You are on page 1of 15

RECHTSPRAAK

Grondwettelijk Hof 30 maart 2010, nr. 32/2010
Voorzitters: M. Melchior en M. Bossuyt Advocaten: Mr. L. Swartenbroux, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. J.-M. Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. D. Garabedian, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4666; Mr. J. Scalais en Mr. O. Vanhulst, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4730; Mr. A. Brohez en Mr. T. Chellingsworth, loco Mr. P. Callens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4735; Mr. P. Smet en Mr. J. Everaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4738; Mr. G. Block, Mr. J. Autenne en Mr. A. De Geeter, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad, in de zaken nrs. 4666 en 4730; Mr. L. Simont, Mr. B. Paquot en Mr. M. von Kuegelgen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad, in de zaken nrs. 4735 en 4738;

Grondwettelijk Hof – kernenerGie – nucleaire repartitiebijdraGe – GelijkHeidsbeGinsel – wettiGHeidsbeGinsel in fiscale zaken Het Grondwettelijk Hof bevestigde de grondwettelijkheid van de nucleaire repartitiebijdrage 2008. Het Hof zag het gelijkheidsbeginsel niet geschonden aangezien de door de verzoekers aangevoerde categorieën die anders behandeld werden niet vergelijkbaar zijn in het licht van de doelstelling van de repartitiebijdrage. Het Hof achtte evenmin het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken geschonden doordat de bij de wet vastgestelde essentiële elementen van de belasting in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen worden geformuleerd. De wet schendt, aldus het Hof, ook niet het beginsel van de niet-retroactiviteit van de fiscale wet daar hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die nog niet definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden. Tot slot ziet het Hof geen onredelijke behandeling van de bijdrageplichtigen wat betreft hun recht op eigendomsbescherming. Electrabel (GDF Suez), Synatom, EDF Belgium en S.P.E t. Belgische Staat B.1. Uit de uiteenzetting van de middelen in de zaken nrs. 4666, 4735 en 4738 blijkt dat die enkel zijn gericht tegen de eerste vier leden van artikel 14, § 8, van de wet van 11 april 2003 «betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van

133

aan de kernprovisievennootschap uiterlijk 30 dagen na de datum van verzending van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 13. en dat voor het laatste kalenderjaar. houder van een koninklijk exploitatievergunning. waarvoor jaarlijks bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit een maximumbedrag wordt bepaald. gelijk aan de wettelijke intrestvoet voor de ganse duur van het verwijl en worden de verschuldigde bedragen ingevorderd bij dwangbevel. 5°. op industriële wijze. Middenstand en Energie. §§ 1. Het bedrag van de individuele bijdrage moet betaald worden door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. en door de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24. wordt gevestigd pro rata van hun aandelen in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. op andere ondernemingen of op de eindafnemer. bedoelde vennootschappen naar verhouding van hun aandeel in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen». In afwijking van de bepalingen van de artikelen 11. ter attentie van de FOD Economie. en in uitvoering van artikel 13 draagt de kernprovisievennootschap. eerste lid. 5°. en elke andere vennootschap bedoeld in artikel 24. binnen de 14 dagen na de inwerkingtreding van deze paragraaf en ten laatste op 31 december 2008. ter versterking van de bevoorradingszekerheid. over vanuit de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales krachtens artikel 11. voor het jaar 2008. van kerncentrales of iedere rechtsopvolgende vennootschap» (artikel 2. zullen in rekening worden gebracht ter compensatie van het bedrag dat werd overgeschreven door de kernprovisievennootschap. Deze laatste rekent ze aan aan de kernexploitanten en aan de in artikel 24. mogen hun individuele bijdrageplicht op generlei wijze doorrekenen of verhalen. Deze bijdrage heeft tot doel om ‘s lands energiepolitiek en de maatregelen genomen door de regering te financieren en om de uitgaven te dekken die nodig zijn om tussen te komen ten gunste van de investeringen op de elektriciteitsproductiemarkt. De bedragen van de bijdragen zoals bedoeld in deze paragraaf die betaald worden door de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. zoals berekend voor de toepassing van artikel 9. is vastgesteld op 250 miljoen euro.SEPTEMBER 2010 splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales». 5° en van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24. § 1. aan de begroting van de Staat een bedrag van 250 miljoen euro zoals bedoeld in artikel 14. § 1. 6°. Uit de uiteenzetting van het middel van het verzoekschrift dat is neergelegd in de zaak nr. Het bedrag van de individuele bijdrage van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. Het globale bedrag van deze repartitiebijdrage. Indien geen betalingen bedoeld in § 8 van dit artikel zijn gebeurd binnen de termijnen bedoeld in dezelfde § 8. Een kernexploitant is een «exploitant. zijn ten laste van de kernprovisievennootschap. en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24. De kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. Diverse Ontvangsten.MER | JULI . van de wet van 11 april 2003).AUGUSTUS . Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. §§ 3 en 4. van de wet van 11 april 2003: «De werkings. De nadere regels voor de tussenkomsten in elk van deze domeinen kunnen bepaald worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 1. 5°. § 1. § 8. van de wet van 11 april 2003. derde lid. § 8. is van rechtswege een nalatigheidsinterest verschuldigd. rechtstreeks of onrechtstreeks. van de wet van 11 april 2003. overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit». Artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008 voegt aan artikel 14 van de wet van 11 april 2003 – zoals het is gewijzigd bij de artikelen 145 en 154 van de wet van 25 april 2007 «houdende diverse bepalingen (IV)» – de volgende drie paragrafen toe: «§ 8. § 9. In het voordeel van de Staat is een repartitiebijdrage gevestigd ten laste van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. elektriciteit produceert» (artikel 2. § 1.en secretariaatkosten alsook de kosten voor de adviezen gevraagd door de Commissie voor nucleaire voorzieningen krachtens artikel 7. § 3. ingevoegd bij artikel 65 van dezelfde programmawet. en 14. beoogt «elke andere vennootschap dan een kernexploitant die een aandeel heeft in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen». eerste lid. 134 . § 1. ingevoegd bij artikel 156 van de wet van 25 april 2007.1. Zoals het is vervangen bij artikel 152 van de wet van 25 april 2007. § 1. Een kerncentrale is een «kerninstallatie die.2. tot dekking van uitgaven en investeringen inzake kernenergie. van dezelfde wet). KMO. B. en door iedere andere vennootschap zoals bedoeld in artikel 24. § 10. bepaalt artikel 9. ter bestrijding van de stijgende energieprijzen en ten slotte ter verbetering van de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie. 5°. 5°. ingevoegd bij artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008. Artikel 24. tweede zin. § 1. 4730 blijkt dat het enkel is gericht tegen artikel 64 van de programmawet van 22 december 2008 en tegen de laatste vier leden van artikel 14. 5 en 7. op het rekeningnummer 679-2005871-08.

4738 blijkt dat Synatom. § 8. tweede lid. 4735 en door S. aan de Staat het totale bedrag van de repartitiebijdrage te storten (artikel 13. 4°. terwijl dezelfde dag Synatom het bedrag van de repartitiebijdrage overdroeg naar de rijksbegroting. strekt voornamelijk ertoe het «doel» uit te drukken van de bijdrage die ten laste van de verzoeksters wordt vastgesteld in de zaken nrs. 4738 op 31 december 2008 «De kernprovisievennootschap staat in voor het beheer van de fondsen die de tegenwaarde vormen van de voorzieningen voor de ontmanteling en voor het beheer van bestraalde splijtstoffen». van dezelfde wet). vóór 31 december 2008. bepaalt: Artikel 13. In geval van niet-betaling van hun aandelen in de repartitiebijdrage verwittigt de kernprovisievennootschap de Commissie voor nucleaire voorzieningen». van de wet van 11 april 2003). zodat die verzoeksters geen belang hebben bij het vorderen van de vernietiging ervan. een interest innen en de verschuldigde sommen invorderen bij wege van dwangmiddel (artikel 13. ingevoegd bij artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008.3. derde lid. tweede zin. tweede lid. § 10.3. bij dagvaarding van 29 juni 2009. zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de 8 kalenderdagen die volgen op de storting van het voorschot. Artikel 142. Artikel 14. bij brief van 31 december 2008. §§ 8. 135 . van dezelfde wet). van de Grondwet en artikel 2.E. eerste zin. in geval van niet-betaling van die individuele bijdragen binnen die termijn. B. en aan de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24. 5°. en artikel 14. § 1. B. De verzoekster in de zaak nr.2. alvorens ieder van hen. 4666. officieel te verzoeken haar de verschuldigde individuele bijdrage te betalen uiterlijk binnen dertig dagen na verzending van dat verzoek (artikel 13. en artikel 14.3. van de wet van 11 april 2003). van dezelfde wet).2. van dezelfde wet) en de Commissie voor nucleaire voorzieningen daarvan op de hoogte brengen (artikel 13. B. de verplichting op te doen blijken van een belang. aan de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. B. § 8. in de zaak nr.3.3. met het voorschieten aan de Staat van de repartitiebijdrage zoals bedoeld in artikel 14. Die bepaling kan op zich hun situatie niet raken. in het kader van een openbare dienstverplichting. § 8.2. blijkt nog dat de verzoekster in de zaak nr. Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat het belang betreft B. derde lid.3. Uit een stuk dat door de verzoekster in de zaak nr. heeft verzocht haar een individuele bijdrage te betalen en dat op die datum die personen elk de gevorderde storting hebben verricht. De Belgische maatschappij voor kernbrandstoffen Synatom was in de eerste plaats ertoe gehouden. vijfde lid. bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 en waarvan het statuut wordt geregeld door artikel 179. De kernprovisievennootschap moest ook. van het bedrag van hun aandeel in de repartitiebijdrage en zal dat bedrag van hen vorderen volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 14. die in werking zijn getreden op 29 december 2008.2. 9 en 10. 4738. 2°.1. § 1. zijnde op 29 december 2008. van de wet van 11 april 2003 B. Vervolgens was zij ertoe gehouden het bedrag te berekenen van de individuele bijdrage van elke bijdrageplichtige (artikel 13. uiterlijk binnen acht dagen na de voormelde storting.RECHTSPRAAK De kernprovisievennootschap is «de naamloze vennootschap Belgische maatschappij voor Kernbrandstoffen Synatom. en artikel 14. zevende lid. Artikel 64 van de programmawet van 22 december 2008 voegt aan die bepaling twee leden toe die luiden als volgt: «De kernprovisievennootschap wordt bovendien belast. § 8.2. van de wet van 11 april 2003. leggen laatstgenoemde een aantal verplichtingen op. door EDF Belgium in de zaak nr. zesde lid. 4730 was ten slotte ertoe gehouden het bedrag in rekening te brengen van de bijdragen die werden betaald «ter compensatie van het bedrag dat werd overgeschreven door de kernprovisievennootschap» (artikel 14. 4730 bestreden bepalingen. § 8. Vanaf het moment dat zij deze repartitiebijdrage zal hebben gestort zal de kernprovisievennootschap een kennisgeving per aangetekende zending versturen.1. § 8. Van het vereiste belang doen enkel de personen blijken wier situatie rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden norm.3. 4730. een rechtsvordering heeft ingesteld voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De door de verzoekster in de zaak nr. de drie maatschappijen die de retributiebijdrage verschuldigd zijn. van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof leggen iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt. die onder andere ertoe strekt Synatom te laten veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van de individuele bijdrage die de verzoekster in de zaak nr. 4735 en 4738. 4730 werd overgelegd. eerste lid. en overeenkomstig hun openbare dienstverplichtingen. Uit de stukken neergelegd door de Ministerraad in de zaak nr. De artikelen 64 en 65 van de programmawet van 22 december 2008 zijn in werking getreden op de dag van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (artikel 69 van de programmawet van 22 december 2008). derde lid. op de wijze zoals bedoeld in die bepaling.P. vierde lid. van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 of iedere rechtsopvolgende vennootschap» (artikel 2. eerste zin. van dezelfde wet). derde lid. derde lid. en artikel 14.

4730 om de vernietiging te vorderen van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008. 4666 is onder meer afgeleid uit de rechtstreekse schending van een «beginsel van niet-retroactiviteit» en van een «beginsel van rechtszekerheid».2. de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn en.SEPTEMBER 2010 aan Synatom heeft gestort. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het tweede middel in de zaak nr. Het beroep ingesteld in de zaak nr. maakt het niet mogelijk te besluiten tot de onontvankelijkheid van het middel dat betrekking heeft op de eerste bepaling. alsook de andere tussenpersonen van de Belgische elektriciteitsmarkt. 4735 en 4738 B. en van het derde middel geformuleerd in de zaken nrs. B. rekening houdend met wat is gezegd in B. vierde lid.5. Dat middel is. 4666. 4466. de producenten van niet-nucleaire elektriciteit en de «andere spelers van de Belgische elektriciteitsmarkt».AUGUSTUS .3. B. ontvankelijk. 4666 blijkt uit de uiteenzetting van het eerste middel dat het een verschil in behandeling aanklaagt tussen. 4735 en 4738 ontvankelijk.3. in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. van het enige middel in de zaak nr. van de wet van 11 april 2003 – ingevoegd bij artikel 152 van de wet van 25 april 2007 – dat niet wordt beoogd door de beroepen tot vernietiging die in die zaken zijn ingesteld. 4735 blijkt uit de uiteenzetting van het tweede onderdeel van het eerste middel dat het een verschil in behandeling aanklaagt tussen. 4735 en 4738. § 8. 4730.4. 4730. Het is niet bevoegd om een wetskrachtige norm rechtstreeks te toetsen aan algemene beginselen. de distributeurs en de leveranciers van elektriciteit.1. vierde lid.3 is aangegeven. anderzijds.4. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekster in de zaak nr. Die bepaling werd echter in die wet ingevoegd bij artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008.6.3. 4735. maar het kan ermee rekening houden wanneer ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden aangevoerd. in zoverre zij in werkelijkheid betrekking zouden hebben op de tweede zin van artikel 9. in zoverre het artikel 14. 4666. van de wet van 11 april 2003. zoals in B. De situatie van de verzoekster in de zaak nr. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft B. eerste lid. 4730. Dat middel is in die mate onontvankelijk. vierde lid. 4730 is ontvankelijk. § 8. enerzijds. hoeft de verzoekster daarenboven niet te doen blijken van een belang bij het middel. en wegens schending van de artikelen van titel II «De Belgen en hun rechten» en van de artikelen 170. anderzijds. van de wet van 11 april 2003. van de wet van 11 april 2003 invoegt. B. In de zaak nr. de kernexploitanten en de andere vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen en. en die dat nooit geweest is. 136 . in samenhang gelezen met een «beginsel van rechtszekerheid». 172 en 191 van de Grondwet.1. het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr.5.4.4. in het tweede onderdeel ervan. is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid. zoals de invoerders. In de zaak nr. Vermits het beroep tot vernietiging. Wat de eventuele discriminatie met betrekking tot de vaststelling van de bijdrageplichtigen betreft B. enerzijds. § 8. Volgens artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. 4730 kan dus rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bepalingen waarvan zij de vernietiging vordert. de gemeenschappen en de gewesten. B. gewijzigd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 9 maart 2003. Die vordering is onder andere gegrond op de ongrondwettigheid van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008. 4730 en het derde middel in de zaken nrs. In zoverre zij betrekking hebben op de voormelde woorden van artikel 14. alle «andere spelers van de Belgische elektriciteitsmarkt». B. Uit de uiteenzetting van die middelen blijkt dat laatstgenoemde gericht zijn tegen de woorden «industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen» gebruikt in artikel 14. Wat betreft andere aspecten van de ontvankelijkheid van bepaalde middelen in de zaken nrs. de vervoerders.3. zijn het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr.MER | JULI . De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het tweede middel in de zaak nr.3. Ten gronde B. Het tweede middel in de zaak nr. 4666.7. De omstandigheid dat het deel van een wetsbepaling dat wordt bestreden op dezelfde wijze wordt geformuleerd als een vroegere wetsbepaling die niet wordt bestreden. in het eerste onderdeel ervan. ontvankelijk is. 4735 en 4738.3. die expliciet wordt beoogd in de beroepen tot vernietiging ingesteld in de zaken nrs.2.1.5.1.

en dus om tegemoet te komen aan de toekomstige noden van de verbruikers. § 1 worden beoogd tot de lasten van dergelijke uitgaven en investeringen bijdragen. enz. in zulk een aangelegenheid. § 1 beoogde vennootschappen [hebben] onvoldoende nieuwe projecten en productie-eenheden in werking gesteld die het zouden kunnen mogelijk maken een evenwicht te vinden tussen vraag en aanbod inzake elektriciteit. 39-40). «Voorts is het bedrag dat de federale Staat belangrijke middelen toestaat om haar politiek te voeren geenszins onevenredig vergeleken met winsten van de nucleaire sector. Kamer 20082009. Een versterking op dit vlak vereist. DOC 521607/016.7. rekening houdend met de gekende risico’s van de laatste jaren in het kader van de exploitatie van kerncentrales en de veroudering van deze. p. alleen kunnen 137 . 38). 37-38). § 1 hebben krachtens hun marktposities een belangrijk voordeel behaald. «Deze bijdrage eerbiedigt deze proportionaliteitsvereiste. «De kernexploitanten die beoogd worden in artikel 2. B. De door dit hoofdstuk beoogde repartitiebijdrage laat dus toe om over de nodige middelen te beschikken voor de nodige kennisopbouw en actiemiddelen. 41). De bevordering van de veiligheid op het vlak van ’s lands energievoorziening was ook vereist. DOC 52-1607/001. Deze kosten hebben onder meer betrekking op het nucleair onderzoek inzake stralingsbescherming. 47). 5° en de vennootschappen beoogd in artikel 24. «De bijdrage zal tot gevolg hebben dat de producenten van wie de centrales afgeschreven zijn. Dit bedrag wordt derhalve voor de Staatsbegroting aangewend. de boete moet bijgevolg belangrijk zijn en moet dezelfde blijven in geval van beroep» (ibid. 42). p.. anderzijds. p. de aanzienlijke winsten die zij genereren door de productie van elektrische energie door splijting van kernbrandstoffen» (ibid. de noden van de Staat en de potentiële risico’s» (ibid. sociale aspecten van kernenergie. 5° beoogde kernexploitanten en in artikel 24. namelijk 250 miljoen euro.. Wanneer de wetgever. is onbeduidend ten opzichte van de aanzienlijke winst die door de productie van kernelektriciteit wordt gegenereerd.. «2. De lasten die zij doet dragen door de schuldenaars ervan zijn niet onredelijk. 44). «[…] De nagestreefde doelstellingen zijn essentieel. En het is in dit kader dat de repartitiebijdrage voor de Staatsbegroting moet worden aangewend» (ibid. 12). veronderstelt dat eerst de draagwijdte en het doel van de bestreden bepalingen worden onderzocht. en meer bepaald de minister van Klimaat en Energie. Het behoort bijgevolg de Federale Staat. met name volgens het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ dat de kernexploitanten die in artikel 2. Het Hof zou de verschillen in behandeling die het gevolg zijn van de beleidskeuzen die hij heeft gemaakt..3. In deze context moet de bijdrage vergezeld gaan van een boete met een voldoende afradend effect om hun schuldenaren te verplichten te betalen. p.7. ervoor kiest die bijdrage op te leggen aan bepaalde categorieën van personen. pp. St. zoals toegelicht in de preambule […]» (ibid. pp. noodplanning.RECHTSPRAAK De pertinentie van de vergelijkingen die door de verzoeksters worden gemaakt. Aangezien deze onderzoeksactiviteiten onafscheidelijk verbonden zijn met de nucleaire activiteiten in België. meer kosten zullen hebben. Het bedrag dat door dit hoofdstuk wordt beoogd. «[De] openbare dienstverplichting in hoofde van de kernprovisievennootschap […] is vereist. De noden waaraan zij moet toelaten te voldoen zijn dringend en belangrijk.2. toe alle noodzakelijke maatregelen te treffen om zoveel als het kan en met eerbied voor zijn bevoegdheidsgrenzen de risico’s op onderinvestering te verminderen die van dien aard zijn dat ze de eindafnemers zouden kunnen benadelen» (Parl. past zijn benaderingswijze in het geheel van zijn economisch. Kamer 2008-2009. Uitgaven en investeringen inzake kernenergie De federale overheid stelt vast dat de nucleaire uitbating rechtstreeks of onrechtstreeks uitgaven en investeringen met zich meebrengt. Het is niet wenselijk deze lasten door de verbruiker te laten dragen. effecten van stralingsdoses. p. St. rekening houdend met de verschillende rapporten en bevindingen over dit onderwerp.. rekening houdend met de nagestreefde sociale en economische doelstellingen […]. voortspruitend uit de versnelde afschrijving van de kerncentrales en die de eindafnemers hadden moeten toekomen» (ibid. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd de maatregel vanuit de volgende overwegingen verantwoord: «[…] de in artikel 2. fiscaal en energiebeleid. p. Het is nodig dat de overheid op dit vlak de nodige kennis opbouwt en over de nodige actiemiddelen beschikt. Als zij deze kosten niet mogen doorrekenen aan de consument – wat moet gegarandeerd zijn – dan wordt het voor de overige producenten gemakkelijker om met hen in concurrentie te treden» (Parl. enerzijds niet buitensporig rekening houdend met de verantwoordelijkheid van de kernexploitanten en van de vennootschap[pen] die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen in het verval van het park van productie-eenheden voor elektrische energie en. is het te verantwoorden dat de Belgische nucleaire elektriciteitsproducenten tussenkomen in de kosten ervan. 5° en de andere vennootschappen die in artikel 24. zij zijn ook het gevolg van de houding van de kernexploitanten die het park van productie-eenheden van elektrische energie hebben laten verkommeren.. B. Bovendien vloeien voor deze exploitanten aanzienlijke winsten voort uit de productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen.

«ter bestrijding van de stijgende energieprijzen» en ten slotte «ter verbetering van de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie» (artikel 14. § 8. vereist dat de bij de wet vastgestelde essentiële elementen van de belasting in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen worden geformuleerd teneinde de belastingplichtige in staat te stellen het bedrag van de verschuldigde belasting te bepalen. 4735 klaagt het «derde onderdeel» van het eerste middel de identieke behandeling aan die artikel 14.SEPTEMBER 2010 afkeuren indien voor die beleidskeuzen klaarblijkelijk geen redelijke verantwoording bestaat. Uit de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. van die regel. voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk is verantwoord. 4735 is niet gegrond. waarbij enkel eerstgenoemden zijn gehouden tot de betaling van de bij die bepaling ingevoerde repartitiebijdrage. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld.1. in samenhang gelezen met artikel 24. en. een verschil in behandeling invoert tussen. in zoverre de woorden «industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen» van artikel 14. § 1.1.2. 4738 blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid.3. Uit wat voorafgaat volgt dat de wetgever vermocht te oordelen dat de kernexploitanten en de andere vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen zich in een situatie bevinden die verschillend is van die van de personen met wie de verzoeksters zich vergelijken.9. in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. ten aanzien van de bestreden bepalingen. de in die bepaling beoogde personen en. enerzijds. van de Grondwet is een bijzondere toepassing. op fiscaal gebied. Die drie bijdrageplichtigen hebben immers met elkaar gemeen dat zij over een aandeel beschikken in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. eerste lid. De kernexploitant en de twee andere vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. 4735 en van het derde middel in de zaak nr. maatregelen die nodig zijn om de «uitgaven te dekken die nodig zijn om tussen te komen ten gunste van de investeringen op de elektriciteitsmarkt». van de wet van 11 april 2003 voorbehoudt aan.4. vierde lid. § 8. eerste lid. met artikel 170. van dezelfde wet). 4666. bevinden zich niet in situaties die. «ter versterking van de bevoorradingszekerheid». van het derde middel in de zaak nr. eerste lid. Het «eerste onderdeel» van het eerste middel in de zaak nr. 4735 blijkt dat het Hof verzocht wordt uitspraak te doen over de bestaanbaarheid. wezenlijk verschillend zijn. van het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. B.2. In de zaak nr. eerste lid. van de wet van 11 april 2003 precisie en duidelijkheid zouden missen. Artikel 172. dat daarbij wordt ingevoegd in de wet van 11 april 2003.AUGUSTUS . wat strijdig zou zijn met het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken.4. eerste lid. van dezelfde wet voorbehoudt aan. 4730. B.9. de verzoekster en. tweede lid. die door die twee middelen worden beoogd. 4738 klaagt het eerste middel de identieke behandeling aan die artikel 14. In de zaak nr. enerzijds. van de wet van 11 april 2003). enerzijds. anderzijds. anderzijds. B. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Die bijdrage heeft tot doel «’s lands energiepolitiek» en de maatregelen genomen door de regering te financieren. met de artikelen 10. 11 en 172. «tot dekking van uitgaven en investeringen inzake kernenergie». § 8. vierde lid. § 8. van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008.10. bepaalt dat niemand 138 . anderzijds. B. van de Grondwet. in zoverre artikel 14.10. § 8. Artikel 16 van de Grondwet.9. Dat beginsel uitgedrukt in artikel 170.8. B. het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. § 8. van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008.9. de twee andere personen op wie die bepaling daadwerkelijk van toepassing is. alle andere aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen. Uit de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. van de wet van 11 april 2003.MER | JULI . Wat het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken betreft B. de «kleine ondernemingen voor nucleaire elektriciteit» die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn.7. § 1. B. B. van de Grondwet. § 1. Alle aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen bevinden zich niet in een vergelijkbare situatie ten aanzien van een dergelijke maatregel. eerste lid. van de Grondwet alsmede met artikel 16 van de Grondwet – in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens –. de «dominante nucleaire operator». De te dezen bestreden bepaling voert een repartitiebijdrage in die ten laste wordt gelegd van de kernexploitanten en van elke andere vennootschap die een aandeel bezit in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen (artikel 14.

12.3. Uit artikel 14.11. in zoverre de verwijzing naar «het laatste kalenderjaar» vervat in artikel 14. 4666 en die van het tweede middel in de zaak nr. De woorden «industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen» worden ook gebruikt om de belastingplichtigen te definiëren op wie de repartitiebijdrage betrekking heeft (artikel 14. eerste lid. van de wet van 11 april 2003 preciseert ook dat het aandeel in de industriële productie van elektriciteit op dezelfde wijze wordt berekend als het aandeel in de werkingskosten van de Commissie voor nucleaire voorzieningen. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 11 en 172. zoals het werd ingevoegd bij artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008. van de Grondwet wordt de beslissing tot invoering van een belasting en de vaststelling van de essentiële elementen ervan voorbehouden aan de democratisch verkozen beraadslagende vergaderingen.4.2.12. Uit de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. B.12. aan de invoering van de repartitiebijdrage een retroactieve werking zou verlenen. te machtigen om ten bate van de Schatkist een belasting. § 1. zoals die welke het voorwerp vormt van de bestreden bepalingen.10. het derde middel in de zaak nr. van de wet van 11 april 2003. 4735 en het derde middel in de zaak nr. § 8.10. in zoverre die bepalingen de invordering van de belasting zouden delegeren aan een privépersoon. met toepassing van artikel 9. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. dat bij dat artikel wordt ingevoegd in de wet van 11 april 2003. in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. § 8. eerste lid.3. B. § 8. De omstandigheid dat die periode dateert van vóór het ogenblik waarop de repartitiebijdrage werd ingevoerd.10. dat wordt berekend door de kernprovisievennootschap. § 8. DOC 52-1607/001. eerste lid.3. in samenhang gelezen met artikel 24. 4738 werd verstuurd en die door haar werd overgelegd in onderhavige zaak. van de wet van 11 april 2003). B. vierde lid. § 8.4. Het derde en het vierde lid van artikel 14. B. en niet van zijn productiecapaciteit. van de Grondwet. Kamer 2008-2009. § 8. Zij heeft niet tot doel de belastbare materie of de belastbare grondslag vast te stellen. met artikel 170. Dat artikel verbiedt de wetgever niet een privaatrechtelijke persoon.12. eerste lid. van de Grondwet.1. vierde lid. B. die overigens door de wet van 11 april 2003 reeds is belast met opdrachten van openbare dienst. Wat het «beginsel van de niet-retroactiviteit van de fiscale wet» betreft B. dat werd ingevoegd bij artikel 65 van dezelfde programmawet.3. met de artikelen 10. van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008.11. § 1. Een fiscaalrechtelijke regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten. Uit een factuur van 21 december 2007 die door die vennootschap aan de verzoekster in de zaak nr. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. wat een daadwerkelijke productie van elektriciteit veronderstelt. § 8. is die bepaling in werking getreden op 29 december 2008. 4735 blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid. De tekst van artikel 14. volstaat dus niet om van die laatste een fiscale maatregel met terugwerkende kracht te maken. van de wet van 11 april 2003. St. vierde lid.2. 139 . van de wet van 11 april 2003 stelt duidelijk en precies dat het bedrag van de verschuldigde belasting afhankelijk is van de omvang van de «industriële productie van elektriciteit» door de belastingplichtige. § 1. 4666. Bij artikel 170. 4730 is niet gegrond. Uit de uiteenzetting van het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. van artikel 64 van de programmawet van 22 december 2008 en van de laatste vier leden van artikel 14. De verwijzing naar het «laatste kalenderjaar» vervat in de bestreden bepaling heeft enkel betrekking op de berekening van het door elke belastingplichtige verschuldigde bedrag. 4666 en het tweede middel in de zaak nr.2. van de wet van 11 april 2003 blijkt dat de repartitiebijdrage verschuldigd is door personen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splitsing van kernbrandstoffen. 4738 zijn niet gegrond. 4730 blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepaling voldoet aan het wettigheidsbeginsel dat in de in B. tweede zin. B.1. blijkt dat dat laatste aandeel afhankelijk is van de daadwerkelijke elektriciteitsproductie en niet van de productiecapaciteit van die verzoekster. in te vorderen.RECHTSPRAAK van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte. handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden. B.2 vermelde grondwetsbepalingen is ingeschreven. B. Artikel 14.11. 40). Laatstgenoemden zijn echter vennootschappen die winst halen uit de productie van elektriciteit (Parl. bevatten de regels die de betrokken belastingplichtige in staat moeten stellen het bedrag van zijn «individuele bijdrage» te bepalen. 4735 zijn niet gegrond. zodat de genoemde bijdrage enkel verschuldigd is door de personen die op die datum een aandeel hadden in die industriële productie van elektriciteit. van de wet van 11 april 2003. p. eerste lid. Zoals vermeld in B.

zodat het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van het recht op het ongestoord genot van de eigendom niet wordt verbroken. 4666. schendt een belasting bijgevolg dat recht. § 8. Tardieu de Maleissye e. indien ze op de belastingplichtige een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie (EHRM. bepaald in artikel 14. blijkt dat de bestreden bepalingen op de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn.4. De wetgever vermocht het bedrag van de repartitiebijdrage «onbeduidend» te achten ten aanzien van de «aanzienlijke winst die door de productie van kernelektriciteit wordt gegenereerd» vanwege de versnelde afschrijving van de kerncentrales waarvan de eindafnemer niet heeft kunnen profiteren (Parl. in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling». St. vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling. Kamer 2008-2009. uit die van het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr.1.2. De repartitiebijdrage vormt een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de kernexploitanten en van de andere vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. St.13..a. ibid. Parl. B. B. Frankrijk. Uit wat voorafgaat. beslissing. St. in zoverre het globale bedrag van de repartitiebijdrage en het bedrag van de individuele bijdragen. Parl. Die belasting heeft tot doel ’s lands energiepolitiek te financieren.13. Het derde middel in de zaak nr. 40). Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt. tweede lid. 36-40 en 44-45. rekening houdt met de eerstgenoemde.2. Frankrijk).13.3.3. Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren». 4735 en het tweede middel in de zaak nr. Uit de uiteenzetting van het derde middel in de zaak nr. 41). p. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt: «Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. B. B. van artikel 65 van de programmawet van 22 december 2008. §§ 52-54. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. geen buitensporige last doen wegen en niet fundamenteel afbreuk doen aan hun financiële situatie.1. DOC 52-1607/016.13. de stijgende energieprijzen te bestrijden en de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie te verbeteren (artikel 14. § 8. de bevoorradingszekerheid op het vlak van elektriciteit te versterken. met artikel 16 van de Grondwet – al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens –.3.2. 4735 en uit die van het tweede middel in de zaak nr. op willekeurige wijze zouden worden vastgesteld en een onredelijke inbreuk op de individuele vermogenssituatie van ieder van de belastingplichtigen zouden plegen.MER | JULI . t. de uitgaven en investeringen inzake kernexploitatie te dekken. vermocht hij te oordelen dat de last niet «buitensporig» is (ibid. derde en vierde lid. Kamer 2008-2009. Senaat 2008-2009. dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. p. vermits het afhankelijk is van het aandeel van elke bijdrageplichtige in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen (artikel 14. 5. 7).. ingevoegd bij artikel 65 van de wet van 11 april 2003). Duk- 140 .3.SEPTEMBER 2010 Wat het eigendomsrecht betreft B. 15 december 2009. het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 4666. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: medjian t.AUGUSTUS . van de wet van 11 april 2003.13. bij zijn toetsing van de bestreden bepalingen. Rekening houdend met die winst en met de «verantwoordelijkheid van de kernexploitanten en van de vennootschap[pen] die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen in het verval van het park van productie-eenheden voor elektrische energie».13. vierde lid.2. nr. 31 januari 2006. B. 4738 zijn niet gegrond.13.1. Aangezien die internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet. EHRM. Het bedrag van de individuele bijdragen wordt niet op willekeurige wijze vastgesteld. p. pp. «Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte. 4738 blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid. zoals de door de Regering genomen maatregelen om noodzakelijke investeringen op de elektriciteitsproductiemarkt te bevorderen. 1050/4. DOC 52-1607/001. DOC 52-1607/001. p. van de wet van 11 april 2003. B. Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom. § 8. zodat het Hof.

nr. 2. B. “Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd. “Kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. Bij verzoekschrift van 22 juni 2009 heeft de nv “Synatom” beroep tot vernietiging ingesteld van de art.. BS 14 mei 2010 (ed. 32/2010. 33/2000.b.P. inlEiDinG De programmawet van 22 december 2008 wijzigde de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales1. 70/96. DE aanGEvoERDE GEScHonDEn BEPalinGEn En HEt ooRDEEl van HEt HoF 2. nr. 31/92. “Belgium’s Energy Challenges Towards 2030”.” beroep tot vernietiging ingesteld van de art.world-nuclear. art. nr. Bij verzoekschrift van 27 juni 2009 heeft de nv “EDF Belgium” beroep tot vernietiging ingesteld van de art.E elk een beroep tot vernietiging van bepaalde artikelen van de programmawet ingesteld bij het Grondwettelijk Hof4.2. BS 29 december 2008 (ed. De wetgever geniet een ruime vrijheid in haar beoordelingsbevoegdheid12 en het Hof zou de verschillen in behandeling die het gevolg zijn van de beleidskeuzen die hij heeft gemaakt.9. GwH 30 maart 2010.1.be/public/ documents_publ/CE2030%20Report_FINAL. zie ook GwH 23 april 1992. 21/89. GwH 30 maart 2010.8 % van Tihange 2 & 3 en Doel 3 & 4 en 100 % van Doel 1 & 2. Het Hof bevestigt hiermee de door haar eerder ingenomen standpunten. EDF verkreeg een 51 %-meerderheidsaandeel in SPE in 2009 (www. 2 3 4 Het gelijkheids.E. De programmawet legde een zogenaamde “repartitiebijdrage” ten voordele van de staat op aan de kernexploitant en elke andere vennootschap dan een kernexploitant die een aandeel heeft in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen (hierna aangehaald als de nucleaire producenten)2. c. overweging B.7. 60 tot 66 van dezelfde programmawet. 89.3. Het gelijkheidsbeginsel verbiedt niet noodzakelijk een ongelijke behandeling door een wet. 10. Synatom is de Belgische maatschappij voor kernbrandstoffen of de kernprovisievennootschap en beheert sinds 2003 de provisies die worden aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van de in de centrales bestraalde splijtstoffen. b.ce2030. 235-236.P. De andere 50 % van Tihange 1 is in handen van EDF.P. GwH 8 juli 1997. Zie ook GwH 13 juli 1989. De programmawet verplichtte Synatom om 250 miljoen euro van het fonds over te dragen naar de Belgische schatkist voor 31 december 2008. 5° Synatomwet. a. 60 tot 66 van dezelfde programmawet. Art. Het totale bedrag van de bijdrage wordt onder hen verdeeld in verhouding tot hun respectieve aandeel in de Belgische nucleaire productie van elektriciteit. B. 5° en van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24.E zijn de eigenaars van de Belgische kerncentrales6. voor zover die verschillende behandeling op een objectief criterium berust en het redelijk is verantwoord10.pdf. d. nr. De bijdrage bedroeg 250 miljoen euro voor het jaar 2008 en doelde op de afroming van de zogenaamde “nucleaire rente” die de nucleaire producenten genieten na de afschrijving van de kerncentrales en hun lage operationele kosten in vergelijking met de marktprijs van elektriciteit3. 14 Synatomwet). De mede-eigenaars hebben elk recht op een deel van de productie van de elektriciteit in de nucleaire centrales. 37/97. 60 tot 66 programmawet van 22 december 2008 (“wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales”). Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel11. Beweerde discriminatie wat betreft de aanduiding van de bijdragebetalers8 1 Art. 32/2010. GwH 11 december 1996. van kerncentrales of iedere rechtsopvolgende vennootschap”. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Electrabel (GDF Suez) is daarenboven de kernexploitant7. Bij verzoekschrift van 26 juni 2009 heeft de nv “S. Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet”. B. Vervolgens moest Synatom dat bedrag terugvorderen van de respectieve nucleaire producenten. nr. 32/2010. Bij verzoekschrift van 23 maart 2009 heeft de nv “Electrabel” beroep tot vernietiging ingesteld van de art. In de lente van 2009 hebben Electrabel (GDF Suez). Zie voor definities van infra-marginal rent. GwH 30 maart 2010. nr. 4666.html). the Commission Energy 2030 report of June 13. 8 9 5 6 10 11 12 13 141 . nr. nr. bekendgemaakt in het BS 29 december 2008 (ed. nr.2.5. 11 en 172 Gw. 4) (hierna de Synatomwet). 32/2010. 4). nr. Electrabel (GDF Suez) bezit de helft van Tihange 1. alleen kunnen afkeuren indien voor die beleidskeuzen klaarblijkelijk geen redelijke verantwoording bestaat (marginale toetsing)13. GwH 30 maart 2010. houder van een koninklijk exploitatievergunning.RECHTSPRAAK noot “Het Grondwettelijk Hof verwerpt het beroep tegen de nucleaire repartitiebijdrage” 1. 4735.9. 4738. nr. EDF Belgium en S. derde al.en non-discriminatiebeginsel (hierna “het gelijkheidsbeginsel”) is vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 7 “Elke exploitant. nr. GwH 29 maart 2000. Synatom. 4730. www. nr. 2). Het beginsel wordt wat belastingen betreft nader gespecificeerd in artikel 172 van de Grondwet9. 60 tot 66 van de programmawet van 22 december 2008 (“wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze kerncentrales”). § 1” (art.2 % van Tihange 2 & 3 en Doel 3 & 4.org/info/inf94. Electrabel (GDF Suez). windfall profits en mothballing. 64 en 65 van dezelfde programmawet. SPE bezit de overige 10.4. EDF Belgium and S. 2. Het Grondwettelijk Hof voegde daarop de vier beroepen samen5. 2007.

enerzijds. Themis 200506. Kamer 2008-09. De wetgever duidde bij de parlementaire voorbereiding van de wet onder andere op de “verantwoordelijkheid van de kernexploitanten en van de vennootschap[pen] die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen in het verval van het park van productie-eenheden voor elektrische energie”16. en de producenten van niet-nucleaire elektriciteit en de “andere spelers van de Belgische elektriciteitsmarkt”. TVW 2009. 52-1607/001. In casu werd inderdaad opgeworpen door de Ministerraad dat “de producenten van nucleaire elektriciteit. J. (iii) of de differentiatie berust op een objectief en (iv) pertinent criterium en (v) of er een verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel14. veronderstelt dat eerst de draagwijdte en het doel van de bestreden bepalingen worden onderzocht”15. DE RIDDER. GwH 30 maart 2010. Parl. DE PRINS. afl. ten aanzien van de bestreden bepalingen. 36. “Behoorlijke wetgeving in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (2007-2008)”. GwH 12 juli 1995. B. ter bestrijding van de stijgende energieprijzen en ten 14 GwH 18 november 1998. VRIELINK. 30.7.3. tot dekking van uitgaven en investeringen inzake kernenergie. 36. nr. Kluwer Rechtswetenschappen.3. nr. terwijl andere bedrijven louter de vennootschapsbelasting moeten dragen.1. GwH 30 maart 2010. Het Hof voltooide in casu de “gelijkheidstoets” al bij de eerste fase stellende dat “de wetgever vermocht te oordelen dat ‘de kernexploitanten en de andere vennootschappen die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen’ zich in een situatie bevinden die verschillend is van die van de personen met wie de verzoeksters zich vergelijken”. gezien enkel de bedrijven die binnen het toepassingsgebied van de programmawet vallen de bijdrage moeten betalen bovenop de vennootschapsbelasting. 51. zie ook A. In de praktijk besteedt het Hof meestal slechts aandacht aan het vergelijkbaarheidsaspect wanneer een partij de vergelijkbaarheid betwist of de niet-vergelijkbaarheid “evident” is19. P. De wetgever neemt ten slotte ook in overweging dat er een aanzienlijke winst wordt gemaakt met de productie van elektriciteit uit kernenergie17. “De fiscale grondbeginselen in de rechtspraak van het Arbitragehof”.St. de distributeurs en de leveranciers van elektriciteit. Het Hof citeerde daarop de wet die stelt dat de bijdrage dient om “’s lands energiepolitiek en de maatregelen genomen door de regering te financieren. Kamer 2008-09. GwH 30 maart 2010. zagen de gelijke behandeling van henzelf – loutere aandeelhouders – met Electrabel (GDF Suez) – de nucleaire exploitant – als onredelijk.27. Het Hof ging bijgevolg de wettigheid van het doel. “De fiscale grondbeginselen in de rechtspraak van het Arbitragehof”. EDF Belgium voerde ook de schending aan van het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken. waardoor ze zich niet bevinden in situaties die. 18 15 16 Zie bv. 255-266. ALEN. nr. alsook de andere tussenpersonen van de Belgische elektriciteitsmarkt. 32/2010. 32/2010.a. Het gelijkheidsbeginsel veronderstelt niet alleen een gelijke behandeling in gelijke of gelijkaardige omstandigheden. 52-1607/001.2. ter versterking van de bevoorradingszekerheid.SEPTEMBER 2010 De rechtsleer heeft op grond van de rechtspraak van het Hof verschillende fasen van de “toets aan het gelijkheidsbeginsel” ontleed. 52-1607/016. 12. P. Indien die categorieën inderdaad vergelijkbaar zijn moet vervolgens worden onderzocht (ii) of met de bestreden maatregel een wettig doel wordt nagestreefd. zoals de invoerders. Kamer 200809. wezenlijk verschillend zijn. Parl. Themis 2005-06. Die “gelijkheidstoets” bestaat er in (i) de vergelijkbaarheid van de aangevoerde categorieën van personen te onderzoeken. PEETERS.E. anderzijds. Het Hof onderzocht eerst de vergelijkbaarheid van de door de partijen aangevoerde categorieën en stelde dat “de pertinentie van de vergelijkingen die door de verzoeksters worden gemaakt. 41. PEETERS. Handboek Discriminatierecht.7. 2001-02. A. 58/95.P. Compendium van het Belgisch Staatsrecht. Het Hof stelde echter – naar aanleiding van de vergelijkbaarheidstest – dat Electrabel (GDF Suez). 2. afl. vgl. Indien de vergelijkbaarheidstest (stap i) leidt tot het besluit dat de rechtssituaties van de personen die verschillend worden behandeld.MER | JULI .St.1. afl. maar het houdt ook het recht in op een onderscheiden behandeling bij verschillende omstandigheden. nr. 117/98. nr.2. “De beperkte toetsing van het gelijkheidsbeginsel door het Arbitragehof”. voert het Hof de eigenlijke toets aan het gelijkheidsbeginsel (stap ii tot v) niet meer uit18. De bijdrage zou daarenboven ook de uitgaven en investeringen in de nucleaire sector vergoeden. P. § 70. Publ.. of voor de differentiatie een legitieme verantwoording bestaat. zich niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de andere producenten en actoren van de elektriciteitsmarkt”20. de objectiviteit en de pertinentie van de gelijkstelling en de evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel niet meer na. Het Hof past impliciet deze “gelijkheidstoets” toe zoals die door de rechtsleer is ontwaard. 51. Antwerpen.P. ook met de praktijk van het Europees Hof voor de rechten van de mens: EHRM 26 april 1979. Serie A. Electrabel (GDF Suez) en EDF Belgium voerden een onredelijk verschil in behandeling aan tussen de maatschappijen die de repartitiebijdrage verschuldigd zijn.w. B. D.1. m. S.. een aandeelhouder van de Belgische nucleaire elektriciteitsproductie is. 32/2010. Kluwer. gelet op de doelstellingen van de bestreden bepalingen. net als EDF Belgium en S. 38-47. 303. RW 1990-91. en Parl. nr. niet voldoende analoog zijn. 90. EDF Belgium en S. vol. 2005. de vervoerders. THEUNIS. B. De bijdrage moet volgens de wetgever het risico op onderinvestering in het productiepark verminderen en de mededinging op de energiemarkt verbeteren wat de consumenten en de industrie ten goede komt..St. 19 17 20 142 . 483.AUGUSTUS .E. nr. maatregelen die nodig zijn om de uitgaven te dekken die nodig zijn om tussen te komen ten gunste van de investeringen op de elektriciteitsmarkt. Mechelen. A. Sunday Times. nr. SOTTIAUX en J.

2. Het legaliteitsbeginsel in fiscale zaken23 van zijn productiecapaciteit. 164/2003.2. en de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 24. en dat voor het laatste kalenderjaar”. nr. Hoewel in de rechtsleer reeds is gesteld dat het Hof steeds minder zou geneigd zijn om tot niet-vergelijkbaarheid te besluiten22. nr. GwH 30 maart 2010. handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden28. zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst”27.2. De verwijzing naar het “laatste kalenderjaar” vervat in de bestreden bepaling heeft enkel betrekking op de berekening van 25 26 Art. 50-53. “De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. GwH 18 april 2001. eerste lid Gw. Art. 14. en daarom een schending zou uitmaken van het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken. GwH 7 december 2005. 40/2003. 434. nr. Daarenboven stelde het Hof dat ook de bijdrage van het aandeel in de werkingskosten van de Commissie voor nucleaire voorzieningen wordt berekend op deze basis.RECHTSPRAAK slotte ter verbetering van de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie”21. 5°. GwH 1 februari 2006.10. deel IB. Themis 2008-09. GwH 9 april 2003. § 1 Gw. Themis 2005-06. Deze bewoording zou er volgens Electrabel (GDF Suez) en EDF Belgium toe leiden dat de bijdrage een retroactieve werking krijgt. waardoor er ter zake geen onzekerheid kan bestaan. Kluwer. § 8. 98/2001.12. “voor het laatste kalenderjaar”. gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel26. nr. Het Hof hield het evenwel telkens bij het vergelijkbaarheidsonderzoek. GwH 9 februari 2000. – in samenhang gelezen met art. W. nr. De gewijzigde Synatomwet vereist dat het individuele bedrag ten opzichte van de totale bijdrage berekend wordt pro rata het respectieve aandeel in de nucleaire elektriciteitsproductie. P. zie ook GwH 15 september 1999. “Het EVRM en het belastingrecht”. 32/2010. 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. § 1. Door de algemene principes zoals verklaard door het Hof in voorgaande arresten te citeren wordt de indruk gewekt dat het Hof deze zaak aan een grondig onderzoek naar een eventuele discriminatoire behandeling zou onderwerpen. zoals berekend voor de toepassing van artikel 9. 45/2001. GwH 20 mei 1998. 2003. afl. maar betreft de laatste zinsnede van de hierboven meegegeven paragraaf. vormt onderhavige zaak dan toch de uitzondering die de regel bevestigt. zo stelde het Hof. PEETERS. B. Elk van de vier verzoekers voerde aan dat deze paragraaf van de wet precisie en duidelijkheid mist. Het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken vereist dat de bij de wet vastgestelde essentiële elementen van de belasting in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen worden geformuleerd teneinde de belastingplichtige in staat te stellen het bedrag van de verschuldigde belasting te bepalen24. nr. GwH 13 juli 2001. GwH 17 juli 2003. Het bedrag van de individuele bijdrage van de kernexploitanten zoals bedoeld in artikel 2. Ze voerden daarbij aan dat het onduidelijk was hoe de individuele bijdrage voor respectievelijk Electrabel (GDF Suez). 2. en niet 21 22 De volgende aangevoerde schending betreft ook de berekening van de bijdrage. 100/2003. 170. 27 Art. ALEN en K. Hoewel niet expliciet verboden door de Grondwet oefent het Grondwettelijk Hof toch toezicht uit op de rechtmatigheid van retroactieve (fiscale) wetgeving door die wetgeving te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. GwH 17 december 2003. 17/2000. nr. 2. nr. 177/2005. nr. 180/2005. Compendium van het Belgisch Staatsrecht. Deze pro rata-berekening moet uitgevoerd worden op dezelfde manier als voor de bijdrage van het aandeel in de werkingskosten van de Commissie voor nucleaire voorzieningen. EDF Belgium en S. 11 en 172. nr. eerste lid. 97/99. Het Hof oordeelde in deze zaak dat de tekst van de wet duidelijk en precies stelt dat het bedrag van de verschuldigde belasting afhankelijk is van de omvang van de “industriële productie van elektriciteit” door de belastingplichtige.E. en art. Een fiscaalrechtelijke regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten. GwH 7 december 2005. zodat de genoemde bijdrage enkel verschuldigd is door de personen die op die datum een aandeel hadden in die industriële productie van elektriciteit.3. vastgesteld in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. nr. nr. B. Het Hof stelde dat de niet-retroactiviteit van wetten. tweede zin. VERRIJDT. GwH 30 maart 2010. A. 28 23 24 143 . Het Hof stelde vast dat de bepaling in werking is getreden op 29 december 2008. 159/2001. “een waarborg is ter voorkoming van rechtsonzekerheid”. GwH 19 december 2001. “De fiscale grondbeginselen in de rechtspraak van het Arbitragehof”. “Alle aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen bevinden zich niet in een vergelijkbare situatie ten aanzien van een dergelijke maatregel”. MUyLLE. 64. 16 Gw. Beginsel van de niet-retroactiviteit van de fiscale wet25 De beweerdelijke schendingen besproken in deze en de volgende titel betreffen de volgende paragraaf van de gewijzigde Synatomwet. Mechelen. met inbegrip van de evenredigheidstoets. 36. “en dit voor het laatste kalenderjaar”. 10. 54.P. nr. 20/2006. tweede lid Synatomwet. zou moeten berekend worden. nr. 49/98. 32/2010. wordt gevestigd pro rata van hun aandelen in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen. “§ 8. nr.

Frankrijk. Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom31. 2 tot 5 en 8 tot 10 van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet-benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent. indien ze op de belastingplichtige een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie32. Het is. Het Grondwettelijk Hof verwierp alle aangevoerde schendingen en bevestigde de grondwettelijkheid van de aangevochten bepalingen van de programmawet.1. In de parlementaire voorbereiding werd immers gesteld dat het bedrag van de repartitiebijdrage “onbeduidend” was ten aanzien van de “aanzienlijke winst die door de productie van kernelektriciteit wordt gegenereerd” vanwege de versnelde afschrijving van de kerncentrales waarvan de eindafnemer niet heeft kunnen profiteren33.MER | JULI . EHRM 15 december 2009. dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. – al dan niet in samenhang gelezen met art. 32/2010. Ibid. Kamer 2008-09. 41. Frankrijk. eveneens ingesteld door Electrabel (GDF Suez)36. aldus het Hof. De omstandigheid dat die periode dateert van vóór het ogenblik waarop de repartitiebijdrage werd ingevoerd. Zij heeft niet tot doel de belastbare materie of de belastbare grondslag vast te stellen. Het Hof respecteerde haar rechtspraak die aan de wetgever een ruime mate van beoordelingsbevoegdheid toekent in fiscale zaken. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt. ingesteld door de nv “Electrabel”. Het grondwettelijk gewaarborgd eigendomsrecht30 Over de vermeende willekeurigheid van de individuele bijdragen stelde het Hof kort dat daarvan geen sprake is. 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Hof besloot dat de bestreden bepalingen op de bijdrageplichtigen geen buitensporige last doen wegen en niet fundamenteel afbreuk doen aan hun financiële situatie. Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel. §§ 52-54. 40. nr.St. 52-1607/001.. GwH 24 april 2008. volstaat voor het Hof niet om van die laatste een fiscale maatregel met terugwerkende kracht te maken29. De wetgever kon ook redelijkerwijze oordelen dat de last niet “buitensporig” is rekening houdend met die aanzienlijke winst en met de “verantwoordelijkheid van de kernexploitanten en van de vennootschap[pen] die een aandeel hebben in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen in het verval van het park van productie-eenheden voor elektrische energie”34. in EEn RuiMER kaDER 3. Het betreft het arrest inzake het beroep tot vernietiging van bepaalde artikelen van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet-benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent. EHRM 31 januari 2006. Dukmedjian t.SEPTEMBER 2010 het door elke belastingplichtige verschuldigde bedrag. De wet schendt. 35 36 31 32 GwH 30 maart 2010.4. 16 Gw. 3. B. t.5.13. Art.12. handelingen en toestanden die nog niet definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden.2. nr.3. Tardieu de Maleissye et al. nr. 72/2008 inzake het beroep tot vernietiging van de art. 2. met het oog op de eventueel toekomstige rechtszaken voor en arresten van het Hof. Het Hof achtte evenmin het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken geschonden doordat de bij de wet vastgestelde essentiële elementen van de belasting in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen worden geformuleerd. Tot slot ziet het Hof geen onredelijke behandeling van de bijdrageplichtigen wat betreft hun recht op eigendomsbescherming. 32/2010. Wat betreft het globale bedrag was het Hof van mening dat de wetgever het voormelde evenwicht niet verbroken heeft.2. 2.2. GwH 30 maart 2010. 32/2010. nr. vermits de hoogte van de individuele bijdragen afhankelijk is van het aandeel van elke bijdrageplichtige in de industriële productie van elektriciteit door splijting van kernbrandstoffen35.13.3. B. nr. aldus het Hof. Parl. 33 34 144 . interessant om een vergelijking te maken met een ander recent arrest waarin het Hof oordeelde dat de in die zaak aangevochten belasting (ook) niet de Belgische Grondwet noch de grondrechten schond. Het Hof zag het gelijkheidsbeginsel niet geschonden gezien de door de verzoekers aangevoerde categorieën die anders (of gelijk) behandeld werden niet (of net wel) vergelijkbaar zijn in het licht van de doelstelling van de repartitiebijdrage. zodat het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van het recht op het ongestoord genot van de eigendom niet wordt verbroken.AUGUSTUS . ook niet het beginsel van de niet-retroactiviteit van de fiscale wet daar hij van toepassing is op feiten. B. Besluit De drie aandeelhouders van de Belgische nucleaire elektriciteitsproductie voerden ten slotte ook een schending van het grondwettelijk en internationaalrechtelijk gewaarborgd eigendomsrecht aan in zoverre het globale bedrag van de repartitiebijdrage en het bedrag van de individuele bijdragen op willekeurige wijze zouden worden vastgesteld en een onredelijke inbreuk op de individuele vermogenssituatie van de betrokken belastingplichtigen zouden plegen. vergelijking met het arrest van het Grondwettelijk Hof omtrent belasting op onbenutte gronden 29 30 GwH 30 maart 2010. schendt een belasting bijgevolg dat recht.

L.7. 72/2008. De bestreden heffing streeft een doelstelling van algemeen belang na. 38 39 145 . We kunnen nog attenderen op het feit dat de samenstelling van het Hof in beide zaken dezelfde was37.). (B. met het oog op de oprichting door deze laatsten van de in de wet beoogde installaties voor de productie van elektriciteit. van een zakelijk recht op een niet-benutte of onderbenutte productiesite.RECHTSPRAAK De wet van 8 december 2006 en de heffing op de niet. De bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat de voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld. J.-P. doordat in de bestreden wet noch het belastbaar feit (de uitoefening. 170 en 172 van de Grondwet. 11.)). anderzijds. meer bepaald aan concurrenten. 11 en 16 van de Grondwet. Electrabel voerde ten eerste de schending aan van de artikelen 10. namelijk een producent van elektriciteit. op een onredelijke inbreuk van het ongestoord genot van eigendom en op de schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook in dit beroep tot vernietiging steunde Electrabel zich op de schending van het fiscaal wettigheidsbeginsel. (“De voorwaarden van de heffing worden bepaald door een courant technisch gegeven inzake elektriciteitsproductie. SNAPPE. Hoewel de heffing de heffingsplichtige ertoe aanzet een zakelijk recht op niet-benutte of onderbenutte sites voor productie van elektriciteit geheel of gedeeltelijk over te dragen aan derden.8. Daarbij moet de opmerking worden gemaakt dat P. Het Hof behandelde dit middel samen met het vorige middel en zonder er een woord expliciet aan te besteden besloot het Hof dat het middel ongegrond is. De oud-voorzitter ging namelijk op emeritaat enkele dagen voor de uitspraak van het arrest betreffende de repartitiebijdrage. Aangezien het hier een belasting op een onroerend goed betreft. MELCHIOR en M. de redelijkheidstoets. die niet meer beantwoordt aan de vraag. bijdragen tot de afbouw van de dominante positie die een onderneming in de loop der jaren heeft verworven op de Belgische markt van de elektriciteitsproductie. aldus het Hof. door niet-benutte of onderbenutte sites voor de productie van elektriciteit beschikbaar te stellen voor concurrerende elektriciteitsproducenten. waar het Hof ook besluit dat de tekst van de wet wel degelijk duidelijk is.-P. BOSSUyT. noch de belastbare basis (de potentiële productiecapaciteit). MOERMAN. SPREUTELS en T. eerste alinea eerste aanvullend protocol EVRM. nr. DE GROOT. waarbij de niet-benutting of de onderbenutting wordt gedefinieerd in verhouding tot de mogelijkheid om een productie-installatie te bouwen). Het Hof besloot echter dat – de bijzondere hoedanigheid van de belastingplichtige. en een producent die houder is van een zakelijk recht op een niet-benutte of onderbenutte productiesite die. Dit verschilt met het arrest omtrent de nucleaire repartitiebijdrage aangezien in die zaak werd beweerd dat de repartitiebijdrage op willekeurige wijze was vastgesteld en een onredelijke inbreuk op de individuele vermogenssituatie van de betrokken belastingplichtigen zou plegen. niet worden gekwalificeerd als een onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet of als een eigendomsberoving in de zin van artikel 1. MERCKX-VAN GOEy. DERyCKE. ontzet de heffing als zodanig de heffingsplichtige niet uit zijn eigendomsrechten en verplicht zij hem evenmin ertoe tot een eigendomsoverdracht over te gaan. De bestreden heffing kan. Het tweede middel was volgens het Hof gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de wetsbepalingen en het Hof verklaart het dan ook meteen ongegrond. duidelijk wordt gedefinieerd38. in acht genomen39 – de essentiële elementen van de belasting voldoende precies waren gedefinieerd en dat het fiscaal wettigheidsbeginsel bijgevolg niet was geschonden. enerzijds. dat gekend moet zijn door zowel de elektriciteitsproducenten die een zakelijk recht uitoefenen op een site voor de productie van elektriciteit – waarvan zij geacht kunnen worden de maximale productiecapaciteit te kennen en bijgevolg de potentiële productiecapaciteit – als door de ambtenaren die ermee belast zijn over de toepassing van de bestreden wet te waken” (B. op korte termijn verhogen en moderniseren. HENNEUSE. ALEN. BS 7 januari 1989). hoewel die personen zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden. R. J. Impliciet hanteert het Hof wel de vijfde fase van de “gelijkheidstoets” zoals hierboven uiteengezet. Ten tweede voerde Electrabel de schending aan van de artikelen 10.3. die beslist de site niet af te staan alhoewel hij zulks zou kunnen doen. de productiecapaciteit in België. Electrabel stelde dat de bestreden bepalingen ten onrechte de producent die houder is van een zakelijk recht op een niet-benutte of onderbenutte productiesite. en. 60bis bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Namelijk samengesteld uit de voorzitters M. GwH 24 april 2008. E. om redenen onafhankelijk van zijn wil. de site niet heeft kunnen afstaan tegen voorwaarden waaronder hij de verschuldigdheid van de heffing had kunnen vermijden. Ten slotte haalde Electrabel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan.7. in zoverre de combinatie van enerzijds de bepalingen waarbij de heffing werd ingevoerd en anderzijds van die welke voorzien in een vrijstelling of een schorsing ertoe leidde dat een quasi gedwongen verkoop wordt ingevoerd die neerkomt op een feitelijke onteigening. A. namelijk. LAVRySEN. B. E. hun ambt blijven uitoefenen in de zaken waarin zij zitting hadden ter terechtzitting en die in beraad zijn genomen vóór de datum van hun inrustestelling en nog niet tot een beslissing hebben geleid (art.7. MARTENS als “emeritus voorzitter” zitting nam. aan dezelfde heffing onderwerpen. J. al dan niet in samen37 hang gelezen met artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). al dan niet in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel inzake belastingen en met het rechtszekerheidsbeginsel.7. door een elektriciteitsproducent. en de rechters P. haalde Electrabel aan dat de belasting een onrechtmatige onteigening betreft. MARTENS.of onderbenutte sites voor de productie van elektriciteit had en heeft tot doel de benutting van de productiecapaciteit van de Belgische sites voor elektriciteitsproductie te verbeteren door de openstelling van de markt voor nieuwe operatoren te bevorderen. Dit is gelijklopend met het arrest betreffende de repartitiebijdrage.

De Synatomwet zoals gewijzigd door de programmawet van 2009 bevat nog steeds de hierboven geciteerde doelstelling.html. maatregelen die nodig zijn om de uitgaven te dekken die Art. Paul MAGNETTE (hierna “de minister”). www. via par ailleurs la réduction forfaitaire de 105 euros pour les ménages qui se chauffent à l’électricité et qui ont des revenus jusqu’à 27. Terwijl de belanghebbende partijen. http://trends. In de parlementaire voorbereiding wordt lou45 46 (a) Repartitiebijdrage voor 2009 Het zal geen verbazing wekken als we meegeven dat toenmalig federaal minister van Energie. il faut maintenant discuter de manière structurelle de la façon dont on affecte ces montants”46. Nieuw art. Commissie voor het Bedrijfsleven.04. Commissie voor het Bedrijfsleven. vierde lid Synatomwet.MER | JULI . http://magnette. nr. aldus het Hof. Anderzijds werden de nucleaire aandeelhouders ook verplicht 250 miljoen euro te storten in een fonds voor de bevordering en de ondersteuning van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen. het Wetenschapsbeleid. In de Synatomwet staat – zowel na de wijziging van 2008 als die van 2009 – dat de bijdrage dient om “’s lands energiepolitiek en de maatregelen genomen door de regering te financieren. On a plus que largement dépensé ces 250 millions pour une politique de l’énergie au profit du consommateur. de heffingplichtige kan ook aan de heffing ontsnappen door spoedig over te gaan tot de door de wetgever beoogde overdracht van zakelijke rechten.SEPTEMBER 2010 De bestreden heffing kan volgens het Hof niet worden geacht onevenredig te zijn met de beoogde doelstelling. § 8. Bij een vraag aan de minister wat er effectief gebeurd is met de repartitiebijdrage. 72/2008. § 8.10. maar bepaalt nu ook expliciet dat “het bedrag zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting”48.be/index. Deze belasting bestaat enerzijds uit een repartitiebijdrage van 250 miljoen euro.000 euros et via notamment les 500 millions de réductions et de crédits d’impôts que le gouvernement accorde tous les ans pour les travaux économiseurs d’énergie chez les particuliers.html.3. 176-184 programmawet 23 december 2009. tweede lid Synatomwet. de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen.be/nl/economie/nieuws/beleid/gdf-suez-betaaltnucleaire-heffing/article-1194633237412.php?directory_normalized_name=Leministre&content_normalized_title=La-contribution-des-250-millionsde-la-part-des-producteurs-delectricite-nucleaire-validee-par-la-Courconstitutionnelle-30-mars-2010. Belgische Kamer Van Volksvertegenwoordigers. B. heeft het arrest van het Hof van 30 maart 2010 hen blijkbaar op andere gedachten gebracht. Niet alleen wordt de totale heffing beperkt tot 3 % van het gedeelte van het omzetcijfer dat betrekking heeft op de elektriciteitsproductie en dat de heffingplichtige heeft gerealiseerd op de Belgische elektriciteitsmarkt tijdens het laatste afgesloten boekjaar. de beslissing van het Hof inzake de nucleaire repartitiebijdrage verwelkomde41.02. De termijn om beroep in te stellen is eind juni 2010 verstreken en Electrabel (GDF Suez). in niet mis te verstane bewoordingen lieten weten dat ze beroep zouden instellen tegen de programmawet van 23 december 200943.htm. Gevolgen naar de toekomst toe nodig zijn om tussen te komen ten gunste van de investeringen op de elektriciteitsmarkt. de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen. Die wordt dus door alle consumenten gedragen en niet zozeer door de begroting47. die in de nettarieven wordt opgenomen. Wat betreft de repartitiebijdrage. de Middenstand en de Landbouw van woensdag 31 maart 2010.fgov. is de werkwijze van de programmawet van 2009 dezelfde als die van 2008. namiddag. is voor het jaar 2009 een bijdrage van 500 miljoen euro ingeschreven ten laste van de aandeelhouders van de nucleaire elektriciteitsproductie. 3. tot dekking van uitgaven en investeringen inzake kernenergie. naar het model van de bijdrage voor 2008. met Electrabel (GDF Suez) op kop.dekamer. In de programmawet van 23 december 200942. Il se fait que le prélèvement effectué en 2008 a été largement restitué en 2009 au consommateur via une réduction forfaitaire de 30 euros dont ont bénéficié l’ensemble des ménages. ontwerp van programmawet. de verzoekende partij geen enkel concreet gegeven aan waaruit zou blijken dat de heffing van dien aard is dat zij haar winstmarge op ernstige wijze kan aantasten40.rnews. In de memorie van toelichting noch in het advies van de Raad van State wordt ingegaan op de ratio legis van deze additionele bepaling49. SPE (EDF) en Synatom lijken te oordelen dat een nieuwe juridische procedure niet opportuun is44. 14. namiddag. DOC 52 2278/001. www. “Electrabel niet in beroep tegen nucleaire heffing”. stelt hij: “Il n’a jamais été question que le gouvernement taxe pour boucher un trou dans son budget. het Onderwijs.be/FLWB/ pdf/52/2278/52K2278001. Een attent parlementslid merkte echter op dat de forfaitaire energiekortingen (van 30 en 105 euro) niet mogen meegerekend worden.dekamer. ter bestrijding van de stijgende energieprijzen en ten slotte ter verbetering van de mededinging op de energiemarkt in het voordeel van de consumenten en de industrie”45.dekamer. de Middenstand en de Landbouw van woensdag 31 maart 2010. De Tijd 2 juli 2010. Ceci étant. BS 30 december 2009.pdf. www.be/doc/CCRI/html/52/ic860x. 47 42 48 49 43 44 146 . De federale bijdrage is een openbare dienstverplichting. 40 41 GwH 24 april 2008.2. Dit arrest van het Hof betreft echter enkel de repartitiebijdrage voor het jaar 2008.be/doc/CCRI/html/52/ic860x. het Wetenschapsbeleid. 14. het Onderwijs. Overigens droeg.AUGUSTUS . § 18. want die worden gefinancierd via de federale bijdrage. Art. ter versterking van de bevoorradingszekerheid. § 18. 25 november 2009.

b e / d m / n l / 6 7 7 9 / K e r n e n e r g i e / a r t i c l e / d e tail/1102448/2010/05/06/quot-GDF-Suez-niet-gebonden-aan-bijdrage-voor-openhouden-kerncentrales-quot. het Wetenschapsbeleid. de Nationale wetenschappelijke en culturele Instellingen. Er werd verwacht dat het Hof zich opnieuw zou moeten uitspreken over de nucleaire repartitiebijdrage. CREG. Advocaat bij Stibbe en vrijwillig medewerker bij het Centrum voor milieu.07.dekamer. CREG.standaard. toegegeven.html. § 03. 51 52 53 54 55 57 S. zie ook M. www. Deze wijzigingswet is er echter niet gekomen door de val van de federale regering.creg. het Onderwijs. De Standaard 11 juni 2010. Daarnaast moet er ook gewezen worden op het initiatief van Duitsland waar de regering in het kader van een besparingsplan de uitbaters van de Duitse kerncentrales van 2011 tot 2014 een nucleaire taks oplegt56. Rechtszekerheid is op dat vlak een must. http://trends. rnews. sottiauX. De regering (in een nieuwe formatie) moet. Daarnaast moet ook beslist worden over de hoogte van de bijdrage ten laste van de nucleaire aandeelhouders. De Standaard vrijdag 26 maart 2010.RECHTSPRAAK ter onderstreept dat de repartitiebijdrage “zal worden aangewend voor het budget van de Rijksmiddelenbegroting”50. 2004. Brussel. Persbericht van 28 mei 2010.info/pdf/Studies/F968NL. zie ook Trends 12 mei 2010. maar in 2025. de Middenstand en de Landbouw. het Onderwijs. Bruylant. en nu ook de belastingplichtigen zelf door de nieuwe programmawet niet te willen aanvechten. de Middenstand en de Landbouw van woensdag 31 maart 2010.-F. Studie (F)100506-CDC-968 van 6 mei 2010 over de kostenstructuur van de elektriciteitsproductie door de nucleaire centrales in België. De regering krijgt een vrijgeleide om ook voor 2010 de noodlijdende staatskas aan te vullen met een bijdrage ten laste van de nucleaire producenten. Commissie voor het Bedrijfsleven. 17. De levensduur van de drie oudste kernreactoren zou met 10 jaar worden verlengd. (b) Het eventueel uitstel van de uitstap op de kernenergie Het uitstel51 van de uitstap op de kernenergie werd door een overeenkomst tussen de federale overheid en GDF Suez bezegeld op 22 oktober 2009 in een “protocolakkoord”. waardoor ze niet in 2015 sluiten. Hoogstwaarschijnlijk zal de regering die bijdrage naar goede gewoonte in de programmawet van eind 2010 inschrijven. Van Compernolle. w w w. Een repartitiebijdrage van 250 miljoen euro is niet te veel. verslag.be/artikel/detail. soms heel bondig en ondoorzichtig – toch de door de rechtsleer ontwaarde stappen volgt bij haar toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. ontwerp van programmawet. anderzijds. www. thomas Deruytter58 Belgische Kamer Van Volksvertegenwoordigers.dekamer. het Wetenschapsbeleid.pdf.be/doc/CCRI/html/52/ic860x. nr. uitgebracht door de dames Liesbeth VAN DER AUWERA en KARINE LALIEUX.htm. De wetgever mag dan al in fiscale aangelegenheden beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid. d e m o r g e n . de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen. Om deze reden wordt hier dan ook niet dieper ingegaan op de kritische vragen die de Europese Commissie aan de minister stelde naar aanleiding van dat akkoord54. Omgerekend naar Belgische maatstaven zou dat een bedrag van jaarlijks 675 miljoen euro betekenen. zich afvragen wat een redelijke bijdrage voor 2010 mag zijn. Universiteit Gent. Van 2010 tot 2015 zou GDF Suez jaarlijks 2015-245 miljoen euro hebben moeten betaald. het redelijkheidsbeginsel stelt paal en perk aan die beoordelingsbevoegdheid.creg. die de wet op de kernuitstap van 31 januari 2003 moet wijzigen. “De CREG becijfert de aanzienlijke winsten gegenereerd door kerncentrales en de steunmaatregelen voor hernieuwbare energie”. “Het gelijkheidsbeginsel: langs oude paden en nieuwe wegen”. RW 2008-09. BESluit Hoewel de belasting die de nucleaire producenten moeten dragen ruime steun geniet. De volgende regering moet dus vooreerst beslissen of de kernuitstap nu uitgesteld wordt of niet. 11 december 2009. RIGAUX. De vraag is of het protocolakkoord nog zal worden omgezet? Enerzijds bevatte die overeenkomst geen verregaande toegevingen van GDF Suez. 12. aspx?artikelid=E62O22G8. 694.be/nl/economie/nieuws/beleid/oudste-kerncentrales-dichtin-2015/article-1194731390201. ditmaal de bijdrage voor het jaar 2009. maar daar krijgt ze niet de kans toe. 607-608. Daarnaast was er ook al de oproep ten aanzien van het Hof om af te stappen van de huidige ad hoc-toepassing van die criteria die het bruikbaar acht en een meer expliciete koers te varen57. www. DOC 52 2278/012. Een studie van de CREG heeft ondertussen aangetoond dat de winstmarge behaald met de productie van elektriciteit in de kerncentrales een veelvoud daarvan zou bedragen55. namens de Commissie voor het Bedrijfsleven. De bepalingen van die overeenkomst moesten evenwel nog worden omgezet in een wet52. De minister gaf ook al aan dat door de val van de regering de volgende regering niet gebonden is door het “protocolakkoord”53. 58 56 147 . zo oordeelde eerst het Hof. www. www. was in juridische kringen de kritiek te horen dat het Hof de bestreden bepalingen te welwillend las. 4. “Le contrôle d’opportunité exercé par la Cour d’arbitrage et le pouvoir discrétionnaire du législateur” in Mélanges J.be/FLWB/ pdf/52/2278/52K2278012. Indien.dhtml. Het zou de marginale toetsing veel te marginaal hebben toegepast.info/pdf/Presse/2010/compress28052010nl. het protocolakkoord niet zou worden omgezet rijst de vraag naar de mogelijke aanspraken van de groep Suez tegen de staat en naar haar bereidheid nog te investeren in België.en energierecht. namiddag.pdf. samen met de andere nieuwere kernreactoren. Daarenboven zijn er ondertussen ook het bovenbesproken arrest van het Grondwettelijk Hof dat geen graten ziet in een repartitiebijdrage ten laste van de nucleaire producenten en een nieuwe programmawet die een 50 bijdrage van 500 miljoen oplegt en niet is aangevochten voor het Grondwettelijk Hof.pdf. rekening houdend met de belangen van de nucleaire industrie. In de bespreking van het arrest heb ik willen aantonen dat het Hof – hoewel.