Eerste generatie oplossings

-
richtingen voor klimaatadaptatie in
de regio Rijnmond-Drechtsteden
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000
© Deltares, 2011
Ad Jeuken
Jarl Kind
Johan Gauderis
FLAPTEKST
De alternatieve oplossingsrichtingen en varianten (hoekpunten):
0. Voortzetting huidig beleid (0-alternatief)
1. Verbeterd afsluitbaar zeezijde
2. Verbeterd afsluitbaar zee- en rivierzijde
a. Nieuwe Lek
b. Pannerdense Kop
3. Gesloten
a. Zee- en rivierzijde
b. Zee- en rivierzijde, open Haringvliet
c. Zeezijde en waterberging in de Grevelingen
4. Open
De scenario’s:
Scenario
Bevolkingsgroei
(%/jaar, 2002-2040
Groei BBP
(%/jaar, 2002-2040
GE Global Economy 0,5 2,6
RC Regional Communities 0,0 0,7
Scenario Maatgevende
Rijnafvoer [m
3
/s]
Zeespiegel t.o.v. 1990
[m]
Referentie 2015 16.000 0,08
W
+
-2050 / G-2100 17.000 0,35
W
+
-2100 18.000 0,85
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
i
Samenvatting
In opdracht van het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden ondersteund door het
deltaprogramma Zuidwestelijke Delta zijn een aantal sterk uiteenlopende
oplossingsrichtingen (ook wel hoekpunten genoemd) voor adaptatie aan klimaatverandering
globaal verkend. Deze ‘hoekpuntenverkenning’ gaat vooraf aan de formulering van meer
omvattende mogelijke strategieën voor het Deltaprogramma in 2012.
Het doel van de verkenning is dan ook niet om meteen een goede oplossing aan te dragen,
maar om te leren van de aard en omvang van de effecten van deze hoekpunten:
- welke onderdelen pakken gunstig uit en welke ongunstig?
- hoe reageert het hoofdwatersysteem binnen en buiten het onderzoeksgebied op de
ingrepen?
- hoe kunnen de effecten in beeld worden gebracht en hoe kan een afweging worden
gemaakt?
- Welke kennis ontbreekt?
De oplossingsrichtingen zijn hoofdzakelijk gedefinieerd vanuit het perspectief van
hoogwaterbescherming. Belangrijk uitgangspunt bij het definiëren van de
oplossingsrichtingen is dat er in deze fase géén compenserende maatregelen voorzien zijn
voor andere functies, zoals een andere vormgeving van de haven van Rotterdam,
bellenschermen tegen zoutindringing, het ophogen van buitendijkse woongebieden, etc. Voor
alle oplossingsrichtingen geldt bovendien dat aan de huidige hoogwaterbeschermingsnormen
wordt vastgehouden. Vier alternatieve oplossingsrichtingen zijn bekeken. Binnen de
alternatieven zijn soms weer varianten onderscheiden:
0. Voortzetting huidig beleid (0-alternatief): De essentie van dit alternatief is dat de
hoogwaterbeschermingstrategie ongewijzigd blijft. Zodra de Maeslantkering aan het eind
van zijn levensduur is, wordt deze vervangen door een kering met dezelfde
prestatiekenmerken, dus een faalkans van 1/100 per sluitvraag.
1. Verbeterd afsluitbaar zeezijde: Zodra de Maeslantkering aan het eind van zijn levensduur
is, wordt deze vervangen door een kering met verbeterde prestatiekenmerken, de
faalkans hiervan is 1/1000 per sluitvraag.
2. Afsluitbaar -open zee- en rivierzijde: Dit hoekpunt komt overeen met de oplossingsrichting
uit het rapport van de Commissie Veerman De hoogwaterbescherming voor Rijnmond-
Drechtsteden wordt gerealiseerd met verbeterde afsluitbare keringen aan de zeezijde in
combinatie met afsluitbare keringen in de omliggende riviertakken om het stedelijk gebied
ook tegen hoge rivierafvoeren te kunnen beschermen. In deze oplossingsrichting worden
naast de bestaande te verbeteren Maeslantkering, Hartelkering en Haringvlietsluizen nog
vier extra afsluitbare keringen gebouwd: in de Lek, in de Beneden-Merwede, in de Dortse
Kil en in het Spui. Tijdens een storm moet het rivierwater dat normaliter door de Lek
stroomt worden omgeleid via:
a. een Nieuwe Lek, een bypass vanuit de Lek naar de Merwede ten westen van
Gorinchem.
b. de Waal door direct bij de Pannerdense Kop met een regelwerk de afvoer naar de
Lek te minimaliseren.
ii
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: maatschappelijke kosten en baten
3. Gesloten
a. Zee- en rivierzijde: in plaats van een ring met tijdelijk afsluitbare stormvloedkeringen
wordt het stedelijk gebied afgesloten van hoogwater doormiddel van dammen met
schutsluizen voor de scheepvaart. Het rivierwater dat normaliter door de Lek stroomt
wordt permanent omgeleid via Pannerden. Stormvloeden en hoge rivierafvoeren
worden volledig buiten het gebied gehouden. De afvoer van de Rijn verloopt volledig
via Hollandsch Diep en Haringvliet.
b. Zee- en rivierzijde, open Haringvliet: Voorgaande wordt gecombineerd met herstel
van estuariene dynamiek in de Zuidwestelijke Delta door de Haringvlietsluizen
permanent te verwijderen.
c. Zeezijde en waterberging in de Grevelingen: Alleen aan zeezijde wordt het gebied
afgesloten door in de Nieuwe Waterweg een dam met zeesluizen te plaatsen. Hoge
rivierafvoeren worden opgevangen met extra waterberging in de Grevelingen.
4. Open: het watersysteem wordt teruggebracht naar een volledig open estuarium, waarbij
in de meest vergaande vorm het opheffen van de Europoortkering, de Haringvlietdam en
de Hollandsche IJsselkering aan de orde is. De estuariene dynamiek en de geleidelijke
overgangen van zoet naar zout worden in deze oplossingsrichting maximaal
teruggebracht
De belangrijkste doelen van het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden zijn een duurzame
bescherming tegen overstromingen en voldoende zoetwater in de laaggelegen, dichtbevolkte,
en economisch belangrijke Rijn-Maasmonding. De hoogwaterbescherming en de zorg voor
zoet water moeten samengaan met een duurzame ontwikkeling van een economisch sterke,
sociale, én aantrekkelijke regio. Bij de beoordeling en vergelijking van oplossingsrichtingen is
geprobeerd met de beoordelingscriteria aan te sluiten bij deze doelen.
De vergelijking van oplossingsrichtingen is gebaseerd op een kengetallenkosten-
batenanalyse (KKBA), die alle effecten in welvaartstermen beschouwt. Daarom zijn de
effecten ( zie tabel 1) zoveel mogelijk gemonetariseerd.
Beoordelingscriteria
Overstromingsrisico binnendijks
Overstromingsrisico buitendijks
Zoetwatertekort
Hinder voor scheepvaart
Natuur
Ruimtelijke kwaliteit
Kosten
Tabel 1 Beoordelingscriteria gebruikt in de verkenning van effecten, kosten en baten
Niet voor alle relevante effecten waren ‘state-of-the-art’-methoden beschikbaar die ook
passen bij het karakter van zo een verkenning: niet te gedetailleerd en niet te bewerkelijk.
Voor het berekenen van (binnendijkse) overstromingsrisico’s en het bepalen van kosten voor
dijkversterking bestaat er een landelijk breed toegepast instrumentarium en kon worden
geput uit bestaande studies, waarvan sommige in het kader van het deltaprogramma (WV21).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
iii
Voor veel andere effecten zijn in het kader van deze KKBA vaak nieuwe benaderingen
afgeleid van meer gedetailleerde of voor volstrekt andere toepassingen ontwikkelde
methoden. De effectbepaling en de beoordeling zijn hierdoor deels experimenteel en slechts
beperkt gevalideerd. De onderlinge vergelijking van hoekpunten (rangorde) voor eenzelfde
beoordelingscriterium kent een grotere betrouwbaarheid dan de onderlinge vergelijkbaarheid
van de monetaire effecten voor verschillende beoordelingscriteria; ofwel: de
zoetwatertekorten, scheepvaartschade en overstromingsrisico’s zijn weliswaar allemaal
uitgedrukt in euro’s, maar over de orde van grootte bestaan twijfels.
overstromingsrisico
Hoekpunt binnend. buitend. zoetwater scheepvaart natuur Kosten
verbeterd afsluitbaar
afsluitbaar open zee- en rivierzijde
gesloten zee- en rivierzijde
+ - -
Gesloten zee- en rivierzijde / open HV
gesloten zeezijde + waterberging
+ +
Open
- - + -
Tabel 2. Vergelijking van de hoekpunten met het 0-alternatief. Rood betekent een sterk negatieve score, oranje een negatieve score,
blanco betekent een niet significant afwijkende score, lichtgroen een positieve score, groen een sterk positieve score. Het meest positief
scorende hoekpunt krijgt een plus mee, het sterkst negatief scorende hoekpunt een minteken.
Dit noopt tot voorzichtigheid bij het trekken van conclusies. Een beoordeling die daarbij past
wordt gegeven in tabel 2, waarin de relatieve score ten opzichte van het 0-alternatief wordt
weergegeven.
Toch komt er een behoorlijk consistent en eenduidig beeld naar voren uit deze verkenning.
De belangrijkste conclusies over de hoekpunten en aanbevelingen voor alternatieve
strategieën zijn:
1 De huidige strategie blijkt effectief voor het beheersen van (maatgevende)
hoogwaterstanden en is aldus nog een van de meest aantrekkelijke strategieën.
Verdere overstromingsrisicobeheersing en een aanvullende zoetwaterstrategie zijn
daarbij gewenst.
2 De Nieuwe Waterweg aan zeezijde afsluiten blijkt binnen- en buitendijkse
overstromingsrisico’s effectief verder te kunnen reduceren, evenals de externe verzilting
via de Nieuwe Waterweg. Daar staan kosten tegenover, vooral in de vorm van hinder en
schade aan haven en scheepvaart, en nadelige effecten voor de natuur. Deze
oplossingsrichting is een aantrekkelijke strategie als er een oplossing kan worden
gevonden voor de verminderde bereikbaarheid van de haven en de natuureffecten
kunnen worden gecompenseerd door een ander beheer van de Haringvlietsluizen.
Uitbreiding met extra waterberging op de Grevelingen is mogelijk
3 Grote investering in afsluitbare (rivier)keringen of dammen lijken weinig kosten-effectief.
Baten op de ene plek worden door schade elders teniet gedaan, doordat waterstanden
in het bovenrivierengebied worden opgestuwd. Onderzocht zou kunnen worden of
onderdelen van deze hoekpunten, zoals een (licht!) aangepaste afvoerverdeling over de
Rijntakken, in nog te ontwikkelen alternatieven kunnen worden ingepast evenals
compenserende maatregelen zoals een verruiming van de Nieuwe Merwede.
iv
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: maatschappelijke kosten en baten
4 Een volledig open Haringvliet, of dit nu is in combinatie met een open Nieuwe Waterweg
of met een volledig gesloten Rijnmondring, leidt tot hoge kosten, vergaande verzilting en
sterk toegenomen overstromingsrisico’s. Een vergroting van de natuurwaarden van
estuariene systemen op het Haringvliet/Hollandsch Diep, waar deze oplossingsrichting
vooral voor is bedacht, zou volgens de deelanalyse van natuureffecten ook kunnen
worden bereikt met een systeem dat afsluitbaar is aan zeezijde (bijv. Haringvlietsluizen
als stormvloedkering gebruiken).
5 Mogelijk aantrekkelijke alternatieve strategieën liggen deels binnen de hoekpunten,
maar kunnen ook maatregelen nodig hebben die daarbuiten liggen. In een volgende
fase zal een nauwere verbinding met de andere deltaprogramma’s, met name Zuid-
westelijke Delta, Rivieren, Veiligheid en Zoetwatervoorziening, nodig zijn.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
v
Inhoud
1 Inleiding 1
1.1 Kader 1
1.2 Doel 2
1.3 Afbakening 2
1.4 Leeswijzer 2
2 Aanpak 5
2.1 Algehele aanpak 5
2.2 Beoordeling en beoordelingskader 6
2.2.1 Effectbepaling bij verschillende scenario’s 8
2.2.2 Salderen van kosten en baten in de KKBA 9
2.2.3 Discontovoet en tijdshorizon in de KKBA 10
2.3 Alternatieve oplossingsrichtingen: de hoekpunten 11
2.3.1 Algemene uitgangspunten 11
2.3.2 Voortzetting huidig beleid (nulalternatief/ referentiealternatief) 12
2.3.3 Oplossingsrichting ‘Verbeterd afsluitbaar aan zeezijde’ (hoekpunt 1) 12
2.3.4 Oplossingsrichting ‘Afsluitbaar-open aan zee- en rivierzijde’ (hoekpunt 2) 12
2.3.5 Oplossingsrichting ‘Gesloten’ (hoekpunt 3) 13
2.3.6 Oplossingsrichting ‘Open’ (hoekpunt 4) 16
2.4 Waterstanden als basis 16
3 Kosten 19
3.1 Inleiding 19
3.2 Kosten van nieuwe infrastructuur 20
3.3 Kosten van dijkversterking 22
3.3.1 Methode 22
3.3.2 Resultaten 24
4 Overstromingsrisico’s 5
4.1 Binnendijkse overstromingsrisico’s 5
4.1.1 Methode 5
4.1.2 Resultaten 7
4.2 Buitendijkse overstromingsrisico’s 10
4.2.1 Methode 10
4.2.2 Resultaten 11
5 Zoetwatervoorziening 15
5.1 Methode 15
5.2 Resultaten 20
vi
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: maatschappelijke kosten en baten
6 Scheepvaart en havens 23
6.1 Typen effecten 23
6.2 Autonome ontwikkeling scheepvaart en havens 23
6.3 Effecten van de hoekpunten op de bereikbaarheid 24
6.4 Eenheidskosten 27
6.5 Totaal van de gemonetariseerde effecten voor de scheepvaart en havens 28
6.6 Conclusies 28
6.7 Aanbevelingen voor vervolganalyses voor de scheepvaart 28
7 Natuur 31
7.1 Inleiding 31
7.2 Aanpak 31
7.3 Huidige situatie 32
7.4 Resultaten 33
7.5 Conclusies 35
7.6 Aanbevelingen 35
8 Ruimtelijke kwaliteit 37
8.1 Inleiding 37
8.2 Methode 37
8.3 Resultaten, conclusies en aanbevelingen 41
9 Kosten en baten op een rij 43
9.1 Inleiding 43
9.2 Resultaten en conclusies 43
10Conclusies en aanbevelingen 47
10.1 Inleiding 47
10.2 Ten aanzien van mogelijke strategieën 47
10.2.1 De huidige strategie blijkt kosten-effectief 49
10.2.2 Afsluiten van de Nieuwe Waterweg in combinatie met extra waterberging blijkt
effectief 49
10.2.3 Grote investering in rivierkeringen en dammen blijken weinig effectief 50
10.2.4 Open Haringvliet 51
10.2.5 Mogelijkheden binnen en buiten de hoekpunten 51
10.3 Ten aanzien van het beoordelingskader en onderliggende methoden 52
11Referenties 54
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
vii
Bijlage(n)
Samenvatting i
A Technische bijlage overstromingsrisico’s binnendijks A-1
A.1 Aanpak A-1
A.2 Inputs: overstromingsschade en –slachtoffers A-2
A.3 Bepaling van de verwachte schade en slachtoffers A-2
A.4 Indexering van de risicobedragen naar hun waarden in 2015 A-2
A.5 Opslag ontbrekende schadeposten A-3
A.6 Waardering van het slachtofferrisico A-3
A.7 Economische en bevolkingsgroei A-4
B Technische bijlage overstromingsrisico buitendijks B-1
B.1 Aanpak B-1
B.2 Inputs: overstromingsschade en –slachtoffers voor drie herhalingstijden B-2
B.3 Bepaling van de verwachte schade en slachtoffers B-2
C Zoetwatertekort C-1
C.1 Aanpak C-1
C.2 Inputs: directe schade voor drie herhalingstijden C-1
C.3 Bepalingvan het jaarlijks verwachte zoetwatertekort C-2
C.4 Opslagpercentage voor indirecte schade en prijseffecten C-3
C.5 Economische groei C-3
D Berekening van het buitendijkse overstromingsrisico D-1
E Waardering van productieverliezen E-1
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1
1 Inleiding
1.1 Kader
Het Deltaprogramma is een nationaal programma. Rijksoverheid, provincies, gemeenten en
waterschappen werken hierin samen met inbreng van maatschappelijke organisaties en
bedrijfsleven. Het doel is om Nederland ook voor toekomstige generaties te beschermen
tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoet water (www.deltacommissaris.nl).
In het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden wordt onderzocht hoe voor de lange termijn
kan worden gezorgd voor een duurzame bescherming tegen overstromingen en voldoende
zoetwater in de laaggelegen, dichtbevolkte, en economisch belangrijke Rijn-Maasmonding.
De hoogwaterbescherming en de zorg voor zoet water moeten samengaan met een
duurzame ontwikkeling van een economisch sterke, sociale, én aantrekkelijke regio.
Het Deltaprogramma volgt bij de zoektocht naar een voorkeursstrategie een route van grof
naar fijn: eerst worden in 2012 mogelijke strategieën in beeld gebracht, vervolgens wordt er
‘getrechterd’ via kansrijke strategieën naar een voorkeursstrategie per regio. Tenslotte
moeten in 2014 op landelijk niveau gecombineerde Deltabeslissingen worden genomen (zie
Figuur 1.1).
Figuur 1.1: Van mogelijke strategieën naar Deltabeslissingen. Elke volgende stap stelt hogere eisen de beoordeling en vergelijking van
strategieën.
Bij aanvang van het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden lag de vraag voor om eerst een
aantal sterk uiteenlopende oplossingsrichtingen voor (hoog)waterbeheersing globaal te
verkennen. Deze ‘hoekpuntenverkenning’ gaat dus vooraf aan de formulering van meer
omvattende kansrijke strategieën voor het Deltaprogramma in 2012.
In 2010 is Deltares gevraagd deze hoekpuntenverkenning in samenwerking met partners uit
te voeren. Eerst zijn de consequenties van de oplossingsrichtingen voor de maatgevende
hoogwaterstanden berekend (Slootjes et al., 2011). Daarna is een verkenning van de
maatschappelijke kosten en baten van de oplossingsrichtingen gestart. Het voorliggende
rapport is hier het resultaat van.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
2
Het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden is nauw verweven met het deltaprogramma
Zuidwestelijke Delta. Niet alleen is er een geografische overlap (Haringvliet), ook de
wederzijdse afhankelijkheid van keuzes omtrent oplossingsrichtingen is groot. Daarom is het
deltaprogramma Zuidwestelijke Delta mede-opdrachtgever van deze verkenning.
1.2 Doel
Doel van deze studie is de positieve en negatieve effecten (maatschappelijke baten en
kosten) van oplossingsrichtingen voor (hoog)waterbeheersing (hoekpunten) te identificeren
en waar mogelijk te kwantificeren. Het woord hoekpunten geeft al aan dat het gaat om sterk
uiteenlopende oplossingsrichtingen, waarbij nog geen aandacht wordt besteed aan
optimalisatie of aan maatregelen om mogelijke negatieve effecten te mitigeren.
Het doel van de verkenning is dan ook niet om meteen een goede oplossing aan te dragen,
maar om te leren van de aard en omvang van de effecten van deze hoekpunten:
- Welke onderdelen pakken gunstig uit en welke ongunstig?
- Hoe reageert het hoofdwatersysteem binnen en buiten het onderzoeksgebied op de
ingrepen?
- Hoe kunnen de effecten in beeld worden gebracht en hoe kan een afweging worden
gemaakt?
- Welke kennis ontbreekt?
1.3 Afbakening
De verkenning van effecten beperkt zich geografisch tot de regio Rijnmond-Drechtsteden
(ook wordt er gesproken over de Rijn-Maasmonding), het Haringvliet en het
benedenstroomse deel van Lek en Waal tot respectievelijk Nieuwegein en Tiel en de
aangrenzende dijkringen. Per beschouwd effect kan dit enigszins afwijken (zie de
hoofdstukken 3 tot en met 8). Het Volkerak-Zoommeer en de Grevelingen worden in deze
studie beschouwd als mogelijke waterbergingsgebieden en aldus als mogelijk onderdeel van
maatregelenpakketten met bijbehorende kosten.
Met eventuele nieuwe randvoorwaarden die vanuit de generieke deltaprogramma’s van het
Deltaprogramma (Veiligheid, Zoetwatervoorziening, en Nieuwbouw en Herstructurering)
zouden kunnen voortkomen, kon in deze verkenning nog geen rekening worden gehouden.
Uitgangspunt zijn de huidige normen, criteria etc.
1.4 Leeswijzer
Dit rapport geeft een samenhangend overzicht van de belangrijkste resultaten van
verschillende parallelle onderzoeken waarin de effecten van de hoekpunten zijn verkend bij
verschillende scenario’s van sociaaleconomische ontwikkeling en klimaatverandering. Over
deze onderzoeken is gerapporteerd in afzonderlijke deelrapporten (zie de lijst met
referenties).
In hoofdstuk 2 wordt de algehele opzet van het onderzoek beschreven, en in het bijzonder
hoe tot een synthese van resultaten wordt gekomen in de vorm van een kengetallenkosten-
batenanalyse (KKBA).
Daarna worden de afzonderlijke effectstudies in achtereenvolgende hoofdstukken
samengevat: kosten in hoofdstuk 3, overstromingsrisico’s in hoofdstuk 4,
zoetwatervoorziening in hoofdstuk 5, scheepvaart en haven in hoofdstuk 6, natuur in
hoofdstuk 7 en ruimtelijke kwaliteit in hoofdstuk 8. In deze hoofdstukken komen zowel de
gebruikte methode als de resultaten aan bod.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
3
In hoofdstuk 9 worden alle effecten op een rij gezet en worden deze zowel onderling als
tussen de hoekpunten vergeleken.
In hoofdstuk 10 tenslotte worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen gegeven.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
4
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
5
2 Aanpak
2.1 Algehele aanpak
In het deltaprogramma wordt gewerkt van grof naar fijn, waarbij enige iteraties plaatsvinden
van ontwikkeling van alternatieve oplossingsrichtingen, effectbepaling en beoordeling
daarvan, en weer terug naar een nieuwe ronde van ontwikkeling van – betere – alternatieven.
In schema is dat weergegeven in Figuur 2.1.
Figuur 2.1 Stappenplan van de beleidsanalyse, zoals gevolgd in DP-Rijnmond-Drechtsteden (naar Klijn et al., 2011): dit rapport gaat
over een eerste ronde van de onderste helft van dit stappenplan
Belangrijke stappen in zo’n verkenning zijn de afbakening en verkenning van het systeem en
de analyse van het huidig beleid. Die stappen zijn in deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden
al afgerond, in samenspraak met het deltaprogramma als geheel (met name de scenario’s).
Daarna volgen de ontwikkeling van een beoordelingskader en een analyse van alternatieve
oplossingsrichtingen. Die beide staan in dit rapport centraal, evenals de vergelijking van een
eerste generatie oplossingsrichtingen met behulp van een maatschappelijke kosten-
batenanalyse (MKBA), die in deze eerste ronde het karakter heeft van een kentallenkosten-
batenanalyse (KKBA).
Afbakening en verkenning
systeem
Analyse huidig beleid
(0-alternatief)
Analyse alternatieve
oplossingsrichtingen
(Verkenning van
oplossingsrichtingen)
Vergelijking huidig beleid
met alternatieve
oplossingsrichtingen
Identificatie van mogelijke maatregelen
Ontwikkeling alternatieve oplossingsrichtingen
Effectbepaling alternatieve oplossingsrichtingen
Vergelijking alternatieven/ MKBA
Afbakening
kenmerken en
dimensies
watersysteem
Bepaling
mogelijke
toekomsten
(scenario’s)
Vaststelling
problemen in
huidige situatie
Vaststelling
problemen in
toekomstige
situatie
Ontwikkeling
beoordelingskader
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
6
2.2 Beoordeling en beoordelingskader
De verkenning van de oplossingsrichtingen heeft het karakter van een maatschappelijke
kengetallenkosten-batenanalyse (KKBA, zie kader). Dat betekent dat deze analyse is
opgesteld op basis van kengetallen voor de belangrijkste relevante effecten en een
verkennend karakter heeft. De belangrijkste relevante effecten zijn daartoe opgenomen in
een beoordelingskader.
Voor het beoordelingskader is aangesloten bij beoordelingscriteria (en wijze van
kwantificering) zoals toegepast in de generieke deltaprogramma’s. Daaraan zijn criteria
toegevoegd die specifiek van belang werden geacht voor de regio Rijnmond-Drechtsteden.
Dit is uitgemond in het beoordelingskader dat is weergegeven in Tabel 2.1.
Dit beoordelingskader reflecteert de belangrijkste doelen van het Deltaprogramma
(overstromingsrisicobeheersing en zoetwatervoorziening), alsmede een aantal regio-
specifieke nevendoelen en neveneffecten van de maatregelen, en natuurlijk ook de
implementatiekosten van de strategische alternatieven.
Tabel 2.1 Overzicht van beoordelingscriteria
Beoordelingscriteria Indicatoren/ maatlatten
Overstromingsrisico binnendijks Materiële schade
Immateriële schade van getroffenen en dodelijke slachtoffers
Overstromingsrisico buitendijks Materiële schade
Immateriële schade van getroffenen en dodelijke slachtoffers
Zoetwatertekort Vermindering van landbouwopbrengsten ten gevolge van
zoetwatertekorten voor beregening
Kosten van ontzilting van water voor glastuinbouw, industrie en
drinkwater
Hinder voor scheepvaart Wacht- en inhaalkosten zeevaart
Wacht- en inhaalkosten binnenvaart
Verplaatsing van activiteiten naar buitenlandse havens
Natuur Natuurlijkheid (kwalitatief)
Diversiteit (kwalitatief)
Connectiviteit (kwalitatief)
Ruimtelijke kwaliteit Gebruikswaarde (kwalitatief)
Belevingswaarde (kwalitatief)
Toekomstwaarde (kwalitatief)
Kosten Kosten van dijkversterking
Kosten van keringen
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
7
Wat is een kosten-batenanalyse?
In een (maatschappelijke) kosten-batenanalyse wordt een overzicht gegeven van alle voordelige en
nadelige effecten (baten en kosten) die de samenleving als gevolg van een plan, een project of een
beleidsmaatregel ondervindt. In beginsel moeten hierbij alle effecten die voor mensen van belang zijn
(waarde hebben), worden meegenomen. In een maatschappelijke kosten-batenanalyse worden ook ‘niet-
economische’ effecten beschouwd, zoals effecten op natuur.
Voor zoverre dat op een verantwoorde wijze mogelijk is, worden de effecten in geld uitgedrukt
(gemonetariseerd). Indien alle effecten gemonetariseerd kunnen worden én het saldo van de effecten
positief is, dan draagt het project of de maatregel bij tot de maatschappelijke welvaart. Als monetarisering
niet goed mogelijk is, zal een afweging plaats moeten vinden van de gemonetariseerde en niet-
gemonetariseerde effecten.
Het welvaarteconomische waarderingskader is belangrijk, maar niet het enige mogelijke
waarderingskader. De conclusies van een kosten-batenanalyse vormen dan ook slechts één van
verscheidene bijdragen aan een evenwichtige besluitvorming over projecten.
Onderscheid tussen KBA en KKBA
In de leidraad voor kosten-batenanalyse die in Nederland van toepassing is (Eijgenraam et al, 2000),
wordt een onderscheid gemaakt tussen een ‘kengetallen kosten-batenanalyse’ (KKBA) en een
diepgaande KBA. Een KKBA is bedoeld voor een vroeg stadium van de beleidsvoorbereiding. In dit
stadium worden oplossingsrichtingen verkend.
Een eerste afweging van de kosten en baten is dan nuttig, maar tegelijkertijd ontbreken vaak de tijd, de
middelen en de informatie om voor elke oplossingsrichting een volledige kosten-batenanalyse uit te
voeren. Daarom wordt in dit stadium het principe van de kosten-batenanalyse als uitgangspunt genomen,
maar de raming van de kosten en baten wordt gebaseerd op beschikbare of snel produceerbare
informatie (zoals kengetallen uit eerder onderzoek). Het is belangrijker dat alle relevante onderwerpen
aan de orde komen, dan dat ze op diepgaande wijze onderzocht zijn.
In een later stadium wordt een KKBA in het algemeen opgevolgd door een diepgaande KBA. Het aantal
oplossingsrichtingen in de KBA is meestal beperkter dan in een KKBA. De resultaten van een KBA
dienen als hulpmiddel voor beleidsmakers bij het nemen van een beslissing om een project al dan niet uit
te voeren, en, zo ja, welk projectalternatief. Het onderscheid tussen een KKBA en een KBA is dus
tweevoudig:
KKBA KBA
Rol in de beleids-
voorbereiding
Verkennend
Input voor ontwerp van
projectalternatieven
Ondersteuning van
besluitvorming
Input voor keuze tussen
projectalternatieven
Mate van
onderbouwing
Minder Meer
De opbouw en de principes van een KKBA en KBA zijn dus gelijk. Het belangrijkste methodologische
verschil is de mate van onderbouwing.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
8
In hoofdstuk 3 worden de aanpak en specifieke uitgangspunten per criterium toegelicht. Eerst
wordt echter uiteengezet hoe de effecten in een onzekere toekomst zijn bepaald, en hoe tot
een integrale beoordeling van maatschappelijke kosten en baten gekomen is.
2.2.1 Effectbepaling bij verschillende scenario’s
Om de effecten op een aantal van deze criteria te kunnen kwantificeren is het noodzakelijk de
toekomstige hoogwaterstanden, bevolkingsaantallen, economie, landgebruik en dergelijke te
kennen. Daarvoor wordt in het deltaprogramma gebruik gemaakt van scenario’s, die zijn
opgesteld voor gebruik in alle deltaprogramma’s (Bruggeman et al., 2011). Deze scenario’s
zijn samengesteld op basis van bestaande klimaatscenario’s van het KNMI en de
gezamenlijke planbureaus (de zogenaamde WLO-scenrio’s; Huizinga en Smid, 2004), een
aangevuld met modelberekeningen betreffende rivierafvoeren en andere relevante
hydrologische parameters. In essentie gaat het om combinaties van klimaatscenario’s
(inclusief zeespiegelstijging en aangevuld met bodemdaling) en sociaal-economische
scenario’s (demografie en economie).
Voor het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden is steeds gebruik gemaakt van de twee
meest extreme scenario’s voor elk beoordelingscriterium, die door combinatie van de
klimaatscenario’s en sociaal-economische scenario’s verkregen kunnen worden. Door voor
deze extremen de effecten te bepalen, wordt een indruk verkregen van de bandbreedte van
elk effect.
Tabel 2.2 Overzicht van in deze studie gebruikte scenario’s
Effect Bovengrensscenario Ondergrensscenario Toelichting
Overstromingsrisico
(binnendijks en
buitendijks)
GE / W+ RC / G Verwachte
overstromingsschade is het
grootste bij warmer en meer
extreem klimaat (W+), en bij
grote bevolkings- en
economische groei (GE)
Zoetwatertekort RC / W+ GE / G In scenario RC is het
landbouwareaal het grootste,
en die sector is de grootste
waterverbruiker. De
waterbevoorradingsproblemen
zijn het ernstigste in
klimaatscenario W+
Enkele kengetallen van de scenario’s zijn gegeven in Tabel 2.3 en Tabel 2.4.
Behalve de groei van het BBP geven de WLO scenario’s ook groeicijfers voor verschillende
sectoren zoals transport, industrie en landbouw. Waar relevant zijn deze sectorale groeicijfers
gebruikt in de berekening van de baten (zie ook hoofdstuk 5, 6 en de bijlage).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
9
Tabel 2.3 Maatgevende rivierafvoeren en gemiddelde zeespiegel voor G en W+ (naar Slootjes et al. 2011), en laagwaterafvoeren (uit
Bruggeman et al, 2011).
Scenario Maatgevende Rijnafvoer
[m
3
/s]
Zeespiegel t.o.v. 1990
[m]
Gemiddelde Rijnafvoer in
september [m
3
/s]
Referentie 2015 16.000 0,08 1800
G- 2050 16.500 0,20 2000
W
+
- 2050 17.000 0,35 1300
G- 2100 17.000 0,35 2100
W+- 2100 18.000 0,85 900
Tabel 2.4 Kengetallen van de twee gebruikte sociaaleconomische scenario’s
Scenario
Bevolkingsgroei
(%/jaar, 2002-2040
Groei BBP
(%/jaar, 2002-2040
GE Global Economy 0,5 2,6
RC Regional Communities 0,0 0,7
2.2.2 Salderen van kosten en baten in de KKBA
Doorgaans worden in een (K)KBA de in geld uitgedrukte kosten en baten over de levensduur
van een project geaggregeerd tot een netto contante waarde (NCW). De netto contante
waarde betreft de baat minus de kosten om die baat te realiseren. Hoe hoger de NCW, hoe
rendabeler het project is.
De NCW kan berekend worden met de volgende formule:
_
=
+
÷
=
T
t
t
t t
d
K B
NCW
0
) 1 (
waarin:
B
t
= baten in jaar t;
K
t
= kosten in jaar t;
d = discontovoet;
T = tijdshorizon van de analyse.
In de voorliggende studie bestaan de kosten K
t
uit de kosten (investeringen en beheer en
onderhoud) van dijkversterkingen, dammen en keringen, en de baten B
t uit
de in geld
gewaardeerde baten voor overstromingsrisico’s, zoetwater, scheepvaart, etc. In het NCW
criterium is geen plaats voor niet in geld gewaardeerde effecten. Daarom worden deze later
naast het NCW-saldo vermeld.
De effecten van de hoekpunten (en het nulalternatief) zijn in de deelrapporten bepaald voor
een drietal jaren: 2015, 2050 en 2100. De effecten voor tussenliggende jaren zijn door middel
van interpolatie verkregen (zie ook paragraaf hierna). Door interpolatie naar de afzonderlijke
jaren ontstaat per effect een kasstroom voor de periode 2015-2100. Door toepassing van een
discontovoet kan uit de kasstroom per effect een contante waarde worden berekend.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
10
In de KKBA zijn de meeste in geld gewaarde effecten ‘negatieve effecten’, omdat ze zijn
uitgedrukt als ‘schades. Dat geldt voor binnen- en buitendijkse overstromingsrisico’s,
landbouwschade en schade voor de haven en scheepvaart. Die moeten bij voorkeur zo laag
mogelijk worden gehouden. Ook de kosten van de aanleg en het onderhoud van dammen en
dijken zouden bij voorkeur zo laag mogelijk gehouden worden; vanuit economisch oogpunt
zijn kosten dus ook negatieve effecten.
In een KKBA kunnen de alternatieve oplossingsrichtingen dan op twee verschillende
manieren vergeleken worden:
1 door alle kosten en negatieve effecten bij elkaar op te tellen. Het hoekpunt met de
laagste maatschappelijke totaalkosten scoort dan het meest gunstig vanuit economisch
oogpunt;
2 door de extra kosten en effecten van de hoekpunten te bepalen ten opzichte van die in
het nulalternatief. In dit geval is het hoekpunt met het grootste positieve verschil (de
grootste baat) het meest gunstig.
Beide wijzen van vergelijken leveren vanzelfsprekend dezelfde rangorde van alternatieven
op. In hoofdstuk 9 van dit rapport worden beide vergelijkingwijzen gevolgd, en is expliciet
aangegeven welke.
2.2.3 Discontovoet en tijdshorizon in de KKBA
Om de NCW te berekenen, moeten de kosten en baten in de tijd uitgezet worden en moet
een waarde voor de discontovoet worden gekozen. Voor deze reële discontovoet (inclusief
risico-opslag) is 5,5% per jaar genomen. Deze waarde is ook gebruikt voor de MKBA van
WV21 en is conform de vigerende voorschriften van het Ministerie van Financiën.
Verder is het ongebruikelijk om in MKBA’s rekening te houden met algemene prijsinflatie. De
KKBA is daarom opgesteld in prijzen van 2011. Bij zowel kosten als baten is gerekend met
prijzen exclusief BTW.
De tijdshorizon die gebruikt wordt in een kosten-batenanalyse is bij voorkeur gelijk aan de
levensduur van een project. Maar voor projecten met een zeer lange levensduur wordt om
praktische redenen vaak een kortere (maar nog steeds lange) tijdshorizon gehanteerd. In de
KKBA is daarom een tijdshorizon tot het jaar 2100 beschouwd. In de uitgevoerde KKBA is
nog geen aandacht aan het precieze moment van optreden van de effecten binnen deze
tijdshorizon besteed.
De raming van de investeringskosten omvat alle investeringen tot 2100. De overige effecten
zijn in de deelrapporten geraamd voor 3 zichtjaren: 2015, 2050, en 2100. Voor de jaren 2050
en 2100 is in de deelrapporten verondersteld dat de maatregelen al volledig zijn
geïmplementeerd. Voor de KKBA zijn hierover echter afwijkende aannames gedaan, en wel:
- kosten van keringen en dijkversterking: 50% in 2025 en 50% in 2075;
- overige effecten:
o de effecten beginnen vanaf 2025 af te wijken van die in het nulalternatief;
o de effecten tussen 2025 en het zichtjaar 2050 kunnen via interpolatie worden
geschat; en
o de effecten tussen 2050 en 2100 kunnen eveneens voor elk hoekpunt uit interpolatie
tussen deze zichtjaren worden afgeleid.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
11
Omdat in het zichtjaar 2050 de effecten alleen voor het klimaatscenario W+ in combinatie met
hoge en lage economische groei bepaald zijn, is de NCW van de verschillende hoekpunten
enkel voor het scenario W+/GE en W+/RC berekend, en niet voor combinaties met het G-
scenario.
2.3 Alternatieve oplossingsrichtingen: de hoekpunten
In deze verkenning zijn vier alternatieve oplossingsrichtingen bekeken. Binnen de
alternatieven zijn soms weer varianten onderscheiden:
0. Voortzetting huidig beleid (0-alternatief):
1. Verbeterd afsluitbaar zeezijde
2. Afsluitbaar-open zee- en rivierzijde
a. Nieuwe Lek
b. Pannerdense Kop
3. Gesloten
a. Zee- en rivierzijde
b. Zee- en rivierzijde, open Haringvliet
c. Zeezijde en waterberging in de Grevelingen
4. Open
Deze oplossingsrichtingen zijn hoofdzakelijk gedefinieerd vanuit het perspectief van
hoogwaterbescherming. Belangrijk uitgangspunt bij het definiëren van de
oplossingsrichtingen is dat er in deze fase géén compenserende maatregelen voorzien zijn
voor andere functies, zoals een andere vormgeving van de haven van Rotterdam,
bellenschermen tegen zoutindringing, het ophogen van buitendijkse woongebieden, etc.
2.3.1 Algemene uitgangspunten
Elke oplossingsrichting is vormgegeven door een aantal uitgangspunten vast te stellen, die
voor alle oplossingsrichtingen gelden:
- De huidige normen voor waterveiligheid en criteria voor inlaat van zoetwater blijven
gelden (zie ook paragraaf 1.3);
- Er is aangenomen dat de Ruimte-voor-de-Rivierprojecten Noordwaard, Overdiepse
Polder, Avelingen, en waterberging Volkerak-Zoommeer (projecten waartoe
uitvoeringsbesluiten zijn genomen) zijn uitgevoerd; overige mogelijke maatregelen uit het
lange termijnpakket van Ruimte-voor-de-Rivier zijn niet geïmplementeerd.
- In de PKB Ruimte voor de Rivier is afgesproken dat de Nederrijn- Lek wordt ontzien bij
afvoeren van de Bovenrijn hoger dan 16.000 m
3
/s. Afvoeren boven de 16.000 m
3
/s
worden verdeeld over Waal en IJssel.
- Van het Kierbesluit is aangenomen dat het is uitgevoerd met het oog op herstel van de
estuariene dynamiek, en – conform het besluit – zonder nadelige effecten voor de
zoetwatervoorziening (de kier sluit weer bij te lage debieten over het Haringvliet).
- Voor de bepaling van de waterstandseffecten is voor de Haringvlietsluizen uitgegaan van
een alternatief spuiprogramma: bij Bovenrijn-afvoeren hoger dan 2000 m
3
/s wordt
maximaal gespuid;
- Voor de bepaling van de maatgevende hoogwaterstanden is uitgegaan van een faalkans
van de Hollandse-IJsselkering van 0, vanwege beperkingen aan het
rekeninstrumentarium.
- Er is uitgegaan van een stormvloedduur van 35 uur (zie ook Slootjes et al., 2011).
- Het 2
e
hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) is uitgevoerd, het 3
e
(HWBP-3) nog
niet (zie ook hoofdstuk 3)
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
12
2.3.2 Voortzetting huidig beleid (nulalternatief/ referentiealternatief)
De essentie van dit alternatief is dat de hoogwaterbeschermingstrategie ongewijzigd blijft.
Dijken worden zo aangepast dat ze aan de huidige normen blijven voldoen.
Zodra de Maeslantkering aan het eind van zijn levensduur is, wordt deze vervangen door een
kering met dezelfde prestatiekenmerken, dus een faalkans van 1/100 per sluitvraag. Voor de
hoogte van de nieuwe kering wordt wel rekening gehouden met de stijgende zeespiegel.
2.3.3 Oplossingsrichting ‘Verbeterd afsluitbaar aan zeezijde’ (hoekpunt 1)
De essentie van deze oplossingsrichting is dat het hoogwaterbeschermingssysteem
gehandhaafd blijft zoals we het nu kennen in de Rijn-Maasmonding. Het omvat een
afsluitbare stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg aan zeezijde en het
Haringvlietsluizencomplex. Dat betekent dat de Nieuwe Waterweg open is onder normale
omstandigheden, maar kan worden afgesloten bij extreme omstandigheden op zee.
Figuur 2.2 Hoekpunt 1, Verbeterd afsluitbaar zeezijde.
De stormvloedkeringen in de Nieuwe Waterweg en het Hartelkanaal worden verbeterd om
een faalkans van 1/1000 per sluitvraag te realiseren (t.o.v. 1/100 in het nulalternatief). De
Hollandsche IJsselkering blijft ongewijzigd gehandhaafd.
2.3.4 Oplossingsrichting ‘Afsluitbaar-open aan zee- en rivierzijde’ (hoekpunt 2)
Dit hoekpunt komt overeen met de oplossingsrichting uit het rapport van de Commissie
Veerman (Deltacommissie, 2008). Afsluitbaar aan zee- en rivierzijde betekent dat de
hoogwaterbescherming voor Rijnmond-Drechtsteden wordt gerealiseerd met verbeterde
afsluitbare keringen aan de zeezijde in combinatie met afsluitbare keringen in de omliggende
riviertakken. Deze oplossing heeft als achterliggende gedachte om de Drechtsteden niet
alleen tegen stormvloed, maar ook tegen hoge rivierafvoeren te kunnen beschermen. In deze
oplossingsrichting worden naast de bestaande te verbeteren Maeslantkering, Hartelkering en
Haringvlietsluizen nog vier extra afsluitbare keringen gebouwd: in de Lek, in de Beneden-
Merwede, in de Dortse Kil en in het Spui (Figuur 2.3).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
13
Figuur 2.3 Hoekpunt 2, Afsluitbaar aan zee- en ri vierzijde ('Afsluitbaar Open').
Door de kering in de Lek moet het water op een alternatieve wijze worden afgevoerd. In deze
verkenning is uitgegaan van twee varianten:
a. één waarbij een nieuwe blauwe of groene rivier aangelegd wordt ('Nieuwe Lek') en
b. één waarbij al het Lekwater al bij Pannerdense Kop over de Waal gestuurd wordt
('Pannerden').
Specifieke uitgangspunten voor deze oplossingsrichting zijn:
- de Hollandsche IJsselkering blijft gehandhaafd. In het model krijgt deze faalkans 0; en
- de rivierkeringen in de Lek, Spui, Dordtsche Kil en Beneden Merwede worden aangelegd
op de locaties zoals aangegeven in het advies van de commissie Veerman en ze krijgen
dezelfde faalkans (1/1000) en hetzelfde sluitcriterium als de verbeterde Maeslantkering.
Ze worden gesloten als de stormvloedkeringen in de Nieuwe Waterweg sluiten. Voor de
Spuikering en Drechtkering (in de Dortsche Kil) geldt dat ze sluiten als de
stormvloedkering is gesloten en de waterstand in het Rijnmondgebied lager is dan op het
Haringvliet.
2.3.5 Oplossingsrichting ‘Gesloten’ (hoekpunt 3)
De gesloten oplossingsrichting is een systeem met permanent gesloten keringen (dammen)
met spuimiddelen aan zeezijde, met of zonder gesloten keringen met scheepvaartsluizen aan
rivierzijde. Dit alternatief kent nog drie varianten:
a. gesloten aan zee- en rivierzijde;
b. gesloten aan zee- en rivierzijde, maar met een geheel open Haringvliet en zonder
waterberging in de Zuidwestelijke Delta; en
c. gesloten aan zeezijde met waterberging in de Grevelingen, aanvullend op die in het
Volkerak-Zoommeer.
De centrale gedachte achter deze oplossingsrichting en haar varianten is het garanderen van
de bescherming tegen stormvloeden op zee. De faalkansen kunnen met permanent gesloten
keringen aanzienlijk kleiner zijn dan bij beweegbare keringen. In de dammen zijn
doorlaatconstructies (spui- en scheepvaartsluizen) nodig. Zo wordt de Maeslantkering is
vervangen door een dam met 4 schutsluizen en spuisluizen. De Hartelkering wordt eveneens
vervangen door een dam met sluizen.
In varianten a en b ontstaat een gesloten ring van dammen om het Rijnmond-
Drechtstedengebied. Het water binnen deze ring zal op een vast peil komen met
gecontroleerde marges. De scheepvaart zal door schutsluizen heen moeten.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
14
Doordat er geen water meer via de Nieuwe Waterweg uitstroomt, ontstaat er voor het
Haringvliet een grotere zoetwaterstroom, die frequenter en langdurigere spuien naar zee
nodig maakt, ook bij lage rivierafavoeren.
Aanvullende uitgangspunten variant ‘Gesloten zee- en rivierzijde’
Er worden dammen aangelegd in Lek, Spui, Dordtsche Kil en Beneden-Merwede. In de
dammen worden schutsluizen aangelegd en spuivoorzieningen.
De Nieuwe Waterweg en de wateren binnen de ring van keringen worden ‘peilbeheerst’. Het
streefpeil en bijbehorende toelaatbare marges moeten nader worden vastgesteld. Hierbij zijn
een aantal criteria van belang:
- voorkomen overlast door kwel;
- voldoende vaardiepte;
- spuien onder vrij verval moet mogelijk zijn.
Specifieke uitgangspunten voor deze oplossingsrichting zijn:
- Het huidige gemiddelde zeeniveau bij Rotterdam varieert tussen -0,4 en +0,8 m+NAP. In
deze verkenning is 1,0 m+NAP gehanteerd als streefpeil.
- De Lekafvoer wordt via een ‘Nieuwe Lek’ (gelijk aan oplossingsrichting 'Afsluitbaar zee-
en rivierzijde’) permanent naar de Merwedes geleid.
- De Hollandsche IJsselkering verliest z'n functie.
Figuur 2.4 Variant 3a, 'Gesloten zee- en rivierzijde'.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
15
Figuur 2.5 Variant 3b, 'Gesloten zee- en rivierzijde', open Haringvliet, geen waterberging Zuidwestelijke Delta'.
Figuur 2.6 Variant 3c, 'Gesloten aan zeezijde, maar open aan rivierzijde, extra waterberging Grevelingen'.
Aanvullende uitgangspunten variant ‘Gesloten aan zee- en rivierzijde, open Haringvliet’
De aanvullende uitgangspunten zijn dezelfde als die in variant 'Gesloten zee- en rivierzijde'
met als toevoeging: de Haringvlietdam en –sluizen worden geheel verwijderd. De estuariene
dynamiek en de geleidelijke overgangen van zoet naar zout worden in deze
oplossingsrichting maximaal teruggebracht, ook bij stormvloed. Er ontstaat weer een open
verbinding van het achterland naar de zee. In deze variant is er geen extra waterberging in de
Zuidwestelijke Delta nodig, omdat de dijken langs het Hollands Diep en Haringvliet fors
worden verhoogd.
Aanvullende uitgangspunten variant ‘Gesloten zeezijde, open rivieren’
Behalve in het Volkerak-Zoommeer, is er ook berging in de Grevelingen. Dit vergt een grote
doorlaatcapaciteit richting het Grevelingenmeer. Dit houdt in vergroting van de spuimiddelen
tussen het Hollands Diep en het Volkerak-Zoommeer naar 2000 m
2
, en een even grote
doorlaat door de Grevelingendam. De Hollandsche IJsselkering blijft gehandhaafd.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
16
2.3.6 Oplossingsrichting ‘Open’ (hoekpunt 4)
De oplossingsrichting volledig open betekent dat het watersysteem teruggebracht wordt naar
een volledig open estuarium, waarbij in de meest vergaande vorm het opheffen van de
Europoortkering (Hartelkering en Maeslantkering), de Haringvlietdam en de Hollandsche
IJsselkering aan de orde is. De estuariene dynamiek en de geleidelijke overgangen van zoet
naar zout worden in deze oplossingsrichting maximaal teruggebracht. Ten opzichte van de
andere varianten zullen de havens te allen tijde vanaf de zee bereikbaar zijn. Bij deze
oplossingsrichting zijn ingrijpende dijkverhogingen nodig, evenals een aangepaste inrichting
van buitendijkse en wellicht ook binnendijkse gebieden. In dit systeem zal de
hoogwaterbescherming volledig worden verzorgd door hogere dijken.
Specifieke uitgangspunten voor deze oplossingsrichting zijn:
- alle stormvloedkeringen en de Haringvlietsluizen zijn verwijderd.
Figuur 2.7 Hoekpunt 4, Volledig open
2.4 Waterstanden als basis
Voor een aantal effecten in de KKBA vormen waterstanden de basis. Voor de raming van
kosten voor dijkversterking zijn dit de maatgevende waterstanden. Voor de bepaling van
effecten in buitendijkse gebieden zijn dit waterstanden die frequenter optreden.
Voor de achtergrond van de berekeningen van de maatgevende waterstanden verwijzen we
naar Slootjes et al. (2011). De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in Figuur 2.8 tot en
met Figuur 2.13. Deze vormen de belangrijkste invoer voor de effectbepalingen, die in de
volgende hoofdstukken worden besproken.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
17
Figuur 2.8 Effecten van het W+ scenario (85 cm zeespiegelstijging en 18.000 m3/s Rijnafvoer) bij voortzetting van het huidige beheer (0-
alternatief). MHW-stijging t.o.v. referentie 2015.
Figuur 2.9 Verkregen waterstandsdaling bij het W+ scenario als gevolg van het verkleinen van de faalkans van de Maeslantkering van
1/100 naar 1/1000 (hoekpunt 1)
.
Figuur 2.10 Effecten van het W+ scenario (85 cm zeespiegelstijging en 18.000 m3/s Rijnafvoer) bij de oplossingsrichting ‘afsluitbaar-open
zee- en rivierzijde met ‘Nieuwe Lek’ (hoekpunt 2a). MHW-stijging t.o.v. referentie 2015.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
18
Figuur 2.11 Effecten van het W+ scenario (85 cm zeespiegelstijging en 18.000 m3/s Rijnafvoer) bij de oplossingsrichting ‘gesloten zee- en
rivierzijde’ (hoekpunt 3a). MHW-stijging t.o.v. referentie 2015.
Figuur 2.12 Effecten van het W+ scenario (85 cm zeespiegelstijging en 18.000 m3/s Rijnafvoer) bij de oplossingsrichting ‘gesloten
zeezijde’ (hoekpunt 3c). MHW-stijging t.o.v. referentie 2015.
Figuur 2.13 Effecten van het W+ scenario (85 cm zeespiegelstijging en 18.000 m3/s Rijnafvoer) bij de oplossingsrichting ‘open’ (hoekpunt
4). MHW-stijging t.o.v. referentie 2015.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
19
3 Kosten
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de kosten voor de alternatieve oplossingsrichtingen en
varianten uit paragraaf 2.3 zijn bepaald. De kosten zijn daarbij in twee categorieën onder te
verdelen:
- kosten van nieuwe infrastructuur zoals keringen, dammen, bypasses, waterberging etc.
Het gaat hierbij om de typische maatregelen voor beheersing van hoogwatersituaties
(Tabel 3.1).
- kosten van dijkversterking.
Kosten van verdere adaptatie, bijvoorbeeld in de buitendijkse gebieden of in de landbouw,
worden verondersteld niet te worden gemaakt.
Tabel 3.1 Maatregelen (‘projecten’) per alternatieve oplossingsrichting en varianten
Hoekpunten*
Projecten
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Vervanging bestaande kering Nieuwe
Waterweg
X X X X
Tweede kering Nieuwe Waterweg
1
(achter eerste kering)
X X X
Vervanging Hartelkering X X X X
Vier rivierkeringen met sluizen X X
Blauwe Rivier X
Regelwerk Pannerden X
Dam Nieuwe Waterweg (met 4 sluizen) X X X
Vier rivierdammen met sluizen X X
Waterberging Grevelingen X
Verwijdering kering Nieuwe Waterweg X X X X
Verwijdering Hartelkering X X X X
Verwijdering Haringvlietdam X X
* 0 Afsluitbaar open zeezijde (continuering huidige beleid); 1 Verbeterd afsluitbaar open zeezijde; 2a Afsluitbaar open zee- en rivierzijde -
Nieuwe Lek (Blauwe Rivier); 2b Afsluitbaar open zee- en rivierzijde - Regelwerk Pannerden; 3a Gesloten zee- en rivierzijde; 3b Gesloten
zee- en rivierzijde, maar Haringvliet open; 3c Gesloten zeezijde, open rivierzijde; 4 Open.
1. Met een dubbele kering wordt verondersteld minstens een faalkans van 1/1000 sluitvraag te kunnen realiseren.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
20
3.2 Kosten van nieuwe infrastructuur
Er is een grove schatting gemaakt van kosten van nieuwe infrastructuur op basis van
beschikbare literatuur. Kostenkentallen zijn zoveel mogelijk overgenomen uit eerder
onderzoek (Van der Krogt et al., 2010), waarin voor vergelijkbare adaptatiestrategieën kosten
zijn geraamd. Voor maatregelen waarvoor geen ramingen in deze studie aanwezig waren zijn
andere bronnen benut. Voor deze KKBA zijn geen nieuwe kosteninschattingen gedaan.
In Tabel 3.2 en Tabel 3.3 zijn respectievelijk de investeringsbedragen en kosten van beheer
en onderhoud per ‘project’ weergegeven. Voor het schatten van kosten waren geen nieuwe
ontwerpen beschikbaar. De kostenramingen zijn daarom grotendeels gebaseerd op
bestaande ontwerpen. Zo zijn alle nieuwe stormvloedkeringen gemodelleerd naar de
Hartelkering. Om aan de eis van een faalkans van 1/1000 (zie ook paragraaf 2.3) per
sluitvraag te kunnen voldoen, zijn de keringen dubbel uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor een
verbeterde Maeslantkering. Daardoor is er voor de stormvloedkeringen mogelijk sprake van
overdimensionering en een te hoge kosteninschatting.
Tabel 3.2 Investeringskosten van dammen en keringen (miljoen EUR, prijspeil 2011, excl. BTW)
Project
Investerings-
bedrag
Bron
Vervanging bestaande kering Nieuwe Waterweg 600 DHV en Deltares (2010)
Tweede kering Nieuwe Waterweg
(achter eerste kering)
600 DHV en Deltares (2010)
Vervanging Hartelkering 100 DHV en Deltares (2010)
Vier rivierkeringen met sluizen 1600 DHV en Deltares (2010)
Blauwe Rivier 2500 DHV en Deltares (2010)
Regelwerk Pannerden 8 DHV en Deltares (2010):
enkel bypass
Dam Nieuwe Waterweg (met 4 sluizen) 1200 HKV en Deltares (2010): 800 miljoen
voor dam met 2 sluizen (op basis
raming nieuwe sluis IJmuiden).
Vier rivierdammen met sluizen 1600 Voorlopig zelfde als keringen
Waterberging Grevelingen 330 DHV en HKV (2010), maximale
raming (zonder synergie)
Verwijdering kering Nieuwe Waterweg 30 Voorlopig 5% van investeringen
Verwijdering Hartelkering 5 Voorlopig 5% van investeringen
Verwijdering Haringvlietdam 120 Voorlopig 5% van 50% van
investeringen voor vervanging
Oosterscheldekering (DHV en
Deltares, 2010)
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
21
Voor de verbinding van de Lek met de Merwede uit hoekpunt ‘afsluitbaar-open aan zee- en
rivierzijde’ was door Van der Krogt et al. (2010) een iets afwijkend (korter) tracé gekozen.
Omdat de grootste kosten echter samenhangen met doorsnijdingen van lijninfrastructuur,
waaronder de Betuwelijn en A15, die voor beide tracés hetzelfde zijn, is hier geen correctie
op toegepast. Bovendien is voor alle kosten uitgegaan van een onzekerheidsmarge van -20
tot + 50 % voor de keringen en dammen, en van -30 tot + 60 % voor de ‘nieuwe rivier’.
Voor een regelwerk bij Pannerden kon geen goede kostenschatting worden gegeven. Nu zijn
enkel kosten opgenomen voor een extra nevengeul, vergelijkbaar met de Hondsbroeksche
Pleij. Voor het betrouwbaar sturen van de afvoerverdeling is waarschijnlijk meer nodig.
Tabel 3.3 Onderhoudskosten van dammen en keringen (miljoen EUR/jaar, prijspeil 2011, excl. BTW)
Project Bedrag Bron
Vervanging bestaande kering Nieuwe Waterweg 12 DHV en Deltares (2010)
2% van investeringsbedrag
Tweede kering Nieuwe Waterweg
(achter eerste kering)
12 DHV en Deltares (2010)
Vervanging Hartelkering 2 DHV en Deltares (2010)
Vier rivierkeringen met sluizen 32 DHV en Deltares (2010)
Blauwe Rivier 7 DHV en Deltares (2010)
0,3% van investeringsbedrag
Regelwerk Pannerden
Dam Nieuwe Waterweg (met 4 sluizen) 24 Voorlopig 2% van
investeringsbedrag
(zoals keringen)
Vier rivierdammen met sluizen 32 Voorlopig zelfde als keringen
Waterberging Grevelingen 1 Voorlopig 0,3% van
investeringsbedrag
(zoals Blauwe Rivier)
Verwijdering kering Nieuwe Waterweg 0 Geen onderhoud
Verwijdering Hartelkering 0 Geen onderhoud
Verwijdering Haringvlietdam 0 Geen onderhoud
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
22
3.3 Kosten van dijkversterking
3.3.1 Methode
Voor de schatting van kosten voor dijkversterking is gebruik gemaakt van dezelfde methode
die in de studie Waterveiligheid 21
e
eeuw is gebruikt (Kind, 2011). In de methode worden de
volgende stappen doorlopen:
1. Allereerst wordt de uitgangssituatie gedefinieerd:
- opdelen van dijkringtrajecten in representatieve vakken. Dit is in overleg met de
waterbeheerders in het kader van het project Waterveiligheid 21
e
eeuw gebeurd;
- schematisatie van de ondergrond. Welk soort bodem i.v.m. later ontwerp;
- schematisatie dijkprofiel: wat is het meest representatieve actuele profiel voor het
betreffende dijkvak. Als basis dient een door de waterbeheerders gevalideerde
database van de actuele dijkhoogtes voor het jaar 2006 (dus voor uitvoering van het
2
e
hoogwaterbeschermingsprogramma).
2. Ontwerp nieuwe waterkering:
- welke versterkingsmaatregelen zijn nodig gegeven de benodigde kruinhoogtes. De
benodigde kruinhoogtes zijn berekend op basis van de maatgevende waterstanden
en windstatistiek.
- afhankelijk van uitgangssituatie, ondergrond en beschikbare ruimte wordt een
ontwerp gekozen voor de dijkversterking (zie ook Figuur 3.1)
3. Tenslotte wordt de kostenraming uitgevoerd. Daarbij wordt er onder andere ook rekening
gehouden met de aanwezige lijninfrastructuur op de dijk.
Figuur 3.1 Ontwerpregels voor dijkversterking in de toegepaste methode. Bijvoorbeeld veel ruimte en een slappe ondergrond betekenen
een dijkversterking met grond met extra steunberm. Weinig ruimte voor versterking betekent het inzetten van (dure) verticale
staalconstructies.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
23
In Hoogendoorn et al (2011) wordt de aanpak van de berekening van de kosten van de
investeringen in dijkversterking in meer detail toegelicht. Belangrijkste uitgangspunt voor de
kostenberekeningen is dat er bij hogere waterstanden als gevolg van klimaatverandering of
als gevolg van maatregelen in het watersysteem steeds voldaan moet worden aan de huidige
hoogwaterbeschermingsnormen.
Vervolgens kunnen er twee verschillende aannames worden gedaan over de uitgangssituatie
in 2015:
a. In 2015 zijn alle huidige dijken op orde zowel qua hoogte als qua sterkte. Waar de dijken
een overhoogte kennen (en dat is op veel dijktrajecten in de regio het geval) wordt
aangenomen dat overhoogte ook oversterkte betekent. Dus alleen waar nodig worden de
dijken versterkt. Dit leidt mogelijk tot een onderschatting van de kosten omdat uit de
laatste toetsingen blijkt dat juist veel dijken in de regio Rijnmond-Drechtsteden wel hoog
genoeg maar niet sterk genoeg zijn. Aan de andere wordt verwacht dat in het huidige
hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) veel van deze dijken worden versterkt (zie
ook tekstbox hieronder).
b. In 2015 zijn alle dijken op orde zowel qua hoogte als qua sterkte. Aangenomen wordt dat
er nergens sprake van overhoogte is. Dus overal waar de maatgevende waterstanden
zullen stijgen, wordt de dijk verhoogd. Dit leidt tot een ‘conservatieve’ kostenschatting.
De werkelijkheid zal waarschijnlijk ergens tussen deze twee uitersten in liggen. Daarom
worden de kosten van a als ondergrens gegeven en de kosten van b als bovengrens. Omdat
recente resultaten van de studie Veiligheid Nederland in Kaart erop duiden dat in veel
gebieden nog onvoldoende rekening gehouden is met piping (onderloopsheid) als
faalmechanisme, is voor de verwachtingswaarde van de kosten gerekend met een
kostencurve waarin rekening is gehouden met extra kosten voor anti-pipingmaatregelen.
De onzekerheidsmarge tussen de bovengrens en ondergrens van de kostenschatting komt
daarmee gemiddeld op ongeveer -25 % tot + 40 %.
In de KKBA zijn aanvullend aan de investeringskosten de jaarlijkse kosten voor onderhoud en
beheer meegenomen. Deze zijn gelijk aan 0,3% van het investeringsbedrag per jaar.
Hoe wordt het HWBP meegenomen in de kostenschattingen?
Na de eerste (2001) en tweede toetsing (2006) zijn de afgekeurde dijktrajecten opgenomen in het
hoogwaterbeschermingsprogramma. In het tweede hoogwaterbeschermingsprogramma zijn veel
dijkversterkingsprojecten in de regio Rijnmond-Drechtsteden opgenomen.
Een oppervlakkige beschouwing van de projecten leert ons dat:
1 het vooral voormalige hoge zeedijken betreft die op stabiliteit moeten worden verbeterd en dus
voornamelijk verbreed of versterkt;
2 sommige dijken in het rivierengebied (voornamelijk langs de Lek) ook hoogtetekort kennen; deze
worden dus verhoogd.
Voor de kostenschattingen is de consequentie van 1) dat de aanname ‘overhoogte is oversterkte’ verder
wordt gestaafd. De consequentie van 2) is dat kosten voor dijkversterking langs de Lek worden berekend
die na uitvoering van het HWBP-2 niet meer hoeven te worden gemaakt. De kosten worden geschat op
100-200 miljoen euro.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
24
3.3.2 Resultaten
In Figuur 3.2 zijn de totale kosten voor nieuwe infrastructuur en dijken weergegeven, inclusief
de kosten voor beheer en onderhoud tot 2100.
Bovenaan in Figuur 3.2 zijn de verwachtingswaarden van de kosten met hun
onzekerheidsmarge getoond voor het W+ scenario. Uit deze figuur blijkt dat de onderlinge
positie van de oplossingsrichtingen niet verandert door het meenemen van onzekerheden.
Wel zijn de absolute verschillen in kosten bij de bovengrensschatting een stuk hoger dan bij
de ondergrens.
In de onderste figuren is goed te zien dat de kosten voor dijkverzwaring (groen) sterk
afhangen van de mate van klimaatverandering.
Figuur 3.2 Kosten voor het 0-alternatief en de hoekpunten. Linksboven zijn (in rood) de boven- en (in blauw) de ondergrenzen aangegeven,
evenals de verwachte kosten (in grijs) voor W+2100. Linksonder de kosten voor G 2100 en rechtsonder voor W+ 2100 verdeeld over
keringen en dijkversterking om aan de huidige normen te kunnen voldoen
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
25
Verder kunnen de volgende constateringen worden gedaan ten aanzien van de kosten van
de hoekpunten:
- Het nul-alternatief kent de laagste kosten zowel onder snelle als gematigde
klimaatverandering.
- Het hoekpunt ‘open’ (4) kent de hoogste kosten bij snelle klimaatverandering (scenario
W+). Alle kosten komen voort uit dijkversterking.
- Het hoekpunt ‘afsluitbaar open zee- en rivierzijde’ met daarin een bypass voor de Lek
kent de hoogste kosten bij een gematigde klimaatverandering (G). In dit hoekpunt gaan
de grootste investeringen zitten in nieuwe infrastructuur, met name in de nieuwe rivier.
Deze investeringen zijn onafhankelijk van de uiteindelijke zeespiegelstijging of toename
van rivierafvoer en moeten altijd gemaakt worden.
- Bij gematigde klimaatverandering (G) zijn de hoekpunten ‘gesloten’ en ‘afsluitbaar-open
aan zee- en rivierzijde’ (2a t/m 3b) een factor 3 tot 4 duurder dan het nul-alternatief. Bij
snelle klimaatverandering (W+) is dit verschil kleiner (ongeveer een factor 2). Dit komt
doordat de benodigde dijkversterking dan verhoudingsgewijs een grotere kostenpost
wordt.
E
e
r
s
t
e

g
e
n
e
r
a
t
i
e

o
p
l
o
s
s
i
n
g
s
r
i
c
h
t
i
n
g
e
n

v
o
o
r

k
l
i
m
a
a
t
a
d
a
p
t
a
t
i
e

i
n


d
e

r
e
g
i
o

R
i
j
n
m
o
n
d
-
D
r
e
c
h
t
s
t
e
d
e
n

-
S
y
n
t
h
e
s
e
r
a
p
p
o
r
t
:

v
e
r
k
e
n
n
i
n
g

v
a
n

k
o
s
t
e
n

e
n

b
a
t
e
n
1
2
0
4
3
0
2
-
0
0
0
-
V
E
B
-
0
0
1
8
,

6

s
e
p
t
e
m
b
e
r

2
0
1
1
,

d
e
f
i
n
i
t
i
e
f
2
6
F
i
g
u
u
r

3
.
3

K
o
s
t
e
n

v
a
n

d
i
j
k
v
e
r
s
t
e
r
k
i
n
g

p
e
r

t
r
a
j
e
c
t

(
e
u
r
o
/
k
m
)

v
o
o
r

h
e
t

h
o
e
k
p
u
n
t


a
f
s
l
u
i
t
b
a
a
r
-
o
p
e
n
,

v
a
r
i
a
n
t

P
a
n
n
e
r
d
e
n


(
2
b
)
.

B
e
h
a
l
v
e

d
e

k
o
s
t
e
n

w
o
r
d
t

p
e
r

t
r
a
j
e
c
t

d
e

o
v
e
r
h
o
o
g
t
e

i
n

c
i
j
f
e
r
s

a
a
n
g
e
g
e
v
e
n
.

1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1
Ook is gekeken naar de ruimtelijke verdeling van de dijkversterkingkosten in het gebied.
Daarin is voor een indeling in deelgebieden (Figuur 3.3) gekozen:
- deelgebied 1: het gebied dat afgesloten wordt met keringen of dammen (‘Rijnmond
binnen de ring’);
- deelgebied 2: het gebied buiten de ring van voorgestelde keringen (‘Rijnmond buiten de
ring’), met onder andere het Haringvliet, maar ook nog Werkendam en Sliedrecht.
- Deelgebied 3: het gebied ten oosten van Rijnmond-Drechtsteden (‘Stroomopwaarts’), tot
Wijk bij Duurstede voor de Lek en tot Tiel voor de Waal (zie ook Figuur 3.3 ).
- Alleen voor hoekpunt ‘open’ (4) zijn apart nog de kosten voor de Hollandse IJssel
berekend.
0
2
4
6
8
10
12
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Dij kversterki ng l angs
Hol landse IJssel
Stroomopwaarts
Ri jnmond buiten ring
Ri jnmond binnen ri ng
Miljard EUR
Figuur 3.4 Kosten van dijkversterking per deelgebied bij snelle klimaatverandering tot 2100 (W+): Rijnmond-Drechtsteden binnen de
ring (1), buiten de ring (2) en stroomopwaarts (3) en de Hollandse IJssel.
De Hollandsche IJssel: een verhaal apart
De dijken langs de Hollandsche IJssel zijn in 2010 voor het eerst getoetst bij de landelijke toetsing en
daarbij allemaal afgekeurd. Dijkversterkingen in dit gebied zijn lastig vanwege de veelal aanwezig
lintbebouwing en slappe ondergrond. Er ligt in dit gebied dus sowieso al een behoorlijke opgave ook
zonder klimaatverandering. Bij het zoeken naar oplossingen speelt de stormvloedkering – en de faalkans
hiervan – een belangrijke rol. Ook de keuze van het sluitcriterium is kritisch.
Bij hogere maatgevende waterstanden zal de kering op termijn bijna dagelijks moeten sluiten bij
handhaving van het huidige sluitcriterium. Vanwege beperkingen aan het rekeninstrumentarium ( het
moeten hanteren van een irrealistische faalkans bij de MHW-berekeningen en het ontbreken van
gegevens over C-keringen in het kosteninstrumentarium) worden knelpunten op de Hollandsche IJssel in
deze KKBA nog onvoldoende zichtbaar gemaakt. Hier moet in een vervolg verder aandacht aan worden
geschonken.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
2
Op basis van de geografische verdeling van de kosten van dijkversterking (zie Figuur 3.4)
kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
- Onverwacht zijn de kosten van dijkversterking in het hoogstedelijk gebied in Rotterdam
en Dordrecht niet duidelijk het hoogste. In het 0-alternatief kent deelgebied 1, ‘Rijnmond
binnen de ring’ de zelfde ordegrootte kosten als de andere deelgebieden. Verklaringen
hiervoor zijn:
Ϥ De meeste en grootste overhoogtes zitten in dit deelgebied.
Ϥ In het rivierengebied (deelgebied 3, ‘stroomopwaarts’ en deels deelgebied 2
‘Rijnmond buiten de ring’) zijn de overhoogtes het kleinst en er zal eerder
dijkversterking nodig zijn. Op enkele plekken is hier ook sprake van complexe (dus
dure) inpassingen door historische lintbebouwing.
- Bij de oplossingsrichtingen waarbij de Rijnmondring aan de achterzijde wordt afgesloten
ontstaat opstuwing van rivierwater. Dit vertaalt zich voor de hoekpunten 2a t/m 3b in
hogere kosten voor deelgebied 2 en 3.
Ϥ Voor de varianten waarbij het water van de Lek reeds bij Pannerden wordt omgeleid
zijn de kosten voor het bovenrivierengebied het hoogst.
Ϥ De kosten ten oosten van Tiel zijn in de kostenberekening niet meegenomen. Toch
zullen hier vanwege deze omleiding ook extra kosten gemaakt moeten worden. Een
grove schatting hiervan is 1,8 miljard euro (waarvan ongeveer 1 miljard als gevolg
van de extra afvoer en 0,8 miljard vanwege klimaatverandering) bij een maatgevende
Rijnafvoer van 18.000 m
3
/s.
- Voor het hoekpunt ‘gesloten aan zee- en rivierzijde’ hoeven binnen de ring geen kosten
voor dijkversterking meer gemaakt te worden.
- Het hoekpunt ‘open’ kent de hoogste kosten voor dijkversterking. Nu telt het westelijk deel
van het gebied (deelgebied 1 en 2) wel flink mee omdat bij de forse stijging van de
maatgevende waterstanden van meer dan 2 meter (zie Figuur 2.7) de aanwezige
overhoogte niet meer voldoende is.
- Het hoekpunt ‘gesloten aan zeezijde’ kent in totaal de laagste kosten voor dijkversterking.
De ‘besparing’ ten opzichte van het nul-alternatief is gelijkelijk verdeeld over de
deelgebieden. Let op: bij deze oplossingsrichting moeten ook extra kosten voor
dijkversterking worden gemaakt om het Grevelingenmeer geschikt te maken voor
waterberging. Deze kosten zijn niet als kosten voor dijkversterking opgenomen, maar zijn
verdisconteerd in de kosten van deze maatregel (‘project’), zoals weergegeven in Tabel
3.2.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
3
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
5
4 Overstromingsrisico’s
4.1 Binnendijkse overstromingsrisico’s
4.1.1 Methode
De overstromingsrisico’s in de Rijn-Maasmonding zijn afhankelijk van de
overstromingskansen en de potentiële gevolgen van overstromingen. De
overstromingskansen worden bepaald door de kans op hoogwater, golven en de sterkte van
de dijken en kunstwerken. Ook de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg heeft een grote
invloed op de overstromingskansen. Deze kering heeft een relatief grote faalkans (1/100 per
sluitvraag), zodat bij het bepalen van de maatgevende belasting voor de waterkeringen
achter de Maeslantkering toch rekening moet gehouden moet worden met het mogelijk niet-
sluiten van de kering.
De gevolgen van een overstroming zijn afhankelijk van het overstromingsverloop en van de
kwetsbaarheid van het gebied voor overstromingen. Het overstromingsverloop wordt
beïnvloed door de hoeveelheid buitenwater die naar binnen kan stromen, de helling en het
reliëf van het gebied, de aanwezigheid van regionale waterlopen (die het water snel kunnen
verspreiden), en de aanwezigheid van obstructies die mogelijk het water kunnen
tegenhouden en de overstroming beperken. Zie Figuur 4. voor de maximale waterdieptes die
in de dijkringen op deze manier kunnen ontstaan. De kwetsbaarheid van een gebied is vooral
afhankelijk van het landgebruik, het aantal inwoners en de evacuatiemogelijkheden.
Figuur 4.1 Huidige beschermingsnorm voor de dijkringen in de regio Rijnmond-Drechtsteden
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
6
Omdat het lastig is de werkelijke overstromingskans per dijkring te bepalen is er in deze
studie van uitgegaan dat de overstromingskans gelijk is aan de overschrijdingskans en dat
deze benaderd wordt door de huidige beschermingsnorm per dijkring (zie Figuur 4.1 ). Dit
betekent dat is aangenomen dat de dijken zullen falen bij maatgevende condities.
De tweede belangrijke aanname is dat de norm gehandhaafd wordt in alle hoekpunten en alle
sociaaleconomische en klimaatscenario’s. Door zeespiegelstijging en een toename van
rivierafvoeren zullen echter de buitenwaterstanden stijgen (zie Figuur 4.1 ). Bij
gelijkblijvende normen zullen daarom maatregelen genomen moeten worden om de hogere
waterstanden horend bij die normfrequenties te keren. De dijken zullen worden verhoogd en
versterkt en pas breken bij hogere waterstanden dan nu het geval is. Door die hogere
buitenwaterstanden zal, bij doorbraak, de bresbreedte groter worden en er zal meer water
naar binnen kunnen stromen. Hierdoor zullen in de dijkring de maximale waterdieptes en
stijgsnelheden toenemen en de aankomsttijden korter worden. Naast verhoging van de
maximale waterstand tijdens de storm gaat ook de gemiddelde waterstand omhoog. Hierdoor
zal ook na de storm bij vloed meer water door het reeds ontstane gat naar binnen stromen en
zal er bij eb minder water naar buiten stromen. Kortom, ondanks dat dezelfde norm wordt
aangehouden zullen bij stijgende waterstanden de risico’s toenemen omdat de schades
toenemen.
Figuur 4.2: Maximale waterdiepte gebaseerd op alle ‘WV21- overstromingsscenario’s’ bij maatgevende condities rekening houdend met
systeemwerking van dijkring 15 (Lopiker- en Krimpenerwaard) en dijkring 44 (Kromme Rijn) naar dijkring 14 (Zuid-Holland) (zie De Bruijn &
Van der Doef, 2011)
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
7
Stappen in de bepaling van de risico’s
Om de toekomstige risico’s te schatten is de volgende aanpak gebruikt:
- Eerst is per dijkring of dijkringdeel de stijging van de maatgevende waterstand in de
klimaatscenario’s afgeleid uit Slootjes et al. (2011).
- Ten tweede is de toename van de schade door een hogere buitenwaterstand berekend
door de waterstandstijging in de verschillende scenario’s te vermenigvuldigen met de
verwachte schadetoename per meter waterstandstijging. Deze laatste informatie is
beschikbaar uit de kennisbasis voor WV21(De Bruijn & Van der Doef, 2011).
- Voor de toename per meter waterstandstijging van het aantal getroffenen en slachtoffers
zijn aannames gedaan met een ‘worst case’ benadering. Voor slachtoffers wordt een per
dijkring gedifferentieerde correctie toegepast voor de verwachte fractie mensen die nog
geëvacueerd kan worden
- Het nieuwe schaderisico wordt berekend door de overstromingskansen (de huidige
normen, we nemen immers aan dat die gehandhaafd blijven) te vermenigvuldigen met de
nieuwe schades. Hetzelfde is gedaan voor het aantal getroffenen en slachtoffers.
Deze stappen zijn doorlopen voor zowel het 0-alternatief als de hoekpunten. Voor meer
informatie over de methode wordt verwezen naar De Bruijn (2011). Specifiek voor de KKBA
zijn daarna nog de volgende nabewerkingen uitgevoerd:
- Getroffenen en slachtoffers zijn economisch gewaardeerd, waarvoor twee kengetallen
zijn gebruikt:
- Het kengetal VOE (Value of Evacuation) is gesteld op 12.000 euro (conform WV21)
en wordt vermenigvuldigd met het aantal getroffenen.
- Het kengetal VOSL (Value of a Statistical Life) is gesteld op 6,7 miljoen euro (conform
WV21) en wordt vermenigvuldigd met het aantal dodelijke slachtoffers.
- Tenslotte wordt het totaal van materiële plus immateriële schade opgehoogd met een
jaarlijks groeipercentage van 0,9 en 2,6% voor respectievelijk het RC en GE scenario.
Deze percentages zijn niet regiospecifiek maar landelijk (Bruggeman et al., 2011).
Voor een gedetailleerdere beschrijving van de toepassing in de KKBA wordt verwezen naar
bijlage A.
4.1.2 Resultaten
De volgende algemene conclusies kunnen worden getrokken uit de resultaten per dijkring
(Figuur 4.3 ) en per schadecategorie (Figuur 4.4) :
- Hogere buitenwaterstanden leiden vooral tot een toename van materiële schade (Figuur
4.4).
- De materiële schade is voor alle hoekpunten een factor 2 a 3 hoger dan de immateriële
(Figuur 4.4).
- De verschillen tussen het GE en RC scenario en met of zonder economische groei laten
zien dat de toename van gevolgen door economische en bevolkingsgroei groot is (zie
Figuur 4.4 ).
- De grootste potentiële gevolgen treden in alle oplossingsrichtingen op in dijkringen 15, 16
en 22 (Figuur 4.3 ).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
8
Figuur 4.3 Totaal schaderisico bij snelle klimaatverandering (W+) en hoge economische groei (GE) in 2100.
Over de invloed van de alternatieve oplossingsrichtingen en varianten (hoekpunten) kan het
volgende worden geconcludeerd:
- Alleen de hoekpunten ‘verbeterd afsluitbaar’ (1) en ‘gesloten zeezijde’ (3c) leiden ten
opzichte van het nul-alternatief tot een lichte daling van het overstromingsrisico.
- De varianten die aan de rivierzijde zijn afgesloten (3a en b) leiden tot hogere
waterstanden door opstuwing van rivierwater op juist de meest kwetsbare plaatsen langs
dijkringen 15, 16 en 22 (zie Figuur 4.3 ).
- In een open variant (4) worden de waterstanden langs de zuidrand van dijkring 22 (Eiland
van Dordrecht) sterk verhoogd, hetgeen tot een toename van het overstromingsrisico
leidt.
- Het aandeel van dijkringen 14 (Centraal Holland) en 17 (IJsselmonde) in het
overstromingsrisico is alleen in het hoekpunt ‘open’ (4) substantieel.
- Het overstromingsrisico van dijkring 14 wordt in de gesloten varianten vrijwel 0.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
9
0
200
400
600
800
1 000
1 200
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateri ël e schade
Materiël e schade
Miljoen EUR/jaar
0
200
400
600
800
1 000
1 200
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateriële schade
Materi ël e schade
Miljoen EUR/jaar
0
200
400
600
800
1 000
1 200
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateriël e schade
Materi ël e schade
Miljoen EUR/jaar
Figuur 4.4 Materiële en immateriële schade voor de hoekpunten onder snelle klimaatverandering/hoge economische groei (W+/GE
boven) en gematigde klimaatverandering en economische groei (G/RC midden) en snelle klimaatverandering zonder economische groei
(W+ onder).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
10
4.2 Buitendijkse overstromingsrisico’s
4.2.1 Methode
Om de buitendijkse overstromingsrisico’s te bepalen, zijn eerst voor elk hoekpunt en de
klimaatscenario’s de overstroomde oppervlaktes en waterdieptes bepaald voor 3
herhalingstijden (zie Figuur 4.5 ).
Figuur 4.5 Overstroomd areaal bij 3 herhalingstijden voor de huidige situatie (boven) en het W+ scenario (onder).
Vervolgens zijn met het schade- en slachtoffermodel HIS-SSM (Kok et al., 2005) op basis van
verkregen waterdieptes en bijbehorende stroomsnelheden de schade en de slachtoffers
berekend. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de mogelijkheden voor zogenaamde
‘verticale evacuatie’ in buitendijkse gebieden groot zijn. De waterstanden stijgen geleidelijk en
komen doorgaans niet hoger dan 1 meter zodat mensen naar een hogere verdieping kunnen
vluchten. Aangenomen is dat 90%
2
op deze manier kan ‘evacueren’.
2. Dit is nog steeds een conservatieve aanname, want het betekent dat 10% van de mensen in het water blijft zitten in
plaats van naar boven te gaan. Door de geringe waterdieptes worden er ook bij deze aanname overigens vrijwel
geen slachtoffers berekend in het buitendijks gebied.
Overst roomt bi j herhali ngsti j d van 1000 j aar
Overst roomt bi j herhali ngst ij d van 100 j aar
Overst roomt bi j herhalingst i j d van 10 j aar
Overst roomt bi j herhali ngsti j d van 1000 j aar
Overst roomt bi j herhali ngst ij d van 100 j aar
Overst roomt bi j herhalingst i j d van 10 j aar
Overst roomt bi j herhali ngsti j d van 1000 j aar
Overst roomt bi j herhali ngst ij d van 100 j aar
Overst roomt bi j herhalingst i j d van 10 j aar
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
11
De schades bij verschillende herhalingstijden zijn tenslotte omgerekend naar een jaarlijkse
verwachtingswaarde. Een uitgebreidere toelichting op de methode is te vinden in Huizinga et
al (2011) en een uitgebreidere toelichting op toepassing in de KKBA in bijlage B.
De resultaten zijn geaggregeerd per deelgebied zoals aangegeven in Figuur 4.6 .
Hierdoor is net als bij de kosten voor dijkversterking goed het verschil tussen ‘binnen de ring’
(deelgebieden 0, 1, 3 en 5) en ‘buiten de ring van keringen’ (2, 4 en 6) aan te geven.
2 1
5
6
3
4
0
2 1
5
6
3
4
0
Traject 0 – Lek Traject 4 – Haringvliet/ Hollands Diep
Traject 1 – Rotterdam Traject 5 – Dordrecht
Traject 2 – Hartelkanaal/ Calandkanaal Traject 6 – Merwede
Traject 3 – Oude Maas
Figuur 4.6 Gebruikte gebiedsindeling voor de weergave van schade- en slachtofferrisico’s in buitendijks gebied
4.2.2 Resultaten
Vooraf moet worden vastgesteld dat de berekende buitendijkse schaderisico’s (uitgedrukt als
jaarlijks gemiddelde schade) in vergelijking met de binnendijkse schaderisico’s erg groot zijn
en niet overeen stemmen met de resultaten van eerder onderzoek van Veerbeek et al.
(2010), noch met de perceptie en ervaring in het gebied. De absolute schadegetallen moeten
daarom eerst verder worden gevalideerd alvorens ze verder te gebruiken en de resultaten te
verspreiden.
Er is nog weinig ervaring met de toepassing van HIS-SSM voor buitendijkse gebieden. De
hier gepresenteerde resultaten moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden
betracht. Aan de relatieve verschillen tussen de hoekpunten kan wel enige waarde worden
toegekend, maar aan de absolute grootte van de weergegeven schades nauwelijks.
De belangrijkste bevindingen voor de buitendijkse gebieden zijn:
- De slachtofferrisico’s (immateriële schade) zijn zeer laag in verhouding tot de materiële
schade. Alleen in hoekpunt ‘open’ is er kans op dodelijke slachtoffers. Dit stemt overeen
met het beeld dat het bij buitendijkse ‘overstromingen’ vooral om wateroverlast gaat.
- De schade in Rotterdam (deelgebied 1) domineert in de totale schade bij alle
oplossingsrichtingen waarbij de ‘Rijnmondring’ niet is afgesloten.
- Afsluiten van het hoogstedelijk gebied verkleint de risico’s in Rotterdam en Dordrecht tot
nagenoeg 0. De gebieden buiten de ring van keringen krijgen hierdoor te maken met
extra hoge waterstanden met extra schade tot gevolg, vooral langs de Merwedes
(deelgebied 6).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
12
- Hoekpunt ‘open’ (4) geeft een 6- 7 keer grotere schade dan de overige hoekpunten. Dit
bewijst hoe effectief de Haringvlietdam en Maeslantkering zijn in het beperken van de
buitendijkse overstromingsrisico’s. Met name het weghalen van de Maeslantkering
verhoogt de buitendijkse schade aanzienlijk, hetgeen blijkt uit de forse toename in
deelgebied ‘Rotterdam’.
- Het hoekpunt gesloten aan zeezijde (3c) laat over de hele linie de laagste schade zien.
In het algemeen geldt dat ook voor de buitendijkse gebieden is gevonden dat de aannames
over de economische groei (de scenario’s GE en RC) een grote invloed hebben op de
berekende risico’s (zie Figuur 4.8). De aanname dat bij economische groei de schade
evenredig toeneemt is hier echter niet geheel logisch, alhoewel wel in overeenstemming met
hoe daar voor binnendijks gebeid mee is omgegaan. Ten eerste is in buitendijkse gebieden
het besef van risico’s groter dan in binnendijkse gebieden en wordt er in ieder geval door de
autoriteiten met hoogwater rekening gehouden (bijvoorbeeld met uitgiftepeilen door
Rijkswaterstaat). Ten tweede betekent economische groei veelal (her)ontwikkeling van de
buitendijkse gebieden, hetgeen adaptief kan.
0
1 000
2 000
3 000
4 000
5 000
6 000
7 000
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Deel gebi ed 6 (Merwede)
Deel gebi ed 5 (Dordrecht)
Deel gebi ed 4 (Hari ngvl i et-Hol l ands Di ep)
Deel gebi ed 3 (Oude Maas)
Deel gebi ed 2 (Hartel-/Cal l andkanaal )
Deel gebi ed 1 (Rotterdam)
Deel gebi ed 0 (Lek)
Miljoen EUR/jaar
Figuur 4.7 Totale schaderisico voor de buitendijkse deelgebieden onder snelle klimaatverandering en hoge economische groei in 2100.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
13
0
1 000
2 000
3 000
4 000
5 000
6 000
7 000
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateri ël e schade
Materiël e schade
Miljoen EUR/jaar
0
100
200
300
400
500
600
700
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateri ële schade
Materi ël e schade
Miljoen EUR/jaar
0
100
200
300
400
500
600
700
800
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Immateri ël e schade
Materi ël e schade
Miljoen EUR/jaar
Figuur 4.8 Materiële en immateriële schade voor de hoekpunten onder snelle klimaatverandering/ snelle economische groei (W+/GE
boven) en gematigde klimaatverandering en gematigde economische groei (G/RC midden) en snelle klimaatverandering zonder
economische groei (W+, onder). Let op verschillende verticale schaal!
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
14
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
15
5 Zoetwatervoorziening
5.1 Methode
Vanuit het perspectief van het hoofdwatersysteem als leverancier van zoetwater voor de
regio’s zijn de baten van zoetwatervoorziening bepaald. Daarbij wordt gekeken naar drie
hoofdinnamepunten (Figuur 5.1)met achterliggende voorzieningsgebieden:
- Gouda met voorzieningsgebied Rijnland
- Bernisse met voorzieningsgebied: Voorne-Putten, Industrie in het haven gebied en
Delfland
- Middelharnis met voorzieningsgebied: Goeree en Overflakkee-Oost
Gouda
Middelharnis
Bernisse
Gouda
Middelharnis
Bernisse
Figuur 5.1 Lokatie van de 3 bekeken innamepunten in deze studie
Om de uiteindelijke inlaatschade te bepalen worden een aantal stappen doorlopen zoals
aangegeven in Figuur 5.2.
Figuur 5.2 Schematische weergave van stappen om te komen tot inlaatschade
Als eerste stap wordt het tekort aan m
3
water voor de inlaatpunten bepaald door de
watervraag op dit punt voor beregening te matchen met het aanbod. Als dit aanbod te zout is
dan kan niet aan de vraag worden voldaan. Het criterium voor te zout zijn de chloride-
werknormen voor de inlaatpunten:
- 250 mg/l voor Gouda
- 150 mg/l voor Bernisse
- 600 mg/l voor Middelharnis (de Koert)
Bepaling watervraag
bij de inlaten
Bepaling inlaatmogelijkheden
onder chloridedrempelwaarde
Bepalen inlaattekort
per jaar
Bepalen waarde
van inlaatwater
Bepalen schade door
verminderde inlaat
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
16
Het zoetwateraanbod is berekend met een 1-dimensionaal hydrodynamisch zoutmodel voor
het benedenrivierengebied (zie Van Oostrom et al., 2011), voor de klimaatscenario’s G en
W+ (naast het huidige klimaat) en voor 3 verschillende droogtejaren met kans van optreden
van circa 1/2, 1/10 en 1/100 per jaar.
Figuur 5.3 Verloop van de chlorideconcentratie in een 1/10 karakteristiek jaar onder huidig en toekomstig klimaat (G en W+ 2100) ter
hoogte van inlaatpunt Bernisse. Zwart is de decadegemiddelde chlorideconcentratie; grijs is de maximum chlorideconcentratie in een
decade. De rode lijn is het inlaatcriterium (150 mg Cl/l).
Figuur 5.3, Figuur 5.4 en Figuur 5.5 laten het resultaat zien van de zoutconcentraties op
de inlaatpunten bij klimaatverandering en voor de verschillende oplossingsrichtingen. Daarbij
is van belang:
- Er is aangenomen dat de zoutindringing bij hoekpunten 0, 1, 2a en 2b hetzelfde is. De
stormvloedkeringen worden immers allen bij storm gesloten.
- Voor hoekpunt 3a (‘gesloten zee- en rivierzijde’) zijn twee verschillende varianten
doorgerekend: één waarbij er geen doorspoeling van de gesloten ring plaatsvindt met
rivierwater en één waarbij er ongeveer 100 m
3
/s van de Lek en Beneden-Merwede wordt
benut om de het gebied binnen de ring met zoet water door te spoelen.
- Voor hoekpunt 3b (‘gesloten met open Haringvliet’) is er geen extra doorspoeling
aangenomen.
- Hoekpunt ‘gesloten zeezijde’ wordt in de figuren aangeduid als ‘gesloten NWW’.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
17
Figuur 5.4 Verloop van de chlorideconcentratie in een 1/10 karakteristiek jaar onder huidig en toekomstig klimaat (G en W+ 2100) ter
hoogte van inlaatpunt Gouda. Zwart is de decadegemiddelde chlorideconcentratie; grijs is de maximum chlorideconcentratie in een decade.
De rode lijn is het inlaatcriterium (150 mg Cl/l).
Figuur 5.5 Verloop van de chlorideconcentratie in een 1/10 karakteristiek jaar onder huidig en toekomstig klimaat (G en W+ 2100) ter
hoogte van inlaatpunt Koert. Zwart is de decadegemiddelde chlorideconcentratie; grijs is de maximum chlorideconcentratie in een decade.
De rode lijn is het inlaatcriterium (150 mg Cl/l).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
18
De figuren laten zien dat:
- In het 0-alternatief (in de figuur aangeduid als ‘huidige situatie’) er bij Gouda en Bernisse
overschrijdingen van de huidige inlaatcriteria gaan optreden in een 1/10 droogtejaar bij
het W+-scenario zowel voor de decadegemiddelde als decademaximumconcentraties. Bij
Bernisse treden ook onder de huidige omstandigheden en in het G-scenario
overschrijdingen op in de maximumconcentraties. Uit de praktijk is echter bekend dat de
hoge zoutgehalten bij Bernisse slechts bij vloed optreden en bij eb weer ‘verdwijnen’. Met
de aanwezige buffercapaciteit van het Brielse Meer levert dit voor de waterinname dan
geen knelpunt op (zie Klijn et al., 2011).
- Het hoekpunt ‘gesloten zee- en rivierzijde’ (3a) levert onder beide klimaatscenario’s en
voor het huidige klimaat verzilting op van innamepunten Gouda en Bernisse. Met
doorspoeling kunnen deze knelpunten echter worden verholpen.
- In combinatie met een open Haringvliet (3b) is er ook een knelpunt voor Middelharnis (De
Koert).
- Gouda blijft het gehele zomerhalfjaar zoet bij hoekpunt ‘gesloten zeezijde’. Voor de
Bernisse treedt hier aan het eind van het groeiseizoen een kleine overschrijding van de
norm op, door lekverliezen bij de Haringvlietsluizen.
- Voor Middelharnis levert alleen hoekpunten ‘open’ en ‘gesloten met open Haringvliet’
verzilting op. Overigens verzilten bij hoekpunt ‘open’ alle innamepunten een groot deel
van het groeiseizoen.
Voor de watervraag wordt uitgegaan van de verdringingsreeks zoals die landelijk geldt. Een
aanvullende aanname is dat er zonder de benodigde doorspoeling beregening niet mogelijk
is. De prioriteitenvolgorde wordt daarmee:
1. Peilhandhaving
2. Drinkwater
3. Doorspoeling
4. Beregening
De ontwikkeling van de watervraag wordt bepaald door vele ontwikkelingen, zoals van het
landgebruik, het neerslagtekort, de interne verzilting en de bodemdaling, en is in het
deltaprogramma Zoetwater berekend met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (Klijn
et al., 2011). De vraag voor beregening is hier voor de beschouwde innamepunten uit
gedestilleerd voor de deltascenario’s G/GE en W+/RC.
Om de schade die ontstaat door het niet kunnen leveren van zoetwater te kunnen bepalen
zijn per innamepunt en voorzieningsgebied de volgende stappen doorlopen:
- bepaal de gemiste m
3
water: vraag min aanbod;
- bepaal de gemiddelde waarde per gemiste m
3
per voorzieningsgebied. Hierbij worden
verschillende benaderingen gevolgd voor verschillende gebruiksfuncties:
- voor de landbouw wordt de schade die ontstaat als er niet kan worden beregend
bepaald uit de opbrengstderving per gewassoort (zie Tabel 5.1) en de verdeling van
de gewassen over de voorzieningsgebieden voor de beide sociaal-economische
scenario’s en de huidige situatie;
- voor industrie en glastuinbouw is aangenomen dat de schade niet wordt
geaccepteerd en dat men overschakelt op respectievelijk bijmenging met drinkwater
of ontzilting. De kosten hiervan worden als schade opgevoerd.
- Vermenigvuldig de waarde van een niet geleverde m3 (zie Figuur 5.6) met de werkelijk
niet geleverde aantallen m
3
voor de verschillende hoekpunten en klimaatscenario’s.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
19
Gewassoort Gemiddelde opbrengst (€ per ha) Waardecategorie van beregening (€ per m
3
)
granen 1100 <0,50
gras 1400 <0,50
maïs 2000 <0,50
(suiker)bieten 2400 <1,00
overige landbouw 4100 <1,50
aardappelen 4800 <1,50
boomteelt 15000 >1,50
boomgaard 15000 >1,50
bollen 19000 >1,50
glastuinbouw 418000 1,50*
Industrie Europoort 1,05*
Tabel 5.1 Overzicht van de gemiddelde gewasopbrengst per hectare en de daarbij afgeleide waarde van het beregeningswater. *Voor
glastuinbouw en de industrie is de waarde bepaald aan de hand van te nemen maatregelen om toch aan zoet water te komen.
Waarde van 1 m3 beregeningswater
€0,00
€0,50
€1,00
€1,50
€2,00
€2,50
€3,00
€3,50
Rijnland Goeree Overflakkee
Oost
Voorne Voorne Oost Putten Delfland Industrie
Europoort
Huidig
GE
RC
Figuur 5.6 Waarde van een kubieke meter beregeningswater per gebied voor de huidige situatie en de situaties onder de sociaal-
economische scenario’s Global Economy en Regional Communities. De verschillen in de waarde worden alleen veroorzaakt door verschillen
in het grondgebruik en de beregende oppervlakten.
Het is goed te beseffen dat de gevolgde methode gebaseerd is op een groot aantal
aannames. De belangrijkste hiervan zijn:
- De schade is enkel bepaald voor het niet kunnen beregenen van gewassen en het niet
kunnen leveren van voldoende proceswater. De schade representeert daarom alleen
schade aan de landbouw en de industrie. Voor de landbouw kan er daarnaast ook directe
schade ontstaan door verzilting; die is niet meegenomen in de schattingen.
- Er is weliswaar gerekend met reële marktprijzen voor de verschillende gewassen, maar
de relatie tussen droogte en opbrengstderving is uitsluitend gebaseerd op aardappelen.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
20
- Er is gerekend met karakteristieke droogtejaren, maar volgens Beersma et al. (2005)
komen deze niet overeen met karakteristieke verziltingsjaren. De herhalingstijd van deze
jaren voor de externe verzilting is in het huidige klimaat voor een gemiddeld jaar (1:2) 1,2
jaar, voor een droog jaar (1:10) 4,3 jaar en voor een zeer droog jaar (1:100) 32,1 jaar.
Door het gebruik van deze karakteristieke jaren is de verziltingsschade mogelijk wat
onderschat.
- Er is aangenomen dat het aantal beregeningsinstallaties niet toeneemt, noch functies
wijzigen als een inlaat vaker gesloten is.
Voor meer informatie over de toegepaste methode en aannames wordt verwezen naar Van
Oostrom et al. (2011). Daar is ook een gevoeligheidsanalyse voor de verschillende
aannames te vinden.
Ten behoeve van de KKBA zijn aanvullend opslagpercentages voor indirecte schade en
prijseffecten bepaald, zijn de effecten van economische groei toegevoegd (0,5% per jaar voor
RC en 1% per jaar voor GE voor landbouw, -0,9% en 0,7% voor industrie) en zijn de schades
van de 3 karakteristieke droogtejaren omgerekend naar jaarlijkse verwachtingswaarden (zie
bijlage C).
5.2 Resultaten
Alvorens de resultaten te bespreken is een waarschuwing op zijn plaats over de
betrouwbaarheid en wat dat naar de mening van de auteurs zou moeten betekenen voor de
interpretatie. De toegepaste methode is eenvoudig en berust op een groot aantal aannames.
Zo zijn de eenheidsprijzen per ‘gemiste m
3
water’ af en toe hoger dan de prijs van drinkwater;
het is dus maar de vraag of die schade wordt ‘genomen’. Ten tweede nemen schades nu
lineair toe met het tekort aan beregening, waar ondernemers zich in werkelijkheid
waarschijnlijk zullen aanpassen. Dat betekent dat de resultaten voor een eerste globale
vergelijking van hoekpunten ons inziens wel volstaan, maar dat voor een kosten-
batenafweging van meer doordachte beleidsalternatieven naar een verbeterde en meer
gedragen methode moet worden gestreefd. Met andere woorden: een onderlinge vergelijking
van de oplossingsrichtingen is mogelijk, maar hecht aan de absolute getallen niet al te veel
waarde.
In Figuur 5.7, Figuur 5.8 en Figuur 5.9 zijn de berekende schades per hoekpunt en
voorzieningsgebied weergegeven voor de huidige situatie en voor 2100 in twee verschillende
scenario’s.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
21
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
0 1 2a 2b 3a_1 3a_2 3b 3c 4
Berni sse - Industri e Europoort
Berni sse - Del fl and
Berni sse - Voorne
Gouda - Ri j nl and
Mi ddel harni s - Overfl akkee Oost
Mi ddel harni s - Goeree
Miljoen EUR/jaar
Figuur 5.7 Schade ( miljoen euro/ jaar) per deelgebied voor de verschillende hoekpunten in 2015
0
20
40
60
80
100
120
140
160
180
200
0 1 2a 2b 3a_1 3a_2 3b 3c 4
Berni sse - Industri e Europoort
Berni sse - Del fl and
Berni sse - Voorne
Gouda - Ri jnl and
Mi ddel harni s - Overfl akkee Oost
Mi ddel harni s - Goeree
Miljoen EUR/jaar
Figuur 5.8 Schade (miljoen euro/ jaar) per deelgebied voor de verschillende hoekpunten in 2100 bij gematigde klimaatverandering en
snelle economische groei (G/GE)
0
20
40
60
80
100
120
140
0 1 2a 2b 3a_1 3a_2 3b 3c 4
Berni sse - I ndustri e Europoort
Berni sse - Del fl and
Berni sse - Voorne
Gouda - Ri j nl and
Mi ddel harni s - Overfl akkee Oost
Middel harni s - Goeree
Miljoen EUR/jaar
Figuur 5.9 Schade (miljoen euro/ jaar) per deelgebied voor de verschillende hoekpunten in 2100 bij snelle klimaatverandering en
gematigde economische groei (W+/RC).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
22
De volgende algemene bevindingen zijn relevant:
- Zoals te zien is aan de zoutconcentraties in Figuur 5.3, Figuur 5.4 en Figuur 5.5 zijn in
het W+- scenario (in een 1/10 jaar, maar overigens ook in een 1/1 jaar) de
zoetwaterinlaatpunten in een groot deel van het groeiseizoen niet te gebruiken.
- De grootste schades door watertekorten worden vervolgens gevonden in de industrie. Dat
komt door de relatief grote volumina en de hoge eenheidsprijs
- In scenario GE is de schade aan de industrie dominant door de sterke economische
groei.
- In alle gevallen is inlaatpunt Gouda (met Rijnland als voorzieningsgebied) de grootste
post in de beregeningsschade voor de landbouw, vooral in droge en zeer droge jaren. Dit
heeft te maken met de hoogwaardige teelten in het voorzieningsgebied waardoor de
gemiddelde waarde van een m
3
water voor beregening hier de hoogste is (zie Figuur 5.6).
En specifiek over de oplossingsrichtingen kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
- Het hoekpunt ‘gesloten’ met weinig doorspoeling (eventueel in combinatie met een open
Haringvliet) kent de grootste totale schade, en wel in scenario G/GE in 2100. In dit
scenario ondervindt vooral de industrie zeer grote schade.
- Hoewel de hoeveelheid ‘gemist inlaatwater’ kleiner is in het G- scenario dan in het W+
scenario, is de totale verwachte schade per jaar hoger in het G/GE-scenario dan in het
W+/RC scenario. Dat komt door de grote bijdrage van de industrie. De landbouw
ondervindt juist de meeste schade in het W+/RC- scenario bij hoekpunt ‘open’.
- Voor het hoekpunt ‘gesloten’ is het, zoals eerder geconstateerd, belangrijk om goed door
te spoelen met rivierwater, anders laadt het gebeid op met zout en kan de schade hoog
oplopen (3a1 en 3b). Met doorspoelen is de schade voor de voorzieningsgebieden van
Bernisse en Gouda een stuk lager.
- Voor Goeree treedt er geen schade op zolang het Haringvliet zoet wordt gehouden. Bij
een open Haringvliet verandert dat, al zijn de schadebedragen verhoudingsgewijs gering.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
23
6 Scheepvaart en havens
6.1 Typen effecten
De bereikbaarheid van het Rotterdamse havengebied kan worden beïnvloed door de
waterbeheersingsmaatregelen die genomen worden in de verschillende oplossingsrichtingen.
In het kader van de KKBA zijn door TNO de effecten voor de scheepvaart en havens
berekend en vervolgens ook economisch gewaardeerd (Jonkhoff & Groen, 2011):
- Zeevaart:
Ϥ wacht- of schuttijden bij waterkeringen (gesloten kering of dam met sluizencomplex);
Ϥ extra brandstofkosten voor schepen die besluiten om de wachttijd in te halen;
- Binnenvaart:
Ϥ wacht- of schuttijden als gevolg van een waterkering (gesloten kering of dam met
sluizencomplex);
Ϥ extra brandstofkosten voor schepen die besluiten om de wachttijd in te halen;
- Haven:
Ϥ direct verlies aan economische activiteiten doordat verladers kiezen voor andere
(buitenlandse) havens; en
Ϥ indirecte effecten als gevolg van het directe verlies.
6.2 Autonome ontwikkeling scheepvaart en havens
Een belangrijke aanname in de berekeningen is de veronderstelde autonome groei van de
haven in het RC en GE-scenario. Deze groei is in de berekeningen afhankelijk van het
gekozen sociaaleconomische (WLO-) scenario, maar onafhankelijk verondersteld van de
gekozen oplossingsrichting. Hiervoor zijn de jaarlijkse groeipercentages uit de WLO-
scenarios die gelden voor de periode tot het jaar 2040, in principe ook gehanteerd voor de
jaren daarna.
Voor het GE- scenario leidt dit echter tot dermate grote aantallen kadebezoeken dat deze
door deskundigen, mede gelet op de bereikbaarheid van de haven en het benodigde
ruimtegebruik, niet meer als realistisch worden gezien. Daarom is er in dit geval gekozen om
voor het GE- scenario voor het jaar 2100 de getallen voor het jaar 2050 te gebruiken.
Tabel 6.1 Aantal kadebezoeken per jaar in 2010, 2050 en 2100 in het RC en GE scenario (afgeronde getallen op basis van bezoeken
per dag, zoals berekend door Jonkhoff & Groen ( 2011)).
2050 2100 Categorie 2010
RC GE RC GE
Zeevaart 30 000 28 000 110 000 23 000 110 000
(410 000)
Binnenvaart 200 000 150 000 410 000 140 000 410 000
(2 100 000)
Tabel 6.1 geeft een raming van de autonome ontwikkeling van de haven op basis van de
WLO- scenario’s, aangevuld met aannames met betrekking tot modaliteitkeuzes en
schaalvergroting. De oorspronkelijke getallen uit het GE- scenario voor het jaar 2100 zijn hier
tussen haakjes vermeld; deze zijn in de verdere berekeningen dus niet gebruikt.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
24
Uit Tabel 6.1 blijkt dat de het aantal kadebezoeken in 2050 en 2100 in het RC- scenario licht
daalt ten opzichte van het huidige aantal, mede als gevolg van de schaalvergroting waardoor
een gemiddeld schip meer lading zal vervoeren. Het GE- scenario laat daarentegen een
forse groei zien ten opzichte van de huidige situatie: meer dan een verdubbeling van het
aantal binnenvaartschepen en meer dan een verdrievoudiging van het aantal zeeschepen in
het jaar 2050 (en 2100).
6.3 Effecten van de hoekpunten op de bereikbaarheid
Afsluitbare keringen
De bereikbaarheid van de haven voor zowel de zeevaart als binnenvaart in de ‘afsluitbaar-
open’ varianten met flexibele keringen wordt beïnvloed door de sluitfrequentie van de
Maeslantkering en die van de andere keringen. Deze zullen bij een hogere zeespiegel in de
toekomst steeds vaker sluiten, waardoor schepen vaker voor de kering zullen moeten
wachten. Bij een afsluitbare kering hoeft alleen gewacht te worden in geval van een sluiting
bij een hoogwater. Uitgegaan is van een wachttijd van 24 uur in geval van sluiting.
In de berekeningen is er vanuit gegaan dat van alle zeeschepen die (over het algemeen
onverwachts) voor een afsluitbare kering moeten wachten, uiteindelijk bijna 90 % de verloren
tijd zal inhalen door harder te varen om contractuele afspraken na te komen. Voor de
binnenvaart is dit percentage circa 40%. Door het ‘’inhalen’ zal de reistijd niet toenemen,
maar het leidt wel tot een hoger brandstofverbruik. In de tabellen zijn de schepen die de tijd
inhalen gerekend tot ‘inhalende schepen’ en niet tot ‘wachtende schepen’.
Vaste keringen
Bij een vaste kering is er extra reistijd bij elke passage omdat de schepen geschut moeten
worden. Dit is onafhankelijk van het klimaatscenario. Uitgegaan is van een schuttijd van ruim
een uur voor zeeschepen en bijna anderhalf uur voor binnenvaartschepen. Bij een vaste
kering wordt er vanuit gegaan dat de wachttijd al ingecalculeerd is en dat deze daarom door
de schepen niet ingehaald zal worden door harder te gaan varen.
In de gesloten varianten met vaste keringen blijkt de schutcapaciteit van de sluizen een
cruciale factor te zijn. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat er in de keringen ruimte is
voor maximaal 4 scheepskolken. Door een gebrek aan schutcapaciteit kunnen in de
‘gesloten’ varianten steeds langer wordende wachtrijen ontstaan. Het aantal schepen dat zich
volgens de berekeningen ‘permanent in een wachtrij’ zou bevinden, zou men kunnen
beschouwen als ‘niet-gerealiseerd transport’. Dit is kortweg aangeduid als ‘uitval’.
In de berekeningen is er onderscheid gemaakt tussen kadebezoeken, scheepvaartbezoeken
en passages van een vaste of flexibele waterkering. De relatie tussen deze is niet altijd
eenduidig; zeevaart die de Maasvlakte of Europoort aandoet, passeert immers geen kering of
sluis. De kadebezoeken van zeeschepen aan de Maasvlakte en Europoort zijn dan ook niet
meegenomen bij het schatten van de scheepvaartbezoeken. De scheepvaartbezoeken maal
twee geeft een schatting van het aantal scheepsbewegingen, omdat een schip meestal
tweemaal door een sluis of kering moet.
Tabel 6.2 geeft voor het G/RC- scenario de effecten op de haven. In de gesloten varianten
ondervindt vooral de binnenvaart in dit scenario hinder door de noodzakelijke passages van
de vaste keringen. Ook is er in de gesloten varianten een klein tekort aan schutcapaciteit voor
de binnenvaart (1300 schepen x 2 passages bij een totaal van 410 000 kadebezoeken in
2050). Dat betekent een niet- gerealiseerd transport (‘uitval’).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
25
Tabel 6.2 Effecten van de hoekpunten op de haven in verschillende jaren in het G/RC- scenario (op basis van Jonkhoff & Groen (2011))
1 2a + b 3a + 3b 3c Categorie Eenheid Jaar
Afsluit-
baar
open,
zeezijde
Afsluit-baar
open, zee-
en rivier-
zijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten
zeezijde,
open
rivierzijde
2010
2050 1 1 21 000 21 000
Wachtende schepen
2100 2 2 18 000 18 000
2010
2050 5 5 - -
Zeevaart
Inhalende schepen
2100 15 15 - -
2010
2050 20 60 300 000 83 000
Wachtende schepen
2100 85 230 290 000 80 000
2010
2050 10 25 - 5
Binnenvaart
Inhalende schepen
Passages
2100 15 40 - 25
2010
2050 - - - -
Uitval zeevaart
2100 - - - -
2010
2050 - - 1300 1300
Haven
Uitval binnenvaart
Schepen
2100 - - - -
In het W+/GE/- scenario, waarin het aantal kadebezoeken in 2050 al meer dan verdubbelt,
zijn de effecten op de bereikbaarheid veel groter. In dit scenario is er in de gesloten varianten
een groot tekort aan schutcapaciteit, voor zowel de zeevaart als de binnenvaart. Dit leidt weer
tot ‘uitval’, ofwel ‘niet-gerealiseerde kansen voor transport’ via de Rotterdamse haven.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
26
Tabel 6.3 geeft de effecten voor dit scenario.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
27
Tabel 6.3 Effecten van de hoekpunten op de haven in verschillende jaren in het W+/GE- scenario (op basis van Jonkhoff & Groen
(2011)).
1 2a + b 3a + 3b 3c Categorie Eenheid Jaar
Afsluit-
baar
open,
zeezijde
Afsluit-baar
open, zee-
en rivier-
zijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten
zeezijde,
open
rivierzijde
2010
2050 5 5 45 000 45 000
Wachtende schepen
2100 5 5 45 000 45 000
2010
2050 45 45 - -
Zeevaart
Inhalende schepen
2100 45 45 - -
2010
2050 140 380 410 000 82 000
Wachtende schepen
2100 140 380 410 000 82 000
2010
2050 90 260 - 40
Binnenvaart
Inhalende schepen
Passages
2100 90 260 - 40
2010
2050 - - 19 000 19 000
Uitval zeevaart
2100 - - 19 000 19 000
2010
2050 - - 240 000 72 000
Haven
Uitval binnenvaart
Schepen
2100 - - 240 000 72 000
6.4 Eenheidskosten
De effecten op de scheepvaart en havens, zoals die geraamd zijn in paragraaf 6.3, zijn
gewaardeerd tegen eenheidskosten (Tabel 6.4, naar Jonkhoff & Groen, 2011).
De inhaalkosten voor de zeevaart blijken in geval van een flexibele kering ruim tien keer
hoger dan de wachtkosten en die voor de binnenvaart vijf keer hoger. Dit geeft aan dat de
aangenomen percentages van schepen die inhalen doorslaggevend zijn voor het berekende
eindresultaat.
Het verlies aan havenactiviteiten is gewaardeerd tegen het volledige verlies aan toegevoegde
waarde. Impliciet wordt daarmee verondersteld dat (1) deze activiteiten worden overgenomen
door buitenlandse havens en (2) dat de investeringen in de havenuitbreiding al gedaan zijn
onafhankelijk van het scenario en het hoekpunt (deze zijn daarmee sunk costs). Ook dit zijn
twee belangrijke aannames om verder te onderzoeken. Ten eerste zullen ook concurrerende
havens waarschijnlijk te maken krijgen met een vergelijkbare problematiek als de
Rotterdamse havens wanneer de zeespiegel stijgt. Ten tweede is het de vraag of voor het
vervolgonderzoek de toekomstscenario’s (en daarmee de investeringen) voor de haven niet
afhankelijk moeten worden gemaakt van de mogelijk te kiezen oplossingsrichting voor
hoogwaterbeheersing.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
28
Tabel 6.4 Waardering van de effecten (in euro per passage of schip; op basis van kosten per uur van Jonkhoff & Groen, 2011)
2050 2100 Categorie 2010
RC GE RC GE
wachtkosten flexibele kering *) 2 100 2 600 2 900 3 300 4 200
wachtkosten sluis *) 100 120 135 155 195
Zeevaart
inhaalkosten 27 000 33 000 37 000 42 000 53 000
wachtkosten flexibele kering *) 2 200 2 600 2 900 3 400 4 200
wachtkosten sluis *) 120 145 160 185 235
Binnenvaart
inhaalkosten 10 000 12 000 13 000 15 000 19 000
Toegevoegde waarde zeevaart 22 000 29 000 42 000 61 000 70 000
Toegevoegde waarde binnenvaart 2 100 4 400 6 200 12 000 16 000
Haven
Indirecte effecten 30% van de toegevoegde waarde
6.5 Totaal van de gemonetariseerde effecten voor de scheepvaart en havens
In Tabel 6.5 en Tabel 6.6 zijn de totale effecten voor respectievelijk het G/RC en W+/GE
scenario geraamd.
In het G/RC-scenario zijn de economische effecten relatief bescheiden, maximaal 60 miljoen
euro per jaar in 2100 in de gesloten varianten. Het belangrijkste effect is hier de extra
schuttijd voor de binnenvaart.
Voor het W+/GE- scenario zijn de economische effecten van een andere orde, zoals Tabel
6.6 laat zien.
In het W+/GE- scenario zijn de effecten in de gesloten variant aanzienlijk, als gevolg van de
niet-gerealiseerde transpoten (‘uitval’). De totale effecten bedragen in 2050 maximaal 3
miljard euro per jaar en, onder de aanname dat het aantal schepen tussen 2050 niet meer
toeneemt maar de toegevoegde waarde en reiskosten wel, in 2100 7 miljard euro per jaar.
6.6 Conclusies
De economische effecten van de hoekpunten voor de scheepvaart en haven zijn zeer
onzeker maar in potentie zeer omvangrijk. In een sociaal-economisch scenario waarin de
autonome groei van de haven beperkt is, zijn ook de effecten van alle oplossingsrichtingen
relatief bescheiden.
De ‘gesloten’ varianten vormen daarentegen een belangrijke potentiële belemmering voor
een scenario waarin de haven sterk groeit, doordat de verbinding van de haven met het
achterland wordt afgesloten.
6.7 Aanbevelingen voor vervolganalyses voor de scheepvaart
Ten eerste dienen een aantal aannames en kengetallen in het vervolgonderzoek nader te
worden onderbouwd. Daarna zou naar aanleiding van het onderzoek van Jonkhoff & Groen
(2011) kunnen worden aanbevolen vervolgonderzoek te richten op:
- de ontwikkeling van op de Rotterdamse haven toegespitste toekomstscenario’s, waarbij
rekening wordt gehouden met een mogelijke verminderde bereikbaarheid van de
Rotterdamse havens, maar ook van die van concurrerende havens, met het ruimtebeslag,
en met mogelijke alternatieve modaliteiten;
- de verkenning van mogelijkheden er om de maatregelen in de verschillende hoekpunten
anders vorm te geven, zodat de gesloten varianten geen of minder een knelpunt vormen.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
29
Tabel 6.5 Economische effecten van de varianten op de haven in verschillende jaren in het G/RC- scenario (in miljoen euro per jaar, op
basis van Jonkhoff & Groen (2011))
1 2a + b 3a + 3b 3c
Categorie Jaar
Afsluitbaar open,
zeezijde
Afsluitbaar open,
zee- en rivier-
zijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten zeezijde,
open rivierzijde
2010
2050 0,2 0,2 2,6 2,6
Zeevaart
2100 0,7 0,7 2,7 2,7
2010
2050 0,2 0,6 48 12
Binnenvaart
2100 1,1 3,0 57 15
2010
2050 - - 5,6 5,6
Haven
2100 - - - -
2010
2050 0,4 0,8 56 20
Totaal
2100 1,8 3,7 60 18
Tabel 6.6 Economische effecten van de varianten op de haven in verschillende jaren in het W+/GE- scenario (in miljoen euro per jaar,
op basis van Jonkhoff & Groen (2011))
1 2a + b 3a + 3b 3c
Categorie Jaar
Afsluitbaar open,
zeezijde
Afsluitbaar open,
zee- en rivier-
zijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten zeezijde,
open rivierzijde
2010
2050 2 2 6 6
Zeevaart
2100 12 12 7 7
2010
2050 2 4 66 14
Binnenvaart
2100 12 32 96 48
2010
2050 - - 3 000 1 600
Haven
2100 - - 6 900 3 300
2010
2050 4 6 3 000 1 700
Totaal
2100 24 44 7 000 3 300
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
31
7 Natuur
7.1 Inleiding
In de regio Rijnmond-Drechtsteden kan onderscheid gemaakt worden tussen buitendijkse
natuur en binnendijkse natuur. In het eerste geval gaat het om de natuur in en rond het
hoofdwatersysteem (slikken, gorzen, uiterwaarden, de Biesbosch etc.). In het tweede geval
gaat het om de natte natuurgebieden in de regio die vanuit het hoofdwatersysteem van
zoetwater worden voorzien. In het kader van de KKBA is alleen gekeken naar buitendijkse
natuur om twee redenen:
- De gedefinieerde hoekpunten hebben vooral effect op het hoofdwatersysteem via
veranderingen in chlorideconcentratie, waterstanden en getijdendynamiek
- De effecten van een verminderde zoetwaterbeschikbaarheid voor het regionale
watersysteem worden onderzocht in het Deltaprogramma zoetwater.
7.2 Aanpak
Bij de beoordeling van effecten op de natuur spelen een aantal vragen een belangrijke rol:
wat is de referentiesituatie? Welke doelen moeten worden gehaald en hoe kan worden
gemeten of ze ook worden bereikt (indicatoren en maatlatten)?
Europese natuurwetgeving biedt hiervoor aanknopingspunten. Op nationaal niveau zijn in het
kader van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn water natuurdoelen afgesproken: welke soorten
en habitats zijn van belang op Nederlandse en Europese schaal en welke maatlatten kunnen
worden gebruikt om doelbereik vast te stellen?
De invulling hiervan houdt nog onvoldoende rekening met klimaatverandering. Doelen zijn
vaak vastgesteld aan de hand van een referentiesituatie uit het verleden, terwijl deze
referentie als gevolg van klimaatverandering zal verschuiven. In deze verkenning van
natuureffecten wordt daarom het bereiken van doelen van de KRW en Natura 2000 niet als
maatstaf genomen maar wordt gebruik gemaakt van abstractere criteria zoals de
natuurlijkheid, diversiteit en connectiviteit van en tussen natuurgebieden.
Om tot een beoordeling van de verschillende hoekpunten te komen zijn twee stappen
doorlopen:
1. Als eerste zijn basiskaarten van zogenaamde ‘ecoseries’ gemaakt voor het gebied (zie
ook Figuur 7.1). Een ecoserie is een ecologisch relevante ruimtelijke eenheid die
homogeen is voor wat betreft de belangrijkste abiotische randvoorwaarden die bepalend
zijn voor het voorkomen van soorten (planten, insecten, vissen, vogels, etc). Deze
abiotische randvoorwaarden zijn berekend met een dynamisch zout- en
waterbewegingsmodel voor de Rijn-Maasmonding. Met behulp van een GIS-analyse zijn
hieruit de arealen aan ecoseries bepaald.
2. Vervolgens zijn in een expertsessie op basis van de kaarten de criteria natuurlijkheid,
diversiteit en connectiviteit kwalitatief gescoord (van - - tot ++). Deze scores zijn relatief
ten opzichte van de huidige situatie.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
32
De beoordelingscriteria zijn op de volgende manier verder gedefinieerd en toegepast:
- Bij natuurlijkheid gaat het erom in hoeverre natuurlijke processen manifest kunnen zijn
in het gebied. In de Rijn-Maasmonding gaat het om estuariene dynamiek. Deze
estuariene dynamiek kan bestaan uit: hydrodynamiek ((getij)stroming); morfodynamiek
(sedimentatie en erosie); en zoutdynamiek. Deze processen bepalen de abiotische
randvoorwaarden en aldus welke natuur (ecoseries) in het gebied kan ontstaan.
De veranderingen in de morfodynamiek als gevolg van de ingrepen in het
watersysteem worden in deze eerste verkenning niet meegenomen, omdat dat
geavanceerder modellering vergt.
- De belangrijkste vraag bij de beoordeling op natuurlijkheid is daarmee: duiden de
ruimtelijke patronen van de ecoseries (voor de verschillende klimaatscenario’s en
hoekpunten) op een toename of afname van de estuariene dynamiek?
- Een grotere dynamiek leidt tot meer gradiënten en hiermee een grotere diversiteit aan
milieutypen en soorten in het gebied. In deze studie wordt de milieudiversiteit beoordeeld
op basis van de (diversiteit aan) ecoseries. Behalve een kwantitatieve analyse van de
resulterende arealen van verschillende ecoseries bij de verschillende
oplossingsrichtingen wordt ook gekeken naar hun ruimtelijke verdeling.
Sommige ecoseries zijn waardevoller vanwege hun grote zeldzaamheid. Wereldwijd en in
Nederland zijn intergetijdegebieden schaars en met het behouden of creëren van deze
gebieden wordt bijgedragen aan de diversiteit: lokaal, maar ook op grotere schaal.
- De belangrijkste vraag bij de beoordeling op diversiteit is daarmee: neemt het areaal
en aantal waardevolle ecoseries toe of af?
- Sommige hoekpunten hebben door de toepassing van dammen en keringen grote invloed
op de migratiemogelijkheden voor verschillende typen migrerende vis. Een grote mate
van connectiviteit (mate van verbinding tussen natuurgebieden) is van belang voor het
voortbestaan van levensvatbare populaties van soorten.
Het benedenrivierengebied is voor trekvissen van belang om van zoete naar zoute
wateren te trekken en omgekeerd. Mogelijkheden voor vis om te migreren zijn niet alleen
van belang voor de visstand in Nederland maar voor het gehele stroomgebied.
De connectiviteit wordt bevorderd door het opheffen van barrières (keringen e.d.).
- De belangrijkste vraag bij de beoordeling op connectiviteit is daarmee: neemt de
verbondenheid tussen gebieden van hetzelfde type ecoserie toe of af en zijn er meer
of minder belemmeringen voor vismigratie?
De aanpakt leunt dus sterk op een kwantitatieve analyse van abiotische randvoorwaarden. Of
de gewenste natuur binnen deze randvoorwaarden ook werkelijk zal ontstaan blijft een vraag,
maar onttrekt zich ook aan de invloed van de mens; het is natuur per definitie: dat wat vanzelf
komt. Voor meer informatie over de aanpak wordt verwezen naar Maarse (2011).
7.3 Huidige situatie
De huidige situatie (Figuur 7.1) wordt gekenmerkt door een gesloten Haringvliet en een open
Nieuwe Waterweg. Daardoor is er invloed van getijden tot aan Gorinchem en Culemborg.
Van het totale studiegebied is 40% zoetwatergetijdegebied. Het zoute water komt gemiddeld
tot en met Vlaardingen en Spijkenisse. Daardoor is ca 8% te karakteriseren als
zoutwatergetijdegebied.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
33
Figuur 7.1 Natuurontwikkelingsmogelijkheden (ecoseries) in het benedenrivierengebied in de huidige situatie
7.4 Resultaten
Voor alle oplossingsrichtingen (hoekpunten) zijn ecoseries bepaald voor de klimaatscenario’s
G en W+. Voor elke combinatie is een kaart vervaardigd, zoals in Figuur 7.1 (Maarse, 2011).
Op basis daarvan is de procentuele verdeling van ecoseries over het gehele gebied en in
deelgebieden vastgesteld. Figuur 7.2 toont de procentuele verdeling van ecoseries voor het
gehele gebied voor de huidige situatie en voor de verschillende hoekpunten. Hieruit kan
worden afgeleid welke natuurtypen toe- en afnemen onder invloed van enerzijds
klimaatverandering en anderzijds de maatregelen in de verschillende oplossingsrichtingen.
Uit de figuur blijkt duidelijk dat de verschillen tussen de hoekpunten veel groter zijn dan die
tussen de klimaatscenario’s.
Daarom zijn bij de beoordeling op de genoemde drie hoofdcriteria door de experts alleen de
kaartbeelden met de geografische verdeling van de ecoseries voor het G- scenario bekeken.
De beoordeling heeft geleid tot de scores zoals weergegeven in Tabel 7.1.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
34
0%
20%
40%
60%
80%
100%
H
u
i
d
ig
1
.
C
o
n
t
i
n
u
r
e
r
in
g
h
u
id
i
g
+
G
1
.
C
o
n
t
in
u
e
r
in
g
h
u
id
ig
+
W
+
2
.
A
f
s
l
.
o
p
e
n
z
e
e
e
n
r
i
v
ie
r
G
2
.
A
f
s
l
.
o
p
e
n
z
e
e
e
n
r
i
v
ie
r
W
+
3
a
.
G
e
s
lo
t
e
n
z
e
e
/
r
iv
ie
r
G
3
a
.
G
e
s
lo
t
e
n
z
e
e
/
r
iv
ie
r
W
+
3
b
.
G
e
s
lo
t
e
n
/
o
p
e
n
H
V
G
3
b
.
G
e
s
lo
t
e
n
/
o
p
e
n
H
V
W
+
3
c
.
G
e
s
lo
t
e
n
z
e
e
G
3
c
.
G
e
s
lo
t
e
n
z
e
e
W
+
4
.
O
p
e
n
G
4
.
O
p
e
n
W
+
Niet overstroomd Hardhoutzone
Zachthoutzone Droogvallende zone
Helofytenzone Zoet matig diep tot diep water
Brak tot zoute droogvallende zone Brak tot zout ondiep water
Brak tot zout matig diep en diep water (stagnant) Zoet intergetijdegebied
Zoet ondiep getijdenwater Zoet matig diep getijdenwater
Zoet diep getijdenwater Zoet zeer diep getijdenwater
Brak tot zout ondiep laagdynamisch getijdenwater Brak tot zout diep laagdynamisch getijdenwater
Brak tot zout hoogdynamisch intergetijdengebied Brak tot zout hoogdynamisch getijdenwater
Figuur 7.2: Procentuele verdeling van arealen over de verschillende ecoserietypen (natuurontwikkelingsmogelijkheden) in 2100 per
oplossingsrichting voor steeds 2 klimaatscenario’s, in vergelijking met de huidige situatie (uiterst links)
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
35
Tabel 7.1: Scorekaart met kwalitatieve scores voor de beoordelingscriteria, voor alle oplossingsrichtingen ten opzichte van de huidige
situatie (2011). De beoordeling is uitgevoerd op basis van kaarten met ecoseries voor het G scenario.
Continuering
huidig (0)
Afsluitbaar
open zee-
rivierzijde
(1)
Gesloten
zee- en
rivierzijde
(3a)
Gesloten
/open HV
(3b)
Gesloten
zee zijde
(3c)
Open
(4)
Natuurlijkheid 0 0 -- -/+ -- ++
Diversiteit + + -- -/+ -- +/-
Connectiviteit 0 0 -- + - ++
7.5 Conclusies
De belangrijkste conclusies over de alternatieve oplossingsrichtingen en hun varianten zijn:
- Oplossingsrichting 0 en 1: afsluitbaar open aan zeezijde of verbeterd afsluitbaar aan
zeezijde
- Scoren neutraal op natuurlijkheid vanwege overeenkomsten met huidige situatie
- De zeespiegelstijging leidt tot een toename van het aandeel getijdewateren en een
afname van niet-overstroomd gebied (‘verdrinking’).
- Scoren licht positief vanwege de toename aan zoet intergetijdegebied.
- Oplossingsrichting 2a,b: afsluitbaar open aan zee- en rivierzijde
- Scoort gelijk aan oplossingsrichting 1 vanwege de geringe invloed van de
maatregelen op de gemiddelde abiotische randvoorwaarden in het gebied. Daarmee
is deze oplossingsrichting wat betreft effecten op natuur niet onderscheidend.
- Oplossingsrichting 3a: gesloten aan zee- en rivierzijde
- Scoort sterk negatief vanwege de afsluitingen en de daarmee gepaard gaande
oplading met zout (in combinatie met verlies aan getijde).
- Scoort sterk negatief vanwege verlies aan getijdendynamiek en oppervlakte aan
getijdenwateren.
- Scoort sterk negatief vanwege beperkte migratiemogelijkheden voor vis.
- Oplossingsrichting 3b: gesloten Nieuwe Waterweg, open Haringvliet
- Scoort negatief vanwege de afsluiting van de Nieuwe Waterweg en het daarmee
gepaard gaande verlies aan getijdendynamiek en het ontstaan van brakke zones
- Scoort positief vanwege de opening van het Haringvliet de vergroting van de
getijdendynamiek op het Haringvliet, Hollandsch Diep en Biesbosch.
- Scoort positief vanwege de vergroting van migratiemogelijkheden voor vis
- Oplossingsrichting 3c: gesloten zeezijde
- Scoort sterk negatief vanwege verlies van getijdendynamiek en daarmee gepaard
gaande verlies aan diversiteit.
- Scoort negatief vanwege beperkte migratiemogelijkheden voor vis.
- Oplossingsrichting 4: open
- Scoort positief vanwege volledig herstel getijdendynamiek.
- Scoort negatief vanwege verlies van bestaande natuurtypen.
- Scoort positief vanwege herstel van migratiemogelijkheden voor trekvissen.
7.6 Aanbevelingen
Voor de mogelijke kansrijke strategieën kunnen op basis van deze resultaten de volgende
aanbevelingen worden gedaan:
- stagnant water dient te worden voorkomen door te zorgen voor voldoende doorspoeling:
liever zoet stagnant water dan brak water zonder getijde. Zoals reeds opgemerkt in
hoofdstuk 5 is er voldoende water beschikbaar vanuit de rivieren voor doorspoeling.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
36
- Zorg voor zoveel mogelijk getijdendynamiek, deze is sterk bepalend voor de kwaliteit van
de natuur in het benedenrivierengebied. Als het enige zeegat, de Nieuwe Waterweg, dat
in open verbinding staat met zee wordt afgesloten zou het verlies aan getijdennatuur
elders gecompenseerd moeten worden. Het meest logisch zou zijn om deze compensatie
te zoeken via het verder openen van het Haringvliet. In plaats van een open Haringvliet
kan een afsluitbaar Haringvliet (‘stormvloedkeringsvariant’) bijvoorbeeld een vergelijkbare
estuariene dynamiek waarborgen, zonder dat zeer hoge dijken nodig zijn: een variant op
3c dus
- Overweeg bij ‘afgesloten’ varianten de mogelijkheden voor zoet-zoutovergangen door de
afsluiting te beperken tot hoogwatersituaties: afsluitbaar, in plaats van permanent dicht.
- Zoek naar mogelijkheden om natuur en hoogwaterbescherming te combineren. Hierbij
kan men denken aan golfremmende vooroevers.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
37
8 Ruimtelijke kwaliteit
8.1 Inleiding
Ingrepen in het watersysteem zoals beschreven in de hoekpunten kunnen allerlei ruimtelijke
consequenties hebben in het gebied: dijken moeten worden versterkt, buitendijkse gebieden
of gebouwen moeten worden aangepast aan veranderende waterstanden. Dit heeft gevolgen
voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
Ruimtelijke kwaliteit is een begrip waarvoor geen scherpe definitie bestaat. Breed
geaccepteerd is echter de omschrijving van ruimtelijke kwaliteit als een combinatie van
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde, die is gebaseerd op de vrije (en
daardoor eigenlijk niet geheel juiste) vertaling van Vitruvius’ utilitas, venustas en firmitas.
Deze drie basisbegrippen kunnen op allerlei schaalniveaus van toepassing worden verklaard.
Als je een huis koopt houd je er rekening mee, maar ook als je een ontwikkelingsplan voor
een regio maakt (www.ruimtexmilieu.nl).
Een kant-en-klare methode om een beoordeling te geven van ruimtelijke kwaliteit voor een
vergelijkbaar gebied en programma als het deltaprogramma Rijnmond- Drechtsteden was
niet beschikbaar. In een studie van Nillesen et al. (2011) is een eerste poging gedaan de
gevolgen van ingrepen ten behoeve van de waterveiligheid op de ruimtelijke kwaliteit in het
Rijnmond-Drechtsteden gebied te beoordelen.
De belangrijkste uitdagingen hierbij waren:
- hoe krijg je een representatief beeld op het juiste schaalniveau?
- hoe de ruimtelijke kwaliteit te beoordelen zonder dat er een concreet ontwerp
beschikbaar is (zoals bijvoorbeeld in andere studies voor Ruimte voor de Rivier wel het
geval was)?
- in hoeverre zijn eerder toegepaste beoordelingscriteria uit het programma Ruimte voor de
Rivier toepasbaar op het Deltaprogramma Rijnmond Drechtsteden?
De toegepaste methode is daarom nog vooral experimenteel van karakter. Conclusies over
de toepasbaarheid van de methode zijn van minstens even groot belang als de uitkomsten
van de beoordeling. Beide zullen in dit hoofdstuk aan bod komen.
8.2 Methode
Om een representatief beeld te krijgen van de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit is er voor
gekozen om op lokaal niveau naar de ruimtelijke implicaties te kijken. Hiervoor zijn een aantal
doorsnedes in het gebied gekozen (Figuur 8.1), die representatief worden verondersteld voor
grotere gebieden en die de diversiteit van het gebied goed representeren
(buitendijks/binnendijks, rivierdijk/zeedijk, stad/agrarisch gebied/natuur). Het totaal van de
beoordelingen per doorsnede vormt dan de representatieve beoordeling voor het gehele
gebied.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
38
Figuur 8.1 Representatieve doorsnedes voor de regio Rijnmond- Drechtsteden ten behoeve van de beoordeling van de ruimtelijke
kwaliteit.
Alle doorsnedes zijn op dezelfde neutrale manier geschetst waarbij verschillende
waterstanden als gevolg van klimaatverandering en de ingrepen in het hoofdwatersysteem
(de hoekpunten) in de schetsen zijn aangegeven. De waterstanden zijn in de doorsneden
weergeven voor de gemiddelde en maatgevende situatie en voor de situatie eens in de 1:100
en 1:1000.
De oplossingsrichtingen (hoekpunten) omvatten alleen de maatregelen in het hoofdwater-
systeem. Deze maatregelen hebben gevolgen voor de waterstanden in het gebied. Wat
vervolgens de lokale respons op deze veranderende waterstanden zal zijn is grotendeels
onbekend.
Een belangrijk uitgangspunt in deze (zie ook hoofdstuk 2) is dat de huidige veiligheidsnormen
gehandhaafd blijven en dat zodra waterstanden te hoog worden, dijken worden versterkt. Op
welke wijze dit zal gebeuren is onbekend evenals hoe in de buitendijkse gebieden met
veranderende waterstanden zal worden omgegaan. Omdat er toch een soort van ontwerp
nodig is om iets over ruimtelijke kwaliteit op lokale schaal te zeggen zijn maatregelen die we
kennen uit de praktijk (‘business as usual’) vooraf gedefinieerd en op een neutrale manier
geschetst (Figuur 8.2)
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
39
Figuur 8.2 Mogelijke lokale respons op veranderende waterstanden.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
40
Er is gewerkt met een expertpanel bestaande uit ongeveer 6 experts vanuit de disciplines,
stedenbouw, landschapsarchitectuur en ecologie. De werkwijze per locatie was daarbij als
volgt:
1. Het beschrijven van de situatie
2. Kiezen van ingrepen uit de vooraf opgestelde mogelijke maatregelen.
3. Het benoemen van de veranderingen ten gevolge van de ingreep
4. Het waarderen (op basis van ruimtelijke kwaliteitscriteria) van de veranderingen ten
gevolge van de ingreep
5. Waarderingen van de veranderingen samenvatten in een groepsoordeel
Uitwerking Doorsnede 2: Stadshavens Rotterdam Mercuriusweg
Figuur 8.3 Doorsnede 2 ‘Transformatiegebied Stadshavens’ voor verschillende klimaatscenario’s en hoekpunten. De
bijpassende lokale maatregelen zijn in rood weergegeven.
De Stadshavens zijn buitendijkse haventerreinen dicht bij de stad die hun functie als haventerrein deels
hebben verloren. Hier worden de komende jaren transformaties verwacht naar een gemengd stedelijk
gebied. De doorsnede geeft een beeld uit de Vierhavens, waar zich een bedrijventerrein bevindt en de dijk
het buitendijks gebied afsnijdt van het omringende stedelijke gebied. Het water staat hier in de huidige
situatie vrij dicht op de kade.
Hier zijn bij herstructurering allerlei beschermingsmaatregelen mogelijk, behalve dammen of sluizen. Het
gebied kan immers zo worden ontworpen dat maatregelen worden geïntegreerd in het gebiedsontwerp. Voor
de huidige situatie (2C) wordt het plaatsen van een lage kaderand als meest logische ingreep gezien. Ook
als het water tot ongeveer 50 cm boven de kade komt (2C) wordt het plaatsen van een kaderand als meest
logische ingreep gezien. Komt het water hoger (zoals bij 2B & 2E), dan kan er een keuze gemaakt worden
tussen de kaderand, het verhogen van het terrein, het water binnenlaten en de waterveiligheid oplossen in de
bebouwing. Komt het water lager te staan dan in de huidige situatie (2d) dan kan de bestaande kaderand
eventueel zelfs verwijderd worden. In de open variant (2F) neemt het MHW flink toe waardoor de bestaande
dijk niet meer voldoet. De experts kiezen ervoor om in dat geval een nieuwe dijk aan te leggen (langs de rand
van de kade), waarmee het buitendijks gebied binnendijks komt te liggen. De bestaande dijk verliest dan z’n
waterkerende functie en kan verlaagd / verwijderd worden.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
41
Het expertpanel heeft bij de beoordeling gebruik gemaakt van een ‘waarderingskader‘, dat is
opgesteld op basis van de Ruimtelijke Kwaliteitstoets (RKT), zoals die voor de PKB Ruimte
voor de Rivier in 2006 is gebruikt. Op grond van de ervaringen van het expertpanel is het
waarderingskader aangepast om het beter toepasbaar te maken voor een meer stedelijke
regio, zoals Rijnmond- Drechtsteden. Zo zijn enkele criteria uit het RKT komen te vervallen of
ze zijn samengevoegd, en enkele nieuwe criteria zijn toegevoegd. De uiteindelijk gebruikte
criteria staan in het beoordelingsformulier in Figuur 8.4.
8.3 Resultaten, conclusies en aanbevelingen
Uiteindelijk zijn door de experts de implicaties van de oplossingsrichtingen (hoekpunten) voor
5 van de 7 doorsnedes beoordeeld. Niet elke doorsnede is voor elk hoekpunt aan bod
gekomen. Hierdoor is de uiteindelijke omvang van de ‘steekproef’ te klein bevonden om de
beoordeling mee te nemen in de KKBA. Een beoordeling van een hoekpunt kan immers
gebaseerd zijn op slechts 1 a 2 doorsnedes waarmee de representativiteit in het geding komt.
Toch zijn er enkele conclusies te trekken (deze zijn niet volledig, voor een meer volledig
overzicht wordt verwezen naar Nillesen et al. (2011)):
- Voor de verstedelijkte buitendijkse gebieden zijn belangrijke criteria het goede zicht op
het water en de identiteit van het water, die bijdragen aan de belevingswaarde. Zolang de
waterstanden niet te hoog zijn scoren meerdere hoekpunten (o.a. ‘gesloten’, ‘afsluitbaar-
open’, ‘verbeterd afsluitbaar’) met verschillende lokale ingrepen hier gunstig. Bijvoorbeeld
waterbestendig bouwen in Stadshavens en een kademuur voor Dordrecht. Beide
ingrepen passen ook in een traditie van hoogwaterbescherming. Voor het hoekpunt open
worden de waterstanden buitendijks zo hoog dat buitendijkse gebieden omdijkt moeten
worden of dat er hoge kademuren moeten worden gebouwd (>0,7-1 meter wordt door de
experts gezien als kwaliteitsverlies), waardoor het zicht op en de beleving van het water
wordt beperkt.
- Een grote ingreep hoeft niet op alle locaties een verlies van ruimtelijke kwaliteit te
betekenen. Flinke dijkverzwaring is goed in te passen langs het Haringvliet, zoals nodig in
hoekpunten met een open Haringvliet, maar daarentegen langs de Lek of de Beneden-
Merwede (zoals nodig voor de hoekpunten ‘afsluitbaar open’ en ‘gesloten aan rivier en
zeezijde’) weer niet. In het laatste geval is o.a. de schaal van de ingreep ten opzichte van
de schaal van de bestaande bebouwing niet in verhouding.
- Over het algemeen geldt dat in gebieden waar herstructurering mogelijk en gewenst is
een hoogwaterbeschermingsmaatregel beter in te passen is met behoud of verbetering
van de ruimtelijke kwaliteit.
Naar verwachting is de gevolgde methode met een aantal verbeteringen goed te gebruiken in
het vervolg van het deltaprogramma. Maatregelen en strategieën zullen steeds concreter
worden waardoor ook de ruimtelijke consequenties beter te beoordelen zullen zijn. De
belangrijkste aanbevelingen voor verbetering zijn:
- Representativiteit: zorg voor voldoende doorsnedes. Bekijk daarnaast ook verschillende
schaalniveaus. Ken eventueel gewichten toe aan de verschillende doorsnedes.
- Zorg voor een vaste groep van experts met een evenwichtige vertegenwoordiging van
disciplines. Belangrijk is de inbreng van een civiel-technicus of waterbouwer die de
consequenties van klimaatverandering en maatregelen kan toelichten.
- Maak de beoordelingscriteria specifiek voor de regio.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
42
Figuur 8.4 Het beoordelingsformulier zoals gebruikt voor ruimtelijke kwaliteit
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
43
9 Kosten en baten op een rij
9.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de effecten van de hoekpunten op een rij gezet. Een volledige
kosten-batenanalyse kon alleen voor het W+-scenario worden gemaakt omdat het zichtjaar
2050 ontbrak in enkele analyses voor het G- scenario. Om toch iets van een bandbreedte te
kunnen geven is het W+- scenario gekoppeld aan beide economische scenario’s van snelle
(GE) en matige economische groei (RC). Volgens de deltascenario’s wordt hiermee de
bandbreedte geschetst tussen STOOM en WARM (zie Bruggeman et al., 2011).
Tabel 9.1 en Tabel 9.2 geven voor achtereenvolgens de combinatie van W+/GE en W+/RC
de effecten van de verschillende hoekpunten. De wijze van presenteren volgt die van
‘Heldere Presentatie OEI. Aanvulling op de Leidraad OEI’ (Koopmans, 2004). Hierbij staan
bovenin in eigen eenheden de absolute waarden van de effecten in het jaar 2050. Onderaan
staan van alle effecten de contante waarden over de periode 2015- 2100.
In de tabellen is er voor gekozen om de effecten te presenteren conform de eerste werkwijze
beschreven in paragraaf 2.2. Dat betekent dat de effecten opgeteld kunnen worden en dat
het alternatief met het laagste saldo van kosten en in geld gewaardeerde baten het gunstigst
uit de KKBA komt. Behalve dit saldo dienen ook de overige niet in geld gewaardeerde
effecten te worden meegenomen; deze zijn onder het saldo vermeld.
Omdat de absolute uitkomsten op onderdelen nog als erg onzeker worden beoordeeld door
de betrokken onderzoekers moeten de opgetelde schades (negatieve baten) met
voorzichtigheid worden betracht. Vooral de berekende buitendijkse risico’s en de hinder voor
de scheepvaart en haven zijn nog omstreden. Dit vraagt om verbeteringen van de aanpak en
validatie van de uitkomsten.
In Figuur 9.1 worden de totale kosten en vermeden schades tot 2100 voor de verschillende
hoekpunten gepresenteerd, in dit geval ten opzichte van die van het nul-alternatief
(‘continuering van huidige beleid’).
9.2 Resultaten en conclusies
In de vorige hoofdstukken zijn de afzonderlijke batenposten al besproken. In dit hoofdstuk
wordt daarom de nadruk gelegd op de verschillen tussen hoekpunten wat betreft het totale
saldo en de bijdragen van verschillende posten hieraan. Uit de tabellen en figuren kunnen de
volgende conclusies worden getrokken:
- Alleen hoekpunt 3c (gesloten aan zeezijde met waterberging op de Grevelingen) geeft
een positief saldo ten opzichte van het 0-alternatief, zowel over de periode tot 2050 als
over de periode tot 2100. Dit is echter alleen het geval bij een matige economische groei
volgens scenario RC (0,6 % gemiddelde groei, 1,9% voor scheepvaart). In scenario GE
(2,6% gemiddelde groei, 5,2% voor scheepvaart) domineert de schade aan haven en
scheepvaart alle andere posten. Hierdoor komt bij aanname van hoge economische groei
het 0-alternatief als beste uit de bus.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
44
Eenheid
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Afsluitbaar
open
zeezijde
Verbeterd
afsluitbaar
open
zeezijde
Volledig
open
Blauwe
Rivier
Pannerden Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde,
Haringvliet
open
Gesloten
zeezijde,
open
rivierzijde
Overstromingsrisico binnendijks
Verwachte schade m€/jaar 55 54 57 57 102 125 50 91
Aantal getroffenen aantal/jaar 406 393 399 399 576 612 376 547
Aantal slachtoffers aantal/jaar 3 3 3 3 3 3 3 5
Overstromingsrisico buitendijks
Verwachte schade m€/jaar 103 102 105 107 113 150 43 475
Aantal getroffenen aantal/jaar 524 465 520 452 57 108 53 3 066
Aantal slachtoffers aantal/jaar 0 0 0 0 0 0 0 1
Zoetwatertekort (voor W+, RC) Mm3/jaar 22 22 22 22 3 74 4 66
Hinder voor scheepvaart / havens
Reistijdverlies m€/jaar - 0 0,8 0,8 51 51 15 -
Verlies toegevoegde waarde haven m€/jaar - - 6 6 6
Indirecte effecten m€/jaar - - - - 2 2 2 -
Natuur
Natuurlijkheid 0 0 0 0 -- -- -/+ ++
Diversiteit 0 + + + -- -- -/+ +/-
Connectiviteit 0 0 0 0 -- - + ++
Ruimtelijke kwaliteit
PM
Kosten van maatregelen
Kosten van keringen en dammen m€ 700 1 300 5 400 2 908 2 835 2 955 1 565 155
Beheer en onderhoud
Kosten van dijkversterking m€ 1 464 1 406 1 621 2 591 1 939 3 530 708 6 365
Beheer en onderhoud
Saldo
Overige effecten (natuur)
Overstromingsrisico binnendijks 1 195 1 168 1 196 1 196 1 577 1 779 1 086 1 590
Verwachte schade
Aantal getroffenen
Aantal slachtoffers
Overstromingsrisico buitendijks 1 200 1 186 1 212 1 219 1 216 1 494 701 4 259
Verwachte schade
Aantal getroffenen
Aantal slachtoffers
Zoetwatertekort (voor W+, RC) 232 232 232 232 31 543 37 545
Hinder voor scheepvaart / havens - 3 7 7 421 421 155 -
Reistijdverlies
Verlies toegevoegde waarde haven
Indirecte effecten
Natuur
Natuurlijkheid 0 0 0 0 -- -- -/+ ++
Diversiteit 0 + + + -- -- -/+ +/-
Connectiviteit 0 0 0 0 -- - + ++
Ruimtelijke kwaliteit
PM
Kosten van maatregelen 1 024 1 193 2 466 2 043 1 730 2 380 1 119 2 735
Kosten van keringen en dammen
Beheer en onderhoud
Kosten van dijkversterking
Beheer en onderhoud
Saldo 3 652 3 783 5 114 4 697 4 976 6 618 3 099 9 128
Overige effecten (natuur) 0,0,0 0,+,0 0,+,0 0,+,0 --,--,-- --,--,- -/+,-/+,+ ++,+/-,++
Contante waarde 2015-2100, miljoen euro
Absolute waarde los van jaar
Afsluitbaar open zee-
en rivierzijde
Gesloten
Projecteffecten in 2050, W+, RC
Tabel 9.1 Effecten voor 2050 en verdisconteerde effecten voor de hoekpunten, snelle klimaatverandering (W+) en hoge economische groei
(GE).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
45
Eenheid
0 1 2a 2b 3a 3b 3c 4
Afsluitbaar
open
zeezijde
Verbeterd
afsluitbaar
open
zeezijde
Volledig
open
Blauwe
Rivier
Pannerden Gesloten
zee- en
rivierzijde
Gesloten
zee- en
rivierzijde,
Haringvliet
open
Gesloten
zeezijde,
open
rivierzijde
Overstromingsrisico binnendijks
Verwachte schade m€/jaar 106 103 109 109 197 241 96 175
Aantal getroffenen aantal/jaar 484 468 475 475 685 728 448 651
Aantal slachtoffers aantal/jaar 4 4 4 4 4 4 3 5
Overstromingsrisico buitendijks
Verwachte schade m€/jaar 198 196 201 205 217 288 83 913
Aantal getroffenen aantal/jaar 624 553 619 538 68 129 63 3 648
Aantal slachtoffers aantal/jaar 0 0 0 0 0 0 0 1
Zoetwatertekort (voor W+, RC) Mm3/jaar 22 22 22 22 3 74 4 66
Hinder voor scheepvaart / havens
Reistijdverlies m€/jaar - 3 6 6 72 72 20 -
Verlies toegevoegde waarde haven m€/jaar - - 2 321 2 321 1 264
Indirecte effecten m€/jaar - - - - 696 696 379 -
Natuur
Natuurlijkheid 0 0 0 0 -- -- -/+ ++
Diversiteit 0 + + + -- -- -/+ +/-
Connectiviteit 0 0 0 0 -- - + ++
Ruimtelijke kwaliteit
PM
Kosten van maatregelen
Kosten van keringen en dammen m€ 700 1 300 5 400 2 908 2 835 2 955 1 565 155
Beheer en onderhoud
Kosten van dijkversterking m€ 1 464 1 406 1 621 2 591 1 939 3 530 708 6 365
Beheer en onderhoud
Saldo
Overige effecten (natuur)
Overstromingsrisico binnendijks 1 877 1 823 1 879 1 879 2 568 2 932 1 675 2 608
Verwachte schade
Aantal getroffenen
Aantal slachtoffers
Overstromingsrisico buitendijks 2 103 2 052 2 103 2 147 2 026 2 555 1 097 8 598
Verwachte schade
Aantal getroffenen
Aantal slachtoffers
Zoetwatertekort (voor W+, RC) 234 234 234 234 33 545 38 546
Hinder voor scheepvaart / havens - 17 33 33 15 653 15 653 8 339 -
Reistijdverlies
Verlies toegevoegde waarde haven
Indirecte effecten
Natuur
Natuurlijkheid 0 0 0 0 -- -- -/+ ++
Diversiteit 0 + + + -- -- -/+ +/-
Connectiviteit 0 0 0 0 -- - + ++
Ruimtelijke kwaliteit
PM
Kosten van maatregelen 1 024 1 193 2 466 2 043 1 730 2 380 1 119 2 735
Kosten van keringen en dammen
Beheer en onderhoud
Kosten van dijkversterking
Beheer en onderhoud
Saldo 5 238 5 319 6 714 6 336 22 008 24 064 12 267 14 487
Overige effecten (natuur) 0,0,0 0,+,0 0,+,0 0,+,0 --,--,-- --,--,- -/+,-/+,+ ++,+/-,++
Contante waarde 2015-2100, miljoen euro
Absolute waarde los van jaar
Afsluitbaar open zee-
en rivierzijde
Gesloten
Projecteffecten in 2050, W+, GE
Tabel 9.2 Effecten voor 2050 en verdisconteerde effecten voor de hoekpunten, snelle klimaatverandering (W+) en lage economische groei
(RC).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
46
- Alternatieven 3a en 3b (‘gesloten aan zeezijde en rivierzijde’) scoren het slechtste onder
het GE scenario door de grote negatieve invloed op haven en scheepvaart; bij scenario
RC scoren ze ook niet heel goed door de hoge kosten en binnendijkse risico’s.
- Bij het RC- scenario scoort hoekpunt ‘open’ het slechtst door met name de hoge kosten
voor dijkversterking en de grote buitendijkse schaderisico’s. Hoekpunt ‘open’ scoort wel
het meest positief op natuur (hier kwalitatief gewaardeerd).
- De negatieve baten (kosten) van zoetwatertekorten voor beregening en industrie zijn klein
vergeleken bij de andere schadeposten.
In hoofdstuk 10 zal uitgebreider worden teruggekomen op de conclusies en aanbevelingen
die kunnen worden gedaan op basis van alle resultaten.
Figuur 9.1 Netto contante waarde tot 2100 van de hoekpunten ten opzichte van het nul-alternatief, uitgesplitst naar verschillende effecten.
Boven bij scenario W+/RC, onder bij scenario W+/GE
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
47
10 Conclusies en aanbevelingen
10.1 Inleiding
In voorgaande hoofdstukken zijn de kosten en effecten beschreven van enkele grootschalige
oplossingsrichtingen die beogen de waterstanden in het Rijn-Maasmondinsggebied te
beheersen bij een stijgende zeespiegel en een veranderend rivierafvoerregime. Op deze
manier is inzicht verkregen in welke maatregelen aantrekkelijk zijn om op te nemen in
mogelijke strategieën.
De vergelijking van alternatieve oplossingsrichtingen is gebaseerd op een kengetallenkosten-
batenanalyse (KKBA), die alle effecten in welvaartstermen beschouwt. Daarom zijn effecten
zoveel mogelijk gemonetariseerd.
Niet voor alle relevante effecten waren ‘state-of-the-art’-methoden beschikbaar die ook
passen bij het karakter van zo een verkenning: niet te gedetailleerd en niet te bewerkelijk.
Voor het berekenen van (binnendijkse) overstromingsrisico’s en het bepalen van kosten voor
dijkversterking bestaat er een landelijk breed toegepast instrumentarium en kon worden
geput uit bestaande studies, waarvan sommige in het kader van het deltaprogramma (WV21).
Voor veel andere effecten zijn in het kader van deze KKBA vaak nieuwe benaderingen
afgeleid van meer gedetailleerde of voor volstrekt andere toepassingen ontwikkelde
methoden. De effectbepaling en de beoordeling zijn hierdoor deels experimenteel en slechts
beperkt gevalideerd. De onderlinge vergelijking van hoekpunten (rangorde) voor eenzelfde
beoordelingscriterium kent een grotere betrouwbaarheid dan de onderlinge vergelijkbaarheid
van de monetaire effecten voor verschillende beoordelingscriteria; ofwel: de
zoetwatertekorten, scheepvaartschade en overstromingsrisico’s zijn weliswaar allemaal
uitgedrukt in euro’s, maar over de orde van grootte bestaan twijfels. Dit noopt tot
voorzichtigheid bij het trekken van conclusies.
Toch komt er een behoorlijk consistent en eenduidig beeld naar voren uit deze eerste
grofstoffelijke verkenning. In paragraaf 10.2 worden de belangrijkste conclusies getrokken uit
de KKBA en worden aanbevelingen gegeven voor wat deze betekenen voor de verdere
ontwikkeling van mogelijk kansrijke strategieën. In paragraaf 10.3 worden de belangrijkste
conclusies t.a.v. de bruikbaarheid van de toegepaste methodes beschreven.
10.2 Ten aanzien van mogelijke strategieën
In Tabel 10.1 wordt een vergelijking van de hoekpunten gepresenteerd. De relatieve score
ten opzichte van het 0-alternatief is weergegeven in kleur.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
48
Criterium Overstromingsrisico Zoetwater Scheepvaart Natuur Kosten
Hoekpunt binnendijks buitendijks
verbeterd afsluitbaar
afsluitbaar open zee- en rivierzijde
gesloten zee- en rivierzijde
- -
Gesloten zee- en rivierzijde / open HV
gesloten zeezijde + waterberging
+ +
Open
- + -
Tabel 10.1 Vergelijking van de hoekpunten met het 0-alternatief. Rood betekent een sterk negatieve score, oranje een negatieve score,
blanco betekent een niet significant afwijkende score, lichtgroen een positieve score, groen een sterk positieve score. Het meest positief
scorende hoekpunt krijgt een plus mee, het sterkst negatief scorende hoekpunt een minteken. Scores zijn afgeleid van de resultaten voor de
W+/GE combinatie van scenario’s.
Welke conclusies kunnen worden getrokken uit de veelheid aan effecten en de vergelijking
van maatschappelijke kosten en baten voor de hoekpunten? En welke aanbevelingen levert
dit op voor de mogelijke strategieën? Een top 5, die hierna in achtereenvolgende paragrafen
wordt toegelicht:
1 De huidige strategie blijkt effectief voor het beheersen van (maatgevende)
hoogwaterstanden en is aldus voor de komende decennia nog een van de meest
aantrekkelijke strategieën. Verdere overstromingsrisicobeheersing en een aanvullende
zoetwaterstrategie zijn daarbij gewenst, maar met andere middelen dan de beheersing
van het hoofdwatersysteem.
2 De Nieuwe Waterweg aan zeezijde afsluiten blijkt binnen- en buitendijkse
overstromingsrisico’s effectief verder te kunnen reduceren, evenals de externe verzilting
via de Nieuwe Waterweg. Daar staan kosten tegenover, vooral in de vorm van hinder en
schade aan haven en scheepvaart, en zeer nadelige effecten voor de natuur Deze
oplossingsrichting en is een aantrekkelijke strategie als er een oplossing kan worden
gevonden voor de bereikbaarheid van de haven en de natuureffecten kunnen worden
gecompenseerd door een ander beheer van de Haringvlietsluizen. Uitbreiding met extra
waterberging op de Grevelingen is mogelijk
3 Grote investering in afsluitbare (rivier)keringen of dammen lijken weinig kosten-effectief.
Baten op de ene plek worden door schade elders teniet gedaan, doordat waterstanden
in het bovenrivierengebied worden opgestuwd. Onderzocht zou kunnen worden of
onderdelen van deze hoekpunten, zoals een (licht!) aangepaste afvoerverdeling over de
Rijntakken, in nog te ontwikkelen alternatieven kunnen worden ingepast.
4 Een volledig open Haringvliet, of dit nu is in combinatie met een open Nieuwe Waterweg
of met een volledig gesloten Rijnmondring, leidt tot hoge kosten, vergaande verzilting en
sterk toegenomen overstromingsrisico’s. Een vergroting van de natuurwaarden van
estuariene systemen op het Haringvliet/Hollandsch Diep, waar deze oplossingsrichting
vooral voor is bedacht, zou volgens de deelanalyse van natuureffecten ook kunnen
worden bereikt met een systeem dat afsluitbaar is aan zeezijde (bijv. Haringvlietsluizen
als stormvloedkering gebruiken).
5 Mogelijk aantrekkelijke alternatieve strategieën liggen deels binnen de hoekpunten,
maar kunnen ook maatregelen nodig hebben die daarbuiten liggen. In een volgende
fase zal een nauwere verbinding met de andere deltaprogramma’s nodig zijn.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
49
10.2.1 De huidige strategie blijkt kosten-effectief
Gemiddeld over de range van de deltascenario’s kent de huidige strategie de laagste kosten
en gemiddeld kleinste negatieve gevolgen. De toenemende rivierafvoeren en
zeespiegelstijging zijn op te vangen met dijkversterkingen en met het behoud van een
stormvloedkering met faalkans 1/100 per sluitvraag. Hiertoe moeten in de loop van 100 jaar
investeringen worden gedaan tussen de 2,5 (bij gematigde klimaatontwikkeling en
ondergrens kostenschatting) en 7 miljard euro (bij snelle klimaatontwikkeling en bovengrens
kostenschatting).
De risico’s van overstromingen (schade, slachtoffers en aantal getroffenen) binnen- en
buitendijks zullen echter wel toenemen als gevolg van hogere waterstanden. Dit effect is
beperkt: voor het binnendijks schaderisico is dit bijvoorbeeld maximaal 30% gemiddeld over
alle dijkringen in 2100 voor het scenario met snelle klimaatontwikkeling. Net als in de huidige
situatie zullen er naar verwachting buitendijks geen slachtoffers hoeven te vallen in de
beschouwde scenario’s. De invloed van economische groei en bevolkingsgroei op de
overstromingsrisico’s is potentieel groot (maximaal factor 3,6 voor schade in 2050), maar ook
onzeker.
In de huidige strategie wordt vastgehouden aan de huidige hoogwaterbeschermingsnormen.
Uit het Deltaprogramma veiligheid zullen voorstellen komen voor aanpassingen van het
huidige normstelsel. Door normen te verhogen voor enkele kwetsbare dijkringen (zoals
bijvoorbeeld voor dijkring 15 en 16 die ook onder de huidige omstandigheden de hoogste
risico’s kennen) zullen weliswaar meer kosten gemaakt moeten worden voor dijkversterking
maar zullen de risico’s ook afnemen. Speciale aandacht daarbij verdienen de dijken langs de
Hollandsche IJssel die bij de laatste toetsing in 2011 zijn afgekeurd.
Aanbeveling:
De huidige strategie is ’één van de meest aantrekkelijke strategieën’ om op voort te bouwen.
Voortzetting ervan levert echter geen verbetering op ten opzichte van de huidige situatie wat
betreft beheersing van de overstromingsrisico’s of zekerstelling van de zoetwatervoorziening.
Voor beide doelen moet dan ook gezocht worden naar aanvullende maatregelen. Voor
overstromingsrisicobeheersing betekent het bijvoorbeeld een combinatie van
gevolgbeperking en kansverkleining. Voor de zoetwatervoorziening is een verplaatsing van
inlaatpunten denkbaar.
10.2.2 Afsluiten van de Nieuwe Waterweg in combinatie met extra waterberging blijkt effectief
Door de combinatie van het afsluiten van de Nieuwe Waterweg en het vergroten van de
waterbergingscapaciteit gaan in een groot gebied de maatgevende waterstanden fors
omlaag. Dit hoekpunt levert de grootste reductie van overstromingsrisico’s op, zowel binnen-
als buitendijks, en gespreid over het hele gebied. De zoetwatervoorziening wordt ermee voor
lange tijd veiliggesteld, doordat inlaatpunten vrijwel geen last meer ondervinden van externe
verzilting.
Door afsluiting van de Nieuwe Waterweg gaat waardevol intergetijdegebied verloren langs de
Oude Maas en verslechtert de bereikbaarheid van de haven met mogelijk grote economische
consequenties.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
50
Hoe groot de consequenties voor haven en scheepvaart zullen zijn hangt sterk af van de
autonome ontwikkeling van de haven inclusief de bereikbaarheid. Bij een gematigd
economisch groeiscenario pakt dit hoekpunt over het geheel genomen het meest gunstig uit
in de KKBA. Bij sterke economische groei is scheepvaarthinder echter de grootste
schadepost in de KKBA. De aangenomen autonome ontwikkeling van de haven en
scheepvaart dient nog nader te worden onderzocht.
Aanbeveling
Deze strategie is aantrekkelijk om voor de lange termijn (over enkele decennia) mee te
nemen als alternatieve strategie. Er dient dan wel beter inzicht te worden gegeven in
oplossingen voor de bereikbaarheid van de haven. En de negatieve gevolgen voor de natuur
zouden kunnen worden gecompenseerd door een ander beheer van de Haringvlietsluizen
(bijvoorbeeld ‘stormvloedkering’ of ‘getemd getij’).
10.2.3 Grote investering in rivierkeringen en dammen blijken weinig effectief
Het afsluiten van het laaggelegen hoogstedelijke gebied voor hoge waterstanden door middel
van dammen of flexibele keringen aan zee- en rivierzijde heeft tot doel mogelijk kostbare
complexe dijkversterking te voorkomen en zo op een andere manier de overstromingsrisico’s
te verkleinen. De geraamde kosten voor dijkversterking blijken echter niet zo hoog dat ze
grote ingrepen rechtvaardigen. Het bijplaatsen van extra stormvloedkeringen in de
riviertakken en het aanleggen van een bypass voor de Lek (zoals voorgesteld in het
Deltacommissierapport) of het afsluiten van het hoogstedelijke gebied met dammen met
schutsluizen vergt veel grotere investeringen dan er uitgespaard worden aan
dijkversterkingen.
Daarnaast treden de positieve effecten op de overstromingsrisico’s van deze ingrepen vooral
op in die gebieden waar de dijken al het meest robuust zijn, namelijk het westelijk deel van
het gebied (voormalige ‘zeedijken’ van de waterschappen Delfland en Hollandse Delta).
Afsluiten leidt zeker tot een betere bescherming van de buitendijkse gebieden binnen de ring.
Onduidelijk is echter nog in hoeverre hier überhaupt grote schade zal optreden bij
voortzetting van het huidige beleid. aangezien de berekende schades erg afwijken van
eerdere studies en ervaringen. Bovendien ontstaat ten oosten van een eventuele kering in de
Beneden-Merwede (rond Sliedrecht en Werkendam) opstuwing van het rivierwater (zie
Slootjes et al., 2011). Hierdoor worden de overstromingsrisico’s juist op de meest kwetsbare
plaatsen in het gebied (dijkring 15 en 16) vergroot waarmee via systeemwerking (domino-
effect) ook de risico’s voor dijkring 14 toenemen. Vanwege deze opstuwing moeten dan ook
extra kosten voor dijkversterking worden gemaakt.
Aanbeveling:
De ‘Rijnmondring’ in zijn twee doorgerekende vormen, met flexibele keringen en dammen, is
weinig aantrekkelijk vanuit de KKBA en heeft grote consequenties voor de verdeling van
lusten en lasten. Aanbevolen wordt daarom om slechts enkele onderdelen hiervan verder te
verkennen namelijk:
- De afvoerverdeling tijdens hoogwatersituaties aanpassen om de Lek verder te ontzien
dan al voorgenomen.
- In combinatie met het voorgaande bekijken of een enkele flexibele kering in de Beneden-
Merwede zinvol is in combinatie met extra rivierverruiming langs de Nieuwe Merwede om
het water van de Waal naar de Zuidwestelijke Delta te geleiden.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
51
10.2.4 Open Haringvliet
Een open Haringvliet is aantrekkelijk in een streefbeeld van herstel van estuariene dynamiek
in de Zuidwestelijke Delta. Uit de KKBA blijkt ook dat hiermee natuurwinst is te halen
(alhoewel er ook deels bestaande natuur door verdrinking verloren gaat). In combinatie met
een open Nieuwe Waterweg leidt dit tot hoge kosten, grote overstromingsrisico’s en
verregaande verzilting. Bij een open Nieuwe Waterweg kunnen er mogelijk zelfs slachtoffers
vallen in buitendijkse gebieden (in tegenstelling tot in andere onderzochte hoekpunten).
Ook in combinatie met een volledig gesloten Rijnmondring pakt een open Haringvliet niet
gunstig uit (zie 10.2.3) alhoewel de buitendijkse slachtofferrisico’s en verzilting kunnen
worden beperkt.
Aanbeveling:
Een open Haringvliet zou onderdeel kunnen zijn van mogelijke strategieën mits niet in
combinatie met een gesloten Rijnmondring of een open Nieuwe Waterweg. Maatgevende
waterstanden worden hoe dan ook in een deel van het gebied verhoogd. Aantrekkelijker
daarom lijkt het om te onderzoeken of de gewenste natuurwinst op het Haringvliet/Hollandsch
Diep niet kan worden gehaald met een minder open systeem (bijv. Haringvlietsluizen als
stormvloedkering gebruiken). Let wel: natuurwinst in dit gebied gaat altijd samen met verlies
aan zoetwaterbeschikbaarheid.
10.2.5 Mogelijkheden binnen en buiten de hoekpunten
De onderzochte alternatieve oplossingsrichtingen (hoekpunten) en varianten bestaan
voornamelijk uit maatregelen in het hoofdwatersysteem ter beheersing van
hoogwatersituaties. Hiermee wordt zeker nog niet de volledige oplossingsruimte
weergegeven. Zowel binnen als buiten de scope van de hoekpunten zijn andere mogelijke
maatregelen wellicht aantrekkelijk om verder te onderzoeken. Hierbij enkele suggesties op
basis van de resultaten van de KKBA.
Binnen de scope van de hoekpunten:
- Zoals in 10.2.1 geconstateerd nemen de overstromingsrisico’s bij het doorzetten van de
huidige strategie toe ook als vastgehouden wordt aan de huidige overstromingsnormen.
Interessant zou zijn om te bekijken hoe hoog de kosten zouden oplopen als de norm
wordt aangepast aan het toenemend overstromingsrisico.
- Het afsluiten van de Nieuwe waterweg in combinatie met een vergroot bergingsgebied
leidt tot een reductie van de overstromingsrisico’s zowel binnen- als buitendijks. Het is
daarom interessant om in het verlengde hiervan maatregelen te bekijken die minder
negatieve effecten veroorzaken voor haven en scheepvaart en natuur. Denk daarbij aan
de combinatie van extra waterberging met:
- afsluiten van de Nieuwe Waterweg op een gunstigere locatie;
- een kering in de Nieuwe Waterweg met een kleinere faalkans;
- het verkleinen van het doorstroomprofiel (versmallen en/of verondiepen) van het
oostelijke deel van de Nieuwe Waterweg (waar zeescheepvaart op termijn minder van
belang zal zijn).
- Daarnaast zijn zeker in het rivierengebied nog niet alle waterbeheersingsmaatregelen
goed onderzocht zoals de mogelijkheden voor het sturen van de afvoerverdeling in
hoogwatersituaties ten gunste van de Lek.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
52
Buiten de scope van de onderzochte hoekpunten:
- Maatregelen voor de zoetwatervoorziening anders dan afsluiten van de Nieuwe
Waterweg, zoals keringen, verondiepen, bellenschermen, alternatieve aanvoerroutes en
aanpassingen in de watervraag, etc.
- Maatregelen gericht op gevolgbeperking bij overstromingen zoals deltadijken voor
kwetsbare plekken (zie bijvoorbeeld het MARE-project in Dordrecht, verkenning
deltadijken), risicozonering en adaptief bouwen.
Het verder onderzoeken van mogelijk kansrijke maatregelen zoals hierboven genoemd kan
het deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden niet alleen. Daarvoor is ook inzicht nodig in de
resultaten van de andere deltaprogramma’s zoals Veiligheid (o.a. normen en deltadijken),
Nieuwbouw en Herstructurering (risicozonering, adaptief bouwen), Zoetwatervoorziening
(zoetwaterstrategieën en maatregelen), Rivieren, en Zuidwestelijke Delta (gezamenlijke
deltabeslissing).
10.3 Ten aanzien van het beoordelingskader en onderliggende methoden
Deze verkenning van hoekpunten was een eerste brede exercitie in het definiëren en
vervolgens vergelijken en beoordelen van strategieën. Niet alleen heeft dat inzicht opgeleverd
in welke oplossingsrichting meer en minder goed werken en voor welke doelen, criteria en
locaties, maar ook is ervaring opgedaan met een beoordelingskader en onderliggende
methoden voordat er landelijke kaders (Deltainstrumentarium) of een regionaal
beoordelingskader beschikbaar waren. In deze paragraaf worden enkele belangrijke
aanbevelingen voor verbetering gedaan….
… over het gebruik van de Deltascenario’s:
De klimaatscenario’s geven een goede indruk van de mogelijke bandbreedte van uitkomsten
tot 2100. Voor economische en demografische ontwikkelingen zijn de planbureaus huiverig
om verwachtingen voor na 2040 te verstrekken. In deze studie zijn bij gebrek aan beter de
groeicijfers uit de WLO- scenario’s voor de verschillende sectoren doorgetrokken tot 2100. Dit
leidt in veel gevallen tot onrealistisch hoge schadeposten; dat kan ten koste kan gaan van het
draagvlak voor de analyse. Daarnaast bevatten de scenario’s nog weinig regionale
differentiatie. Voor een vervolg wordt aanbevolen om Deltaprogrammabreed een gedragen
werkwijze voor te stellen voor de ‘downscaling’ naar regio en sector voor de periode tot 2050
en voor het gebruik van sociaal- economische scenario’s na 2050.
…over de kostenschattingen:
De gebruikte methode geeft een goed en ruimtelijk gedifferentieerd beeld van tekorten aan
kruinhoogte, de beschikbare ruimte voor inpassing van dijkversterking, en de kosten. In de
basisgegevens ontbreken gegevens over de sterkte van de dijken en lokatiespecifieke
zetting. C-keringen zijn nog niet in de methode opgenomen. Dit maakt het lastig om voor het
zoeken naar oplossingen belangrijke trajecten als de Hollandsche IJssel, Volkerak-
Zoommeer en Grevelingenmeer, op een zelfde wijze kosten te schatten. Aanbevolen wordt
om bij een vervolg deze tekortkomingen op te lossen.
… over de berekening van de buitendijks overstromingsrisico’s
Zoals benoemd in hoofdstuk 4 levert de toepassing van HIS-SSM voor de buitendijkse
gebieden veel hogere schades op dan in eerdere studies berekend (Veerbeek et al., 2010).
Ook lijken de resultaten niet overeen te komen met eerdere resultaten. Aanbevolen wordt
daarom om de toegepaste methode kritisch te evalueren, oorzaken van te hoge schattingen
te achterhalen, en verbeteringen door te voeren.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
53
… over de negatieve effecten op de zoetwatervoorziening
In het kader van deze KKBA is een eenvoudige methode ontwikkeld gebaseerd op een groot
aantal aannames. De methode is dus niet breed gedragen. Aanbevolen wordt om in het
kader van het Deltaprogramma Zoetwatervoorziening verder te werken aan een gedragen
methode voor het schatten van de mogelijke schades die ontstaan bij het niet meer kunnen
inlaten van voldoende zoetwater.
… over de Haven en Scheepvaart
Wanneer de exponentiële groeicijfers voor de transportsector worden toegepast ontstaan
zeer hoge verwachtte aantallen scheepsbewegingen voor 2050 en 2100. Het lijkt echter niet
realistisch dat de haven en de achterlandverbindingen deze grote aantallen kunnen
verwerken. Dit zal zijn weerslag hebben op de autonome groei van de haven. Ook bij andere
mogelijke uitwijkhavens zullen bereikbaarheids problemen bij te hoge groei een rol gaan
spelen.
Aanbevolen wordt om de scenario’s en beoordelingsmethode voor de haven en scheepvaart
voor een vervolg nog eens kritisch te evalueren en met verbetervoorstellen te komen.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
54
11 Referenties
Beersma, J.J., T.A. Buishand,S. de Goederen en P. Jacobs, Zout, zouter, zoutst, Statistiek van de externe
verzilting in Midden-West Nederland, KNMI publicatie 199-III, 2005
Bruggeman, W., Haasnoot, M., Hommes, S., Linde, A. te, Brugge, R. van der, Rijken, B., Dammers, E.,
Born,G.J. van den, (2011). Deltascenario’s: Verkenning van mogelijke fysieke en sociaaleconomische
ontwikkelingen in de 21ste eeuw op basis van KNMI’06 en WLO-scenario’s, voor gebruik in het
Deltaprogramma 2011 –2012. Deltares/PBL, april 2011.
De Bruijn, K. (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-
Drechtsteden, deelrapport: effecten op de binnendijkse overstromingsrisico’s, Deltares, 2011.
De Bruijn, K. en M. Van der Doef (2011). Gevolgen van overstromingen. Informatie ten behoeve van het
project Waterveiligheid in de 21
ste
eeuw, Deltares, Delft 2011.
Hoogendoorn, R. (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-
Drechtsteden, deelrapport: kosten voor infrastructuur en dijkversterking, Deltares, 2011.
Huizinga, J. (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-
Drechtsteden, deelrapport: effecten op buitendijkse overstromingsrisico’s, HKVlijn in water, 2011.
Huizinga, F. en B. Smid, (2004), Vier vergezichten op Nederland: Productie, arbeid en sectorstructuur in vier
scenario’s tot 2040, CPB Bijzondere publicatie, no. 55.
Jeuken, A., N. Slootjes en N. van Oostrom, (2010). Klimaatbestendigheid en opties voor adaptatie in de regio
Rijnmond-Drechtsteden:Analyse van recente resultaten uit Klimaatbestendig NL Waterland en Kennis voor
klimaat, Deltares/HKV, 2010.
Jonkhof W. en T. Groen (2011). Consequenties van 1e generatie oplossingen voor haven en scheepvaart in
de Rijn-Maasmonding, TNO, 2011
Kind, J., (2011). Maatschappelijke kosten-batenanalyse Waterveiligheid 21
e
eeuw. Deltares, 2011.
Klijn, F., J. ter Maat en E. van Velzen, (2011). ‘Zoetwatervoorziening in Nederland; landelijke analyse van
knelpunten in de 21
e
eeuw’ Deltares, mei 2011.
Kok, M., H.J. Huizinga, A.C.W.M.Vrouwenvelder en W.E.W. van den Braak, (2005). Standaardmethode
2005. Schade en Slachtoffers als gevolg van overstromingen. HKVLIJN IN WATER en TNO Bouw. November
2005.
Koopmans, C., (2004), Heldere presentatie OEI: aanvulling op de leidraad OEI, Ministerie van Verkeer en
Waterstaat, Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
Maarse, M. (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-
Drechtsteden, deelrapport: effecten op natuur, Deltares 2011
Nillesen, A., M. Bos en O. Lagendijk (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in
de regio Rijnmond-Drechtsteden, deelrapport: effecten op ruimtelijke kwaliteit. Defacto/TU-Delft/Deltares,
2011.
Rijk, P., R. Michels, J. van Dijk, (2009). Indicatie van inkomens- en vermogensdervingen van de land- en
tuinbouwsector in de Zuidwestelijke Delta ten gevolge van het niet meer kunnen beregenen door een zout
Volkerak-Zoommeer, Berekeningen op basis van droogteschade (exclusief verziltingschade), LEI, April 2009
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
55
Slootjes N., T. Botterhuis, A. Jeuken en Q. Gao (2011). Resultaten MHW berekeningen t.b.v.
probleemanalyse en verkenning hoekpunten. Voor het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden. Project-
nummer 1202134-016. HKV/Deltares, Delft.
Van Oostrom, N., A. Jeuken, J. van Zetten (2011). Eerste generatie oplossingsrichtingen voor
klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden, deelrapport: effecten op zoetwaterbeschikbaarheid,
Deltares, 2011.
Veerbeek, W., Zevenbergen, C., Gersonius, B., (2010). Flood risk in unembanked areas Part C Vulnerability
assessment based on direct flood damages, Kennis voor Klimaat, 2010.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
56
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
A-1
A Technische bijlage overstromingsrisico’s binnendijks
A.1 Aanpak
De volgende figuur schetst de aanpak van de bepaling van het binnendijkse
overstromingsrisico voor toepassing in de KKBA.
Directe schade in
zichtjaar/
klimaatscenario
Kans=Norm
Aantal getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
Kans = Norm
Aantal slachtoffers
in zichtjaar/
klimaatscenario
Kans = Norm
Opslag ontbrekende
schadeposten
VOE VOSL
Verwachte totale
materiële schade in
zichtjaar/
klimaatscenario
Economische groei:
WLO-scenario’s
= =
+
Verwachte schade
getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
Verwachte schade
doden en gewonden
in zichtjaar/
klimaatscenario
+
=
Verwachte directe
schade in zichtjaar/
klimaatscenario
Verwacht aantal
getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
Verwacht aantal
slachtoffers in
zichtjaar/
klimaatscenario
x x x
Totaal
overstromingsrisico
in zichtjaar/
klimaatscenario
=
x
=
Totaal overstromingsrisico in
zichtjaar/
gecombineerde economische en
klimaatscenario’s
x
=
normkans x
=
normkans x
=
normkans
x x x
Index 2000-2015
(prijspeil en BBP)
Index 2000-2015
(bevolkingsgroei)
Figuur 11.1: Aanpak overstromingsrisico’s binnendijks
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
A-2
A.2 Inputs: overstromingsschade en –slachtoffers
De input voor de bepaling van het buitendijkse overstromingsrisico bestaat uit de resultaten
van de berekening met behulp van HIS-SSM van drie indicatoren van overstromingsschade:
- directe materiële schade (in euro);
- aantal getroffenen;
- aantal dodelijke slachtoffers;
Deze zijn door De Bruijn (2011) achtereenvolgens bepaald voor:
- de zestien dijkring(del-)en die in het studiegebied liggen;
- alle hoekpunten en hun varianten;
- de huidige situatie en twee scenario’s:
- S1: klimaatscenario W+ in 2050; en
- S2: klimaatscenario W+ in 2100;
Deze basisgegevens zijn in bovenstaande figuur door middel van groene rechthoeken
weergegeven.
In alle hoekpunten is verondersteld dat de huidige wettelijke veiligheidsnormen gehandhaafd
blijven en dat de overstromingskans per dijkring(deel) gelijk is aan de wettelijke
overschrijdingskansnorm. Dit betekent dat er verondersteld is dat de dijken versterkt worden
om het effect van de stijgende waterstanden op de overstromingskans te compenseren. Dit
betekent ook dat de overstromingskansen van de dijkringdelen in alle hoekpunten gelijk zijn.
Er zijn wel verschillen tussen de schadebedragen en slachtofferaantallen, omdat in sommige
hoekpunten de maatgevende buitenwaterstanden fors hoger zijn, waardoor de schade in
geval van een overstroming groter is.
3
In deze rekenstap is voor alle scenario’s uitgegaan van de verwachte bevolking, de
economische activiteit en het prijspeil in het jaar 2000, het basisjaar van HIS-SSM. De impact
van prijsinflatie tot 2011, economische en bevolkingsgroei zijn in latere stappen in rekening
gebracht.
Op de schadebedragen en slachtofferaantallen moeten verschillende bewerkingen uitgevoerd
worden vooraleer ze in de KKBA gebruikt kunnen worden. Deze bewerkingen worden in de
volgende paragrafen toegelicht.
A.3 Bepaling van de verwachte schade en slachtoffers
De eerste bewerking is de berekening van het jaarlijks overstromingsrisico, d.w.z. de
verwachte overstromingsschade per jaar. Deze is eenvoudigweg gelijk aan de
overstromingsschade maal de overstromingskans (d.w.z. de normkans van de waterkering).
De verwachte aantallen getroffenen en slachtoffers worden op dezelfde wijze berekend.
A.4 Indexering van de risicobedragen naar hun waarden in 2015
De bedragen van de overstromingsschade en van het aantal slachtoffers die de input voor de
berekening van het overstromingsrisico vormen, gaan uit van de economische situatie, het
prijspeil en het bevolkingsaantal in 2000.
3
Als gevolg van de veronderstelling dat de overstromingskansen constant gehouden worden op het niveau van de
bestaande normen, komen de verschillen tussen de hoekpunten minder tot uiting in het binnendijkse
overstromingsrisico dan in de kosten van de dijkversterking die nodig is om de veiligheidsnormen te behouden. Die
kosten zijn hoger naarmate de maatgevende buitenwaterstanden hoger zijn.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
A-3
De KKBA is uitgevoerd met het prijspeil van 2011 en het eerste zichtjaar is 2015. De
inputgegevens voor de schade en de slachtofferaantallen moeten dus geïndexeerd worden
naar hun waarden in 2015 (met prijspeil 2011 voor de schade). De daarvoor gehanteerde
indexeringsfactoren zijn in de onderstaande tabel gepresenteerd.
Tabel 11.1: Indexering 2000-2015
Schade-indicator Periode
Basis voor
indexering
Indexerings-
factor
Bron
Directe materiële
schade
2000-2011 Groei nominaal
BBP
4
Nederland
1,46 (2000=1) CBS (2000-2009) en CPB,
Centraal Economisch Plan
2011 (2010-2011)
2011-2015 Groei reëel BBP
Nederland
1,05 (2011=1) CPB, Actualisatie
Economische Verkenning
2011-2015
Aantal getroffenen
en aantal
slachtoffers
2000-2015 Bevolkingsgroei
Nederland
1,06 (2000=1) CBS (historische
bevolkingsgegevens en
prognoses)
A.5 Opslag ontbrekende schadeposten
Het materiële schaderisico wordt verhoogd met 60%. Deze opslag dient om rekening te
houden met schadeposten die niet of onvoldoende in de bepaling van de materiële
overstromingsschade meegenomen zijn. Het betreft onder meer:
- indirecte economische schade;
- kosten van hulpverlening, evacuatie, opruiming en nazorg;
- een opslag vanwege risicoaversie.
Deze opslag is in overeenstemming met de rekenmethode die in de kosten-batenanalyse
Waterveiligheid 21
e
eeuw (KBA WV21) gehanteerd is (Kind, 2011). Een nadere
onderbouwing van het opslagpercentage kan in het rapport van de KBA WV21 gevonden
worden.
A.6 Waardering van het slachtofferrisico
Het slachtoffergerelateerde risico wordt berekend door de verwachte aantallen getroffenen en
dodelijke slachtoffers te vermenigvuldigen met kengetallen die de gemiddelde schade per
getroffene of per dodelijk slachtoffer weergeven. Er worden twee kengetallen gebruikt:
- Het kengetal VOE (Value of Evacuation) is gelijk aan 12.000 euro en wordt
vermenigvuldigd met het aantal getroffenen. Het omvat naast de persoonlijke kosten van
evacuaties (ongemak, inkomensverlies,…) ook de immateriële schade aan de bezittingen
van de getroffenen (verlies van onvervangbare bezittingen zoals souvenirs).
- Het kengetal VOSL (Value of a Statistical Life) is gelijk aan 6,7 miljoen euro en wordt
vermenigvuldigd met het aantal dodelijke slachtoffers. Het omvat de persoonlijke schade
van zowel dodelijke slachtoffers als gewonden.
Deze kengetallen zijn gelijk aan diegene die in de KBA WV21 gehanteerd zijn. Een nadere
beschrijving en onderbouwing ervan kunnen in het rapport van de KBA WV21 gevonden
worden.
4
Bruto Binnenlands Product
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
A-4
A.7 Economische en bevolkingsgroei
De bedragen van de overstromingsschade en van het aantal slachtoffers bij verschillende
herhalingstijden die de input voor de berekening van het overstromingsrisico vormen, gaan uit
van de economische situatie en het bevolkingsaantal in 2015. Deze bedragen moeten
aangepast worden aan de economische en de bevolkingsgroei tussen 2015 en de zichtjaren
van de KKBA (2050 en 2100).
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de gemiddelde reële groeivoeten van het bruto
binnenlands product van Nederland in de langetermijnscenario’s die in het kader van de
studie ‘Welvaart en Leefomgeving’ (WLO) opgesteld zijn voor het Regional Communities
(RC) en Global Europe (GE) scenario (Huizinga en Smid, 2004).
De materiële overstromingsschade hangt af van het niveau van de economische activiteit.
Het is dus logisch om de toekomstige evolutie van deze schade aan de groei van het BBP te
koppelen.
Maar ook het slachtoffergerelateerde risico volgt de groei van het reële BBP. Het exacte
verband tussen immateriële schade van getroffenen en slachtoffers en het inkomenspeil is
niet goed bekend. Een redelijke aanname is dat de waarde van de immateriële schade per
slachtoffer proportioneel stijgt met het gemiddelde inkomen of het BBP per hoofd van de
bevolking (hoe hoger het inkomen, hoe hoger de waarde die aan de persoonlijke veiligheid
gehecht wordt). Aangezien het aantal verwachte slachtoffers in geval van overstroming
(ongeveer) groeit in proportie met de bevolking, groeit de totale slachtoffergerelateerde
schade aan het ritme van het BBP.
De werkwijze waarop economische en bevolkingsgroei in de KKBA in rekening gebracht zijn
is dezelfde als in de KBA WV21. De keuze van de scenario’s is licht verschillend. In de KBA
WV21 is de BBP-groei van een middenscenario gehanteerd (Transatlantic Market). De
impact van alternatieve groeiscenario’s zijn in een gevoeligheidsanalyse bestudeerd. In de
KKBA Rijnmond-Drechtsteden zijn voor elk hoekpunt de twee uiterste groeiscenario’s
doorgerekend: Regional Communities en Global Economy.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
B-1
B Technische bijlage overstromingsrisico buitendijks
B.1 Aanpak
De volgende figuur schetst de aanpak van de bepaling van het buitendijkse
overstromingsrisico.
De aanpak is grotendeels dezelfde als die van de bepaling van het binnendijkse
overstromingsrisico. Enkel de inputgegevens en de eerste bewerkingsstap (berekening van
het risico) zijn verschillend en worden hier verder uiteengezet. Voor de beschrijving van de
overige bewerkingen wordt naar de vorige paragraaf over het binnendijkse
overstromingsrisico verwezen.
Directe schade in
zichtjaar/
klimaatscenario
10j/100j/1000j
Aantal getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
10j/100j/1000 j
Aantal slachtoffers
in zichtjaar/
klimaatscenario
10j/100j/1000j
Opslag ontbrekende
schadeposten
VOE VOSL
Verwachte totale
materiële schade in
zichtjaar/
klimaatscenario
Economische groei:
WLO-scenario’s
= =
+
Verwachte schade
getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
Verwachte schade
doden en gewonden
in zichtjaar/
klimaatscenario
+
=
Verwachte directe
schade in zichtjaar/
klimaatscenario
Verwacht aantal
getroffenen in
zichtjaar/
klimaatscenario
Verwacht aantal
slachtoffers in
zichtjaar/
klimaatscenario
x x x
Totaal
overstromingsrisico
in zichtjaar/
klimaatscenario
=
x
=
Totaal overstromingsrisico in
zichtjaar/
gecombineerde economische en
klimaatscenario’s
x x x
Index 2000-2015
(prijspeil en BBP)
Index 2000-2015
(bevolkingsgroei)
Gewogen som Gewogen som
Figuur 11.2: Aanpak overstromingsrisico’s buitendijks
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
B-2
B.2 Inputs: overstromingsschade en –slachtoffers voor drie herhalingstijden
De input voor de bepaling van het buitendijkse overstromingsrisico bestaat uit de resultaten
van de berekening door Huizinga (2011) van drie indicatoren van overstromingsschade:
- directe materiële schade (in euro);
- aantal getroffenen;
- aantal dodelijke slachtoffers;
voor:
- overstromingen met drie herhalingstijden (10 jaar, 100 jaar en 1000 jaar);
- het totale studiegebied en vijf deelgebieden;
5
- huidige situatie en twee scenario’s:
- S1: klimaatscenario W+ in 2050; en
- S2: klimaatscenario W+ in 2100.
Deze inputs zijn in de bovenstaande figuur met groene rechthoeken voorgesteld.
In deze rekenstap is voor alle scenario’s uitgegaan van de verwachte bevolking, de
economische activiteit en het prijspeil in het jaar 2000, het basisjaar van HIS-SSM. De impact
van prijsinflatie tot 2011, economische en bevolkingsgroei zijn in latere stappen in rekening
gebracht.
B.3 Bepaling van de verwachte schade en slachtoffers
In het geval van buitendijkse gebieden is de bepaling van het overstromingsrisico iets
complexer dan bij binnendijkse gebieden. In buitendijkse gebieden is er geen waterkering. Bij
elke hoogwatersituatie (door stormtij of hoge rivierafvoer) treden er overstromingen en
schade op. Naarmate de waterstanden hoger zijn, is de schade groter. Om de verwachte
schade te bepalen, moet de schade bij overstromingen met verschillende herhalingstijden,
gewogen met hun kans, opgeteld worden.
Er zijn inputgegevens over schade en slachtoffers beschikbaar voor herhalingstijden 10 jaar,
100 jaar en 1000 jaar. De onderstaande tabel toont de gewichten waarmee de inputgegevens
vermenigvuldigd zijn om de verwachte schade en de verwachte slachtofferaantallen te
berekenen. De afleiding van deze gewichten is toegelicht in bijlage D.
Tabel 11.2: Gewichten voor bepaling van risico
Herhalingstijd Gewicht
10 jaar 0,045
100 jaar 0,0495
1000 jaar 0,0055
5
Zie de resultaten voor een lijst van de deelgebieden.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
C-1
C Zoetwatertekort
C.1 Aanpak
De volgende figuur schetst de aanpak van de bepaling van de schade van zoetwatertekorten.
Directe schade
in 3 scenario’s
1j/10j/100j
Economische groei:
WLO-scenario’s
Verwachte
directe schade
in 3 scenario’s
=
Verwachte schade in zichtjaar/
gecombineerde economische en
klimaatscenario’s
Gewogen som
Zoetwatertekort
in 3 scenario’s
1j/10j/100j
Verwacht
zoetwatertekort
in 3 scenario’s
x
Opslag
indirecte schade en
prijseffecten
=
Verwachte
totale schade
in 3 scenario’s
x
Figuur 11.3: Aanpak overstromingsrisico’s zoetwatertekorten
C.2 Inputs: directe schade voor drie herhalingstijden
De input voor de bepaling van de schade van zoetwatertekorten bestaat uit de resultaten van
de berekening (op basis van de NHI- en SOBEK-modellen) van twee indicatoren van
overstromingsschade (zie Van Oostrom et. al., 2011):
- volume van het zoetwatertekort (in m³);
- directe materiële schade (in euro per m³).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
C-2
voor:
- drie herhalingstijden (1 jaar, 10 jaar en 100 jaar);
- drie innamepunten (Gouda, Middelharnis en Bernisse) en zes deelgebieden die door
deze innamepunten bevoorraad worden;
6
- huidige situatie en twee scenario’s:
- klimaatscenario G / landgebruik in economisch scenario ‘Global Economy’ in 2050
(voor 2100 gelijk gesteld aan 2050);
- klimaatscenario W+ landgebruik in economisch scenario ‘Regional Communities’ in
2050 (voor 2100 gelijk gesteld aan 2050).
Deze inputs zijn in de bovenstaande figuur met groene rechthoeken voorgesteld.
In de scenario’s is rekening gehouden met de effecten van de klimaatsverandering en met de
verwachte wijzigingen van het landgebruik tot 2050. De bepaling van de watervraag per
hectare is echter gebaseerd op de huidige technologie en opbrengstniveaus. De impact van
productie- en productiviteitsgroei is in een latere rekenstap in rekening gebracht.
Ten gevolge van de klimaatsverandering zal de zoutconcentratie in het riviersysteem
gemiddeld toenemen. Daardoor verhoogt het zoutgehalte aan de inlaatpunten van zoetwater,
waardoor dit water niet langer voor verbruik door de afnemers geschikt is. Er ontstaan dan
watertekorten (met productieschade tot gevolg), of er moeten extra kosten gemaakt worden
om toch water van voldoende kwaliteit te verkrijgen (ontzilting, aanvoer van water uit verder
gelegen inlaatpunten,…). De toename van het zoutgehalte varieert naargelang het hoekpunt,
zodat ook de schade en kosten van watertekorten tussen de hoekpunten verschillen.
Ten behoeve van de KKBA is uitgegaan van een vereenvoudigde effectenketen om de
schade en kosten van een verhoging van het zoutgehalte te bepalen. Daarbij zijn twee
groepen van activiteiten onderscheiden:
- Industriewater en glastuinbouw. Er is verondersteld dat het benodigde water steeds
ingenomen wordt. Indien het zoutgehalte te hoog is, wordt het water ontzilt. De schade is
bijgevolg gelijk aan de ontziltingskosten;
- Grondgebonden akker- en tuinbouw. In perioden dat de zoutconcentratie aan het
inlaatpunt te hoog is, kan geen water ingelaten worden. Er ontstaat een watertekort met
een negatieve effect op de opbrengst. De schade is bijgevolg gelijk aan de omzetwaarde
van de gederfde opbrengst.
7
C.3 Bepalingvan het jaarlijks verwachte zoetwatertekort
Om het jaarlijks verwachte zoetwatertekort (en daarmee gepaard gaande schade) te bepalen,
moeten de zoetwatertekorten met verschillende herhalingstijden, gewogen met hun kans,
opgeteld worden.
Er zijn basisgegevens over het zoetwatertekort beschikbaar voor herhalingstijden 1 jaar, 10
jaar en 100 jaar. De onderstaande tabel toont de gewichten waarmee de inputgegevens
vermenigvuldigd zijn om de verwachte schade en de verwachte slachtofferaantallen te
berekenen. De berekening van het jaarlijks verwachte zoetwatertekort gebeurt op dezelfde
wijze als de berekening van het buitendijkse overstromingsrisico (zie bijlage A), met dit
verschil dat er van het zoetwatertekort slechts schadegegevens voor 3 herhalingstijden
beschikbaar zijn: 1 jaar, 10 jaar en 100 jaar.
6
Zie de resultaten voor een lijst van de deelgebieden.
7
Er is verondersteld dat de teeltkosten niet beïnvloed worden.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
C-3
Tabel 11.3: Gewichten voor de bepaling van het verwachte zoetwatertekort per jaar
Herhalingstijd Gewicht
1 jaar 0,45
10 jaar 0,495
100 jaar 0,055
C.4 Opslagpercentage voor indirecte schade en prijseffecten
De directe opbrengstverliezen van de teelten veroorzaken een verlies aan toegevoegde
waarde bij de bedrijven die deze teelten verwerken. De indirecte schade wordt geraamd op
40% van de directe opbrengstverliezen (zie onderstaande tabel voor de afleiding van dit
percentage).
Tabel 11.4: Gewichten voor de bepaling van het verwachte zoetwatertekort per jaar
Parameter Waarde Bron
Omzet / bruto toegevoegde waarde in de
grondgebonden akker en tuinbouw
1/4 Binternet
Toegevoegde waarde in agrocomplex /
toegevoegde waarde in primaire landbouwsector
2,5 Silvis en Leenstra (2009)
8
Opslagpercentage indirecte schade
(% van directe schade)
40% 1/4 * (2,5 – 1) = 37,5%
(afgerond 40%)
Dit opslagpercentage is enkel toegepast op de schade in de grondgebonden akker- en
tuinbouw. Voor de andere watervragende activiteiten (industrie en glastuinbouw) is immers
verondersteld dat de zoetwatertekorten door ontzilting opgevangen worden, zodat er geen
productieverlies optreedt.
In de KKBA is de directe schade door zoetwatertekort bij de grondgebonden akker- en
tuinbouw bepaald op basis van het opbrengstverlies vermenigvuldigd met de verkoopprijs,
waarbij de verkoopprijs constant gehouden is. In de werkelijkheid zal een significante daling
van het productievolume prijsstijgingen kunnen veroorzaken. Daardoor is de schade niet
eenvoudigweg gelijk aan het opbrengstverlies vermenigvuldigd met de verkoopprijs. De
mogelijke impact van deze prijseffecten is besproken in bijlage B. Op basis van die analyse is
besloten om in de KKBA geen extra opslagpercentage voor prijseffecten te voorzien.
C.5 Economische groei
De schade van de zoetwatertekorten bij verschillende herhalingstijden die de input voor de
berekening van de verwachte zoetwaterschade vormen, gaan uit van het toekomstige
landgebruik en klimaat, maar van de huidige economische waarde per ha. Deze bedragen
moeten aangepast worden aan de economische groei tussen 2011 en de zichtjaren van de
KKBA (2015, 2050 en 2100). De daarvoor gebruikte groeipercentages worden in de
onderstaande tabel getoond.
8
Silvis en Leenstra (2009) ramen de bruto toegevoegde waarde van het totale Nederlandse agrocomplex in 2006 op
9,3 procent van de totale economie. Activiteiten die met de verwerking, toelevering en distributie van binnenlandse
agrarische grondstoffen te maken heeft, vertegenwoordigen daarvan 55%, of ongeveer 5% van de nationale
economie. De primaire landbouwsector vertegenwoordigde in dat jaar ongeveer 2% van het Nederlandse BBP. De
verhouding tussen beide is gelijk aan 2,5.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
C-4
Tabel 11.5: Economische groei (% per jaar)
2015-2100
Schadecategorie 2011-2015
Regional
Communities
Global
Economy
Landbouw 0% +0,5% +1%
Industrie 0% -0,5% +0,7%
Tussen 2011 en 2015 wordt gezien de korte periode geen groei in rekening gebracht.
De schade aan de landbouw wordt geïndexeerd met de gemiddelde stijging van de opbrengst
per ha in de WLO-scenario’s: +0,5% per jaar in het ‘Regional Communities’ scenario en +1%
in het ‘Global Economy’ scenario.
9
De schade aan de industrie wordt geïndexeerd op basis van de groei van de ruimtevraag
naar zeehaventerreinen in de periode 2020-2040 in het ‘Regional Communities’ scenario
(÷9%) het ‘Global Economy’ scenario (+14%), waarbij de vooropgestelde groei over 20 jaar in
een gemiddelde jaarlijks stijgingspercentage omgezet is.
10
9
Bron: WLO Achtergrondrapport Landbouw. Door deze aanpak is impliciet verondersteld dat de opbrengststijging
geen impact op de watervraag heeft. Indien dit laatste het geval is, moet de economische groei via de impact op de
watervraag in rekening gebracht worden. Dit zal leiden tot hogere ramingen van de zoetwatertekorten.
10
Bron: WLO Achtergrondrapport Werken. Hierbij is verondersteld dat de watervraag voor de industrie direct aan de
evolutie van het areaal zeehaventerreinen gerelateerd is. Om modeltechnische redenen is de verwachte evolutie
van de watervraag niet direct in de evolutie van het vraagvolume (m³) verwerkt, maar in de evolutie van het
schadebedrag per m³.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
D-1
D Berekening van het buitendijkse overstromingsrisico
De blauwe curve toont het verband tussen de jaarlijkse waarschijnlijkheid (d.w.z. inverse van
de herhalingstijd in jaren) van overstromingen en de overstromingsschade. Stormen met een
lagere waarschijnlijkheid (grotere herhalingstijd) veroorzaken een grotere schade. Op de
curve zijn tien discrete punten aangeduid, overeenstemmende met herhalingstijden van 1 tot
en met 10 jaar, maar de curve is continu. Bijvoorbeeld, punt H4 vertegenwoordigt een
overstroming met een herhalingstijd van 4 jaar. Ze heeft een jaarlijkse waarschijnlijkheid van
0,25 (op Y-as) en veroorzaakt een schade van 17 (op X-as).
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,9
1,0
0 20 40 60 80 100 120 140
W
a
a
r
s
c
h
i
j
n
l
i
j
k
h
e
i
d
Schade
H1
H2
H3
H4
H5
H6
H7
H8
H9
H10
Figuur D.1
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
D-2
De verwachte schade is gelijk aan de lichtblauwgekleurde oppervlakte onder de curve. Deze
oppervlakte stemt overeen met de op basis van waarschijnlijkheid gewogen som (of eigenlijk
integraal, aangezien de curve continu is) van alle overstromingen:
( ) dp V p S
p
p
)
=
=
1
0
waarin:
11
S = verwachte overstromingsschade of overstromingsrisico (jaarlijks);
p = jaarlijkse waarschijnlijkheid van een overstroming (inverse van de herhalingstijd in
jaren);
V
p
= gemiddelde schade van een overstroming met jaarlijkse waarschijnlijkheid p (en
herhalingstijd van 1/p jaar).
In de praktijk wordt de overstromingsschade slechts voor enkele herhalingstijden berekend.
Veronderstel bijvoorbeeld dat de gemiddelde schade geraamd is voor overstromingen met
een herhalingstijd van 1, 2, 5 en 10 jaar (aangeduid met rode vierkanten in de bovenstaande
figuur). Om de verwachte overstromingschade (de bovenstaande integraal) te kunnen
bepalen, moet de schade voor alle ontbrekende herhalingstijden geïnterpoleerd of
geëxtrapoleerd worden.
Er zijn verschillende interpolatiemethoden. Een eerste methode is ‘getrapte’ interpolatie.
Hierbij is verondersteld dat de schade van alle overstromingen tussen twee gekende
herhalingstijden gelijk is aan de schade van de kleinste herhalingstijden. Dit resulteert in
geval van het bovenstaande voorbeeld in de volgende formule voor het overstromingsrisico:
10 / 1 5 / 1 2 / 1 1
10
1
10
1
5
1
5
1
2
1
2
1
1 V V V V S
|
.
|

\
|
+
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ =
Het overstromingsrisico bepaald met de ‘getrapte’ formule is gelijk aan de lichtblauw
gekleurde oppervlakte in de onderstaande figuur.
11
Dezelfde notatieconventies worden gebruikt als in de kosten-batenanalyse van Waterveiligheid 21
e
eeuw (WV21),
waarbij V staat voor schade en S voor verwachte schade (risico).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
D-3
0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,9
1
0 20 40 60 80 100 120 140
W
a
a
r
s
c
h
i
j
n
l
i
j
k
h
e
i
d
Schade
Figuur D.2
De ‘getrapte’ formule blijft volledig onder de blauwe curve en leidt dus steeds tot een
onderschatting van het overstromingsrisico.
Bovendien wordt verondersteld dat alle overstromingen met een herhalingstijd groter dan de
grootste gekende herhalingstijd een schade veroorzaken gelijk aan die van de grootste
gekende herhalingstijd. Er wordt dus geen rekening gehouden met de nog grotere schade
van minder waarschijnlijke overstromingen. Dit is overigens ook zo bij de andere formules die
hieronder nog besproken zijn. Maar indien de grootste herhalingstijd voldoende groot is
(bijvoorbeeld 1000 jaar), dan wordt hiermee geen grote fout gemaakt. De waarschijnlijkheid
van nog grotere overstromingen en hun bijdrage tot het overstromingsrisico is dan zeer klein.
Een tweede methode is ‘lineaire’ interpolatie. Hierbij is verondersteld dat de schade van alle
overstromingen tussen twee gekende herhalingstijden gelijk is aan het gemiddelde van de
schade van beide herhalingstijden. Dit resulteert in geval van het bovenstaande voorbeeld in
de volgende formule voor het overstromingsrisico:
10 / 1
10 / 1 5 / 1 5 / 1 2 / 1 2 / 1 1
10
1
2 10
1
5
1
2 5
1
2
1
2 2
1
1 V
V V V V V V
S
|
.
|

\
|
+ |
.
|

\
|
+

|
.
|

\
|
÷ + |
.
|

\
|
+

|
.
|

\
|
÷ + |
.
|

\
|
+

|
.
|

\
|
÷ =
Het overstromingsrisico bepaald met de ‘lineaire’ formule is gelijk aan de lichtblauw gekleurde
oppervlakte in de onderstaande figuur.
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
D-4
0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,9
1
0 20 40 60 80 100 120 140
W
a
a
r
s
c
h
i
j
n
l
i
j
k
h
e
i
d
Schade
Figuur D.3
Indien de blauwe curve convex is (d.w.z. dat de schade van overstromingen met een grotere
herhalingstijd meer dan proportioneel toeneemt), ligt de ‘lineaire’ formule boven de blauwe
curve en wordt het overstromingsrisico overschat.
Het Waterbouwkundig Laboratorium van de Vlaamse overheid gebruikt een combinatie van
de ‘getrapte’ en de ‘lineaire’ formule.
12
Het startpunt van deze formule is een getrapte
interpolatie tussen alle discrete herhalingstijden:
10 / 1 9 / 1 8 / 1 7 / 1 6 / 1
5 / 1 4 / 1 3 / 1 2 / 1 1
10
1
10
1
9
1
9
1
8
1
8
1
7
1
7
1
6
1
6
1
5
1
5
1
4
1
4
1
3
1
3
1
2
1
2
1
1
V V V V V
V V V V V S

|
.
|

\
|
+
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +

|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ +
|
.
|

\
|
÷ =
Vervolgens worden de ontbrekende, discrete herhalingstijden door middel van lineaire
interpolatie bepaald op basis van de gekende discrete herhalingstijden. In het voorbeeld
ontbreken de herhalingstijden van 3 en 4 jaar (tussen 2 en 5 jaar). De schade voor deze
herhalingstijden wordt als volgt bepaald:
( )
2 / 1 5 / 1 2 / 1 3 / 1
2 5
1
V V V V ÷
÷
+ =
( )
2 / 1 5 / 1 2 / 1 4 / 1
2 5
2
V V V V ÷
÷
+ =
12
Vanneuville e.a (2002).
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
D-5
Op dezelfde wijze worden de schadebedragen voor de ontbrekende herhalingstijden tussen 5
en 10 jaar bepaald. Na vereenvoudiging wordt de volgende formule verkregen:
( ) ( ) ( )
5 / 1 10 / 1 2 / 1 5 / 1 1 2 / 1 1
5 10
10
1
9
1
8
1
7
1
6
1
2 5
5
1
4
1
3
1
2
1
V V V V V V V S ÷
÷
+ + + +
+ ÷
÷
+ +
+ ÷ + =
Het overstromingsrisico bepaald met de ‘getrapt/lineaire’ formule is gelijk aan de lichtblauw
gekleurde oppervlakte in de onderstaande figuur.
0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,9
1
0 20 40 60 80 100 120 140
W
a
a
r
s
c
h
i
j
n
l
i
j
k
h
e
i
d
Schade
Figuur D.4
De ‘getrapt/lineaire’ formule heeft meer stappen en sluit daardoor nauwer aan bij de
werkelijke schadecurve (blauwe curve).
In de uitgevoerde KKBA zijn er inputgegevens beschikbaar voor herhalingstijden 10 jaar, 100
jaar en 1000 jaar. Er is verondersteld dat de schade bij herhalingstijd 1 jaar gelijk aan nul is,
zodat er vier herhalingstijden gekend zijn.
De gewichten volgens de drie formules worden in de onderstaande tabel weergegeven.
Tabel D.1: Gewichten voor berekening van overstromingsrisico
Schadepunt Getrapt Lineair Getrapt/lineair
V1 0,9 0,45 0,7857
V1/10 0,09 0,495 0,1892
V1/100 0,009 0,0495 0,0225
V1/1000 0,001 0,0055 0,0026
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
D-6
Om de verschillende formules te vergelijken is het overstromingsrisico voor alle hoekpunten
in klimaatscenario W+ in het zichtjaar 2100 berekend. De resultaten van de oefening zijn in
de volgende tabel gepresenteerd.
Tabel D.2: Overstromingsrisico (miljoen euro, huidig prijspeil)
Hoekpunt (klimaatscenario W+ 2100) Getrapt Lineair Getrapt/lineair
Verbeterd afsluitbaar zee 58 318 124
Afsluitbaar zee en rivier 58 320 126
Gesloten zee en open rivier 29 158 62
Gesloten zee en rivier 37 205 81
Open 241 1.323 525
Zoals verwacht produceert de getrapte formule de laagste uitkomst, de lineaire formule de
hoogste en zit de getrapt/lineaire formule daar tussenin. De verschillen tussen de formules
zijn echter aanzienlijk.
Voor de rangschikking van de hoekpunten voor het criterium buitendijks overstromingsrisico
maakt de keuze van interpolatieformule geen verschil uit (zie onderstaande tabel). Maar voor
het optellen van het buitendijkse overstromingsrisico met andere effecten is het absolute
bedrag van het overstromingsrisico wel van groot belang.
13
Tabel D.3: Overstromingsrisico (hoekpunt ‘verbeterd afsluitbaar zee’ = 1)
Hoekpunt (klimaatscenario W+ 2100) Getrapt Lineair Getrapt/lineair
Verbeterd afsluitbaar zee 1,00 1,00 1,00
Afsluitbaar zee en rivier 1,01 1,01 1,01
Gesloten zee en open rivier 0,50 0,50 0,50
Gesloten zee en rivier 0,64 0,64 0,65
Open 4,17 4,17 4,22
De grote verschillen tussen de formules worden vooral verklaard door de wijze waarop de
overstromingen met herhalingstijden tussen 1 en 10 jaar behandeld worden. In de getrapte
formule is verondersteld dat al deze overstromingen een schade van nul hebben. In de
lineaire formule hebben deze overstromingen een gemiddelde schade gelijk aan de helft van
de schade bij een herhalingstijd van 10 jaar. Deze kleinere overstromingen dragen door hun
grotere frequentie in belangrijke mate bij tot het totale overstromingsrisico.
13
Deze conclusie moet echter op een belangrijk punt genuanceerd worden. Het is mogelijk dat de formule die het
dichtste bij de werkelijke, onbekende schadecurve aansluit, verschilt naargelang het hoekpunt. Bijvoorbeeld: voor
hoekpunt “verbeterd afsluitbaar zee” levert de lineaire formule de meest nauwkeurige raming van het schaderisico,
maar voor hoekpunt “open” vormt de getrapte formule de beste benadering. In dat geval heeft een vergelijking per
interpolatieformule zoals in de tabel geen zin, en is betrouwbare informatie over het absolute bedrag van het risico
noodzakelijk voor een correcte rangschikking van de hoekpunten.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
D-7
In de onderstaande figuur zijn de lineair geïnterpoleerde schadecurven van de hoekpunten in
klimaatscenario W+ in het zichtjaar 2100 getoond. Uit de figuur blijkt dat de driehoeken onder
de curven tussen de herhalingstijden 1 jaar (kans van 1) en 10 jaar (kans 1/10) een grote
oppervlakte vertegenwoordigen.
0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
0,9
1
0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 7000 8000
J
a
a
r
l
i
j
k
s
e
w
a
a
r
s
c
h
i
j
n
l
i
j
k
h
e
i
d
Schade (miljoen euro)
Verbeterd afsluitbaar zee
Afsluitbaar zee en rivier
Gesloten zee en rivier
Gesloten zee en open rivier
Open
Figuur D.5
Volgens de getrapte formule wordt niets van deze driehoek bij het overstromingsrisico
gerekend. Volgens de lineaire formule behoort de volledige driehoek tot het
overstromingsrisico. De getrapt/lineaire formule omvat een deel van de driehoek. Welke
formule de meest juiste raming van het overstromingsrisico hangt af van het verloop van de
werkelijke schadecurve. Om deze te bepalen is er meer informatie nodig over de schade van
overstromingen met kleine herhalingstijden (tussen 1 en 10 jaar).
Experten terzake van HKV en Deltares stellen dat de schade van alle overstromingen met
een herhalingstijd kleiner dan 10 jaar insignificant is. Indien verondersteld wordt dat deze
schade gelijk aan nul is, dan zijn de gewichten voor de berekening van het
overstromingsrisico zoals getoond in de onderstaande tabel.
Tabel D.4: Gewichten voor berekening van overstromingsrisico
Schadepunt Getrapt Lineair Getrapt/lineair
V1 0 0 0
V1/10 0,09 0,045 0,0749
V1/100 0,009 0,0495 0,0225
V1/1000 0,001 0,0055 0,0026
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
D-8
De verschillen tussen de interpolatieformules zijn dan veel kleiner, zoals uit de onderstaande
tabel blijkt.
Tabel D.5: Overstromingsrisico (miljoen euro, huidig prijspeil)
Hoekpunt (klimaatscenario W+ 2100) Getrapt Lineair Getrapt/lineair
Verbeterd afsluitbaar zee 58 65 60
Afsluitbaar zee en rivier 58 67 61
Gesloten zee en open rivier 29 37 31
Gesloten zee en rivier 37 57 44
Open 241 349 277
In de KKBA is de lineaire formule gehanteerd zonder schade onder een herhalingstijd van 10
jaar. Deze formule is ook bij eerdere onderzoeken over overstromingsrisico’s toegepast.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
E-1
E Waardering van productieverliezen
De waardering van productieverliezen wordt in de onderstaande figuur weergegeven.
Q
n
P
n
Q
P
Q
t
P
t
Q
P
-B
-A
Q
n
P
n
Q
P
Q
t
P
t
Normaal jaar Jaar met watertekort Welvaartsverlies
door watertekort
Figuur E.1
In alle grafieken geldt:
Q = productievolume van een bepaalde teelt (d.w.z. oogst in tonnen of aantal eenheden);
P = prijs per ton of per eenheid betaald aan de landbouwer, verminderd met de
oogstkosten.
De schuine curve geeft de vraag naar het landbouwproduct weer. Hoe lager de prijs, hoe
groter de vraag.
Er is verondersteld dat op het oogsten na alle productiekosten (zaaien, bemesten,…) al
gemaakt zijn. De economische waarde van de teelt is dan gelijk aan de oppervlakte onder de
vraagcurve (lichtgrijs gekleurd in de bovenstaande figuur). Deze economische waarde
bestaat uit twee delen:
- de opbrengsten voor de landbouwer (P x Q);
- het consumentensurplus voor de verbruikers (gelijk aan de oppervlakte van de
driehoek tussen vraagcurve en de prijs P).
In een ‘normaal’ jaar (met normale zoetwatervoorziening) is het productievolume gelijk aan
Q
n
met resulterende prijs P
n
. In een jaar met een watertekort valt het productievolume terug
tot Q
t
. Door de schaarste stijgt de prijs tot P
t
. De impact van het watertekort op de
economische waarde van de teelt is gelijk aan het verschil van de grijsgekleurde
oppervlakten onder de vraagcurven. Dit verschil is weergegeven in het rechterpaneel van de
figuur.
Het verlies van economische waarde ten gevolge van een zoetwatertekort is ongelijk
verdeeld over de producenten en de consumenten (zie onderstaande figuur).
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
E-2
+C -C
-A
Q
n
P
n
Q
P
Q
t
P
t
-B
Q
n
Q
P
Q
t
Welvaartsverlies
consumenten
Welvaartsverlies
producenten
Figuur E.2
De consumenten verliezen een economische waarde gelijk aan de oppervlakten van A en C.
De producenten verliezen B (ten gevolge van de kleinere oogst), maar winnen C (ten gevolge
van prijsstijging). Indien de prijs proportioneel meer stijgt dan het productievolume daalt, dan
stijgen de inkomsten voor de landbouwers in een jaar met watertekorten. Met andere
woorden: de landbouwers zijn ‘beter’ af in een ‘slecht’ jaar.
De impact voor Nederland hangt af van de nationaliteit van de consumenten. Indien de
consumenten allemaal in Nederland wonen, dan is de impact voor Nederland gelijk –A–B.
Indien de consumenten allemaal in het buitenland wonen, dan is de impact voor Nederland
gelijk aan –B+C (en is deze bij een voldoende sterke prijsstijging zelfs positief).
In de KKBA is de directe schade van de zoetwatertekorten berekend als de oppervlakte van -
B (d.w.z. de waarde van het productieverlies bij gelijkblijvende prijzen). De vraag stelt zich
dan in welke mate deze raming de werkelijke schade onderschat.
Veronderstel dat de consumenten allemaal in Nederland wonen, zodat de werkelijke schade
gelijk is aan –A–B.
Tijdreeksen van het productievolume en het prijspeil van aardappelen in Nederland
suggereren dat in een ‘slecht’ jaar met een laag productievolume de prijs ongeveer 4 maal
hoger is dan in een ‘normaal’ jaar. De prijzen van andere belangrijke akkerbouwgewassen
(zaaiuien, winterpenen) vertonen ook grote schommelingen, maar de correlatie met het
productievolume is veel minder duidelijk dan in het geval van aardappelen.
Veronderstel echter dat prijsverschillen voor aardappelen ook voor de andere teelten van
toepassing zijn, en dat in een jaar met een zoetwatertekort de prijzen met 4 vermenigvuldigd
worden. In dat geval is de oppervlakte van A anderhalf maal zo groot als de oppervlakte van
B. De werkelijke schade (–A–B) is dus 2,5 maal de berekende schade (–B).
Deze factor van 2,5 vormt echter een grote overschatting van de graad van onderschatting.
- Niet alle teelten kennen zo’n grote prijsschommelingen als aardappelen.
- Niet elk jaar met een zoetwatertekort resulteert in een ‘slecht’ jaar met een maximale
prijsstijging. In de meeste jaren zijn het productieverlies en de prijsstijgingen beperkter.
De jaren met het grootste zoetwatertekort (herhalingstijd 100 jaar) hebben bovendien
maar een zeer klein gewicht in de totale verwachte schade.
- Een deel van de effecten worden via uitvoer op buitenlandse consumenten afgewenteld.
1204302-000-VEB-0018, 6 september 2011, definitief
Eerste generatie oplossingsrichtingen voor klimaatadaptatie in de regio Rijnmond-Drechtsteden -
Syntheserapport: verkenning van kosten en baten
E-3
Om deze redenen is besloten om voor de prijseffecten geen extra opslagpercentage te
voorzien.