet. Gegevens inzake constructieve veiligheid en brandveiligheid mogen niet later worden ingediend.5. 19 WRO waarbij wel een verklaring van geen bezwaar nodig is Reguliere bouwvergunning en vrijstelling op grond van art. de bouwverordening en het bestemmingsplan kan worden getoetst. Ook is bepaald dat een landelijk uniform aanvraagformulier moet worden gebruikt. mogen gegevens digitaal worden aangeleverd: in de bijlage bij de amvb is aangegeven welke typen digitale bestanden mogen worden gebruikt. Indien burgemeester en wethouders hiermee instemmen. Detailberekeningen en -tekeningen ten behoeve van de uitvoering mogen later worden ingediend. Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan de voorschriften over het indienen van een aanvraag. Indien de gemeente het goed vindt. Daardoor is bijvoorbeeld cascobouw mogelijk gemaakt. In de bouwvergunning maken burgemeester en wethouders bekend welke gegevens en bescheiden wanneer moeten zijn ingediend. 15 WRO Lichte of reguliere bouwvergunning en vrijstelling op grond van art.

Een en ander betekent dat de zes. 324) over de gemeente Meijel als volgt: ‘Burgemeester en wethouders behoren te beslissen op een aanvraag om bouwvergunning zoals deze is ingediend. moet aangenomen worden dat er een nieuwe bouwaanvraag is. Het komt regelmatig voor dat een aanvraag bouwvergunning niet geheel aan de vereisten voldoet. De termijn wordt wel verlengd met de tijd die de aanvrager na een uitnodiging gebruikt om aanvullende gegevens te verstrekken of de tijd die hij ongebruikt voorbij laat gaan (art. 12a Woningwet) die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling a of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats. 47 Woningwet wordt de termijn ingevuld: binnen vier weken na ontvangst van de bouwaanvraag moeten burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid stellen de aanvraag aan te vullen. moet in ieder geval de criteria bevatten (art. In de nota die tot stand moet komen met toepassing van de lokale inspraakverordening. Deze beleidsregel. ook als het een ongewenst bouwplan is dat in de ingediende vorm niet aan de regels voldoet. Op burgemeester en wethouders rust dan de plicht aanvrager daarop te wijzen om hem in de gelegenheid te stellen het bouwplan te wijzigen. als een gemeente welstandsbeleid wil voeren. dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. moet worden gekeken naar het bouwplan zelf. Daaraan doet niet af dat zij onder omstandigheden bevoegd of zelfs verplicht kunnen zijn de aanvrager in de gelegenheid te stellen die aanvraag te wijzigen of aan te vullen. Daarvoor kan met name aanleiding bestaan indien er door de wijziging of aanvulling geconstateerde beletselen voor het verlenen van een bouwvergunning kunnen worden weggenomen. Dit zal het geval zijn. Tot dat moment mag de gemeente nog het ‘oude’ beleid toepassen. zij geven daarvoor een termijn van ten hoogste vier weken. mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.en twaalfwekentermijn al bij de aanvraag begint te lopen en niet vanaf het ogenblik dat de aanvrager ontvankelijk is en dat burgemeester en wethouders in plaats van de plicht tot nietontvankelijk verklaren de bevoegdheid hebben gekregen de aanvraag niet te behandelen. die een bestuursorgaan toepast als het gebruikmaakt van een bevoegdheid. in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.5.delen. de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Volgens art. 4:5 lid 4 Awb moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager worden bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. dat beleid objectief en inzichtelijk moet zijn en dat daarvoor het gemeentebestuur politiek verantwoordelijk is. maar niet een wettelijk voorschrift. Om te bepalen of de wijziging ingrijpend is.2.12 Welstandsbeleid en welstandscommissie De wet gaat ervan uit dat. waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft. De Awb bepaalt dat een beleidsregel een bij besluit vastgestelde algemene regel is. Onder omstandigheden kan het zodanig wijzigen of aanpassen van een aanvraag leiden tot een nieuwe bouwaanvraag. 19 Woningwet) wegens het in ernstige mate in strijd zijn van een bouwwerk met redelijke eisen van welstand tenzij de welstandsnota met bijbehorende criteria is vastgesteld.’ In art. Als het om een ingrijpende wijziging gaat. b of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats. krijgt de gemeenteraad daarna achttien maanden de tijd om de nota vast te stellen en bekend te maken.’ 5. indien de wijziging zodanig ingrijpend is. waarbij men weliswaar ook verplicht was (in de bouwverordening) criteria op te nemen omtrent de redelijke eisen van welstand maar ten aanzien waarvan de eisen van de Woningwet minder ver gingen. 34 5 Woningwet . Er mag alleen welstandsbeleid worden uitgeoefend als de gemeenteraad een welstandsnota heeft vastgesteld. staan beleidsregels over het toe te passen welstandsbeleid. De beleidsregel gaat over de afweging van belangen. Na 1 juli 2004 hebben burgemeester en wethouders niet meer de bevoegdheid om aan te schrijven (op grond van art. de welstandsnota. De Afdeling formuleerde het in een uitspraak van 9 juni 1997 (AB 1997. 4:15 Awb). Op grond van een overgangsbepaling van de gewijzigde Woningwet die op 1 januari 2003 in werking trad. in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan.

tB/S III. 7 dat de welstandscriteria de welstand uitputtend beschrijven en uitsluitend betrekking hebben op de plaatsing. De welstandscommissie of de stadsbouwmeester baseren hun advies slechts op de criteria in de welstandsnota. De stadsbouwmeester is een ‘eenpersoonswelstandscommissie’.5. Hierover bepaalt het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken in art. een bijgebouw of overkapping. Burgemeester en wethouders mogen de aanvraag nog wel om advies voorleggen aan de welstandscommissie maar dat zal in het algemeen niet nodig zijn omdat de toets aan de loketcriteria gemakkelijk door een ambtenaar zelf kan worden verricht. de vorm. In haar uitspraak (ARRvS van 11 augustus 1981. Men noemt dit wel ‘loketcriteria’. een kozijn. De welstandscommissie is de door ‘de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats.2 Regels voor nieuwbouw. 282) verwierp de Afdeling deze handelwijze: er bestaat nu eenmaal een wettelijke verplichting om voor iedere concrete bouwaanvraag een advies aan te vragen. Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen burgemeester en wethouders voor advies aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester voorleggen (art. nr. Er kan bijvoorbeeld onderscheid gemaakt worden vanwege de specifieke karakteristieken van het beeld van een wijk. schriftelijk wordt uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd. Die plicht geldt nu alleen de reguliere bouwaanvragen. de bouwvergunning 35 . 5. A-3. de maatvoering. net als het bestemmingsplan voorrang heeft op de bouwverordening.en achterkantbenadering bepaald dat bepaalde bouwwerken bouwvergunningsvrij zijn. bijvoorbeeld strenge eisen voor een type bouwwerk aan doorgaande wegen en minder strenge voor het bouwwerk aan andere wegen.Het gaat dus om de criteria die toegepast worden om te bepalen of een bouwplan aan de welstandseisen voldoet en of een bestaand bouwwerk in aanmerking komt voor een aanschrijving wegens ernstige strijd met de welstandseisen. Ook kunnen gebieden geheel worden uitgesloten van welstandseisen of kunnen er per type bouwwerk verschillende eisen worden gesteld. Bestemmingsplan en stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening hebben dus voorrang op de welstandscriteria. hoeft geen advies te worden gevraagd. een aan. 48 lid 1 Woningwet). Indien bij voorbaat vaststaat dat de bouwvergunning al op een andere grond moet worden geweigerd dan wegens strijd met redelijke eisen van welstand. in strijd is met redelijke eisen van welstand’ (art. waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend. Het gaat dan bijvoorbeeld om een dakkapel. Voorgeschreven is dat een welstandsadvies met de conclusie dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Zij mogen geen eigen criteria toevoegen. Vooraf kan de burger zo zelf al zien aan welke welstandseisen het bouwwerk moet voldoen. nr. De gemeenteraad kan bij de vaststelling van de welstandscriteria gebiedsgericht differentiëren. In het algemeen zal de toepassing van de criteria niet in conflict komen met de stedenbouwkundige regeling: die regeling zal bepalen of het bouwwerk er mag komen en de welstandscriteria zullen ingaan op het uiterlijk van het bouwwerk. Indien voor het bouwwerk redelijke eisen van welstand gelden. moeten burgemeester en wethouders een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor advies voorleggen aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester die in de betreffende gemeente werkzaam is. In Zaanstad had men besloten niet meer alle aanvragen om bouwvergunning voor erfscheidingen aan de welstandscommissie voor te leggen omdat er met de commissie een bepaald beleid was afgesproken. De adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester zijn openbaar.0151 (1980). Ook licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand die toetsbaar moeten zijn door de te stellen welstandscriteria.of uitbouw. het materiaalgebruik en de kleur. maar dat ze lichtbouwvergunningplichtig zijn als ze aan de voorkant worden gebouwd. De toepassing van de criteria in de welstandsnota zou strijdigheid kunnen opleveren met het bestemmingsplan of de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening: in dat geval blijven de criteria buiten toepassing. 1 lid 1 onder r Woningwet). In het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is op grond van de voor.of gevelwijziging of een erfscheiding hoger dan één meter.

tB/S 1988. 36 5 Woningwet . nr. zal een rechter alleen in geval van grote belangen die niet met de welstandseisen te verenigen zijn. 2 in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria. Burgemeester en wethouders mogen niet lichtvaardig met de adviezen omgaan: telkens moeten zij nagaan of het advies op de juiste wijze totstandkomt. In het jaarlijkse verslag gaan zij in op drie punten: 1 op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester. De rechter zal afwijken sneller toestaan als een ander onafhankelijk deskundig advies daar aanleiding toe geeft.’ Aannemende dat het advies op de juiste wijze tot stand is gekomen. 166) zei de Afdeling rechtspraak dat de gemeente in het geheel niet was ingegaan op de bezwaren van de aanvrager en dat het bestreden besluit op dit punt volstrekt onvoldoende was gemotiveerd. 19 Woningwet) zijn overgegaan en op welke wijze daaraan invulling is gegeven: is de keuze gelaten tussen het uitvoeren van de aanschrijving of het slopen van het bouwwerk en is na een aanschrijving overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van art.86. 44 lid d (oud) stond dat de bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwwerk ‘naar het oordeel van burgemeester en wethouders’ niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. komt aan het welstandsadvies weliswaar zwaarwegende betekenis toe. Zij kunnen eenmaal voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden herbenoemd in dezelfde commissie. De gemeente voerde slechts aan dat niet was aangetoond dat het welstandsadvies in twijfel moest worden getrokken en dat niet in afwijking van dit advies vergunning diende te worden verleend. deugdelijk is en of het gevolgd moet worden. althans in elk geval aan te geven dat en waarom een en ander voor burgemeester en wethouders geen aanleiding is het in casu uitgebrachte welstandsadvies niet te onderschrijven. 26. Dat betekent dat burgemeester en wethouders ook nu over de toets aan de eisen een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid hebben. In haar uitspraak van 17 juli 1993 (AB 1994. 3 in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving wegens ernstige strijd met redelijke eisen van welstand (op grond van art. In het verslag wordt ten minste uiteengezet op welke wijze zij toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria. In Maassluis klaagde een bewoner over het feit dat zijn dakkapel was afgekeurd door de welstandscommissie terwijl in andere gemeenten dezelfde welstandscommissie dergelijke dakkapellen wel goedkeurde. Een voorzitter of ander lid van een welstandscommissie en een stadsbouwmeester kunnen voor een termijn van ten hoogste drie jaar worden benoemd in de betreffende functie. In art. 86) vernietigde de beslissing van burgemeester en wethouders: ‘Het had op de weg van burgemeester en wethouders gelegen om in te gaan op de kritiek op de advisering van de welstandscommissie. De welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de verrichte werkzaamheden. nr. afwijking van het advies toestaan. ‘Gelijk de Afdeling rechtspraak reeds meermalen heeft uiteengezet. niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook burgemeester en wethouders moeten aan de gemeenteraad een verslag voorleggen en politieke verantwoordelijkheid afleggen. die de mogelijkheid van afwijking van het advies insluit. (…) tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. Een verwijzing naar het advies van de welstandscommissie is niet genoeg. maar ontslaat dat burgemeester en wethouders en verweerder niet van de verplichting zich een eigen oordeel te vormen over de welstandsaspecten van een bouwplan. Nu is volstaan met het enkel verwijzen naar de inhoud van het uitgebrachte advies komt het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.’ Altijd moeten burgemeester en wethouders een eigen oordeel vormen over het welstandsaspect. waarop de aanvraag betrekking heeft. Nu staat er dat het uiterlijk (…) van het bouwwerk (…).5005. De Afdeling rechtspraak (ARRvS van 9 juni 1988. R03. Burgemeester en wethouders sloten zich aan bij het advies van de welstandscommissie.De welstandscommissie vergadert in het openbaar tenzij openbaarheid in strijd zou zijn met het bepaalde in de Wet openbaarheid van bestuur. In de gemeente Borculo protesteerde een aanvrager van een bouwvergunning tegen de weigering van de vergunning en het afwijzende advies van de welstandscommissie.

2. Bij strijd met de welstandsnota kan het echter voorkomen dat de welstandscommissie toch tot een positief oordeel komt. H01. De voorzitter van de Afdeling rechtspraak stelde in zijn uitspraak van 16 januari 1992 (nr. 2 Het gebied is aangewezen als beschermd stads.en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. waarom zij tot een andersluidend oordeel over de welstand zijn gekomen. Indien echter uit de voorschriften en systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is – met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven – vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven.In Groenlo was bouwvergunning verleend voor de bouw van aanleunwoningen in afwijking van een negatief welstandsadvies. bijvoorbeeld bij architectonisch unieke bouwwerken. S03.2 Regels voor nieuwbouw. wordt de vergunning geacht te zijn gegeven. 46 lid 4). De gevallen staan beschreven in art. zo blijkt uit de uitspraak van de voorzitter van de ARRvS van 13 augustus 1993 (AB 1994. zijn burgemeester en wethouders – met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan – vrijer in hun welstandsbeoordeling en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. is een besluit van de gemeenteraad in werking getreden dat een nieuw bestemmingsplan voor het betreffende gebied wordt voorbereid (een voorbereidingsbesluit) of een bestemmingsplan in procedure is gebracht. hoewel geen welstandsadvies was aangevraagd. een fictieve vergunning (art. 634) voorop ‘dat overwegingen van financieeleconomische aard mede van betekenis kunnen zijn voor het al dan niet volgen van de welstandscommissie. 5. Dat ligt echter anders indien uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat die mogelijkheden ten volle dienen te worden gerespecteerd. is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren. BR 1992. Die opzet vormt dan bij de welstandstoets een gegeven. Daarbij overwoog de voorzitter eenvoudig dat burgemeester en wethouders aannemelijk hadden gemaakt dat het bouwplan voldeed aan redelijke eisen van welstand. Dit uitgangspunt houdt in dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bestemming belemmeren. 579) maakt de Afdeling duidelijk dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.’ Een bouwplan moet in principe altijd voldoen aan de criteria uit de welstandsnota. de bouwvergunning 37 . De kans dat die situatie zich voordoet.of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet. Aanhouden van de beslissing mag alleen gedurende een bepaalde vastgestelde tijd. 574).5. waarover de welstandscommissie positief had geadviseerd.94. blz. Het bestemmingsplan is het wettelijk instrument waarmee aan gronden een bestemming wordt gegeven en ook de daarbijbehorende bebouwings. Een dergelijke vergunning is niet bij voorbaat in beroep vernietigbaar omdat geen welstandsadvies is ingewonnen of omdat niet aan de redelijke eisen van welstand is getoetst. In haar uitspraak van 25 maart 1995 (nr. 50 tot en met 55. de schade voor de aanvrager van de bouwvergunning moet zo veel mogelijk worden beperkt en mag niet eindeloos voortduren. blz. In geval door burgemeester en wethouders wordt afgeweken van het negatieve welstandsadvies. 186) zegt de Afdeling rechtspraak: ‘Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren.5. In haar uitspraak van 18 februari 2000 (AB 2000.13 Aanhouden beslissing op de bouwaanvraag De Woningwet noemt zeven gevallen waarin burgemeester en wethouders verplicht zijn de beslissing op een aanvraag bouwvergunning aan te houden. Het is uiteraard verstandig dat burgemeester en wethouders voorafgaand aan de beslissing op het Awb-bezwaarschrift tegen een dergelijke vergunning alsnog advies inwinnen van de welstandscommissie. om financieel-economische redenen niet uitvoerbaar was.91.’ Als burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een bouwaanvraag die past in het bestemmingsplan. Bij de besluitvorming op dit punt is de aanvaardbaarheid van het uiterlijk van het bouwwerk van overwegende betekenis.0068. moet duidelijk worden aangegeven. BR 1995. Dan is er strijd met de criteria maar niet met de welstandseisen en kunnen burgemeester en wethouders toch de bouwvergunning verlenen. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.4099. Uit het algemene karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat daarbij de voor de grond geldende bestemmingsregeling als uitgangspunt dient te worden gehanteerd. 5. nadat was gebleken dat het oorspronkelijke bouwplan. Deze aanhoudingsgronden zijn: 1 Voordat de aanvraag is ingekomen.

7 lid 1 Woningwet kan de minister in bijzondere gevallen. Er kan bijvoorbeeld uit een bestemmingsplan blijken dat de dorpsbebouwing uitgebreid mag worden op een bepaald gebied. kan de burger weten dat aan een nieuw bestemmingsplan wordt gewerkt. nog niet geldende bestemmingsplan. Als bij de gemeenteraad echter het inzicht is gegroeid dat ter plaatse géén dorpsuitbreiding zou moeten plaatsvinden en dat bijvoorbeeld het open. Ad 1 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning als er een nieuw bestemmingsplan in aantocht is In een bestemmingsplan geeft de gemeenteraad aan wat de bestemming van de grond is. Op grond van art. 4 en 5 hun beslissing aanhouden. moet dus de vergunning worden geweigerd en niet aangehouden. Burgemeester en wethouders zijn van oordeel dat van de minister op grond van art. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ook. Als een bouwvergunning wordt aangevraagd om in dat gebied de dorpsbebouwing uit te breiden. direct het ontwerp voor het nieuwe bestemmingsplan ter inzage leggen. Het is echter niet redelijk om de beslissing over de bouwvergunningen aan te houden als de burger niet had kunnen weten dat aan een nieuw bestemmingsplan wordt gewerkt. vrijstelling geven van voorschriften bij of krachtens het Bouwbesluit. indien er geen grond is om de bouwvergunning te weigeren. Bij punt 6 moet altijd gewacht worden op de beslissing over de monumentenvergunning. De bodem is ernstig verontreinigd. Aanvragen die zijn ingediend voordat het voorbereidingsbesluit in werking is getreden. moet de vergunning geweigerd worden. Voor het gebouw is een vergunning krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen vereist. bijvoorbeeld bij experimentele en innovatieve bouwwerken. 38 5 Woningwet . Zodra de gemeenteraad heeft verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (een voorbereidingsbesluit) en dat besluit is in werking getreden. Het is niet nodig om de procedure voor een nieuw bestemmingsplan te beginnen met het nemen van een voorbereidingsbesluit. hetgeen zij moeten publiceren. 7 Woningwet een vrijstelling van het Bouwbesluit is vereist. Voor het bouwwerk is een vergunning als bedoeld in de Monumentenwet vereist. Als er bijvoorbeeld sprake is van strijd met het bestemmingsplan of strijd met redelijke eisen van welstand. moet de bouwvergunning worden verleend (indien er geen vrijstellingen benodigd zijn). Het is ongewenst dat gedurende de termijn van de bestemmingsplanprocedure bouwplannen kunnen worden gerealiseerd die in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders moeten in de gevallen genoemd bij punt 1. agrarische gebied zonder bebouwing bewaard moet blijven. Daarom moeten burgemeester en wethouders hun beslissing op bouwaanvragen aanhouden als er een nieuw bestemmingsplan in procedure is gebracht – de situatie moet als het ware worden bevroren. Aanvragen die zijn ingediend nadat het voorbereidingsbesluit in werking is getreden. moet hij een nieuw bestemmingsplan vaststellen dat bebouwing ter plaatse verbiedt. worden dus alleen getoetst aan het geldende bestemmingsplan en ze ondervinden geen nadeel van het nieuwe. De beslissing op nadien ingekomen aanvragen om bouwvergunning moet worden aangehouden.3 4 5 6 7 Het bouwplan is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (of de Kernenergiewet) is vereist. aangezien het voorbereidingsbesluit wordt gepubliceerd. Aan het eind van de procedure zou dan kunnen blijken dat de dorpsuitbreiding uit het voorbeeld ondanks het nieuwe plan al gerealiseerd is. Hij bepaalt waarvoor de grond gebruikt en dus bebouwd mag worden. na het geven van gelegenheid tot inspraak. Bij punt 7 moeten burgemeester en wethouders de beslissing op de aanvraag aanhouden als zij de bouwvergunning niet willen weigeren wegens strijd met het Bouwbesluit en de strijdigheid willen opheffen door een vrijstellingsbesluit van de minister van VROM. worden getoetst aan het geldende bestemmingsplan en zullen worden aangehouden. als er een weigeringsgrond is. 3.

30 WRO moet dan de gemeenteraad binnen één jaar na het verstrijken van de beroepstermijn een nieuw bestemmingsplan vaststellen waarin met het GedeputeerdeStatenbesluit rekening wordt gehouden. Wordt tijdig het aangepaste plan ter inzage gelegd.4 Awb).’ Het aanhoudingsbesluit werd vernietigd.5. de bouwvergunning 39 . 56a onder b WRO.2 Regels voor nieuwbouw. De tekst van art. Gedeputeerde Staten kunnen aan het plan geheel of gedeeltelijk goedkeuring onthouden. dan duurt de aanhouding voort. waardoor het niet tot een bouwvergunning komt. Daags na afloop van de beroepstermijn treedt het Gedeputeerde-Statenbesluit in werking. 324) wijst de Afdeling de gemeente Meijel terecht. De gemeenteraad had na een onthouding van goedkeuring een bestemmingsplan in procedure gebracht dat in strijd met de strekking van een niet-goedkeuringsbesluit een algeheel bouwverbod voor een perceel bevatte. Daarmee vangt de beroepstermijn bij de Afdeling aan. Volgens art.90. Uiteraard eindigt de aanhouding als het nieuwe bestemmingsplan geldend is geworden en in werking is getreden.De aanhouding is niet eindeloos. R03. De Afdeling besliste dat het meeromvattende bestemmingsplan niet als een reparatieplan als bedoeld in art. De indiener van de aanvraag mag er niet onder lijden als de gemeenteraad geen voortgang maakt met het bestemmingsplan. In Naaldwijk maakte iemand bezwaar tegen het handhaven van de aanhoudingsbeschikking op een aanvraag bouwvergunning. Vervolgens stelde de gemeenteraad een nieuw. De gemeenteraad moet het plan ook tijdig vaststellen en burgemeester en wethouders moeten daarna tijdig het plan (weer) ter inzage leggen (art. Als de aanpassing van het bestemmingsplan niet goedgekeurd wordt. Door de gemeente werd aangevoerd dat het nieuwe bestemmingsplan niet geldend was geworden omdat het Gedeputeerde-Statenbesluit niet ter inzage was gelegd. hebben geschonden. nr. De aanhouding eindigt nu indien binnen een jaar na het verlopen van deze jaartermijn geen ontwerp van een bestemmingsplan of van een herziening daarvan ter inzage is gelegd (art. eventueel ingebrachte schriftelijke zienswijzen daartegen – bijvoorbeeld van buren – zijn beoordeeld (afdeling 3. waardoor op hetzelfde perceel ook geen bouwmogelijkheden ontstonden. weliswaar inderdaad niet onherroepelijk is goedgekeurd. 50 lid 3 Woningwet opent die mogelijkheid. tB/S 1992. 50 lid 2). nr. maar dat burgemeester en wethouders met hun beslissing tot aanhouding van de aanvraag van de bouwvergunning in strijd met het stelsel van de WRO hebben gehandeld. leidt niet tot verlenging van de aanhoudingstermijn. 50 lid 3 Woningwet). 50 lid 3 Woningwet beschouwd mocht worden. Worden die termijnen niet gehaald. meeromvattend bestemmingsplan vast voor een groter gebied. Dat plan kwam derhalve evenmin voor goedkeuring in aanmerking. 5. dat uitgaat van nakoming van verplichtingen die de wet voor administratieve organen schept. Het aanhouden van de beslissing op de aanvraag bouwvergunning is dan zinloos. zou op die manier steeds ‘reparatie’-bestemmingsplannen kunnen vaststellen die niet goedgekeurd worden. kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning afgeven mits de aanvraag niet in strijd is met het provinciale en nationale ruimtelijke beleid (art. 30 WRO en art. In haar uitspraak van 9 juni 1997 (AB 1997. omdat zij door het achterwege laten van de terinzagelegging dat stelsel. Het geldend worden van het nieuwe bestemmingsplan kan enkele jaren duren. duurt de aanhouding nog steeds voort. door het achterwege laten van de terinzagelegging. omdat de aanhouding voortduurt zolang het nieuwe plan nog niet in werking is getreden. Dat wil dus zeggen: twee jaar (plus beroepstermijn) na het Gedeputeerde-Statenbesluit. 50 lid 4 en 7 Woningwet). 7) verwierp de Afdeling deze stelling: ‘De Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan. Indien het bouwplan vier weken ter inzage is gelegd. 28 lid 6 WRO moet het Gedeputeerde-Statenbesluit ter gemeentesecretarie ter inzage worden gelegd. dan vervalt de aanhoudingsplicht. nog niet geldende bestemmingsplan. Het kan gemakkelijk voorkomen dat een bouwplan past in het nieuwe. Daarom is bepaald dat de aanhouding eindigt als burgemeester en wethouders niet binnen één jaar na de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit – op dat moment vervalt het voorbereidingsbesluit – het ontwerp voor het nieuwe bestemmingsplan ter inzage leggen.0261. waardoor de aanhouding van een bouwvergunning voortduurde. Tegen dit besluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de termijn die genoemd is in art. In haar uitspraak (ARRvS van 14 januari 1992. Volgens art. Het bouwplan wordt dan getoetst aan het nieuwe en dan geldende bestemmingsplan. Daardoor was de maximale aanhoudingstermijn verstreken en moest de bouwvergunning verleend worden. Een weigering van burgemeester en wethouders om tot ter inzage leggen over te gaan. Een gemeenteraad die niet wil dat een aangehouden beslissing op een bouwaanvraag moet worden omgezet in een bouwvergunning.

evenals bij art. De aanhouding van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning eindigt als het bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt.1 Awb.en dorpsgezichten zijn het waard officieel op grond van de Monumentenwet 1988 te worden aangewezen als beschermd stads. daarom heet dit doorbreken van de aanhoudingsplicht de anticipatieprocedure. 50 lid 6 en 7 Woningwet). 20 Bro. zoals gezegd.14 (de anticipatieprocedure en de samenhang met art. Na deze aanwijzing stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast ter bescherming van het stads. Indien binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingediend.en dorpsgezichten en bouwplannen die betrekking hebben op monumenten. Daaruit is ook de artikel 19-lid 1-WRO-vrijstelling voortgekomen: vrijstelling kan ook worden gegeven zonder dat een bestemmingsplan in voorbereiding of in procedure is. 19 WRO). Zij horen daarvoor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. 50 lid 5 Woningwet). 50 lid 5 en 6 Woningwet maken het mogelijk dat voor een bouwplan dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan de aanhoudingsplicht wordt doorbroken en bouwvergunning wordt verleend. Het is een uitvloeisel van de gedachte dat de band tussen een initiatief en het bestemmingsplan wat losser zou moeten worden.of dorpsgezicht. Per 3 april 2000 is het ook mogelijk gemaakt om de aanhoudingsplicht te doorbreken als het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding of in procedure zijnde bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders kunnen dat doen.5. De beslissing op aanvragen bouwvergunning wordt aangehouden totdat onherroepelijk is beslist omtrent het nieuwe beschermende bestemmingsplan. Voor de overige bouwplannen kan ondanks de strijdigheid met het nieuwe bestemmingsplan bouwvergunning worden verleend als aan zwaardere eisen wordt voldaan. 50 lid 5 Woningwet. 10. Het toestemmingsvereiste betekent dat de regels voor goedkeuring. die een belangrijke rol speelt bij alle bouwplannen in beschermde stads. 19 lid 3 WRO vallen – bouwplannen als vermeld in art. Het bouwplan moet voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing en Gedeputeerde Staten moeten vooraf een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven. De artikel 19a-WRO-procedure moet gevolgd worden net als bij de artikel 19-lid 1-vrijstelling (art. Ad 2 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning in geval van beschermde stads. Lid 6 heeft betrekking op de minder ingrijpende gevallen: de tijdelijke bouwwerken en de bouwplannen die onder de provinciale categorie van art.2. Bij toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter van de Afdeling aan op welke onderdelen van het plan de voorlopige voorziening betrekking heeft. 19 lid 2 WRO vallen en op de bouwplannen (kruimelgevallen) die onder art. Vanwege de strijdigheid kan deze doorbreking geen anticipatie meer heten. Art. treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. De beslissing van de voorzitter kan ertoe leiden dat aanhoudingsbeschikkingen van kracht blijven dan wel opgevolgd moeten worden door vergunningen.4 Awb is gevolgd en eenieder gedurende vier weken de gelegenheid heeft gekregen zijn zienswijze in te dienen (art. het besluit omtrent goedkeuring van Gedeputeerde Staten inzake een bestemmingsplan onherroepelijk daags nadat de beroepstermijn bij de Afdeling bestuursrechtspraak is verstreken.Men loopt dan vooruit op het nieuwe bestemmingsplan. 10:32 Awb.en dorpsgezichten Sommige stads. die zijn opgenomen in art. 40 5 Woningwet . ze zijn het niet verplicht. Voor deze tijdelijke bouwwerken (bij de bouwvergunning wordt dan een instandhoudingtermijn gesteld) en voor de artikel 19-lid 2 en 3-WRO-gevallen kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning verlenen als de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.2. 28 lid 7 WRO is. Het besluit heeft dus onder andere betekenis voor de door burgemeester en wethouders aangehouden aanvragen en voor de bij Gedeputeerde Staten in behandeling zijnde aanvragen om verklaring van geen bezwaar. Hierop zal nader worden ingegaan in subsubparagraaf 5. namelijk dezelfde eisen als voor de artikel 19-lid 1WRO-vrijstelling. Ook in dit geval kan de aanhoudingsplicht worden doorbroken als Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar afgeven. De verlening van de bouwvergunning mag dus pas plaatsvinden als Gedeputeerde Staten toestemming in de vorm van een verklaring van geen bezwaar hebben gegeven.of dorpsgezicht. van toepassing zijn volgens art. Volgens art.

De aanhouding bleef dus in stand.5. Verdaging van de termijn is in dit geval niet mogelijk. Indien de verwachting bestaat dat de milieuvergunning niet verleend gaat worden. Dat wil zeggen dat de rechtbank die bij een conflict moet beoordelen of er terecht is aangehouden. BR 1993. is de strijdigheid opgeheven. – als de definitieve beschikking op de aanvraag milieuvergunning gelijk is aan het ontwerp van de beschikking en tegen het ontwerp geen bedenkingen – bezwaren – zijn ingebracht (bij milieuvergunningen wordt de mogelijkheid geboden bezwaar te maken tegen het ontwerp van de milieuvergunning) en 1 ofwel er zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van die beschikking ter inzage is gelegd. In geval art. S03. niet gelijk kan worden gesteld met een milieuvergunning. 888 en AGRvS (Vz. 19 WRO.1338. 2 ofwel binnen die zes weken een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en op dat verzoek is beslist. een oordeel moet geven over de vraag of een milieuvergunning vereist is. De vraag was of de bouwaanvraag voor de composteercellen langer moest worden aangehouden nu er sprake was van een gedoogbesluit. zullen Gedeputeerde Staten ook op grond van art. De bouwvergunning kan dan nog niet worden verleend als de afloop van de aanvraag milieuvergunning nog niet duidelijk is. 52 lid 1). de bouwvergunning 41 .) van 22 april 1993.) van 27 augustus 1993.Gedeputeerde Staten hebben daarom een termijn van dertien weken om te beslissen omtrent de aanvraag verklaring van geen bezwaar. Als burgemeester en wethouders een gedoogbesluit ten aanzien van een inrichting hebben genomen – en dus in strijd met de bedoeling van de wet het in werking zijn toelaten – geldt er geen aanhoudingsverplichting. is er dus wel een weigeringsgrond: de strijdigheid met het bestemmingsplan. 19 en 19a WRO alleen mag worden gevolgd als verlening van de milieuvergunning in de lijn der verwachtingen ligt. S03. een voorwaarde voor het in werking treden van een besluit. blz. In zijn uitspraak van 4 januari 1995 (BR 1995.2 Regels voor nieuwbouw. 188). 19 WRO wordt toegepast. Het niet-tijdig verzenden van een besluit op de aanvraag verklaring van geen bezwaar betekent dat de verklaring is verleend. waarvoor een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is vereist. 5. 50 lid 5 een verklaring van geen bezwaar moeten afgeven om de bouwvergunning te kunnen verlenen. Nadat de artikel 19-WRO-vrijstelling is verleend. In de gemeente Voorst was ten behoeve van een luchtbehandelingsinstallatie met een biofilter en composteercellen voor een afvalverwerkingsbedrijf een gedoogbesluit genomen ten aanzien van het zonder milieuvergunning in werking zijn. In dat geval moet na de vrijstellingsverlening de beslissing op de bouwaanvraag (nog) worden aangehouden. dat wil zeggen het college van burgemeester en wethouders. AB 1987. 52 Woningwet. geldt de aanhoudingsverplichting niet (zie bijvoorbeeld ARRvS (Vz. nr. Burgemeester en wethouders zijn verplicht tot aanhouden indien er sprake is van het oprichten of veranderen van een inrichting. 49). blz. Ad 3 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning in geval van milieuvergunningen Vele bouwplannen houden het oprichten of veranderen in van een inrichting waarvoor een vergunning vereist is op grond van de Wet milieubeheer. Overigens is het zo dat de procedure van art. 221) bepaalde de president van de Rechtbank te Zutphen dat een gedoogbesluit ook voor de toepassing van art.3272. oordeelt de rechter ‘dat reeds hierom twijfels bestaan of te dezen voldoende klemmende redenen voor toepassing van de anticipatieprocedure aanwezig zijn’ (voorzitter ARRvS van 20 januari 1986.93. Dan wordt er dus niet aangehouden. Indien er een voorbereidingsbesluit geldt of een bestemmingsplan in procedure is waarmee het bouwplan in strijd is. Als er strijd is met het geldende bestemmingsplan is ook nog de verklaring van geen bezwaar nodig op grond van art. enkele bouwplannen behoeven een vergunning op grond van de Kernenergiewet. Burgemeester en wethouders moeten de aanhouding meedelen aan de aanvrager. Beide verklaringen moeten dan tegelijk worden verzonden (bekendgemaakt) aan de aanvrager. BR 1994.93. blz. nr. Er mag niet worden aangehouden: – als de bouwvergunning geweigerd moet worden (art. Indien namelijk volstaan kan worden met een melding op grond van de Wet milieubeheer. De beslissing op de aanvraag bouwvergunning voor de genoemde bouwplannen – het betreft bedrijven – moet worden aangehouden.

doen zij dat niet. Burgemeester en wethouders moeten aanhouden totdat met het saneringsplan is ingestemd door het volgens de Wet bodembescherming bevoegde gezag dan wel door dat gezag is vastgesteld dat geen sanering nodig is. De aanvrager doet er verstandig aan zijn aanvraag bouwvergunning aan te passen. Omdat de aanhouding alleen mag plaatsvinden als er geen weigeringsgrond voor de bouwvergunning is. Hij kan het dus niet uitvoeren. zenden aan het andere bestuursorgaan. 52 lid 5). is de aanhoudingsbeslissing van rechtswege genomen (art. ook al kan en is er geen onderzoeksrapport gevraagd. Ad 4 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning in geval van bodemverontreiniging Bij subsubparagraaf 5. Aldus kan worden voorkomen dat ook bij een lichte bouwvergunning wordt gebouwd op verontreinigde bodem.5. eindigt de aanhoudingstermijn voor de bouwvergunning nadat er zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van die beschikking ter inzage is gelegd. Er moet eveneens worden aangehouden als uit andere hoofde een vermoeden bestaat van ernstige verontreiniging. is de bouwvergunning van rechtswege verleend (art. Het saneren van de bodem is immers moeilijk en kostbaar als er al gebouwd is. Dat is voor de aanvrager een probleem. de bouwvergunning alleen nog maar verleend worden. Als de aanvrager geen gebruikmaakt van de mogelijkheid om een gewijzigde aanvraag in te dienen. 52 lid 4). Mocht achteraf blijken dat de bouwaanvraag in strijd is met het bestemmingsplan – bijvoorbeeld doordat Gedeputeerde Staten niet bereid zijn voor een bestemmingsplanvrijstelling de vereiste verklaring van geen bezwaar af te geven – dan leidt overschrijding van de vijfwekentermijn (die termijn is nu vier weken) er niet toe dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend (ABRvS van 13 augustus 1998. 52a lid 1 Woningwet). De beslissing op een aanvraag om lichte bouwvergunning kan aldus worden aangehouden. Hij krijgt dan nog vijf weken de tijd om zijn bouwplan aan te passen en gewijzigd in te dienen (art. Indien burgemeester en wethouders niet zelf het bestuursorgaan zijn dat op de aanvraag milieuvergunning moet beslissen. 202). Dus als een milieuvergunning is gegeven en tegen het ontwerp van de milieuvergunning geen bedenkingen zijn ingebracht en de definitieve vergunning gelijk is aan het ontwerp. Als een ander bestuursorgaan bevoegd is te beslissen op de aanvraag milieuvergunning. zoals uit een opgestelde bodemkwaliteitskaart.7 is reeds vermeld dat burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning moeten aanhouden als uit het over te leggen onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ter plaatse van het bouwwerk ernstig verontreinigd is. AB 1999. Binnen vier weken na de beëindiging van de aanhouding van de bouwvergunning verlenen burgemeester en wethouders de bouwvergunning. dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend. 52 lid 3 Woningwet). bouwvergunning en hun brief waarin zij de aanvrager in de gelegenheid stellen een gewijzigde aanvraag in te dienen. Indien burgemeester en wethouders niet binnen die vier weken beslissen. moeten zij afschriften van hun aanhoudingsbeslissing. omdat hij dan bouwvergunning heeft voor een ander plan dan waarvoor hij de milieuvergunning heeft. Burgemeester en wethouders moeten binnen vijf weken op de gewijzigde aanvraag beslissen. Binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding delen burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede. kan na de beslissing op de aanvraag milieuvergunning. Dat levert overigens voor het bestuursorgaan een handhavingsprobleem op.De aanhoudingstermijn voor de bouwvergunning eindigt als duidelijk is hoe het met de milieuvergunning zal aflopen. Indien burgemeester en wethouders niet binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag tot de aanhouding hebben besloten en er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging volgens de Wet bodembescherming. indien tegen het ontwerp van de milieuvergunning geen bedenkingen zijn ingebracht en de definitieve vergunning gelijk is aan het ontwerp. 42 5 Woningwet . De milieuvergunning kan ertoe leiden dat de aanvraag bouwvergunning gewijzigd moet worden. is de bouwvergunning van rechtswege verleend (art. ofwel indien binnen die zes weken een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en op dat verzoek is beslist met ingang van de dag na die waarop op dat verzoek is beslist.2. eindigt de aanhouding op de dag waarop burgemeester en wethouders een afschrift van de beschikking van het andere bestuursorgaan hebben ontvangen.

is de vergunning van rechtswege geweigerd (art.Ten gevolge van de instemming met het saneringsplan kan het nodig zijn het bouwplan te wijzigen. 54 Woningwet). De bouwvergunning moet worden geweigerd als de monumentenvergunning niet is verleend (art.5. Een weigering van de vrijstelling leidt ook tot weigering van de bouwvergunning. Ad 6 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning bij monumenten Bouwvergunningen voor bouwplannen aan monumenten zijn afhankelijk van de beslissing op de aanvraag monumentenvergunning. Gedacht kan worden aan experimentele bouw. 52a lid 4 Woningwet). De beslissing op de aanvraag bouwvergunning voor een dergelijk bouwplan moet worden aangehouden totdat de vergunning overeenkomstig de Wet ziekenhuisvoorzieningen onherroepelijk is verleend (art. 5. Als zij niet tijdig beslissen en de monumentenvergunning is verleend. Binnen twee weken na beëindiging van de aanhouding moeten burgemeester en wethouders dit meedelen aan de aanvrager en hem vijf weken de gelegenheid bieden een gewijzigde aanvraag in te dienen. Hier geldt dezelfde regeling als genoemd bij ad 3 ten aanzien van termijnen en wijzigingen van het bouwplan ten gevolge van een wijziging van de vergunning op grond van deze twee wetten. Ad 7 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning in geval het gewenst is dat de minister een vrijstelling van het Bouwbesluit geeft In bijzondere gevallen geeft de minister vrijstelling van bepalingen van het Bouwbesluit (art. de bouwvergunning 43 . een vergunning tot het wijzigen van een monument op grond van de Monumentenwet 1988. indien beroep is ingesteld. Aanhouden van de beslissing op de aanvraag bouwvergunning geeft dan aan de aanvrager bouwvergunning de tijd om de vrijstelling bij de minister aan te vragen en aan de gemeente om daarbij aan de minister mee te delen dat de bouwvergunning na de vrijstelling wordt verleend. – Indien tegen het besluit binnen zes weken na de bekendmaking beroep is ingesteld: met ingang van de dag na de dag waarop het verzoek van de vergunninghouder om de opschorting van dat besluit op te heffen. 54 lid 4 en 5). is de bouwvergunning van rechtswege verleend (art. moet de beslissing op de aanvraag bouwvergunning worden aangehouden (zie art. De aanhouding van de beslissing op de bouwaanvraag eindigt als volgt: – Indien tegen het besluit op de aanvraag monumentenvergunning geen beroep is ingesteld: met ingang van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de bekendmaking van dat besluit. Is vrijstelling verleend. 55 Woningwet). De aanhouding eindigt op de dag volgende op die waarop burgemeester en wethouders een afschrift van de beslissing op het vrijstellingsverzoek hebben ontvangen (art.of twaalfwekentermijn te beslissen op de aanvraag en te weigeren wegens strijd met het Bouwbesluit. is de bouwvergunning van rechtswege verleend (art. Als de aanvrager daarvan geen gebruikmaakt. 53 lid 2 Woningwet). Indien zij nalaten de mededeling te doen. 55 lid 2 Woningwet). Volgens art.2 Regels voor nieuwbouw. De president van de rechtbank of de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan deze schorsende werking op verzoek opheffen. Ad 5 Het aanhouden van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning in geval van ziekenhuisvoorzieningen Sommige bouwplannen mogen pas gerealiseerd worden als er een vergunning is verleend op grond van de Wet ziekenhuisvoorzieningen. Door de aanhouding hoeven burgemeester en wethouders dan niet binnen de zes. moet hij aan de president van de rechtbank of de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken om opheffing van de opschortende werking van het beroep. is toegewezen. 16 lid 7 Monumentenwet wordt de werking van de monumentenvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn van een beroep tegen de monumentenvergunning is verstreken of. Als dus een bouwer een monumentenvergunning krijgt waartegen bezwaar of beroep wordt ingesteld. 55 lid 6). Binnen twee weken na de beëindiging van de aanhouding moeten burgemeester en wethouders over de bouwvergunning beslissen en van de beëindiging van de aanhouding mededeling doen. op het beroep is beslist. dan moet de vergunning worden verleend. Bij honorering van dat verzoek mogen burgemeester en wethouders de beslissing op de bouwaanvraag niet langer aanhouden. Burgemeester en wethouders verlenen dan na de beëindiging van de aanhouding de vergunning en doen mededeling van de beëindiging. Zolang niet over de monumentenvergunning is beslist. 44 lid e Woningwet).

19 lid 2 en 3 mogen burgemeester en wethouders zelf beslissen of zij de weigeringsgrond opheffen. kan de vrijstelling zelfs gegeven worden als er geen voorbereidingsbesluit geldt of geen bestemmingsplan in procedure is gebracht.6. de weigeringsgrond voor de bouwvergunning. Burgemeester en wethouders staan dus onder toezicht van Gedeputeerde Staten om de weigeringsgrond voor de bouwvergunning op te heffen indien het bouwplan valt in de categorie van art. 19 WRO In subsubparagraaf 5. Burgemeester en wethouders kunnen zelfstandig de aanhoudingsplicht doorbreken – indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan. Bij de categorieën van art. mag dan ook alleen gebeuren nadat Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven.13 is bij ad 1 de eerste omstandigheid genoemd waaronder de beslissing op een aanvraag bouwvergunning moest worden aangehouden: er is een voorbereidingsbesluit in werking getreden of een nieuw bestemmingsplan in procedure gebracht. omdat het bouwplan past in de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. is het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan een ontwerp voor een herziening. Het komt veelvuldig voor dat aanvragen bouwvergunning worden ingediend die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan en in overeenstemming zijn met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met het in ontwerp ter inzage gelegde nieuwe bestemmingsplan. Bij dergelijke bouwplannen kan er geen sprake zijn van aanhouden. Om een bouwvergunning te kunnen verlenen. omdat er een weigeringsgrond is: het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan.2. In dat geval houden dus Gedeputeerde Staten toezicht door middel van deze verklaring van geen bezwaar. 19 lid 1 WRO. 19 lid 1 WRO. 19 lid 1 WRO kunnen burgemeester en wethouders (indien hun die bevoegdheid is gedelegeerd door de gemeenteraad) vrijstelling verlenen van een geldend bestemmingsplan nadat Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven. Dat doorbreken van de aanhoudingsplicht kunnen burgemeester en wethouders zelfstandig doen dan wel onder toezicht van Gedeputeerde Staten.2.4. 50 lid 6 Woningwet en één op grond van art. Indien het bouwplan in strijd is met het toekomstige plan en ook in strijd is met het geldende bestemmingsplan. bijvoorbeeld in geval er toezeggingen zijn gedaan die niet worden nagekomen. Indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan. 19 lid 1 WRO te kunnen geven en aldus de strijdigheid met het geldende plan. op te heffen.) Het aanhouden kan alleen plaatsvinden als de vergunning niet geweigerd moet worden. 19 lid 1 WRO.) Besproken is dat de aanhoudingsplicht doorbroken kan worden. dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid (art. daarvoor gelden dezelfde voorwaarden als bij de vrijstelling van art. Op grond van art. moet in veel gevallen echter niet alleen de weigeringsgrond worden opgeheven: ook de aanhoudingsplicht op grond van art. (Als er reeds een bestemmingsplan geldt. Het geven van vrijstelling van een geldend plan. De aanvraag om een verklaring van geen bezwaar kan alleen door de gemeente worden gedaan (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 maart 1998.2. 50 lid 4 Woningwet).14 De anticipatieprocedure en de samenhang met art. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht een dergelijke anticipatieprocedure te voeren.5. (Anderzijds kunnen er omstandigheden zijn waarin burgemeester en wethouders door de rechter kunnen worden gedwongen de procedure te voeren.5.5. zijn er dus van Gedeputeerde Staten twee verklaringen van geen bezwaar nodig: één op grond van art. Na vaststelling door de gemeenteraad moet het bestemmingsplan door Gedeputeerde Staten worden goedgekeurd. Het in procedure brengen begint door het ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage te leggen. AB 1998. Zie over dit onderwerp subsubparagraaf 4. Indien het bestemmingsplan niet ouder is dan tien jaar. 50 lid 1 Woningwet moet worden doorbroken als die de vergunningverlening in de weg staat. 317). kunnen burgemeester en wethouders de aanhoudingsplicht doorbreken na een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten. De verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten dient er dus voor om de vrijstelling van art. 44 5 Woningwet .

geen voorbereidingsbesluit.– indien (art. 19 lid 3 WRO en 20 Bro. de welstandseisen en dat er geen andere vergunning (zie ad 1 tot en met ad 6) benodigd is. Tegen de verlening van de verklaring van geen bezwaar kan niet apart bezwaar gemaakt worden. 44 WW) Overige bouwplannen 1 Geen geldend bestemmingsplan. 44 WW) 5 Weigeren (art. Er is geen beschermd stads. waarmee het bouwplan in strijd is Vergunnen (art. Meestal zijn er toch bestemmingsplannen van kracht. 44 WW) Aanhouden (art. Tegen de weigering van een verklaring van geen bezwaar kan wel apart bij Gedeputeerde Staten bezwaar worden gemaakt. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. 50 lid 5 WW) Vergunnen (art. waarmee het bouwplan in overeenstemming is 5. of bouwplan valt onder de provinciale categorie van art. 44 WW) Aanhouden (art.5. Als een bestemmingsplan ontbreekt. waarmee het bouwplan in strijd is Geldend bestemmingsplan. In het volgende schema wordt ervan uitgegaan dat het (bouwvergunningplichtige) bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. 50 lid 4 WW) Aanhouden (art. b een geval als bedoeld in art. 44 WW) of verlenen vrijstelling (art. 50 lid 4 WW) 3 Aanhouden (art. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. 45 (de bouwvergunning met de instandhoudingtermijn). wel voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure. Het is voor gebieden binnen de bebouwde kom niet verplicht om een bestemmingsplan vast te stellen. aanhouden en weigeren Bestemmingsplan voor het gebied van het bouwplan Bouwplan valt onder categorie kruimelgevallen van art. Bouwplan is daarmee in overeenstemming Geen geldend bestemmingsplan. 50 lid 6 WW) Aanhouden (art.2 Regels voor nieuwbouw. 50 lid 6 Woningwet) het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft: a een bouwvergunning als bedoeld in art. moet aan de hand van de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening bepaald worden op welke plaats gebouwd mag worden (rooilijnen) en tot welke hoogte. 19 lid 2 WRO. 40 WRO. de bouwverordening. waarmee het bouwplan in overeenstemming is Geldend bestemmingsplan. wel voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. geen bestemmingsplan in procedure Geen geldend bestemmingsplan. 19 lid 2 of 3 WRO) en vergunning (art. 44 WW) 2 Aanhouden (art. 50 lid 4 WW) 6 Geldend bestemmingsplan waarmee het bouwplan in overeenstemming is. 44 WW) 4 Vergunnen (art. de bouwvergunning 45 . 19 lid 2 of 3 WRO. 50 lid 4 WW) Weigeren (art. 44 WW) of verlenen vrijstelling (art. leefmilieuverordening of een nimby-vrijstellingsverzoek op grond van art. Een eventueel bezwaar tegen de verlening van de verklaring moet tegelijk gemaakt worden met het bezwaar dat tegen de bouwvergunning wordt ingediend.of dorpsgezicht. Het bezwaarschrift moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. en een voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure. Schema bouwvergunning. 19 lid 1 WRO) en vergunning (art. vergunnen. of bouwplan betreft een tijdelijk bouwwerk Vergunnen (art.

Voor anticipatie is echter geen plaats indien het gemeentebestuur niet werkelijk voornemens is om (binnen afzienbare tijd) een nieuw planologisch regime tot stand 46 5 Woningwet . waarmee het bouwplan in overeenstemming is Geldend bestemmingsplan waarmee het bouwplan in overeenstemming is en een voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure. de bouwverordening opzij zet. 410) weer duidelijk gemaakt dat het nieuwe bestemmingsplan. De Afdeling stelt dat het nieuwe plan de bouwverordening al opzij zet vóórdat burgemeester en wethouders het bouwplan toetsen aan art. 19 lid 2 of 3 WRO) en vergunning (art. Als een bouwplan wordt ingediend dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Als een gemeentebestuur wel verklaart dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. waarmee het bouwplan in strijd is Geldend bestemmingsplan waarmee het bouwplan in strijd is en een voorbereidingsbesluit of in procedure zijnd bestemmingsplan waarmee het bouwplan in strijd is Weigeren (art. Burgemeester en wethouders van Loenen hadden een bouwvergunning en een artikel-19-WROvrijstelling gegeven voor de bouw van een garage waarvan een buurman veel hinder had. 19 lid 2 of 3 WRO) en vergunning verlenen (art. De vraag doet zich voor hoe gehandeld moet worden als het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan én ook met de bouwverordening (bijvoorbeeld omdat een achtergevelrooilijn wordt overschreden). geen vervolg op gekomen. 50 lid 6 WW) Aanhouden (art. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 mei 1996 (AB 1996. 44 WW) of vrijstelling (art. 335) vernietigde de Afdeling een uitspraak van de rechtbank die de gemeente Loenen in het gelijk had gesteld. het bestemmingsplan. komt de verleende vergunning en de artikel-19-WRO-vrijstelling in gevaar. 50 lid 4 WW) 8 Aanhouden (art. bestaat de mogelijkheid dat een bouwplan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan maar wel met die bepalingen van de bouwverordening. 50 lid 5 WW) 9 Weigeren (art. Daarom kan een dergelijke strijd met de bouwverordening ook niet meer leiden tot een weigering bouwvergunning. waarin de toetsing aan de bouwverordening is opgenomen. maar vervolgens geen enkele actie onderneemt. 19 lid 1 WRO) en vergunning (art. moet óf de bouwverordening worden gewijzigd (bijvoorbeeld toevoeging van een vrijstelling) óf het bestemmingsplan worden herzien. 9 lid 1 Woningwet luidt: voorzover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het betreffende bestemmingsplan. 44 WW) of verlenen vrijstelling (art. In hoger beroep zei de Afdeling: ‘De Afdeling overweegt dat in beginsel kan worden geanticipeerd op basis van de enkele verklaring van de gemeenteraad dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Voorwaarde is wel dat het nieuwe plan ‘reeds voldoende concreet is en redelijkerwijs te verwachten valt dat dit plan onherroepelijk zal worden’. 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. De gemeenteraad had verklaard dat een bestemmingsplan werd voorbereid (een voorbereidingsbesluit genomen). 50 lid 1 WW) of vergunnen (art. Van de bouwverordening kan alleen op grond van de bouwverordening zelf vrijstelling worden gegeven. Indien burgemeester en wethouders voor dat bouwplan bouwvergunning willen geven. Ondanks de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten en de uitspraak van de rechtbank werd de gehinderde buurman in het gelijk gesteld. moet worden aangepast zodat voor het bouwplan daarna alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Anticipatie houdt in het vooruitlopen op een nieuw bestemmingsplan. 44 Woningwet. maar daar was. Als de voorschriften van een bestemmingsplan ruimte laten voor de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening en beide regelingen dus gelden. 50 lid 4 WW) Weigeren (art. Een bouwplan kan een signaal aan de gemeente zijn dat de regeling. ook al geldt het nog niet. blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing. 44 WW) of verlenen vrijstelling (art. 50 lid 5 WW) Art. zoals veel voorkomt. 44 WW) of vrijstelling (art.7 Geldend bestemmingsplan waarmee het bouwplan in strijd is en een voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure. 50 lid 6 WW) Weigeren (art. 19 lid 1 WRO) en vergunning verlenen (art. maar in overeenstemming is met een nieuw bestemmingsplan. In de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 1997 (AB 1997. kunnen burgemeester en wethouders uiteraard aan de gemeenteraad voorstellen om het bestemmingsplan te herzien.

In dat geval mag zelfs afgeweken worden van een nieuw.of aanlegplan. 56 Woningwet luidt als volgt: ‘Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. kan de anticipatieprocedure voor het bouwplan worden gestart. waarbij op basis van de verklaringen van geen bezwaar verleende bouwvergunning is gehandhaafd. Na het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. had dienen te leiden.te brengen. De Afdeling stelt vast dat bij het nemen van het voorbereidingsbesluit het voornemen om het bestemmingsplan te herzien niet aanwezig was. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 september 1996 (AB 1997. een vrijstellingsmogelijkheid of een voorlopige bestemming. Er moet dan wel een zo duidelijk mogelijk beeld worden gegeven van de eindsituatie. Gedeputeerde Staten mogen alleen meewerken aan anticipatie als er sprake is van een concreet en vastomlijnd bouw. is het aan te raden in plaats van het nemen van voorbereidingsbesluiten bij bouwplannen het geldende bestemmingsplan voor een klein gedeelte te herzien. Voorts moet het toekomstige planologische regime nader zijn uitgewerkt naarmate de ingreep in de bestaande situatie ernstiger is.en aanlegplan in alle opzichten in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en de daarbijbehorende voorschriften (ARRvS van 3 juni 1987. 19 redelijkerwijze ernstig aan getwijfeld moet worden of het plan op het van belang zijnde onderdeel geldend zal worden.’ 5. deelt in de strijd met evengenoemd wetsartikel. zulks vanwege de bij de herziening van bestemmingsplannen te stellen prioriteiten en het gebrek aan financiële en personele capaciteiten. Dat is anders als er ten tijde van het besluit tot toepassing van art.15 Voorwaarden aan de bouwvergunning Art.’ In redelijkheid hadden burgemeester en wethouders niet kunnen komen tot het voeren van de anticipatieprocedure. 19 lid 1 WRO.of wijzigingsbevoegdheid. 4a lid 8 WRO. Het bestreden besluit. Burgemeester en wethouders zullen zelf moeten nagaan of Gedeputeerde Staten op de juiste wijze hebben besloten.2 Regels voor nieuwbouw. De anticipatie. opgenomen in het streekplan. 19 lid 1 WRO vrijstelling verlenen. Zoals besproken kunnen burgemeester en wethouders indien het bestemmingsplan jonger is dan tien jaar. Gemeentebesturen kunnen zich deze lijdensweg besparen door de bestemmingsplannen tijdig te herzien. zonder voorbereidingsbesluit of bestemmingsplan in procedure op grond van art. tot toepassing van de afwijkingsprocedure. Een dergelijk plan maakt een verantwoorde planologische toetsing mogelijk en stelt Gedeputeerde Staten in staat vast te stellen of het bouw. Vóór 3 april 2000 kon alleen geanticipeerd worden op het toekomstige bestemmingsplan als er sprake was van ‘overeenstemming met het toekomstige bestemmingsplan’. 19 lid 1 en 4 WRO en de bouwvergunning gegeven worden als de ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ beschikbaar is die wordt bedoeld in art. de bouwvergunning 47 . Vaststaat dat Gedeputeerde Staten de verklaringen van geen bezwaar met het oog op de te verlenen bouwvergunning hebben afgegeven zonder dat zij de in het streekplan opgenomen afwijkingsprocedure hebben gevolgd. 50 lid 5 Woningwet) Anticipatie is niet uitgesloten voor bestemmingsplannen met een uitwerkings. Een gemeente die een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten vraagt en verkrijgt. moet voldoen.en artikel-19-procedure kunnen ook worden gebruikt in het geval waarin tegen het besluit tot goedkeuring van Gedeputeerde Staten beroep bij de Afdeling aanhangig is. Na 3 april 2000 kan de vrijstelling van art. Een ontwerpherziening van het bestemmingsplan was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voorhanden en een dergelijke herziening viel. hetgeen weinig tijd hoeft te kosten. 4) blijkt dat Gedeputeerde Staten van Zeeland een verklaring van geen bezwaar hadden afgegeven voor een bouwplan dat een wijziging ten opzichte van het streekplan inhield die alleen was toegestaan als daarvoor een speciale in het streekplan aangegeven wijzigingsprocedure was gevolgd: ‘De Afdeling komt tot het oordeel dat de onderhavige inbreuk op het streekplan. ondanks zijn in zekere zin incidenteel karakter. Aandacht moet natuurlijk worden geschonken aan de samenhang van de nieuwe stedenbouwkundige regeling en situatie. nog niet geldend bestemmingsplan (art. blijkens het bij de rechtbank ingediende verweerschrift.5. is niet van haar verantwoordelijkheid bevrijd. AB 1988.’ 5.5.2. De beslissing van Gedeputeerde Staten is in strijd met art. ook niet op korte termijn te verwachten. Omdat een integrale herziening van bestemmingsplannen veel tijd en geld kost. 293).

Van het bestemmingsplan was vrijstelling gegeven met behulp van art. de voorwaarde dat aan de gemeente een geldbedrag moet worden betaald. moet nagegaan worden welke bedoelingen het bestemmingsplan heeft. De Afdeling vond dat burgemeester en wethouders aan de regelgeving (Woningwet en bouwverordening) niet de bevoegdheid konden ontlenen om te bepalen dat door de ontvanger aan de woningen van derden voorzieningen moesten worden aangebracht. Burgemeester en wethouders van Texel hadden bouwvergunning verleend voor het maken van een kap op een woning.of luchttoetreding krijgt of de werking van schoorstenen en ventilatiekanalen wordt belemmerd. Burgemeester en wethouders mogen bijvoorbeeld aan een bouwvergunning een bepaalde technische voorwaarde verbinden om aan een Bouwbesluiteis te voldoen of bijvoorbeeld de voorwaarde stellen dat een bouwwerk alleen mag worden gerealiseerd als privaatrechtelijk de toestemming is verkregen om aansluitingen op nutsleidingen aan te brengen. Het bestemmingsplan wordt gemaakt met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Binnen de ruimte die burgemeester en wethouders hebben. energiezuinigheid en milieu. 209) zegt de Afdeling: ‘In het geding is het aan de artikel-19-WRO-vrijstelling verbonden voorschrift dat de bewoning van de woning in een naburig pand binnen één maand na het gereedkomen van de nieuw te bouwen bedrijfswoning dient te worden gestaakt en gestaakt te blijven (…). 19 WRO. ‘Gebleken is’. bijvoorbeeld de voorwaarde om de bewoning van een bepaald pand blijvend te staken. gezondheid. op/aan/in de nader te noemen (buur)woningen – in overleg met de betrokken eigenaren/bewoners – de volgende voorzieningen worden aangebracht: (…). Volgens de bouwverordening is het verboden zodanig te bouwen dat een bestaand deel van het bouwwerk of een ander bouwwerk niet meer voldoende licht. Vaststaat dat het van belang zijnde bestemmingsplanvoorschrift waarvan vrijstelling is verleend ondermeer dient om toename van het aantal niet agrarische woningen in het buitengebied tegen te gaan. het Bouwbesluit bijvoorbeeld met het oog op veiligheid. kan niet geacht worden te strekken tot bescherming van de belangen ten behoeve waarvan het artikel in de bouwverordening is gegeven. Gelet hierop is niet in te zien dat appellanten met voornoemd voorschrift treden buiten de beperkingen die de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan het verbinden van een dergelijk voorschrift stelt. is verboden. In de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 1996 (AB 1996. De regelingen moeten geïnterpreteerd worden door burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit met dit standpunt bekend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State accepteerde de voorwaarde niet (21 juni 1994. Om te toetsen of een voorwaarde bij een vrijstelling van een bestemmingsplan geoorloofd is.’ Als de voorwaarde niet uitvoerbaar is. ‘dat de buren uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven het aanbrengen van deze voorzieningen thans noch in de toekomst toe te staan. Door de bouw zouden de uitmondingen van ventilatiekanalen van de buren niet meer voldoende functioneren. Het stellen van een voorwaarde waarvan bij voorbaat vaststaat dat deze niet zal kunnen worden vervuld. Burgemeester en wethouders hadden daarom in de bouwvergunning de volgende voorwaarde opgenomen: ‘Alvorens met de bouwwerkzaamheden wordt begonnen. In de gemeente Zijpe hadden burgemeester en wethouders een dwangsom opgelegd omdat een voorwaarde bij een vrijstelling niet was nagekomen. De Woningwet is niet voor dat doel gemaakt. 86).’ De voorzieningen bestonden onder andere uit het verlengen van een schoorsteen en het aanbrengen van ventilatoren. hetgeen appellanten ook beogen te bewerkstelligen door het verbinden van het betrokken voorschrift. besluit tot het opleggen van een dwangsom. zei de Afdeling. De ruimte voor interpretatie is in de regelingen aanwezig. Vaak zijn er vrijstellingen mogelijk die burgemeester en wethouders veel ruimte geven om een bepaald bouwplan als het ware te sturen. AB 1995. Indien de bedoeling is toename van het aantal niet-agrarische woningen in het buitengebied tegen te gaan – zoals veel voorkomt bij bestemmingsplannen voor het buitengebied – mag een voorwaarde bij een vrijstelling (die de bouw van een woning mogelijk maakt) gesteld worden die dat doel dient.’ De voorwaarde moet binnen het doel van de regeling blijven. wordt niet voldaan aan de eis dat de voorwaarde is gesteld ter bescherming van de belangen waarvoor de regeling is gemaakt. Behoudens bijzondere omstandigheden is het onjuist noch onredelijk te achten dat een bestuursorgaan in een geval waarin is gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en deze handeling niet kan worden gerealiseerd in het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking. door de aanvrager. 48 5 Woningwet . moeten ten genoege van het college van burgemeester en wethouders. zijn gemaakt met het oog op bepaalde doelstellingen. mogen de voorwaarden gesteld worden – facultatieve voorwaarden.De regelingen waaraan een aanvraag bouwvergunning moet voldoen. bruikbaarheid.

waarbij als datum van ontvangst volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State genomen moet worden de datum waarop het intrekkingbesluit aan de aanvrager is gezonden (bekendgemaakt) (ABRvS van 28 juni 1999. is het systeem erop gericht dat de aanvraag moet worden beoordeeld zoals ze is ingediend. De oude aanvraag wordt dan opnieuw in behandeling genomen. Intrekken van de eerste bouwvergunning is wel mogelijk zodra de tweede bouwvergunning wordt verleend. 59 lid 2 Woningwet). Burgemeester en wethouders moeten de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw binnen twee weken na de fictieve verlening daarvan schriftelijk op de hoogte stellen.2 Regels voor nieuwbouw. 5. De intrekking van een bouwvergunning is in de Woningwet geregeld. Een aanvraag om bouwvergunning die niet aan de eisen voldoet. Intrekken van een deel van de bouwvergunning is mogelijk.89. Indien niet tijdig is begonnen met de bouw. 4:8 Awb moet een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen zal hebben.5. Het is mogelijk dat op één perceel een nog niet uitgevoerde bouwvergunning betrekking heeft en ook een aanvraag bouwvergunning voor een ander bouwplan. blijkt uit de uitspraak van de ARRvS van 2 juni 1992 (nr.6112. Die omstandigheid is geen reden om de bouwvergunning in te trekken. 778). 5.17 Mededeling verlenen fictieve bouwvergunning Bouwvergunningen zijn van rechtswege verleend als burgemeester en wethouders niet binnen zes dan wel twaalf weken beslissen op de aanvraag. Er is dan sprake van een fictieve bouwvergunning.18 Intrekken bouwvergunning Burgemeester en wethouders mogen de bouwvergunning intrekken a indien blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste en onvolledige opgave van de aanvrager.16 Openbaar register In een openbaar register moeten burgemeester en wethouders (art. de bouwvergunning 49 .2. Gedeeltelijke intrekking kan juist minder ongunstig voor de belanghebbende zijn dan gehele intrekking van de vergunning. b indien blijkt dat de houder van de bouwvergunning niet aan een gestelde voorwaarde heeft voldaan. De intrekking daarvan kan ambtshalve plaatsvinden. b verleende bouwvergunningen. Indien een bouwvergunning met een instandhoudingtermijn is verleend en de voorschriften omtrent het onderhoud en gebruik niet worden nageleefd. kan een weigering bouwvergunning worden ingetrokken en de artikel 19-WRO-procedure worden ingezet. (Op deze regel zijn in het artikel enkele uitzonderingen gemaakt. d indien de werkzaamheden langer dan een in de bouwverordening bepaalde tijd hebben stilgelegen. c bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend. blz. moet worden geweigerd. 415). c indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin met de werkzaamheden is gemaakt. BR 1992. 5. Door voorwaarden kan bereikt worden dat een betere keuze wordt gedaan bij het naleven van de regeling of verzekerd wordt dat inderdaad aan de eisen zal worden voldaan.2. Ten behoeve van belanghebbenden 5. moeten burgemeester en wethouders serieus nagaan of de omstandigheden die de belanghebbende aanvoert inderdaad uitstel rechtvaardigen.) Voordat tot intrekken wordt besloten. Dat kan schriftelijk.5. Hoewel kleine wijzigingen na de aanvraag mogen worden ingediend. derhalve zonder een verzoek. Indien bijvoorbeeld na de aanvraag een bestemmingsplan in procedure is gebracht. er zijn geen speciale voorschriften over de intrekking van een weigering bouwvergunning. R03. de belanghebbende tevoren in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.De mogelijkheid om voorwaarden te stellen is niet bedoeld om aanvragen die niet aan de eisen voldoen toch in aanmerking te laten komen voor een vergunning. noodzakelijk voor een artikel 19-lid 1-WRO-procedure omdat het geldende plan ouder is dan tien jaar.5. kan de bouwvergunning worden ingetrokken (art. maar zeker bij een mogelijk conflict is een hoorzitting of gesprek aan te bevelen. AB 1999. 57 Woningwet) aantekening houden van: a aanvragen om bouwvergunning.2. Volgens art. moeten burgemeester en wethouders de belanghebbende dus in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.5.

53 lid 1 WW). maar wel dat dan aan de ruimtelijke en welstandseisen is voldaan. Beide aanvragen bouwvergunning – eerste en tweede fase – moeten op dezelfde wijze als een gewone bouwaanvraag worden gepubliceerd. of als een monumentenvergunning is vereist (art. De aanhoudingsplicht voor de aanvraag van een gewone aanvraag bouwvergunning geldt ook voor de aanvraag bouwvergunning tweede fase ingeval – een (milieu)vergunning nodig is (conform art. De toets aan de bouwverordening betreft alleen de stedenbouwkundige voorschriften. Onder andere moeten burgemeester en wethouders dit onverwijld aan de aanvrager meedelen en krijgen zij een (korte) termijn om op een gewijzigde aanvraag te beslissen. 17 of 18 gelden ook voor de aanvraag bouwvergunning eerste fase. 56a lid 8 Woningwet biedt een regeling voor het geval de beslissing op de aanvraag tweede fase leidt tot een benodigde wijziging van het bouwplan en een nieuwe toetsing over de eerste fase. 52 lid 1 WW). eenmaal kan de termijn met zes weken worden verlengd. Op de aanvraag bouwvergunning eerste fase moet binnen zes weken zijn beslist. 5. De beslissing op de aanvraag moet eveneens worden aangehouden als een voorbereidingsbesluit geldt of een bestemmingsplan in procedure is (art. 56a Woningwet wordt de mogelijkheid geboden eerst een officiële beslissing te verkrijgen over de planologische aanaardbaarheid van het bouwplan en pas daarna de (technische) vervolgaanvraag in te dienen. Art. 54 lid 1). 51 lid 1 WW). – de bodem verontreinigd is (conform art.19 Bouwvergunning in twee fasen Bij de reguliere bouwvergunning – dus niet bij de lichte – kan een gefaseerde behandeling worden gevraagd welke behandeling niet kan worden geweigerd. Burgemeester en wethouders kunnen het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend. De aanvraag om bouwvergunning tweede fase kan pas worden ingediend nadat de bouwvergunning eerste fase is verleend of de termijn daarvoor is verstreken. alsof een nieuwe aanvraag is ingekomen. of niet binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het besluit een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend. Op de aanvraag om een artikel 19-WRO-vrijstelling moeten burgemeester en wethouders als geen verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten nodig is bij een aanvraag bouwvergunning eerste fase binnen zes weken na de terinzagetermijn beslissen. d of e van toepassing is. – naar de mening van burgemeester en wethouders een ontheffing van de minister van Bouwbesluitbepaling nodig is. 52a lid 1). intrekken indien blijkt dat zij dit besluit ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben genomen. vervalt indien niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden ervan een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend. 15. 50 5 Woningwet . Het besluit waarbij de bouwvergunning eerste fase is verleend. c. De beslissingstermijnen omtrent een WRO-vrijstelling op grond van art. – een vergunning op grond van de Wet ziekenhuisvoorzieningen nodig is (conform art.is het gewenst dat het opnieuw in behandeling nemen wordt gepubliceerd. Bij niet-tijdig beslissen is de vergunning van rechtswege verleend. 44 lid 1 onderdeel b.2. het bestemmingsplan. De bouwvergunning tweede fase moet alleen geweigerd worden als het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit of de niet-stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening. De aanvraag bouwvergunning eerste fase moet aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester om welstandsadvies worden voorgelegd. is de gehele bouwvergunning van rechtswege verleend. In art. Aangenomen moet worden dat geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan als op de aanvraag eerste fase niet tijdig is beslist. Pas als op de aanvraag tweede fase niet tijdig is beslist.5.of dorpsgezicht (art. de welstandscriteria of het geval dat de benodigde monumentenvergunning niet is verleend. of dat benodigde gegevens of bescheiden voor een bouwaanvraag niet tijdig zijn overgelegd. 50 lid 1 WW) of het gebied is aangewezen als beschermd stads. dat wil zeggen in strijd met de bouwverordening. hetgeen ook geldt na de ontvangst van een verklaring van geen bezwaar – als die wel nodig is. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in art.

de bouwvergunning 51 . 8:85 Awb vervalt.5.Art. In het laatste geval eindigt de aanhouding totdat de schorsing volgens art. moet de beslissing op de aanvraag tweede fase worden aangehouden als de beslissing eerste fase is geschorst. 5. 56b Woningwet regelt onder meer de verplichte aanhouding van de beslissing op een aanvraag bouwvergunning tweede fase als tegen de beslissing eerste fase een bezwaarschrift is ingediend.2 Regels voor nieuwbouw. Indien schorsing is gevraagd bij de voorzieningenrechter.