You are on page 1of 2

Practicum ANW – Waar komen bacteriën voor?

Naam: Thomas Koopman en Bas Nootebos


Klas: A4D
Docent: Mevr. Hogenbirk
Datum: 26-09-06

1. Probleemstelling

Het probleem met bacteriën is dat ze te klein zijn om met het blote oog te kunnen zien.
Gelukkig kunnen we ze wel aantonen door ze ergens op te laten ‘groeien’. Door dat te doen,
kun je zien welke bacteriën je hebt gekweekt, en hoeveel het er waren. Dus kun je ‘meten’
hoeveel en welke bacteriën zich op een bepaalde plek bevinden.

2. Doel

Het doel van de proef is het onderzoeken waar bacteriën voorkomen, en dat aantonen.

3. Hypothese

In theorie zijn de plekken die het minst in aanraking komen met mensen (of andere
‘besmette’ organismen) de plekken waar de minste bacteriën voorkomen. De plekken die het
meest in aanraking komen, zouden dan dus de plekken zijn waar de meeste bacteriën
voorkomen. De voedingsbodem die de meeste bacteriën bevat, zal waarschijnlijk mooi
kleuren, de bacteriën zullen zeer duidelijk zichtbaar zijn. De voedingsbodem met de minste
bacteriën zal niet veel ‘kleur’ bevatten, er zal maar weinig te zien zijn.

4. Verwachting

We verwachten dat de hoeveelheid bacteriën de kleur en hoeveelheid “groei” op de


voedingsbodem zal bepalen, dus hoe meer bacteriën, hoe groter de diversiteit aan kleuren en
hoeveelheid “groei”. Uiteraard geld hetzelfde voor minder bacteriën, alleen dan omgekeerd.
De hoeveelheid bacteriën zal per plaats sterk verschillen, en hoe drukker de plaats, hoe meer
bacteriën. Bijvoorbeeld de lucht; we denken dat daar relatief weinig bacteriën zijn, in
tegenstelling tot je handen, die vol zullen zitten met bacteriën.

5. Materiaal

We gaan het volgende materiaal gebruiken:

• Petrischaaltjes
• Eventueel een vochtig doekje
• De verschillende ‘testlocaties’
6. Experiment

We kiezen verschillende locaties om bacteriën te ‘vangen’. We doen dat met behulp van een
vochtige doek die we over het betreffende oppervlak vegen, en die vervolgens zachtjes in de
voedingsbodem te wrijven. We doen dat uiteraard meerdere keren, zodat we uiteindelijk
enkele petri-schaaltjes met bacteriën hebben. Die laten we dan 5 tot 10 dagen staan, en kijken
dan wat het is geworden. Daar doen we verslag over, en de proef is voltooid!

7. Resultaten

De eerste paar dagen groeiden de bacteriën het snelst, daarna leek de voedingsbodem
langzaam uitgeput te raken. De hoeveelheid bacteriën is in alle schaaltjes ongeveer gelijk, en
de groei ervan liep ook vrij gelijk. Het is opvallend dat het schaaltje met de bacteriën van
gewassen handen meer bacteriën bevat dan het schaaltje met ongewassen handen.

8. Conclusie

Deze proef toont aan dat ongewassen handen minder bacteriën bevatten dan gewassen
handen. We denken dat het komt door het wegwassen van de vetlaag op je handen, die de
groei van bacteriën tegengaat.

9. Discussie