JELLEMA 6B INSTALLATIES – WERKTUIGBOUWKUNDIG EN GAS

II

omslagontwerp Marjan Gerritse, Amsterdam vormgeving binnenwerk Peter van Dongen, Amsterdam opmaak Van de Garde, Zaltbommel tekenwerk Zanzara, Odiliapeel Veltman Bouwkundig Ontwerp- en Tekenburo, Delft De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor: Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs. Voor meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl

ISBN 90 06 95048 3 Tweede druk, tweede oplage

© ThiemeMeulenhoff, Utrecht/Zutphen, 2004 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jo het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

III

6

Bouwtechniek
Installaties
B werktuigbouwkundig en gas

Hofkes Docent Bouwkunde. Zwolle ir. Bonebakker Adviseur Bouwmanagement. Amsterdam ir. Geesteren H.. van Tol Architect. Beide sectoren leveren auteurs. van Zanten raadgevende ingenieurs. D. J. bouwmethoden en bouwproces. Haarlem en Alkmaar ing. den Hoedt Werkzaam bij Eneco. Hengeveld en Ir. maar zijn ook bereid tot het leveren van commentaar en kritiek in een voortdurende discussie tussen redactie. M. A.IV De serie Jellema Hogere Bouwkunde bestaat naast het inleidende deel uit drie reeksen boeken: bouwtechniek. Utrecht Auteurs deel 6B: Ir. Brinksma Docent Bouwkunde. Rijswijk A.J. van Zanten.v. Rotterdam .H.J. K. Zimmermann Architect.A. ’s-Gravenhage Deerns raadgevende ingenieurs b. Ook deze vernieuwde uitgave is ontstaan vanuit de noodzakelijke interactie tussen het onderwijs enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds. Flapper Bouwinnovator. Hogeschool van Utrecht. Hogeschool INHOLLAND. De redactie: ir. H. Tezamen vormt de inhoud de onontbeerlijke basiskennis voor het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. N. auteurs en het onderwijs. Amsterdam ir.

jellema-online.jellema-online.V Serieoverzicht JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE 1 Inleiding Bouwnijverheid 2 Bouwtechniek Onderbouw 7 Bouwmethoden Bouwmethodiek 10 Bouwproces Ontwerpen 3 www.nl Bouwtechniek Draagstructuur 8 Bouwmethoden Woningbouw 11 Bouwproces Contracteren 4 www.nl Bouwtechniek Omhulling A prestatie-eisen / daken 9 Bouwmethoden Utiliteitsbouw 12 Bouwproces Uitvoeren A techniek 4 Bouwtechniek Omhulling B gevels 12 Bouwproces Uitvoeren B organisatie 4 Bouwtechniek Omhulling C gevelopeningen 13 Bouwproces Beheren 5 Bouwtechniek Afbouw 6 Bouwtechniek Installaties A elektrotechnisch en sanitair 6 Bouwtechniek Installaties B werktuigbouwkundig en gas 6 Bouwtechniek Installaties C liften en roltrappen .

Daarna wordt het bouwfysisch gedrag van bouwwerken behandeld met de factoren die dit bouwfysisch gedrag beïnvloeden.q.VI Woord vooraf De omhulling van een gebouw moet het interieur zo goed mogelijk beschermen tegen de wisselende klimaatinvloeden van buiten. moeten worden voorzien door de klimaatregelingsinstallaties. koude. In tekorten c. Omdat de kantoorindelingen thans aan ingrijpende veranderingen onderhevig zijn. maar vooral om de plaatsingsruimten van de gasverbruikstoestellen (cv-ketels en warmwaterbereidingstoestellen). Het hoofdstuk eindigt met de mogelijkheden te tonen van verschillende energiebesparingsinstallaties. Hoofdstuk 14 behandelt de gasinstallaties. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de mogelijke installatieconcepten voor voornamelijk gebouwen met een kantoorfunctie en eindigt met de bespreking van de energiebalans en de energieprestatie. die onderling op elkaar zijn afgestemd. De behagelijkheid van de vertrekken wordt vooral bepaald door de keuze en plaatsing van de eindapparaten en de regeling middels de regelsystemen. Deze hoofdstukken zijn geschreven door auteurs die werkzaam zijn bij adviesbureaus die dagelijks bij deze problematiek zijn betrokken. enzovoort. De auteurs mei 2004 . moeten de technische installaties voor de nodige aanvullingen zorgen. Het gebouw en de klimaatregelingsinstallaties moeten zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd waarbij een zo laag mogelijk energiegebruik uitgangspunt moet zijn. vocht. Hoofdstuk 12 behandelt de klimaatregelingsinstallaties en geeft voornamelijk voor kantoorgebouwen de mogelijkheden van de toepasbare installatieconcepten. worden in hoofdstuk 13 enkele bijzondere concepten besproken. zowel wat betreft gebouwontwerp als installatieconcept. Van belang hierbij is een goede toevoer van de benodigde verbrandingslucht en een veilige onbelemmerde afvoer van verbrandingsgassen. In hoofdstuk 11 wordt besproken hoe het evenwicht tussen gebruikerseisen en energiegebruik kan worden gevonden. overschotten aan warmte. Voorzover dit met bouwkundige voorzieningen niet mogelijk is. Het gaat hier niet alleen om de dimensionering en de aanleg van de gasleidingen.

2 Invloedsfactoren op energiegebruik en GTO-uren 22 11.1.7.3 Gebouwconcepten 10 11.4.5.7 Actieve fotovoltaïsche zonne-energie 85 12.6 Energiebalans en energieprestatie 25 11.7.1 Dynamische kantoren 90 13.3 Kantoorinnovatie uit kinderschoenen? 92 13.4.6 Actieve thermische zonne-energie 81 12.VII Inhoud 11 Energiehuishouding 1 Inleiding 2 11.2 Split-unit 88 12.2 Koudeopwekking 69 12.8.1 Warmteopwekking 68 12.6.4.4.6.1.4.2.6.2 Convectoren 65 12.2.2.5 Bijdrage diverse componenten in energiebalans 31 11.4 Eindapparaten 64 12.1 Gebruikerseisen 3 11.6.7 Klimaatgevels 55 12.3 Vloerverwarming 65 12.5.6 Maatregelen ter verbetering 31 Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 32 12 Klimaatbeheersingsinstallaties 33 Inleiding 34 12.7.4.8.2 Langetermijnenergieopslag in bodem (LTEO) 76 12.5 Evenwicht tussen behaaglijkheid en energiegebruik 22 11.1.8 Keuzemotieven 57 12.4 Toegankelijkheid distributiesystemen 63 12.1 Regelinstallaties 71 12.2 Installatieconcepten 37 12.3.5 Luchttoevoer.6 Regelsystemen 71 12.2 Ventilatie op basis van constant-volumesystemen.8.2 Gebouwbeheerssysteem (GBS) 71 12.6.1 Van traditioneel naar dynamisch kantoorconcept 90 13.2 Kenmerken werktuigbouwkundige installatie 18 11.6.2.5.2 Optimaal installatieconcept 91 13.5 Bouwkundige voorzieningen.1 Principe 35 12.1.7.3. verwarming en koeling op basis van inductie-units 49 12.1 Maatstaf voor behaaglijkheid 22 11.en luchtafvoerroosters 67 12.1 Centrale verwarming.6.3 Situering eindapparaten 62 12.2 Situering kanalen en leidingen 59 12.1 Fan-coil-unit 87 12.4 Gewijzigde bouwfysische aspecten 93 13. radiatoren 40 12.6 Verwarming en koeling door middel van klimaatplafonds 53 12.5.5 Opwekkers 68 12.4 Installatieconcepten 18 11. natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer 37 12.2.2 Conditionering ventilatielucht 36 12.2.5 Ventilatie.2 Wettelijke eisen 7 11.1 Warmteterugwinningsinstallaties 74 12.1 Energiebalans 25 11.3.7 Energiebesparingsinstallaties 74 12.3.1.3 Comfort 21 11.4 Warmte/krachtkoppelingsinstallaties 79 12.3.2.en wettelijke eisen 3 11. geluid en brandkeringen 64 12.1 Bouwfysisch gedrag gebouw 10 11.1 Radiatoren 65 12.1 Streven naar evenwicht tussen eisen en energiegebruik 2 11.3 Ruimtetemperatuurregeling met centrale verwarming 73 12.2.6.4 Ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling 74 12.2 Ventilatie.1.4 Componenten energiebalans 27 11.5 Zonne-energie 80 12.3 Luchtverhitters 88 13 Bijzondere concepten 89 Inleiding 90 13.2 Gebruikers. centrale verwarming.1 Luchtbehandeling 35 12.3 Warmtepomp 79 12.8 Decentrale installaties 87 12.1 Functies werktuigbouwkundige installatie 18 11.7.3 Distributiesystemen 58 12.2 Op weg naar energie-nul-gebouw 93 .4 Ventilatie.3 Energiebalans analoog aan NEN 2916 26 11.4 Plafondverwarming 67 12. verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsystemen 45 12.3.6.7.2.2.4.4.6.2 Energieprestatiecoëfficiënt (EPC) 26 11.1 Situering technische ruimte 58 12.7. verwarming en koeling op basis van variabel-volumesystemen 42 12.

5 Klimaatkamers 112 13.9 Luchttoevoer.3.1 Tracé afvoerleidingen 146 14.5 CE-markering 124 14.1 Geveldoorvoeringen 125 14.3.6 Verwarming 112 13.2.2.4.2 Aansluitingen gasverbruiks-toestellen 129 14.3.1 Instituut voor Bos.4 Voorschriften gasinstallaties 121 14.4 lnstallatietekeningen 133 14.7 Nieuwe technieken en ‘anders bouwen’ 107 13.3.1 Uitmondingen afvoersystemen voor open toestellen 151 14.3.10 Afvoerleidingen 145 14.3 Leidingaanleg (NPR 3378-5/6) 129 14.1 Calorische verbrandingswaarde 120 14.3 Hinder voor omgeving 154 Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 159 Register 161 .4.2 Uitmondingen afvoersystemen voor gesloten toestellen 153 14.1 lndeling toestellen afhankelijk van afvoer verbrandingsgassen 140 14.8.4.3.2 NEN 1078 121 14.3 Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten: nieuwbouw IBN-DLO 107 13.6.2.6.en Natuuronderzoek (BN-DLO) 107 13.3 Natuurlijke klimaatregeling 109 13.7.en aansluitleidingen 129 14.7 Koeling 112 13.2 Meterkast 127 14.3.3.5 Praktijkvoorbeeld ‘anders energiezuinig ontwerpen’ 98 13.1 Materialen en verbindingen 129 14.1 Bouwbesluit 121 14.4 Installatievoorschriften 124 14.3.3 Eigenschappen aardgas 119 14.6.10.11 Gesloten toestellen 149 14.3 Geïntegreerd ontwerpen in DUBO-tijdperk 95 13.10.6 Binnen.1 Een tijd als nooit tevoren 93 13.12 Plaats uitmondingen voor rookgasafvoersystemen 151 14.12.12.8 Sanitair 113 13.8 Opstellingsruimten in woningen 141 14.2 Binnentuinen 109 13.11.1 Afmetingen opstellingsruimten 142 14.4.4 ‘Anders ontwerpend denken’ 96 13.3 Normen 121 14.2.2.2.2 Doortocht afvoerkanalen 141 14.5.VIII 13.5 Dimensionering binnenleidingen 137 14.4 Luchtbehandeling laboratoria 110 13.10 Mens.en milieuvriendelijk 113 14 Gasinstallaties 115 Inleiding 116 14.1 Afvoerleidingen en luchttoevoerleiding voor hoogbouw 149 14.2 Geschiedenis gebouw en installaties 95 13.8 Ten slotte 107 13.2 Gasinstallatie 119 14.5.6 Minder energievraag door nieuwe technieken 105 13.3.7.3.6.6.6.2.12.en luchtafvoeropeningen 144 14.5 Gebouwaansluiting 125 14.4.7 Gasverbruikstoestellen en afvoer verbrandingsgassen 139 14.1 Plaatselijk gasdistributienet 117 14.6 Gereedmelding en beproeving 138 14.2 Materiaal afvoerleidingen 149 14.2.9 Gebruikerservaring 113 13.

ir.Energiehuishouding ir. want uitzicht. Het binnenklimaat moet geschikt zijn voor de activiteiten die de mens beoogt te verrichten. van Zanten. D. koude en warmte. wind. J. De beschutting tegen het buitenklimaat mag niet absoluut zijn. om zich te beschutten tegen regen.J. .H. Naast beschutting en geschiktheid wordt het binnenklimaat bepaald door wensen ten aanzien van behaaglijkheid en comfort. Hengeveld 11 Al eeuwenlang heeft de mens er behoefte aan een ruimte te scheppen die is afgescheiden van het buitenklimaat. daglicht en contact met buiten dragen onlosmakelijk bij aan het menselijke welbevinden.

en installatieontwerp moeten op elkaar worden afgestemd om een gebouw te krijgen met een goede warmtehuishouding. wat het binnenklimaat beïnvloedt. Door de ramen verdwijnt in de winter warmte en komt in de zomer vaak te veel zon naar binnen. hangt voor een belangrijk deel af van het ontwerp van het gebouw en de gebouwinstallatie. 11. verse lucht kunnen aanvoeren en eventueel kunnen koelen als het te warm wordt. Als er in het gebouwontwerp onvoldoende rekening wordt gehouden met de warmtehuishouding van het gebouw. Zuinig omgaan met energie ten behoeve van het creëren van een geschikt binnenklimaat is een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bepalend voor een goed evenwicht uit oogpunt van warmtehuishouding zijn: • gebruikerseisen (gebouw moet geschikt zijn om beoogde bedrijfsproces adequaat te laten plaatsvinden).en installatieontwerp is gewenst. Er moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen enerzijds het gebruik van het gebouw en anderzijds het ontwerp en de installatie om verantwoord met energie om te gaan. Om aan de comfortwensen van de mens tegemoet te komen. dat wil zeggen. Het is duidelijk dat een zwembad meer energie gebruikt dan een goederendistributiecentrum: de functie van het gebouw bepaalt in belangrijke mate het energiegebruik. zoals verlichtingsinstallaties. het gebouw.en installatieconcept. De hoeveelheid energie die nodig is om een geschikt binnenklimaat te scheppen. zodat het van belang is zuinig met energie om te springen. Soms is die warmte gewenst. moeten er in het gebouw.2 Inleiding De mens zoekt beschutting tegen het buitenklimaat en creëert zijn eigen binnenklimaat. • wettelijke eisen. Met behulp van werktuigbouwkundige installaties kan er een behaaglijk binnenklimaat gecreëerd worden. maar gebruikt elektrische energie waarvan een deel in warmte wordt omgezet.1 illustreert dat het gebouw. De gebouwschil geeft wel beschutting.(gebouwconcept) en installatieontwerp (installatieconcept) andere keuzen worden gemaakt: er moet een evenwicht zijn tussen de eisen en het gebouw. worden er nog andere installaties in gebouwen geplaatst. wasmachines en droogtrommels. Figuur 11. met een: • behaaglijk binnenklimaat geschikt voor beoogde activiteiten. die in Nederland in de wet (in casu het Bouwbesluit) is vastgelegd. Er moeten openingen in de buitenschil aanwezig zijn om daglicht toe te laten en contact met de omgeving mogelijk te maken. Er zijn installaties nodig die kunnen verwarmen. Afhankelijk van de eisen die voortvloeien uit het beoogde gebruik (gebouwfunctie). maar staat niet garant voor een behaaglijk binnenklimaat. Installaties gebruiken energie die niet onbeperkt aanwezig is. moet de balans door de installatie weer in evenwicht worden gebracht. Apparatuur levert het gewenste comfort. maar voldoet niet automatisch aan de wens tot een geschikt binnenklimaat voor het verrichten van de beoogde activiteiten. Een gebouw met veel glas heeft in de winter een grote warmtebehoefte en in de zomer een warmteoverschot en vergt daardoor een grotere en ingewikkeldere installatie. computers. maar vooral in de zomer doet de warmteproductie van apparatuur afbreuk aan een behaaglijk binnenklimaat. • laag energiegebruik.en installatieontwerp samen het gewenste binnenklimaat moeten waarborgen. In dat geval is niet zeker of het energiegebruik ter realisatie van het gewenste binnenklimaat maatschappelijk verantwoord is of zelfs de wettelijke eisen overschrijdt. audiovisuele installaties. Integratie van het gebouw.1 Streven naar evenwicht tussen eisen en energiegebruik Het beoogde gebruik van het gebouw. ondanks de invloed van comfortverhogende apparatuur. De buitenschil van gebouwen biedt de gewenste beschutting. .

De geschiktheid voor bepaalde activiteiten wordt onder andere bepaald door het binnenklimaat wat betreft temperatuur. variërend van een woning. Beide begrippen worden beknopt uitgelegd.11 ENERGIEHUISHOUDING 3 eisen gebruiker eisen wet gebouwconcept installatieconcept Figuur 11. In figuur 11. Voor organisaties met verschillende functies ontstaan zo gebouwen met significante verschillen in het gebouwconcept en in het installatieconcept. Een opdrachtgever verlangt een gebouw waarin de beoogde activiteit kan plaatsvinden.en installatieconcept Zowel gebouwen als installaties kunnen worden ingedeeld in typen met een soortgelijk gedrag ten aanzien van de warmtehuishouding. functie imago budget behaaglijkheid bedrijfstijd bezettingsgraad eisen gebruiker eisen wet gebouwconcept installatieconcept oriëntatie glas/zonwering compactheid isolatie luchtdichtheid massa Bouwbesluit veiligheid gezondheid bruikbaarheid energiezuinig Arbobesluit Wet milieubeheer verwarming ventilatie koeling verlichting apparatuur Figuur 11. Integrale benadering is nodig om tot optimale vervulling van de eisen te komen zonder het kostenaspect uit het oog te verliezen.2 Gebruikers. gebouw. 11.1 Evenwicht tussen eisen. De warmtehuishouding van een gebouw wordt besproken aan de hand van de energiebalans van een gebouw. in dit hoofdstuk is gekozen voor twee begrippen: • behaaglijkheid uitgedrukt in gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO). gebouw. • energieprestatienormering (EPN). In het Programma van Eisen wordt vastgelegd waar de ruimten geschikt voor moeten zijn en wat de ruimtebehoefte voor elke activiteit is. • wettelijke eisen.2. zwembad.1 Gebruikerseisen Gebruikerseisen zijn privaatrechtelijk van aard. De keuze voor een type gebouw en type installatie wordt bepaald door de te stellen eisen. Aan de hand van voorbeelden wordt duidelijk gemaakt welke maatregelen in het ontwerp zinvol zijn om het energiegebruik en de behaaglijkheid te verbeteren. Wettelijke eisen kunnen leiden tot andere keuzen of maatregelen dan gebruikerseisen.en installatieconcept . terwijl aan gebruikerseisen zo goed mogelijk moet worden voldaan. immers aan wettelijke eisen moet worden voldaan. • installatieontwerp.2 zijn de meest essentiele factoren weergegeven die bepalend zijn voor: • gebruikerseisen. waarna wordt ingegaan op het verband tussen enerzijds energiegebruik en anderzijds de energieprestatienormering (EPN) en de behaaglijkheid in termen van gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO). • gebouwontwerp. Een energiebalans kan op verschillende manieren worden uitgewerkt. koelcel tot een cleanroom voor productie van computeronderdelen of een eenvoudige loods voor houtopslag.en wettelijke eisen 11.2 Essentiële factoren voor eisen. kantoorgebouw. Ze worden in het Programma van Eisen tussen partijen overeengekomen en hebben tot doel dat het gebouw zijn beoogde functie vervult.

Enkele veelvoorkomende eisen (met invloed op de warmtehuishouding) zijn: • verhoogde warmte-isolatie. • beschikbare budget. Materieel comfort Architectonische factoren mnImmaterieel comfort Fysisch-fysiologische factoren Psychologische factoren Mens intern: motivatie politieke achtergrond ervaring aandacht prestatie activatieniveau enzovoort Aantal Sociologische factoren Mens extern: Activiteit in groter verband zoals: functie hiërarchie promotiekans enzovoort Medemens. hoofdstuk 3 Sterk bepalend voor de warmtehuishouding zijn de volgende gebruikerseisen: • beoogde gebruik of gebouwfunctie.4 luchtvochtigheid en daglichttoetreding. Mogelijkerwijs verlangt de opdrachtgever een gebouw dat goed past bij het nagestreefde imago van de te huisvesten organisatie. maar ook wat betreft de aanwezigheid van voorzieningen. zoals: nationaliteit enzovoort Vorm inhoud oppervlakte structuur enzovoort kleur textuur enzovoort Klimaat temperatuur vochtigheid luchtsnelheid enzovoort nagalmtijd geluidsdrukniveau frequentieverdeling variatie in de tijd enzovoort Esthetica Geluid Inrichting plaats groot meubilair klein meubilair voorzieningen enzovoort Verlichting lichtkleur luminatieverhouding vormkwaliteit verlichtingssterkte enzovoort Zuiverheid lucht CO2-concentratie geurtjes gewenste verselucht-hoeveelheid enzovoort Figuur 11. • flexibiliteit. Uit oogpunt van exploitatiekosten is het mogelijk hogere eisen te stellen dan de wettelijke eisen. zoals telecommunicatie. een kapitaalkrachtige organisatie voor een massief gebouw met veel marmer. figuur 11. Een organisatie die openheid nastreeft. • mate van behaaglijkheid.3. figuur 11. elektraen transportvoorzieningen.3 Welbevinden mens opgesplitst in factoren . kortom. In het gebouw moet het goed werken of vertoeven zijn. ▶▶ Het opstellen van het Programma van Eisen wordt besproken in deel 10 Ontwerpen. • verbeterde luchtdichtheid.3. het moet een behaaglijk binnenklimaat hebben. heeft vaak een voorkeur voor een gebouw met veel glas in de gevel.

Warmteverlies door geleiding. door: • convectie.9 clo. Warmteverlies door verdamping vindt plaats door transpiratie en respiratie. Het gezamenlijk aandeel hiervan is laag bij een warme omgeving en hoog bij een koude omgeving. Alle vier de afgiftemechanismen zijn afhankelijk van het temperatuurverschil met de omgeving. vloeroppervlakken.4 Warmteafgifte door mens Warmteverlies door convectie (stroming) aan de omgevende lucht vindt plaats aan het buitenoppervlak van de kleding en de huid en bovendien door de ademhaling. bij kantoorwerk is de warmteafgifte opgelopen tot circa 105 W en bij sporten kan zij oplopen tot wel 800 W (bij bijvoorbeeld squash). kantoorpersoneel draagt in de zomer kleding met een thermische weerstand van circa 0. Daarnaast is verdampen (transpireren) een methode om warmte af te voeren. Warmteverlies door straling vindt plaats aan het buitenoppervlak van de kleding en de huid naar de omgevende koudere wandoppervlakken.11 ENERGIEHUISHOUDING 5 ademhaling (convectie) geleiding verdamping (transpiratie) kern 37 °C watertransport huid straling omgeving convectie (bloed) vloer geleiding convectie Figuur 11. De thermische weerstand van kleding wordt uitgedrukt in clo. De hoeveelheid warmte die een mens produceert. Op vier manieren kan een mens warmte afgeven. De warmteafgifte is afhankelijk van de mate waarin lucht warmte geleidt en die is slecht (lucht is een goede isolator). De stralingstemperatuur wijkt iets af van de luchttemperatuur. zodat er warmte afgegeven moet worden aan de omgeving. De warmteafgifte van een rustend mens bedraagt ongeveer 80 W (1. maar in de huidige context is het voldoende nauwkeurig over een verschil in luchttemperatuur te spreken. De warmteafgifte wordt beter als de lucht meer vocht bevat (betere geleiding) of als de lucht beweegt (betere convectie). maar kan bij stilzitten bijzonder onaangenaam zijn. Warmteverlies door straling is globaal gelijk aan dat door convectie.1 clo. Als de lucht te snel beweegt. . bijvoorbeeld via de voeten naar een koude vloer. is meestal in verhouding zeer gering. kleedt de mens zich dusdanig dat hij voldoende warmte over heeft om zijn lichaam op temperatuur te houden. afgifte door straling zelfs met de vierde macht van het temperatuurverschil.4. • verdamping.7 clo en in de winter van 0. • straling. Om de warmtebalans van het lichaam in evenwicht te houden. Behaaglijkheid Een mens probeert zijn lichaamstemperatuur constant te houden en moet daartoe inwendig geproduceerde warmte afgeven aan zijn omgeving. Het aandeel van de verdamping in het totale warmteverlies is juist laag in een koude omgeving en hoog in een warme omgeving. figuur 11.5 m2 huidoppervlak × 58 W). wordt de afvoer te groot. enzovoort. • geleiding. wat als onaangenaam wordt ervaren: ‘Het tocht!’. hangt af van de hoeveelheid voedsel die verbrand wordt en van de activiteiten die worden verricht. Poolkleding levert een thermische weerstand van circa 3 clo op en alleen een korte broek 0. In zeer veel situaties is er sprake van een warmteoverschot.

de luchtsnelheid. moet er warmte worden toegevoerd en in geval van temperatuuroverschrijdingen moet er warmte worden afgevoerd.5 zijn de invloedsfactoren op de behaaglijkheid van een mens weergegeven. Gebouwinstallaties zorgen voor verwarming of koeling door warm (of koud) water of lucht door de eindapparaten te pompen. De bekendste is Fanger. Met behulp van deze vergelijkingen is het mogelijk een temperatuuroptimum te bepalen afhankelijk van de verrichte activiteiten en in mindere mate van de kleding. Een bepaald aantal mensen zal altijd ontevreden zijn. mag algemeen bekend worden verondersteld. Voor gedetailleerdere informatie zie NEN-EN-ISO 7730 en ISSO-researchrapport 5. De uren waarin de temperatuur overschreden wordt. Het product wordt bepaald in die gevallen waarbij de behaaglijkheidgrenzen.5 Factoren die behaaglijkheid beïnvloeden In figuur 11. maar dit percentage moet op een acceptabel niveau liggen. de vochtigheid. Deze methode gaat uit van het adaptieve gedrag van de mens en maakt gebruik van een glijdende schaal’ voor de toelaatbare binnentemperatuur.en ondergrens van het behaaglijkheidsgebied. op zijn minst zijn er statistische beschouwingen nodig. Men kan kiezen welk percentage ontevredenen geaccepteerd wordt (het zogenaamde Predicted Percentage Dissatisfied (PPD) en daaruit volgt dan de boven. Diverse wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar de factoren die de behaaglijkheid beïnvloeden. De methode houdt zowel rekening met de in het gebouw optredende stralingstemperaturen als met de gemiddelde temperatuur. Verwarmen kost energie. uitgedrukt in een temperatuur. Door de Rijksgebouwendienst (Rgd) is de beoordelingsmethode voor thermische behaaglijkheid verder ontwikkeld tot gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO). Dat koelen van water veel energie kost. wordt dat als onbehaaglijk ervaren. Behaaglijkheid is geen fysisch begrip dat in een formule te vangen is. Naast de genoemde factoren is de behaaglijkheid ook afhankelijk van het individu: de ene mens heeft het eerder koud dan de andere. Daarmee is tevens gezegd dat er geen sprake kan zijn van een absolute behaaglijkheid. De warmtebalans van de mens is zeer complex en verkeert in een soort labiel evenwicht met het (binnen)klimaat.5. aangegeven door de PMV (Predicted Mean Vote) worden overschreden: –0. net zoals transporteren van water en lucht.6 warmteproductie mens kledingweerstand luchttemperatuur behaaglijkheid luchtsnelheid stralingstemperatuur relatieve vochtigheid Figuur 11. Als het evenwicht verstoord is. maar dat er sprake is van een optimum. het fysiek activiteitenniveau van de gebruikers en de gedragen kleding. De Rgd stelt dat het product van het percentage ontevredenen (PPD) en de tijd dat er onbehaaglijkheid optreedt constant moet zijn.5 < PMV < +0. Om de temperatuur binnen de gewenste grenzen te houden. Op het moment van schrijven is nog niet bekend op welke termijn de AGTO-methode in de normen wordt opgenomen. de luchtbeweging en de luchtvochtigheid: de zogenaamde Predicted Mean Vote (PMV). worden overschrijdingsuren genoemd. Resumerend kan worden gesteld dat het realiseren van een behaaglijk binnenklimaat energie . Een nieuwe methode ter bepaling van het thermisch binnenklimaat is in ontwikkeling: de adaptieve gewogen temperatuuroverschrijding (AGTO). die erin is geslaagd behaaglijkheidsvergelijkingen op te stellen. Daarbij is de temperatuur een zeer belangrijke parameter.

Een groeiend aantal organisaties neemt geen genoegen meer met een standaard cellenkantoor. Als de functie wijzigt.11 ENERGIEHUISHOUDING 7 kost. Een wijziging naar een andere indeling is eenvoudig aan te brengen zolang de functie van het gebouw en de bezettingsgraad (aantal m2 dat elke werknemer tot ◆ Woningwet Hierin is onder andere geregeld dat de overheid bouwtechnische eisen moet stellen (vastgelegd in het Bouwbesluit). Veelal resulteert kantoorinnovatie in een differentiatie van soorten werkplekken. ◆ Arbeidsomstandighedenwet In de Arbeidomstandighedenwet zijn de aspecten van het door de werkgever te voeren arbeidsomstandighedenbeleid opgenomen.1. Organisaties willen flexibeler kunnen opereren en verlangen een grote mate van flexibiliteit van de afbouw en de gebouwinstallaties. inblaasroosters of andere eindapparatuur is ook kostbaar. flexibele installaties ontwerpen is nog moeilijker. Daar komt bij dat de levensduur van een gebouwinstallatie rond de vijftien tot twintig jaar ligt. inblaasroosters. Onderling zijn ze door een net van leidingen of kanalen verbonden en het totaal is niet eenvoudig te veranderen. is opnieuw afstemming van de installatie op het gebouw nodig. Flexibiliteit De flexibiliteit van een gebouw wordt bepaald door de mate waarin de inbouw kan worden aangepast. Een veelvoorkomend kantoorgebouw bestaat uit een draagstructuur. Bijna alle gebouwinstallaties kennen een centrale opstelling van de machines. ◆ Arbeidsomstandighedenbesluit. wisselwerkplekken voor ambulante medewerkers. Het intensievere gebruik van de middenzone leidt tot gebouwen met een complexere installatie en een grotere breedte dan gebruikelijk. maar ook een functiewijziging hoort tot de mogelijkheden (bijvoorbeeld kantoor wordt schoolgebouw). maar streeft naar huisvesting die de veranderende werkprocessen beter ondersteunt. Deze ontwikkeling wordt wel aangeduid met de term kantoorinnovatie. ◆ Arbeidsomstandighedenwet. Bijvoorbeeld concentratiewerkplekken voor personen die enkele uren geconcentreerd willen werken. Kantoorinnovatie De invoering van informatie. terwijl de economische levensduur van de draagstructuur van het gebouw tachtig jaar bedraagt (technische levensduur zelfs meer dan tachtig jaar). zie ook paragraaf 13. Niet alleen het soort werk is veranderd. Het streven naar een transparantere bedrijfsvoering en een meer open bedrijfscultuur vertaalt zich in het veelvuldig gebruik van glas. In de verblijfsruimten bevinden zich radiatoren. een buitenschil en systeemplafonds waarin een eenvoudige installatie is aangebracht.2 Wettelijke eisen De belangrijkste wettelijke eisen zijn te vinden in: ◆ Woningwet. Een andere indeling vraagt meestal warmte of koude op een andere plaats. Uit oogpunt van kosten worden er niet snel machines met grotere capaciteit geplaatst. ◆ Bouwbesluit. maar ook eisen kan stellen voortvloeiend uit het stedenbouwkundige plan en eisen van redelijke welstand. de nieuwe technologie stelt medewerkers ook in staat het werk op verschillende plaatsen uit te voeren. . Het aanbrengen van extra radiatoren. ◆ Wet milieubeheer.1. Een gebouw redelijk flexibel ontwerpen is moeilijk. Aanpassen van de capaciteit van de machines is niet zo eenvoudig en het verleggen van leidingen is een ingrijpende klus. enzovoort. vergaderruimten en zones voor informele communicatie. de mate waarin hangt af van het type gebouw en van het type installatie. Denk bijvoorbeeld aan de situering van het gebouw op het terrein die tot een ongunstige oriëntatie ten opzichte van de zon kan leiden.en communicatietechnologie heeft het werken in kantoren drastisch veranderd. zijn beschikking heeft) niet verandert. ook in de binnenafbouw.2. Het gebouw kan dezelfde functie houden (kantoor blijft kantoorgebouw). 11.

Een voorbeeld: • grootte kantoor: geschikt voor 100 personen. Enkele begrippen worden hier nader toegelicht. 3 Daglichttoetreding • kantoren: daglichtoppervlak ≥ 2. gezondheid. zodat het zaak is een eis voortdurend op juistheid te verifiëren. Prestatie-eisen zijn vrij abstract geformuleerd. • luchtdoorlatendheid: luchtvolumestroom ≤ 0.3 · 10-3 m3/s per m2 vloeroppervlak met minimum van 13 · 10-3 m3/s.8 ◆ Arbeidsomstandighedenbesluit In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn voorschriften gegeven ten aanzien van uitzicht. ◆ Wet milieubeheer De Wet milieubeheer regelt onder andere dat er geluidzones vastgelegd zijn waarbinnen de geluidproductie een vastgelegd niveau niet mag overschrijden.5 (kantoorfunctie. • bouwer kiest bouwmethode en organisatievorm waarin hij zich heeft gespecialiseerd. • kosten gebouwen worden gereduceerd. hoofdstuk 2 In het kader van de warmtehuishouding zijn de belangrijkste vier eisen: 1 Energiezuinigheid • warmteweerstand gesloten delen: Rc ≥ 2.k ≥ L – 40 dB(A)met minimum van 20 dB (A). Grote voordelen van prestatie-eisen zijn: • vormen geen belemmering voor innovatieve producten. tenzij omhullingen van gebouwen voldoende geluidwering bezitten. • woongebouwen: GA. waarbij L de geluidbelasting op de gevel is. Deze eisen zijn afhankelijk van de functie van het gebouw. want ze beïnvloedt het bin- . Prestatie-eisen In het Bouwbesluit worden prestatie-eisen aangegeven. daglichttoetreding. is mogelijk. 2 Geluidwering gevel • kantoren: GA. Prestatie-eisen worden bij voorkeur aan het hele gebouw gesteld. • energieprestatiecoëfficiënt voor kantoorfuncties = 1. • ervaring bouwers en producenten kan in ontwerpfase worden benut.5 procent van vloeroppervlak. bruikbaarheid en energiezuinigheid. 4 Luchtverversing • kantoren: 1.20 m3/s per 500 m3. bepaald volgens de methode van de Rijksgebouwendienst ter verkrijging van een behaaglijk binnenklimaat. enzovoort. • energieprestatiecoëfficiënt EPC: bijvoorbeeld EPC ≤ 1.6). Daarmee is de relatie naar de warmtehuishouding gelegd.9 · 10-3 m3/s per m2 vloeroppervlak met minimum van 7 · 10-3 m3/s.k ≥ L – 35 dB(A) met minimum van 20 dB(A). • woongebouwen: daglichtoppervlak ≥ 10 procent van vloeroppervlak. De EPC-eisen uit het Bouwbesluit worden regelmatig bijgesteld. figuur 11. De invloed van de wettelijke eisen op de energiebalans wordt besproken aan de hand van het begrip energieprestatie zoals die in NEN 5128 en NEN 2916 is vastgelegd. • woongebouwen: 0. ter huisvesting van kantoorpersoneel.5. 5 Bouwbesluit In het Bouwbesluit zijn eisen beschreven ten aanzien van veiligheid. Er treedt een warmtestroom van binnen naar buiten op die ongewenst is.5 m2 ∙ K/W. Warmte-isolatie In de winter bezit het binnenklimaat in vrijwel alle gebouwen (koelcellen daargelaten) een hogere luchttemperatuur dan het buitenklimaat. Een prestatie-eis is een eenduidig meetbare eis met daarin opgenomen de bepalingsmethode en veelal ook het motief waarom de eis wordt gesteld. zodat er een vertaalslag nodig is van gebouwniveau naar bouwdelen. • aantal gewogen temperatuur overschrijdingsuren (GTO) = 150. Een geluidwerende gevel is tevens goed luchtdicht en beperkt de mogelijkheden tot luchtuitwisseling. bepaald overeenkomstig NEN 2916 ter beperking van het energiegebruik. voor ruimten waarin mensen verblijven. Binnen die zones kunnen bepaalde activiteiten niet plaatsvinden. ▶▶ Het Bouwbesluit wordt behandeld in deel 7 Bouwmethodiek. • eenduidige beoordeling of aan eis wordt voldaan.

◆ Straling Elk voorwerp zendt warmtestraling uit die ophoudt bij de absolute nultemperatuur van –273 K. dan moet de stralingstemperatuur van de omgeving niet al te veel verschillen van de lichaamstemperatuur. In de dagelijkse praktijk worden straling en convectie verdisconteerd in een constante waarde (overgangs. hoe groter het warmteverlies. Als er zwaar lichamelijk werk wordt verricht.11 ENERGIEHUISHOUDING 9 Gebruiksfunctie Woonfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidsfunctie • klinisch • niet-klinisch Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie • niet gelegen in logiesgebouw • gelegen in logiesgebouw Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie Energieprestatiecoëfficiënt EPC ≤ 1.v. Bij een groot glasvlak kan in de winter de glastemperatuur beneden 10 °C liggen. De warmtestroom bestaat uit drie fysische componenten: ◆ straling. die een maat is voor het warmteverlies en gelijk is aan de reciproque waarde van de warmteweerstand Rt. Hoe groter het verschil in stralingstemperatuur tussen de mens en zijn omgeving.15) en van isolatiematerialen is . De warmteweerstand van een constructie luidt in formulevorm: Rc = d + Rspouw m2 ∙ K in λ W De warmteweerstand van de constructie vermeerderd met de overgangsweerstanden (ri en re) levert de totale weerstand Rt op: de weerstand die de warmtestroom ondervindt om de constructie te passeren: Rt = ri + Rc + re m2 ∙ K = 1 in W U Meestal wordt er gewerkt met de warmtedoorgangscoëfficiënt U.5 geen eis ≤ 1. convectie genaamd. ◆ Stroming Warmtetransport vindt ook plaats door stroming van de lucht. ◆ stroming. convectie en straling. is enig warmteverlies gewenst.6 ≤ 1.2 ≤ 1. NEN 2916 NEN 2196 NEN 2916 NEN 2916 NEN 2916 Figuur 11.6 EPC-eisen voor nieuwbouw volgens Bouwbesluit 01-01-2003 nenklimaat negatief.9 ≤ 1. van hout is ze redelijk (λ = 0. De warmtegeleidingscoëfficiënt van steenachtige materialen is groot (λ = 2.9 ≤ 3.0 ≤ 2. Dit betekent dat in een gebouw de temperaturen van wanden en plafonds niet veel lager dan 10 tot 15 °C mogen liggen. ◆ Geleiding Warmtetransport door geleiding is ook een bekend verschijnsel en wordt bepaald door de dikte van het materiaal en de zogenaamde warmtegeleidingscoëfficiënt λ. die geen verdere toelichting nodig heeft.8 ≤ 3.t.4 Bepalingsmethode NEN 5128 NEN 2916 NEN 2916 NEN 2916 n.en spouwweerstand) en is de warmtegeleiding de belangrijkste factor.4 ≤ 1.4 ≤ 1. Ook het menselijk lichaam zendt straling uit en ontvangt straling van de omliggende voorwerpen.0 W/m · K).5 ≤ 1. ◆ geleiding. De warmteweerstand R van een constructie wordt bepaald door drie factoren: geleiding. Willen mensen zich behaaglijk voelen. wat als zeer onprettig wordt ervaren: door straling gaat er te veel warmte verloren naar het koude glasvlak.

Daarmee komt er door glasvlakken zonne-energie binnen die voor het overgrote deel omgezet wordt in warmte (zogenaamde broeikaseffect). In een gebouwomhulling moeten bijna altijd lichtopeningen aanwezig zijn. van belang in verband met mogelijkheid tot warmteaccumulatie (uitgedrukt in kg per m2 vloeroppervlak). Daglicht Een mens voelt zich duidelijk prettiger en maakt minder fouten bij daglicht en bij uitzicht naar buiten.040 W/m · K). In de zomersituatie kan op deze manier veel warmte naar binnen komen. maar ook om ongewenste geuren of ongewenste gassen (bijvoorbeeld het radioactieve gas radon uit de bodem) tegen te houden.0 W/m2 · K. dan wordt ze geabsorbeerd door wanden en plafonds. bijvoorbeeld houten stijlen. bij een hellend dak. 11. Zonlicht is een elektromagnetische straling met een korte golflengte die vrijwel ongehinderd door glas heen valt. Dan blijkt dat ramen en deuren (draaiende delen in gebouw) grote lekken zijn. Het gebruikelijke dubbele glas bezit een U van 3. net als de aansluitingen van de gevel op het dak en. • glasoppervlakte buitenschil. HR+. oriëntatie en toepassing zonwering (uitgedrukt in percentage glas). Wil men extra goed warmte isoleren. In de praktijk bestaat een raam ook uit kozijnstijlen met een ongunstiger warmtedoorgangscoëfficiënt. Is de zonnestraling binnen.2 W/m2 · K geldt. Uit het oogpunt van de warmtehuishouding heeft de daglichteis in de zomer een negatief effect op het binnenklimaat. meestal infiltratie genoemd. die op hun beurt straling uitzenden met een grotere golflengte die niet meer ongehinderd door het glas naar buiten kan.1 Bouwfysisch gedrag gebouw De belangrijkste componenten die het bouwfysisch gedrag van een gebouw beïnvloeden. zijn er ook ongecontroleerde luchtbewegingen door naden en kieren waardoor ook warmte verdwijnt. Luchtdichtheid In een gebouw is ventilatie nodig om ongewenste geuren en geproduceerd CO2 af te voeren. In de praktijk blijken invoeren van nutsleidingen en doorvoeringen van andere leidingen grote luchtlekken te zijn. worden in het gebouw rookpatronen aangestoken.5 W/m2 · K bezit. Ongecontroleerde luchtverliezen hebben een groter aandeel in het warmteverlies dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Om een indruk te krijgen waar de luchtlekken zitten. wat in Scandinavische landen zeer gebruikelijk is.10 ze klein (λ = 0. worden bewust aangebrachte ventilatieopeningen afgeplakt.3. waarmee een U van 1.3 Gebouwconcepten 11. wordt het gebouw op overdruk gebracht en wordt vervolgens het luchtverlies gemeten. Dit is de reden dat in het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verlangd dat er niet meer dan twee uur wordt gewerkt in een ruimte zonder daglicht. Naast de gecontroleerde beweging van lucht die via ventilatieroosters verdwijnt. Het luchtverlies door de begane-grondvloer vraagt aandacht als er een kruipruimte onder ligt.of HR++-glas ontstaat. De U-waarde is te verbeteren door dubbel glas toe te passen of speciale reflecterende coatings op de glasplaten aan te brengen. Om inzicht te krijgen in het luchtverlies door infiltratie in een gebouw. De vaak verlangde warmteweerstand Rc ≥ 3.030 tot 0. waardoor het zogenaamde HR-. omdat er in een constructie vaak delen met een ongunstiger warmtegeleidingscoefficiënt zitten. Glas is een steenachtig materiaal. zodat inclusief kozijnaandeel U = circa 4. De luchtdichtheid van de begane-grondvloer is van belang uit oogpunt van energieverlies. . is in de praktijk niet veel dikker dan 6 tot 8 mm en heeft dus een grote warmtedoorgangscoefficiënt (U = 5 W/m2 · K voor enkel glas). Met de ventilatielucht wordt ook warmte afgevoerd.1 W/m2 · K te realiseren is. Ondanks dat bij prefabricage zeer zorgvuldig en maatvast wordt gewerkt. blijken de naden tussen de elementen vaak aanleiding te zijn tot ongedacht veel luchtverlies. waardoor een raam voorzien van HR++glas een U van circa 1. zijn: • massa gebouw.0 m2 · K/W vraagt dus een minimale isolatiedikte van 120 mm en in de praktijk vaak 140 mm. dan zijn isolatiedikten van circa 200 mm nodig. de nok.

De warmtehuishouding van een gebouw wordt uitgelegd aan de hand van een berekening van de energieprestatie volgens NEN 2916 en ISSO/ SBR-publicatie 300. thermisch open verlaagd plafond (bijvoorbeeld over circa 80 procent van het oppervlak een mineraalvezelsysteemplafond). zware scheidingswanden (bijvoorbeeld 100 mm dikke kalkzandsteen) en een 200 mm dikke betonvloer afgedekt met tapijt. thermisch gesloten verlaagd plafond (bijvoorbeeld mineraalvezelsysteemplafond). lichte scheidingswanden (bijvoorbeeld een frame bekleed met gipskartonplaat) en een 200 mm dikke betonvloer met tapijt.en installatieconcept kan worden ingeschat. • interne warmtelast (uitgedrukt in W per m2 vloeroppervlak). kolommen en vloeren.en opwarmbedrijf tijdens winter Z = zwaar gebouw M = middelzwaar gebouw L = licht gebouw Figuur 11. Massa gebouw In gebouwen waarin het binnenklimaat niet zeven dagen per week en 24 uur per etmaal constant hoeft te zijn. • licht = 50 kg/m2. Gevel • zwaar: binnen.00 uur en daalt de temperatuur geleidelijk tot 18 à 16 °C. • licht: stalen kolommen en balken met bijvoorbeeld vloeren uit cellenbeton. In de winterperiode stopt de verwarming rond 17.00 tijd van de dag in uren Z M L 20 verwarmen 1 afkoelings. In het begrip energieprestatie (EP) wordt geen rekening gehouden met de behaaglijkheid van een ruimte.00 tijd van de dag in uren Z M L 2 afkoelings. • middel = 60 kg/m2. Bij de bespreking van de belangrijkste bouwfysische gedragingen van een gebouw worden de begrippen geconcretiseerd door aan te geven hoe dit aspect in ISSO/SBR 300 is verwerkt.7 Temperatuurverloop in kantoor met nachtverlaging .7 geeft voor een kantoorgebouw een zeer gebruikelijk verloop van de binnentemperatuur weer.00 12. • licht: geïsoleerd (houten) frame met een gipskarton binnenbeplating en een buitenbeplating uit metaal of een kunststofplaat. maar met een thermisch gesloten plafond. kan worden bespaard op het energiegebruik door buiten de bedrijfstijden temperatuurverlaging toe te passen.00 6.en opwarmbedrijf tijdens zomer afkoelen verwarmen 22 resulterende temperatuur in °C 22 21 20 19 18 17 16 15 17.00 24. In de zomerperiode daalt de tempeafkoelen resulterende temperatuur in °C 22 21 20 19 18 17 16 15 17.00 6. constructie identiek aan ‘middel’. • ventilatie (uitgedrukt in m3/s · m2 vloeroppervlak).11 ENERGIEHUISHOUDING 11 • compactheid gebouw (uitgedrukt in m–1.en buitenblad steenachtig (bijvoorbeeld halfsteensmetselwerk). Figuur 11. ISSO/SBR 300: gebouwindeling naar massa uitgedrukt in kg/m2 vloeroppervlak Skelet • zwaar: steenachtige wanden. reden om naast NEN 2916 ook ISSO/SBR 300 te behandelen.00 12. Inbouwpakket • zwaar = 75 kg/m2.00 24. gebouwomhullend oppervlak gedeeld door volume). ISSO/SBR 300 is een van de weinige publicaties waarin het benodigde rekenwerk al is verricht en aan de hand van tabellen de consequentie voor het gebouw.

wanden en vloeren). De binnentemperatuur varieert minder dan de buitentemperatuur amplitudedemping) en loopt in de tijd gezien achter op de buitentemperatuur (faseverschuiving). zodat het van belang is dat de vloer niet al te zwaar geïsoleerd is. de buitengevel en het inbouwpakket (steenachtige binnenwanden).8. komt een aanzienlijk deel van deze energie in het gebouw terecht.8 Invloed accumulatie op temperatuurverloop . ◆ zonwering door speciale glassoorten. Daarbij blijkt dat de temperatuur in een gebouw met zware stenen gevels en zware betonnen vloeren minder snel daalt dan in een gebouw met lichte stalen sandwichgevels. Van de massa van een gebouw kan bewust gebruik worden gemaakt om de behaaglijkheid te beïnvloeden en om het energiegebruik te reduceren. figuur 11. omdat de temperatuur dan behoorlijk constant blijft. In de winter wordt massa als aangenaam ervaren. Als er zonlicht op glas valt. Glaspercentage. Daarvoor zijn diverse maatregelen denkbaar: ◆ oriëntatie. In de zomer is dat zeer duidelijk te ervaren: de warmte die is opgeslagen in de wanden en vloeren moet worden afgevoerd en dat duurt enige dagen. een tapijt aan de bovenzijde en een plafond aan de onderzijde belemmeren ongestoorde warmte-uitwisseling. Voor de warmtehuishouding van een kantoorgebouw is de zomersituatie meestal maatgevend: de zonneenergie moet buiten worden gehouden.00 (uren) = binnentemperatuur = buitentemperatuur Figuur 11.00 24. Indirect zonlicht bevat ook warmte. oriëntatie en zonwering In Nederland bevat zonlicht maximaal 1000 W/m2 energie. ◆ Oriëntatie Door op het noorden geplaatste ramen valt nooit direct zonlicht binnen en komt alleen indirect zonlicht binnen. ◆ zonwering. het zogenaamde broeikaseffect. omdat het te warm en onbehaaglijk wordt. Overdag wordt de massa benut om de overtollige warmte in op te slaan en tijdens de nacht om deze weer af te geven. De gebouwmassa moet warmte kunnen opnemen. Van deze gratis energie kan worden geprofiteerd in de wintersituatie. Een gebouw met een grote massa blijft in de zomer lang warm en dat wordt als onbehaaglijk ervaren. Van deze massa kan gebruik worden gemaakt om de binnenluchttemperatuur geleidelijk te wijzigen. Bij zogenaamde nachtventilatie wordt ‘s zomers in de nachtelijke uren de ventilatie ingeschakeld om koele buitenlucht door het gebouw te voeren en zo de geaccumuleerde warmte af te voeren. De massa van een gebouw is vooral geconcentreerd in de draagstructuur (kolommen.00 12.12 ratuur ook. maar naar een minder lage temperatuur van circa 19 °C.00 6. maar onvoldoende om in de zomer (°C) faseverschuiving amplitudedemping 6.00 18. maar in de zomersituatie wordt er al snel hinder van ondervonden.

dat weer warmte afgeeft.70.70 0. Raam Blank enkel glas Blank dubbel glas Warmtereflecterend niet-zonwerend dubbelglas ZTA 0.9. immers de zonne-energie is al door het glas heen gevallen en veroorzaakt daar warmtestraling. is gebruikmaken van de schaduw van begroeiing of van overstekken aan het gebouw. In de zomersituatie worden op het zuidoosten en westen georiënteerde ruimten zonder maatregelen onbehaaglijk warm. Bij pal op het zuiden gerichte ruimten is de warmtebelasting door de zon geringer dan men zou denken. wat betekent dat 70 procent van de zonne-energie naar binnen komt. Door coatings aan te brengen kan de ZTAwaarde worden verlaagd tot 0. Moderne elektronica is in staat de zonwering tijdig te laten optrekken. • glasoppervlakken af te schermen door beschaduwing.80 0.en buitenbeglazing. grote kleurverschillen worden als onprettig ervaren. De laatste jaren heeft de glasindustrie grote vorderingen gemaakt en bestaan er glassoorten die een lage U-waarde combineren met een lage ZTA-waarde en een goede LTA-waarde.9 Zontoetredingsfactor ZTA volgens NEN 5128 ▶▶ Mechanische zonweringen en speciale zonwerende glassoorten worden besproken in deel 4C Gevelopeningen. Probleem is meestal dat de coatings zowel de warmte als het licht tegenhouden. Dan moet er gebruik worden gemaakt van kunstlicht. In het ontwerp is het zaak een optimum te bereiken tussen ZTA. Voor blank dubbel glas is deze factor circa 0. overstekken of buitenzonwering. wat betekent dat de binnen. • specifieke glassoorten met een lage ZTAwaarde en een goede LTA-waarde toe te passen. maar in het voorjaar kan er hinder ontstaan door frequente bewegingen van de buitenzonwering veroorzaakt door buien en fel zonlicht die elkaar snel afwisselen. wordt uitgedrukt in de zontoetredingsfactor (ZTA-waarde).en LTA-waarden. • zeer bewust om te gaan met oriëntatie glasvlakken.en buitenruit relatief ver uit elkaar geplaatst moeten worden. maar een nadeel is dat buitenzonwering snel wordt beschadigd door wind.15 bij sterk reflecterende glassoorten. Menselijke ogen hebben moeite zich in die situaties snel aan te passen en het binnenklimaat wordt dan ervaren als vermoeiend en onbehaaglijk. Een goede middenweg zijn maatregelen tussen de binnen. Dit kan gepaard gaan met een verkleining van het netto te benutten vloeroppervlak. figuur 11.11 ENERGIEHUISHOUDING 13 overlast te geven. In de winter verdwijnt door op het noorden geplaatst glas veel energie. ◆ Zonwering door speciale glassoorten Een andere mogelijkheid is het toepassen van speciale glassoorten waarbij aan de binnenzijde van de dubbele ruit een speciale laag is aangebracht die een deel van het zonlicht reflecteert. hoofdstuk 20 De gebouwontwerper beschikt over diverse mogelijkheden om tegemoet te komen aan de menselijke behoefte aan daglicht en om gelijktijdig een teveel aan zonnewarmte tegen te houden door: • zo klein mogelijke glasoppervlakken toe te passen (let op: voor kantoren geldt volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit dat het gezamenlijke oppervlak van de daglichtopeningen ten minste 1/20 van het vloeroppervlak van die ruimte moet bedragen). maar niet om de warmte uit het zonlicht te weren. ◆ Zonwering Een andere methode om zonlicht buiten te houden. omdat glas een slechte isolator is. In het vervolg worden maatregelen aan de binnenzijde dan ook aangeduid met de term helderheidswering. . De mate waarin zonne-energie wordt doorgelaten. Een permanente buitenzonwering ontstaat door voor de gevel een luifel aan te brengen bestaande uit lamellen.60 Figuur 11. Buitenzonwering reduceert het opwarmen van het binnenklimaat effectief. De meeste coatings geven een verkleuring van het daglicht. Binnenzonwering is effectief om de helderheid van het zonlicht te reguleren. omdat de zon hoog aan de hemel staat met als gevolg een geringere belasting op een verticaal vlak. De lichttoetreding wordt uitgedrukt in de lichttoetredingsfactor LTA.

912 m3 _______________________ Averlies = 0.304 m2 6.57 V Figuur 11.008 m2 1.23 V dak gevel vloer 2 Eenlaags 14.304 m2 1.920 m2 1.306 m2 576 m2 2.33 V dak gevel vloer 5 Sprongen A V 1.36 V dak gevel vloer 4 Gestapeld tot kubus 24 × 24 × 12 m A V 576 m2 1.304 m2 5.914 m2 6.4 × 40 × 12 m A V 576 m2 1.86 V dak gevel vloer 3 Gestapeld tot rechthoek 14.912 m3 _______________________ Averlies = 0.912 m3 _______________________ Averlies = 0.458 m2 6.936 m2 6.14 Bouwvorm Verliesoppervlak bij gelijkblijvend volume 1 Bol Averlies = 0.912 m3 _______________________ Averlies = 0.008 m2 3.4 × 40 × 3 m A V 2.306 m2 2.152 m2 576 m2 2.10 Compactheid gebouw: zelfde volume en verschillend verliesoppervlak Averlies .

Afzuiging via de armaturen kan de bijdrage aan de interne warmtebelasting reduceren. ◆ verlichting. De warmtebelasting wordt hierdoor gereduceerd tot circa 10 W/m2.20 en U = 3. In de praktijk resulteert dit in rechthoekige vormen met boven elkaar gestapelde bouwlagen.10-5. Ongunstig zijn veel sprongen in dak of gevel. Zij leveren een warmte van 12 tot 14 W/m2. ◆ Personen Bij licht zittend werk staat een mens ± 80 W warmte af aan zijn omgeving. Een verlichtingssterkte van 400 lux kan alleen in de nabijheid van ramen door daglicht worden gerealiseerd. In een kantoor is een bezettingsgraad van 10 m2 per persoon gebruikelijk (8 m2 per persoon komt voor). Het energieverlies kan in het ontwerp worden beperkt door de verhouding A/V zo klein mogelijk te maken.11. maar ze blijft in dezelfde grootteorde als die tengevolge van personen. de rest moet door kunstlicht worden toegevoegd. • zonwering: buitenzonwering met ZTA = 0.11 ISSO/SBR 300: interne warmtelast in kantoren Het is gebruikelijk alle warmtebelastingen terug te rekenen tot waarden per m2 vloeroppervlak. figuur 11. sluit automatisch bij totale zonbelasting van ≥ 300 W/m2. figuur 11. ◆ Verlichting In een kantoor is op het werkvlak een verlichtingssterkte van circa 400 lux nodig om goed te kunnen werken. Bron Interne warmtelast in W/m2 Laag Middel 10 10 15 35 Hoog 10 10 35 55 Personen Verlichting Apparatuur Totaal 8 10 2 20 Compactheid gebouw Een gebouw met een grote inhoud en een gering buitenoppervlak heeft een relatief gering verliesoppervlak en gedraagt zich gunstig uit oogpunt van energiegebruik.4 W/m2 · K.10 is een aantal vormen gegeven met hetzelfde volume maar met een andere aaneenschakeling en een verschil in het oppervlak van de omhulling. • type glas en buitenzonwering: • dubbel blank glas met ZTA = 0. bestaat uit warmte afgegeven door: ◆ personen.23 (bolvorm) tot 0. .Uitgaande van deze bezettingsgraad bedraagt de bijdrage van een persoon aan de interne warmtebelasting 8 tot 10 W/m2. De verhouding ‘oppervlak gedeeld door volume’ (A/V) varieert van 0. In figuur 11. • glaspercentage. Bij gezoneerde verlichting wordt alleen ter plaatse van de werkplekken een verlichtingssterkte van 400 lux gerealiseerd en is de verlichtingssterkte elders in het vertrek kleiner. ◆ apparatuur. Verlichting (exclusief via armaturen afgezogen deel): • in werkruimten: 10 W/m2 • in gangen: 6 W/m2 Personen: • bij bezettingsgraad 1 op 8 m2: 10 W/m2 Apparatuur: • afhankelijk van type computer en beeldscherm Figuur 11.11 ENERGIEHUISHOUDING 15 ISSO/SBR 300: variabelen transparantheid buitenschil In ISSO/SBR 300 worden tabellen gegeven die geldig zijn voor: • oriëntaties.86 (paviljoenbouw) en is een maat voor het energieverlies door de omhulling. De bijdrage van personen aan de totale warmtelast hangt af van het aantal verblijfsuren per etmaal en de bezettingsgraad (aantal mensen in gebouw). ISSO/SBR 300: variabelen compactheid ISSO/SBR 300 houdt geen rekening met compact bouwen.3 W/m2 · K. is de zogenaamde gezoneerde verlichting. Zeer gangbaar is een kunstverlichting die gelijkmatig over het plafond is verdeeld in de vorm van tl-armaturen die de hele dag branden. Een andere methode om de interne warmtebelasting te reduceren. Interne warmtelast Interne warmtelast.70 en U = 3.

waarbij de kunstverlichting in de hele ruimte een verlichtingsniveau van 200 lux bewerkstelligt en een werkplekverlichting het niveau plaatselijk op 400 lux brengt.16 Vergelijkbaar is de zogenaamde werkplekverlichting. Het aantal uren dat de verlichting een bijdrage levert aan de interne warmtelast is afhankelijk van de wijze van regeling. Een andere vorm van warmtewinst is passieve zonne-energie waarvan in deze paragraaf enkele principes genoemd worden. De bijdrage van de verlichting aan de warmtebelasting is de afgelopen jaren door betere verlichtingsplannen en energiezuiniger lampen sterk gedaald. ◆ Apparatuur De warmteafgifte door verlichting is in de loop van de jaren afgenomen. In een kantoor ontstaat een maximaal aantal bedrijfsuren als de verlichting centraal wordt geschakeld waarbij tijdens 52 × 5 dagen à 10 uur de verlichting brandt. Een gebruikelijke bijdrage van de verlichting aan de interne warmtebelasting bedraagt circa 10 W/m2.12 Schema zonnecollector met tapwater. Afzuiging is moeilijk.en cv-verwarming . collector 35 m2 koud water naverwarming tapwater CV tappunten 2 m3 radiatoren opslagreservoir Figuur 11. Een bijdrage aan de interne warmtebelasting met waarden van 10 en 20 W/m2 is normaal. waarbij werkplekverlichting wordt toegepast en afzuiging van de warmte via de armaturen. Om op de werkplek een verlichtingssterkte van 400 lux te realiseren. maar die door kantoorapparatuur is juist toegenomen. De apparatuur bestaat vooral uit computers en kopieermachines. maar het aantal schermen per m2 vloeroppervlak is in kantoren toegenomen. Bij een veegschakeling wordt via een puls op het elektranet aan het begin en het einde van een werkdag en eventueel ook tijdens lunchpauzes de verlichting centraal uitgeschakeld. maar heeft een hoge warmteafgifte. Er resulteert een warmtebelasting van circa 10 W/m2. Een kleurenmonitor in analoge of digitale uitvoering is een grote warmtebron. In de wintersituatie is de interne warmtebelasting een winst die de warmtebehoefte reduceert. Bij de toepassing van handmatige en veegschakeling wordt de warmteproductie gereduceerd. Er bestaan ook verlichtingsystemen waarbij de aan/uitschakeling daglichtafhankelijk is of wordt gestuurd door een afwezigheidsdetectie. Een tl-lamp geeft beduidend minder warmte af en hoogfrequent tl-lampen (HR-tl-armaturen) produceren nog minder warmte. Een gloeilamp geeft aangenaam ‘warm’ licht. zodat de bijdrage aan de interne warmtelast 20-25 W/m2 bedraagt. Een prettige verlichting is indirecte verlichting. De warmtebelasting door kantoorapparatuur hangt daarmee af van de bezettingsgraad en de mate van geautomatiseerd werken. is vrij veel elektrisch vermogen nodig. Ten slotte is het mogelijk de warmtebelasting te beperken door te kiezen voor bepaalde lamp- typen. waarbij kunstlicht via het plafond wordt gereflecteerd. Weliswaar zijn de beeldschermen ook ten aanzien van de warmteafgifte verbeterd. Afzuiging van de door een bureaulamp geproduceerde warmte is echter moeilijk te realiseren.

waarin elektrische energie wordt opgewekt. die warmte opslaat en later afgeeft. figuur 11.13 Trombe-wand: zonne-energie wordt tijdelijk opgeslagen Zonne-energie De zon kan als bron van energie benut worden met behulp van: • zonnecollector.16 Langetermijnopslag zonne-energie in bodem: zomersituatie Figuur 11. figuur 11.16. • Trombe-wand. figuur 11.15. waarin de door de zon voorverwarmde lucht als ventilatielucht wordt benut. die warmte opwekt voor verwarming of tapwater.14 Ministerie van VROM: gebouw dat zonneenergie benut door toepassing van atria: ventilatielucht wordt hierin voorverwarmd zonlicht contactgrid voorzijde –+ – + – + la Ng laa P- ag + – elektriciteit contact achterzijde Figuur 11. figuur 11. waarbij energie tijdelijk wordt opgeslagen in de bodem onder het gebouw.14. zonnecel (fotovoltaïsche cel).15 Benutting zonne-energie met fotovoltaïsche cel die elektriciteit levert .12. • atrium.13. figuur 11. • bodemopslag.11 ENERGIEHUISHOUDING 17 dagsituatie nachtsituatie Figuur 11. • buitenlucht 18 °C + ÷ 8 °C warmtevragers – + 8 °C 18 °C aquifer koude bron warme bron Figuur 11.

De temperatuurverschillen nabij vloer en plafond mogen niet te groot zijn omdat dat als onaangenaam wordt ervaren: de temperatuurgradiënt mag in de comfortzone niet meer bedragen dan 3. • filteren. Onderling worden ze verbonden door kanalen of leidingen waar lucht of water doorheen stroomt.4. figuur 11. Dan ontstaat er een zogenaamde convector: een eindapparaat dat vrijwel alle warmte door convectie afstaat. namelijk plaat. Warmteafgifte door convectie en/of straling Een radiator is een verwarmingselement dat wordt gevoed door warm water met een temperatuur van circa 90 °C. De meest eenvoudige radiator is te beschouwen als een rechthoekige buis met een groot warmteverliezend oppervlak. Als er geen koudeval kan optreden. In het bouwkundig ontwerp moet ruimte worden gereserveerd voor de eindapparaten. De warmte wordt deels afgegeven door straling en deels door convectie. Nadeel bij grotere gebouwen is dat de investering hoog is en dat lokale apparatuur niet zuinig met energie omgaat. De vloer mag niet warmer worden dan maximaal 29 °C om onbehaaglijkheid te vermijden en omdat de temperatuuruitzetting van het vloermateriaal aanleiding tot scheuren kan geven. Een convector staat sneller warmte af dan een radiator. In zijn meest uitgebreide vorm vervult de werktuigbouwkundige installatie de onderstaande functies: • verwarmen. maar veroorzaakt grotere luchtbewegingen en daarmee ook grotere temperatuurverschillen in de ruimte. • gebruikte lucht afvoeren. waarbij water van circa 50 °C door radiatoren of convectoren wordt gepompt.17-7. • koelen. Bij het verlaten van de radiator is het water nog circa 70 °C warm.(straling) of ledenradiatoren (convectie).18 11. De convectie warmt de lucht op. of luchtverwarming (‘all-air’-systemen). omdat zonne-energiesystemen water tot circa 50 °C kunnen opwarmen zonder bijverwarming. Bij vloerverwarming worden er buizen in de vloer aangebracht en dan is een lage temperatuur van belang. Lage-temperatuurverwarming leent zich goed voor toepassing in combinatie met zonne-energie. zogenaamde eindapparatuur. Een consequentie van lage-temperatuurverwarming zijn de grotere eindapparaten.4 Installatieconcepten 11.17-6. • verse lucht toevoeren.17-1.4. kan er worden gekozen voor stralings.5 °C. met als voordeel dat iedereen het klimaat naar eigen behoefte kan regelen. Lage-temperatuurverwarming De afgelopen jaren wordt ook lage-temperatuurverwarming toegepast.2 Kenmerken werktuigbouwkundige installatie De belangrijkste kenmerken van een installatie ten behoeve van de ontwerpfase worden toegelicht: .17-3. figuur 11. De plaats van de eindapparaten is van belang voor de behaaglijkheid.1 Functies werktuigbouwkundige installatie Functies Afhankelijk van de functie van het gebouw en het gebouwontwerp is de werktuigbouwkundige installatie meer of minder complex. zodat er een opwaartse stroom ontstaat die bijzonder geschikt is om de koudeval nabij ramen te voorkomen. De mate van warmteafgifte door straling is afhankelijk van het type radiator. convectoren en/of luchtroosters aangebracht. De apparatuur kan individueel worden opgesteld.of ontvochtigen.(meestal in plafond aangebracht). 11. figuur 11. figuur 11.17-2 en 11. figuur 11. Het warmteverlies of liever de warmteafgifte kan worden verhoogd door metalen ribben op de buis aan te brengen. In geval van matig isolerend glas zijn verwarmingselementen onder de ramen een noodzaak en worden automatisch een luchtbeweging en een temperatuurgradiënt in de verblijfsruimte geïntroduceerd. Meestal worden in grotere gebouwen de installaties in een technische ruimte centraal opgesteld en worden er in de verblijfsruimten radiatoren.17-5. • be.

17 Verticale temperatuurgradiënten bij diverse installatieconcepten .5 m/s 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 6 vloerverwarming hoogte (mm) 1600 100 7 plafondverwarming Figuur 11.11 ENERGIEHUISHOUDING 19 hoogte (mm) 1600 hoogte (mm) 16 2700 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 16 2700 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 1600 100 100 1 16 2700 ideale verwarming temperatuur (°C) 26 28 30 hoogte (mm) 2 24 16 2700 warm water met enkel paneel onder het raam 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 18 20 22 hoogte (mm) 1600 1600 100 100 3 16 2700 warm water met meervoudig paneel tegenover de gevel 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 hoogte (mm) 4 16 2700 gestuwde lucht vanuit de vloer 18 20 22 24 temperatuur (°C) 26 28 30 hoogte (mm) 1600 1600 100 100 5 16 2700 gestuwde lucht tegenover de gevel 5 vol/h en 1.

maar warmtetransport vergt grote hoeveelheden lucht in verband met het geringe warmteaccumulatievermogen. Hoe minder glas. want als er veel lucht ongecontroleerd van buiten toestroomt via naden.of afvoer van warmte. Het gebouw moet goed luchtdicht zijn. ◆ Elektra Elektra reageert zeer snel. ◆ Lucht Lucht reageert zeer snel. Daarom wordt vaak gekozen voor koeling met behulp van lucht. De temperatuur van de aangevoerde lucht mag niet al te veel afwijken van de temperatuur in de verblijfsruimten. Opwekking van koude uit primaire brandstof (aardgas of steenkool) is kostbaarder dan opwekking van warmte.en ontvochtiging. reden om het gebouw zo te ontwerpen dat zo min mogelijk koeling nodig is. De relatieve luchtvochtigheid moet in ruimten voor verblijf van personen liggen tussen 30 en 70 procent en in speciale ruimten. kieren of openstaande ramen dan raakt het luchtsysteem uit balans. In de radiatoren of convectoren wordt warmte door straling en/of convectie afgestaan. Ventilatielucht kan gelijktijdig worden gebruikt voor toe. ademen levert immers CO2 op en een kopieerapparaat produceert ozon. om koeling aan te brengen. Zonder maatregelen gaat er door ventileren in de winter veel warmte verloren. omdat anders over tocht gaat worden geklaagd. waarbij (deel) van de lucht via filters wordt gereinigd en opnieuw toegevoerd. Het temperatuurverschil met de binnenlucht mag niet al te groot zijn. Over een heel jaar genomen is koeling slechts een beperkte tijd nodig. mate van betrouwbaar. ◆ Water Water reageert traag. maar hierbij is het opwekkingsrendement uit aardgas niet optimaal. maar wel voor bijvoorbeeld een drukkerij of museum. De afvoer van gebruikte lucht gebeurt door de lucht weg te zuigen en aan te vullen door natuurlijke ventilatie of door verse lucht via een kanalenstelsel toe te voeren. Bij natuurlijke ventilatie heerst er in het gebouw een onderdruk door verschil in temperatuur of winddruk en stroomt verse buitenlucht toe via de aangebrachte roosters in de schil van het gebouw. die een niet te verwaarlozen deel van het gebouwvolume innemen. Het is mogelijk een gebouw alleen met behulp van lucht te verwarmen en zo nodig te koelen. ventilatie en warmteterugwinning. Recirculatie van lucht.en ontvochtiging Via de installaties is het mogelijk in de verblijfsruimten de relatieve luchtvochtigheid te regelen. Een voordeel van lucht als transportmiddel is het feit dat luchtkanalen sowieso aangebracht moeten worden voor toe. Voor de diverse typen warmtewisselaars zie hoofdstuk 12. wordt niet meer toegepast. Het gebouw moet dan uitstekend geïsoleerd worden om de kanaalafmetingen binnen de perken te houden.en afvoerlucht bestaat een verschil. be. tenzij de lucht per ruimte weer wordt naverwarmd of nagekoeld.20 • • • • • transportmedium voor warmte en koelen. Be. zoals Transportmedium voor warmte en koelen Warmteopwekking vindt meestal centraal plaats. Een warm onbehaaglijk binnenklimaat is zonder meer te voorkomen door koeling toe te passen. Voor een kantoorfunctie is dat niet snel nodig. Ventilatie en warmteterugwinning Ventilatie is nodig om de binnenlucht te ontdoen van verontreinigingen. filteren. zodat warmte moet worden getransporteerd door een aantal media: ◆ lucht ◆ water ◆ elektra. maar vergt geringe hoeveelheden en kan met veel grotere temperatuurverschillen naar de verblijfsruimten worden getransporteerd. Tussen de temperatuur van de toe. Via warmtewisselaars is het mogelijk de warmte deels uit de afvoerlucht te halen en daarmee de koude buitenlucht voor te verwarmen.en afvoer van ventilatielucht. Er is dan sprake van een zogenaamd ‘all-air’systeem. Lucht als transportmedium vergt kanalen met grote doorsneden. des te kleiner is de noodzaak .en regelbaarheid.

In kantoorgebouwen waar (verwarmde of gekoelde) lucht wordt ingeblazen vanuit de tegenover de gevel gelegen (gang)wand ontstaat een wat afwijkende temperatuurgradiënt. filteren en beheersing van het vochtgehalte van de lucht. Ontvochtigen kan in combinatie met koeling van de lucht: het teveel aan vocht wordt aan de lucht onttrokken door deze af te koelen en het vocht te laten condenseren. Naast een goede warmte-isolatie is een geringe massa van belang om nodeloze opwarming van gebouwmassa te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is vloerverwarming. In de zone tussen 100 en 1100 mm boven de vloer moet de verticale temperatuurgradiënt maximaal 3. Mate van betrouwbaar. maar waarbij de ramen niet geopend kunnen worden en de gebruikers het binnenklimaat als onbehaaglijk ervaren. is opwarming van massa gewenst.Gebruikers gaan klagen of ziekteverschijnselen vertonen (’sick-building’syndroom).en regelbaarheid Gebouwgebruikers moeten vertrouwen hebben in de beheersbaarheid van het binnenklimaat om het energiegebruik te beperken. figuur 11. Bekend zijn de gebouwen die een volledige airconditioning bezitten. Elk installatieconcept creëert in de verblijfsruimten een verticale temperatuurgradiënt die kenmerkend is voor de gekozen installatie.17-6. bijvoorbeeld met radiatoren langs de gevels. Bij de toepassing van zogenaamde warmtewielen wordt zowel warmte als vocht uit de afvoerlucht overgedragen aan de toevoerlucht. 11. Bij mechanische ventilatie wordt filtering van de buitenlucht toegepast ter beperking van verontreinigingen in de lucht en in het kanalenstelsel. maar dan moet het gebouw een lage warmtebehoefte hebben en zeer goed geïsoleerd worden. Deze oplossing resulteert in een goed comfort mits de inblaasroosters buiten de comfortzone een goede menging bewerkstelligen. immers de massa dempt temperatuurschommelingen waardoor er met een minder geavanceerde regelinstallatie kan worden volstaan. die bij een goed ontwerp acceptabel is. Ter vermijding van een grote temperatuurgradiënt moet bij koeling lucht met een temperatuur van minimaal 18 °C worden . Verwarming door middel van lucht kan een zeer goede keuze zijn. Bij gebouwen waarin dagelijks mensen verblijven. Gebruikers gaan onoordeelkundig de installaties bijregelen met als gevolg een hoger energiegebruik.17-3. leveren doorgaans een hoger comfort op. Door de warmte nabij de gevel onder de ramen toe te voeren ontstaat een goede temperatuurverdeling. Warmte of koude toevoeren via straling levert doorgaans een hoge mate van comfort op.5 °C bedragen om comfortklachten te vermijden. Klimaatinstallaties die de warmte nabij de vloer toevoeren en deze goed over de hoogte verdelen. tussen de 45 en 55 procent. Filteren Recirculatie van lucht wordt thans niet meer toegepast omdat er hoge eisen aan filters worden gesteld om de lucht te ontdoen van bacteriologische verontreinigingen en omdat er betere alternatieven beschikbaar zijn voor warmteterugwinning. In een gebouw dat slechts tijdelijk verwarmd hoeft te worden (zoals een kerk) kan luchtverwarming een goede keuze zijn. In de centrale luchtbehandelingskast wordt vocht toegevoegd aan de in te blazen lucht door water te vernevelen of door de lucht door vochtige filters te leiden. Uit comfortoverwegingen kan koeling het beste plaatsvinden vanuit het plafond. maar ook het energiegebruik. Installaties die een gebouw volledig klimatiseren. figuur 11. worden als behaaglijk ervaren. Een hoge mate van comfort wordt bereikt met de hoogste temperatuur ter plaatse van de vloer en nabij het plafond enkele graden lager (warme voeten en koel hoofd).11 ENERGIEHUISHOUDING 21 musea en centrale computerruimten. omdat de luchtstromingen klein zijn (er is alleen lucht nodig voor ventilatie). figuur 11.4. de ruimte die de installatie inneemt en de investering.17-5. Geavanceerde klimaatinstallaties zorgen behalve voor verwarmen en mechanisch ventileren ook voor koelen.3 Comfort Eenvoudige klimaatinstallaties zorgen voor verwarmen en afzuigen van lucht. Bij de keuze van een installatieconcept is het gewenste comfort van belang. Zeer gebruikelijk voor kantoorgebouwen is de toevoer van lucht via in de lichtarmaturen geïntegreerde uitblaasopeningen.

zie paragraaf 11.2. Inblazen van lucht met temperaturen tussen de 12 en 18 °C is alleen mogelijk bij toepassing van inblaasroosters die een goede menging teweegbrengen buiten de comfortzone. Er zijn individuele verschillen.5.18 Uitgangspunten ISSO/SBR 300 bij bepaling GTO-uren .7 clo de optimale temperatuur ligt bij 25. Bij 27 °C is een luchtsnelheid van 0.5.39 × PMV4 – als PMV = 0: WF = 0 Figuur 11. koeling en transport per twee tegengestelde oriëntaties.5 °C. 11. 10 procent ontevredenen (PPD) wordt als acceptabel beschouwd. Rgd-richtlijnen voor behaaglijk kantoor (met te openen ramen): • comfortgrens mag ten hoogste met 5 procent van de gebruikstijd op jaarbasis worden overschreden. met WF (weegfactor) – als PMV > 0. binnen en buiten gelijk en 55% in geval van airco GTO = Σ WF × h in uren.2 m/s nog acceptabel.5 ≤ PMV ≤ +0. waardoor er altijd een percentage ontevredenen is.1 Maatstaf voor behaaglijkheid Al eerder zijn de factoren besproken die bepalen of een mens het klimaat als behaaglijk ervaart.2 Invloedsfactoren op energiegebruik en GTO-uren Om inzicht te krijgen in de manier waarop er evenwicht kan worden verkregen tussen energiegebruik en behaaglijkheid.5 Evenwicht tussen behaaglijkheid en energiegebruik 11.7 clo (gedurende zomerperiode) 0. 11. Acceptatie van dit percentage ontevredenen leidt tot een maximale temperatuur van 27 °C.15 m/s (ter vermijding van tocht) absolute r. Het energiegebruik (uitgedrukt in m3 aardgas per m2 vloeroppervlak) wordt opgesplitst in die voor verwarming. Op grond van deze kennis heeft de Rijksgebouwendienst de temperatuuroverschrijdingsuren voor een kantoor met te openen ramen vastgesteld.00 uur 80 W per persoon (voor lichte. In figuur 11.1 voor een bespreking van de behaaglijkheidsvergelijkingen.5 toegestaan tot een maximum van 150 GTO-uren.5. waarbij een hogere temperatuur door middel van een weegBedrijfstijd Warmteproductie van de mens Kledingweerstand Luchtsnelheid Relatieve luchtvochtigheid GTO-uren factor zwaarder meetelt.19 en 11.9 clo (gedurende winterperiode) 0.22 ingeblazen. In ISSO/SBR 300 is het benodigde rekenwerk om energiegebruik en behaaglijkheid te bepalen al verricht. De grootte van de weegfactor kan per gehanteerde rekenmethode enigszins verschillen.30 × PMV2 + 0. deze waarde stemt overeen met het criterium –0. zijn de tabellen in figuur 11. • verdisconteerd in het aantal toelaatbare GTO-uren: voor verblijfsruimten met een kantoorfunctie is in de zomerperiode een PMV > +0. Gebruikelijk is het werken met gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO-uren). Met behulp van NEN-EN-ISO 7730 kan worden bepaald dat voor kantoorwerk en een kledingweerstand van 0.97 × PMV3 – 0. waardoor onder die conditie de maximaal toelaatbare temperatuur 28 °C wordt.22 × PMV + 1.20 met behulp van ISSO/SBR 300 vervaardigd.5: WF = 0.18 zijn de uitgangspunten weergegeven zoals die in ISSO/SBR 300 worden gehanteerd.00 – 17. in ISSO/SBR 300 wordt het aantal berekende GTO-uren gegeven voor drie maandag tot en met vrijdag 9. zittende arbeid) 0. bijvoorbeeld noord en zuid.v. het zogenaamde Predicted Percentage Dissatisfied (PPD). Bij een hogere temperatuur leidt de luchtsnelheid minder snel tot klachten. De Rijksgebouwendienst stelt dat het product van het percentage ontevredenen (PPD) en de tijd gedurende welke onbehaaglijkheid optreedt constant moet zijn.

604 14. • interne massa: licht = 49 kg/m2. • gevelopbouw: licht.2 Energie in m3 aardgas µµµBehaaglijkheid Subto.330 13. .162 25.432 Zware gevel Rc = 3. uitgedrukt in kg/m2 (laag.112 12. • gevelopbouw (licht of zwaar).162 26.645 13. • oriëntatie. namelijk laag (20 W/m2).6 13.1 7.8 12. • oriëntatie: zuidoost/noordwest.807 14. • type helderheidswering.2 0.4 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0.162 23.553 13. – volledige airconditioning.Licht taal Totaal GTO (uren) > 300 > 300 Kwalificatie onacceptabel onacceptabel Referentie 20 W/m2.19 Behaaglijkheid en energiegebruik volgens ISSO/SBR 300: cv en natuurlijke ventilatie interne warmtelasten.391 12.1 12.2 0.645 14.4 12.432 13.461 5.208 8. • type buitenzonwering.11 ENERGIEHUISHOUDING 23 Variabele Oriëntatie Energie in m3 aardgas per m2 Verwar.274 13.2 m) = 2132 m2.2 0.0 m2 · K/W Oriëntatie Figuur 11.944 8. 70% glas.3 0.2 7.604 13.3 12.300 12. • glaspercentage: hoog = 70 procent. • Rc schil: 1. met als mogelijkheden: – natuurlijke ventilatie en radiatorenverwarming.162 24. In ISSO/SBR 300 zijn geen keuzen mogelijk ten aanzien van: • type glas.208 > 300 > 300 150 170 270 > 300 > 300 > 300 270 > 300 onacceptabel onacceptabel matig slecht onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel 11. lichte gevel.2 0 0 13. • Rc-waarde thermische schil.en afvoer en radiatorenverwarming.162 19.284 zo nw zo nw zo nw zo nw n z 7.782 12. In ISSO/SBR 300 moeten er keuzen worden gemaakt ten aanzien van: • type installatie. – mechanische toe.645 12.2 0.330 5.1 × 5. • interne massa.5 m2 · K/W Interne warmte 50 W/m2 Glas 35% zo nw 12.2 0.4 4. Het referentiegebouw kenmerkt zich door: • gebouwfunctie: kantoorgebouw type cellenkantoor.5 m2 · K/W. Variabelen referentiegebouw In figuur 11.284 14. – mechanische toe.Koeling ming Transport 0.2 0. gemiddeld (35 W/m2) en hoog (50 W/m2).2 0. • glaspercentage (25 tot 70 procent).20 is in elke opvolgende regel maar één variabele gewijzigd. middel of hoog).3 0.6 13. Rc = 1.913 14.6 13.5 10. • grootte: honderd kamers (2.2 0. • interne warmtelast: laag = 20 W/m2.en afvoer met beperkte koeling en radiatorenverwarming.751 12.19 en 11.70 × 4.162 25.

• bij zelfde klimatiseringssysteem en verschillende gevelvarianten kan energiegebruik tot factor 2 verschillen.6 19.772 23.5 m2 · K/W Interne warmte 50 W/m2 Glas 35% zo nw 11. maar maakt behaaglijkheid onacceptabel.883 19.452 0 0 30 70 50 80 20 40 uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend Zware gevel Rc = 3. Rc = 1. globaal mag benodigde transportenergie aan koeling worden toegerekend.24 Variabele Oriën. tenzij glaspercentage wordt beperkt tot minder dan circa 35 procent.772 12.629 20.162 32.5 12 2.2 2.2 11 11.2 2.198 24.162 35. die gedeeltelijk door figuur 11.787 23.7 12.772 23. • oriëntatie veel glas op noorden doet energiegebruik stijgen.198 uitstekend uitstekend zo nw 6.6 8. • energiegebruik daalt door verhogen van zowel warmteweerstand als luchtdichtheid van buitenschil.9 8.9 7.787 20.934 23.985 12. • verlichting is belangrijke post in energiegebruik (ruwweg 50 procent!).19 en 11. • verhoging interne warmtelast van 20 naar 50 W/m2 doet energiegebruik dalen. is gekozen voor een referentiegebouw dat rond 1990 aan de eisen voldeed (Rc = 1.162 31.en afvoer en beperkte koeling met radiatorenverwarming.2 9.162 35.3 8.2 2.5 Energie in m3 aardgas Subto.4 11.5 m2 ∙ K/W en hoog glaspercentage). • zonder koeling is geen behaaglijkheid te bereiken.2 23.452 23.2 2.20 worden onderbouwd: • koeling vergt veel energie voor transport.147 24. koeling en mechanische toe.401 23.20.19 en 11.2 2. tot zeker niveau is verbetering van luchtdichtheid zeer effectief.6 8. figuur 11. 70% glas.9 2.5 8. lichte gevel.20 verschillen alleen in het klimatiseringssysteem: • radiatorenverwarming met natuurlijke ventilatie.2 2.162 35.en afvoer Om inzicht in de gevolgen van de keuzen te krijgen.2 7.162 36.518 24.4 20.5 12 11.4 2.934 > 300 > 300 onacceptabel onacceptabel zo nw zo nw zo nw n z 9.20 Behaaglijkheid en energiegebruik volgens ISSO/SBR 300: cv.6 8. figuur 11.2 2.467 12.Licht taal Behaaglijkheid Kwalificatie Totaal mmmGTOmmt (uren) 50 70 Referentie 20 W/m2.7 6.0 2. Figuur 11.721 12.827 24.6 9.19.Energie in m3 aardgas tatie per m2 Verwar.239 12. • bij verschillende klimatiseringssystemen en zelfde gevelopbouw kan energiegebruik tot .2 2. Uit ISSO/SBR 300 kunnen de onderstaande algemeen geldende conclusies en trends worden afgeleid.518 23.6 8. • mechanische toe. • toepassen zware gevel verbetert behaaglijkheid en vermindert energiegebruik in beperkte mate.1 9.665 12.Koeling ming Transport 8.934 19.0 m2 · K/W Oriëntatie Figuur 11.

21 is dit schematisch weergegeven. is het energiegebruik te berekenen. terwijl met behulp van ISSO/SBR 300 meer inzicht wordt verkregen. In het ontwerpstadium kan ook gebruik worden gemaakt van ISSO/SBR-publicatie 800. Met behulp van nomogrammen kan handmatig de globale waarde worden bepaald van zowel de behaaglijkheid als de energieprestatie. Er gaat geen energie verloren. 11.en installatieontwerp kan in extreme situaties factor 3 à 4 in energiegebruik schelen. dus wat erin gaat moet er ook weer uitkomen.11 ENERGIEHUISHOUDING 25 factor 2 verschillen. De enige afwijking van dit principe is energie die tijdelijk wordt opgeslagen in de massa van het gebouw. • geen afstemming tussen gebouw.1 Energiebalans De energiebalans van een gebouw geeft de in. De elektr a gas venti trans m issie latie mass a pomp -accu mula tie en/m otore n trans miss ie ie mass a -accu mula l nta n aa one rs pe tie trans miss infiltr atie eid elh ve r oe ratuu h a p ap mula tie mass a -accu trans miss ie s ng hti rlic gen ve o rm ve - Figuur 11. in figuur 11. ISSO/SBR 800 is bedoeld als instrument om snel te kunnen inschatten of er aan de eisen wordt voldaan.21 Schematische weergave warmtebalans (met warmteaccumulatie) .6. In formulevorm: Qin + Qopslag + Quit = 0 Door de energiebalans van een gebouw uit te schrijven.6 Energiebalans en energieprestatie 11.en uitgaande energiestromen weer.

6. Nieuw ten opzichte van voorgaande regelgeving is dat er in de energieprestatie rekening wordt gehouden met de prestaties van de installaties van het gebouw.6.26 berekening is vrij ingewikkeld omdat het energiegebruik bepaald wordt door zowel de eigenschappen van het gebouw als de eigenschappen van de installaties en het gedrag van gebruikers. onverwarmde en aangrenzend onverwarmde ruimten en bepaal de ligging van de thermische schil. Beide volgen hetzelfde principe. maar NEN 2916 houdt met meer aspecten rekening en geeft meer inzicht in de energiebalans.3 Energiebalans analoog aan NEN 2916 Stappen en schematisering Om een gunstige energiebalans te verkrijgen. Aan de energieprestatie worden wettelijke eisen gesteld. maar verschillen vooral in de aspecten die worden benadrukt en in de kengetallen die in de berekening worden ingevoerd.en ventilatiesysteem toegepast zal worden (keuze uit acht systemen). Het gedrag van gebruikers wordt bepaald door de mate waarin het binnenklimaat als behaaglijk wordt ervaren. 11. moeten de volgende zes stappen worden uitgevoerd ter bepaling van de energieprestatie: 1 Schematiseer het gebouw in de verschillende functies die het Bouwbesluit kent.2 Energieprestatiecoëfficiënt (EPC) De energetische prestatie van een gebouw inclusief zijn installaties wordt de energieprestatie genoemd: een begrip dat met de invoering van het Bouwbesluit is gedefinieerd. voor woongebouwen geldt NEN 5128. is gekozen voor het uitschrijven van de energiebalans aan de hand van NEN 2916 (utiliteitsgebouwen). Deze prestatie wordt uitgedrukt in de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De energiebalans kan op meerdere manieren worden uitgeschreven.toelaatbaar De energieprestatie is een vergelijking van het desbetreffende gebouw met een vergelijkbaar gebouw dat energiezuinig is ontworpen. waarna het quotiënt wordt vermenigvuldigd met de eis aan de EPC.en badruimten en algemene ruimten moeten binnen de schil liggen. toilet. In formulevorm: EPC = Qpres. is het raadzaam na schematisering van het gebouw de ruimten met hetzelfde binnenklimaat samen te voegen (als dit in het bouwkundige ontwerp mogelijk is). Alleen onverwarmde ruimten waarvoor geen eis geldt. 2 Gebruik (functie) gebouw. Deze coëfficiënt wordt berekend door het totale karakteristieke energiegebruik van het gebouw te delen door het toelaatbare karakteristieke energiegebruik van dat gebouw. Als NEN 2916 wordt gevolgd. 3 Schematiseer in verwarmde. . In paragraaf 11. In een energiebalans uitgeschreven volgens NEN 2916 is de invloed van de behaaglijkheid niet zichtbaar. figuur 11. In NEN 2916 worden kengetallen gegeven waarvan een aantal berust op beleidsmatige keuzen. mogen erbuiten liggen. De berekeningen zijn complex. maar geeft geen antwoord op het werkelijke energiegebruik. 3 Gedrag gebruiker (gewenste behaaglijkheid).6. Om inzicht te krijgen in de factoren die het energiegebruik bepalen. Alle verblijfsgebieden.5 is inzicht verkregen in de relatie tussen energiegebruik en behaaglijkheid. zodat er meerdere methoden voor de berekening van het energiegebruik bestaan. Ze volgen allemaal het principe van de energiebalans. zodat er computerprogramma’s nodig zijn. De energiebalans bevat drie onderdelen: 1 Prestatie gebouw met zijn installatie. De computerprogramma’s worden meegeleverd in de bijbehorende NPR 2917 en NPR 5129. 2 Bepaal per gebied de bezettingsgraad en de bijbehorende minimaal voorgeschreven ventilatie. Het type installatie is van belang vanwege verschil in gerealiseerde behaaglijkheid en verschil in rendement van opwekking uit fossiele brandstof. 11. NEN 2916 geeft een goed inzicht in de componenten die in de energiebalans voorkomen en karakteriseert het gebouw en haar installaties. Bij het opstellen van de energiebalans volgens NEN 2916 moet apart worden bepaald of de combinatie van het gebouwontwerp en het installatieontwerp de gewenste behaaglijkheid oplevert.totaal × EPCeis Qpres. 4 Bepaal waar welk klimatiserings.

dat er per energiesector sprake is van: • hetzelfde klimatiseringssysteem. Een kantine in een kantoorgebouw heeft in termen van het Bouwbesluit een horecafunctie en een instructieruimte een onderwijsfunctie. Daarnaast worden er in de formule correctiefactoren toegepast om de wijzigingen in de bepalingsmethode geen consequenties te laten hebben voor momenteel veel toegepaste technieken ten opzichte van de voorgaande versie van de norm. In NEN 2916 wordt het toelaatbare energiegebruik consequent aangeduid met de term toelaatbare karakteristieke energieprestatie. De toevoeging karakteristiek geeft aan dat het een waarde betreft die volgens NEN 2916 kenmerkend is voor het desbetreffende gebouw. • gebouw met koeling vraagt meer energie. waarin ook het verliesoppervlak (Averlies) voorkomt: EPCwoon = Qpres. Als de ingewikkelde formule voor de EPC van het totale gebouw uitgeschreven wordt voor een gebouw met één functie en met een gebruiksoppervlak (Ag) van minimaal 1500 m2. ◆ Berekend karakteristiek energiegebruik Het (berekende) karakteristieke energiegebruik is het energiegebruik zoals dat berekend wordt als NEN 2916 gevolgd wordt. 6 Bepaal vervolgens per energiesector het energiegebruik en vergelijk dit met het toelaatbare energiegebruik. • hetzelfde ventilatiesysteem in ten minste 80 procent van de verblijfsgebieden. stammen uit NEN 2916 of NEN 5128.4 Componenten energiebalans Er is voor gekozen de energiebalans uit te schrijven conform de in NEN 2916 genoemde posten. 11. het is een eigenschap van het gebouw en niet het daadwerkelijke gebruik. Aan de energieprestatie-eis is voldaan als geldt: toetsing = Qpres. In de bepalingsmethode voor de energieprestatie wordt het gebouw als geheel beschouwd.tot 330 × Ag Toelaatbaar en berekend karakteristiek energiegebruik Besproken worden het: ◆ toelaatbaar karakteristiek energiegebruik. • verschil in minimale ventilatiecapaciteit per verblijfsgebied van maximaal factor 4. ◆ Toelaatbaar karakteristiek energiegebruik In het Bouwbesluit wordt per gebouwfunctie een eis aan het energiegebruik gesteld. dan ontstaat de volgende formule: EPCU-bouw = Qpres. De energiebalans van een gebouw bestaat uit de energieposten voor: .totaal Qpres. Voor een snel begrip wordt in dit deel de term toelaatbare energiegebruik gebruikt.11 ENERGIEHUISHOUDING 27 5 Bepaal de energiesectoren dusdanig. Daarnaast stelt het Bouwbesluit voor gebouwen met meer dan één functie een eis aan de verhouding tussen het karakteristieke energiegebruik en de toelaatbare karakteristieke energieprestatie.6.toelaatbaar ≤1 In de bepaling van het toelaatbare karakteristieke energiegebruik (Qpres. De kengetallen die worden gegeven. Ze hebben elk een aparte EPC-eis.toel) komen twee weegfactoren en een constante waarde voor. immers. waarin de onderstaande zaken worden verdisconteerd: • energiegebruik nodig voor voorgeschreven ventilatie. • dezelfde binnentemperatuur. ◆ berekend karakteristiek energiegebruik. met gebruikmaking van de in die norm gegeven kengetallen. Er moet bepaald worden welke EPC-eis aan het totale gebouw moet worden gesteld.of verliesoppervlak meer energie mag gebruiken. maar daar is de compensatie voor verliesoppervlak samen met de compensatie voor koeling verwerkt in de bepalingsmethode van de toelaatbare energieprestatie. • minder compact gebouw vraagt meer energie. Een concreet gebouw bevat meestal meer functies. Deze formule lijkt op de formule die geldig is voor woningbouw.tot 330 × Ag + 65 × Averlies Uit deze formule blijkt dat een gebouw met een groot gebruiks. Dit geldt ook voor utiliteitsgebouwen.

warmtapwater. 2 Verlies door ventilatie Er is energie nodig om de binnenkomende lucht op te warmen ten behoeve van ventilatie. omdat een deel weer naar buiten verdwijnt en de behoefte aan warmte niet altijd overeenkomt met de beschikbaarheid van zonne-energie. pompen. de hoogte ervan is afhankelijk van de periode (zomer/winter) en de gebruiksfunctie van de ruimte. 1 Verlies door transmissie De warmtedoorgangscoëfficiënt van een constructie wordt uitgedrukt in W/m2 ∙ K. houtskeletbouw). verlichting. koeling. Het energiegebruik voor ventilatie wordt beinvloed door de bedrijfstijd van het ventilatiesysteem (minimale tijden worden in de norm voorgeschreven). De norm geeft per oriëntatie en tijd van het jaar waarden voor de hoeveelheid zonne-energie die op een vlak valt. De norm geeft afhankelijk van de gebouwfunctie waarden voor de warmteproductie in W/m2. • winst door interne belasting. • reductiefactor voor invloed kozijnen (reductiefactor 0. • ZTA-waarde glas.verw. het aantal aanwezige personen (bezettingsgraad) en de apparatuur. De interne warmteproductie is afhankelijk van de activiteiten die plaatsvinden. het temperatuurverschil en de tijdsduur dat er een temperatuurverschil aanwezig is. De norm geeft in de vorm van een constante het temperatuurverschil waarmee moet worden gerekend. De energie die nodig is om deze infiltratielucht op te warmen. • systeemrendement ηsys. de verlichting.verw. uitgedrukt in Joule (W ∙ s). De ventilatie bestaat uit drie componenten: • natuurlijke ventilatie: hierbij moet minimaal worden gerekend met de voorgeschreven luchtvolumestroom die wordt gerelateerd aan het gebruiksoppervlak. • infiltratielucht door buitenschil: door lekken in de buitenschil komt er verse lucht binnen. bevochtiging. wordt in de norm voorgeschreven afhankelijk van de gebouwhoogte en de luchtdoorlatendheid van de buitenschil.of afwezigheid van een kap en de zorgvuldigheid van detaillering en uitvoering. • opwekkingsrendement ηopw. Energiegebruik voor verwarming De post verwarming wordt bepaald door zes factoren: • verlies door transmissie. De tijdsduur is verwerkt in een constante. • aanwezigheid zonwering. ventilatoren. .28 • • • • • • • • verwarming. Deze weegfactor is alleen van toepassing op de begane-grondvloer. • benuttingsfactor voor warmtewinst. Vervolgens moet de weegfactor a voor de weging van de vloerverliezen vastgesteld worden. die afhankelijk is van het bouwtype (metselwerk. de aanwezige mogelijkheden om het debiet terug te regelen of de retourlucht te benutten voor voorverwarming. gietbeton. Niet alle binnenvallende zonne-energie kan worden benut voor verwarming. functie wonen (indien aanwezig). De in rekening te brengen buitentemperaturen worden in de norm gegeven als maandgemiddelden en de binnentemperaturen worden gegeven afhankelijk van de functie van het gebouw. de aan. 3 Winst door interne belasting Een positief effect op de energiebalans heeft de interne warmtebelasting en zonne-energie voorzover die kan worden benut. er een uitkomst volgt voor het energiegebruik. Daaruit volgt dat als die coëfficiënt wordt vermenigvuldigd met het oppervlak. Voor woongebouwen wordt in NEN 5128 een informatieve rekenregel gegeven voor de luchtdoorlatendheid. Een deel daarvan komt binnen door transparante delen en wordt gereduceerd door: • schaduw op glasvlakken (bijvoorbeeld overstekken).75). • mechanische ventilatie: de luchtvolume- stroom wordt bepaald door de maximale capaciteit van het geïnstalleerde ventilatiesysteem met als ondergrens de voorgeschreven ventilatiehoeveelheid. • verlies door ventilatie.

5. waarbij volgens de norm 50 procent (rendement) van de opvallende energie in de energiebalans moet worden opgenomen.20). koeling door lucht of koeling door een combinatie van water en lucht.90 realiseren en een rendement van 0. Tevens hangt de benutting van de massa af. veroorzaakt door gelijktijdig centraal verwarmen en koelen. Warmtepompen hebben volgens de norm een zeer gunstig opwekkingsrendement. Lokale systemen kennen het hoogste systeemrendement (ηsys = 1 voor zowel verwarmen als koelen). Elektrische opwekking is met een rendement van 0.93 in geval van individuele regeling en 0.925 als de aanvoertemperatuur van het water beneden 55 °C ligt.5.80 zonder individuele regeling.35 en in de winter 0. maar ook worden afgeleid uit tabellen. terwijl er bij koude keuze is uit geen koeling.39 het ongunstigst. dan zijn rendementen groter dan 2 mogelijk. Als de warmte uit retourlucht wordt benut en de aanvoertemperatuur van het water voor de verwarming maximaal 35 °C bedraagt.90 en 0. De hoeveelheid energie wordt bepaald door de afmeting van de zonnecollector. koeling door water. Systemen waarbij door mengen van warme en koude lucht de noodzakelijke inblaastemperatuur wordt verkregen.9 stamt.4). . Warmtetransport door alleen water heeft het hoogste rendement: 0. zijn zeer ongunstig vanwege de grote vernietigingsfactor (fvern = 0. Gasgestookte hoogrendementsketels (HR-ketel) kunnen een opwekkingsrendement van 0. Binnenzonwering heeft volgens de norm een reductiefactor 1 en levert geen vermindering op van de invallende zonne-energie.verw Het systeemrendement wordt bepaald door de manier waarop de warmte of koude wordt getransporteerd en door de mogelijkheid tot individuele regeling.verw Het gedeelte van de energie in fossiele brandstof die door de gebouwinstallatie in bruikbare warmte. Warmte kan volgens de norm worden getransporteerd door water of lucht. Het ongunstigste systeemrendement levert een installatie die niet individueel kan worden geregeld en waarin de warmte met behulp van lucht wordt getransporteerd en de koude met behulp van water en lucht.11 ENERGIEHUISHOUDING 29 De reductiefactor ten aanzien van de energiewinst is het grootst voor buitenzonwering met automatische bediening en bedraagt volgens de norm in de zomer 0. Omdat een deel van de warmtewinst weer verdwijnt door de omhulling is het begrijpelijk dat de benutting afhangt van de verhouding tussen warmteverlies (transmissie en ventilatie) en warmtewinst (interne warmte en invallende zonne-energie). 4 Benuttingsfactor voor warmtewinst De benuttingsfactor geeft aan in hoeverre het gebouw in staat is de zonnewarmte en de interne warmtebelasting te benutten. die inzicht geeft in de mate waarin glassoorten zonne-energie kunnen weren. 5 Systeemrendement ηsys. waaruit ook figuur 11. maar afkomstig is uit retourlucht of uit de bodem. 6 Opwekkingsrendement ηopw. Een vloerconstructie met een massa groter dan 400 kg/m2 zonder een (systeem)plafond eronder heeft de grootste effectieve massa (360 kJ/m2 · K). Toch ligt de benuttingsfactor ook bij zware constructies in de buurt van 1. Zonne-energie via collectoren kan voor warmtewinst zorgen. De effectieve thermische massa kan worden berekend. zodat het effect op de energiebalans beperkt is. De benuttingsfactor hangt af van de voor warmte toegankelijke massa van het gebouw en de verhouding tussen warmtewinst en -verlies. Na samenvoeging resteren er acht systemen met een verschil in systeemrendement. veroorzaakt door het feit dat de bruikbare warmte of koude niet uit fossiele brandstoffen wordt opgewekt. Deze getallen doen vermoeden dat de massa een grote invloed op de energiebalans heeft. De mate waarin schaduw van invloed is op de energiebalans kan berekend worden met voorschriften uit NEN 5128 (beschaduwing varieert normaliter tussen de 0. met een gesloten (systeem)plafond eronder bedraagt deze 180 eenheden en bij een massa kleiner dan 100 kg/m2 is de factor 55 kJ/m2 · K. Handbediende zonwering resulteert in zomer en winter in een reductiefactor van 0. koude of elektriciteit wordt omgezet. wordt het opwekkingsrendement genoemd.

22 Energiegebruik traditioneel en zeer energiezuinig kantoorgebouw . Een centrale aan/uitschakeling levert het hoogste energiegebruik op door de weegfactor f = 1.0.2).75.0.8 m 150 14. Energiegebruik voor pompen Het energiegebruik voor de pompen is eenvoudig af te leiden uit de verwarmde en gekoelde gebruiksoppervlakken.5 m oost 50 100 west 1 verlichting 2 3 transport verwarming 1 2 3 koeling zonder terugwinning met terugwinning terugwinning + lange termijnopslag Figuur 11. zodat er gerekend kan worden met forfaitaire waarden.55 de gunstige energiebalans op levert. Er mag een reductie energiegebruik (MJ/m2) 250 200 22. Afhankelijk van de wijze van schakeling mag er een reductie worden toegepast.30 Bij traditionele toestellen met waakvlammen moet daarvoor in de energiebalans nog een extra post worden opgenomen. Uit de getallen blijkt duidelijk de grote invloed van de wijze van ventileren op de energiebalans. bij veegschakeling bedraagt f = 0.50 voor toerenregeling. Deze is volledig afhankelijk van het geïnstalleerde vermogen van de ventilatoren en de bedrijfstijd.0 en bij alle andere installaties 3. afhankelijk van de functie van het gebouw. Het energiegebruik kan worden gereduceerd door een debietregeling toe te passen met een factor tussen de 1 (geen regeling) tot 0.8 m 65. Energiegebruik voor ventilatoren In de post energiegebruik voor ventilatoren wordt de energie die nodig is voor het transporteren van lucht in rekening gebracht. de forfaitaire waarde van het specifieke elektriciteitsgebruik. terwijl daglichtschakeling in combinatie met een veegpuls met f = 0. de regelingsvoorzieningen en de tijd dat de verlichting brandt. Vaak is het geïnstalleerde vermogen in het ontwerpstadium nog niet bekend. bij mechanische toe-en afvoer bedraagt de factor 2. Een installatie met alleen mechanische afzuiging levert de kleinste bijdrage aan de energiebalans (csys = 1. figuur 11.22 geeft een beeld voor een traditioneel kantoorgebouw en een zeer energiezuinig kantoorgebouw met warmteopslag. De norm geeft. variërend van 30 kWh/ m2 voor een onderwijsgebouw tot 85 kWh/m2 voor een winkelgebouw. Deze post is van grote invloed op de energiebalans. Het effectieve vermogen wordt bepaald door de benodigde totale luchtvolumestroom te vermenigvuldigen met een constante afhankelijk van het toegepaste klimatiseringssysteem en het rendement van de elektromotor. Energiegebruik voor verlichting De energie nodig voor verlichting wordt bepaald door het geïnstalleerde vermogen.

Toepassen van warmtepompen (onder andere warmteterugwinning) en hoge installatierendementen zijn van grote invloed op de energiebalans.0 als alle leidingen korter dan 3 m zijn). 11.3 heeft. De hoeveelheid energie wordt primair bepaald door het opgestelde koelvermogen.6 Maatregelen ter verbetering De eisen die voortvloeien uit de beoogde functie van het gebouw bepalen in belangrijke mate de energiebalans. het opwekkingsrendement en het systeemrendement. Energiegebruik voor koeling De energiebalans wordt significant negatief beïnvloed als er koeling wordt toegepast. Bij koeling moet er rekening worden gehouden met: • opwekkingsrendement. De norm geeft ook waarden ter bepaling van de winst aan warmtapwater door zonnecollectoren. • benuttingsrendement. terwijl een elektrisch gestookte boiler een rendement van circa 0. waarvan 2400 m2 gekoeld wordt (luchtkoeling met constantvolumesysteem). afhankelijk van thermische massa gebouw en verhouding tussen warmtewinst en -verlies. met dien verstande dat de aan te houden binnen. De koelbehoefte wordt op een analoge manier bepaald als de energie nodig voor verwarming.en buitenblad en heeft een glaspercentage van ± 25 procent.en buitentemperaturen afwijken. Deze figuur heeft betrekking op een kantoorgebouw met een kantine en een kleine werkplaats met een totaal gebruiksoppervlak van 3000 m2. de bedrijfstijd. De post voor ventilatoren is voor bouwkundigen onverwacht groot: de ventilatoren nodig voor het verzorgen van ventilatie gebruiken een hoeveelheid energie in dezelfde grootteorde als die voor verwarming. Energiegebruik voor bevochtiging Het energiegebruik voor bevochtiging wordt vooral bepaald door de hoeveelheid van buiten toe te voeren lucht. In het ontwerpstadium mag worden uitgegaan van de koelbehoefte van het gebouw in plaats van het opgestelde vermogen. leidt dit tot bepaalde typen klimatiseringssystemen.23 vervaardigd. is figuur 11.6.11 ENERGIEHUISHOUDING 31 worden toegepast van 0.23 Voorbeeld aandeel diverse componenten in 11. De norm geeft het aantal gramuren per gebouwfunctie. en het rendement van het distributiesysteem (1. De gevel is zwaar uitgevoerd met bakstenen in binnen. Energie voor: Verwarming Ventilatoren Verlichting Pompen Koeling Bevochtiging Warmtapwater energiegebruik voor kantoorgebouw Percentage 27 31 33 2 4 0 3 Figuur 11. Het opwekkingsrendement kan grote verschillen vertonen: een HR-combiketel scoort gunstig met een rendement van circa 0. In dit geval blijken de posten voor verlichting en verwarming vrijwel even groot te zijn.5 bij automatische regeling van het toerental. waarbij de verlichting een zeer belangrijke . het rendement en het aantal gramuren vocht dat per dm3 droge lucht moet worden toegevoegd. Het energiegebruik van twee verschillende klimatiseringssystemen kan voor eenzelfde gebouw een factor 2 in het energiegebruik van elkaar verschillen. De koelbehoefte kan worden bepaald uit een berekening van de warmtewinst (interne belasting en invallende zonne-energie) en het warmteverlies (ventilatie en transmissie).6.6. Zonder hoogrendementsketel en toepassing van een energiezuinige verlichting is het bijna onmogelijk aan de energieprestatie-eis te voldoen.5 Bijdrage diverse componenten in energiebalans Om inzicht te krijgen in de grootte van de afzonderlijke componenten van de energiebalans. waarvoor de norm afhankelijk van de gebouwfunctie waarden geeft. Als er hoge eisen aan comfort en behaaglijkheid worden gesteld. De interne warmtebelasting bepaalt in hoge mate of er koeling in de zomerperiode nodig is. Energiegebruik voor warmtapwater Kenmerkend voor de bepaling van het energiegebruik voor warmtapwater is de behoefte aan warm water.

Rekenprogramma (EPW) met handboek. 2002. Moderne typen lampen en geavanceerde methoden van schakelen brengen de warmte-belasting door verlichting terug. een hoge gebouwmassaen gunstige oriëntatie van grote glasvlakken reduceren de energiebehoefte van een gebouw. Kengetallen en vuistregels. ISSO/SBR-publicatie 800. Een integrale aanpak van het ontwerp van het gebouw en zijn installatie brengt de door eisen belaste energiebalans weer in evenwicht. 1972. NEN 5128 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen . P.O. Hulpmiddel bij het ontwerp van gebouwinstallaties. moderne reflecterende glassoorten. ISSO-publicatie 21.en de PPD-waarde en specificatie van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid. Holland solar (met steun van Novem).Rekenprogramma (EPU) met handboek. Normen en voorschriften Berekening van het energiegebruik voor klimatisering en verlichting van kantoorgebouwen. ISSO/SBR-publicatie 300.Bepalingsmethode. ISSO-researchrapport 5. Sturingsinstrument voor energie (EPC) en binnenklimaat (GTO) in kantoorgebouwen. Energie-efficiënte kantoorgebouwen. 2001. 1990.32 rol speelt. A. . 1994. 2003. 1993. Thermal comfort: Analysis and applications in environmental engineering. Daarbij is het mogelijk maatregelen aan het gebouw uit te wisselen tegen maatregelen aan de installatie en omgekeerd. 2 Lentz. NEN 2916 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen Bepalingsmethode.. Buitenzonwering. 1994.. Handboek zonne-energie. 1996. binnenklimaat en energiegebruik.P. Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 1 Fanger. 2002. 1997. Ontwerpbinnencondities en thermische behaaglijkheid in gebouwen. NPR 2917 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen . NPR 5129 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen .Bepaling van de PMV. NEN-EN-ISO 7730 Gematigde thermische binnenomstandigheden . ISSO-publicatie 33. 1996.

.Klimaatbeheersingsinstallaties Deerns raadgevende ingenieurs b..v. van Zanten raadgevende ingenieurs 12 Het doel van dit hoofdstuk is inzicht geven in de techniek van klimaatbeheersingsinstallaties voorzover die van belang is voor het integrale ontwerpproces: het afwegen van alternatieven om tot een goed evenwicht in de energiehuishouding te komen. Behalve de techniek van klimaatbeheersingsinstallaties worden ook aspecten als investeringen en onderhoud besproken.

zoals in hoofdstuk 11 is besproken. Omdat er altijd verse lucht nodig is. het gebouw.1 en figuur 12.1. met als voordeel dat iedereen het klimaat naar eigen behoefte kan regelen. In technische ruimten van gebouwen wordt het grootste deel van de ruimte in beslag genomen door zogenaamde luchtbehandelingkasten (LBK). • be. Het (warme of koude) water wordt via pompen in de leidingen gebracht. • gebruikte lucht afvoeren. maar wordt bijna niet toegepast vanwege de daarvoor benodigde dure filters om schone en geurvrije lucht te verkrijgen. zodat er met eenvoudige filters kan worden vol- staan. Ze worden onderling verbonden door kanalen en leidingen waar lucht of water doorheen stroomt.en/of ontvochtigen. hebben klimaatbeheersingsinstallaties de volgende functies: • verwarmen. ook machines voor de opwekking van koude. Daaronder wordt verstaan: • behaaglijk binnenklimaat dat geschikt is voor de beoogde activiteiten.en installatieontwerp. Zoals in paragraaf 11. In grote gebouwen worden de installaties meestal centraal opgesteld in een technische ruimte en worden in de verblijfsruimten radiatoren. kunnen zowel de warmte als het vocht uit de retourlucht worden teruggewonnen en opnieuw gebruikt. in geval van een volledig geconditioneerd gebouw. • verse lucht toevoeren. De warmte uit de retourlucht kan via diverse typen warmtewisselaars worden teruggewonnen. af te voeren �warme lucht� buiten reinigingszone 1 uitvoering af te voeren lucht af te voeren lucht buitenlucht toe te voeren lucht luchtverwarmer ventilator toe te voeren lucht naar ruimten 2 inbouw Figuur 12.1 is besproken. Het nadeel van individuele opstelling is dat de investering hoog is en dat lokale apparatuur niet zuinig met energie omgaat. Uit energetische overwegingen verdient het aanbeveling de warmte die anders bij ventileren via de retourlucht zou verdwijnen. Bij centraal opgestelde installaties in technische ruimten moet warmte (eventueel koude) en schone lucht worden verkregen en in het distributiesysteem gebracht.4. zogenaamde eindapparatuur.en vochtterugwinning met warmtewiel . Recirculatie van de retourlucht is mogelijk. om een goede energiehuishouding te krijgen. paragraaf 12.34 Inleiding In hoofdstuk 11 is het evenwicht beschreven dat wordt nagestreefd tussen het beoogde gebruik van het gebouw. Daarnaast worden er ketels aangetroffen voor de opwekking van warmte en. de lucht met behulp van grote ventilatoren. De apparatuur kan individueel worden opgesteld. convectoren en/of luchtroosters aangebracht. • laag energiegebruik. Als transportmedium voor warmte (en koude) gaat de voorkeur uit naar water. Bij warmteterugwinning via zogenaamde warmtewielen. • filteren.1 Warmte. • koelen. te benutten. is het in sommige gevallen verstandig de ventilatielucht tevens te benutten voor transport van warmte.7.

Er is sprake van natuurlijke ventilatie als de buitenlucht zonder ventilator wordt toegevoerd aan de vertrekken. figuur 12. kleppen. inducerende roosters. Er is sprake van mechanische ventilatie als een ventilator de lucht naar de vertrekken toevoert of vanuit de vertrekken afvoert.2. zogenaamde luchtbehandeling en warmteterugwinning. • distributie van lucht en warmte/koude (pompen.5. integratie met verlichting. • aanzuiging en op gewenste temperatuur brengen van schone lucht. enzovoort). 12. Klimaatbeheersingsinstallaties bestaan uit de volgende componenten: • opwekking warmte/koude (ketels. • benutting zonne-energie. • warmte/krachtkoppeling.1 Luchtbehandeling 12.4. worden gebouwen geventileerd. sensoren. warmte/koudeopslag en koelmachines).2. Daarnaast kan er gebruik worden gemaakt van energiezuinige installatieconcepten. convectoren.1.7.1 Principe Om in de nodige frisse lucht te voorzien. paragraaf 12.2 Mechanische ventilatie: luchtbehandelingskasten en distributie door gebouw .7. stralingspanelen. roosters. paragraaf 12. stadsverwarming. enzovoort).12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 35 De warmte kan ter plaatse worden opgewekt. gebouwbeheerssystemen.7. Er is sprake van balansventilatie wanneer de (ventilatie)lucht afvoerlucht buitenlucht technische ruimte leidingen naar koelmachine leidingen naar warmtecentrale buitenluchtrooster luchtafvoerkast luchttoevoerkast distributiesysteem schacht plenum toevoerlucht retourlucht Figuur 12. • regelsystemen (thermostaten. paragraaf 12. • eindapparaten (radiatoren. kanalen en leidingen).zoals: • warmteopslag in grond. ventilatoren.

36 mechanisch wordt toe. ◆ koelbatterij. ◆ warmtewiel. koelen en bevochtigen.en vochthuishouding van een ruimte. moet de buitenlucht gedurende het jaar worden geconditioneerd. Zo kan met lucht een bijdrage worden geleverd aan de gewenste binnencondities. Bij het ontwerp kan men overwegen een grotere hoeveelheid geconditioneerde lucht te distribueren dan de benodigde ventilatielucht. wordt in kantoorgebouwen de lucht centraal geconditioneerd. zodat de gewenste binnencondities kunnen worden bereikt. toevoer.3. ◆ geluiddemper. Bij mechanische ventilatie. + geluiddemper + – + naverwarmer koelbatterij gebouw geluiddemper buiten ventilator – luchtfilter Figuur 12. 12.4. ◆ recirculatieaansluiting.2 Conditionering ventilatielucht De lucht wordt geconditioneerd door filteren. temperatuur en vochtigheid in gebouwen vaak verschillen van de buitencondities. Een richtlijn voor de benodigde hoeveelheid verse lucht per persoon is 35 m3/h in ruimten waar niet gerookt wordt.en afgevoerd. zijn bij lucht als transportmiddel kanalen met een grotere diameter nodig dan in het geval van water als transportmiddel.of verwarmingsvermogen te transporteren. Omdat de klimaatcondities. figuur 12. is er meer bouwkundige ruimte voor transport nodig. Om een bepaald koelings. naast het voorzien in de behoefte aan verse lucht. ook een bijdrage kan leveren aan de warmte. Water heeft een grotere warmtecapaciteit dan lucht. De gebruikelijke opbouw van een luchtbehandelingskast is weergegeven in figuur 12. 3k W w t arm e ø 250 mm lucht te W 3k ø 20 mm water wa rm Figuur 12. ◆ ventilator.2. Er is dan minder capaciteit nodig voor de eindapparaten gevoed door verwarmd of gekoeld water. Vaak wordt de lucht zo geconditioneerd. figuur 12. Als er lucht in plaats van water wordt gebruikt om in de energiebehoefte te voorzien. In veel gevallen is dit een technische ruimte op het dak.4 Opbouw luchtbehandelingskast . In ruimten waar gerookt wordt moet de hoeveelheid verse lucht minimaal gelijk zijn aan 50 m3/h per persoon. dat deze.3 Distributie verwarmingsvermogen met behulp van lucht of water recirculatie warmtewiel voorverwarmer ventilator De componenten van een luchtbehandelingskast worden hieronder kort toegelicht: ◆ luchtfilter. ◆ naverwarmer. ◆ voorverwarmer. verwarmen.1. Hiertoe worden zogenaamde luchtbehandelingskasten geïnstalleerd op een plek waar verse lucht kan worden aangezogen.

Deze worden met elkaar verbonden door een watercircuit met circulatiepomp. Het kan voorkomen dat zo veel vocht aan de lucht moet worden onttrokken dat de temperatuur van de ventilatielucht te laag wordt. De te recirculeren lucht moet voldoende worden gemengd met verse buitenlucht en alleen de verse lucht moet nog op binnen klimaatcondities worden gebracht. Er wordt dan in zowel de toevoer. In het vervolg is gekozen voor een indeling op basis van de wijze van verwarmen. Klimaatbeheersingsinstallaties kunnen worden ingedeeld in installatieconcepten. Een richtlijn is dat de koude lucht met een maximaal temperatuurverschil van 8 °C kan worden ingeblazen.en luchtafvoerkasten ‘gestapeld’ worden geïnstalleerd. is na de koelbatterij een naverwarmer opgenomen. De lucht moet worden naverwarmd. ◆ Koelbatterij In de koelbatterij wordt de lucht gekoeld. ◆ Naverwarmer Omdat in de zomer de lucht soms door de koelbatterij gekoeld wordt tot een lagere temperatuur dan de temperatuur waarmee de lucht mag worden ingeblazen.7. Warmteterugwinning kan ook met behulp van een twin-coil-systeem. Dit diepe koelen is noodzakelijk om de lucht voldoende te ontvochtigen.1 Centrale verwarming.5 en 12. De voorverwarmer wordt voor de koelbatterij geplaatst om bevriezing van de koelbatterij in de winter te voorkomen. ◆ Warmtewiel Warmte en vocht kunnen uit de retourlucht worden teruggewonnen met behulp van het warmtewiel.2. 12. Voor het koelproces is dan het ontvochtigen de bepalende factor. 12. ◆ Ventilator Het benodigde vermogen van de ventilator wordt onder andere bepaald door de luchtweerstand. ventileren en de mate van conditionering. figuur 12.9. . is recirculatie een interessante optie om energie te besparen. Het rendement van de warmteterugwinning met een twin-coil- systeem is lager dan het rendement van een warmtewiel. Het koelproces verloopt meestal zo dat de lucht tijdens het koelen tevens wordt ontvochtigd. ◆ Geluiddemper De voor en na de ventilator geplaatste geluiddemper voorkomt hinderlijk geluid naar het gebouw en naar buiten. natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer Functies Bij dit in de woningbouw veelvoorkomende installatieconcept vindt het verwarmen van een gebouw plaats door middel van radiatoren met een lokale naregeling. ◆ Recirculatieaansluiting Als er meer lucht wordt getransporteerd door het luchtkanalencircuit dan nodig is om in de ventilatiebehoefte te voorzien. Hiertoe moeten de luchttoevoer.als de afvoerkast een lucht/waterwarmtewisselaar opgenomen.1. Het ventileren gebeurt op basis van ‘natuurlijke’ luchttoevoer op lokaalniveau en mechanische luchtafvoer. Van elk installatieconcept zijn diverse varianten denkbaar. ◆ Voorverwarmer De voorverwarmer wordt gebruikt om de lucht te verwarmen.2 Installatieconcepten Door de opwekkingsbronnen via de distributiesystemen te koppelen met de eindapparaten en de regelsystemen ontstaat de klimaatbeheersingsinstallatie. de componenten die in de luchtbehandelingskast worden opgenomen en het kanalensysteem. Ook kan er geen vocht worden teruggewonnen. paragraaf 12.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 37 ◆ Luchtfilter Het luchtfilter is opgenomen om de lucht te ontdoen van vervuiling die het luchtkanalensysteem kan verstoppen en afbreuk doet aan de kwaliteit van de ventilatielucht.

38 dakventilator met geluiddemper CV-ketels in dakopstelling afvoerlucht gevel met te bedienen ventilatierooster centrale verwarming d.5 Principe met centrale verwarming. radiatoren leidingen naar CV-ketel afvoer ruimtelucht via armaturen luchtafvoerkanaal 1 CV en mechanische afzuiging CV-ketel afvoer CV-leidingen afzuigkanaal toevoerlucht natuurlijk ventilatierooster radiator verlichtingsarmatuur CV-leidingen naar CV-ketel 2 schema Figuur 12.v.m. natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer .

Door winddrukken op de gevel kunnen er fluctuerende ventilatiedebieten optreden. De verwarmingsleidingen en luchtkanalen worden gebruikelijk in een verlaagd plafond ondergebracht. zoals: • ketel. In het bouwkundige ontwerp moet men rekening houden met technische ruimten ten behoeve van de opstelling van de warmtebron. • luchtafvoerpunten in de ruimten (bijvoorbeeld roosters of armaturen en in het geval van woonhuisventilatie afzuigpunten in keuken. wat nog wordt gestimuleerd door de ‘natuurlijke’ wijze van luchttoevoer. toilet en badkamer). In de zomerperiode is het gebouwklimaat volledig afhankelijk van het heersende buitenklimaat. Regeling De regeling van de centrale verwarming bestaat uit twee stappen: . • centrale voorregeling cv-watertemperatuur (afhankelijk van heersende buitentemperatuur). Radiatoren verzorgen door convectie en straling de uitwisseling van warmte met de ruimte. waarbij de kanalen het plafondniveau bepalen. Bij geluidbelaste gevels is het een vereiste om akoestische ventilatieroosters toe te passen. • regelingen. Het energiegebruik van de verwarming is afhankelijk van de bouwfysische kwaliteit van het gebouw (hiervoor gelden minimale wettelijke eisen) en het gedrag van de gebruikers. grote luchtcapaciteiten vereisen veelal de opstelling van de unit in een technische ruimte). Ventilatie De luchttoevoer wordt op een ‘natuurlijke’ manier ingebracht. Indien nodig worden voorzieningen. • radiatoren. ▶▶ Ventilatieroosters in raamkozijnen worden besproken in deel 4C Gevelopeningen. De gebruikers ervaren de individuele bediening van de ventilatieroosters in de gevel en temperatuurregeling bij de radiatoren als positief. waarbij het energieleve- De mechanische luchtafzuiging bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • ventilatorunit (de eenvoudigste uitvoering is een op het dak geplaatste ventilator (dakkap-ventilator). Klimaatbeheersing De temperatuur in de ruimten is in de winterperiode redelijk beheersbaar. Men moet letten op het warmteverlies dat wordt veroorzaakt door het toevoeren van de koude buitenlucht via ventilatieroosters.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 39 Verwarming Centrale verwarming bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • warmtebron (bijvoorbeeld ketel of stadsverwarming). ingestort. in het algemeen door middel van ventilatieroosters bovenin de raamgedeelten. waarvoor de ruimte bij voorkeur ter plaatse van het dakniveau is te situeren en men aan de geldende voorschriften moet voldoen. hoofdstuk 14. • regelingen.en binnenlucht en het drukverschil veroorzaakt door het luchtafvoersysteem. Ook hier zijn de kanalen maatgevend voor de benodigde ruimte. zoals luchtkanalen en leidingen. • distributievoorzieningen (transportleidingen en pomp(en)). • stadsverwarming. Deze horen dicht bij de relatief koude binnenoppervlakten (gevels/ramen) te worden opgesteld. In de woningbouw worden in het algemeen geen verlaagde plafonds toegepast. Bouwkundige randvoorwaarden De opstelling van de radiatoren vereist aan de gevel een strook van relatief geringe afmetingen. Klachten kunnen ontstaan over de droge luchtsituatie en de beperkte ventilatiemogelijkheden. Die ‘natuurlijke’ luchttoevoer komt tot stand door de invloed van de wind. Energie Het energiegebruik voor het luchttransport van de mechanische afzuiging is beperkt. • individuele temperatuurregeling per ruimte. Het projecteren van de verticale leidingen en kanalen vindt veelal plaats in een schacht. • distributievoorzieningen (kanalen). in dit geval de schachtafmetingen. door thermostatische afsluiters bij radiatoren. het temperatuurverschil tussen buiten.

• luchttoevoerpunten (roosters). • flexibiliteit van ruimten. De ventilatieroosters in de gevel(s) worden in het algemeen ondergebracht bij de bouwkundige werken. onderwijsgebouw (leslokaal). ook in combinatie met andere installatieconcepten. • ruimten met grote inhoud. winkelgebouw. • zeer beperkte onderhoudskosten.8 m is mogelijk). Voor de verwarming wordt gebruikgemaakt van dezelfde warmtebron als voor de radiatoren.2. In dit installatieconcept wordt de ventilatie echter verzorgd door een systeem dat een constante hoeveelheid lucht aan de ruimten toe. • geen luchtvochtigheidseisen in winterperiode. verwarmen en bevochtigen van de buitenlucht. laagbouwkantoor. Het ventileren gebeurt mechanisch op basis van een constant-volumesysteem. Zeer zeker moet men aandacht schenken aan het onderhouden van de ventilatieroosters in de gevel(s) in verband met de vervuiling ervan. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • geen temperatuureisen in zomerperiode. • mechanische afzuiging om onbeheersbare luchtbewegingen in het gebouw te beperken en zodoende het gebouwcomfort te verhogen. • minimale ventilatie-eisen (men moet voldoen aan de eisen volgens het Bouwbesluit). vanwege de directe luchtuitblaasmogelijkheden. Bijvoorbeeld: woningbouw. • beperkte energiekosten. waarbij de constante hoeveelheid ventilatielucht wordt verwarmd en bevochtigd. centrale verwarming. Onderhoud De installaties zijn eenvoudig en derhalve is het onderhoud evenredig beperkt. • centrale luchtbevochtiging mogelijk. figuur 12. bij voorkeur opgesteld in een ruimte direct onder dakniveau.9. • ventilatorunit. 12. De toevoerlucht van het systeem wordt centraal verwarmd en bevochtigd in een luchttoevoerunit.en afvoerlucht. Een dergelijk systeem heeft de volgende kenmerken: • goed geschikt als mechanisch ventilatiesysteem.2 Ventilatie op basis van constantvolumesystemen.6 en 12.1. De verwarming van de lucht op een centraal punt heeft als gevolg dat de ventilatielucht aan alle ruimten in een gebouw met een gelijke temperatuur wordt toegevoerd. • onderhoudsarm. Toepassingsgebied cv met natuurlijke ventilatie Het concept vindt vooral toepassing bij: • laagbouw met ventilatieroosters en te openen ramen en beperkt glaspercentage (< 30 procent). ventilator). • gebalanceerde ventilatie mogelijk: gewenste onder.en afvoert: het constant-volumesysteem (Constant Air Volume (CAV)-systeem). • energetisch minder sterk in verband met de constante hoeveelheid aan toe.2. • individuele naregeling (temperatuurregeling per travee van 1. Verwarming en ventilatie De verwarming is identiek aan het installatieconcept zoals besproken in paragraaf 12. Het luchttoevoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • luchttoevoerunit (centrale buitenluchtaanzuiging. • lage personeelsbezetting. uiteraard met een aparte regeling. radiatoren Functies Bij dit installatieconcept wordt het gebouw verwarmd door middel van radiatoren met lokale naregeling. eenvoudig aan te passen aan indelingswijzigingen. .en overdrukken in luchtbewegingen kunnen worden ingesteld. filteren. • eenvoudig: er zijn geen specifieke regelingen noodzakelijk.40 rende bedrijf voor de warmtewisselaar in het algemeen een ruimte op begane-grondniveau voorschrijft.

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES
afvoerlucht buitenlucht

41

leidingen naar CV-ketel

luchtafvoerkast luchttoevoerkast

constant volumebox afvoer ruimtelucht via armaturen

leidingen naar CV-ketel

inducerend luchtinblaasrooster

1

constant-volume-systeem
afvoer bovendaks luchtafvoerunit

toevoerlucht retourlucht

afzuigkanaal CV-leidingen

warmtewiel

CV-ketel toevoerkanaal luchttoevoerunit

buitenlucht

constant volumebox inducerend luchtinblaasrooster verlichtingsarmatuur

radiator

2

schema

CV-leidingen

naar CV-ketel

Figuur 12.6 Principe met centrale verwarming en ventilatie op basis van constant-volumesysteem en warmteterugwinning door middel van warmtewiel

42

luchtdistributiekanalen (luchttoevoerkanalen met voorzieningen); • regelingen. Het luchtafvoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • luchtafvoerunit (centrale luchtuitblaas van de afvoerlucht via de ventilator); • luchtafvoerpunten (roosters en/of armaturen); • luchtdistributiekanalen (luchtafvoerkanalen met voorzieningen); • regelingen. Regeling De regeling van de centrale verwarming is identiek aan die in het installatieconcept van paragraaf 12.2.1. De regeling van de ventilatielucht, vooral de luchtinblaastemperatuur voor de ruimten, vindt plaats in de centrale luchttoevoerunit op basis van de heersende buitentemperatuur en/of gemiddelde ruimtetemperatuur. Klimaatbeheersing Het ventilatiesysteem heeft uitsluitend als doel de vereiste constante hoeveelheid aan verwarmde verse buitenlucht aan de ruimte toe- en af te voeren, met andere woorden, om te ventileren. Op basis van deze doelstelling wordt het klimaat ten aanzien van de ventilatie goed beheerst. Door de ventilatielucht in de winterperiode centraal te bevochtigen is de luchtvochtigheid in de ruimten onder controle. De vereiste ruimtetemperaturen zijn in de winterperiode redelijk beheersbaar. In de zomerperiode is het klimaat in het gebouw volledig afhankelijk van het heersende buitenklimaat, de benodigde ventilatielucht wordt immers onbehandeld (niet gekoeld) aan de ruimten toegevoerd. Energie Het energiegebruik voor het transport van de lucht (ventilatoren) is beperkt. Het energiegebruik voor de verwarming is afhankelijk van de bouwfysische kwaliteit van het gebouw en het gedrag van de gebruikers. Bouwkundige randvoorwaarden De bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de installaties zijn in principe gelijk aan het concept van paragraaf 12.2.1. Men moet

rekening houden met een aanvulling hierop ten aanzien van: • luchttoevoerkanalen (vooral belangrijk voor schachtafmetingen); • luchttoevoerunit (belangrijk voor aantal m2 technische ruimte), gewicht, trillings- en geluidsoverlast; • aanzuiging buitenlucht via roosters in gevel technische ruimte. Onderhoud De installaties zijn eenvoudig en derhalve is het onderhoud evenredig beperkt. Het is belangrijk de luchtverwarmer, bevochtiger en filters in de centrale luchttoevoerunit goed te onderhouden. De onderhoudsgevoelige apparaten bevinden zich in de technische ruimte. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • geen temperatuureisen voor zomerperiode; • luchtvochtigheideisen voor winterperiode; • ventilatie-eisen; • flexibiliteit ruimten (eenvoudig aan te passen aan indelingswijzigingen); • beheersing energiekosten; • beperkte onderhoudskosten; • individuele naregeling (temperatuurregeling per travee van 1,8 m mogelijk).
Toepassingsgebied constantvolumesysteem Het concept vindt vooral toepassing bij: • laagbouw met te openen ramen en beperkt glaspercentage (< 30 procent); • ruimten met grote inhoud en gelijke warmtebelasting; • lage tot matige personeelsbezetting. Bijvoorbeeld: laagbouwkantoor, winkelgebouw, onderwijsgebouw, sportgebouw.

12.2.2 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van variabel-volumesystemen

Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

43

‘lucht’ met als principe het variabel-volumesysteem. De lucht wordt gebruikt als ‘drager’ voor de koeling in de zomer en voor verwarming en bevochtiging in de winter, figuur 12.7 en 12.9. Verwarming en ventilatie Het variabel-volumesysteem regelt de ruimtetemperatuur in de zomer door de luchtinblaashoeveelheid van een ruimte te variëren door middel van een geregelde klep, de variabelvolumebox. Door het regelen van de luchthoeveelheid per ruimte of zone kunnen variaties in de warmtebelasting worden gecompenseerd, waarbij de individueel ingestelde ruimtetemperatuur blijft gewaarborgd. Het variabel-volumesysteem kenmerkt zich door: • toepasbaarheid bij wisselende warmtebelasting; • gebalanceerd systeem; • eenvoudig kanalensysteem; • goede regelbaarheid; • hoeveelheidsregeling afvoerlucht moet evenredig zijn aan de toevoerlucht; • onderhoudsarm systeem. De verwarming van het gebouw vindt in twee stappen plaats: • voorverwarming wordt centraal gerealiseerd in luchttoevoerunit, bijvoorbeeld tot 16 °C; • luchtnaverwarmer per ruimte of zone voor individuele verwarming, geschikt voor vereiste maximale luchtinblaastemperatuur. Afhankelijk van de warmtebehoefte in de wintersituatie verandert door verstelling van de ruimtethermostaat de luchtinblaastemperatuur volgens een ingestelde ‘stooklijn’. Het luchttoevoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • luchttoevoerunit (centrale buitenluchtaanzuiging, menging afvoer- en buitenlucht, verwarmen en bevochtigen menglucht, ventilator); • variabel-volumeboxen; • luchttoevoerpunten (roosters); • luchtdistributiekanalen (luchttoevoerkanalen direct verbonden met voorzieningenunit enerzijds en roosters anderzijds, met tussenplaatsing

van variabel-volumeboxen en naverwarmers ter plaatse van de ruimten); • regelingen. Het luchtafvoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: • luchtafvoerunit (bij recirculatie verdeling afvoerlucht naar toevoerunit en afvoerlucht naar ‘buiten’, ventilator); • luchtafvoerpunten (roosters en/of armaturen); • luchtafvoerkanalen met voorzieningen; • regelingen. Regeling De regeling van het binnenklimaat vindt plaats per ruimte en/of zone zowel in de winter- als in de zomersituatie. Aan de eis van individuele ruimteregeling wordt hiermee voldaan. Individuele ruimteregeling per travee van 1,8 m is goed mogelijk, hoewel men hierbij in ogenschouw moet nemen dat de kosteninvestering fors is. Klimaatbeheersing Met dit klimaatconcept wordt een behaaglijk binnenklimaat gerealiseerd. De maximale luchthoeveelheid is gebaseerd op de koelbehoefte van het gebouw en de minimale luchthoeveelheid wordt bepaald door de vereiste hoeveelheid ventilatielucht (‘verse’ buitenlucht). Het systeem biedt hiermee zeer goede ventilatiemogelijkheden. Door de lucht in de winterperiode centraal te bevochtigen, kan ook dit belangrijke behaaglijkheidsaspect worden beïnvloed. Men moet letten op de selectie van de luchttoevoerroosters, vanwege het feit dat bij reducering van de luchttoevoerhoeveelheid wijzigingen in het inblaaspatroon optreden. Een minder goede selectie van de toevoerroosters kan aanleiding geven tot tochtklachten. Energie Over het algemeen is het variabel-volumesysteem energiezuinig, omdat de luchthoeveelheden worden aangepast aan de optredende belastingen. Ook is dit systeem goed geschikt voor recirculatie van de afvoerlucht, uitsluitend de luchthoeveelheid voor de ventilatielucht moet worden ververst. Andere vormen van warmteterugwinning zijn ook goed mogelijk. De isolatie

verwarming en koeling op basis van variabel-volumesysteem .44 afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel afvoer ruimtelucht via armaturen inducerend luchtinblaasrooster variabel-volumesysteem aanvoerlucht naverwarmer variabel-volumesysteem afvoerlucht 1 variabel-volumesysteem afvoer bovendaks luchtafvoerunit toevoerlucht retourlucht afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel VAV-box verlichtingsarmatuur CV-leidingen luchtinblaasrooster VAV-box naverwarmer 2 schema Figuur 12.7 Principe ventilatie.

Verwarming en ventilatie Ventilatorconvectoren zijn units voorzien van een ventilator. • ‘behandelde’ lucht wordt aan ruimte toegevoerd via toevoerroosters. luchtnaverwarmers en variabel-volumeboxen). • vaste indeling ruimten. • redelijke onderhoudskosten. De units worden in dit concept veelal in het verlaagde plafond van een vertrek geplaatst.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 45 van de luchttoevoerkanalen is van groot belang om energieverlies te voorkomen en de temperatuur van de aangevoerde lucht per vertrek gelijk te houden. • luchtvochtigheideisen voor winter. een verwarmings.en koelelement en een aansluiting voor de ventilatielucht. Zorg voor een zodanige lay-out van de installatie. • in de zomer wordt ruimtelucht gekoeld door koelelement. horecagebouw (restaurant). . dat is aangesloten op gekoeldwaternet. verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsystemen Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van lucht. • schachten voor luchtkanalen en leidingen. ventilatie en bevochtiging in de winterperiode en koeling en ventilatie in de zomerperiode vinden plaats door middel van ventilatorconvectoren. Bijvoorbeeld: hoogbouwkantoor. Plaatsing aan de gevel is ook mogelijk. dat voornoemde apparaten vanuit de gangzone te inspecteren zijn. Ventilatorconvectoren kenmerken zich door: • per ruimte ‘op maat gesneden’ klimaatbeheersing (de capaciteit van de units worden op ruimtebehoefte geselecteerd). onderzoekkamer). Toepassingsgebied variabelvolumesysteem Het concept vindt vooral toepassing bij: • goed geïsoleerde gebouwen met beperkt glaspercentage (< 30 procent). zoals: • voldoende ruimte in verlaagd plafond (ten behoeve van luchtkanalen. figuur 12. • in de winter wordt ruimtelucht verwarmd door verwarmingselement. • hoge interne belasting en wisselende personeelsbezetting. • individuele regelbaarheid ruimtetemperatuur ’s zomers en ’s winters. de lucht wordt immers gerecirculeerd).en zomerperiode. • ventilatie-eisen. Verwarming. • beheersing energiekosten. De ventilator zorgt als volgt voor de distributie van de lucht: • ruimtelucht wordt aangezogen via plenum of retourroosters. 12.en luchtafvoerkast(en).2. dat is aangesloten op verwarmingswaternet.en zomerperiode. • technische ruimte voor opstelling luchttoevoer. Onderhoud Het onderhoud aan de installatie is voornamelijk geconcentreerd in de technische ruimten. van beperkte afmeting (uitsluitend kanalen ten behoeve van ventilatielucht. • variaties warmtebelasting in ruimten.9. • eenvoudig kanalensysteem.4 Ventilatie. Inspectie aan de variabel-volumeboxen en luchtnaverwarmers is noodzakelijk. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • temperatuureisen voor winter. gezondheidszorg (beddenkamer. • ventilatielucht wordt aangezogen vanuit ventilatiesysteem. • uitgebalanceerd systeem.8 en 12. • technische ruimte(n) voor opstelling koudeen warmtebron (koelmachineconfiguratie en verwarmingsketel). Bouwkundige randvoorwaarden In het algemeen kan worden gesteld dat ten behoeve van het variabel-volumesysteem in ruime mate behoefte is aan bouwkundige voorzieningen.

46 afvoerlucht buitenlucht leidingen naar koelmachine leidingen naar CV-ketel luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel koeling en verwarming d. ventilatorconvector leidingen verwarmd water leidingen gekoeld water 1 ventilatorconvectorsyteem afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit toevoerlucht retourlucht CV-leidingen gekoeldwaterleidingen c c CV-leidingen condensleiding gekoeldwaterleidingen luchtinblaasrooster – + ventilatorconvector verlichtingsarmatuur 2 schema Figuur 12.m. verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsysteem .v.8 Principe ventilatie.

De ventilatie wordt verzorgd door centraal opgestelde luchtbehandelingskasten.en afvoerkast. Ruimtelijke indeling per 1.en koelelementen van de ventilatorunits worden geringer van capaciteit en dus ook van afmetingen. • regelmatig onderhoud.6 m.en verwarmingswaternetten ten behoeve van de ventilatorconvectoren zijn geringer van afmetingen.6 m is eenvoudig te realiseren. vereisen regelmatig onderhoud. • basisluchtconditie kan gebruikt worden voor ruimten waaraan minder klimaateisen worden gesteld. • geluidproductie ventilatoren. zijn extra akoestische voorzieningen aan de unit noodzakelijk. Technische ruimten zijn noodzakelijk voor de opstelling van de koude. is condensafvoer noodzakelijk als gevolg van droging van de aangezogen ruimtelucht bij het koelproces in de zomerperiode. Klimaatbeheersing Met de ventilatorconvectoren is een goed binnenklimaat te bereiken. • verwarmingsnet en gekoeld waternet tot aan de ventilatorconvectoren. Hierin bevinden zich de ventilatorconvectoren. Energievernietiging kan optreden in het geval dat opgewarmde buitenlucht. • verwarmings. Bouwkundige randvoorwaarden In principe ligt het ‘zwaartepunt’ van de ruimtelijke behoefte van de klimaatinstallatie op lokaalniveau. met de aansluitingen op het verwarmingswaternet en het gekoeldwaternet.6 m. waarin de verse buitenlucht wordt ‘ingenomen’ en vervolgens wordt voorbehandeld via verwarming en koeling. Als er aan ruimten specifieke geluideisen worden gesteld. via de centrale ventilatievoorziening. in de ventilatorconvector komt die op een koelproces staat geregeld. zeker aan het filter van de unit. Het voorbehandelen van de buitenlucht heeft als belangrijke voordelen: • gekoeldwater.8 m van de ventilatorconvectoren is zeer goed mogelijk. vooral de luchtfilters. Uiteraard is er ook onderhoud noodzakelijk aan de centrale luchtunits. Uiteraard vallen de daaraan verbonden kosten (investering en onderhoud) belangrijk hoger uit dan bij de gebruikelijke indeling per 3. Daarbij treden geen grote verliezen op.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 47 • indeling per stramien van 3. Onderhoud Ventilatorconvectoren. De luchthoeveelheid is daarbij constant. • als er te openen ramen worden toegepast. een toe. de ventilatieaansluitingen en een wandcontactdoos voor de voeding van de ventilator en het condensafvoernet tijdens koelen in de zomer. Regeling De regeling van het binnenklimaat gaat in dit geval per gevelzone en binnenzone van 3. Het systeem biedt de vereiste ventilatiehoeveelheden. Energie In het algemeen heeft het systeem met de ventilatorconvectoren een gemiddeld energiegebruik. Het systeem is wat betreft geluidproductie (ventilatoren) nogal kritisch. heeft een temperatuur van circa 18 °C. derhalve ook de regelbaarheid. De lucht wordt centraal bevochtigd. een en ander afhankelijk van het buitenklimaat. De ventilatielucht die door het gebouw wordt getransporteerd. De distributie van de ventilatielucht vindt plaats met een kanalensysteem voor de toevoer van de ventilatielucht naar de voornoemde ventilatieaansluiting op de ventilatorconvector en een kanalensysteem voor de afvoer van de gebruikte ventilatielucht.en warmtebron alsmede voor de opstelling van de centrale luchtunits. namelijk in het verlaagd plafond van de vertrekken. Naast het beheersen van het klimaat op het gebied van verwarming en koeling is ook ventilatie (met verse buitenlucht) noodzakelijk. ten minste 35 procent. De luchtinblaastemperatuur wordt geregeld door variatie van de hoeveelheid verwarmd water en gekoeld water die door het verwarmingselement respectievelijk door het koelelement stroomt. waardoor de relatieve luchtvochtigheid in de winterperiode. . is gegarandeerd. In de wintersituatie wordt de ventilatielucht ook bevochtigd. Dit zijn werkzaamheden in de gebruiksruimten. tot een basistemperatuur van circa 18 °C.

Toepassingsgebied ventilatorconvector systeem Het concept vindt vooral toepassing bij: • goed geïsoleerd gebouw met hoogwaardig isolerend glas. • ruimten waarin enige geluidproductie acceptabel is. • gebouw waarin veel gekoeld moet worden. vooral aan convectorunit. • ruimten met sterk wisselende warmtebelasting. • flexibele indeling ruimten per 3. • ventilatie-eisen. Technische ruimte (m2 in % bvo) Gevelstrookbreedte (mm) Plafondhoogte (mm) Gebouwniveau Gebouwniveau Gebouwniveau Lokaalniveau Lokaalniveau Lokaalniveau Luchttoevoer Bevochtigen Luchtafvoer Verwarmen Filteren Koelen . Bijvoorbeeld: onderwijsgebouw (laboratorium).3.5 500 350.1. • bij goed planmatig onderhoud.0 300 + + + + + – + + + 100 300.5 550 400.5 500 450.en zomerperiode. • beheersing energiekosten.6 m. logiesgebouw (hotelkamer).2.3.5 400 350.9 Functies en ruimtebeslag installatieconcepten Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • temperatuureisen voor winter.3. zijn kosten beheersbaar.en zomerperiode.5.2. • ruimten waarin interne recirculatie acceptabel is.5 400 + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + 0 0 + + + + + + + + + + + + + + + + + + + 500 0 500 Figuur 12. zie paragraaf 12.5 400 400. • luchtvochtigheideisen voor winter. + – – – + + 100 200.3.48 Installatieconcept Basisfuncties Regeling Verwarming Ventilatie Koeling Ruimtebeslag Natuurlijke/mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant volumesysteem en centrale verwarming Variabel volumesysteem Ventilatorconvectorsystemen Inductiesystemen Klimaatplafond Klimaatgevel + nat.4.

waardoor een individuele aanpassing aan het ruimteklimaat wordt verkregen.of waterzijdig zijn.2. Deze regeling kan lucht. primaire en geïnduceerde. figuur 12. • constante luchthoeveelheid. Inductie-units hebben de volgende kenmerken: • per ruimte ‘op maat gesneden’ klimaatbeheersing (capaciteit inductie-units wordt op ruimtebehoefte geselecteerd). • ‘opvangen’ koudeval van raam en/of gevel. met als belangrijke voordelen: • redelijke eenvoud centrale regelingen. Verwarming en ventilatie Inductie-units zijn in feite omkastingen die aan de gevel van ruimten worden opgesteld (plafondopstellingen zijn ook mogelijk).6 m is eenvoudig te realiseren. Regeling De regeling van het klimaat vindt plaats per zone van 3. Er zijn diverse uitvoeringen van inductiesystemen mogelijk. dus geringe ruimtebehoefte (uitsluitend kanalen ten behoeve van ventilatielucht). De ventilatielucht wordt aan de onderzijde toegevoerd via een vloersparing. onder hogere druk dan in de hiervoor besproken systemen. Karakteristiek voor het inductiesysteem is dat iedere ruimte een constante hoeveelheid ventilatielucht. wordt door middel van luchtuitblaasspleten aan de ruimte toegevoerd. krijgt toegevoerd. eenvoudig kanalensysteem. de zogenaamde secundaire lucht. verwarming en koeling op basis van inductie-units • Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van lucht. • indeling per 3. dus ook de regelbaarheid. De gemengde lucht. figuur 12. • uitgebalanceerd systeem. • kritisch met betrekking tot geluid.en gekoeldwaternetten. • ruimtebehoefte van circa 500 mm aan gevel. • gunstiger energiegebruik.4. Extern zijn de units voorzien van luchtuitblaasspleten aan de bovenzijde van de omkasting en roosters aan de onderzijde van het front ten behoeve van het aanzuigen van de ruimtelucht. De units zijn intern voorzien van een verwarmingselement en een koelelement. Hierdoor wordt een hoeveelheid ruimtelucht.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 49 12.of koelelement te regelen.10-3. In de inductie-unit wordt de hoge druk door middel van straalpijpjes omgezet in een hoge luchtsnelheid. • verwarmingsnet en gekoeldwaternet tot aan inductie-units.10. horizontaal langs de gevel. • kritisch met betrekking tot circulatievoud in verband met tochtklachten. De primaire lucht wordt op een temperatuur gehouden die afhankelijk is van de buitentemperatuur. Bij een luchtzijdige regeling regelt een thermostaat in de secundaire lucht een klep die de lucht over het verwarmingselement of koelelement leidt. • geen apparatuur in plafond. De straalpijpjes bepalen de hoeveelheid .of koelelement gevoerd en naar gelang de ruimtebehoefte verwarmd of gekoeld. Bij een waterzijdige regeling regelt een thermostaat de kleppen in het verwarmings. De geïnduceerde lucht wordt vervolgens door het verwarmings.2. De ventilatie is in principe gelijk aan de omschrijving in paragraaf 12.en winterperiode. Het geluidsniveau in de ruimten is sterk afhankelijk van de toe te passen straalpijpjes in de inductieunits. Het is gebruikelijk dat de genoemde leidingsystemen in de omkastingen zijn opgenomen.9 en 12. Het hiervoor omschreven inductiesysteem is een vierpijpssysteem. • onderhoudsgevoelig. Inductie-units verzorgen de totale klimaatbeheersing in de zomer. geïnduceerd (‘meegesleept’). de zogenaamde primaire lucht. Klimaatbeheersing Met het inductiesysteem is een goed binnenklimaat te bereiken. Een nadeel is de investering in de uitgebreide verwarmings.5 Ventilatie. Zowel een te hoog als een te laag circulatievoud kan leiden tot tochtklachten.6 m door het verwarmingselement.en gekoeldwaternet. die zijn aangesloten op een verwarmingswaternet respectievelijk op een gekoeldwaternet. Het kritische in het ontwerp van een inductiesysteem is het circulatievoud in de ruimten.

inductieunit afvoer ruimtelucht via armaturen leidingen verwarmd water toevoer lucht leidingen gekoeld water 1 inductiesysteem afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit toevoerlucht retourlucht CV-leidingen gekoeldwaterleidingen verlichtingsarmatuur toevoer lucht + – F 2 schema lucht gekoeld waterleidingen CV-leidingen Figuur 12.50 afvoerlucht buitenlucht leidingen naar koelmachine leidingen naar CV-ketel luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel koeling en verwarming d.m. verwarming en koeling op basis van inductie-units .v.10 Principe ventilatie.

Naast de genoemde aspecten moet men rekening houden met voldoende ruimte in het verlaagd plafond ten behoeve van de ventilatiekanalen en leidingensystemen. . • ventilatie-eisen. • beheersing energiekosten. Energie Energetisch moet men nadrukkelijk kijken naar de uitvoering van de warmwater. zijn er in een aantal projecten klachten over het geluid gesignaleerd.en zomerperiode. • redelijke onderhoudskosten. Als er geen filters worden toegepast. • flexibele indeling ruimte per 3. Die klachten zijn veelal het gevolg van een bezuiniging op de investeringskosten en/of vervuiling van de straalpijpjes. Bouwkundige randvoorwaarden De plaatsing van inductie-units aan de gevel vraagt een aantal bouwkundige aanpassingen: • vloersparingen ter plaatse van elke inductieunit ten behoeve van toevoer ventilatielucht. • luchtvochtigheideisen voor winter. Bij een luchtzijdige regeling treedt er energievernietiging op door warmte. Technische ruimten zijn nodig voor de opstelling van de koude.en gekoeldwatersystemen en naar de regelingen van de systemen. naar gevelomkasting.en zomerperiode. De filters moeten regelmatig worden onderhouden of vervangen.en warmtebron alsmede voor de opstelling van de centrale luchtunits. Toepassingsgebied inductie-unit Het concept vindt vooral toepassing bij: • goed geïsoleerd gebouw met hoogwaardig isolerend glas. • gebouw waarin beperkt gekoeld moet worden.10 Principe ventilatie. • brede strook vloeroppervlak aan gevel(s) ten behoeve van opstelling inductie-units. natuurlijk zonder de investeringskosten uit het oog te verliezen. moet de inductie-unit regelmatig worden ‘schoongeblazen’.of koudeafgifte van de elementen in de inductie-unit die luchtzijdig is afgesloten.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 51 primaire lucht koud of warm warm water gekoeld water koud of warm warme retourlucht 3 voorbeeld van een inductie-unit in het plafond Figuur 12. Genoemde activiteiten vinden plaats in de gebruiksruimten. Hoewel het zeer goed mogelijk is een inductiesysteem te realiseren zonder geluidproblemen. Onderhoud Het is gebruikelijk de inductie-units te voorzien van filters om vervuiling van de elementen te voorkomen. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • temperatuureisen voor winter. • vloersparingen ten behoeve van warmwateren gekoeldwaterleidingen.6 m. verwarming en koeling op basis van inductie-units (vervolg) secundaire lucht die wordt ‘meegezogen’. op centraal punt.

52 afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel afvoer ruimtelucht via armaturen inducerend luchtinblaasrooster klimaatplafond 1 klimaatplafond afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerlucht retourlucht CV-leidingen gekoeldwaterleidingen toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel naar koelmachine inducerend luchtinblaasrooster klimaatplafond regelkleppen verlichtingsarmatuur 2 schema Figuur 12.11 Principe verwarming en koeling door middel van klimaatplafond .

gekoeld en bevochtigd. De benodigde hoeveelheid koeling is maatgevend voor de oppervlakte van het klimaatplafond. • thermisch goede gevel is zeer belangrijk. Een gebruikelijke afmeting is 1800 × 300 mm. Ventilatie Het klimaatplafond zorgt uitsluitend voor verwarming en koeling van een ruimte.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 53 • • ruimten met beperkte diepte.9 en 12. roosters en speakers is zeer goed mogelijk. Verwarming Het klimaatplafond zorgt voor straling en convectieve uitwisseling van warmte en koude aan de ruimtelucht. • eenvoudig onderhoud. • in de winter stralingscompensatie van koude oppervlakken.2.11. De ventilatielucht is verwarmd. qua geluid. een beveiliging worden opgenomen. Integratie van installatiecomponenten zoals verlichting. ruimten waarin enige geluidproductie acceptabel is. Dit is vooral belangrijk voor de behaaglijkheid van het klimaat. Het klimaatplafond bestaat uit geperforeerde metalen panelen. • energie-uitwisseling door middel van convectie en straling. Een extra dimensie aan de akoestische waarde (overspraakisolatie) van een ruimte kan worden verkregen door een horizontale akoestische barrière (gipsplaten) op de panelen te situeren.en koudedistributie van water plaatsvinden. • hoge koelcapaciteit. In deze situatie is het ook eenvoudiger. Het voordeel ten opzichte van uitsluitend convectieve systemen is dat er minder lucht in beweging moet worden gebracht. wat een budgettaire besparing kan opleveren. waardoor geluidsschotten (ter plaatse van scheidingswanden) overbodig .en koudebron. • temperatuurtrajecten verwarmings. De ventilatie vindt plaats door middel van een constant-volumesysteem. figuur 12. Luchtstromingen zijn gerelateerd aan luchtsnelheid en daarmede aan behaaglijkheid. 12. derhalve is de toevoer en afvoer van ventilatielucht separaat van het klimaatplafond noodzakelijk. • geringe luchtverplaatsing. De koudeval aan de gevel kan niet door het klimaatplafond worden gecompenseerd.6 Verwarming en koeling door middel van klimaatplafonds Functies Verwarming en koeling vinden plaats door middel van uitwisseling van warmte en koude via een speciaal plafond. Het ventilatiesysteem is veelal uitgevoerd als een constantvolumesysteem. Het klimaatplafond kan door de geperforeerde uitvoering en isolatie zorgdragen voor een goede geluidsabsorptie. waardoor de warmte. een en ander afhankelijk van het heersende buitenklimaat. • ruimten waarin interne recirculatie acceptabel is.en kanalentracés te projecteren boven de ruimten. om leidingen. De ventilatielucht kan in de zomer en winter met een constante temperatuur (bijvoorbeeld 18 °C) in alle ruimten worden ingeblazen. worden. aan de bovenzijde voorzien van pijpjes (zogenaamde registers). • energetisch gunstig. • ruimten met sterk wisselende warmtebelasting per ruimte. Het klimaatplafond doet tevens dienst als ‘bouwkundig’ plafond. • kwalitatief goed plafond. De panelen zijn in beperkte afmetingen verkrijgbaar in verband met doorbuiging onder het eigen gewicht. Samenvattend zijn de eigenschappen van een klimaatplafond: • koeling en verwarming door middel van één installatie. Aan een aantal punten moet extra aandacht worden besteed: • bij aanwezigheid van te openen ramen moet er. ter voorkoming van condensatie op het klimaatplafond in de zomerperiode. Vaak is het mogelijk perforatiegraad en -grootte te kiezen. het klimaatplafond. • verwarming (grotendeels) onafhankelijk van ventilatie.en gekoeld water spelen een beslissende rol in de keuze van de warmte.

wat belangrijk is voor het energiegebruik. een en ander afhankelijk van het akoestische pakket. Toepassingsgebied klimaatplafond Het concept vindt vooral toepassing bij: • gebouw met uitstekend geïsoleerde gevel en glasvlakken. kunnen laag worden gehouden. figuur 12. Een voorbeeld van een thermisch goede gevel wordt bij de klimaatgevel besproken. Door het ventilatiesysteem naar recirculerend te schakelen. logiesgebouw (hotelkamer). • volledige benutting vloeroppervlak. • energiezuinig systeem. Klimaatbeheersing Een goed en individueel regelbaar binnenklimaat wordt bereikt door de toepassing van een klimaatplafond. omdat de panelen scharnierbaar kunnen worden uitgevoerd. De opwarming van het gebouw na een weekend en/of nacht vraagt een redelijke periode. is recirculatie alleen beperkt (en buiten kantoortijd) toepasbaar. waarbij de stralingscompensatie (winterperiode) blijft gewaarborgd. draagt bij aan de behaaglijkheid in de ruimte. De distributiekanalen van het ventilatiesysteem vereisen eveneens ruimte boven het klimaatplafond. vooral op het gebied van behaaglijkheid van het klimaat. Doordat er geen ventilatie meer plaatsvindt. kan de opwarmperiode worden beperkt.6 m. bij voorkeur op dakniveau. De ventilatie. De regelingen zijn eenvoudig. In dat geval moet er rekening worden gehouden met een verminderde warmteoverdracht (warmte of koude). • gebouw met grote koellast. Bijvoorbeeld: hoogbouw kantoorgebouw. koudebron (koelmachine) en de luchtbehandelingskasten moeten worden opgesteld in technische ruimten. Het is mogelijk onder het klimaatplafond een systeemplafond aan te brengen. • flexibele indeling ruimten per 3. • onderhoudsarm systeem. . • kritische gebruikers. • gebouw met grote diepte.6 m.en zomerperiode. • individuele regelbaarheid ruimtetemperatuur ‘s zomers en ‘s winters.en zomerperiode. Preventief onderhoud is zeer belangrijk. onderzoekkamer). Het klimaatplafond behoeft geen zogenaamde revisieopeningen. Onderhoud Het onderhoud van de installaties is eenvoudig. gezien het feit dat de koudeval aan de gevel niet door het klimaatplafond kan worden gecompenseerd. Uitgangspunten Voor de keuze van het installatieconcept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. De constructiehoogte van een klimaatplafond is gelijk aan die van een systeemplafond en bedraagt circa 50 mm. • ventilatie-eisen. maar dan zijn alleen grofmazige lamellenplafonds acceptabel. met in de winterperiode bevochtigde lucht. • luchtvochtigheidseisen voor winter. Het koelen en verwarmen van een ruimte vindt plaats door middel van één component. De verwarmings.en gekoeldwaterleidingen voor de aansluitingen op de registers van het klimaatplafond worden in het plenum ondergebracht en vereisen weinig ruimte. De uitvoering als een geperforeerd plafond vraagt regelmatig schoonmaken in verband met de optredende vervuiling van de perforaties.54 Regeling De regeling van het binnenklimaat gaat per zone van 3. De warmtebron (ketel). De temperatuurtrajecten van het verwarmingswater en het gekoelde water dat door de registers van het klimaatplafond stroomt. zowel in de zomer als in de winter. omdat er zich een uitgebreid waternetwerk boven de verblijfsruimten bevindt.12: • temperatuureisen voor winter. gezondheidsgebouw (beddenkamer. De klimaatbehoefte van een ruimte wordt geregeld door de hoeveelheid gekoeld water of verwarmingswater naar de klimaatregisters te regelen. Het kost immers meer energie om water hoog te verwarmen of diep te koelen. Bouwkundige randvoorwaarden Zeer belangrijk is een thermisch goede gevel.

omdat deze de energiehuishouding ter plaatse van de gevel verstoren. In figuur 12.50 m) waarin een zonwering is aangebracht.of derdehuidgevels.Klimaatconvector.7 Klimaatgevels Bij een klimaatgevel worden het gebouw. Aan de buitenzijde wordt enkel glas aangebracht met een grote spouw (circa 0.Klimaat. Een klimaatgevel wordt in twee uitvoeringen toegepast: • gevel met aan buitenzijde dubbel glas en aan binnenzijde enkel glas met daartussen een ge- De koudeval van het raam in de winter en de binnentredende zonnewarmte in de zomer worden door de binnenschil opgevangen en via ventilatie afgevoerd.systemen plafond gevel systemen Kantoorruimte Vergaderruimte Computerruimte Patiëntenkamer Onderzoeksruimte Operatiekamer Verkoopruimte Magazijn Restaurant/kantine Lesruimte Zwembad Kleed/doucheruimte Hotelkamer Bejaardenflat Pension + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + Figuur 12. Bij een klimaatgevel mogen er geen te openen ramen aanwezig zijn. • De toepassing van bijvoorbeeld een klimaatplafond vereist een thermisch uitstekende gevel.12 Gangbaar installatieconcept versus beoogd gebruik 12. Te openen ramen kunnen wel worden gerealiseerd bij zogenaamde tweede.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 55 Gebruik mmmmmmmmmmmmmmmmInstallatieconcept Natuurlijke/ mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant volumesysteem en centrale verwarming + Variabel volumesysteem Ventilator.13. figuur 12. het energiegebruik en de installatieinvesteringen. gevel met aan buitenzijde dubbel glas en aan binnenzijde een beweegbaar screendoek met daartussen een geventileerde spouw en zonwering. in feite alle concepten waarbij geen verwarming aan de gevel aanwezig is. De spouw wordt op een natuurlijke manier geventileerd. Gebruikelijk is om de verwarming en de koeling te realiseren met een klimaatplafond. maar nu bestaat de binnenschil uit dubbel glas en een screen aan de binnenzijde. Er zijn meerdere installatieconcepten die de ondersteuning van een thermisch goede gevel vereisen.en installatieconcept optimaal op elkaar aangepast.14-5. Voor de zomersituatie wordt er zonwering toegevoegd om de warmte aan zonnestraling te weren. figuur 12.14.9 en figuur 12. figuur 12.Inductie.2.14 is een aantal . ventileerde spouw en zonwering. Een goede thermische schil draagt in positieve mate bij aan het comfort. Het bouwkundige concept kent een uitstekend geïsoleerde gevel om energieverlies in de winter te beperken en een geventileerde spouw met zonwering om tijdens de zomer opwarming te reduceren. Derdehuidgevels zijn in principe ook klimaatgevels. gezien het feit dat de koudeval aan de gevel niet door het klimaatplafond kan worden opgevangen.

13 Principe klimaatgevel .56 afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel ventilatie afvoer ruimtelucht via armaturen inducerend luchtinblaasrooster klimaatplafond 1 klimaatgevel afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerlucht retourlucht CV-leidingen gekoeldwaterleidingen toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel naar koelmachine regelkleppen verlichtingsarmatuur afzuiging via armaturen inducerend luchtinblaasrooster dubbel glas enkel glas ventilatie (afvoerlucht) klimaatplafond 2 schema Figuur 12.

Als comforteisen ontbreken. Bijvoorbeeld: hoogbouw kantoorgebouw. • gebouw met beperkte koellast. • gebouw met beperkte diepte.3 88% 15% 75% + 80% 85% – ++ Figuur 12. Elk installatieconcept levert een andere mate van comfort en heeft een ander kostenplaatje (investering en preventief onderhoud).8 Keuzemotieven Bij de keuze van het installatieconcept moet allereerst worden gelet op het voldoen aan het . Installatieconcepten die in koeling voorzien en lokaal regelbaar zijn. Soms beperkt het Programma van Eisen zich tot de te realiseren temperaturen in de wintersituatie. Toepassingsgebied klimaatgevel Het concept vindt vooral toepassing bij: • gebouw met uitstekende geïsoleerde gevel en glasvlakken.en milieu-invloed in Nederland 1.2.14 Specifieke fysieke eigenschappen tweede. figuur 12. Bij de keuze van het installatieconcept moet ook worden gelet op de mate van comfort die wordt gerealiseerd.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 57 buiten dubbel glas dubbel glas binnen enkel glas buiten dubbel glas binnen beweegbaar screendoek buiten enkel glas binnen dubbel glas buiten enkelglas binnen dubbelglas beweegbaar screendoek 1 normale gevel 2 klimaatgevel 3 klimaatgevel door screendoek 4 tweede huid 5 derde huid Normale gevel U-waarde gevel W/m2 · K Lichttoetreding Zontoetreding Maximaal glaspercentage Geluidsisolatie Index benodigd koelvermogen Index benodigd verwarmingsvermogen Energieterugwinning met behulp van gevel Energie. Programma van Eisen.85 68% 15% 75% ++ 80% 90% + + Idem met screendoek 0.15. In ruimten waarin mensen verblijven moet het klimaat behaaglijk zijn.85 68% 15% 75% +– 80% 90% + + Tweede huid Derde huid 1.1 60% 40% 50% – 100% 100% – – Klimaatgevel 0. bieden het hoogste com- 12.en derdehuidgevel gevelsituaties aangegeven met specifieke fysieke eigenschappen.3 88% 20% 75% +– 90% 110% – +– 1. moet men nagaan of de opdrachtgever akkoord is met een beperkte mate van comfort.

9. Voor werkruimten is het belangrijk dat de temperatuurgradiënt beperkt wordt (verticaal ≤ 3. In figuur 12. Een ruimte direct onder het dak of in een dakopbouw heeft het voordeel dat de lengte van het rookafvoerkanaal (schoorsteen) zeer beperkt is.19.en afvoerunit te dicht bij elkaar zijn geplaatst. is er ook ruimte nodig om de centrale technische installaties onder te brengen.t. figuur 12. onder andere vanwege specifieke eisen aan gasdichtheid van de ruimte en explosiegevaar.v. Men moet voorkomen dat er kortsluiting optreedt doordat de luchtaanzuigunit afgewerkte ventilatielucht aanzuigt omdat de aan.t.15 Comfort versus installatieconcept fort. tochtklachten Kans op geluidshinder Stralingscompensatie koudeval aan raam Leefgebied tot aan gevel Constante ruimtetemperatuur mogelijk goed matig redelijk neen neen neen ja ja neen goed goed goed goed neen neen neen neen ja goed goed uitstekend uitstekend neen neen n.3 Distributiesystemen 12. koeling en luchtbehandeling. Klimaatplafonds en klimaatgevels bieden een hoog comfort en zijn bijzonder energiezuinig. figuur 12. De temperatuurgradiënt wordt eveneens beïnvloed door de plaats van radiatoren en de plaats en het inducerend vermogen van luchtinblaasroosters.16.18 geeft een eerste indruk van de afmetingen van de technische ruimte door gebruik te maken van de aangegeven kengetallen voor verwarming.17 wordt globaal aangeven op welk energiegebruik gerekend moet worden per m3 gebouwinhoud.b. De opstelling van luchtbehandelingskasten direct onder het dak of op het dak bespaart op de lengte van het luchtafvoerkanaal.3. 12. Een hoge plaatsing van de luchttoevoeropening heeft het voordeel dat relatief schone lucht wordt ingenomen.58 Gebruik mmmmmmmmmmmmmmmInstallatieconcept Natuurlijke/ mechanische ventilatie en centrale verwarming Variabel Ventila. Figuur 12.InductieConstant volumevolume.en onderhoudskosten een belangrijk keuzecriterium. ja ja Figuur 12. figuur 12.1 Situering technische ruimte De verwarmingsketel wordt bij voorkeur opgesteld in een aparte ruimte. Naast voldoen aan de eisen en comfort zijn de investerings.0 K/m1). Elk klimaatconcept vraagt om andere afmetingen van de technische ruimte waarin de warmteopwekking. afhankelijk van het gewenste klimaat.torconsystemen systeem en systeem vectorcentrale versystemen warming goed redelijk goed neen neen neen ja ja neen redelijk goed goed goed ja neen neen neen ja goed goed goed goed neen ja neen neen ja goed redelijk goed goed neen ja ja ja ja Klimaatplafond Klimaatgevel Verticale temperatuurgradiënt Horizontale temperatuurgradiënt Optimaal klimaat winter Optimaal klimaat zomer Kritisch m. Naast de ruimte die moet worden gereserveerd boven het plafond en nabij de gevel. Een manier om kortsluiting te voorkomen is de aan- . koeling en centrale luchtbehandeling wordt geplaatst. De keuze van het installatieconcept bepaalt in principe de temperatuurgradiënt.

Het is mogelijk in de schacht alleen kanalen voor de toevoerlucht aan te brengen en de schacht zelf als afvoerkanaal te benutten. anderzijds omdat eventuele geluidproductie in de schachten minder snel tot hinder in de aangrenzende ruimten leidt. De bouwkundige schacht moet dan goed luchtdicht zijn.20. Bij cv-verwarming zijn de leidingen dusdanig klein dat bij gebouwen met een beperkte hoogte de leidingen niet in schachten hoeven te worden ondergebracht. . figuur 12. dat er voldoende wandlengte is om leidingen af te takken zonder een trappenhuis of liftschacht te moeten passeren. In zomersituaties kan deze oplossing het comfort nadelig beinvloeden: de leidingen geven warmte af en aan de zonzijde van het gebouw is dat ongewenst. 12. De schacht moet dusdanig worden gesitueerd.16 Temperatuurgradiënt afhankelijk van gebouw en installatie zuigopening in de gevel te plaatsen en de luchtafvoeropening in het dak. zodat op leidinglengte kan worden bespaard. Nadeel van deze optie is. Een goede keus is het plaatsen van een schacht in de omgeving van het trappenhuis.3. Vooral luchtkanalen vragen de nodige ruimte. dat de leidingen een essentiële bijdrage leveren aan de warmteafgifte in verblijfsruimten. Enerzijds omdat daar de vloeren toch al onderbroken moeten worden.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 59 20 °C 21 °C 20 °C 16 °C 18 °C 20 °C 1 radiatorverwarming onder het raam 2 luchtverwarming 20 °C 22 °C 23 °C 18 °C 20 °C 22 °C 3 vloerverwarming 4 plafondverwarming Figuur 12. wat in verband met de vele leidingaftakkingen en inspectieluiken veel aandacht tijdens de bouw en de gebruiksperiode vraagt. Voor de distributie van warm en gekoeld water kan van dezelfde schacht gebruik worden gemaakt en is weinig extra ruimte nodig.2 Situering kanalen en leidingen Bij een gebouw met meerdere verdiepingen moeten de warmte en de lucht ook verticaal worden getransporteerd. Vrijwel zonder uitzondering wordt de lucht via schachten naar de verdiepingen getransporteerd en van daaruit verdeeld.

8 2.0 3.8 3.0 4.000 45.0 3.5 °C.60 Klimaatregeling hKlimaateisen winter zomer geen Bevochtiging Energiegebruik Gas (m3) Elektriciteit (kWh/m2) 13.000 35.0 3.2 3.0 3.4 3. bij buitentemperatuur > 28 °C mag de ruimtetemperatuur naar rato meelopen 25.8 3.2 3.0 3.8 4.5 4.5 26 Volledig geklimatiseerd gebouw 22 °C ja 10.8 2.000 90.6 3.5 34 De waarden betreffen energiegebruik voor conventionele installaties in een gemiddeld kantoorgebouw en zijn projectafhankelijk Figuur 12.18 Globale afmetingen technische ruimten Hoogte m . 28 °C maximaal 1% van de kantoortijd ja 8.5 Verwarming en natuurlijke ventilatie Geklimatiseerd gebouw met beperkte koeling 22 °C neen 6 22 °C bij buitentemperatuur ≤ 28 °C: maximaal 25.2 220 550 880 1100 1650 2200 30 55 70 80 100 130 – 55 60 65 80 100 – 40 50 55 70 85 2.6 3.8 3.000 20.5 °C maximaal 5% van de kantoortijd.000 15 30 50 70 100 130 2. geen absolute waarden De aangegeven waarden betreffen installaties in een gemiddeld kantoorgebouw Figuur 12.17 Richtgetallen energiegebruik Verwarmingsketels (kengetal vermogen = 60 W/m2) Hoogte in dakopbouw (m) Hoogte in onderbouw (m) Koelmachines (kengetal vermogen = 60 W/m2) Centrifugaalkoelmachine Luchtbehandelingsunits (kengetal vermogen ventilatievoud 2 l uur) Absorptiekoelmachine Zuigerkoelmachine Oppervlakte (m2) Luchttoevoerunit Luchtafvoerunit 10 20 30 40 55 80 Vermogen (kW) Aantal ketels Vermogen Vermogen Hoogte kW m2 m m kW oppervlakte m2 m m3/h oppervlakte m2 120 300 480 600 900 1200 1 2 2 2 2 2 20 30 35 40 50 60 3.8 2.0 3.0 9.000 65.0 De aangegeven waarden zijn richtwaarden.2 3.

v.30 m Figuur 12.50 Figuur 12.19 Investerings.40 m 0.en onderhoudskosten klimaatbeheersingssytemen 1 klein ontwikkeld vrij oppervlak ongunstige schachtplaatsing t.00 1.50 4.21 weergegeven. Er wordt een maximale luchtsnelheid gehanteerd om geluidsoverlast te voorkomen.b.50 1. Maximale ontwerpluchtsnelheid Schachten Gangen Vertrekken 8 m/s 5 m/s 3 m/s Karakteristiek benodigde ruimte 2 goede schachtplaatsing t.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 61 Klimaatbeheersingssysteem 50 Natuurlijke / mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant-volumesysteem en centrale verwarming Variabel-volumesysteem Ventilatorconvectorsysteemen Inductie-systemen Klimaatplafond Klimaatgevel Investeringskosten ( 100 150 200 per m2 bvo) 300 350 400 250 Klimaatbeheersingssysteem Natuurlijke / mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant-volumesysteem en centrale verwarming Variabel-volumesysteem Ventilatorconvectorsysteemen Inductie-systemen Klimaatplafond Klimaatgevel Kosten preventief onderhoud ( per m2 bvo) 0. leidingen groot ontwikkeld vrij oppervlak projectspecifiek 0.b. leidingen De verdeling van de lucht over een verdieping vraagt de nodige ruimte voor luchtkanalen.20 Situering leidingschachten Figuur 12.00 5.v.50 5.50 2. De doorsnede van de luchtkanalen is afhankelijk van de maximaal toegestane luchtsnelheid.00 2.50 3.00 4.00 3. Ontwerpluchtsnelheden en karakteristieke afmetingen voor transport zijn in figuur 12.00 6.21 Karakteristieke luchtsnelheden en afmetingen kanalen .50 6.

Een steeds gebruikelijker manier om lucht af te zuigen is via de verlichtingsarmaturen.23. Laag geplaatste afzuigroosters hebben als voordeel dat de lucht goed gemengd wordt.70 m) te transporteren naar de eindapparaten (inblaasroosters. In horizontale zin moet de temperatuurgradiënt circa 0 K bedragen. hoogte (mm) 16 2700 18 20 22 24 temperatuur (°C) 28 26 30 1600 100 luchtverwarming tegenover de gevel Figuur 12. De mogelijkheid om ramen te openen is beslist noodzakelijk om in de zomer het klimaat draaglijk te houden. VAV-boxen.3.3 Situering eindapparaten Lucht kan uit een ruimte worden afgezogen via afvoerroosters in het plafond of in de gangwand. Tl-armaturen lenen zich daar binnen bepaalde grenzen uitstekend voor.62 Vanwege de benodigde afmetingen van de luchtkanalen is het een gebruikelijke oplossing de kanalen boven het plafond te situeren. figuur 12. Het Coanda-verschijnsel berust op de Wet van Bernoulli. Als er lucht langs een oppervlak wordt geblazen. Door een juiste positionering van toevoer.en afvoerroosters levert deze situering een acceptabele luchtstroming op die zelden als tocht wordt ervaren. Om het verlies aan nuttige inhoud te beperken.22 Verticale temperatuurgradiënt tegenoverliggende (gang)wand de voorkeur. wordt er vaak voor gekozen de primaire kanalen in de gangzone te leggen (verdiepingshoogte circa 2. naverwarmers. In dit geval wordt de lucht via de ruimte tussen bouwkundig en systeemplafond afgezogen door het creëren van onderdruk (plenumafzuiging). blijft de lucht als het ware aan het vlak kleven en wordt de luchtstraal ver de ruimte ingeblazen: de luchtstraal heeft een grote ‘worp’. In de stroming is de statische druk lager dan in de (stilstaande) lucht in de ruimte. Het is mogelijk de lichtarmaturen niet te voorzien van een aansluiting voor de luchtafvoer. zodat direct achter de gevel een stijgende luchtstroom ontstaat.22 en 12. Elk klimaatbeheerssysteem kent zijn eigen temperatuurgradiënt.en afvoerroosters) veroorzaken een luchtbeweging en een temperatuurgradiënt. De beperking van de warmteafgifte van de verlichting (in de zomerperiode een zeer gewenste situatie) en het vervallen van afvoerroosters zijn de belangrijkste motieven voor deze keuze. 12. maar de eindapparaten (radiatoren en toe. Warme lucht stijgt op. Bij luchtbewegingen is het zogenaamde Coandaeffect van belang.40 m) en van daaruit via secundaire leidingen de lucht boven het plafond (verdiepingshoogte circa 2. In de ontwerpfase is voldoende aandacht voor deze coördinatie essentieel. In de ruimte boven het plafond moet plaats worden gereserveerd voor hemelwaterafvoer. kabelbanen voor elektra en kruisingen van leidingen. De luchtstraal wordt hierdoor ‘gedragen’. sanitaire leidingen.en afvoerroosters kan dit effect worden voorkomen. Bij natuurlijke ventilatie geniet het toevoeren van verse lucht via een laag geplaatst (gevel)rooster en via een hoog geplaatst afvoerrooster in de . met als gevolg dat in hoge ruimten zogenaamde stratificatie kan optreden: de warme lucht bovenin mengt zich niet spontaan met de lagere luchtlagen. Bij windaanval veroorzaakt de ventilatieopening vaak tochtklachten en ook in de zomerperiode is het comfort zeer beperkt. In combinatie met de genoemde plaatsing van de toe. die onder andere zegt dat bij afname van de luchtsnelheid de statische druk toeneemt. Om koudeval te voorkomen is het gewenst om radiatoren onder de ramen te plaatsen. In verblijfsruimten zou de temperatuurgradiënt van 0 K ideaal zijn of eventueel op 1 tot 2 K negatief mogen zijn (warme voeten en koud hoofd). De luchtafzuiging kan per object plaatsvinden maar ook via hoog of laag geplaatste roosters. die aangesloten zijn op het afvoerkanaal. enzovoort). Nadeel In verblijfsruimten moet uit oogpunt van comfort een goede verdeling van de lucht plaatsvinden.

kranen. waarbij moet worden bedacht dat gevelzones een andere warmtebelasting kennen dan de middenzone(s). Dit . Het bijbehorende distributiesysteem van de klimaatinstallatie bestaat dan veelal uit twee ontsluitingszones nabij de gevels waarin zich de eindapparatuur en de verlichting bevindt en een ontsluitingssysteem dat boven de verkeersruimte is gelegen.4 Toegankelijkheid distributiesystemen Bepaalde onderdelen van de installatie (kleppen. Bij gebouwen waarin (ook) activiteiten worden verricht die geen daglicht vragen. enzovoort) moeten inspecteerbaar en te onderhouden zijn. Op deze manier ontstaat er een gebouw met in het midden een verkeersruimte en aan de gevel de verblijfsruimten.3. Verblijfsruimten moeten van daglicht worden voorzien volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit. genieten drie of meer ontsluitingszones de voorkeur. naverwarmers. waardoor verblijfsruimten altijd aan gevels worden gesitueerd.23 Luchtverdeling in ruimte met temperatuurgradiënt is dat vloerroosters als obstakel kunnen fungeren en er stofophoping kan optreden. 12.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 63 B A vertrekhoogte doorsnede A-A A temperatuur 1b koelen stratificatie B stratificatie temperatuur 1a 1 doorsnede A-A plattegrond inblazen vanaf de binnenwand 1c verwarmen doorsnede C-C C C temperatuur 2b koelen stratificatie stratificatie 2a 2 doorsnede C-C plattegrond inblazen vanaf het plafond temperatuur 2c verwarmen Figuur 12.

64

houdt in dat een leidingenschacht en de ruimte boven het plafond (plenum) toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Bij plaatsing van de kanalen boven de systeemplafonds is een goede toegankelijkheid gewaarborgd, immers alle systeemplafonds zijn goed uitneembaar. In situaties waar de kanalen in schachten of in kokers worden aangebracht, moeten op essentiële plaatsen inspectie- of revisieluiken worden aangebracht, zodat vooral kranen en kleppen goed bereikbaar zijn.
12.3.5 Bouwkundige voorzieningen, geluid en brandkeringen De akoestische eisen in een gebouw zijn belangrijk en meestal gelden er ook normen voor de geluidproductie naar de omgeving van het gebouw. Omdat ventilatoren van luchtbehandelingskasten behoorlijke geluidproducenten zijn, moeten er akoestische maatregelen worden getroffen. Akoestische voorzieningen kunnen bestaan uit het plaatsen van geluiddempers aan de pers- en zuigzijde van de ventilatoren. De geluiddempers kunnen geplaatst worden in de units of in de kanalen. Bij de opstelling van de luchtbehandelingskast zijn vaak ook voorzieningen nodig om overlast als gevolg van contactgeluid te beperken. Als er plenumafzuiging wordt toegepast in plaats van directe afzuiging van de armaturen via een afvoerbuis, dan moet er aandacht geschonken worden aan de geluidsoverdracht via de ruimte boven het plafond. In veel gevallen zijn dan akoestische schotten boven het plafond ter plaatse van de stramienmaten voor de wanden of akoestische kappen over de armaturen nodig. Als om redenen van flexibiliteit het aanbrengen van geluidsschotten ongewenst is, kan een beter geluidsisolerend plafond worden gekozen door een zwaardere plafondplaat toe te passen of door het aanbrengen van een isolatiedeken op de plafondplaten en de lichtarmaturen te omkasten en te voorzien van een directe luchtafvoerslang.

tenzijde voldoet uitstekend. Bij installatieconcepten waarbij lucht een belangrijke bijdrage levert aan de ruimtetemperatuur is isolatie nodig om het ongewenst opwarmen van gekoelde toevoerlucht (of afkoelen van verwarmde toevoerlucht) tijdens het transport te beperken. In vrijwel elk gebouw komen zogenaamde brandcompartimenten voor, die de uitbreiding van brand moeten voorkomen. Meestal is elke verdieping een afzonderlijk brandcompartiment, evenals het trappenhuis. De uitbreiding van de brand via vooral de kanalen van het klimaatbeheersingssysteem moet worden voorkomen. In de luchtkanalen worden daartoe brandkleppen aangebracht, die door het bezwijken van een smeltpatroon in geval van brand dichtvallen. Deze brandkleppen moeten handmatig weer kunnen worden geopend en dus bereikbaar zijn. Essentieel is de plaats van de brandkleppen, die moet immers stroken met de bouwkundige brandcompartimentering. Leidingdoorvoeren door wanden of vloeren met een brandwerendheidseis moeten brandwerend worden afgedicht. Daarvoor bestaan brandwerende schuimen en in het geval van hoge eisen speciale brandkeringen, meestal opgebouwd uit minerale wol en opschuimende massa’s. In het bestek moet worden geregeld of het afdichten van de doorvoeren tot de bouwkundige of installatiewerkzaamheden behoort.

12.4 Eindapparaten
Eindapparaten geven hun energie (warmte of koude) af aan de ruimte. Zij dienen primair voor de regeling van de temperatuur in de ruimte en dragen zorg voor een tochtvrije luchtbeweging. De warmte- en koudeoverdracht vindt plaats door straling en convectie. Daarbij is het type eindapparaat bepalend voor de verhouding tussen straling en convectie. Eindapparaten waarbij de warmteafgifte vooral door convectie plaatsvindt, veroorzaken in de ruimte een luchtbeweging. Warme lucht stijgt op, zodat de lucht van onder naar boven door het eindapparaat stroomt. In de ruimte ontstaat een temperatuurverschil (temperatuurgradiënt) in zowel verticale als horizontale zin.

Als er in de nachtelijke periode condensatie op de luchtkanalen kan optreden, moeten deze worden geïsoleerd. Isolatie bestaande uit minerale wol voorzien van aluminiumfolie aan de bui-

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

65

Een temperatuurgradiënt > 3,0 K/m1 moet vermeden worden, omdat deze als oncomfortabel wordt ervaren. Evenzo moeten de luchtbewegingen een snelheid < 0,20 m/s bezitten ter vermijding van tochtklachten. Eindapparaten met een hoge convectieve afgifte bepalen in belangrijke mate de temperatuurgradiënt. Hun plaats moet zorgvuldig worden gekozen.
12.4.1 Radiatoren Vooral enkelplaats radiatoren zonder convectielamellen zijn eenvoudig schoon te houden omdat ze vervaardigd zijn uit vlak plaatstaal, figuur 12.24. De warmteafgifte door straling is circa 50 procent; hetzelfde percentage geldt voor convectie. De verhouding varieert afhankelijk van de lengte/hoogteverhouding: een lage en lange radiator heeft een kleinere convectieve afgifte dan een hoge en is afhankelijk van de oppervlaktetemperatuur. Voordelen van radiatoren zijn: • kleine inbouwdiepte; • grote verwarmende oppervlakte; • snelle reactie op wijziging watertemperatuur.

12.4.2 Convectoren Convectoren, figuur 12.25, worden opgebouwd uit dunne buizen met daaromheen op korte afstand geplaatste lamellen. Convectoren geven hun warmte voor ten minste 90 procent af als convectie. Door het ontbreken van een stralingsaandeel moet de ontwerpluchttemperatuur, uit comfortoverwegingen, 1 tot 2 graden worden verhoogd. De snelheid waarmee de lucht langs een convector stroomt, kan worden vergroot door de convector in een schacht te plaatsen (schoorsteeneffect). Convectoren zijn moeilijk te regelen, omdat bij het dichtdraaien van de kraan (minder warm water) ook de luchtsnelheid afneemt en er instabiliteit kan ontstaan. Bij puien worden convectoren vaak in putten geplaatst. Op deze manier wordt de doorgang niet belemmerd door een eindapparaat en ontstaat er een sterke opstijgende warme luchtstroom ter compensatie van de koudeval. Het nadeel van convectoren is de grote kwetsbaarheid van de lamellen en het moeilijke schoonmaken. Het grote voordeel is de korte opwarmtijd.

De convector kan worden uitgerust met een ventilator waardoor de warmteafgifte groter wordt. Meestal wordt de aangezogen lucht ook gefilterd. Nadeel is de geluidproductie van de ventilator.
12.4.3 Vloerverwarming Bij vloerverwarming, figuur 12.26, wordt de warmte afgegeven door elementen in de (dek)vloer. De verwarming kan plaatsvinden door middel van warm water met een maximale temperatuur van 55 °C of door middel van elektriciteit met lage spanning.
Figuur 12.24 Radiator
verzamelaar verwarmingspijpen

verwarmde lucht aanvoer 90 °C

verdeler koude lucht inbouwlengte retour 70 °C

Figuur 12.25 Principe convector

66

tegels vloerbedekking waterdichte coating vloerverwarming

detail met tegels
verwarmingselement 24 V

lijm

ondervloer (beton)

Figuur 12.26 Elektrische vloerverwarming

Bij toepassing van warm water wordt vloerverwarming meestal aangebracht in combinatie met een zwevende dekvloer, figuur 12.27. De zwevende dekvloer zorgt primair voor voldoende warmte-isolatie naar beneden. De uitzetting van
vloerverwarmingsbuis kit elast. vulling i.v.m. uitzetting dekvloer isolatielaag constructievloer > 80 =

de dekvloer kan onafhankelijk van de constructieve vloer plaatsvinden. Kunststofbuizen worden op de constructievloer of in de isolatielaag aangebracht of worden ingestort in de dekvloer. Om ervoor te zorgen dat de mortel niet van de dekvloer tussen de isolatie loopt, wordt een folie over de isolatie aangebracht. Zo wordt het ontstaan van contactbruggen vermeden. De dekvloer bestaat uit een zandcement- of anhydrietvloeivloer van ten minste 40 tot 50 mm dik. De buizen moeten in vakken van circa 30 m2 en een maximale lengte van 6 m worden gelegd om scheurvorming te voorkomen (bij een anhydrietdekvloer in vakken van maximaal 60 m2). In elk veld wordt één leiding met de nodige lussen gelegd, die wordt aangesloten op een verdeler. Elk veld (elke groep) kan apart worden afgesloten. De vloerbedekking mag geen grote warmteweerstand bezitten, vandaar dat een steenachtige vloerbedekking de voorkeur geniet. De vloertemperatuur mag maximaal 29 °C bedragen, omdat hogere temperaturen als onaangenaam worden ervaren. Een vloerverwarming staat warmte deels af via straling. De behaaglijkheid wordt sterk beïnvloed door de

1

buizen in de (cement-)dekvloer op isolatielaag

2

buizen op de isolatielaag onder de dekvloer

Figuur 12.27 Vloerverwarming met water als transportmedium

> 50 =

Als de inblaaslucht kouder is dan de ruimtelucht. 12. Door selectief gebieden aan te stralen is het mogelijk om bijvoorbeeld in hoge ruimten (werkhallen) op de werkplekken een zekere behaaglijkheid te realiseren bij een luchttemperatuur van 12 tot 15 °C. losse panelen die met warm en/of gekoeld water worden gevoed en uit infraroodstralers. 12.28 Stralingsplafond > 3000 = .12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 67 stralingstemperatuur van omliggende vlakken. Voordeel van een vloerverwarming is de hoge mate van comfort die wordt verkregen en het onzichtbaar zijn van de installatie.4 Plafondverwarming Bij plafondverwarming worden de eindapparaten in het plafond aangebracht. buigt gas verhit steen. Hierdoor kan de ontwerpbinnentemperatuur 2 K lager worden gekozen. figuur 12. infrarood-stralingselement Bij plafondverwarming treedt er alleen warmteafgifte op door straling. het kleefeffect en de mate van turbulentie. Infraroodstralers stralen direct mensen.28. de inblaassnelheid. Een bijkomend voordeel hierbij is de verlaging van het ‘ventilatieverlies’. Zij kunnen bestaan uit pijpenbundels. de warmte-inhoud van de afgezogen ventilatielucht. zodat er in de ruimte vrijwel geen temperatuurgradiënt optreedt.4. De verdeling wordt beïnvloed door de plaats van de roosters.en luchtafvoerroosters Luchttoevoerroosters zijn van grote invloed op de luchtbewegingen in een ruimte. Nadeel is de reactietraagheid van het systeem en de relatief hoge investering.5 Luchttoevoer. steen wordt roodgloeiend en zendt infrarode straling uit ±210 ±70 ±140 ±60 1 infrarood stralingselement > = 2000 > 4000 = ±10000 2 fabriekshal met infraroodstralers principe éénzijdige aansluiting 3 metalen stralingsplafond met pijpenbundels Figuur 12. vloeren en meubels aan. de luchttemperatuur.4.

zeer bedrijfszeker. waardoor ze uit veiligheidsoverwegingen niet onder het maaiveld mogen worden geplaatst.5. De straal blijft lang aan het plafond kleven en de inblaaslucht kan zich mengen voordat ze in de leefzone arriveert.68 de luchtstraal naar onderen af. Een nadeel is dat ze alleen op gas kunnen worden gestookt.5 Opwekkers 12. Ze zijn relatief klein van afmeting en goedkoop. De warmtewisselaar zorgt ervoor dat de rookgastemperatuur van ruwweg 230 °C daalt tot circa 60 °C. Er zijn twee typen plafondroosters: ronde of vierkante anemostaat. Geperforeerde platen hebben een sterk inducerend vermogen. wordt de luchtstroom minder turbulent gemaakt en wordt de worp groter. maar de menging geringer. Een nadeel is de hoge geluidproductie en het intensieve onderhoud. Door schoepen in de roosters aan te brengen. Bovendien is het rendement vrij laag door de verliezen via het rookgaskanaal. De eigenschappen en vooral het inducerend vermogen (meeslepen ruimtelucht) worden sterk door de schoepvorm bepaald. Open of atmosferische ketels zijn eenvoudig van uitvoering. Hoogrendementketels. zijn open of gesloten toestellen die zijn voorzien van een warmtewisselaar die de warmte uit de rookgassen overdraagt aan het water. vooral bij hoge capaciteiten (meer dan 500 kW). Ze hebben als voordeel dat ze een hoog rendement leveren en dat de warmteproductie modulerend (afhankelijk van de vraag) kan plaatsvinden. figuur 12. Gesloten toestellen kennen een gesloten verbrandingsruimte en zijn voorzien van een ventilator. De afge1 plafond(lijn)rooster 1 plafond(lijn)rooster 2 plafondrooster (anemostaat) Figuur 12. Het plenum moet in kleinere ruimten worden opgedeeld zodat elke sectie apart regelbaar is. figuur 12. Wandroosters blazen horizontaal uit en een hoge plaatsing geniet de voorkeur vanwege het kleefeffect.en lijnroosters. Centraleverwarmingsketels worden gestookt op gas of olie en kunnen onderscheiden worden in atmosferische ketels met een open branderruimte en in ketels met een gesloten verbrandingsruimte.29.29 Plafondroosters . zodat grote luchthoeveelheden kunnen worden ingeblazen zonder tocht in het leefgebied. Lijnroosters kunnen meestal worden ingebouwd in combinatie met tl-verlichtingsarmaturen. relatief goedkoop. Bij lage ruimten genieten sterk inducerende roosters met een hoge turbulentie de voorkeur.1 Warmteopwekking Voor warmteopwekking wordt er gebruikgemaakt van fossiele brandstoffen of de benodigde warmte wordt betrokken van de stadsverwarming. Lucht kan ook via geperforeerde roosters worden ingeblazen als het plenum als een overdrukdoos wordt benut. 12.30. vragen weinig onderhoud en leveren vrijwel geen geluidproductie. waaraan met zogenaamde tegenstroomapparaten de warmte wordt onttrokken.

figuur 12.31 Compressiekoelmachine . gebouwinstallatie heetgasleiding verdamper zuigleiding compressor watergekoelde condensor vloeistofleiding wateraanvoerleiding 2 watergekoelde condensor Figuur 12. 12.2 Koudeopwekking Koude wordt opgewekt in koelmachines. Meestal wordt gekozen voor twee ketels met een capathermisch expansieventiel te koelen lucht t. die warme koelvloeistof van een lage druk aanzuigt en comprimeert.30 Principe hoogrendementketel Voor grote installaties gaat de voorkeur uit naar het installeren van twee ketels die elk ten minste 50 procent van de benodigde capaciteit bezitten omwille van bedrijfszekerheid en om onderhoud tijdens kantooruren te kunnen plegen. die moet worden afgevoerd.v. die uitgevoerd kunnen zijn als: ◆ compressiekoelmachines.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 69 koelde rookgassen worden met behulp van een ventilator afgevoerd.31. wateraanvoeraansluiting eerste warmtewisselaar afvoeraansluiting verbrandingsgassen ventilator tweede warmtewisselaar isolatie brander luchtinlaatopening waterretouraansluiting pomp condensverzamelbak condensafvoer citeit van elk 75 procent. Figuur 12. waarbij de temperatuur van het koelmiddel stijgt.31-1) of water (watergekoelde condensor.b. zodat ook extreme situaties opgevangen kunnen worden en er reservecapaciteit is met het oog op eventuele uitbreiding.b. In de condensor wordt heetgasleiding luchtgekoelde condensor buitenlucht verdamper zuigleiding compressor vloeistofleiding vloeistofvat 1 luchtgekoelde condensor thermisch expansieventiel te koelen lucht t. ◆ absorptiekoelmachines.5. gebouwinstallatie ◆ Compressiekoelmachines Een compressiekoelmachine. figuur 12. • condensor.v. figuur 12.31-2). waarin het hete koelmiddel wordt afgekoeld door lucht (luchtgekoelde condensor. bestaat uit de volgende componenten: • compressor. Tijdens het afkoelingsproces condenseert waterdamp.

De benodigde warmte om te verdampen wordt aan de onmiddellijke omgeving onttrokken.of oppervlaktewater dat als koeling wordt benut. De warmte die vrijkomt door de compressiemotor kan direct aan de buitenlucht worden afgegeven door met behulp van een ventilator buitenlucht door de condensor te sturen. Zij zijn interessant als er in de zomerperiode voldoende water met een temperatuur van ten minste circa 100 °C ter beschikking staat. De koelmachine wordt meestal direct in de buitenlucht geplaatst ter vermijding van lange en grote afvoerkanalen.000 kW (bij grote machines). Zuigerkoelmachines zijn inzetbaar bij kleinere vermogens (< 1. Het geluidsniveau van de twee typen koelmachines is vergelijkbaar. bijvoorbeeld restwarmte uit een industrieel proces. • expansieventiel. De compressiewarmte kan ook via een apart gekoeld watercircuit aan de omgeving worden afgestaan. figuur 12. Met centrifugaalcompressiekoelmachines kan de capaciteit traploos worden geregeld van circa 400 kW tot 40. Dit type condensor vraagt om een koeltoren. waarin koelmiddel verdampt door veel lagere druk.32 Principe koeltoren principeschema koeltoren . is er sprake van een direct expansiekoelsysteem.32. waarin vloeibare onder hoge druk verkerende koelmiddel wordt gereduceerd tot lagere druk. Als de te conditioneren lucht door de verdamper wordt gestuurd. • verdamper.000 kW) en is beter inzetbaar in deellast.70 het koelmiddel omgezet van een gas in een vloeistof. of om bron. De geluidproductie ligt hoog (tot 110 dB(A)). ◆ Absorptiekoelmachines Absorptiekoelmachines werken volgens een geheel ander principe. Het voordeel van absorptiekoelmachines is dat ze een veel lagere geluidproductie leveren. Bij toepassing van koeling moet er behalve met energiezuinigheid en kosten rekening worden kunststofkoker om condens tegen gevel te beperken koeltoren ventilator sproeikoppen koeltoren rooster rondom 6m warmer water waterbassin condensor kouder water spuiafsluiter lamellen suppletiewater koelwaterschema condensorpomp alternatief waterreservoir condensorpompen waterreservoir koelmachine compressor 1 doorsnede koeltoren koelmiddelproces gekoeld water expansieventiel naar riool verdamper warm water koudwaterschema luchtbehandelingsapparaten aanvoer retour 2 Figuur 12. Het gekoelde water wordt opgevangen in een verzamelaar en via een pomp in het gekoeldwatercircuit gepompt. Het systeem waarbij het water door de verdamper wordt gestuurd wordt een indirect expansiekoelsysteem genoemd.

In 1994 is door internationale wetgeving het gebruik van de koelmiddelen R11. waarbij gebruik wordt gemaakt van analoge technieken. De digitale techniek maakt het mogelijk om vanuit een centraal punt de technische installaties te beheren en te controleren.2 Gebouwbeheerssysteem (GBS) In moderne gebouwen is het aantal installaties toegenomen en worden hogere eisen gesteld aan de flexibiliteit bij wijzigingen in de kantoorindeling. • beschikbare hulpenergie. Met digitale regelsystemen kunnen complexere en veelal energiezuiniger regelstrategieën worden geïmplementeerd. Deze koelmiddelen van het type CFK zijn en worden vervangen door de typen HCFK’s en HFK’s. Het aanbrengen van beheers.en regelkasten. of uit systemen die werken volgens digitale technieken.6. waarbij de in. R12. • tellen. te registreren en te bewaken. Er kan worden gekozen uit conventionele regelapparatuur.en energiebesparingfuncties is kostbaar en kan voordeliger in digitale technieken worden uitgevoerd. Storingen worden naar een centraal punt gemeld. Met een gebouwbeheerssysteem (GBS) is het mogelijk de gegevens over de werking van gebouwinstallaties te meten. die voorzien moeten zijn van elektrische voeding. Bij digitale systemen worden de regelfuncties door programmatuur bepaald. 12. • registreren.en stuurfuncties. eventueel met een afzonderlijke melding van kritische storingen. Een GBS heeft onder andere de volgende functies: • schakelen. kleppen. Bovendien kan er ingegrepen worden in de besturing en regeling van de installaties.6. een meetorgaan (bijvoorbeeld temperatuuropnemer) en een automatische regelaar (produceert een uitgangssignaal afhankelijk van het verschil tussen gemeten en gewenste waarde). . Regelinstallaties worden ondergebracht in schakel. Koelmiddelen bevorderen de aantasting van de ozonlaag en dragen bij aan het broeikaseffect. Alle voor een bepaald proces nodige functies zijn aangebracht in één apparaat. Voor digitale regelsystemen kan daarnaast ook aan een (centraal)computersysteem worden gemeld via een netwerkverbinding of via een telefoonverbinding. Digitale regelsystemen omvatten ook apparatuur (hardware) en programmatuur (software).12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 71 gehouden met de milieubelasting van koeling. Storingen in de installatie moeten zo snel mogelijk aan de gebruiker worden gemeld. Doel is het gewenste binnenklimaat zo economisch mogelijk te handhaven. • noodzaak voor centraal beheer. R14 en R502 verboden.en uitgangen door bedrading met het systeem zijn verbonden. Met digitale regeltechnieken kunnen functies worden uitgevoerd die met analoge systemen niet mogelijk zijn. Dit gebeurt door de regelkasten te voorzien van een optisch en akoestisch signaleringssysteem.6 Regelsystemen 12. Bij analoge systemen worden de regelfuncties tot stand gebracht door individuele verbindingen tussen de installaties. enzovoort). • meten. 12. Bovendien zijn digitale regelsystemen flexibeler dan analoge regelsystemen. De keuze uit de beschikbare regelsystemen wordt primair bepaald door: • aantal gevraagde regelfuncties. controle/diagnostische functies en logische schakelfuncties. Bij analoge regelsystemen kunnen deze meldingen op een centraal lampentableau worden gemeld en/of als verzameling via een telefoonverbinding. zoals zelflerende regel.en buitencondities. Bij kleine en eenvoudige klimaatinstallaties (alleen cv en mechanische ventilatie) is toepassing van analoge elektronische regelsystemen de meest logische keuze. Elk regelsysteem is opgebouwd uit een corrigerend element (afsluiters. Tussen individuele apparaten worden verbindingen aangebracht.1 Regelinstallaties De regelinstallatie heeft als functie de beschikbare capaciteit van de klimaatinstallaties automatisch aan te passen aan de veranderende binnen.

melden. • luchtbehandelinginstallaties.72 • • • visualiseren. Via een telefoonverbinding kan dit ook op afstand gebeuren (beheer op afstand). • brandmeldinstallatie. worden geregeld en bestuurd door kleinere digitale naregelaars. Een GBS-systeem heeft tot doel de gebouwinstallaties eenvoudig te beheren en de exploitatiekosten te drukken. centrale bedieningspost secundaire bedieningspost modem voor beheer op afstand procesregelaar zonwering procesregelaar liften lokale naregelaar verwarming procesregelaar verwarming procesregelaar luchtbehandeling lokale naregelaar luchtbehandeling procesregelaar koeling procesregelaar verlichting lokale naregelaar verlichting laptop Figuur 12. De lokale installaties. Met één digitale procesregelaar worden meestal meerdere processen geregeld en bestuurd. De werking van deze installaties kan op elkaar worden afgestemd. Op een GBS kunnen onder andere de volgende installaties worden aangesloten: • verwarmingsinstallaties. • verlichtingsinstallaties. • liftinstallatie. De centrale installaties en processen worden door een procesregelaar (digitaal) geregeld en bestuurd.33 Opbouw gebouwbeheersysteem (GBS) . verstellen. zoals een individuele temperatuurregeling per kantoorvertrek. water en elektra. • detectieapparatuur voor wateroverlast. • gekoeldwaterinstallaties. • toegangscontrolesysteem.33 is de typische opbouw van de hardware van een modern GBS gegeven. • verbruik gas. In figuur 12. • ventilatie-installaties. Daarnaast kunnen met een GBS de installaties centraal worden bediend met behulp van een computer.

Op de GBS-pc’s kan informatie uit de digitale regelaars worden gepresenteerd in dynamische procesplaatjes. • onderhoudskosten: 15 procent. in grafieken en tekstueel. Een alternatief is een verlaging van de . Via dit busnetwerk kunnen de digitale regelaars onderling informatie uitwisselen.34 Regelkring (luchtbehandeling) weergegeven door GBS met te regelen parameters Op de digitale regelaars zijn de opnemers (temperatuur.en naregelaars worden via een busnetwerk met elkaar en met de GBS-pc’s verbonden. vergaren.3 *C 0. De digitale proces. en bestaat uit programma’s voor de regeling en programma’s voor het weergeven.8% Insteling klok Hoofdmenu Figuur 12. 12. Daarnaast kan er een weersafhankelijke regeling worden toegepast.0% TC 18.0% LBK 13. De software van GBS-pc’s is gebaseerd op MSWindows 95 of hoger. • energiegebruik: 3-15 procent.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES verwarming warmtewiel 73 ventilator filter koeling temperatuursensor PdA H TT 21. Figuur 12. enzovoort) en de regelkleppen van de processen aangesloten via kabels. Daarnaast is het mogelijk om via de GBS-pc’s opdrachten zoals wijzigingen in setpoints. verwerken en opslaan van procesgegevens. door variatie van de waterhoeveelheid of door een combinatie van beide. Bovendien kunnen alarm-. Op basis van een gemeten buitentemperatuur wordt de watertemperatuur geregeld die de cv-installatie produceert: de zogenaamde stooklijn. tijdprogramma’s en schakelen van installaties naar de digitale regelaars te sturen.6.3 Ruimtetemperatuurregeling met centrale verwarming De regeling van de luchttemperatuur in de verblijfsruimten kan plaatsvinden door variatie van de watertemperatuur.3 *C – M 0. zoals die met behulp van software op de GBS-pc kan worden opgeroepen en waarin parameters kunnen worden gewijzigd.7 *C TT PdA H + TA L + – TT 20.en bedrijfsmeldingen worden gepresenteerd. storings. Met een GBS kunnen de onderstaande besparingen worden gerealiseerd (richtgetallen voor gemiddeld kantoor): • beheerskosten: 5 procent.34 geeft een voorbeeld weer van een dynamisch procesplaatje. Bij kleine installaties wordt de regeling gerealiseerd met behulp van een ruimtetemperatuurvoeler: de kamerthermostaat. druk.

35. in verband met verschil in zoninstraling. De watertemperatuur wordt gestuurd op basis van de buitentemperatuur. enzovoort. 12. de binnentemperatuur en/of de temperatuur van de retourlucht.7 Energiebesparingsinstallaties 12. In woningbouw met luchtverwarming wordt de luchttemperatuur geregeld op basis van de temperatuur van de ruimte waarin de thermostaat is aangebracht. Bij de huidige prijzen van fossiele brandstoffen wegen de kosten voor extra energiegebruik van pompen en ventilatoren op tegen de besparing op brandstof. zodat het mogelijk is handmatig bepaalde roosters af te sluiten.en binnentemperatuur. Afsluiten kan niet onbeperkt gebeuren. Individuele naregeling per verblijfsruimte kan plaatsvinden met behulp van thermostaatkranen. In dat geval kan een regeling op basis van de (ketel) warmwatertemperatuur niet worden toegepast. Dit wordt waterzijdige regeling genoemd. In grote utiliteitsprojecten is een regeling per ruimte gewenst. is bepalend voor de economie van warmteterugwinning (WTW). De opgewarmde massa draait naar de bovenste helft en daar wordt de warmte afgestaan aan de intreelucht. De bezonning van een gebouw leidt tot verschillen in de buiten. Het is mogelijk de aangevoerde lucht na te verwarmen met behulp van het warmwaternet en dit individueel te regelen. De uitblaasroosters zijn voorzien van kleppen.74 watertemperatuur door bij te mengen met koud water. bestaat uit een ronddraaiende rotor opgebouwd uit axiaal lopende kanaaltjes.en uittreezijde.en retourlucht).6. Gebruikelijk is een regeling van de temperatuur van het circulerende water door mengen van retourwater met ketelwater. figuur 12. Met thermostaatkranen is een variatie van plus of min 2 tot 3 °C in de ruimtetemperatuur mogelijk. omdat er kans is op geluidproblemen bij de wel geopende roosters. De naregeling van de eindapparaten gebeurt door de waterhoeveelheid met behulp van smoorkleppen te wijzigen of door het toerental van de circulatiepomp te veranderen. In gebouwen met een continu proces (bijvoorbeeld een ziekenhuis) is WTW een economische noodzaak. De mengverhouding kan worden gestuurd op basis van de buitentemperatuur. Bij regeling via de luchtbehandeling kan gekozen worden voor een variatie in de luchttemperatuur of voor variatie in de hoeveelheid lucht. Bij warmteopwekking voor grote gebouwen leveren de ketels vaak ook warmtapwater. afhankelijk van de oriëntatie. Bij luchtzijdige regeling wordt per vertrek warme of koude lucht ingeblazen om de gewenste temperatuur te bereiken. Het aantal bedrijfsuren dat warmteterugwinning mogelijk is (minimaal verschil van 2 °C tussen inblaas. De temperatuur van de retourlucht is immers een referentie voor de binnentemperatuur. Het is aan te bevelen bij de voeding van de radiatoren rekening te houden met deze verschillen door toepassen van aparte strengen met hun eigen watertemperatuur. De regelmogelijkheden zijn dan wat beperkt. Bij toepassing van thermostaatkranen op de verwarmingselementen wordt ook de waterhoeveelheid gestuurd.7. Deze twee regelmethoden zijn niet geschikt voor individuele regeling. Het wiel is ondergebracht in een plaatstalen kast met vier aansluitingen voor de aan. . wisselende interne warmtelast. De warme retourlucht stroomt via de onderste helft van het wiel en staat warmte af aan de massa van de rotor.4 Ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling De regeling van de ruimtetemperatuur kan ook plaatsvinden via de luchtbehandeling. Warmtewiel Een warmtewiel. 12. omdat inblaaslucht minimaal een temperatuur van circa 16 °C moet bezitten ter vermijding van tochtklachten.1 Warmteterugwinningsinstallaties Warmteterugwinningsinstallaties benutten de warmte uit de retourlucht van mechanische ventilatiesystemen voor de voorverwarming van de inblaaslucht.en afvoer van lucht aan de intree. Voorwaarde is dat dan de luchtbehandeling een significante bijdrage in de temperatuurbeheersing heeft.

Door het onttrekken van warmte condenseert het koelmiddel en daalt weer naar de verdamperzijde. 1 platenwisselaar 2 buizenwisselaar Figuur 12. Vanwege de forse afmetingen moet voor dit systeem de nodige ruimte worden gereserveerd.37. Figuur 12.en buizenwarmtewisselaars. De rotor onttrekt vocht aan de warme lucht en staat dit weer af aan de droge koude lucht. Het rendement ligt relatief laag (meestal 40 procent. Een groot voordeel van een warmtewiel is het hoge rendement van warmteterug.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 75 Platen. glas.36 Warmteterugwinning met platen. • geen bacterie. Een heat-pipe bestaat uit een gesloten buis met een koelmiddel aan de verdamperzijde. Bovendien moeten aan. enzovoort).35 Warmte. immers zo lang er warmte wordt toegevoerd. Als gevolg van een dampdrukverschil verplaatst de damp zich naar de koele zijde van de heat-pipe. Toepassen van een warmtewiel heeft consequenties voor het bouwkundig ontwerp. • relatief geringe afmetingen. Heat-pipe-principe Een heat-pipe.of geuroverdracht. De diameter van het warmtewiel bedraagt al snel 3 m (1. figuur 12. worden de warme afvoerlucht en de koude toevoerlucht langs elkaar gevoerd. De luchtstromen zijn gescheiden door warmtegeleidende wanden (metaal. Vanwege het ontbreken van draaiende delen is het een eenvoudig systeem dat weinig onderhoud vraagt. Het systeem vraagt geen hulpenergie. Via de scheidingswanden wordt de warmte overgedragen aan de koude toevoerlucht. maximaal 60 procent).5 tot 5 m).en afvoerkanalen ter plaatse van de installatie samenkomen. Een nadeel is de geluidproductie door de grote ventilator en de kans op overdracht van bacteriën. is een gesloten verdampings/condensatiesysteem. Voordelen van een heat-pipe-systeem zijn: • lage onderhoudskosten. kan er ook vochtoverdracht plaatsvinden.36.en buizenwarmtewisselaar . figuur 12. Overdragen van vocht is bij dit type warmtewisselaar niet mogelijk.en vochtterugwinning met warmtewiel Door op de rotor hygroscopische materialen aan te brengen. duurt het proces van verdampen en condenseren voort.en buizenwarmtewisselaar Bij platen.(circa 70 procent) en vochtterugwinning (circa 70 procent). Door langs de verdamperzijde van de heat-pipe warme lucht te voeren verdampt het koelmiddel. Door het hoge rendement voor vochtterugwinning kan een aparte bevochtiginginstallatie in de luchtbehandelinginstallatie meestal achterwege blijven.

blijft de energiebalans van het grondwater. De afgekoelde water/glycoloplossing wordt verpompt naar het lamellenblok in het retourluchtkanaal en daar weer opgewarmd. 14. gemeten over een aantal jaren. De buitenlucht wordt door de in het aanvoerkanaal aangebracht lamellen gevoerd en opgewarmd. 12. Deze aquifers zijn verzadigd met nagenoeg stilstaand grondwater en hebben voldoende isolatie om thermische energie op te slaan.2 Langetermijnenergieopslag in bodem (LTEO) Energieopslag in de bodem is een milieuvriendelijk en energiebesparend alternatief voor een conventionele koelinstallatie. de warme bron.5 °C Een nadeel is het lage rendement (40 tot 60 procent).38. Het opgepompte grondwater heeft na afgifte van koude een temperatuur van zo’n 14 tot 20 °C en wordt op enige afstand van de koude bron geïnjecteerd in een tweede bron. verbonden door een leidingsysteem. • aan.37 Warmteterugwinning met heat-pipe Twin-coil-systeem Een twin-coil-systeem bestaat uit twee gescheiden opgestelde lamellenblokken. In de zomerperiode is het systeem niet toepasbaar vanwege te geringe temperatuurverschillen van toe. De geschetste cyclus (benutting winterkoude voor koeling in zomer en benutting warmte voor verwarming in winter) kan door opslag in principe oneindig worden . Energieopslag is een methode om het niet synchroon lopen van vraag en aanbod op te heffen. Met behulp van een pomp wordt een warmteoverdrachtsmedium rondgepompt.38 Warmteterugwinning met twin-coil-systeem Wanneer er in de zomer behoefte aan koeling ontstaat. In de zomer is koude schaars en is er veel warmte beschikbaar. figuur 12. bijvoorbeeld in grote watertanks.of geuroverdracht. wordt uit de koude grond grondwater met een temperatuur van 7 tot 10 °C opgepompt. • toepasbaar voor inbouw in bestaande installaties. Dit watercircuit koelt vervolgens de ventilatielucht. in evenwicht. De hoeveelheden warmte en koude zijn meestal te groot om bovengronds op te slaan.en afvoerkanalen hoeven niet bij elkaar geplaatst te worden. Om bevriezingsgevaar te voorkomen. • relatief geringe investering. Het water koelt dan door de warmteafgifte af en wordt met een temperatuur van 7 tot 10 °C weer geïnjecteerd in de koude bron. Dit warme water wordt in de winter opgepompt en kan voor de voorverwarming van de ventilatielucht worden gebruikt of als warmtebron voor bijvoorbeeld vloerverwarming (via warmtepomp). Opslag van koud en warm water in diepe watervoerende zandlagen (aquifers. figuur 12. wordt er een water/glycoloplossing toegepast.en afvoerlucht.5 °C 25 °C Figuur 12. buitenlucht pomp afvoerlucht toevoerlucht warmteterugwinleiding uit gebouw Figuur 12.76 –10 °C 0. In de winter is warmte schaars en is er koude in overvloed beschikbaar.39) blijkt in de praktijk wel geschikt om warmte of koude voor lange tijd op te slaan en op een later tijdstip te benutten.7. Via een warmtewisselaar koelt dit grondwater het koelwatercircuit dat door het gebouw stroomt. • geen bacterie. Voordelen van een twin-coil-systeem zijn: • weinig ruimte nodig. Omdat de koude die in de winter wordt opgeslagen in de zomer weer wordt gebruikt.

De koelbehoefte en de gewenste temperatuur van het koude water spelen daarbij een belangrijke rol. koelbatterijen in de luchtbehandelingskasten. Deze procedure duurt warme bron 2 winterbedrijf Figuur 12. Voor elke put moet de hoeveelheid geïnjecteerd water op de lange termijn gelijk zijn aan de hoeveelheid onttrokken grondwater. zodat het grondwater netto niet warmer of kouder wordt. De aanvraag hiervoor moet vergezeld gaan van een technisch rapport. Bij een monobron wordt het koude en warme water op verschillende diepten opgeslagen. Om thermische kortsluiting te voorkomen. Dit komt door de druk in het ondergrondse systeem en doordat de richting waarin het koelwater stroomt moet kunnen worden omgedraaid. is sterk projectafhankelijk. Voor grotere projecten kunnen meerdere doubletten nodig zijn. Energieoplag in de bodem kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met conventionele koelmachines. waar de ondergrond niet geschikt is om grondwater op te slaan. of met een warmtepomp of warmtekrachtinstallatie. waardoor maar één bron nodig is. bedoeld voor relatief kleine projecten. Verder is een vergunning van de provincie noodzakelijk. Dit wordt een doublet genoemd. Keuzeoverwegingen Energieopslag in de bodem is in heel Nederland mogelijk. Een ander nadeel is dat de temperatuur van het opgeslagen koude water iets hoger is dan bij conventionele koelmachines. met een koelcapaciteit kleiner dan circa 600 kW. Dit kan inpassing in bestaande systemen bemoeilijken. Een nadeel van energieopslag in de bodem is dat de regeltechniek meer aandacht vraagt dan bij een conventionele koelinstallatie. . Een voorwaarde daarvoor is dat de dikte van de aquifer groot genoeg is. Gemiddeld gemeten over meerdere jaren wordt er in de bodem evenveel warmte als koude opgeslagen.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 77 buitenlucht 18 °C 8 °C koudevragers – warmtepomp warmtewisselaar + 8 °C ondergronds deel afsluitende laag aquifer afsluitende laag koude bron 18 °C warme bron 1 zomerbedrijf warmtevragers 40 °C 70 °C ketel 50 °C – warmtepomp buitenlucht 18 °C warmtewisselaar + 8 °C ondergronds deel afsluitende laag aquifer afsluitende laag koude bron 18 °C Systemen De aanleg van een systeem voor energieopslag in de bodem is maatwerk. behalve in Zuid-Limburg en een deel van de Achterhoek. Er is een proefboring nodig om te onderzoeken of een aquifer niet te veel gassen bevat en om uit te sluiten dat het grondwater vervuild is. Daarnaast bestaan ook systemen met een enkele bron (monobron). Welke combinatie van energieopslag en klimaatbeheersingsinstallatie wordt gekozen. Meestal bevat een koudeopslaginstallatie één koude en één warme bron.39 Principeschema langetermijnenergieopslag in bodem herhaald. Verder is het van belang het systeem goed te dimensioneren en de druk van de pompen goed te kiezen. moet de afstand tussen de bronnen groot genoeg zijn (circa 100 m).

• elektriciteitsgebruik laag.40 Principe warmtepomp voor het omzetten van laagwaardige in hoogwaardige energie . waardoor er bij stroomuitval gebruikgemaakt kan worden van noodstroomvoorziening. Bij de keuze voor een energieopslagsysteem speelt het terugdringen van het energiegebruik en de daarmee samenhangende exploitatiekosten een belangrijke rol. De provincie eist ook periodieke debiet. Voordeenergiebronnen A len voor de gebruiker zijn: • exploitatiekosten gemiddeld 25 procent lager dan bij conventionele installaties. • minder beslag op technische ruimten dan conventionele koelinstallaties. Het systeem heeft zowel voor gebruikers als het milieu voordelen.78 drie tot zes maanden. afgegeven warmte warmtepomp verdamper lucht B buffer zonne-energie condensor 1 CV-installatie 2 warmtekracht-koppeling – + grondwater 3 luchtverwarmingsinstallatie Figuur 12. • lange levensduur en betrouwbaar door gering aantal bewegende onderdelen.en temperatuurmetingen om inzicht te behouden in het evenwicht in de bodem.

De warmtefactor relateert de warmteproductie aan het elektriciteitsgebruik. die wordt aangedreven door een op fossiele brandstof aangedreven motor. Een warmtepomp is een koelmachine die omgekeerd wordt gebruikt. Plaatsen als Utrecht. Tijdens de drukverhoging stijgt de temperatuur van het medium en door deze warmte te benutten wordt laagwaardige energie omgezet in hoogwaardige energie. Rotterdam en Den Haag kennen een stadsverwarming die de restwarmte van elektriciteitscentrales benut. Door een motor wordt een compressor aangedreven.41. Het betreft dan een gecombineerde productie van elektriciteit waarbij de afvalwarmte wordt benut.40-2. is fabrikaatafhankelijk en hangt sterk af van de temperatuurverschillen aan de warme en aan de koude. figuur 12.41 Principe warmte/krachtcentrale .7.5% elektriciteit 37% primaire brandstoftoevoer 100% stralingsverliezen 7. zonneenergie. Een warmte/krachtkoppelingsinstallatie bestaat uit een generator waarin elektriciteit wordt opgewekt.5% koeling verbrandingsl.4 Warmte/krachtkoppelingsinstallaties Bij warmte/krachtkoppelingsinstallaties wordt de totale energie-inhoud van fossiele brandstof als nuttige energie aangewend. De COP van een elektrische warmtepomp in combinatie met langetermijnenergieopslag als bron bedraagt circa 5. figuur 12. Inmiddels bestaan er ook kleine warmte/krachtcentrales geschikt voor toepassing in één gebouw en zelfs in één woning. dat de temperatuur van het collectorwater verhoogt tot een niveau geschikt voor verwarming en geschikt als warm tapwater.5% restwarmte ketel motor generator restwarmte 26. 1% koeling smeerolie 3% generatorverliezen 2% Figuur 12. • Als laagwaardige energiebronnen komen in aanmerking: buitenlucht.3 Warmtepomp Warmtepompen worden toegepast om relatief laagwaardige warmte (bijvoorbeeld restwarmte) om te zetten naar een hoogwaardiger energieniveau. afvalwarmte uit ventilatielucht of afvalwater. 12. figuur 12.40-3. Een algemene vuistregel is dat energieopslag in de bodem economisch rendabel is als de koudevraag ten minste 300 kW bedraagt en meer dan 500 vollasturen per jaar koeling nodig is.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 79 periodieke STEK-keuringen. grondwater. met als hoofddoel het controleren of er geen schadelijk koudemiddel weglekt.7. die een medium doet rondstromen door een verdamper en condensor.40-1. schoorsteenverliezen 12. figuur 12.5% beschikbare warmte 37% mantelkoeling 10. In zonne-energiesystemen vormen warmtepompen een belangrijk onderdeel. Het rendement van een warmtepomp wordt uitgedrukt in de warmtefactor of Coefficient of Performance (COP). Een koelkast kan worden gezien als een omgekeerde warmtepomp door de warmte die de condensor produceert te benutten voor verwarming. 12. De installatie wordt gecompleteerd met apparatuur om de restwarmte te benutten (een warmtepomp) en vrij complexe regelapparatuur. kunnen achterwege blijven.

42. Door het Trombe-principe hoeft de klimaatbeheersingsinstallatie in de winter minder warmte op te wekken. De oplossing met zonwerende glassoorten geniet uit oogpunt van exploitatiekosten de voorkeur. interne warmtelast en verwarming) langs het plafond gevoerd en wordt het plafond opgewarmd. vooral in de vloeren.7. ◆ Trombe-wand De Trombe-wand is een wand (grote massa) met aan de buitenzijde een glaswand. zij het dat de capaciteit afgestemd moet zijn op het gewenste binnenklimaat en er meer regeltechniek nodig is.43. figuur 12. Bij moderne gebouw. In recente ontwerpen wordt zonneenergie steeds vaker benut als een combinatie van actieve en passieve systemen. Dit ongewenste effect wordt ondervangen door zonwering of extra ventilatie (of eventueel koeling) aan te bren- 1 dagsituatie 2 nachtsituatie Figuur 12. Met passieve zonne-energietoepassingen wordt zonne-energie benut met behulp van bouwkundige maatregelen. In de zomersituatie beperkt de nachtventilatie de koudevraag. Er bestaan glassoorten die in voldoende mate de zonne-energie buiten houden. De zonwering kan bestaan uit een werktuigbouwkundige installatie met beweegbare screens inclusief regeling of uit zonwerend glas. Passieve zonne-energie Passieve zonne-energietoepassingen worden onderscheiden in: ◆ directe invang. maar is het rendement sterk afhankelijk van het gedrag van de bewoners. Zoals eerder besproken is.42 Benutting zonne-energie met Trombe-wand . figuur 12.en installatieconcepten wordt het Trombe-principe toegepast door de warmte op te slaan in de gebouwmassa. In de zomer werkt de ventilatie net zo. ◆ serre of atrium (meestal benoemd als glasoverkapte buitenruimten). Het voordeel van actieve zonne-energietoepassing is dat het systeem altijd energie bespaart. met dien verstande dat er in de nacht wordt geventileerd met koude buitenlucht en het plafond wordt gekoeld. Bij passieve zonne-energietoepassing kan er veel energie bespaard worden. In de dagsituatie wordt de wand opgewarmd en in de nachtsituatie wordt de warmte afgegeven aan de ruimtelucht. In de zomersituatie leidt deze oplossing snel tot het zogenaamde broeikaseffect. ◆ Directe invang Bij directe invang wordt het gebouw vooral aan de zuidzijde voorzien van glas. In de winter wordt in de dagsituatie de warme binnenlucht (opgewarmd door directe invang.80 12. De klimaatbeheersingsinstallatie ziet er normaal uit. bij actieve zonne-energietoepassingen (thermisch of fotovoltaïsch) worden werktuigbouwkundige installaties ingezet. soms kan een koelmachine achterwege blijven. In de wintersituatie kan een aanzienlijke besparing op de verwarming worden bereikt. wordt invallend zonlicht door de wanden en vloeren geabsorbeerd en vrijwel niet door het glas naar buiten gereflecteerd. gen. ◆ Trombe-wand. In de nachtsituatie wordt de koude binnenlucht langs het plafond gevoerd en wordt de lucht opgewarmd.5 Zonne-energie Zonne-energie kan actief en passief worden benut.

Een zonnecollector bestaat uit een absorber waarlangs een transportvloeistof loopt (water of olie). 2 vloeistofcollector. de besparing omslaat in extra energiegebruik.6 Actieve thermische zonne-energie Als zonne-energie met behulp van een zonnecollector wordt omgezet in warmte. Aan de buitenzijde is de collector afgedekt met een glasplaat op een luchtspouw.7. opslagvat en regelapparatuur wordt zonneboiler genoemd.44-2: bestaat uit een vlakke plaat met een leidingnet waar olie of een water gedragen vloeistof doorheen stroomt. figuur 12.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 81 plenum geleiding straling straling straling geen zonwering en geen instraling convectie 1 zomer dagsituatie 2 zomer nachtsituatie Figuur 12. Dat is een reden om diverse typen collectoren en systemen te ontwikkelen om het rendement te verbeteren. figuur 12. is er sprake van een actieve toepassing van thermische zonneenergie. Door de parabolische vorm wordt de zonne-energie geconcentreerd op een kleine absorber. Om de absorptie van de zonne-energie te vergroten. Om de zomersituatie te beheersen.43 Energiebesparing door toepassing van nachtventilatie en benutting massa gebouw ◆ Serre of atrium Een serre of atrium is een onverwarmde met glas afgedekte ruimte.44: 1 concentrerende collector. De vlakke absorber wordt direct door de zonnestralen verwarmd. Een zonneboiler moet worden gezien als een voorverwarmer: er is een naverwarmer of een warmtepomp nodig ter verkrijging van een hogere temperatuur. worden onderkant en zijkanten van isolatiemateriaal voorzien. 3 luchtcollector. figuur 12. De warmte wordt via een transportmedium afgegeven aan een opslagvat. omdat de warmtevraag vaak niet samenvalt met het aanbod aan zonne-energie. Het rendement van de omzetting van zonne-energie in thermische energie is reactief laag.44-1: maakt gebruik van spiegels. Om bevriezing te voorkomen wordt er bijvoorbeeld een mengsel van water en glycol toegepast. Die maatregelen berusten op het aanbrengen en benutten van een zonwering en/of op ventileren (natuurlijk of mechanisch). Het samenstel van collector. Er zijn vier typen collectoren. 12. In de zomersituatie moeten er maatregelen worden getroffen om het broeikaseffect tegen te gaan. Daarnaast heeft de serre/het atrium het voordeel dat het warmteverlies door de gevel zowel via transmissie als via infiltratie beperkt wordt. Met dit systeem wordt de transportvloeistof tot hoge temperaturen verhit. In tegenstelling tot de concentrerende collector benut de vlakke collector ook de diffuse zonnestraling. heeft de zonneboiler bij voorkeur een donkere kleur en wordt de buitenzijde van de absorber voorzien van een spectraalselectieve laag. om het warmteverlies naar buiten te beperken. In de wintersituatie is een besparing op het energiegebruik mogelijk door de lucht uit serre/atrium te benutten als voorverwarmde ventilatielucht. figuur 12. Een nadeel is dat als een serre verkeerd wordt gebruikt (bij de woning trekken als woonruimte). in de grootteorde van 15 tot 40 procent.44-3: vlakke plaat . Om warmteverlies naar binnen tegen te gaan. is er meestal een klimaatbeheersingsinstallatie nodig.

82

diffuse straling diffuse straling directe straling luchtspouw directe straling isolatie

absorber met vloeistofkanalen spiegelende laag metalen buis met absorptielaag transparante afdekking

1

een parabolische collector benut directe straling

2

een vlakke vloeistof-collector benut directe en diffuse straling. bescherming tegen bevriezing is noodzakelijk

vloeistofleiding transparante afdekking absorber met luchtkanalen luchtspouw

isolatie frame

aluminium blokje voor warmteoverdracht a

3

een vlakke luchtcollector benut directe en diffuse straling. bezit een grote duurzaamheid

b glasomhulling voor vacuüm

absorptieplaat (zwart)

4
Figuur 12.44 Vier typen zonnecollectoren

een vacuüm buiscollector draagt warmte over via condensatie. levert een hoog rendement

met kanalensysteem waardoor lucht wordt geleid. Het is een duurzaam type collector omdat er geen bevriezing of corrosie kan optreden. Nadeel is dat lucht een slecht transportmedium is, waardoor er forse kanalen nodig zijn; 4 warmtepijpcollector, figuur 12.44-4: bestaat uit vlakke plaat met daarin met vloeistof gevulde buisjes. Het warmtetransport in de collector gebeurt door verdamping van de vloeistof naar een warmtewisselaar boven in de collector. In de warmtewisselaar wordt de warmte onttrokken, zodat de vloeistof condenseert en weer naar het

verdamperdeel terugstroomt. Door het verdampingsdeel aan te brengen in een vacuüm gezogen glazen buis wordt het rendement verhoogd. Er worden drie typen voorraadvaten toegepast om de warmtevraag in overeenstemming te brengen met het aanbod aan zonne-energie, figuur 12.45: 1 opslagvat zonder warmtewisselaar, figuur 12.45-1. Het opslagvat kent directe verbindingen met zowel de collector als een waterleidingnet. Het is een zeer eenvoudig systeem dat kan wor-

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES
CV

83

CV

3 opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar, figuur 12.45-3. Als de collectorvloeistof giftig is en het opslagvat tapwater bevat, is er een dubbelwandige warmtewisselaar vereist. Zonder naverwarming varieert de temperatuur in het voorraadvat tussen de 20 en 70 °C. Daarom wordt het voorverwarmde water naverwarmd in een warmteopwekker of op een hoger energieniveau gebracht via een warmtepomp. Als de collectortemperatuur groter wordt dan de temperatuur in het voorraadvat (vaak 6 °C), start automatisch de circulatiepomp en wordt water uit warmtewisselaar door de collector gepompt, figuur 12.46. Het water wordt in de collector opgewarmd en stroomt boven in de warmtewisselaar (buitenmantel) van het opslagvat, waardoor de inhoud van het opslagvat wordt opgewarmd. Als er warm water wordt getapt, wordt er eenzelfde hoeveelheid koud water aan het opslagvat toegevoerd.
collector temperatuurvoeler

1

collector

opslagvat zonder warmtewisselaar, de collectorvloeistof stroomt ook door de naverwarmer

2

collector

opslagvat met enkelwandige warmtewisselaar, het water uit de collector en het verwarmde water blijven gescheiden

warm water tappunten opslagvat naverwarming warmtewisselaar koud water regelbox pomp temperatuurvoeler + thermostaat

Figuur 12.46 Regeling zonnecollector met opslagvat
collector

3

opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar bij toepassingen voor tapwater

Figuur 12.45 Drie typen opslagvaten

den toegepast als voorverwarming voor bijvoorbeeld zwembadwater. Door de collector stroomt water, zodat bevriezingsgevaar bestaat; 2 opslagvat met warmtewisselaar, figuur 12.45-2. In dit geval stroomt de transportvloeistof door een spiraalleiding, waar de warmte door geleiding en convectie afgegeven wordt aan het water in het vat. De collectorvloeistof is door een enkele wand gescheiden van het water in het vat;

Het water in het collectorverwarmingscircuit bevat een vorstbeschermingsmiddel. Een van de grootste toepassingen van thermische zonneenergie is de voorverwarming van het tapwater. Hierbij is de terugverdientijd gunstig omdat de tapwaterbehoefte vrij constant is en het benodigde collectoroppervlak daarop kan worden afgestemd. Tevens is naverwarming goed te integreren in de gebouwinstallatie en geldt er tot op heden een subsidieregeling. De vlakke plaatcollector met een watergedragen transportvloeistof inclusief een opslagvat met warmtewisselaar (zonneboiler) blijkt meestal de meest rendabele te zijn. Er zijn vier typen zon-

84

neboilers op de markt voor voorverwarming van tapwater in woningen: ◆ standaardzonneboiler; ◆ compacte zonneboiler; ◆ cv-zonneboiler; ◆ zonneboiler-combi. ◆ Standaardzonneboiler De standaardzonneboiler bestaat uit een collector met een oppervlak van circa 3 m2 en een los opslagvat van circa 120 l, figuur 12.47. Deze zonneboiler moet aangesloten worden op een standaard-cv-ketel met tapspiraal.
collector warm water CV-ketel

collector

warm water

CV-ketel vat koud water

Figuur 12.49 Cv-zonneboiler levert tapwater dat met behulp van cv-ketel wordt naverwarmd en grote debieten kan leveren

voorraadvat

koud water

◆ Zonneboiler-combi De zonneboiler-combi is een grote cv-boiler waarin voorraadvat en cv-brander zijn geïntegreerd. Het water in het opslagvat wordt zowel gebruikt om tapwater voor te verwarmen als voor de centrale verwarming in twee gescheiden circuits, figuur 12.50. Het voorraadvat voor toepassing in een gemiddelde woning is vrij fors, grootteorde rond 500 l of ∅ 0,65 × 1,50 m.
collector warm water

Figuur 12.47 Standaardzonneboiler voor tapwater naverwarmd via cv-ketel

◆ Compacte zonneboiler De compacte zonneboiler verwarmt het leidingwater direct in een goed geïsoleerde collector en heeft een los voorraadvat van circa 70 l, figuur 12.48. De compacte zonneboiler wordt aangesloten op een combiketel.
collector met opslag warm water CV-ketel koud water

vat

radiatoren koud water

Figuur 12.50 Zonneboiler-combi levert voorverwarmd water voor zowel tapwater als verwarming en bezit groot voorraadvat

Figuur 12.48 Compacte zonneboiler verwarmt in collector tapwater dat in combiketel wordt naverwarmd

De jaarlijkse opbrengst van een zonneboiler is afhankelijk van de oriëntatie en de hellingshoek. De warmteopbrengst voor een gemiddeld jaar bij een warmwaterbehoefte van 100 l per dag van gemiddeld 60 °C bedraagt 455 kWh/m2 collectoroppervlak, of een rendement van circa 455/1100 = 42 procent. Thermische zonne-energie kan ook op andere manieren worden benut, onder andere voor ruimteverwarming en verwarming van zwembadwater, die een langere terugverdientijd kennen dan de tapwatertoepassing. Bij toepassing voor ruimteverwarming kan het rendement verhoogd worden door een lage temperatuurverwarming toe te passen. Vloerverwarming is dan een goede optie om een rendabele toepassing te verkrijgen. Vaak is naverwarming nodig.

◆ CV-zonneboiler De cv-zonneboiler is een standaardzonneboiler met een extra warmtewisselaar in het voorraadvat, figuur 12.49. Het vat heeft een inhoud van circa 200 l en de extra warmtewisselaar is aangesloten op de cv-ketel. Omdat tapwater direct uit het grote voorraadvat afkomstig is, kent de cv-zonneboiler zelden een temperatuurval bij gelijktijdig tappen.

In het gebouw (woning) moet de nodige ruimte worden gereserveerd.51 is de jaarbelastingsduurkromme van een goed geïsoleerd rijtjeshuis (EPC = 1. de oude schrijfwijze van fotovoltaïsch) oplevert als er 1 kW straling op het paneel valt en de omgevingstemperatuur gelijk is aan 25 °C. vraag 90%: <35% max. Een nadeel van de compacte zonneboilers is de grotere dikte. De cellen worden in serie geschakeld en samengevoegd tot zonnepanelen van circa 1 m2. Alleen wanneer langetermijnenergieopslag mogelijk is. Inbouw in het dakvlak moet met de nodige kennis van zaken gebeuren. Het maximale vermogen is afhankelijk van het aantal cellen en wordt uitgedrukt in watt-piek (Wp). een stof die elektriciteit afgeeft zodra er zonneenergie opvalt. Denk bijvoorbeeld aan het toepassen van grote glasoverkapte ruimten om ventilatielucht voor te verwarmen of aan zonnecollectoren als vervangers van de dakhuid. De zonnecellen leveren 12 tot 24 volt dat via een omvormer (inverter) wordt omgezet in 230 volt. Los op het dak aangebrachte collectoren rusten meestal op frames.7. vraag Om systemen ter benutting van actieve zonneenergie rendabel te krijgen. Wp is het vermogen aan elektriciteit dat het PV-paneel (van photovoltaïsch. vraag 80%: <26% max. op het dak of in het dak worden aangebracht.51 Energievraag als percentage van te installeren vermogen in goed geïsoleerde woning . 12. Opslag in batterijen is mogelijk. dan kan deze energie in de meeste gevallen via het net worden teruggeleverd aan de energieleverancier. bijvoorbeeld circa 30 tot 40 procent. Hierbij moet men bedenken dat de collectoren van invloed zijn op de architectonische verschijning. maar uit milieuoogpunt minder gewenst. Integratie van het bouwkundige en het werktuigbouwkundige concept biedt soms ongekende mogelijkheden om tot rendabele oplossingen te komen. De praktijk leert dat dakdekkers beter werk afleveren dan installateurs. Er ontstaat dan een zogenaamde AC-module. hoewel deze in het geval van integratie met de bestaande installatie beperkt van omvang is. De huidige zonnecel is opgebouwd uit silicium. warmtevraag (%) 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0 1000 2000 3000 4000 tijd (uur) 95%: <44% max. Niet bij alle bouwopgaven is toepassing van zonne-energie a-priori rendabel. Uit de kromme is af te leiden dat 80 procent van de tijd 7.2) gegeven met een maximale vraag van 10 kW. In figuur 12. De inverter kan op de achterzijde van een zonnepaneel worden gemonteerd. is er sprake van een actieve toepassing van fotovoltaïsche zonne-energie. Het geheel oogt minder fraai. waar tegenover staat dat in het gebouw er weinig tot geen extra ruimte nodig is. die direct 230 V levert. Bij combi-zonneboilers moet men rekenen op extra ruimte voor het opslagvat. omdat de zonnecollector thermische bewegingen kent die na verloop van tijd vaak aanleiding geven tot lekkage.7 Actieve fotovoltaïsche zonne-energie Als zonne-energie met behulp van fotovoltaïsche zonnecellen wordt omgezet in elektriciteit.4 kW vermogen niet nodig is. Een gangbaar PV-paneel van 1 m2 heeft een piekvermogen van 100-125 Wp. maar kan door borstweringen aan het oog worden onttrokken.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 85 Zonneboilers worden vooral in woningen regelmatig geïnstalleerd. Wordt er minder stroom gebruikt dan er wordt opgewekt. kan een groter deel op een rendabele manier door zonne-energie worden verzorgd. kiest men meestal voor een oplossing waarbij slechts een deel van de behoefte aan energie door de zon wordt geleverd. De collector kan tegen de gevel. Het rendement van zonnecellen is relatief laag en Figuur 12. Daarom is het economisch bezien verstandig de relatief dure toepassingen van actieve zonne-energie slechts een deel van de maximale energievraag te laten verzorgen.

O ON O OZ O 100° ZW ZO Voorbeeld oppervlak: 100 m2. Figuur 12. Aan de hand van het omzettingsrendement van het type PV-cel. E = 100 × 0. oriëntatie: ZO. Omdat de overheid afspraken maakt met de energiebedrijven over het te realiseren vermogen aan PV-cellen. waarbij zonnepaneel geen zonlicht doorlaat. figuur 12. de hellingshoek en de maximale jaarlijkse zonne-instralingsenergie op een m2 per jaar (1100 kWh/m2) kan bepaald worden hoeveel elektriciteit er per jaar wordt opgewekt. • elementen geïntegreerd in atriumdak. De toepassing van fotovoltaïsche zonnecellen wordt steeds actueler.52 Instralingsdiagram: Invallende zonne-energie afhankelijk van oriëntatie en hellingshoek afhankelijk van het type cel (tot maximaal 15 procent). figuur 12.80 × 1100 = 4400 kWhe/jaar. hellingshoek: 70°. de oriëntatie. • gevelelementen hangend voor de gevel of ter vervanging van gevelbekleding.50 Hz 12 V omvormer DC/AC 230 V huishoudelijke apparaten Figuur 12. Een jaarlijkse opbrengstberekening kan worden gemaakt aan de hand van het instralingsdiagram.53. De afzet van PV-cellen groeit.86 N NN W N W 30° NN O N O 40° WW N 50° 60° 70° W 80° W WZ 90° 70° 80° 50° 60° 40° 30° 20° 10° 90° 95° De oriëntatie van de PV-cellen is van grote invloed op de jaarlijkse opbrengst aan zonneenergie. zoals beweegbare lamellen voor de gevel.05 × 0. PV-dak 230 V . • dynamische zonwering. moet er overwogen worden een PV-systeem in beheer van het energiebedrijf te laten. type: amorf (rendement = 5 procent).53 Fotovoltaïsche cellen op dak gebouw ZZO energiemeters output 1 input 2 Z ZZW . • speciale dakpannen. PV-cellen kunnen op verschillende manieren in de gebouwde omgeving worden opgenomen: • panelen op dak op bokken of in dakvlak. ondanks dat de terugverdientijd momenteel in de grootteorde van 20 jaar ligt.52.

• onderhoud moet in ruimte zelf plaatsvinden. Door de PV-panelen meer functies toe te bedelen. • lage investering. bijvoorbeeld bij boeien op zee of praatpalen langs autowegen. kan een motief zijn voor toepassing.8. een raamunit.54 Decentrale installatie: fan-coil en split-unit .54-1. is schematisch voorgesteld in figuur 12. Toepassing van PV-cellen is vooral rendabel daar waar geen elektriciteitsnet aanwezig is of waar de kosten van de aanleg van het net hoog zijn. In de koelribben wordt een koelmiddel verdampt dat door een elektrische compressor op hoge druk wordt gebracht en getransporteerd wordt naar de condensor. Verlaging van de energieprestatie (EPC) van het gebouw scoort ook goed. Via een expansieventiel stroomt het koelmiddel weer terug naar de verdamper. De vrijkomende warmte wordt via een ventilator afgestaan aan de (buiten)lucht. In de gebouwde omgeving spelen afgezien van de rendabiliteit diverse aspecten een rol die aanleiding zijn tot het toepassen van PV-systemen. 12.8 Decentrale installaties Decentrale klimaatbeheersingsinstallaties zijn systemen die in de ruimte zelf warme of koude compressor verdamper koud condensor koelmiddel leidingen warm geconditioneerde lucht verdamper binnenunit ventilator recirculatielucht 1 raamunit 2 split-unit Figuur 12. In de condensor condenseert het koelmiddel bij een veel hogere druk en lagere temperatuur. zoals milieuoverwegingen en het reduceren van de CO2-uitstoot. Nadelen • laag rendement. Voordelen • individuele regeling mogelijk. lucht produceren. • lage capaciteit.1 Fan-coil-unit Een kamerunit bestaat uit een ventilator die de warme lucht uit de ruimte aanzuigt en via de lamellen van een koelunit weer in de ruimte terugblaast. buitenunit condensor (luchtgekoeld) compressor 12.12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES 87 Inclusief subsidie bedraagt de terugverdientijd van PV-systemen in veel gevallen nog meer dan tien jaar. • installaties zijn achteraf te installeren. Een voorbeeld van zo’n systeem. Ook het imago dat een opdrachtgever wenst uit te stralen. • geluidproductie in ruimte. is het soms mogelijk de kosten van PV-toepassingen te reduceren (bijvoorbeeld tevens gevelbekleding of zonwering).

Het enige contactgedeelte is de warmtewisselaar. Het grote voordeel van de direct gestookte verwarmers is de grote capaciteit en de lage aanschafkosten.55 Decentrale installatie in de vorm van indirect gestookte luchtverhitter . ◆ indirect gestookte. De direct gasgestookte luchtverhitters zijn eenvoudig te monteren aan de wand of het plafond met behulp van vier ophangbeugels. De ruimtelucht wordt aangezogen door de ventilator. worden de condensor en compressor in een aparte unit gebouwd die in de buitenlucht wordt opgesteld. Ook indirect gestookte luchtverhitters zijn eenvoudig aan de wand of het plafond te monteren en worden vaak in sporthallen. verbrandingsluchtventilator en een ventilator voor de luchtrecirculatie. In een compacte behuizing zijn ondergebracht de ventilator en het verwarmingelement. ment en vervolgens via een uitblaasrooster met een temperatuur van circa 45 °C weer de ruimte ingeblazen.8.54-2. dat is aangesloten op het leidingensysteem van het centrale verwarmingswater. warmtewisselaar.88 12. De luchtrecirculatieventilator zorgt voor de aanzuiging van de ruimtelucht.3 Luchtverhitters In principe worden er twee soorten luchtverhitters onderscheiden: ◆ direct gestookte. opgewarmd door het verwarmingsele- retourwater aanvoerwater ruimtetemperatuurregeling Figuur 12. figuur 12. leidt de lucht langs de warmtewisselaar (verwarming van de ruimtelucht tot circa 25 °C) en blaast opgewarmde lucht via een rooster de ruimte weer in.en ruimteluchtcircuit zijn van elkaar gescheiden.8. bestaan uit een brander. Het geheel zit in een compacte behuizing. ◆ Direct gestookte luchtverhitters Direct gestookte luchtverhitters. Het verbrandings. De verbrandingsluchtventilator zorgt voor de aanvoer van de verbrandingslucht en afvoer van verbrandingsgas via een inwendig gescheiden metalen pijp tot boven het dak. 12. figuur 12. Het voordeel van deze systemen is dat ze te gebruiken zijn in combinatie met andere (eind)apparaten die zijn aangesloten op het verwarmingswatersysteem. met als verwarmingsmedium aardgas (of propaan en butaan). gebruiken als transportmedium het verwarmingswater van een veelal separaat opgestelde ketel. In de ruimte wordt aanzienlijk minder lawaai geproduceerd. industriële gebouwen en ook wel in woningen toegepast. ◆ Indirect gestookte luchtverhitters Indirect gestookte luchtverhitters. Zij vinden vooral toepassing in sporthallen en industriële gebouwen.2 Split-unit Bij een split-unit.55.

Hengeveld 13 Bij het ontwerp van een gebouw wordt behalve naar een esthetische waarde primair gestreefd naar een goede huisvesting van de organisatie in een daarvoor geschikt klimaat. Investeren in energiebesparende maatregelen kan voor een gebouwbeheerder economisch verantwoord zijn vanwege de verlaging van de exploitatielasten. ir. Integraal ontwerpen van gebouwen en van gebouwgebonden installaties is een methode om tot een zo gunstig mogelijk eindresultaat te komen. D.Bijzondere concepten ir. J. Een comfortabel binnenklimaat wordt bepaald door zowel het gebouw als door de gebouwgebonden installaties. Dit is een reden voor de overheid om eisen te stellen aan de energieprestatie (EP) van gebouwen. . In het ontwerp wordt een evenwicht gecreëerd tussen de eisen.J. van Zanten. Om het gewenste binnenklimaat in stand te houden. In kantoren is een binnenklimaat nodig met een zekere mate van behaaglijkheid als er zittend werk wordt verricht en er ‘kantoorkleding’ wordt gedragen. die niet onbeperkt voorradig is.H. is energie nodig. het gebouw en de gebouwgebonden installaties. resulterend in een behaaglijk binnenklimaat met een laag energiegebruik.

maar bovendien met werk. soms worden ze nagevolgd en wordt de oplossing in de loop der tijd ‘stand der techniek’.en onderhoudskosten. R. Merlijn Media B. De afmeting van de kamer kan daardoor worden beperkt tot bijvoorbeeld .2. Adviseurs. tafels. ir. Stouthart. van Zanten raadgevende ingenieurs. J. De verlichting van de middenzone moet geschikt zijn voor het uitvoeren van kantoorwerkzaamheden en bovendien moet de brede middenzone worden ontsloten voor datacommunicatie. Bij een dynamisch kantoorconcept is er differentiatie in ruimten door de afstemming op de diverse activiteiten.1 Dynamische kantoren In kantoororganisaties wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van innoverende kantoorconcepten. De oplossingen illustreren hoe veranderde opvattingen (ten aanzien van organisatievormen.H. Een dynamisch kantoorconcept vergt een totaal andere afstemming van de installaties op de gebouwindeling. Van gang. van Iterson. 13. Kenmerkend is dat de kantoorindeling sterk gerelateerd is aan de snel wijzigende organisatie: er moet dus flexibel omgesprongen kunnen worden met de indeling. Op een dynamische kantoorvloer kunnen ook spreek. waar de gang vaak de functie van luchtafvoer van de kantoorkamers had.1. Er zijn relatief veel kamers met kleinere afmetingen die bestemd zijn voor werkzaamheden die concentratie vergen.en overlegplekken. J. ir. maar men moet zich afvragen of de huidige technische uitvoering van dit organisatorische concept ook wel zo innovatief is. • paragraaf 13. Dynamische kantoorconcepten kunnen innovatief worden genoemd. N. Halmos b. In de praktijk van het ontwerpen en bouwen komen situaties voor die om ongebruikelijke oplossingen vragen.600 × 5. In dit hoofdstuk worden drie bijzondere. Het is dus onontkoombaar dat men aan de bouwfysische kwaliteit van de middenzone meer aandacht besteedt dan bij een traditioneel kantoor aan de gang. Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten. Ze onderscheiden zich door de manier waarop energie (warmte en koude) wordt getransporteerd en de mate waarin de lucht wordt geconditioneerd. Op weg naar energie-nul-gebouw. moeten de archiefkasten naar de altijd bereikbare middenzone worden geplaatst. De volgende paragrafen zijn bewerkingen van eerder verschenen publicaties: • paragraaf 13.v. maatschappij) aanleiding zijn voor bijzondere ontwerpen.3.W. Van tweepersoonskamer naar concentratiewerkplek In een traditionele tweepersoonskamer van 3. Ventilatie en klimaatbeheersing moeten op andere manieren worden gerealiseerd dan bij het traditionele kantoor.naar middenzone Bij een dynamisch kantoorconcept is de vroegere gangzone nu een volwaardig kantoorgebied geworden. De gangzone is uitsluitend bestemd als verkeersgebied.600 × 5. Soms zijn dit oplossingen die eenmalig voorkomen. ing. Dynamische kantoren. architectuur. Deerns raadgevende ingenieurs en ing. 13. Vermeer.800 m breed het uitgangspunt. archiefkasten en andere collectieve voorzieningen. Naast verschil in investering onderscheiden de concepten zich in het comfortniveau dat kan worden gerealiseerd en door verschil in de benodigde ruimte voor de klimaatbeheersingsinstallaties.1. met weliswaar nog steeds de verkeersfunctie. van Zanten.J. telefonie en elektra.400 m is er per persoon ruimte voor één L-vormig bureau met stoel en twee archiefkasten.1 Van traditioneel naar dynamisch kantoorconcept Bij traditionele cellenkantoren vormen kantoorkamers van 3. F.W.V. van der Plas.en vergaderkamers voorkomen en mogelijkerwijs nog enige traditionele persoonsgebonden kamers. Zodra de werkplekken niet meer persoongebonden zijn. uitgevoerde ontwerpen gepresenteerd. • paragraaf 13.400 m en een gangzone van 1. Dit wordt in deze paragraaf toegelicht.90 Inleiding In hoofdstuk 12 is een aantal installatieconcepten beschreven. In de veel bredere gangzone staan bijvoorbeeld informele zitjes. Tevens is er verschil in investerings.

Nieuwe technische en visuele eisen Bij een dynamisch kantoorconcept gaan de ruimten intensiever gebruikt worden. waarmee aan alle gestelde eisen kan worden voldaan. omdat aan de minimale oppervlakte-eisen van het vigerende Bouwbesluit en het Arbeidsomstandighedenbesluit moet worden voldaan.800 m breed. Visuele communicatie en openheid leiden.800 m niet optimaal is. Bovendien moet dan vaak met een half stramien gewerkt kunnen worden.400 − 1. Een dynamisch kantoor vergt bovendien een beter regelbare en fijner vertakte installatie. Bij de overwegingen die leiden tot de keuze van een installatieconcept kan een tweesporenbeleid worden gehanteerd. Uit de studies is bovendien gebleken dat een breedte voor de kantoorvleugel van 12. Er zijn ook geen halve stramienen meer nodig. waarbij men heeft onderzocht hoe de kantoorverdieping zo efficiënt mogelijk kan worden benut. naar is gebleken. Gebleken is dat een gevelstramien van 1. De middenzone kan dan onvoldoende worden vergroot. Vaak blijkt namelijk dat een organisatie die nieuwe huisvesting ontwikkelt (nog) niet geheel kan overgaan op een dynamisch kantoorconcept.1 en 13. zijn niet altijd geschikt voor een dynamisch kantoor. wordt de traditionele tweepersoonskamer een concentratiewerkplek. Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat de oppervlaktebesparing die een dynamisch kantoorconcept kan inhouden bij een traditioneel gevelstramien van 1. figuur 13.400 m.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 91 3.1. figuur 13.1. Voor de afmetingen van de meest voorkomende eenpersoonsconcentratiewerkplek is er in een traditioneel gebouw in praktijk een aantal mogelijkheden: één.200 m en de bespaarde ruimte kan aan de middenzone worden toegevoegd.en tweepersoonskamers 4.en luchtlijnen en het introduceren van een verspringende lichtlijn in het midden van de kantoorverdieping leveren een optimale aanpasbaarheid op tegen betrekkelijk geringe meerkosten. Bij 14.en tweepersoonskamer is dan respectievelijk 10 en 15 m2. Daarbij kan in een later stadium.2. het anders positioneren van licht.600 m verplaatst.600 × 4. zonder al te grote aanpassingen. Twee gevelstramienen geeft voor de eenpersoons concentratiewerkplek te veel indelingsverlies. Op zoek naar optimale stramien Uitgebreide analyses zijn uitgevoerd ten aanzien van de oppervlakten van een-. anderhalf of twee stramienen van het gevelstramien van 1. van een traditioneel kantoorgebied alsnog een dynamisch kantoor worden gemaakt. figuur 13. Het aantal stramienen en bandrasters is gelijk gebleven.800 × 5. In plaats van een constantvolumesysteem moet er al snel worden overgestapt op een duurder variabel-volumesysteem of zelfs op een systeem met leeflucht en koelplafond. Bij een breedte van één gevelstramien ontstaat een pijpenla van 1. Bovendien is er rekening gehouden met de mogelijkheid ook het traditionele cellenkantoor binnen dit stramien te plaatsen. waardoor men meer aandacht moet besteden aan de kwaliteit en degelijkheid van de inrichting zoals inbouwpakket en meubilair. maar enkele stramienen zijn 0.400 m of diepere kantoren kunnen de middenzone kwalitatief betere functies worden toebedeeld. Anderhalf stramien geeft een betere kamer waarbij ruimte aan de middenzone kan worden afgestaan. In deze studies zijn onder meer diverse gevelstramienen bestudeerd. De vloeroppervlakte van de een. zoals het selecteren van afwijkende verlichtingsarmaturen. twee.200 m voor een dynamisch kantoorconcept optimaal is en tevens een traditioneel cellenkan- toor toelaat.2.2 Optimaal installatieconcept Klimaatinstallaties die voor traditionele kantoren goed voldoen.200 m te zijn. tot . Er zijn diverse gradaties van deze investering voor de toekomst onderzocht: kleine aanpassingen van de plafonds. Een gebouw waarin zowel cellenkantoren als een dynamisch kantoorgebied moeten kunnen worden afgewisseld is dan gewenst.en driepersoonskamers in relatie tot de vigerende wettelijke eisen en de functionele behoeften van kantoorwerk.200 − 2. Ook moet de middenzone worden opgewaardeerd tot een volwaardig kantoorgebied.400 − 2.600 m minder gunstig is. Vaak worden er hoogwaardigere materialen toegepast. 13. Als men de wisselwerkplekken bovendien in hoofdzaak voor concentratiewerkzaamheden gebruikt. Bij de nieuwe stramienindeling bleek de optimale diepte voor een.

3 Kantoorinnovatie uit kinderschoenen? Bij de eerste in Nederland gerealiseerde projecten met dynamische kantoorconcepten heeft men veel nadruk gelegd op de ruimtelijke. In huidige projecten met dynamische kantoorconcepten blijkt de wens te bestaan om bestaande bouwfysische deelgebieden.1. bij gebouwbreedte van 14. waaronder bouwfysica.4 m veel transparante delen in scheidingswanden.en plafondsystemen gezocht naar technische oplossingen die beter passen bij de uitwerking van dit nieuwe concept. Om toch de benodigde privacy te bieden. functionele en visuele aspecten. Bovendien wordt bij productontwikkeling door fabrikanten van bijvoorbeeld wand.6 m 1200 2400 2400 1200 1800 1200 4200 licht lucht Figuur 13. licht. opnieuw te bezien en waar nodig nieuwe uitgangspunten op te stellen.1 Installatieconcept dat traditioneel en dynamisch kantoor toelaat. worden dan bijzondere glastoepassingen of lamelsystemen gebruikt. Integratie met de technische installaties is hierbij een onderwerp van studie. lucht en behaaglijkheid. niet 4200 3000 14400 5400 12600 1800 . Enkele kwalitatieve aspecten.2 Installatieconcept dat traditioneel en dynamisch kantoor toelaat. bij gebouwbreedte van 12.zoals akoestiek.92 1800 5400 licht lucht Figuur 13. hebben aan- vankelijk onvoldoende aandacht gekregen. Als er met de bouwfysische condities die het functioneren van de mens sterk beïnvloeden. De noodzaak van daglichttoetreding in de middenzone speelt eveneens een grote rol. 13.

Men bevindt zich nu in een eerste fase.000 km van de aarde). De kleinere en minder diepe concentratiewerkplekken hebben in verhouding tot de hoeveelheid ventilatielucht meer toetreding van zonne-energie bij een overigens gelijkblijvende gevel. Ook de thermische behaaglijkheid van de gevelzone met de kleine concentratiewerkplekken is in bouwfysisch opzicht anders. De toename van de vernietigingskracht is werkelijk explosief. De bij dynamische kantoorconcepten gewenste transparantie van de scheidingswanden. Tweepersoonswerkkamers hebben bovendien een in verhouding hogere interne warmtebelasting dan een traditioneel cellenkantoor van twee personen. de relatief rumoeriger middenzone en het kleinere volume van de concentratiewerkplek staan op gespannen voet met de behoefte aan stilte voor de concentratiewerkzaamheden. De wereldbevolking groeide in de twintigste eeuw 25 maal zo snel als in de periode voor 1700. In figuur 13. De overheid staat dan ook voor de ambitieuze opgave in de 21e eeuw over te schakelen op duurzame energie. Dit is een geleidelijk proces. volgt bij een deel van de projecten op den duur een negatieve reactie van de gebruikers.4 Gewijzigde bouwfysische aspecten Het gebruik van concentratiewerkplekken stelt specifieke eisen aan de akoestische eigenschappen van deze ruimten. zo diep mogelijk in de ruimte. 13.en kunstlicht een geheel nieuwe situatie. Als eerste noemde hij de versnelling van het voortbewegen.000 km/h voorgesteld.1. versnellingen aan dat deze titel correct is.1 Een tijd als nooit tevoren In de jaren zestig van de twintigste eeuw verscheen er in Duitsland een geschrift met als titel Heute eine Zeit wie nie!. De blijvende acceptatie door de gebruikers geeft uiteindelijk de doorslag voor een geslaagde kantoorinnovatie. Voor diverse dynamische kantoorprojecten is een akoestische analyse gemaakt van bijpassende wand. Als voorbeeld wordt besproken het ontwerp van het kantoorgebouw van het Hoogheemraadschap van Rijnland met een maximaal comfortniveau en een minimaal energiegebruik. daarna de uitvinding van het dynamiet met een redelijke .q.2.3-2.2 Op weg naar energie-nulgebouw De voorraad fossiele brandstoffen is eindig. Dit wordt verkregen door de inzet van veel geïntegreerde technische voorzieningen in het gebouw. Afwijkend gebruik van de kantoorruimten maakt de aanpassing van de bestaande stramienen met kunstverlichting gewenst.4. waarin wordt gestreefd naar een zo efficiënt mogelijk gebruik van zomin mogelijk fossiele energie. 13. Eerst was er het buskruit met een matige vernietigingskracht. figuur 13. F.3-1 is na 1900 een abrupte snelheidsverhoging van 40 km/h naar meer dan 50. Meer dan ooit moet men zorgen voor toetreding van daglicht. In 1783 werden er ballonvluchten tot enkele honderden meters boven de aarde gemaakt. 13.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 93 serieus wordt omgesprongen. maar bij een dynamisch kantoor moet hieraan voldoende verse lucht worden toegevoegd en moet de ruimte bovendien worden geklimatiseerd. de grote transparantie van de scheidingswanden en de gevel scheppen ook voor dag.en denkprocessen voor het gebouw en zijn technische voorzieningen. Zeer veel besproken is de toename van de wereldbevolking. Hieruit blijkt dat met specifieke oplossingen het doel kan worden bereikt. Ook kan verblinding door daglicht eerder optreden. Sinds 1969 gaat de mens naar de maan (400. Voorheen was dit slechts een verkeersruimte. figuur 13. Voor traditionele cellenkantoren en de daarin uitgevoerde werkzaamheden bestaan er allang algemeen geaccepteerde eisen voor ruimteakoestiek en interne geluidsisolatie. Ook het zeer diverse en intensieve gebruik van de middenzone vraagt akoestisch gezien bijzondere aandacht. Boerwinkel toonde met zes toenamen c. Eerder is opgemerkt dat een geheel nieuw aspect de ontsluiting van de middenzone met klimaatinstallaties betreft. Parallel aan deze voortbewegingsversnelling lopen de hoogterecords. Vanuit de geschiedenis wordt eerst een inzicht gegeven in de hedendaagse ontwerp.en plafondsystemen. Het gebruik van de middenzone als werkplek.

Het reflecterend en systematisch denken met het vormen van symbolen heeft op den duur de wetenschap doen ontstaan. Tot voor de uitvinding van microfoon en versterker in 1920 bereikte een spreker maximaal 10.94 snelheid (km/h) 50000 50000 km/h raket in1969 wereldbevolking 3 miljard 2500 miljoen in 1950 10000 5180 km/h vliegtuig in1966 1000 966 km/h record auto in1965 40 km/h bereden dier 100 km/h stoomtrein en auto 2 miljard 1 miljard 500 miljoen 0 500v.4 Explosieve toename vernietigingskracht twintigste eeuw . Een actuele toename is die van de communicatie.000.000. is de versnelling van het denken.000 20.000 personen. Een versnelling die veel andere versnellingen mogelijk heeft gemaakt. Sinds de mens digitaal via telecommunicatie en internet communiceert.C.3 Ontwikkelingen mensheid toename in vernietigingskracht. 1200 miljoen in 1800 500 miljoen in 1650 100 0 1 aantal optellingen per seconde 1000 1500 2000 versnelling van menselijk voortbewegen 2 500 1500 toename wereldbevolking 3 miljard 2 miljard 1 miljard 160 100000 0 1900 1950 2000 3 toename snelheid computers Figuur 13.000 Jaar 1944 1945 1954 Soort bom zwaarste gewone bom (dynamiet) eerste atoombom waterstofbom Figuur 13.000.000 20. De atoombom echter geeft een letterlijk en figuurlijk explosieve toename aan vernietigingskracht. De laatste twee eeuwen laten een exponentiële groei van wetenVernietigingskracht (kg TNT) 11. dat hij het niet meer kan bijhouden: er is sprake van infostress. is de omvang van de communicatie zover doorgeslagen. Deze wetenschap was weer de grote stimulans voor de ontwikkeling van de techniek. Vandaag de dag kan met televisie en via satellieten gelijktijdig de volledige wereldbevolking worden bereikt.

warmteterugwinvoorzieningen geïntroduceerd. • gebruik daglicht. het elektronische brein. 13. 13.3-3. • warmtepomp.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 95 schap en dus ook van de techniek zien. • HR-glas. Na deze tijd is geen noemenswaardige ontwikkeling geweest in gebouw en installaties totdat Edison in 1879 de elektrische gloeilamp tot een praktisch bruikbaar product ontwikkelde. . Dit alles is weer bevorderd door de computer. Vanaf circa 1990 tot heden is er sprake van het DUBO-tijdperk (duurzaam bouwen). maar van een waterval. werden ramen kleiner uitgevoerd en van dubbel glas voorzien en werden energiebesparende voorzieningen c. ontstaat de grafiek van figuur 13.q.2. De ontwikkelingen tot dan toe vormen het industriële tijdperk. 2 Benut vrijkomende energiestromen. De centrale verwarming had inmiddels zijn intrede gedaan. De gebouwen werden gebouwd met spouwloze buitenmuren en grote hoge ramen en werden niet geïsoleerd.2. Vervolgens kwam de ontwikkeling van zonnecollectoren en windenergie op gang. 6 Gebruik duurzame materialen. • HF-verlichting. Als het energiegebruik van de hiervoor geschetste geschiedenis van gebouwinstallaties uitgezet wordt in een tijdgrafiek. Op een centrale plaats was een vuurhaard. Deze lijn wordt echter afgebogen in het energiebewustwordingstijdperk en loopt terug in het DUBO-tijdperk. In de eerste helft van de twintigste eeuw deed de spouwmuur zijn intrede. moeten de volgende stappen worden ondernomen om duurzaam ontwerpen te optimaliseren: 5 Beperk hoeveelheid toe te passen materialen. • geïntegreerde ontwerpen. Dit tijdperk is afgesloten met de oliecrisis van 1973. 7 Pas monomateriale en demontabele constructies toe. 8 Beperk gebruik drinkwater. figuur 13. Daarnaast ontwierp men energiezuinigere apparaten zoals de VR-ketel. 4 Maak efficiënt gebruik van fossiele energie.5.3 Geïntegreerd ontwerpen in DUBO-tijdperk In het hedendaagse DUBO-tijdperk worden om duurzaam te ontwerpen in het algemeen de volgende stappen ondernomen: 1 Minimaliseer energievraag. waarvandaan de warme rookgassen via kanalen in de vloeren de warmte verdeelden naar de diverse vertrekken. Ter verbetering van het comfort werden achtereenvolgens mechanische ventilatie. Parallel aan dit stappenplan. Ook hierin herkent men de versnelling als een waterval. dat het gebruik van fossiele energie minimaliseert.2 Geschiedenis gebouw en installaties De hiervoor geschetste veranderingen in de moderne tijd hebben niet het karakter van een stroomversnelling. Deze andere tijd vraagt een ander denken. Van de ontwikkeling van het menselijk denken zou eenzelfde soort grafiek kunnen worden gemaakt. 3 Pas duurzame energie toe. Als gevolg van deze crisis werden spouwen van buitenmuren geïsoleerd. Achtereenvolgens zijn in deze laatste jaren tot ontwikkeling gekomen: • meer isolatie. • fotovoltaïsche zonnecellen. Eind negentiende eeuw werd de tl-verlichting uitgevonden. koeling en luchtbehandeling meer en meer toegepast. • langetermijnenergieopslag (LTEO) in bodem. Het tijdperk van circa 1973 tot 1990 wordt het energiebewustwordingstijdperk genoemd. waarbij veelal stoom via leidingen en gietijzeren radiatoren als transportmedium werd gebruikt. Bij de geschiedenis van gebouw en installaties is er ook sprake van een waterval aan veranderingen. De natuurlijke ventilatie werd weer uit de kast gehaald en ramen werden van zonwering voorzien. De gebouwen werden zeer zwaar uitgevoerd en van kleine ramen voorzien. In de tijd van de Romeinen werden er al gebouwen ontworpen en gebouwd met centrale verwarming.

maar alleen als tegelijk een goed resultaat van die ander wordt beoogd en bevorderd. onbehaaglijk gebouw. Ook bij het regelen van moderne installaties is een computer niet meer weg te denken. figuur 13. Anders denken gaat uit van samenwerken. gebouw en installaties tussen architect en adviseur is een must. Ten slotte: D VI SE UR integratie AL LA TIE GE BO ARC HI UW TE . het gebruik van het gebouw en de installaties optimaal op elkaar worden afgestemd.2.6 Optimale afstemming gebruik. Het resultaat is een comfortabel.5 Toename fossiele energiegebruik in gebouwen De geïntegreerde ontwerpmaatregelen die per stap worden overwogen.4 ‘Anders ontwerpend denken’ De maatschappij staat nu aan het begin van het DUBO-tijdperk.7 geeft per stap de meest voorkomende integratiemaatregelen weer. Het oude exclusief/individueel denken moet in dit nieuwe tijdperk inclusief/ integrerend denken worden. 13.6. Duurzaam bouwen mag niet resulteren in een onbruikbaar. bouwtechnologisch en systeemniveau. Het gebouw wordt dynamischer door de zonweringslamellen op warmte en daglicht te sturen met behulp van computers. Figuur 13. gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw. Een onmisbaar hulpmiddel bij dit ‘anders ontwerpend denken’ is de computer. In dit nieuwe denkpatroon moeten het gebouw. Dit vraagt aan de ontwerpers van gebouw en installaties een nieuwe manier van denken.96 energiegebruik (%) 100 0 1900 industrialisatietijdperk 1970 energiebewustwordingstijdperk 1990 2000 jaar DUBO-tijdperk Figuur 13. kunnen gegroepeerd worden in maatregelen op architectonisch. In dit denkproces moet de architect gaan meedenken over de installaties en moet de installatieadviseur proberen in de schoenen te staan van de architect. Met de hedendaagse computer is het relatief eenvoudig om gebouw en installatie gekoppeld dynamisch door te rekenen en ook diverse alternatieven te beschouwen. Dat wil zeggen. een ‘ontwerpend denken’ dat er principieel van uitgaat dat een goed resultaat niet wordt verkregen ten koste van of zonder de ander. Een goede samenwerking pve KLANT GEBRUIK pve duurzaam vriendelijk comfortabel gebouw ST IN C T A Figuur 13.

en koudevraag warmteterugwinning zonne-energie windenergie warmte.en koudebuffering lagetemperatuurverwarming hogetemperatuurkoeling lagetemperatuurverwarming hogetemperatuurkoeling HR-verlichting HR-ventilatie LTEO warmtepompen warmtekracht eenvoudige installatiesystemen beperk afval Stap 5 Beperk hoeveelheid toe te passen materialen Stap 6 Gebruik duurzame materialen Stap 7 Monomaterialen en demontabele constructies Stap 8 Beperk gebruik drinkwater toets DUBO-lijst licht construeren staalconstructie houten gevels beperk afval toets DUBO-lijst toets DUBO-lijst geen ingestorte leidingen staalconstructies houtconstructies losneembare verbindingen losneembare verbindingen gebruik van hemelwater doorstroombegrenzers 4 liter spoeling toiletten Figuur 13. atria en serres beschaduwing door groenvoorzieningen Bouwtechnologisch niveau isolatie van aan buitenlucht grenzende vlakken HR++-glas klimaatgevels klimaatdaken natuurlijke ventilatie daglichtgebruik Systeemniveau klimaatgevels klimaatdaken natuurlijke ventilatie daglichtgebruik Stap 2 Benut vrijkomende energiestromen Stap 3 Pas duurzame energie toe Stap 4 Efficiënt gebruik fossiele energie zonne-energie windenergie accumulatie in gebouwmassa uitwisseling van warmte.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 97 Architectonisch niveau Stap 1 Minimaliseer energievraag gebruik passieve zonneenergie gebruik van natuurlijke winddruk toepassing van patio’s.7 Matrix integratiemaatregelen energiezuinig en duurzaam ontwerpen .

Dit is echter in veel gevallen niet juist. Dit wordt verkregen door zeer lage luchtsnelheden. Tussen deze twee ruiten is de zonwering opgehangen. geen koudestraling van de ramen en de geluiddichte gevel. omdat deze lucht wordt gebruikt voor het ventileren van het klimaatraam. ◆ Langetermijnenergieopslag (LTEO) Voor de koeling van het gebouw wordt er gebruikgemaakt van een LTEO-installatie. Een veelgehoorde reden voor toepassing van klimaatramen is dat er energie wordt bespaard. De spouw zorgt voor de afvoer van de aan de ruimten toegevoerde lucht. Hierdoor wordt in de zomer de warmte die door de zonstraling op de lamellen wordt gestraald met de lucht afgevoerd. Door deze methode van klimatiseren wordt een hoogwaardig binnenklimaat gerealiseerd met een zeer gelijkmatige temperatuur in de ruimte en met minimale luchtbeweging. ◆ Klimaatplafonds Voor het verwarmen en koelen van de kantoorvertrekken worden klimaatplafonds toegepast. De volgende geïntegreerde maatregelen worden achtereenvolgens behandeld: ◆ klimaatgevels. Vanuit het ‘anders ontwerpend denken’ zijn een groot aantal maatregelen geïntegreerd.2. Hiermee wordt de winterse koude in de aardbodem opgeslagen om in de zomer het gebouw te koelen. ◆ kunstlichtschakeling. ◆ klimaatplafonds. Door change-over-klepregelingen kan per ruimte gekoeld water voor ruimtekoeling of verwarmd water voor ruimteverwarming door het plafond stromen. De koude wordt opgeslagen in zogenaamde aquifers. Daarnaast kan met een relatief hoge watertemperatuur worden gekoeld en een relatief lage watertemperatuur worden verwarmd. Daarnaast wordt het energiegebruik ongunstig beïnvloed door de iets hogere ventilatie tijdens . ◆ optimalisatie daglichttoetreding. In de winter wordt de spouwruimte met ruimtelucht opgewarmd.5 Praktijkvoorbeeld ‘anders energiezuinig ontwerpen’ Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de architect prof. Een niet onbelangrijk aspect is de hogere technische en esthetische kwaliteit van een metalen geperforeerd plafond in vergelijking met een standaard mineraalplafond. wat bepaald wordt door de minimale afzuigluchthoeveelheid door het klimaatraam ter voorkoming van condensvorming. waardoor de binnenruit dezelfde temperatuur aanneemt als de ruimtetemperatuur. ◆ integratie warmtepomp. Hierdoor ontstaat geen koudeval van het raam en is een radiator voor stralingscompensatie niet nodig. 13. de winter. in vergelijking met alle andere klimaatsystemen. zie paragraaf 12. De combinatie klimaatgevel en klimaatplafond geeft. ◆ integratie warmtewiel. het meeste comfort.2. Het energiegebruik bij klimaatramen wordt ongunstig beïnvloed doordat verlichtingswarmte in de zomer niet wordt afgevoerd met de afzuiglucht. Een klimaatplafond bestaat uit geperforeerde stalen of aluminiumpanelen waarin of waarop leidingen zijn aangebracht. een zeer gelijkmatige temperatuur in de ruimte. ◆ HR-ventilatie. Jan Brouwer van Jan Brouwer Associates een nieuw hoofdkantoor ontworpen. door klimaatplafonds en door het beperken van de afgegeven verlichtingswarmte in het vertrek met behulp van daglichtstuursystemen.98 het is met de computer eenvoudig mogelijk de prestaties van de installaties te toetsen aan de ontwerpuitgangspunten. In de winter wordt het water van de warme bron naar de klimaat- ◆ Klimaatgevels Een klimaatgevel bestaat uit een buitenruit van dubbel glas en een binnenruit van enkel glas.7. ◆ langetermijnenergieopslag (LTEO). enerzijds om het comfort en welzijn van de mensen in het gebouw zo optimaal mogelijk te maken en anderzijds om het gebruik van fossiele brandstoffen te minimaliseren. Door de leidingen stroomt in de zomer gekoeld water (circa 15 °C) en in de winter verwarmd water (maximaal circa 35 °C). Energetisch positieve effecten bij klimaatgevels ontstaan onder andere door het toepassen van koeling door energieopslag in de bodem.

wordt maar liefst 58 procent primaire energie bespaard op koeling en verwarming in vergelijking met andere moderne energiezuinige systemen. Deze argumenten samen dragen ertoe bij dat de warmtepomp zeer energiezuinig thermische energie levert en dat de warmte geleverd door de warmtepomp veel goedkoper is dan warmte geleverd door een cv-ketel.8 Klimaatkwartet . Het basisprincipe is besproken in paragraaf 12. Daarin wordt met de luchtbehandelingskasten het water afgekoeld met koude buitenlucht. Hierdoor wordt een zogenaamde voorverwarming van de ventilatielucht verkregen. 15 °C 100% comfort klimaatplafonds en klimaatgevels warmtepomp en energieopslag > 50% energiebesparing max.3. Hiermee koelt men de ventilatielucht.8. In de winter wordt de warmtepomp geregeld op de hoeveelheid warmtevraag. 35 °C lage temperatuur verwarming Figuur 13. ◆ Integratie warmtepomp Een betere prestatie van een energieopslagsysteem wordt verkregen door het integreren van een warmtepomp.7. waardoor een zeer hoog rendement behaald wordt. De in deze bedrijfssituatie geproduceerde warmte wordt opgeslagen in de bodem voor gebruik in de winter. hoge temperatuur koeling min. De warmtepomp wordt in de zomer geregeld op de hoeveelheid koudebehoefte van lage temperatuur (circa 6 °C).7. De in deze bedrijfssituatie geproduceerde koude-energie wordt opgeslagen in de bodem voor gebruik in de zomer. Alleen bij een extreem lage buitentemperatuur moet de cv-ketel warmte leveren. gaat geen thermische energie van de warmtepomp verloren.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 99 installatie gepompt. Met het hiervoor beschreven geïntegreerd systeem. zie paragraaf 12. Dynamische berekeningen hebben aangetoond dat het ‘s nachts doorverwarmen met de warmtepomp minder energie verbruikt dan ‘s nachts het gebouw te laten afkoelen en ‘s morgens extra warmte te leveren met de cv-ketels. Het opgewarmde water wordt weer geïnjecteerd in de warme bron waarmee de cyclus rond is. In de zomer wordt het koude water uit de koude bron opgepompt.2. Door slimme hydraulische koppeling aan het centrale verwarmingssysteem enerzijds en aan het gekoeldwatersysteem anderzijds en door de koppeling aan het bodemopslagsysteem. Het aldus afgekoelde water wordt geinjecteerd in de koude bron. figuur 13. De hele winter vangt men op deze manier de koude op uit de atmosfeer. Daarnaast werkt de warmtepomp in combinatie met klimaatplafonds met een relatief lage temperatuur aan de verwarmingszijde. Hierdoor wordt de totale bijdrage van de hoeveelheid warmte-energie geleverd door de warmtepomp 85 procent.

energieopslag en warmtepomp. veel energie wordt bespaard en een optimaal comfort wordt verkregen. zie paragraaf 12. Deze warmtewielen zijn enerzijds aangesloten op het afvoerluchtsysteem en anderzijds op het toevoerluchtsysteem na de batterij die is aangesloten op het energieopslagsysteem. ◆ Integratie warmtewiel De energieprestatie van de klimaatinstallatie kan nog verder worden geoptimaliseerd door integratie van warmtewielen in het luchtbehandelingssysteem.100 De kracht van dit concept ligt in de combinatie van de toepassing van klimaatgevels.1 en figuur 13.7. Het blijkt dat de luchttoevoertemperatuur na het buitenlucht voor ventilatie warmtewiel ventilatielucht afvoerlucht verwarming door opgeslagen energie warmtepomp verwarming bevochtiging – ––– ––– – grondwater 100 m + +++ +++ + 1 wintersituatie buitenlucht voor ventilatie 100 m ventilatielucht afvoerlucht koeling door opgeslagen energie warmtepomp – ––– ––– – grondwater 100 m + +++ +++ + 2 zomersituatie Figuur 13.9 Langetermijnenergieopslag met warmtepomp en warmtewiel 100 m klimaatgevel stralingsplafond voor koeling klimaatgevel stralingsplafond voor verwarming/koeling .9. klimaatplafonds. waardoor met kleine temperatuurnuances wordt verwarmd en gekoeld.

verwarming en bevochtiging. De bovenste lamellen worden 300 250 verlichting 200 verwarming ventilatoren pompen 150 koeling bevochtiging warm tapwater 100 50 0 Figuur 13.11. 2 Natuurlijk licht regelt het groei. zodat naverwarming van de toevoerlucht niet meer nodig is. Door toepassing van keramische warmtewielen wordt eveneens een maximum aan vocht uit de retourlucht teruggewonnen. door zoveel mogelijk gebruik te maken van daglicht. activiteit. Hierdoor kan voor een normaal kantoorgebouw de bevochtigingsinstallatie vervallen. figuur 13. De hypothalamus regelt bij de mens functies als autonome zenuwstelsel. Hierbij zijn de subsidies niet in rekening gebracht. vochtbalans. rijpproces. klimaatgevel. Deze spiegelende lamellen kaatsen het daglicht via een spiegelend aluminium vlak in het plafond in het vertrek.10.en koude-energiereducerende maatregelen blijkt dat het energiegebruik voor verlichting bijna net zoveel primaire energie vraagt als alle overige energiegebruikers samen. De meerinvestering inclusief engineeringskosten van een dergelijk systeem heeft een terugverdientijd van circa vijf jaar. bloedsomloop. Dit systeem bestaat uit spiegelende zonweringslamellen die met de holle kant naar boven zijn aangebracht. Dit inzicht heeft ertoe geleid dat er onderzoek is verricht naar reductie van het energiegebruik voor verlichting. figuur 13. want het menselijk organisme is zo opgebouwd. Het is in de praktijk nogal eens voorgekomen dat keramische warmtewielen binnen een aantal jaren verpulverden door vochtdoorslag van filters en/of door bevriezing van het vocht in de poreuze massa. Omdat de lucht voor het warmtewiel al is voorverwarmd door het koudeopslagsysteem. Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt als experiment een door Bartenbach ontwikkeld daglichtsturingssysteem toegepast. in combinatie met LTEO-energieopslag. Hierdoor worden eventuele schadelijke invloeden op een keramisch warmtewiel voorkomen en is een lange levensduur van het warmtewiel gegarandeerd. zelfs als met de natuurlijke grondwatertemperatuur wordt voorverwarmd. Een visualisering van dit geïntegreerde ontwerp is weergegeven in figuur 13. is de lucht vorstvrij en droog. energiegebruik (MJ/m2GO) 350 ◆ Optimalisatie daglichttoetreding Door alle tot nu toe genoemde warmte.10 Energiegebruik verlichting en klimaatinstallatie .en bestaansproces van de mens en beïnvloedt in positieve zin de biologische lichaamsactiviteit van de mens. ademhaling.q. klimaatplafond en warmtepomp wordt maar liefst 71 procent primaire energie bespaard op koeling. Een goed ontworpen daglichtsturingssysteem met aanvullend kunstlicht zorgt voor een hoge inrichtingsflexibiliteit en meer ambiance in de binnenruimte. dat het zon/daglicht opneemt zowel via de ogen als via de huid. natuurlijk licht geeft namelijk een hogere arbeidsproductiviteit dan werken bij kunstlicht. groei. warmteregulering. Een niet onbelangrijk tweede argument is dat een optimaal gebruik van daglicht een gunstig effect blijkt te hebben op de prestatie en het welbevinden van personen. De eerder genoemde lichtprikkels gaan via het oog rechtstreeks naar de hypothalamus. De belangrijkste oorzaken daarvan zijn: 1 Daglicht varieert continu in intensiteit. energiebalans. wat leidt tot een positieve prikkeling van de hersenfunctie van de mens en stimulerend werkt voor het denkproces. Met dit concept. voortplanting en niet te vergeten het emotionele evenwicht. slaap. Werken bij daglicht c.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 101 warmtewiel bij elke buitenluchttemperatuur hoog genoeg is.9.

11 Daglichtsysteem op zonnige dag en ‘s avonds met kunstlicht aangestuurd en gekanteld op basis van de daglichtintensiteit.8 m kantoorstramien de beste daglichtverdeling oplevert. Uit daglichtberekeningen blijkt dat een raam met een breedte van 1. De architect heeft de hele gevel aangepast om een dergelijk systeem te kunnen toepassen. Voor de bepaling van de afmetingen van de ramen zijn simulatieberekeningen gemaakt.2 m en een hoogte van 1. Hiermee zou een ZTA-waarde van circa 0. Ten slotte is ook de afmeting van het raam geoptimaliseerd.8 m per 1. Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland worden de lamellen in een klimaatgevel opgehangen. Volgens Bartenbach kunnen de spiegelende lamellen als binnenzonwering worden toegepast omdat het directe zonlicht als het ware wordt gereflecteerd naar buiten. Om het contact met buiten te behouden zijn de onderste lamellen geperforeerd uitgevoerd.24 worden behaald. De onderste lamellen worden aangestuurd op basis van zonwering bij direct zonlicht en in de daglichtstand bij somber weer. waarbij het energiegebruik voor de klimaatinstallatie en voor de verlichting geïntegreerd zijn doorgerekend. In het algemeen kan worden gesteld dat plaatsen met een daglichtfactor van 3 procent voldoende daglichtniveau hebben om zonder kunstlicht bij een bedekte hemel te kunnen werken.102 1 daglichtsysteem op een zonnige dag 2 daglichtsysteem 's-avonds met kunstlicht Figuur 13. De sturing van de lamellen wordt uitgevoerd met behulp van daglichtmetingen via een centraal opgestelde computer. De ZTA-waarde wordt hierdoor verbeterd en de kans op vervuiling van de lamellen drastisch verkleind. Het resultaat van het voor het Hoogheem- .

12 Daglichtsysteem bij bedekte hemel raadschap van Rijnland ontworpen systeem is weergegeven in de grafiek van figuur 13. buiten de automatische vrijgave om. wanden. Aan de gangzijde van het kantoor is een secundair verlichtingsarmatuur opgenomen die de wanden aanlicht om de luminantieverhouding van de gangzone ten opzichte van de gevelzone gelijk te houden. De combinatie van de omschreven optimalisatie van het daglichtgebruik en de kunstlichtregeling . zodat grote luminantieverschillen in de ruimte worden voorkomen. vloeren en meubilair. Van belang is dat de kleurstellingen van kozijnen.12. vloeren en meubels licht zijn.11. De architect heeft bijzondere aandacht besteed aan de vormen van de kozijnen aan de randen van de ramen en de kleurstelling van wanden. net als het daglicht. figuur 13. ◆ Kunstlichtschakeling De verlichting wordt via dezelfde computer geschakeld als voor de sturing van de daglichtlamellen. wordt de kunstverlichting vrijgegeven.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 103 3 daglichtfactor (%) 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 daglichtsysteem bij bedekte hemel 1 helder glas. kaatsend via het spiegelend vlak in het plafond. zelf de verlichting aanzetten. Om een goede luminantieverhouding te verkrijgen is het kunstlichtsysteem optimaal afgestemd op het daglichtsysteem. geen zonwering 2 3 4 5 5.4 afstand vanaf de gevel (m) conventionele zonwering spiegelende zonwering Figuur 13. Een speciaal door Mema en Bartenbach ontwikkeld verlichtingsarmatuur aan de gevel zorgt voor een goed verlichtingsniveau als geen gebruik kan worden gemaakt van daglicht. Deze lamp verlicht. De gebruikers van de ruimten kunnen eventueel. Via veegprogramma’s wordt de verlichting echter automatisch weer uitgezet. Hieruit is af te lezen dat bij bedekte hemel het daglichtniveau tot 3 m in het vertrek uitstekend is om bureauwerk te kunnen doen. de ruimte. Als er te weinig daglicht is.

Ventilatorrendementen liggen over het algemeen rond de 80 procent. Met alle hiervoor genoemde voorzieningen is een reductie van het energiegebruik van de ventilatoren van circa 23 procent te realiseren. die al een vrij hoog rendement hebben.10 blijkt dat na verlichtingsenergie ventilatorenergie het grootste aandeel heeft in het energiegebruik van een gebouw. Het drukverlies is recht evenredig aan het energiegebruik. Om commerciële redenen worden niet de energiezuinigste motoren standaard aangeboden. die indirect met een V-snaaroverbrenging worden aangedreven.104 bespaart op kantoorniveau circa 60 procent elektrische energie voor verlichting. ventilatorrendement. Alle fabrikanten leveren ventilatoren met standaardwisselstroommotoren. Het ligt daarom voor de hand ook te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het energiegebruik van de ventilatoren te reduceren. Voor alle ventilatoren in de luchtbehandelingskasten zijn de energiebesparingsmogelijkheden geanalyseerd. is de toepassing van deze opstelling steeds meer economisch verantwoord. daglicht Figuur 13. Echter de verwachting is als dergelijke systemen worden gestandaardiseerd dat binnen tien jaar de meerinvesteringen zonder subsidie rendabel worden. is er een aanzienlijke verbetering te bewerkstelligen ten aanzien van de druk die de ventilator moet leveren. Omdat frequentieregelaars de laatste tijd steeds goedkoper worden en in de toekomst nog goedkoper zullen worden. Hierdoor wordt een aanzienlijk drukwinst verkregen door betere uitstroming van de lucht uit de ventilatormond. Door de motor direct op de ventilatoras te koppelen. 2 Batterijen selecteren met een lager drukverlies aan de luchtzijde waarbij als voorwaarde geldt dat het waterzijdige drukverlies niet hoger wordt. In luchtbehandelingskasten worden over het algemeen centrifugaalventilatoren toegepast. Door kritisch de opbouw van de luchtbehandelingskast en aanstroming van de lucht van en naar diverse componenten te beschouwen. De V-snaaroverbrenging wordt toegepast om het ventilatortoerental te kunnen aanpassen door wijziging van poeliediameters. De bespaarde hoeveelheid energie voor de klimaatinstallatie is minimaal. Het toerental van de waaier moet kunnen worden ingesteld met een frequentietoerenregelaar. ◆ HR-ventilatie Uit figuur 13. Een overbrenging met V-snaren geeft bij kleine vermogens een rendementsverlies van 16 procent en bij grotere vermogens een rendementsverlies van 2 à 3 procent.13 Energiebesparing door integratie gebouw en installatie . De meerinvestering voor de HR-ventilatie heeft zonder subsidie een terugverdientijd van minder dan tien jaar. 100 % 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 1993 klimaatplafond warmtepomp 1994 klimaatgevel warmtewiel 1996 na 2000 lange termijn energieopslag licht bouwen. Over het algemeen kan worden gesteld dat met een geringe meerinvestering van 250 à 500 euro motoren kunnen worden geleverd waarbij het motorrendement kan worden verhoogd met 3 tot 10 procent. De meerinvestering van het daglichtsysteem en de kunstverlichting is nog niet rendabel. Ventilatoren met een beter rendement zijn nog niet verkrijgbaar. 3 Meer luchtgeleiderplaten in de luchtkasten aanbrengen. Gebleken is dat alle fabri- kanten een optimale selectie doen voor de ventilatoren. De volgende verbeteringen zijn beschouwd: 1 Geluiddempers direct na de ventilatoren uit de kast verplaatsen en in het kanalensysteem opnemen. vervalt dit rendementsverlies.

De interne warmtelast in kantoorgebouwen wordt veroorzaakt door: toepassen kleurenbeeldschermen ◆ computers. Door Thin Film Transistor (TFT)-monitoren kan de interne warmtelast enorm teruglopen. Daardoor is koeling van gebouwen noodzakelijk gebleken om qua temperatuur acceptabele werkplekken te creëren. klimaatgevel en optimalisatie van daglichtgebruik kunnen klimaatsystemen met veel minder fossiele brandstofverbruiken worden ontworpen en wordt een zeer hoog niveau van comfort en welzijn van de mens verkregen. ◆ personen.2. ◆ verlichting. Daarna is er een geringe toename ontstaan door steeds snellere processoren en krachtigere machines.14 Ontwikkeling interne warmtelast door computers Monitor Warmtelast normaal gebruik Warmtelast bij gebruik van ‘power save mode’ < 12 W <3W 17 inch beeldbuismonitor 18.15 wordt interne warmtelast (W/m2) 25 20 15 10 5 0 introductie IBM MS-Dos 1970 1980 1990 toepassen TFT-beeldschermen 2000 activering power save mode 2010 tijd Figuur 13. Huidige configuraties verbruiken tussen de 200 en 250 W.13. Eind jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een forse toename ontstaan in de interne warmtelast door computers door de introductie van kleurenbeeldschermen. Bij 1 persoon per 10 m2 geeft dit een interne warmtelast van 15 W/m2. Deze computers verbruikten ongeveer 150 W. De energiebesparingsontwikkeling van dergelijke systemen is weergegeven in figuur 13.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 105 Resultaten geïntegreerde DUBOmaatregelen Door geïntegreerd ontwerpen van gebouw en installaties zoals klimaatplafonds. In 1980 introduceerde IBM de pc met het MS-DOS-besturingssysteem.1 inch TFT-monitor 140 W 48 W Figuur 13.14. figuur 13. ◆ Computers De toename van de interne warmtelast wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de ontwikkeling van de pc. In figuur 13.15 Verbruikte vermogens beeldbuis. De hoofdoorzaak van deze toename voor de klimaatinstallaties is de toename van de interne warmtelast. wat overeenkomt met een interne warmtelast van respectievelijk 20 en 25 W/m2. 13.6 Minder energievraag door nieuwe technieken Voor kantoorgebouwen is de omvang van de technische voorzieningen in de vorm van installaties de afgelopen twintig jaar steeds groter geworden.en TFT-monitor .

neemt de gemiddelde interne warmtelast verder af en bedraagt. Overdag is de interne warmtelast door verlichting zelfs tot nul terug te brengen als er optimaal gebruik wordt gemaakt van het daglicht.02) TLD 58 W (14.16. figuur interne warmtelast (W/m2) 13.106 het energiegebruik van een beeldbuismonitor vergeleken met dat van een TFT-monitor. Een verdere afname kan worden gerealiseerd als de power save mode van de computer actief wordt gemaakt. de interne warmtelast tussen de 5 en 12 W/m2.3) AANW 5 0 1970 1980 1990 2000 2010 tijd Figuur 13. Als de ontwikkeling van de interne warmtelasten door computers.85) TL5 35 W HF DL (7. ◆ Personen De interne warmtelast van personen is door de jaren heen onveranderd gebleven: circa 8 W/m2. ontstaat figuur 13.17. verlichting en personen bij elkaar worden opgeteld. is met de huidige techniek zelfs een verlaging tot 5 W/m2 mogelijk. De interne warmtelast wordt hierdoor verlaagd tot 10 à 15 W/m2. Het elektrische vermogen en dus ook de interne warmtelast van de verlichting is tussen 1970 en 1998 gehalveerd van 15 W/m2 naar 7 W/m2. 15 TL 65 conv (15.3) TL5 28 W HF DL (6.0) TL5 28 W HF DL (6.97) TL5 28 W HF (7.09) TLD 50 W HF (11. Als alle gebruikte sofware geschikt wordt gemaakt voor een actieve ‘power save mode’. afhankelijk van het gebruikspercentage. Deze wordt nu door de fabrikanten niet actief ingesteld omdat veel software hierdoor crasht.37) TL5 35 W HF (8.17 Ontwikkeling interne warmtelast kantoren . Als er daglichtregeling en aanwezigheidsschakelingen worden toegepast.16 Ontwikkeling interne warmtelast door verlichting interne warmtelast (W/m2) 25 20 15 10 optimalisatie daglicht 5 0 1970 1980 1990 2000 2010 tijd Figuur 13.52) 10 TLD 50 W DL (10. ◆ Verlichting De ontwikkeling van de verlichting heeft ook een enorme invloed op de interne warmtelast.

Het duurt niet lang meer of de milieuprestatie van gebouwen wordt berekend vanaf de winning van grondstoffen tot aan de sloop en het hergebruik van de materialen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat een lichte bouwconstructie uit staal en hout circa 70 procent lichter is dan een zwaar gebouw.en installatieconcepten die voor 1980 werden toegepast weer een kans. met een bruto vloeroppervlak van 11. Installaties zoals toegepast bij het Hoogheemraadschap van Rijnland presteren hierdoor nog beter ten aanzien van het energiegebruik. Eenvoudige berekeningen tonen aan dat ‘s nachts doorkoelen met water minder energie verbruikt dan ‘s nachts de massa van het gebouw afkoelen door mechanisch ventileren met buitenlucht.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 107 Hieruit blijkt dat men nu al technisch in staat is de interne warmtelast gelijk of zelfs lager dan voor de introductie van de pc te krijgen. Sinds een aantal jaar moet van overheidswege de energieprestatie van het gebouw met bijbehorende installaties worden berekend. Het ontwerp is in alle opzichten gebaseerd op de uitgangspunten die het IBN-DLO bij haar onderzoeken hanteert. Dit staat echter niet in verhouding met de enorme gewichtsafname van het gebouw.1 Instituut voor Bos. Zwaar bouwen om veel accumulatie te creëren is niet meer noodzakelijk voor het opslaan van koude en warmte als gebruik wordt gemaakt van de massa in de bodem. Uitgangspunt voor de nieuwbouw was een ecologisch verantwoorde omgeving te creeren met gebruikmaking van eenvoudige technieken. Het gebouw. Dit is vooral het geval als energieopslag in de bodem wordt toegepast.en Natuuronderzoek (IBN-DLO) verricht ecologisch onderzoek naar planten en dieren en de ontwikkeling van de bosbouw. is het nu al mogelijk een energie-nul-kantoorgebouw te benaderen. Het instituut onderzoekt hoe de mens op een ecologische verantwoorde.18.2. 13. die wetenschappelijk onderzoek verrichten op het gebied van respectievelijk landbouw en plantenveredeling. Dit vraagt echter nog grotere investeringen. Door afname van het materiaalgebruik wordt het milieu evenredig minder belast. Op deze locatie. figuur 13.8 Ten slotte De afgelopen tien jaar is men in staat gebleken het energiegebruik voor klimaatinstallaties in gebouwen met 60 à 70 procent te verlagen.3 Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten: nieuwbouw IBN-DLO 13. Daarnaast blijkt het mogelijk ook het energiegebruik voor verlichting en computers te reduceren met circa 60 à 70 procent. is ontworpen door architect Behnisch van het bureau Behnisch & Partner te Stuttgart en is een pilot-project in het kader van het Nationaal Milieubeleidsplan Plus. De nieuwbouw van IBN-DLO heeft plaatsgevonden in Wageningen. Een verdere verlaging van het energiegebruik vereist nog zeer grote inspanningen. zoals zonne.2. Door het inzetten van duurzame energie. Naast IBN-DLO zijn dat Staring Centrum DLO en CPRO-DLO. Hierdoor krijgen gebouw. dan zou dat wel eens kunnen resulteren in een nog verder toegespitste integratie bij de ontwerpfilosofie. 13. zoals natuurlijke ventilatie en verwarming door invallend zonlicht.en Natuuronderzoek (BN-DLO) Het Instituut voor Bos. . Als gekwantificeerd kan worden wat de milieuprestatie van een gebouw met installaties qua energiegebruik en materiaalgebruik is.3. Daar staat tegenover dat mogelijk iets meer gewicht aan installatie moet worden toegepast. 13. Bij de nieuwbouw voor bedrijven of overheidsinstanties is het gebruikelijk in de architectuur de ‘identiteit’ van de desbetreffende instantie zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen.7 Nieuwe technieken en ‘anders bouwen’ Nieuwe technieken staan toe dat men op een andere manier bouwt.800 m2 op een 15 hectare groot terrein.en windenergie. zijn drie instituten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek samengebracht. Het instituut ressorteert onder het Ministerie van Landbouw en Visserij.

De groene identiteit van dit instituut paste uitstekend in het besluit dat de Rijksgebouwendienst in 1991 nam om een milieu. In dit kader gaf de overheid het ongeveer 44 miljoen gulden (circa 20 miljoen euro) kostende project een aanzienlijke financiële injectie. Figuur 13. Als één project in aanmerking kwam als voorbeeld van mens.108 Figuur 13.en mensvriendelijk gebouw te ontwerpen.19 Plattegrond gebouw IBN-DLO . dan was het wel de nieuwbouw van IBN-DLO.en milieuvriendelijk bouwen.18 Gebouw IBN-DLO Wageningen duurzame manier van zijn natuurlijke omgeving gebruik kan maken. Het onderzoek draait om de gevolgen van menselijk ingrijpen op de natuur.

3.21. ongeacht de gewenste klimaatcondities. variërend van robinia voor de buitengevels tot eikenhout op plaatsen waar hoge brandwerendheidseisen gelden. komt nog het beste tot uiting in de rol van de atria bij de klimaatbeheersing en ventilatie van de kantoorvleugels. maar de rest van de constructie is zo licht mogelijk gehouden. waardoor het dichtdraaien te veel tijd in beslag nam. Verder is natuurverf toegepast en een met mos-sedum begroeid dakterras gecreëerd. figuur 13.als buitentemperatuur. jaargetijde en zowel binnen. gebeurt automatisch op basis van onder andere zonnestand. Staand in de tuinen doet de constructie nog het meest denken aan een grote tuinbouwkas. met daartussenin twee overdekte tuinen. Dit systeem regelt bijvoorbeeld ook dat. In de lange zijde aan de noordkant zijn laboratoria en werkplaatsen ondergebracht. De binnentuinen fungeren als warmtebuffer voor de kantoren.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 109 13. Verder is er aan regendetectie gedacht.en kantoorvleugels. afkomstig uit de kassenbouw. maar de essentie van het architectonische ontwerp vormen. waarop besloten is de ramen niet verder open te zetten. 13. Zo is er veel hout toegepast. bij brand alle ramen worden opengezet om de rook zo snel mogelijk uit het gebouw te laten stromen. hoofdstuk 5 Het drie verdiepingen tellende gebouw heeft de vorm van de letter E. met een lange looptijd. en zijn als het ware het visitekaartje van IBN-DLO. Hiervoor is het gebouwbeheerssysteem uitgebreid met een complex besturingssysteem. ▶▶ Glasoverkapte ruimten worden besproken in deel 4A Omhulling.2 Binnentuinen In het ontwerp van het IBN-DLO-gebouw zijn twee tuinen opgenomen. Figuur 13.20. De kantoren die aan de tuinen grenzen zijn zowel via de galerijen als de gangen bereikbaar.3 Natuurlijke klimaatregeling De beoogde eenvoud in techniek die is toegepast om een verantwoord binnenklimaat te creëren. Ongeveer 40 procent van de glazen dakconstructie bestaat uit kantelramen. De glaskappen zijn dan ook geleverd door een in de tuinbouwsector gespecialiseerde toeleverancier. Verder speelde het materiaalgebruik een belangrijke rol in het totale ontwerp. Er zijn per kantelraam motortjes toegepast. Er is weliswaar gekozen voor een betonnen draagconstructie. windrichting.20 Overdekte tuinen dragen bij aan instandhouding binnenklimaat: voorverwarming ventilatielucht ‘s winters en verdampingskoeling ‘s zomers . waardoorheen in geopende stand desgewenst warme binnenlucht kan wegstromen of koude buitenlucht kan binnenstromen. in combinatie met zonwering die op alle ramen is toegepast. figuur 13. Deze natuurlijke klimaatbeheersing. De overdekte tuinen vervullen een spilfunctie in de ontsluitingsstructuur en de klimaatbeheersing.3. Wat direct opvalt is het enorme glasoppervlak in de gevels. figuur 13. Voor het functioneren van het gebouw zijn de twee overdekte binnentuinen net zo belangrijk als de bouwmassa van de laboratorium. Het geheel levert niet alleen een zeer ruimtelijk effect op. klimaat voor de inheemse en savanneachtige planten in de tuinen. In de poten van de E bevinden zich de kantoorvleugels. Onderzoek leerde dat bij 60 procent openstand van de ramen de luchtverversing toch voldoende zou zijn. Het buitenmilieu moest op een verantwoorde manier naar binnen worden gebracht.19. maar ook het gewenste De binnentuinen stralen de doelstelling van het instituut uit. die geen aankleding zijn.

22-2. verdampt in elk van de twee tuinen 3000 l water per dag. de rest verdampt indirect. Voor extra koeling wordt aan de noordzijde (ruggengraat E) desgewenst koele lucht aangezogen en mechanisch in de atria geblazen. Om verschillende functionele redenen worden het restaurant. De binnentemperatuur liep op naar ongeveer 35 °C. Zo is er onderzocht wat er gebeurt als op een zomerse dag alle ramen zijn gesloten. In minder dan twee uur bleek het binnenklimaat terug te zijn op het gewenste niveau. Om de lucht in de binnentuinen (die als ventilatielucht voor de kantoorvleugels wordt gebruikt) ’s zomers op een acceptabele temperatuur te brengen. via de bladeren van de planten. 13. ‘s Zomers dient de zonwering er uiteraard voor om overdag de warmte buiten te houden.21 In kapconstructie kunnen ramen worden geopend en is beweegbare zonwering aangebracht Uiteenlopende condities De binnentemperatuur in de atria mag oplopen tot maximaal 21 °C.22-4.22-3. bij hogere temperaturen gaan de kantelramen open. De kantoren worden op een natuurlijke manier geventileerd naar de atria door het openen van de ramen. aan de omgeving wordt onttrokken. figuur 13. Daarna zijn de ramen geopend. De laboratoria zijn volledig geklimatiseerd. De zon zorgt zo indirect voor de opwarming van aan de atria grenzende ruimten.3. Zo koelt de omgeving af.4 Luchtbehandeling laboratoria Dankzij de voornoemde maatregelen is het aantal technische installaties in het IBN-DLOgebouw tot een minimum beperkt gebleven. vergaderruimten en de bibliotheek mechanisch geventileerd. figuur 13.22-1. In de technische ruimte op het dak staan hiervoor Figuur 13. de zonwering open staat en ook de mechanische ventilatie is uitgeschakeld. Dit resultaat is mede te danken aan de betonconstructie van het gebouw. en blijft ‘s nachts ook de zonwering dicht. Een deel van die 3000 l water verdampt rechtstreeks uit de vijvers .of evaporatiekoeling is gebaseerd op het principe dat de energie die nodig is om water om te zetten in gas (damp). De vijvers en waterlopen in de overdekte tuinen dragen bij aan een natuurlijke verdampingskoeling. Tijdens warme perioden worden de ramen ook ‘s nachts opengezet om het gebouw te koelen. De verwachting is dat hierdoor de energieprestatienorm jaarlijks met ruim 10 procent wordt onderschreden.110 en waterlopen. Het ventilatievoud in de laboratoria bedraagt maximaal ongeveer tienmaal de ruimte-inhoud. Het functioneren van de natuurlijke klimaatregeling is voor de ingebruikneming van het gebouw getest. figuur 13. Deze constructie is met zoveel massa gemaakt. Dagelijks worden de planten besproeid met (regen)water uit de vijver achter het gebouw. om nachtelijke uitstraling van warmte te beperken. vooral vanwege het grote aantal warmteafgevende apparaten dat staat opgesteld en de hoge ventilatie-eisen die voor deze ruimten gelden (natuurlijke ventilatie is niet toegestaan). doordat de plafonds in de kantoorruimten ‘open’ (met zicht op de bovenliggende betonvloer) zijn uitgevoerd. figuur 13. werd de zonwering gesloten en werd de mechanische ventilatie aangezet. In winterse perioden blijft het dak gesloten. dat deze overtollige warmte kan absorberen. Ventilatoren onder de grond van de atria ondersteunen de verse luchtaanvoer via de koele noordelijke kruipruimten. Verdampings. Helemaal zonder installatietechniek kan het gebouw echter niet. Dit accumulerend vermogen van het beton wordt optimaal benut.

dag: zonwering open. dag: zonwering dicht. nacht: zonwering en luiken open. nacht: zonwering en luiken gesloten Figuur 13. luiken dicht 4 wintersituatie. mechanische toevoer van koude lucht 3 wintersituatie.22 Principe klimaatbeheersing in dag.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 111 1 zomersituatie.en nachtsituatie . luiken open en mechanische toevoer koele lucht inclusief verdampingskoeling 2 zomersituatie.

13. Dit biedt extra bedrijfszekerheid.bevochtiger en regeling. Iedere klimaatruimte beschikt over een eigen luchtbehandelingsunit. De toevoerlucht wordt hierop aangepast. vaak extreme condities worden gerealiseerd. Voor eventueel later te plaatsen naverwarmers zijn in de toevoerkanalen demontabele secties opgenomen. In het restaurant is daarnaast vloerverwarming toegepast en ter plaatse van de hoofdingang voorkomt een luchtgordijn infiltratie van koude. Het niet kunnen handhaven van gewenste condities in klimaatkamers kan immers grote financiële gevolgen hebben. geluiddemper. Er wordt per zuurkast afgezogen om te voorkomen dat chemicaliën bij elkaar komen die samen een ongewenste reactie kunnen veroorzaken.7 Koeling Uit oogpunt van het milieu is gekozen voor een ammoniakkoelinstallatie. In de wintersituatie wordt de ventilatielucht met een temperatuur van ongeveer 18 °C ingeblazen (2 °C onder ruimtetemperatuur). warmteterugwinningselement.3. Afzuiging zuurkasten De afzuiging van de lucht in de laboratoria vindt plaats via afzuigroosters en zuurkasten. maken gebruik van de ammoniakkoelinstallatie. om een regelmatig toevoerpatroon te kunnen handhaven. De luchtverdeling blijft in balans door in de gang de ontbrekende hoeveelheid lucht toe te voeren. die afhankelijk van de gebruiksfunctie wordt nagekoeld.112 twee luchtbehandelingskasten opgesteld met een capaciteit van 20. doorvoeringen. zoals de laboratoria. In ruimten waar de aanwezigheid van zuurkasten het ventilatievoud boven de eerder genoemde maximumwaarde kan uittillen. In laboratoria wordt een onderdruk gehandhaafd. zodat een waterzijdige scheiding van het IBN-DLO-gebouw aanwezig is met de overige gebouwen op het complex. Voor diverse ruimten zijn naverwarmers opgenomen. luchtontvochtiger en . Hiertoe wordt uit de ruimten 10 procent meer lucht afgezogen dan toegevoerd. In het centrale luchttoevoerkanaal kan een klep handmatig worden geopend. waarvan iedere koelmachine de helft voor zijn rekening neemt. Een dag/ nachtcyclus is zo bijvoorbeeld uitstekend na te bootsen. toerengeregelde ventilator en geluiddemper. 13. Ze worden ‘s ochtends via het klokprogramma op ‘laagtoeren’ ingeschakeld en kunnen met een pulsdrukker of tijdschakelaar op de zuurkast in ‘hoogtoeren’ worden geschakeld.6 Verwarming De centrale cv-installatie is aangesloten op de warmtecentrale in het zogenaamde energiegebouw van het complex.3. temperatuur en verlichting ter plaatse. zodat per kamer sterk afwijkende condities kunnen worden gecreëerd door de beïnvloeding van de vochtigheid. Hier is ook een warmtewisselaar aangebracht. De capaciteit van de installatie bedraagt 35 kW. .3. om bij uitval van één van de kasten een gedeelte van de capaciteit zeker te stellen. Voor de inblaas. zodat geurtjes binnenskamers blijven. In de bestaande bouwkundige ruimte is een prefabruimte neergezet. luchtverwarmer. compleet met basisverlichting. 13. die op het dak staat opgesteld. Voor de klimaatkamers zijn twee luchtgekoelde koelmachines geïnstalleerd met een waterglycolmengsel als koudedrager. Met deze koelinstallatie kunnen per kamer sterk verschillende.en retourlucht zijn de kamers plaatselijk voorzien van een geperforeerde wand. De gebruikers kunnen de temperatuur regelen met de thermostatische radiatorkranen. De afvoerlucht van de zuurkasten wordt vanwege het agressieve karakter ervan direct naar buiten afgevoerd.000 m3/h. De afzuigventilatoren (met tweetoerenmotor) van de zuurkasten staan eveneens in de technische ruimte op het dak opgesteld. In de zomersituatie is de temperatuur van de ventilatielucht gelijk aan de buitentemperatuur. Alleen de eerder genoemde ruimten met een hoge interne warmtelast. zijn suppletiezuurkasten toegepast. De lucht. Voor de ruimteverwarming zijn radiatoren en convectoren aangebracht. De temperatuur wordt per radiatorgroep weersafhankelijk voorgeregeld. stroomt via wervelroosters de ruimten in. inspectiesectie. plafondluchtkoeler/verwarmer.5 Klimaatkamers De klimaatkamers voor ecologisch onderzoek zijn constructief gezien een ruimte in een ruimte. verwarmd of nabevochtigd. Ze zijn voorzien van een filter. De koelinstallatie produceert een geluidsniveau ≤ 50 dB(A) op 10 m.

en milieuvriendelijk Bij het ontwerp van het IBN-DLO-gebouw is uitgegaan van een installatiearm concept. 13. Het lijkt een beetje alsof men ‘buiten werkt’. omdat het bijdraagt aan openheid en voorkomt dat onderzoekers zich terugtrekken in een ivoren toren. De geluiden uit aangrenzende werkkamers zijn hoorbaar. Vraag is nog wat de onderhoudskosten van het gebouw zijn. Dat er daardoor inbreuk gemaakt wordt op de privacy van de werkkamers. Voor specifieke toepassingen in de laboratoria is er verder nog een demi-installatie geïnstalleerd. Bedrijfswater wordt gebruikt in de laboratoria. wordt er gebruikgemaakt van het waarschuwingssysteem van een meteostation.en grijswatercircuit. Speciale filters filteren het water voordat dit in het reservoir terechtkomt. Gebruikers laten zoveel mogelijk zowel de gangdeur als de schuifdeuren naar de galerij openstaan. De verlichting wordt niet centraal aanen uitgeschakeld. De gebouwbeheerder is vanaf het begin bij het ontwerp betrokken geweest en streeft ernaar het gebouw te gebruiken overeenkomstig de uitgangspunten van mens.9 Gebruikerservaring Het komen en gaan van mensen over de galerijen draagt bij aan de levendigheid van de binnentuinen. tenzij de beheerder een forse wandeling maakt. luchtkanalen als luchtbehandelingkasten zijn afgestemd op een optimaal beheer. Om te voorkomen dat het inregent bij een plotseling opkomende bui. Installaties zijn alleen gerealiseerd waar dit echt noodzakelijk was. wordt door de leiding op prijs gesteld. maar zelden hinderlijk. via een ingewikkeld systeem van leidingen en goten. Hiervoor wordt hemelwater opgevangen van de daken en opgeslagen in een reservoir met een capaciteit van ongeveer 13 m3.8 Sanitair Drinkwater wordt rechtstreeks van het waterleidingbedrijf betrokken.13 BIJZONDERE CONCEPTEN 113 13. Overigens zorgen de waterverdampende planten voor extra verkoeling van de binnentuinen. die superschoon water levert. Het grijswater wordt gebruikt voor toiletspoelingen.en milieuvriendelijk bouwen. 13. met als gevolg dat er ’s avonds op verschillende kamers licht brandt.10 Mens. Tijdens het gebruik zijn er enkele aanpassingen gemaakt. zodat de dakopeningen tijdig dicht gaan.en milieuvriendelijk gebouw neer te zetten en is daarmee volledig in overeenstemming met de activiteiten waarop de gebruiker zich richt. Vervuild laboratoriumwater kan zo nooit in het drinkwater terechtkomen. echter met tussenplaatsing van een onderbrekingsinstallatie.3. . Naast dit circuit is er nog een bedrijfs. Het wordt betrokken uit het koudtapwaternet.3.3. Vervolgens pompt een drukverhogingsinstallatie dit naar de diverse afnamepunten. Het eindresultaat voldoet aan de wens om een mens. Deze bestaat uit een onderbrekingstank en een drukverhogingsinstallatie. onder andere vanwege het vele glas dat regelmatig moet worden gereinigd. Ook de planten in de binnentuin worden vanuit dit reservoir voorzien van water. Deze zijn voldoende ruim bemeten. voornamelijk met het oog op energiegebruik en onderhoud. Zowel leidingen. Dat vraagt de nodige ‘opvoeding’ van mensen.

114 .

Prinse 14 Onder gasinstallaties worden niet alleen gasleidingen verstaan. den Hoedt. W. Ook voor de opstelling van gasverbruikstoestellen. vooral vanwege de kierdichtheid van de huidige woningen en de installatie van mechanische ventilatiesystemen. de toevoer van de benodigde verbrandingslucht en de afvoer van de verbrandingsgassen worden uitdrukkelijk voorschriften gesteld die ook voor bouwkundigen van belang zijn.Gasinstallaties A. .

ontzwaveld gas leiding . Noord-Frankrijk en Duitsland aardgas gedistribueerd van Groningse kwaliteit. Het gas kwam oorspronkelijk onder een druk van circa 30. Zo was de druk in het gasveld in Slochteren in 1995 bij diverse bronnen gedaald tot circa 185 bar.en verkooplichaam. Deze druk neemt af bij een toenemende gasafgifte.Groningen-gas leiding .1 is afgebeeld.stikstof Figuur 14. Economisch zijn de putten momenteel te exploiteren tot circa 50 bar. de NV Nederlandse Gasunie. De exploitatie van deze aardgasvelden berust bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Dit getal moet als een momentopname worden gezien en is afhankelijk van de locatie. Het beleid is er de laatste jaren op gericht de Groningse aardgasreserve zo lang mogelijk in 0 50 km voedingsstation(s) compressor. die het gas verkoopt aan het hiervoor in 1963 opgerichte gasdistributie.laagcalorisch gas leiding . Na het doorlopen van een gasbehandelingsinstallatie.hoogcalorisch gas leiding . Dit hoofdnet loopt door heel Nederland. zoals schematisch op het kaartje van figuur 14. De bronnen bevinden zich in de omgeving van de plaats Slochteren.1 Hoofdtransportnet Nederlandse Gasunie . waarin het gas wordt ontdaan van meegevoerd zand.en mengstation compressorstation mengstation installatie voor ondergrondse opslag exportstation installatie voor vloeibaar aardgas stikstofinstallatie leiding .000 kPa (300 bar) uit de putten. water en hogere koolwaterstoffen in vloeibare vorm. komt het via een overslagstation onder een druk van circa 6500 kPa (65 bar) in het hoofdnet van de Gasunie.116 Inleiding Sinds 1968 wordt in heel Nederland en ook in onder meer België.

Om aan de grote piekafname op winterdagen te kunnen voldoen. De druk van het gas wordt hier verlaagd van 4000 kPa (40 bar) tot 800 kPa (8 bar) en van hieruit wordt het desbetreffende voorzieningsgebied gevoed.2) gebouwd. Dit aardgas heeft een andere samenstelling dan het Groningse aardgas. Op deze regionale netten zijn de afnemers van de Gasunie aangesloten. is in Zuid-Holland ten behoeve van de Randstad een piekgasinstallatie (LNGpeakshaving-installatie.of 4-bar-deelnetten voor de industriegebieden en gebieden met tuinderijen. figuur 14. Voor normaal gebruik wordt het gas dan ook gemengd. figuur 14. die zulke grote hoeveelheden gas afnemen.1 Plaatselijk gasdistributienet De plaatselijke gasdistributiebedrijven ontvangen het gas uit het regionale net van de Gasunie via een inkoop. deze samenstelling (een hoger methaangehalte) heeft invloed op de hoeveelheid warmte die bij verbranding van het gas vrijkomt (calorische waarde). Met het normale Groningen-gas worden via het hoofdnet van de Gasunie de regionale netten gevoed (druk 4000 kPa). waarin het gas vloeibaar wordt opgeslagen. omdat hierdoor .met in achtneming van de gewenste leveringsdrukken bij de verbruikers . Wieringermeer en Beverwijk.2 LNG-peakshaving-installatie Bron: N. Dit houdt in dat dan voor het transport van grote hoeveelheden gas naar verhouding kleine leidingdiameters kunnen worden toegepast.of gasontvangstation. Ook wordt er hoogcalorisch aardgas direct geleverd aan een aantal grote industrieën en elektriciteitscentrales. Oldeboorn.14 GASINSTALLATIES 117 stand te houden. via het hoofdtransportnet hoogcalorisch gas. Dit zijn behalve gemeentelijke en streekgasbedrijven ook industrieën.1. figuur 14.3. Figuur 14. Ravenstein. Voor nieuwe deelnetten geeft men in het algemeen de voorkeur aan een zo hoog mogelijke druk. om de regionale netten van gas te kunnen voorzien onder de genoemde druk van 4000 kPa. De calorische waarde van het aardgas uit andere bronnen is meestal hoger dan die van het Groningse aardgas. Als materiaal voor deze hogedrukleidingen wordt tegenwoordig staal en modulair gietijzer toegepast. met 8-bar. figuur 14. Vandaar dat ook aardgas ingekocht wordt van kleinere gasvelden in Nederland en van gasvelden in het Nederlandse en het Noorse deel van het continentale plat in de Noordzee. Om de druk onderweg weer op te voeren. Door de enorme hoeveelheid gas die over dit hoofdnet moet worden getransporteerd. Ontwikkeling gasafzet over een jaar Op een winterpiekdag wordt ongeveer vijfmaal zoveel aardgas afgenomen als op een dag in de zomer! 14. zou de druk te sterk dalen om dit zonder meer mogelijk te maken. Het is uiteraard noodzakelijk dat in het hoofdnet van de Gasunie steeds een voldoende hoge druk aanwezig is. dat de Gasunie rechtstreeks aan deze verbruikers levert. Over het algemeen legt men deze distributienetten als ringleiding om het te verzorgen gebied aan. en dergelijke. maakt de Gasunie gebruik van compressorstations. deze stations bevinden zich onder meer bij Ommen. zodat in tijden van nood op deze reserve kan worden teruggevallen.een groter drukverlies kan worden toegelaten. Nederlandse Gasunie . voor woonwijken komen ook 1-bar-deelnetten voor.V.3.

zodat bij plaatselijke belemmeringen de gasvoorziening zo goed mogelijk veilig kan worden gesteld.a. De deelnetten in de woonwijken worden meestal op meerdere districtstations aangesloten en sterk vermaasd. figuur 14. figuur 14.4-2. 4 of 8 bar 100 mbar tuinders compressorinstallatie meet.3 Schema gasdistributie De deelnetten in de woonwijken worden dus op de hogedrukringleiding aangesloten.en regelstation (plaatselijk) gasbedrijf hoofdverdeelstation district station afleveringsstation grootverbruiker Figuur 14. zijn er bij de aansluitingen van de verbruikers drukregelaars nodig. 300 bar hoofdnet Gasunie NAM 67 bar c.4-1. Doordat bij een fijn vermaasd net het gas van verschillende kanten kan toestromen treedt er een gelijkmatiger druk op. in de nieuwere wijken komen 100-mbar-deelnetten te liggen. figuur 14. 200 putten 67/40 67/40 8 bar tuinders 100 mbar fabriek regionaal net Gasunie 40/8 40/8 industrie 100 mbar industrie 40/8 8 bar 100 of 30 mbar compressorinstallatie plaatselijke gasvoorziening fabriek 1. .118 gasbehandelingsinstallatie ca.3.a. Voor oude wijken met een oud leidingenbestand worden nog 30-mbar-deelnetten toegepast. 4 of 8 bar regionaal net Gasunie fabriek 40/8 4 of 8 bar 67/40 meet en regelstation Gasunie 67/40 overslagstation van 67 naar 40 bar met odorisatie 40/8 gasontvangststation van 40 naar 8 bar afleveringsstation grootverbruiker 8 bar 100 of 30 mbar plaatselijke gasvoorziening 1. Toegepast in een 100-mbar-deelnet hoeven deze drukregelaars niet te worden beveiligd. In deelnetten met een hogere druk voor industrieën en tuinderijen moet dat wel gebeuren om te voorkomen dat er bij eventueel niet goed functioneren een gevaarlijke situatie ontstaat. Deze drukregelaars moeten in een goed door buitenlucht geventileerde ruimte worden opgesteld. 67 bar overslagstation c. Behalve in het 30-mbar-deelnet.

Voor gasverbruikstoestellen gelden uitvoerige keuringseisen. De gasverbruikstoestellen mogen dan ook alleen worden geplaatst als zij zijn voorzien van het CE. Arnhem). Sinds een aantal jaar is daar het CE-keurmerk bijgekomen.3 Eigenschappen aardgas Aardgas is niet giftig.V. in de gasbinnenleiding.V. Dit gebeurt uiteraard alleen door bijmenging met lucht in een bepaalde verhouding.. In de gasmeter vindt de meting plaats die is bedoeld voor de afrekening met de gasverbruiker. aansluitleidingen. Amsterdam Figuur 14. Aardgas is reukloos en om het eventuele uitstromen te kunnen constateren. kan de hele installatie worden afgesloten.2 Gasinstallatie De hoofdgasleiding ligt vorstvrij op een diepte van circa 1 m onder het trottoir of de straat. die meestal in het gebouw staat opgesteld. De gasinstallatie is dus het geheel van binnenleidingen.respectievelijk Giveg-goedkeuringsmerk. die zich voor de meter bevindt.14 GASINSTALLATIES 119 1 meterbeugel zonder huisdrukregelaar voor woonhuisaansluiting op 30 mbar-net Bron: Gastec N. binnen de zogenaamde explosiegrenzen. die tot 1996 zijn vastgesteld door de Koninklijke Vereniging van Gasfabrikanten in Nederland (KVGN). gasverbruikstoestellen en ook de afvoerleidingen voor de verbrandingsgassen van deze verbruikstoestellen. Voor elk gebouw of elke woning wordt van de hoofdleiding een gastoevoerleiding of dienstleiding afgetakt. Via de dienstleiding komt het gas via een gasmeter. Door middel van een hoofdkraan.. Onder de gasinstallatie wordt het hele gedeelte na de gasmeter verstaan. Amsterdam) op 100 mbar-net Bron: Anamet Europe b. wordt het aardgas geodo- . tot en met de afvoerkap op het dak. maar bij onbedoeld uitstromen van aardgas kan er brand of een explosie ontstaan. De installatieaanleg vereist een grondige kennis en mag daarom alleen worden uitgevoerd door erkende installateurs en gediplomeerde monteurs (Secretariaat Erkenningen bij EnergieNed. Apeldoorn 2 buigbare isolerende aansluiting met huisdrukregelaar (Anaconda B. waarmee wordt aangegeven dat het toestel voldoet aan de in Europa geldende keuringseisen.v. 14.4 Woonhuisaansluiting 14.

7 MJ per m30. Dit ontstaat vooral als er te weinig lucht voor de verbranding wordt toegevoerd.5 Enkele gegevens Gronings aardgas en propaan 35.96 40 4. zonder dat er rekening wordt gehouden met de warmte die vrijkomt wanneer de bij deze verbranding gevormde waterdamp condenseert. .243 0. ◆ calorische bovenwaarde.2 98 1.5 zijn diverse gegevens van het Groningse aardgas en (ter vergelijking) van propaangas verzameld. 1 m30 is een standaard kubieke meter: 1 m3 droog gas bij een temperatuur van 0 °C en een absolute druk van 1013 mbar.3.9 44. 14.27 0.9 460 riseerd. Onderscheiden worden: ◆ calorische onderwaarde.5 0. ◆ Calorische onderwaarde De calorische onderwaarde (Hi) geeft de warmtehoeveelheid aan die vrijkomt bij volledige verbranding met 1 m3 gas.7 80. Deze onderwaarde bedraagt voor Slochteren-gas 31.7 – 16.01 45 2 – 11 1925 2870 56 42 34.120 Gassamenstelling in volumeprocenten Kooldioxide of koolzuur (CO2) Zware koolwaterstoffen (CnHm) Koolmonoxide (CO) Waterstof (H2) Methaan (CH4) Stikstof (N2) Gronings aardgas 1 4 – – 81 14 Propaan – 100 – – – – Eigenschappen Wobbe-index W = √ Hs y λ in MJ/m30 43.246 0.9 37.1 Calorische verbrandingswaarde Voor het begrip calorische verbrandingswaarde worden in folders en brochures nogal eens verschillende omschrijvingen gehanteerd. In de verbrandingsgassen kunnen echter wel schadelijke stoffen voorkomen.262 1. Dit odoriseren gebeurt in de regionale gasstations door middel van tetrahydrothiofeen (THT).645 0.3 670 101.4 Calorische bovenwaarde Hs in MJ/m30 Calorische onderwaarde Hi in MJ/m30 Relatieve dichtheid gas (λ lucht = 1) in kg/m3 Luchtbehoefte in m3/MJ bovenwaarde Volume rookgassen in m3/MJ bovenwaarde Dichtheid rookgassen bij n = 1 Maximale verbrandingssnelheid in cm/s Explosiegrens in volumeprocenten Theoretische vlamtemperatuur met lucht in °C met dissociatie Theoretische vlamtemperatuur met O2 in °C met dissociatie Dauwpunt in °C bij n = 1 n=2 n=3 Ontstekingstemperatuur in °C n = toegevoerde lucht / theoretische luchtbehoefte Figuur 14. In figuur 14.6 1860 2720 57.1 31.7 0. zoals het zeer giftige koolmonoxide (CO).

Deze norm bevat behalve eisen die aan de gasleidinginstallatie worden gesteld ook aanvullende eisen voor onder andere woonschepen en caravans. In Nederland zullen dat zijn het laag-Wobbig aardgas en de flessengassoorten butaan en propaan. omdat deze vooral de administratieve en bijkomende zaken regelt. Verder wordt in het Bouwbesluit 1992 verwezen naar het Model aansluitvoorwaarden gas.4 Voorschriften gasinstallaties 14. ingericht voor het gebruik van geodoriseerde gassen volgens bijlage B van NEN 1059 uit de tweede en derde familie volgens NEN-EN 437. 14.4. Momenteel wordt in de Nederlandse keuringseisen de bovenwaarde als standaard gehanteerd.14 GASINSTALLATIES 121 ◆ Calorische bovenwaarde De calorische bovenwaarde (Hs) geeft de warmtehoeveelheid aan die vrijkomt bij de verbranding met 1 m3 gas.3 Normen De normen in figuur 14.8 toe te passen.1 MJ per m30.7 geven de belangrijkste documenten die gebruikt worden bij het toepassen van gas in de diverse installatieonderdelen. Hierbij moet worden opgemerkt dat NEN 2920 hierdoor niet vervalt. Omdat er bij hoogrendementen cv-ketels die zijn voorzien van een economizer condensatie van waterdamp optreedt.4. De bedoeling van de EPN is niet om ontwerpregels te stellen. De norm is bedoeld om te worden toegepast voor gasleidingwerk dat is . zijn rendementvergelijkingen alleen met dezelfde standaard als uitgangspunt mogelijk.8 bevatten bepalingen waarnaar wordt verwezen.01 MPa (100 mbar). Het verschil in rendement is circa 10 procent.6 en 14. vanaf de gasmeter tot aan de afnamepunt(en). maar om met de huidige regels goede installaties te ontwerpen en deze op energiegebruik te toetsen aan NEN 5128 en NEN 2916. Figuur 14. Hierin zijn de meest voorkomende installaties beschreven. NPR 3378. Voor de dagelijkse praktijk is er een praktijkrichtlijn in delen (werkbladen) opgesteld door de normcommissie Gasinstallatie-eisen. Dat wil zeggen. Normen kunnen echter worden herzien. aan de werkbladen liggen ook andere documenten dan NEN 1078 ten grondslag. De delen van NPR 3378 bestrijken het hele installatiegebied: gasleiding. omdat een optimaal energiegebruik direct afhangt van de plaats en opstelling van de toestellen.7 de toekomstige situatie.4. Het is belangrijk te vermelden dat alle tot nu toe opgestelde eisen worden opgenomen in het Bouwbesluit (technische eisen). In die gevallen is er sprake van niet-gebouwgebonden installaties.6 geeft de huidige situatie weer en figuur 14.2 NEN 1078 NEN 1078 noemt de eisen die worden gesteld aan het ontwerp. waarin onder meer de uitvoering van de gasinstallatie is geregeld. partijen die overeenkomsten sluiten op basis van deze normen wordt daarom aanbevolen na te gaan of het mogelijk is de meest recente druk van de normen in figuur 14. Deze bovenwaarde bedraagt voor Slochteren-gas 35. Door het invoeren van de energieprestatienormering (EPN) wordt de gasinstallatie ook eerder in het bouwtraject betrokken. opstelplaatsen voor toestellen en rookafvoer. Hiernaast blijft ook de gemeentelijke bouwverordening noodzakelijk. Op het ogenblik van publicatie van de onderhavige norm waren de vermelde drukken van kracht. Alleen voor afwijkende gevallen en geheel nieuwe typen constructies is men aangewezen op de prestatie-eisen/bepalingsmethoden. waarbij de warmte door condensatie van de in de verbrandingsgassen aanwezige waterdamp wordt meegerekend. 14. 14. die niet vallen onder het toepassingsgebied van de onderhavige norm. de aanleg en de beproeving van gasleidinginstallaties van gebouwgebonden systemen in een niet-industriële omgeving met een nominale werkdruk tot 0. Figuur 14.1 Bouwbesluit Het Bouwbesluit omvat de technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande gebouwen.

NEN 3028 NEN 2757 NPR 3378 Installatievoorschrift fabrikant Onderdeel Eis Bepalingsmethode Uitvoeringsmogelijkheden NPR 3378 in delen1 (werkbladen) NPR 3378 in delen1 (werkbladen) NPR 3378 in delen1 (werkbladen) Installatievoorschrift fabrikant Gasleidingen Bouwbesluit NEN-EN 1775 (algemeen) NEN 2920 (specifiek) Opstellingsruimten en Bouwbesluit stookruimten NEN 2920 (specifiek) Bouwbesluit Verbrandingsluchttoevoer en rookafvoer NEN 2920 (specifiek) Opstellen van toestellen Installatievoorschrift fabrikant NEN 1078 NEN-EN 1775 (algemeen) NEN 2920 (specifiek) NEN 3028 NEN 2920 (specifiek) NEN 2757 NEN 2920 (specifiek) Installatievoorschrift fabrikant 1 ten dele compleet Figuur 14. 1987 GAVO en NEN 2920.en kleinbedrijf van handel.7 Toekomstige situatie Norm NEN 1059:2003 NEN 2078:2001 NEN 2757:2001 NEN 2920:1997 Naam/bijzonderheden Gasvoorzieningssystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie Eisen voor industriële gasinstallaties Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen – Bepalingsmethoden Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties en vergelijkbare installaties in midden.40 Figuur 14. 124) NEN 3028:2004 NPR 3378 NEN-EN 437:2003 NEN-EN 1775:1998 Besluit Gastoestellen Bouwbesluit NEN 1078 vervangt NEN 1078. 1997 gedeeltelijk Nederlandse norm ICS.140. NEN 3028 Bouwbesluit NEN 1078/NEN 2920 (specifiek) NPR 3378 NEN-EN 1775 (algemeen) Deels NEN 2757 NPR 3378 Bouwbesluit.91.6 Huidige situatie december 2003 NEN 1078/NEN 2920 (specifiek) NEN-EN 1775 (algemeen) Bouwbesluit Bouwbesluit.122 Onderdeel Eis Bepalingsmethode Uitvoeringsmogelijkheden Gasleidingen Opstellingsruimten Stookruimten Verbrandingsluchttoevoer en rookafvoer Opstellen van toestellen Installatievoorschrift fabrikant Figuur 14.8 Normen . handelspropaan en butaan/propaan (B/P)-mengels Eisen voor verbrandingsinstallaties Leidraad bij NEN 1078 Proefgas – Proefdrukken – Toestelcategorieën Gasvoorziening – Gasleidingen in gebouwen – Maximale werkdruk tot en met 5 bar – Functionele aanbevelingen (Staatsblad 1992. horeca en nijverheid bedreven met handelsbutaan.

nominale Gasinstallatieleiding Gasleiding in een perceel die begint achter het einde van de uitlaat van het afleveringspunt en die eindigt in een of meer aansluitpunten.14 GASINSTALLATIES 123 Begrip Aansluitkranen Omschrijving Afsluitorgaan dat is aangebracht op een aansluitpunt en dat het mogelijk maakt een toestel op de gasinstallatieleiding aan te sluiten of daarvan los te nemen en de gastoevoer naar het toestel af te sluiten zonder dat de hoofdkraan hoeft te worden gesloten Aansluitleiding Gasleiding met inbegrip van een aansluitkraan die de gasinstallatieleiding verbindt met een gastoestel Aansluitpunt Plaats in de gasinstallatieleiding die is bestemd. luchtverwarmers en/of warmt/krachteenheden met een gezamenlijke nominale belasting gelijk aan of groter dan 130 kW (bw). of voor een eventuele drukregelaar is aangebracht en hoort bij de aansluiting voor de gaslevering Leidingwerk Zie gasleidinginstallatie Perceel Roerend of onroerend goed. gebaseerd op de calorische onderwaarde Belasting. na vermenigvuldiging van de ting nominale belasting of de ingestelde belasting met de gelijktijdigheidsfactor Hoofdkraan Afsluitorgaan dat in stromingsrichting van het gas gezien onmiddellijk voor de gasmeter.en/of dichtheidsbeproeving Druk Statische overdruk ten opzichte van de atmosferische druk Gasdichtheid Mate waarin een constructie ondoordringbaar is voor stookgas bij de voor de constructie bedoelde gasdruk Gasdruk Statische overdruk van het stookgas ten opzichte van de atmosferische druk Gasdruk. nominale Zie werkdruk. ze omvat het samenstel van pijpen. hulpstukken en bevestigingsmiddelen en eventuele appendages. De ruimte is uitsluitend bedoeld voor het opstellen van verbrandingstoestellen als ketels. nominale en verbruiksdruk.Belasting van een gasinstallatieleiding of een sectie daarvan. gedeelte of samenstel daarvan. De leiding kan onderen bovengronds en in en tussen gebouwen zijn gelegen. of wordt gebruikt.) Gasleidinginstallatie Geheel van gasinstallatieleiding en aansluitleiding(en) Gasmeter Door de gasleverancier geplaatste meter volgens aanwijzingen waarvan het gasverbruik wordt afgelezen Gelijktijdigheidsfactor Vermenigvuldigingsfactor voor de nominale of de ingestelde belasting van de aan te sluiten toestellen om de ongelijktijdigheid in het gebruik van de toestellen in rekening te brengen Gelijktijdigheidsbelas. of de uitlaatzijde van de (hoofd)gasmeter ten behoeve van aardgas Belasting Energietoevoer per eenheid van tijd. of het energietransport door een leiding. Let op: deze gastechnische definitie van het perceel is een andere dan die volgens het Bouwbesluit Stookgas Gassoort die als brandstof aan het verbruikstoestel wordt toegevoerd Stookruimte Opstelplaats specifiek ten dienste van het opgestelde toestel of de opgestelde toestellen en voorzien van specifieke voorzieningen voor het veilig functioneren. voor het aanbrengen van een aansluitkraan Afleveringspunt Uitlaatzijde van een drukregelaar ten behoeve van vloeibaar gas. (Voorheen werd de naam binnenleiding gebruikt. waarvoor een aansluiting tot stand is gekomen of zal komen. Deze toestellen horen tot de centrale verwarmingsinstallatie van een gebouw of een groep gebouwen en zijn eventueel gecombineerd met een centrale warmwatervoorziening en/of een bedrijfsmatige warmtelevering . in de vorm van stookgas aan een gastoestel. nominale Belasting waarvoor een toestel volgens opgave van de fabrikant is bestemd Beproevingsdruk Druk in de installatie tijdens de sterkte. of levering van stookgas geschiedt of zal geschieden.

Niet-technische voorschriften omtrent de gaslevering zijn bijeengebracht in de Aansluitvoorwaarden van het desbetreffende gasbedrijf.4. Dit betekent dat alle nationale keurmerken. 14. In figuur 14. NPR 3378 geeft een aantal richtlijnen hoe NEN 1078 kan worden toegepast. Binnen de Europese Unie zijn door de regeringen van bijna alle landen keuringsinstellingen aangewezen die toestellen keuren en certificeren. Per 1 januari 1996 werd de CE-markering vereist. Voor gebruik naast NEN 1078 is NPR 3378 verschenen. Het elektrotechnische gedeelte van gasinstallaties moet worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 1010. nominale Omschrijving Handafsluiter of automatische afsluiter die hoort tot het gastoestel waarmee de gastoevoer wordt afgesloten of geopend Luchtverversing door toevoer van verse lucht en afvoer van gebruikte lucht Druk van het stookgas ter plaatse van de ingang van een appendage of gastoestel bij gasafname Gestandaardiseerde verbruiksdruk van het stookgas. voor aardgas is die druk 25 hPa of 100 hPa (25 mbar of 100 mbar). Deze Richtlijnen bestaande gasinstallaties zijn bedoeld voor gasbedrijven ter bevordering van een eenduidige toepassing van NEN 1078 op bestaande gasinstallaties. handelsbelemmeringen en het Giveg-merk moeten vervallen. Omdat een toestel dat hier veilig kan werken ook in een ander land goed kan functioneren. waar ook de Giveg-keuringen werden uitgevoerd. In omstandigheden waarbij er sprake is van een ingrijpende wijziging wordt de hele installatie als nieuw beschouwd en moet deze dan ook onverkort voldoen aan de laatste uitgave. nominale Werkdruk Werkdruk.4. voor butaan en propaan 30 hPa of 50 hPa (30 mbar of 50 mbar) Figuur 14. Voor bestaande installaties zijn door de Koninklijke Vereniging van Gasfabrikanten in Nederland richtlijnen opgesteld. met daarbij de twee laatste cijfers van het jaartal waarin het merkteken is aangebracht.9 Enkele begripsomschrijvingen (NEN 1078) 14.4 Installatievoorschriften Technische voorschriften ten aanzien van gasinstallaties zijn vastgelegd in NEN 1078. rendement en goede werking. Deze richtlijnen hebben niet de status van het voorschrift. zoals veiligheid.124 Begrip Toestelkraan Ventilatie Verbruiksdruk Verbruiksdruk.5 CE-markering Alle gastoestellen die in Nederland werden aangesloten op het gasnet moesten zijn voorzien van het Giveg-merk. Alle EU-landen hebben de richtlijn in hun eigen wetgeving opgenomen. voor butaan en propaan 30 hPa of 50 hPa (30 mbar of 50 mbar) Druk van het stookgas aan het begin van de gasinstallatie bij maximale belasting Gestandaardiseerde werkdruk van het stookgas. Het merkteken van overeenstemming is het symbool van figuur 14. De Keuringsdienst van Waren gaat na of de verkochte toestellen aan de gestelde eisen (EN-normen) voldoen. De overheid van het desbetreffende land moet erop toezien dat de aangewezen instellingen hun werk goed doen. NEN 1078 geeft diverse begripsomschrijvingen omtrent gasinstallaties. voor aardgas is die druk 25 hPa of 100 hPa (25 mbar of 100 mbar). zodat interpretatieverschillen worden voorkomen.9 zijn enkele van de belangrijkste begrippen verzameld. Voor Nederland is dit het Ministerie van Volksgezondheid. Om ook hierin landelijk een eenheid te verkrijgen. Figuur 14. In de Giveg-keuringseisen waren diverse zaken gewaarborgd.10 CE-keurmerk .10. Zo was er in elk EU-land een systeem van eisen opgesteld. is er een Richtlijn Gastoestellen opgesteld. Welzijn en Sport (VWS). is er een Model aansluitvoorwaarden gas opgesteld. In Nederland is dat GASTEC NV in Apeldoorn.

waarna deze zich in de onderbouw vertakt voor de diverse woningaansluitingen. binnen 50 min.11. moeten zijn beschermd door mantelbuizen.11 Bovengrondse geveldoorvoeringen (NPR 3378-8) ø + 20 min. binnen 50 min. 2 Mantelbuizen moeten zijn vervaardigd van buiten – densoleen W kneedbare pasta – bitumen 50 min. figuur 14. Bij voorkeur moet men voor geveldoorvoeringen mantelbuizen instorten of ‘vol en zat’ inmetselen. 4 Bij mantelbuizen van staal moet metallisch contact tussen leiding en mantelbuis worden voorkomen door het aanbrengen van een of meer centreerringen van kunststof.en uitwendig tegen corrosie is beschermd. kunststof of staal dat in. moet er de grootste zorg worden besteed aan het gasdicht afwerken van geveldoorvoeringen. In gebouwen zoals flatgebouwen wordt er dan ook een hoofdleiding door de fundering gevoerd. zodat de spleet tussen leiding en mantelbuis rondom gelijk is. Zowel aan de binnen. ø . Aan beide einden wordt de spleet over ten minste 100 mm volledig gevuld met een niet-corrosieve en plastisch blijvende afdichtingsmassa.en rioleringsleidingen en diverse soorten kabels. Het aantal doorvoeringen moet daarom zoveel mogelijk worden beperkt. De dienstleiding moet goed in de mantelbuis zijn gecentreerd.5. corrosiewerende bekleding rubbermanchet klemband mantelbuis van corrosievast materiaal 5 à 10 1 met centreerringen buiten 50 min. Dit geldt niet alleen voor de doorvoering van gasleidingen. Mantelbuizen moeten van brandveilig en tegen corrosie bestand of beschermd materiaal zijn. 100 à 150 elastische rubberring mantelbuis van corrosievast materiaal bout metalen ring 2 met vulmassa Figuur 14.1 Geveldoorvoeringen Omdat in de gasleidingen in de grond lekkages kunnen optreden.5 Gebouwaansluiting 14. 3 Verbindingen in leidingen in mantelbuizen moeten zijn gelast of gesoldeerd. Doorvoeringen moeten aan de volgende eisen voldoen: 1 Gasinstallatieleidingen die dwars door muren of vloeren zijn gevoerd.14 GASINSTALLATIES 125 14. maar ook voor de doorvoering van water.als buitenzijde van de gevel moet de mantelbuis 50 mm uitsteken.

3 Geveldoorvoeringen moeten waterdicht zijn uitgevoerd. Leidingen in een grondkerende wand van een stookruimte moeten via een buiten de stookruimte gelegen geventileerde invoerput worden ingevoerd. waarbij rekening wordt gehouden met de druk van het eventuele grondwater.13. 2 Niet in gebruik zijnde ondergrondse geveldoorvoeringen en sparingen (ook van andere dan gasleidingen) moeten zijn afgesloten.12 Invoerput gebouw buiten wand isolatiekoppeling isolatiekoppeling staal korte leiding kunststof of staal staal Figuur 14.12. buiten 50 min.en bovengrondse deel van stalen leidingen moet galvanisch van elkaar zijn gescheiden door isolatiestukken of geëboniteerde isolatieflenzen. of bij de binnenkomst in een gebouw. 4 Geveldoorvoeringen moeten dragend zijn uitgevoerd. binnen 50 min. 5 Van een bovengrondse geveldoorvoering moet het bovengrondse deel van de leiding zijn ondersteund en zo nodig extra zijn beschermd tegen mechanische beschadigingen en de directe inwerking van dag. figuur 14. Zij mogen in elke gewenste stand zijn ingebouwd. 6 Geveldoorvoerconstructie moet zowel bij de onder. zoals de betonbewapening. Deze scheiding moet bovengronds zijn aangebracht op een hoogte van ten hoogste 0. in de bouwconstructie. figuur 14.5 m boven het maaiveld.126 Geveldoorvoeringen moeten behalve aan de algemene eisen ook voldoen aan de hieronder vermelde regels: 1 Geveldoorvoeringen (niet alleen van gasleidingen) moeten gescheiden en duurzaam gasbelemmerend zijn uitgevoerd.als bovengrondse doorvoering de leiding blijvend (elektrisch) isoleren van de geleidende elementen. dan vervalt de rioolaansluiting) Figuur 14.en zonlicht. 7 Onder.en bovengronds deel stalen leidingen . rubbermanchet klemband kunststofcentreerring mantelbuis van corrosievast materiaal vloer naar riool (indien grind.13 Scheiding tussen onder.

14. de onder te brengen apparatuur. Voor meterkasten in woningen geldt dat de indeling moet voldoen aan figuur 14. moet een dergelijke put met mantelbuizen voor de doorvoer van de diverse leidingen en kabels worden aangebracht. Zo moet het inwendige worden geventileerd en voldoende ruim zijn voor plaatsing en reparatie van de apparatuur. moet de dienstleiding geheel tot onder de meterkast worden gevoerd door een gasdichte mantelbuis. niet loodrecht boven elkaar liggen. ongeacht Figuur 14.14 Meterkast ten behoeve van elektrische. worden aan de opstelling van de meter(s) eisen gesteld. dan moet daartussen een luchtspouw van ten minste 15 mm zijn. gasen waterapparatuur .01 m2 worden aangebracht.5. Is minder apparatuur noodzakelijk.2. met een dikte van ten minste 18 mm. de soort en de wijze van opstelling van de gasmeters worden uitsluitend bepaald door of vanwege de directie van het desbetreffende gasbedrijf. Ten behoeve van de noodzakelijke ventilatie moet aan zowel de boven. De onderlinge afstand van geveldoorvoeringen moet ten minste 100 mm zijn. De meters moeten goed afleesbaar zijn en de plaats waar het geheel is opgesteld moet goed en veilig functioneren van de opgestelde apparatuur waarborgen.2 Meterkast De grootte. dan blijft de indeling gehandhaafd. De achterwand moet in zijn geheel van hout of multiplex zijn. zie ook paragraaf 14. Ook mogen de invoeren.als onderzijde van de deur een spleetvormige opening van elk ten minste 0. Ook als de begane-grondvloer direct op het zand ligt. 14. Is dit schotwerk tegen een buitenmuur gemonteerd.14 GASINSTALLATIES 127 Verlengde mantelbuizen Als de meterkast niet direct tegen de gevel is gesitueerd en de kruipruimte niet geventileerd wordt of moeilijk bereikbaar is. vanwege de bereikbaarheid. Wat de plaats van opstelling betreft: de kast mag niet rechtstreeks toegankelijk De deur van de meterkast moet ten minste 90° kunnen worden geopend met een vrije deuropening van 700 × 2000 mm. Deze mantelbuizen sluiten dan aan op een onder de meterkast aan te brengen put. De plaats van de gasmeter wordt in overleg met de architect vastgesteld. Over het algemeen moeten deze meterruimten voldoen aan een aantal eisen. waarbij de invoer van de gasleidingen steeds de bovenste moet zijn.5. Afhankelijk van de capaciteit van de meter(s) en het doel waarvoor deze wordt gebruikt.

De vloer van de meterkast en de leidingdoorvoeringen moeten gasbelemmerend en waterdicht zijn uitgevoerd. ø + 20 min. afhangen van het al of niet aanwezig zijn van een goed toegankelijke kruipruimte. De leidingen mogen alleen in daarvoor bestemde zones worden doorgevoerd en moeten zijn voorzien van geschikte mantelbuizen die ten minste 50 mm boven de afgewerkte vloer uitsteken. Om een vrij kostbare bouwkundige put te voorkomen. Gezien de vele mogelijkheden is tijdig contact met het betrokken nutsbedrijf noodzakelijk om latere problemen te voorkomen. Ook de grondgesteldheid onder de kruipruimte kan een rol spelen. 50 min. figuur 2. In NPR 2. vanuit een ruimte met open vuur.128 zijn vanuit een tijdelijk vochtige ruimte (badkamer of toilet). zodat de gasmeteropnemer deze gemakkelijk kan bereiken en niet door andere ruimten heen moet. De kruipruimte wordt als toegan- buiten ø ventilatierooster 500 800 50 min. Bij voorkeur bevindt de gasmeter zich niet verder dan 3 m van de voordeur. zoals in paragraaf 14.5 ø + 50 min. Zo zijn er invoerputten in de handel van gewapend polyester met diverse invoermogelijkheden voor de diverse dienstleidingen. 3378-8 is aangegeven waaraan deze put moet voldoen qua minimale inwendige afmetingen en functies. betonput mantelbuis van corrosievast materiaal Figuur 14. figuur 14. hieronder een leidinginvoerput wordt aangebracht. Leidinginvoerputten Bij een breuk of lekkage in de gasleiding buiten de gevel ontstaat via de leidinginvoeringen in een woning een verhoogde kans op explosiegevaar. Dit kan. Het uitgangspunt voor deze richtlijn is in NEN 2768 beschreven. Bij flatwoningen moeten de meterkasten van de verschillende etages loodrecht boven elkaar liggen. Ook het feit of een invoerput wordt vereist kan plaatselijk verschillend worden beoordeeld.5. Dienstleidingen moeten door de vloer in de meterkast worden ingevoerd. wat storend kan zijn. of vanuit een woon.15. Alleen op bepaalde plaatsen mogen sparingen worden aangebracht. kan er een prefab-invoerput worden toegepast. Door een aantal nutsbedrijven is een richtlijn opgesteld voor een gecombineerde meterkast in eengezinswoningen (deel 6A.44). Daarom wordt het in veel gevallen noodzakelijk geacht dat in woningen waarvan de meterkast zich op de begane grond bevindt. Deze vrij lichte putten kunnen in een sparing in de begane-grondvloer worden gehangen. 50 vloer binnen corrosiewerende bekleding rubbermanchet klemband kunststofcentreerring 4 ø + 50 min. Veel nutsbedrijven hebben deze richtlijn in voorraad.of slaapkamer.1 is besproken.15 Leidinginvoerput . Er is veel vrijheid gegeven in de te kiezen materialen en constructie. De kast moet zich op dezelfde woonlaag bevinden als de hoofdtoegang van de woning.

• in ruimten met leidingwerk voor stookgas zwaarder dan lucht moet zijn voorkomen dat het gas bij een eventuele lekkage op de grond blijft hangen of via openingen. figuur 14. Voor de bediening van het gasverbruikstoestel moeten de toestelkranen worden gebruikt. moet de gasmeter zo dicht mogelijk bij de hoofdingang van de woning worden geplaatst. afvoerkanalen. Voor de grotere diameters stalen pijp worden meestal lasverbindingen toegepast (boven 210). De koppeling mag alleen met gereedschap kunnen worden losgenomen. • aanleg van gasleidingen in schoorstenen. • fitten met schroefdraad (Engels ‘to fit’ = monteren) voor stalen pijpen met wanddikte die ten minste gelijk is aan die van stalen draadpijp kwaliteit ‘middel’.of dienstleiding met aftakkingen voor elke woning wordt door het gasbedrijf aangebracht.14 GASINSTALLATIES 129 kelijk beschouwd als de vrije hoogte ten minste 700 mm is en de afmetingen van het kruipluik ten minste 800 × 500 mm zijn. • flensverbindingen. • koperen pijpen volgens NEN-EN 1057. onder meer in geval van reparatie. In flatgebouwen wordt meestal in iedere woning een gasmeter geplaatst. Bekende verbindingstechnieken zijn: • solderen (alleen koperen pijpen). dan moeten de leidingen op een doelmatige manier worden beschermd of zijn vervaardigd van materiaal dat tegen die aantasting bestand is. • naadloze of gelaste stalen pijpen volgens NEN-EN 10220. In NEN 1078 is een aantal constructies aangegeven. • ter voorkoming van ongewenste gaslekkage moet het leidingwerk technisch gasdicht zijn. • lasverbindingen.3 Leidingaanleg (NPR 3378-5/6) Zoals al eerder is vermeld. De wand moet ter plaatse van het aansluitpunt voldoende stevig zijn.6. 14. 14. • klemverbindingen.6.6 Binnen. omdat de gasleiding ook hier moet worden gebeugeld. naar lager gelegen ruimten stroomt. • knelverbindingen. Stalen pijpen worden dikwijls met fittingen van smeedbaar gietijzer verbonden door middel van schroefdraad. moet de aanleg worden vermeden. • in agressieve ruimten waarin extra kans bestaat op aantasting van de leidingen.2 Aansluitingen gasverbruikstoestellen Het aansluiten van gasverbruikstoestellen op de binnenleiding kan met diverse materialen plaatsvinden.17. den aangebracht. 14. De opgaande toevoer. in vloeren van steenachtig materiaal en ook in het binnenblad . Voor deze binnenleidingen komen de volgende soorten pijpen in aanmerking: • stalen draadpijpen volgens NEN 3257 met Giveg-garantiemerk. liftkokers en spouwen is verboden. brandstofbunkers. Bij een koperen leiding wordt bij voorkeur een muurplaat gemonteerd. • gasleidingen mogen worden weggewerkt in betonnen en gemetselde muren. terwijl de binnenleiding onder gasdruk blijft.1 Materialen en verbindingen Van de gasmeter worden leidingen gelegd naar de aansluitpunten van de diverse verbruikstoestellen.en aansluitleidingen 14.16. Het onderling verbinden van de pijpen en het maken van aftakkingen kan op verschillende manieren gebeuren. zodat het toestel kan worden verwijderd. De verschillende toestellen moeten worden aangesloten zoals staat aangegeven in figuur 14. Voor ieder verbruikstoestel moet er in de gasleiding een kraan met koppeling wor- Bij het bepalen van de leidingloop moet men met het volgende rekening houden: • leidingwerk moet vanaf het begin van de gasinstallatieleiding zijn gelegd binnen het perceel of perceelgedeelte waarvoor de gasleidinginstallatie is bestemd en van daaruit bereikbaar zijn. Is aanleg toch noodzakelijk. • leidingwerk in het zicht mag geen obstakel vormen voor menselijk verkeer en zelf geen kans op beschadiging lopen door menselijk verkeer.6. niet kleiner dan G3/8. waaronder een rioolaansluiting.

16 Schema gasleidingen in woning verdieping .ruimte overloop CV bergkast kantoor 3 Figuur 14.130 bergkast slaapkamer 1 bijkeuken keuken badkamer bg 1 3 4 " G toilet meterkast 3 4 F 2 " " hal woonkamer 1 kruipruimte 2 begane grond balkon bergkast slaapkamer 2 badkamer 1e 3 4 " CV .

KE 69 met slang vlgs. KE 15. KE 176 1 Draadversterkte rubberen slang vlgs. cv-toestel. KE 53 (NEN 3277) en metalen gaskraan vlgs.Buigzame dingen vlgs.gen vlgs. KE 69 Buigzame verbin. KE insteekverbindin34 1 met rubbe. • naadloze of gelaste stalen buis: NEN-EN 10220. KE 189 1 Flexibele aansluiting (voor verplaatsbaar toestel) Soort aansluiting 1 Figuur 14. komfoor Inbouwoven. KE 36 ren slang vlgs. KE 47 2 (rubberen slang zonder inlagen) en slangtuit of slangpuntstuk vlgs. KE 69 met: • stalen draadbuis: NEN 3257. inbouwkomfoor V X T V T T V V V X Vast opgesteld toestel. • koperen buis KE 5 (zacht of halfhard) Klemmende slang en metalen gaskraan vlgs. stralingstoestel (niet in veebedrijf) Kachel Verplaatsbaar toestel in de open lucht V X X T V X V X T V X T V X T V X X T3 X 14 GASINSTALLATIES Laboratoriumbrander X 131 . door b.Soort toestel Vaste aansluiting (toestel op een plaats) Buigbare aansluitleidingen vlgs. zijn geborgd volgens voorschriften van de fabrikant V V V V V V V X X V V X X X X X X Fornuis > 14 kW Losse oven. KE 44 (aardgas) of vlgs. droger. uitrekking. KE 48 (propaan en butaan) Fornuis ≤ 14 kW X T X V V X X X V V X V V T uitsluitend aardgas T = bij voorkeur toepassen bruikbaar voor aardgas tot 50 mbar V = toegestaan 3 uitsluitend butaan en propaan X = niet toegestaan 4 bij een metalen slang aan een verplaatsbaar toestel moet de slang tegen blijvende vervorming. KE 69 Buigzame metalen aansluitleiding van gegolfd RVS met kunststofbekleding en met insteekverbinding 4 vlgs. luchtverwarmer Wasmachine.v. KE 190 1 en gasstopcontact of snelkoppeling vlgs. KE 1 1 met metalen gaskraan vlgs.17 Aansluiting verbruikstoestellen volgens NPR 3378-11 2 Starre aansluiting met metalen gaskraan vlgs. • stalen precisiebuis: KE 64.

• bij voorkeur moet de gasleiding niet door waterdicht werk (zoals vloeren en aanrechten) worden gevoerd. kanalen of kokers mogen binnenleidingen uitsluitend worden gelegd in een mantelbuis. Het materiaal van de bouwkundige constructie en het materiaal dat wordt gebruikt om een gefreesde sleuf op te vullen mag de leiding niet aantasten. tenzij het toestel speciaal is geconstrueerd voor bevestiging aan een leiding. • in niet-bereikbare ruimten. De afstand van de bovenzijde van de leiding tot de afgewerkte laag van de vloer moet ten minste 35 mm zijn om beschadigingen door bevestigingsmiddelen zoals schroeven en spijkers te beperken. • nabij afsluiters. Ligging in grond (NPR 3378-7) De ligging van de binnenleiding in de grond en de daarin aangebrachte appendages moeten duidelijk zijn vastgelegd: • in de onmiddellijke nabijheid van een straatpot moet een aanwijsplaat zijn aangebracht volgens NEN 1184. • gasleidingen moeten ten minste 20 mm vrij liggen van elektrische leidingen. figuur 14. of de leiding moet op een doelmatige manier tegen aantasting zijn beschermd. • als gasleidingen ‘uit het zicht’ worden aangebracht. Deze mantelbuis moet van kunststof zijn. tenzij de ruimte nergens minder dan 0. • in het geval van weggewerkte leidingen in beton of andere uithardende materialen moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitzetten en krimpen van de leidingen. die met een waterbestendige massa wordt gedicht. • leidingen onder begane-grondvloeren mogen uitsluitend in mantelbuizen worden gelegd. moet de leiding blijvend bereikbaar zijn. blijvend toegankelijk is. • horizontaal lopende gasleidingen moeten ten minste 50 mm boven de vloer zijn aangebracht en mogen niet loodrecht onder een koudwaterleiding worden aangebracht (condens!).18.en uittrede moet de leiding zijn beschermd.132 van een spouwmuur. zoals in leidingkokers of boven verlaagde plafonds. zadels of rozetten die stevig en duurzaam zijn bevestigd. met een maximum van 600 mm. zoals stralingsverwarmingstoestellen. De mantelbuis moet ten minste 20 mm uit de muur steken en aan beide zijden open zijn.18 Leidingbeugels en zadels • gasleidingen mogen geen toestel dragen of steunen. waar schrobwater kan worden verwacht. Gasleidingen mogen niet zodanig zijn gelegd. Als een dergelijke doorvoering onvermijdelijk is. Bij in. moet de leiding worden beschermd door een aan beide zijden ten minste 50 mm uitstekende corrosievaste mantelbuis.70 m hoog is. bochten en beweegbare koppelingen moet de leiding al dan niet schuivend worden ondersteund. Figuur 14. Tussen mantelbuis en gasleiding moet ten minste 5 mm ruimte worden gelaten (ringvormige spleet). • montage van gasleidingen moet gebeuren door middel van afstandsbeugels. • gedeelten van gasbinnenleidingen die in en buiten niet voor bewoning bestemde gebouwen zijn aangebracht moeten volgens NEN 3050 zijn gemerkt met een okergele kleur. • als er boven de gasleiding een gesloten weg- . De afstand tussen de bevestigingen mag ten hoogste zestigmaal de buitenmiddellijn van de leiding bedragen. behalve bij kruising van elektrische leidingen die zijn voorzien van een niet-geleidende omhulling. dat vloerdelen of gasverbruikstoestellen erop kunnen rusten. geen obstakels bevat en blijvend droog is door een waterdichte bodemafsluiting. Leidingen mogen geen metallisch contact maken met andere leidingen en kabels in verband met galvanische corrosie. Hierbij moet de ventilatie van deze kruipruimte over ten minste twee buitenwanden via roosters plaatsvinden. De binnenmiddellijn moet ten minste 10 mm groter zijn dan de buitendiameter van de aan te leggen binnenleiding.

Nabij de invoering in een gebouw moet op ten minste 0.20 m omhullen. wijziging of vernieuwing van een installatie als deze uitbreiding.6.60 (minimumdekking) 0. dat vrij moet zijn van stenen en andere harde stukken. • koperen buizen en hulpstukken moeten in agressieve grond zijn beschermd tegen uitwendige aantasting en spanningscorrosie.50 bij zinkers: 0.50 bij parallelloop: 1. Als ter plaatse van de kruising(en) de voorgeschreven minimumafstand niet kan worden aangehouden. moeten er maatregelen zijn getroffen om te verhinderen dat bij lekkage het gas in de belendende gebouwen doordringt.50 m boven het maaiveld of direct bij binnenkomst in een gebouw. ter voorkoming van galvanische corrosie. Dit moet bovengronds zijn aangebracht Kruisingen of parallelloop met Elektriciteitskabels Riolen en leidingen met agressieve media Metalen leidingen Kunststofleidingen (niet zijnde riolen of leidingen met agressieve media) Sloten of andere open systemen op maximaal 0. • extra voorzieningen moeten worden getroffen bij kruisingen van terreinwegen en -sporen.of (asfalt)bitumenbasis.19 Minimumafstanden tussen ondergrondse binnenleidingen en andere systemen . een isolatiestuk zijn aangebracht.50 Wijze van kruisen geen voorkeur voorkeur voor bovenlangs voorkeur voor bovenlangs voorkeur voor bovenlangs geen voorkeur Andere ondergrondse constructies met uitzondering van gebouwen geen voorkeur Figuur 14.00 m van het gebouw liggen. Dit geldt eveneens bij uitbreiding.30 bij kruising : 0. waar de leiding ten minste 1.50 0. 14. mits er geen zware trillingen en deformaties kunnen optreden.40 m zijn. Naast algemene gegevens omtrent Minimale onderlinge afstand in m 0. Op circa 0. Tevens moet bij een kruising met metalen geleiders een isolerende scheidingsplaat tussen de beide systemen zijn aangebracht. • ter plaatse van de invoering in een gebouw moet de gronddekking ten minste 0. • tussen andere leidingen en systemen moet een minimumafstand worden aangehouden. op een afstand van ten minste 1.5 m voor de fundering over zijn gegaan op een stalen of koperen leiding.50 bij parallelloop: 1. De oppervlakte van de toe te passen kunststofleiding mag niet met diepe krassen. Zij moeten ook. • tussen het in. Een dergelijke scheidingsplaat moet zijn gemaakt van niet-wateropnemend PVC of PE. wijziging of vernieuwing een sectiereeks langer dan 20 m omvat. moet de leiding geheel ten minste 0. • in de onmiddellijke omgeving van de binnenleiding mogen geen bomen of andere diepwortelende gewassen zijn. moeten maatregelen zijn genomen om onderling contact (als gevolg van inklinking of verzakking van de grond) en daardoor beschadiging van de bekleding of de leiding te voorkomen.en bovengrondse deel van een stalen binnenleiding moet. • kunststofleidingen in de grond zijn toegestaan. figuur 14.00 m diep moet liggen. deuken of op een andere manier zijn beschadigd.14 GASINSTALLATIES 133 dek is aangebracht. • stalen buizen moeten in de grond zijn beschermd met een bekleding op polyetheen. of een aansluitwaarde van meer dan 70 kW bezit of als een gasgestookte cv-installatie wordt aangelegd.30 m boven de buis moet geel waarschuwingsband worden gelegd. behalve bij de invoering in een gebouw. Dit zand.50 bij kruising: 0. die wordt aangevuld met zand.4 lnstallatietekeningen Bij de aanleg van nieuwe installaties moet de installateur installatietekeningen bij het desbetreffende gasbedrijf indienen.50 0.80 m. • leidingen worden in een sleuf gelegd.19. • minimale vereiste gronddekking nominaal 0.

zoals die door gasbedrijf is vastgesteld.8 0. figuur 14. • uitmonding afvoersystemen ten opzichte van dak en omgeving. • van elk . • beginpunt binnenleiding. afsluiters. beveiligingen. • plaats gasmeter. de installateur en het adres en de bestemming van het betreffende perceel moet deze installatietekening omvatten: • plattegronden diverse verdiepingen en ligging en bestemming gebouwen en omliggende terreinen. drukregelaars.134 de aanvrager en/of verbruiker.8 28 11 8 28 75 47 34 23 13 CV W F W d f e g b–c f kW 0. alsmede materiaal waaruit deze bestaan.8 28 11 8 c–d f kW 1 34 c–e f kW 1 1 13 10 e–f f kW 1 13 b–g f kW 1 34 34 2 belastingstaat Figuur 14. middellijn en aansluitwaarde in kW van elke leidingsectie. • plaats kranen.en afvoerleidingen.20 Leidingschema met belastingsstaat .8 0. soort en nominale belasting.ook later te verwachten . • lengte. g W 34 kW f e F W 13 kW 14 kW c G a b CV = centrale-verwarmingsketel W = warmwatertoestel F = fornuis (kooktoestel) G = gasmeter 1 leidingschema Toestel Aansluitpunt Nominale belasting kW Gelijktijdigheidsfactor f en gelijktijdigheidsbelasting van de secties in kW a–b f kW 34 13 10 34 0. waarbij elke aftakking en elk aansluitpunt met kleine letter wordt aangegeven.8 0. d CV 34 kW • ligging met middellijn van binnen. • tracé afvoersystemen en plaats ventilatieopeningen.8 0.16. enzovoort.verbruikstoestel plaats.8 0.

bij algemeen gebruikelijke toestellen aldus afgekort: K (komfoor). worden de verbruikstoestellen met de voorgeschreven symbolen aangegeven.16. Bij uitbreiding.22 Aansluithoogten gasverbruikstoestellen .23. tussen haakjes toe te voegen de nominale belasting in kW (alleen in cijfers en de aard van het toestel. Bij het maken van de plattegrond verklaring van beneden komende afvoerleiding van beneden komende doorgaande afvoerleiding G G scheve projectie gasmeter plugkraan of afsluiter klep (soort bijschrijven bv. Voor het maken van installatietekeningen en de bijbehorende leidingschema’s wordt er gebruikgemaakt van de in figuur 14. Ov (oven). is een eenvoudige figuur. Als een installatietekening geen duidelijk inzicht geeft in belangrijke of gecompliceerde installatiegedeelten.14 GASINSTALLATIES 135 Behalve in de plattegronden. moet een en ander ook in een leidingschema in scheve projectie worden getekend. F (fornuis). Kl (kachel). wijziging of vernieuwing van een installatie moet op de installatietekening duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de bestaande installatie en het nieuwe gedeelte. Het leidingschema. kan het gasbedrijf hiervan detailtekeningen plattegrond verklaring gasleiding in het zicht gasleiding niet in het zicht (bv.21 Symbolen voor installatietekeningen Gasverbruikstoestel Gasfornuis Keukengeiser Badgeiser CV-ketel Gaskachel Aansluithoogte 1000 mm boven de vloer of 200 mm boven het aanrecht en 50 mm terzijde van het aanrechtblad 200 mm boven en 150 mm naast het hart van de wateraansluiting (deze bevindt zich 1300 mm boven de vloer) 700 mm boven de vloer 150 mm boven de vloer 150 mm boven de vloer als de gasleiding uit de muur komt of 50 mm uit de wand als de leiding uit de vloer komt Figuur 14. figuur 14.20-1. W (warmwatertoestel). figuur 14. Alleen de lengten van de leidingsecties worden aangegeven.21 aangegeven symbolen. Aan het einde van de leiding. Cv (centrale verwarmingsketel) verbruikstoestel met afvoer G Figuur 14. figuur 14. Ten slotte moet worden vermeld wanneer er met de werkzaamheden wordt begonnen. Kk (koelkast).24. figuur 14. onder de vloer) gasleiding verlopend op andere middellijn koppeling mantelbuis naar boven gaande leiding van beneden komende leiding van beneden komende doorgaande leiding naar beneden gaande leiding van boven komende leiding van boven komende doorgaande leiding afvoerleiding voor verbrandingsgassen naar boven gaande afvoerleiding scheve projectie verlangen. dus op de aansluitpunten. drukregelaar) waterzak klemmende slang buigzame verbinding verbruikstoestel. In de plattegronden is de installatie volgens de voorgeschreven symbolen getekend.

A slaapkamer 2 keuken badkamer fornuis F b 1/ " 2 3/ " 4 10 kW wc 3/ " 4 A hal a 3/ " 4 A G 1 begane grond 2 eerste verdieping A zolder berging CV (20.23 Plattegronden eengezinswoning met gasleidingen .136 slaapkamer 3 woonkamer slaapkamer 1 A w.k.5 kW) mechanische ventilatie 3 A tweede verdieping Figuur 14.

Voor huishoudelijke toestellen kan men voor gemiddelde waarden uitgaan van de gegevens die vermeld staan in figuur 14. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer meerdere toestellen op een leiding zijn aangesloten of bij meerdere branders in een toestel. 2 samengestelde methode. 3 formulemethode. maar ook niet te klein. Het berekenen van een binnenleiding houdt in dat de diameters van de leidingen worden bepaald en wel zo dat zij niet groter zijn dan . De hoogten van de aansluitpunten van de verbruikstoestellen zijn meestal niet in de tekeningen aangegeven. zoals al eerder vermeld. opdat voldoende verbruiksdruk aanwezig is voor de in werking zijnde toestellen.6.25. Afhankelijk van de grootte van de gasinstallatie en de leveringsdruk kunnen hiervoor volgens NPR 3378 de volgende drie methoden worden gebruikt: 1 grafiekmethode. De nominale belasting is gewoonlijk door de fabrikant op het toestel of anders in de bijbehorende documentatie vermeld. Figuur 14. 14.22 geeft van de meest voorkomende toestellen de gebruikelijke aansluithoogten. In de aangegeven volgorde klimmen de methoden op in nauwkeurigheid en worden ingewikkelder.14 GASINSTALLATIES 137 dubbelwandige rookgasdakdoorvoer mechanische ventilatie c CV gasleiding 3/4 " 3/ " 4 3/ " 4 d 1/ " 2 F 1/ " 2 b 3/ " 4 3/ " 4 G a 1 doorsnede A – A 2 schema binnenleiding gas Figuur 14. die vrijwel nooit allemaal tegelijk in werking zijn zoals bij gasfornuizen. moet bekend zijn hoeveel gas de aangesloten toestellen verbruiken.24 Doorsnede eengezinswoning met leidingschema scheve projectie wordt er gebruikgemaakt van de uit de plattegronden en doorsneden bekende gegevens.5 Dimensionering binnenleidingen Om de doorsnede van binnenleidingen te kunnen berekenen. Voor alle berekeningsmethoden geldt dat in bepaalde gevallen. absoluut nodig is. Dit verbruik wordt niet opgegeven in m3. op de aansluitwaarde een reductie kan worden toegepast. maar als de nominale belasting van het gasverbruikstoestel uitgedrukt in kW.

Een binnenleiding moet in afgedopte toestand dicht zijn.8 (doch ten minste gelijk aan de maximale belasting van de voorgaande sectie) Figuur 14. Men bepaalt voor elke leidingsectie de belasting. De binnenleiding wordt als dicht beschouwd als na een drukstoot van 100 kPa (1 bar) bij een beproevingsdruk van 10 kPa (100 mbar) boven de werkdruk vijf minuten lang geen zichtbare . Het toegestane drukverlies voor binnenleidingen met een leveringsdruk van ten hoogste 30 mbar bedraagt in het algemeen maximaal 1. Als de gasleidingen gereed zijn moeten ze. voor ze in gebruik genomen worden. waarbij rekening wordt gehouden met de belastingsfactoren. Vervolgens wordt voor de langste sectiereeks het toelaatbare drukverlies per meter lengte bepaald. Dit drukverlies mag optreden bij de overeenkomstig de gelijktijdigheidfactoren vastgestelde belasting.0 1.26 in het algemeen een goede benadering. Bij gasinstallaties in bedrijven is overleg met de gebruiker van deze installatie gewenst.7 mbar te delen door de lengte van de langste sectiereeks in meters.26 Gelijktijdigheidsfactoren bij gasverbruikstoestellen en woningen De gelijktijdigheidfactoren moeten zo goed mogelijk worden gekozen. Bij gasinstallaties in woningen geven de richtlijnen van figuur 14. Met de vastgelegde belasting en het toelaatbare drukverval kan met behulp van figuur 14. omdat de branders zelden gelijktijdig op volle belasting worden gebruikt.6.7 mbar. zijnde het drukverschil tussen de leveringsdruk en de druk bij elk aansluitpunt.25 Nominale belastingen verbruikstoestellen Gasverbruikstoestellen Gasfornuizen Verwarmingstoestellen geisers en boilers Woningen Voor een leidingsectie die twee of minder gasverbruikstoestellen voedt Voor een leidingsectie die drie of meer gasverbruikstoestellen voedt Gelijktijdigheidsfactor 0.15 · V In afwijking hiervan mag men.138 Verbruikstoestel Komfoor per kookbrander Bak. uitgewerkt volgens de grafiekmethode.27-2 de middellijn van de pijp worden bepaald.6 Gereedmelding en beproeving Ten minste drie volle werkdagen voor het gereedkomen van een installatie moet de installateur het gasbedrijf hiervan in kennis stellen door middel van een gereedmeldingskaart. voor de berekening de belasting stellen op 10 kW Figuur 14.7 1. 14. door het zogenaamde toelaatbare drukverschil 1. eerst op dichtheid worden onderzocht. Berekening volgens grafiekmethode Figuur 14.0 0.27 laat een berekeningsvoorbeeld zien van een binnenleiding met een leveringsdruk van ten hoogste 30 mbar.en braadoven Fornuis Waskomfoor Badgeiser Keukengeiser Kachel voor vertrek met inhoud van V m3 1 Nominale belasting in kW 3 4 14 1 6 34 13 0.

08 0.30 (21 . omdat de drukstoot de toestellen kan beschadigen.5 10 b (10 kW) e 1.27 Berekeningsvoorbeeld volgens grafiekmethode drukdaling optreedt.6) 200 belasting in kW stalen draadpijp volgens NEN 3257.06 2" ( 41 . maar is een onderdeel van de gasinstallatie. Het afvoerkanaal voor de verbrandingsgassen maakt bouwkundig deel uit van het gebouw.60 0.03 0. Deze beproeving moet gebeuren met lucht of stikstof.70 0.5) 0.6) 10 ) 13 ) (16 ) 20 ) 0.2) 12 ( 15 ( 22 ( 28 ( 3 /8" 1 /2" 3 /4" 25 . 14.5 a 3. De beproeving van de binnenleiding vindt meestal plaats zonder dat er toestellen zijn aangesloten.40 (12 .05 0.8 (26 .25 CV (40 kW) c d W G 1 1 leidingschema 1. dan kan deze controle in principe niet meer plaatsvinden.00 0.02 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 20 30 40 50 60 70 80 100 1 1/ 0. Deze controle vindt dus plaats direct nadat de leiding is aangebracht. middel koperen pijp volgens NEN 2200: voor stalen precisiepijp en kunststofpijp kan worden geïnterpoleerd achter de nominale middellijn is tussen haakjes de inwendige middellijn vermeld 2 verband tussen drukverval en belasting voor pijpen en binnenleidingen Figuur 14. Zijn er toestellen aangesloten.50 0.10 0. De beproeving moet plaatsvinden nadat de gasinstallatie met gas met de normale werkdruk is gevuld.90 0.07 31 . De afvoerleiding maakt geen deel uit van het gebouw.8) (35 0.9) 1" (27 .20 drukverval in mbar/m 1 1/ 4" 0.7 Gasverbruikstoestellen en afvoer verbrandingsgassen In het algemeen moeten gasverbruikstoestellen worden aangesloten op een deugdelijk(e) afvoerkanaal of -leiding. Bij het ontbreken van een bouwkundig afvoerkanaal kan de afvoer- .80 0.04 0. Een gasverbruikstoestel kan hierop direct of met behulp van een korte afvoerleiding worden aangesloten.6) .09 0. Tijdens de meting moeten alle aansluitkranen zijn geopend en alle toestelkranen gesloten.14 GASINSTALLATIES F (14 kW) 139 f 4.

Toestellen die zijn voorzien van een uitlaatstomp moeten steeds op een afvoer voor verbrandingsgassen worden aangesloten.29 Valwindafleider/trekonderbreker . De bovengenoemde punten staan uitvoerig beschreven in NEN 1087.140 Gasverbruikstoestel Kooktoestellen. figuur 14. ovens en koelkasten voor huishoudelijk gebruik Geisers met een nominale belasting van ten hoogste 13 kW. bijkeuken of bergruimte en voorzien van een atmosfeerbeveiliging die zich bevindt op een hoogte van ten minste 1. (Plaatsing van open gastoestellen zonder vaste afvoer is vanzelfsprekend verboden. • er wordt rekening gehouden met aanwezige ventilatietoestellen (afzuiging). Via de valwindafleider wordt de stroming afgeleid naar de ruimte. Een aantal toestellen hoeft niet op een afvoerleiding te worden aangesloten.7. tussen de douche. in voorgaande situaties worden geplaatst. Gezien het aantal gasongevallen in badruimten waarin gasverbruikstoestellen waren opgesteld. is bepaald dat er geen open gastoestellen met een vaste afvoerleiding mogen worden opgesteld in badruimten. waskomforen. verplaatsbare handgereedschappen.28 Gasverbruikstoestellen zonder afvoerleiding • • leiding ook naar buiten worden gevoerd.of badruimte en de geiser mag geen directe verbinding bestaan. 14. veelal voorzien van een afvoerkap. waarbij de uitmonding in de buitenlucht.20 m boven de vloer. ◆ geforceerde trek (bijvoorbeeld ventilator). mits geplaatst in een keuken. vervangingsluchtverwarmers en hete luchtkanonnen Figuur 14. mits voldaan is aan de volgende punten: • inhoud ruimte voldoende groot. • opstellingsruimte voorzien van bepaalde ventilatieopeningen. dit houdt in dat zij gescheiden zijn door ten minste twee deuren. Zij moeten zijn voorzien van een valwindafleider.1 lndeling toestellen afhankelijk van afvoer verbrandingsgassen Ten aanzien van toestellen waarvoor een afvoer van verbrandingsgassen noodzakelijk is. zoals stralingstoestellen (mits geplaatst in niet voor bewoning bestemde ruimten).29. afhankelijk van de uitvoering. Een trekonderbreker. zorgt ervoor dat een 1 valwindafleider/ trekonderbreker 2 verbeterde Nelsonkap (met Giveg-keur) Figuur 14. Ook in een bij de woning horende garage is een toestel met afvoerleiding niet toegestaan. maar het douchen of baden dient elders plaats te vinden. Rekening houdend met het voorgaande hoeft er geen afvoerleiding te worden aangebracht bij de in figuur 14. Gesloten gasverbruikstoestellen mogen soms. Deze geisers mogen water leveren voor douchegebruik. plaatsvindt. Een valwindafleider heeft als doel te voorkomen dat de vlammen in het toestel doven bij windinslag in het afvoerkanaal. ◆ Toestellen werkend op natuurlijke trek Deze toestellen zijn voorzien van een afvoerleiding bedoeld voor de thermische afvoer van de verbrandingsgassen. kunnen worden onderscheiden toestellen die werken op: ◆ natuurlijke trek.) Voor nieuwe installaties moet er dus elders een voorziening zijn aangebracht.29.28 genoemde toestellen. • Verbruikstoestellen opgesteld in sterk geventileerde bedrijfsruimten • Verbruikstoestellen die bezwaarlijk op een afvoer kunnen worden aangesloten. figuur 14.

7. op een andere manier buiten het toestel worden afgevoerd.8 Opstellingsruimten in woningen Voor cv-ketels en warmwaterinstallaties moet in woningen een speciale opstellingsruimte aanwezig zijn. ook de maximale maat. of naar buiten lekken via naden of verbindingen. zoals het kanaal voorzien van een voering. Als in het ontwerpstadium bekend is welk systeem en fabrikaat verwarming en warmwatervoorziening wordt toegepast. In voorkomende situaties kunnen op een eenvoudige manier problemen worden voorkomen. of als het toestel hiervoor niet geschikt is (bijvoorbeeld kans op corrosie).30 Doortocht afvoerkanalen NPR 3378-4211 te grote onderdruk in het afvoerkanaal zich niet voortplant in het toestel. 14. wordt er veelal een speciale pijp met een kunststofmanchet toegepast. Met de tabel in figuur 14. vooral ten aanzien van uitzetting en krimp door temperatuurwisselingen. ◆ Toestellen werkend op geforceerde trek Bij deze toestellen wordt vrijwel nooit een valwindafleider toegepast. Volgens NEN 3028 aangewezen in de Aansluitvoorwaarden gas van de energiedistribu- . Deze leiding moet van kunststof zijn met een binnendiameter van ten minste 25 mm. de voering aantasten. Het hierin gevormde condenswater mag niet blijven staan.30 niet alleen aangegeven hoe groot de minimummaat is voor een afvoerkanaal. Een en ander wordt aangegeven in het installatievoorschrift van het desbetreffende toestel. Bij toestellen met een schoorsteenverlies kleiner dan 17 procent is altijd condensvorming te verwachten. moet in het ontwerpstadium bekend zijn welke ruimte hiervoor wordt gereserveerd. Om te voorkomen dat een verwarmingsen warmwaterinstallatie niet of nauwelijks in een opstellingsruimte is te plaatsen. 14. Ten slotte moet de ruimte tussen voering en binnenzijde van het kanaal bij de uitmonding regendicht zijn afgesloten. omdat met een ventilator een constante stroom verbrandingsgassen wordt afgevoerd. kan de benodigde ruimte voor de installatie worden bepaald aan de hand van de door de fabrikant verstrekte gegevens. Omdat er geen lekkage mag optreden.2 Doortocht afvoerkanalen Afhankelijk van de branderbelasting is in figuur 14.30 is veelal aan te geven op welke manier een verbetering kan worden bereikt. Daarom moeten bij de aansluiting op een (bouwkundig) afvoerkanaal maatregelen zijn getroffen. Een voering moet mechanisch voldoende sterk en stabiel zijn. De afvoerleiding op de riolering voor condenswater moet voorzien zijn van een opvangtrechter en stankafsluiter en worden aangesloten op de binnenriolering overeenkomstig NEN 3287. maar moet naar het toestel terugstromen. maar om slecht functioneren te voorkomen. Extra lucht wordt uit de ruimte via de trekonderbreker in het afvoerkanaal toegevoerd.14 GASINSTALLATIES 141 Som nominale belastingen aangesloten toestellen Minimumdoortocht bij cirkelvormige doorsnede 2 Middellijn Doortocht 125 mm 130 mm 150 mm 180 mm 200 mm 150 cm2 160 cm2 200 cm2 300 cm2 380 cm2 Maximumdoortocht bij cirkelvormige doorsnede 2 Middellijn Doortocht 180 mm 200 mm 240 mm 270 mm 300 mm 300 cm2 380 cm2 480 cm2 625 cm2 765 cm2 0 40 61 87 19 1 2 – 40 kW – 61 kW – 87 kW – 119 kW – 130 kW schoorsteenverlies van het toestel meer dan 17% bij een gladde wand Figuur 14.

31-3. • gasboiler. NEN 3028 en het installatievoorschrift van de leverancier. In figuur 14. dat aan de eisen van doelmatigheid ten aanzien van montage.1 Afmetingen opstellingsruimten Hier wordt een overzicht gegeven van de minimaal benodigde afmetingen van opstellingsruimten voor de diverse systemen. Bij cv-ketels moet wat betreft bediening en onderhoud worden gelet op de mogelijkheid van het uitnemen van het volledige gasgedeelte en het schoonmaken van de warmtewisselaar. Bij deze laatste groep kan worden volstaan met een kleinere doorlaat van de verbrandingsgasafvoerleiding of kan een gecombineerd systeem worden toegepast.50 m lengte wordt gemonteerd. Er moet ruimte zijn voor zowel de verbrandingsgasafvoer.31-2. 14. Aan de bedieningszijde van het toestel moet ten minste 1 m beschikbaar zijn voor . figuur 14.32-2. • cv-ketel of luchtverwarmer en gasboiler naast elkaar.32-1.142 tiebedrijven moeten de afmetingen van de opstellingsruimte zodanig zijn. Bovendien blijft er voldoende ruimte over voor bediening en onderhoud. Het betreft hier gastoestellen die zijn aangesloten op een afvoerkanaal respectievelijk afvoerleiding waarbij de lucht voor de verbranding langs natuurlijke weg naar de opstellingsruimte en het toestel wordt toegevoerd. • cv-ketel of luchtverwarmer.31-4.80 m zijn. De hoogte van een opstellingsruimte moet ten minste 1. In de tekeningen zijn de toestellen zo geplaatst. dat de bedieningszijde van het toestel is gericht naar de toegangszijde van de ruimte. • cv-ketel met aparte indirecte boiler. bediening en onderhoud van de gasverbruikstoestellen kan worden voldaan. Tevens moet op de leidingloop voor de luchttoevoer worden gelet.31-1. zodat in veruit de meeste gevallen een ruimte kan worden ontworpen waarin de installateur zonder problemen een installatie kan plaatsen.en verbrandingslucht. Bij de opstelling van een HR-ketel of warmwatertoestel die/dat tevens is voorzien van een inlaatcombinatie moet ook een ‘open’ aansluiting op het riool zijn gemaakt. Deze is nodig voor de afvoer van water uit de inlaatcombinatie en het gevormde condensaat uit toestel en afvoerleiding. De hoogte van de opstellingsruimte en de plaats van het afvoerkanaal moeten zodanig zijn. figuur 14. figuur 14.32 zijn de volgende systemen getekend: • gaswandketel met of zonder warmwatervoorziening. • cv-ketel of luchtverwarmer en geiser naast elkaar.31-1. Verder heeft men aangenomen dat bij gebruik van een gasboiler deze een inhoud van maximaal 115 l heeft en dat de indirecte boiler een inhoud van 80 l heeft. De uitvoering van de opstellingsruimte en de montage van de installatie moeten gebeuren volgens NEN 1078. figuur 14. figuur 14.en luchtafvoervoorzieningen voor ventilatie. daar voor het overwinnen van de weerstand van de trekonderbreker in veel gevallen achter de trekonderbreker een verticale pijp van ten minste 0. zoals expansievat en veiligheidsklep. als voor het aanbrengen van appendages. • cv-ketel met aangebouwde indirecte boiler. Rond het toestel moet naar alle wanden een ruimte van 10 cm beschikbaar zijn (behalve aan de ophangzijde bij wandmontage). Bij mechanisch geventileerde woningen moeten gesloten gastoestellen worden geplaatst die de verbrandingslucht rechtstreeks van buiten krijgen toegevoerd. Bij de keuze van de toestellen is ervan uitgegaan dat er in het algemeen een cv-ketel wordt toegepast met een nominale belasting kleiner dan 30 kW (bovenwaarde). figuur 14. Van deze apparaten zijn de meest gangbare afmetingen gehanteerd.8. figuur 14.31 en 14. dat een afvoersysteem kan worden gemaakt waarin voldoende transport voor het afvoeren van de verbrandingsgassen is gewaarborgd. Ook voor die toestellen is de voorgestelde ruimte veelal voldoende. Op deze manier is er ruimte beschikbaar voor montage en onderhoud.32-3. Bij installaties met een haakse afvoerconstructie is dikwijls een grotere hoogte vereist. figuur 14. De toegangszijde (al dan niet voorzien van een toegangsdeur) is aangegeven door een dunne lijn. de luchttoevoer.

De hoogte van 1800 mm is nodig om een toestel met opgebouwde . Zo is niet ieder toestel geschikt om nabij of op de grond geplaatst te worden respectievelijk bij het plafond. Bij de gasboiler is boven de romp van het toestel een ruimte van 800 en 750 mm aangehouden om de anode te kunnen verwijderen. Bij de cv-ketel is achter en aan een zijde naast het toestel 300 mm ruimte aangehouden om achter het toestel werkzaamheden te kunnen verrichten.14 GASINSTALLATIES 143 staand model A A hangend model 800 H H H A A 500 300 100 B 100 100 D 150 150 B doorsnede A – A D 150 150 doorsnede A – A 1 gaswandketel met of zonder warmwatervoorziening 2 gasboiler A A H 500 A A H 100 B 300 100 D 300 H 100 B 300 100 D 300 750 300 doorsnede A – A doorsnede A – A 3 CV-ketel of luchtverwarmer 4 CV-ketel met aangebouwde indirecte boiler Figuur 14. afhankelijk van het feit of het een staand of een hangend model betreft.31 Minimumafmetingen opstellingsruimten I onderhoud en bediening. Afhankelijk van de constructie van het toestel stelt de leverancier nadere eisen betreffende de afmetingen van de ruimte. of geheel tegen een zijmuur.

H 100 300 B 100 D 600 150 doorsnede A – A 3 CV-ketel of luchtverwarmer en gasboiler naast elkaar 14.9 Luchttoevoer.32-3 (cv-ketel met gasboiler) is gebaseerd op een ruimte voorzien van een deur.32-3. waardoor men vrij is in de keuze van het toestel. . waardoor 600 mm werkruimte voor de boiler beschikbaar moet zijn. figuur 14. is lucht nodig die van buiten moet worden aangevoerd. Als de getoonde afmetingen niet beschikbaar zijn.32 Minimumafmetingen opstellingsruimten II trekonderbreker te kunnen monteren.en luchtafvoeropeningen Voor de verbranding van het gas en de ventilatie van de ruimte waarin een gasverbruikstoestel staat opgesteld. Figuur 14. ook via een aangrenzende ruimte. mits daarin luchttoevoeropeningen zijn aangebracht.144 A A A A H 600 B 100 100 D 300 H 600 B 100 100 D 300 1 doorsnede A – A CV-ketel met aparte indirecte boiler 2 doorsnede A – A CV-ketel of luchtverwarmer en geiser naast elkaar A A Als in het ontwerpstadium nog niet bekend is welk systeem van verwarming en warmwatervoorziening wordt toegepast. dus te rekenen met een installatie bestaande uit verwarmingstoestel en gasboiler naast elkaar. is het aan te bevelen de grootste maten aan te houden. Dit mag behalve door een rooster respectievelijk een kanaal of koker. Hiervan zijn naderhand de monteurs en de gebruiker de dupe. In dit geval echter worden dikwijls te grote concessies gedaan ten koste van een verantwoorde montage en de gelegenheid tot bediening en onderhoud. zodat Figuur 14. vervalt de vrijheid van keuze en moet men nagaan welk toestel nog kan worden geplaatst.

Het hoogteverschil tussen de luchttoevoeropening en de uitlaat van een luchtafvoeropening moet altijd ten minste 1. 14. Voor de inhoud V mag het volume V1 en V 2 worden opgeteld. mag er een kleinere diameter worden toegepast.34 zijn de afmetingen van de luchttoevoer. Soms moet men drukvereffeningsopeningen (luchttoevoeropeningen naar buiten) aanbrengen om een onderdruk in de opstellingsruimte te voorkomen. worden aangesloten op het systeem van de mechanische luchtafvoer. zonder eigen ventilator. Men moet zich aan het installatievoorschrift van de fabrikant houden. figuur 14. Het combineren van een afvoerleiding van een ventilatietoestel met een verbrandingsgasafvoer.33 Ventilatie opstellingsruimte in die ruimte de lucht rechtstreeks van buiten kan toestromen. Voor toestellen met een eigen ventilator geldt dit in principe ook.7 m t1 ≥1 m 2 luchttoevoer t1 t2 luchttoevoer t1 = 2+ 2 1 bijgeschakelde ruimte 2 invloed van luchtopeningen Figuur 14. dan moeten de gasverbruikstoestellen met afvoerstomp. De ventilatieluchtafvoeropening moet hoog zijn aangebracht. is uiteraard verboden.33-1. figuur 14. Speciaal moet men erop letten dat bij het in werking zijn van het ventilatietoestel geen terugstromen of stagneren in de afvoer van de verbrandingsgassen optreedt. kan afhankelijk van de opvoerhoogte eveneens een kleinere diameter .en luchtafvoeropeningen gegeven. De minimuminhoud van een opstellingsruimte en de afmetingen van de vereiste luchttoevoeren luchtafvoeropeningen zijn onder meer afhankelijk van de nominale belasting van het toestel en de wijze van ventilatie van de ruimte.7 m 2 1 a1 luchttoevoer ≥ 1.33-1. mag het in werking stellen hiervan geen invloed hebben op het goed functioneren van de gasinstallatie.14 GASINSTALLATIES 145 luchtafvoer luchtafvoer luchtafvoer a1 a1 ≥ 1. maar voor toestelklasse C wordt een uitzondering gemaakt. Onder bepaalde omstandigheden kan dit leiden tot een aanzienlijke diameterverkleining (circa 20 procent). Als nominaal af te zuigen hoeveelheid lucht moet per kW branderbelasting ten minste 4 m3/h worden aangehouden. zodat overdruk in het systeem kan optreden.332. daar deze eventueel met een afzonderlijk afvoersysteem mag functioneren. Als de leiding een thermische trekhoogte heeft van meer dan 3 m. figuur 14. Ook is het niet toegestaan om de afvoerleiding van een open gasverbruikstoestel met ventilator te combineren met een op thermische trek werkend afvoersysteem. Als er in de woning een toestel voor mechanische ventilatie is aangebracht. Voor beide openingen geldt dat zij niet afsluitbaar mogen zijn.10 Afvoerleidingen Afvoerleidingen moeten in principe dezelfde diameter hebben als de uitlaatstomp van het toestel. In figuur 14. mits At2 een doortocht heeft van ten minste 1 m2. Dit gebeurt veelal binnen het gasverbruikstoestel zelf of centraal voor het hele systeem. Het goed functioneren van het transportsysteem moet altijd worden bewaakt.70 m zijn. Wordt in een gebouw langs natuurlijke of mechanische weg lucht ingevoerd en langs mechanische weg lucht afgezogen. Bij open gasverbruikstoestellen waarin een ventilator is toegepast.

5 mbar klasse B en voor meer dan 0.50 m verticaal zijn. dan moet het eerste gedeelte boven de valwindafleider/trekonderbreker ten minste 0. voor een tegendruk van 0. Hiertoe is in de keuringseisen een klasse-indeling gemaakt. Figuur 14. dan is een extra luchttoevoeropening veelal noodzakelijk. 3 Zijn zowel toestellen met en zonder uitlaatstomp opgesteld. omdat deze onafhankelijk van de omstandigheden in de woning kan functioneren.en/of luchtafvoeropeningen afhankelijk van de uitvoering komen te vervallen. Afhankelijk van de uitvoering van de installatie dient een luchtafvoeropening van 5 × B te worden aangebracht. teneinde de afvoer van verbrandingsgassen te waarborgen. In figuur 14.34 Afmetingen luchttoevoer.5 t1 + 5 ≤ 1.2 tot 0. zoals bepaalde typen keukengeisers. Bij een 8 7 t3 6 t1 1 z z + + 6+ 1 3 3 ≤ 1. Bevindt de aansluiting zich aan de bovenzijde van het toestel.5 2 4 t2 4 5 2 t2 t3 Figuur 14. Dit komt ook terug in NPR 3378-42 en NPR 3378-61. Omdat uitsluitend in het verticale deel thermische trek kan worden opgebouwd. mag het horizontale deel niet te lang zijn. Bij woningen met een bewaakt mechanisch ventilatiesysteem. dan dient de grootste vereiste opening te worden aangehouden. moet er ten minste een verticale lengte van 3 m worden aangehouden.2 maal de nominale belasting (B) een luchttoevoeropening van 5 × B (cm2) naar buiten te zijn aangebracht. altijd een luchttoevoer. zoals energiezuinige woningen.2 maal de nominale belasting (B) een luchttoevoeropening van 5 × B (cm2) van buiten te zijn aangebracht.146 Zonder mechanische ventilatie 1 Bij toestellen zonder uitlaatstomp (afvoerloos). mits de ruimteinhoud ten minste 10 m3 is.35 wordt een en ander aangegeven.36.5 7 + 8 ≤ 1.36 Lengte/trekhoogteverhouding afvoerleidingen horizontale uitlaatstomp waarop direct een bocht wordt gemonteerd. In de toekomst zal daarom steeds vaker de voorkeur worden gegeven aan een gastoestel met gesloten verbrandingsruimte. Hiervoor is in NEN 2920 de eis gesteld dat de lengte van het afvoersysteem altijd kleiner moet zijn dan 1. zie ook NPR 3378-42. figuur 14. De diameter is afhankelijk van de klasse en de maximumlengte van het afvoersysteem. Voor toestellen die een tegendruk kunnen overwinnen van 0 tot 0. 2 Bij toestellen aangesloten op een afvoersysteem dient afhankelijk van de inhoud van de ruimte in m3 bij: – minder dan 0. Bevindt de uitmonding zich nabij de . dient.5 mbar klasse C.5 maal de thermische hoogte. Met mechanische ventilatie 4 Is er ook een ventilatietoestel. – groter dan 0.en luchtafvoeropeningen worden gekozen. kan de eis tot het aanbrengen van opzettelijke luchttoevoer.en luchtafvoeropening van ten minste 120 cm2 aanwezig te zijn.2 mbar geldt een klasse A. dan moet de opening in deze tussenwand 10 × B zijn. Wordt via een aangrenzende ruimte geventileerd.

De onderlinge afstand van de .42. Opgemerkt wordt dat dit bij oliegestookte toestellen juist andersom is.1b of 13. • afvoerleidingen die langs wanden.46. 2 IV1.3. 2 Deze uitmonding is niet toegestaan in het kustgebied. • bevestiging van de afvoerleiding moet met afstandbeugels of ten minste gelijkwaardig materiaal plaatsvinden. moeten bij enkelvoudige uitvoering ten minste 50 mm en bij dubbelwandige uitvoering ten minste 25 mm hiervan verwijderd zijn. gevel. 5 Bij een blokkenvuurtoestel (type H) moet worden gerekend met een denkbeeldige belasting gelijk aan driemaal de nominale belasting van het blokkenvuurtoestel. 3 Weerstandslengte in m boven tot en met I II 0 – 2 kW 50 50 50 70 40 40 60 60 50 60 80 40 40 60 2 – 5 kW 70 60 70 90 50 60 70 5 – 11 kW 80 70 80 100 60 60 80 11 – 15 kW 90 80 90 110 70 70 90 15 – 22 kW 100 90 100 120 70 80 100 ≤ 10 4 22 – 30 kW 30 – 40 kW 110 100 110 130 80 90 110 130 130 130 150 100 110 160 40 – 61 kW 150 150 150 180 110 130 150 61 – 87 kW 180 180 180 200 130 150 180 87 – 119 kW 200 180 200 ≥220 150 180 200 119 – 130 kW 1 De luchttoevoer moet plaatsvinden vanuit hetzelfde drukgebied als waarin zich de uitmonding van de afvoerleiding bevindt. dan mag de afvoerleiding direct na de trekonderbreker van het toestel schuin weglopen onder een hoek van maximaal 45° met de verticaal. moet de minimale doortocht voldoen aan de maten die voor de eerstvolgende grotere belastingklasse zijn aangegeven. • aansluiting op afvoerkanaal (bouwkundig) moet zijn uitgevoerd met een nisbus volgens NEN 1778. Als de aldus gevonden lengte meer is dan 10 m.14 GASINSTALLATIES 147 Nominale belasting aangesloten toestel 5 mmmmmUitmondingsgebied 6 mmNominale binnenmiddellijn in mm Klasse A Klasse B I II III1. vloer of dakbeschot worden gevoerd.3.10.1b Gavo van toepassing is. 3 Als 13.1 Tracé afvoerleidingen Ten aanzien van (verbrandingsgas)afvoerleidingen geldt het volgende: • pijpen van een afvoerleiding moeten over voldoende lengte in elkaar zijn geschoven en wel zodanig dat beginnend bij het gasverbruikstoestel iedere pijp in de voorgaande wordt geschoven. plafond. • als er afvoerleidingen door een wand. muren of plafonds lopen. 2 I II Klasse C III1. • niet-verticale gedeelten van de afvoerleiding moeten met een afschot van ten minste 5 mm per m worden gelegd. Voor een haakse afvoeraansluiting geldt een weerstandlengte van 1. moet de minimale doortocht voldoen aan de maten die voor de eerstvolgende grotere belastingklasse zijn aangegeven.35 Minimale doortocht afvoerleidingen (NEN 2920 tabel 25) Zie ook documentatie toestelfabrikant nok van het dak en wordt de ketel op de zolder geplaatst.4. 3 IV 1. Verder moeten in niet- verticale gedeelten van de afvoerleiding de eventuele langsverbindingsnaden in de pijpen aan de bovenzijde liggen. 6 Zie figuur 14.5 m. figuur 14.5 m. Figuur 14. 14.2. moeten er maatregelen zijn genomen voor warmte-isolatie en brandwerendheid. 4 Bij de bepaling van de weerstandlengte van een afvoerleiding geldt voor de pijp de werkelijke lengte en voor een bocht van 90° respectievelijk 45° de weerstandslengte van 1 m respectievelijk 0.

5 (EN AW 1050) AL 99.3 – x – – – x – – – x – – – x – x ≥ 0.37 Afvoerleidingen (NEN 2920 tabel 8 en 23) Aluminium pijpen en hulpstukken volgens • NEN 7203 • NEN 7207 buigbare pijp volgens NEN 7204 1 AL 99. 5 (EN AW 6063) ≥ 1.43 4 Maximumlengte 1 m Volgens NEN-EN 10088-2 is: AlSI 316 L (Mo < 2.148 Materiaalsoort Wanddikte in mm Tot 17% Vanaf 17% Schoorsteenverlies Tot 17% Vanaf 17% Tot 17% Vanaf 17% In het zicht Weggewerkt bereikbaar Weggewerkt onbereikbaar Voering in afvoerkanalen OV – – – x x x x x x x x x x x x x x x – – x x – – – – x x – – – – – x x x – – – – – – – – – x x – – – – – – – – – – – – – ON OV ON Druk in de afvoerleiding OV ON OV ON OV ON OV ON NEN 7203 NEN 7207 NEN 7204 – – – – x ≥ 0.4471 Als er geen lasbewerkingen zijn toegestaan Uitsluitend in combinatie met daarvoor geschikte HR-toestellen . 1.4439 AlSI 316 Ti vergelijkbaar met X 6CrNiMoTi 17 12 2 nr. 1.7 Figuur 14.5 Kunststofuitvoering met staal Corrosie.3 ≥ 0.en weervast of doeltreffend beschermd 2 corrosievast AISI 316 3 corrosievast AISI 316 L corrosievast AISI 316 Ti – x x – – – – – – – – x x x x x x x x x x x x x x x – – – – x – – x x – ≥ 0.5%) vergelijkbaar met X 2CrNiMo 17 13 3 nr.1 Gaskeur 4 Gaskeur 1 2 3 x toegestaan – niet toegestaan OV overdruk in de afvoerleiding ON onderdruk in de afvoerleiding (treedt alleen op als een toestel zonder ingebouwde ventilator op de afvoerleiding wordt afgesloten).5/ALMg2–3/ ALMgSiO. waarbij uitmonding plaatsvindt in gebied I.4429 AlSI 316 L (Mo ≥ 2.5%) vergelijkbaar met X 2CrNiMo 17 13 2 nr. figuur 14. 1.

Er moet voor het gevormde condenswater een opvanginrichting zijn aangebracht.à driemaal de doortocht van het afvoersysteem aangehouden. Deze combinatie van toestel en afvoersysteem wordt in zijn geheel gekeurd en er wordt nagegaan of het hele systeem veilig kan functioneren. figuur 14. Nabij bochten.2 Materiaal afvoerleidingen Als materiaal voor de afvoerleiding mogen er diverse materialen worden gebruikt. De luchttoevoer kan concentrisch of parallel worden uitgevoerd. concentrisch 2. 14. Afmetingen CLV-systeem Voor toepassing is in de voorschriften een tabel opgenomen waarbij de minimale doortocht van een afvoersysteem bij steenachtige en metalen constructie is vermeld.1 Afvoerleidingen en luchttoevoerleiding voor hoogbouw In het bijzonder bij hoogbouw wordt er gezocht naar systemen waarbij de installatie onafhankelijk van het binnenmilieu kan werken. Opmerking Voor toestellen zonder ventilator moet de leiding voor de luchttoevoer in de nabijheid (hetzelfde drukgebied) zijn aangebracht als de verbrandingsgasafvoer.40-3 en 14. Wel moeten er maatregelen zijn genomen als er extra corrosie of beschadiging is te verwachten.40. of. bereikbaar moet zijn via een luik van 50 × 50 cm.of kunststofmanchet respectievelijk met kit dichtgemaakt.37 maakt men onderscheid of de leidingen in het zicht blijven. Afvoerleiding en hulpstukken moeten voldoen aan de hiervoor gestelde keuringseisen. Het condenswater moet worden afgevoerd op de riolering. afhankelijk van de toegepaste leidingdiameter en het leidingtracé (zoals aantal bochten). 14.11 Gesloten toestellen Bij deze groep toestellen wordt de lucht die nodig is voor de verbranding via een luchttoevoerpijp van buiten in de verbrandingsruimte van het toestel gebracht. maar blijkt bij afvoer door de gevel soms hinder te geven. met een rubber. Toestellen die hierbij worden toegepast. afhankelijk van de constructie. Het gesloten toestel is veelal een goede oplossing.38 geeft voorbeelden van de constructie voor een gesloten toestel. aftakkingen en roetzakpijpen moeten extra maatregelen zijn genomen. De werking van de toestellen wordt niet beïnvloed door de (mechanische) ventilatie van de woning. In voorkomende situaties is het zinvol de diverse fabrikaten te vergelijken. Verder uit elkaar.14 GASINSTALLATIES 149 beugels mag ten hoogste 2 m zijn. Bij toepassing van een parallelsysteem wordt dan twee. Omdat er geen lekkage van verbrandingsgassen mag optreden. Er worden ook gesloten gasverbruikstoestellen in de handel gebracht waarbij het mogelijk is. Als mogelijkheid blijft over de lucht van en de verbrandingsgassen naar het dak te transporteren.37. figuur 14. maar in hetzelfde dakvlak of dezelfde gevel is uitsluitend toegestaan voor toestellen met een ventilator. Andere constructies zijn voor gesloten systemen (nog) niet toegestaan. Vandaar dat ook het schoorsteenverlies in de tabel is verwerkt. moeten met een (eigen) ventilator zijn uitgerust. Het toestel kan daardoor in een open opstellingsruimte worden geplaatst. De binnendiameter van het toevoersysteem moet. die als het CLV-systeem ommetseld is.10. In de tabel van figuur 14. wordt de leiding veelal afgeplakt met speciale tape.41. figuur 14. Kierdichte woningen zijn er de oorzaak van dat gesloten toestellen vaker worden toegepast dan vroeger. afstanden van 10 m of zelfs meer te overbruggen. bereikbaar worden weggewerkt dan wel onbereikbaar worden weggewerkt. als de temperatuur niet zo hoog wordt.5Av ≤ At ≤ 3.5Av maal de doortocht van de afvoerleiding zijn. 14. figuur 14. Onder de naam CLV-systemen is de afgelopen jaren een afvoersysteem ontstaan waarbij een combinatie van luchttoevoer en verbrandingsafvoer is gemaakt. Figuur 14.40-4. Ook de kans dat condenswater kan worden gevormd bepaalt de keuze van het materiaal. .11.

v.p. 1600 > 500 = 3 dakdoorvoer plat dak gesloten toestel 2 dakdoorvoer hellend dak Figuur 14.150 max. 1500 doorvoerpijp pijp met korf luchtinlaat 105 verbrandingsgasafvoer dakdoorvoerpan set afdichtingsplaten t. dakbeschot pijpbeugel geplooide bocht 90° gedeelde bocht 90° gasgestookte CV-ketel 1 horizontale dakdoorvoer > 500 = max.38 Opstelling gesloten gasverbruikstoestel met dakdoorvoer .

Steeds onderscheidt men boven het dak diverse gebieden. blijken door de constructie van de toestellen ook andere oplossingen goed mogelijk.42.43 en 14. In NPR 3378-61 staat dit uitvoerig aangegeven. Afvoerkap niet noodzakelijk bij mechanische afvoer voor toestellen met toestelklasse B en C. toestelklasse B of C. zie paragraaf 14.39 Meest voorkomende opstellingsituaties bij gesloten gasverbruikstoestellen 14. Het schuine begrenzingvlak tussen gebied I en III kan worden berekend met de volgende formule: h = (0. 4 Gebied IV Uitsluitend uitmonding voor mechanische afvoer. Het betreft hier veelal open gasverbruikstoestellen die van een ventilator zijn voorzien.12 Plaats uitmondingen voor rookgasafvoersystemen 14. figuur 14. Een gedeelte wordt hierna verkort weergegeven. Voordat men met installeren begint. In het kustgebied alleen klasse C.16 × (α – 23)) × a .14 GASINSTALLATIES 151 Figuur 14. moet men eerst het installatievoorschrift van de toestelfabrikant raadplegen in verband met een wellicht gewijzigde regelgeving.1 Uitmondingen afvoersystemen voor open toestellen Hoewel de beste plaats voor een afvoer van verbrandingsgassen de nok van het dak is.44: 1 Gebied I Afvoerkap doorgaans niet nodig.5 + 0.10. 3 Gebied III Uitsluitend uitmonding voor mechanische afvoer. figuur 14. 2 Gebied II Afvoerkap vereist bij toestelklasse A. Het bepalen van de juiste plaats van de uitmonding van het afvoerkanaal of de afvoerleiding is niet zo eenvoudig. In het kustgebied.12. en de afvoer van verbrandingsgassen langs natuurlijke of mechanische weg. alleen klasse C. Veelal wordt toch een kap met Giveg-keur toegepast tegen het inregenen. toestelklasse B of C.

met minimum van h = 0.2 en 0. • B: tussen 0. De toestelklasse geeft aan welke tegendruk kan worden overwonnen met de ventilator: • A: tussen 0. dan verandert alleen gebied I in II.40 Gecombineerde luchttoevoer. Hinder belendende bebouwing Bij hogere belendende gebouwen geldt het uitmondinggebied dat de grootste belemmering geeft. • C: meer dan 1 mbar. figuur 14. figuur 14. (III blijft gelijk). Toestellen uitgerust met een ventilator zijn in staat grotere weerstanden in de verbrandingsgasafvoerleiding en het uitmondinggebied te overbruggen.0 mbar.5 m. in graden.44-2.152 regenscherm isolatie vogelscherm afwateringsgaten rookgasafvoer luchttoevoer 1 dakdoorvoer systeem 1 2 rookgasafvoer centrale luchttoevoer eventuele ventilatieleiding dakdoorvoer systeem 2 ketel ketel condensatiewater condensatiewater 3 concentrische uitvoering 4 parallelle uitvoering Figuur 14. α = dakhelling. Toelichting Open gasverbruikstoestellen zijn toestellen die de lucht voor de verbranding uit de opstellingsruimte betrekken. .en rookgasafvoersystemen waarin: h = hoogte vlak ten opzichte van dakvlak in m. Is de afstand groter dan 15 m. a = horizontale afstand tussen hart uitmonding en nokrand in m.44-1.5 mbar.5 en 1. Bij een afstand kleiner dan 15 m verandert gebied I in III en gebied III in IV.

025 1.2 Uitmondingen afvoersystemen voor gesloten toestellen Uitmondingen en openingen voor luchttoevoer voor gesloten toestellen mogen horizontaal en verticaal worden aangebracht.14 GASINSTALLATIES 153 Aantal toestellen 1 Totale belasting (ow) in kW Niet-HR HR 45 68 90 113 135 158 180 203 225 248 270 293 315 338 360 383 405 428 450 473 495 518 540 563 585 608 630 653 675 Minimale doortocht afvoersysteem Av in cm2 Metaal 150 200 250 315 380 440 505 565 630 660 720 780 840 900 910 970 1.340 1.30 m boven het dakvlak of het maaiveld zijn aangebracht om dichtsneeuwen te voorkomen.390 1. dan hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden.490 1.50 m vanaf de dakrand zijn aangebracht.240 1. 2 Onderlinge afstand tussen de uitmonding van het ene toestel en de luchtinlaatopening van een ander toestel moet ten minste driemaal de nominale middellijn van de grootste afvoer bedragen. Wel moeten aan de uitvoeringsvorm en de plaats de volgende eisen worden gesteld: 1 Uitmondingen moeten ten minste 0.440 1.000 1.540 1.085 1.12.050 1. zoals een kerk.41 Minimale doortocht afvoersysteem (NPR 3378-40 tabel 1) Is de uitmonding in de buurt van een hoog slank gebouw.100 1.5 kW voor HRtoestellen Figuur 14.190 1.140 1.150 1. en is de afstand tot dit gebouw groter dan tweemaal de breedte van het gebouw. . 14.590 1.of vuurtoren.290 1.200 1.640 Steenachtig materiaal 150 200 250 350 450 550 650 700 750 800 850 900 950 1. 3 Uitmondingen in het dakvlak moeten ten minste 0.250 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 1 54 81 108 135 162 189 216 243 270 297 324 351 378 405 432 459 485 513 540 567 594 621 648 675 702 729 756 783 810 Nominale belasting per toestel mag niet meer bedragen dan 27 kW voor niet-HR-toestellen en 22.

en dergelijke.50 m uit de gevel steekt. . 7 Uitmondingen die op minder dan 2 m boven en horizontaal gemeten minder dan 0.154 N Kollum W O Leeuwarden Sneek Den Helder Lemmer Alkmaar Hoorn Haarlem Amsterdam Urk Lelystad Zandvoort Emmeloord Zwolle Assen Sauwerd Delfzijl Groningen Z kustgebied Noordwijk Katwijk 's-Gravenhage Voorburg Rijswijk Hoek van Holland binnenland Utrecht Arnhem Hellevoetsluis 's-Hertogenbosch Ooltgensplaat Middelburg Bergen op Zoom 0 50 km Maastricht Figuur 14. toilet of badruimte van een woning. c zich een deur of beweegbaar raam bevindt die/dat grenst aan een verblijfsgebied. Een en ander is in figuur 14.12. b er een verbrandingsluchttoevoervoorziening is aangebracht die door een verblijfsvoorziening leidt. als: a boven deze uitmonding een luchttoevoervoorziening is aangebracht voor een verblijfsgebied. dakoverstek of balkon. 14. die over ten minste de hele lengte van het gebied ten minste 0. tenzij de afvoerconstructie doorloopt tot ten minste de voorzijde van het overstekende deel. toilet of badruimte. De onder punt 5 genoemde voorwaarden gelden niet als er uit de gevel een belemmering steekt (bijvoorbeeld een stalen of metalen plaat). 5 Er mogen geen uitmondingen in gevels zijn aangebracht.50 m van het verharde gedeelte van een vrij toegankelijk terrein zijn geplaatst moeten zijn voorzien van een doeltreffende afscherming.42 Verdeling kustgebied en binnenland voor uitmondingen bovendaks 4 Uitmondingen in de gevel moeten ten minste 0.50 m zijn verwijderd van de hoeken van gebouw. die niet bedoeld is voor de gebruiksfunctie van het toestel. 6 Voor eisen aangaande hinder hoeft voor warmwatertoestellen tot 40 kW met slechts 50 procent te worden gerekend.45 aangegeven. De verbrandingsgassen van een verbruikstoestel mogen niet via een openstaand raam of een ventilatierooster weer in de woning komen.3 Hinder voor omgeving Uitmondingen door een dak of in de gevel mogen geen hinder opleveren voor de omgeving.

. figuur 14.01. Voor toestellen die met een andere brandstof worden gestookt heeft de verdunningsfactor een andere waarde. Er is sprake van voldoende afstand tussen uitmonding en toevoeropening voor ventilatielucht als uit het berekenen met de volgende formule blijkt dat de verdunningsfactor f kleiner is dan de eis van 0. De algemene gedaante van de formule die volgens het Bouwbesluit kan worden gebruikt. NEN 1078 geeft in het werkblad NPR 3378-60 acht omschrijvingen van de meest voorkomende situaties. namelijk 0.14 GASINSTALLATIES 155 III 0.8 m I I 0. ℓ = kortste afstand tussen uitmonding en luchttoevoeropening in m. Met de formule wordt niet rechtstreeks de afstand uitgerekend.46. Voor uitmondingen van met gasvormige brandstoffen gestookte toestellen geldt als verdunningsfactor f = 0.5 m 0. Ah = hoogteverschil tussen uitmonding en luchttoevoeropening in m.01.5 m ≥ 23° III 3 schuin dak dakhelling α ≥ 23° f= √B C1 · ℓ + C2 · Ah waarin: B = belasting gastoestel in kW op bovenwaarde. Men gaat ervan uit dat toevoerlucht niet is verontreinigd door verbrandingsgas als het verbrandingsgas voldoende gelegenheid heeft gekregen om verdund te worden met de buitenlucht. Hiertoe is een zogenaamde verdunningsfactor ingevoerd.8 m < 23° III 1 plat dak 2 schuin dak dakhelling α < 23° Figuur 14.0015.43 Uitmondingsgebieden zonder beïnvloeding door belendende bebouwing Dit geldt uiteraard ook voor de woning van de buren. C1/C2 = constanten afhankelijk van onderlinge situering toevoeropening en uitmonding. maar worden afstanden ingevoerd om de verdunningsfactor f te berekenen. ziet er als volgt uit: I 0.

45 Plaats uitmonding gesloten verbruikstoestellen ≥ 15 m 2 afstand belendende bebouwing ≥ 15 m 10° III IV 3 aanbouw Figuur 14. Om C1 en C2 te kunnen bepalen.75 1 0. Enkele modelsituaties zijn van bijlage A uit dit werkblad overgenomen. Zoals gezegd kent NEN 2757 zeventien situaties (zie ook situatienummers in figuur 14.47) en die situaties zijn vaak nog weer onderverdeeld.6 √BI 0.2 √BI 1 afstand belendende bebouwing < 15 m 10° I II III ≥ 23° in dit gebied geen deur of beweegbare ramen en ventilatieopeningen uitmonding van gesloten verbruikstoestel h l l l Figuur 14.44 Uitmondingsgebieden bij beïnvloeding door belendende bebouwing Bij warmwatertoestellen met een nominale belasting tot 40 kW (bw) hoeft alleen de helft van de belasting in rekening worden gebracht. Vervolgens moet dit worden vergeleken met de zeventien modelsituaties zoals deze in NEN 2757 en NPR 3378-60 staan vermeld. figuur 14. Met de zeventien modelsituaties is beoogd dat veel in de praktijk voorkomende situaties kunnen worden beoordeeld. Als de fabrikant van een gesloten toestel geen aanwijzingen geeft over de onderlinge afstand tussen de uitmonding en de verbrandingsluchttoevoeropening in verband met de goede werking van het toestel. Opmerking De aangegeven afstanden gelden dus niet voor een luchttoevoeropening van een type C-toestel (gesloten toestel).46.5 3 0.156 10° I III Nominale belasting aangesloten verbruikstoestel IV h in m ℓ in m IV ≥ 23° III < 15 m 0 11 17 25 – – – – 11 kW 17 kW 25 kW B 2 2. moet eerst worden vastgesteld hoe de onderlinge situering van de toevoeropening en uitmonding is. figuur 14.5 m . figuur 14. Niet alle situaties komen even frequent voor in de bouw. 0. kan er een onderlinge afstand van ten minste 2 · D (D = uitwendige middellijn grootste afvoeropening) worden aangehouden.47. Afhankelijk van de situatie die van toepassing is. Hierna zijn van de meest voorkomende situaties de omschrijving en het situatienummer volgens NEN 2757 weergegeven met daarbij een figuur van een voorbeeld dat voldoet aan de desbetreffende omschrijving.75 0.46. kunnen uit de bijbehorende tabel de waarden van C1 en C2 worden afgelezen.

o.v.v.o. een lager gelegen ventilatie.v.o.o.o.v.v.v.of verbrandingsluchttoevoer A B ∆hB lB ∆hB ∆hB lB A .of verbrandingsluchttoevoer met een helling < 23° 6 afvoer van rook in een dakvlak t. hoger gelegen ventilatie.of verbrandingsluchttoevoer 2 afvoer in dakvlak t. lager gelegen ventilatieafvoer in 23° of verbrandingsluchttoevoer in een gevel lA (∆hA = 0) B ≥ 23° afvoer van rook in een gevel t. een hoger gelegen ventilatie.v. een hoger gelegen ventilatie.v. hoger lB gelegen ventilatie.v.o.o.o.o.l 14 GASINSTALLATIES lA 157 ∆h <1m <1m l lA ∆h ∆hA B ∆hA A 1 afvoer in dakvlak t. een hoger gelegen ventilatie-opening of verbrandingsluchttoevoer lB B 1 afvoer in dakvlak t.of verbrandingsluchttoevoer ∆hB lB 4 l A lA (∆hA = 0) 5 afvoer van rook in een dakvlak t.of verbrandingsluchttoevoer 2 afvoer in dakvlak t.v. lager gelegen ventilatieof verbrandingsluchttoevoer in een gevel A 4 afvoer van rook in een gevel t. een hoger gelegen ventilatie-opening of verbrandingsluchttoevoer lB (∆hB = 0) ∆hA = lA lA = ∆hA A B A B ∆hC lC C lB (∆hB = 0) lA = ∆hA ∆hA = lA 3 ∆hC C B lC B A ∆hB 3 < gevel t.of verbrandingsluchttoevoer met een helling ≥ 23° ∆hB afvoer inB gevel t. een lager gelegen ventilatie.o.

een afvoer in een hoger gelegen gevel Figuur 14. blijkt dat hier situatie 3 geldt.01. 13 110 325 12 163 60 14 163 80 17 110 325 Figuur 14. 7.46 Hinder voor omgeving volgens NPR 3378-60 Coëfficiënt 1.01. 6.en toevoer ten opzichte van elkaar voldoet aan de in het Bouwbesluit verlangde verdunningsfactor f voor gastoestellen van 0. Volgens figuur 14. De berekende verdunningsfactor is kleiner dan de eis van 0. De verdunningsafstand is dus voldoende groot. t.o. De kortste afstand tussen afvoer. 10 80 80 11. Nagegaan moet worden of deze positie van af.3 m.v. Worden al deze gegevens in de formule ingevoerd. De uitmonding is op een hoogte van 0. figuur 14.158 A A l ∆hA ∆hB ≥ 23° B lB l 7 toevoer in dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23°. ∆h .47 moet dan voor de factoren C1 en C2 respectievelijk 163 en 440 worden ingevuld. een lager gelegen afvoer in hetzelfde dakvlak of een lager gelegen aangrenzend dakvlak 8 toevoer in een dakvlak t. De belasting van het toestel is 36 kW (bw).46-3.v. Als de beschreven situatie wordt vergeleken met de situatiemogelijkheden in NEN 2757.47 Bepaling factoren C1 en C2 afhankelijk van onderlinge situering tussen ventilatieluchttoevoeropeningen voor de woning en verbrandingsgasafvoeropeningen van gasgestookte toestellen Voorbeeld 1 In de gevel van een eengezinswoning is een uitmonding van een gasgestookt cv-toestel aangebracht.9 m boven een raam met een ventilatietoevoeropening aangebracht.00987.o. 15 163 440 Situatienummer 4. 16 500 –325 5. dan geldt f = 0.en ventilatietoevoeropening is 1. 8. 9 C1 C2 163 325 2 60 60 3.

De verdunningsafstand is dus te klein. NEN 3277 Rubberslang met inlagen voor aardgas met een werkdruk beneden 5kPa (50 mbar). 1986. De afstand vanaf de uitmonding tot de instroomopening voor de ventilatie bedraagt 5 m. Voorbeeld 3 De verbrandingsgasafvoer van een cv-ketel met een belasting van 25 kW (bw) komt uit op 1.3 m boven het dakvlak. 2003. De verdunningsafstand is dus voldoende groot. 1997. 1976 NEN 3287 Binnenriolering in woningen en woningbouw – Aansluiting van condensvormende. NEN 2768 Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen. . 124).en stadsverwarmingsleidingnetten en voor riolering. NEN 3050 Kleuren voor het merken van pijpleidingen voor het vervoer van vloeibare of gasvormige stoffen in landinstallaties. 2001. met gas gestookte toestellen. brandputten en toestellen in water-. handelspropaan en butaan/propaan (B/P)-mengsels. figuur 14. Uit de formule volgt dat de verdunningsfactor 0. NEN 1078 Eisen en bepalingsmethoden voor huishoudelijke gasleidinginstallaties. NEN 1087 Ventilatie van gebouwen – Bepalingsmethoden voor nieuwbouw. 2001. 1972. De aanzuigopening bevindt zich op een afstand van 0. 2003. NEN 3257 Stalen draadpijpen en sokken.5 m boven de ventilatievoorziening in een van de onderliggende gevels. Ministerie van Volkshuisvesting. NEN 2920 Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties en vergelijkbare installaties in middenen kleinbedrijf van handel. Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.46-5.14 GASINSTALLATIES 159 Voorbeeld 2 De verbrandingsgasafvoer van een gashaard met een belasting van 15 kW (bw) komt uit de nok van het dak op 4. 1965. 2004.00170. 1974. De verdunningsfactor wordt dan 0. Gezien de onderlinge situering van uitmonding en luchttoevoer is hier sprake van situatie 1.46-1.01096 bedraagt. Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 1 Besluit gastoestellen (Staatsblad 1992. NEN 1059 Gasvoorzieningsystemen – Gasdrukregelstations voor transport en distributie.47 moet dan voor de factoren C1 en C2 respectievelijk 163 en 325 worden ingevuld. 3 Model aansluitvoorwaarden gas. De factoren C1 en C2 bedragen dus beide 80. 2 Bouwbesluit. 1986. Op een afstand van 5 m vanaf deze uitmonding bevindt zich de aanzuigopening van het ventilatiesysteem. 2003. 2001.47 is nu de verdunningsfactor te berekenen. 1999. NEN 1778 Nisbussen. Hier is sprake van situatie 5. NEN 2757 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen – Bepalingsmethoden. Met behulp van de formule en de coëfficiënten uit figuur 14. NEN 1184 Aanwijsplaten voor brandkranen. NEN 2916 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen – Bepalingsmethode. 2001. 2003. horeca en nijverheid bedreven met handelsbutaan. Volgens figuur 14. NEN 3028 Eisen voor verbrandingsinstallaties. NEN 5128 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen – Bepalingsmethode. 1998. NEN 2078 Eisen voor industriële gasinstallaties.0 m boven het platte dakvlak. Normen en voorschriften NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties. figuur 14. gas.

1998. Richtlijn Gastoestellen (90/396/EEG)(93/68/EEG). 2003. NEN-EN 10088-2 Corrosievaste staalsoorten – Deel 2: Technische leveringsvoorwaarden voor plaat en band van corrosievast staal voor algemeen en constructief gebruik. Apeldoorn. NPR 3378 Leidraad bij NEN 1078.. NEN-EN 1775 Gasvoorziening – Gasleidingen in gebouwen – Maximale werkdruk tot en met 5 bar – Functionele aanbevelingen. KE. Keuringseis Gastec. NEN-EN 1057 Koper en koperlegeringen – Naadloze koperen buizen voor gas. Apeldoorn .160 NEN-EN 437 Proefgassen – Proefdrukken – Toestelcategorieën. Richtlijnen bestaande gasinstallaties.en waterleidingen in sanitaire en verwarmingstoepassingen. 1996. 2001. NEN-EN 10220 Naadloze en gelaste stalen buizen – Afmetingen en massa’s per lengte. KNVG. 2003. 2003.

14 GASINSTALLATIES

161

Register
A
aansluitleidingen 129 aardgas, eigenschappen 119 aardgas, hoogcalorisch 117 AC-module 85 afvoerkanalen 139 afvoerkanalen, doortocht 141 afvoerleidingen 139, 145 afvoerleidingen, materiaal 149 afzuigroosters 112 akoestische eigenschappen 93 akoestische voorzieningen 47, 64 ‘all air’-systemen 20 ammoniakkoelinstallatie 112 anemostaatroosters 68 aquifers 76, 98 Arbeidsomstandighedenbesluit 63, 91 Arbeidsomstandighedenwet 7 atrium 81

brandwerende voorzieningen 64 broeikaseffect 10, 12, 80 bron, koude 99 bron, warme 98 buitenzonwering 13 buizenwarmtewisselaars 75

cv-ketels, open 68 cv-zonneboiler 84 cv met natuurlijke ventilatie, toepassingsgebied 40

D
daglicht 10, 93, 101 daglichtfactor 102 daglichtmetingen 102 daglichtniveau 103 daglichtsturingssysteem 101 daglichttoetreding 8 debietregeling 30 deelgebieden, bouwfysische 92 deelnet 118 derdehuidgevels 55 dienstleiding 119 diepte, optimale 91 directe invang 80 distributiesystemen 58 distributiesystemen, toegankelijkheid 63 doublet 77 drinkwater 113 drukvereffeningsopeningen 145 drukverschil, toelaatbare 138 DUBO-maatregelen 105 DUBO-tijdperk 95 duurzaam bouwen 95 duurzaam ontwerpen 95 duurzame energie 93

C
calorische bovenwaarde 121 calorische onderwaarde 120 calorische waarde 117 CE-keurmerk 119 CE-markering 124 cellenkantoren, traditionele 90 centrale verwarming 37 centrale verwarming, componenten 39 centrale verwarming, regeling 39, 42 centrifugaalcompressiekoelmachines 70 centrifugaalventilatoren 104 circulatievoud 49 clo 5 CLV-systemen 149 Coanda-effect 62 Coefficient of Performance (COP) 79 collectoren 29 comfort 21 compactheid gebouw 15 compressiekoelmachines 69 compressorstation 117 computers 105 concentratiewerkplekken 7, 93 concentrerende collector 81 condities, bouwfysische 92 constant-volumesysteem 53, 91 constant-volumesysteem, toepassingen 42 constant-volumesystemen (CAV-systemen) 40 convectie 5, 9, 18 convectoren 18 convectoren) 65 correctiefactor 27 cv-ketels, gesloten 68

B
balansventilatie 35 bandrasters 91 batterijen 104 bedrijfswater 113 behaaglijkheid 3, 5 behaaglijkheid, thermische 93 behaaglijkheidsvergelijkingen 6 behaaglijkheid volgens ISSO/SBR 300 23 beheer op afstand 72 belendende bebouwing 152 benuttingsfactor warmtewinst 29 Bernoulli, Wet van 62 bevochtiging 20, 31 binnenleidingen 129 binnenleidingen, dimensionering 137 binnentuinen 109 binnenzonwering 13 BN-DLO 107 bodemopslag 17 Bouwbesluit 8, 91, 121

E
eenpersoonsconcentratiewerkplekken 91 eindapparaten 64 eindapparaten, situering 62 eindapparatuur 18, 34 energie-nul-gebouw 93 energiebalans 3, 25, 26, 27 energiebalans, componenten 31 energiebalans, verbetering 31 energiebesparingsinstallaties 74

162

energiebewustwordingstijdperk 95 energiebronnen, laagwaardige 79 energiegebouw 112 energiegebruik 25, 39, 42, 43, 47, 51, 58 energiegebruik, toelaatbaar karakteristiek 27 energiegebruik en behaaglijkheid 22 energiegebruik en gebruikerseisen 2 energiegebruik en wettelijke eisen 2 energiegebruik volgens ISSO/SBR 300 23 energiehuishouding 1, 34 energieopslagsystemen 77 energieposten 27 energieprestatie 26 energieprestatie, toelaatbare karakteristieke 27 energieprestatie-eis 31 energieprestatiecoëfficiënt (EPC) 26 energieprestatienormering (EPN) 3, 121 energieprestatie (EP) 8, 11, 107 energiestromen 25 energievernietiging 47, 51 energiezuinigheid 8 ‘energie-nul’-kantoorgebouw 107 evaporatiekoeling 110 expansiekoelsysteem, direct 70 expansiekoelsysteem, indirect 70 explosiegrenzen 119

G
gangzone 90 gasbehandelingsinstallatie 116 gasbinnenleiding 119 gasdistributienet 117 gasinstallatie, beproeving 138 gasinstallatie, gereedmelding 138 gasinstallaties 115, 119 gasinstallaties, voorschriften 121 gasmeter 127 gasontvangstation 117 gastoevoerleiding 119 gasverbruikstoestellen, aansluitingen 129 gasverbruikstoestellen, gesloten 140, 149 gasverbruikstoestellen, open 140 gasverbruikstoestellen zonder afvoerleiding 140 gebouw, bouwfysisch gedrag 10 gebouw, geschiedenis 95 gebouwaansluiting gasinstallaties 125 gebouwbeheerssysteem 109 gebouwbeheerssystemen (GBS) 71 gebouwconcept 2 gebouwconcepten 10 gebouwfunctie 2 gebouwindeling naar massa 11 gebouwinstallaties 6 gebouwmassa 11 gebruikerseisen 3 geforceerde trek 141 geleiding 5 geluiddempers 104 geluidwering gevel 8 gemeentelijke bouwverordening 121 geïntegreerd ontwerpen 95 geveldoorvoeringen 125 geveldoorvoeringen, bovengrondse 125 gevelstramienen 91 Giveg-merk 124 glas 10

glasoverkapte ruimten 107 glaspercentage 12 glassoorten, zonwerende 80 grafiekmethode 138 grijswater 113 grondwater 76

H
heat-pipe-principe 75 helderheidswering 13 hinder voor omgeving 154 hoofdgasleiding 119 hoofdtransportnet Nederlandse Gasunie 116 hoogbouw 149 Hoogheemraadschap van Rijnland 98 hoogrendementketels 68 HR-glas 10

I
inductie-units 49 infiltratielucht 28 installatieconcept 2 installatieconcepten 18, 37, 91 installatieconcepten, keuze 57 installaties, centraal opgestelde 34 installaties, flexibele 7 installaties, geschiedenis 95 installaties, werktuigbouwkundige 2 installatietekeningen 133 installatievoorschriften 124 Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (BN-DLO) 107 instralingsdiagram 86 isolerende voorzieningen 64

F
fan-coil-unit 87 filteren 21 flexibiliteit, gebouw 7 frequentietoerenregelaar 104

J
jaarbelastingsduurkromme 85

K
kanalen, primaire 62 kanalen en leidingen, situering 59

14 GASINSTALLATIES

163

kantelramen 109 kantoorconcepten, bijzondere 89 kantoorconcepten, dynamische 90 kantoorinnovatie 7 kleurenbeeldschermen 105 klimaatbeheersing 39, 42, 43, 47, 49, 54 klimaatbeheersinginstallaties, decentrale 87 klimaatbeheersingsinstallaties 33 klimaatbeheersingsinstallaties, componenten 35 klimaatbeheersingsinstallaties, functies 34 klimaatgevels 55 klimaatgevels, toepassingsgebied 57 klimaatinstallaties, eenvoudige 21 klimaatinstallaties, geavanceerde 21 klimaatkamers 112 klimaatkwartet 99 klimaatplafonds 53 klimaatplafonds, toepassingsgebied 54 klimaatregeling, natuurlijke 109 klimatiseringssysteem 24 koeling 31, 112 koelmiddelen 71 koeltoren 70 koelwatercircuit 76 koudeopwekkers 68 koudeval 18 kunstlicht 93, 101

L
lage- temperatuurverwarming 18 lamellenplafonds 54 langetermijnenergieopslag 100 langetermijnenergieopslag in bodem )LTEO) 76 leidingaanleg 129

leidingaanleg in grond 132 leidingen, secundaire 62 leidinginvoerputten 128 leidingschachten, situering 61 leidingschema 135 lengte/trekhoogteverhouding 147 lichtlijnen 91 lichtopeningen 10 lichttoetredingsfactor LTA 13 lijnroosters 68 LTEO 98 LTEO-installatie 98 lucht, primaire 49 lucht, recirculatie 20 lucht, secundaire 49 luchtafvoer, mechanische 37 luchtafvoeropeningen 144 luchtafvoerroosters 67 luchtafvoersysteem 42, 43 luchtafzuiging 62 luchtafzuiging, mechanische 39 luchtbehandeling 35, 110 luchtbehandelingkasten 36, 104 luchtbehandelingkasten (LBK) 34 luchtbehandelingskasten 112 luchtbehandelingskasten, centrale 21 luchtcollector 81 luchtdichtheid 10 luchtgeleiderplaten 104 luchtgordijn 112 luchtlijnen 91 luchtsnelheid, maximale 61 luchttoevoer, natuurlijke 37 luchttoevoeropeningen 144 luchttoevoerroosters 43, 67 luchttoevoersysteem 40, 43 luchtverhitters, direct gestookte 88 luchtverhitters, indirect gestookte 88 luchtverlies, gecontroleerd 10 luchtverlies, ongecontroleerd 10 luchtverversing 8 luchtverwarming 18, 21

luchtvochtigheid, relatieve 20 luminantieverhouding 103 luminantieverschillen 103

M
mantelbuizen 125 mantelbuizen, verlengde 127 mensheid, ontwikkelingen 94 meterkast 127 middenzone 90, 93 milieuprestatie 107 monobron 77

N
nachtventilatie 12, 80 Nationaal Milieubeleidsplan Plus 107 natuurlijke trek 140 NEN 1078 121 NEN 2916 26 nominale belasting 137 nomogram 25 normen, gas 121

O
onderhoud 40, 42, 45, 47, 51, 54 ontoetredingsfactor (ZTAwaarde) 13 ontvochtiging 20 ontwerpend denken 96 ontwerpluchtsnelheden 61 ontwerpmaatregelen, geïntegreerde 96 opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar 83 opslagvat met warmtewisselaar 83 opslagvat zonder warmtewisselaar 82 opstellingsruimten 141 opstellingsruimten, afmetingen 142 opwekkingsrendement 29 overschrijdingsuren 6 overslagstation 116

analoge 71 systemen. 39. 18. toepassingsgebied 45 veegprogramma 103 ventilatie 20. gezoneerde 15 verlichting. beweegbare 80 . waterzijdige 49. indirecte 16 verlichting 106 verliesoppervlak 15 vermogen. inducerend 68 R radiatoren 18. 104 ventilatorenergie 104 ventilatorrendement 104 verbrandingsgassen 139 verbrandingswaarde. 62 temperatuuroverschrijding. plaats uitmondingen 151 ruimteakoestiek 93 ruimten. technische 39 ruimtetemperatuurregeling met cv 73 ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling 74 T technische ruimten. 65 recirculerend schakelen 54 reductiefactor 29 referentiegebouw 23 regelapparatuur. natuurlijke 20. geïnstalleerde 30 vermogen. gewogen 3. optimale 22 temperatuurgradiënt 18. 35 ventilatie. gesloten gasverbruikstoestellen 153 uitmondingen afvoersystemen. adadaptieve gewogen (AGTO) 6 temperatuuroverschrijdingsuren (GTO-uren).164 P piekgasinstallatie 117 plafondroosters 68 plafondverwarming 67 platenwarmtewisselaars 75 plenum 54 plenumafzuiging 62 pompen 30 Predicted Mean Vote (PMV) 6 Predicted Percentage Dissatisfied (PPD) 6 prestatie-eisen 8 Programma van Eisen 57 Programma van eisen 3 PV-cellen 86 serre 81 split-unit 88 stadsverwarming 79 standaardwisselstroommotoren 104 standaardzonneboiler 84 STEK-keuringen 79 stooklijn 73 straalpijpjes 49 straling 5. digitale 71 U uitmondingen afvoersystemen. 64 temperatuurgradiënt. 74 regelinstallaties 71 regelsystemen 71 regendetectie 109 registers 53 revisieopeningen 54 Rijksgebouwendienst (Rgd) 108 ringleiding 117 rookgasafvoersystemen. 34 trekonderbreker 140 Trombe-principe 80 Trombe-wand 80 tweedehuidgevels 55 tweepersoonskamers. effectieve 29 thermische weerstand 5 Thin Film Transistor(TFT)monitoren 105 tijdperk. 28. luchtzijdige 74 regeling. calorische 120 verdamping 5 verdunningsfactor 155 verkeersfunctie 90 verlichting 30 verlichting. 35. 22 thermische massa. mechanische 21. conventionele 71 regeling. 39 ventilatie. industriële 95 transmissie 28 transportmedium voor warmte 20. akoestische 39 ventilatievoud 110 ventilatorconvectoren 45 ventilatorconvectorsystemen 45 ventilatoren 30. conditionering 36 ventilatieluchtafvoeropening 145 ventilatieroosters. verticale 21. 62 ventilatielucht. 28. situering 58 temperatuur. traditionele 90 twin-coil-systeem 76 twin-coil-systemen 37 S sanitair 113 schoorsteeneffect 65 schoorsteenverlies 149 screendoek 55 screens. open gasverbruikstoestellen 151 uitmondingsgebieden 151 V V-snaaroverbrenging 104 valwindafleider 140 variabel-volumebox 43 variabel-volumesysteem 91 variabel-volumesystemen 42 variabel-volumesystemen. 21 stralingsverwarming 18 stramienen 91 stratificatie 62 suppletiezuurkasten 112 systeemrendement 29 systemen. 28.

interne 15. 74. 91 Woningwet 7 woonhuisaansluiting 119 Z zonlicht 10 zonlicht. 105 warmtelast.9 werkplekverlichting 16 werktuigbouwkundige installaties. keramische 101 warmtewielenen 100 warmtewinst 29 warmtewisselaars 20. compacte 84 zonneboiler-combi 84 zonneboilers 81. actieve fotovoltaïsche 85 zonne-energietoepassingen. 34 watt-piek (Wp) 85 weegfactor 22. 112 vloeistofcollector 81 vloerverwarming 18.14 GASINSTALLATIES 165 vernietigingsfactor 29 verwarming 28. 80 zonne-energietoepassingen. kenmerken 18 wervelroosters 112 wettelijke eisen 3. 65 vochtterugwinning 75 voering 141 voorraadvaten 82 W warmtapwater 31 warmte-isolatie 8 warmte/krachtkoppelingsinstallaties 79 warmteafgifte 18 warmtebalans 5 warmtebelasting. 34. direct 12 zonlicht. 27 weerstand. verlichting 15 warmtelast. indirect 12 zonne-energie 17. 99. 93 warmtebron 39 warmtebuffer 109 warmtedoorgangscoëfficiënt 9 warmtefactor 79 warmtegeleidingscoëfficiënt 9 warmtehuishouding 2. spouw. 28. spiegelende 101 ZTA-waarde 102 zuigerkoelmachines 70 zuurkasten 112 . 100 warmtewielen. overgangs. 100 warmtestroom 8 warmteterugwinning 20. personen 15 warmtelast. functies 18 werktuigbouwkundige installaties. 83 zonnecellen. 8 warmtehuishouding. apparatuur 16 warmteopwekkers 68 warmteoverschot 5 warmtepijpcollector 82 warmtepompen 79. passieve 80 zonneboiler.9 weerstand. gebruikerseisen 4 warmtelast. 21. actieve thermische 81 zonne-energietoepassingen. interne 28. 75 warmteterugwinningsinstallaties 74 warmteverlies 29 warmtewielen 21. fotovoltaïsche 85 zonnecollectoren 81 zonnepanelen 85 zonweringslamellen. 7 Wet milieubeheer 8 wisselwerkplekken 7.

166 .

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful