EXPERIENCE leven

klas 2

k2m3c1

1

Inhoudsopgave
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 Het ontstaan Embryo Foetus Baby Peuter Kleuter Schoolkind Puber Adollescent Volwassene Bejaarde Samengevat Geslachtsorganen Menstruatiecyclus Seksualiteit Voorbehoedsmiddelen Homoseksualiteit________________________________ Verspreiding van soa’s HIV/Aids Leven Charles Darwin Evolutie Orde Aarde Het ontstaan van leven Schepping: Goddelijk ontwerp Evolutie, schepping: wat geloof jij?! 4 5 9 13 15 17 19 20 22 23 24 25 26 32 35 38 41 43 45 50 50 57 63 65 72 74 76

Colofon
De Passie 2010-2011 Auteur: Corine Brouwer, Andrea Stuij & Wouter Terlouw Tevens werkten mee: Anco van Moolenbroek Vormgeving: Nick de Koning Foto voorkant: Piet Terlouw Klas 2 module 3 ‘Experience - Leven’ We hebben getracht de rechtmatige eigenaren van alle afbeeldingen te achterhalen. Mocht u toch van mening zijn dat een afbeelding is gebruikt waarvan u de rechthebbende bent dan verzoeken wij u vriendelijk om contact met ons op te nemen (088 - 33 72 800). 2 k2m3c1

Context 1: Ontwikkeling
Dit boek is van: Naam Jongen / meisje Leeftijd Introductie Als baby ga je met je vader of moeder naar het consultatiebureau. Daar wordt een groeiboekje voor je ingevuld. In dit groeiboekje staat ook informatie over eten, drinken, spelen, leren en gezondheid. Waarschijnlijk heb jij ook zo’n groeiboekje! Vraag er thuis eens naar. Dit groeiboekje is van 0 tot 4 jaar... jammer eigenlijk! Voordat je geboren wordt, groei je ook al negen maanden. En na je vierde jaar groei je nog een poosje verder. Daar gaan we wat aan doen! Jij gaat een groeiboek maken. Van -9 maanden tot bejaard! Op de elo staan veel websites die je kunnen helpen met het zoeken naar informatie!

k2m3c1

3

1 Het ontstaan
Mens & Natuur

1

Lees deze psalm. Onderstreep wat volgens jou te maken heeft met het ontstaan van jouw leven. Psalm 139 Heer, u doorgrondt me, u kent me. U ziet mij of ik nu zit of sta. U verstaat mijn gedachten al van verre. U slaat mij gade of ik nu rust of werk. Wat ik ook doe: het is u vertrouwd. Voor er een woord over mijn lippen komt, weet u al, Heer, wat ik denk. U bent om me heen, u bent voor me en achter me, en uw hand ligt op mijn schouder. Dat u me zo kent kan ik niet bevatten, het gaat mijn verstand te boven. Waar kan ik u ontlopen, waar kan ik u ontvluchten? Al zou ik opklimmen naar de hemel, u bent er; al zou ik afdalen naar het dodenrijk, u tref ik er aan. Al vloog ik naar het uiterste oosten of streek ik neer in het verste westen, ook daar zou u mij leiden, ook daar houdt uw hand mij vast. Al vroeg ik de duisternis: ‘Verberg me, laat het nacht worden om mij heen,’ zelfs dan verbergt de duisternis me niet; voor u is de nacht als de dag, de duisternis als het licht. U weefde mij in de schoot van mijn moeder, u deed mij ontstaan. Ik dank u, want het is een wonder zoals ik ben gemaakt. Alles wat u maakt, is een wonder. Dat besef ik heel goed. Ik was voor u niet verborgen toen ik in dat duister groeide, als in het binnenste van de aarde. U zag mij toen ik nog geen vorm had, en mijn dagen waren al vastgesteld, al geschreven in uw boek, voor er één enkele was aangebroken. Hoe diep zijn uw gedachten, mijn God, en hoe oneindig in getal. Hoe zou ik ze kunnen tellen! Talrijker zijn ze dan de korrels van het zand. Telkens als ik ontwaak, ben ik nog met u bezig. Mijn God, ik zou willen dat u misdadigers ombracht, dat u moordenaars van mij afhield. Hun plannen zijn tegen u gericht, zij misbruiken uw naam. Heer, zou ik niet haten wie u haten, niet verafschuwen wie zich keren tegen u? Ik haat hen met heel mijn hart, ze zijn mijn vijanden. Mijn God, doorgrond mij, kijk in mijn hart, onderzoek mij, peil mijn gedachten. Dreig ik van u af te dwalen, breng mij dan terug op de weg naar u.

4

k2m3c1

2 Embryo
‘Een embryo is een mens, dier of een plant in de vroegste stadia van de ontwikkeling.’ ‘van het Grieks embruon = ongeboren vrucht’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord

1

Bekijk de film ‘Het wonder van nieuw leven’. In deze film wordt de groei van een nieuw mensje gefilmd. Er wordt uitgelegd hoe delen van het menselijk lichaam zich ontwikkelen. Kies één deelonderwerp uit. Let hier extra goed op en schrijf op hoe de ontwikkeling plaatsvindt. Kies uit: • armen & handen • voeten & benen • oren & ogen

De eerste dag Een zaadcel en een eicel komen bij elkaar (figuur 1) en versmelten. Er ontstaat een kindje. Wanneer de bevruchting plaatsvindt, komen de chromosomen van de moeder en vader bij elkaar. De 23 chromosomen van de moeder hechten zich aan de 23 chromosomen van de vader en maken op deze manier de allereerste cel die de kenmerken bevat van het nieuwe individu. Vanaf nu ligt vast of het toekomstige kindje bruine of blauwe ogen zal hebben en of hij wel of geen aanleg zal hebben voor een bepaalde ziekte. Al is er nog niets van te zien, het staat ook al vast of het toekomstig kindje een jongen of een meisje wordt. De eerste dag na de bevruchting heeft de bevruchte cel zich gedeeld in twee cellen. Ongeveer 30 uur na de bevruchting zijn dit er al vier geworden. De komende tijd zal dit zo doorgaan: om de twaalf tot vijftien uur zal het aantal cellen verdubbelen. Het vruchtje groeit razendsnel: ongeveer 6 dagen na de bevruchting bestaat het vruchtje al uit honderd cellen. k2m3c1

Figuur 1 de bevruchting

5

Na 63 dagen Al na 63 dagen (9 weken) is de foetus al een compleet mensje. De belangrijkste inwendige organen zijn nu aangelegd en de belangrijke uitwendige lichaamsdelen zijn gevormd. Het kindje is echter nog lang niet klaar om geboren te worden, het moet nog veel groeien. Na 13 weken heeft de foetus een Figuur 1 lengte van 6 centimeter. De baby de ontwikkeling van het embryo van de 1e tot de 11e week heeft nu vingertjes die los van elkaar kunnen bewegen. Het mondje kan open en dicht, en misschien is de kleine al in staat zijn duim in zijn mondje te stoppen of de navelstreng vast te pakken.

2

Zoek op hoe groot een eicel is.

3

Maak een groeicurve van deze eerste 3 maanden. Op de website http://www.allesoverkinderen.nl/ne_ontwikkelingvrucht.htm staat informatie over de groei van het embryo. Maak eerst een tabel met de data en vervolgens de grafiek. Teken daarna de grafiek. Week Lengte

6

k2m3c1

4

Zoek een afbeelding van een echo die gemaakt is bij 12 weken. Plak deze op in het onderstaande vak. Misschien is er wel een echo van jezelf die je kunt kopieëren.

Fotovak: eerste echo

Jongen of meisje? Tijdens de bevruchting, als de snelste zaadcel zich in de eicel boort, is al duidelijk welk geslacht het kindje zal hebben. Het geslacht wordt bepaald door chromosomen. Een chromosoom is dus de drager van het erfelijk materiaal. De geslachtschromsomen zijn de Xen Y-chromosomen. Elke lichaamscel bevat 46 chromosomen. Chromosomen komen altijd in paren voor, dus Figuur 3 eigenlijk moet je zeggen dat je een karyogram van een mens: de 23 chromosomen; er zijn hier 23 paren hebt. Om voortplanting twee X-chromosomen mogelijk te maken, is het van belang dat in het kindje ook 46 chromosomen voorkomen. Om daartoe te komen, kun je slechts één deel van jouw paren chromosomen doorgeven. Daarom zijn geslachtscellen uitzonderingen; ze hebben geen 46 maar 23 chromosomen. Immers, een eicel en een zaadcel worden zo samen weer een kindje met 46 chromosomen. In figuur 3 zie je een overzicht van de 23 chromosomen. Een overzicht van de chromosomen van een organisme wordt een karyogram genoemd.

k2m3c1

7

In het karyogram staan dus 22 chromosomenparen gerangschikt van klein naar groot. Paar nummer 23 zijn de geslachtschromosomen. Een vrouw heeft twee keer een X-chromosoom en een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Een eicel heeft dus altijd een X-chromosoom. Een zaadcel heeft dus of een X- of een Y-chromosoom. Afhankelijk van het geslachtschromosoom in de zaadcel wordt het embryo een jongen of een meisje. Heeft de zaadcel een X dan wordt het XX = een meisje. Bevat de zaadcel een Y, dan krijg je XY = een jongetje. Kortom: • Vrouwen hebben alleen X-chromosomen, dus XX. De eicel heeft dus altijd een X-chromosoom. • Mannen hebben altijd een X- en een Y-chromosoom, dus XY. De zaadcel heeft dus een X- of een Y-chromosoom. Een bevruchte eicel kan twee combinaties hebben: XX of XY • XX = een meisje • XY = een jongetje

5

Waar liggen chromosomen? A in de celkernen van speciale lichaamscellen B in de celkernen van alle lichaamscellen C in het cytoplasma van speciale lichaamscellen D in het cytoplasma van alle lichaamscellen Chromosomen komen in paren voor. Hoeveel paar chromosomen heeft een mens?

6

7

De geslachtschromosomen bepalen of iemand een man of een vrouw is. Wat is de code voor een vrouw?

8

k2m3c1

3 Foetus
‘Een foetus is een ongeboren vrucht in het stadium waarin gelijkenis met het volwassen stadium gaat optreden, in deze fase spreken we meestal niet langer over embryo.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Maand 3 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

k2m3c1

9

Maand 5 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

Maand 7 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

10

k2m3c1

Maand 9 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

1

Maak een groeicurve van deze 6 maanden. Gebruik de website: http://www.allesoverkinderen.nl/ne_ontwikkelingvrucht_trim2.htm. Let op: niet bij elke week staat een aantal centimeters. Gebruik de lengtes die je wel weet. Maak eerst een tabel met de data en vervolgens de grafiek. Teken daarna de grafiek. Week Lengte Week Lengte

k2m3c1

11

2

Zoek op vanaf wanneer een te vroeg geboren baby levensvatbaar is.

3

Zoek een afbeelding van een echo die gemaakt is bij 20 weken. Plak deze op in het onderstaande vak. Misschien is er wel een echo van jezelf die je kunt kopieëren.

Fotovak: twintig weken echo

12

k2m3c1

4 Baby
‘Baby of zuigeling is een aanduiding voor de jongste kinderen. Men spreekt over een baby totdat het kind peuter wordt genoemd. Vaak wordt ook een foetus of ongeboren kind, dus nog in de baarmoeder, een baby of buikbaby genoemd.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Eten Het eerste half jaar heeft een baby alleen melk nodig. Alles wat het nodig heeft zit daarin. Sommige kinderen willen al met 4 of 5 maanden een hapje fruit eten. Na een half jaar kan het langzaam mee gaan eten met het eetritme van het gezin. Drie maaltijden per dag. Gezondheid Bij zijn geboorte krijgt een kind antistoffen van zijn moeder mee. Die stoffen beschermen het kind tegen ziektes. Na 6 maanden is die bescherming over. Dan gaat het kind zelf weerstand opbouwen tegen virussen en bacteriën. Om weerstand te krijgen, moet het kind eerst ziek worden. Al die vervelende griepjes, verkoudheden en kinderziektes moet het kind meemaken. Prikken Een paar kinderziektes zijn te ernstig om door te maken. Daartegen krijgt het kind een prik op het consultatiebureau. Dat zijn bijvoorbeeld poli, tetanus en kinkhoest. Roken Voor baby’s en jonge kinderen is ‘meeroken’ extra gevaarlijk. Ze kunnen dan sneller last hebben van oorontsteking en longontsteking. De kans op wiegendood (= onverwachte dood van een baby) wordt ook groter. Zorg er daarom voor, dat kinderen niet in de rook zitten. Thuis niet, in de auto niet, maar ook niet bij anderen. Ook roken tijdens de zwangerschap is gevaarlijk voor het kind. Nicotine en koolmonoxide komen in het bloed van het kind. Ontwikkeling Wat voor karakter heeft de baby? Je kunt al aan het gedrag van een kind zien welk karakter het heeft. Wacht het rustig op zijn voeding? Of krijst het kind tot het helemaal rood is, als het even moet wachten? Een kind met een fel karakter huilt sneller om van alles dan een rustig kind. Om iets heel kleins kan je kind dan al heel driftig worden. Hoe maak je contact met de baby? Praten kan een baby nog niet. Maar aan het gezicht kun je heel goed zien hoe het zich voelt. Kijkt het kind tevreden? Dan voelt het zich goed. Kijkt het kind je aan en maakt het geluidjes? Dan wil het contact met je! Dit noem je de sociale ontwikkeling.

k2m3c1

13

Wat leert een baby? Een baby ontwikkelt zich lichamelijk en mentaal (= verstandelijk) door veel te leren. De baby leert zitten, staan en lopen. Het leren bewegen met het hele lichaam noem je grove motorische ontwikkeling. Een baby leert ook kleine bewegingen te maken, vooral met de handen. Een baby leert met zijn voetjes te spelen en blokjes op te pakken. Dit noem je de fijne motorische ontwikkeling.

1

Hoe was jouw karakter? Ben je erg veranderd of heb je nog hetzelfde karakter als toen je een baby was?

2

Het eerste wat baby’s drinken is melk. Wat is het eerste voedsel dat ze eten?

Keuzeopdracht Op de elo vind je informatie over een keuzeopdracht. Lees deze informatie goed door. Je mag voor deze keuzeopdracht een baby observeren. Fotovak: eerste hapje (je mag je eigen foto hier overheen plakken!)

14

k2m3c1

5 Peuter
‘Een peuter is een kind tussen circa één jaar en de instap in de kleuterschool.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord

1

Een jong kind leert steeds beter contact te maken met andere mensen. Hoe wordt deze ontwikkeling genoemd?

Keuzeopdracht Op de elo vind je informatie over een keuzeopdracht. Lees deze informatie goed door. Je mag voor deze keuzeopdracht een peuter observeren. Jaar 1-2 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

k2m3c1

15

Jaar 2-3 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

Jaar 3-4 Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

16

k2m3c1

6 Kleuter
‘De kleutertijd begint na de peutertijd, als het kind naar de kleuterschool gaat, en eindigt op een leeftijd van zo’n zes jaar, wanneer het kind zich meer bewust wordt, realistischer en abstracter denkt en overstapt naar de lagere school.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

k2m3c1

17

1

Vul het volgende schema in. Gebruik daarbij: Bij grove motorische ontwikkeling: leert fietsen - leert klimmen - leert lopen - leert staan - leert tegen een bal schoppen - leert traplopen Bij fijne motorische ontwikkeling: leert een blokje oppakken - leert een torentje bouwen - leert eten met een lepel - leert met zijn voetjes spelen - leert tekenen - leert veters strikken Bij sociale ontwikkeling: leert met andere kinderen spelen - leert praten - leert reageren op andere mensen Ontwikkeling Baby Peuter Kleuter

Grove motorische ontwikkeling

Fijne motorische ontwikkeling Sociale ontwikkeling

Keuzeopdracht Op de elo vind je informatie over een keuzeopdracht. Lees deze informatie goed door. Je mag voor deze keuzeopdracht een kleuter observeren.

18

k2m3c1

7 Schoolkind
‘Een schoolkind is een kind van 6 tot 12 jaar. In Nederland zit een schoolkind in groep drie tot en met acht van de basisschool’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

1

Geef drie voorbeelden van geestelijke ontwikkeling (= mentale of verstandelijke ontwikkeling) bij een schoolkind.

2

Wat vond je zelf leuk aan het schoolkind zijn?

k2m3c1

19

8 Puber
‘De puberteit is de periode waarin meisjes en jongen zich tot volwassene ontwikkelen. Ze worden geslachtsrijp en ontwikkelen zich mentaal tot volwassenen. In het algemeen zijn deze veranderingen het meest opvallend tussen tien en achttien jaar.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

Een boeiende fase van je leven: de puberteit. Je zit zelf ook in de puberteit; dat betekent: je wordt volwassen. Je lichaam verandert. Je gevoelens veranderen. De hele wereld is aan het veranderen, en hoe opwindend dit allemaal ook is, soms is het behoorlijk inspannend. Maak een ontdekkingstocht door je eigen lichaam. Er gebeurt namelijk iets heel belangrijks met jou. Je moet weten wat dat is. Want de pubertijd heeft maar één doel: zelfstandig door het leven kunnen gaan. Gedurende de kindertijd groeien de geslachtsorganen gewoon mee met het lichaam, zonder dat er veel verandert. De geslachtskenmerken die je al vanaf je geboorte hebt noem je de primaire geslachtskenmerken. Pas bij het begin van de puberteit gaan zij zich volledig ontwikkelen en beginnen stap voor stap te werken. In de hersenen worden hormonen gemaakt die in het bloed komen. Die hormonen zorgen ervoor dat er in de eierstokken en zaadballen geslachtshormonen worden k2m3c1 20

gemaakt. Tijdens jouw ontwikkeling worden op een gegeven moment steeds meer geslachtshormonen gemaakt. Dit gebeurt meestal op een leeftijd van tien tot elf jaar bij meisjes. Bij jongens gebeurt het één tot twee jaar later. De geslachtshormonen zorgen ervoor dat je lichaam verandert. De lichamelijke kenmerken die ontstaan in de puberteit zijn de secundaire geslachtskenmerken. Jongens en meisjes lijken wel wat op elkaar als zij nog kinderen zijn. Maar dat verandert als de puberteit begint en die veranderingen gaan behoorlijk snel. Nu ziet je lichaam er misschien nog uit als dat van een kind, maar tegen het einde van de puberteit heb je het lichaam van een volwassene. In context 2 lees je meer over de geslachtsorganen. Verder merk je veranderingen op die je niet kunt zien: je opvattingen, meningen en gevoelens veranderen. Zo’n grote verandering vindt natuurlijk niet van de ene op de andere dag plaats. Meestal duurt het een aantal jaren. En deze jaren kunnen behoorlijk inspannend zijn. Omdat je het allemaal niet meer zo goed weet, je zelfvertrouwen misschien afneemt, je misschien onzeker wordt en je je schaamt voor jezelf. Je hebt een omgeving nodig die je begrijpt en steunt.

1

Waaraan merkt een meisje dat ze vruchtbaar is?

2

Welke primaire geslachtskenmerken heeft een meisje?

3

Een jongen is vruchtbaar: wat betekent dat?

4

Beschrijf het verschil tussen primaire en secundaire geslachtskenmerken en gebruik het woord hormonen.

5

Zoek op wat tertiaire geslachtskenmerken zijn.

k2m3c1

21

9 Adolescent
‘Adolescentie is de overgang in de ontwikkeling tussen de jeugd en volledige volwassenheid, hetgeen een periode representeert waarin een persoon biologisch, maar niet emotioneel volgroeid is.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

Ook in de periode van adolescentie verandert er veel. Je wordt meer en meer volwassen. Op 18 jarige leeftijd ben je voor de Nederlandse wet volwassen of meerderjarig. Dit betekend dat je bijvoorbeeld stemrecht krijgt, maar ook dat je helemaal zelf verantwoordelijk voor de wet wordt voor al je daden. Op 18 jarige leeftijd mag je ook beginnen met het volgen van rijlessen. Op 21 jarige leeftijd ben je onafhankelijk, dit betekend dat je geheel voor jezelf kunt zorgen. In de praktijk kan de vowassenheid wat beteft je lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, eerder of later plaatsvinden. Veel jongeren zijn al wel lichamelijk volwassen, maar moeten geestelijk nog verder ontwikkelen.

22

k2m3c1

10 Volwassene
‘We noemen iemand een volwassene als die zelfstandig, dus zonder de hulp van anderen, kan handelen.’ (wikipedia)
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

1

Wat zijn jouw dromen als volwassene?

k2m3c1

23

11 Bejaarde
‘Iemand van gevorderde leeftijd wordt wel bejaard genoemd. Wat die leeftijd is, is subjectief Voor veel jongeren is iemand van boven de 65 bejaard. Als men spreekt van een hoogbejaarde bedoelt men iemand van boven de 80 jaar.’
Biologie

Leeftijd Kernwoord Belangrijkste ontwikkeling: Lengte:

Afbeelding:

24

k2m3c1

12 Samengevat
Biologie

Ontwikkelingsfase

Kenmerken

k2m3c1

25

Context 2: Seksualiteit

13 Geslachtsorganen
Biologie

Speciaal voor meiden Bij meisjes bevinden de geslachtsorganen zich in de onderbuik, perfect beschermd door het schaambeen. In de afbeelding kun je alles duidelijk zien:

Figuur 1 vooraanzicht vrouw

Figuur 2 zijaanzicht vrouw

De vagina is de verbinding tussen de geslachtsorganen en de buitenwereld. De vagina is een elastische buis. Zij is zeer nauw bij de ingang en wordt verder naar binnen veel wijder. De ingang van de vagina ligt tussen de opening van de urinebuis en de anus. Aan de buitenkant wordt de ingang naar de vagina bedekt door de grote en kleine schaamlippen en rondom de ingang naar de vagina zit het maagdenvlies, een zachte elastische huidplooi. Helemaal vooraan, nog voor de urinebuis, zit de clitoris. Aan het einde van de vagina ligt de baarmoedermond, een tamelijk strakke ‘ring’ met een hele kleine opening die toegang geeft tot de baarmoeder. De baarmoeder bestaat uit een dikke spierwand die een kleine holte omsluit. Twee dunne buizen, de eileiders, lopen van het bovenste deel van de baarmoeder naar de eierstokken. Tijdens de puberteit maakt jouw lichaam zich gereed voor het krijgen van een baby. Het eerste geslachtsorgaan dat verandert, is je vagina. Het maagdenvlies rondom de ingang naar je vagina wordt zacht en elastisch, je grote schaamlippen groeien en bedekken je kleine schaamlippen. Vlak daarna begint je schaamhaar te groeien en beginnen ook je borsten groter te worden. Soms groeit de ene borst sneller dan de andere. Na verloop van tijd wordt dit meestal gecorrigeerd. Of jouw borsten groot of klein worden, ligt al vast bij je geboorte. Je gaat ook harder groeien en je lichaam wordt vrouwelijker, met name in de periode voor de eerste menstruatie. Je bekken bijvoorbeeld wordt wat breder, want als je ooit zwanger wordt, zal je baby die ruimte nodig hebben. De groeifase is meestal afgerond rond je zeventiende. Tegen die tijd heb je je uiteindelijke lichaamsgrootte bereikt. Je hebt dan haargroei in je schaamstreek en onder je armen, en je borsten zijn volgroeid. Al deze geslachtskenmerken Figuur 3 noemen we secundaire geslachtskenmerken (figuur 3). ontwikkeling bij een vrouw 26 k2m3c2

Speciaal voor jongens Bij jongens bevinden de geslachtsorganen zich voornamelijk aan de buitenkant van het lichaam. Je kunt ze in de afbeelding zien:

Figuur 4 vooraanzicht man

Figuur 5 zijaanzicht man

De penis bestaat uit drie sigaarvormige organen (zwellichamen), die zich tijdens seksuele opwinding met bloed vullen, waardoor de penis stijf wordt. Het voorste deel van de penis, de eikel, is deels bedekt door de voorhuid. De penis heeft twee functies: ten eerste dient hij voor het plassen en ten tweede wordt hij gebruikt als voortplantingsorgaan tijdens de geslachtsgemeenschap. Onder de penis bevinden zich twee zaadballen in de balzak (scrotum) met ieder een bijbal. De zaadballen noemen we ook wel teelballen of testikels. Tijdens de puberteit beginnen de zaadballen zaadcellen (figuur 6) te produceren, die worden opgeslagen in de bijbal. De mannelijke zaadcellen Figuur 6 dienen ervoor om de vrouwelijke eicel schematische tekening van een zaadcel te bevruchten. Zaadcellen en zaadvocht samen noemen we sperma. De zaadcellen zijn erg klein. Je kunt ze alleen onder een microscoop zien. Tijdens seksuele opwinding (dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door aanraking of door dromen), worden er zaadcellen vrijgegeven door de bijbal. Via de zaadleider passeren zij de prostaatklier en de zaadblaasjes. Daar worden zij vermengd met het vocht van de zaadblaasjes en de prostaat, voordat zij via de stijve penis worden uitgestoten. Dit wordt een zaadlozing genoemd. Het vocht dat wordt toegevoegd uit de zaadblaasjes en de prostaatklier, zorgt ervoor dat de zaadcellen beweeglijk worden en gedurende een bepaalde tijd blijven leven. Daardoor kunnen de zaadcellen de lange weg naar de vrouwelijke eicel afleggen. De eerste duidelijke veranderingen bij jongens zijn de groei van de zaadballen (die vaak verschillende groottes kunnen hebben en ongelijk kunnen hangen), de penis en het schaamhaar. Als de zaadballen beginnen te groeien, begint ook de aanmaak van sperma. De eerste zaadlozing in de slaap kan enige tijd hierna plaatsvinden. Dit betekent dat het sperma niet per se bij bewustzijn wordt geloosd. Dit is heel normaal. Iedere jongen heeft deze zogenaamde ‘natte dromen’ tijdens de puberteit. k2m3c2 27

Bij jongens vindt de groeispurt meestal iets later plaats dan bij meisjes. Je wordt zwaarder en ontwikkelt bredere schouders. Je heupen blijven meestal smal. Rond je vijftiende jaar krijg je de baard in de keel. Je stem wordt zwaarder en mannelijker. De toegenomen productie van geslachtshormonen zorgt er ook voor dat je gezichtshaar begint te groeien. Bij jongens is, net als bij de meisjes, de groeifase op ongeveer je zeventiende jaar afgelopen. Op deze leeftijd heb je je uiteindelijke lengte bereikt, heb je haargroei in de schaamstreek en onder je armen en zijn je zaadballen en penis volledig ontwikkeld. Hoewel de grootte van de penis een belangrijk onderwerp is voor veel jongens, heeft het absoluut geen invloed op je seksleven of de vruchtbaarheid.

1

Benoem de delen van het vrouwelijk voortplantingsstelsel a tot en met n van figuur 8. Geef voor elk van de onderdelen ook de functies aan. Gebruik daarbij: http://www.bioplek.org/animaties/ voortplanting/inhoudvoortplanting.html

Figuur 7 ontwikkeling bij een vrouw

Figuur 8 zijaanzicht van het vrouwelijk voortplantingsstelsel

Onderdeel

Functie

a

28

k2m3c2

b

c

d

e

f

g

h

i

j

k

l

m

n

k2m3c2

29

2

Benoem de delen van het mannelijk voortplantingsstelsel a tot en met o van figuur 9. Geef voor elk van de onderdelen ook de functies aan. Gebruik daarbij: http://www.bioplek.org/animaties/voortplanting/ inhoudvoortplanting.html

Figuur 8 zijaanzicht van het mannenlijk voortplantingsstelsel

Onderdeel

Functie

a

b

c

d

e

30

k2m3c2

f

g

h

i

j

k

l

m

n

o

3

Waarom komt er tijdens een zaadlozing geen urine door de urinebuis naar buiten?

k2m3c2

31

14 Menstruatiecyclus
Voor alle tieners is de puberteit een beslissende fase in hun leven. Meisjes zijn er zich nog meer bewust van dan jongens dat zij volwassen beginnen te worden. Want dit is het moment waarop zij voor het eerst hun menstruatie krijgen, ook wel ongesteldheid genoemd. Er is haast geen meisje dat niet ongerust is over of uitkijkt naar deze gebeurtenis: wanneer zal het beginnen? Hoe zal het zijn?
Biologie

De menstruatiecyclus is een zich voortdurend herhalend proces. Het begint op de eerste dag van de menstruatie en eindigt op de laatste dag voor de volgende menstruatie. De meeste meisjes worden tussen hun twaalfde en dertiende jaar voor het eerst ongesteld. Het exacte moment wordt bepaald door de hormonen. In figuur 1 tot 4 zie je wat er in de voortplantingsorganen van een vrouw gebeurt: 1. Er rijpt een eicel in een van de eierstokken (figuur 1). 2. Het baarmoederslijmvlies wordt dikker en er groeien meer bloedvaten in. Daardoor wordt de baarmoeder geschikt om een baby te laten groeien. 3. De eisprong of ovulatie is 14 dagen voor het begin van de nieuwe cyclus. Na de eisprong blijft de eicel nog 12 tot 24 uur leven. Wordt de eicel niet bevrucht dan gaat zij dood (figuur 2 en 3). 4. Het verdikte baarmoederslijmvlies is niet meer nodig en laat na nog twee weken los. Stukjes van dit slijmvlies druppelen samen met wat bloed uit de vagina. Dat heet menstruatie of ongesteld zijn (figuur 4).

Figuur 1 rijping van een eicel

Figuur 2 eisprong

Figuur 3 de eicel gaat in de richting van de baarmoeder

Figuur 4 menstruatie

Na de menstruatie begint alles weer opnieuw. Wat er van de ene menstruatie tot de volgende gebeurt, heet de menstruatiecyclus. Een cyclus duurt gemiddeld 28 dagen, maar kan ook langer zijn. k2m3c2 32

De menstruatie wordt geregeld door hormonen. Aan het begin van de menstruatiecyclus (figuur 5) gaat onder invloed van een hormoon uit de hypofyse een eiblaasje (follikel) groeien. De eicel in een eiblaasje rijpt dan. Tijdens het groeien produceert een eiblaasje steeds meer van het hormoon oestrogeen. Dat heeft drie gevolgen: 1. Er gaan geen andere eicellen rijpen. 2. Het baarmoederslijmvlies wordt dikker. 3. Zit er veel oestrogeen in het bloed dan geeft de hypofyse een seintje voor de eisprong. Na de eisprong gaat het eiblaasje behalve oestrogeen ook nog het hormoon progesteron produceren. Progesteron stimuleert de groei en doorbloeding van het baarmoederslijmvlies. Als de eicel niet bevrucht is, neemt de productie van oestrogeen en progesteron af. Hierdoor komt de menstruatie op en begint de cyclus opnieuw.

Figuur 5 de menstruatiecyclus

1

Zet onderstaande gebeurtenissen in de juiste volgorde. a. Er ontstaan eicellen b. Een eicel wordt door de eileider vervoert c. Een eiblaasje wordt steeds groter d. Er vindt menstruatie plaats e. Er vindt een eisprong plaats -> -> -> ->

2

Wat gebeurt er tijdens de ovulatie?

3

Tijdens welke levensfasen van een vrouw kan ovulatie plaatsvinden?

k2m3c2

33

4

In welk gedeelte van het voortplantingsstelsel van een vrouw vindt de bevruchting plaats?

5

Wat is menstruatie?

6

Hoe komt het dat meisjes en vrouwen soms last hebben van buikkrampen tijdens hun menstruatie?

7

Een vrouw geeft op de kalender (figuur 6) aan wanneer ze ongesteld is geworden. Dat is op 3 januari. Wanneer heeft deze vrouw haar ovulatie?

Figuur 6 Januari 2011

Op welke dagen is zij vruchtbaar? Bedenk hierbij dat zaadcellen gemiddeld twee tot drie dagen leven.

Op welke datum heeft zij haar volgende menstruatie ?

Wat gebeurt er met haar menstruatie als er een bevruchting heeft plaatsgevonden?

34

k2m3c2

8

Als een vrouw haar menstruatie heeft gehad, begint de aangroei van het baarmoeder slijmvlies opnieuw. Dit slijmvlies wordt tijdens de cyclus steeds dikker. Onder invloed van welke hormonen vindt deze aangroei plaats?

9

Wat is de functie van het aangroeien van het baarmoederslijmvlies?

10

Een menstruatie is het gevolg van het niet bevruchten van een eicel. Wat gebeurt er tijdens de menstruatie? A baarmoederslijmvlies en bloed gaan uit baarmoeder van vrouw B baarmoederslijmvlies en eicel gaan uit baarmoeder van vrouw C bloed, spermacel en eicel gaan uit baarmoeder van vrouw D bloed en voedingsstoffen gaan uit baarmoeder van vrouw Leg uit waardoor een meisje dat de anticonceptiepil gebruikt niet zwanger kan worden (zie voor werking anticonceptiepil hoofdstuk 16).

11

15 Seksualiteit
De bevruchting van een eicel met een zaadcel kan pas plaatsvinden als een man en vrouw gemeenschap of seks met elkaar hebben gehad. Maar dat is niet de enige functie van seksualiteit. Seksualiteit is belangrijk voor twee partners om elkaar liefde te kunnen geven. Seksualiteit is dus ook iets om van te genieten en belangrijk voor de band tussen man en vrouw.
Biologie

Er wordt in onze cultuur soms heel banaal over seks gesproken. Je leest het onder andere in tijdschriften of hoort er iets over op tv. Je ziet in onze maatschappij dat mensen seks gebruiken om er enkel het genot van mee te maken, maar niet de relatie met die andere persoon aangaan. Als je niet in liefde op de ander bent gericht, dan wordt seks een korte ervaring van genot die je geen echte bevrediging biedt. Dat maakt seksualiteit tot iets, waarvoor het niet bedoeld is. Voor seks is intimiteit nodig. Je geeft je immers helemaal bloot aan elkaar. Zowel letterlijk als figuurlijk. Seks tussen man en vrouw vraagt dus om een relatie van liefde en trouw die zij met elkaar hebben. k2m3c2 35

Uit een onderzoek ‘seks onder je 25ste’ (Rutgers Nisso Groep/Soa Aids Nederland) blijkt dat 30 % van de schoolgaande jeugd ervaring met geslachtsgemeenschap heeft. Misschien heb je wel eens gevoel dat iedereen van jouw leeftijd seksueel actief is. Maar hieruit blijkt dat ruim 2/3 van je leeftijdgenoten geen ervaring met geslachtsgemeenschap heeft. De bijbel gaat het onderwerp seksualiteit niet uit de weg. De bijbel is positief over seksualiteit. De liefde tussen man en vrouw en de bijbehorende seksualiteit worden beschreven als een groot geschenk. We lezen dat in het boek Hooglied. Maar ook in Genesis lezen we hier over, als Adam verlangt naar een partner zegt God: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is’. De mens heeft een medemens nodig, een partner. En God geeft Adam een partner om lief te hebben en trouw aan te zijn.

1

Wat doet het je om te lezen dat seksualiteit een geschenk van God is?

2

Wat heb je zelf van huis uit meegekregen rond relaties en seksualiteit?

3

Hoe gaat men om/denkt men over het uiterlijk van vrouw en man? Denk aan reclame op tv, soapseries en posters langs snelwegen.

4

Hoe ga je als jongen en meisje met elkaar om? Denk bijvoorbeeld aan hoe je je gedraagt in de groep ten opzichte van het andere geslacht.

5

Lees hoe de dichter van Hooglied beschrijft hoe de man denkt over het uiterlijk van de vrouw. Lees Hooglied 1:9-15 en 4: 1-7

36

k2m3c2

6

Lees hoe de dichter van Hooglied beschrijft hoe de vrouw denkt over het uiterlijk van de man. Lees Hooglied 5: 9-16 en 2: 8 en 9

7

Wat is de opvatting van de dichter over hoe een jongen een een meisje met elkaar zouden moeten omgaan in hun relatie? Lees Hooglied 4: 9 en 10 en 6:3 en 7:10 en 8:13 en 2:6

8

Wat zegt de dichter van Hooglied over het tijdstip van het beginnen van een seksuele relatie; de grenzen van hoe ver je gaat in die relatie en met wie je een relatie aangaat? Lees Hooglied 2:7 en 3:5 en 4:12 en 6:9 en 8: 4 en 7

Gerry Velema & Kees Kraaijenoord Je gaat nu kijken naar een lezing waarin Gerry Velema en Kees Kraaijenoord voor medechristenen spreken. In deze lezing vertellen ze over hun persoonlijke leven. Jij was ook te gast en je wordt gevraagd of jij volgend jaar iets persoonlijks wilt delen om andere leeftijdsgenoten weer verder te helpen. Verwerk dit in een • liefdeslied • gedicht • rap • liefdesverhaal • dagboekfragment Je mag kiezen uit een van de volgende opdrachten. Schrijf op hoe je zelf denkt over • homoseksualiteit (zie ook hoofdstuk 17) • tijdschriften waarin veel over seks wordt gesproken k2m3c2 37

• seksualiteit in de maatschappij en in de bijbel • het invloed uitoefenen op je eigen seksuele gevoelens en de seksuele gevoelens van het andere geslacht • advertenties, waarin veel bloot voorkomt Bedenk bij het onderwerp • hoe je er zelf mee omgaat (bijvoorbeeld hoe jij zelf met homo’s omgaat of wat een artikel dat gaat over seks met jezelf doet) • mening van anderen / de bijbel / de maatschappij Je levert het persoonlijk in een envelop in of je mag het voorlezen/zingen/rappen.

16 Voorbehoedsmiddelen
Een man en een vrouw kunnen voorbehoedsmiddelen gebruiken om daarmee te voorkomen dat er een bevruchting plaatsvindt. De verschillende voorbehoedsmiddelen werken elk op een andere manier.
Biologie

Het condoom Een condoom (figuur 1) is een rubberen hoesje, dat om de penis wordt geschoven. De zaadcellen worden op die manier in het condoom opgevangen. Een condoom wordt omgedaan tijdens de erectie. Je kunt een condoom maar een keer gebruiken. Het zorgt er ook voor dat er geen ziekteverwekkers tussen man en vrouw worden overgebracht. Het condoom biedt dus ook bescherming tegen Aids en andere seksueel overdraagFiguur 1 bare aandoeningen een opgerold condoom (soa’s ). De anticonceptiepil In de pil (figuur 3) zitten hormonen, die ervoor zorgen dat de vrouw geen ovulatie heeft. Ook zorgt de pil ervoor dat de slijmlaag rond de baarmoedermond wat dikker wordt. Zo kunnen er dus moeilijk zaadcellen naar binnen. Een vrouw moet de pil elke dag innemen. In de week waarin de menstruatie plaatsvindt wordt vaak geen pil ingenomen. Er zijn verschillende soorten anticonceptiepillen. Een arts kan er op toezien welke soort het beste bij de vrouw past en waar ze niet te veel bijwerkingen van heeft. De tabletten zitten in strips, waarop de dagen van de week staan. Zo kan een vrouw goed zien of ze die dag de pil al heeft ingenomen. Meisjes die veel last hebben buikkrampen tijdens hun menstruatie kunnen van de huisarts soms ook de anticonceptiepil voorgeschreven krijgen. 38

Figuur 2 het omdoen van het condoom: houd het topje van het condoom vast en rol met de andere hand het condoom over de penis

k2m3c2

Figuur 3 strips van de anticonceptiepil

Figuur 4 een ingebracht vrouwencondoom

Het vrouwencondoom Het vrouwencondoom is een rubberen zakje dat de vrouw in haar vagina plaatst (figuur 4). Het vangt het sperma op, zodat het niet in de vagina komt. Ook het vrouwencondoom biedt bescherming tegen seksueel overdraagbare aandoeningen. Je kunt het condoom maar een keer gebruiken. Het pessarium Het pessarium is een rond kapje dat je over de baarmoederhals in de vagina plaatst voordat je gaat vrijen. Je smeert er ook zaaddodend middel in en op, waardoor zaadcellen de baarmoeder niet levend kunnen binnenkomen.

Figuur 5 het inbrengen van een pessarium

Figuur 6 een spiraaltje

Het spiraaltje Het spiraaltje is een kunststof ankertje (2,5 tot 3,5 cm lang) dat in de baarmoeder wordt geplaatst om zwangerschap te voorkomen. Dit gebeurt door een huisarts. Het spiraaltje zorgt voor veranderingen in het baarmoederslijmvlies, waardoor de bevruchte eicel zich niet kan innestelen. Sommige christen zijn tegen het gebruik van een spiraaltje, omdat je een bevruchte eicel afstoot, wat dus op abortus lijkt. Andere christenen verdedigen dat door te zeggen dat je op grond van de Bijbel niet met zekerheid kan zeggen of het menselijk leven begint bij de versmelting van een eicel en een zaadcel, of bij de innesteling in de baarmoeder. De prikpil De prikpil is een injectie met hormonen, die je elke 3 maanden bij de huisarts moet halen. De hormonen in de pil zorgen ervoor dat er geen eisprong ontstaat.

k2m3c2

39

Sterilisatie Bij sterilisatie van de vrouw worden de eileiders via een operatie geblokkeerd. Bij sterilisatie van de man worden de zaadleiders geblokkeerd. Deze ingreep is definitief. Morning-afterpil Een vrouw kan na de geslachtsgemeenschap naar een arts toe gaan om een morningafter pil te halen. Dit is een noodmaatregel als bijvoorbeeld de condoom gescheurd is. De vrouw moet dan een aantal dagen pillen slikken met grote hoeveelheden hormonen. Ze kan hierdoor misselijk worden. Abortus Als het te laat is voor de morning afterpil kan de vrouw voordat ze 13 weken zwanger is om een abortus vragen. Een vrouw die om abortus vraagt heeft na het gesprek met de arts nog 5 dagen verplichte bedenktijd. Met een zuigpompje wordt het baarmoederslijmvlies met het embryo weggezogen.

1

Wat vind je ervan als mensen noodmaatregelen toepassen als ze ongewenst zwanger zijn geworden? Maakt het daarbij verschil uit of ze de morning-afterpil gebruiken of abortus laten plegen? Maakt het voor een abortus verschil uit of een meisje uit vrije wil met iemand naar bed is geweest, of is verkracht?

2

In de onderstaande tabel staan de voorbehoedsmiddelen uit dit hoofdstuk. Vul de tabel verder in met de werking van het middel (waarom voorkomt het bevruchting) en de voor- en nadelen van het middel.

Voorbehoedsmiddel Condoom

Werking

Voordeel

Nadeel

Anticonceptiepil Vrouwencondoom

40

k2m3c2

Pessarium

Spiraaltje

Prikpil

Sterilisatie

17 Homoseksualiteit
Als twee partners van hetzelfde geslacht een relatie met elkaar krijgen dan noemen we die personen homoseksueel. Dit is het tegenovergestelde van heteroseksueel (twee verschillende geslachten).
Biologie

Er bestaan in de christelijke wereld verschillende meningen over homoseksualiteit. Sommige zeggen dat de bijbel homoseksualiteit afwijst. Anderen zeggen dat het begrip homofilie, zoals wij dat kennen, niet voorkomt in de bijbel. De bijbel zegt niks over homoseksuelen die hun relatie in liefde en trouw beleven.

1

Lees met de klas een aantal bijbelteksten. Schrijf eronder wat ze te betekenen hebben. Leviticus 20:13

Leviticus 18:22

k2m3c2

41

Romeinen 1:25-28

1 Timotheüs 1:9

2

Je gaat nu stilstaan bij een aantal situaties die je in je omgeving tegen zou kunnen komen. In alle gevallen gaat het om christelijke homo’s. Lees onderstaande situaties: Lucas: ‘Mijn broer Albert is homo. Nu heeft hij sinds kort een vriend Rik. Ik vind Rik een toffe gast, dat wel. Maar toch: een broer die een relatie heeft met een andere man? Ik weet het niet. Ik durf het op school in ieder geval niet te vertellen.’ Waarom zou Lucas op school niet durven vertellen dat zijn broer een vriend heeft?
Figuur 1

Stel dat Albert jouw broer is. Wat zou het voor jou betekenen in je relatie met je broer?

42

k2m3c2

Stel dat Albert jouw broer is. Zou jij erover praten met klasgenoten? Zo ja, hoe?

Esther: ‘Ik ben lesbienne. Ik ben christen. Dat betekent voor mij dat ik nooit een relatie kan hebben. Geen man, geen kinderen. Natuurlijk heb ik wel vriendinnen. Maar als ik verliefd wordt op een meisje, dan kan ik haar niet vragen of zij verkering met mij wil. Dat mag niet. Dus, nu moet ik altijd alleen blijven. Ik wordt daar wel eens verdrietig van, maar ik weet zeker dat God mij wil helpen om dit kruis te dragen.’ Waarom zou Esther ervoor kiezen alleen te blijven?
Figuur 2

Wat zou Esther van jou nodig hebben om zich gerespecteerd te voelen?

18 Verspreiding van soa’s
Sommige ziekten kunnen via seksueel contact worden overgedragen. Deze ziekten worden SOA’s( seksueel overdraagbarde aandoening) genoemd.
Biologie

In Nederland vinden er jaarlijks naar schatting ruim 100.000 nieuwe soa-infecties plaats. De meest voorkomende SOA’s in Nederland zijn Chlamydia, Genitale wratten, Gonorroe, Hepatitis B, Herpes genitalis, Syfilis en HIV-virus.

k2m3c2

43

1

Zoek van van de onderstaande ziekten op wat de ziekteverschijnselen zijn. Chlamydia Genitale wratten Gonorroe Hepatitis B Herpes genitalis Syfilis

2

HIV: Met de klas ga je nu nabootsen hoe het HIV-virus zich onder de mensen kan verspreiden. • De klas wordt in vier groepen verdeeld. Elke groep krijgt een bepaald seksueel gedrag als rol toegewezen: - Groep 1 – onthoudt zich van seksueel contact - Groep 2 – vrijt meestal veilig, maar af en toe niet - Groep 3 – vrijt nu eens veilig, dan weer niet - Groep 4 – vrijt nooit veilig • Je krijgt de opdracht om door de klas te lopen en elk tien keer ‘met iemand contact te hebben’. Dit wordt uitgebeeld door met de ander te proosten, al dan niet nadat men de inhoud van hun bekertjes met elkaar gemengd heeft. Om te mengen hoeft men alleen het ene bekertje in het andere leeg te gieten om vervolgens de helft van het nu volle bekertje weer terug te doen. Elke groep vertoont ander gedrag: - Groep 1 – proost alleen maar en houdt de inhoud van het eigen bekertje ongemengd - Groep 2 – laat het meestal bij proosten, maar zal twee keer de inhoud van het eigen bekertje mengen met die van de ander - Groep 3 – laat het de ene keer bij proosten, maar zal een andere keer (in totaal minstens vier keer) de bekertjes mengen - Groep 4 – wil eigenlijk altijd mengen, al zal de ander daar niet altijd mee instemmen Na afloop bespreek je wat er is gebeurt. Wat kun je nu vertellen over de verspreiding van het HIV-virus?

44

k2m3c2

19 HIV/Aids
Biologie

1

In de klas krijg je 20 stellingen te zien over HIV/Aids. Hieronder zijn de stellingen ook weergegeven, zodat je kunt aangeven of je het er wel of niet mee eens bent. Geef bij elke stelling aan of deze volgens jou juist is of niet.

Stelling 1. HIV is hetzelfde als Aids 2. Aids werd ongeveer 25 jaar geleden ontdekt 3. Het Aids-virus wordt alleen overgedragen via seksueel contact 4. Aids komt vooral bij homoseksuele mannen voor 5. De meeste mensen met Aids wonen in Afrika 6. Door onveilig seksueel gedrag kun je besmet raken met Aids 7. Er bestaat een sterk verband tussen armoede en Aids 8. Als je Aids krijgt, is dat – hoe hard het ook klinkt – voor een deel je eigen schuld 9. Aids is doodsoorzaak nummer 1 in de wereld 10. Je kan niet genezen van Aids 11. Je kan tegen Aids ingeënt worden 12. Ik kan ervoor zorgen dat ik zelf geen Aids krijg 13. Ik kan iets doen aan de bestrijding van Aids 14. Het hoge Aids-cijfer in ontwikkelingslanden is het gevolg van een slordige seksuele moraal 15. Europeanen hebben een gezondere seksuele moraal dan Afrikanen 16. Nederland moet meer ontwikkelingsgeld besteden aan het voorkómen van Aids 17. Rijke landen doen genoeg aan onderzoek naar medicijnen tegen Aids 18. Seksuele onthouding is het beste middel tegen Aids 19. Ik voel mij niet verantwoordelijkheid voor mensen met Aids 20. Als iemand in mijn klas Aids zou hebben, zou ik dat willen weten

Juist

Onjuist

k2m3c2

45

Ga naar www.justcare.nl. Het doel van Just Care is dat jongeren zich (nog) meer bewust worden van de armoede in de derde wereld. Dat ze nadenken over wat ze zelf kunnen doen voor hun verre naaste! Op www.justcare.nl ga je aan de slag met het thema HIV/ Aids. Dit doe je met behulp van de website en de vragen op pagina 46 t/m 48. • Klik op leerlingen en dan op HIV/Aids. • Klik aan de rechterkant op Les 1 - Wat is Aids? Deze les bestaat uit vijf onderdelen die je ook aan de rechterkant kunt aanklikken. Bij deze vijf onderdelen horen de vragen en opdrachten die je op pagina 46 t/m 48 kunt vinden. Lees elke keer voor het maken van de opdrachten de tekst die bij die opdracht hoort! 1.1 - HIV/Aids: What’s in a name? • Klik op 1.1 - HIV/Aids: What’s in a name? en lees deze les door.

2

Leg in één zin het verschil tussen HIV en Aids uit.

3

Noem een belangrijke reden waarom Aids zo gemakkelijk verspreid wordt.

1.2 - Het ontstaan van Aids • Klik op 1.2 - Het ontstaan van Aids en lees deze les door.

4

Virussen kunnen van dieren op mensen overgaan. Dit verschijnsel heet zoönose. Kun je een ander voorbeeld van zoönose geven?

5

Waarom zou het belangrijk kunnen zijn om te weten hoe Aids ontstaan is?

1.3 - De verspreiding van HIV/Aids • Klik op 1.3 - De verspreiding van HIV/Aids en lees deze les door.

46

k2m3c2

6

Besmetting met HIV wordt niet altijd veroorzaakt door eigen gedrag. Geef vier voorbeelden.

7

Kun je met HIV besmet raken door mond-op-mondbeademing? Licht je antwoord toe.

1.4 - Genezing en medicijnen • Klik op 1.4 - Genezing en medicijnen en lees deze les door.

8

Zoek op wat voor type bloedcel een T-cel is.

9

Kun je nu bedenken waarom HIV zo’n vervelend virus is?

1.5 - Omvang van de epidemie • Klik op 1.5 - Omvang van de epidemie en lees deze les door.

10

In welke regio uit de tabel komen de meeste HIV-besmettingen voor?

11

Hoeveel mensen zijn dat, ook in percentage van de wereldbevolking?

k2m3c2

47

12

Waarom komt Aids juist daar zoveel voor denk je?

13

Welke gevolgen kan een hoog Aids-cijfer hebben voor een samenleving?

14

Reken uit hoeveel mensen er tijdens een lesuur met Aids zijn overleden en hoeveel er met HIV besmet zijn geraakt.

Een bekende uitspraak is: ‘Jezus veroordeelt de zonde, maar heeft de zondaar lief.’ Denk maar aan de vrouw die bij Jezus gebracht werd, nadat ze betrapt was op overspel. Jezus schenkt haar vergeving, maar roept haar wel op niet meer te zondigen (Johannes 8). Tijdens Zijn rondwandeling op aarde was Jezus bewogen met het leven van de (lijdende) mensen. Hij predikte het Evangelie van Gods Koninkrijk en genas alle ziekte en kwaal onder de mensen (Matheus 4:23). De hele Bijbel staat vol met oproepen... • om voor arme en onderdrukte mensen op te komen • om te zorgen voor gevangenen en daklozen • om recht te doen • om gul te geven en te delen • om voor de weduwe en de wees te zorgen • om geen oneerlijke handel te doen In 1 Johannes 3:17 lezen we: ‘Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?’

15

Hierboven worden zes bijbelse oproepen genoemd. Bij elke oproep kun je ook denken aan slachtoffers van Aids. Leg dat voor elke oproep uit. (We geven een voorbeeld bij ‘opkomen voor armen’.) Om op te komen voor de armen: Veel HIV-geïnfecteerden komen als gevolg van hun ziekte in armoede terecht, omdat ze hun baan kwijtraken of veel geld kwijt zijn aan medische kosten. Ook voor deze armen moeten wij opkomen.

48

k2m3c2

Om te zorgen voor gevangenen en daklozen:

Om recht te doen:

Om gul te geven en te delen:

Om voor de weduwe en de wees te zorgen:

Om geen oneerlijke handel te doen:

k2m3c2

49

Context 3: Evolutie

20 Leven
Mens & Natuur

In de vorige contexten hebben we nagedacht over ons eigen leven en over het ontstaan daarvan. In deze context denken we na over het ontstaan van het leven in het algemeen en het ontstaan van verschillende soorten.

1

Hoe denk jij dat het leven op aarde ontstaan is?

2

Hoe denk jij dat de verschillende soorten dieren op aarde ontstaan zijn?

In deze context ontdekken we wat de verschillende theorieën zijn over het ontstaan van leven en het ontstaan van soorten.

21 Charles Darwin
Mens & Natuur

Charles Darwin is één van de grondleggers van de evolutietheorie. Lees de strip over het leven en het werk van Charles Darwin op pagina 51-52 en beantwoord de vragen.

Figuur 1 Charles Darwin (1809-1882)

50

k2m3c3

k2m3c3

51

52

k2m3c3

1

Wanneer is Charles Darwin geboren? A 12 februari 1809 B 10 november 1882 C 21 januari 1890 D 20 mei 1950 Welke twee studies heeft Charles Darwin gedaan?

2

3

Waarom heeft hij twee studies gedaan?

4

Waarom mocht Darwin mee met de H.M.S. Beagle?

5

Hoe heet het beroemdste boek van Darwin?

6

Wanneer is dit boek uitgekomen? A 1809 B 1882 C 1859 D 1919 Hoe heette de vrouw van Darwin?

7

Charles Darwin heeft dus van 1831 tot 1836 een grote reis over de oceanen gemaakt. Op de volgende pagina vind je de opdracht ‘De reis van Darwin’. Maak deze opdracht!

k2m3c3

53

Opdracht De reis van Darwin
Droom jij wel eens van een ontdekkingsreis? Gewoon je rugzak pakken en op avontuur? Dat is ongeveer wat Darwin heeft gedaan. Toen zijn vader uiteindelijk toestemming had gegegeven, ging Darwin mee op wereldreis met Kapitein Fitzroy. Het was de reis van zijn leven! Darwin voer in bijna vijf jaar de hele wereld rond op het zeilschip HMS Beagle. Hij maakte vanalles mee. Ga mee op ontdekkingsreis en ontdek wat Darwin beleefde tijdens zijn tocht!

• Darwin heeft de wereld rond gereisd. Langs welke plekken kwam hij? Zoek het op en teken het op jouw afbeelding van de wereld.

• Kies een locatie uit waar Darwin tijdens zijn reis met de Beagle is geweest.

• Ga op ontdekkingstocht naar deze locatie. Gebruik hiervoor internet en eventueel materiaal dat de docent heeft klaargelegd. Probeer de volgende vragen te beantwoorden: - Wat ligt deze plek precies? - Wanneer kwam Darwin hier? - Wat is bijzonder aan deze locatie? - Wat voor mensen leven er? - Welke taal wordt er gesproken? - Hoe lang was Darwin daar?

• Wat heeft hij ontdekt? Maak op een A4 blaadje een kleine collage met wat je ontdekt hebt over deze locatie. Dit blaadje kun je bij de grote wereldkaart plakken.

Maak gebruik van de volgende websites. http://beagle.vpro.nl/#/map/ http://maps.google.com/ (de link staat op de elo!) http://www.leerwiki.nl/Darwin_en_zijn_reis_met_de_HMS_Beagle 54 k2m3c3

k2m3c3
Azië Noord-Amerika Europa Afrika Zuid-Amerika Australië

Europa

Afrika

ZuidAmerika

55

Wanneer jullie geen wereldkaart in de klas hebben, kun je je collage ook hier plakken.

56

k2m3c3

22 Evolutie
Biologie

1

Je hebt vast wel eens iets gehoord over evolutie. Wat is dat volgens jou?

Voordat we meer te weten komen over evolutie, gaan we een spel doen. Dit spel heet het natuurlijke-selectie-spel.

Natuurlijke-selectie-spel

k2m3c3

57

2

Schrijf bij elke ronde in de onderstaande tabel hoeveel kraaltjes er van elke kleur zijn. Kleur Ronde 1 Ronde 2 Ronde 3 Ronde 4 Ronde 5

58

k2m3c3

3

Welke kleur heeft aan het einde de meeste nakomelingen? Leg uit hoe dit komt!

4

In de herfst zitten verschillende soorten slakken (gele, grijze en bruine) in een tuin, waar allemaal bruine bladeren liggen. In deze tuin is een vogel op zoek naar voedsel. Welke slak zal het snelste opgegeten worden? Welke slak heeft de grootste overlevingskans? Leg uit!

Natuurlijke selectie Met het natuurlijke-selectie-spel hebben jullie een van de aspecten van de evolutietheorie nagespeeld. Dit aspect is natuurlijke selectie. Je hebt in het spel gezien dat wij als mensen selecteren. Wanneer we snel een kraal moeten weghalen, pakken we vaak de meest opvallende kraal. Wij selecteren de kralen: kralen die een schutkleur hebben, pakken we minder vaak dan kralen die geen schutkleur hebben en dus opvallen. In de natuur vindt ook selectie plaats. Je hebt bij het natuurlijke-selectie-spel gelezen dat zanglijsters slakken eten. Wanneer de zanglijster op zoek is naar voedsel, zal hij ook de slakken eten die hij het makkelijkste kan vinden: de opvallende slakken, de slakken die geen schutkleur hebben. Een ander voorbeeld van natuurlijke selectie is een vrouwtjesvlinder die eitjes legt. Zo’n vlinder legt wel honderden eitjes, maar slechts een paar rupsjes worden een vlinder. De anderen gaan dood doordat ze worden opgegeten, geen voedsel kunnen vinden, etc.

5

Wat zouden voor rupsen goede eigenschappen zijn om te overleven?

Erfelijke eigenschappen Veel van onze eigenschappen worden van ouder op kind doorgegeven. Dit noem je erfelijke eigenschappen. Voorbeelden van erfelijke eigenschappen zijn je haarkleur, hoe lang je wordt of de kleur van je ogen. Je hebt ook eigenschappen die niet erfelijk zijn, deze eigenschappen heb je in je leven gekregen. Voorbeelden hiervan zijn het kunnen schrijven of een litteken op je arm.

k2m3c3

59

6

Geef in de onderstaande tabel aan of het een erfelijke eigenschap of geen erfelijke eigenschap is. Eigenschap Oogkleur Het lekker vinden van spruitjes Lichaamslengte Litteken Haarlengte Erfelijk Niet-erfelijk

Survival of the fittest in the struggle for life We gaan nog even terug naar het voorbeeld van de vrouwtjesvlinder. Van de rupsjes uit de honderden eitjes worden er maar een paar een vlinder, deze rupsen hebben kunnen overleven. Juist de rupsen die hebben kunnen overleven, geven hun eigenschappen weer door aan het nageslacht. Want de volwassen vlinders zullen weer paren en eitjes leggen. De eigenschappen die ervoor zorgen dat de rups overleeft, blijven bestaan omdat deze juist doorgegeven worden. Wanneer een rups de eigenschap heeft heel traag is en zich niet goed kan verstoppen, zal deze snel opgegeten worden. Wanneer de rups wordt opgegeten, wordt de eigenschap niet doorgegeven.

7

Welke eigenschappen zijn voor een rups belangrijk om te kunnen overleven?

Darwin noemde dit proces de ‘survival of the fittest in the struggle for life’, wat betekent: het overleven van de best aangepaste in de strijd van het bestaan. Oftewel: de organismen die het beste zijn aangepast, zullen het meest overleven.

8

Wat was ‘the fittest’, de meest aangepaste in het natuurlijke-selectie-spel?

Micro-evolutie In een populatie kunnen bepaalde erfelijke eigenschappen onder bepaalde omstandigheden een voordeel hebben. Deze eigenschappen zorgen ervoor dat deze organismen meer zullen overleven. De best aangepaste organismen zullen overleven en veel nakomelingen krijgen. Van deze nakomelingen zullen vervolgens weer de best aangepaste organismen overleven. Zo wordt de erfelijke eigenschap die een bepaald voordeel geeft verder doorgegeven. k2m3c3 60

Op deze manier kan een populatie in de loop van de tijd gaan verschillen met de startpopulatie. In het natuurlijke-selectie-spel zag je dat de vijfde generatie een hele andere samenstelling had dan de eerste generatie. De populaties heeft zich aangepast aan de omgeving. Een voorbeeld van zo’n aanpassing zie je bij de zogenaamde ‘Darwinvinken’. Deze vinken zijn tijdens de reis van de H.M.S. Beagle door Darwin onderzocht. De ene Darwinvink heeft een korte, brede snavel (figuur 1). De andere vink heeft juist een lange, puntige snavel (figuur 2). De snavels zijn aangepast aan het voedsel wat ze eten. Toen het voedselaanbod van de populatie veranderde, veranderde na verschillende generaties ook de vorm van de snavel. De verschillende Darwinvinken zijn een voorbeeld van micro-evolutie. Microevolutie betekent ‘evolutie in het klein’. Door de natuurlijke selectie vinden er kleine aanpassingen plaats: de snavels zijn een klein beetje veranderd.

Figuur 1 een grote grondvink met een korte, brede snavel

9

Geef een voorbeeld van micro-evolutie.

Figuur 2 een cactusvink met een lange, puntige snavel

Macro-evolutie Volgens de evolutietheorie van Darwin vinden echter ook veel grotere veranderingen plaats. In deze theorie hebben alle organismen een gemeenschappelijke voorouder. Alle organismen zijn ontstaan uit een allereerste organisme, een bacterie. Deze evolutie wordt macro-evolutie genoemd, ‘evolutie in het groot’. De evolutietheorie zegt dus iets over het ontstaan van de soorten.

10

Geef een voorbeeld van macro-evolutie.

Evolutionaire geschiedenis Men neemt aan dat de aarden ongeveer 4,5 miljard jaar oud is. De eerste sporen van leven zijn gevonden in gesteente waarvan men denkt dat ze 3,5 miljard jaar oud zijn. De aarde zag er op dat moment heel anders uit, er was één groot oercontinent, dat Pangea wordt genoemd (figuur 3). In de loop van de geschiedenis is dit continent in verschillende delen opgesplitst totdat het uiteindelijk de huidige vorm heeft. Maar ook nu staan de continenten nog niet stil! De temperatuur op aarde kende ook grote verschillen. Zo zijn er warme perioden en ijstijden geweest. Ook de atmosfeer heeft niet altijd dezelfde samenstelling gehad als ze k2m3c3 61

nu heeft. De zuurstof in de lucht is voornamelijk geproduceerd door de planten. Toen er nog geen planten waren, werd er alleen een klein beetje zuurstof geproduceerd door bacteriën. Het leven begon in de zee. Daar leefde heel lang eenvoudige, eencellige organismen, die leken op bacteriën. De periode van 600 miljoen Figuur 3 de ontwikkeling van de aarde tot 500 miljoen jaar geleden heet het Cambrium. In deze periode zijn allerlei meercellige organismen ontstaan, maar allen leefden in de zee. In de periode Siluur, van 500 miljoen tot 400 miljoen jaar geleden, ontstonden de eerste vissen. Daarna ontstonden de eerste landplanten en insecten. In de periode van 330 miljoen tot 70 miljoen jaar geleden leefden de sauriërs, deze periode heet Jura. Aan het einde van Jura sterven de dinosauriërs uit. Zoogdieren die ook al leefde in het Jura, konden zich verder ontwikkelen. Zo’n 1,7 miljoen jaar geleden, in het Kwartair, ontstond de mens. Op de elo vind je een strip over het leven en het werk van Darwin. Lees de strip ‘Darwin en de evolutie’ en beantwoord de volgende vragen.

11

Welk denkbeeld over de natuur was in de tijd van Darwin overheersend? Leg dit denkbeeld uit.

12

Hoe kwam Darwin op het spoor van de evolutietheorie?

13

Welke wetenschappers hebben nog meer een bijdrage geleverd aan de evolutietheorie?

14

Waar worden de Darwinistische ideeën in onze tijd gebruikt?

62

k2m3c3

23 Orde
Stel je eens voor dat je een onbewoond eiland belandt, waarop allerlei vreemde planten en dieren leven. In het begin lijkt alles op elkaar, maar na enige tijd ga je verschillen ontdekken. Je gaat ze namen geven, die je zelf bedenkt.
Biologie

In de natuur worden nog steeds nieuwe plant- en diersoorten ontdekt. Die moeten natuurlijk allemaal een naam hebben. Carolus Linnaeus begint in de 18e eeuw met het geven van wetenschappelijke namen. Deze naam bestaat uit een soort en een geslacht. Zo is de wetenschappelijke naam van de mens Homo sapiens. Jij behoort tot het geslacht Homo en tot de soort sapiens. Homo sapiens betekent ook wel ‘de denkende mens’. Het geven van namen aan levensvormen gaat terug tot het paradijs, waar God Adam de opdracht gaf om alle dieren een naam te geven (Genesis 2:19).

Figuur 1 Linaeus

1

Lees Genesis 2:18-20. Beschrijf in eigen woorden wat er staat. Waarom gaf God deze opdracht aan Adam?

Caminalculen Op pagina 79 staat een verzameling van denkbeeldige diertjes, deze diertjes worden caminalculen genoemd. Knip deze diertjes eerst los van elkaar. Jij gaat onderzoeken of je deze diertjes kunt ordenen. Kijk goed of je ze in groepen in kunt delen of dat je een reeks kunt maken van eenvoudige naar steeds ingewikkeldere diertjes. Plak de diertjes op een blad en probeer ze een naam te geven. Als je klaar bent bespreek je met elkaar het resultaat. Groepen en reeksen Wetenschappelijke namen worden niet zomaar gegeven. Het is namelijk belangrijk dat het overzichtelijk wordt! Door de namen in een systeem te ordenen, wordt duidelijk wat het verband is tussen verschillende levensvormen. Toen men begon met deze systematische naamgeving dacht men dat het leven in aparte groepen geordend moest worden. Een groep is een verzameling organismen met hetzelfde basisontwerp. De organismen binnen deze groep zouden afkomstig zijn van de geschapen voorouder in de groep. Darwin meende echter dat je organismen moet ordenen in opeenvolgende reeksen van eenvoudige tot ingewikkelde organismen. De ingewikkelde organismen zijn ontstaan uit de eenvoudige organismen. Dit noemde hij de evolutietheorie. De eenvoudige organismen zijn in kleine stapjes veranderd in de ingewikkelde organismen. Zo zijn alle k2m3c3 63

organismen familie van elkaar. De opdracht om diertjes te ordenen en namen te geven heeft je geleerd dat je met dezelfde gegevens toch tot verschillende conclusies kunt komen. Wetenschappers die van evolutie uitgaan, ordenen het leven in reeksen. Wetenschappers die van de schepping uitgaan, ordenen het leven in groepen. De leden van die groep bezitten allemaal hetzelfde basisontwerp.

2

Lees Genesis 2:20-28. Beschrijf in eigen woorden wat er staat.

3

Wat zou bedoeld kunnen zijn met ‘naar hun aard’?

Basistypen en soorten Biologen die uitgaan van een schepping, zeggen dus dat de organismen geschapen zijn in een aantal aparte groepen. Alle leden van een groep lijken wat betreft de belangrijke kenmerken op elkaar, maar ze kunnen in details van elkaar verschillen. Zo’n geschapen groep noemen we een basistype (figuur 2). Toen deze basistypen geschapen werden, bezaten ze de informatie voor veel variatie, maar die was niet altijd zichtbaar. Zo zijn alle hondenrassen voortgekomen uit het basistype van de wolf. In de loop van de Figuur 2 tijd hebben de leden van de basistypen variatie bij het basistype van de katachtigen zich door natuurlijke omstandigheden en onderlinge concurrentie gespecialiseerd en ontstonden er soorten. Een soort is een groep van organismen die op elkaar lijken in vorm en bouw en die in staat zijn om onderling vruchtbare nakomelingen te krijgen. Voor het ontstaan van de verschillende soorten hoeven er geen extra eigenschappen te ontstaan. De informatie voor al deze soorten was al aanwezig in het oorspronkelijke basistype. Verschillende soorten die tot een basistype behoren, kunnen soms nog wel nakomelingen krijgen. Zo kunnen alle leden van de katachtigen vruchtbare nakomelingen krijgen met tenminste één andere katachtige. Dat geldt bijvoorbeeld voor een leeuw en een tijger: er ontstaat dan een ‘tigon’ of een ‘lijger’ . Ook een paard en een ezel kunnen nakomelingen krijgen. Er ontstaat dan een muildier (ezelhengst en paardenmerrie) of een muilezel (paardenhengst en ezelin). 64 k2m3c3

24 Aarde
Mens & Natuur

Bij het bestuderen van de geschiedenis van de aarde, spelen de aardlagen een sleutelrol. Want in deze aardlagen is de geschiedenis van de aarde opgetekend! Aardlagen Nieuwe aardlagen ontstaan bij vulkanen. Door vulkanisme komt heet, vloeibaar gesteente uit het binnenste van de aarde naar het aardoppervlak. Aan het aardoppervlak koelt dit warme gesteente af en stolt het. Dit gesteente wordt aan het oppervlak vervolgens afgesleten. Eenmaal aan het oppervlak worden stollingsgesteenten afgesleten door water en wind. De grote brokken vallen door slijtage en verplaatsing uiteen in kleine stukjes. Dit afgesleten gesteente wordt sediment Figuur 1 genoemd. Sediment bestaat uit grote de Grand Canyon (VS) is een van de beste plaatsen brokstukken, maar ook uit zand en modder. op de aarde om de aardlagen te bestuderen Dit sediment wordt vervoerd door water, ijs of de wind. Uiteindelijk zakt dit sediment naar beneden en worden er op de bodem van de rivier, een meer of een zee nieuwe lagen gevormd. Dit proces noemen we het afzetten van sediment op de bodem. Aan de hand van de samenstelling van deze lagen kan bepaald worden wanneer de lagen ontstaan zijn en waar het sediment vandaan komt. Fossielen Wanneer het sediment op de bodem van de zee wordt afgezet, kunnen daar ook resten van dode dieren liggen. Deze kunnen onder het sediment bedolven worden. Onder extreme omstandigheden kunnen zelfs levende dieren onder het sediment terecht komen, denk maar aan een zandstorm in de woestijn. De organismen die onder sediment worden bedolven, kunnen uiteindelijk verstenen. Deze versteende resten van organismen noemen we fossielen. Planten Figuur 2 en dieren kunnen alleen een fossiel worden een voorbeeld van een fossiel als ze snel worden bedekt door sediment, anders verteren ze gewoon door de bacteriën. Het zand waarin het organisme is begraven, wordt na verloop van tijd hard. De bestanddelen van het organisme worden vervangen door stoffen die zich in het grondwater bevinden. Het organisme versteent en wordt platgedrukt door het gewicht van aardlagen die er later bovenop worden afgezet. Het organisme is dan een fossiel geworden. Fossielen bestaan meestal uit de harde delen van een organisme, zoals een skelet of de schaal van een schelp. De zachte delen vergaan snel en worden alleen bewaard onder uitzonderlijke omstandigheden.

k2m3c3

65

1

Teken in de 3 vakken schematisch hoe een fossiele vis ontstaat.

2

Sommige fossielen zijn heel plotseling begraven. Hierdoor zijn ze levend begraven door het sediment. In figuur 3 zie je een fossiel van een Ichtyosaurus. Dit reptiel leefde in het water en leek veel op een dolfijn. Wat maakt deze vondst zo bijzonder?

Figuur 3 het fossiel van een Ichtyosaurus

3

Beschrijf de weg die een stuk stollingsgesteente aflegt vanaf het moment dat het bij een vulkaan ontstaat tot het moment waarop het in de zee wordt afgezet. Bedenk wat er zou kunnen gebeuren als het over een grote afstand verplaatst wordt.

Geologische Kolom Geologen hebben alle aardlagen en hun fossielen onderzocht en beschreven. De verschillende groepen van fossielen worden in een bepaalde volgorde in de aardlagen gevonden. Aan de hand van de fossielen kreeg iedere aardlaag een naam. Dit systeem van namen noemt men de geologische kolom. De onderste aardlagen zijn de oudste aardlagen, ze zijn het eerste afgezet. De bovenste aardlagen zijn het laatst afgezet en 66 k2m3c3

zijn dus het jongste. Voor het ontstaan van deze geologische kolom zijn verschillende modellen. Snel of langzaam? Geologen doen onderzoek naar hoe en onder welke omstandigheden aardlagen afgezet worden. In de 18e eeuw dachten de geologen dat catastrofen de geschiedenis van de aarde bepaald hadden. Catastrofen zijn grote rampen die met veel kracht de aarde veranderen, zoals enorme overstromingen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen of meteoriet inslagen. De fossielen in de aardlagen zouden gevormd zijn tijdens dit soort catastrofen. Nadat de evolutietheorie een plaats kreeg in de wetenschap, meenden de geologen dat de aardlagen langzaam, laag voor laag zijn afgezet, zoals we dat nu ook kunnen waarnemen. Tegenwoordig denken geologen weer dat catastrofen een belangrijke rol gespeeld hebben. Dat is eigenlijk niet zo vreemd, want ieder jaar wordt de aarde getroffen door overstromingen, vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, vloedgolven en wervelstormen. Het is gebleken dat juist tijdens een ramp grote hoeveelheden aardlagen snel gevormd worden.

4

In figuur 4 zie je een kaak van een reuze hagedis die in de zee leefde, de Mosasaurus. Een reconstructie van deze reuze hagedis zie je in figuur 5. Deze kaak is gevonden op de Pietersberg in Maastricht. Wat zegt deze vondst over de afzetting van het sediment waarin het dier begraven was? Wat kun je zeggen over Nederland toen dit fossiel in sediment begraven werd?

Figuur 4 de kaak van de Mosasaurus

Figuur 5 de reconstructie van de Mosasaurus

k2m3c3

67

Het evolutiemodel In figuur 6 zie je het evolutiemodel waarbij de aardlagen van de geologische kolom gedurende vele miljoenen jaren zijn afgezet. De volgorde van de fossielen in de aardlagen is een weergave van de evolutie van het leven op aarde. In de eerste fase van de evolutie hebben dieren in de zee geleefd. Deze dieren evolueerden vervolgens tot amfibieën en reptielen die op het land leefden. Uiteindelijk ontwikkelden deze groepen zich tot vogels en zoogdieren. Het scheppingsmodel In figuur 7 zie je het scheppingsmodel waarbij de basistypen van alle groepen die op aarde leven, geschapen zijn. Deze basistypen zijn de basis van alle groepen die nu in de natuur leven of waarvan fossielen gevonden zijn. De basistypen hebben dus ooit tegelijkertijd geleefd. De aardlagen moeten daarom in korte tijd zijn afgezet tijdens een catastrofe, zoals de zondvloed.

Figuur 6 het evolutiemodel

Figuur 7 het scheppingsmodel

5

In het evolutiemodel worden de verschillende aardlagen verspreid over miljoenen jaren afgezet. Waarom zijn lange tijden belangrijk voor het evolutiemodel?

6

Waarom moeten de aardlagen snel zijn afgezet in het scheppingsmodel?

68

k2m3c3

Groepen en reeksen Net als levende organismen moeten fossielen ook een naam krijgen en geordend worden. Dat is het werk van een paleontoloog. Deze fossielen kunnen geordend worden in groepen of reeksen. Aanhangers van de evolutietheorie benadrukken dat er reeksen in de aardlagen gevonden worden, maar ze geven wel toe dat er gaten zitten in de reeksen. De ontbrekende overgangsvormen tussen de groepen worden ‘missing links’ genoemd, het Engels voor ‘ontbrekende schakel’. Wetenschappers die van schepping uitgaan, menen dat fossielen ingedeeld moeten worden in groepen. Fossielen van alle belangrijke groepen van dieren en planten verschijnen plotseling zonder voorouders, ze veranderen nauwelijks en verdwijnen vaak weer even plotseling als gekomen zijn. Caminalculen In hoofdstuk 23 ben je al aan de slag geweest met de caminalculen, de denkbeeldige diertjes. Je gaat de diertjes nu opnieuw ordenen, maar we doen nu net alsof het fossielen zijn! Op de volgende pagina’s vind je een tweetal schema’s., met elk zeven aardlagen. Je gaat nu de geologische kolom voor zowel het scheppingsmodel als het evolutiemodel samenstellen. Lees zo nodig het tekstgedeelte over de modellen nog eens. Geef met pijlen aan wanneer er sprake is van een reeks. Geef met een cirkel aan wanneer het gaat om een groep.

k2m3c3

69

Evolutiemodel

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

70

k2m3c3

Scheppingsmodel

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

k2m3c3

71

25 Het ontstaan van leven
Biologie

De evolutietheorie zoals beschreven in hoofdstuk 22 geeft geen antwoord op de vraag hoe het allereerste leven is ontstaan. De evolutietheorie beschrijft hoe de verschillende soorten zijn ontstaan. Toch is de vraag naar het leven ook een belangrijke vraag, waar ook verscheidene theorieën over ontwikkeld zijn. Het is echter wel belangrijk dat wij weten wat leven is. Wat maakt levende dingen zo anders dan dode dingen?

1

Denk met elkaar na over de kenmerken van leven. Biologen hebben zeven kenmerken geformuleerd. Vul deze kenmerken in de tabel in.

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Het is onmogelijk om een definitie van leven te geven. We kunnen alleen de kenmerken beschrijven. Als we die kenmerken waarnemen, dan is er sprake van leven. Eencellig en meercellig De meest eenvoudige vorm van leven op aarde is een eencellig organisme. Een eencellig organisme heeft alles in zich wat het nodig heeft om te kunnen leven. De meeste organismen op aarde hebben meer dan één cel, deze noemen we meercellige organismen. Een ééncellig organisme is de meest eenvoudige vorm van leven die er bestaat op aarde. Jouw lichaam bestaat uit zo’n 100.000 miljard cellen. Elk orgaan in jouw lichaam is opgebouwd uit cellen met een speciale taak. Zo heb je bijvoorbeeld beendercellen, spiercellen, hersencellen en bloedcellen. Meercellige organismen worden Figuur 1 complex genoemd, omdat het een groter aantal een pantoffeldiertje is een eencellig organisme cellen en meerdere soorten cellen heeft. Het is dus ingewikkelder georganiseerd. 72 k2m3c3

2

Geef een voorbeeld van een eencellig en een meercellig organisme.

Het ontstaan van leven De evolutietheorie gaat er vanuit dat de verschillende soorten zijn ontstaan uit een eenvoudig, eencellig organisme. Dit eencellige organisme moet ontstaan zijn uit levenloze materie. Binnen de evolutietheorie gaat het hier echter niet over. Evolutie gaat over het ontstaan van soorten, niet het ontstaan van organismen. Vele wetenschappers hebben echter wel nagedacht over het ontstaan van leven. Zo heeft Stanley Miller in 1953 een experiment uitgevoerd. In een Figuur 2 laboratorium bootste hij de de opstelling die Stanley Miller gebruikte voor zijn experiment situatie op aarde na. Hij maakte een mengsel wat op de oersoep lijkt en liet daar allerlei elektrische ontladingen op los (figuur 2). Het lukte hem om verschillende aminozuren te maken, de bouwstenen van eiwitten, die op hun beurt weer bouwstenen van cellen zijn. De vraag naar het ontstaan van leven is hier echter niet mee opgelost. Het bleek namelijk onmogelijk om buiten een cel werkende eiwitten te maken. De vraag blijft dus: hoe is die eerste cel ontstaan?

3

Waarom hoort het experiment van Stanley Miller niet bij de evolutietheorie?

26 De schepping: Goddelijk ontwerp
Mens & Natuur

Wat je in de voorgaande hoofdstukken hebt gelezen over het ontstaan van leven en alle soorten op aarde, zal misschien heel anders zijn dan je thuis geleerd hebt. Wij geloven dat God, de almachtige Vader, de Schepper is van de hemel en van de aarde. Wat bedoelen we hiermee? Hoe moeten we omgaan met alles wat we in de voorgaande hoofdstukken hebben gelezen? k2m3c3 73

Genesis

1

Lees Genesis 1: 1-31. Stel dat jij getuige was geweest van de schepping. Hoe zou jij het dan opgeschreven hebben?

2

Zijn er verzen in dit bijbelgedeelte waar je graag extra uitleg over zou willen krijgen? Welke?

3

Wat wordt er volgens jou met dit bijbelgedeelte bedoeld?

Wetenschap en de Bijbel Veel christenen hebben moeite met de evolutietheorie. Ze kunnen niet geloven in de evolutietheorie omdat deze in strijd is met wat de Bijbel zegt over de schepping. In de Bijbel staat toch dat God de Schepper is van leven? Ze denken dat er met de evolutietheorie geen plaats meer is voor God. Andere christenen geloven wel in de evolutietheorie, maar geloven ook in God als Schepper van hemel en aarde. Veel wetenschappers wijzen het idee van een Schepper af. Zij menen dat een wetenschappelijke theorie onderbouwd moet worden door wat je ziet, hoort of meet. God kun je niet zien, horen of meten, daarom is er voor God geen plaats in de wetenschap. Als je gelooft in God als Schepper van hemel en aarde, zoals Hij zich in de Bijbel openbaart, is het noodzakelijk om na te gaan wat voor een boek de Bijbel is. We moeten de Bijbel niet gebruiken als een wetenschappenlijk handboek. De mensen die teksten van de Bijbel opgeschreven hebben, hadden niet de kennis en de taal om dat op een wetenschappelijke wijze te schrijven, zoals wij dat nu in onze tijd kunnen. De historische gebeurtenissen die in de Bijbel beschreven zijn, zoals de schepping of een zondvloed hoeven daardoor niet gelijk onwaar te zijn.

74

k2m3c3

3

Wat vind jij ervan dat God door velen uit de natuurwetenschap niet geaccepteerd wordt als verklaring voor natuurlijke verschijnselen?

4

Welke gebeurtenis in de Bijbel spreekt jou erg aan? Hoe weet je dat deze gebeurtenis ook echt heeft plaatsgevonden?

Verklaring van gezamenlijk geloof in God als Schepper In 2009 is er een verklaring opgesteld door verschillende christenen, die wel elk een andere visie hebben op hoe de schepping en het ontstaan van de soorten heeft plaatsgevonden. Met deze verklaring willen ze belijden dat ze geloven in God als Schepper van hemel en aarde. De tekst van deze verklaring, kun je hieronder vinden. Een verklaring van gezamenlijk geloof in God als Schepper Wij verwonderen ons over de schoonheid van de schepping en de goedheid en de almacht van de Schepper. In het besef dat al ons spreken over God en Zijn schepping gebrekkig is, verklaren we het volgende: (1) Wij geloven in God de almachtige Vader, de Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Wij geloven in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, door Wie alles geschapen is. En wij geloven in de Heilige Geest die levend maakt. (2) Wij geloven dat deze drie-enige God Zich laat kennen uit de Bijbel, Zijn heilig, geloofwaardig en betrouwbaar Woord dat Hij aan ons heeft geopenbaard. In dat perspectief herkennen wij ook met eerbied Zijn majesteit en het werk van Zijn handen in de natuur, zijn schepping. (3) De tekst van Genesis en andere Bijbelgedeelten over Gods scheppingswerk zijn een essentieel en onmisbaar onderdeel van Gods Woord waarin ons fundamentele zaken worden geleerd over het wezen van God, de mens en de wereld. De Bijbel leert ons over Gods goede schepping, de gebrokenheid door de zondeval, en het herstel door Christus. (4) Wij zien wetenschap, het onderzoek van de natuur en de cultuur, als een waardevolle activiteit die ons allerlei kennis kan verschaffen over Gods schepping en ons opnieuw bepaalt bij Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. k2m3c3 75

(5) Wij allen geloven zonder voorbehoud dat God alles heeft geschapen. Hoewel wij constateren dat wij als christenen van mening verschillen over hóe Hij dat heeft gedaan, weten wij ons verbonden in ons gezamenlijk geloof in de Schepper en erkennen wij dat deze meningsverschillen geen barrière hoeven te vormen om elkaar te accepteren als broeders en zusters in Christus. (6) Wij verlangen naar vruchtbare en openhartige onderlinge gesprekken over wat we mogen leren uit Gods Woord en uit de door God geschapen natuur, en hoe we beide mogen lezen.

5

Welk gedeelte van deze verklaring spreekt je aan? Beschrijf waarom dit gedeelte je aanspreekt!

27 Evolutie, schepping: wat geloof jij?!
Mens & Natuur

Jullie gaan posters maken over één van de volgende stellingen: • ‘het is niet te bewijzen of de mens op aarde gekomen is door de schepping of door evolutie’ • ‘we zien dat micro-evolutie plaats vindt, de soorten zijn dus ontstaan door evolutie’ • ‘de geologische kolom geeft een beeld van hoe de wereld is ontstaan’ • ‘wanneer je de schepping om je heen bekijkt, moet je wel geloven in God als schepper’ • ‘het maakt niet uit of je geloofd in schepping of evolutie, als we maar geloven in God als onze Vader’ • ‘we kunnen de Bijbel niet gebruiken als wetenschappelijk handboek’ Let bij het maken van deze poster op de volgende punten: • Wat zijn feiten en wat zijn meningen? • Kies een duidelijke manier om het verschil tussen feiten en meningen te laten zien. • Zorg dat je poster voor iedereen begrijpelijk is. • Op welke manier wil je met de poster proberen voorstanders en tegenstanders met elkaar in gesprek te laten gaan? • Komt de poster betrouwbaar over? Geloven mensen wat er op je poster staat?

76

k2m3c3

k2m3c3

77

78

k2m3c3

k2m3c3

79

80

k2m3c3

k2m3c3

81