You are on page 1of 174

JELLEMA 6B INSTALLATIES WERKTUIGBOUWKUNDIG EN GAS

II

omslagontwerp Marjan Gerritse, Amsterdam vormgeving binnenwerk Peter van Dongen, Amsterdam opmaak Van de Garde, Zaltbommel tekenwerk Zanzara, Odiliapeel Veltman Bouwkundig Ontwerp- en Tekenburo, Delft De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor: Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs. Voor meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl

ISBN 90 06 95048 3 Tweede druk, tweede oplage

ThiemeMeulenhoff, Utrecht/Zutphen, 2004 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopien, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopien uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 jo het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

III

Bouwtechniek
Installaties
B werktuigbouwkundig en gas

IV

De serie Jellema Hogere Bouwkunde bestaat naast het inleidende deel uit drie reeksen boeken: bouwtechniek, bouwmethoden en bouwproces. Tezamen vormt de inhoud de onontbeerlijke basiskennis voor het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. Ook deze vernieuwde uitgave is ontstaan vanuit de noodzakelijke interactie tussen het onderwijs enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds. Beide sectoren leveren auteurs, maar zijn ook bereid tot het leveren van commentaar en kritiek in een voortdurende discussie tussen redactie, auteurs en het onderwijs. De redactie: ir. K. Hofkes Docent Bouwkunde, Hogeschool INHOLLAND, Haarlem en Alkmaar ing. N. Zimmermann Architect, Amsterdam ir. A. van Tol Architect, Zwolle ir. M. Bonebakker Adviseur Bouwmanagement, Geesteren H.A.J. Flapper Bouwinnovator, Amsterdam ir. H. Brinksma Docent Bouwkunde, Hogeschool van Utrecht, Utrecht

Auteurs deel 6B: Ir. D.J. Hengeveld en Ir. J.H. van Zanten, van Zanten raadgevende ingenieurs, s-Gravenhage Deerns raadgevende ingenieurs b.v., Rijswijk A. den Hoedt Werkzaam bij Eneco, Rotterdam

Serieoverzicht
JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE JELLEMA HOGERE BOUWKUNDE

Inleiding
Bouwnijverheid

Bouwtechniek
Onderbouw

Bouwmethoden
Bouwmethodiek

10

Bouwproces
Ontwerpen

3
www.jellema-online.nl

Bouwtechniek
Draagstructuur

Bouwmethoden
Woningbouw

11

Bouwproces
Contracteren

4
www.jellema-online.nl

Bouwtechniek
Omhulling
A prestatie-eisen / daken

Bouwmethoden
Utiliteitsbouw

12

Bouwproces
Uitvoeren
A techniek

Bouwtechniek
Omhulling
B gevels

12

Bouwproces
Uitvoeren
B organisatie

Bouwtechniek
Omhulling
C gevelopeningen

13

Bouwproces
Beheren

Bouwtechniek
Afbouw

Bouwtechniek
Installaties
A elektrotechnisch en sanitair

Bouwtechniek
Installaties
B werktuigbouwkundig en gas

Bouwtechniek
Installaties
C liften en roltrappen

VI

Woord vooraf
De omhulling van een gebouw moet het interieur zo goed mogelijk beschermen tegen de wisselende klimaatinvloeden van buiten. Voorzover dit met bouwkundige voorzieningen niet mogelijk is, moeten de technische installaties voor de nodige aanvullingen zorgen. In tekorten c.q. overschotten aan warmte, koude, vocht, enzovoort, moeten worden voorzien door de klimaatregelingsinstallaties. Het gebouw en de klimaatregelingsinstallaties moeten zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd waarbij een zo laag mogelijk energiegebruik uitgangspunt moet zijn. In hoofdstuk 11 wordt besproken hoe het evenwicht tussen gebruikerseisen en energiegebruik kan worden gevonden. Daarna wordt het bouwfysisch gedrag van bouwwerken behandeld met de factoren die dit bouwfysisch gedrag benvloeden. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de mogelijke installatieconcepten voor voornamelijk gebouwen met een kantoorfunctie en eindigt met de bespreking van de energiebalans en de energieprestatie. Hoofdstuk 12 behandelt de klimaatregelingsinstallaties en geeft voornamelijk voor kantoorgebouwen de mogelijkheden van de toepasbare installatieconcepten. De behagelijkheid van de vertrekken wordt vooral bepaald door de keuze en plaatsing van de eindapparaten en de regeling middels de regelsystemen. Het hoofdstuk eindigt met de mogelijkheden te tonen van verschillende energiebesparingsinstallaties. Omdat de kantoorindelingen thans aan ingrijpende veranderingen onderhevig zijn, worden in hoofdstuk 13 enkele bijzondere concepten besproken, zowel wat betreft gebouwontwerp als installatieconcept, die onderling op elkaar zijn afgestemd. Deze hoofdstukken zijn geschreven door auteurs die werkzaam zijn bij adviesbureaus die dagelijks bij deze problematiek zijn betrokken. Hoofdstuk 14 behandelt de gasinstallaties. Het gaat hier niet alleen om de dimensionering en de aanleg van de gasleidingen, maar vooral om de plaatsingsruimten van de gasverbruikstoestellen (cv-ketels en warmwaterbereidingstoestellen). Van belang hierbij is een goede toevoer van de benodigde verbrandingslucht en een veilige onbelemmerde afvoer van verbrandingsgassen. De auteurs mei 2004

VII

Inhoud
11 Energiehuishouding 1 Inleiding 2 11.1 Streven naar evenwicht tussen eisen en energiegebruik 2 11.2 Gebruikers- en wettelijke eisen 3 11.2.1 Gebruikerseisen 3 11.2.2 Wettelijke eisen 7 11.3 Gebouwconcepten 10 11.3.1 Bouwfysisch gedrag gebouw 10 11.4 Installatieconcepten 18 11.4.1 Functies werktuigbouwkundige installatie 18 11.4.2 Kenmerken werktuigbouwkundige installatie 18 11.4.3 Comfort 21 11.5 Evenwicht tussen behaaglijkheid en energiegebruik 22 11.5.1 Maatstaf voor behaaglijkheid 22 11.5.2 Invloedsfactoren op energiegebruik en GTO-uren 22 11.6 Energiebalans en energieprestatie 25 11.6.1 Energiebalans 25 11.6.2 Energieprestatiecofcint (EPC) 26 11.6.3 Energiebalans analoog aan NEN 2916 26 11.6.4 Componenten energiebalans 27 11.6.5 Bijdrage diverse componenten in energiebalans 31 11.6.6 Maatregelen ter verbetering 31 Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 32 12 Klimaatbeheersingsinstallaties 33 Inleiding 34 12.1 Luchtbehandeling 35 12.1.1 Principe 35 12.1.2 Conditionering ventilatielucht 36 12.2 Installatieconcepten 37 12.2.1 Centrale verwarming; natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer 37 12.2.2 Ventilatie op basis van constant-volumesystemen; centrale verwarming; radiatoren 40 12.2.2 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van variabel-volumesystemen 42 12.2.4 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsystemen 45 12.2.5 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van inductie-units 49 12.2.6 Verwarming en koeling door middel van klimaatplafonds 53 12.2.7 Klimaatgevels 55 12.2.8 Keuzemotieven 57 12.3 Distributiesystemen 58 12.3.1 Situering technische ruimte 58 12.3.2 Situering kanalen en leidingen 59 12.3.3 Situering eindapparaten 62 12.3.4 Toegankelijkheid distributiesystemen 63 12.3.5 Bouwkundige voorzieningen, geluid en brandkeringen 64 12.4 Eindapparaten 64 12.4.1 Radiatoren 65 12.4.2 Convectoren 65 12.4.3 Vloerverwarming 65 12.4.4 Plafondverwarming 67 12.4.5 Luchttoevoer- en luchtafvoerroosters 67 12.5 Opwekkers 68 12.5.1 Warmteopwekking 68 12.5.2 Koudeopwekking 69 12.6 Regelsystemen 71 12.6.1 Regelinstallaties 71 12.6.2 Gebouwbeheerssysteem (GBS) 71 12.6.3 Ruimtetemperatuurregeling met centrale verwarming 73 12.6.4 Ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling 74 12.7 Energiebesparingsinstallaties 74 12.7.1 Warmteterugwinningsinstallaties 74 12.7.2 Langetermijnenergieopslag in bodem (LTEO) 76 12.7.3 Warmtepomp 79 12.7.4 Warmte/krachtkoppelingsinstallaties 79 12.7.5 Zonne-energie 80 12.7.6 Actieve thermische zonne-energie 81 12.7.7 Actieve fotovoltasche zonne-energie 85 12.8 Decentrale installaties 87 12.8.1 Fan-coil-unit 87 12.8.2 Split-unit 88 12.8.3 Luchtverhitters 88 13 Bijzondere concepten 89 Inleiding 90 13.1 Dynamische kantoren 90 13.1.1 Van traditioneel naar dynamisch kantoorconcept 90 13.1.2 Optimaal installatieconcept 91 13.1.3 Kantoorinnovatie uit kinderschoenen? 92 13.1.4 Gewijzigde bouwfysische aspecten 93 13.2 Op weg naar energie-nul-gebouw 93

VIII

13.2.1 Een tijd als nooit tevoren 93 13.2.2 Geschiedenis gebouw en installaties 95 13.2.3 Gentegreerd ontwerpen in DUBO-tijdperk 95 13.2.4 Anders ontwerpend denken 96 13.2.5 Praktijkvoorbeeld anders energiezuinig ontwerpen 98 13.2.6 Minder energievraag door nieuwe technieken 105 13.2.7 Nieuwe technieken en anders bouwen 107 13.2.8 Ten slotte 107 13.3 Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten: nieuwbouw IBN-DLO 107 13.3.1 Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (BN-DLO) 107 13.3.2 Binnentuinen 109 13.3.3 Natuurlijke klimaatregeling 109 13.3.4 Luchtbehandeling laboratoria 110 13.3.5 Klimaatkamers 112 13.3.6 Verwarming 112 13.3.7 Koeling 112 13.3.8 Sanitair 113 13.3.9 Gebruikerservaring 113 13.3.10 Mens- en milieuvriendelijk 113 14 Gasinstallaties 115 Inleiding 116 14.1 Plaatselijk gasdistributienet 117 14.2 Gasinstallatie 119 14.3 Eigenschappen aardgas 119 14.3.1 Calorische verbrandingswaarde 120 14.4 Voorschriften gasinstallaties 121 14.4.1 Bouwbesluit 121 14.4.2 NEN 1078 121 14.4.3 Normen 121 14.4.4 Installatievoorschriften 124 14.4.5 CE-markering 124 14.5 Gebouwaansluiting 125 14.5.1 Geveldoorvoeringen 125 14.5.2 Meterkast 127 14.6 Binnen- en aansluitleidingen 129 14.6.1 Materialen en verbindingen 129 14.6.2 Aansluitingen gasverbruiks-toestellen 129 14.6.3 Leidingaanleg (NPR 3378-5/6) 129 14.6.4 lnstallatietekeningen 133 14.6.5 Dimensionering binnenleidingen 137 14.6.6 Gereedmelding en beproeving 138 14.7 Gasverbruikstoestellen en afvoer verbrandingsgassen 139

14.7.1 lndeling toestellen afhankelijk van afvoer verbrandingsgassen 140 14.7.2 Doortocht afvoerkanalen 141 14.8 Opstellingsruimten in woningen 141 14.8.1 Afmetingen opstellingsruimten 142 14.9 Luchttoevoer- en luchtafvoeropeningen 144 14.10 Afvoerleidingen 145 14.10.1 Trac afvoerleidingen 146 14.10.2 Materiaal afvoerleidingen 149 14.11 Gesloten toestellen 149 14.11.1 Afvoerleidingen en luchttoevoerleiding voor hoogbouw 149 14.12 Plaats uitmondingen voor rookgasafvoersystemen 151 14.12.1 Uitmondingen afvoersystemen voor open toestellen 151 14.12.2 Uitmondingen afvoersystemen voor gesloten toestellen 153 14.12.3 Hinder voor omgeving 154 Geraadpleegde en aanbevolen literatuur 159 Register 161

Energiehuishouding
ir. J.H. van Zanten, ir. D.J. Hengeveld

11

Al eeuwenlang heeft de mens er behoefte aan een ruimte te scheppen die is afgescheiden van het buitenklimaat, om zich te beschutten tegen regen, wind, koude en warmte. De beschutting tegen het buitenklimaat mag niet absoluut zijn, want uitzicht, daglicht en contact met buiten dragen onlosmakelijk bij aan het menselijke welbevinden. Het binnenklimaat moet geschikt zijn voor de activiteiten die de mens beoogt te verrichten. Naast beschutting en geschiktheid wordt het binnenklimaat bepaald door wensen ten aanzien van behaaglijkheid en comfort.

Inleiding
De mens zoekt beschutting tegen het buitenklimaat en creert zijn eigen binnenklimaat. De buitenschil van gebouwen biedt de gewenste beschutting, maar voldoet niet automatisch aan de wens tot een geschikt binnenklimaat voor het verrichten van de beoogde activiteiten. Er moeten openingen in de buitenschil aanwezig zijn om daglicht toe te laten en contact met de omgeving mogelijk te maken. Door de ramen verdwijnt in de winter warmte en komt in de zomer vaak te veel zon naar binnen. De gebouwschil geeft wel beschutting, maar staat niet garant voor een behaaglijk binnenklimaat. Er zijn installaties nodig die kunnen verwarmen, verse lucht kunnen aanvoeren en eventueel kunnen koelen als het te warm wordt. Om aan de comfortwensen van de mens tegemoet te komen, worden er nog andere installaties in gebouwen geplaatst, zoals verlichtingsinstallaties, audiovisuele installaties, computers, wasmachines en droogtrommels. Apparatuur levert het gewenste comfort, maar gebruikt elektrische energie waarvan een deel in warmte wordt omgezet, wat het binnenklimaat benvloedt. Soms is die warmte gewenst, maar vooral in de zomer doet de warmteproductie van apparatuur afbreuk aan een behaaglijk binnenklimaat. Met behulp van werktuigbouwkundige installaties kan er een behaaglijk binnenklimaat gecreerd worden, ondanks de invloed van comfortverhogende apparatuur. Installaties gebruiken energie die niet onbeperkt aanwezig is, zodat het van belang is zuinig met energie om te springen. Zuinig omgaan met energie ten behoeve van het creren van een geschikt binnenklimaat is een maatschappelijke verantwoordelijkheid, die in Nederland in de wet (in casu het Bouwbesluit) is vastgelegd. De hoeveelheid energie die nodig is om een geschikt binnenklimaat te scheppen, hangt voor een belangrijk deel af van het ontwerp van het gebouw en de gebouwinstallatie.

11.1 Streven naar evenwicht tussen eisen en energiegebruik


Het beoogde gebruik van het gebouw, het gebouw- en installatieontwerp moeten op elkaar worden afgestemd om een gebouw te krijgen met een goede warmtehuishouding, dat wil zeggen, met een: behaaglijk binnenklimaat geschikt voor beoogde activiteiten; laag energiegebruik. Er moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen enerzijds het gebruik van het gebouw en anderzijds het ontwerp en de installatie om verantwoord met energie om te gaan. Het is duidelijk dat een zwembad meer energie gebruikt dan een goederendistributiecentrum: de functie van het gebouw bepaalt in belangrijke mate het energiegebruik. Een gebouw met veel glas heeft in de winter een grote warmtebehoefte en in de zomer een warmteoverschot en vergt daardoor een grotere en ingewikkeldere installatie. Bepalend voor een goed evenwicht uit oogpunt van warmtehuishouding zijn: gebruikerseisen (gebouw moet geschikt zijn om beoogde bedrijfsproces adequaat te laten plaatsvinden); wettelijke eisen. Afhankelijk van de eisen die voortvloeien uit het beoogde gebruik (gebouwfunctie), moeten er in het gebouw- (gebouwconcept) en installatieontwerp (installatieconcept) andere keuzen worden gemaakt: er moet een evenwicht zijn tussen de eisen en het gebouw- en installatieconcept. Figuur 11.1 illustreert dat het gebouw- en installatieontwerp samen het gewenste binnenklimaat moeten waarborgen. Als er in het gebouwontwerp onvoldoende rekening wordt gehouden met de warmtehuishouding van het gebouw, moet de balans door de installatie weer in evenwicht worden gebracht. In dat geval is niet zeker of het energiegebruik ter realisatie van het gewenste binnenklimaat maatschappelijk verantwoord is of zelfs de wettelijke eisen overschrijdt. Integratie van het gebouw- en installatieontwerp is gewenst.

11 ENERGIEHUISHOUDING

eisen gebruiker eisen wet

gebouwconcept installatieconcept

Figuur 11.1 Evenwicht tussen eisen, gebouw- en installatieconcept

Zowel gebouwen als installaties kunnen worden ingedeeld in typen met een soortgelijk gedrag ten aanzien van de warmtehuishouding. De keuze voor een type gebouw en type installatie wordt bepaald door de te stellen eisen. Wettelijke eisen kunnen leiden tot andere keuzen of maatregelen dan gebruikerseisen, immers aan wettelijke eisen moet worden voldaan, terwijl aan gebruikerseisen zo goed mogelijk moet worden voldaan. In guur 11.2 zijn de meest essentiele factoren weergegeven die bepalend zijn voor: gebruikerseisen; wettelijke eisen; gebouwontwerp; installatieontwerp. De warmtehuishouding van een gebouw wordt besproken aan de hand van de energiebalans van een gebouw. Een energiebalans kan op verschillende manieren worden uitgewerkt; in dit hoofdstuk is gekozen voor twee begrippen: behaaglijkheid uitgedrukt in gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO); energieprestatienormering (EPN).

Beide begrippen worden beknopt uitgelegd, waarna wordt ingegaan op het verband tussen enerzijds energiegebruik en anderzijds de energieprestatienormering (EPN) en de behaaglijkheid in termen van gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO). Aan de hand van voorbeelden wordt duidelijk gemaakt welke maatregelen in het ontwerp zinvol zijn om het energiegebruik en de behaaglijkheid te verbeteren. Voor organisaties met verschillende functies ontstaan zo gebouwen met signicante verschillen in het gebouwconcept en in het installatieconcept. Integrale benadering is nodig om tot optimale vervulling van de eisen te komen zonder het kostenaspect uit het oog te verliezen.

11.2 Gebruikers- en wettelijke eisen


11.2.1 Gebruikerseisen Gebruikerseisen zijn privaatrechtelijk van aard. Ze worden in het Programma van Eisen tussen partijen overeengekomen en hebben tot doel dat het gebouw zijn beoogde functie vervult. Een opdrachtgever verlangt een gebouw waarin de beoogde activiteit kan plaatsvinden, varirend van een woning, kantoorgebouw, zwembad, koelcel tot een cleanroom voor productie van computeronderdelen of een eenvoudige loods voor houtopslag. In het Programma van Eisen wordt vastgelegd waar de ruimten geschikt voor moeten zijn en wat de ruimtebehoefte voor elke activiteit is. De geschiktheid voor bepaalde activiteiten wordt onder andere bepaald door het binnenklimaat wat betreft temperatuur,

functie imago budget behaaglijkheid bedrijfstijd bezettingsgraad

eisen gebruiker eisen wet

gebouwconcept installatieconcept

orintatie glas/zonwering compactheid isolatie luchtdichtheid massa

Bouwbesluit veiligheid gezondheid bruikbaarheid energiezuinig Arbobesluit Wet milieubeheer

verwarming ventilatie koeling verlichting apparatuur

Figuur 11.2 Essentile factoren voor eisen, gebouw- en installatieconcept

luchtvochtigheid en daglichttoetreding, guur 11.3, maar ook wat betreft de aanwezigheid van voorzieningen, zoals telecommunicatie, elektraen transportvoorzieningen. In het gebouw moet het goed werken of vertoeven zijn, kortom, het moet een behaaglijk binnenklimaat hebben. Mogelijkerwijs verlangt de opdrachtgever een gebouw dat goed past bij het nagestreefde imago van de te huisvesten organisatie. Een organisatie die openheid nastreeft, heeft vaak een voorkeur voor een gebouw met veel glas in de gevel, een kapitaalkrachtige organisatie voor een massief gebouw met veel marmer.
Het opstellen van het Programma van Eisen wordt besproken in deel 10 Ontwerpen, hoofdstuk 3

Sterk bepalend voor de warmtehuishouding zijn de volgende gebruikerseisen: beoogde gebruik of gebouwfunctie; beschikbare budget; mate van behaaglijkheid, guur 11.3; exibiliteit. Uit oogpunt van exploitatiekosten is het mogelijk hogere eisen te stellen dan de wettelijke eisen. Enkele veelvoorkomende eisen (met invloed op de warmtehuishouding) zijn: verhoogde warmte-isolatie; verbeterde luchtdichtheid.

Materieel comfort Architectonische factoren

mnImmaterieel comfort Fysisch-fysiologische factoren Psychologische factoren Mens intern: motivatie politieke achtergrond ervaring aandacht prestatie activatieniveau enzovoort Aantal Sociologische factoren Mens extern: Activiteit in groter verband zoals: functie hirarchie promotiekans enzovoort Medemens, zoals: nationaliteit enzovoort

Vorm

inhoud oppervlakte structuur enzovoort kleur textuur enzovoort

Klimaat

temperatuur vochtigheid luchtsnelheid enzovoort nagalmtijd geluidsdrukniveau frequentieverdeling variatie in de tijd enzovoort

Esthetica

Geluid

Inrichting

plaats groot meubilair klein meubilair voorzieningen enzovoort

Verlichting

lichtkleur luminatieverhouding vormkwaliteit verlichtingssterkte enzovoort

Zuiverheid lucht

CO2-concentratie geurtjes gewenste verselucht-hoeveelheid enzovoort

Figuur 11.3 Welbevinden mens opgesplitst in factoren

11 ENERGIEHUISHOUDING

ademhaling (convectie)

geleiding

verdamping (transpiratie)

kern 37 C

watertransport

huid

straling

omgeving

convectie (bloed) vloer geleiding

convectie

Figuur 11.4 Warmteafgifte door mens

Warmteverlies door convectie (stroming) aan de omgevende lucht vindt plaats aan het buitenoppervlak van de kleding en de huid en bovendien door de ademhaling. Warmteverlies door straling vindt plaats aan het buitenoppervlak van de kleding en de huid naar de omgevende koudere wandoppervlakken, vloeroppervlakken, enzovoort. Warmteverlies door verdamping vindt plaats door transpiratie en respiratie.

Warmteverlies door straling is globaal gelijk aan dat door convectie. Het gezamenlijk aandeel hiervan is laag bij een warme omgeving en hoog bij een koude omgeving. Het aandeel van de verdamping in het totale warmteverlies is juist laag in een koude omgeving en hoog in een warme omgeving. Warmteverlies door geleiding, bijvoorbeeld via de voeten naar een koude vloer, is meestal in verhouding zeer gering, maar kan bij stilzitten bijzonder onaangenaam zijn.

Behaaglijkheid Een mens probeert zijn lichaamstemperatuur constant te houden en moet daartoe inwendig geproduceerde warmte afgeven aan zijn omgeving. De warmteafgifte van een rustend mens bedraagt ongeveer 80 W (1,5 m2 huidoppervlak 58 W), bij kantoorwerk is de warmteafgifte opgelopen tot circa 105 W en bij sporten kan zij oplopen tot wel 800 W (bij bijvoorbeeld squash). Op vier manieren kan een mens warmte afgeven, guur 11.4, door: convectie; straling; verdamping; geleiding. De hoeveelheid warmte die een mens produceert, hangt af van de hoeveelheid voedsel die verbrand wordt en van de activiteiten die worden verricht. Om de warmtebalans van het lichaam in evenwicht te houden, kleedt de mens zich dusdanig dat hij voldoende warmte over heeft om zijn lichaam op temperatuur te houden. De thermische weerstand van kleding wordt uitgedrukt in clo; kantoorpersoneel draagt in de

zomer kleding met een thermische weerstand van circa 0,7 clo en in de winter van 0,9 clo. Poolkleding levert een thermische weerstand van circa 3 clo op en alleen een korte broek 0,1 clo. In zeer veel situaties is er sprake van een warmteoverschot, zodat er warmte afgegeven moet worden aan de omgeving. Alle vier de afgiftemechanismen zijn afhankelijk van het temperatuurverschil met de omgeving; afgifte door straling zelfs met de vierde macht van het temperatuurverschil. De stralingstemperatuur wijkt iets af van de luchttemperatuur, maar in de huidige context is het voldoende nauwkeurig over een verschil in luchttemperatuur te spreken. De warmteafgifte is afhankelijk van de mate waarin lucht warmte geleidt en die is slecht (lucht is een goede isolator). De warmteafgifte wordt beter als de lucht meer vocht bevat (betere geleiding) of als de lucht beweegt (betere convectie). Als de lucht te snel beweegt, wordt de afvoer te groot, wat als onaangenaam wordt ervaren: Het tocht!. Daarnaast is verdampen (transpireren) een methode om warmte af te voeren.

warmteproductie mens

kledingweerstand

luchttemperatuur

behaaglijkheid

luchtsnelheid

stralingstemperatuur

relatieve vochtigheid

Figuur 11.5 Factoren die behaaglijkheid benvloeden

In guur 11.5 zijn de invloedsfactoren op de behaaglijkheid van een mens weergegeven. De warmtebalans van de mens is zeer complex en verkeert in een soort labiel evenwicht met het (binnen)klimaat. Daarbij is de temperatuur een zeer belangrijke parameter. Als het evenwicht verstoord is, wordt dat als onbehaaglijk ervaren. Naast de genoemde factoren is de behaaglijkheid ook afhankelijk van het individu: de ene mens heeft het eerder koud dan de andere. Behaaglijkheid is geen fysisch begrip dat in een formule te vangen is; op zijn minst zijn er statistische beschouwingen nodig. Daarmee is tevens gezegd dat er geen sprake kan zijn van een absolute behaaglijkheid, maar dat er sprake is van een optimum. Een bepaald aantal mensen zal altijd ontevreden zijn, maar dit percentage moet op een acceptabel niveau liggen. Diverse wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar de factoren die de behaaglijkheid benvloeden. De bekendste is Fanger, die erin is geslaagd behaaglijkheidsvergelijkingen op te stellen. Met behulp van deze vergelijkingen is het mogelijk een temperatuuroptimum te bepalen afhankelijk van de verrichte activiteiten en in mindere mate van de kleding, de luchtbeweging en de luchtvochtigheid: de zogenaamde Predicted Mean Vote (PMV). Men kan kiezen welk percentage ontevredenen geaccepteerd wordt (het zogenaamde Predicted Percentage Dissatised (PPD) en daaruit volgt dan de boven- en ondergrens van het behaaglijkheidsgebied, uitgedrukt in een temperatuur. De uren waarin de temperatuur overschreden wordt, worden overschrijdingsuren genoemd. Voor gedetailleerdere informatie zie NEN-EN-ISO 7730 en ISSO-researchrapport 5.

Door de Rijksgebouwendienst (Rgd) is de beoordelingsmethode voor thermische behaaglijkheid verder ontwikkeld tot gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO). De Rgd stelt dat het product van het percentage ontevredenen (PPD) en de tijd dat er onbehaaglijkheid optreedt constant moet zijn. Het product wordt bepaald in die gevallen waarbij de behaaglijkheidgrenzen, aangegeven door de PMV (Predicted Mean Vote) worden overschreden: 0,5 < PMV < +0,5. De methode houdt zowel rekening met de in het gebouw optredende stralingstemperaturen als met de gemiddelde temperatuur, de luchtsnelheid, de vochtigheid, het fysiek activiteitenniveau van de gebruikers en de gedragen kleding. Een nieuwe methode ter bepaling van het thermisch binnenklimaat is in ontwikkeling: de adaptieve gewogen temperatuuroverschrijding (AGTO). Deze methode gaat uit van het adaptieve gedrag van de mens en maakt gebruik van een glijdende schaal voor de toelaatbare binnentemperatuur. Op het moment van schrijven is nog niet bekend op welke termijn de AGTO-methode in de normen wordt opgenomen. Om de temperatuur binnen de gewenste grenzen te houden, moet er warmte worden toegevoerd en in geval van temperatuuroverschrijdingen moet er warmte worden afgevoerd. Gebouwinstallaties zorgen voor verwarming of koeling door warm (of koud) water of lucht door de eindapparaten te pompen. Verwarmen kost energie, net zoals transporteren van water en lucht. Dat koelen van water veel energie kost, mag algemeen bekend worden verondersteld. Resumerend kan worden gesteld dat het realiseren van een behaaglijk binnenklimaat energie

11 ENERGIEHUISHOUDING

kost; de mate waarin hangt af van het type gebouw en van het type installatie.
Kantoorinnovatie De invoering van informatie- en communicatietechnologie heeft het werken in kantoren drastisch veranderd. Niet alleen het soort werk is veranderd, de nieuwe technologie stelt medewerkers ook in staat het werk op verschillende plaatsen uit te voeren. Een groeiend aantal organisaties neemt geen genoegen meer met een standaard cellenkantoor, maar streeft naar huisvesting die de veranderende werkprocessen beter ondersteunt. Deze ontwikkeling wordt wel aangeduid met de term kantoorinnovatie. Veelal resulteert kantoorinnovatie in een differentiatie van soorten werkplekken. Bijvoorbeeld concentratiewerkplekken voor personen die enkele uren geconcentreerd willen werken, wisselwerkplekken voor ambulante medewerkers, vergaderruimten en zones voor informele communicatie. Organisaties willen exibeler kunnen opereren en verlangen een grote mate van exibiliteit van de afbouw en de gebouwinstallaties. Het streven naar een transparantere bedrijfsvoering en een meer open bedrijfscultuur vertaalt zich in het veelvuldig gebruik van glas, ook in de binnenafbouw. Het intensievere gebruik van de middenzone leidt tot gebouwen met een complexere installatie en een grotere breedte dan gebruikelijk, zie ook paragraaf 13.1.1.

zijn beschikking heeft) niet verandert. Als de functie wijzigt, is opnieuw afstemming van de installatie op het gebouw nodig. Een gebouw redelijk exibel ontwerpen is moeilijk, exibele installaties ontwerpen is nog moeilijker. Bijna alle gebouwinstallaties kennen een centrale opstelling van de machines. In de verblijfsruimten bevinden zich radiatoren, inblaasroosters, enzovoort. Onderling zijn ze door een net van leidingen of kanalen verbonden en het totaal is niet eenvoudig te veranderen. Daar komt bij dat de levensduur van een gebouwinstallatie rond de vijftien tot twintig jaar ligt, terwijl de economische levensduur van de draagstructuur van het gebouw tachtig jaar bedraagt (technische levensduur zelfs meer dan tachtig jaar). Een andere indeling vraagt meestal warmte of koude op een andere plaats. Aanpassen van de capaciteit van de machines is niet zo eenvoudig en het verleggen van leidingen is een ingrijpende klus. Uit oogpunt van kosten worden er niet snel machines met grotere capaciteit geplaatst. Het aanbrengen van extra radiatoren, inblaasroosters of andere eindapparatuur is ook kostbaar.
11.2.2 Wettelijke eisen De belangrijkste wettelijke eisen zijn te vinden in: Woningwet; Arbeidsomstandighedenwet; Arbeidsomstandighedenbesluit; Wet milieubeheer; Bouwbesluit.

Flexibiliteit De exibiliteit van een gebouw wordt bepaald door de mate waarin de inbouw kan worden aangepast. Het gebouw kan dezelfde functie houden (kantoor blijft kantoorgebouw), maar ook een functiewijziging hoort tot de mogelijkheden (bijvoorbeeld kantoor wordt schoolgebouw). Een veelvoorkomend kantoorgebouw bestaat uit een draagstructuur, een buitenschil en systeemplafonds waarin een eenvoudige installatie is aangebracht. Een wijziging naar een andere indeling is eenvoudig aan te brengen zolang de functie van het gebouw en de bezettingsgraad (aantal m2 dat elke werknemer tot

Woningwet Hierin is onder andere geregeld dat de overheid bouwtechnische eisen moet stellen (vastgelegd in het Bouwbesluit), maar ook eisen kan stellen voortvloeiend uit het stedenbouwkundige plan en eisen van redelijke welstand. Denk bijvoorbeeld aan de situering van het gebouw op het terrein die tot een ongunstige orintatie ten opzichte van de zon kan leiden. Arbeidsomstandighedenwet In de Arbeidomstandighedenwet zijn de aspecten van het door de werkgever te voeren arbeidsomstandighedenbeleid opgenomen.

Arbeidsomstandighedenbesluit In het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn voorschriften gegeven ten aanzien van uitzicht, daglichttoetreding, enzovoort, voor ruimten waarin mensen verblijven. Wet milieubeheer De Wet milieubeheer regelt onder andere dat er geluidzones vastgelegd zijn waarbinnen de geluidproductie een vastgelegd niveau niet mag overschrijden. Binnen die zones kunnen bepaalde activiteiten niet plaatsvinden, tenzij omhullingen van gebouwen voldoende geluidwering bezitten. Een geluidwerende gevel is tevens goed luchtdicht en beperkt de mogelijkheden tot luchtuitwisseling. Daarmee is de relatie naar de warmtehuishouding gelegd.
Prestatie-eisen In het Bouwbesluit worden prestatie-eisen aangegeven. Een prestatie-eis is een eenduidig meetbare eis met daarin opgenomen de bepalingsmethode en veelal ook het motief waarom de eis wordt gesteld. Prestatie-eisen worden bij voorkeur aan het hele gebouw gesteld. Een voorbeeld: grootte kantoor: geschikt voor 100 personen; ter huisvesting van kantoorpersoneel; energieprestatiecofcint voor kantoorfuncties = 1,5, bepaald overeenkomstig NEN 2916 ter beperking van het energiegebruik; aantal gewogen temperatuur overschrijdingsuren (GTO) = 150, bepaald volgens de methode van de Rijksgebouwendienst ter verkrijging van een behaaglijk binnenklimaat. Prestatie-eisen zijn vrij abstract geformuleerd, zodat er een vertaalslag nodig is van gebouwniveau naar bouwdelen. Grote voordelen van prestatie-eisen zijn: vormen geen belemmering voor innovatieve producten; eenduidige beoordeling of aan eis wordt voldaan, is mogelijk; ervaring bouwers en producenten kan in ontwerpfase worden benut; kosten gebouwen worden gereduceerd; bouwer kiest bouwmethode en organisatievorm waarin hij zich heeft gespecialiseerd.

5 Bouwbesluit In het Bouwbesluit zijn eisen beschreven ten aanzien van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Deze eisen zijn afhankelijk van de functie van het gebouw.
Het Bouwbesluit wordt behandeld in deel 7 Bouwmethodiek, hoofdstuk 2

In het kader van de warmtehuishouding zijn de belangrijkste vier eisen: 1 Energiezuinigheid warmteweerstand gesloten delen: Rc 2,5 m2 K/W; energieprestatiecofcint EPC: bijvoorbeeld EPC 1,5 (kantoorfunctie, guur 11.6); luchtdoorlatendheid: luchtvolumestroom 0,20 m3/s per 500 m3. 2 Geluidwering gevel kantoren: GA,k L 40 dB(A)met minimum van 20 dB (A), waarbij L de geluidbelasting op de gevel is; woongebouwen: GA,k L 35 dB(A) met minimum van 20 dB(A). 3 Daglichttoetreding kantoren: daglichtoppervlak 2,5 procent van vloeroppervlak; woongebouwen: daglichtoppervlak 10 procent van vloeroppervlak. 4 Luchtverversing kantoren: 1,3 10-3 m3/s per m2 vloeroppervlak met minimum van 13 10-3 m3/s; woongebouwen: 0,9 10-3 m3/s per m2 vloeroppervlak met minimum van 7 10-3 m3/s. De EPC-eisen uit het Bouwbesluit worden regelmatig bijgesteld, zodat het zaak is een eis voortdurend op juistheid te veriren. De invloed van de wettelijke eisen op de energiebalans wordt besproken aan de hand van het begrip energieprestatie zoals die in NEN 5128 en NEN 2916 is vastgelegd. Enkele begrippen worden hier nader toegelicht. Warmte-isolatie In de winter bezit het binnenklimaat in vrijwel alle gebouwen (koelcellen daargelaten) een hogere luchttemperatuur dan het buitenklimaat. Er treedt een warmtestroom van binnen naar buiten op die ongewenst is, want ze benvloedt het bin-

11 ENERGIEHUISHOUDING

Gebruiksfunctie Woonfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidsfunctie klinisch niet-klinisch Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie niet gelegen in logiesgebouw gelegen in logiesgebouw Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie

Energieprestatiecofficint EPC 1,0 2,2 1,9 3,6 1,5 geen eis 1,5 1,4 1,9 1,4 1,8 3,4

Bepalingsmethode NEN 5128 NEN 2916 NEN 2916 NEN 2916

n.v.t. NEN 2916 NEN 2196

NEN 2916 NEN 2916 NEN 2916

Figuur 11.6 EPC-eisen voor nieuwbouw volgens Bouwbesluit 01-01-2003

nenklimaat negatief. De warmtestroom bestaat uit drie fysische componenten: straling; stroming; geleiding. Straling Elk voorwerp zendt warmtestraling uit die ophoudt bij de absolute nultemperatuur van 273 K. Ook het menselijk lichaam zendt straling uit en ontvangt straling van de omliggende voorwerpen. Hoe groter het verschil in stralingstemperatuur tussen de mens en zijn omgeving, hoe groter het warmteverlies. Als er zwaar lichamelijk werk wordt verricht, is enig warmteverlies gewenst. Willen mensen zich behaaglijk voelen, dan moet de stralingstemperatuur van de omgeving niet al te veel verschillen van de lichaamstemperatuur. Dit betekent dat in een gebouw de temperaturen van wanden en plafonds niet veel lager dan 10 tot 15 C mogen liggen. Bij een groot glasvlak kan in de winter de glastemperatuur beneden 10 C liggen, wat als zeer onprettig wordt ervaren: door straling gaat er te veel warmte verloren naar het koude glasvlak. Stroming Warmtetransport vindt ook plaats door stroming van de lucht, convectie genaamd, die geen verdere toelichting nodig heeft.

Geleiding Warmtetransport door geleiding is ook een bekend verschijnsel en wordt bepaald door de dikte van het materiaal en de zogenaamde warmtegeleidingscofcint . De warmteweerstand R van een constructie wordt bepaald door drie factoren: geleiding, convectie en straling. In de dagelijkse praktijk worden straling en convectie verdisconteerd in een constante waarde (overgangs- en spouwweerstand) en is de warmtegeleiding de belangrijkste factor. De warmteweerstand van een constructie luidt in formulevorm: Rc = d + Rspouw m2 K in W

De warmteweerstand van de constructie vermeerderd met de overgangsweerstanden (ri en re) levert de totale weerstand Rt op: de weerstand die de warmtestroom ondervindt om de constructie te passeren: Rt = ri + Rc + re m2 K = 1 in W U

Meestal wordt er gewerkt met de warmtedoorgangscofcint U, die een maat is voor het warmteverlies en gelijk is aan de reciproque waarde van de warmteweerstand Rt. De warmtegeleidingscofcint van steenachtige materialen is groot ( = 2,0 W/m K), van hout is ze redelijk ( = 0,15) en van isolatiematerialen is

10

ze klein ( = 0,030 tot 0,040 W/m K). De vaak verlangde warmteweerstand Rc 3,0 m2 K/W vraagt dus een minimale isolatiedikte van 120 mm en in de praktijk vaak 140 mm, omdat er in een constructie vaak delen met een ongunstiger warmtegeleidingscoefcint zitten, bijvoorbeeld houten stijlen. Wil men extra goed warmte isoleren, dan zijn isolatiedikten van circa 200 mm nodig, wat in Scandinavische landen zeer gebruikelijk is. Daglicht Een mens voelt zich duidelijk prettiger en maakt minder fouten bij daglicht en bij uitzicht naar buiten. Dit is de reden dat in het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verlangd dat er niet meer dan twee uur wordt gewerkt in een ruimte zonder daglicht. In een gebouwomhulling moeten bijna altijd lichtopeningen aanwezig zijn. Glas is een steenachtig materiaal, is in de praktijk niet veel dikker dan 6 tot 8 mm en heeft dus een grote warmtedoorgangscoefcint (U = 5 W/m2 K voor enkel glas). De U-waarde is te verbeteren door dubbel glas toe te passen of speciale reecterende coatings op de glasplaten aan te brengen, waardoor het zogenaamde HR-, HR+- of HR++-glas ontstaat, waarmee een U van 1,1 W/m2 K te realiseren is. In de praktijk bestaat een raam ook uit kozijnstijlen met een ongunstiger warmtedoorgangscofcint, waardoor een raam voorzien van HR++glas een U van circa 1,5 W/m2 K bezit. Het gebruikelijke dubbele glas bezit een U van 3,0 W/m2 K, zodat inclusief kozijnaandeel U = circa 4,2 W/m2 K geldt. Uit het oogpunt van de warmtehuishouding heeft de daglichteis in de zomer een negatief effect op het binnenklimaat. Zonlicht is een elektromagnetische straling met een korte golengte die vrijwel ongehinderd door glas heen valt. Is de zonnestraling binnen, dan wordt ze geabsorbeerd door wanden en plafonds, die op hun beurt straling uitzenden met een grotere golengte die niet meer ongehinderd door het glas naar buiten kan. Daarmee komt er door glasvlakken zonne-energie binnen die voor het overgrote deel omgezet wordt in warmte (zogenaamde broeikaseffect). In de zomersituatie kan op deze manier veel warmte naar binnen komen.

Luchtdichtheid In een gebouw is ventilatie nodig om ongewenste geuren en geproduceerd CO2 af te voeren. Met de ventilatielucht wordt ook warmte afgevoerd. Naast de gecontroleerde beweging van lucht die via ventilatieroosters verdwijnt, zijn er ook ongecontroleerde luchtbewegingen door naden en kieren waardoor ook warmte verdwijnt, meestal inltratie genoemd. Ongecontroleerde luchtverliezen hebben een groter aandeel in het warmteverlies dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Om inzicht te krijgen in het luchtverlies door inltratie in een gebouw, worden bewust aangebrachte ventilatieopeningen afgeplakt, wordt het gebouw op overdruk gebracht en wordt vervolgens het luchtverlies gemeten. Om een indruk te krijgen waar de luchtlekken zitten, worden in het gebouw rookpatronen aangestoken. Dan blijkt dat ramen en deuren (draaiende delen in gebouw) grote lekken zijn, net als de aansluitingen van de gevel op het dak en, bij een hellend dak, de nok. Ondanks dat bij prefabricage zeer zorgvuldig en maatvast wordt gewerkt, blijken de naden tussen de elementen vaak aanleiding te zijn tot ongedacht veel luchtverlies. Het luchtverlies door de begane-grondvloer vraagt aandacht als er een kruipruimte onder ligt. In de praktijk blijken invoeren van nutsleidingen en doorvoeringen van andere leidingen grote luchtlekken te zijn. De luchtdichtheid van de begane-grondvloer is van belang uit oogpunt van energieverlies, maar ook om ongewenste geuren of ongewenste gassen (bijvoorbeeld het radioactieve gas radon uit de bodem) tegen te houden.

11.3 Gebouwconcepten
11.3.1 Bouwfysisch gedrag gebouw De belangrijkste componenten die het bouwfysisch gedrag van een gebouw benvloeden, zijn: massa gebouw, van belang in verband met mogelijkheid tot warmteaccumulatie (uitgedrukt in kg per m2 vloeroppervlak); glasoppervlakte buitenschil, orintatie en toepassing zonwering (uitgedrukt in percentage glas);

11 ENERGIEHUISHOUDING

11

compactheid gebouw (uitgedrukt in m1, gebouwomhullend oppervlak gedeeld door volume); interne warmtelast (uitgedrukt in W per m2 vloeroppervlak); ventilatie (uitgedrukt in m3/s m2 vloeroppervlak). De warmtehuishouding van een gebouw wordt uitgelegd aan de hand van een berekening van de energieprestatie volgens NEN 2916 en ISSO/ SBR-publicatie 300. In het begrip energieprestatie (EP) wordt geen rekening gehouden met de behaaglijkheid van een ruimte, reden om naast NEN 2916 ook ISSO/SBR 300 te behandelen. ISSO/SBR 300 is een van de weinige publicaties waarin het benodigde rekenwerk al is verricht en aan de hand van tabellen de consequentie voor het gebouw- en installatieconcept kan worden ingeschat. Bij de bespreking van de belangrijkste bouwfysische gedragingen van een gebouw worden de begrippen geconcretiseerd door aan te geven hoe dit aspect in ISSO/SBR 300 is verwerkt.
ISSO/SBR 300: gebouwindeling naar massa uitgedrukt in kg/m2 vloeroppervlak Skelet zwaar: steenachtige wanden, kolommen en vloeren; licht: stalen kolommen en balken met bijvoorbeeld vloeren uit cellenbeton. Gevel zwaar: binnen- en buitenblad steenachtig (bijvoorbeeld halfsteensmetselwerk); licht: gesoleerd (houten) frame met een gipskarton binnenbeplating en een buitenbeplating uit metaal of een kunststofplaat. Inbouwpakket zwaar = 75 kg/m2; thermisch gesloten verlaagd plafond (bijvoorbeeld mineraalvezelsysteemplafond), zware scheidingswanden (bijvoorbeeld 100 mm dikke kalkzandsteen) en een 200 mm dikke betonvloer afgedekt met tapijt;

middel = 60 kg/m2; thermisch open verlaagd plafond (bijvoorbeeld over circa 80 procent van het oppervlak een mineraalvezelsysteemplafond), lichte scheidingswanden (bijvoorbeeld een frame bekleed met gipskartonplaat) en een 200 mm dikke betonvloer met tapijt; licht = 50 kg/m2; constructie identiek aan middel, maar met een thermisch gesloten plafond.

Massa gebouw In gebouwen waarin het binnenklimaat niet zeven dagen per week en 24 uur per etmaal constant hoeft te zijn, kan worden bespaard op het energiegebruik door buiten de bedrijfstijden temperatuurverlaging toe te passen. Figuur 11.7 geeft voor een kantoorgebouw een zeer gebruikelijk verloop van de binnentemperatuur weer. In de winterperiode stopt de verwarming rond 17.00 uur en daalt de temperatuur geleidelijk tot 18 16 C. In de zomerperiode daalt de tempeafkoelen resulterende temperatuur in C 22 21 20 19 18 17 16 15 17.00 24.00 6.00 12.00 tijd van de dag in uren Z M L 20 verwarmen

afkoelings- en opwarmbedrijf tijdens zomer


afkoelen verwarmen 22

resulterende temperatuur in C

22 21 20 19 18 17 16 15 17.00 24.00 6.00 12.00 tijd van de dag in uren Z M L

afkoelings- en opwarmbedrijf tijdens winter

Z = zwaar gebouw M = middelzwaar gebouw L = licht gebouw


Figuur 11.7 Temperatuurverloop in kantoor met nachtverlaging

12

ratuur ook, maar naar een minder lage temperatuur van circa 19 C. Daarbij blijkt dat de temperatuur in een gebouw met zware stenen gevels en zware betonnen vloeren minder snel daalt dan in een gebouw met lichte stalen sandwichgevels. In de zomer is dat zeer duidelijk te ervaren: de warmte die is opgeslagen in de wanden en vloeren moet worden afgevoerd en dat duurt enige dagen. Een gebouw met een grote massa blijft in de zomer lang warm en dat wordt als onbehaaglijk ervaren. In de winter wordt massa als aangenaam ervaren, omdat de temperatuur dan behoorlijk constant blijft. De massa van een gebouw is vooral geconcentreerd in de draagstructuur (kolommen, wanden en vloeren), de buitengevel en het inbouwpakket (steenachtige binnenwanden). Van deze massa kan gebruik worden gemaakt om de binnenluchttemperatuur geleidelijk te wijzigen. Overdag wordt de massa benut om de overtollige warmte in op te slaan en tijdens de nacht om deze weer af te geven. De binnentemperatuur varieert minder dan de buitentemperatuur amplitudedemping) en loopt in de tijd gezien achter op de buitentemperatuur (faseverschuiving), guur 11.8. Van de massa van een gebouw kan bewust gebruik worden gemaakt om de behaaglijkheid te benvloeden en om het energiegebruik te reduceren. Bij zogenaamde nachtventilatie wordt

s zomers in de nachtelijke uren de ventilatie ingeschakeld om koele buitenlucht door het gebouw te voeren en zo de geaccumuleerde warmte af te voeren. De gebouwmassa moet warmte kunnen opnemen, zodat het van belang is dat de vloer niet al te zwaar gesoleerd is; een tapijt aan de bovenzijde en een plafond aan de onderzijde belemmeren ongestoorde warmte-uitwisseling. Glaspercentage, orintatie en zonwering In Nederland bevat zonlicht maximaal 1000 W/m2 energie. Als er zonlicht op glas valt, komt een aanzienlijk deel van deze energie in het gebouw terecht, het zogenaamde broeikaseffect. Van deze gratis energie kan worden geproteerd in de wintersituatie, maar in de zomersituatie wordt er al snel hinder van ondervonden, omdat het te warm en onbehaaglijk wordt. Voor de warmtehuishouding van een kantoorgebouw is de zomersituatie meestal maatgevend: de zonneenergie moet buiten worden gehouden. Daarvoor zijn diverse maatregelen denkbaar: orintatie; zonwering; zonwering door speciale glassoorten. Orintatie Door op het noorden geplaatste ramen valt nooit direct zonlicht binnen en komt alleen indirect zonlicht binnen. Indirect zonlicht bevat ook warmte, maar onvoldoende om in de zomer

(C)

faseverschuiving

amplitudedemping

6.00

12.00

18.00

24.00

6.00 (uren)

= binnentemperatuur = buitentemperatuur

Figuur 11.8 Invloed accumulatie op temperatuurverloop

11 ENERGIEHUISHOUDING

13

overlast te geven. In de winter verdwijnt door op het noorden geplaatst glas veel energie, omdat glas een slechte isolator is. In de zomersituatie worden op het zuidoosten en westen georinteerde ruimten zonder maatregelen onbehaaglijk warm. Bij pal op het zuiden gerichte ruimten is de warmtebelasting door de zon geringer dan men zou denken, omdat de zon hoog aan de hemel staat met als gevolg een geringere belasting op een verticaal vlak. Zonwering Een andere methode om zonlicht buiten te houden, is gebruikmaken van de schaduw van begroeiing of van overstekken aan het gebouw. Buitenzonwering reduceert het opwarmen van het binnenklimaat effectief, maar een nadeel is dat buitenzonwering snel wordt beschadigd door wind. Moderne elektronica is in staat de zonwering tijdig te laten optrekken, maar in het voorjaar kan er hinder ontstaan door frequente bewegingen van de buitenzonwering veroorzaakt door buien en fel zonlicht die elkaar snel afwisselen. Menselijke ogen hebben moeite zich in die situaties snel aan te passen en het binnenklimaat wordt dan ervaren als vermoeiend en onbehaaglijk. Een permanente buitenzonwering ontstaat door voor de gevel een luifel aan te brengen bestaande uit lamellen. Binnenzonwering is effectief om de helderheid van het zonlicht te reguleren, maar niet om de warmte uit het zonlicht te weren; immers de zonne-energie is al door het glas heen gevallen en veroorzaakt daar warmtestraling. In het vervolg worden maatregelen aan de binnenzijde dan ook aangeduid met de term helderheidswering. Een goede middenweg zijn maatregelen tussen de binnen- en buitenbeglazing, wat betekent dat de binnen- en buitenruit relatief ver uit elkaar geplaatst moeten worden. Dit kan gepaard gaan met een verkleining van het netto te benutten vloeroppervlak. Zonwering door speciale glassoorten Een andere mogelijkheid is het toepassen van speciale glassoorten waarbij aan de binnenzijde van de dubbele ruit een speciale laag is aangebracht die een deel van het zonlicht reecteert. De mate waarin zonne-energie wordt doorgelaten, wordt uitgedrukt in de zontoetredingsfactor

(ZTA-waarde), guur 11.9. Voor blank dubbel glas is deze factor circa 0,70, wat betekent dat 70 procent van de zonne-energie naar binnen komt. Door coatings aan te brengen kan de ZTAwaarde worden verlaagd tot 0,15 bij sterk reecterende glassoorten. Probleem is meestal dat de coatings zowel de warmte als het licht tegenhouden. Dan moet er gebruik worden gemaakt van kunstlicht, dat weer warmte afgeeft. De meeste coatings geven een verkleuring van het daglicht; grote kleurverschillen worden als onprettig ervaren. De lichttoetreding wordt uitgedrukt in de lichttoetredingsfactor LTA. In het ontwerp is het zaak een optimum te bereiken tussen ZTA- en LTA-waarden. De laatste jaren heeft de glasindustrie grote vorderingen gemaakt en bestaan er glassoorten die een lage U-waarde combineren met een lage ZTA-waarde en een goede LTA-waarde.
Raam Blank enkel glas Blank dubbel glas Warmtereflecterend niet-zonwerend dubbelglas ZTA 0,80 0,70 0,60

Figuur 11.9 Zontoetredingsfactor ZTA volgens NEN 5128

Mechanische zonweringen en speciale zonwerende glassoorten worden besproken in deel 4C Gevelopeningen, hoofdstuk 20

De gebouwontwerper beschikt over diverse mogelijkheden om tegemoet te komen aan de menselijke behoefte aan daglicht en om gelijktijdig een teveel aan zonnewarmte tegen te houden door: zo klein mogelijke glasoppervlakken toe te passen (let op: voor kantoren geldt volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit dat het gezamenlijke oppervlak van de daglichtopeningen ten minste 1/20 van het vloeroppervlak van die ruimte moet bedragen); zeer bewust om te gaan met orintatie glasvlakken; glasoppervlakken af te schermen door beschaduwing, overstekken of buitenzonwering; specieke glassoorten met een lage ZTAwaarde en een goede LTA-waarde toe te passen.

14

Bouwvorm

Verliesoppervlak bij gelijkblijvend volume

1 Bol

Averlies = 0,23 V

dak gevel vloer 2 Eenlaags 14,4 40 3 m A V

2.304 m2 1.306 m2 2.304 m2 5.914 m2 6.912 m3

_______________________

Averlies = 0,86 V dak gevel vloer 3 Gestapeld tot rechthoek 14,4 40 12 m A V 576 m2 1.306 m2 576 m2 2.458 m2 6.912 m3

_______________________

Averlies = 0,36 V

dak gevel vloer 4 Gestapeld tot kubus 24 24 12 m A V

576 m2 1.152 m2 576 m2 2.304 m2 6.912 m3

_______________________

Averlies = 0,33 V

dak gevel vloer 5 Sprongen A V

1.008 m2 1.920 m2 1.008 m2 3.936 m2 6.912 m3

_______________________

Averlies = 0,57 V
Figuur 11.10 Compactheid gebouw: zelfde volume en verschillend verliesoppervlak Averlies

11 ENERGIEHUISHOUDING

15

ISSO/SBR 300: variabelen transparantheid buitenschil In ISSO/SBR 300 worden tabellen gegeven die geldig zijn voor: orintaties; glaspercentage; type glas en buitenzonwering: dubbel blank glas met ZTA = 0,70 en U = 3,4 W/m2 K; zonwering: buitenzonwering met ZTA = 0,20 en U = 3,3 W/m2 K, sluit automatisch bij totale zonbelasting van 300 W/m2.

Bron

Interne warmtelast in W/m2 Laag Middel 10 10 15 35 Hoog 10 10 35 55

Personen Verlichting Apparatuur Totaal

8 10 2 20

Compactheid gebouw Een gebouw met een grote inhoud en een gering buitenoppervlak heeft een relatief gering verliesoppervlak en gedraagt zich gunstig uit oogpunt van energiegebruik. In guur 11.10 is een aantal vormen gegeven met hetzelfde volume maar met een andere aaneenschakeling en een verschil in het oppervlak van de omhulling. De verhouding oppervlak gedeeld door volume (A/V) varieert van 0,23 (bolvorm) tot 0,86 (paviljoenbouw) en is een maat voor het energieverlies door de omhulling. Het energieverlies kan in het ontwerp worden beperkt door de verhouding A/V zo klein mogelijk te maken. In de praktijk resulteert dit in rechthoekige vormen met boven elkaar gestapelde bouwlagen. Ongunstig zijn veel sprongen in dak of gevel, guur 11.10-5.
ISSO/SBR 300: variabelen compactheid ISSO/SBR 300 houdt geen rekening met compact bouwen.

Verlichting (exclusief via armaturen afgezogen deel): in werkruimten: 10 W/m2 in gangen: 6 W/m2 Personen: bij bezettingsgraad 1 op 8 m2: 10 W/m2 Apparatuur: afhankelijk van type computer en beeldscherm
Figuur 11.11 ISSO/SBR 300: interne warmtelast in kantoren

Het is gebruikelijk alle warmtebelastingen terug te rekenen tot waarden per m2 vloeroppervlak. In een kantoor is een bezettingsgraad van 10 m2 per persoon gebruikelijk (8 m2 per persoon komt voor).Uitgaande van deze bezettingsgraad bedraagt de bijdrage van een persoon aan de interne warmtebelasting 8 tot 10 W/m2. Verlichting In een kantoor is op het werkvlak een verlichtingssterkte van circa 400 lux nodig om goed te kunnen werken. Een verlichtingssterkte van 400 lux kan alleen in de nabijheid van ramen door daglicht worden gerealiseerd, de rest moet door kunstlicht worden toegevoegd. Zeer gangbaar is een kunstverlichting die gelijkmatig over het plafond is verdeeld in de vorm van tl-armaturen die de hele dag branden. Zij leveren een warmte van 12 tot 14 W/m2. Afzuiging via de armaturen kan de bijdrage aan de interne warmtebelasting reduceren, maar ze blijft in dezelfde grootteorde als die tengevolge van personen. Een andere methode om de interne warmtebelasting te reduceren, is de zogenaamde gezoneerde verlichting. Bij gezoneerde verlichting wordt alleen ter plaatse van de werkplekken een verlichtingssterkte van 400 lux gerealiseerd en is de verlichtingssterkte elders in het vertrek kleiner. De warmtebelasting wordt hierdoor gereduceerd tot circa 10 W/m2.

Interne warmtelast Interne warmtelast, guur 11.11, bestaat uit warmte afgegeven door: personen; verlichting; apparatuur. Personen Bij licht zittend werk staat een mens 80 W warmte af aan zijn omgeving. De bijdrage van personen aan de totale warmtelast hangt af van het aantal verblijfsuren per etmaal en de bezettingsgraad (aantal mensen in gebouw).

16

Vergelijkbaar is de zogenaamde werkplekverlichting, waarbij de kunstverlichting in de hele ruimte een verlichtingsniveau van 200 lux bewerkstelligt en een werkplekverlichting het niveau plaatselijk op 400 lux brengt. Afzuiging van de door een bureaulamp geproduceerde warmte is echter moeilijk te realiseren. Er resulteert een warmtebelasting van circa 10 W/m2. Een prettige verlichting is indirecte verlichting, waarbij kunstlicht via het plafond wordt gereecteerd. Om op de werkplek een verlichtingssterkte van 400 lux te realiseren, is vrij veel elektrisch vermogen nodig. Afzuiging is moeilijk, zodat de bijdrage aan de interne warmtelast 20-25 W/m2 bedraagt. Het aantal uren dat de verlichting een bijdrage levert aan de interne warmtelast is afhankelijk van de wijze van regeling. In een kantoor ontstaat een maximaal aantal bedrijfsuren als de verlichting centraal wordt geschakeld waarbij tijdens 52 5 dagen 10 uur de verlichting brandt. Bij de toepassing van handmatige en veegschakeling wordt de warmteproductie gereduceerd. Bij een veegschakeling wordt via een puls op het elektranet aan het begin en het einde van een werkdag en eventueel ook tijdens lunchpauzes de verlichting centraal uitgeschakeld. Er bestaan ook verlichtingsystemen waarbij de aan/uitschakeling daglichtafhankelijk is of wordt gestuurd door een afwezigheidsdetectie. Ten slotte is het mogelijk de warmtebelasting te beperken door te kiezen voor bepaalde lamp-

typen. Een gloeilamp geeft aangenaam warm licht, maar heeft een hoge warmteafgifte. Een tl-lamp geeft beduidend minder warmte af en hoogfrequent tl-lampen (HR-tl-armaturen) produceren nog minder warmte. De bijdrage van de verlichting aan de warmtebelasting is de afgelopen jaren door betere verlichtingsplannen en energiezuiniger lampen sterk gedaald. Een gebruikelijke bijdrage van de verlichting aan de interne warmtebelasting bedraagt circa 10 W/m2, waarbij werkplekverlichting wordt toegepast en afzuiging van de warmte via de armaturen. Apparatuur De warmteafgifte door verlichting is in de loop van de jaren afgenomen, maar die door kantoorapparatuur is juist toegenomen. De apparatuur bestaat vooral uit computers en kopieermachines. Een kleurenmonitor in analoge of digitale uitvoering is een grote warmtebron. Weliswaar zijn de beeldschermen ook ten aanzien van de warmteafgifte verbeterd, maar het aantal schermen per m2 vloeroppervlak is in kantoren toegenomen. De warmtebelasting door kantoorapparatuur hangt daarmee af van de bezettingsgraad en de mate van geautomatiseerd werken. Een bijdrage aan de interne warmtebelasting met waarden van 10 en 20 W/m2 is normaal. In de wintersituatie is de interne warmtebelasting een winst die de warmtebehoefte reduceert. Een andere vorm van warmtewinst is passieve zonne-energie waarvan in deze paragraaf enkele principes genoemd worden.

collector 35 m2 koud water

naverwarming tapwater CV tappunten

2 m3

radiatoren

opslagreservoir

Figuur 11.12 Schema zonnecollector met tapwater- en cv-verwarming

11 ENERGIEHUISHOUDING

17

dagsituatie

nachtsituatie

Figuur 11.13 Trombe-wand: zonne-energie wordt tijdelijk opgeslagen

Zonne-energie De zon kan als bron van energie benut worden met behulp van: zonnecollector, die warmte opwekt voor verwarming of tapwater, guur 11.12; Trombe-wand, die warmte opslaat en later afgeeft, guur 11.13; atrium, waarin de door de zon voorverwarmde lucht als ventilatielucht wordt benut, guur 11.14;

zonnecel (fotovoltasche cel), waarin elektrische energie wordt opgewekt, guur 11.15; bodemopslag, waarbij energie tijdelijk wordt opgeslagen in de bodem onder het gebouw, guur 11.16.

buitenlucht 18 C

8 C

warmtevragers

8 C

18 C

aquifer koude bron warme bron

Figuur 11.16 Langetermijnopslag zonne-energie in bodem: zomersituatie Figuur 11.14 Ministerie van VROM: gebouw dat zonneenergie benut door toepassing van atria: ventilatielucht wordt hierin voorverwarmd
zonlicht contactgrid voorzijde

la Ng laa P-

ag

elektriciteit

contact achterzijde

Figuur 11.15 Benutting zonne-energie met fotovoltasche cel die elektriciteit levert

18

11.4 Installatieconcepten
11.4.1 Functies werktuigbouwkundige installatie

Functies Afhankelijk van de functie van het gebouw en het gebouwontwerp is de werktuigbouwkundige installatie meer of minder complex. In zijn meest uitgebreide vorm vervult de werktuigbouwkundige installatie de onderstaande functies: verwarmen; verse lucht toevoeren; gebruikte lucht afvoeren; koelen; be- of ontvochtigen; lteren. De apparatuur kan individueel worden opgesteld, met als voordeel dat iedereen het klimaat naar eigen behoefte kan regelen. Nadeel bij grotere gebouwen is dat de investering hoog is en dat lokale apparatuur niet zuinig met energie omgaat. Meestal worden in grotere gebouwen de installaties in een technische ruimte centraal opgesteld en worden er in de verblijfsruimten radiatoren, convectoren en/of luchtroosters aangebracht, zogenaamde eindapparatuur. Onderling worden ze verbonden door kanalen of leidingen waar lucht of water doorheen stroomt. Warmteafgifte door convectie en/of straling Een radiator is een verwarmingselement dat wordt gevoed door warm water met een temperatuur van circa 90 C. Bij het verlaten van de radiator is het water nog circa 70 C warm. De warmte wordt deels afgegeven door straling en deels door convectie. De convectie warmt de lucht op, zodat er een opwaartse stroom ontstaat die bijzonder geschikt is om de koudeval nabij ramen te voorkomen. De mate van warmteafgifte door straling is afhankelijk van het type radiator, namelijk plaat- (straling) of ledenradiatoren (convectie). De meest eenvoudige radiator is te beschouwen als een rechthoekige buis met een groot warmteverliezend oppervlak. Het warmteverlies of liever de warmteafgifte kan worden verhoogd door metalen ribben op

de buis aan te brengen. Dan ontstaat er een zogenaamde convector: een eindapparaat dat vrijwel alle warmte door convectie afstaat. Een convector staat sneller warmte af dan een radiator, maar veroorzaakt grotere luchtbewegingen en daarmee ook grotere temperatuurverschillen in de ruimte. De temperatuurverschillen nabij vloer en plafond mogen niet te groot zijn omdat dat als onaangenaam wordt ervaren: de temperatuurgradint mag in de comfortzone niet meer bedragen dan 3,5 C, guur 11.17-1. In het bouwkundig ontwerp moet ruimte worden gereserveerd voor de eindapparaten. De plaats van de eindapparaten is van belang voor de behaaglijkheid. In geval van matig isolerend glas zijn verwarmingselementen onder de ramen een noodzaak en worden automatisch een luchtbeweging en een temperatuurgradint in de verblijfsruimte gentroduceerd, guur 11.17-2 en 11.17-3. Als er geen koudeval kan optreden, kan er worden gekozen voor stralings- (meestal in plafond aangebracht), guur 11.17-7, of luchtverwarming (all-air-systemen), guur 11.17-5. Lage-temperatuurverwarming De afgelopen jaren wordt ook lage-temperatuurverwarming toegepast, waarbij water van circa 50 C door radiatoren of convectoren wordt gepompt. Lage-temperatuurverwarming leent zich goed voor toepassing in combinatie met zonne-energie, omdat zonne-energiesystemen water tot circa 50 C kunnen opwarmen zonder bijverwarming. Bij vloerverwarming worden er buizen in de vloer aangebracht en dan is een lage temperatuur van belang, guur 11.17-6. De vloer mag niet warmer worden dan maximaal 29 C om onbehaaglijkheid te vermijden en omdat de temperatuuruitzetting van het vloermateriaal aanleiding tot scheuren kan geven. Een consequentie van lage-temperatuurverwarming zijn de grotere eindapparaten.
11.4.2 Kenmerken werktuigbouwkundige installatie De belangrijkste kenmerken van een installatie ten behoeve van de ontwerpfase worden toegelicht:

11 ENERGIEHUISHOUDING

19

hoogte (mm)

1600

hoogte (mm)

16 2700

18

20

22

24

temperatuur (C) 26 28 30

16 2700

18

20

22

24

temperatuur (C) 26 28 30

1600

100

100

1
16 2700

ideale verwarming
temperatuur (C) 26 28 30 hoogte (mm)

2
24 16 2700

warm water met enkel paneel onder het raam


18 20 22 24 temperatuur (C) 26 28 30

18

20

22

hoogte (mm)

1600

1600

100

100

3
16 2700

warm water met meervoudig paneel tegenover de gevel


18 20 22 24 temperatuur (C) 26 28 30 hoogte (mm)

4
16 2700

gestuwde lucht vanuit de vloer


18 20 22 24 temperatuur (C) 26 28 30

hoogte (mm)

1600

1600

100

100

5
16 2700

gestuwde lucht tegenover de gevel 5 vol/h en 1,5 m/s


18 20 22 24 temperatuur (C) 26 28 30

vloerverwarming

hoogte (mm)

1600

100

plafondverwarming

Figuur 11.17 Verticale temperatuurgradinten bij diverse installatieconcepten

20

transportmedium voor warmte en koelen; ventilatie en warmteterugwinning; be- en ontvochtiging; lteren; mate van betrouwbaar- en regelbaarheid.

om koeling aan te brengen. Over een heel jaar genomen is koeling slechts een beperkte tijd nodig. Daarom wordt vaak gekozen voor koeling met behulp van lucht. Het temperatuurverschil met de binnenlucht mag niet al te groot zijn, omdat anders over tocht gaat worden geklaagd. Het is mogelijk een gebouw alleen met behulp van lucht te verwarmen en zo nodig te koelen. Er is dan sprake van een zogenaamd all-airsysteem. Het gebouw moet dan uitstekend gesoleerd worden om de kanaalafmetingen binnen de perken te houden. Het gebouw moet goed luchtdicht zijn, want als er veel lucht ongecontroleerd van buiten toestroomt via naden, kieren of openstaande ramen dan raakt het luchtsysteem uit balans. Ventilatie en warmteterugwinning Ventilatie is nodig om de binnenlucht te ontdoen van verontreinigingen; ademen levert immers CO2 op en een kopieerapparaat produceert ozon. De afvoer van gebruikte lucht gebeurt door de lucht weg te zuigen en aan te vullen door natuurlijke ventilatie of door verse lucht via een kanalenstelsel toe te voeren. Bij natuurlijke ventilatie heerst er in het gebouw een onderdruk door verschil in temperatuur of winddruk en stroomt verse buitenlucht toe via de aangebrachte roosters in de schil van het gebouw. Tussen de temperatuur van de toe- en afvoerlucht bestaat een verschil. Zonder maatregelen gaat er door ventileren in de winter veel warmte verloren. Via warmtewisselaars is het mogelijk de warmte deels uit de afvoerlucht te halen en daarmee de koude buitenlucht voor te verwarmen. Voor de diverse typen warmtewisselaars zie hoofdstuk 12. Recirculatie van lucht, waarbij (deel) van de lucht via lters wordt gereinigd en opnieuw toegevoerd, wordt niet meer toegepast. Be- en ontvochtiging Via de installaties is het mogelijk in de verblijfsruimten de relatieve luchtvochtigheid te regelen. Voor een kantoorfunctie is dat niet snel nodig, maar wel voor bijvoorbeeld een drukkerij of museum. De relatieve luchtvochtigheid moet in ruimten voor verblijf van personen liggen tussen 30 en 70 procent en in speciale ruimten, zoals

Transportmedium voor warmte en koelen Warmteopwekking vindt meestal centraal plaats, zodat warmte moet worden getransporteerd door een aantal media: lucht water elektra. Lucht Lucht reageert zeer snel, maar warmtetransport vergt grote hoeveelheden lucht in verband met het geringe warmteaccumulatievermogen. De temperatuur van de aangevoerde lucht mag niet al te veel afwijken van de temperatuur in de verblijfsruimten, tenzij de lucht per ruimte weer wordt naverwarmd of nagekoeld. Lucht als transportmedium vergt kanalen met grote doorsneden, die een niet te verwaarlozen deel van het gebouwvolume innemen. Een voordeel van lucht als transportmiddel is het feit dat luchtkanalen sowieso aangebracht moeten worden voor toe- en afvoer van ventilatielucht. Ventilatielucht kan gelijktijdig worden gebruikt voor toe- of afvoer van warmte. Water Water reageert traag, maar vergt geringe hoeveelheden en kan met veel grotere temperatuurverschillen naar de verblijfsruimten worden getransporteerd. In de radiatoren of convectoren wordt warmte door straling en/of convectie afgestaan. Elektra Elektra reageert zeer snel, maar hierbij is het opwekkingsrendement uit aardgas niet optimaal. Een warm onbehaaglijk binnenklimaat is zonder meer te voorkomen door koeling toe te passen. Opwekking van koude uit primaire brandstof (aardgas of steenkool) is kostbaarder dan opwekking van warmte, reden om het gebouw zo te ontwerpen dat zo min mogelijk koeling nodig is. Hoe minder glas, des te kleiner is de noodzaak

11 ENERGIEHUISHOUDING

21

musea en centrale computerruimten, tussen de 45 en 55 procent. In de centrale luchtbehandelingskast wordt vocht toegevoegd aan de in te blazen lucht door water te vernevelen of door de lucht door vochtige lters te leiden. Ontvochtigen kan in combinatie met koeling van de lucht: het teveel aan vocht wordt aan de lucht onttrokken door deze af te koelen en het vocht te laten condenseren. Bij de toepassing van zogenaamde warmtewielen wordt zowel warmte als vocht uit de afvoerlucht overgedragen aan de toevoerlucht. Filteren Recirculatie van lucht wordt thans niet meer toegepast omdat er hoge eisen aan lters worden gesteld om de lucht te ontdoen van bacteriologische verontreinigingen en omdat er betere alternatieven beschikbaar zijn voor warmteterugwinning. Bij mechanische ventilatie wordt ltering van de buitenlucht toegepast ter beperking van verontreinigingen in de lucht en in het kanalenstelsel. Mate van betrouwbaar- en regelbaarheid Gebouwgebruikers moeten vertrouwen hebben in de beheersbaarheid van het binnenklimaat om het energiegebruik te beperken. Bekend zijn de gebouwen die een volledige airconditioning bezitten, maar waarbij de ramen niet geopend kunnen worden en de gebruikers het binnenklimaat als onbehaaglijk ervaren.Gebruikers gaan klagen of ziekteverschijnselen vertonen (sick-buildingsyndroom). Gebruikers gaan onoordeelkundig de installaties bijregelen met als gevolg een hoger energiegebruik. Verwarming door middel van lucht kan een zeer goede keuze zijn, maar dan moet het gebouw een lage warmtebehoefte hebben en zeer goed gesoleerd worden. In een gebouw dat slechts tijdelijk verwarmd hoeft te worden (zoals een kerk) kan luchtverwarming een goede keuze zijn. Naast een goede warmte-isolatie is een geringe massa van belang om nodeloze opwarming van gebouwmassa te voorkomen. Bij gebouwen waarin dagelijks mensen verblijven, is opwarming van massa gewenst, immers de massa dempt temperatuurschommelingen waardoor er met een minder geavanceerde regelinstallatie kan worden volstaan.

11.4.3 Comfort Eenvoudige klimaatinstallaties zorgen voor verwarmen en afzuigen van lucht. Geavanceerde klimaatinstallaties zorgen behalve voor verwarmen en mechanisch ventileren ook voor koelen, lteren en beheersing van het vochtgehalte van de lucht. Installaties die een gebouw volledig klimatiseren, leveren doorgaans een hoger comfort op. Bij de keuze van een installatieconcept is het gewenste comfort van belang, maar ook het energiegebruik, de ruimte die de installatie inneemt en de investering. Elk installatieconcept creert in de verblijfsruimten een verticale temperatuurgradint die kenmerkend is voor de gekozen installatie. Een hoge mate van comfort wordt bereikt met de hoogste temperatuur ter plaatse van de vloer en nabij het plafond enkele graden lager (warme voeten en koel hoofd), guur 11.17-6. In de zone tussen 100 en 1100 mm boven de vloer moet de verticale temperatuurgradint maximaal 3,5 C bedragen om comfortklachten te vermijden. Klimaatinstallaties die de warmte nabij de vloer toevoeren en deze goed over de hoogte verdelen, worden als behaaglijk ervaren. Een voorbeeld hiervan is vloerverwarming. Door de warmte nabij de gevel onder de ramen toe te voeren ontstaat een goede temperatuurverdeling, bijvoorbeeld met radiatoren langs de gevels, guur 11.17-3. In kantoorgebouwen waar (verwarmde of gekoelde) lucht wordt ingeblazen vanuit de tegenover de gevel gelegen (gang)wand ontstaat een wat afwijkende temperatuurgradint, die bij een goed ontwerp acceptabel is, guur 11.17-5. Zeer gebruikelijk voor kantoorgebouwen is de toevoer van lucht via in de lichtarmaturen gentegreerde uitblaasopeningen. Deze oplossing resulteert in een goed comfort mits de inblaasroosters buiten de comfortzone een goede menging bewerkstelligen.

Warmte of koude toevoeren via straling levert doorgaans een hoge mate van comfort op, omdat de luchtstromingen klein zijn (er is alleen lucht nodig voor ventilatie). Uit comfortoverwegingen kan koeling het beste plaatsvinden vanuit het plafond. Ter vermijding van een grote temperatuurgradint moet bij koeling lucht met een temperatuur van minimaal 18 C worden

22

ingeblazen. Inblazen van lucht met temperaturen tussen de 12 en 18 C is alleen mogelijk bij toepassing van inblaasroosters die een goede menging teweegbrengen buiten de comfortzone.

11.5 Evenwicht tussen behaaglijkheid en energiegebruik


11.5.1 Maatstaf voor behaaglijkheid Al eerder zijn de factoren besproken die bepalen of een mens het klimaat als behaaglijk ervaart, zie paragraaf 11.2.1 voor een bespreking van de behaaglijkheidsvergelijkingen. Met behulp van NEN-EN-ISO 7730 kan worden bepaald dat voor kantoorwerk en een kledingweerstand van 0,7 clo de optimale temperatuur ligt bij 25,5 C. Er zijn individuele verschillen, waardoor er altijd een percentage ontevredenen is, het zogenaamde Predicted Percentage Dissatised (PPD). 10 procent ontevredenen (PPD) wordt als acceptabel beschouwd; deze waarde stemt overeen met het criterium 0,5 PMV +0,5. Acceptatie van dit percentage ontevredenen leidt tot een maximale temperatuur van 27 C. Bij een hogere temperatuur leidt de luchtsnelheid minder snel tot klachten. Bij 27 C is een luchtsnelheid van 0,2 m/s nog acceptabel, waardoor onder die conditie de maximaal toelaatbare temperatuur 28 C wordt. Op grond van deze kennis heeft de Rijksgebouwendienst de temperatuuroverschrijdingsuren voor een kantoor met te openen ramen vastgesteld. Gebruikelijk is het werken met gewogen temperatuuroverschrijdingsuren (GTO-uren), waarbij een hogere temperatuur door middel van een weegBedrijfstijd Warmteproductie van de mens Kledingweerstand Luchtsnelheid Relatieve luchtvochtigheid GTO-uren

factor zwaarder meetelt. De grootte van de weegfactor kan per gehanteerde rekenmethode enigszins verschillen. De Rijksgebouwendienst stelt dat het product van het percentage ontevredenen (PPD) en de tijd gedurende welke onbehaaglijkheid optreedt constant moet zijn. In guur 11.18 zijn de uitgangspunten weergegeven zoals die in ISSO/SBR 300 worden gehanteerd.
Rgd-richtlijnen voor behaaglijk kantoor (met te openen ramen): comfortgrens mag ten hoogste met 5 procent van de gebruikstijd op jaarbasis worden overschreden; verdisconteerd in het aantal toelaatbare GTO-uren: voor verblijfsruimten met een kantoorfunctie is in de zomerperiode een PMV > +0,5 toegestaan tot een maximum van 150 GTO-uren.

11.5.2 Invloedsfactoren op energiegebruik en GTO-uren Om inzicht te krijgen in de manier waarop er evenwicht kan worden verkregen tussen energiegebruik en behaaglijkheid, zijn de tabellen in guur 11.19 en 11.20 met behulp van ISSO/SBR 300 vervaardigd.

In ISSO/SBR 300 is het benodigde rekenwerk om energiegebruik en behaaglijkheid te bepalen al verricht. Het energiegebruik (uitgedrukt in m3 aardgas per m2 vloeroppervlak) wordt opgesplitst in die voor verwarming, koeling en transport per twee tegengestelde orintaties, bijvoorbeeld noord en zuid. in ISSO/SBR 300 wordt het aantal berekende GTO-uren gegeven voor drie

maandag tot en met vrijdag 9.00 17.00 uur 80 W per persoon (voor lichte, zittende arbeid) 0,7 clo (gedurende zomerperiode) 0,9 clo (gedurende winterperiode) 0,15 m/s (ter vermijding van tocht) absolute r.v. binnen en buiten gelijk en 55% in geval van airco GTO = WF h in uren, met WF (weegfactor) als PMV > 0,5: WF = 0,22 PMV + 1,30 PMV2 + 0,97 PMV3 0,39 PMV4 als PMV = 0: WF = 0

Figuur 11.18 Uitgangspunten ISSO/SBR 300 bij bepaling GTO-uren

11 ENERGIEHUISHOUDING

23

Variabele

Orintatie

Energie in m3 aardgas per m2 Verwar- Koeling ming Transport 0,2 0,2

Energie in m3 aardgas Behaaglijkheid

Subto- Licht taal

Totaal

GTO (uren) > 300 > 300

Kwalificatie onacceptabel onacceptabel

Referentie 20 W/m2; 70% glas; lichte gevel; Rc = 1,5 m2 K/W Interne warmte 50 W/m2 Glas 35%

zo nw

12,6 13,2

0 0

13.645 12.162 25.807 14.284 14.284

zo nw zo nw zo nw zo nw n z

7,1 7,5 10,4 4,8 12,6 13,4 12,1 12,6 13,3 12,4

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,2 0,2 0,2 0,2

7.782 12.162 19.944 8.208 8.208

> 300 > 300 150 170 270 > 300 > 300 > 300 270 > 300

onacceptabel onacceptabel matig slecht onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel onacceptabel

11.300 12.162 23.461 5.330 5.330 13.751 12.162 25.913 14.604 14.604 13.112 12.162 24.274 13.645 13.645 14.391 12.162 26.553 13.432 13.432

Zware gevel

Rc = 3,0 m2 K/W Orintatie

Figuur 11.19 Behaaglijkheid en energiegebruik volgens ISSO/SBR 300: cv en natuurlijke ventilatie

interne warmtelasten, namelijk laag (20 W/m2), gemiddeld (35 W/m2) en hoog (50 W/m2). In ISSO/SBR 300 moeten er keuzen worden gemaakt ten aanzien van: type installatie, met als mogelijkheden: natuurlijke ventilatie en radiatorenverwarming; mechanische toe- en afvoer en radiatorenverwarming; mechanische toe- en afvoer met beperkte koeling en radiatorenverwarming; volledige airconditioning. interne massa, uitgedrukt in kg/m2 (laag, middel of hoog). orintatie. Rc-waarde thermische schil. gevelopbouw (licht of zwaar). glaspercentage (25 tot 70 procent).

In ISSO/SBR 300 zijn geen keuzen mogelijk ten aanzien van: type glas; type buitenzonwering; type helderheidswering.
Variabelen referentiegebouw In guur 11.19 en 11.20 is in elke opvolgende regel maar n variabele gewijzigd. Het referentiegebouw kenmerkt zich door: gebouwfunctie: kantoorgebouw type cellenkantoor; grootte: honderd kamers (2,70 4,1 5,2 m) = 2132 m2; orintatie: zuidoost/noordwest; gevelopbouw: licht; Rc schil: 1,5 m2 K/W; interne massa: licht = 49 kg/m2; interne warmtelast: laag = 20 W/m2; glaspercentage: hoog = 70 procent.

24

Variabele

Orin- Energie in m3 aardgas tatie per m2 Verwar- Koeling ming Transport 8,5 8,5

Energie in m3 aardgas Subto- Licht taal

Behaaglijkheid Kwalificatie

Totaal mmmGTOmmt (uren) 50 70

Referentie 20 W/m2; 70% glas; lichte gevel; Rc = 1,5 m2 K/W Interne warmte 50 W/m2 Glas 35%

zo nw

11,5 12

2,2 2,2

23.665 12.162 35.827 24.198 24.198

uitstekend uitstekend

zo nw

6,7 6,9

2,2 2,2

9,6 9,6

19.721 12.162 31.883 19.934 19.934

> 300 > 300

onacceptabel onacceptabel

zo nw zo nw zo nw n z

9,1 9,4 11,7 12,2 11 11,5 12 11,4

2,2 2,2 2,2 2,2 2,2 2,2 2,0 2,2

7,9 7,9 8,6 8,6 8,6 8,6 8,3 8,4

20.467 12.162 32.629 20.787 20.787 23.985 12.162 36.147 24.518 24.518 23.239 12.162 35.401 23.772 23.772 23.772 12.162 35.934 23.452 23.452

0 0 30 70 50 80 20 40

uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend uitstekend

Zware gevel

Rc = 3,0 m2 K/W Orintatie

Figuur 11.20 Behaaglijkheid en energiegebruik volgens ISSO/SBR 300: cv, koeling en mechanische toe- en afvoer

Om inzicht in de gevolgen van de keuzen te krijgen, is gekozen voor een referentiegebouw dat rond 1990 aan de eisen voldeed (Rc = 1,5 m2 K/W en hoog glaspercentage). Figuur 11.19 en 11.20 verschillen alleen in het klimatiseringssysteem: radiatorenverwarming met natuurlijke ventilatie, guur 11.19; mechanische toe- en afvoer en beperkte koeling met radiatorenverwarming, guur 11.20. Uit ISSO/SBR 300 kunnen de onderstaande algemeen geldende conclusies en trends worden afgeleid, die gedeeltelijk door guur 11.19 en 11.20 worden onderbouwd: koeling vergt veel energie voor transport; globaal mag benodigde transportenergie aan koeling worden toegerekend; zonder koeling is geen behaaglijkheid te bereiken, tenzij glaspercentage wordt beperkt tot

minder dan circa 35 procent; verhoging interne warmtelast van 20 naar 50 W/m2 doet energiegebruik dalen, maar maakt behaaglijkheid onacceptabel; toepassen zware gevel verbetert behaaglijkheid en vermindert energiegebruik in beperkte mate; orintatie veel glas op noorden doet energiegebruik stijgen; energiegebruik daalt door verhogen van zowel warmteweerstand als luchtdichtheid van buitenschil; tot zeker niveau is verbetering van luchtdichtheid zeer effectief; verlichting is belangrijke post in energiegebruik (ruwweg 50 procent!); bij zelfde klimatiseringssysteem en verschillende gevelvarianten kan energiegebruik tot factor 2 verschillen; bij verschillende klimatiseringssystemen en zelfde gevelopbouw kan energiegebruik tot

11 ENERGIEHUISHOUDING

25

factor 2 verschillen; geen afstemming tussen gebouw- en installatieontwerp kan in extreme situaties factor 3 4 in energiegebruik schelen. In het ontwerpstadium kan ook gebruik worden gemaakt van ISSO/SBR-publicatie 800. Met behulp van nomogrammen kan handmatig de globale waarde worden bepaald van zowel de behaaglijkheid als de energieprestatie. ISSO/SBR 800 is bedoeld als instrument om snel te kunnen inschatten of er aan de eisen wordt voldaan, terwijl met behulp van ISSO/SBR 300 meer inzicht wordt verkregen.

11.6 Energiebalans en energieprestatie


11.6.1 Energiebalans De energiebalans van een gebouw geeft de in- en uitgaande energiestromen weer; in guur 11.21 is dit schematisch weergegeven. Er gaat geen energie verloren, dus wat erin gaat moet er ook weer uitkomen. De enige afwijking van dit principe is energie die tijdelijk wordt opgeslagen in de massa van het gebouw. In formulevorm:

Qin + Qopslag + Quit = 0 Door de energiebalans van een gebouw uit te schrijven, is het energiegebruik te berekenen. De

elektr a gas venti trans m issie latie

mass a

pomp -accu mula tie

en/m

otore

trans

miss

ie ie mass a -accu mula

l nta n aa one rs pe tie

trans

miss

infiltr

atie eid elh ve r oe ratuu h a p ap mula tie

mass a

-accu

trans miss ie

s ng hti rlic gen ve o rm ve

Figuur 11.21 Schematische weergave warmtebalans (met warmteaccumulatie)

26

berekening is vrij ingewikkeld omdat het energiegebruik bepaald wordt door zowel de eigenschappen van het gebouw als de eigenschappen van de installaties en het gedrag van gebruikers. Het gedrag van gebruikers wordt bepaald door de mate waarin het binnenklimaat als behaaglijk wordt ervaren. De energiebalans bevat drie onderdelen: 1 Prestatie gebouw met zijn installatie. 2 Gebruik (functie) gebouw. 3 Gedrag gebruiker (gewenste behaaglijkheid). De energiebalans kan op meerdere manieren worden uitgeschreven, zodat er meerdere methoden voor de berekening van het energiegebruik bestaan. Ze volgen allemaal het principe van de energiebalans, maar verschillen vooral in de aspecten die worden benadrukt en in de kengetallen die in de berekening worden ingevoerd. Om inzicht te krijgen in de factoren die het energiegebruik bepalen, is gekozen voor het uitschrijven van de energiebalans aan de hand van NEN 2916 (utiliteitsgebouwen); voor woongebouwen geldt NEN 5128. Beide volgen hetzelfde principe, maar NEN 2916 houdt met meer aspecten rekening en geeft meer inzicht in de energiebalans. De berekeningen zijn complex, zodat er computerprogrammas nodig zijn. De computerprogrammas worden meegeleverd in de bijbehorende NPR 2917 en NPR 5129. In paragraaf 11.5 is inzicht verkregen in de relatie tussen energiegebruik en behaaglijkheid. In een energiebalans uitgeschreven volgens NEN 2916 is de invloed van de behaaglijkheid niet zichtbaar. Bij het opstellen van de energiebalans volgens NEN 2916 moet apart worden bepaald of de combinatie van het gebouwontwerp en het installatieontwerp de gewenste behaaglijkheid oplevert. In NEN 2916 worden kengetallen gegeven waarvan een aantal berust op beleidsmatige keuzen. NEN 2916 geeft een goed inzicht in de componenten die in de energiebalans voorkomen en karakteriseert het gebouw en haar installaties, maar geeft geen antwoord op het werkelijke energiegebruik.
11.6.2 Energieprestatiecofcint (EPC) De energetische prestatie van een gebouw inclusief zijn installaties wordt de energieprestatie

genoemd: een begrip dat met de invoering van het Bouwbesluit is gedenieerd. Aan de energieprestatie worden wettelijke eisen gesteld. Deze prestatie wordt uitgedrukt in de energieprestatiecofcint (EPC). Deze cofcint wordt berekend door het totale karakteristieke energiegebruik van het gebouw te delen door het toelaatbare karakteristieke energiegebruik van dat gebouw, waarna het quotint wordt vermenigvuldigd met de eis aan de EPC. In formulevorm: EPC = Qpres;totaal EPCeis Qpres;toelaatbaar

De energieprestatie is een vergelijking van het desbetreffende gebouw met een vergelijkbaar gebouw dat energiezuinig is ontworpen. Nieuw ten opzichte van voorgaande regelgeving is dat er in de energieprestatie rekening wordt gehouden met de prestaties van de installaties van het gebouw. Het type installatie is van belang vanwege verschil in gerealiseerde behaaglijkheid en verschil in rendement van opwekking uit fossiele brandstof.
11.6.3 Energiebalans analoog aan NEN 2916

Stappen en schematisering Om een gunstige energiebalans te verkrijgen, is het raadzaam na schematisering van het gebouw de ruimten met hetzelfde binnenklimaat samen te voegen (als dit in het bouwkundige ontwerp mogelijk is). Als NEN 2916 wordt gevolgd, moeten de volgende zes stappen worden uitgevoerd ter bepaling van de energieprestatie: 1 Schematiseer het gebouw in de verschillende functies die het Bouwbesluit kent, guur 11.6. 2 Bepaal per gebied de bezettingsgraad en de bijbehorende minimaal voorgeschreven ventilatie. 3 Schematiseer in verwarmde, onverwarmde en aangrenzend onverwarmde ruimten en bepaal de ligging van de thermische schil. Alle verblijfsgebieden, toilet- en badruimten en algemene ruimten moeten binnen de schil liggen. Alleen onverwarmde ruimten waarvoor geen eis geldt, mogen erbuiten liggen. 4 Bepaal waar welk klimatiserings- en ventilatiesysteem toegepast zal worden (keuze uit acht systemen).

11 ENERGIEHUISHOUDING

27

5 Bepaal de energiesectoren dusdanig, dat er per energiesector sprake is van: hetzelfde klimatiseringssysteem; hetzelfde ventilatiesysteem in ten minste 80 procent van de verblijfsgebieden; dezelfde binnentemperatuur; verschil in minimale ventilatiecapaciteit per verblijfsgebied van maximaal factor 4. 6 Bepaal vervolgens per energiesector het energiegebruik en vergelijk dit met het toelaatbare energiegebruik. Aan de energieprestatie-eis is voldaan als geldt: toetsing = Qpres;totaal Qpres;toelaatbaar 1

In de bepaling van het toelaatbare karakteristieke energiegebruik (Qpres;toel) komen twee weegfactoren en een constante waarde voor, waarin de onderstaande zaken worden verdisconteerd: energiegebruik nodig voor voorgeschreven ventilatie; gebouw met koeling vraagt meer energie; minder compact gebouw vraagt meer energie. Daarnaast worden er in de formule correctiefactoren toegepast om de wijzigingen in de bepalingsmethode geen consequenties te laten hebben voor momenteel veel toegepaste technieken ten opzichte van de voorgaande versie van de norm. Als de ingewikkelde formule voor de EPC van het totale gebouw uitgeschreven wordt voor een gebouw met n functie en met een gebruiksoppervlak (Ag) van minimaal 1500 m2, dan ontstaat de volgende formule: EPCU-bouw = Qpres;tot 330 Ag

Toelaatbaar en berekend karakteristiek energiegebruik Besproken worden het: toelaatbaar karakteristiek energiegebruik; berekend karakteristiek energiegebruik. Toelaatbaar karakteristiek energiegebruik In het Bouwbesluit wordt per gebouwfunctie een eis aan het energiegebruik gesteld. Een concreet gebouw bevat meestal meer functies. Een kantine in een kantoorgebouw heeft in termen van het Bouwbesluit een horecafunctie en een instructieruimte een onderwijsfunctie. Ze hebben elk een aparte EPC-eis. Daarnaast stelt het Bouwbesluit voor gebouwen met meer dan n functie een eis aan de verhouding tussen het karakteristieke energiegebruik en de toelaatbare karakteristieke energieprestatie. In de bepalingsmethode voor de energieprestatie wordt het gebouw als geheel beschouwd. Er moet bepaald worden welke EPC-eis aan het totale gebouw moet worden gesteld. In NEN 2916 wordt het toelaatbare energiegebruik consequent aangeduid met de term toelaatbare karakteristieke energieprestatie; immers, het is een eigenschap van het gebouw en niet het daadwerkelijke gebruik. Voor een snel begrip wordt in dit deel de term toelaatbare energiegebruik gebruikt. De toevoeging karakteristiek geeft aan dat het een waarde betreft die volgens NEN 2916 kenmerkend is voor het desbetreffende gebouw.

Deze formule lijkt op de formule die geldig is voor woningbouw, waarin ook het verliesoppervlak (Averlies) voorkomt: EPCwoon = Qpres;tot 330 Ag + 65 Averlies

Uit deze formule blijkt dat een gebouw met een groot gebruiks- of verliesoppervlak meer energie mag gebruiken. Dit geldt ook voor utiliteitsgebouwen, maar daar is de compensatie voor verliesoppervlak samen met de compensatie voor koeling verwerkt in de bepalingsmethode van de toelaatbare energieprestatie. Berekend karakteristiek energiegebruik Het (berekende) karakteristieke energiegebruik is het energiegebruik zoals dat berekend wordt als NEN 2916 gevolgd wordt, met gebruikmaking van de in die norm gegeven kengetallen.
11.6.4 Componenten energiebalans Er is voor gekozen de energiebalans uit te schrijven conform de in NEN 2916 genoemde posten. De kengetallen die worden gegeven, stammen uit NEN 2916 of NEN 5128. De energiebalans van een gebouw bestaat uit de energieposten voor:

28

verwarming; ventilatoren; verlichting; pompen; koeling; bevochtiging; warmtapwater; functie wonen (indien aanwezig).

Energiegebruik voor verwarming De post verwarming wordt bepaald door zes factoren: verlies door transmissie; verlies door ventilatie; winst door interne belasting; benuttingsfactor voor warmtewinst; systeemrendement sys;verw; opwekkingsrendement opw;verw. 1 Verlies door transmissie De warmtedoorgangscofcint van een constructie wordt uitgedrukt in W/m2 K. Daaruit volgt dat als die cofcint wordt vermenigvuldigd met het oppervlak, het temperatuurverschil en de tijdsduur dat er een temperatuurverschil aanwezig is, er een uitkomst volgt voor het energiegebruik, uitgedrukt in Joule (W s). De in rekening te brengen buitentemperaturen worden in de norm gegeven als maandgemiddelden en de binnentemperaturen worden gegeven afhankelijk van de functie van het gebouw. De tijdsduur is verwerkt in een constante. Vervolgens moet de weegfactor a voor de weging van de vloerverliezen vastgesteld worden. Deze weegfactor is alleen van toepassing op de begane-grondvloer, de hoogte ervan is afhankelijk van de periode (zomer/winter) en de gebruiksfunctie van de ruimte. 2 Verlies door ventilatie Er is energie nodig om de binnenkomende lucht op te warmen ten behoeve van ventilatie. De ventilatie bestaat uit drie componenten: natuurlijke ventilatie: hierbij moet minimaal worden gerekend met de voorgeschreven luchtvolumestroom die wordt gerelateerd aan het gebruiksoppervlak. De norm geeft in de vorm van een constante het temperatuurverschil waarmee moet worden gerekend. mechanische ventilatie: de luchtvolume-

stroom wordt bepaald door de maximale capaciteit van het genstalleerde ventilatiesysteem met als ondergrens de voorgeschreven ventilatiehoeveelheid. inltratielucht door buitenschil: door lekken in de buitenschil komt er verse lucht binnen. De energie die nodig is om deze inltratielucht op te warmen, wordt in de norm voorgeschreven afhankelijk van de gebouwhoogte en de luchtdoorlatendheid van de buitenschil. Het energiegebruik voor ventilatie wordt beinvloed door de bedrijfstijd van het ventilatiesysteem (minimale tijden worden in de norm voorgeschreven), de aanwezige mogelijkheden om het debiet terug te regelen of de retourlucht te benutten voor voorverwarming. Voor woongebouwen wordt in NEN 5128 een informatieve rekenregel gegeven voor de luchtdoorlatendheid, die afhankelijk is van het bouwtype (metselwerk, gietbeton, houtskeletbouw), de aan- of afwezigheid van een kap en de zorgvuldigheid van detaillering en uitvoering. 3 Winst door interne belasting Een positief effect op de energiebalans heeft de interne warmtebelasting en zonne-energie voorzover die kan worden benut. De interne warmteproductie is afhankelijk van de activiteiten die plaatsvinden, de verlichting, het aantal aanwezige personen (bezettingsgraad) en de apparatuur. De norm geeft afhankelijk van de gebouwfunctie waarden voor de warmteproductie in W/m2. Niet alle binnenvallende zonne-energie kan worden benut voor verwarming, omdat een deel weer naar buiten verdwijnt en de behoefte aan warmte niet altijd overeenkomt met de beschikbaarheid van zonne-energie. De norm geeft per orintatie en tijd van het jaar waarden voor de hoeveelheid zonne-energie die op een vlak valt. Een deel daarvan komt binnen door transparante delen en wordt gereduceerd door: schaduw op glasvlakken (bijvoorbeeld overstekken); ZTA-waarde glas; aanwezigheid zonwering; reductiefactor voor invloed kozijnen (reductiefactor 0,75).

11 ENERGIEHUISHOUDING

29

De reductiefactor ten aanzien van de energiewinst is het grootst voor buitenzonwering met automatische bediening en bedraagt volgens de norm in de zomer 0,35 en in de winter 0,5. Handbediende zonwering resulteert in zomer en winter in een reductiefactor van 0,5. Binnenzonwering heeft volgens de norm een reductiefactor 1 en levert geen vermindering op van de invallende zonne-energie. De mate waarin schaduw van invloed is op de energiebalans kan berekend worden met voorschriften uit NEN 5128 (beschaduwing varieert normaliter tussen de 0,90 en 0,20), waaruit ook guur 11.9 stamt, die inzicht geeft in de mate waarin glassoorten zonne-energie kunnen weren. Zonne-energie via collectoren kan voor warmtewinst zorgen. De hoeveelheid energie wordt bepaald door de afmeting van de zonnecollector, waarbij volgens de norm 50 procent (rendement) van de opvallende energie in de energiebalans moet worden opgenomen. 4 Benuttingsfactor voor warmtewinst De benuttingsfactor geeft aan in hoeverre het gebouw in staat is de zonnewarmte en de interne warmtebelasting te benutten. De benuttingsfactor hangt af van de voor warmte toegankelijke massa van het gebouw en de verhouding tussen warmtewinst en -verlies. Omdat een deel van de warmtewinst weer verdwijnt door de omhulling is het begrijpelijk dat de benutting afhangt van de verhouding tussen warmteverlies (transmissie en ventilatie) en warmtewinst (interne warmte en invallende zonne-energie). Tevens hangt de benutting van de massa af. De effectieve thermische massa kan worden berekend, maar ook worden afgeleid uit tabellen. Een vloerconstructie met een massa groter dan 400 kg/m2 zonder een (systeem)plafond eronder heeft de grootste effectieve massa (360 kJ/m2 K); met een gesloten (systeem)plafond eronder bedraagt deze 180 eenheden en bij een massa kleiner dan 100 kg/m2 is de factor 55 kJ/m2 K. Deze getallen doen vermoeden dat de massa een grote invloed op de energiebalans heeft. Toch ligt de benuttingsfactor ook bij zware constructies in de buurt van 1, zodat het effect op de energiebalans beperkt is.

5 Systeemrendement sys,verw Het systeemrendement wordt bepaald door de manier waarop de warmte of koude wordt getransporteerd en door de mogelijkheid tot individuele regeling. Warmte kan volgens de norm worden getransporteerd door water of lucht, terwijl er bij koude keuze is uit geen koeling, koeling door water, koeling door lucht of koeling door een combinatie van water en lucht. Na samenvoeging resteren er acht systemen met een verschil in systeemrendement. Warmtetransport door alleen water heeft het hoogste rendement: 0,93 in geval van individuele regeling en 0,80 zonder individuele regeling. Het ongunstigste systeemrendement levert een installatie die niet individueel kan worden geregeld en waarin de warmte met behulp van lucht wordt getransporteerd en de koude met behulp van water en lucht. Systemen waarbij door mengen van warme en koude lucht de noodzakelijke inblaastemperatuur wordt verkregen, zijn zeer ongunstig vanwege de grote vernietigingsfactor (fvern = 0,4), veroorzaakt door gelijktijdig centraal verwarmen en koelen. Lokale systemen kennen het hoogste systeemrendement (sys = 1 voor zowel verwarmen als koelen). 6 Opwekkingsrendement opw,verw Het gedeelte van de energie in fossiele brandstof die door de gebouwinstallatie in bruikbare warmte, koude of elektriciteit wordt omgezet, wordt het opwekkingsrendement genoemd. Warmtepompen hebben volgens de norm een zeer gunstig opwekkingsrendement, veroorzaakt door het feit dat de bruikbare warmte of koude niet uit fossiele brandstoffen wordt opgewekt, maar afkomstig is uit retourlucht of uit de bodem. Als de warmte uit retourlucht wordt benut en de aanvoertemperatuur van het water voor de verwarming maximaal 35 C bedraagt, dan zijn rendementen groter dan 2 mogelijk. Gasgestookte hoogrendementsketels (HR-ketel) kunnen een opwekkingsrendement van 0,90 realiseren en een rendement van 0,925 als de aanvoertemperatuur van het water beneden 55 C ligt. Elektrische opwekking is met een rendement van 0,39 het ongunstigst.

30

Bij traditionele toestellen met waakvlammen moet daarvoor in de energiebalans nog een extra post worden opgenomen. Energiegebruik voor ventilatoren In de post energiegebruik voor ventilatoren wordt de energie die nodig is voor het transporteren van lucht in rekening gebracht. Deze is volledig afhankelijk van het genstalleerde vermogen van de ventilatoren en de bedrijfstijd. Het effectieve vermogen wordt bepaald door de benodigde totale luchtvolumestroom te vermenigvuldigen met een constante afhankelijk van het toegepaste klimatiseringssysteem en het rendement van de elektromotor. Een installatie met alleen mechanische afzuiging levert de kleinste bijdrage aan de energiebalans (csys = 1,2); bij mechanische toe-en afvoer bedraagt de factor 2,0 en bij alle andere installaties 3,0. Uit de getallen blijkt duidelijk de grote invloed van de wijze van ventileren op de energiebalans. Het energiegebruik kan worden gereduceerd door een debietregeling toe te passen met een factor tussen de 1 (geen regeling) tot 0,50 voor toerenregeling.

Energiegebruik voor verlichting De energie nodig voor verlichting wordt bepaald door het genstalleerde vermogen, de regelingsvoorzieningen en de tijd dat de verlichting brandt. Vaak is het genstalleerde vermogen in het ontwerpstadium nog niet bekend, zodat er gerekend kan worden met forfaitaire waarden. De norm geeft, afhankelijk van de functie van het gebouw, de forfaitaire waarde van het specieke elektriciteitsgebruik, varirend van 30 kWh/ m2 voor een onderwijsgebouw tot 85 kWh/m2 voor een winkelgebouw. Afhankelijk van de wijze van schakeling mag er een reductie worden toegepast. Een centrale aan/uitschakeling levert het hoogste energiegebruik op door de weegfactor f = 1,0; bij veegschakeling bedraagt f = 0,75, terwijl daglichtschakeling in combinatie met een veegpuls met f = 0,55 de gunstige energiebalans op levert. Deze post is van grote invloed op de energiebalans, guur 11.22 geeft een beeld voor een traditioneel kantoorgebouw en een zeer energiezuinig kantoorgebouw met warmteopslag. Energiegebruik voor pompen Het energiegebruik voor de pompen is eenvoudig af te leiden uit de verwarmde en gekoelde gebruiksoppervlakken. Er mag een reductie
energiegebruik (MJ/m2)

250

200

22,8 m

150
14,8 m 65,5 m oost 50

100

west

1 verlichting

3 transport

verwarming 1 2 3

koeling

zonder terugwinning met terugwinning terugwinning + lange termijnopslag

Figuur 11.22 Energiegebruik traditioneel en zeer energiezuinig kantoorgebouw

11 ENERGIEHUISHOUDING

31

worden toegepast van 0,5 bij automatische regeling van het toerental. Energiegebruik voor koeling De energiebalans wordt signicant negatief benvloed als er koeling wordt toegepast. De hoeveelheid energie wordt primair bepaald door het opgestelde koelvermogen, het opwekkingsrendement en het systeemrendement. In het ontwerpstadium mag worden uitgegaan van de koelbehoefte van het gebouw in plaats van het opgestelde vermogen. De koelbehoefte kan worden bepaald uit een berekening van de warmtewinst (interne belasting en invallende zonne-energie) en het warmteverlies (ventilatie en transmissie). De koelbehoefte wordt op een analoge manier bepaald als de energie nodig voor verwarming, met dien verstande dat de aan te houden binnen- en buitentemperaturen afwijken. Bij koeling moet er rekening worden gehouden met: opwekkingsrendement; benuttingsrendement, afhankelijk van thermische massa gebouw en verhouding tussen warmtewinst en -verlies. Energiegebruik voor bevochtiging Het energiegebruik voor bevochtiging wordt vooral bepaald door de hoeveelheid van buiten toe te voeren lucht, de bedrijfstijd, het rendement en het aantal gramuren vocht dat per dm3 droge lucht moet worden toegevoegd. De norm geeft het aantal gramuren per gebouwfunctie. Energiegebruik voor warmtapwater Kenmerkend voor de bepaling van het energiegebruik voor warmtapwater is de behoefte aan warm water, waarvoor de norm afhankelijk van de gebouwfunctie waarden geeft, en het rendement van het distributiesysteem (1,0 als alle leidingen korter dan 3 m zijn). Het opwekkingsrendement kan grote verschillen vertonen: een HR-combiketel scoort gunstig met een rendement van circa 0,6, terwijl een elektrisch gestookte boiler een rendement van circa 0,3 heeft. De norm geeft ook waarden ter bepaling van de winst aan warmtapwater door zonnecollectoren.

11.6.5 Bijdrage diverse componenten in energiebalans Om inzicht te krijgen in de grootte van de afzonderlijke componenten van de energiebalans, is guur 11.23 vervaardigd. Deze guur heeft betrekking op een kantoorgebouw met een kantine en een kleine werkplaats met een totaal gebruiksoppervlak van 3000 m2, waarvan 2400 m2 gekoeld wordt (luchtkoeling met constantvolumesysteem). De gevel is zwaar uitgevoerd met bakstenen in binnen- en buitenblad en heeft een glaspercentage van 25 procent. In dit geval blijken de posten voor verlichting en verwarming vrijwel even groot te zijn. De post voor ventilatoren is voor bouwkundigen onverwacht groot: de ventilatoren nodig voor het verzorgen van ventilatie gebruiken een hoeveelheid energie in dezelfde grootteorde als die voor verwarming.
Energie voor: Verwarming Ventilatoren Verlichting Pompen Koeling Bevochtiging Warmtapwater
energiegebruik voor kantoorgebouw

Percentage 27 31 33 2 4 0 3

Figuur 11.23 Voorbeeld aandeel diverse componenten in

11.6.6 Maatregelen ter verbetering De eisen die voortvloeien uit de beoogde functie van het gebouw bepalen in belangrijke mate de energiebalans. Als er hoge eisen aan comfort en behaaglijkheid worden gesteld, leidt dit tot bepaalde typen klimatiseringssystemen. Het energiegebruik van twee verschillende klimatiseringssystemen kan voor eenzelfde gebouw een factor 2 in het energiegebruik van elkaar verschillen. Zonder hoogrendementsketel en toepassing van een energiezuinige verlichting is het bijna onmogelijk aan de energieprestatie-eis te voldoen. Toepassen van warmtepompen (onder andere warmteterugwinning) en hoge installatierendementen zijn van grote invloed op de energiebalans. De interne warmtebelasting bepaalt in hoge mate of er koeling in de zomerperiode nodig is, waarbij de verlichting een zeer belangrijke

32

rol speelt. Moderne typen lampen en geavanceerde methoden van schakelen brengen de warmte-belasting door verlichting terug. Buitenzonwering, moderne reecterende glassoorten, een hoge gebouwmassaen gunstige orintatie van grote glasvlakken reduceren de energiebehoefte van een gebouw. Een integrale aanpak van het ontwerp van het gebouw en zijn installatie brengt de door eisen belaste energiebalans weer in evenwicht. Daarbij is het mogelijk maatregelen aan het gebouw uit te wisselen tegen maatregelen aan de installatie en omgekeerd.

NEN-EN-ISO 7730 Gematigde thermische binnenomstandigheden - Bepaling van de PMV- en de PPD-waarde en specicatie van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid, 1996.

Geraadpleegde en aanbevolen literatuur


1 Fanger, P.O., Thermal comfort: Analysis and applications in environmental engineering, 1972. 2 Lentz, A.P., Handboek zonne-energie, Holland solar (met steun van Novem), 1993. Normen en voorschriften Berekening van het energiegebruik voor klimatisering en verlichting van kantoorgebouwen. ISSO-publicatie 21, 1994. Energie-efcinte kantoorgebouwen, binnenklimaat en energiegebruik. ISSO/SBR-publicatie 300, 1994. Kengetallen en vuistregels; Hulpmiddel bij het ontwerp van gebouwinstallaties. ISSO-publicatie 33, 1996. Ontwerpbinnencondities en thermische behaaglijkheid in gebouwen. ISSO-researchrapport 5, 1990. Sturingsinstrument voor energie (EPC) en binnenklimaat (GTO) in kantoorgebouwen. ISSO/SBR-publicatie 800, 1997. NEN 2916 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen Bepalingsmethode, 2001. NPR 2917 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen - Rekenprogramma (EPU) met handboek, 2002. NEN 5128 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen - Bepalingsmethode, 2003. NPR 5129 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen - Rekenprogramma (EPW) met handboek, 2002.

Klimaatbeheersingsinstallaties
Deerns raadgevende ingenieurs b.v., van Zanten raadgevende ingenieurs

12

Het doel van dit hoofdstuk is inzicht geven in de techniek van klimaatbeheersingsinstallaties voorzover die van belang is voor het integrale ontwerpproces: het afwegen van alternatieven om tot een goed evenwicht in de energiehuishouding te komen. Behalve de techniek van klimaatbeheersingsinstallaties worden ook aspecten als investeringen en onderhoud besproken.

34

Inleiding
In hoofdstuk 11 is het evenwicht beschreven dat wordt nagestreefd tussen het beoogde gebruik van het gebouw, het gebouw- en installatieontwerp, om een goede energiehuishouding te krijgen. Daaronder wordt verstaan: behaaglijk binnenklimaat dat geschikt is voor de beoogde activiteiten; laag energiegebruik. Zoals in paragraaf 11.4.1 is besproken, hebben klimaatbeheersingsinstallaties de volgende functies: verwarmen; verse lucht toevoeren; gebruikte lucht afvoeren; koelen; be- en/of ontvochtigen; lteren. De apparatuur kan individueel worden opgesteld, met als voordeel dat iedereen het klimaat naar eigen behoefte kan regelen. Het nadeel van individuele opstelling is dat de investering hoog is en dat lokale apparatuur niet zuinig met energie omgaat. In grote gebouwen worden de installaties meestal centraal opgesteld in een technische ruimte en worden in de verblijfsruimten radiatoren, convectoren en/of luchtroosters aangebracht, zogenaamde eindapparatuur. Ze worden onderling verbonden door kanalen en leidingen waar lucht of water doorheen stroomt. Als transportmedium voor warmte (en koude) gaat de voorkeur uit naar water, zoals in hoofdstuk 11 is besproken. Omdat er altijd verse lucht nodig is, is het in sommige gevallen verstandig de ventilatielucht tevens te benutten voor transport van warmte. Uit energetische overwegingen verdient het aanbeveling de warmte die anders bij ventileren via de retourlucht zou verdwijnen, te benutten. Recirculatie van de retourlucht is mogelijk, maar wordt bijna niet toegepast vanwege de daarvoor benodigde dure lters om schone en geurvrije lucht te verkrijgen. De warmte uit de retourlucht kan via diverse typen warmtewisselaars worden teruggewonnen, zodat er met eenvoudige lters kan worden vol-

staan. Bij warmteterugwinning via zogenaamde warmtewielen, paragraaf 12.7.1 en guur 12.1, kunnen zowel de warmte als het vocht uit de retourlucht worden teruggewonnen en opnieuw gebruikt. Bij centraal opgestelde installaties in technische ruimten moet warmte (eventueel koude) en schone lucht worden verkregen en in het distributiesysteem gebracht. In technische ruimten van gebouwen wordt het grootste deel van de ruimte in beslag genomen door zogenaamde luchtbehandelingkasten (LBK). Daarnaast worden er ketels aangetroffen voor de opwekking van warmte en, in geval van een volledig geconditioneerd gebouw, ook machines voor de opwekking van koude. Het (warme of koude) water wordt via pompen in de leidingen gebracht; de lucht met behulp van grote ventilatoren.

af te voeren warme lucht buiten

reinigingszone

uitvoering
af te voeren lucht af te voeren lucht

buitenlucht

toe te voeren lucht luchtverwarmer ventilator

toe te voeren lucht naar ruimten

inbouw

Figuur 12.1 Warmte- en vochtterugwinning met warmtewiel

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

35

De warmte kan ter plaatse worden opgewekt. Daarnaast kan er gebruik worden gemaakt van energiezuinige installatieconcepten,zoals: warmteopslag in grond, paragraaf 12.7.2; warmte/krachtkoppeling, paragraaf 12.7.4; benutting zonne-energie, paragraaf 12.7.5. Klimaatbeheersingsinstallaties bestaan uit de volgende componenten: opwekking warmte/koude (ketels, stadsverwarming, warmte/koudeopslag en koelmachines); aanzuiging en op gewenste temperatuur brengen van schone lucht, zogenaamde luchtbehandeling en warmteterugwinning; distributie van lucht en warmte/koude (pompen, ventilatoren, kanalen en leidingen); eindapparaten (radiatoren, convectoren,

stralingspanelen, roosters, inducerende roosters, enzovoort); regelsystemen (thermostaten, kleppen, sensoren, integratie met verlichting, gebouwbeheerssystemen, enzovoort).

12.1 Luchtbehandeling
12.1.1 Principe Om in de nodige frisse lucht te voorzien, worden gebouwen geventileerd. Er is sprake van natuurlijke ventilatie als de buitenlucht zonder ventilator wordt toegevoerd aan de vertrekken. Er is sprake van mechanische ventilatie als een ventilator de lucht naar de vertrekken toevoert of vanuit de vertrekken afvoert, guur 12.2. Er is sprake van balansventilatie wanneer de (ventilatie)lucht
afvoerlucht buitenlucht

technische ruimte

leidingen naar koelmachine


leidingen naar warmtecentrale

buitenluchtrooster

luchtafvoerkast luchttoevoerkast
distributiesysteem

schacht

plenum toevoerlucht retourlucht

Figuur 12.2 Mechanische ventilatie: luchtbehandelingskasten en distributie door gebouw

36

mechanisch wordt toe- en afgevoerd. Een richtlijn voor de benodigde hoeveelheid verse lucht per persoon is 35 m3/h in ruimten waar niet gerookt wordt. In ruimten waar gerookt wordt moet de hoeveelheid verse lucht minimaal gelijk zijn aan 50 m3/h per persoon. Omdat de klimaatcondities, temperatuur en vochtigheid in gebouwen vaak verschillen van de buitencondities, moet de buitenlucht gedurende het jaar worden geconditioneerd, zodat de gewenste binnencondities kunnen worden bereikt. Bij mechanische ventilatie, toevoer, guur 12.2, wordt in kantoorgebouwen de lucht centraal geconditioneerd. Hiertoe worden zogenaamde luchtbehandelingskasten genstalleerd op een plek waar verse lucht kan worden aangezogen. In veel gevallen is dit een technische ruimte op het dak.

Vaak wordt de lucht zo geconditioneerd, dat deze, naast het voorzien in de behoefte aan verse lucht, ook een bijdrage kan leveren aan de warmte- en vochthuishouding van een ruimte. Bij het ontwerp kan men overwegen een grotere hoeveelheid geconditioneerde lucht te distribueren dan de benodigde ventilatielucht. Zo kan met lucht een bijdrage worden geleverd aan de gewenste binnencondities. Er is dan minder capaciteit nodig voor de eindapparaten gevoed door verwarmd of gekoeld water. Als er lucht in plaats van water wordt gebruikt om in de energiebehoefte te voorzien, is er meer bouwkundige ruimte voor transport nodig. Water heeft een grotere warmtecapaciteit dan lucht. Om een bepaald koelings- of verwarmingsvermogen te transporteren, zijn bij lucht als transportmiddel kanalen met een grotere diameter nodig dan in het geval van water als transportmiddel, guur 12.3.
12.1.2 Conditionering ventilatielucht De lucht wordt geconditioneerd door lteren, verwarmen, koelen en bevochtigen. De gebruikelijke opbouw van een luchtbehandelingskast is weergegeven in guur 12.4.

3k

t arm

250 mm lucht te

W 3k 20 mm water

wa

rm

Figuur 12.3 Distributie verwarmingsvermogen met behulp van lucht of water


recirculatie warmtewiel voorverwarmer ventilator

De componenten van een luchtbehandelingskast worden hieronder kort toegelicht: luchtlter; voorverwarmer; ventilator; geluiddemper; koelbatterij; warmtewiel; naverwarmer; recirculatieaansluiting.

+
geluiddemper

+
naverwarmer koelbatterij

gebouw geluiddemper

buiten ventilator

luchtfilter

Figuur 12.4 Opbouw luchtbehandelingskast

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

37

Luchtlter Het luchtlter is opgenomen om de lucht te ontdoen van vervuiling die het luchtkanalensysteem kan verstoppen en afbreuk doet aan de kwaliteit van de ventilatielucht. Voorverwarmer De voorverwarmer wordt gebruikt om de lucht te verwarmen. De voorverwarmer wordt voor de koelbatterij geplaatst om bevriezing van de koelbatterij in de winter te voorkomen. Ventilator Het benodigde vermogen van de ventilator wordt onder andere bepaald door de luchtweerstand, de componenten die in de luchtbehandelingskast worden opgenomen en het kanalensysteem. Geluiddemper De voor en na de ventilator geplaatste geluiddemper voorkomt hinderlijk geluid naar het gebouw en naar buiten. Koelbatterij In de koelbatterij wordt de lucht gekoeld. Het koelproces verloopt meestal zo dat de lucht tijdens het koelen tevens wordt ontvochtigd. Het kan voorkomen dat zo veel vocht aan de lucht moet worden onttrokken dat de temperatuur van de ventilatielucht te laag wordt. Dit diepe koelen is noodzakelijk om de lucht voldoende te ontvochtigen. Voor het koelproces is dan het ontvochtigen de bepalende factor. De lucht moet worden naverwarmd. Een richtlijn is dat de koude lucht met een maximaal temperatuurverschil van 8 C kan worden ingeblazen. Warmtewiel Warmte en vocht kunnen uit de retourlucht worden teruggewonnen met behulp van het warmtewiel. Hiertoe moeten de luchttoevoer- en luchtafvoerkasten gestapeld worden genstalleerd. Warmteterugwinning kan ook met behulp van een twin-coil-systeem, paragraaf 12.7.1. Er wordt dan in zowel de toevoer- als de afvoerkast een lucht/waterwarmtewisselaar opgenomen. Deze worden met elkaar verbonden door een watercircuit met circulatiepomp. Het rendement van de warmteterugwinning met een twin-coil-

systeem is lager dan het rendement van een warmtewiel. Ook kan er geen vocht worden teruggewonnen. Naverwarmer Omdat in de zomer de lucht soms door de koelbatterij gekoeld wordt tot een lagere temperatuur dan de temperatuur waarmee de lucht mag worden ingeblazen, is na de koelbatterij een naverwarmer opgenomen. Recirculatieaansluiting Als er meer lucht wordt getransporteerd door het luchtkanalencircuit dan nodig is om in de ventilatiebehoefte te voorzien, is recirculatie een interessante optie om energie te besparen. De te recirculeren lucht moet voldoende worden gemengd met verse buitenlucht en alleen de verse lucht moet nog op binnen klimaatcondities worden gebracht.

12.2 Installatieconcepten
Door de opwekkingsbronnen via de distributiesystemen te koppelen met de eindapparaten en de regelsystemen ontstaat de klimaatbeheersingsinstallatie. Klimaatbeheersingsinstallaties kunnen worden ingedeeld in installatieconcepten. In het vervolg is gekozen voor een indeling op basis van de wijze van verwarmen, ventileren en de mate van conditionering. Van elk installatieconcept zijn diverse varianten denkbaar.
12.2.1 Centrale verwarming; natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer

Functies Bij dit in de woningbouw veelvoorkomende installatieconcept vindt het verwarmen van een gebouw plaats door middel van radiatoren met een lokale naregeling. Het ventileren gebeurt op basis van natuurlijke luchttoevoer op lokaalniveau en mechanische luchtafvoer, guur 12.5 en 12.9.

38

dakventilator met geluiddemper CV-ketels in dakopstelling afvoerlucht

gevel met te bedienen ventilatierooster centrale verwarming d.m.v. radiatoren

leidingen naar CV-ketel

afvoer ruimtelucht via armaturen luchtafvoerkanaal

CV en mechanische afzuiging

CV-ketel afvoer

CV-leidingen

afzuigkanaal

toevoerlucht natuurlijk ventilatierooster


radiator

verlichtingsarmatuur

CV-leidingen

naar CV-ketel

schema

Figuur 12.5 Principe met centrale verwarming; natuurlijke luchttoevoer/mechanische luchtafvoer

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

39

Verwarming Centrale verwarming bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: warmtebron (bijvoorbeeld ketel of stadsverwarming); radiatoren; distributievoorzieningen (transportleidingen en pomp(en)); regelingen. Radiatoren verzorgen door convectie en straling de uitwisseling van warmte met de ruimte. Deze horen dicht bij de relatief koude binnenoppervlakten (gevels/ramen) te worden opgesteld. Ventilatie De luchttoevoer wordt op een natuurlijke manier ingebracht, in het algemeen door middel van ventilatieroosters bovenin de raamgedeelten. Die natuurlijke luchttoevoer komt tot stand door de invloed van de wind, het temperatuurverschil tussen buiten- en binnenlucht en het drukverschil veroorzaakt door het luchtafvoersysteem. Men moet letten op het warmteverlies dat wordt veroorzaakt door het toevoeren van de koude buitenlucht via ventilatieroosters. Bij geluidbelaste gevels is het een vereiste om akoestische ventilatieroosters toe te passen.
Ventilatieroosters in raamkozijnen worden besproken in deel 4C Gevelopeningen, hoofdstuk 14.

centrale voorregeling cv-watertemperatuur (afhankelijk van heersende buitentemperatuur); individuele temperatuurregeling per ruimte, door thermostatische afsluiters bij radiatoren.
Klimaatbeheersing De temperatuur in de ruimten is in de winterperiode redelijk beheersbaar. Klachten kunnen ontstaan over de droge luchtsituatie en de beperkte ventilatiemogelijkheden. Door winddrukken op de gevel kunnen er uctuerende ventilatiedebieten optreden. In de zomerperiode is het gebouwklimaat volledig afhankelijk van het heersende buitenklimaat, wat nog wordt gestimuleerd door de natuurlijke wijze van luchttoevoer. De gebruikers ervaren de individuele bediening van de ventilatieroosters in de gevel en temperatuurregeling bij de radiatoren als positief. Energie Het energiegebruik voor het luchttransport van de mechanische afzuiging is beperkt. Het energiegebruik van de verwarming is afhankelijk van de bouwfysische kwaliteit van het gebouw (hiervoor gelden minimale wettelijke eisen) en het gedrag van de gebruikers. Bouwkundige randvoorwaarden De opstelling van de radiatoren vereist aan de gevel een strook van relatief geringe afmetingen. De verwarmingsleidingen en luchtkanalen worden gebruikelijk in een verlaagd plafond ondergebracht, waarbij de kanalen het plafondniveau bepalen. Het projecteren van de verticale leidingen en kanalen vindt veelal plaats in een schacht. Ook hier zijn de kanalen maatgevend voor de benodigde ruimte, in dit geval de schachtafmetingen. In de woningbouw worden in het algemeen geen verlaagde plafonds toegepast. Indien nodig worden voorzieningen, zoals luchtkanalen en leidingen, ingestort. In het bouwkundige ontwerp moet men rekening houden met technische ruimten ten behoeve van de opstelling van de warmtebron, zoals: ketel, waarvoor de ruimte bij voorkeur ter plaatse van het dakniveau is te situeren en men aan de geldende voorschriften moet voldoen; stadsverwarming, waarbij het energieleve-

De mechanische luchtafzuiging bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: ventilatorunit (de eenvoudigste uitvoering is een op het dak geplaatste ventilator (dakkap-ventilator), grote luchtcapaciteiten vereisen veelal de opstelling van de unit in een technische ruimte); luchtafvoerpunten in de ruimten (bijvoorbeeld roosters of armaturen en in het geval van woonhuisventilatie afzuigpunten in keuken, toilet en badkamer); distributievoorzieningen (kanalen); regelingen. Regeling De regeling van de centrale verwarming bestaat uit twee stappen:

40

rende bedrijf voor de warmtewisselaar in het algemeen een ruimte op begane-grondniveau voorschrijft; ventilatorunit, bij voorkeur opgesteld in een ruimte direct onder dakniveau, vanwege de directe luchtuitblaasmogelijkheden. De ventilatieroosters in de gevel(s) worden in het algemeen ondergebracht bij de bouwkundige werken. Onderhoud De installaties zijn eenvoudig en derhalve is het onderhoud evenredig beperkt. Zeer zeker moet men aandacht schenken aan het onderhouden van de ventilatieroosters in de gevel(s) in verband met de vervuiling ervan. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: geen temperatuureisen in zomerperiode; geen luchtvochtigheidseisen in winterperiode; mechanische afzuiging om onbeheersbare luchtbewegingen in het gebouw te beperken en zodoende het gebouwcomfort te verhogen; minimale ventilatie-eisen (men moet voldoen aan de eisen volgens het Bouwbesluit); exibiliteit van ruimten, eenvoudig aan te passen aan indelingswijzigingen; beperkte energiekosten; zeer beperkte onderhoudskosten; individuele naregeling (temperatuurregeling per travee van 1,8 m is mogelijk).
Toepassingsgebied cv met natuurlijke ventilatie Het concept vindt vooral toepassing bij: laagbouw met ventilatieroosters en te openen ramen en beperkt glaspercentage (< 30 procent); ruimten met grote inhoud; lage personeelsbezetting. Bijvoorbeeld: woningbouw, laagbouwkantoor, winkelgebouw, onderwijsgebouw (leslokaal).

12.2.2 Ventilatie op basis van constantvolumesystemen; centrale verwarming; radiatoren

Functies Bij dit installatieconcept wordt het gebouw verwarmd door middel van radiatoren met lokale naregeling. Het ventileren gebeurt mechanisch op basis van een constant-volumesysteem, waarbij de constante hoeveelheid ventilatielucht wordt verwarmd en bevochtigd, guur 12.6 en 12.9. Verwarming en ventilatie De verwarming is identiek aan het installatieconcept zoals besproken in paragraaf 12.2.1. In dit installatieconcept wordt de ventilatie echter verzorgd door een systeem dat een constante hoeveelheid lucht aan de ruimten toe- en afvoert: het constant-volumesysteem (Constant Air Volume (CAV)-systeem). Een dergelijk systeem heeft de volgende kenmerken: goed geschikt als mechanisch ventilatiesysteem, ook in combinatie met andere installatieconcepten; gebalanceerde ventilatie mogelijk: gewenste onder- en overdrukken in luchtbewegingen kunnen worden ingesteld; energetisch minder sterk in verband met de constante hoeveelheid aan toe- en afvoerlucht; eenvoudig: er zijn geen specieke regelingen noodzakelijk; onderhoudsarm; centrale luchtbevochtiging mogelijk. De toevoerlucht van het systeem wordt centraal verwarmd en bevochtigd in een luchttoevoerunit. De verwarming van de lucht op een centraal punt heeft als gevolg dat de ventilatielucht aan alle ruimten in een gebouw met een gelijke temperatuur wordt toegevoerd. Voor de verwarming wordt gebruikgemaakt van dezelfde warmtebron als voor de radiatoren, uiteraard met een aparte regeling. Het luchttoevoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: luchttoevoerunit (centrale buitenluchtaanzuiging, lteren, verwarmen en bevochtigen van de buitenlucht, ventilator); luchttoevoerpunten (roosters);

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES
afvoerlucht buitenlucht

41

leidingen naar CV-ketel

luchtafvoerkast luchttoevoerkast

constant volumebox afvoer ruimtelucht via armaturen

leidingen naar CV-ketel

inducerend luchtinblaasrooster

constant-volume-systeem
afvoer bovendaks luchtafvoerunit

toevoerlucht retourlucht

afzuigkanaal CV-leidingen

warmtewiel

CV-ketel toevoerkanaal luchttoevoerunit

buitenlucht

constant volumebox inducerend luchtinblaasrooster verlichtingsarmatuur

radiator

schema

CV-leidingen

naar CV-ketel

Figuur 12.6 Principe met centrale verwarming en ventilatie op basis van constant-volumesysteem en warmteterugwinning door middel van warmtewiel

42

luchtdistributiekanalen (luchttoevoerkanalen met voorzieningen); regelingen. Het luchtafvoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: luchtafvoerunit (centrale luchtuitblaas van de afvoerlucht via de ventilator); luchtafvoerpunten (roosters en/of armaturen); luchtdistributiekanalen (luchtafvoerkanalen met voorzieningen); regelingen. Regeling De regeling van de centrale verwarming is identiek aan die in het installatieconcept van paragraaf 12.2.1. De regeling van de ventilatielucht, vooral de luchtinblaastemperatuur voor de ruimten, vindt plaats in de centrale luchttoevoerunit op basis van de heersende buitentemperatuur en/of gemiddelde ruimtetemperatuur. Klimaatbeheersing Het ventilatiesysteem heeft uitsluitend als doel de vereiste constante hoeveelheid aan verwarmde verse buitenlucht aan de ruimte toe- en af te voeren, met andere woorden, om te ventileren. Op basis van deze doelstelling wordt het klimaat ten aanzien van de ventilatie goed beheerst. Door de ventilatielucht in de winterperiode centraal te bevochtigen is de luchtvochtigheid in de ruimten onder controle. De vereiste ruimtetemperaturen zijn in de winterperiode redelijk beheersbaar. In de zomerperiode is het klimaat in het gebouw volledig afhankelijk van het heersende buitenklimaat, de benodigde ventilatielucht wordt immers onbehandeld (niet gekoeld) aan de ruimten toegevoerd. Energie Het energiegebruik voor het transport van de lucht (ventilatoren) is beperkt. Het energiegebruik voor de verwarming is afhankelijk van de bouwfysische kwaliteit van het gebouw en het gedrag van de gebruikers. Bouwkundige randvoorwaarden De bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de installaties zijn in principe gelijk aan het concept van paragraaf 12.2.1. Men moet

rekening houden met een aanvulling hierop ten aanzien van: luchttoevoerkanalen (vooral belangrijk voor schachtafmetingen); luchttoevoerunit (belangrijk voor aantal m2 technische ruimte), gewicht, trillings- en geluidsoverlast; aanzuiging buitenlucht via roosters in gevel technische ruimte. Onderhoud De installaties zijn eenvoudig en derhalve is het onderhoud evenredig beperkt. Het is belangrijk de luchtverwarmer, bevochtiger en lters in de centrale luchttoevoerunit goed te onderhouden. De onderhoudsgevoelige apparaten bevinden zich in de technische ruimte. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: geen temperatuureisen voor zomerperiode; luchtvochtigheideisen voor winterperiode; ventilatie-eisen; exibiliteit ruimten (eenvoudig aan te passen aan indelingswijzigingen); beheersing energiekosten; beperkte onderhoudskosten; individuele naregeling (temperatuurregeling per travee van 1,8 m mogelijk).
Toepassingsgebied constantvolumesysteem Het concept vindt vooral toepassing bij: laagbouw met te openen ramen en beperkt glaspercentage (< 30 procent); ruimten met grote inhoud en gelijke warmtebelasting; lage tot matige personeelsbezetting. Bijvoorbeeld: laagbouwkantoor, winkelgebouw, onderwijsgebouw, sportgebouw.

12.2.2 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van variabel-volumesystemen

Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

43

lucht met als principe het variabel-volumesysteem. De lucht wordt gebruikt als drager voor de koeling in de zomer en voor verwarming en bevochtiging in de winter, guur 12.7 en 12.9. Verwarming en ventilatie Het variabel-volumesysteem regelt de ruimtetemperatuur in de zomer door de luchtinblaashoeveelheid van een ruimte te variren door middel van een geregelde klep, de variabelvolumebox. Door het regelen van de luchthoeveelheid per ruimte of zone kunnen variaties in de warmtebelasting worden gecompenseerd, waarbij de individueel ingestelde ruimtetemperatuur blijft gewaarborgd. Het variabel-volumesysteem kenmerkt zich door: toepasbaarheid bij wisselende warmtebelasting; gebalanceerd systeem; eenvoudig kanalensysteem; goede regelbaarheid; hoeveelheidsregeling afvoerlucht moet evenredig zijn aan de toevoerlucht; onderhoudsarm systeem. De verwarming van het gebouw vindt in twee stappen plaats: voorverwarming wordt centraal gerealiseerd in luchttoevoerunit, bijvoorbeeld tot 16 C; luchtnaverwarmer per ruimte of zone voor individuele verwarming, geschikt voor vereiste maximale luchtinblaastemperatuur. Afhankelijk van de warmtebehoefte in de wintersituatie verandert door verstelling van de ruimtethermostaat de luchtinblaastemperatuur volgens een ingestelde stooklijn. Het luchttoevoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: luchttoevoerunit (centrale buitenluchtaanzuiging, menging afvoer- en buitenlucht, verwarmen en bevochtigen menglucht, ventilator); variabel-volumeboxen; luchttoevoerpunten (roosters); luchtdistributiekanalen (luchttoevoerkanalen direct verbonden met voorzieningenunit enerzijds en roosters anderzijds, met tussenplaatsing

van variabel-volumeboxen en naverwarmers ter plaatse van de ruimten); regelingen. Het luchtafvoersysteem bestaat in hoofdzaak uit de volgende componenten: luchtafvoerunit (bij recirculatie verdeling afvoerlucht naar toevoerunit en afvoerlucht naar buiten, ventilator); luchtafvoerpunten (roosters en/of armaturen); luchtafvoerkanalen met voorzieningen; regelingen. Regeling De regeling van het binnenklimaat vindt plaats per ruimte en/of zone zowel in de winter- als in de zomersituatie. Aan de eis van individuele ruimteregeling wordt hiermee voldaan. Individuele ruimteregeling per travee van 1,8 m is goed mogelijk, hoewel men hierbij in ogenschouw moet nemen dat de kosteninvestering fors is. Klimaatbeheersing Met dit klimaatconcept wordt een behaaglijk binnenklimaat gerealiseerd. De maximale luchthoeveelheid is gebaseerd op de koelbehoefte van het gebouw en de minimale luchthoeveelheid wordt bepaald door de vereiste hoeveelheid ventilatielucht (verse buitenlucht). Het systeem biedt hiermee zeer goede ventilatiemogelijkheden. Door de lucht in de winterperiode centraal te bevochtigen, kan ook dit belangrijke behaaglijkheidsaspect worden benvloed. Men moet letten op de selectie van de luchttoevoerroosters, vanwege het feit dat bij reducering van de luchttoevoerhoeveelheid wijzigingen in het inblaaspatroon optreden. Een minder goede selectie van de toevoerroosters kan aanleiding geven tot tochtklachten. Energie Over het algemeen is het variabel-volumesysteem energiezuinig, omdat de luchthoeveelheden worden aangepast aan de optredende belastingen. Ook is dit systeem goed geschikt voor recirculatie van de afvoerlucht, uitsluitend de luchthoeveelheid voor de ventilatielucht moet worden ververst. Andere vormen van warmteterugwinning zijn ook goed mogelijk. De isolatie

44

afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine

luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel

afvoer ruimtelucht via armaturen inducerend luchtinblaasrooster

variabel-volumesysteem aanvoerlucht naverwarmer variabel-volumesysteem afvoerlucht

variabel-volumesysteem
afvoer bovendaks luchtafvoerunit

toevoerlucht retourlucht

afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel VAV-box verlichtingsarmatuur CV-leidingen

luchtinblaasrooster VAV-box

naverwarmer

schema

Figuur 12.7 Principe ventilatie, verwarming en koeling op basis van variabel-volumesysteem

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

45

van de luchttoevoerkanalen is van groot belang om energieverlies te voorkomen en de temperatuur van de aangevoerde lucht per vertrek gelijk te houden. Bouwkundige randvoorwaarden In het algemeen kan worden gesteld dat ten behoeve van het variabel-volumesysteem in ruime mate behoefte is aan bouwkundige voorzieningen, zoals: voldoende ruimte in verlaagd plafond (ten behoeve van luchtkanalen, luchtnaverwarmers en variabel-volumeboxen); schachten voor luchtkanalen en leidingen; technische ruimte(n) voor opstelling koudeen warmtebron (koelmachineconguratie en verwarmingsketel); technische ruimte voor opstelling luchttoevoer- en luchtafvoerkast(en). Onderhoud Het onderhoud aan de installatie is voornamelijk geconcentreerd in de technische ruimten. Inspectie aan de variabel-volumeboxen en luchtnaverwarmers is noodzakelijk. Zorg voor een zodanige lay-out van de installatie, dat voornoemde apparaten vanuit de gangzone te inspecteren zijn. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: temperatuureisen voor winter- en zomerperiode; luchtvochtigheideisen voor winter- en zomerperiode; ventilatie-eisen; variaties warmtebelasting in ruimten; individuele regelbaarheid ruimtetemperatuur s zomers en s winters; vaste indeling ruimten; beheersing energiekosten; redelijke onderhoudskosten.
Toepassingsgebied variabelvolumesysteem Het concept vindt vooral toepassing bij: goed gesoleerde gebouwen met beperkt glaspercentage (< 30 procent);

hoge interne belasting en wisselende personeelsbezetting. Bijvoorbeeld: hoogbouwkantoor, gezondheidszorg (beddenkamer, onderzoekkamer), horecagebouw (restaurant).

12.2.4 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsystemen

Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van lucht. Verwarming, ventilatie en bevochtiging in de winterperiode en koeling en ventilatie in de zomerperiode vinden plaats door middel van ventilatorconvectoren, guur 12.8 en 12.9. Verwarming en ventilatie Ventilatorconvectoren zijn units voorzien van een ventilator, een verwarmings- en koelelement en een aansluiting voor de ventilatielucht. De units worden in dit concept veelal in het verlaagde plafond van een vertrek geplaatst. Plaatsing aan de gevel is ook mogelijk. De ventilator zorgt als volgt voor de distributie van de lucht: ruimtelucht wordt aangezogen via plenum of retourroosters; ventilatielucht wordt aangezogen vanuit ventilatiesysteem; in de winter wordt ruimtelucht verwarmd door verwarmingselement, dat is aangesloten op verwarmingswaternet; in de zomer wordt ruimtelucht gekoeld door koelelement, dat is aangesloten op gekoeldwaternet; behandelde lucht wordt aan ruimte toegevoerd via toevoerroosters. Ventilatorconvectoren kenmerken zich door: per ruimte op maat gesneden klimaatbeheersing (de capaciteit van de units worden op ruimtebehoefte geselecteerd); uitgebalanceerd systeem; eenvoudig kanalensysteem, van beperkte afmeting (uitsluitend kanalen ten behoeve van ventilatielucht, de lucht wordt immers gerecirculeerd);

46

afvoerlucht buitenlucht

leidingen naar koelmachine leidingen naar CV-ketel luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel

koeling en verwarming d.m.v. ventilatorconvector

leidingen verwarmd water leidingen gekoeld water

ventilatorconvectorsyteem
afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit

toevoerlucht retourlucht

CV-leidingen gekoeldwaterleidingen

CV-leidingen condensleiding

gekoeldwaterleidingen

luchtinblaasrooster

ventilatorconvector

verlichtingsarmatuur

schema

Figuur 12.8 Principe ventilatie, verwarming en koeling op basis van ventilatorconvectorsysteem

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

47

indeling per stramien van 3,6 m is eenvoudig te realiseren, derhalve ook de regelbaarheid; verwarmingsnet en gekoeld waternet tot aan de ventilatorconvectoren; als er te openen ramen worden toegepast, is condensafvoer noodzakelijk als gevolg van droging van de aangezogen ruimtelucht bij het koelproces in de zomerperiode; regelmatig onderhoud, zeker aan het lter van de unit; geluidproductie ventilatoren. Als er aan ruimten specieke geluideisen worden gesteld, zijn extra akoestische voorzieningen aan de unit noodzakelijk.
Naast het beheersen van het klimaat op het gebied van verwarming en koeling is ook ventilatie (met verse buitenlucht) noodzakelijk. De ventilatie wordt verzorgd door centraal opgestelde luchtbehandelingskasten, een toe- en afvoerkast, waarin de verse buitenlucht wordt ingenomen en vervolgens wordt voorbehandeld via verwarming en koeling, een en ander afhankelijk van het buitenklimaat, tot een basistemperatuur van circa 18 C. Het voorbehandelen van de buitenlucht heeft als belangrijke voordelen: gekoeldwater- en verwarmingswaternetten ten behoeve van de ventilatorconvectoren zijn geringer van afmetingen; basisluchtconditie kan gebruikt worden voor ruimten waaraan minder klimaateisen worden gesteld; verwarmings- en koelelementen van de ventilatorunits worden geringer van capaciteit en dus ook van afmetingen. In de wintersituatie wordt de ventilatielucht ook bevochtigd. De distributie van de ventilatielucht vindt plaats met een kanalensysteem voor de toevoer van de ventilatielucht naar de voornoemde ventilatieaansluiting op de ventilatorconvector en een kanalensysteem voor de afvoer van de gebruikte ventilatielucht. Regeling De regeling van het binnenklimaat gaat in dit geval per gevelzone en binnenzone van 3,6 m. De luchtinblaastemperatuur wordt geregeld door variatie van de hoeveelheid verwarmd water en gekoeld water die door het verwarmingselement

respectievelijk door het koelelement stroomt. De luchthoeveelheid is daarbij constant. Klimaatbeheersing Met de ventilatorconvectoren is een goed binnenklimaat te bereiken. Het systeem is wat betreft geluidproductie (ventilatoren) nogal kritisch. Ruimtelijke indeling per 1,8 m van de ventilatorconvectoren is zeer goed mogelijk. Uiteraard vallen de daaraan verbonden kosten (investering en onderhoud) belangrijk hoger uit dan bij de gebruikelijke indeling per 3,6 m. Het systeem biedt de vereiste ventilatiehoeveelheden. De lucht wordt centraal bevochtigd, waardoor de relatieve luchtvochtigheid in de winterperiode, ten minste 35 procent, is gegarandeerd. Energie In het algemeen heeft het systeem met de ventilatorconvectoren een gemiddeld energiegebruik. De ventilatielucht die door het gebouw wordt getransporteerd, heeft een temperatuur van circa 18 C. Daarbij treden geen grote verliezen op. Energievernietiging kan optreden in het geval dat opgewarmde buitenlucht, via de centrale ventilatievoorziening, in de ventilatorconvector komt die op een koelproces staat geregeld. Bouwkundige randvoorwaarden In principe ligt het zwaartepunt van de ruimtelijke behoefte van de klimaatinstallatie op lokaalniveau, namelijk in het verlaagd plafond van de vertrekken. Hierin bevinden zich de ventilatorconvectoren, met de aansluitingen op het verwarmingswaternet en het gekoeldwaternet, de ventilatieaansluitingen en een wandcontactdoos voor de voeding van de ventilator en het condensafvoernet tijdens koelen in de zomer. Technische ruimten zijn noodzakelijk voor de opstelling van de koude- en warmtebron alsmede voor de opstelling van de centrale luchtunits. Onderhoud Ventilatorconvectoren, vooral de luchtlters, vereisen regelmatig onderhoud. Dit zijn werkzaamheden in de gebruiksruimten. Uiteraard is er ook onderhoud noodzakelijk aan de centrale luchtunits.

48

Installatieconcept

Basisfuncties

Regeling Verwarming Ventilatie Koeling

Ruimtebeslag

Natuurlijke/mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant volumesysteem en centrale verwarming Variabel volumesysteem Ventilatorconvectorsystemen Inductiesystemen Klimaatplafond Klimaatgevel

nat.

100

200- 1,0 300

100

300- 2,5 400 400- 4,5 500 450- 3,5 550 400- 3,5 500 350- 3,5 400 350- 3,5 400

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

0 0

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ 500 0 500

Figuur 12.9 Functies en ruimtebeslag installatieconcepten

Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: temperatuureisen voor winter- en zomerperiode; luchtvochtigheideisen voor winter- en zomerperiode; ventilatie-eisen; exibele indeling ruimten per 3,6 m; beheersing energiekosten; bij goed planmatig onderhoud, vooral aan convectorunit, zijn kosten beheersbaar.

Toepassingsgebied ventilatorconvector systeem Het concept vindt vooral toepassing bij: goed gesoleerd gebouw met hoogwaardig isolerend glas; gebouw waarin veel gekoeld moet worden; ruimten waarin enige geluidproductie acceptabel is; ruimten met sterk wisselende warmtebelasting; ruimten waarin interne recirculatie acceptabel is, zie paragraaf 12.2.5. Bijvoorbeeld: onderwijsgebouw (laboratorium), logiesgebouw (hotelkamer).

Technische ruimte (m2 in % bvo)

Gevelstrookbreedte (mm)

Plafondhoogte (mm)

Gebouwniveau

Gebouwniveau

Gebouwniveau

Lokaalniveau

Lokaalniveau

Lokaalniveau

Luchttoevoer

Bevochtigen

Luchtafvoer

Verwarmen

Filteren

Koelen

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

49

12.2.5 Ventilatie, verwarming en koeling op basis van inductie-units

Functies Dit installatieconcept is gebaseerd op een volledig klimaatbeheersingssysteem door middel van lucht. Inductie-units verzorgen de totale klimaatbeheersing in de zomer- en winterperiode, guur 12.9 en 12.10. Verwarming en ventilatie Inductie-units zijn in feite omkastingen die aan de gevel van ruimten worden opgesteld (plafondopstellingen zijn ook mogelijk). De units zijn intern voorzien van een verwarmingselement en een koelelement, die zijn aangesloten op een verwarmingswaternet respectievelijk op een gekoeldwaternet. Het is gebruikelijk dat de genoemde leidingsystemen in de omkastingen zijn opgenomen, horizontaal langs de gevel. Extern zijn de units voorzien van luchtuitblaasspleten aan de bovenzijde van de omkasting en roosters aan de onderzijde van het front ten behoeve van het aanzuigen van de ruimtelucht. De ventilatielucht wordt aan de onderzijde toegevoerd via een vloersparing. Karakteristiek voor het inductiesysteem is dat iedere ruimte een constante hoeveelheid ventilatielucht, onder hogere druk dan in de hiervoor besproken systemen, krijgt toegevoerd, de zogenaamde primaire lucht. In de inductie-unit wordt de hoge druk door middel van straalpijpjes omgezet in een hoge luchtsnelheid. Hierdoor wordt een hoeveelheid ruimtelucht, de zogenaamde secundaire lucht, genduceerd (meegesleept). De genduceerde lucht wordt vervolgens door het verwarmings- of koelelement gevoerd en naar gelang de ruimtebehoefte verwarmd of gekoeld. De gemengde lucht, primaire en genduceerde, wordt door middel van luchtuitblaasspleten aan de ruimte toegevoerd, waardoor een individuele aanpassing aan het ruimteklimaat wordt verkregen. Inductie-units hebben de volgende kenmerken: per ruimte op maat gesneden klimaatbeheersing (capaciteit inductie-units wordt op ruimtebehoefte geselecteerd); uitgebalanceerd systeem; constante luchthoeveelheid;

eenvoudig kanalensysteem, dus geringe ruimtebehoefte (uitsluitend kanalen ten behoeve van ventilatielucht); indeling per 3,6 m is eenvoudig te realiseren, dus ook de regelbaarheid; verwarmingsnet en gekoeldwaternet tot aan inductie-units; opvangen koudeval van raam en/of gevel; onderhoudsgevoelig; kritisch met betrekking tot geluid; kritisch met betrekking tot circulatievoud in verband met tochtklachten; ruimtebehoefte van circa 500 mm aan gevel; geen apparatuur in plafond. Er zijn diverse uitvoeringen van inductiesystemen mogelijk. Het hiervoor omschreven inductiesysteem is een vierpijpssysteem, guur 12.10-3, met als belangrijke voordelen: redelijke eenvoud centrale regelingen; gunstiger energiegebruik. Een nadeel is de investering in de uitgebreide verwarmings- en gekoeldwaternetten. De ventilatie is in principe gelijk aan de omschrijving in paragraaf 12.2.4. Regeling De regeling van het klimaat vindt plaats per zone van 3,6 m door het verwarmingselement- of koelelement te regelen. De primaire lucht wordt op een temperatuur gehouden die afhankelijk is van de buitentemperatuur. Deze regeling kan lucht- of waterzijdig zijn. Bij een luchtzijdige regeling regelt een thermostaat in de secundaire lucht een klep die de lucht over het verwarmingselement of koelelement leidt. Bij een waterzijdige regeling regelt een thermostaat de kleppen in het verwarmings- en gekoeldwaternet. Klimaatbeheersing Met het inductiesysteem is een goed binnenklimaat te bereiken. Het kritische in het ontwerp van een inductiesysteem is het circulatievoud in de ruimten. Zowel een te hoog als een te laag circulatievoud kan leiden tot tochtklachten. Het geluidsniveau in de ruimten is sterk afhankelijk van de toe te passen straalpijpjes in de inductieunits. De straalpijpjes bepalen de hoeveelheid

50

afvoerlucht buitenlucht

leidingen naar koelmachine leidingen naar CV-ketel luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel

koeling en verwarming d.m.v. inductieunit

afvoer ruimtelucht via armaturen

leidingen verwarmd water

toevoer lucht

leidingen gekoeld water

inductiesysteem
afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht toevoerkanaal luchttoevoerunit

toevoerlucht retourlucht

CV-leidingen gekoeldwaterleidingen

verlichtingsarmatuur toevoer lucht


+
F

schema

lucht gekoeld waterleidingen CV-leidingen

Figuur 12.10 Principe ventilatie, verwarming en koeling op basis van inductie-units

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

51

primaire lucht

koud of warm

warm water gekoeld water


koud of warm

warme retourlucht

voorbeeld van een inductie-unit in het plafond

Figuur 12.10 Principe ventilatie, verwarming en koeling op basis van inductie-units (vervolg)

secundaire lucht die wordt meegezogen. Hoewel het zeer goed mogelijk is een inductiesysteem te realiseren zonder geluidproblemen, zijn er in een aantal projecten klachten over het geluid gesignaleerd. Die klachten zijn veelal het gevolg van een bezuiniging op de investeringskosten en/of vervuiling van de straalpijpjes. Energie Energetisch moet men nadrukkelijk kijken naar de uitvoering van de warmwater- en gekoeldwatersystemen en naar de regelingen van de systemen, natuurlijk zonder de investeringskosten uit het oog te verliezen. Bij een luchtzijdige regeling treedt er energievernietiging op door warmte- of koudeafgifte van de elementen in de inductie-unit die luchtzijdig is afgesloten. Bouwkundige randvoorwaarden De plaatsing van inductie-units aan de gevel vraagt een aantal bouwkundige aanpassingen: vloersparingen ter plaatse van elke inductieunit ten behoeve van toevoer ventilatielucht; vloersparingen ten behoeve van warmwateren gekoeldwaterleidingen, op centraal punt, naar gevelomkasting; brede strook vloeroppervlak aan gevel(s) ten behoeve van opstelling inductie-units. Naast de genoemde aspecten moet men rekening houden met voldoende ruimte in het verlaagd plafond ten behoeve van de ventilatiekanalen en leidingensystemen. Technische ruimten

zijn nodig voor de opstelling van de koude- en warmtebron alsmede voor de opstelling van de centrale luchtunits. Onderhoud Het is gebruikelijk de inductie-units te voorzien van lters om vervuiling van de elementen te voorkomen. De lters moeten regelmatig worden onderhouden of vervangen. Als er geen lters worden toegepast, moet de inductie-unit regelmatig worden schoongeblazen. Genoemde activiteiten vinden plaats in de gebruiksruimten. Uitgangspunten Voor de keuze van dit concept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: temperatuureisen voor winter- en zomerperiode; luchtvochtigheideisen voor winter- en zomerperiode; ventilatie-eisen; exibele indeling ruimte per 3,6 m; beheersing energiekosten; redelijke onderhoudskosten.
Toepassingsgebied inductie-unit Het concept vindt vooral toepassing bij: goed gesoleerd gebouw met hoogwaardig isolerend glas; gebouw waarin beperkt gekoeld moet worden;

52

afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine

luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel

afvoer ruimtelucht via armaturen

inducerend luchtinblaasrooster klimaatplafond

klimaatplafond
afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht

toevoerlucht retourlucht

CV-leidingen gekoeldwaterleidingen

toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel naar koelmachine

inducerend luchtinblaasrooster

klimaatplafond

regelkleppen verlichtingsarmatuur

schema

Figuur 12.11 Principe verwarming en koeling door middel van klimaatplafond

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

53

ruimten met beperkte diepte; ruimten waarin enige geluidproductie acceptabel is; ruimten met sterk wisselende warmtebelasting per ruimte; ruimten waarin interne recirculatie acceptabel is.

worden. In deze situatie is het ook eenvoudiger, qua geluid, om leidingen- en kanalentracs te projecteren boven de ruimten. Integratie van installatiecomponenten zoals verlichting, roosters en speakers is zeer goed mogelijk. Het klimaatplafond doet tevens dienst als bouwkundig plafond, wat een budgettaire besparing kan opleveren. Aan een aantal punten moet extra aandacht worden besteed: bij aanwezigheid van te openen ramen moet er, ter voorkoming van condensatie op het klimaatplafond in de zomerperiode, een beveiliging worden opgenomen; thermisch goede gevel is zeer belangrijk. De koudeval aan de gevel kan niet door het klimaatplafond worden gecompenseerd; temperatuurtrajecten verwarmings- en gekoeld water spelen een beslissende rol in de keuze van de warmte- en koudebron. Samenvattend zijn de eigenschappen van een klimaatplafond: koeling en verwarming door middel van n installatie; energie-uitwisseling door middel van convectie en straling; in de winter stralingscompensatie van koude oppervlakken; hoge koelcapaciteit; geringe luchtverplaatsing; verwarming (grotendeels) onafhankelijk van ventilatie; energetisch gunstig; eenvoudig onderhoud; kwalitatief goed plafond. Ventilatie Het klimaatplafond zorgt uitsluitend voor verwarming en koeling van een ruimte, derhalve is de toevoer en afvoer van ventilatielucht separaat van het klimaatplafond noodzakelijk. De ventilatielucht kan in de zomer en winter met een constante temperatuur (bijvoorbeeld 18 C) in alle ruimten worden ingeblazen. Het ventilatiesysteem is veelal uitgevoerd als een constantvolumesysteem.

12.2.6 Verwarming en koeling door middel van klimaatplafonds

Functies Verwarming en koeling vinden plaats door middel van uitwisseling van warmte en koude via een speciaal plafond, het klimaatplafond, guur 12.9 en 12.11. De ventilatie vindt plaats door middel van een constant-volumesysteem. De ventilatielucht is verwarmd, gekoeld en bevochtigd, een en ander afhankelijk van het heersende buitenklimaat. Verwarming Het klimaatplafond zorgt voor straling en convectieve uitwisseling van warmte en koude aan de ruimtelucht. Dit is vooral belangrijk voor de behaaglijkheid van het klimaat. Het voordeel ten opzichte van uitsluitend convectieve systemen is dat er minder lucht in beweging moet worden gebracht. Luchtstromingen zijn gerelateerd aan luchtsnelheid en daarmede aan behaaglijkheid. De benodigde hoeveelheid koeling is maatgevend voor de oppervlakte van het klimaatplafond. Het klimaatplafond bestaat uit geperforeerde metalen panelen, aan de bovenzijde voorzien van pijpjes (zogenaamde registers), waardoor de warmte- en koudedistributie van water plaatsvinden. De panelen zijn in beperkte afmetingen verkrijgbaar in verband met doorbuiging onder het eigen gewicht. Een gebruikelijke afmeting is 1800 300 mm. Vaak is het mogelijk perforatiegraad en -grootte te kiezen. Het klimaatplafond kan door de geperforeerde uitvoering en isolatie zorgdragen voor een goede geluidsabsorptie. Een extra dimensie aan de akoestische waarde (overspraakisolatie) van een ruimte kan worden verkregen door een horizontale akoestische barrire (gipsplaten) op de panelen te situeren, waardoor geluidsschotten (ter plaatse van scheidingswanden) overbodig

54

Regeling De regeling van het binnenklimaat gaat per zone van 3,6 m. De klimaatbehoefte van een ruimte wordt geregeld door de hoeveelheid gekoeld water of verwarmingswater naar de klimaatregisters te regelen. De regelingen zijn eenvoudig. Klimaatbeheersing Een goed en individueel regelbaar binnenklimaat wordt bereikt door de toepassing van een klimaatplafond, zowel in de zomer als in de winter. Het koelen en verwarmen van een ruimte vindt plaats door middel van n component, waarbij de stralingscompensatie (winterperiode) blijft gewaarborgd. De temperatuurtrajecten van het verwarmingswater en het gekoelde water dat door de registers van het klimaatplafond stroomt, kunnen laag worden gehouden, wat belangrijk is voor het energiegebruik. Het kost immers meer energie om water hoog te verwarmen of diep te koelen. De ventilatie, met in de winterperiode bevochtigde lucht, draagt bij aan de behaaglijkheid in de ruimte. De opwarming van het gebouw na een weekend en/of nacht vraagt een redelijke periode. Door het ventilatiesysteem naar recirculerend te schakelen, kan de opwarmperiode worden beperkt. Doordat er geen ventilatie meer plaatsvindt, is recirculatie alleen beperkt (en buiten kantoortijd) toepasbaar. Bouwkundige randvoorwaarden Zeer belangrijk is een thermisch goede gevel, gezien het feit dat de koudeval aan de gevel niet door het klimaatplafond kan worden gecompenseerd. Een voorbeeld van een thermisch goede gevel wordt bij de klimaatgevel besproken. De constructiehoogte van een klimaatplafond is gelijk aan die van een systeemplafond en bedraagt circa 50 mm, een en ander afhankelijk van het akoestische pakket. De verwarmings- en gekoeldwaterleidingen voor de aansluitingen op de registers van het klimaatplafond worden in het plenum ondergebracht en vereisen weinig ruimte. De distributiekanalen van het ventilatiesysteem vereisen eveneens ruimte boven het klimaatplafond. De warmtebron (ketel), koudebron (koelmachine) en de luchtbehandelingskasten moeten worden opgesteld in technische ruimten, bij voorkeur op dakniveau.

Het is mogelijk onder het klimaatplafond een systeemplafond aan te brengen, maar dan zijn alleen grofmazige lamellenplafonds acceptabel. In dat geval moet er rekening worden gehouden met een verminderde warmteoverdracht (warmte of koude). Onderhoud Het onderhoud van de installaties is eenvoudig. Preventief onderhoud is zeer belangrijk, omdat er zich een uitgebreid waternetwerk boven de verblijfsruimten bevindt. De uitvoering als een geperforeerd plafond vraagt regelmatig schoonmaken in verband met de optredende vervuiling van de perforaties. Het klimaatplafond behoeft geen zogenaamde revisieopeningen, omdat de panelen scharnierbaar kunnen worden uitgevoerd. Uitgangspunten Voor de keuze van het installatieconcept worden de volgende uitgangspunten gehanteerd, guur 12.12: temperatuureisen voor winter- en zomerperiode; luchtvochtigheidseisen voor winter- en zomerperiode; ventilatie-eisen; individuele regelbaarheid ruimtetemperatuur s zomers en s winters; exibele indeling ruimten per 3,6 m; kritische gebruikers, vooral op het gebied van behaaglijkheid van het klimaat; energiezuinig systeem; onderhoudsarm systeem; volledige benutting vloeroppervlak.
Toepassingsgebied klimaatplafond Het concept vindt vooral toepassing bij: gebouw met uitstekend gesoleerde gevel en glasvlakken; gebouw met grote koellast; gebouw met grote diepte. Bijvoorbeeld: hoogbouw kantoorgebouw, gezondheidsgebouw (beddenkamer, onderzoekkamer), logiesgebouw (hotelkamer).

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

55

Gebruik

mmmmmmmmmmmmmmmmInstallatieconcept Natuurlijke/ mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant volumesysteem en centrale verwarming + Variabel volumesysteem Ventilator- Inductie- Klimaat- Klimaatconvector- systemen plafond gevel systemen

Kantoorruimte Vergaderruimte Computerruimte Patintenkamer Onderzoeksruimte Operatiekamer Verkoopruimte Magazijn Restaurant/kantine Lesruimte Zwembad Kleed/doucheruimte Hotelkamer Bejaardenflat Pension

+ +

+ +

+ + + + + + + + + +

+ + +

+ +

+ +

+ + + + + +

Figuur 12.12 Gangbaar installatieconcept versus beoogd gebruik

12.2.7 Klimaatgevels Bij een klimaatgevel worden het gebouw- en installatieconcept optimaal op elkaar aangepast. Gebruikelijk is om de verwarming en de koeling te realiseren met een klimaatplafond. Het bouwkundige concept kent een uitstekend gesoleerde gevel om energieverlies in de winter te beperken en een geventileerde spouw met zonwering om tijdens de zomer opwarming te reduceren, guur 12.9 en guur 12.13.

ventileerde spouw en zonwering; gevel met aan buitenzijde dubbel glas en aan binnenzijde een beweegbaar screendoek met daartussen een geventileerde spouw en zonwering.

De toepassing van bijvoorbeeld een klimaatplafond vereist een thermisch uitstekende gevel, gezien het feit dat de koudeval aan de gevel niet door het klimaatplafond kan worden opgevangen. Er zijn meerdere installatieconcepten die de ondersteuning van een thermisch goede gevel vereisen, in feite alle concepten waarbij geen verwarming aan de gevel aanwezig is. Een goede thermische schil draagt in positieve mate bij aan het comfort, het energiegebruik en de installatieinvesteringen. Een klimaatgevel wordt in twee uitvoeringen toegepast: gevel met aan buitenzijde dubbel glas en aan binnenzijde enkel glas met daartussen een ge-

De koudeval van het raam in de winter en de binnentredende zonnewarmte in de zomer worden door de binnenschil opgevangen en via ventilatie afgevoerd, guur 12.14. Voor de zomersituatie wordt er zonwering toegevoegd om de warmte aan zonnestraling te weren. Bij een klimaatgevel mogen er geen te openen ramen aanwezig zijn, omdat deze de energiehuishouding ter plaatse van de gevel verstoren. Te openen ramen kunnen wel worden gerealiseerd bij zogenaamde tweede- of derdehuidgevels, guur 12.14-5. Derdehuidgevels zijn in principe ook klimaatgevels, maar nu bestaat de binnenschil uit dubbel glas en een screen aan de binnenzijde. Aan de buitenzijde wordt enkel glas aangebracht met een grote spouw (circa 0,50 m) waarin een zonwering is aangebracht. De spouw wordt op een natuurlijke manier geventileerd. In guur 12.14 is een aantal

56

afvoerlucht buitenlucht leidingen naar CV-ketel leidingen naar koelmachine

luchtafvoerkast luchttoevoerkast naar CV-ketel

ventilatie

afvoer ruimtelucht via armaturen

inducerend luchtinblaasrooster klimaatplafond

klimaatgevel
afvoer bovendaks luchtafvoerunit afzuigkanaal CV-ketel warmtewiel koelmachine buitenlucht

toevoerlucht retourlucht

CV-leidingen gekoeldwaterleidingen

toevoerkanaal luchttoevoerunit naar CV-ketel naar koelmachine regelkleppen verlichtingsarmatuur

afzuiging via armaturen inducerend luchtinblaasrooster


dubbel glas enkel glas ventilatie (afvoerlucht)

klimaatplafond

schema

Figuur 12.13 Principe klimaatgevel

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

57

buiten dubbel glas dubbel glas binnen enkel glas

buiten dubbel glas binnen beweegbaar screendoek

buiten enkel glas binnen dubbel glas

buiten enkelglas

binnen dubbelglas beweegbaar screendoek

normale gevel

klimaatgevel

klimaatgevel door screendoek

tweede huid

derde huid

Normale gevel U-waarde gevel W/m2 K Lichttoetreding Zontoetreding Maximaal glaspercentage Geluidsisolatie Index benodigd koelvermogen Index benodigd verwarmingsvermogen Energieterugwinning met behulp van gevel Energie- en milieu-invloed in Nederland 1,1 60% 40% 50% 100% 100%

Klimaatgevel 0,85 68% 15% 75% ++ 80% 90% + +

Idem met screendoek 0,85 68% 15% 75% + 80% 90% + +

Tweede huid Derde huid

1,3 88% 20% 75% + 90% 110% +

1,3 88% 15% 75% + 80% 85% ++

Figuur 12.14 Specieke fysieke eigenschappen tweede- en derdehuidgevel

gevelsituaties aangegeven met specieke fysieke eigenschappen.


Toepassingsgebied klimaatgevel Het concept vindt vooral toepassing bij: gebouw met uitstekende gesoleerde gevel en glasvlakken; gebouw met beperkte koellast; gebouw met beperkte diepte. Bijvoorbeeld: hoogbouw kantoorgebouw.

Programma van Eisen. Soms beperkt het Programma van Eisen zich tot de te realiseren temperaturen in de wintersituatie. In ruimten waarin mensen verblijven moet het klimaat behaaglijk zijn. Bij de keuze van het installatieconcept moet ook worden gelet op de mate van comfort die wordt gerealiseerd. Als comforteisen ontbreken, moet men nagaan of de opdrachtgever akkoord is met een beperkte mate van comfort. Elk installatieconcept levert een andere mate van comfort en heeft een ander kostenplaatje (investering en preventief onderhoud), guur 12.15. Installatieconcepten die in koeling voorzien en lokaal regelbaar zijn, bieden het hoogste com-

12.2.8 Keuzemotieven Bij de keuze van het installatieconcept moet allereerst worden gelet op het voldoen aan het

58

Gebruik

mmmmmmmmmmmmmmmInstallatieconcept Natuurlijke/ mechanische ventilatie en centrale verwarming Variabel Ventila- InductieConstant volumevolume- torconsystemen systeem en systeem vectorcentrale versystemen warming goed redelijk goed neen neen neen ja ja neen redelijk goed goed goed ja neen neen neen ja goed goed goed goed neen ja neen neen ja goed redelijk goed goed neen ja ja ja ja Klimaatplafond Klimaatgevel

Verticale temperatuurgradint Horizontale temperatuurgradint Optimaal klimaat winter Optimaal klimaat zomer Kritisch m.b.t. tochtklachten Kans op geluidshinder Stralingscompensatie koudeval aan raam Leefgebied tot aan gevel Constante ruimtetemperatuur mogelijk

goed matig redelijk neen neen neen ja ja neen

goed goed goed goed neen neen neen neen ja

goed goed uitstekend uitstekend neen neen n.v.t. ja ja

Figuur 12.15 Comfort versus installatieconcept

fort. Klimaatplafonds en klimaatgevels bieden een hoog comfort en zijn bijzonder energiezuinig. Voor werkruimten is het belangrijk dat de temperatuurgradint beperkt wordt (verticaal 3,0 K/m1). De keuze van het installatieconcept bepaalt in principe de temperatuurgradint. De temperatuurgradint wordt eveneens benvloed door de plaats van radiatoren en de plaats en het inducerend vermogen van luchtinblaasroosters, guur 12.16. Naast de ruimte die moet worden gereserveerd boven het plafond en nabij de gevel, guur 12.9, is er ook ruimte nodig om de centrale technische installaties onder te brengen. Elk klimaatconcept vraagt om andere afmetingen van de technische ruimte waarin de warmteopwekking, koeling en centrale luchtbehandeling wordt geplaatst. In guur 12.17 wordt globaal aangeven op welk energiegebruik gerekend moet worden per m3 gebouwinhoud, afhankelijk van het gewenste klimaat. Figuur 12.18 geeft een eerste indruk van de afmetingen van de technische ruimte door gebruik te maken van de aangegeven kengetallen voor

verwarming, koeling en luchtbehandeling. Naast voldoen aan de eisen en comfort zijn de investerings- en onderhoudskosten een belangrijk keuzecriterium, guur 12.19.

12.3 Distributiesystemen
12.3.1 Situering technische ruimte De verwarmingsketel wordt bij voorkeur opgesteld in een aparte ruimte, onder andere vanwege specieke eisen aan gasdichtheid van de ruimte en explosiegevaar. Een ruimte direct onder het dak of in een dakopbouw heeft het voordeel dat de lengte van het rookafvoerkanaal (schoorsteen) zeer beperkt is. De opstelling van luchtbehandelingskasten direct onder het dak of op het dak bespaart op de lengte van het luchtafvoerkanaal. Een hoge plaatsing van de luchttoevoeropening heeft het voordeel dat relatief schone lucht wordt ingenomen. Men moet voorkomen dat er kortsluiting optreedt doordat de luchtaanzuigunit afgewerkte ventilatielucht aanzuigt omdat de aan- en afvoerunit te dicht bij elkaar zijn geplaatst. Een manier om kortsluiting te voorkomen is de aan-

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

59

20 C

21 C

20 C

16 C

18 C

20 C

radiatorverwarming onder het raam

luchtverwarming

20 C

22 C

23 C

18 C

20 C

22 C

vloerverwarming

plafondverwarming

Figuur 12.16 Temperatuurgradint afhankelijk van gebouw en installatie

zuigopening in de gevel te plaatsen en de luchtafvoeropening in het dak.


12.3.2 Situering kanalen en leidingen Bij een gebouw met meerdere verdiepingen moeten de warmte en de lucht ook verticaal worden getransporteerd. Vooral luchtkanalen vragen de nodige ruimte. Vrijwel zonder uitzondering wordt de lucht via schachten naar de verdiepingen getransporteerd en van daaruit verdeeld. Een goede keus is het plaatsen van een schacht in de omgeving van het trappenhuis. Enerzijds omdat daar de vloeren toch al onderbroken moeten worden, anderzijds omdat eventuele geluidproductie in de schachten minder snel tot hinder in de aangrenzende ruimten leidt. De schacht moet dusdanig worden gesitueerd, dat er voldoende wandlengte is om leidingen af te takken zonder een trappenhuis of liftschacht te moeten passeren, guur 12.20.

Het is mogelijk in de schacht alleen kanalen voor de toevoerlucht aan te brengen en de schacht zelf als afvoerkanaal te benutten. De bouwkundige schacht moet dan goed luchtdicht zijn, wat in verband met de vele leidingaftakkingen en inspectieluiken veel aandacht tijdens de bouw en de gebruiksperiode vraagt. Voor de distributie van warm en gekoeld water kan van dezelfde schacht gebruik worden gemaakt en is weinig extra ruimte nodig. Bij cv-verwarming zijn de leidingen dusdanig klein dat bij gebouwen met een beperkte hoogte de leidingen niet in schachten hoeven te worden ondergebracht, zodat op leidinglengte kan worden bespaard. Nadeel van deze optie is, dat de leidingen een essentile bijdrage leveren aan de warmteafgifte in verblijfsruimten. In zomersituaties kan deze oplossing het comfort nadelig beinvloeden: de leidingen geven warmte af en aan de zonzijde van het gebouw is dat ongewenst.

60

Klimaatregeling

hKlimaateisen winter zomer geen

Bevochtiging

Energiegebruik Gas (m3) Elektriciteit (kWh/m2) 13,5

Verwarming en natuurlijke ventilatie Geklimatiseerd gebouw met beperkte koeling

22 C

neen

22 C

bij buitentemperatuur 28 C: maximaal 25,5 C; bij buitentemperatuur > 28 C mag de ruimtetemperatuur naar rato meelopen 25,5 C maximaal 5% van de kantoortijd; 28 C maximaal 1% van de kantoortijd

ja

8,5

26

Volledig geklimatiseerd gebouw

22 C

ja

10,5

34

De waarden betreffen energiegebruik voor conventionele installaties in een gemiddeld kantoorgebouw en zijn projectafhankelijk
Figuur 12.17 Richtgetallen energiegebruik

Verwarmingsketels (kengetal vermogen = 60 W/m2) Hoogte in dakopbouw (m) Hoogte in onderbouw (m)

Koelmachines (kengetal vermogen = 60 W/m2) Centrifugaalkoelmachine

Luchtbehandelingsunits (kengetal vermogen ventilatievoud 2 l uur)

Absorptiekoelmachine

Zuigerkoelmachine

Oppervlakte (m2)

Luchttoevoerunit

Luchtafvoerunit 10 20 30 40 55 80

Vermogen (kW)

Aantal ketels

Vermogen

Vermogen

Hoogte

kW

m2

kW

oppervlakte m2

m3/h

oppervlakte m2

120 300 480 600 900 1200

1 2 2 2 2 2

20 30 35 40 50 60

3,0 3,0 3,2 3,4 3,6 3,8

2,8 2,8 2,8 3,0 3,2 3,2

220 550 880 1100 1650 2200

30 55 70 80 100 130

55 60 65 80 100

40 50 55 70 85

2,8 3,0 3,2 3,6 3,8 4,0

9.000 20.000 35.000 45.000 65.000 90.000

15 30 50 70 100 130

2,8 3,0 3,0 3,5 4,0 4,0

De aangegeven waarden zijn richtwaarden, geen absolute waarden De aangegeven waarden betreffen installaties in een gemiddeld kantoorgebouw
Figuur 12.18 Globale afmetingen technische ruimten

Hoogte m

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

61

Klimaatbeheersingssysteem
50 Natuurlijke / mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant-volumesysteem en centrale verwarming Variabel-volumesysteem Ventilatorconvectorsysteemen Inductie-systemen Klimaatplafond Klimaatgevel

Investeringskosten (
100 150 200

per m2 bvo)
300 350 400

250

Klimaatbeheersingssysteem
Natuurlijke / mechanische ventilatie en centrale verwarming Constant-volumesysteem en centrale verwarming Variabel-volumesysteem Ventilatorconvectorsysteemen Inductie-systemen Klimaatplafond Klimaatgevel

Kosten preventief onderhoud (

per m2 bvo)

0,50 1,00 1,50 2,00 2,50 3,00 3,50 4,00 4,50 5,00 5,50 6,00 6,50

Figuur 12.19 Investerings- en onderhoudskosten klimaatbeheersingssytemen

klein ontwikkeld vrij oppervlak

ongunstige schachtplaatsing t.b.v. leidingen

De verdeling van de lucht over een verdieping vraagt de nodige ruimte voor luchtkanalen. De doorsnede van de luchtkanalen is afhankelijk van de maximaal toegestane luchtsnelheid. Er wordt een maximale luchtsnelheid gehanteerd om geluidsoverlast te voorkomen. Ontwerpluchtsnelheden en karakteristieke afmetingen voor transport zijn in guur 12.21 weergegeven.
Maximale ontwerpluchtsnelheid Schachten Gangen Vertrekken 8 m/s 5 m/s 3 m/s Karakteristiek benodigde ruimte

goede schachtplaatsing t.b.v. leidingen

groot ontwikkeld vrij oppervlak

projectspecifiek 0,40 m 0,30 m

Figuur 12.20 Situering leidingschachten

Figuur 12.21 Karakteristieke luchtsnelheden en afmetingen kanalen

62

Vanwege de benodigde afmetingen van de luchtkanalen is het een gebruikelijke oplossing de kanalen boven het plafond te situeren. Om het verlies aan nuttige inhoud te beperken, wordt er vaak voor gekozen de primaire kanalen in de gangzone te leggen (verdiepingshoogte circa 2,40 m) en van daaruit via secundaire leidingen de lucht boven het plafond (verdiepingshoogte circa 2,70 m) te transporteren naar de eindapparaten (inblaasroosters, naverwarmers, VAV-boxen, enzovoort). In de ruimte boven het plafond moet plaats worden gereserveerd voor hemelwaterafvoer, sanitaire leidingen, kabelbanen voor elektra en kruisingen van leidingen. In de ontwerpfase is voldoende aandacht voor deze cordinatie essentieel.
12.3.3 Situering eindapparaten Lucht kan uit een ruimte worden afgezogen via afvoerroosters in het plafond of in de gangwand, die aangesloten zijn op het afvoerkanaal. Een steeds gebruikelijker manier om lucht af te zuigen is via de verlichtingsarmaturen. Tl-armaturen lenen zich daar binnen bepaalde grenzen uitstekend voor. De beperking van de warmteafgifte van de verlichting (in de zomerperiode een zeer gewenste situatie) en het vervallen van afvoerroosters zijn de belangrijkste motieven voor deze keuze. Het is mogelijk de lichtarmaturen niet te voorzien van een aansluiting voor de luchtafvoer. In dit geval wordt de lucht via de ruimte tussen bouwkundig en systeemplafond afgezogen door het creren van onderdruk (plenumafzuiging).

hoogte (mm)

16 2700

18

20

22

24

temperatuur (C) 28 26 30

1600

100

luchtverwarming tegenover de gevel


Figuur 12.22 Verticale temperatuurgradint

tegenoverliggende (gang)wand de voorkeur. Om koudeval te voorkomen is het gewenst om radiatoren onder de ramen te plaatsen, zodat direct achter de gevel een stijgende luchtstroom ontstaat. In combinatie met de genoemde plaatsing van de toe- en afvoerroosters levert deze situering een acceptabele luchtstroming op die zelden als tocht wordt ervaren. Bij windaanval veroorzaakt de ventilatieopening vaak tochtklachten en ook in de zomerperiode is het comfort zeer beperkt. De mogelijkheid om ramen te openen is beslist noodzakelijk om in de zomer het klimaat draaglijk te houden. Bij luchtbewegingen is het zogenaamde Coandaeffect van belang. Als er lucht langs een oppervlak wordt geblazen, blijft de lucht als het ware aan het vlak kleven en wordt de luchtstraal ver de ruimte ingeblazen: de luchtstraal heeft een grote worp. Het Coanda-verschijnsel berust op de Wet van Bernoulli, die onder andere zegt dat bij afname van de luchtsnelheid de statische druk toeneemt. In de stroming is de statische druk lager dan in de (stilstaande) lucht in de ruimte. De luchtstraal wordt hierdoor gedragen. Warme lucht stijgt op, met als gevolg dat in hoge ruimten zogenaamde straticatie kan optreden: de warme lucht bovenin mengt zich niet spontaan met de lagere luchtlagen. Door een juiste positionering van toevoer- en afvoerroosters kan dit effect worden voorkomen. De luchtafzuiging kan per object plaatsvinden maar ook via hoog of laag geplaatste roosters. Laag geplaatste afzuigroosters hebben als voordeel dat de lucht goed gemengd wordt. Nadeel

In verblijfsruimten moet uit oogpunt van comfort een goede verdeling van de lucht plaatsvinden. In verblijfsruimten zou de temperatuurgradint van 0 K ideaal zijn of eventueel op 1 tot 2 K negatief mogen zijn (warme voeten en koud hoofd). In horizontale zin moet de temperatuurgradint circa 0 K bedragen, maar de eindapparaten (radiatoren en toe- en afvoerroosters) veroorzaken een luchtbeweging en een temperatuurgradint. Elk klimaatbeheerssysteem kent zijn eigen temperatuurgradint, guur 12.22 en 12.23. Bij natuurlijke ventilatie geniet het toevoeren van verse lucht via een laag geplaatst (gevel)rooster en via een hoog geplaatst afvoerrooster in de

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

63

vertrekhoogte

doorsnede A-A
A

temperatuur

1b

koelen

stratificatie B

stratificatie temperatuur

1a 1

doorsnede A-A plattegrond inblazen vanaf de binnenwand

1c

verwarmen

doorsnede C-C
C C

temperatuur

2b

koelen

stratificatie

stratificatie

2a 2

doorsnede C-C plattegrond inblazen vanaf het plafond

temperatuur

2c

verwarmen

Figuur 12.23 Luchtverdeling in ruimte met temperatuurgradint

is dat vloerroosters als obstakel kunnen fungeren en er stofophoping kan optreden. Verblijfsruimten moeten van daglicht worden voorzien volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit, waardoor verblijfsruimten altijd aan gevels worden gesitueerd. Op deze manier ontstaat er een gebouw met in het midden een verkeersruimte en aan de gevel de verblijfsruimten. Het bijbehorende distributiesysteem van de klimaatinstallatie bestaat dan veelal uit twee ontsluitingszones nabij de gevels waarin zich de eindapparatuur en de verlichting bevindt en een

ontsluitingssysteem dat boven de verkeersruimte is gelegen. Bij gebouwen waarin (ook) activiteiten worden verricht die geen daglicht vragen, genieten drie of meer ontsluitingszones de voorkeur, waarbij moet worden bedacht dat gevelzones een andere warmtebelasting kennen dan de middenzone(s).
12.3.4 Toegankelijkheid distributiesystemen Bepaalde onderdelen van de installatie (kleppen, kranen, naverwarmers, enzovoort) moeten inspecteerbaar en te onderhouden zijn. Dit

64

houdt in dat een leidingenschacht en de ruimte boven het plafond (plenum) toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Bij plaatsing van de kanalen boven de systeemplafonds is een goede toegankelijkheid gewaarborgd, immers alle systeemplafonds zijn goed uitneembaar. In situaties waar de kanalen in schachten of in kokers worden aangebracht, moeten op essentile plaatsen inspectie- of revisieluiken worden aangebracht, zodat vooral kranen en kleppen goed bereikbaar zijn.
12.3.5 Bouwkundige voorzieningen, geluid en brandkeringen De akoestische eisen in een gebouw zijn belangrijk en meestal gelden er ook normen voor de geluidproductie naar de omgeving van het gebouw. Omdat ventilatoren van luchtbehandelingskasten behoorlijke geluidproducenten zijn, moeten er akoestische maatregelen worden getroffen. Akoestische voorzieningen kunnen bestaan uit het plaatsen van geluiddempers aan de pers- en zuigzijde van de ventilatoren. De geluiddempers kunnen geplaatst worden in de units of in de kanalen. Bij de opstelling van de luchtbehandelingskast zijn vaak ook voorzieningen nodig om overlast als gevolg van contactgeluid te beperken. Als er plenumafzuiging wordt toegepast in plaats van directe afzuiging van de armaturen via een afvoerbuis, dan moet er aandacht geschonken worden aan de geluidsoverdracht via de ruimte boven het plafond. In veel gevallen zijn dan akoestische schotten boven het plafond ter plaatse van de stramienmaten voor de wanden of akoestische kappen over de armaturen nodig. Als om redenen van exibiliteit het aanbrengen van geluidsschotten ongewenst is, kan een beter geluidsisolerend plafond worden gekozen door een zwaardere plafondplaat toe te passen of door het aanbrengen van een isolatiedeken op de plafondplaten en de lichtarmaturen te omkasten en te voorzien van een directe luchtafvoerslang.

tenzijde voldoet uitstekend. Bij installatieconcepten waarbij lucht een belangrijke bijdrage levert aan de ruimtetemperatuur is isolatie nodig om het ongewenst opwarmen van gekoelde toevoerlucht (of afkoelen van verwarmde toevoerlucht) tijdens het transport te beperken. In vrijwel elk gebouw komen zogenaamde brandcompartimenten voor, die de uitbreiding van brand moeten voorkomen. Meestal is elke verdieping een afzonderlijk brandcompartiment, evenals het trappenhuis. De uitbreiding van de brand via vooral de kanalen van het klimaatbeheersingssysteem moet worden voorkomen. In de luchtkanalen worden daartoe brandkleppen aangebracht, die door het bezwijken van een smeltpatroon in geval van brand dichtvallen. Deze brandkleppen moeten handmatig weer kunnen worden geopend en dus bereikbaar zijn. Essentieel is de plaats van de brandkleppen, die moet immers stroken met de bouwkundige brandcompartimentering. Leidingdoorvoeren door wanden of vloeren met een brandwerendheidseis moeten brandwerend worden afgedicht. Daarvoor bestaan brandwerende schuimen en in het geval van hoge eisen speciale brandkeringen, meestal opgebouwd uit minerale wol en opschuimende massas. In het bestek moet worden geregeld of het afdichten van de doorvoeren tot de bouwkundige of installatiewerkzaamheden behoort.

12.4 Eindapparaten
Eindapparaten geven hun energie (warmte of koude) af aan de ruimte. Zij dienen primair voor de regeling van de temperatuur in de ruimte en dragen zorg voor een tochtvrije luchtbeweging. De warmte- en koudeoverdracht vindt plaats door straling en convectie. Daarbij is het type eindapparaat bepalend voor de verhouding tussen straling en convectie. Eindapparaten waarbij de warmteafgifte vooral door convectie plaatsvindt, veroorzaken in de ruimte een luchtbeweging. Warme lucht stijgt op, zodat de lucht van onder naar boven door het eindapparaat stroomt. In de ruimte ontstaat een temperatuurverschil (temperatuurgradint) in zowel verticale als horizontale zin.

Als er in de nachtelijke periode condensatie op de luchtkanalen kan optreden, moeten deze worden gesoleerd. Isolatie bestaande uit minerale wol voorzien van aluminiumfolie aan de bui-

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

65

Een temperatuurgradint > 3,0 K/m1 moet vermeden worden, omdat deze als oncomfortabel wordt ervaren. Evenzo moeten de luchtbewegingen een snelheid < 0,20 m/s bezitten ter vermijding van tochtklachten. Eindapparaten met een hoge convectieve afgifte bepalen in belangrijke mate de temperatuurgradint. Hun plaats moet zorgvuldig worden gekozen.
12.4.1 Radiatoren Vooral enkelplaats radiatoren zonder convectielamellen zijn eenvoudig schoon te houden omdat ze vervaardigd zijn uit vlak plaatstaal, guur 12.24. De warmteafgifte door straling is circa 50 procent; hetzelfde percentage geldt voor convectie. De verhouding varieert afhankelijk van de lengte/hoogteverhouding: een lage en lange radiator heeft een kleinere convectieve afgifte dan een hoge en is afhankelijk van de oppervlaktetemperatuur. Voordelen van radiatoren zijn: kleine inbouwdiepte; grote verwarmende oppervlakte; snelle reactie op wijziging watertemperatuur.

12.4.2 Convectoren Convectoren, guur 12.25, worden opgebouwd uit dunne buizen met daaromheen op korte afstand geplaatste lamellen. Convectoren geven hun warmte voor ten minste 90 procent af als convectie. Door het ontbreken van een stralingsaandeel moet de ontwerpluchttemperatuur, uit comfortoverwegingen, 1 tot 2 graden worden verhoogd. De snelheid waarmee de lucht langs een convector stroomt, kan worden vergroot door de convector in een schacht te plaatsen (schoorsteeneffect). Convectoren zijn moeilijk te regelen, omdat bij het dichtdraaien van de kraan (minder warm water) ook de luchtsnelheid afneemt en er instabiliteit kan ontstaan. Bij puien worden convectoren vaak in putten geplaatst. Op deze manier wordt de doorgang niet belemmerd door een eindapparaat en ontstaat er een sterke opstijgende warme luchtstroom ter compensatie van de koudeval. Het nadeel van convectoren is de grote kwetsbaarheid van de lamellen en het moeilijke schoonmaken. Het grote voordeel is de korte opwarmtijd.

De convector kan worden uitgerust met een ventilator waardoor de warmteafgifte groter wordt. Meestal wordt de aangezogen lucht ook gelterd. Nadeel is de geluidproductie van de ventilator.
12.4.3 Vloerverwarming Bij vloerverwarming, guur 12.26, wordt de warmte afgegeven door elementen in de (dek)vloer. De verwarming kan plaatsvinden door middel van warm water met een maximale temperatuur van 55 C of door middel van elektriciteit met lage spanning.
Figuur 12.24 Radiator
verzamelaar verwarmingspijpen

verwarmde lucht aanvoer 90 C

verdeler koude lucht inbouwlengte retour 70 C

Figuur 12.25 Principe convector

66

tegels vloerbedekking waterdichte coating vloerverwarming

detail met tegels


verwarmingselement 24 V

lijm

ondervloer (beton)

Figuur 12.26 Elektrische vloerverwarming

Bij toepassing van warm water wordt vloerverwarming meestal aangebracht in combinatie met een zwevende dekvloer, guur 12.27. De zwevende dekvloer zorgt primair voor voldoende warmte-isolatie naar beneden. De uitzetting van
vloerverwarmingsbuis kit elast. vulling i.v.m. uitzetting dekvloer isolatielaag constructievloer > 80 =

de dekvloer kan onafhankelijk van de constructieve vloer plaatsvinden. Kunststofbuizen worden op de constructievloer of in de isolatielaag aangebracht of worden ingestort in de dekvloer. Om ervoor te zorgen dat de mortel niet van de dekvloer tussen de isolatie loopt, wordt een folie over de isolatie aangebracht. Zo wordt het ontstaan van contactbruggen vermeden. De dekvloer bestaat uit een zandcement- of anhydrietvloeivloer van ten minste 40 tot 50 mm dik. De buizen moeten in vakken van circa 30 m2 en een maximale lengte van 6 m worden gelegd om scheurvorming te voorkomen (bij een anhydrietdekvloer in vakken van maximaal 60 m2). In elk veld wordt n leiding met de nodige lussen gelegd, die wordt aangesloten op een verdeler. Elk veld (elke groep) kan apart worden afgesloten. De vloerbedekking mag geen grote warmteweerstand bezitten, vandaar dat een steenachtige vloerbedekking de voorkeur geniet. De vloertemperatuur mag maximaal 29 C bedragen, omdat hogere temperaturen als onaangenaam worden ervaren. Een vloerverwarming staat warmte deels af via straling. De behaaglijkheid wordt sterk benvloed door de

buizen in de (cement-)dekvloer op isolatielaag

buizen op de isolatielaag onder de dekvloer

Figuur 12.27 Vloerverwarming met water als transportmedium

> 50 =

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

67

stralingstemperatuur van omliggende vlakken. Hierdoor kan de ontwerpbinnentemperatuur 2 K lager worden gekozen. Een bijkomend voordeel hierbij is de verlaging van het ventilatieverlies, de warmte-inhoud van de afgezogen ventilatielucht. Voordeel van een vloerverwarming is de hoge mate van comfort die wordt verkregen en het onzichtbaar zijn van de installatie. Nadeel is de reactietraagheid van het systeem en de relatief hoge investering.
12.4.4 Plafondverwarming Bij plafondverwarming worden de eindapparaten in het plafond aangebracht. Zij kunnen bestaan uit pijpenbundels, losse panelen die met warm en/of gekoeld water worden gevoed en uit infraroodstralers, guur 12.28.
infrarood-stralingselement

Bij plafondverwarming treedt er alleen warmteafgifte op door straling, zodat er in de ruimte vrijwel geen temperatuurgradint optreedt. Infraroodstralers stralen direct mensen, vloeren en meubels aan. Door selectief gebieden aan te stralen is het mogelijk om bijvoorbeeld in hoge ruimten (werkhallen) op de werkplekken een zekere behaaglijkheid te realiseren bij een luchttemperatuur van 12 tot 15 C.
12.4.5 Luchttoevoer- en luchtafvoerroosters Luchttoevoerroosters zijn van grote invloed op de luchtbewegingen in een ruimte. De verdeling wordt benvloed door de plaats van de roosters, de inblaassnelheid, de luchttemperatuur, het kleefeffect en de mate van turbulentie. Als de inblaaslucht kouder is dan de ruimtelucht, buigt

gas verhit steen; steen wordt roodgloeiend en zendt infrarode straling uit

210

70

140

60

infrarood stralingselement

> = 2000

> 4000 =

10000

fabriekshal met infraroodstralers

principe nzijdige aansluiting

metalen stralingsplafond met pijpenbundels

Figuur 12.28 Stralingsplafond

> 3000 =

68

de luchtstraal naar onderen af. Wandroosters blazen horizontaal uit en een hoge plaatsing geniet de voorkeur vanwege het kleefeffect. De straal blijft lang aan het plafond kleven en de inblaaslucht kan zich mengen voordat ze in de leefzone arriveert. Door schoepen in de roosters aan te brengen, wordt de luchtstroom minder turbulent gemaakt en wordt de worp groter, maar de menging geringer. Er zijn twee typen plafondroosters: ronde of vierkante anemostaat- en lijnroosters, guur 12.29. De eigenschappen en vooral het inducerend vermogen (meeslepen ruimtelucht) worden sterk door de schoepvorm bepaald. Bij lage ruimten genieten sterk inducerende roosters met een hoge turbulentie de voorkeur. Lijnroosters kunnen meestal worden ingebouwd in combinatie met tl-verlichtingsarmaturen. Lucht kan ook via geperforeerde roosters worden ingeblazen als het plenum als een overdrukdoos wordt benut. Geperforeerde platen hebben een sterk inducerend vermogen, zodat grote luchthoeveelheden kunnen worden ingeblazen zonder tocht in het leefgebied. Het plenum moet in kleinere ruimten worden opgedeeld zodat elke sectie apart regelbaar is.

12.5 Opwekkers
12.5.1 Warmteopwekking Voor warmteopwekking wordt er gebruikgemaakt van fossiele brandstoffen of de benodigde warmte wordt betrokken van de stadsverwarming, waaraan met zogenaamde tegenstroomapparaten de warmte wordt onttrokken. Centraleverwarmingsketels worden gestookt op gas of olie en kunnen onderscheiden worden in atmosferische ketels met een open branderruimte en in ketels met een gesloten verbrandingsruimte. Open of atmosferische ketels zijn eenvoudig van uitvoering, relatief goedkoop, zeer bedrijfszeker, vragen weinig onderhoud en leveren vrijwel geen geluidproductie. Een nadeel is dat ze alleen op gas kunnen worden gestookt, waardoor ze uit veiligheidsoverwegingen niet onder het maaiveld mogen worden geplaatst. Bovendien is het rendement vrij laag door de verliezen via het rookgaskanaal. Gesloten toestellen kennen een gesloten verbrandingsruimte en zijn voorzien van een ventilator. Ze hebben als voordeel dat ze een hoog rendement leveren en dat de warmteproductie modulerend (afhankelijk van de vraag) kan plaatsvinden. Ze zijn relatief klein van afmeting en goedkoop, vooral bij hoge capaciteiten (meer dan 500 kW). Een nadeel is de hoge geluidproductie en het intensieve onderhoud. Hoogrendementketels, guur 12.30, zijn open of gesloten toestellen die zijn voorzien van een warmtewisselaar die de warmte uit de rookgassen overdraagt aan het water. De warmtewisselaar zorgt ervoor dat de rookgastemperatuur van ruwweg 230 C daalt tot circa 60 C. De afge1 plafond(lijn)rooster

plafond(lijn)rooster

plafondrooster (anemostaat)

Figuur 12.29 Plafondroosters

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

69

koelde rookgassen worden met behulp van een ventilator afgevoerd. Tijdens het afkoelingsproces condenseert waterdamp, die moet worden afgevoerd.
wateraanvoeraansluiting eerste warmtewisselaar afvoeraansluiting verbrandingsgassen ventilator tweede warmtewisselaar isolatie brander luchtinlaatopening waterretouraansluiting pomp condensverzamelbak condensafvoer

citeit van elk 75 procent, zodat ook extreme situaties opgevangen kunnen worden en er reservecapaciteit is met het oog op eventuele uitbreiding.
12.5.2 Koudeopwekking Koude wordt opgewekt in koelmachines, die uitgevoerd kunnen zijn als: compressiekoelmachines; absorptiekoelmachines.

Figuur 12.30 Principe hoogrendementketel

Voor grote installaties gaat de voorkeur uit naar het installeren van twee ketels die elk ten minste 50 procent van de benodigde capaciteit bezitten omwille van bedrijfszekerheid en om onderhoud tijdens kantooruren te kunnen plegen. Meestal wordt gekozen voor twee ketels met een capathermisch expansieventiel te koelen lucht t.b.v. gebouwinstallatie

Compressiekoelmachines Een compressiekoelmachine, guur 12.31, bestaat uit de volgende componenten: compressor, die warme koelvloeistof van een lage druk aanzuigt en comprimeert, waarbij de temperatuur van het koelmiddel stijgt; condensor, waarin het hete koelmiddel wordt afgekoeld door lucht (luchtgekoelde condensor, guur 12.31-1) of water (watergekoelde condensor, guur 12.31-2). In de condensor wordt

heetgasleiding luchtgekoelde condensor buitenlucht

verdamper

zuigleiding compressor

vloeistofleiding

vloeistofvat

luchtgekoelde condensor
thermisch expansieventiel

te koelen lucht t.b.v. gebouwinstallatie

heetgasleiding

verdamper

zuigleiding compressor

watergekoelde condensor

vloeistofleiding

wateraanvoerleiding

watergekoelde condensor

Figuur 12.31 Compressiekoelmachine

70

het koelmiddel omgezet van een gas in een vloeistof; expansieventiel, waarin vloeibare onder hoge druk verkerende koelmiddel wordt gereduceerd tot lagere druk; verdamper, waarin koelmiddel verdampt door veel lagere druk. De benodigde warmte om te verdampen wordt aan de onmiddellijke omgeving onttrokken. Als de te conditioneren lucht door de verdamper wordt gestuurd, is er sprake van een direct expansiekoelsysteem. Het systeem waarbij het water door de verdamper wordt gestuurd wordt een indirect expansiekoelsysteem genoemd. Het gekoelde water wordt opgevangen in een verzamelaar en via een pomp in het gekoeldwatercircuit gepompt. De warmte die vrijkomt door de compressiemotor kan direct aan de buitenlucht worden afgegeven door met behulp van een ventilator buitenlucht door de condensor te sturen. De koelmachine wordt meestal direct in de buitenlucht geplaatst ter vermijding van lange en grote afvoerkanalen. De geluidproductie ligt hoog (tot

110 dB(A)). De compressiewarmte kan ook via een apart gekoeld watercircuit aan de omgeving worden afgestaan. Dit type condensor vraagt om een koeltoren, guur 12.32, of om bron- of oppervlaktewater dat als koeling wordt benut. Met centrifugaalcompressiekoelmachines kan de capaciteit traploos worden geregeld van circa 400 kW tot 40.000 kW (bij grote machines). Zuigerkoelmachines zijn inzetbaar bij kleinere vermogens (< 1.000 kW) en is beter inzetbaar in deellast. Het geluidsniveau van de twee typen koelmachines is vergelijkbaar. Absorptiekoelmachines Absorptiekoelmachines werken volgens een geheel ander principe. Zij zijn interessant als er in de zomerperiode voldoende water met een temperatuur van ten minste circa 100 C ter beschikking staat, bijvoorbeeld restwarmte uit een industrieel proces. Het voordeel van absorptiekoelmachines is dat ze een veel lagere geluidproductie leveren. Bij toepassing van koeling moet er behalve met energiezuinigheid en kosten rekening worden

kunststofkoker om condens tegen gevel te beperken

koeltoren

ventilator sproeikoppen

koeltoren rooster rondom 6m warmer water waterbassin condensor kouder water spuiafsluiter

lamellen suppletiewater

koelwaterschema
condensorpomp

alternatief waterreservoir

condensorpompen

waterreservoir

koelmachine compressor

doorsnede koeltoren

koelmiddelproces
gekoeld water

expansieventiel naar riool verdamper warm water

koudwaterschema

luchtbehandelingsapparaten

aanvoer

retour

2
Figuur 12.32 Principe koeltoren

principeschema koeltoren

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

71

gehouden met de milieubelasting van koeling. Koelmiddelen bevorderen de aantasting van de ozonlaag en dragen bij aan het broeikaseffect. In 1994 is door internationale wetgeving het gebruik van de koelmiddelen R11, R12, R14 en R502 verboden. Deze koelmiddelen van het type CFK zijn en worden vervangen door de typen HCFKs en HFKs.

12.6 Regelsystemen
12.6.1 Regelinstallaties De regelinstallatie heeft als functie de beschikbare capaciteit van de klimaatinstallaties automatisch aan te passen aan de veranderende binnen- en buitencondities. Doel is het gewenste binnenklimaat zo economisch mogelijk te handhaven. Er kan worden gekozen uit conventionele regelapparatuur, waarbij gebruik wordt gemaakt van analoge technieken, of uit systemen die werken volgens digitale technieken. Bij analoge systemen worden de regelfuncties tot stand gebracht door individuele verbindingen tussen de installaties. Bij digitale systemen worden de regelfuncties door programmatuur bepaald, waarbij de in- en uitgangen door bedrading met het systeem zijn verbonden. De digitale techniek maakt het mogelijk om vanuit een centraal punt de technische installaties te beheren en te controleren. Met digitale regelsystemen kunnen complexere en veelal energiezuiniger regelstrategien worden gemplementeerd. Bovendien zijn digitale regelsystemen exibeler dan analoge regelsystemen. Elk regelsysteem is opgebouwd uit een corrigerend element (afsluiters, kleppen, enzovoort), een meetorgaan (bijvoorbeeld temperatuuropnemer) en een automatische regelaar (produceert een uitgangssignaal afhankelijk van het verschil tussen gemeten en gewenste waarde). Digitale regelsystemen omvatten ook apparatuur (hardware) en programmatuur (software).

Bij kleine en eenvoudige klimaatinstallaties (alleen cv en mechanische ventilatie) is toepassing van analoge elektronische regelsystemen de meest logische keuze. Alle voor een bepaald proces nodige functies zijn aangebracht in n apparaat. Tussen individuele apparaten worden verbindingen aangebracht. Het aanbrengen van beheers- en energiebesparingfuncties is kostbaar en kan voordeliger in digitale technieken worden uitgevoerd. Met digitale regeltechnieken kunnen functies worden uitgevoerd die met analoge systemen niet mogelijk zijn, zoals zelerende regel- en stuurfuncties, controle/diagnostische functies en logische schakelfuncties. Regelinstallaties worden ondergebracht in schakel- en regelkasten, die voorzien moeten zijn van elektrische voeding. Storingen in de installatie moeten zo snel mogelijk aan de gebruiker worden gemeld. Dit gebeurt door de regelkasten te voorzien van een optisch en akoestisch signaleringssysteem. Storingen worden naar een centraal punt gemeld, eventueel met een afzonderlijke melding van kritische storingen. Bij analoge regelsystemen kunnen deze meldingen op een centraal lampentableau worden gemeld en/of als verzameling via een telefoonverbinding. Voor digitale regelsystemen kan daarnaast ook aan een (centraal)computersysteem worden gemeld via een netwerkverbinding of via een telefoonverbinding.
12.6.2 Gebouwbeheerssysteem (GBS) In moderne gebouwen is het aantal installaties toegenomen en worden hogere eisen gesteld aan de exibiliteit bij wijzigingen in de kantoorindeling. Met een gebouwbeheerssysteem (GBS) is het mogelijk de gegevens over de werking van gebouwinstallaties te meten, te registreren en te bewaken. Bovendien kan er ingegrepen worden in de besturing en regeling van de installaties. Een GBS heeft onder andere de volgende functies: schakelen; meten; tellen; registreren;

De keuze uit de beschikbare regelsystemen wordt primair bepaald door: aantal gevraagde regelfuncties; noodzaak voor centraal beheer; beschikbare hulpenergie.

72

visualiseren; melden; verstellen.

Op een GBS kunnen onder andere de volgende installaties worden aangesloten: verwarmingsinstallaties; gekoeldwaterinstallaties; ventilatie-installaties; luchtbehandelinginstallaties; verlichtingsinstallaties; brandmeldinstallatie; liftinstallatie; toegangscontrolesysteem; verbruik gas, water en elektra; detectieapparatuur voor wateroverlast.

De werking van deze installaties kan op elkaar worden afgestemd. Een GBS-systeem heeft tot doel de gebouwinstallaties eenvoudig te beheren en de exploitatiekosten te drukken. Daarnaast kunnen met een GBS de installaties centraal worden bediend met behulp van een computer. Via een telefoonverbinding kan dit ook op afstand gebeuren (beheer op afstand). In guur 12.33 is de typische opbouw van de hardware van een modern GBS gegeven. De centrale installaties en processen worden door een procesregelaar (digitaal) geregeld en bestuurd. Met n digitale procesregelaar worden meestal meerdere processen geregeld en bestuurd. De lokale installaties, zoals een individuele temperatuurregeling per kantoorvertrek, worden geregeld en bestuurd door kleinere digitale naregelaars.

centrale bedieningspost

secundaire bedieningspost modem voor beheer op afstand

procesregelaar zonwering procesregelaar liften

lokale naregelaar verwarming procesregelaar verwarming procesregelaar luchtbehandeling lokale naregelaar luchtbehandeling

procesregelaar koeling procesregelaar verlichting lokale naregelaar verlichting

laptop

Figuur 12.33 Opbouw gebouwbeheersysteem (GBS)

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES
verwarming warmtewiel

73

ventilator

filter

koeling

temperatuursensor

PdA

H TT 21,3 *C

M 0,0% TC

18,7 *C TT

PdA

TA

TT

20,3 *C

0,0% LBK

13,8%

Insteling klok Hoofdmenu

Figuur 12.34 Regelkring (luchtbehandeling) weergegeven door GBS met te regelen parameters

Op de digitale regelaars zijn de opnemers (temperatuur, druk, enzovoort) en de regelkleppen van de processen aangesloten via kabels. De digitale proces- en naregelaars worden via een busnetwerk met elkaar en met de GBS-pcs verbonden. Via dit busnetwerk kunnen de digitale regelaars onderling informatie uitwisselen. Op de GBS-pcs kan informatie uit de digitale regelaars worden gepresenteerd in dynamische procesplaatjes, in graeken en tekstueel. Bovendien kunnen alarm-, storings- en bedrijfsmeldingen worden gepresenteerd. Daarnaast is het mogelijk om via de GBS-pcs opdrachten zoals wijzigingen in setpoints, tijdprogrammas en schakelen van installaties naar de digitale regelaars te sturen. De software van GBS-pcs is gebaseerd op MSWindows 95 of hoger, en bestaat uit programmas voor de regeling en programmas voor het weergeven, vergaren, verwerken en opslaan van procesgegevens. Figuur 12.34 geeft een voorbeeld weer van een dynamisch procesplaatje, zoals die met behulp van software op de GBS-pc

kan worden opgeroepen en waarin parameters kunnen worden gewijzigd. Met een GBS kunnen de onderstaande besparingen worden gerealiseerd (richtgetallen voor gemiddeld kantoor): beheerskosten: 5 procent; onderhoudskosten: 15 procent; energiegebruik: 3-15 procent.
12.6.3 Ruimtetemperatuurregeling met centrale verwarming De regeling van de luchttemperatuur in de verblijfsruimten kan plaatsvinden door variatie van de watertemperatuur, door variatie van de waterhoeveelheid of door een combinatie van beide. Bij kleine installaties wordt de regeling gerealiseerd met behulp van een ruimtetemperatuurvoeler: de kamerthermostaat. Daarnaast kan er een weersafhankelijke regeling worden toegepast. Op basis van een gemeten buitentemperatuur wordt de watertemperatuur geregeld die de cv-installatie produceert: de zogenaamde stooklijn. Een alternatief is een verlaging van de

74

watertemperatuur door bij te mengen met koud water. De mengverhouding kan worden gestuurd op basis van de buitentemperatuur. Bij warmteopwekking voor grote gebouwen leveren de ketels vaak ook warmtapwater. In dat geval kan een regeling op basis van de (ketel) warmwatertemperatuur niet worden toegepast. Gebruikelijk is een regeling van de temperatuur van het circulerende water door mengen van retourwater met ketelwater. De watertemperatuur wordt gestuurd op basis van de buitentemperatuur, de binnentemperatuur en/of de temperatuur van de retourlucht. De temperatuur van de retourlucht is immers een referentie voor de binnentemperatuur. De bezonning van een gebouw leidt tot verschillen in de buiten- en binnentemperatuur, afhankelijk van de orintatie. Het is aan te bevelen bij de voeding van de radiatoren rekening te houden met deze verschillen door toepassen van aparte strengen met hun eigen watertemperatuur. De naregeling van de eindapparaten gebeurt door de waterhoeveelheid met behulp van smoorkleppen te wijzigen of door het toerental van de circulatiepomp te veranderen. Deze twee regelmethoden zijn niet geschikt voor individuele regeling. Individuele naregeling per verblijfsruimte kan plaatsvinden met behulp van thermostaatkranen. Bij toepassing van thermostaatkranen op de verwarmingselementen wordt ook de waterhoeveelheid gestuurd. Met thermostaatkranen is een variatie van plus of min 2 tot 3 C in de ruimtetemperatuur mogelijk.
12.6.4 Ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling De regeling van de ruimtetemperatuur kan ook plaatsvinden via de luchtbehandeling. Voorwaarde is dat dan de luchtbehandeling een signicante bijdrage in de temperatuurbeheersing heeft. Bij regeling via de luchtbehandeling kan gekozen worden voor een variatie in de luchttemperatuur of voor variatie in de hoeveelheid lucht. In woningbouw met luchtverwarming wordt de luchttemperatuur geregeld op basis van de temperatuur van de ruimte waarin de

thermostaat is aangebracht. De uitblaasroosters zijn voorzien van kleppen, zodat het mogelijk is handmatig bepaalde roosters af te sluiten. Afsluiten kan niet onbeperkt gebeuren, omdat er kans is op geluidproblemen bij de wel geopende roosters. In grote utiliteitsprojecten is een regeling per ruimte gewenst, in verband met verschil in zoninstraling, wisselende interne warmtelast, enzovoort. Het is mogelijk de aangevoerde lucht na te verwarmen met behulp van het warmwaternet en dit individueel te regelen. Dit wordt waterzijdige regeling genoemd. Bij luchtzijdige regeling wordt per vertrek warme of koude lucht ingeblazen om de gewenste temperatuur te bereiken. De regelmogelijkheden zijn dan wat beperkt, omdat inblaaslucht minimaal een temperatuur van circa 16 C moet bezitten ter vermijding van tochtklachten.

12.7 Energiebesparingsinstallaties
12.7.1 Warmteterugwinningsinstallaties Warmteterugwinningsinstallaties benutten de warmte uit de retourlucht van mechanische ventilatiesystemen voor de voorverwarming van de inblaaslucht. Bij de huidige prijzen van fossiele brandstoffen wegen de kosten voor extra energiegebruik van pompen en ventilatoren op tegen de besparing op brandstof. Het aantal bedrijfsuren dat warmteterugwinning mogelijk is (minimaal verschil van 2 C tussen inblaas- en retourlucht), is bepalend voor de economie van warmteterugwinning (WTW). In gebouwen met een continu proces (bijvoorbeeld een ziekenhuis) is WTW een economische noodzaak.

Warmtewiel Een warmtewiel, guur 12.35, bestaat uit een ronddraaiende rotor opgebouwd uit axiaal lopende kanaaltjes. Het wiel is ondergebracht in een plaatstalen kast met vier aansluitingen voor de aan- en afvoer van lucht aan de intree- en uittreezijde. De warme retourlucht stroomt via de onderste helft van het wiel en staat warmte af aan de massa van de rotor. De opgewarmde massa draait naar de bovenste helft en daar wordt de warmte afgestaan aan de intreelucht.

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

75

Platen- en buizenwarmtewisselaar Bij platen- en buizenwarmtewisselaars, guur 12.36, worden de warme afvoerlucht en de koude toevoerlucht langs elkaar gevoerd. De luchtstromen zijn gescheiden door warmtegeleidende wanden (metaal, glas, enzovoort). Via de scheidingswanden wordt de warmte overgedragen aan de koude toevoerlucht. Overdragen van vocht is bij dit type warmtewisselaar niet mogelijk.
Figuur 12.35 Warmte- en vochtterugwinning met warmtewiel

Door op de rotor hygroscopische materialen aan te brengen, kan er ook vochtoverdracht plaatsvinden. De rotor onttrekt vocht aan de warme lucht en staat dit weer af aan de droge koude lucht. Toepassen van een warmtewiel heeft consequenties voor het bouwkundig ontwerp. De diameter van het warmtewiel bedraagt al snel 3 m (1,5 tot 5 m). Bovendien moeten aan- en afvoerkanalen ter plaatse van de installatie samenkomen. Een groot voordeel van een warmtewiel is het hoge rendement van warmteterug- (circa 70 procent) en vochtterugwinning (circa 70 procent). Door het hoge rendement voor vochtterugwinning kan een aparte bevochtiginginstallatie in de luchtbehandelinginstallatie meestal achterwege blijven. Een nadeel is de geluidproductie door de grote ventilator en de kans op overdracht van bacterin.

Vanwege het ontbreken van draaiende delen is het een eenvoudig systeem dat weinig onderhoud vraagt. Het rendement ligt relatief laag (meestal 40 procent, maximaal 60 procent). Vanwege de forse afmetingen moet voor dit systeem de nodige ruimte worden gereserveerd. Heat-pipe-principe Een heat-pipe, guur 12.37, is een gesloten verdampings/condensatiesysteem. Een heat-pipe bestaat uit een gesloten buis met een koelmiddel aan de verdamperzijde. Door langs de verdamperzijde van de heat-pipe warme lucht te voeren verdampt het koelmiddel. Als gevolg van een dampdrukverschil verplaatst de damp zich naar de koele zijde van de heat-pipe. Door het onttrekken van warmte condenseert het koelmiddel en daalt weer naar de verdamperzijde. Het systeem vraagt geen hulpenergie, immers zo lang er warmte wordt toegevoerd, duurt het proces van verdampen en condenseren voort. Voordelen van een heat-pipe-systeem zijn: lage onderhoudskosten; relatief geringe afmetingen; geen bacterie- of geuroverdracht.

platenwisselaar

buizenwisselaar

Figuur 12.36 Warmteterugwinning met platen- en buizenwarmtewisselaar

76

10 C

0,5 C

Een nadeel is het lage rendement (40 tot 60 procent). In de zomerperiode is het systeem niet toepasbaar vanwege te geringe temperatuurverschillen van toe- en afvoerlucht.
12.7.2 Langetermijnenergieopslag in bodem (LTEO) Energieopslag in de bodem is een milieuvriendelijk en energiebesparend alternatief voor een conventionele koelinstallatie. In de winter is warmte schaars en is er koude in overvloed beschikbaar. In de zomer is koude schaars en is er veel warmte beschikbaar. Energieopslag is een methode om het niet synchroon lopen van vraag en aanbod op te heffen. De hoeveelheden warmte en koude zijn meestal te groot om bovengronds op te slaan, bijvoorbeeld in grote watertanks. Opslag van koud en warm water in diepe watervoerende zandlagen (aquifers, guur 12.39) blijkt in de praktijk wel geschikt om warmte of koude voor lange tijd op te slaan en op een later tijdstip te benutten. Deze aquifers zijn verzadigd met nagenoeg stilstaand grondwater en hebben voldoende isolatie om thermische energie op te slaan. Omdat de koude die in de winter wordt opgeslagen in de zomer weer wordt gebruikt, blijft de energiebalans van het grondwater, gemeten over een aantal jaren, in evenwicht.

14,5 C

25 C

Figuur 12.37 Warmteterugwinning met heat-pipe

Twin-coil-systeem Een twin-coil-systeem bestaat uit twee gescheiden opgestelde lamellenblokken, verbonden door een leidingsysteem, guur 12.38. Met behulp van een pomp wordt een warmteoverdrachtsmedium rondgepompt. Om bevriezingsgevaar te voorkomen, wordt er een water/glycoloplossing toegepast. De buitenlucht wordt door de in het aanvoerkanaal aangebracht lamellen gevoerd en opgewarmd. De afgekoelde water/glycoloplossing wordt verpompt naar het lamellenblok in het retourluchtkanaal en daar weer opgewarmd. Voordelen van een twin-coil-systeem zijn: weinig ruimte nodig; aan- en afvoerkanalen hoeven niet bij elkaar geplaatst te worden; toepasbaar voor inbouw in bestaande installaties; relatief geringe investering; geen bacterie- of geuroverdracht.

buitenlucht

pomp afvoerlucht

toevoerlucht warmteterugwinleiding uit gebouw

Figuur 12.38 Warmteterugwinning met twin-coil-systeem

Wanneer er in de zomer behoefte aan koeling ontstaat, wordt uit de koude grond grondwater met een temperatuur van 7 tot 10 C opgepompt. Via een warmtewisselaar koelt dit grondwater het koelwatercircuit dat door het gebouw stroomt. Dit watercircuit koelt vervolgens de ventilatielucht. Het opgepompte grondwater heeft na afgifte van koude een temperatuur van zon 14 tot 20 C en wordt op enige afstand van de koude bron genjecteerd in een tweede bron, de warme bron. Dit warme water wordt in de winter opgepompt en kan voor de voorverwarming van de ventilatielucht worden gebruikt of als warmtebron voor bijvoorbeeld vloerverwarming (via warmtepomp). Het water koelt dan door de warmteafgifte af en wordt met een temperatuur van 7 tot 10 C weer genjecteerd in de koude bron. De geschetste cyclus (benutting winterkoude voor koeling in zomer en benutting warmte voor verwarming in winter) kan door opslag in principe oneindig worden

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

77

buitenlucht 18 C 8 C

koudevragers

warmtepomp warmtewisselaar +

8 C ondergronds deel afsluitende laag aquifer afsluitende laag koude bron

18 C

warme bron

zomerbedrijf
warmtevragers 40 C 70 C ketel 50 C warmtepomp

buitenlucht 18 C

warmtewisselaar

8 C ondergronds deel afsluitende laag aquifer afsluitende laag koude bron

18 C

Systemen De aanleg van een systeem voor energieopslag in de bodem is maatwerk. De koelbehoefte en de gewenste temperatuur van het koude water spelen daarbij een belangrijke rol. Meestal bevat een koudeopslaginstallatie n koude en n warme bron. Dit wordt een doublet genoemd. Voor grotere projecten kunnen meerdere doubletten nodig zijn. Daarnaast bestaan ook systemen met een enkele bron (monobron), bedoeld voor relatief kleine projecten, met een koelcapaciteit kleiner dan circa 600 kW. Bij een monobron wordt het koude en warme water op verschillende diepten opgeslagen, waardoor maar n bron nodig is. Een voorwaarde daarvoor is dat de dikte van de aquifer groot genoeg is. Om thermische kortsluiting te voorkomen, moet de afstand tussen de bronnen groot genoeg zijn (circa 100 m). Verder is het van belang het systeem goed te dimensioneren en de druk van de pompen goed te kiezen. Er is een proefboring nodig om te onderzoeken of een aquifer niet te veel gassen bevat en om uit te sluiten dat het grondwater vervuild is. Energieoplag in de bodem kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met conventionele koelmachines, koelbatterijen in de luchtbehandelingskasten, of met een warmtepomp of warmtekrachtinstallatie. Welke combinatie van energieopslag en klimaatbeheersingsinstallatie wordt gekozen, is sterk projectafhankelijk. Keuzeoverwegingen Energieopslag in de bodem is in heel Nederland mogelijk, behalve in Zuid-Limburg en een deel van de Achterhoek, waar de ondergrond niet geschikt is om grondwater op te slaan. Een nadeel van energieopslag in de bodem is dat de regeltechniek meer aandacht vraagt dan bij een conventionele koelinstallatie. Dit komt door de druk in het ondergrondse systeem en doordat de richting waarin het koelwater stroomt moet kunnen worden omgedraaid. Een ander nadeel is dat de temperatuur van het opgeslagen koude water iets hoger is dan bij conventionele koelmachines. Dit kan inpassing in bestaande systemen bemoeilijken. Verder is een vergunning van de provincie noodzakelijk. De aanvraag hiervoor moet vergezeld gaan van een technisch rapport. Deze procedure duurt

warme bron

winterbedrijf

Figuur 12.39 Principeschema langetermijnenergieopslag in bodem

herhaald. Gemiddeld gemeten over meerdere jaren wordt er in de bodem evenveel warmte als koude opgeslagen, zodat het grondwater netto niet warmer of kouder wordt. Voor elke put moet de hoeveelheid genjecteerd water op de lange termijn gelijk zijn aan de hoeveelheid onttrokken grondwater.

78

drie tot zes maanden. De provincie eist ook periodieke debiet- en temperatuurmetingen om inzicht te behouden in het evenwicht in de bodem. Bij de keuze voor een energieopslagsysteem speelt het terugdringen van het energiegebruik en de daarmee samenhangende exploitatiekosten een belangrijke rol. Het systeem heeft zowel voor gebruikers als het milieu voordelen. Voordeenergiebronnen
A

len voor de gebruiker zijn: exploitatiekosten gemiddeld 25 procent lager dan bij conventionele installaties; lange levensduur en betrouwbaar door gering aantal bewegende onderdelen; minder beslag op technische ruimten dan conventionele koelinstallaties; elektriciteitsgebruik laag, waardoor er bij stroomuitval gebruikgemaakt kan worden van noodstroomvoorziening;
afgegeven warmte

warmtepomp

verdamper

lucht

buffer zonne-energie

condensor

CV-installatie

warmtekracht-koppeling

grondwater

luchtverwarmingsinstallatie

Figuur 12.40 Principe warmtepomp voor het omzetten van laagwaardige in hoogwaardige energie

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

79

periodieke STEK-keuringen, met als hoofddoel het controleren of er geen schadelijk koudemiddel weglekt, kunnen achterwege blijven. Een algemene vuistregel is dat energieopslag in de bodem economisch rendabel is als de koudevraag ten minste 300 kW bedraagt en meer dan 500 vollasturen per jaar koeling nodig is.
12.7.3 Warmtepomp Warmtepompen worden toegepast om relatief laagwaardige warmte (bijvoorbeeld restwarmte) om te zetten naar een hoogwaardiger energieniveau. Een koelkast kan worden gezien als een omgekeerde warmtepomp door de warmte die de condensor produceert te benutten voor verwarming. Een warmtepomp is een koelmachine die omgekeerd wordt gebruikt. Door een motor wordt een compressor aangedreven, die een medium doet rondstromen door een verdamper en condensor. Tijdens de drukverhoging stijgt de temperatuur van het medium en door deze warmte te benutten wordt laagwaardige energie omgezet in hoogwaardige energie. Het rendement van een warmtepomp wordt uitgedrukt in de warmtefactor of Coefcient of Performance (COP). De warmtefactor relateert de warmteproductie aan het elektriciteitsgebruik, is fabrikaatafhankelijk en hangt sterk af van de temperatuurverschillen aan de warme en aan de koude. De COP van een elektrische warmtepomp in combinatie met langetermijnenergieopslag als bron bedraagt circa 5.

Als laagwaardige energiebronnen komen in aanmerking: buitenlucht, guur 12.40-1, zonneenergie, guur 12.40-2, grondwater, guur 12.40-3, afvalwarmte uit ventilatielucht of afvalwater. In zonne-energiesystemen vormen warmtepompen een belangrijk onderdeel, dat de temperatuur van het collectorwater verhoogt tot een niveau geschikt voor verwarming en geschikt als warm tapwater.
12.7.4 Warmte/krachtkoppelingsinstallaties Bij warmte/krachtkoppelingsinstallaties wordt de totale energie-inhoud van fossiele brandstof als nuttige energie aangewend. Het betreft dan een gecombineerde productie van elektriciteit waarbij de afvalwarmte wordt benut. Plaatsen als Utrecht, Rotterdam en Den Haag kennen een stadsverwarming die de restwarmte van elektriciteitscentrales benut. Inmiddels bestaan er ook kleine warmte/krachtcentrales geschikt voor toepassing in n gebouw en zelfs in n woning.

Een warmte/krachtkoppelingsinstallatie bestaat uit een generator waarin elektriciteit wordt opgewekt, die wordt aangedreven door een op fossiele brandstof aangedreven motor. De installatie wordt gecompleteerd met apparatuur om de restwarmte te benutten (een warmtepomp) en vrij complexe regelapparatuur, guur 12.41.

schoorsteenverliezen 12,5% beschikbare warmte 37% mantelkoeling 10,5% restwarmte ketel motor generator

restwarmte 26,5%

elektriciteit 37%

primaire brandstoftoevoer 100%

stralingsverliezen 7,5% koeling verbrandingsl. 1% koeling smeerolie 3%

generatorverliezen 2%

Figuur 12.41 Principe warmte/krachtcentrale

80

12.7.5 Zonne-energie Zonne-energie kan actief en passief worden benut. In recente ontwerpen wordt zonneenergie steeds vaker benut als een combinatie van actieve en passieve systemen. Met passieve zonne-energietoepassingen wordt zonne-energie benut met behulp van bouwkundige maatregelen; bij actieve zonne-energietoepassingen (thermisch of fotovoltasch) worden werktuigbouwkundige installaties ingezet. Het voordeel van actieve zonne-energietoepassing is dat het systeem altijd energie bespaart. Bij passieve zonne-energietoepassing kan er veel energie bespaard worden, maar is het rendement sterk afhankelijk van het gedrag van de bewoners.

gen. De zonwering kan bestaan uit een werktuigbouwkundige installatie met beweegbare screens inclusief regeling of uit zonwerend glas. Er bestaan glassoorten die in voldoende mate de zonne-energie buiten houden. De oplossing met zonwerende glassoorten geniet uit oogpunt van exploitatiekosten de voorkeur. Trombe-wand De Trombe-wand is een wand (grote massa) met aan de buitenzijde een glaswand, guur 12.42. In de dagsituatie wordt de wand opgewarmd en in de nachtsituatie wordt de warmte afgegeven aan de ruimtelucht. Bij moderne gebouw- en installatieconcepten wordt het Trombe-principe toegepast door de warmte op te slaan in de gebouwmassa, vooral in de vloeren. In de winter wordt in de dagsituatie de warme binnenlucht (opgewarmd door directe invang, interne warmtelast en verwarming) langs het plafond gevoerd en wordt het plafond opgewarmd. In de nachtsituatie wordt de koude binnenlucht langs het plafond gevoerd en wordt de lucht opgewarmd. In de zomer werkt de ventilatie net zo, met dien verstande dat er in de nacht wordt geventileerd met koude buitenlucht en het plafond wordt gekoeld, guur 12.43. Door het Trombe-principe hoeft de klimaatbeheersingsinstallatie in de winter minder warmte op te wekken. In de zomersituatie beperkt de nachtventilatie de koudevraag; soms kan een koelmachine achterwege blijven. De klimaatbeheersingsinstallatie ziet er normaal uit, zij het dat de capaciteit afgestemd moet zijn op het gewenste binnenklimaat en er meer regeltechniek nodig is.

Passieve zonne-energie Passieve zonne-energietoepassingen worden onderscheiden in: directe invang; Trombe-wand; serre of atrium (meestal benoemd als glasoverkapte buitenruimten). Directe invang Bij directe invang wordt het gebouw vooral aan de zuidzijde voorzien van glas. Zoals eerder besproken is, wordt invallend zonlicht door de wanden en vloeren geabsorbeerd en vrijwel niet door het glas naar buiten gereecteerd. In de wintersituatie kan een aanzienlijke besparing op de verwarming worden bereikt. In de zomersituatie leidt deze oplossing snel tot het zogenaamde broeikaseffect. Dit ongewenste effect wordt ondervangen door zonwering of extra ventilatie (of eventueel koeling) aan te bren-

dagsituatie

nachtsituatie

Figuur 12.42 Benutting zonne-energie met Trombe-wand

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

81

plenum geleiding straling straling straling geen zonwering en geen instraling

convectie

zomer dagsituatie

zomer nachtsituatie

Figuur 12.43 Energiebesparing door toepassing van nachtventilatie en benutting massa gebouw

Serre of atrium Een serre of atrium is een onverwarmde met glas afgedekte ruimte. In de wintersituatie is een besparing op het energiegebruik mogelijk door de lucht uit serre/atrium te benutten als voorverwarmde ventilatielucht. Daarnaast heeft de serre/het atrium het voordeel dat het warmteverlies door de gevel zowel via transmissie als via inltratie beperkt wordt. Een nadeel is dat als een serre verkeerd wordt gebruikt (bij de woning trekken als woonruimte), de besparing omslaat in extra energiegebruik. In de zomersituatie moeten er maatregelen worden getroffen om het broeikaseffect tegen te gaan. Die maatregelen berusten op het aanbrengen en benutten van een zonwering en/of op ventileren (natuurlijk of mechanisch). Om de zomersituatie te beheersen, is er meestal een klimaatbeheersingsinstallatie nodig.
12.7.6 Actieve thermische zonne-energie Als zonne-energie met behulp van een zonnecollector wordt omgezet in warmte, is er sprake van een actieve toepassing van thermische zonneenergie. De warmte wordt via een transportmedium afgegeven aan een opslagvat, omdat de warmtevraag vaak niet samenvalt met het aanbod aan zonne-energie. Het samenstel van collector, opslagvat en regelapparatuur wordt zonneboiler genoemd. Een zonneboiler moet worden gezien als een voorverwarmer: er is een naverwarmer of een warmtepomp nodig ter verkrijging van een hogere temperatuur.

Een zonnecollector bestaat uit een absorber waarlangs een transportvloeistof loopt (water of olie). Om de absorptie van de zonne-energie te vergroten, heeft de zonneboiler bij voorkeur een donkere kleur en wordt de buitenzijde van de absorber voorzien van een spectraalselectieve laag. Aan de buitenzijde is de collector afgedekt met een glasplaat op een luchtspouw, om het warmteverlies naar buiten te beperken. Om warmteverlies naar binnen tegen te gaan, worden onderkant en zijkanten van isolatiemateriaal voorzien. Het rendement van de omzetting van zonne-energie in thermische energie is reactief laag, in de grootteorde van 15 tot 40 procent. Dat is een reden om diverse typen collectoren en systemen te ontwikkelen om het rendement te verbeteren. Er zijn vier typen collectoren, guur 12.44: 1 concentrerende collector, guur 12.44-1: maakt gebruik van spiegels. Door de parabolische vorm wordt de zonne-energie geconcentreerd op een kleine absorber. Met dit systeem wordt de transportvloeistof tot hoge temperaturen verhit; 2 vloeistofcollector, guur 12.44-2: bestaat uit een vlakke plaat met een leidingnet waar olie of een water gedragen vloeistof doorheen stroomt. De vlakke absorber wordt direct door de zonnestralen verwarmd. In tegenstelling tot de concentrerende collector benut de vlakke collector ook de diffuse zonnestraling. Om bevriezing te voorkomen wordt er bijvoorbeeld een mengsel van water en glycol toegepast; 3 luchtcollector, guur 12.44-3: vlakke plaat

82

diffuse straling diffuse straling directe straling luchtspouw directe straling isolatie

absorber met vloeistofkanalen spiegelende laag metalen buis met absorptielaag transparante afdekking

een parabolische collector benut directe straling

een vlakke vloeistof-collector benut directe en diffuse straling. bescherming tegen bevriezing is noodzakelijk

vloeistofleiding transparante afdekking absorber met luchtkanalen luchtspouw

isolatie frame

aluminium blokje voor warmteoverdracht a

een vlakke luchtcollector benut directe en diffuse straling. bezit een grote duurzaamheid

b glasomhulling voor vacum

absorptieplaat (zwart)

4
Figuur 12.44 Vier typen zonnecollectoren

een vacum buiscollector draagt warmte over via condensatie. levert een hoog rendement

met kanalensysteem waardoor lucht wordt geleid. Het is een duurzaam type collector omdat er geen bevriezing of corrosie kan optreden. Nadeel is dat lucht een slecht transportmedium is, waardoor er forse kanalen nodig zijn; 4 warmtepijpcollector, guur 12.44-4: bestaat uit vlakke plaat met daarin met vloeistof gevulde buisjes. Het warmtetransport in de collector gebeurt door verdamping van de vloeistof naar een warmtewisselaar boven in de collector. In de warmtewisselaar wordt de warmte onttrokken, zodat de vloeistof condenseert en weer naar het

verdamperdeel terugstroomt. Door het verdampingsdeel aan te brengen in een vacum gezogen glazen buis wordt het rendement verhoogd. Er worden drie typen voorraadvaten toegepast om de warmtevraag in overeenstemming te brengen met het aanbod aan zonne-energie, guur 12.45: 1 opslagvat zonder warmtewisselaar, guur 12.45-1. Het opslagvat kent directe verbindingen met zowel de collector als een waterleidingnet. Het is een zeer eenvoudig systeem dat kan wor-

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES
CV

83

CV

3 opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar, guur 12.45-3. Als de collectorvloeistof giftig is en het opslagvat tapwater bevat, is er een dubbelwandige warmtewisselaar vereist. Zonder naverwarming varieert de temperatuur in het voorraadvat tussen de 20 en 70 C. Daarom wordt het voorverwarmde water naverwarmd in een warmteopwekker of op een hoger energieniveau gebracht via een warmtepomp. Als de collectortemperatuur groter wordt dan de temperatuur in het voorraadvat (vaak 6 C), start automatisch de circulatiepomp en wordt water uit warmtewisselaar door de collector gepompt, guur 12.46. Het water wordt in de collector opgewarmd en stroomt boven in de warmtewisselaar (buitenmantel) van het opslagvat, waardoor de inhoud van het opslagvat wordt opgewarmd. Als er warm water wordt getapt, wordt er eenzelfde hoeveelheid koud water aan het opslagvat toegevoerd.
collector temperatuurvoeler

collector

opslagvat zonder warmtewisselaar, de collectorvloeistof stroomt ook door de naverwarmer

collector

opslagvat met enkelwandige warmtewisselaar, het water uit de collector en het verwarmde water blijven gescheiden

warm water tappunten opslagvat naverwarming warmtewisselaar koud water regelbox pomp temperatuurvoeler + thermostaat

Figuur 12.46 Regeling zonnecollector met opslagvat


collector

opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar bij toepassingen voor tapwater

Figuur 12.45 Drie typen opslagvaten

den toegepast als voorverwarming voor bijvoorbeeld zwembadwater. Door de collector stroomt water, zodat bevriezingsgevaar bestaat; 2 opslagvat met warmtewisselaar, guur 12.45-2. In dit geval stroomt de transportvloeistof door een spiraalleiding, waar de warmte door geleiding en convectie afgegeven wordt aan het water in het vat. De collectorvloeistof is door een enkele wand gescheiden van het water in het vat;

Het water in het collectorverwarmingscircuit bevat een vorstbeschermingsmiddel. Een van de grootste toepassingen van thermische zonneenergie is de voorverwarming van het tapwater. Hierbij is de terugverdientijd gunstig omdat de tapwaterbehoefte vrij constant is en het benodigde collectoroppervlak daarop kan worden afgestemd. Tevens is naverwarming goed te integreren in de gebouwinstallatie en geldt er tot op heden een subsidieregeling. De vlakke plaatcollector met een watergedragen transportvloeistof inclusief een opslagvat met warmtewisselaar (zonneboiler) blijkt meestal de meest rendabele te zijn. Er zijn vier typen zon-

84

neboilers op de markt voor voorverwarming van tapwater in woningen: standaardzonneboiler; compacte zonneboiler; cv-zonneboiler; zonneboiler-combi. Standaardzonneboiler De standaardzonneboiler bestaat uit een collector met een oppervlak van circa 3 m2 en een los opslagvat van circa 120 l, guur 12.47. Deze zonneboiler moet aangesloten worden op een standaard-cv-ketel met tapspiraal.
collector warm water CV-ketel

collector

warm water

CV-ketel vat koud water

Figuur 12.49 Cv-zonneboiler levert tapwater dat met behulp van cv-ketel wordt naverwarmd en grote debieten kan leveren

voorraadvat

koud water

Zonneboiler-combi De zonneboiler-combi is een grote cv-boiler waarin voorraadvat en cv-brander zijn gentegreerd. Het water in het opslagvat wordt zowel gebruikt om tapwater voor te verwarmen als voor de centrale verwarming in twee gescheiden circuits, guur 12.50. Het voorraadvat voor toepassing in een gemiddelde woning is vrij fors, grootteorde rond 500 l of 0,65 1,50 m.
collector warm water

Figuur 12.47 Standaardzonneboiler voor tapwater naverwarmd via cv-ketel

Compacte zonneboiler De compacte zonneboiler verwarmt het leidingwater direct in een goed gesoleerde collector en heeft een los voorraadvat van circa 70 l, guur 12.48. De compacte zonneboiler wordt aangesloten op een combiketel.
collector met opslag warm water CV-ketel koud water

vat

radiatoren koud water

Figuur 12.50 Zonneboiler-combi levert voorverwarmd water voor zowel tapwater als verwarming en bezit groot voorraadvat

Figuur 12.48 Compacte zonneboiler verwarmt in collector tapwater dat in combiketel wordt naverwarmd

De jaarlijkse opbrengst van een zonneboiler is afhankelijk van de orintatie en de hellingshoek. De warmteopbrengst voor een gemiddeld jaar bij een warmwaterbehoefte van 100 l per dag van gemiddeld 60 C bedraagt 455 kWh/m2 collectoroppervlak, of een rendement van circa 455/1100 = 42 procent. Thermische zonne-energie kan ook op andere manieren worden benut, onder andere voor ruimteverwarming en verwarming van zwembadwater, die een langere terugverdientijd kennen dan de tapwatertoepassing. Bij toepassing voor ruimteverwarming kan het rendement verhoogd worden door een lage temperatuurverwarming toe te passen. Vloerverwarming is dan een goede optie om een rendabele toepassing te verkrijgen. Vaak is naverwarming nodig.

CV-zonneboiler De cv-zonneboiler is een standaardzonneboiler met een extra warmtewisselaar in het voorraadvat, guur 12.49. Het vat heeft een inhoud van circa 200 l en de extra warmtewisselaar is aangesloten op de cv-ketel. Omdat tapwater direct uit het grote voorraadvat afkomstig is, kent de cv-zonneboiler zelden een temperatuurval bij gelijktijdig tappen.

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

85

Zonneboilers worden vooral in woningen regelmatig genstalleerd. Hierbij moet men bedenken dat de collectoren van invloed zijn op de architectonische verschijning. De collector kan tegen de gevel, op het dak of in het dak worden aangebracht. Los op het dak aangebrachte collectoren rusten meestal op frames. Het geheel oogt minder fraai, maar kan door borstweringen aan het oog worden onttrokken. Inbouw in het dakvlak moet met de nodige kennis van zaken gebeuren, omdat de zonnecollector thermische bewegingen kent die na verloop van tijd vaak aanleiding geven tot lekkage. De praktijk leert dat dakdekkers beter werk aeveren dan installateurs. In het gebouw (woning) moet de nodige ruimte worden gereserveerd, hoewel deze in het geval van integratie met de bestaande installatie beperkt van omvang is. Bij combi-zonneboilers moet men rekenen op extra ruimte voor het opslagvat. Een nadeel van de compacte zonneboilers is de grotere dikte, waar tegenover staat dat in het gebouw er weinig tot geen extra ruimte nodig is. Niet bij alle bouwopgaven is toepassing van zonne-energie a-priori rendabel. Integratie van het bouwkundige en het werktuigbouwkundige concept biedt soms ongekende mogelijkheden om tot rendabele oplossingen te komen. Denk bijvoorbeeld aan het toepassen van grote glasoverkapte ruimten om ventilatielucht voor te verwarmen of aan zonnecollectoren als vervangers van de dakhuid.
warmtevraag (%) 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 0 1000 2000 3000 4000 tijd (uur) 95%: <44% max. vraag 90%: <35% max. vraag 80%: <26% max. vraag

Om systemen ter benutting van actieve zonneenergie rendabel te krijgen, kiest men meestal voor een oplossing waarbij slechts een deel van de behoefte aan energie door de zon wordt geleverd. In guur 12.51 is de jaarbelastingsduurkromme van een goed gesoleerd rijtjeshuis (EPC = 1,2) gegeven met een maximale vraag van 10 kW. Uit de kromme is af te leiden dat 80 procent van de tijd 7,4 kW vermogen niet nodig is. Daarom is het economisch bezien verstandig de relatief dure toepassingen van actieve zonne-energie slechts een deel van de maximale energievraag te laten verzorgen, bijvoorbeeld circa 30 tot 40 procent. Alleen wanneer langetermijnenergieopslag mogelijk is, kan een groter deel op een rendabele manier door zonne-energie worden verzorgd.
12.7.7 Actieve fotovoltasche zonne-energie Als zonne-energie met behulp van fotovoltasche zonnecellen wordt omgezet in elektriciteit, is er sprake van een actieve toepassing van fotovoltasche zonne-energie. De huidige zonnecel is opgebouwd uit silicium, een stof die elektriciteit afgeeft zodra er zonneenergie opvalt. De cellen worden in serie geschakeld en samengevoegd tot zonnepanelen van circa 1 m2. Het maximale vermogen is afhankelijk van het aantal cellen en wordt uitgedrukt in watt-piek (Wp). Wp is het vermogen aan elektriciteit dat het PV-paneel (van photovoltasch, de oude schrijfwijze van fotovoltasch) oplevert als er 1 kW straling op het paneel valt en de omgevingstemperatuur gelijk is aan 25 C. Een gangbaar PV-paneel van 1 m2 heeft een piekvermogen van 100-125 Wp. De zonnecellen leveren 12 tot 24 volt dat via een omvormer (inverter) wordt omgezet in 230 volt. De inverter kan op de achterzijde van een zonnepaneel worden gemonteerd. Er ontstaat dan een zogenaamde AC-module, die direct 230 V levert. Wordt er minder stroom gebruikt dan er wordt opgewekt, dan kan deze energie in de meeste gevallen via het net worden teruggeleverd aan de energieleverancier. Opslag in batterijen is mogelijk, maar uit milieuoogpunt minder gewenst. Het rendement van zonnecellen is relatief laag en

Figuur 12.51 Energievraag als percentage van te installeren vermogen in goed gesoleerde woning

86
N

NN
W N

30

NN O
N O

40

WW N

50 60 70

80

W WZ

90

70 80

50 60

40

30

20

10

90 95

De orintatie van de PV-cellen is van grote invloed op de jaarlijkse opbrengst aan zonneenergie. Een jaarlijkse opbrengstberekening kan worden gemaakt aan de hand van het instralingsdiagram, guur 12.52. Aan de hand van het omzettingsrendement van het type PV-cel, de orintatie, de hellingshoek en de maximale jaarlijkse zonne-instralingsenergie op een m2 per jaar (1100 kWh/m2) kan bepaald worden hoeveel elektriciteit er per jaar wordt opgewekt. De toepassing van fotovoltasche zonnecellen wordt steeds actueler. De afzet van PV-cellen groeit, ondanks dat de terugverdientijd momenteel in de grootteorde van 20 jaar ligt. Omdat de overheid afspraken maakt met de energiebedrijven over het te realiseren vermogen aan PV-cellen, moet er overwogen worden een PV-systeem in beheer van het energiebedrijf te laten. PV-cellen kunnen op verschillende manieren in de gebouwde omgeving worden opgenomen: panelen op dak op bokken of in dakvlak, guur 12.53; speciale dakpannen; gevelelementen hangend voor de gevel of ter vervanging van gevelbekleding; elementen gentegreerd in atriumdak, waarbij zonnepaneel geen zonlicht doorlaat; dynamische zonwering, zoals beweegbare lamellen voor de gevel.

O ON
O

OZ O

100

ZW

ZO

Voorbeeld oppervlak: 100 m2, type: amorf (rendement = 5 procent), orintatie: ZO, hellingshoek: 70. E = 100 0,05 0,80 1100 = 4400 kWhe/jaar.
Figuur 12.52 Instralingsdiagram: Invallende zonne-energie afhankelijk van orintatie en hellingshoek

afhankelijk van het type cel (tot maximaal 15 procent).


PV-dak

230 V - 50 Hz 12 V omvormer DC/AC

230 V

huishoudelijke apparaten

Figuur 12.53 Fotovoltasche cellen op dak gebouw

ZZO
energiemeters output 1 input 2

ZZW

12 KLIMAATBEHEERSINGSINSTALLATIES

87

Inclusief subsidie bedraagt de terugverdientijd van PV-systemen in veel gevallen nog meer dan tien jaar. Door de PV-panelen meer functies toe te bedelen, is het soms mogelijk de kosten van PV-toepassingen te reduceren (bijvoorbeeld tevens gevelbekleding of zonwering). Toepassing van PV-cellen is vooral rendabel daar waar geen elektriciteitsnet aanwezig is of waar de kosten van de aanleg van het net hoog zijn, bijvoorbeeld bij boeien op zee of praatpalen langs autowegen. In de gebouwde omgeving spelen afgezien van de rendabiliteit diverse aspecten een rol die aanleiding zijn tot het toepassen van PV-systemen, zoals milieuoverwegingen en het reduceren van de CO2-uitstoot. Verlaging van de energieprestatie (EPC) van het gebouw scoort ook goed. Ook het imago dat een opdrachtgever wenst uit te stralen, kan een motief zijn voor toepassing.

lucht produceren. Voordelen individuele regeling mogelijk; lage investering; installaties zijn achteraf te installeren. Nadelen laag rendement; lage capaciteit; geluidproductie in ruimte; onderhoud moet in ruimte zelf plaatsvinden.
12.8.1 Fan-coil-unit Een kamerunit bestaat uit een ventilator die de warme lucht uit de ruimte aanzuigt en via de lamellen van een koelunit weer in de ruimte terugblaast. In de koelribben wordt een koelmiddel verdampt dat door een elektrische compressor op hoge druk wordt gebracht en getransporteerd wordt naar de condensor. In de condensor condenseert het koelmiddel bij een veel hogere druk en lagere temperatuur. De vrijkomende warmte wordt via een ventilator afgestaan aan de (buiten)lucht. Via een expansieventiel stroomt het koelmiddel weer terug naar de verdamper. Een voorbeeld van zon systeem, een raamunit, is schematisch voorgesteld in guur 12.54-1.
buitenunit
condensor (luchtgekoeld) compressor

12.8 Decentrale installaties


Decentrale klimaatbeheersingsinstallaties zijn systemen die in de ruimte zelf warme of koude

compressor verdamper koud condensor koelmiddel leidingen warm geconditioneerde lucht verdamper

binnenunit

ventilator recirculatielucht

raamunit

split-unit

Figuur 12.54 Decentrale installatie: fan-coil en split-unit

88

12.8.2 Split-unit Bij een split-unit, guur 12.54-2, worden de condensor en compressor in een aparte unit gebouwd die in de buitenlucht wordt opgesteld. In de ruimte wordt aanzienlijk minder lawaai geproduceerd. 12.8.3 Luchtverhitters In principe worden er twee soorten luchtverhitters onderscheiden: direct gestookte; indirect gestookte.

ment en vervolgens via een uitblaasrooster met een temperatuur van circa 45 C weer de ruimte ingeblazen. Ook indirect gestookte luchtverhitters zijn eenvoudig aan de wand of het plafond te monteren en worden vaak in sporthallen, industrile gebouwen en ook wel in woningen toegepast. Het voordeel van deze systemen is dat ze te gebruiken zijn in combinatie met andere (eind)apparaten die zijn aangesloten op het verwarmingswatersysteem.

Direct gestookte luchtverhitters Direct gestookte luchtverhitters, met als verwarmingsmedium aardgas (of propaan en butaan), bestaan uit een brander, warmtewisselaar, verbrandingsluchtventilator en een ventilator voor de luchtrecirculatie. Het geheel zit in een compacte behuizing. De verbrandingsluchtventilator zorgt voor de aanvoer van de verbrandingslucht en afvoer van verbrandingsgas via een inwendig gescheiden metalen pijp tot boven het dak. De luchtrecirculatieventilator zorgt voor de aanzuiging van de ruimtelucht, leidt de lucht langs de warmtewisselaar (verwarming van de ruimtelucht tot circa 25 C) en blaast opgewarmde lucht via een rooster de ruimte weer in. Het verbrandings- en ruimteluchtcircuit zijn van elkaar gescheiden. Het enige contactgedeelte is de warmtewisselaar. De direct gasgestookte luchtverhitters zijn eenvoudig te monteren aan de wand of het plafond met behulp van vier ophangbeugels. Zij vinden vooral toepassing in sporthallen en industrile gebouwen. Het grote voordeel van de direct gestookte verwarmers is de grote capaciteit en de lage aanschafkosten. Indirect gestookte luchtverhitters Indirect gestookte luchtverhitters, guur 12.55, gebruiken als transportmedium het verwarmingswater van een veelal separaat opgestelde ketel. In een compacte behuizing zijn ondergebracht de ventilator en het verwarmingelement, dat is aangesloten op het leidingensysteem van het centrale verwarmingswater. De ruimtelucht wordt aangezogen door de ventilator, opgewarmd door het verwarmingsele-

retourwater

aanvoerwater

ruimtetemperatuurregeling

Figuur 12.55 Decentrale installatie in de vorm van indirect gestookte luchtverhitter

Bijzondere concepten
ir. J.H. van Zanten, ir. D.J. Hengeveld

13

Bij het ontwerp van een gebouw wordt behalve naar een esthetische waarde primair gestreefd naar een goede huisvesting van de organisatie in een daarvoor geschikt klimaat. In kantoren is een binnenklimaat nodig met een zekere mate van behaaglijkheid als er zittend werk wordt verricht en er kantoorkleding wordt gedragen. Een comfortabel binnenklimaat wordt bepaald door zowel het gebouw als door de gebouwgebonden installaties. Om het gewenste binnenklimaat in stand te houden, is energie nodig, die niet onbeperkt voorradig is. Dit is een reden voor de overheid om eisen te stellen aan de energieprestatie (EP) van gebouwen. Investeren in energiebesparende maatregelen kan voor een gebouwbeheerder economisch verantwoord zijn vanwege de verlaging van de exploitatielasten. Integraal ontwerpen van gebouwen en van gebouwgebonden installaties is een methode om tot een zo gunstig mogelijk eindresultaat te komen. In het ontwerp wordt een evenwicht gecreerd tussen de eisen, het gebouw en de gebouwgebonden installaties, resulterend in een behaaglijk binnenklimaat met een laag energiegebruik.

90

Inleiding
In hoofdstuk 12 is een aantal installatieconcepten beschreven. Ze onderscheiden zich door de manier waarop energie (warmte en koude) wordt getransporteerd en de mate waarin de lucht wordt geconditioneerd. Naast verschil in investering onderscheiden de concepten zich in het comfortniveau dat kan worden gerealiseerd en door verschil in de benodigde ruimte voor de klimaatbeheersingsinstallaties. Tevens is er verschil in investerings- en onderhoudskosten. In de praktijk van het ontwerpen en bouwen komen situaties voor die om ongebruikelijke oplossingen vragen. Soms zijn dit oplossingen die eenmalig voorkomen, soms worden ze nagevolgd en wordt de oplossing in de loop der tijd stand der techniek. In dit hoofdstuk worden drie bijzondere, uitgevoerde ontwerpen gepresenteerd. De oplossingen illustreren hoe veranderde opvattingen (ten aanzien van organisatievormen, architectuur, maatschappij) aanleiding zijn voor bijzondere ontwerpen. De volgende paragrafen zijn bewerkingen van eerder verschenen publicaties: paragraaf 13.1, Dynamische kantoren, ir. J.H. van Zanten, ir. J.W. van Iterson, van Zanten raadgevende ingenieurs; paragraaf 13.2, Op weg naar energie-nul-gebouw, R.W. van der Plas, Halmos b.v. Adviseurs; paragraaf 13.3, Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten, ing. N. Vermeer, Deerns raadgevende ingenieurs en ing. F.J. Stouthart, Merlijn Media B.V.

13.1.1 Van traditioneel naar dynamisch kantoorconcept Bij traditionele cellenkantoren vormen kantoorkamers van 3,600 5,400 m en een gangzone van 1,800 m breed het uitgangspunt. De gangzone is uitsluitend bestemd als verkeersgebied. Bij een dynamisch kantoorconcept is er differentiatie in ruimten door de afstemming op de diverse activiteiten. Er zijn relatief veel kamers met kleinere afmetingen die bestemd zijn voor werkzaamheden die concentratie vergen. Op een dynamische kantoorvloer kunnen ook spreek- en vergaderkamers voorkomen en mogelijkerwijs nog enige traditionele persoonsgebonden kamers. In de veel bredere gangzone staan bijvoorbeeld informele zitjes, tafels, archiefkasten en andere collectieve voorzieningen. Kenmerkend is dat de kantoorindeling sterk gerelateerd is aan de snel wijzigende organisatie: er moet dus exibel omgesprongen kunnen worden met de indeling.

13.1 Dynamische kantoren


In kantoororganisaties wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van innoverende kantoorconcepten. Dynamische kantoorconcepten kunnen innovatief worden genoemd, maar men moet zich afvragen of de huidige technische uitvoering van dit organisatorische concept ook wel zo innovatief is. Een dynamisch kantoorconcept vergt een totaal andere afstemming van de installaties op de gebouwindeling. Dit wordt in deze paragraaf toegelicht.

Van gang- naar middenzone Bij een dynamisch kantoorconcept is de vroegere gangzone nu een volwaardig kantoorgebied geworden, met weliswaar nog steeds de verkeersfunctie, maar bovendien met werk- en overlegplekken. Het is dus onontkoombaar dat men aan de bouwfysische kwaliteit van de middenzone meer aandacht besteedt dan bij een traditioneel kantoor aan de gang. Ventilatie en klimaatbeheersing moeten op andere manieren worden gerealiseerd dan bij het traditionele kantoor, waar de gang vaak de functie van luchtafvoer van de kantoorkamers had. De verlichting van de middenzone moet geschikt zijn voor het uitvoeren van kantoorwerkzaamheden en bovendien moet de brede middenzone worden ontsloten voor datacommunicatie, telefonie en elektra. Van tweepersoonskamer naar concentratiewerkplek In een traditionele tweepersoonskamer van 3,600 5,400 m is er per persoon ruimte voor n L-vormig bureau met stoel en twee archiefkasten. Zodra de werkplekken niet meer persoongebonden zijn, moeten de archiefkasten naar de altijd bereikbare middenzone worden geplaatst. De afmeting van de kamer kan daardoor worden beperkt tot bijvoorbeeld

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

91

3,600 4,200 m en de bespaarde ruimte kan aan de middenzone worden toegevoegd. Als men de wisselwerkplekken bovendien in hoofdzaak voor concentratiewerkzaamheden gebruikt, wordt de traditionele tweepersoonskamer een concentratiewerkplek. Voor de afmetingen van de meest voorkomende eenpersoonsconcentratiewerkplek is er in een traditioneel gebouw in praktijk een aantal mogelijkheden: n, anderhalf of twee stramienen van het gevelstramien van 1,800 m breed, guur 13.1. Bij een breedte van n gevelstramien ontstaat een pijpenla van 1,800 5,400 m, omdat aan de minimale oppervlakte-eisen van het vigerende Bouwbesluit en het Arbeidsomstandighedenbesluit moet worden voldaan. De middenzone kan dan onvoldoende worden vergroot. Anderhalf stramien geeft een betere kamer waarbij ruimte aan de middenzone kan worden afgestaan. Twee gevelstramienen geeft voor de eenpersoons concentratiewerkplek te veel indelingsverlies. Op zoek naar optimale stramien Uitgebreide analyses zijn uitgevoerd ten aanzien van de oppervlakten van een-, twee- en driepersoonskamers in relatie tot de vigerende wettelijke eisen en de functionele behoeften van kantoorwerk. In deze studies zijn onder meer diverse gevelstramienen bestudeerd, waarbij men heeft onderzocht hoe de kantoorverdieping zo efcint mogelijk kan worden benut. Bovendien is er rekening gehouden met de mogelijkheid ook het traditionele cellenkantoor binnen dit stramien te plaatsen, guur 13.1 en 13.2. Vaak blijkt namelijk dat een organisatie die nieuwe huisvesting ontwikkelt (nog) niet geheel kan overgaan op een dynamisch kantoorconcept. Een gebouw waarin zowel cellenkantoren als een dynamisch kantoorgebied moeten kunnen worden afgewisseld is dan gewenst. Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat de oppervlaktebesparing die een dynamisch kantoorconcept kan inhouden bij een traditioneel gevelstramien van 1,800 m niet optimaal is. Bovendien moet dan vaak met een half stramien gewerkt kunnen worden. Gebleken is dat een gevelstramien van 1,200 2,400 2,400 1,200 m voor een dynamisch kantoorconcept optimaal is en tevens een traditioneel cellenkan-

toor toelaat, guur 13.2. Het aantal stramienen en bandrasters is gelijk gebleven, maar enkele stramienen zijn 0,600 m verplaatst. Er zijn ook geen halve stramienen meer nodig. Bij de nieuwe stramienindeling bleek de optimale diepte voor een- en tweepersoonskamers 4,200 m te zijn. De vloeroppervlakte van de een- en tweepersoonskamer is dan respectievelijk 10 en 15 m2, waarmee aan alle gestelde eisen kan worden voldaan. Uit de studies is bovendien gebleken dat een breedte voor de kantoorvleugel van 12,600 m minder gunstig is. Bij 14,400 m of diepere kantoren kunnen de middenzone kwalitatief betere functies worden toebedeeld.
13.1.2 Optimaal installatieconcept Klimaatinstallaties die voor traditionele kantoren goed voldoen, zijn niet altijd geschikt voor een dynamisch kantoor. In plaats van een constantvolumesysteem moet er al snel worden overgestapt op een duurder variabel-volumesysteem of zelfs op een systeem met leeucht en koelplafond. Een dynamisch kantoor vergt bovendien een beter regelbare en jner vertakte installatie. Ook moet de middenzone worden opgewaardeerd tot een volwaardig kantoorgebied. Bij de overwegingen die leiden tot de keuze van een installatieconcept kan een tweesporenbeleid worden gehanteerd. Daarbij kan in een later stadium, zonder al te grote aanpassingen, van een traditioneel kantoorgebied alsnog een dynamisch kantoor worden gemaakt. Er zijn diverse gradaties van deze investering voor de toekomst onderzocht: kleine aanpassingen van de plafonds, zoals het selecteren van afwijkende verlichtingsarmaturen, het anders positioneren van licht- en luchtlijnen en het introduceren van een verspringende lichtlijn in het midden van de kantoorverdieping leveren een optimale aanpasbaarheid op tegen betrekkelijk geringe meerkosten.

Nieuwe technische en visuele eisen Bij een dynamisch kantoorconcept gaan de ruimten intensiever gebruikt worden, waardoor men meer aandacht moet besteden aan de kwaliteit en degelijkheid van de inrichting zoals inbouwpakket en meubilair. Vaak worden er hoogwaardigere materialen toegepast. Visuele communicatie en openheid leiden, naar is gebleken, tot

92
1800

5400 licht lucht

Figuur 13.1 Installatieconcept dat traditioneel en dynamisch kantoor toelaat, bij gebouwbreedte van 12,6 m
1200 2400 2400 1200

1800 1200

4200

licht

lucht

Figuur 13.2 Installatieconcept dat traditioneel en dynamisch kantoor toelaat, bij gebouwbreedte van 14,4 m

veel transparante delen in scheidingswanden. Om toch de benodigde privacy te bieden, worden dan bijzondere glastoepassingen of lamelsystemen gebruikt. De noodzaak van daglichttoetreding in de middenzone speelt eveneens een grote rol.
13.1.3 Kantoorinnovatie uit kinderschoenen? Bij de eerste in Nederland gerealiseerde projecten met dynamische kantoorconcepten heeft men veel nadruk gelegd op de ruimtelijke, functionele en visuele aspecten. Enkele kwalitatieve aspecten, waaronder bouwfysica, hebben aan-

vankelijk onvoldoende aandacht gekregen. In huidige projecten met dynamische kantoorconcepten blijkt de wens te bestaan om bestaande bouwfysische deelgebieden,zoals akoestiek, licht, lucht en behaaglijkheid, opnieuw te bezien en waar nodig nieuwe uitgangspunten op te stellen. Bovendien wordt bij productontwikkeling door fabrikanten van bijvoorbeeld wand- en plafondsystemen gezocht naar technische oplossingen die beter passen bij de uitwerking van dit nieuwe concept. Integratie met de technische installaties is hierbij een onderwerp van studie. Als er met de bouwfysische condities die het functioneren van de mens sterk benvloeden, niet

4200

3000

14400

5400

12600

1800

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

93

serieus wordt omgesprongen, volgt bij een deel van de projecten op den duur een negatieve reactie van de gebruikers. De blijvende acceptatie door de gebruikers geeft uiteindelijk de doorslag voor een geslaagde kantoorinnovatie.
13.1.4 Gewijzigde bouwfysische aspecten Het gebruik van concentratiewerkplekken stelt specieke eisen aan de akoestische eigenschappen van deze ruimten. Ook het zeer diverse en intensieve gebruik van de middenzone vraagt akoestisch gezien bijzondere aandacht. Voor traditionele cellenkantoren en de daarin uitgevoerde werkzaamheden bestaan er allang algemeen geaccepteerde eisen voor ruimteakoestiek en interne geluidsisolatie. De bij dynamische kantoorconcepten gewenste transparantie van de scheidingswanden, de relatief rumoeriger middenzone en het kleinere volume van de concentratiewerkplek staan op gespannen voet met de behoefte aan stilte voor de concentratiewerkzaamheden. Voor diverse dynamische kantoorprojecten is een akoestische analyse gemaakt van bijpassende wand- en plafondsystemen. Hieruit blijkt dat met specieke oplossingen het doel kan worden bereikt. Het gebruik van de middenzone als werkplek, de grote transparantie van de scheidingswanden en de gevel scheppen ook voor dag- en kunstlicht een geheel nieuwe situatie. Meer dan ooit moet men zorgen voor toetreding van daglicht, zo diep mogelijk in de ruimte. Ook kan verblinding door daglicht eerder optreden. Afwijkend gebruik van de kantoorruimten maakt de aanpassing van de bestaande stramienen met kunstverlichting gewenst. Ook de thermische behaaglijkheid van de gevelzone met de kleine concentratiewerkplekken is in bouwfysisch opzicht anders. De kleinere en minder diepe concentratiewerkplekken hebben in verhouding tot de hoeveelheid ventilatielucht meer toetreding van zonne-energie bij een overigens gelijkblijvende gevel. Tweepersoonswerkkamers hebben bovendien een in verhouding hogere interne warmtebelasting dan een traditioneel cellenkantoor van twee personen. Eerder is opgemerkt dat een geheel nieuw aspect de ontsluiting van de middenzone met klimaatinstallaties betreft. Voorheen was dit slechts een

verkeersruimte, maar bij een dynamisch kantoor moet hieraan voldoende verse lucht worden toegevoegd en moet de ruimte bovendien worden geklimatiseerd.

13.2 Op weg naar energie-nulgebouw


De voorraad fossiele brandstoffen is eindig. De overheid staat dan ook voor de ambitieuze opgave in de 21e eeuw over te schakelen op duurzame energie. Dit is een geleidelijk proces. Men bevindt zich nu in een eerste fase, waarin wordt gestreefd naar een zo efcint mogelijk gebruik van zomin mogelijk fossiele energie. Vanuit de geschiedenis wordt eerst een inzicht gegeven in de hedendaagse ontwerp- en denkprocessen voor het gebouw en zijn technische voorzieningen. Als voorbeeld wordt besproken het ontwerp van het kantoorgebouw van het Hoogheemraadschap van Rijnland met een maximaal comfortniveau en een minimaal energiegebruik. Dit wordt verkregen door de inzet van veel gentegreerde technische voorzieningen in het gebouw.
13.2.1 Een tijd als nooit tevoren In de jaren zestig van de twintigste eeuw verscheen er in Duitsland een geschrift met als titel Heute eine Zeit wie nie!. F. Boerwinkel toonde met zes toenamen c.q. versnellingen aan dat deze titel correct is. Als eerste noemde hij de versnelling van het voortbewegen. In guur 13.3-1 is na 1900 een abrupte snelheidsverhoging van 40 km/h naar meer dan 50.000 km/h voorgesteld. Parallel aan deze voortbewegingsversnelling lopen de hoogterecords. In 1783 werden er ballonvluchten tot enkele honderden meters boven de aarde gemaakt. Sinds 1969 gaat de mens naar de maan (400.000 km van de aarde).

Zeer veel besproken is de toename van de wereldbevolking. De wereldbevolking groeide in de twintigste eeuw 25 maal zo snel als in de periode voor 1700, guur 13.3-2. De toename van de vernietigingskracht is werkelijk explosief, guur 13.4. Eerst was er het buskruit met een matige vernietigingskracht, daarna de uitvinding van het dynamiet met een redelijke

94

snelheid (km/h)

50000

50000 km/h raket in1969

wereldbevolking

3 miljard 2500 miljoen in 1950

10000 5180 km/h vliegtuig in1966 1000 966 km/h record auto in1965 40 km/h bereden dier 100 km/h stoomtrein en auto

2 miljard

1 miljard 500 miljoen 0 500v.C.

1200 miljoen in 1800 500 miljoen in 1650

100 0

1
aantal optellingen per seconde

1000

1500

2000

versnelling van menselijk voortbewegen

500

1500

toename wereldbevolking

3 miljard

2 miljard

1 miljard 160 100000 0 1900 1950 2000

toename snelheid computers

Figuur 13.3 Ontwikkelingen mensheid

toename in vernietigingskracht. De atoombom echter geeft een letterlijk en guurlijk explosieve toename aan vernietigingskracht. Een actuele toename is die van de communicatie. Tot voor de uitvinding van microfoon en versterker in 1920 bereikte een spreker maximaal 10.000 personen. Vandaag de dag kan met televisie en via satellieten gelijktijdig de volledige wereldbevolking worden bereikt. Sinds de mens digitaal via telecommunicatie en internet communiceert, is de omvang van de communicatie zover doorgeslagen, dat hij het niet meer kan bijhouden: er is sprake van infostress. Een versnelling die veel andere versnellingen mogelijk heeft gemaakt, is de versnelling van het denken. Het reecterend en systematisch denken met het vormen van symbolen heeft op den duur de wetenschap doen ontstaan. Deze wetenschap was weer de grote stimulans voor de ontwikkeling van de techniek. De laatste twee eeuwen laten een exponentile groei van wetenVernietigingskracht (kg TNT) 11.000 20.000.000 20.000.000.000

Jaar 1944 1945 1954

Soort bom zwaarste gewone bom (dynamiet) eerste atoombom waterstofbom

Figuur 13.4 Explosieve toename vernietigingskracht twintigste eeuw

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

95

schap en dus ook van de techniek zien. Dit alles is weer bevorderd door de computer, het elektronische brein, guur 13.3-3. Van de ontwikkeling van het menselijk denken zou eenzelfde soort graek kunnen worden gemaakt. Deze andere tijd vraagt een ander denken.
13.2.2 Geschiedenis gebouw en installaties De hiervoor geschetste veranderingen in de moderne tijd hebben niet het karakter van een stroomversnelling, maar van een waterval. Bij de geschiedenis van gebouw en installaties is er ook sprake van een waterval aan veranderingen. In de tijd van de Romeinen werden er al gebouwen ontworpen en gebouwd met centrale verwarming. Op een centrale plaats was een vuurhaard, waarvandaan de warme rookgassen via kanalen in de vloeren de warmte verdeelden naar de diverse vertrekken. De gebouwen werden zeer zwaar uitgevoerd en van kleine ramen voorzien. Na deze tijd is geen noemenswaardige ontwikkeling geweest in gebouw en installaties totdat Edison in 1879 de elektrische gloeilamp tot een praktisch bruikbaar product ontwikkelde. De centrale verwarming had inmiddels zijn intrede gedaan, waarbij veelal stoom via leidingen en gietijzeren radiatoren als transportmedium werd gebruikt. Eind negentiende eeuw werd de tl-verlichting uitgevonden. De gebouwen werden gebouwd met spouwloze buitenmuren en grote hoge ramen en werden niet gesoleerd. In de eerste helft van de twintigste eeuw deed de spouwmuur zijn intrede. Ter verbetering van het comfort werden achtereenvolgens mechanische ventilatie, koeling en luchtbehandeling meer en meer toegepast. De ontwikkelingen tot dan toe vormen het industrile tijdperk. Dit tijdperk is afgesloten met de oliecrisis van 1973. Als gevolg van deze crisis werden spouwen van buitenmuren gesoleerd, werden ramen kleiner uitgevoerd en van dubbel glas voorzien en werden energiebesparende voorzieningen c.q. warmteterugwinvoorzieningen gentroduceerd. Daarnaast ontwierp men energiezuinigere apparaten zoals de VR-ketel. De natuurlijke ventilatie werd weer uit de kast gehaald en ramen werden van zonwering voorzien. Vervolgens kwam de ontwikkeling van

zonnecollectoren en windenergie op gang. Het tijdperk van circa 1973 tot 1990 wordt het energiebewustwordingstijdperk genoemd. Vanaf circa 1990 tot heden is er sprake van het DUBO-tijdperk (duurzaam bouwen). Achtereenvolgens zijn in deze laatste jaren tot ontwikkeling gekomen: meer isolatie; HR-glas; HF-verlichting; langetermijnenergieopslag (LTEO) in bodem; warmtepomp; fotovoltasche zonnecellen; gebruik daglicht; gentegreerde ontwerpen. Als het energiegebruik van de hiervoor geschetste geschiedenis van gebouwinstallaties uitgezet wordt in een tijdgraek, ontstaat de graek van guur 13.5. Ook hierin herkent men de versnelling als een waterval. Deze lijn wordt echter afgebogen in het energiebewustwordingstijdperk en loopt terug in het DUBO-tijdperk.
13.2.3 Gentegreerd ontwerpen in DUBO-tijdperk In het hedendaagse DUBO-tijdperk worden om duurzaam te ontwerpen in het algemeen de volgende stappen ondernomen: 1 Minimaliseer energievraag. 2 Benut vrijkomende energiestromen. 3 Pas duurzame energie toe. 4 Maak efcint gebruik van fossiele energie.

Parallel aan dit stappenplan, dat het gebruik van fossiele energie minimaliseert, moeten de volgende stappen worden ondernomen om duurzaam ontwerpen te optimaliseren: 5 Beperk hoeveelheid toe te passen materialen. 6 Gebruik duurzame materialen. 7 Pas monomateriale en demontabele constructies toe. 8 Beperk gebruik drinkwater.

96

energiegebruik (%)

100

1900 industrialisatietijdperk

1970 energiebewustwordingstijdperk

1990 2000

jaar

DUBO-tijdperk

Figuur 13.5 Toename fossiele energiegebruik in gebouwen

De gentegreerde ontwerpmaatregelen die per stap worden overwogen, kunnen gegroepeerd worden in maatregelen op architectonisch, bouwtechnologisch en systeemniveau. Figuur 13.7 geeft per stap de meest voorkomende integratiemaatregelen weer.
13.2.4 Anders ontwerpend denken De maatschappij staat nu aan het begin van het DUBO-tijdperk. Dit vraagt aan de ontwerpers van gebouw en installaties een nieuwe manier van denken. Het oude exclusief/individueel denken moet in dit nieuwe tijdperk inclusief/ integrerend denken worden. Dat wil zeggen, een ontwerpend denken dat er principieel van uitgaat dat een goed resultaat niet wordt verkregen ten koste van of zonder de ander, maar alleen als tegelijk een goed resultaat van die ander wordt beoogd en bevorderd. Anders denken gaat uit van samenwerken. In dit nieuwe denkpatroon moeten het gebouw, het gebruik van het gebouw en de installaties optimaal op elkaar worden afgestemd, guur 13.6. Het resultaat is een comfortabel, gebruikersvriendelijk en duurzaam gebouw. Duurzaam bouwen mag niet resulteren in een onbruikbaar, onbehaaglijk gebouw. In dit denkproces moet de architect gaan meedenken over de installaties en moet de installatieadviseur proberen in de schoenen te staan van de architect. Een goede samenwerking
pve

KLANT

GEBRUIK

pve duurzaam vriendelijk comfortabel gebouw

ST

IN

Figuur 13.6 Optimale afstemming gebruik, gebouw en installaties

tussen architect en adviseur is een must. Een onmisbaar hulpmiddel bij dit anders ontwerpend denken is de computer. Met de hedendaagse computer is het relatief eenvoudig om gebouw en installatie gekoppeld dynamisch door te rekenen en ook diverse alternatieven te beschouwen. Ook bij het regelen van moderne installaties is een computer niet meer weg te denken. Het gebouw wordt dynamischer door de zonweringslamellen op warmte en daglicht te sturen met behulp van computers. Ten slotte:

VI

SE

UR

integratie

AL

LA

TIE

GE BO

ARC
HI

UW

TE

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

97

Architectonisch niveau Stap 1 Minimaliseer energievraag gebruik passieve zonneenergie gebruik van natuurlijke winddruk toepassing van patios, atria en serres beschaduwing door groenvoorzieningen

Bouwtechnologisch niveau isolatie van aan buitenlucht grenzende vlakken HR++-glas klimaatgevels klimaatdaken natuurlijke ventilatie daglichtgebruik

Systeemniveau klimaatgevels klimaatdaken natuurlijke ventilatie daglichtgebruik

Stap 2 Benut vrijkomende energiestromen Stap 3 Pas duurzame energie toe Stap 4 Efficint gebruik fossiele energie zonne-energie windenergie

accumulatie in gebouwmassa

uitwisseling van warmte- en koudevraag warmteterugwinning zonne-energie windenergie warmte- en koudebuffering

lagetemperatuurverwarming hogetemperatuurkoeling

lagetemperatuurverwarming hogetemperatuurkoeling HR-verlichting HR-ventilatie LTEO warmtepompen warmtekracht eenvoudige installatiesystemen beperk afval

Stap 5 Beperk hoeveelheid toe te passen materialen Stap 6 Gebruik duurzame materialen Stap 7 Monomaterialen en demontabele constructies Stap 8 Beperk gebruik drinkwater toets DUBO-lijst

licht construeren staalconstructie houten gevels beperk afval toets DUBO-lijst

toets DUBO-lijst

geen ingestorte leidingen staalconstructies houtconstructies losneembare verbindingen

losneembare verbindingen

gebruik van hemelwater doorstroombegrenzers 4 liter spoeling toiletten

Figuur 13.7 Matrix integratiemaatregelen energiezuinig en duurzaam ontwerpen

98

het is met de computer eenvoudig mogelijk de prestaties van de installaties te toetsen aan de ontwerpuitgangspunten.
13.2.5 Praktijkvoorbeeld anders energiezuinig ontwerpen Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft de architect prof. Jan Brouwer van Jan Brouwer Associates een nieuw hoofdkantoor ontworpen. Vanuit het anders ontwerpend denken zijn een groot aantal maatregelen gentegreerd, enerzijds om het comfort en welzijn van de mensen in het gebouw zo optimaal mogelijk te maken en anderzijds om het gebruik van fossiele brandstoffen te minimaliseren. De volgende gentegreerde maatregelen worden achtereenvolgens behandeld: klimaatgevels; klimaatplafonds; langetermijnenergieopslag (LTEO); integratie warmtepomp; integratie warmtewiel; optimalisatie daglichttoetreding; kunstlichtschakeling; HR-ventilatie.

de winter, wat bepaald wordt door de minimale afzuigluchthoeveelheid door het klimaatraam ter voorkoming van condensvorming. Energetisch positieve effecten bij klimaatgevels ontstaan onder andere door het toepassen van koeling door energieopslag in de bodem, door klimaatplafonds en door het beperken van de afgegeven verlichtingswarmte in het vertrek met behulp van daglichtstuursystemen. Klimaatplafonds Voor het verwarmen en koelen van de kantoorvertrekken worden klimaatplafonds toegepast. Een klimaatplafond bestaat uit geperforeerde stalen of aluminiumpanelen waarin of waarop leidingen zijn aangebracht. Door de leidingen stroomt in de zomer gekoeld water (circa 15 C) en in de winter verwarmd water (maximaal circa 35 C). Door change-over-klepregelingen kan per ruimte gekoeld water voor ruimtekoeling of verwarmd water voor ruimteverwarming door het plafond stromen. Door deze methode van klimatiseren wordt een hoogwaardig binnenklimaat gerealiseerd met een zeer gelijkmatige temperatuur in de ruimte en met minimale luchtbeweging. Daarnaast kan met een relatief hoge watertemperatuur worden gekoeld en een relatief lage watertemperatuur worden verwarmd. Een niet onbelangrijk aspect is de hogere technische en esthetische kwaliteit van een metalen geperforeerd plafond in vergelijking met een standaard mineraalplafond. De combinatie klimaatgevel en klimaatplafond geeft, in vergelijking met alle andere klimaatsystemen, het meeste comfort. Dit wordt verkregen door zeer lage luchtsnelheden, een zeer gelijkmatige temperatuur in de ruimte, geen koudestraling van de ramen en de geluiddichte gevel. Langetermijnenergieopslag (LTEO) Voor de koeling van het gebouw wordt er gebruikgemaakt van een LTEO-installatie. Hiermee wordt de winterse koude in de aardbodem opgeslagen om in de zomer het gebouw te koelen. De koude wordt opgeslagen in zogenaamde aquifers, zie paragraaf 12.7.2. In de winter wordt het water van de warme bron naar de klimaat-

Klimaatgevels Een klimaatgevel bestaat uit een buitenruit van dubbel glas en een binnenruit van enkel glas. Tussen deze twee ruiten is de zonwering opgehangen. De spouw zorgt voor de afvoer van de aan de ruimten toegevoerde lucht. Hierdoor wordt in de zomer de warmte die door de zonstraling op de lamellen wordt gestraald met de lucht afgevoerd. In de winter wordt de spouwruimte met ruimtelucht opgewarmd, waardoor de binnenruit dezelfde temperatuur aanneemt als de ruimtetemperatuur. Hierdoor ontstaat geen koudeval van het raam en is een radiator voor stralingscompensatie niet nodig. Een veelgehoorde reden voor toepassing van klimaatramen is dat er energie wordt bespaard. Dit is echter in veel gevallen niet juist. Het energiegebruik bij klimaatramen wordt ongunstig benvloed doordat verlichtingswarmte in de zomer niet wordt afgevoerd met de afzuiglucht, omdat deze lucht wordt gebruikt voor het ventileren van het klimaatraam. Daarnaast wordt het energiegebruik ongunstig benvloed door de iets hogere ventilatie tijdens

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

99

installatie gepompt. Daarin wordt met de luchtbehandelingskasten het water afgekoeld met koude buitenlucht. Hierdoor wordt een zogenaamde voorverwarming van de ventilatielucht verkregen. Het aldus afgekoelde water wordt geinjecteerd in de koude bron. De hele winter vangt men op deze manier de koude op uit de atmosfeer. In de zomer wordt het koude water uit de koude bron opgepompt. Hiermee koelt men de ventilatielucht. Het opgewarmde water wordt weer genjecteerd in de warme bron waarmee de cyclus rond is. Het basisprincipe is besproken in paragraaf 12.7.2. Integratie warmtepomp Een betere prestatie van een energieopslagsysteem wordt verkregen door het integreren van een warmtepomp, zie paragraaf 12.7.3. De warmtepomp wordt in de zomer geregeld op de hoeveelheid koudebehoefte van lage temperatuur (circa 6 C). De in deze bedrijfssituatie geproduceerde warmte wordt opgeslagen in de bodem voor gebruik in de winter. In de winter wordt de warmtepomp geregeld op de hoeveelheid warmtevraag. De in deze bedrijfssituatie geproduceerde koude-energie wordt opgeslagen in de bodem voor gebruik in de zomer. Door slimme hydraulische koppeling aan het centrale verwarmingssysteem enerzijds en aan

het gekoeldwatersysteem anderzijds en door de koppeling aan het bodemopslagsysteem, gaat geen thermische energie van de warmtepomp verloren. Daarnaast werkt de warmtepomp in combinatie met klimaatplafonds met een relatief lage temperatuur aan de verwarmingszijde, waardoor een zeer hoog rendement behaald wordt. Deze argumenten samen dragen ertoe bij dat de warmtepomp zeer energiezuinig thermische energie levert en dat de warmte geleverd door de warmtepomp veel goedkoper is dan warmte geleverd door een cv-ketel. Dynamische berekeningen hebben aangetoond dat het s nachts doorverwarmen met de warmtepomp minder energie verbruikt dan s nachts het gebouw te laten afkoelen en s morgens extra warmte te leveren met de cv-ketels. Hierdoor wordt de totale bijdrage van de hoeveelheid warmte-energie geleverd door de warmtepomp 85 procent. Alleen bij een extreem lage buitentemperatuur moet de cv-ketel warmte leveren. Met het hiervoor beschreven gentegreerd systeem, guur 13.8, wordt maar liefst 58 procent primaire energie bespaard op koeling en verwarming in vergelijking met andere moderne energiezuinige systemen.

hoge temperatuur koeling min. 15 C

100% comfort

klimaatplafonds en klimaatgevels

warmtepomp en energieopslag

> 50% energiebesparing

max. 35 C lage temperatuur verwarming

Figuur 13.8 Klimaatkwartet

100

De kracht van dit concept ligt in de combinatie van de toepassing van klimaatgevels, klimaatplafonds, energieopslag en warmtepomp, waardoor met kleine temperatuurnuances wordt verwarmd en gekoeld, veel energie wordt bespaard en een optimaal comfort wordt verkregen.

Integratie warmtewiel De energieprestatie van de klimaatinstallatie kan nog verder worden geoptimaliseerd door integratie van warmtewielen in het luchtbehandelingssysteem, zie paragraaf 12.7.1 en guur 13.9. Deze warmtewielen zijn enerzijds aangesloten op het afvoerluchtsysteem en anderzijds op het toevoerluchtsysteem na de batterij die is aangesloten op het energieopslagsysteem. Het blijkt dat de luchttoevoertemperatuur na het

buitenlucht voor ventilatie

warmtewiel ventilatielucht afvoerlucht

verwarming door opgeslagen energie

warmtepomp verwarming bevochtiging


grondwater 100 m

+ +++ +++ +

wintersituatie

buitenlucht voor ventilatie

100 m

ventilatielucht

afvoerlucht

koeling door opgeslagen energie

warmtepomp


grondwater 100 m

+ +++ +++ +

zomersituatie

Figuur 13.9 Langetermijnenergieopslag met warmtepomp en warmtewiel

100 m

klimaatgevel

stralingsplafond voor koeling

klimaatgevel

stralingsplafond voor verwarming/koeling

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

101

warmtewiel bij elke buitenluchttemperatuur hoog genoeg is, zodat naverwarming van de toevoerlucht niet meer nodig is, zelfs als met de natuurlijke grondwatertemperatuur wordt voorverwarmd. Omdat de lucht voor het warmtewiel al is voorverwarmd door het koudeopslagsysteem, is de lucht vorstvrij en droog. Hierdoor worden eventuele schadelijke invloeden op een keramisch warmtewiel voorkomen en is een lange levensduur van het warmtewiel gegarandeerd. Het is in de praktijk nogal eens voorgekomen dat keramische warmtewielen binnen een aantal jaren verpulverden door vochtdoorslag van lters en/of door bevriezing van het vocht in de poreuze massa. Door toepassing van keramische warmtewielen wordt eveneens een maximum aan vocht uit de retourlucht teruggewonnen. Hierdoor kan voor een normaal kantoorgebouw de bevochtigingsinstallatie vervallen. Met dit concept, in combinatie met LTEO-energieopslag, klimaatgevel, klimaatplafond en warmtepomp wordt maar liefst 71 procent primaire energie bespaard op koeling, verwarming en bevochtiging. Een visualisering van dit gentegreerde ontwerp is weergegeven in guur 13.9. De meerinvestering inclusief engineeringskosten van een dergelijk systeem heeft een terugverdientijd van circa vijf jaar. Hierbij zijn de subsidies niet in rekening gebracht.
energiegebruik (MJ/m2GO) 350

Optimalisatie daglichttoetreding Door alle tot nu toe genoemde warmte- en koude-energiereducerende maatregelen blijkt dat het energiegebruik voor verlichting bijna net zoveel primaire energie vraagt als alle overige energiegebruikers samen, guur 13.10. Dit inzicht heeft ertoe geleid dat er onderzoek is verricht naar reductie van het energiegebruik voor verlichting, door zoveel mogelijk gebruik te maken van daglicht. Een niet onbelangrijk tweede argument is dat een optimaal gebruik van daglicht een gunstig effect blijkt te hebben op de prestatie en het welbevinden van personen. Werken bij daglicht c.q. natuurlijk licht geeft namelijk een hogere arbeidsproductiviteit dan werken bij kunstlicht. De belangrijkste oorzaken daarvan zijn: 1 Daglicht varieert continu in intensiteit, wat leidt tot een positieve prikkeling van de hersenfunctie van de mens en stimulerend werkt voor het denkproces. 2 Natuurlijk licht regelt het groei- en bestaansproces van de mens en benvloedt in positieve zin de biologische lichaamsactiviteit van de mens, want het menselijk organisme is zo opgebouwd, dat het zon/daglicht opneemt zowel via de ogen als via de huid. De eerder genoemde lichtprikkels gaan via het oog rechtstreeks naar de hypothalamus. De hypothalamus regelt bij de mens functies als autonome zenuwstelsel, energiebalans, vochtbalans, warmteregulering, activiteit, slaap, bloedsomloop, groei, ademhaling, rijpproces, voortplanting en niet te vergeten het emotionele evenwicht. Een goed ontworpen daglichtsturingssysteem met aanvullend kunstlicht zorgt voor een hoge inrichtingsexibiliteit en meer ambiance in de binnenruimte. Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland wordt als experiment een door Bartenbach ontwikkeld daglichtsturingssysteem toegepast. Dit systeem bestaat uit spiegelende zonweringslamellen die met de holle kant naar boven zijn aangebracht, guur 13.11. Deze spiegelende lamellen kaatsen het daglicht via een spiegelend aluminium vlak in het plafond in het vertrek. De bovenste lamellen worden

300

250 verlichting 200 verwarming ventilatoren pompen 150 koeling bevochtiging warm tapwater

100

50

Figuur 13.10 Energiegebruik verlichting en klimaatinstallatie

102

daglichtsysteem op een zonnige dag

daglichtsysteem 's-avonds met kunstlicht

Figuur 13.11 Daglichtsysteem op zonnige dag en s avonds met kunstlicht

aangestuurd en gekanteld op basis van de daglichtintensiteit. De onderste lamellen worden aangestuurd op basis van zonwering bij direct zonlicht en in de daglichtstand bij somber weer. Om het contact met buiten te behouden zijn de onderste lamellen geperforeerd uitgevoerd. De sturing van de lamellen wordt uitgevoerd met behulp van daglichtmetingen via een centraal opgestelde computer. Volgens Bartenbach kunnen de spiegelende lamellen als binnenzonwering worden toegepast omdat het directe zonlicht als het ware wordt gereecteerd naar buiten. Hiermee zou een ZTA-waarde van circa 0,24 worden behaald. Voor het Hoogheemraadschap van Rijnland worden de lamellen in een klimaatgevel opgehangen. De ZTA-waarde wordt hierdoor verbeterd en de kans op vervuiling van de lamellen drastisch verkleind.

Ten slotte is ook de afmeting van het raam geoptimaliseerd. Uit daglichtberekeningen blijkt dat een raam met een breedte van 1,2 m en een hoogte van 1,8 m per 1,8 m kantoorstramien de beste daglichtverdeling oplevert. De architect heeft de hele gevel aangepast om een dergelijk systeem te kunnen toepassen. Voor de bepaling van de afmetingen van de ramen zijn simulatieberekeningen gemaakt, waarbij het energiegebruik voor de klimaatinstallatie en voor de verlichting gentegreerd zijn doorgerekend. In het algemeen kan worden gesteld dat plaatsen met een daglichtfactor van 3 procent voldoende daglichtniveau hebben om zonder kunstlicht bij een bedekte hemel te kunnen werken. Het resultaat van het voor het Hoogheem-

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

103

3
daglichtfactor (%) 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0

daglichtsysteem bij bedekte hemel

1 helder glas, geen zonwering

4 5 5,4 afstand vanaf de gevel (m) conventionele zonwering

spiegelende zonwering

Figuur 13.12 Daglichtsysteem bij bedekte hemel

raadschap van Rijnland ontworpen systeem is weergegeven in de graek van guur 13.12. Hieruit is af te lezen dat bij bedekte hemel het daglichtniveau tot 3 m in het vertrek uitstekend is om bureauwerk te kunnen doen. Van belang is dat de kleurstellingen van kozijnen, wanden, vloeren en meubels licht zijn, zodat grote luminantieverschillen in de ruimte worden voorkomen. De architect heeft bijzondere aandacht besteed aan de vormen van de kozijnen aan de randen van de ramen en de kleurstelling van wanden, vloeren en meubilair. Om een goede luminantieverhouding te verkrijgen is het kunstlichtsysteem optimaal afgestemd op het daglichtsysteem. Aan de gangzijde van het kantoor is een secundair verlichtingsarmatuur opgenomen die de wanden aanlicht om de luminantieverhouding van de gangzone ten opzichte van de gevelzone gelijk te houden.

Een speciaal door Mema en Bartenbach ontwikkeld verlichtingsarmatuur aan de gevel zorgt voor een goed verlichtingsniveau als geen gebruik kan worden gemaakt van daglicht. Deze lamp verlicht, net als het daglicht, de ruimte, kaatsend via het spiegelend vlak in het plafond, guur 13.11. Kunstlichtschakeling De verlichting wordt via dezelfde computer geschakeld als voor de sturing van de daglichtlamellen. Als er te weinig daglicht is, wordt de kunstverlichting vrijgegeven. De gebruikers van de ruimten kunnen eventueel, buiten de automatische vrijgave om, zelf de verlichting aanzetten. Via veegprogrammas wordt de verlichting echter automatisch weer uitgezet. De combinatie van de omschreven optimalisatie van het daglichtgebruik en de kunstlichtregeling

104

bespaart op kantoorniveau circa 60 procent elektrische energie voor verlichting. De bespaarde hoeveelheid energie voor de klimaatinstallatie is minimaal. De meerinvestering van het daglichtsysteem en de kunstverlichting is nog niet rendabel. Echter de verwachting is als dergelijke systemen worden gestandaardiseerd dat binnen tien jaar de meerinvesteringen zonder subsidie rendabel worden. HR-ventilatie Uit guur 13.10 blijkt dat na verlichtingsenergie ventilatorenergie het grootste aandeel heeft in het energiegebruik van een gebouw. Het ligt daarom voor de hand ook te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het energiegebruik van de ventilatoren te reduceren. Voor alle ventilatoren in de luchtbehandelingskasten zijn de energiebesparingsmogelijkheden geanalyseerd. Alle fabrikanten leveren ventilatoren met standaardwisselstroommotoren, die al een vrij hoog rendement hebben. Om commercile redenen worden niet de energiezuinigste motoren standaard aangeboden. Over het algemeen kan worden gesteld dat met een geringe meerinvestering van 250 500 euro motoren kunnen worden geleverd waarbij het motorrendement kan worden verhoogd met 3 tot 10 procent. In luchtbehandelingskasten worden over het algemeen centrifugaalventilatoren toegepast, die indirect met een V-snaaroverbrenging worden aangedreven. De V-snaaroverbrenging wordt toegepast om het ventilatortoerental te kunnen aanpassen door wijziging van poeliediameters. Een overbrenging met V-snaren geeft bij kleine vermogens een rendementsverlies van 16 procent en bij grotere vermogens een rendementsverlies van 2 3 procent. Door de motor direct op de ventilatoras te koppelen, vervalt dit rendementsverlies. Het toerental van de waaier moet kunnen worden ingesteld met een frequentietoerenregelaar. Omdat frequentieregelaars de laatste tijd steeds goedkoper worden en in de toekomst nog goedkoper zullen worden, is de toepassing van deze opstelling steeds meer economisch verantwoord. Ventilatorrendementen liggen over het algemeen rond de 80 procent. Gebleken is dat alle fabri-

kanten een optimale selectie doen voor de ventilatoren. Ventilatoren met een beter rendement zijn nog niet verkrijgbaar. Door kritisch de opbouw van de luchtbehandelingskast en aanstroming van de lucht van en naar diverse componenten te beschouwen, is er een aanzienlijke verbetering te bewerkstelligen ten aanzien van de druk die de ventilator moet leveren. Het drukverlies is recht evenredig aan het energiegebruik. De volgende verbeteringen zijn beschouwd: 1 Geluiddempers direct na de ventilatoren uit de kast verplaatsen en in het kanalensysteem opnemen. Hierdoor wordt een aanzienlijk drukwinst verkregen door betere uitstroming van de lucht uit de ventilatormond. 2 Batterijen selecteren met een lager drukverlies aan de luchtzijde waarbij als voorwaarde geldt dat het waterzijdige drukverlies niet hoger wordt. 3 Meer luchtgeleiderplaten in de luchtkasten aanbrengen. Met alle hiervoor genoemde voorzieningen is een reductie van het energiegebruik van de ventilatoren van circa 23 procent te realiseren. De meerinvestering voor de HR-ventilatie heeft zonder subsidie een terugverdientijd van minder dan tien jaar.
100 % 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 1993 klimaatplafond warmtepomp 1994 klimaatgevel warmtewiel 1996 na 2000

lange termijn energieopslag licht bouwen, ventilatorrendement, daglicht

Figuur 13.13 Energiebesparing door integratie gebouw en installatie

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

105

Resultaten gentegreerde DUBOmaatregelen Door gentegreerd ontwerpen van gebouw en installaties zoals klimaatplafonds, klimaatgevel en optimalisatie van daglichtgebruik kunnen klimaatsystemen met veel minder fossiele brandstofverbruiken worden ontworpen en wordt een zeer hoog niveau van comfort en welzijn van de mens verkregen. De energiebesparingsontwikkeling van dergelijke systemen is weergegeven in guur 13.13.
13.2.6 Minder energievraag door nieuwe technieken Voor kantoorgebouwen is de omvang van de technische voorzieningen in de vorm van installaties de afgelopen twintig jaar steeds groter geworden. De hoofdoorzaak van deze toename voor de klimaatinstallaties is de toename van de interne warmtelast. Daardoor is koeling van gebouwen noodzakelijk gebleken om qua temperatuur acceptabele werkplekken te creren. De interne warmtelast in kantoorgebouwen wordt veroorzaakt door:
toepassen kleurenbeeldschermen

computers; verlichting; personen. Computers De toename van de interne warmtelast wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de ontwikkeling van de pc, guur 13.14. In 1980 introduceerde IBM de pc met het MS-DOS-besturingssysteem. Deze computers verbruikten ongeveer 150 W. Bij 1 persoon per 10 m2 geeft dit een interne warmtelast van 15 W/m2. Eind jaren 80 van de 20e eeuw is er een forse toename ontstaan in de interne warmtelast door computers door de introductie van kleurenbeeldschermen. Daarna is er een geringe toename ontstaan door steeds snellere processoren en krachtigere machines. Huidige conguraties verbruiken tussen de 200 en 250 W, wat overeenkomt met een interne warmtelast van respectievelijk 20 en 25 W/m2. Door Thin Film Transistor (TFT)-monitoren kan de interne warmtelast enorm teruglopen. In guur 13.15 wordt

interne warmtelast (W/m2)

25 20 15 10 5 0

introductie IBM MS-Dos

1970

1980

1990

toepassen TFT-beeldschermen 2000

activering power save mode

2010 tijd

Figuur 13.14 Ontwikkeling interne warmtelast door computers

Monitor

Warmtelast normaal gebruik

Warmtelast bij gebruik van power save mode < 12 W <3W

17 inch beeldbuismonitor 18,1 inch TFT-monitor

140 W 48 W

Figuur 13.15 Verbruikte vermogens beeldbuis- en TFT-monitor

106

het energiegebruik van een beeldbuismonitor vergeleken met dat van een TFT-monitor. De interne warmtelast wordt hierdoor verlaagd tot 10 15 W/m2. Een verdere afname kan worden gerealiseerd als de power save mode van de computer actief wordt gemaakt. Deze wordt nu door de fabrikanten niet actief ingesteld omdat veel software hierdoor crasht. Als alle gebruikte sofware geschikt wordt gemaakt voor een actieve power save mode, neemt de gemiddelde interne warmtelast verder af en bedraagt, afhankelijk van het gebruikspercentage, de interne warmtelast tussen de 5 en 12 W/m2. Verlichting De ontwikkeling van de verlichting heeft ook een enorme invloed op de interne warmtelast, guur
interne warmtelast (W/m2)

13.16. Het elektrische vermogen en dus ook de interne warmtelast van de verlichting is tussen 1970 en 1998 gehalveerd van 15 W/m2 naar 7 W/m2. Als er daglichtregeling en aanwezigheidsschakelingen worden toegepast, is met de huidige techniek zelfs een verlaging tot 5 W/m2 mogelijk. Overdag is de interne warmtelast door verlichting zelfs tot nul terug te brengen als er optimaal gebruik wordt gemaakt van het daglicht. Personen De interne warmtelast van personen is door de jaren heen onveranderd gebleven: circa 8 W/m2. Als de ontwikkeling van de interne warmtelasten door computers, verlichting en personen bij elkaar worden opgeteld, ontstaat guur 13.17.

15

TL 65 conv (15,02)

TLD 58 W (14,09) TLD 50 W HF (11,52)

10

TLD 50 W DL (10,37) TL5 35 W HF (8,85) TL5 35 W HF DL (7,97) TL5 28 W HF (7,0) TL5 28 W HF DL (6,3) TL5 28 W HF DL (6,3) AANW

1970

1980

1990

2000

2010 tijd

Figuur 13.16 Ontwikkeling interne warmtelast door verlichting


interne warmtelast (W/m2)

25 20 15 10 optimalisatie daglicht 5 0

1970

1980

1990

2000

2010 tijd

Figuur 13.17 Ontwikkeling interne warmtelast kantoren

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

107

Hieruit blijkt dat men nu al technisch in staat is de interne warmtelast gelijk of zelfs lager dan voor de introductie van de pc te krijgen. Hierdoor krijgen gebouw- en installatieconcepten die voor 1980 werden toegepast weer een kans. Installaties zoals toegepast bij het Hoogheemraadschap van Rijnland presteren hierdoor nog beter ten aanzien van het energiegebruik.
13.2.7 Nieuwe technieken en anders bouwen Nieuwe technieken staan toe dat men op een andere manier bouwt. Eenvoudige berekeningen tonen aan dat s nachts doorkoelen met water minder energie verbruikt dan s nachts de massa van het gebouw afkoelen door mechanisch ventileren met buitenlucht. Dit is vooral het geval als energieopslag in de bodem wordt toegepast. Zwaar bouwen om veel accumulatie te creren is niet meer noodzakelijk voor het opslaan van koude en warmte als gebruik wordt gemaakt van de massa in de bodem. Recent onderzoek heeft aangetoond dat een lichte bouwconstructie uit staal en hout circa 70 procent lichter is dan een zwaar gebouw. Daar staat tegenover dat mogelijk iets meer gewicht aan installatie moet worden toegepast. Dit staat echter niet in verhouding met de enorme gewichtsafname van het gebouw. Door afname van het materiaalgebruik wordt het milieu evenredig minder belast.

Daarnaast blijkt het mogelijk ook het energiegebruik voor verlichting en computers te reduceren met circa 60 70 procent. Een verdere verlaging van het energiegebruik vereist nog zeer grote inspanningen. Door het inzetten van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, is het nu al mogelijk een energie-nul-kantoorgebouw te benaderen. Dit vraagt echter nog grotere investeringen.

13.3 Lage installatiegraad dankzij glasoverkapte ruimten: nieuwbouw IBN-DLO


13.3.1 Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (BN-DLO) Het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) verricht ecologisch onderzoek naar planten en dieren en de ontwikkeling van de bosbouw. Uitgangspunt voor de nieuwbouw was een ecologisch verantwoorde omgeving te creeren met gebruikmaking van eenvoudige technieken, zoals natuurlijke ventilatie en verwarming door invallend zonlicht. Het gebouw, guur 13.18, is ontworpen door architect Behnisch van het bureau Behnisch & Partner te Stuttgart en is een pilot-project in het kader van het Nationaal Milieubeleidsplan Plus.

Sinds een aantal jaar moet van overheidswege de energieprestatie van het gebouw met bijbehorende installaties worden berekend. Het duurt niet lang meer of de milieuprestatie van gebouwen wordt berekend vanaf de winning van grondstoffen tot aan de sloop en het hergebruik van de materialen. Als gekwanticeerd kan worden wat de milieuprestatie van een gebouw met installaties qua energiegebruik en materiaalgebruik is, dan zou dat wel eens kunnen resulteren in een nog verder toegespitste integratie bij de ontwerplosoe.
13.2.8 Ten slotte De afgelopen tien jaar is men in staat gebleken het energiegebruik voor klimaatinstallaties in gebouwen met 60 70 procent te verlagen.

De nieuwbouw van IBN-DLO heeft plaatsgevonden in Wageningen. Op deze locatie, met een bruto vloeroppervlak van 11.800 m2 op een 15 hectare groot terrein, zijn drie instituten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek samengebracht. Naast IBN-DLO zijn dat Staring Centrum DLO en CPRO-DLO, die wetenschappelijk onderzoek verrichten op het gebied van respectievelijk landbouw en plantenveredeling. Het instituut ressorteert onder het Ministerie van Landbouw en Visserij. Bij de nieuwbouw voor bedrijven of overheidsinstanties is het gebruikelijk in de architectuur de identiteit van de desbetreffende instantie zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen. Het ontwerp is in alle opzichten gebaseerd op de uitgangspunten die het IBN-DLO bij haar onderzoeken hanteert. Het instituut onderzoekt hoe de mens op een ecologische verantwoorde,

108

Figuur 13.18 Gebouw IBN-DLO Wageningen

duurzame manier van zijn natuurlijke omgeving gebruik kan maken. Het onderzoek draait om de gevolgen van menselijk ingrijpen op de natuur. Als n project in aanmerking kwam als voorbeeld van mens- en milieuvriendelijk bouwen, dan was het wel de nieuwbouw van IBN-DLO.

De groene identiteit van dit instituut paste uitstekend in het besluit dat de Rijksgebouwendienst in 1991 nam om een milieu- en mensvriendelijk gebouw te ontwerpen. In dit kader gaf de overheid het ongeveer 44 miljoen gulden (circa 20 miljoen euro) kostende project een aanzienlijke nancile injectie.

Figuur 13.19 Plattegrond gebouw IBN-DLO

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

109

13.3.2 Binnentuinen In het ontwerp van het IBN-DLO-gebouw zijn twee tuinen opgenomen, die geen aankleding zijn, maar de essentie van het architectonische ontwerp vormen. Voor het functioneren van het gebouw zijn de twee overdekte binnentuinen net zo belangrijk als de bouwmassa van de laboratorium- en kantoorvleugels. De overdekte tuinen vervullen een spilfunctie in de ontsluitingsstructuur en de klimaatbeheersing.

klimaat voor de inheemse en savanneachtige planten in de tuinen.


Glasoverkapte ruimten worden besproken in deel 4A Omhulling, hoofdstuk 5

Het drie verdiepingen tellende gebouw heeft de vorm van de letter E, guur 13.19. In de lange zijde aan de noordkant zijn laboratoria en werkplaatsen ondergebracht. In de poten van de E bevinden zich de kantoorvleugels, met daartussenin twee overdekte tuinen. De kantoren die aan de tuinen grenzen zijn zowel via de galerijen als de gangen bereikbaar. Wat direct opvalt is het enorme glasoppervlak in de gevels. Staand in de tuinen doet de constructie nog het meest denken aan een grote tuinbouwkas. De glaskappen zijn dan ook geleverd door een in de tuinbouwsector gespecialiseerde toeleverancier. Het geheel levert niet alleen een zeer ruimtelijk effect op, maar ook het gewenste

De binnentuinen stralen de doelstelling van het instituut uit, guur 13.20, en zijn als het ware het visitekaartje van IBN-DLO. Het buitenmilieu moest op een verantwoorde manier naar binnen worden gebracht. Verder speelde het materiaalgebruik een belangrijke rol in het totale ontwerp. Er is weliswaar gekozen voor een betonnen draagconstructie, maar de rest van de constructie is zo licht mogelijk gehouden. Zo is er veel hout toegepast, varirend van robinia voor de buitengevels tot eikenhout op plaatsen waar hoge brandwerendheidseisen gelden. Verder is natuurverf toegepast en een met mos-sedum begroeid dakterras gecreerd.
13.3.3 Natuurlijke klimaatregeling De beoogde eenvoud in techniek die is toegepast om een verantwoord binnenklimaat te creren, komt nog het beste tot uiting in de rol van de atria bij de klimaatbeheersing en ventilatie van de kantoorvleugels. De binnentuinen fungeren als warmtebuffer voor de kantoren. Ongeveer 40 procent van de glazen dakconstructie bestaat uit kantelramen, guur 13.21, waardoorheen in geopende stand desgewenst warme binnenlucht kan wegstromen of koude buitenlucht kan binnenstromen. Deze natuurlijke klimaatbeheersing, in combinatie met zonwering die op alle ramen is toegepast, gebeurt automatisch op basis van onder andere zonnestand, windrichting, jaargetijde en zowel binnen- als buitentemperatuur. Hiervoor is het gebouwbeheerssysteem uitgebreid met een complex besturingssysteem. Dit systeem regelt bijvoorbeeld ook dat, ongeacht de gewenste klimaatcondities, bij brand alle ramen worden opengezet om de rook zo snel mogelijk uit het gebouw te laten stromen. Verder is er aan regendetectie gedacht. Er zijn per kantelraam motortjes toegepast, afkomstig uit de kassenbouw, met een lange looptijd, waardoor het dichtdraaien te veel tijd in beslag nam. Onderzoek leerde dat bij 60 procent openstand van de ramen de luchtverversing toch voldoende zou zijn, waarop besloten is de ramen niet verder open te zetten.

Figuur 13.20 Overdekte tuinen dragen bij aan instandhouding binnenklimaat: voorverwarming ventilatielucht s winters en verdampingskoeling s zomers

110

en waterlopen; de rest verdampt indirect, via de bladeren van de planten. Dagelijks worden de planten besproeid met (regen)water uit de vijver achter het gebouw. Voor extra koeling wordt aan de noordzijde (ruggengraat E) desgewenst koele lucht aangezogen en mechanisch in de atria geblazen. Ventilatoren onder de grond van de atria ondersteunen de verse luchtaanvoer via de koele noordelijke kruipruimten. Het functioneren van de natuurlijke klimaatregeling is voor de ingebruikneming van het gebouw getest. Zo is er onderzocht wat er gebeurt als op een zomerse dag alle ramen zijn gesloten, de zonwering open staat en ook de mechanische ventilatie is uitgeschakeld. De binnentemperatuur liep op naar ongeveer 35 C. Daarna zijn de ramen geopend, werd de zonwering gesloten en werd de mechanische ventilatie aangezet. In minder dan twee uur bleek het binnenklimaat terug te zijn op het gewenste niveau. Dit resultaat is mede te danken aan de betonconstructie van het gebouw. Deze constructie is met zoveel massa gemaakt, dat deze overtollige warmte kan absorberen. Dit accumulerend vermogen van het beton wordt optimaal benut, doordat de plafonds in de kantoorruimten open (met zicht op de bovenliggende betonvloer) zijn uitgevoerd.
13.3.4 Luchtbehandeling laboratoria Dankzij de voornoemde maatregelen is het aantal technische installaties in het IBN-DLOgebouw tot een minimum beperkt gebleven. De verwachting is dat hierdoor de energieprestatienorm jaarlijks met ruim 10 procent wordt onderschreden. Helemaal zonder installatietechniek kan het gebouw echter niet. Om verschillende functionele redenen worden het restaurant, vergaderruimten en de bibliotheek mechanisch geventileerd. De laboratoria zijn volledig geklimatiseerd, vooral vanwege het grote aantal warmteafgevende apparaten dat staat opgesteld en de hoge ventilatie-eisen die voor deze ruimten gelden (natuurlijke ventilatie is niet toegestaan). Het ventilatievoud in de laboratoria bedraagt maximaal ongeveer tienmaal de ruimte-inhoud. In de technische ruimte op het dak staan hiervoor

Figuur 13.21 In kapconstructie kunnen ramen worden geopend en is beweegbare zonwering aangebracht

Uiteenlopende condities De binnentemperatuur in de atria mag oplopen tot maximaal 21 C, bij hogere temperaturen gaan de kantelramen open, guur 13.22-1. Tijdens warme perioden worden de ramen ook s nachts opengezet om het gebouw te koelen, guur 13.22-2. In winterse perioden blijft het dak gesloten, guur 13.22-3, en blijft s nachts ook de zonwering dicht, om nachtelijke uitstraling van warmte te beperken, guur 13.22-4. De zon zorgt zo indirect voor de opwarming van aan de atria grenzende ruimten. s Zomers dient de zonwering er uiteraard voor om overdag de warmte buiten te houden. De kantoren worden op een natuurlijke manier geventileerd naar de atria door het openen van de ramen. De vijvers en waterlopen in de overdekte tuinen dragen bij aan een natuurlijke verdampingskoeling. Verdampings- of evaporatiekoeling is gebaseerd op het principe dat de energie die nodig is om water om te zetten in gas (damp), aan de omgeving wordt onttrokken. Zo koelt de omgeving af. Om de lucht in de binnentuinen (die als ventilatielucht voor de kantoorvleugels wordt gebruikt) s zomers op een acceptabele temperatuur te brengen, verdampt in elk van de twee tuinen 3000 l water per dag. Een deel van die 3000 l water verdampt rechtstreeks uit de vijvers

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

111

zomersituatie; dag: zonwering dicht, luiken open en mechanische toevoer koele lucht inclusief verdampingskoeling

zomersituatie; nacht: zonwering en luiken open, mechanische toevoer van koude lucht

wintersituatie; dag: zonwering open, luiken dicht

wintersituatie; nacht: zonwering en luiken gesloten

Figuur 13.22 Principe klimaatbeheersing in dag- en nachtsituatie

112

twee luchtbehandelingskasten opgesteld met een capaciteit van 20.000 m3/h. Ze zijn voorzien van een lter, warmteterugwinningselement, inspectiesectie, luchtverwarmer, geluiddemper, toerengeregelde ventilator en geluiddemper. In het centrale luchttoevoerkanaal kan een klep handmatig worden geopend, om bij uitval van n van de kasten een gedeelte van de capaciteit zeker te stellen. De lucht, die afhankelijk van de gebruiksfunctie wordt nagekoeld, verwarmd of nabevochtigd, stroomt via wervelroosters de ruimten in. In de wintersituatie wordt de ventilatielucht met een temperatuur van ongeveer 18 C ingeblazen (2 C onder ruimtetemperatuur). In de zomersituatie is de temperatuur van de ventilatielucht gelijk aan de buitentemperatuur. Afzuiging zuurkasten De afzuiging van de lucht in de laboratoria vindt plaats via afzuigroosters en zuurkasten. Er wordt per zuurkast afgezogen om te voorkomen dat chemicalin bij elkaar komen die samen een ongewenste reactie kunnen veroorzaken. De afzuigventilatoren (met tweetoerenmotor) van de zuurkasten staan eveneens in de technische ruimte op het dak opgesteld. Ze worden s ochtends via het klokprogramma op laagtoeren ingeschakeld en kunnen met een pulsdrukker of tijdschakelaar op de zuurkast in hoogtoeren worden geschakeld. De toevoerlucht wordt hierop aangepast, om een regelmatig toevoerpatroon te kunnen handhaven. In ruimten waar de aanwezigheid van zuurkasten het ventilatievoud boven de eerder genoemde maximumwaarde kan uittillen, zijn suppletiezuurkasten toegepast. In laboratoria wordt een onderdruk gehandhaafd, zodat geurtjes binnenskamers blijven. Hiertoe wordt uit de ruimten 10 procent meer lucht afgezogen dan toegevoerd. De luchtverdeling blijft in balans door in de gang de ontbrekende hoeveelheid lucht toe te voeren. De afvoerlucht van de zuurkasten wordt vanwege het agressieve karakter ervan direct naar buiten afgevoerd.
13.3.5 Klimaatkamers De klimaatkamers voor ecologisch onderzoek zijn constructief gezien een ruimte in een ruimte. In de bestaande bouwkundige ruimte is een prefabruimte neergezet, compleet met basisverlichting, doorvoeringen, plafondluchtkoeler/verwarmer,

luchtontvochtiger en - bevochtiger en regeling. Voor de inblaas- en retourlucht zijn de kamers plaatselijk voorzien van een geperforeerde wand. Iedere klimaatruimte beschikt over een eigen luchtbehandelingsunit, zodat per kamer sterk afwijkende condities kunnen worden gecreerd door de benvloeding van de vochtigheid, temperatuur en verlichting ter plaatse. Een dag/ nachtcyclus is zo bijvoorbeeld uitstekend na te bootsen.
13.3.6 Verwarming De centrale cv-installatie is aangesloten op de warmtecentrale in het zogenaamde energiegebouw van het complex. Hier is ook een warmtewisselaar aangebracht, zodat een waterzijdige scheiding van het IBN-DLO-gebouw aanwezig is met de overige gebouwen op het complex. Voor de ruimteverwarming zijn radiatoren en convectoren aangebracht. De temperatuur wordt per radiatorgroep weersafhankelijk voorgeregeld. De gebruikers kunnen de temperatuur regelen met de thermostatische radiatorkranen. In het restaurant is daarnaast vloerverwarming toegepast en ter plaatse van de hoofdingang voorkomt een luchtgordijn inltratie van koude. Voor diverse ruimten zijn naverwarmers opgenomen. Voor eventueel later te plaatsen naverwarmers zijn in de toevoerkanalen demontabele secties opgenomen. 13.3.7 Koeling Uit oogpunt van het milieu is gekozen voor een ammoniakkoelinstallatie, die op het dak staat opgesteld. De koelinstallatie produceert een geluidsniveau 50 dB(A) op 10 m. Alleen de eerder genoemde ruimten met een hoge interne warmtelast, zoals de laboratoria, maken gebruik van de ammoniakkoelinstallatie. Voor de klimaatkamers zijn twee luchtgekoelde koelmachines genstalleerd met een waterglycolmengsel als koudedrager. Met deze koelinstallatie kunnen per kamer sterk verschillende, vaak extreme condities worden gerealiseerd. De capaciteit van de installatie bedraagt 35 kW, waarvan iedere koelmachine de helft voor zijn rekening neemt. Dit biedt extra bedrijfszekerheid. Het niet kunnen handhaven van gewenste condities in klimaatkamers kan immers grote nancile gevolgen hebben.

13 BIJZONDERE CONCEPTEN

113

13.3.8 Sanitair Drinkwater wordt rechtstreeks van het waterleidingbedrijf betrokken. Naast dit circuit is er nog een bedrijfs- en grijswatercircuit. Bedrijfswater wordt gebruikt in de laboratoria. Het wordt betrokken uit het koudtapwaternet, echter met tussenplaatsing van een onderbrekingsinstallatie. Deze bestaat uit een onderbrekingstank en een drukverhogingsinstallatie. Vervuild laboratoriumwater kan zo nooit in het drinkwater terechtkomen. Het grijswater wordt gebruikt voor toiletspoelingen. Hiervoor wordt hemelwater opgevangen van de daken en opgeslagen in een reservoir met een capaciteit van ongeveer 13 m3. Speciale lters lteren het water voordat dit in het reservoir terechtkomt. Vervolgens pompt een drukverhogingsinstallatie dit naar de diverse afnamepunten. Ook de planten in de binnentuin worden vanuit dit reservoir voorzien van water, via een ingewikkeld systeem van leidingen en goten. Overigens zorgen de waterverdampende planten voor extra verkoeling van de binnentuinen. Voor specieke toepassingen in de laboratoria is er verder nog een demi-installatie genstalleerd, die superschoon water levert. 13.3.9 Gebruikerservaring Het komen en gaan van mensen over de galerijen draagt bij aan de levendigheid van de binnentuinen. Dat er daardoor inbreuk gemaakt wordt op de privacy van de werkkamers, wordt door de leiding op prijs gesteld, omdat het bijdraagt aan openheid en voorkomt dat onderzoekers zich terugtrekken in een ivoren toren. Gebruikers laten zoveel mogelijk zowel de gangdeur als de schuifdeuren naar de galerij openstaan. Het lijkt een beetje alsof men buiten werkt. De geluiden uit aangrenzende werkkamers zijn hoorbaar, maar zelden hinderlijk.

Tijdens het gebruik zijn er enkele aanpassingen gemaakt. Om te voorkomen dat het inregent bij een plotseling opkomende bui, wordt er gebruikgemaakt van het waarschuwingssysteem van een meteostation, zodat de dakopeningen tijdig dicht gaan. Vraag is nog wat de onderhoudskosten van het gebouw zijn, onder andere vanwege het vele glas dat regelmatig moet worden gereinigd.
13.3.10 Mens- en milieuvriendelijk Bij het ontwerp van het IBN-DLO-gebouw is uitgegaan van een installatiearm concept. Installaties zijn alleen gerealiseerd waar dit echt noodzakelijk was. Deze zijn voldoende ruim bemeten. Zowel leidingen, luchtkanalen als luchtbehandelingkasten zijn afgestemd op een optimaal beheer, voornamelijk met het oog op energiegebruik en onderhoud. Het eindresultaat voldoet aan de wens om een mens- en milieuvriendelijk gebouw neer te zetten en is daarmee volledig in overeenstemming met de activiteiten waarop de gebruiker zich richt.

De gebouwbeheerder is vanaf het begin bij het ontwerp betrokken geweest en streeft ernaar het gebouw te gebruiken overeenkomstig de uitgangspunten van mens- en milieuvriendelijk bouwen. Dat vraagt de nodige opvoeding van mensen. De verlichting wordt niet centraal aanen uitgeschakeld, met als gevolg dat er s avonds op verschillende kamers licht brandt, tenzij de beheerder een forse wandeling maakt.

114

Gasinstallaties
A. den Hoedt, W. Prinse

14

Onder gasinstallaties worden niet alleen gasleidingen verstaan. Ook voor de opstelling van gasverbruikstoestellen, de toevoer van de benodigde verbrandingslucht en de afvoer van de verbrandingsgassen worden uitdrukkelijk voorschriften gesteld die ook voor bouwkundigen van belang zijn, vooral vanwege de kierdichtheid van de huidige woningen en de installatie van mechanische ventilatiesystemen.

116

Inleiding
Sinds 1968 wordt in heel Nederland en ook in onder meer Belgi, Noord-Frankrijk en Duitsland aardgas gedistribueerd van Groningse kwaliteit. De bronnen bevinden zich in de omgeving van de plaats Slochteren. De exploitatie van deze aardgasvelden berust bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), die het gas verkoopt aan het hiervoor in 1963 opgerichte gasdistributie- en verkooplichaam, de NV Nederlandse Gasunie. Het gas kwam oorspronkelijk onder een druk van circa 30.000 kPa (300 bar) uit de putten. Deze druk neemt af bij een toenemende gasafgifte. Zo was de druk in het gasveld in Slochteren in

1995 bij diverse bronnen gedaald tot circa 185 bar. Dit getal moet als een momentopname worden gezien en is afhankelijk van de locatie. Economisch zijn de putten momenteel te exploiteren tot circa 50 bar. Na het doorlopen van een gasbehandelingsinstallatie, waarin het gas wordt ontdaan van meegevoerd zand, water en hogere koolwaterstoffen in vloeibare vorm, komt het via een overslagstation onder een druk van circa 6500 kPa (65 bar) in het hoofdnet van de Gasunie. Dit hoofdnet loopt door heel Nederland, zoals schematisch op het kaartje van guur 14.1 is afgebeeld. Het beleid is er de laatste jaren op gericht de Groningse aardgasreserve zo lang mogelijk in

50 km

voedingsstation(s) compressor- en mengstation compressorstation mengstation installatie voor ondergrondse opslag exportstation installatie voor vloeibaar aardgas stikstofinstallatie

leiding - Groningen-gas leiding - hoogcalorisch gas leiding - laagcalorisch gas leiding - ontzwaveld gas leiding - stikstof

Figuur 14.1 Hoofdtransportnet Nederlandse Gasunie

14 GASINSTALLATIES

117

stand te houden, zodat in tijden van nood op deze reserve kan worden teruggevallen. Vandaar dat ook aardgas ingekocht wordt van kleinere gasvelden in Nederland en van gasvelden in het Nederlandse en het Noorse deel van het continentale plat in de Noordzee. Dit aardgas heeft een andere samenstelling dan het Groningse aardgas; deze samenstelling (een hoger methaangehalte) heeft invloed op de hoeveelheid warmte die bij verbranding van het gas vrijkomt (calorische waarde). De calorische waarde van het aardgas uit andere bronnen is meestal hoger dan die van het Groningse aardgas. Voor normaal gebruik wordt het gas dan ook gemengd. Ook wordt er hoogcalorisch aardgas direct geleverd aan een aantal grote industrien en elektriciteitscentrales, via het hoofdtransportnet hoogcalorisch gas, guur 14.1. Met het normale Groningen-gas worden via het hoofdnet van de Gasunie de regionale netten gevoed (druk 4000 kPa). Op deze regionale netten zijn de afnemers van de Gasunie aangesloten. Dit zijn behalve gemeentelijke en streekgasbedrijven ook industrien, en dergelijke, die zulke grote hoeveelheden gas afnemen, dat de Gasunie rechtstreeks aan deze verbruikers levert. Het is uiteraard noodzakelijk dat in het hoofdnet van de Gasunie steeds een voldoende hoge druk aanwezig is, om de regionale netten van gas te kunnen voorzien onder de genoemde druk van

4000 kPa. Door de enorme hoeveelheid gas die over dit hoofdnet moet worden getransporteerd, zou de druk te sterk dalen om dit zonder meer mogelijk te maken. Om de druk onderweg weer op te voeren, maakt de Gasunie gebruik van compressorstations; deze stations bevinden zich onder meer bij Ommen, Ravenstein, Oldeboorn, Wieringermeer en Beverwijk. Om aan de grote piekafname op winterdagen te kunnen voldoen, is in Zuid-Holland ten behoeve van de Randstad een piekgasinstallatie (LNGpeakshaving-installatie, guur 14.2) gebouwd, waarin het gas vloeibaar wordt opgeslagen.
Ontwikkeling gasafzet over een jaar Op een winterpiekdag wordt ongeveer vijfmaal zoveel aardgas afgenomen als op een dag in de zomer!

14.1 Plaatselijk gasdistributienet


De plaatselijke gasdistributiebedrijven ontvangen het gas uit het regionale net van de Gasunie via een inkoop- of gasontvangstation. De druk van het gas wordt hier verlaagd van 4000 kPa (40 bar) tot 800 kPa (8 bar) en van hieruit wordt het desbetreffende voorzieningsgebied gevoed, guur 14.3. Over het algemeen legt men deze distributienetten als ringleiding om het te verzorgen gebied aan, guur 14.3, met 8-bar- of 4-bar-deelnetten voor de industriegebieden en gebieden met tuinderijen; voor woonwijken komen ook 1-bar-deelnetten voor. Voor nieuwe deelnetten geeft men in het algemeen de voorkeur aan een zo hoog mogelijke druk, omdat hierdoor - met in achtneming van de gewenste leveringsdrukken bij de verbruikers - een groter drukverlies kan worden toegelaten. Dit houdt in dat dan voor het transport van grote hoeveelheden gas naar verhouding kleine leidingdiameters kunnen worden toegepast. Als materiaal voor deze hogedrukleidingen wordt tegenwoordig staal en modulair gietijzer toegepast.

Figuur 14.2 LNG-peakshaving-installatie


Bron: N.V. Nederlandse Gasunie

118

gasbehandelingsinstallatie ca. 67 bar overslagstation c.a. 300 bar hoofdnet Gasunie NAM 67 bar c.a. 200 putten 67/40 67/40

8 bar

tuinders 100 mbar

fabriek

regionaal net Gasunie

40/8 40/8

industrie 100 mbar industrie

40/8 8 bar 100 of 30 mbar compressorinstallatie

plaatselijke gasvoorziening

fabriek

1, 4 of 8 bar regionaal net Gasunie fabriek 40/8 4 of 8 bar 67/40

meet en regelstation Gasunie


67/40 overslagstation van 67 naar 40 bar met odorisatie 40/8 gasontvangststation van 40 naar 8 bar afleveringsstation grootverbruiker

8 bar 100 of 30 mbar plaatselijke gasvoorziening 1, 4 of 8 bar

100 mbar tuinders compressorinstallatie

meet- en regelstation (plaatselijk) gasbedrijf


hoofdverdeelstation district station afleveringsstation grootverbruiker

Figuur 14.3 Schema gasdistributie

De deelnetten in de woonwijken worden dus op de hogedrukringleiding aangesloten. Voor oude wijken met een oud leidingenbestand worden nog 30-mbar-deelnetten toegepast, in de nieuwere wijken komen 100-mbar-deelnetten te liggen, guur 14.3. De deelnetten in de woonwijken worden meestal op meerdere districtstations aangesloten en sterk vermaasd, zodat bij plaatselijke belemmeringen de gasvoorziening zo goed mogelijk veilig kan worden gesteld. Doordat bij een jn vermaasd net het gas van verschillende kanten kan toestromen treedt er een gelijkmatiger druk op.

Behalve in het 30-mbar-deelnet, guur 14.4-1, zijn er bij de aansluitingen van de verbruikers drukregelaars nodig, guur 14.4-2. Toegepast in een 100-mbar-deelnet hoeven deze drukregelaars niet te worden beveiligd. In deelnetten met een hogere druk voor industrien en tuinderijen moet dat wel gebeuren om te voorkomen dat er bij eventueel niet goed functioneren een gevaarlijke situatie ontstaat. Deze drukregelaars moeten in een goed door buitenlucht geventileerde ruimte worden opgesteld.

14 GASINSTALLATIES

119

1 meterbeugel zonder huisdrukregelaar voor woonhuisaansluiting op 30 mbar-net


Bron: Gastec N.V., Apeldoorn

2 buigbare isolerende aansluiting met huisdrukregelaar (Anaconda B.V. Amsterdam) op 100 mbar-net
Bron: Anamet Europe b.v., Amsterdam

Figuur 14.4 Woonhuisaansluiting

14.2 Gasinstallatie
De hoofdgasleiding ligt vorstvrij op een diepte van circa 1 m onder het trottoir of de straat. Voor elk gebouw of elke woning wordt van de hoofdleiding een gastoevoerleiding of dienstleiding afgetakt. Via de dienstleiding komt het gas via een gasmeter, die meestal in het gebouw staat opgesteld, in de gasbinnenleiding. In de gasmeter vindt de meting plaats die is bedoeld voor de afrekening met de gasverbruiker. Onder de gasinstallatie wordt het hele gedeelte na de gasmeter verstaan. Door middel van een hoofdkraan, die zich voor de meter bevindt, kan de hele installatie worden afgesloten. De gasinstallatie is dus het geheel van binnenleidingen, aansluitleidingen, gasverbruikstoestellen en ook de afvoerleidingen voor de verbrandingsgassen van deze verbruikstoestellen, tot en met de afvoerkap op het dak. De installatieaanleg vereist een grondige kennis en mag daarom alleen worden uitgevoerd door

erkende installateurs en gediplomeerde monteurs (Secretariaat Erkenningen bij EnergieNed, Arnhem). Voor gasverbruikstoestellen gelden uitvoerige keuringseisen, die tot 1996 zijn vastgesteld door de Koninklijke Vereniging van Gasfabrikanten in Nederland (KVGN). Sinds een aantal jaar is daar het CE-keurmerk bijgekomen, waarmee wordt aangegeven dat het toestel voldoet aan de in Europa geldende keuringseisen. De gasverbruikstoestellen mogen dan ook alleen worden geplaatst als zij zijn voorzien van het CE- respectievelijk Giveg-goedkeuringsmerk.

14.3 Eigenschappen aardgas


Aardgas is niet giftig, maar bij onbedoeld uitstromen van aardgas kan er brand of een explosie ontstaan. Dit gebeurt uiteraard alleen door bijmenging met lucht in een bepaalde verhouding, binnen de zogenaamde explosiegrenzen. Aardgas is reukloos en om het eventuele uitstromen te kunnen constateren, wordt het aardgas geodo-

120

Gassamenstelling in volumeprocenten Kooldioxide of koolzuur (CO2) Zware koolwaterstoffen (CnHm) Koolmonoxide (CO) Waterstof (H2) Methaan (CH4) Stikstof (N2)

Gronings aardgas 1 4 81 14

Propaan 100

Eigenschappen
Wobbe-index W =

Hs y

in MJ/m30

43,7

80,4

Calorische bovenwaarde Hs in MJ/m30 Calorische onderwaarde Hi in MJ/m30 Relatieve dichtheid gas ( lucht = 1) in kg/m3 Luchtbehoefte in m3/MJ bovenwaarde Volume rookgassen in m3/MJ bovenwaarde Dichtheid rookgassen bij n = 1 Maximale verbrandingssnelheid in cm/s Explosiegrens in volumeprocenten Theoretische vlamtemperatuur met lucht in C met dissociatie Theoretische vlamtemperatuur met O2 in C met dissociatie Dauwpunt in C bij n = 1 n=2 n=3 Ontstekingstemperatuur in C n = toegevoerde lucht / theoretische luchtbehoefte
Figuur 14.5 Enkele gegevens Gronings aardgas en propaan

35,1 31,7 0,645 0,243 0,27 0,96 40 4,7 16,6 1860 2720 57,9 44,9 37,3 670

101,2 98 1,5 0,246 0,262 1,01 45 2 11 1925 2870 56 42 34,9 460

riseerd. Dit odoriseren gebeurt in de regionale gasstations door middel van tetrahydrothiofeen (THT). In de verbrandingsgassen kunnen echter wel schadelijke stoffen voorkomen, zoals het zeer giftige koolmonoxide (CO). Dit ontstaat vooral als er te weinig lucht voor de verbranding wordt toegevoerd. In guur 14.5 zijn diverse gegevens van het Groningse aardgas en (ter vergelijking) van propaangas verzameld.
14.3.1 Calorische verbrandingswaarde Voor het begrip calorische verbrandingswaarde worden in folders en brochures nogal eens verschillende omschrijvingen gehanteerd.

Onderscheiden worden: calorische onderwaarde; calorische bovenwaarde. Calorische onderwaarde De calorische onderwaarde (Hi) geeft de warmtehoeveelheid aan die vrijkomt bij volledige verbranding met 1 m3 gas, zonder dat er rekening wordt gehouden met de warmte die vrijkomt wanneer de bij deze verbranding gevormde waterdamp condenseert. Deze onderwaarde bedraagt voor Slochteren-gas 31,7 MJ per m30. 1 m30 is een standaard kubieke meter: 1 m3 droog gas bij een temperatuur van 0 C en een absolute druk van 1013 mbar.

14 GASINSTALLATIES

121

Calorische bovenwaarde De calorische bovenwaarde (Hs) geeft de warmtehoeveelheid aan die vrijkomt bij de verbranding met 1 m3 gas, waarbij de warmte door condensatie van de in de verbrandingsgassen aanwezige waterdamp wordt meegerekend. Deze bovenwaarde bedraagt voor Slochteren-gas 35,1 MJ per m30. Omdat er bij hoogrendementen cv-ketels die zijn voorzien van een economizer condensatie van waterdamp optreedt, zijn rendementvergelijkingen alleen met dezelfde standaard als uitgangspunt mogelijk. Het verschil in rendement is circa 10 procent. Momenteel wordt in de Nederlandse keuringseisen de bovenwaarde als standaard gehanteerd.

ingericht voor het gebruik van geodoriseerde gassen volgens bijlage B van NEN 1059 uit de tweede en derde familie volgens NEN-EN 437. In Nederland zullen dat zijn het laag-Wobbig aardgas en de essengassoorten butaan en propaan. Hierbij moet worden opgemerkt dat NEN 2920 hierdoor niet vervalt. Deze norm bevat behalve eisen die aan de gasleidinginstallatie worden gesteld ook aanvullende eisen voor onder andere woonschepen en caravans. In die gevallen is er sprake van niet-gebouwgebonden installaties, die niet vallen onder het toepassingsgebied van de onderhavige norm. Voor de dagelijkse praktijk is er een praktijkrichtlijn in delen (werkbladen) opgesteld door de normcommissie Gasinstallatie-eisen, NPR 3378. Hierin zijn de meest voorkomende installaties beschreven. Alleen voor afwijkende gevallen en geheel nieuwe typen constructies is men aangewezen op de prestatie-eisen/bepalingsmethoden. De delen van NPR 3378 bestrijken het hele installatiegebied: gasleiding, opstelplaatsen voor toestellen en rookafvoer. Dat wil zeggen, aan de werkbladen liggen ook andere documenten dan NEN 1078 ten grondslag. Het is belangrijk te vermelden dat alle tot nu toe opgestelde eisen worden opgenomen in het Bouwbesluit (technische eisen). Figuur 14.6 en 14.7 geven de belangrijkste documenten die gebruikt worden bij het toepassen van gas in de diverse installatieonderdelen. Figuur 14.6 geeft de huidige situatie weer en guur 14.7 de toekomstige situatie.
14.4.3 Normen De normen in guur 14.8 bevatten bepalingen waarnaar wordt verwezen. Op het ogenblik van publicatie van de onderhavige norm waren de vermelde drukken van kracht. Normen kunnen echter worden herzien; partijen die overeenkomsten sluiten op basis van deze normen wordt daarom aanbevolen na te gaan of het mogelijk is de meest recente druk van de normen in guur 14.8 toe te passen.

14.4 Voorschriften gasinstallaties


14.4.1 Bouwbesluit Het Bouwbesluit omvat de technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande gebouwen. Hiernaast blijft ook de gemeentelijke bouwverordening noodzakelijk, omdat deze vooral de administratieve en bijkomende zaken regelt. Verder wordt in het Bouwbesluit 1992 verwezen naar het Model aansluitvoorwaarden gas, waarin onder meer de uitvoering van de gasinstallatie is geregeld.

Door het invoeren van de energieprestatienormering (EPN) wordt de gasinstallatie ook eerder in het bouwtraject betrokken, omdat een optimaal energiegebruik direct afhangt van de plaats en opstelling van de toestellen. De bedoeling van de EPN is niet om ontwerpregels te stellen, maar om met de huidige regels goede installaties te ontwerpen en deze op energiegebruik te toetsen aan NEN 5128 en NEN 2916.
14.4.2 NEN 1078 NEN 1078 noemt de eisen die worden gesteld aan het ontwerp, de aanleg en de beproeving van gasleidinginstallaties van gebouwgebonden systemen in een niet-industrile omgeving met een nominale werkdruk tot 0,01 MPa (100 mbar), vanaf de gasmeter tot aan de afnamepunt(en). De norm is bedoeld om te worden toegepast voor gasleidingwerk dat is

122

Onderdeel

Eis

Bepalingsmethode

Uitvoeringsmogelijkheden

Gasleidingen

Opstellingsruimten Stookruimten Verbrandingsluchttoevoer en rookafvoer Opstellen van toestellen Installatievoorschrift fabrikant


Figuur 14.6 Huidige situatie december 2003

NEN 1078/NEN 2920 (specifiek) NEN-EN 1775 (algemeen) Bouwbesluit Bouwbesluit, NEN 3028 Bouwbesluit

NEN 1078/NEN 2920 (specifiek) NPR 3378 NEN-EN 1775 (algemeen) Deels NEN 2757 NPR 3378 Bouwbesluit, NEN 3028 NEN 2757 NPR 3378 Installatievoorschrift fabrikant

Onderdeel

Eis

Bepalingsmethode

Uitvoeringsmogelijkheden NPR 3378 in delen1 (werkbladen) NPR 3378 in delen1 (werkbladen) NPR 3378 in delen1 (werkbladen) Installatievoorschrift fabrikant

Gasleidingen

Bouwbesluit NEN-EN 1775 (algemeen) NEN 2920 (specifiek) Opstellingsruimten en Bouwbesluit stookruimten NEN 2920 (specifiek) Bouwbesluit Verbrandingsluchttoevoer en rookafvoer NEN 2920 (specifiek) Opstellen van toestellen Installatievoorschrift fabrikant

NEN 1078 NEN-EN 1775 (algemeen) NEN 2920 (specifiek) NEN 3028 NEN 2920 (specifiek) NEN 2757 NEN 2920 (specifiek) Installatievoorschrift fabrikant

ten dele compleet

Figuur 14.7 Toekomstige situatie

Norm NEN 1059:2003 NEN 2078:2001 NEN 2757:2001 NEN 2920:1997

Naam/bijzonderheden Gasvoorzieningssystemen Gasdrukregelstations voor transport en distributie Eisen voor industrile gasinstallaties Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen Bepalingsmethoden Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties en vergelijkbare installaties in midden- en kleinbedrijf van handel, horeca en nijverheid bedreven met handelsbutaan, handelspropaan en butaan/propaan (B/P)-mengels Eisen voor verbrandingsinstallaties Leidraad bij NEN 1078 Proefgas Proefdrukken Toestelcategorien Gasvoorziening Gasleidingen in gebouwen Maximale werkdruk tot en met 5 bar Functionele aanbevelingen (Staatsblad 1992, 124)

NEN 3028:2004 NPR 3378 NEN-EN 437:2003 NEN-EN 1775:1998

Besluit Gastoestellen Bouwbesluit NEN 1078 vervangt NEN 1078, 1987 GAVO en NEN 2920, 1997 gedeeltelijk Nederlandse norm ICS.91.140.40
Figuur 14.8 Normen

14 GASINSTALLATIES

123

Begrip Aansluitkranen

Omschrijving

Afsluitorgaan dat is aangebracht op een aansluitpunt en dat het mogelijk maakt een toestel op de gasinstallatieleiding aan te sluiten of daarvan los te nemen en de gastoevoer naar het toestel af te sluiten zonder dat de hoofdkraan hoeft te worden gesloten Aansluitleiding Gasleiding met inbegrip van een aansluitkraan die de gasinstallatieleiding verbindt met een gastoestel Aansluitpunt Plaats in de gasinstallatieleiding die is bestemd, of wordt gebruikt, voor het aanbrengen van een aansluitkraan Afleveringspunt Uitlaatzijde van een drukregelaar ten behoeve van vloeibaar gas, of de uitlaatzijde van de (hoofd)gasmeter ten behoeve van aardgas Belasting Energietoevoer per eenheid van tijd, in de vorm van stookgas aan een gastoestel, of het energietransport door een leiding; gebaseerd op de calorische onderwaarde Belasting, nominale Belasting waarvoor een toestel volgens opgave van de fabrikant is bestemd Beproevingsdruk Druk in de installatie tijdens de sterkte- en/of dichtheidsbeproeving Druk Statische overdruk ten opzichte van de atmosferische druk Gasdichtheid Mate waarin een constructie ondoordringbaar is voor stookgas bij de voor de constructie bedoelde gasdruk Gasdruk Statische overdruk van het stookgas ten opzichte van de atmosferische druk Gasdruk, nominale Zie werkdruk, nominale en verbruiksdruk, nominale Gasinstallatieleiding Gasleiding in een perceel die begint achter het einde van de uitlaat van het afleveringspunt en die eindigt in een of meer aansluitpunten; ze omvat het samenstel van pijpen, hulpstukken en bevestigingsmiddelen en eventuele appendages. De leiding kan onderen bovengronds en in en tussen gebouwen zijn gelegen. (Voorheen werd de naam binnenleiding gebruikt.) Gasleidinginstallatie Geheel van gasinstallatieleiding en aansluitleiding(en) Gasmeter Door de gasleverancier geplaatste meter volgens aanwijzingen waarvan het gasverbruik wordt afgelezen Gelijktijdigheidsfactor Vermenigvuldigingsfactor voor de nominale of de ingestelde belasting van de aan te sluiten toestellen om de ongelijktijdigheid in het gebruik van de toestellen in rekening te brengen Gelijktijdigheidsbelas- Belasting van een gasinstallatieleiding of een sectie daarvan, na vermenigvuldiging van de ting nominale belasting of de ingestelde belasting met de gelijktijdigheidsfactor Hoofdkraan Afsluitorgaan dat in stromingsrichting van het gas gezien onmiddellijk voor de gasmeter, of voor een eventuele drukregelaar is aangebracht en hoort bij de aansluiting voor de gaslevering Leidingwerk Zie gasleidinginstallatie Perceel Roerend of onroerend goed, gedeelte of samenstel daarvan, waarvoor een aansluiting tot stand is gekomen of zal komen, of levering van stookgas geschiedt of zal geschieden. Let op: deze gastechnische definitie van het perceel is een andere dan die volgens het Bouwbesluit Stookgas Gassoort die als brandstof aan het verbruikstoestel wordt toegevoerd Stookruimte Opstelplaats specifiek ten dienste van het opgestelde toestel of de opgestelde toestellen en voorzien van specifieke voorzieningen voor het veilig functioneren. De ruimte is uitsluitend bedoeld voor het opstellen van verbrandingstoestellen als ketels, luchtverwarmers en/of warmt/krachteenheden met een gezamenlijke nominale belasting gelijk aan of groter dan 130 kW (bw). Deze toestellen horen tot de centrale verwarmingsinstallatie van een gebouw of een groep gebouwen en zijn eventueel gecombineerd met een centrale warmwatervoorziening en/of een bedrijfsmatige warmtelevering

124

Begrip Toestelkraan Ventilatie Verbruiksdruk Verbruiksdruk, nominale Werkdruk Werkdruk, nominale

Omschrijving Handafsluiter of automatische afsluiter die hoort tot het gastoestel waarmee de gastoevoer wordt afgesloten of geopend Luchtverversing door toevoer van verse lucht en afvoer van gebruikte lucht Druk van het stookgas ter plaatse van de ingang van een appendage of gastoestel bij gasafname Gestandaardiseerde verbruiksdruk van het stookgas; voor aardgas is die druk 25 hPa of 100 hPa (25 mbar of 100 mbar), voor butaan en propaan 30 hPa of 50 hPa (30 mbar of 50 mbar) Druk van het stookgas aan het begin van de gasinstallatie bij maximale belasting Gestandaardiseerde werkdruk van het stookgas; voor aardgas is die druk 25 hPa of 100 hPa (25 mbar of 100 mbar), voor butaan en propaan 30 hPa of 50 hPa (30 mbar of 50 mbar)

Figuur 14.9 Enkele begripsomschrijvingen (NEN 1078)

14.4.4 Installatievoorschriften Technische voorschriften ten aanzien van gasinstallaties zijn vastgelegd in NEN 1078. Voor gebruik naast NEN 1078 is NPR 3378 verschenen. NPR 3378 geeft een aantal richtlijnen hoe NEN 1078 kan worden toegepast, zodat interpretatieverschillen worden voorkomen. Deze richtlijnen hebben niet de status van het voorschrift. Voor bestaande installaties zijn door de Koninklijke Vereniging van Gasfabrikanten in Nederland richtlijnen opgesteld. Deze Richtlijnen bestaande gasinstallaties zijn bedoeld voor gasbedrijven ter bevordering van een eenduidige toepassing van NEN 1078 op bestaande gasinstallaties. In omstandigheden waarbij er sprake is van een ingrijpende wijziging wordt de hele installatie als nieuw beschouwd en moet deze dan ook onverkort voldoen aan de laatste uitgave. Niet-technische voorschriften omtrent de gaslevering zijn bijeengebracht in de Aansluitvoorwaarden van het desbetreffende gasbedrijf. Om ook hierin landelijk een eenheid te verkrijgen, is er een Model aansluitvoorwaarden gas opgesteld. Het elektrotechnische gedeelte van gasinstallaties moet worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 1010. NEN 1078 geeft diverse begripsomschrijvingen omtrent gasinstallaties. In guur 14.9 zijn enkele van de belangrijkste begrippen verzameld.

14.4.5 CE-markering Alle gastoestellen die in Nederland werden aangesloten op het gasnet moesten zijn voorzien van het Giveg-merk. In de Giveg-keuringseisen waren diverse zaken gewaarborgd, zoals veiligheid, rendement en goede werking. Zo was er in elk EU-land een systeem van eisen opgesteld. Omdat een toestel dat hier veilig kan werken ook in een ander land goed kan functioneren, is er een Richtlijn Gastoestellen opgesteld. Alle EU-landen hebben de richtlijn in hun eigen wetgeving opgenomen. Dit betekent dat alle nationale keurmerken, handelsbelemmeringen en het Giveg-merk moeten vervallen. Per 1 januari 1996 werd de CE-markering vereist. Binnen de Europese Unie zijn door de regeringen van bijna alle landen keuringsinstellingen aangewezen die toestellen keuren en certiceren. In Nederland is dat GASTEC NV in Apeldoorn, waar ook de Giveg-keuringen werden uitgevoerd. De overheid van het desbetreffende land moet erop toezien dat de aangewezen instellingen hun werk goed doen. Voor Nederland is dit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De Keuringsdienst van Waren gaat na of de verkochte toestellen aan de gestelde eisen (EN-normen) voldoen. Het merkteken van overeenstemming is het symbool van guur 14.10, met daarbij de twee laatste cijfers van het jaartal waarin het merkteken is aangebracht.

Figuur 14.10 CE-keurmerk

14 GASINSTALLATIES

125

14.5 Gebouwaansluiting
14.5.1 Geveldoorvoeringen Omdat in de gasleidingen in de grond lekkages kunnen optreden, moet er de grootste zorg worden besteed aan het gasdicht afwerken van geveldoorvoeringen. Dit geldt niet alleen voor de doorvoering van gasleidingen, maar ook voor de doorvoering van water- en rioleringsleidingen en diverse soorten kabels. Het aantal doorvoeringen moet daarom zoveel mogelijk worden beperkt. In gebouwen zoals atgebouwen wordt er dan ook een hoofdleiding door de fundering gevoerd, waarna deze zich in de onderbouw vertakt voor de diverse woningaansluitingen.

kunststof of staal dat in- en uitwendig tegen corrosie is beschermd. 3 Verbindingen in leidingen in mantelbuizen moeten zijn gelast of gesoldeerd. 4 Bij mantelbuizen van staal moet metallisch contact tussen leiding en mantelbuis worden voorkomen door het aanbrengen van een of meer centreerringen van kunststof. Bij voorkeur moet men voor geveldoorvoeringen mantelbuizen instorten of vol en zat inmetselen. Mantelbuizen moeten van brandveilig en tegen corrosie bestand of beschermd materiaal zijn, guur 14.11. Zowel aan de binnen- als buitenzijde van de gevel moet de mantelbuis 50 mm uitsteken. De dienstleiding moet goed in de mantelbuis zijn gecentreerd, zodat de spleet tussen leiding en mantelbuis rondom gelijk is. Aan beide einden wordt de spleet over ten minste 100 mm volledig gevuld met een niet-corrosieve en plastisch blijvende afdichtingsmassa.

Doorvoeringen moeten aan de volgende eisen voldoen: 1 Gasinstallatieleidingen die dwars door muren of vloeren zijn gevoerd, moeten zijn beschermd door mantelbuizen. 2 Mantelbuizen moeten zijn vervaardigd van
buiten
densoleen W kneedbare pasta bitumen 50 min.

binnen
50 min.

corrosiewerende bekleding rubbermanchet klemband mantelbuis van corrosievast materiaal 5 10

met centreerringen
buiten
50 min.

binnen
50 min.

100 150

elastische rubberring mantelbuis van corrosievast materiaal

bout metalen ring

met vulmassa

Figuur 14.11 Bovengrondse geveldoorvoeringen (NPR 3378-8)

+ 20 min.

126

Geveldoorvoeringen moeten behalve aan de algemene eisen ook voldoen aan de hieronder vermelde regels: 1 Geveldoorvoeringen (niet alleen van gasleidingen) moeten gescheiden en duurzaam gasbelemmerend zijn uitgevoerd. 2 Niet in gebruik zijnde ondergrondse geveldoorvoeringen en sparingen (ook van andere dan gasleidingen) moeten zijn afgesloten. 3 Geveldoorvoeringen moeten waterdicht zijn uitgevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de druk van het eventuele grondwater. 4 Geveldoorvoeringen moeten dragend zijn uitgevoerd. 5 Van een bovengrondse geveldoorvoering moet het bovengrondse deel van de leiding zijn ondersteund en zo nodig extra zijn beschermd tegen mechanische beschadigingen en de directe inwerking van dag- en zonlicht.
buiten
50 min.

6 Geveldoorvoerconstructie moet zowel bij de onder- als bovengrondse doorvoering de leiding blijvend (elektrisch) isoleren van de geleidende elementen, zoals de betonbewapening, in de bouwconstructie. Leidingen in een grondkerende wand van een stookruimte moeten via een buiten de stookruimte gelegen geventileerde invoerput worden ingevoerd, guur 14.12. 7 Onder- en bovengrondse deel van stalen leidingen moet galvanisch van elkaar zijn gescheiden door isolatiestukken of geboniteerde isolatieenzen. Deze scheiding moet bovengronds zijn aangebracht op een hoogte van ten hoogste 0,5 m boven het maaiveld, of bij de binnenkomst in een gebouw. Zij mogen in elke gewenste stand zijn ingebouwd, guur 14.13.

binnen
50 min. rubbermanchet

klemband kunststofcentreerring mantelbuis van corrosievast materiaal vloer

naar riool (indien grind, dan vervalt de rioolaansluiting)

Figuur 14.12 Invoerput

gebouw

buiten
wand isolatiekoppeling

isolatiekoppeling

staal korte leiding

kunststof of staal

staal

Figuur 14.13 Scheiding tussen onder- en bovengronds deel stalen leidingen

14 GASINSTALLATIES

127

Verlengde mantelbuizen Als de meterkast niet direct tegen de gevel is gesitueerd en de kruipruimte niet geventileerd wordt of moeilijk bereikbaar is, moet de dienstleiding geheel tot onder de meterkast worden gevoerd door een gasdichte mantelbuis. Deze mantelbuizen sluiten dan aan op een onder de meterkast aan te brengen put, zie ook paragraaf 14.5.2. Ook als de begane-grondvloer direct op het zand ligt, moet een dergelijke put met mantelbuizen voor de doorvoer van de diverse leidingen en kabels worden aangebracht.
14.5.2 Meterkast De grootte, de soort en de wijze van opstelling van de gasmeters worden uitsluitend bepaald door of vanwege de directie van het desbetreffende gasbedrijf. Afhankelijk van de capaciteit van de meter(s) en het doel waarvoor deze wordt gebruikt, worden aan de opstelling van de meter(s) eisen gesteld. De plaats van de gasmeter wordt in overleg met de architect vastgesteld. Over het algemeen moeten deze meterruimten voldoen aan een aantal eisen. Zo moet het inwendige worden geventileerd en voldoende ruim zijn voor plaatsing en reparatie van de apparatuur. De meters moeten goed aeesbaar zijn en de plaats waar het geheel is opgesteld moet goed en veilig functioneren van de opgestelde apparatuur waarborgen. De onderlinge afstand van geveldoorvoeringen moet ten minste 100 mm zijn, waarbij de invoer van de gasleidingen steeds de bovenste moet zijn. Ook mogen de invoeren, vanwege de bereikbaarheid, niet loodrecht boven elkaar liggen.

de onder te brengen apparatuur. Is minder apparatuur noodzakelijk, dan blijft de indeling gehandhaafd. Wat de plaats van opstelling betreft: de kast mag niet rechtstreeks toegankelijk

De deur van de meterkast moet ten minste 90 kunnen worden geopend met een vrije deuropening van 700 2000 mm. Ten behoeve van de noodzakelijke ventilatie moet aan zowel de boven- als onderzijde van de deur een spleetvormige opening van elk ten minste 0,01 m2 worden aangebracht. De achterwand moet in zijn geheel van hout of multiplex zijn, met een dikte van ten minste 18 mm. Is dit schotwerk tegen een buitenmuur gemonteerd, dan moet daartussen een luchtspouw van ten minste 15 mm zijn. Voor meterkasten in woningen geldt dat de indeling moet voldoen aan guur 14.14, ongeacht

Figuur 14.14 Meterkast ten behoeve van elektrische, gasen waterapparatuur

128

zijn vanuit een tijdelijk vochtige ruimte (badkamer of toilet), vanuit een ruimte met open vuur, of vanuit een woon- of slaapkamer. Bij voorkeur bevindt de gasmeter zich niet verder dan 3 m van de voordeur, zodat de gasmeteropnemer deze gemakkelijk kan bereiken en niet door andere ruimten heen moet, wat storend kan zijn. De kast moet zich op dezelfde woonlaag bevinden als de hoofdtoegang van de woning. Bij atwoningen moeten de meterkasten van de verschillende etages loodrecht boven elkaar liggen. Dienstleidingen moeten door de vloer in de meterkast worden ingevoerd. De leidingen mogen alleen in daarvoor bestemde zones worden doorgevoerd en moeten zijn voorzien van geschikte mantelbuizen die ten minste 50 mm boven de afgewerkte vloer uitsteken. De vloer van de meterkast en de leidingdoorvoeringen moeten gasbelemmerend en waterdicht zijn uitgevoerd. Leidinginvoerputten Bij een breuk of lekkage in de gasleiding buiten de gevel ontstaat via de leidinginvoeringen in een woning een verhoogde kans op explosiegevaar. Daarom wordt het in veel gevallen noodzakelijk geacht dat in woningen waarvan de meterkast zich op de begane grond bevindt, hieronder een leidinginvoerput wordt aangebracht. In NPR
2,5 + 50 min.

3378-8 is aangegeven waaraan deze put moet voldoen qua minimale inwendige afmetingen en functies, guur 14.15. Alleen op bepaalde plaatsen mogen sparingen worden aangebracht. Er is veel vrijheid gegeven in de te kiezen materialen en constructie. Om een vrij kostbare bouwkundige put te voorkomen, kan er een prefab-invoerput worden toegepast. Zo zijn er invoerputten in de handel van gewapend polyester met diverse invoermogelijkheden voor de diverse dienstleidingen. Deze vrij lichte putten kunnen in een sparing in de begane-grondvloer worden gehangen. Door een aantal nutsbedrijven is een richtlijn opgesteld voor een gecombineerde meterkast in eengezinswoningen (deel 6A, guur 2.44). Het uitgangspunt voor deze richtlijn is in NEN 2768 beschreven. Veel nutsbedrijven hebben deze richtlijn in voorraad. Gezien de vele mogelijkheden is tijdig contact met het betrokken nutsbedrijf noodzakelijk om latere problemen te voorkomen. Ook het feit of een invoerput wordt vereist kan plaatselijk verschillend worden beoordeeld. Dit kan, zoals in paragraaf 14.5.1 is besproken, afhangen van het al of niet aanwezig zijn van een goed toegankelijke kruipruimte. Ook de grondgesteldheid onder de kruipruimte kan een rol spelen. De kruipruimte wordt als toegan-

buiten

ventilatierooster 500

800

50 min.

50 min. + 20 min.

50

vloer

binnen

corrosiewerende bekleding rubbermanchet klemband kunststofcentreerring

4 + 50 min.

betonput

mantelbuis van corrosievast materiaal

Figuur 14.15 Leidinginvoerput

14 GASINSTALLATIES

129

kelijk beschouwd als de vrije hoogte ten minste 700 mm is en de afmetingen van het kruipluik ten minste 800 500 mm zijn.

14.6 Binnen- en aansluitleidingen


14.6.1 Materialen en verbindingen Van de gasmeter worden leidingen gelegd naar de aansluitpunten van de diverse verbruikstoestellen, guur 14.16.

den aangebracht, zodat het toestel kan worden verwijderd, onder meer in geval van reparatie, terwijl de binnenleiding onder gasdruk blijft. De koppeling mag alleen met gereedschap kunnen worden losgenomen. Voor de bediening van het gasverbruikstoestel moeten de toestelkranen worden gebruikt. De wand moet ter plaatse van het aansluitpunt voldoende stevig zijn, omdat de gasleiding ook hier moet worden gebeugeld. Bij een koperen leiding wordt bij voorkeur een muurplaat gemonteerd.
14.6.3 Leidingaanleg (NPR 3378-5/6) Zoals al eerder is vermeld, moet de gasmeter zo dicht mogelijk bij de hoofdingang van de woning worden geplaatst. In atgebouwen wordt meestal in iedere woning een gasmeter geplaatst. De opgaande toevoer- of dienstleiding met aftakkingen voor elke woning wordt door het gasbedrijf aangebracht.

Voor deze binnenleidingen komen de volgende soorten pijpen in aanmerking: stalen draadpijpen volgens NEN 3257 met Giveg-garantiemerk, niet kleiner dan G3/8; naadloze of gelaste stalen pijpen volgens NEN-EN 10220; koperen pijpen volgens NEN-EN 1057. Het onderling verbinden van de pijpen en het maken van aftakkingen kan op verschillende manieren gebeuren. Bekende verbindingstechnieken zijn: solderen (alleen koperen pijpen); tten met schroefdraad (Engels to t = monteren) voor stalen pijpen met wanddikte die ten minste gelijk is aan die van stalen draadpijp kwaliteit middel; ensverbindingen; lasverbindingen; klemverbindingen; knelverbindingen. Stalen pijpen worden dikwijls met ttingen van smeedbaar gietijzer verbonden door middel van schroefdraad. Voor de grotere diameters stalen pijp worden meestal lasverbindingen toegepast (boven 210).
14.6.2 Aansluitingen gasverbruikstoestellen Het aansluiten van gasverbruikstoestellen op de binnenleiding kan met diverse materialen plaatsvinden. In NEN 1078 is een aantal constructies aangegeven. De verschillende toestellen moeten worden aangesloten zoals staat aangegeven in guur 14.17. Voor ieder verbruikstoestel moet er in de gasleiding een kraan met koppeling wor-

Bij het bepalen van de leidingloop moet men met het volgende rekening houden: leidingwerk moet vanaf het begin van de gasinstallatieleiding zijn gelegd binnen het perceel of perceelgedeelte waarvoor de gasleidinginstallatie is bestemd en van daaruit bereikbaar zijn; ter voorkoming van ongewenste gaslekkage moet het leidingwerk technisch gasdicht zijn; leidingwerk in het zicht mag geen obstakel vormen voor menselijk verkeer en zelf geen kans op beschadiging lopen door menselijk verkeer; in ruimten met leidingwerk voor stookgas zwaarder dan lucht moet zijn voorkomen dat het gas bij een eventuele lekkage op de grond blijft hangen of via openingen, waaronder een rioolaansluiting, naar lager gelegen ruimten stroomt; in agressieve ruimten waarin extra kans bestaat op aantasting van de leidingen, moet de aanleg worden vermeden. Is aanleg toch noodzakelijk, dan moeten de leidingen op een doelmatige manier worden beschermd of zijn vervaardigd van materiaal dat tegen die aantasting bestand is; aanleg van gasleidingen in schoorstenen, afvoerkanalen, brandstofbunkers, liftkokers en spouwen is verboden; gasleidingen mogen worden weggewerkt in betonnen en gemetselde muren, in vloeren van steenachtig materiaal en ook in het binnenblad

130

bergkast

slaapkamer 1

bijkeuken

keuken badkamer bg
1 3 4

"
G
toilet meterkast
3 4

"

"

hal

woonkamer

kruipruimte

begane grond

balkon

bergkast

slaapkamer 2

badkamer 1e

"

CV - ruimte overloop

CV

bergkast

kantoor

3
Figuur 14.16 Schema gasleidingen in woning

verdieping

Soort toestel Vaste aansluiting (toestel op een plaats) Buigbare aansluitleidingen vlgs. KE 1 1 met metalen gaskraan vlgs. KE 69 Buigzame verbin- Buigzame dingen vlgs. KE insteekverbindin34 1 met rubbe- gen vlgs. KE 36 ren slang vlgs. KE 53 (NEN 3277) en metalen gaskraan vlgs. KE 69 Buigzame metalen aansluitleiding van gegolfd RVS met kunststofbekleding en met insteekverbinding 4 vlgs. KE 176 1 Draadversterkte rubberen slang vlgs. KE 190 1 en gasstopcontact of snelkoppeling vlgs. KE 189 1 Flexibele aansluiting (voor verplaatsbaar toestel)

Soort aansluiting

Figuur 14.17 Aansluiting verbruikstoestellen volgens NPR 3378-11


2

Starre aansluiting met metalen gaskraan vlgs. KE 69 met: stalen draadbuis: NEN 3257, KE 15; naadloze of gelaste stalen buis: NEN-EN 10220; stalen precisiebuis: KE 64; koperen buis KE 5 (zacht of halfhard)

Klemmende slang en metalen gaskraan vlgs. KE 69 met slang vlgs. KE 47 2 (rubberen slang zonder inlagen) en slangtuit of slangpuntstuk vlgs. KE 44 (aardgas) of vlgs. KE 48 (propaan en butaan)

Fornuis 14 kW X T X V V X X X V V X V V

uitsluitend aardgas T = bij voorkeur toepassen bruikbaar voor aardgas tot 50 mbar V = toegestaan 3 uitsluitend butaan en propaan X = niet toegestaan 4 bij een metalen slang aan een verplaatsbaar toestel moet de slang tegen blijvende vervorming, door b.v. uitrekking, zijn geborgd volgens voorschriften van de fabrikant V V V V V V V X X V V X

X X X X X

Fornuis > 14 kW Losse oven, komfoor Inbouwoven, inbouwkomfoor

V X T

T T

Vast opgesteld toestel, cv-toestel, luchtverwarmer Wasmachine, droger, stralingstoestel (niet in veebedrijf) Kachel Verplaatsbaar toestel in de open lucht V X X T V X

V X

T V X

T V X

T V X

X T3 X

14 GASINSTALLATIES

Laboratoriumbrander

131

132

van een spouwmuur. Het materiaal van de bouwkundige constructie en het materiaal dat wordt gebruikt om een gefreesde sleuf op te vullen mag de leiding niet aantasten. Bij in- en uittrede moet de leiding zijn beschermd. De afstand van de bovenzijde van de leiding tot de afgewerkte laag van de vloer moet ten minste 35 mm zijn om beschadigingen door bevestigingsmiddelen zoals schroeven en spijkers te beperken; in het geval van weggewerkte leidingen in beton of andere uithardende materialen moet er rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitzetten en krimpen van de leidingen; bij voorkeur moet de gasleiding niet door waterdicht werk (zoals vloeren en aanrechten) worden gevoerd, waar schrobwater kan worden verwacht. Als een dergelijke doorvoering onvermijdelijk is, moet de leiding worden beschermd door een aan beide zijden ten minste 50 mm uitstekende corrosievaste mantelbuis, of de leiding moet op een doelmatige manier tegen aantasting zijn beschermd. Tussen mantelbuis en gasleiding moet ten minste 5 mm ruimte worden gelaten (ringvormige spleet), die met een waterbestendige massa wordt gedicht; als gasleidingen uit het zicht worden aangebracht, zoals in leidingkokers of boven verlaagde plafonds, moet de leiding blijvend bereikbaar zijn; gasleidingen moeten ten minste 20 mm vrij liggen van elektrische leidingen, behalve bij kruising van elektrische leidingen die zijn voorzien van een niet-geleidende omhulling; horizontaal lopende gasleidingen moeten ten minste 50 mm boven de vloer zijn aangebracht en mogen niet loodrecht onder een koudwaterleiding worden aangebracht (condens!); montage van gasleidingen moet gebeuren door middel van afstandsbeugels, zadels of rozetten die stevig en duurzaam zijn bevestigd, guur 14.18. De afstand tussen de bevestigingen mag ten hoogste zestigmaal de buitenmiddellijn van de leiding bedragen, met een maximum van 600 mm. Gasleidingen mogen niet zodanig zijn gelegd, dat vloerdelen of gasverbruikstoestellen erop kunnen rusten; nabij afsluiters, bochten en beweegbare koppelingen moet de leiding al dan niet schuivend worden ondersteund. Leidingen mogen geen metallisch contact maken met andere leidingen en kabels in verband met galvanische corrosie;

Figuur 14.18 Leidingbeugels en zadels

gasleidingen mogen geen toestel dragen of steunen, tenzij het toestel speciaal is geconstrueerd voor bevestiging aan een leiding, zoals stralingsverwarmingstoestellen; leidingen onder begane-grondvloeren mogen uitsluitend in mantelbuizen worden gelegd, tenzij de ruimte nergens minder dan 0,70 m hoog is, blijvend toegankelijk is, geen obstakels bevat en blijvend droog is door een waterdichte bodemafsluiting. Hierbij moet de ventilatie van deze kruipruimte over ten minste twee buitenwanden via roosters plaatsvinden; in niet-bereikbare ruimten, kanalen of kokers mogen binnenleidingen uitsluitend worden gelegd in een mantelbuis. Deze mantelbuis moet van kunststof zijn. De binnenmiddellijn moet ten minste 10 mm groter zijn dan de buitendiameter van de aan te leggen binnenleiding. De mantelbuis moet ten minste 20 mm uit de muur steken en aan beide zijden open zijn; gedeelten van gasbinnenleidingen die in en buiten niet voor bewoning bestemde gebouwen zijn aangebracht moeten volgens NEN 3050 zijn gemerkt met een okergele kleur.
Ligging in grond (NPR 3378-7) De ligging van de binnenleiding in de grond en de daarin aangebrachte appendages moeten duidelijk zijn vastgelegd: in de onmiddellijke nabijheid van een straatpot moet een aanwijsplaat zijn aangebracht volgens NEN 1184; als er boven de gasleiding een gesloten weg-

14 GASINSTALLATIES

133

dek is aangebracht, moeten er maatregelen zijn getroffen om te verhinderen dat bij lekkage het gas in de belendende gebouwen doordringt; in de onmiddellijke omgeving van de binnenleiding mogen geen bomen of andere diepwortelende gewassen zijn; stalen buizen moeten in de grond zijn beschermd met een bekleding op polyetheen- of (asfalt)bitumenbasis. Zij moeten ook, behalve bij de invoering in een gebouw, op een afstand van ten minste 1,00 m van het gebouw liggen; koperen buizen en hulpstukken moeten in agressieve grond zijn beschermd tegen uitwendige aantasting en spanningscorrosie; minimale vereiste gronddekking nominaal 0,80 m; extra voorzieningen moeten worden getroffen bij kruisingen van terreinwegen en -sporen, waar de leiding ten minste 1,00 m diep moet liggen; leidingen worden in een sleuf gelegd, die wordt aangevuld met zand. Dit zand, dat vrij moet zijn van stenen en andere harde stukken, moet de leiding geheel ten minste 0,20 m omhullen. Op circa 0,30 m boven de buis moet geel waarschuwingsband worden gelegd; ter plaatse van de invoering in een gebouw moet de gronddekking ten minste 0,40 m zijn; tussen andere leidingen en systemen moet een minimumafstand worden aangehouden, guur 14.19; tussen het in- en bovengrondse deel van een stalen binnenleiding moet, ter voorkoming van galvanische corrosie, een isolatiestuk zijn aangebracht. Dit moet bovengronds zijn aangebracht
Kruisingen of parallelloop met Elektriciteitskabels Riolen en leidingen met agressieve media Metalen leidingen Kunststofleidingen (niet zijnde riolen of leidingen met agressieve media) Sloten of andere open systemen

op maximaal 0,50 m boven het maaiveld of direct bij binnenkomst in een gebouw; kunststoeidingen in de grond zijn toegestaan, mits er geen zware trillingen en deformaties kunnen optreden. De oppervlakte van de toe te passen kunststoeiding mag niet met diepe krassen, deuken of op een andere manier zijn beschadigd. Nabij de invoering in een gebouw moet op ten minste 0,5 m voor de fundering over zijn gegaan op een stalen of koperen leiding. Als ter plaatse van de kruising(en) de voorgeschreven minimumafstand niet kan worden aangehouden, moeten maatregelen zijn genomen om onderling contact (als gevolg van inklinking of verzakking van de grond) en daardoor beschadiging van de bekleding of de leiding te voorkomen. Tevens moet bij een kruising met metalen geleiders een isolerende scheidingsplaat tussen de beide systemen zijn aangebracht. Een dergelijke scheidingsplaat moet zijn gemaakt van niet-wateropnemend PVC of PE.
14.6.4 lnstallatietekeningen Bij de aanleg van nieuwe installaties moet de installateur installatietekeningen bij het desbetreffende gasbedrijf indienen. Dit geldt eveneens bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een installatie als deze uitbreiding, wijziging of vernieuwing een sectiereeks langer dan 20 m omvat, of een aansluitwaarde van meer dan 70 kW bezit of als een gasgestookte cv-installatie wordt aangelegd. Naast algemene gegevens omtrent
Minimale onderlinge afstand in m 0,50 bij kruising: 0,50 bij parallelloop: 1,50 0,50 0,30 bij kruising : 0,50 bij parallelloop: 1,50 bij zinkers: 0,60 (minimumdekking) 0,50

Wijze van kruisen geen voorkeur voorkeur voor bovenlangs voorkeur voor bovenlangs voorkeur voor bovenlangs geen voorkeur

Andere ondergrondse constructies met uitzondering van gebouwen

geen voorkeur

Figuur 14.19 Minimumafstanden tussen ondergrondse binnenleidingen en andere systemen

134

de aanvrager en/of verbruiker, de installateur en het adres en de bestemming van het betreffende perceel moet deze installatietekening omvatten: plattegronden diverse verdiepingen en ligging en bestemming gebouwen en omliggende terreinen; trac afvoersystemen en plaats ventilatieopeningen; uitmonding afvoersystemen ten opzichte van dak en omgeving; plaats gasmeter, zoals die door gasbedrijf is vastgesteld;
d CV 34 kW

ligging met middellijn van binnen- en afvoerleidingen, alsmede materiaal waaruit deze bestaan; van elk - ook later te verwachten - verbruikstoestel plaats, soort en nominale belasting; plaats kranen, afsluiters, drukregelaars, beveiligingen, enzovoort; beginpunt binnenleiding, waarbij elke aftakking en elk aansluitpunt met kleine letter wordt aangegeven, guur 14.16; lengte, middellijn en aansluitwaarde in kW van elke leidingsectie.

W 34 kW

f e F

W 13 kW
14 kW

G a

CV = centrale-verwarmingsketel W = warmwatertoestel F = fornuis (kooktoestel) G = gasmeter

leidingschema
Toestel Aansluitpunt Nominale belasting kW Gelijktijdigheidsfactor f en gelijktijdigheidsbelasting van de secties in kW ab f kW
34 13 10 34 0,8 0,8 0,8 0,8 28 11 8 28 75 47 34 23 13

CV W F W

d f e g

bc f kW
0,8 0,8 0,8 28 11 8

cd f kW
1 34

ce f kW
1 1 13 10

ef f kW
1 13

bg f kW

34 34

belastingstaat

Figuur 14.20 Leidingschema met belastingsstaat

14 GASINSTALLATIES

135

Behalve in de plattegronden, guur 14.16, moet een en ander ook in een leidingschema in scheve projectie worden getekend, guur 14.20-1. Ten slotte moet worden vermeld wanneer er met de werkzaamheden wordt begonnen. Bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een installatie moet op de installatietekening duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de bestaande installatie en het nieuwe gedeelte. Als een installatietekening geen duidelijk inzicht geeft in belangrijke of gecompliceerde installatiegedeelten, kan het gasbedrijf hiervan detailtekeningen
plattegrond verklaring gasleiding in het zicht gasleiding niet in het zicht (bv. onder de vloer) gasleiding verlopend op andere middellijn koppeling mantelbuis naar boven gaande leiding van beneden komende leiding van beneden komende doorgaande leiding naar beneden gaande leiding van boven komende leiding van boven komende doorgaande leiding afvoerleiding voor verbrandingsgassen naar boven gaande afvoerleiding scheve projectie

verlangen. Voor het maken van installatietekeningen en de bijbehorende leidingschemas wordt er gebruikgemaakt van de in guur 14.21 aangegeven symbolen. In de plattegronden is de installatie volgens de voorgeschreven symbolen getekend, guur 14.23. Het leidingschema, guur 14.24, is een eenvoudige guur. Alleen de lengten van de leidingsecties worden aangegeven. Aan het einde van de leiding, dus op de aansluitpunten, worden de verbruikstoestellen met de voorgeschreven symbolen aangegeven. Bij het maken van de
plattegrond verklaring van beneden komende afvoerleiding van beneden komende doorgaande afvoerleiding
G G

scheve projectie

gasmeter plugkraan of afsluiter klep (soort bijschrijven bv. drukregelaar) waterzak klemmende slang buigzame verbinding verbruikstoestel, tussen haakjes toe te voegen de nominale belasting in kW (alleen in cijfers en de aard van het toestel, bij algemeen gebruikelijke toestellen aldus afgekort: K (komfoor), F (fornuis), W (warmwatertoestel), Kk (koelkast), Kl (kachel), Ov (oven), Cv (centrale verwarmingsketel) verbruikstoestel met afvoer

Figuur 14.21 Symbolen voor installatietekeningen

Gasverbruikstoestel Gasfornuis Keukengeiser Badgeiser CV-ketel Gaskachel

Aansluithoogte 1000 mm boven de vloer of 200 mm boven het aanrecht en 50 mm terzijde van het aanrechtblad 200 mm boven en 150 mm naast het hart van de wateraansluiting (deze bevindt zich 1300 mm boven de vloer) 700 mm boven de vloer 150 mm boven de vloer 150 mm boven de vloer als de gasleiding uit de muur komt of 50 mm uit de wand als de leiding uit de vloer komt

Figuur 14.22 Aansluithoogten gasverbruikstoestellen

136

slaapkamer 3 woonkamer

slaapkamer 1

A
w.k.

slaapkamer 2

keuken badkamer

fornuis
F b
1/ " 2 3/ " 4

10 kW wc

3/ " 4

hal
a

3/ " 4

begane grond

eerste verdieping

A
zolder berging
CV

(20,5 kW) mechanische ventilatie

A tweede verdieping

Figuur 14.23 Plattegronden eengezinswoning met gasleidingen

14 GASINSTALLATIES

137

dubbelwandige rookgasdakdoorvoer mechanische ventilatie

CV

gasleiding 3/4 "

3/ " 4

3/ " 4

d
1/ " 2

F
1/ " 2

b
3/ " 4

3/ " 4

doorsnede A A

schema binnenleiding gas

Figuur 14.24 Doorsnede eengezinswoning met leidingschema

scheve projectie wordt er gebruikgemaakt van de uit de plattegronden en doorsneden bekende gegevens. De hoogten van de aansluitpunten van de verbruikstoestellen zijn meestal niet in de tekeningen aangegeven. Figuur 14.22 geeft van de meest voorkomende toestellen de gebruikelijke aansluithoogten.
14.6.5 Dimensionering binnenleidingen Om de doorsnede van binnenleidingen te kunnen berekenen, moet bekend zijn hoeveel gas de aangesloten toestellen verbruiken. Dit verbruik wordt niet opgegeven in m3, maar als de nominale belasting van het gasverbruikstoestel uitgedrukt in kW. De nominale belasting is gewoonlijk door de fabrikant op het toestel of anders in de bijbehorende documentatie vermeld. Voor huishoudelijke toestellen kan men voor gemiddelde waarden uitgaan van de gegevens die vermeld staan in guur 14.25.

absoluut nodig is, maar ook niet te klein, opdat voldoende verbruiksdruk aanwezig is voor de in werking zijnde toestellen. Afhankelijk van de grootte van de gasinstallatie en de leveringsdruk kunnen hiervoor volgens NPR 3378 de volgende drie methoden worden gebruikt: 1 graekmethode; 2 samengestelde methode; 3 formulemethode. In de aangegeven volgorde klimmen de methoden op in nauwkeurigheid en worden ingewikkelder. Voor alle berekeningsmethoden geldt dat in bepaalde gevallen, zoals al eerder vermeld, op de aansluitwaarde een reductie kan worden toegepast. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer meerdere toestellen op een leiding zijn aangesloten of bij meerdere branders in een toestel, die vrijwel nooit allemaal tegelijk in werking zijn zoals bij gasfornuizen.

Het berekenen van een binnenleiding houdt in dat de diameters van de leidingen worden bepaald en wel zo dat zij niet groter zijn dan

138

Verbruikstoestel Komfoor per kookbrander Bak- en braadoven Fornuis Waskomfoor Badgeiser Keukengeiser Kachel voor vertrek met inhoud van V m3
1

Nominale belasting in kW 3 4 14 1 6 34 13 0,15 V

In afwijking hiervan mag men, omdat de branders zelden gelijktijdig op volle belasting worden gebruikt, voor de berekening de belasting stellen op 10 kW
Figuur 14.25 Nominale belastingen verbruikstoestellen

Gasverbruikstoestellen Gasfornuizen Verwarmingstoestellen geisers en boilers Woningen Voor een leidingsectie die twee of minder gasverbruikstoestellen voedt Voor een leidingsectie die drie of meer gasverbruikstoestellen voedt

Gelijktijdigheidsfactor 0,7 1,0

1,0 0,8 (doch ten minste gelijk aan de maximale belasting van de voorgaande sectie)

Figuur 14.26 Gelijktijdigheidsfactoren bij gasverbruikstoestellen en woningen

De gelijktijdigheidfactoren moeten zo goed mogelijk worden gekozen. Bij gasinstallaties in bedrijven is overleg met de gebruiker van deze installatie gewenst. Bij gasinstallaties in woningen geven de richtlijnen van guur 14.26 in het algemeen een goede benadering. Het toegestane drukverlies voor binnenleidingen met een leveringsdruk van ten hoogste 30 mbar bedraagt in het algemeen maximaal 1,7 mbar. Dit drukverlies mag optreden bij de overeenkomstig de gelijktijdigheidfactoren vastgestelde belasting, zijnde het drukverschil tussen de leveringsdruk en de druk bij elk aansluitpunt. Berekening volgens graekmethode Figuur 14.27 laat een berekeningsvoorbeeld zien van een binnenleiding met een leveringsdruk van ten hoogste 30 mbar, uitgewerkt volgens de graekmethode. Men bepaalt voor elke leidingsectie de belasting, waarbij rekening wordt gehouden met de

belastingsfactoren. Vervolgens wordt voor de langste sectiereeks het toelaatbare drukverlies per meter lengte bepaald, door het zogenaamde toelaatbare drukverschil 1,7 mbar te delen door de lengte van de langste sectiereeks in meters. Met de vastgelegde belasting en het toelaatbare drukverval kan met behulp van guur 14.27-2 de middellijn van de pijp worden bepaald.
14.6.6 Gereedmelding en beproeving Ten minste drie volle werkdagen voor het gereedkomen van een installatie moet de installateur het gasbedrijf hiervan in kennis stellen door middel van een gereedmeldingskaart. Als de gasleidingen gereed zijn moeten ze, voor ze in gebruik genomen worden, eerst op dichtheid worden onderzocht. Een binnenleiding moet in afgedopte toestand dicht zijn. De binnenleiding wordt als dicht beschouwd als na een drukstoot van 100 kPa (1 bar) bij een beproevingsdruk van 10 kPa (100 mbar) boven de werkdruk vijf minuten lang geen zichtbare

14 GASINSTALLATIES
F (14 kW)

139

4,5 a 3,5 10 b (10 kW) e 1,25 CV (40 kW) c d


W

leidingschema
1,00 0,90 0,80 0,70 0,60 0,50 0,40

(12 ,5)

0,20

drukverval in mbar/m

1 1/

4"

0,05 0,04 0,03

0,02

6 7 8 9 10

20

30

40

50 60 70 80 100

1 1/

0,06

2" ( 41 ,8)

(35

0,10 0,09 0,08 0,07

31

,8

(26

,6)

,9)

1" (27 ,2)

12 (

15 (

22 (

28 (

3 /8"

1 /2"

3 /4"

25 ,6)

10 )

13 )

(16 )

20 )

0,30

(21 ,6)

200

belasting in kW stalen draadpijp volgens NEN 3257, middel koperen pijp volgens NEN 2200: voor stalen precisiepijp en kunststofpijp kan worden genterpoleerd achter de nominale middellijn is tussen haakjes de inwendige middellijn vermeld

verband tussen drukverval en belasting voor pijpen en binnenleidingen

Figuur 14.27 Berekeningsvoorbeeld volgens graekmethode

drukdaling optreedt. Deze beproeving moet gebeuren met lucht of stikstof. De beproeving van de binnenleiding vindt meestal plaats zonder dat er toestellen zijn aangesloten. Deze controle vindt dus plaats direct nadat de leiding is aangebracht. Zijn er toestellen aangesloten, dan kan deze controle in principe niet meer plaatsvinden, omdat de drukstoot de toestellen kan beschadigen. Tijdens de meting moeten alle aansluitkranen zijn geopend en alle toestelkranen gesloten. De beproeving moet plaatsvinden nadat de gasinstallatie met gas met de normale werkdruk is gevuld.

14.7 Gasverbruikstoestellen en afvoer verbrandingsgassen


In het algemeen moeten gasverbruikstoestellen worden aangesloten op een deugdelijk(e) afvoerkanaal of -leiding. Het afvoerkanaal voor de verbrandingsgassen maakt bouwkundig deel uit van het gebouw. Een gasverbruikstoestel kan hierop direct of met behulp van een korte afvoerleiding worden aangesloten. De afvoerleiding maakt geen deel uit van het gebouw, maar is een onderdeel van de gasinstallatie. Bij het ontbreken van een bouwkundig afvoerkanaal kan de afvoer-

140

Gasverbruikstoestel Kooktoestellen, waskomforen, ovens en koelkasten voor huishoudelijk gebruik Geisers met een nominale belasting van ten hoogste 13 kW, mits geplaatst in een keuken, bijkeuken of bergruimte en voorzien van een atmosfeerbeveiliging die zich bevindt op een hoogte van ten minste 1,20 m boven de vloer. Deze geisers mogen water leveren voor douchegebruik, maar het douchen of baden dient elders plaats te vinden. tussen de douche- of badruimte en de geiser mag geen directe verbinding bestaan; dit houdt in dat zij gescheiden zijn door ten minste twee deuren. Verbruikstoestellen opgesteld in sterk geventileerde bedrijfsruimten Verbruikstoestellen die bezwaarlijk op een afvoer kunnen worden aangesloten, zoals stralingstoestellen (mits geplaatst in niet voor bewoning bestemde ruimten), verplaatsbare handgereedschappen, vervangingsluchtverwarmers en hete luchtkanonnen
Figuur 14.28 Gasverbruikstoestellen zonder afvoerleiding

leiding ook naar buiten worden gevoerd, waarbij de uitmonding in de buitenlucht, veelal voorzien van een afvoerkap, plaatsvindt. Gezien het aantal gasongevallen in badruimten waarin gasverbruikstoestellen waren opgesteld, is bepaald dat er geen open gastoestellen met een vaste afvoerleiding mogen worden opgesteld in badruimten. (Plaatsing van open gastoestellen zonder vaste afvoer is vanzelfsprekend verboden.) Voor nieuwe installaties moet er dus elders een voorziening zijn aangebracht. Ook in een bij de woning horende garage is een toestel met afvoerleiding niet toegestaan. Gesloten gasverbruikstoestellen mogen soms, afhankelijk van de uitvoering, in voorgaande situaties worden geplaatst. Een aantal toestellen hoeft niet op een afvoerleiding te worden aangesloten, mits voldaan is aan de volgende punten: inhoud ruimte voldoende groot; opstellingsruimte voorzien van bepaalde ventilatieopeningen; er wordt rekening gehouden met aanwezige ventilatietoestellen (afzuiging). De bovengenoemde punten staan uitvoerig beschreven in NEN 1087. Rekening houdend met het voorgaande hoeft er geen afvoerleiding te worden aangebracht bij de in guur 14.28 genoemde toestellen. Toestellen die zijn voorzien van een uitlaatstomp moeten steeds op een afvoer voor verbrandingsgassen worden aangesloten.

14.7.1 lndeling toestellen afhankelijk van afvoer verbrandingsgassen Ten aanzien van toestellen waarvoor een afvoer van verbrandingsgassen noodzakelijk is, kunnen worden onderscheiden toestellen die werken op: natuurlijke trek; geforceerde trek (bijvoorbeeld ventilator).

Toestellen werkend op natuurlijke trek Deze toestellen zijn voorzien van een afvoerleiding bedoeld voor de thermische afvoer van de verbrandingsgassen. Zij moeten zijn voorzien van een valwindaeider, guur 14.29. Een valwindaeider heeft als doel te voorkomen dat de vlammen in het toestel doven bij windinslag in het afvoerkanaal. Via de valwindaeider wordt de stroming afgeleid naar de ruimte. Een trekonderbreker, guur 14.29, zorgt ervoor dat een

valwindafleider/ trekonderbreker

verbeterde Nelsonkap (met Giveg-keur)

Figuur 14.29 Valwindaeider/trekonderbreker

14 GASINSTALLATIES

141

Som nominale belastingen aangesloten toestellen

Minimumdoortocht bij cirkelvormige doorsnede 2 Middellijn Doortocht 125 mm 130 mm 150 mm 180 mm 200 mm 150 cm2 160 cm2 200 cm2 300 cm2 380 cm2

Maximumdoortocht bij cirkelvormige doorsnede 2 Middellijn Doortocht 180 mm 200 mm 240 mm 270 mm 300 mm 300 cm2 380 cm2 480 cm2 625 cm2 765 cm2

0 40 61 87 19
1 2

40 kW 61 kW 87 kW 119 kW 130 kW

schoorsteenverlies van het toestel meer dan 17% bij een gladde wand

Figuur 14.30 Doortocht afvoerkanalen NPR 3378-4211

te grote onderdruk in het afvoerkanaal zich niet voortplant in het toestel. Extra lucht wordt uit de ruimte via de trekonderbreker in het afvoerkanaal toegevoerd. Toestellen werkend op geforceerde trek Bij deze toestellen wordt vrijwel nooit een valwindaeider toegepast, omdat met een ventilator een constante stroom verbrandingsgassen wordt afgevoerd. Een en ander wordt aangegeven in het installatievoorschrift van het desbetreffende toestel. Bij toestellen met een schoorsteenverlies kleiner dan 17 procent is altijd condensvorming te verwachten. Daarom moeten bij de aansluiting op een (bouwkundig) afvoerkanaal maatregelen zijn getroffen, zoals het kanaal voorzien van een voering. Een voering moet mechanisch voldoende sterk en stabiel zijn, vooral ten aanzien van uitzetting en krimp door temperatuurwisselingen. Het hierin gevormde condenswater mag niet blijven staan, de voering aantasten, of naar buiten lekken via naden of verbindingen, maar moet naar het toestel terugstromen, of als het toestel hiervoor niet geschikt is (bijvoorbeeld kans op corrosie), op een andere manier buiten het toestel worden afgevoerd. Omdat er geen lekkage mag optreden, wordt er veelal een speciale pijp met een kunststofmanchet toegepast. Ten slotte moet de ruimte tussen voering en binnenzijde van het kanaal bij de uitmonding regendicht zijn afgesloten. De afvoerleiding op de riolering voor condenswater moet voorzien zijn van een opvangtrechter

en stankafsluiter en worden aangesloten op de binnenriolering overeenkomstig NEN 3287. Deze leiding moet van kunststof zijn met een binnendiameter van ten minste 25 mm.
14.7.2 Doortocht afvoerkanalen Afhankelijk van de branderbelasting is in guur 14.30 niet alleen aangegeven hoe groot de minimummaat is voor een afvoerkanaal, maar om slecht functioneren te voorkomen, ook de maximale maat. In voorkomende situaties kunnen op een eenvoudige manier problemen worden voorkomen. Met de tabel in guur 14.30 is veelal aan te geven op welke manier een verbetering kan worden bereikt.

14.8 Opstellingsruimten in woningen


Voor cv-ketels en warmwaterinstallaties moet in woningen een speciale opstellingsruimte aanwezig zijn. Om te voorkomen dat een verwarmingsen warmwaterinstallatie niet of nauwelijks in een opstellingsruimte is te plaatsen, moet in het ontwerpstadium bekend zijn welke ruimte hiervoor wordt gereserveerd. Als in het ontwerpstadium bekend is welk systeem en fabrikaat verwarming en warmwatervoorziening wordt toegepast, kan de benodigde ruimte voor de installatie worden bepaald aan de hand van de door de fabrikant verstrekte gegevens. Volgens NEN 3028 aangewezen in de Aansluitvoorwaarden gas van de energiedistribu-

142

tiebedrijven moeten de afmetingen van de opstellingsruimte zodanig zijn, dat aan de eisen van doelmatigheid ten aanzien van montage, bediening en onderhoud van de gasverbruikstoestellen kan worden voldaan. Er moet ruimte zijn voor zowel de verbrandingsgasafvoer, de luchttoevoer- en luchtafvoervoorzieningen voor ventilatie- en verbrandingslucht, als voor het aanbrengen van appendages, zoals expansievat en veiligheidsklep. De hoogte van de opstellingsruimte en de plaats van het afvoerkanaal moeten zodanig zijn, dat een afvoersysteem kan worden gemaakt waarin voldoende transport voor het afvoeren van de verbrandingsgassen is gewaarborgd. Bij cv-ketels moet wat betreft bediening en onderhoud worden gelet op de mogelijkheid van het uitnemen van het volledige gasgedeelte en het schoonmaken van de warmtewisselaar. Bij installaties met een haakse afvoerconstructie is dikwijls een grotere hoogte vereist, daar voor het overwinnen van de weerstand van de trekonderbreker in veel gevallen achter de trekonderbreker een verticale pijp van ten minste 0,50 m lengte wordt gemonteerd, guur 14.31-1. De uitvoering van de opstellingsruimte en de montage van de installatie moeten gebeuren volgens NEN 1078, NEN 3028 en het installatievoorschrift van de leverancier.
14.8.1 Afmetingen opstellingsruimten Hier wordt een overzicht gegeven van de minimaal benodigde afmetingen van opstellingsruimten voor de diverse systemen. Het betreft hier gastoestellen die zijn aangesloten op een afvoerkanaal respectievelijk afvoerleiding waarbij de lucht voor de verbranding langs natuurlijke weg naar de opstellingsruimte en het toestel wordt toegevoerd. Bij mechanisch geventileerde woningen moeten gesloten gastoestellen worden geplaatst die de verbrandingslucht rechtstreeks van buiten krijgen toegevoerd. Ook voor die toestellen is de voorgestelde ruimte veelal voldoende. Tevens moet op de leidingloop voor de luchttoevoer worden gelet. Bij deze laatste groep kan worden volstaan met een kleinere doorlaat van de verbrandingsgasafvoerleiding of kan een gecombineerd systeem worden toegepast.

Bij de opstelling van een HR-ketel of warmwatertoestel die/dat tevens is voorzien van een inlaatcombinatie moet ook een open aansluiting op het riool zijn gemaakt. Deze is nodig voor de afvoer van water uit de inlaatcombinatie en het gevormde condensaat uit toestel en afvoerleiding. In guur 14.31 en 14.32 zijn de volgende systemen getekend: gaswandketel met of zonder warmwatervoorziening, guur 14.31-1; gasboiler, guur 14.31-2; cv-ketel of luchtverwarmer, guur 14.31-3; cv-ketel met aangebouwde indirecte boiler, guur 14.31-4; cv-ketel met aparte indirecte boiler, guur 14.32-1; cv-ketel of luchtverwarmer en geiser naast elkaar, guur 14.32-2; cv-ketel of luchtverwarmer en gasboiler naast elkaar, guur 14.32-3. Van deze apparaten zijn de meest gangbare afmetingen gehanteerd, zodat in veruit de meeste gevallen een ruimte kan worden ontworpen waarin de installateur zonder problemen een installatie kan plaatsen. Bovendien blijft er voldoende ruimte over voor bediening en onderhoud. Bij de keuze van de toestellen is ervan uitgegaan dat er in het algemeen een cv-ketel wordt toegepast met een nominale belasting kleiner dan 30 kW (bovenwaarde). Verder heeft men aangenomen dat bij gebruik van een gasboiler deze een inhoud van maximaal 115 l heeft en dat de indirecte boiler een inhoud van 80 l heeft. In de tekeningen zijn de toestellen zo geplaatst, dat de bedieningszijde van het toestel is gericht naar de toegangszijde van de ruimte. De toegangszijde (al dan niet voorzien van een toegangsdeur) is aangegeven door een dunne lijn. Op deze manier is er ruimte beschikbaar voor montage en onderhoud. De hoogte van een opstellingsruimte moet ten minste 1,80 m zijn. Rond het toestel moet naar alle wanden een ruimte van 10 cm beschikbaar zijn (behalve aan de ophangzijde bij wandmontage). Aan de bedieningszijde van het toestel moet ten minste 1 m beschikbaar zijn voor

14 GASINSTALLATIES

143

staand model A A

hangend model

800

500

300

100 B

100

100 D

150 150 B

doorsnede A A

D 150 150

doorsnede A A

gaswandketel met of zonder warmwatervoorziening

gasboiler

A H

500

100 B

300

100 D

300

100 B

300

100 D

300

750

300

doorsnede A A

doorsnede A A

CV-ketel of luchtverwarmer

CV-ketel met aangebouwde indirecte boiler

Figuur 14.31 Minimumafmetingen opstellingsruimten I

onderhoud en bediening. Afhankelijk van de constructie van het toestel stelt de leverancier nadere eisen betreffende de afmetingen van de ruimte. Zo is niet ieder toestel geschikt om nabij of op de grond geplaatst te worden respectievelijk bij het plafond, of geheel tegen een zijmuur. Bij de gasboiler is boven de romp van het toestel

een ruimte van 800 en 750 mm aangehouden om de anode te kunnen verwijderen, afhankelijk van het feit of het een staand of een hangend model betreft. Bij de cv-ketel is achter en aan een zijde naast het toestel 300 mm ruimte aangehouden om achter het toestel werkzaamheden te kunnen verrichten. De hoogte van 1800 mm is nodig om een toestel met opgebouwde

144

600 B

100

100 D

300

600 B

100

100 D

300

doorsnede A A

CV-ketel met aparte indirecte boiler

doorsnede A A

CV-ketel of luchtverwarmer en geiser naast elkaar

Als in het ontwerpstadium nog niet bekend is welk systeem van verwarming en warmwatervoorziening wordt toegepast, is het aan te bevelen de grootste maten aan te houden, dus te rekenen met een installatie bestaande uit verwarmingstoestel en gasboiler naast elkaar, guur 14.32-3. Als de getoonde afmetingen niet beschikbaar zijn, vervalt de vrijheid van keuze en moet men nagaan welk toestel nog kan worden geplaatst. In dit geval echter worden dikwijls te grote concessies gedaan ten koste van een verantwoorde montage en de gelegenheid tot bediening en onderhoud. Hiervan zijn naderhand de monteurs en de gebruiker de dupe.

100

300 B

100 D

600

150

doorsnede A A

CV-ketel of luchtverwarmer en gasboiler naast elkaar

14.9 Luchttoevoer- en luchtafvoeropeningen


Voor de verbranding van het gas en de ventilatie van de ruimte waarin een gasverbruikstoestel staat opgesteld, is lucht nodig die van buiten moet worden aangevoerd. Dit mag behalve door een rooster respectievelijk een kanaal of koker, ook via een aangrenzende ruimte, mits daarin luchttoevoeropeningen zijn aangebracht, zodat

Figuur 14.32 Minimumafmetingen opstellingsruimten II

trekonderbreker te kunnen monteren, waardoor men vrij is in de keuze van het toestel. Figuur 14.32-3 (cv-ketel met gasboiler) is gebaseerd op een ruimte voorzien van een deur, waardoor 600 mm werkruimte voor de boiler beschikbaar moet zijn.

14 GASINSTALLATIES

145

luchtafvoer

luchtafvoer luchtafvoer
a1

a1

1,7 m

a1

luchttoevoer

1,7 m

t1

luchttoevoer

t1

t2

luchttoevoer

t1

2+

bijgeschakelde ruimte

invloed van luchtopeningen

Figuur 14.33 Ventilatie opstellingsruimte

in die ruimte de lucht rechtstreeks van buiten kan toestromen, guur 14.33-1. De ventilatieluchtafvoeropening moet hoog zijn aangebracht. Het hoogteverschil tussen de luchttoevoeropening en de uitlaat van een luchtafvoeropening moet altijd ten minste 1,70 m zijn, guur 14.332. Voor beide openingen geldt dat zij niet afsluitbaar mogen zijn. Als er in de woning een toestel voor mechanische ventilatie is aangebracht, mag het in werking stellen hiervan geen invloed hebben op het goed functioneren van de gasinstallatie. Soms moet men drukvereffeningsopeningen (luchttoevoeropeningen naar buiten) aanbrengen om een onderdruk in de opstellingsruimte te voorkomen. Speciaal moet men erop letten dat bij het in werking zijn van het ventilatietoestel geen terugstromen of stagneren in de afvoer van de verbrandingsgassen optreedt. Het combineren van een afvoerleiding van een ventilatietoestel met een verbrandingsgasafvoer, zodat overdruk in het systeem kan optreden, is uiteraard verboden. Ook is het niet toegestaan om de afvoerleiding van een open gasverbruikstoestel met ventilator te combineren met een op thermische trek werkend afvoersysteem. Wordt in een gebouw langs natuurlijke of mechanische weg lucht ingevoerd en langs mechanische weg lucht afgezogen, dan moeten de gasverbruikstoestellen met afvoerstomp, zonder eigen ventilator, worden aangesloten op het systeem van de mechanische luchtafvoer. Voor toestellen met een eigen ventilator geldt dit in

principe ook, maar voor toestelklasse C wordt een uitzondering gemaakt, daar deze eventueel met een afzonderlijk afvoersysteem mag functioneren. Het goed functioneren van het transportsysteem moet altijd worden bewaakt. Dit gebeurt veelal binnen het gasverbruikstoestel zelf of centraal voor het hele systeem. Als nominaal af te zuigen hoeveelheid lucht moet per kW branderbelasting ten minste 4 m3/h worden aangehouden. De minimuminhoud van een opstellingsruimte en de afmetingen van de vereiste luchttoevoeren luchtafvoeropeningen zijn onder meer afhankelijk van de nominale belasting van het toestel en de wijze van ventilatie van de ruimte. In guur 14.34 zijn de afmetingen van de luchttoevoer- en luchtafvoeropeningen gegeven. Voor de inhoud V mag het volume V1 en V 2 worden opgeteld, mits At2 een doortocht heeft van ten minste 1 m2, guur 14.33-1. Men moet zich aan het installatievoorschrift van de fabrikant houden.

14.10 Afvoerleidingen
Afvoerleidingen moeten in principe dezelfde diameter hebben als de uitlaatstomp van het toestel. Als de leiding een thermische trekhoogte heeft van meer dan 3 m, mag er een kleinere diameter worden toegepast. Onder bepaalde omstandigheden kan dit leiden tot een aanzienlijke diameterverkleining (circa 20 procent). Bij open gasverbruikstoestellen waarin een ventilator is toegepast, kan afhankelijk van de opvoerhoogte eveneens een kleinere diameter

146

Zonder mechanische ventilatie 1 Bij toestellen zonder uitlaatstomp (afvoerloos), zoals bepaalde typen keukengeisers, dient, mits de ruimteinhoud ten minste 10 m3 is, altijd een luchttoevoer- en luchtafvoeropening van ten minste 120 cm2 aanwezig te zijn. 2 Bij toestellen aangesloten op een afvoersysteem dient afhankelijk van de inhoud van de ruimte in m3 bij: minder dan 0,2 maal de nominale belasting (B) een luchttoevoeropening van 5 B (cm2) naar buiten te zijn aangebracht. Wordt via een aangrenzende ruimte geventileerd, dan moet de opening in deze tussenwand 10 B zijn. Afhankelijk van de uitvoering van de installatie dient een luchtafvoeropening van 5 B te worden aangebracht. groter dan 0,2 maal de nominale belasting (B) een luchttoevoeropening van 5 B (cm2) van buiten te zijn aangebracht. 3 Zijn zowel toestellen met en zonder uitlaatstomp opgesteld, dan dient de grootste vereiste opening te worden aangehouden. Met mechanische ventilatie 4 Is er ook een ventilatietoestel, dan is een extra luchttoevoeropening veelal noodzakelijk. In de toekomst zal daarom steeds vaker de voorkeur worden gegeven aan een gastoestel met gesloten verbrandingsruimte, omdat deze onafhankelijk van de omstandigheden in de woning kan functioneren. Bij woningen met een bewaakt mechanisch ventilatiesysteem, zoals energiezuinige woningen, kan de eis tot het aanbrengen van opzettelijke luchttoevoer- en/of luchtafvoeropeningen afhankelijk van de uitvoering komen te vervallen.
Figuur 14.34 Afmetingen luchttoevoer- en luchtafvoeropeningen

worden gekozen. Hiertoe is in de keuringseisen een klasse-indeling gemaakt. Voor toestellen die een tegendruk kunnen overwinnen van 0 tot 0,2 mbar geldt een klasse A, voor een tegendruk van 0,2 tot 0,5 mbar klasse B en voor meer dan 0,5 mbar klasse C. De diameter is afhankelijk van de klasse en de maximumlengte van het afvoersysteem. In guur 14.35 wordt een en ander aangegeven, zie ook NPR 3378-42. Omdat uitsluitend in het verticale deel thermische trek kan worden opgebouwd, mag het horizontale deel niet te lang zijn. Hiervoor is in NEN 2920 de eis gesteld dat de lengte van het afvoersysteem altijd kleiner moet zijn dan 1,5 maal de thermische hoogte, guur 14.36. Dit komt ook terug in NPR 3378-42 en NPR 3378-61. Bevindt de aansluiting zich aan de bovenzijde van het toestel, dan moet het eerste gedeelte boven de valwindaeider/trekonderbreker ten minste 0,50 m verticaal zijn, teneinde de afvoer van verbrandingsgassen te waarborgen. Bij een

t3 6

t1

+ + 6+
1 3

1,5 t1 + 5 1,5 7 + 8 1,5


2 4

t2

t2 t3

Figuur 14.36 Lengte/trekhoogteverhouding afvoerleidingen

horizontale uitlaatstomp waarop direct een bocht wordt gemonteerd, moet er ten minste een verticale lengte van 3 m worden aangehouden. Bevindt de uitmonding zich nabij de

14 GASINSTALLATIES

147

Nominale belasting aangesloten toestel 5

mmmmmUitmondingsgebied 6 mmNominale binnenmiddellijn in mm Klasse A Klasse B I II III1, 2 IV1, 2 I II Klasse C III1, 3 IV 1, 3 Weerstandslengte in m

boven tot en met

I II

0 2 kW 50 50 50 70 40 40 60 60 50 60 80 40 40 60 2 5 kW 70 60 70 90 50 60 70 5 11 kW 80 70 80 100 60 60 80 11 15 kW 90 80 90 110 70 70 90 15 22 kW 100 90 100 120 70 80 100 10 4 22 30 kW 30 40 kW 110 100 110 130 80 90 110 130 130 130 150 100 110 160 40 61 kW 150 150 150 180 110 130 150 61 87 kW 180 180 180 200 130 150 180 87 119 kW 200 180 200 220 150 180 200 119 130 kW 1 De luchttoevoer moet plaatsvinden vanuit hetzelfde drukgebied als waarin zich de uitmonding van de afvoerleiding bevindt. 2 Deze uitmonding is niet toegestaan in het kustgebied, figuur 14.42. 3 Als 13.3.2.1b of 13.4.3.1b Gavo van toepassing is, moet de minimale doortocht voldoen aan de maten die voor de eerstvolgende grotere belastingklasse zijn aangegeven. 4 Bij de bepaling van de weerstandlengte van een afvoerleiding geldt voor de pijp de werkelijke lengte en voor een bocht van 90 respectievelijk 45 de weerstandslengte van 1 m respectievelijk 0,5 m. Voor een haakse afvoeraansluiting geldt een weerstandlengte van 1,5 m. Als de aldus gevonden lengte meer is dan 10 m, moet de minimale doortocht voldoen aan de maten die voor de eerstvolgende grotere belastingklasse zijn aangegeven. 5 Bij een blokkenvuurtoestel (type H) moet worden gerekend met een denkbeeldige belasting gelijk aan driemaal de nominale belasting van het blokkenvuurtoestel. 6 Zie figuur 14.46.
Figuur 14.35 Minimale doortocht afvoerleidingen (NEN 2920 tabel 25)
Zie ook documentatie toestelfabrikant

nok van het dak en wordt de ketel op de zolder geplaatst, dan mag de afvoerleiding direct na de trekonderbreker van het toestel schuin weglopen onder een hoek van maximaal 45 met de verticaal.
14.10.1 Trac afvoerleidingen Ten aanzien van (verbrandingsgas)afvoerleidingen geldt het volgende: pijpen van een afvoerleiding moeten over voldoende lengte in elkaar zijn geschoven en wel zodanig dat beginnend bij het gasverbruikstoestel iedere pijp in de voorgaande wordt geschoven. Opgemerkt wordt dat dit bij oliegestookte toestellen juist andersom is; niet-verticale gedeelten van de afvoerleiding moeten met een afschot van ten minste 5 mm per m worden gelegd. Verder moeten in niet-

verticale gedeelten van de afvoerleiding de eventuele langsverbindingsnaden in de pijpen aan de bovenzijde liggen; aansluiting op afvoerkanaal (bouwkundig) moet zijn uitgevoerd met een nisbus volgens NEN 1778; als er afvoerleidingen door een wand, gevel, plafond, vloer of dakbeschot worden gevoerd, moeten er maatregelen zijn genomen voor warmte-isolatie en brandwerendheid; afvoerleidingen die langs wanden, muren of plafonds lopen, moeten bij enkelvoudige uitvoering ten minste 50 mm en bij dubbelwandige uitvoering ten minste 25 mm hiervan verwijderd zijn; bevestiging van de afvoerleiding moet met afstandbeugels of ten minste gelijkwaardig materiaal plaatsvinden. De onderlinge afstand van de

148

Materiaalsoort

Wanddikte in mm Tot 17% Vanaf 17% Schoorsteenverlies Tot 17% Vanaf 17% Tot 17% Vanaf 17%

In het zicht

Weggewerkt bereikbaar

Weggewerkt onbereikbaar

Voering in afvoerkanalen

OV x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

ON

OV

ON

Druk in de afvoerleiding OV ON OV ON OV ON OV ON

NEN 7203 NEN 7207 NEN 7204

0,7

Figuur 14.37 Afvoerleidingen (NEN 2920 tabel 8 en 23)

Aluminium pijpen en hulpstukken volgens NEN 7203 NEN 7207 buigbare pijp volgens NEN 7204 1 AL 99,5 (EN AW 1050) AL 99,5/ALMg23/ ALMgSiO, 5 (EN AW 6063)

1,5

Kunststofuitvoering met staal Corrosie- en weervast of doeltreffend beschermd 2 corrosievast AISI 316 3 corrosievast AISI 316 L corrosievast AISI 316 Ti x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

0,3

x x

0,3 0,1

Gaskeur 4

Gaskeur

x toegestaan niet toegestaan OV overdruk in de afvoerleiding ON onderdruk in de afvoerleiding (treedt alleen op als een toestel zonder ingebouwde ventilator op de afvoerleiding wordt afgesloten), waarbij uitmonding plaatsvindt in gebied I, figuur 14.43

Maximumlengte 1 m Volgens NEN-EN 10088-2 is: AlSI 316 L (Mo < 2,5%) vergelijkbaar met X 2CrNiMo 17 13 2 nr. 1.4429 AlSI 316 L (Mo 2,5%) vergelijkbaar met X 2CrNiMo 17 13 3 nr. 1.4439 AlSI 316 Ti vergelijkbaar met X 6CrNiMoTi 17 12 2 nr. 1.4471 Als er geen lasbewerkingen zijn toegestaan Uitsluitend in combinatie met daarvoor geschikte HR-toestellen

14 GASINSTALLATIES

149

beugels mag ten hoogste 2 m zijn. Nabij bochten, aftakkingen en roetzakpijpen moeten extra maatregelen zijn genomen.
14.10.2 Materiaal afvoerleidingen Als materiaal voor de afvoerleiding mogen er diverse materialen worden gebruikt, guur 14.37. Wel moeten er maatregelen zijn genomen als er extra corrosie of beschadiging is te verwachten. In de tabel van guur 14.37 maakt men onderscheid of de leidingen in het zicht blijven, bereikbaar worden weggewerkt dan wel onbereikbaar worden weggewerkt. Ook de kans dat condenswater kan worden gevormd bepaalt de keuze van het materiaal. Vandaar dat ook het schoorsteenverlies in de tabel is verwerkt.

Opmerking Voor toestellen zonder ventilator moet de leiding voor de luchttoevoer in de nabijheid (hetzelfde drukgebied) zijn aangebracht als de verbrandingsgasafvoer. Verder uit elkaar, maar in hetzelfde dakvlak of dezelfde gevel is uitsluitend toegestaan voor toestellen met een ventilator.
14.11.1 Afvoerleidingen en luchttoevoerleiding voor hoogbouw In het bijzonder bij hoogbouw wordt er gezocht naar systemen waarbij de installatie onafhankelijk van het binnenmilieu kan werken. Het gesloten toestel is veelal een goede oplossing, maar blijkt bij afvoer door de gevel soms hinder te geven. Als mogelijkheid blijft over de lucht van en de verbrandingsgassen naar het dak te transporteren.

14.11 Gesloten toestellen


Bij deze groep toestellen wordt de lucht die nodig is voor de verbranding via een luchttoevoerpijp van buiten in de verbrandingsruimte van het toestel gebracht. Het toestel kan daardoor in een open opstellingsruimte worden geplaatst. Kierdichte woningen zijn er de oorzaak van dat gesloten toestellen vaker worden toegepast dan vroeger. De werking van de toestellen wordt niet benvloed door de (mechanische) ventilatie van de woning. Omdat er geen lekkage van verbrandingsgassen mag optreden, wordt de leiding veelal afgeplakt met speciale tape, of, als de temperatuur niet zo hoog wordt, met een rubber- of kunststofmanchet respectievelijk met kit dichtgemaakt. Afvoerleiding en hulpstukken moeten voldoen aan de hiervoor gestelde keuringseisen. Figuur 14.38 geeft voorbeelden van de constructie voor een gesloten toestel. Er worden ook gesloten gasverbruikstoestellen in de handel gebracht waarbij het mogelijk is, afhankelijk van de toegepaste leidingdiameter en het leidingtrac (zoals aantal bochten), afstanden van 10 m of zelfs meer te overbruggen. Deze combinatie van toestel en afvoersysteem wordt in zijn geheel gekeurd en er wordt nagegaan of het hele systeem veilig kan functioneren. In voorkomende situaties is het zinvol de diverse fabrikaten te vergelijken.

Onder de naam CLV-systemen is de afgelopen jaren een afvoersysteem ontstaan waarbij een combinatie van luchttoevoer en verbrandingsafvoer is gemaakt, guur 14.40. Andere constructies zijn voor gesloten systemen (nog) niet toegestaan. Toestellen die hierbij worden toegepast, moeten met een (eigen) ventilator zijn uitgerust. De luchttoevoer kan concentrisch of parallel worden uitgevoerd, guur 14.40-3 en 14.40-4. Er moet voor het gevormde condenswater een opvanginrichting zijn aangebracht, die als het CLV-systeem ommetseld is, bereikbaar moet zijn via een luik van 50 50 cm. Het condenswater moet worden afgevoerd op de riolering. Afmetingen CLV-systeem Voor toepassing is in de voorschriften een tabel opgenomen waarbij de minimale doortocht van een afvoersysteem bij steenachtige en metalen constructie is vermeld, guur 14.41. De binnendiameter van het toevoersysteem moet, afhankelijk van de constructie, concentrisch 2,5Av At 3,5Av maal de doortocht van de afvoerleiding zijn. Bij toepassing van een parallelsysteem wordt dan twee- driemaal de doortocht van het afvoersysteem aangehouden.

150

max. 1500 doorvoerpijp pijp met korf luchtinlaat 105 verbrandingsgasafvoer dakdoorvoerpan set afdichtingsplaten t.p.v. dakbeschot pijpbeugel geplooide bocht 90 gedeelde bocht 90 gasgestookte CV-ketel

horizontale dakdoorvoer

> 500 =

max. 1600

> 500 =

dakdoorvoer plat dak

gesloten toestel

dakdoorvoer hellend dak

Figuur 14.38 Opstelling gesloten gasverbruikstoestel met dakdoorvoer

14 GASINSTALLATIES

151

Figuur 14.39 Meest voorkomende opstellingsituaties bij gesloten gasverbruikstoestellen

14.12 Plaats uitmondingen voor rookgasafvoersystemen


14.12.1 Uitmondingen afvoersystemen voor open toestellen Hoewel de beste plaats voor een afvoer van verbrandingsgassen de nok van het dak is, blijken door de constructie van de toestellen ook andere oplossingen goed mogelijk. Het betreft hier veelal open gasverbruikstoestellen die van een ventilator zijn voorzien. Het bepalen van de juiste plaats van de uitmonding van het afvoerkanaal of de afvoerleiding is niet zo eenvoudig. In NPR 3378-61 staat dit uitvoerig aangegeven. Een gedeelte wordt hierna verkort weergegeven. Voordat men met installeren begint, moet men eerst het installatievoorschrift van de toestelfabrikant raadplegen in verband met een wellicht gewijzigde regelgeving. Steeds onderscheidt men boven het dak diverse gebieden, guur 14.43 en 14.44:

1 Gebied I Afvoerkap doorgaans niet nodig. Veelal wordt toch een kap met Giveg-keur toegepast tegen het inregenen. 2 Gebied II Afvoerkap vereist bij toestelklasse A, zie paragraaf 14.10, en de afvoer van verbrandingsgassen langs natuurlijke of mechanische weg. Afvoerkap niet noodzakelijk bij mechanische afvoer voor toestellen met toestelklasse B en C. 3 Gebied III Uitsluitend uitmonding voor mechanische afvoer, toestelklasse B of C. In het kustgebied, guur 14.42, alleen klasse C. 4 Gebied IV Uitsluitend uitmonding voor mechanische afvoer, toestelklasse B of C. In het kustgebied alleen klasse C. Het schuine begrenzingvlak tussen gebied I en III kan worden berekend met de volgende formule: h = (0,5 + 0,16 ( 23)) a

152

regenscherm isolatie vogelscherm afwateringsgaten

rookgasafvoer

luchttoevoer

dakdoorvoer systeem 1

rookgasafvoer centrale luchttoevoer

eventuele ventilatieleiding

dakdoorvoer systeem 2

ketel ketel

condensatiewater condensatiewater

concentrische uitvoering

parallelle uitvoering

Figuur 14.40 Gecombineerde luchttoevoer- en rookgasafvoersystemen

waarin: h = hoogte vlak ten opzichte van dakvlak in m, met minimum van h = 0,5 m; = dakhelling, in graden; a = horizontale afstand tussen hart uitmonding en nokrand in m. Toelichting Open gasverbruikstoestellen zijn toestellen die de lucht voor de verbranding uit de opstellingsruimte betrekken. Toestellen uitgerust met een ventilator zijn in staat grotere weerstanden in de verbrandingsgasafvoerleiding en het uitmondinggebied te overbruggen. De toestelklasse

geeft aan welke tegendruk kan worden overwonnen met de ventilator: A: tussen 0,2 en 0,5 mbar; B: tussen 0,5 en 1,0 mbar; C: meer dan 1 mbar. Hinder belendende bebouwing Bij hogere belendende gebouwen geldt het uitmondinggebied dat de grootste belemmering geeft. Bij een afstand kleiner dan 15 m verandert gebied I in III en gebied III in IV, guur 14.44-1. Is de afstand groter dan 15 m, dan verandert alleen gebied I in II, (III blijft gelijk), guur 14.44-2.

14 GASINSTALLATIES

153

Aantal toestellen 1

Totale belasting (ow) in kW Niet-HR HR 45 68 90 113 135 158 180 203 225 248 270 293 315 338 360 383 405 428 450 473 495 518 540 563 585 608 630 653 675

Minimale doortocht afvoersysteem Av in cm2 Metaal 150 200 250 315 380 440 505 565 630 660 720 780 840 900 910 970 1.025 1.085 1.140 1.190 1.240 1.290 1.340 1.390 1.440 1.490 1.540 1.590 1.640 Steenachtig materiaal 150 200 250 350 450 550 650 700 750 800 850 900 950 1.000 1.050 1.100 1.150 1.200 1.250

2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30
1

54 81 108 135 162 189 216 243 270 297 324 351 378 405 432 459 485 513 540 567 594 621 648 675 702 729 756 783 810

Nominale belasting per toestel mag niet meer bedragen dan 27 kW voor niet-HR-toestellen en 22,5 kW voor HRtoestellen
Figuur 14.41 Minimale doortocht afvoersysteem (NPR 3378-40 tabel 1)

Is de uitmonding in de buurt van een hoog slank gebouw, zoals een kerk- of vuurtoren, en is de afstand tot dit gebouw groter dan tweemaal de breedte van het gebouw, dan hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden.
14.12.2 Uitmondingen afvoersystemen voor gesloten toestellen Uitmondingen en openingen voor luchttoevoer voor gesloten toestellen mogen horizontaal en verticaal worden aangebracht. Wel moeten aan

de uitvoeringsvorm en de plaats de volgende eisen worden gesteld: 1 Uitmondingen moeten ten minste 0,30 m boven het dakvlak of het maaiveld zijn aangebracht om dichtsneeuwen te voorkomen. 2 Onderlinge afstand tussen de uitmonding van het ene toestel en de luchtinlaatopening van een ander toestel moet ten minste driemaal de nominale middellijn van de grootste afvoer bedragen. 3 Uitmondingen in het dakvlak moeten ten minste 0,50 m vanaf de dakrand zijn aangebracht.

154

N Kollum W O Leeuwarden Sneek Den Helder Lemmer Alkmaar Hoorn Haarlem Amsterdam Urk Lelystad Zandvoort Emmeloord Zwolle Assen Sauwerd Delfzijl Groningen

kustgebied

Noordwijk Katwijk

's-Gravenhage

Voorburg Rijswijk Hoek van Holland

binnenland
Utrecht Arnhem

Hellevoetsluis 's-Hertogenbosch Ooltgensplaat Middelburg Bergen op Zoom

50 km

Maastricht

Figuur 14.42 Verdeling kustgebied en binnenland voor uitmondingen bovendaks

4 Uitmondingen in de gevel moeten ten minste 0,50 m zijn verwijderd van de hoeken van gebouw, dakoverstek of balkon, tenzij de afvoerconstructie doorloopt tot ten minste de voorzijde van het overstekende deel. 5 Er mogen geen uitmondingen in gevels zijn aangebracht, als: a boven deze uitmonding een luchttoevoervoorziening is aangebracht voor een verblijfsgebied, toilet of badruimte; b er een verbrandingsluchttoevoervoorziening is aangebracht die door een verblijfsvoorziening leidt; c zich een deur of beweegbaar raam bevindt die/dat grenst aan een verblijfsgebied, toilet of badruimte van een woning, en dergelijke, die niet bedoeld is voor de gebruiksfunctie van het toestel. Een en ander is in guur 14.45 aangegeven. 6 Voor eisen aangaande hinder hoeft voor

warmwatertoestellen tot 40 kW met slechts 50 procent te worden gerekend. 7 Uitmondingen die op minder dan 2 m boven en horizontaal gemeten minder dan 0,50 m van het verharde gedeelte van een vrij toegankelijk terrein zijn geplaatst moeten zijn voorzien van een doeltreffende afscherming. De onder punt 5 genoemde voorwaarden gelden niet als er uit de gevel een belemmering steekt (bijvoorbeeld een stalen of metalen plaat), die over ten minste de hele lengte van het gebied ten minste 0,50 m uit de gevel steekt.
14.12.3 Hinder voor omgeving Uitmondingen door een dak of in de gevel mogen geen hinder opleveren voor de omgeving. De verbrandingsgassen van een verbruikstoestel mogen niet via een openstaand raam of een ventilatierooster weer in de woning komen.

14 GASINSTALLATIES

155

III

0,8 m

0,8 m

< 23

III

plat dak

schuin dak dakhelling < 23

Figuur 14.43 Uitmondingsgebieden zonder benvloeding door belendende bebouwing

Dit geldt uiteraard ook voor de woning van de buren. NEN 1078 geeft in het werkblad NPR 3378-60 acht omschrijvingen van de meest voorkomende situaties, guur 14.46. Men gaat ervan uit dat toevoerlucht niet is verontreinigd door verbrandingsgas als het verbrandingsgas voldoende gelegenheid heeft gekregen om verdund te worden met de buitenlucht. Hiertoe is een zogenaamde verdunningsfactor ingevoerd. Voor uitmondingen van met gasvormige brandstoffen gestookte toestellen geldt als verdunningsfactor f = 0,01. Er is sprake van voldoende afstand tussen uitmonding en toevoeropening voor ventilatielucht als uit het berekenen met de volgende formule blijkt dat de verdunningsfactor f kleiner is dan de eis van 0,01. Voor toestellen die met een andere brandstof worden gestookt heeft de verdunningsfactor een andere waarde, namelijk 0,0015. Met de formule wordt niet rechtstreeks de afstand uitgerekend, maar worden afstanden ingevoerd om de verdunningsfactor f te berekenen. De algemene gedaante van de formule die volgens het Bouwbesluit kan worden gebruikt, ziet er als volgt uit:

I
0,5 m
0,5 m

23

III

schuin dak dakhelling 23

f=

B C1 + C2 Ah

waarin: B = belasting gastoestel in kW op bovenwaarde; = kortste afstand tussen uitmonding en luchttoevoeropening in m; Ah = hoogteverschil tussen uitmonding en luchttoevoeropening in m; C1/C2 = constanten afhankelijk van onderlinge situering toevoeropening en uitmonding.

156

10

I III

Nominale belasting aangesloten verbruikstoestel


IV

h in m

in m

IV 23

III < 15 m

0 11 17 25

11 kW 17 kW 25 kW B

2 2,5 3 0,6 BI

0,75 0,75 1 0,2 BI

afstand belendende bebouwing < 15 m


10 I II III 23 in dit gebied geen deur of beweegbare ramen en ventilatieopeningen uitmonding van gesloten verbruikstoestel h

l l

Figuur 14.45 Plaats uitmonding gesloten verbruikstoestellen


15 m

afstand belendende bebouwing 15 m


10 III
IV

aanbouw

Figuur 14.44 Uitmondingsgebieden bij benvloeding door belendende bebouwing

Bij warmwatertoestellen met een nominale belasting tot 40 kW (bw) hoeft alleen de helft van de belasting in rekening worden gebracht. Opmerking De aangegeven afstanden gelden dus niet voor een luchttoevoeropening van een type C-toestel (gesloten toestel). Als de fabrikant van een gesloten toestel geen aanwijzingen geeft over de onderlinge afstand tussen de uitmonding en de verbrandingsluchttoevoeropening in verband met de goede werking van het toestel, kan er een onderlinge afstand van ten minste 2 D (D = uitwendige middellijn grootste afvoeropening) worden aangehouden.

Om C1 en C2 te kunnen bepalen, moet eerst worden vastgesteld hoe de onderlinge situering van de toevoeropening en uitmonding is. Vervolgens moet dit worden vergeleken met de zeventien modelsituaties zoals deze in NEN 2757 en NPR 3378-60 staan vermeld. Afhankelijk van de situatie die van toepassing is, kunnen uit de bijbehorende tabel de waarden van C1 en C2 worden afgelezen, guur 14.47. Met de zeventien modelsituaties is beoogd dat veel in de praktijk voorkomende situaties kunnen worden beoordeeld. Enkele modelsituaties zijn van bijlage A uit dit werkblad overgenomen, guur 14.46. Zoals gezegd kent NEN 2757 zeventien situaties (zie ook situatienummers in guur 14.47) en die situaties zijn vaak nog weer onderverdeeld. Niet alle situaties komen even frequent voor in de bouw. Hierna zijn van de meest voorkomende situaties de omschrijving en het situatienummer volgens NEN 2757 weergegeven met daarbij een guur van een voorbeeld dat voldoet aan de desbetreffende omschrijving, guur 14.46.

0,5 m

14 GASINSTALLATIES
lA

157

<1m <1m

l
lA
h hA
B

hA

afvoer in dakvlak t.o.v. een lager gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer

afvoer in dakvlak t.o.v. een hoger gelegen ventilatie-opening of verbrandingsluchttoevoer


lB

afvoer in dakvlak t.o.v. een lager gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer

afvoer in dakvlak t.o.v. een hoger gelegen ventilatie-opening of verbrandingsluchttoevoer

lB (hB = 0)

hA = lA

lA = hA

B A

hC

lC

lB (hB = 0) lA = hA

hA = lA

hC

lC

B A

hB

< gevel t.o.v. lager gelegen ventilatieafvoer in 23 of verbrandingsluchttoevoer in een gevel

lA (hA = 0)

B 23 afvoer van rook in een gevel t.o.v. hoger gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer

hB

lB

lA (hA = 0)

afvoer van rook in een dakvlak t.o.v. een hoger gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer met een helling < 23

afvoer van rook in een dakvlak t.o.v. een hoger gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer met een helling 23

hB

afvoer inB gevel t.o.v. lager gelegen ventilatieof verbrandingsluchttoevoer in een gevel A

afvoer van rook in een gevel t.o.v. hoger lB gelegen ventilatie- of verbrandingsluchttoevoer

hB

lB

hB

hB

lB
A

158

A
A

hA hB 23 B

lB

toevoer in dakvlak met een helling gelijk aan of groter dan 23, t.o.v. een lager gelegen afvoer in hetzelfde dakvlak of een lager gelegen aangrenzend dakvlak

toevoer in een dakvlak t.o.v. een afvoer in een hoger gelegen gevel

Figuur 14.46 Hinder voor omgeving volgens NPR 3378-60

Cofficint 1, 6, 8, 9 C1 C2 163 325 2 60 60 3, 15 163 440

Situatienummer 4, 16 500 325 5, 7, 10 80 80 11, 13 110 325 12 163 60 14 163 80 17 110 325

Figuur 14.47 Bepaling factoren C1 en C2 afhankelijk van onderlinge situering tussen ventilatieluchttoevoeropeningen voor de woning en verbrandingsgasafvoeropeningen van gasgestookte toestellen

Voorbeeld 1 In de gevel van een eengezinswoning is een uitmonding van een gasgestookt cv-toestel aangebracht. De belasting van het toestel is 36 kW (bw). De uitmonding is op een hoogte van 0,9 m boven een raam met een ventilatietoevoeropening aangebracht. De kortste afstand tussen afvoer- en ventilatietoevoeropening is 1,3 m. Nagegaan moet worden of deze positie van af- en toevoer ten opzichte van elkaar voldoet aan de in het Bouwbesluit verlangde verdunningsfactor f voor gastoestellen van 0,01. Als de beschreven situatie wordt vergeleken met de situatiemogelijkheden in NEN 2757, blijkt dat hier situatie 3 geldt, guur 14.46-3. Volgens guur 14.47 moet dan voor de factoren C1 en C2 respectievelijk 163 en 440 worden ingevuld. Worden al deze gegevens in de formule ingevoerd, dan geldt f = 0,00987. De berekende verdunningsfactor is kleiner dan de eis van 0,01. De verdunningsafstand is dus voldoende groot.

14 GASINSTALLATIES

159

Voorbeeld 2 De verbrandingsgasafvoer van een gashaard met een belasting van 15 kW (bw) komt uit de nok van het dak op 4,5 m boven de ventilatievoorziening in een van de onderliggende gevels. De afstand vanaf de uitmonding tot de instroomopening voor de ventilatie bedraagt 5 m. Met behulp van de formule en de cofcinten uit guur 14.47 is nu de verdunningsfactor te berekenen. Gezien de onderlinge situering van uitmonding en luchttoevoer is hier sprake van situatie 1, guur 14.46-1. Volgens guur 14.47 moet dan voor de factoren C1 en C2 respectievelijk 163 en 325 worden ingevuld. De verdunningsfactor wordt dan 0,00170. De verdunningsafstand is dus voldoende groot. Voorbeeld 3 De verbrandingsgasafvoer van een cv-ketel met een belasting van 25 kW (bw) komt uit op 1,0 m boven het platte dakvlak. Op een afstand van 5 m vanaf deze uitmonding bevindt zich de aanzuigopening van het ventilatiesysteem. De aanzuigopening bevindt zich op een afstand van 0,3 m boven het dakvlak. Hier is sprake van situatie 5, guur 14.46-5. De factoren C1 en C2 bedragen dus beide 80. Uit de formule volgt dat de verdunningsfactor 0,01096 bedraagt. De verdunningsafstand is dus te klein.

Geraadpleegde en aanbevolen literatuur


1 Besluit gastoestellen (Staatsblad 1992, 124). 2 Bouwbesluit. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2003. 3 Model aansluitvoorwaarden gas. Normen en voorschriften NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, 2003. NEN 1059 Gasvoorzieningsystemen Gasdrukregelstations voor transport en distributie, 2003. NEN 1078 Eisen en bepalingsmethoden voor huishoudelijke gasleidinginstallaties, 1999. NEN 1087 Ventilatie van gebouwen Bepalingsmethoden voor nieuwbouw, 2001. NEN 1184 Aanwijsplaten voor brandkranen, brandputten en toestellen in water-, gas- en stadsverwarmingsleidingnetten en voor riolering, 1986. NEN 1778 Nisbussen, 1965. NEN 2078 Eisen voor industrile gasinstallaties, 2001. NEN 2757 Toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen Bepalingsmethoden, 2001. NEN 2768 Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in woningen, 1998. NEN 2916 Energieprestatie van utiliteitsgebouwen Bepalingsmethode, 2001. NEN 2920 Eisen voor huishoudelijke gasverbruikinstallaties en vergelijkbare installaties in middenen kleinbedrijf van handel, horeca en nijverheid bedreven met handelsbutaan, handelspropaan en butaan/propaan (B/P)-mengsels, 1997. NEN 3028 Eisen voor verbrandingsinstallaties, 2004. NEN 3050 Kleuren voor het merken van pijpleidingen voor het vervoer van vloeibare of gasvormige stoffen in landinstallaties, 1972. NEN 3257 Stalen draadpijpen en sokken, 1974. NEN 3277 Rubberslang met inlagen voor aardgas met een werkdruk beneden 5kPa (50 mbar), 1976 NEN 3287 Binnenriolering in woningen en woningbouw Aansluiting van condensvormende, met gas gestookte toestellen, 1986. NEN 5128 Energieprestatie van woonfuncties en woongebouwen Bepalingsmethode, 2003.

160

NEN-EN 437 Proefgassen Proefdrukken Toestelcategorien, 2003. NEN-EN 1057 Koper en koperlegeringen Naadloze koperen buizen voor gas- en waterleidingen in sanitaire en verwarmingstoepassingen, 1996. NEN-EN 1775 Gasvoorziening Gasleidingen in gebouwen Maximale werkdruk tot en met 5 bar Functionele aanbevelingen, 1998. NEN-EN 10220 Naadloze en gelaste stalen buizen Afmetingen en massas per lengte, 2003. NEN-EN 10088-2 Corrosievaste staalsoorten Deel 2: Technische leveringsvoorwaarden voor plaat en band van corrosievast staal voor algemeen en constructief gebruik, 2001. NPR 3378 Leidraad bij NEN 1078, 2003. Richtlijn Gastoestellen (90/396/EEG)(93/68/EEG). Richtlijnen bestaande gasinstallaties, KNVG, Apeldoorn. KE.. Keuringseis Gastec, Apeldoorn

14 GASINSTALLATIES

161

Register
A
aansluitleidingen 129 aardgas, eigenschappen 119 aardgas, hoogcalorisch 117 AC-module 85 afvoerkanalen 139 afvoerkanalen, doortocht 141 afvoerleidingen 139, 145 afvoerleidingen, materiaal 149 afzuigroosters 112 akoestische eigenschappen 93 akoestische voorzieningen 47, 64 all air-systemen 20 ammoniakkoelinstallatie 112 anemostaatroosters 68 aquifers 76, 98 Arbeidsomstandighedenbesluit 63, 91 Arbeidsomstandighedenwet 7 atrium 81

brandwerende voorzieningen 64 broeikaseffect 10, 12, 80 bron, koude 99 bron, warme 98 buitenzonwering 13 buizenwarmtewisselaars 75

cv-ketels, open 68 cv-zonneboiler 84 cv met natuurlijke ventilatie, toepassingsgebied 40

D
daglicht 10, 93, 101 daglichtfactor 102 daglichtmetingen 102 daglichtniveau 103 daglichtsturingssysteem 101 daglichttoetreding 8 debietregeling 30 deelgebieden, bouwfysische 92 deelnet 118 derdehuidgevels 55 dienstleiding 119 diepte, optimale 91 directe invang 80 distributiesystemen 58 distributiesystemen, toegankelijkheid 63 doublet 77 drinkwater 113 drukvereffeningsopeningen 145 drukverschil, toelaatbare 138 DUBO-maatregelen 105 DUBO-tijdperk 95 duurzaam bouwen 95 duurzaam ontwerpen 95 duurzame energie 93

C
calorische bovenwaarde 121 calorische onderwaarde 120 calorische waarde 117 CE-keurmerk 119 CE-markering 124 cellenkantoren, traditionele 90 centrale verwarming 37 centrale verwarming, componenten 39 centrale verwarming, regeling 39, 42 centrifugaalcompressiekoelmachines 70 centrifugaalventilatoren 104 circulatievoud 49 clo 5 CLV-systemen 149 Coanda-effect 62 Coefcient of Performance (COP) 79 collectoren 29 comfort 21 compactheid gebouw 15 compressiekoelmachines 69 compressorstation 117 computers 105 concentratiewerkplekken 7, 93 concentrerende collector 81 condities, bouwfysische 92 constant-volumesysteem 53, 91 constant-volumesysteem, toepassingen 42 constant-volumesystemen (CAV-systemen) 40 convectie 5, 9, 18 convectoren 18 convectoren) 65 correctiefactor 27 cv-ketels, gesloten 68

B
balansventilatie 35 bandrasters 91 batterijen 104 bedrijfswater 113 behaaglijkheid 3, 5 behaaglijkheid, thermische 93 behaaglijkheidsvergelijkingen 6 behaaglijkheid volgens ISSO/SBR 300 23 beheer op afstand 72 belendende bebouwing 152 benuttingsfactor warmtewinst 29 Bernoulli, Wet van 62 bevochtiging 20, 31 binnenleidingen 129 binnenleidingen, dimensionering 137 binnentuinen 109 binnenzonwering 13 BN-DLO 107 bodemopslag 17 Bouwbesluit 8, 91, 121

E
eenpersoonsconcentratiewerkplekken 91 eindapparaten 64 eindapparaten, situering 62 eindapparatuur 18, 34 energie-nul-gebouw 93 energiebalans 3, 25, 26, 27 energiebalans, componenten 31 energiebalans, verbetering 31 energiebesparingsinstallaties 74

162

energiebewustwordingstijdperk 95 energiebronnen, laagwaardige 79 energiegebouw 112 energiegebruik 25, 39, 42, 43, 47, 51, 58 energiegebruik, toelaatbaar karakteristiek 27 energiegebruik en behaaglijkheid 22 energiegebruik en gebruikerseisen 2 energiegebruik en wettelijke eisen 2 energiegebruik volgens ISSO/SBR 300 23 energiehuishouding 1, 34 energieopslagsystemen 77 energieposten 27 energieprestatie 26 energieprestatie, toelaatbare karakteristieke 27 energieprestatie-eis 31 energieprestatiecofcint (EPC) 26 energieprestatienormering (EPN) 3, 121 energieprestatie (EP) 8, 11, 107 energiestromen 25 energievernietiging 47, 51 energiezuinigheid 8 energie-nul-kantoorgebouw 107 evaporatiekoeling 110 expansiekoelsysteem, direct 70 expansiekoelsysteem, indirect 70 explosiegrenzen 119

G
gangzone 90 gasbehandelingsinstallatie 116 gasbinnenleiding 119 gasdistributienet 117 gasinstallatie, beproeving 138 gasinstallatie, gereedmelding 138 gasinstallaties 115, 119 gasinstallaties, voorschriften 121 gasmeter 127 gasontvangstation 117 gastoevoerleiding 119 gasverbruikstoestellen, aansluitingen 129 gasverbruikstoestellen, gesloten 140, 149 gasverbruikstoestellen, open 140 gasverbruikstoestellen zonder afvoerleiding 140 gebouw, bouwfysisch gedrag 10 gebouw, geschiedenis 95 gebouwaansluiting gasinstallaties 125 gebouwbeheerssysteem 109 gebouwbeheerssystemen (GBS) 71 gebouwconcept 2 gebouwconcepten 10 gebouwfunctie 2 gebouwindeling naar massa 11 gebouwinstallaties 6 gebouwmassa 11 gebruikerseisen 3 geforceerde trek 141 geleiding 5 geluiddempers 104 geluidwering gevel 8 gemeentelijke bouwverordening 121 gentegreerd ontwerpen 95 geveldoorvoeringen 125 geveldoorvoeringen, bovengrondse 125 gevelstramienen 91 Giveg-merk 124 glas 10

glasoverkapte ruimten 107 glaspercentage 12 glassoorten, zonwerende 80 graekmethode 138 grijswater 113 grondwater 76

H
heat-pipe-principe 75 helderheidswering 13 hinder voor omgeving 154 hoofdgasleiding 119 hoofdtransportnet Nederlandse Gasunie 116 hoogbouw 149 Hoogheemraadschap van Rijnland 98 hoogrendementketels 68 HR-glas 10

I
inductie-units 49 inltratielucht 28 installatieconcept 2 installatieconcepten 18, 37, 91 installatieconcepten, keuze 57 installaties, centraal opgestelde 34 installaties, exibele 7 installaties, geschiedenis 95 installaties, werktuigbouwkundige 2 installatietekeningen 133 installatievoorschriften 124 Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (BN-DLO) 107 instralingsdiagram 86 isolerende voorzieningen 64

F
fan-coil-unit 87 lteren 21 exibiliteit, gebouw 7 frequentietoerenregelaar 104

J
jaarbelastingsduurkromme 85

K
kanalen, primaire 62 kanalen en leidingen, situering 59

14 GASINSTALLATIES

163

kantelramen 109 kantoorconcepten, bijzondere 89 kantoorconcepten, dynamische 90 kantoorinnovatie 7 kleurenbeeldschermen 105 klimaatbeheersing 39, 42, 43, 47, 49, 54 klimaatbeheersinginstallaties, decentrale 87 klimaatbeheersingsinstallaties 33 klimaatbeheersingsinstallaties, componenten 35 klimaatbeheersingsinstallaties, functies 34 klimaatgevels 55 klimaatgevels, toepassingsgebied 57 klimaatinstallaties, eenvoudige 21 klimaatinstallaties, geavanceerde 21 klimaatkamers 112 klimaatkwartet 99 klimaatplafonds 53 klimaatplafonds, toepassingsgebied 54 klimaatregeling, natuurlijke 109 klimatiseringssysteem 24 koeling 31, 112 koelmiddelen 71 koeltoren 70 koelwatercircuit 76 koudeopwekkers 68 koudeval 18 kunstlicht 93, 101

L
lage- temperatuurverwarming 18 lamellenplafonds 54 langetermijnenergieopslag 100 langetermijnenergieopslag in bodem )LTEO) 76 leidingaanleg 129

leidingaanleg in grond 132 leidingen, secundaire 62 leidinginvoerputten 128 leidingschachten, situering 61 leidingschema 135 lengte/trekhoogteverhouding 147 lichtlijnen 91 lichtopeningen 10 lichttoetredingsfactor LTA 13 lijnroosters 68 LTEO 98 LTEO-installatie 98 lucht, primaire 49 lucht, recirculatie 20 lucht, secundaire 49 luchtafvoer, mechanische 37 luchtafvoeropeningen 144 luchtafvoerroosters 67 luchtafvoersysteem 42, 43 luchtafzuiging 62 luchtafzuiging, mechanische 39 luchtbehandeling 35, 110 luchtbehandelingkasten 36, 104 luchtbehandelingkasten (LBK) 34 luchtbehandelingskasten 112 luchtbehandelingskasten, centrale 21 luchtcollector 81 luchtdichtheid 10 luchtgeleiderplaten 104 luchtgordijn 112 luchtlijnen 91 luchtsnelheid, maximale 61 luchttoevoer, natuurlijke 37 luchttoevoeropeningen 144 luchttoevoerroosters 43, 67 luchttoevoersysteem 40, 43 luchtverhitters, direct gestookte 88 luchtverhitters, indirect gestookte 88 luchtverlies, gecontroleerd 10 luchtverlies, ongecontroleerd 10 luchtverversing 8 luchtverwarming 18, 21

luchtvochtigheid, relatieve 20 luminantieverhouding 103 luminantieverschillen 103

M
mantelbuizen 125 mantelbuizen, verlengde 127 mensheid, ontwikkelingen 94 meterkast 127 middenzone 90, 93 milieuprestatie 107 monobron 77

N
nachtventilatie 12, 80 Nationaal Milieubeleidsplan Plus 107 natuurlijke trek 140 NEN 1078 121 NEN 2916 26 nominale belasting 137 nomogram 25 normen, gas 121

O
onderhoud 40, 42, 45, 47, 51, 54 ontoetredingsfactor (ZTAwaarde) 13 ontvochtiging 20 ontwerpend denken 96 ontwerpluchtsnelheden 61 ontwerpmaatregelen, gentegreerde 96 opslagvat met dubbelwandige warmtewisselaar 83 opslagvat met warmtewisselaar 83 opslagvat zonder warmtewisselaar 82 opstellingsruimten 141 opstellingsruimten, afmetingen 142 opwekkingsrendement 29 overschrijdingsuren 6 overslagstation 116

164

P
piekgasinstallatie 117 plafondroosters 68 plafondverwarming 67 platenwarmtewisselaars 75 plenum 54 plenumafzuiging 62 pompen 30 Predicted Mean Vote (PMV) 6 Predicted Percentage Dissatised (PPD) 6 prestatie-eisen 8 Programma van Eisen 57 Programma van eisen 3 PV-cellen 86

serre 81 split-unit 88 stadsverwarming 79 standaardwisselstroommotoren 104 standaardzonneboiler 84 STEK-keuringen 79 stooklijn 73 straalpijpjes 49 straling 5, 18, 21 stralingsverwarming 18 stramienen 91 straticatie 62 suppletiezuurkasten 112 systeemrendement 29 systemen, analoge 71 systemen, digitale 71

U
uitmondingen afvoersystemen, gesloten gasverbruikstoestellen 153 uitmondingen afvoersystemen, open gasverbruikstoestellen 151 uitmondingsgebieden 151

V
V-snaaroverbrenging 104 valwindaeider 140 variabel-volumebox 43 variabel-volumesysteem 91 variabel-volumesystemen 42 variabel-volumesystemen, toepassingsgebied 45 veegprogramma 103 ventilatie 20, 28, 39 ventilatie, mechanische 21, 28, 35 ventilatie, natuurlijke 20, 28, 35, 62 ventilatielucht, conditionering 36 ventilatieluchtafvoeropening 145 ventilatieroosters, akoestische 39 ventilatievoud 110 ventilatorconvectoren 45 ventilatorconvectorsystemen 45 ventilatoren 30, 104 ventilatorenergie 104 ventilatorrendement 104 verbrandingsgassen 139 verbrandingswaarde, calorische 120 verdamping 5 verdunningsfactor 155 verkeersfunctie 90 verlichting 30 verlichting, gezoneerde 15 verlichting, indirecte 16 verlichting 106 verliesoppervlak 15 vermogen, genstalleerde 30 vermogen, inducerend 68

R
radiatoren 18, 39, 65 recirculerend schakelen 54 reductiefactor 29 referentiegebouw 23 regelapparatuur, conventionele 71 regeling, luchtzijdige 74 regeling, waterzijdige 49, 74 regelinstallaties 71 regelsystemen 71 regendetectie 109 registers 53 revisieopeningen 54 Rijksgebouwendienst (Rgd) 108 ringleiding 117 rookgasafvoersystemen, plaats uitmondingen 151 ruimteakoestiek 93 ruimten, technische 39 ruimtetemperatuurregeling met cv 73 ruimtetemperatuurregeling via luchtbehandeling 74

T
technische ruimten, situering 58 temperatuur, optimale 22 temperatuurgradint 18, 64 temperatuurgradint, verticale 21, 62 temperatuuroverschrijding, adadaptieve gewogen (AGTO) 6 temperatuuroverschrijdingsuren (GTO-uren), gewogen 3, 22 thermische massa, effectieve 29 thermische weerstand 5 Thin Film Transistor(TFT)monitoren 105 tijdperk, industrile 95 transmissie 28 transportmedium voor warmte 20, 34 trekonderbreker 140 Trombe-principe 80 Trombe-wand 80 tweedehuidgevels 55 tweepersoonskamers, traditionele 90 twin-coil-systeem 76 twin-coil-systemen 37

S
sanitair 113 schoorsteeneffect 65 schoorsteenverlies 149 screendoek 55 screens, beweegbare 80

14 GASINSTALLATIES

165

vernietigingsfactor 29 verwarming 28, 112 vloeistofcollector 81 vloerverwarming 18, 21, 65 vochtterugwinning 75 voering 141 voorraadvaten 82

W
warmtapwater 31 warmte-isolatie 8 warmte/krachtkoppelingsinstallaties 79 warmteafgifte 18 warmtebalans 5 warmtebelasting, interne 28, 93 warmtebron 39 warmtebuffer 109 warmtedoorgangscofcint 9 warmtefactor 79 warmtegeleidingscofcint 9 warmtehuishouding 2, 8 warmtehuishouding, gebruikerseisen 4 warmtelast, interne 15, 105 warmtelast, personen 15 warmtelast, verlichting 15 warmtelast. apparatuur 16 warmteopwekkers 68 warmteoverschot 5 warmtepijpcollector 82 warmtepompen 79, 99, 100 warmtestroom 8 warmteterugwinning 20, 75 warmteterugwinningsinstallaties 74 warmteverlies 29 warmtewielen 21, 34, 74, 100 warmtewielen, keramische 101 warmtewielenen 100 warmtewinst 29 warmtewisselaars 20, 34 watt-piek (Wp) 85 weegfactor 22, 27 weerstand, overgangs- 9 weerstand, spouw- 9 werkplekverlichting 16

werktuigbouwkundige installaties, functies 18 werktuigbouwkundige installaties, kenmerken 18 wervelroosters 112 wettelijke eisen 3, 7 Wet milieubeheer 8 wisselwerkplekken 7, 91 Woningwet 7 woonhuisaansluiting 119

Z
zonlicht 10 zonlicht, direct 12 zonlicht, indirect 12 zonne-energie 17, 28, 80 zonne-energietoepassingen, actieve fotovoltasche 85 zonne-energietoepassingen, actieve thermische 81 zonne-energietoepassingen, passieve 80 zonneboiler, compacte 84 zonneboiler-combi 84 zonneboilers 81, 83 zonnecellen, fotovoltasche 85 zonnecollectoren 81 zonnepanelen 85 zonweringslamellen, spiegelende 101 ZTA-waarde 102 zuigerkoelmachines 70 zuurkasten 112

166