BOSNISCHE PUINHOOP

Door:

Johan en Aida Verheyden

1

2

Deel I: De andere kant van het glas.

Ik schrijf deze pagina's voor jou, omdat je zou weten waarom ik je mama heb leren kennen; omdat je op een dag met allerlei vragen op me af gaat komen waarop ik het antwoord al lang niet meer zal weten. Ik schrijf deze woorden op omdat ik wil vastleggen wat ik je later allemaal zal willen vertellen. Je bent nog niet geboren, ik weet zelfs nog niet of je mijn zoon of mijn dochter zal zijn. Maar ik weet dat jij er bent, dat je één van de weinige mooie momenten van deze oorlog bent. Jij was er al die tijd al; je was onvermijdelijk want temidden van de verwoesting en de wanhoop in je moederland kwam ik je mama tegen, op een middag in April. Ik weet niet goed waar ik moet beginnen, want dit is geen sprookje over een prins en een prinses in een ver land, dit is een nachtmerrie in een land dat op slechts twee uur vliegen ligt van Antwerpen, van waar mijn deel van het verhaal begint. Ik ben geboren toen er van een oorlog bij ons geen sprake meer was, ondanks alle verhitte kinderdiscussies over een apocalyptische atoomaanval die ergens in het midden van de jaren tachtig had moeten beginnen. In onze straat werd geen oorlogje gespeeld want we kregen geen klapperpistooltjes van onze ouders-pedagogen. Voor ons was oorlog iets wat zich aan de andere 3

kant van het glas afspeelde. Ik ben opgegroeid met de oorlog in Libanon op de achtergrond; het begin van de golfoorlog wou niemand missen, en met een zak chips en de nodige biertjes in de koelkast zat ik klaar op die nacht van de 16e januari. En al die oorlogen tussenin, niet alleen ver af in landen die deden dromen, maar ook weer aan de andere kant van het glas, aan de onbereikbare zijde ons venster op de wereld. Ook die eerste maanden van de oorlog in Bosnië speelden zich voor mij uitsluitend af op het Tv-scherm, op CNN en de BBC. Plaatsen als Sarajevo of Mostar werden stilaan gemeenplaatsen, dat er in Bosnië moslims, katholieken en orthodoxen woonden werd ons duidelijk gemaakt door reporters met kogelvrije vesten, die ergens ongrijpbaar aan de andere kant van het scherm vertelden hoe mensen die er niet anders dan ik uitzagen moeste rennen en duiken, hoe zeventien mensen in een klap niet meer bestonden omdat ze in de rij moesten staan bij de broodbedeling toen een Servische granaat insloeg. Mensen die in plassen bloed lagen, onbereikbaar en hulpeloos aan de andere kant van het venster. Ik zou met de trein op reportage naar Peking gaan, via Moskou, dwars door Siberië. Een idee dat was beginnen rijpen in de school voor communicatiewetenschappen, waar ik mijn eerste jaar aan het uitzweten was, omdat de broer van een meisje van mijn klas iets met garnalen deed in China. Maar die trip viel in het water, en van op mijn uitkijkpost, mijn bed, begon ik met het idee te spelen om zelf eens een kijkje te gaan nemen aan de andere kant van het venster. De gedachte werd onmiddellijk weer verworpen, maar de tintelingen bleven, en letterlijk een uurtje later was ik al plannen aan het maken voor een onderneming die ik waarschijnlijk toch nooit zou ondernemen. 4

Via vrienden kon ik een lift krijgen naar Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië en vandaar uit was het maar een paar uurtjes met de trein naar Zagreb. De beslissing was snel genomen, en stiekem kocht ik een scherfwerende vest. Ik had geen er flauw idee van of dat ding ergens goed voor was, maar ik 'trok de oorlog in...'. Mijn beste vriend, Mitchell, had net zijn legerdienst achter de rug en kwam aanzetten met een hoop goede raad en een helm. Ook hij vond dat ik gek was, maar beloofde zijn mond te houden tegen de rest van de wereld die nergens iets van wist. Van een Antwerpse krant had ik een soort van belofte gekregen dat zij mijn foto's en artikels zouden kopen; ze zouden zelfs iets meer betalen dan de gewoonte was en met een goed gevulde fototas en enkele tientallen rolletjes film stapte ik op een maandagochtend in de auto van Koen. De avond voor het vertrek had ik ook nog even gebeld met de BRTN-radioredactie. Toenmalig hoofdredacteur Roger Adams kon me niets beloven, maar had 'in principe' wel interesse voor een aantal bijdragen. Ik had er geen moment aan getwijfeld dat ik vanuit de belegerde Bosnische hoofdstad wel ergens een telefooncel zou zijn van waaruit ik kon telefoneren om radiostukjes door te spelen. Koen zou bij zijn vriendin in Ljubljana intrekken, en zijn oude wagentje was afgeladen vol. Mijn rugzak werd ergens in de koffer gepropt, we dronken nog een laatste kop koffie bij mij thuis en dan gingen we op pad. Zeventien uur later dropte Koen me af aan het station van Ljubljana, hij gaf me nog snel zijn telefoonnummer en leerde me dat 'Hvala' dank u betekent in het Servo-Kroatisch. Gelukkig sprak de beambte aan het loket zowel Engels als Duits, en voor 720 Tolar, kreeg ik mijn ticketje naar Zagreb. De trein zou binnen het half uur wel komen. Gesterkt door mijn eerste indruk dat 'iedereen' Engels of Duits sprak, zette ik me neer op een bankje, 5

uitkijkend voor een mogelijke gesprekspartner, maar ik kwam bedrogen uit. Perron 2 was verlaten. In de stationsrestauratie was ook al niemand te bespeuren, op een paar dronken mannen na, die telkens hun leeggoed kwamen inwisselen voor een nieuwe fles wijn of bier. Het half uur was verstreken, en de trein was nog steeds niet in zicht. Twee uur later was er nog steeds geen trein het station binnengerold, maar ik kreeg gezelschap. "Ja sam iz Tuzla, ja sam iz Tuzla, " zei de bedronken man met het ongeschoren gezicht. Ik knikte hem bemoedigend toe, glimlachte even en tuurde weer naar mijn rugzak, zachtjes vloekend op de trein die maar niet wou komen. "Ja sam iz Tuzla, iz Tuzla." zei de man weer. Of hij Engels sprak, of Duits misschien? "Iz Tuzla, Ja sam iz Tuzla." Ik begreep geen woord van wat hij wou zeggen, en vreemde talen waren, hoe traag en hoe eenvoudig mogelijk ze ook uitgesproken waren, aan de man in het versleten zwartgeruite kostuum niet besteed. Hij haalde een pen uit zijn binnenzak en tekende op de achterkant van zijn kaartje drie stippen, "Sarajevo, Zenica, Tuzla, Tuzla". "Ja sam iz België," probeerde ik voorzichtig. De man was uit Tuzla, maar ik had geen idee waar die stad ook mocht wezen. Ik had hoe dan ook geen idee van waar ik naar toe ging, Ex-Joegoslavië was voor mij een abstract begrip, en al die nieuwe republieken waren Terra Incognito. Ik had zelfs geen reisgids geraadpleegd alvorens te vertrekken. Ik had een vaag idee over Joegoslavië, hoofdzakelijk gevormd door tweedehands-verhalen. Het was het land waar dikke Duitsers en Nederlanders naakt aan de kust lagen, een land waar alles spotgoedkoop was en waar de kelners aan de lopende band vrouwen versierden. Oversimplificatie was mij niet vreemd. Ondertussen ging de man uit Tuzla maar door met praten, duidelijk niet bewust dat ik geen woord begreep van wat hij zei. Eindelijk was de trein 6

aangekomen, en we stapten beide op. De man was duidelijk blij dat hij een luisterend oor gevonden had, en zette zich neer tegenover me. Moegetergerd door het steeds weerkerende "Ja sam iz Tuzla" ging ik op de gang staan, uitkijkend in de nacht over het voorbijglijdende landschap. Ik zag niks, alles was pikdonker, alleen in de verte waren de lichtjes van enkele dorpen te zien. Aan de grens tussen Slovenië en Kroatië stond de trein stil voor een half uur. Spoorwegmannen klopten met grote hamers op de wielen, lampen werden heen en weer gezwaaid en de grenspolitie kwam onze papieren controleren. Mijn paspoort werd zorgvuldig nagekeken, de rugzak moest opengemaakt worden. Toen de kogelvrije vest bovenkwam, glimlachte de douanebeambte even en vroeg of ik een journalist was. Zelf nog onwennig over het idee, wees ik op mijn fototas en zei dat ik naar Bosnië ging. Hij wenste me geluk, en ging zijn collega bijstaan die in een verhitte discussie gewikkeld was met de man uit Tuzla. Zijn papieren waren niet in orde, hij mocht de grens niet over. Uitkijkend in de nacht reed ik het station van Zagreb binnen. Vol goede moed en hoge verwachtingen liet ik me neer op het perron, uitkijkend naar de eerste VN-blauwhelmen die mijn fantasieën over de Kroatische hoofdstad bevolkten. Via de ondergrondse tunnel liep ik het station uit en belande op een bushalte. Zagreb leek me maar niks; enkele flatgebouwen en de drie busperrons. Later zou ik merken dat ik de verkeerde kant op was gegaan, het stadscentrum, met zijn hotels, restaurants en pleinen lag aan de andere kant van het stationsgebouw. Maar, daar was hij dan, mijn eerste blauwhelm. Een Fransman, met zijn lichtblauwe baret onder de epauletten weggemoffeld. Ik schraapte mijn moed bij elkaar, hijste mijn rugzak op mijn schouders en vroeg hem of "er soms ergens een blauwhelmen-kamp was waar ik de nacht zou kunnen doorbrengen, ik was tenslotte toch een buitenlandse journalist". 7

Misschien dat ik op de luchthaven, waar het doorgangskamp van de VN gelegerd was, een plekje zou kunnen krijgen. Hij zou het zijn kapitein vragen. Na een halfuurtje bussen, door een nachtelijk Nieuw-Zagreb, een jungle van hoge woontorens waar na negen uur 's avonds niemand meer op straat te bespeuren is, kwamen we aan onze halte. We waren ergens temidden van de velden afgestapt, en mijn Franse compagnon zei dat we nu nog een drietal kilometer te voet moesten, tot aan het kamp. Rugzak op de schouders, gesterkt door de gedachte dat ik weldra bij de blauwhelmen een legerstede zou krijgen probeerde ik de Legionair bij te houden. Met achtendertig kilo op de rug beslist geen makkelijke opgave, maar ik was op avontuur. Alleen al deze trip tot Zagreb en de ontmoeting met die mythische vredessoldaten maakten er een onvergetelijke dag van. Tot we aan de zwaar bewaakte poort kwamen. De Franse soldaat praatte met de wachtpost, die op zijn beurt een superieur ging halen, die me uiteindelijk meedeelde dat het onmogelijk was om burgers te herbergen. Er zat niets anders op dan naar Zagreb terug te keren en in een hotel in te checken. De drie kilometer lange voettocht, het half uur met de bus en het vooruitzicht om in een onbekende stad een hotel te moeten zoeken spraken me niet echt aan. Teleurgesteld keerde ik op mijn schreden terug, tot aan de civiele terminal van de luchthaven. Neergeploft op een bankje, keek ik uit op een plantsoen; net wat ik nodig had om zonder al te veel op te vallen te kunnen overnachten. De slaapzak, ook een overblijfsel van Mitchell's legerdienst, zat natuurlijk onderin mijn rugzak, maar na alles uit- en daarna weer ingepakt te hebben, kon ik me neervlijen op een uiterst comfortabele bank in het parkje. Geld en fototas aan mijn voeten, in de slaapzak, een laatste blik die de wolkeloze hemel op mogelijke tekens van regen scande, en dan val ik, vol van nieuwe indrukken in slaap. 's Ochtends snel even tanden gaan poetsen in de 8

toiletten, een koffie drinken en dan op zoek naar het hoofdkwartier van de Verenigde Naties, dat zich blijkbaar niet op de luchthaven bevindt. Met de luchthavenbus gaat de reis weer naar Zagreb-centrum. Op het busstation wordt me uitgelegd dat in Selska Cesta moet wezen. Met tram 11 of 12 kan ik daar wel komen. Ik was al snel vergeten de haltes te tellen en de trambestuurder was niet al te behulpzaam. Hij begon, in een mengelmoes van Duits en Engels te vloeken over de Verenigde Naties die zijn land bezetten. Enkele omstanders gromden instemmend, maar een vriendelijke dame zou me wel op tijd waarschuwen waar ik moest afstappen. Ze legde me uit dat de Vredesmacht, die zich ook in Kroatië tussen de separatistische Serviërs en de Kroaten hadden opgesteld, vaak als een bezettingsmacht werden beschouwd, die de Kroaten belet om de rebellerende gebieden weer onder het gezag van Zagreb te brengen. Ondertussen kwamen we aan de halte waar ik moest uitstappen, en de vriendelijke dame wees me een soort van kazerne aan. Daar moest ik wezen. Ze zei me voorzichtig te zijn, zeker als ik naar Bosnië ging, daar was het helemaal een gekkenhuis. Mijn schouders ophalend, stapte ik uit, en liep op het 'HQ', het hoofdkwartier van de VN toe. Eens de Zweedse wachtposten gepasseerd, beland ik aan de bij Patricia, een Roemeense schone die perskaarten aanmaakt. Vloeiend in een zestal talen, knipt en plakt Patricia er op los; ze is duidelijk overgekwalificeerd voor de job, maar ze ziet er uit als een secretaresse, en wordt in het VN-systeem dus ook als dusdanig ingeschakeld. Of ik een perskaart kon krijgen, want ik zou naar Sarajevo willen gaan, en of de VN voor transport naar de Bosnische hoofdstad kon zorgen. Beide waren geen probleem, de VN had vluchten naar Sarajevo vanuit de Kroatische havenstad Split, daar kon ik met een gewone, commerciële vlucht komen. Patricia haalde zelfs de tijdstabel van 9

Croatia Airlines boven, diezelfde avond kon ik nog vertrekken zei ze. Voor mijn perskaart had ik een brief nodig van mijn 'agency', die had ik niet, maar een telefoontje naar de krant maakte alles goed, zij zouden de brief in de loop van de namiddag faxen. Patricia kleefde ook mijn foto op een VNperskaart, tijpte mijn naam verkeerd en begon opnieuw. Dan ging het kaartje door de plastificiëringsmachine en ik was een 'UN accredited journalist'. "Iedereen wordt vriendelijk gevraagd om deze persoon alle medewerking te verlenen in het uitvoeren van zijn taak" stond op de achterkant. Niets kon meer fout gaan. Met de hulp van de Zweedse wacht aan de ingangspoort kon ik een lift krijgen naar de luchthaven, waar ik, aangezien ik heel wat tijd te doden had voor mijn vlucht naar Split, met de verzamelde horde journalisten naar de aankomst van een of andere VN-generaal ging. De foto van de man hangt nog steeds boven mijn bureau in Antwerpen, maar de krant was niet geïnteresseerd. Aangezien ik het voornemen had slechts een tweetal weken in Sarajevo te blijven, en omdat ik op mijn eigen spaarcenten teerde, had ik slechts 750 DM op zak. Het ticket naar Split kostte 120 DM, maar aangezien ik nog geen 25 was gold het jeugdtarief. Twintig mark gespaard. Een klein uurtje later landde ik in Split. Een dame aan de inlichtingenbalie wist een goedkoop pensionnetje, want met het beetje geld dat ik op zak had, kon ik me het in het groot geadverteerde 'Hotel Split' niet permitteren. Wat ze er niet bij vertelde was dat de taxi naar Trogir, waar het pensionnetje lag, alle besparingen teniet zou doen. Het kamertje was 400 frank voor de nacht, fles spuitwater en ontbijt inbegrepen; ik was trouwens de enige klant, de oorlog die ook in Kroatië woedde deed de toeristenindustrie geen goed. 's Ochtends, om zes uur, werd er een monumentaal ontbijt opgediend, op het 10

terras. Ik wou zo snel mogelijk weer op de luchthaven zijn, om die eerste en enige vlucht naar Sarajevo niet te missen. "Een taxi bellen was niet de moeite," vond de pensioneigenaar, "die moest uit Split komen, en dat zou me een fortuin kosten." Hij zou me wel even brengen, met de complimenten van het huis. De Fransen, die de 'Airlift', de luchtbrug met Sarajevo in goede banen leidden, zeiden dat er maar twee plaatsen op het vliegtuig waren, en die waren al gereserveerd. Ik kon wel op de wachtlijst geplaatst worden, er was al één passagier voor me op die lijst. Als die twee niet kwamen opdagen konden we die dag nog weg, anders moesten we het de volgende dag maar proberen. Maar, zoals al heel de reis, lachte het geluk me toe, en na een half uurtje wachten werden John Pomfret van de Washington Post en ik naar de incheckbalie geleid. Militaire politie controleerde of we geen wapens smokkelden, en of we wel een helm en kogelvrije vest hadden. Dan werden we, te voet, over het tarmak begeleid naar de Hercules C-130 die met draaiende propellers op ons wachtte. Via het smalle deurtje achter de cockpit werden we, met bagage op de rug, naar binnen gehaald en nog voor de deur goed en wel dicht was taxiede het vliegtuig richting Sarajevo. Met een air over me alsof ik elke dag militaire vliegtuigen vloog zette ik me neer in een van de canvas-zetels die langs de zijkanten van het toestel stonden. Nou, zetels, het zijn eerder een soort van hangmatten waarin je tijdens de vlucht wordt heen-en-weer geslingerd. "Fasten Your Seatbelts" schreeuwde één van de Fransen op de top van zijn longen, want om boven het geluid van de propellers heen te komen, moest je van goede komaf zijn. Dat was de man, een korte Breton in een veel te smalle uniformbroek die de vissersboot van z'n vader voor het luchtschip had gewisseld. Na een half uurtje vliegen kwamen we boven 'vijandelijk gebied'. De Breton ging aan een van de 11

raampjes staan, gespte zich in zoals een van zijn voorvaderen dat ongetwijfeld ooit in een kraaienest deed, en keek naar Bosnië, ergens diep onder ons. Hij moest er op letten dat 'Ces fous d'en dessous, die gekken van daar benenden, z'n vliegtuig niet op de korrel zouden nemen. Instinctief voelde ik ook aan dat het tijd werd om dat kogelvrije vest maar eens boven te halen en die helm op mijn hoofd te zetten. Z'n koptelefoon naar achteren schuivend, gaf de Breton z'n bevelen, en iedereen trok dus maar dat vest aan. Enkele minuten later werd het duidelijk dat ik werkelijk in Sarajevo zou aankomen. Het vliegtuig maakte een steile landing, eigenlijk liet de piloot het toestel meer uit de lucht vallen dan wat anders, en door het kleine, ronde boordraampje kon ik, net voor de 'touchdown' de eerste vernielde huizen zien. We taxieden in de richting van de kapotte luchthavengebouwen, het toestel draaide en we stonden nog niet stil of de laadklep aan de achterkant van het vliegtuig werd geopend. De motoren bleven draaien, en enkele Fransen, allen met een kogelvrije vest aan en een lichtblauwe helm op de kop, kwamen aanrijden in enorme heftrucks. Alle voertuigen die her en der naast de landingsbaan stonden waren wit, met in het groot 'UN', United Nations opgeschilderd. De voedselpaketten, de belangrijkste vracht van de luchtbrug, werden razendsnel afgeladen, en wij werden gesommeerd onze spullen te pakken en zo snel mogelijk naar de gebouwen te lopen. Er schoten namelijk soms Servische sluipschutters op de mensen die uit de vliegtuigen stapten. Rugzak op de schouders gehesen, een laatste blik op de laadruimte van de Hercules, en dan, met een grote zucht naar de buitenwereld toelopend, weet ik niet wat me te wachten staat. De Franse blauwhelmen helpen ons van de laadbrug aan de achterkant te springen en roepen dat we moeten opschieten. John Pomfret volgend, loop ik op de gebouwen toe, op een sukkeldrafje, niet echt geholpen door het scherfvest en de rugzak. 12

Dat veel tijd om om me heen te kijken had ik niet, want plots deed iedereen heel druk en doken de soldaten achter hun met zandzakjes versterkte containers, de Franse Gendarmes riepen ons toe dat we in dekking moesten, de Sniper was weer eens actief geworden. Het eerste schot had ik niet eens gehoord, de motoren van de ijlings opstijgende Hercules overstemden alle geluid. Van achter mijn container, hijgend van de honderd meter sprintmet-rugzak, hoorde ik voor het eerst het bekende filmgeluid; een kogel kwam 'overfluiten', zoals dat heet; een cliché-uitdrukking misschien, maar er is geen betere beschrijving voor voorbijvliegende projectielen. Wat me het meest verbaasde was niet dat er geschoten werd, dat is toch normaal in een oorlog, maar dat er op blauwhelmen en journalisten werd gemikt. En dat die soldaten met al hun vervaarlijk uitziend materiaal niets anders deden dan zich verschansen achter hun zandzakjes. Ze schoten zelfs niet terug. Toen ik er tegen John een opmerking over maakte, glimlachte die eens, en draaide zich om. Ik wist helemaal niks over de oorlog, over vredesmissies van de Verenigde Naties, over mandaten en 'rules of engagement', de spelregels die bepalen of een blauwhelm mag terugschieten of niet. Ik wist zelfs niet hoe ik de stad ging inkomen. De Fransen hadden een soort van pendeldienst, de 'shuttle' tussen de luchthaven en het PTT-gebouw in Sarajevo, waar het hoofdkwartier van de UNPROFOR, de United Nations Protection Forces, was gevestigd. John zei me dat daar elke morgen een persconferentie werd gehouden, als we op tijd de shuttle haalden zouden we nog het vragen-uurtje halen. "Interessant", dacht ik, geen flauw idee hebbend waarover die persconferentie wel zou kunnen gaan. De pendel was een soort van tank, zonder kanon op, leek me.

13

In het Frans heet zoiets een VAB, de Engelsen noemen het een Armoured Personel Carrier. De rit naar het stadscentrum bood een interessante aanblik, het was alleen een beetje jammer dat we door een soort van kajuitraampjes met een doormeter van zo'n 10 cm moesten turen. Alles was kapotgeschoten. Dobrinja leek een mooie wijk voor de oorlog, misschien wel een beetje te dicht bij de luchthaven, maar de huisjes, allen met een verdieping en een tuintje, leken modern, en heel erg aan flarden geschoten. Langs de weg lag een uitgebrande tank, we vlamden voorbij een checkpoint, "de Serviërs' riep Pomfret. Ik probeerde alles goed in me op te nemen, zeker die Serviërs, die de 'slechteriken' waren. Ze zagen er nochtans niet al te gevaarlijk uit, daar in hun houten hutje. Uit één van de muren stak een rokende kachelpijp; één van de politiemannen, een dikke met een zwarte snor, niet veel verschillend van alle andere balkanmannen die ik al op mijn reis tegenkwam, zwaaide naar de voorbijrazende APC. Sporadisch hoorde je een schot, alsof het een beetje rommelde in de verte. Het PTT-gebouw van Sarajevo ligt in een nieuwbouwwijk, Alipasino Polje. Ik was een beetje verbaasd, ja zelfs teleurgesteld met de torenflats van de wijk. Ik was vertrokken met wat ik van oorlogsfilms kende, en verwachtte dus een soort van Dresden, waar geen ene steen meer op de andere stond. Hier werd ik geconfronteerd met een ogenschijnlijk normale wijk, op een zonnige winterdag. Het dunne sneeuwlaagje had veel verborgen. Dat zou ik de volgende dagen en maanden nog wel leren. Sarajevo lag in de 'Franse Sector', dus bijna alle contact dat we met blauwhelmen hadden, verliep via hen. Alleen in het oude centrum, in een

14

oude kazerne van het JNA1, het Joegoslavische Volksleger zaten nog enkele honderden Egyptenaren, maar die werden helemaal door niemand au sérieux genomen. Hun Engels was zo slecht dat ze op alle vragen 'yes' antwoorden, en als ze hun kazerne bewaakten vergaten ze steevast wat het wachtwoord was. Toen twee van hun APC's langs de Miljacka-rivier, die Sarajevo in twee verdeeld, reden, sukkelde één van de voertuigen in het water; de andere volgde blindelings. Aan de poort van het PTT-gebouw werden onze perskaarten gecontroleerd, dan konden we doorlopen naar de briefing-room. Col. Barry Frewer, een Canadees, zat voor een bord met allerlei kaarten. Achter hem hing de blauwe vlag van de Verenigde Naties, en naast hem zaten nog een aantal militairen, maar Frewer voerde het woord. "Dat is de woordvoerder," fluisterde John Pomfret me in het oor en zette zich aan één van de tafeltjes en begon driftig te noteren. Het leek me allemaal erg nieuw, maar wel gezellig. De zaal was een soort van bar, met een toog, een vogelepik en een biljard-tafel. Je kon koffie, thee en frisdrank krijgen, en iedereen noemde iedereen bij de voornaam. Naast me stond Paul Martin een beetje te fluisteren met z'n buurman, maar zodra hij even het hoofd afwendde schoot ik hem aan. Of hij wist of er een goedkoop hotel was in Sarajevo. Het Holiday Inn hotel was niet al te duur, voor de rest was er geen enkel hotel dat nog gasten herbergde. Ze zaten ofwel vol vluchtelingen, ofwel waren ze kapotgeschoten. Een kamer in het hotel kostte toen zo'n 89 dollar per nacht, ontbijt incluis. Voor reizigers met mijn

1

Jugoslovenska Narodna Armija = Joegoslavische Volksleger, dat tijdens het regime van Maarschalk Tito

uitgroeide tot het vijfde belangrijkste leger in Europa.

15

budget een beetje te hoog gegrepen. Paul Martin had een kamertje in het televisie gebouw, een kwartiertje lopen van het PTT-gebouw. Hij betaalde 40 dollar per nacht, als ik de helft betaalde kon ik het kamertje wel met hem delen. Het leek me geen slecht voorstel, vooral omdat Paul al een tijdje in Sarajevo rondliep, en me dus wel het een en het ander zou kunnen vertellen. Na de persconferentie gaf hij me een lift naar het Tv-gebouw, zodat ik mijn spullen in zijn kamertje kon opbergen. Pauls stek had gelukkig nog alle vensters, de kantoortjes links en rechts van ons kamertje waren minder bedeeld. Waar enkele maanden geleden nog dagelijks journalisten, cameramensen, secretaressen en regieassistenste werkten, sliepen nu buitenlandse correspondenten op veldbedjes, op matrassen op de grond, in kamers zonder ramen. Het televisiegebouw van Sarajevo was gebouwd als een bunker. De hoofdmoot was slechts twee verdiepen hoog, met daarboven de zeven etages van de regie- en uitzendtoren. De kantoorruimtes waren rondom binnenpleintjes gerangschikt, de muren waren van gewapend beton van een meter dik. In de kelder waren atoombunkers voor een duizendtal mensen. De vader van Pauls tolk, Renata, was de architekt van het gebouw en zij wist me te vertellen dat het gebouw dienst had moeten doen als hoofdkwartier van de Joegoslavische regering als het land ooit van buitenaf zou worden aangevallen; Sarajevo ligt namelijk in het midden van wat eens Joegoslavië was. Nu verbleven er een hoop buitenlanders om de oorlog die van binnenuit woedde te verslaan.

16

17

Deel II: De spiraal die naar de oorlog leidde.

De vroegste geschiedenis De Slavische volkeren trokken het Balkan-schiereiland binnen in de zesde en zevende eeuw A.D. De Slaven in de westelijke gebieden (de Kroaten en Slovenen) kwamen onder de invloed van de rooms-katholieke kerk; de Slaven in de oostelijke regio's (de Serviërs) kleefden de Orthodoxe ritus aan. De stammen die in Bosnië leefden kozen voor één van beide. Van de veertiende tot de zestiende eeuw trokken de Turken op in de Balkan; de gebieden die dichter bij Turkije lagen, werden het eerst veroverd en het laatst bevrijd, terwijl die dichter bij Centraal-Europa (Kroatië) het laatst werden onder de voet werden gelopen en het eerst weer bevrijd werden. Servië bijvoorbeeld, werd veroverd in 1389, na de slag bij het Merelveld, ( Kosovo Polje in het Servo-Kroatisch). De Serviërs verloren deze slag, maar 29 Juni, St-Vitus, de dag waarop de Turken en de Serviërs slaags raakten, wordt nog elk jaar herdacht. De Servische ridders, onder leiding van Knez Lazar2, marcheerden op die junidag in 1389 het Merelveld op, hun zware harnassen ingelegd met goud, hun helmen getooid met kleurrijke veren. De Ottomanen kwamen aanrijden

2

Prins Lazar

18

op hun kleine, taaie Mongoolse pony's, en, wendbaar omdat ze niet gehinderd waren door loodzwaar wapentuig, begonnen ze het Servische leger in mootjes te hakken. In een laatste verwoede poging om het tij te doen keren, liep Milos Obilic, een edelman over naar de Turken. Toen hij voor hun leider, Sultan Murat, werd gebracht, haalde hij een degen boven en doodde de Turkse commandant. Maar dat bracht ook geen zoden aan de dijk, want Murat's erfgenaam, Bajezit, nam onmiddellijk het bevel over en massacreerde de Serviërs en executeerde Prins Lazar. De Serviërs echter gedenken Lazar als een held die, volgens de (Servische) legende, vrijwillig de dood koos, omdat hij een aards koninkrijk verzaakte voor het hemelse. Die keuze werd hem voorgehouden door een grijze valk, die St. Elia bleek te zijn en die werd gezonden door de Moeder Gods. De tsaar koos een hemels rijk Boven een aards koninkrijk. Hij bouwde een kerk op Kosovo Dan las hij zijn troepen de Eucharistie Toen overwelmden de Turken Lazar En zijn leger werd met hem verdelgd. Zevenenzeventig duizend soldaten. Alles was heilig, alles was eervol, En de goedheid van God was vervuld.

19

Onder de knoet van de Ottomaanse Turken, met hun fysische wreedheden, economische uitbuiting en onder de afwezigheid van een Servische intellectuele élite, groeide de mythe van het nobele offer van Prins Lazar uit tot een obsessie die eeuwenlang de Servische harten vulde met passie, wraak en haat, niet erg verschillend van de woede-uitbarstingen die we kennen van de Iraanse fundamentalisten. Op de vooravond van de Slag bij het Merelveld waarschuwde Lazar het nageslacht: Wie Serviër is, en van Servische afkomst, En niet naar het Kosovo-veld komt Om er tegen de Turken te strijden, Laat hem noch een mannelijk Noch een vrouwelijk nageslacht baren, Laat hem geen oogsten meer binnenhalen... De ethnogenesis van de Bosnische Moslims begon nadat het Koninkrijk Bosnië in 1463 en het Hertogdom Herzegovina kort daarna werden opgeslorpt door het Turkse rijk. Het Turkse juk duurde vierhonderd jaar, een periode die gekenmerkt werd door massale bekeringen. Nergens elders in het Ottomaanse rijk werd de Islam zo gretig aanvaard door de lokale bevolking als in Bosnië. Voordien was de Bosnische kerk een mengelmoesje van Katholicisme, Orthodoxie, en Bogomilie. De Bogomils waren door de katholieke kerk vervolgd als ketters, omdat hun ritus, die algemeen de 'Bosnische kerk' wordt genoemd, gelijk werd gesteld met die van de Katharen. De bekeringen waren een traag proces dat zich voltrok in de vijftiende en zestiende eeuw. Conversies met het zwaard zijn onbekend, op enkele kleine incidenten na, waar overijverige pasja's te snel te werk wilden 20

gaan. Maar niet iedereen aanvaarde de Islam, sommige Bogomils en zelfs enkele rooms-katholieken aanvaarden de Orthodoxe leer, die door de Turken minder werd vervolgd dan Rome. Tijdens de achttiende eeuw kwam Kroatië onder Hongaars bewind, en daarna onder Oostenrijk, deels om de Turkse bedreiging weg te nemen. De invloed van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie breidde zich uit naar het zuiden, en Bosnië werd in de late negentiende eeuw bezet door deze nieuwe heersers. Wat deze periode in de Balkan het meest kenmerkte was de opmerkelijke opmars van het nationalisme. Zowel in Kroatië als in Servië werd de strijd voor politieke onafhankelijkheid aangewakkerd door sterke nationale gevoelens. De Serviërs zochten onafhankelijkheid van de Turken, de Kroaten van het Oostenrijks-Hongaars juk. Het is ook rond deze periode dat steeds meer stemmen opgaan voor de vereniging van alle zuidslaven in een land (Joegoslavië betekend letterlijk 'Land van de zuidslaven). De opkomst van het moderne Nationalisme. Nationalistische tendenzen in de negentiende eeuw leidden tot een drang naar expansie en tot intolerantie bij alle volkeren. Nadat de Kroaten Slavonië annexeerden, vormden de Serviërs een minderheid van meer dan vijfentwintig procent in Kroatië, zonder evenwel gelijke rechten te genieten. Tot zelfs in 1902 waren er regelmatig anti-Servische rellen in de Kroatische hoofdstad Zagreb. Hoewel er in Bosnië geen openlijke anti-Servische of anti-Kroatische beweging bestond, bleven de Bosnische Serviërs economisch achtergesteld; vierenzeventig procent van de lijfeigenen in Bosnië waren Serviërs, terwijl zij slechts drieënveertig procent van de bevolking uitmaakten.

21

Toen Servië in 1878 eindelijk de Turken verdreven had, kwam het land steeds meer onder de economische invloed van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, maar de drang om een uitweg naar de Middellandse zee te hebben leidde tot Servische claims op Bosnië en Macedonië. Tijdens de eerste Balkanoorlog (1912) vormden de Serviërs een bondgenootschap met de Bulgaren en zij ontworstelden Macedonië aan Turkije; de tweede Balkonoorlog (1913) gaf de Serviërs alleenheerschappij over Macedonië. Ondanks de nationalistische tendenzen van de individuele staten, leidden de Servische overwinningen in de Balkan tot een toename in het aantal aanhangers van het pan-Zuid Slavisme. Daaruit ontstond, kort na de eerste wereldoorlog, de eerste Joegoslavische staat, het Koninkrijk van Kroaten, Serviërs en Slovenen. Maar naijver en inter-etnische spanningen leidden er toe dat het koninkrijk slechts een kort leven beschoren was. Vooral de Kroaten vonden dat ze onder de Servische hegemonie tekort werden gedaan. De regering gevormd na de dood van Koning Alexander in 1934 was dan ook geen lang leven beschoren. Tijdens de tweede wereldoorlog gingen de relaties tussen beide etnische groepen van kwaad tot erger. Duitsland veroverde Joegoslavië in minder dan twee weken en de Axismachten stichtten de "Onafhankelijke Staat Kroatië", de NDH3. Deze nieuwe 'staat' bestond uit Kroatië en Bosnië-Herzegovina, en werd geleid door de fascistische Ustaschas van Ante Pavelic. Deze Ustaschas voerden een moorddadige politiek, en roeiden op die manier duizenden Joden, Serviërs en Zigeuners uit in concentratie-kampen zoals Jasenovac. In Bosnië sloten ook verschillende Moslims zich aan bij de

3

Nezavisna Drzava Hrvatska

22

Ustaschas en namen deel aan de wreedheden en terroristische acties tegen de Bosnische Serviërs. In Servië kregen de Chetniks, een Servische nationalistische groep die uit was op Servische dominantie in het verwachtte naoorlogse Joegoslavië, op verschillende plaatsen de bovenhand door een soort guerrilla-oorlog te voeren tegen de Duitsers. Maar ook de Kroaten en de Moslims moesten er aan geloven. Zo werd in 1942 alle Moslims van de Bosnische stad Foca letterlijk over de kling gejaagd. De Drina-rivier zag rood van het bloed, een scenario dat zich vijftig jaar later zou herhalen. Maar de Chetniks verloren een groot deel van hun energie aan wraakacties tegen hun mede-Joegoslaven zoals Kroaten en Moslims in de etnisch gemengde gebieden Aan het eind van WO. II bleek dat meer dan tien percent van de Joegoslavische bevolking was omgebracht, het merendeel daarvan door interethnische oorlogvoering. Joegoslavië onder Maarschalk Tito In 1945 versloegen de Partizanen, een communistische verzetsgroep onder bevel van Maarschalk Tito, de Axis-machten. Zij namen de controle over van alle staatsinstellingen. De Partizanen waren afkomstig uit alle etnische groepen. Tito, de naam is eigenlijk een nom de guerre, hij heette Josip Broz, leidde het land van 1945 tot 1980 met een ijzeren hand. Om etnische spanningen de kop in te drukken werd de slogan "Broederschap en Eenheid"4 de lijfspreuk van de Communistische eenheidspartij.

4

Bratstva i Jedinstva

23

Hoewel Tito's macht ongenaakbaar bleef, waren de Kroaten wrang dat het merendeel van de functies in de centrale regering, het leger en alle andere aspecten van het (openbare) leven, in de handen van de Serviërs waren. De Serviërs van hun kant dachten dat Tito, die half Sloveen, half Kroaat was, de macht van Servië wilde breken door belangrijke industrieën naar Kroatië en Slovenië over te brengen. Het was onder Tito dat de Moslims de status van 'Narod', een constitutioneel volk van Joegoslavië, kregen. Na de oprichting van het tweede Joegoslavië, waren de moslims slechts een culturele en religieuze groep, die de status van nationale minderheid had. Op de geboorteakte werd, naargelang het humeur van de ambtenaar van de burgerlijke stand Serviër of Kroaat ingevuld. Maar omdat hele industrietakken in Bosnië werden ingeplant, zodat de ongeletterde Moslim-handarbeiders werden omgeschoold tot een geletterde arbeidersklasse die zijn kinderen naar scholen en universiteiten kon sturen. Daardoor groeide ook het nationale bewustzijn van de Moslims, en eind jaren zestig werd duidelijk dat de Moslims aan de nodige voorwaarden voldeden om als volk beschouwd te worden. Die status verkregen ze in 1974, toen de laatste grote constitutionele veranderingen onder Tito werden doorgevoerd. Sindsdien wordt Moslim met een grote 'M' geschreven, om hen te onderscheiden van hun geloofsgroep. Ze zijn trouwens de enige bevolkingsgroep in Europa die naar hun religie, en niet naar hun culturele of linguïstiek eigenheid zijn genoemd. Hiermee was ook de volledige drieledigheid van de Bosnische samenleving beëindigd. In elke laag van de samenleving, bestuur, cultuur etc., (met één belangrijke uitzondering, het JNA waar het officierenkorps altijd door de Serviërs was gedomineerd) was de verdeling evenredig met de nationale samenstelling van de Socialistische Federale Republiek Bosnië. Dat betekent 24

dat grondwettelijke veranderingen alleen konden worden doorgevoerd als alle drie de partijen accoord waren. De ongeveer vier-en-een-half miljoen tellende bevolking bestond uit 43,7% Moslims; 31,3 Bosnische Serviërs en 17,3% Bosnische Kroaten. Na Tito's dood in mei 1980, was er geen directe opvolger aangewezen, dus zou het land door een roterend presidentschap worden aangewezen. De presidenten van de zes republieken5en de twee autonome provincies6zouden om beurten de regering voorzitten. Nationalistische stromingen, die tijdens Tito's tijd onderhuids waren gebleven, kwamen meer en meer aan de oppervlakte. Er was weer interesse in nationale literatuur, poëzie en liedjes over eigen volk of streek. Het nationalisme was het sterkst in Kroatië, Servië en Slovenië, maar in Kroatië en Slovenië ging het om een hang naar onafhankelijkheid, in Servië was het nationalisme meer de wil voor een door Servië gedomineerd Joegoslavië, een Groot-Servië hoewel toen, eind jaren tachtig, niemand die term in de mond durfde te nemen. Onder deze omstandigheden grepen nationalistische leiders in elk van deze republieken naar de macht, en aangespoord door hun leiders, rakelde het volk de oude geesten weer op die in het verleden al zoveel bloed hadden doen vergieten. Slobodan Milosevic was slechts een gewone partijfunctionaris in de Joegoslavische Communistische Partij, maar hij had de juiste vrienden, en

5

Bosnië-Hercegovina, Kroatië, Macedonië, Montenegro, Servië en Slovenië Kosovo en Vojvodina. Deze autonome republieken waren in de praktijk net zo machtig als de republieken,

6

alleen op papier hadden ze die status niet. Ze hadden een eigen president, parlement. communistische partij, tot president Milosovic van Servië, op wiens grondgebied de Autonome provincies liggen, eind jaren tachtig al die privileges afschaftte om Serviës macht en zijn persoonlijke macht in Joegoslavië te consolideren.

25

werd 'opgemerkt'. Eén van zijn grote beschermheren was Ivan Stambolic, de president van Servië. Stambolic werd Milosevic' beste vriend en hielp hem op te klimmen in de partij. De hoofdredacteur van TV-Belgrado was de andere vriend die Milosevic uiteindelijk zou brengen waar hij nu zit, in de presidentiële zetel van Servië. Stambolic werd door Milosevic gewoon de laan uitgestuurd en als een stuk vuil in de goot van de geschiedenis achtergelaten; Milosevic heeft er nooit voor teruggedeinsd om over lijken te gaan. Op 28 juni 1989 verzamelden een miljoen Serviërs zich in Kosovo, om de zeshonderdste verjaardag van de verloren slag tegen de Turken te vieren. De beenderen van Prins Lazer hadden al een jaar lang van dorp tot dorp heel Servië doorkruist, in een bijna heilige processie die overal in het land nationalistische gevoelens deed oplaaien. Tegenstanders van het Milosevicregime hadden al voor extremisme gewaarschuwd omdat het reizend knekelhuis en de bijgaande hergeboorte van de Chetnik-symbolen zoals de (Servische) witte koninklijke tweekoppige adelaar, de etnische balans in Joegoslavië zou kunnen verstoren. Milosevic had er geen oren naar. Die dag, de feestdag van St-Vitus, weergalmt door de hele Servische geschiedenis. Het was op die dag, in 1914, dat een jonge nationalistische Servische revolutionair, Gavrilo Princip, de Oostenrijkse Aartshertog Franz Ferdinand in Sarajevo vermoordde, en zo de eerste wereldoorlog begon. Milosevic zou de menigte toespreken en kwam, net zoals St-Elia, uit de hemel neergedaald, zij het dan met een helicopter. "De heldendaden van Kosovo laten niet toe dat we vergeten, dat we een dapper en eervol volk zijn, slechts één van de weinigen die nooit verslagen zijn."

26

"Zes eeuwen later zijn we weer in twisten en veldslagen verwikkeld. Het zijn nog geen gewapende veldslagen, maar dat soort dingen kunnen we nog niet uitsluiten.” Na de constitutionele veranderingen van Maart 1989, was Servië veruit sterker dan de andere republieken. Door de controle over de autonome provincies (Kosovo en de Vojvodina) over te nemen, had Servië nu effectief drie van de acht stemmen in het achtkoppig collectief presidium van Joegoslavië, Montenegros president Momir Bulatovic was al op Milosevic' hand. Bulatovic had zijn postje aan hem te danken. Slovenië was angstig voor deze ongecontroleerde macht en probeerde Joegoslavië te herdefiniëren; de centrale macht moest aan banden worden gelegd, of zelfs afgebouwd. Ook in Kroatië begon men er zo over te denken, en vooral de nationalistische elementen begonnen steeds luider over een hernieuwd Joegoslavië te spreken, waarin de afzonderlijke republieken een verregaande autonomie kregen; de federatie moest een confederatie worden. 1991 was een beslissend jaar. Er werd openlijk gesproken over het einde van Joegoslavië, er werd gescholden en het land daalde af in een spiraal van verwarring, scheldpartijen en verdachtmakingen. De standpunten tussen Servië en de andere republieken lagen te ver uit mekaar om een de brokken nog te lijmen. De gebeurtenissen volgden mekaar in hoog tempo op; Slovenië en Kroatië verklaarden zich onafhankelijk op vijfentwintig juni 1991. Drie dagen later viel het JNA Slovenië binnen, maar die 'oorlog' was slechts van korte duur. Servië had geen claim op Slovenië omdat de bevolking er te homogeen was; er leefden nagenoeg geen Serviërs. In Kroatië lag het even anders. Daar was zowat een kwart van de bevolking Serviër. En die hadden schrik van het regime in Zagreb dat allerlei symbolen uit het verleden ging oprakelen, dat 27

Serviërs, openlijk en verholen, afschilderde als primitieve vechtersbazen die er alleen maar op uit waren de Republika Hrvatska te beletten een ware Europese staat te maken. De politie werd van Serviërs gezuiverd, de vlag met het schaakbord werd weer ingevoerd, het cyrillisch schrift werd afgeschaft en president Tudjman had al aangekondigd dat de Dinar zou vervangen worden door de Kuna, het betaalmiddel uit de tweede wereldoorlog. Voor de Serviërs van Kroatië was het NDH, het fascistische Kroatië uit WO. II, weer daar. Dus verenigden zij zich, en onder leiding van de politiechef van Knin, werden zowat één derde van Kroatië uitgeroepen tot de 'Republiek Servische Krajina'. Het land werd verdeeld door frontlijnen, dorpen werden in tweeën gesneden en mensen sloegen massaal op de vlucht. De Kroaten hadden alleen maar een politiemacht om zich te verdedigen; de opstandige Serviërs konden rekenen op de massale steun van het JNA, dat zich officieel tussen beide strijdende partijen had geplaatst om hen uit mekaar te houden. In werkelijkheid was het scenario steevast hetzelfde: de Serviërs trokken een dorp binnen dat volgens hen Servisch was, '...al heel de geschiedenis lang meneer...', het leger terroriseerde de bevolking met artillerie. De Europese gemeenschap zat met het geval verveeld. Er was geen echte 'policy' voor Joegoslavië. Moesten de nieuwe republieken nu erkend worden of moest er nog wat gewacht worden? In het zog van de val van de Berlijnse muur werd de ommekeer in Oost-Europa met open armen ontvangen, maar dat het nu precies in Joegoslavië mis ging gaan, had niemand verwacht. Het werd afwachten. Wel werden er Monitors gestuurd, de ECMM'ers7 die ongewapend, volledig in het wit gekleed, moesten rondrijden en de situatie

7

ECMM: European Commision Monitoring Mission.

28

in ogenschouw nemen zonder in te grijpen. Hun opdracht was Brussel te informeren zodat er een beleidslijn kon worden opgesteld. De Verenigde Naties stuurden begin 1992 veertienduizend vredessoldaten naar Kroatië. Het doel van de missie was drieledig: de nodige vredes- en veiligheidsvoorwaarden creëren om over een algemene regeling te kunnen onderhandelen; om de burgerbevolking in de UNPA's8 te beschermen en de humanitaire organisaties van de VN bijstaan in hun taak die er in bestond het mogelijk maken voor de vluchtelingen die wilden om naar huis terug te keren. De Europese gemeenschap erkende Kroatië en Slovenië op vijftien januari 1992 onder druk van Duitsland. De Blauwhelmen moesten ook toezien op de demilitarisatie van de UNPA's door er voor te zorgen dat gewapende groepen gedemobiliseerd werden en dat het JNA zich met al zijn materiaal terugtrok. Zij trokken zich terug met het grootste deel van hun oorlogstuig. Richting Bosnië. De weg naar de oorlog in Bosnië-Hercegovina kwam steeds dichterbij, nu de Serviërs in Kroatië zich afscheidden en aansluiting zochten bij moederland Servië, maar een driester optreden van de Europese Gemeenschap had de oorlog misschien vermijden door de erkenning van Slovenië en Kroatië nog wat uit te stellen. Bosniëns President Alija Izetbegovic stond voor de keuze: òfwel Bosnië onafhankelijk verklaren òf eenzaam overblijven in een Joegoslavië dat door de Serviërs werd gedominieerd. De Europese Gemeenschap erkende de

8

UNPA: United Nations Protected Area, de door de VN beschermde gebieden die als een soort van

bufferzone ligt tussen de delen die door de Serviërs worden bezet en de gebieden onder regeringscontrole.

29

buurlanden, en de Verenigde Staten volgden, aarzelend welliswaar, maar zichzelf ervan overtuigend dat erkenning vrede zou betekenen. Izetbegovic koos voor onafhankelijkheid. Op negenentwintig fenruari en één maart 1992 hield Bosnië-Hercegovina een referendum over

onafhankelijkheid. Moslims en Kroaten stemden massaal voor; het merendeel van de Bosnische Serviërs boycotten de stembusgang en verklaarde de utslag ervan ongeldig. Zij wilden deel blijven uitmaken van Joegoslavië, en verklaarden dat ze hun eigen staat binnen Bosnië uitriepen, de Servische Republiek van Bosnië-Hercegovina, met Sarajevo als hoofdstad. De Europese gemeenschap erkende de onafhankelijkheid van BosniëHercegovina op zes april 1992; de Verenigde Staten volgden de dag erna9. Voor de Bosnische Serviërs was de onafhankelijkheid de oorlogsverklaring. Radovan Karadzic, een psychiater uit Sarajevo en voorzitter van de SDS10 in Bosnië, had ermee gedreigd dat als Bosnië een onafhankelijke staat zou worden, het een doodgeboren kind zou zijn dat niet één dag zou overleven. De zwartste voorspellingen werden bewaarheid. De oorlog in Bosnië-Hercegovina begon in het weekend dat aan de internationale erkenning van de jonge staat voorafging. JNA eenheden die in Bosnië gestationeerd waren, kozen onmiddellijk de kant van de Servische paramilitaire troepen in hun aanvallen op de rechtmatig verkozen regering. Het JNA was sinds begin 1992 door president Milosevic van Servië

9

Op tweeëntwintig mei 1992 werd Bosnië-Hercegovina aangenomen als lidstaat van de Verenigde Naties Srpska Demokratska Stranka, de Servische Demokratische Partij.

10

30

omgevormd tot een Servisch leger. Alle officieren van Bosnisch Servische afkomst werden overgeplaatst naar Bosnië. Blauwhelmen van de Verenigde Naties begonnen te arriveren in Sarajevo in maart 1992. Door haar hoofdkwartier in de Bosnische hoofdstad te vestigen, wilde de UNPROFOR11-missie, de Bosnische Serviërs zouden afzien van verdere aanvallen. Die hoop vervloog snel, omdat de Bosnische Serviërs hele delen van het land politiek en militair onder hun controle krijgen, en Sarajevo beginnen te belegeren. De beschietingen op de Bosnische hoofdstad zijn zo hevig dat de VN-troepen hun eigen voertuigen en voorraden niet konden beschermen.

11

UNPROFOR: United Nations Protection Force, de VN-Vredesmacht in het Voormalig Joegoslavië

31

32

Deel III: Leven in de kelders.

De oorlog in Kroatië leek ons veraf; we kregen wel elke dag beelden te zien over de belegering van Vukovar, we zagen de colonnes vluchtelingen, maar dat gebeurde alleen maar op de televisie. Sommige mensen verstuurden humanitaire pakketten naar bekenden in Kroatië, maar toch.. Bij ons in Sarajevo leefden we gewoon verder, zonder dat we goed wisten wie nu wat was. We hadden er gewoon nooit over nagedacht. Als ik nu een klasfoto van vroeger bekijk, kleef ik automatisch etiketten op mensen, ik deel ze in onder Serviërs, Kroaten of 'de onzen', de Moslims. Of ik vraag me af waar al deze mensen nu gebleven zijn. Sommigen zijn dood, anderen wonen nog steeds bij me in de buurt, nog weer anderen zijn de bergen rondom de stad ingetrokken en bekijken ons door het vizier van een geweer. De eerste week van maart 1992 stond Sarajevo op stelten. Sommige straten waren afgezet met grote vuilcontainers en ander spul; gemaskerde en gewapende mannen trokken de wacht op. Dat waren de eerste barricaden in Sarajevo. Eigenlijk vonden we het wel spannend; die dagen kon ik niet gaan werken, net als de meesten van mijn vrienden. We telefoneerden mekaar om nieuwtjes over de toestand uit te wisselen. Tegen de avond was het weer rustig en waren alle barricades opgebroken. De politie was tussenbeide gekomen. Geruchten deden de ronde dat het allemaal Serviërs waren die de barricades opgericht hadden. Net zoals ze, meer dan een jaar eerder in Kroatië hadden gedaan. Enkele weken later 33

was er een schietpartij in de oude stad. Na een bruiloft reden, zoals de gewoonte was, alle familieleden van het paar luid toeterend Sarajevo rond, alleen dit keer werd er met Chetnik-vlaggen gezwaaid. En dat op Bascarsija, de oude Turkse markt... 'Celo' Delalic pikte deze provocatie niet, en schoot op de feestvierders. Hij doodde de vader van de bruid en verwonde de orthodoxe priester. Voor de Serviërs was dit de directe aanleiding om April 1992 te beginnen met een nieuwe ronde van barricaderen en gewapende milities. Maar dit keer was het ernst, de politie was net zo verdeeld als de rest van de stad. Zij kwamen niet meer tussenbeide en via de radio werd de bevolking aangemaand binnen te blijven tot de toestand genormaliseerd was. Weer telefoneerden we vrienden maar heel wat onder hen waren niet thuis. Naar een zieke oma in Belgrado, op familiebezoek in Sabac (Servië). Ook op school of op het werk kwamen er verschillende niet opdagen; ziekenverlof of familiale redenen, haastig opgenomen verlofdagen. Onze directe buren kwamen die dag vragen of we op hun huis konden passen, ze gingen voor enkele dagen naar hun weekendhuisje in Pale. Of ze de televisie en de stereoinstalatie bij ons konden achterlaten? Hun auto was afgeladen vol, 's avonds kwamen ze nog een autolading spulletjes opladen. We begrepen er niets van. Het was slechts enkele dagen later dat we begrepen dat het allemaal Serviërs waren die wegtrokken; zij wisten wat er gebeuren ging. Later pas hoorden we dat in Oost-Bosnië een exodus Moslims op gang was gekomen omdat Servische paramilitaire formaties, in steden zoals Zvornik reeds alle moslims óf over de kling óf op de vlucht hadden gejaagd. Maar op dat weekend van de vierde April wist alleen President Izetbegovic over de 'opstand', en hij moest beslissend optreden, want de toestand liep uit de hand. Onder druk van de Kroaten in de regering en van Ejup Ganic, die zichzelf manoeuvreerde in

34

de positie van vice-president, besloot Izetbegovic tot een algemene mobilisatie van de Bosnische Territoriale Verdediging.12Eerder al, op drie april, had Izetbegovic het JNA13 al tussenbeide laten komen in Oost-Bosnië, maar al snel bleek dat dit niet langer het leger van alle Joegoslaven was; alleen de Serviërs werden beschermd. Toen de paramilitairen van Arkan door Zvornik en Bjeljina trokken, verleende het JNA artilleriesteun om de bevolking te terroriseren. De mobilisatie van de TO was voor de Serviërs een soort van oorlogsverklaring, want zij vreesden dat alleen de Moslims en de Kroaten aan de oproep gevolg zouden geven, wat later ook in grote lijnen het geval bleek te zijn. De Serviërs waren zowat de enigen die nog gehoor gaven aan de oproep van het Volksleger om dienst te nemen. Nikolaj Koljevic en Biljana Plavsic, twee Servische leden van het collectieve presidentiële raad14 van Bosnië stapten op, uit onvrede over de beslissing van Izetbegovic over de mobilisatie van de Territoriale Verdediging. Zij verklaarden de rest van de raad ongrondwettelijk, en trokken zich terug in het Holiday Inn

12

Teritorijalna Odbrana (TO): Lokale verdedigingsmacht die georganiseerd werd op het niveau van de

individuele republieken die samen Joegoslavië vormden. In de TO waren alleen de hoogste officieren professionele militairen, de rest waren reservisten en burgers. TO-uitrusting was over heel Joegoslavië opgeslagen, bv. de werknemers van een grote fabriek konden samen een TO-eenheid vormen. Het TOprincipe kadert in de Socialistische doctrine "ONO i DSZ" Opstenarodna odbrana i drustvena samozastita, Algemene verdediging van het volk en gemeenschappelijke zelfbescherming. De beslissing om de TO in te zetten en te bewapenen lag bij de lokale burgerinstanties.
13

Jugoslovenska Narodna Armija, het Joegoslavische Volksleger. In tegenstelling was dit een federaal leger ,

dat uit beroepsmilitairen en dienstplichtigen bestond.
14

De presidentiële raad van Bosnië was gebaseerd op de egaliteit van de drie volkeren (Moslims, Kroaten en

Serviërs), die elk een aantal afgevaardigden hadden in de raad, in verhouding met het bevolkingsaantal van hun groep.

35

hotel, waar ook Radovan Karadzic, de voorzitter van het SDS15 zich verschanst had. De ochtend die daarop volgde, omsingelden Servische paramilitairen de politieschool van Sarajevo, en vielen aan. Het was een strategisch punt, hoog boven de stad, met een uitzicht over zowel het Presidentieel gebouw als over het Holiday Inn. En er lagen grote hoeveelheden wapens en ammunitie opgeslagen. Ter hoogte van Vraca, waar de politieschool gelegen is, is de stad op haar smalst; het plan was de stad in twee te snijden. Maar de wapens van Vraca mochten niet in Moslimhanden vallen... De mobilisatie-oproep schudde Sarajevo uit z'n lethargie. Plots leek alles veer ernstiger dan we gedacht hadden, de dreigementen van Karadzic waren niet langer de gevaarloze bezweringen van een papak, die pas in de jaren zestig naar Sarajevo was gekomen uit zijn Montenegrijns bergdorp. Een groepje jongeren marcheerde op het centrum, maar gaandeweg sloten steeds meer mensen zich bij de spontane demonstratie aan om te protesteren tegen de absurditeit van etnische verdeling en tegen een conflict in een stad waar al eeuwenlang tolerantie en respect voor anderen heerste. We deden allemaal mee, Moslims, Kroaten en Serviërs droegen de Joegoslavische vlag en hielden portretten van Tito in de lucht. We liepen op de Vrbanja-brug toe, neer een van de barricaden. We wilden de brug oversteken naar Grbavica, om te laten zien dat de stad nog steeds aan het volk toebehoorde, aan alle volkeren. Terwijl de leiders van de demonstraties zich opmaakten om toespraken te houden voor het regeringsgebouw, dromde de massa de brug over, naar Grbavica, en liep de heuvel op, in de richting van de belegerde politieschool. Een schot weerklonk,

15

Srpska Demokratska Stranka, de Servische Democratische Partij.

36

en iemand werd in de voet geschoten, maar de menigte trok verder. Enkele honderden meters verderop de heuvel liepen de Servische paramilitairen van huis tot huis. Meer schoten weerklonken; iemand wierp een handgranaat. De menigte, nu in paniek geraakt, verspreidde zich en zocht dekking. In het tumult had bijna niemand gemerkt dat Sarajevo haar eerste oorlogsslachtoffer had. Suada Dilberovic, een éénentwintig jarige studente medicijnen van Dubrovnik. Zij werd in de borst geschoten en was al overleden toen ze in het ziekenhuis aankwam. Samir Koric een jonge boekhouder die later voor het Persagentschap Reuter zou gaan werken, herinnert zich die dag en Suada maar al te goed. Zijn getuigenis geeft weer hoe slecht de burgers van Sarajevo voorbereid waren op wat komen zou, en ook de mythe over eeuwenoude etnische haat wordt erdoor ontkracht. Velen zullen proberen te vertellen dat ze de oorlog zagen aankomen, maar ik wist van niets, en ik denk niet dat Suada ergens weet van had. Voor Suada, een Moslimmeisje uit de mooie stad Dubrovnik aan de Kroatische Adriatische Kust, was het een abstract begrip. Haar ouders zaten in de val in Dubrovnik sinds october 1991, toen de Serviërs de stad belegerden in hun oorlog met Kroatië. Uit hun huis in de stad gevlucht door de onophoudelijke bombardementen leefden ze nu in een hotel. Als studente geneeskunde die in mei dit jaar moest afstuderen, had Suada makkelijk kunnen wegblijven van de demonstratie. Ze was niet van Sarajevo, ze was zelfs niet eens Bosnisch. Maar mijn vriendin was woedend over de verdeling van een stad waarvan ze tijdens haar studietijd had leren houden. En haar familie betaalde reeds de prijs voor het soort etnische haat die aan de andere kant van de barricades lag. 37

Het was geen boze massa. Ik herinner me hoe Suada daar stond, die ochtend, met haar blonde haren en fonkelende ogen, lachend. De mensen om ons heen, het merendeel van hen jongeren, was goed gehumeurd, en wilde op een vredevolle manier hun standpunt duidelijk maken. Ik was op een vijftigtal meter van de brug toen een aantal schoten - vijf of zes misschien - weerklonken. Iedereen begon te rennen. Eens in de beschutting van de gebouwen, werd ik verschrikkelijk boos. Het was nooit bij me opgekomen dat iemand zou schieten op een groep ongewapende demonstranten. Het klinkt misschien raar, maar de oorlog leek nog steeds niet onafwendbaar. Het was slechts een paar dagen later dat we niet meer terug konden, dat we over Suada spraken als het 'eerste slachtoffer van de Bosnische oorlog'. Wat eerst een willekeurige gewelddaad leek, een grote persoonlijke tragedie, veranderde traag in onze geest in het eerste incident in een veel groter drama: Europa's vreselijkste oorlog in vijftig jaar.16 Aan het parlementsgebouw bleven de sprekers mekaar opvolgen. Eén voor één riepen ze op om de barricaden op te heffen, het leiderschap van de drie etnische partijen17 af te zetten en nieuwe verkiezingen te eisen. Maar die nacht, onder een bommentapijt om de bevolking te terroriseren, nam het JNA de controle over de luchthaven van Sarajevo over. Karadzic, die had

16

Reuter, 4 April 1994. SDA: Stranka Demokratske Akcije, de Partij van de Democratische Actie van President Izetbegovic; HDZ:

17

Hrvatska Demokratska Zajednica, de Kroatische Eenheidspartij; SDS: Srpska Demokratska Stranka, de partij van Karadzic.

38

gewaarschuwd dat een onafhankelijk Bosnië zijn eerste dag niet zou overleven, hield zijn woord. Hij riep de 'Servische Republiek van Bosnië-Herzegovina' uit, later zou hij de naam veranderen in 'Republika Srpska'. In het parlementsgebouw werd nog vergaderd. Van op de bovenverdiepingen van het Holiday Inn hotel openden Servische schutters het vuur; minstens zes mensen werden gedood, tientallen waren gewond. De Bosnische 'specialci' bestormden het gebouw, en zes mannen werden gearresteerde en afgevoerd, maar Karadzic en dochter Sonja weren al gevlogen. Het SDS hoofdkwartier was opgedoekt. Karadzic en Krajsnik, de Bosnisch Servische parlementsvoorzitter in de vooroorlogse regering, hadden nooit onder stoelen of banken gestoken dat ze niet in een Bosnische staat wilden leven, en ze konden rekenen op steun uit Belgrado en op het Joegoslavische Volksleger. Izetbegovic had de keuze: Oorlog of vrede, maar dan een vrede op Servische voorwaarden. Het werd oorlog, maar de keuze was niet die van President Izetbegovic. Het was een oorlog die hem opgedrongen was door een groepje fanatici die een multiculturele samenleving die eeuwenlang in verdraagzaamheid had samengeleefd, wilde opdelen via etnische lijnen. Lijnen die werden getrokken met het bloed van onschuldige burgers, lijnen die loopgraven werden waarin jongens die de avond voordien nog in de disco zaten, plots geconfronteerd werden met de realiteit van de oorlog. Met molotovcocktails en roestige jachtgeweren, met kokende olie en brandblusapparaten moesten ze het opnemen tegen het vijfde beste leger in Europa, tegen het JNA, tegen stadsgenoten met wie ze tot voor enkele weken nog op café of op de schoolbanken zaten. Buren werden vijanden, kantoorklerken moesten killers worden, moeders begroeven zonen en dochters. Europa brandde weer en het lont was aangestoken op diezelfde plek waar Wereldoorlog I begon. Ironie, noodlot, onschuld... Boris was 12 jaar ouder dan ik. We werkten in hetzelfde kantoor, totdat ik weer naar school wilde. Mijn ouders konden Boris niet uitstaan, omdat hij veel ouder 39

was dan ik, omdat hij mijn baas was en omdat hij ooit getrouwd was. Maar we waren onafscheidelijk. Elk weekend gingen we samen naar zee, we gingen uit eten en maakten plannen voor de toekomst. Boris was Serviër. Hij woonde in Grbavica, aan de andere kant van de Miljacka-rivier die Sarajevo in twee stukken snijdt. Elke dag stak ik de brug over om hem op te zoeken. Ook in april, ondanks de benden die de stad probeerden te verdelen, ondanks de bombardementen. Grbavica was een wijk waar veel JNA officieren gehuisvest waren; voor de Serviërs was er geen sprake van dat de Moslims de buurt onder controle zouden krijgen. Maar de frontlijn was in die eerste weken nog steeds geen rigide lijn, Tijdens de nacht heersten de Serviërs, overdag waren er nog mensen op straat, kon men nog naar de stad toe. Ik spoedde me altijd, om zo weinig mogelijk op te vallen. Gemaskerde mannen slopen langs de huizen, sporadisch vielen er schoten. Zowat elke dag zag je families uit Grbavica vertrekken. Sommigen uit vrije wil, maar de meesten onder hen werden weggepest of simpelweg uit hun huizen gezet. Omdat ze geen Serviër waren. De negenentwintigste april ben ik de laatste keer naar Grbavica gegaan. Er was geen levende ziel meer op straat, ramen waren afgeplakt, alleen in de verte liep een groepje mannen in het zwart gekleed, wapens in de aanslag. Lang ben ik niet bij Boris gebleven, het was niet veilig en mijn ouders waren ongerust als ik te lang van huis weg was. Boris en ik zeiden mekaar 'vidimo se sutra', we zien mekaar morgen, maar het was niet de gewone luchthartigheid van anders, alsof we wisten dat we mekaar heel lang niet meer zouden zien. Dat was de laatste keer dat ik Boris zag. Op twee mei was de omsingeling van Sarajevo volledig. De laatste trein vertrok naar Belgrado, van toen af aan zaten we als ratten in de val.

40

In de weken die aan de tweede mei voorafgingen waren keel wat mensen vertrokken. Het merendeel onder hen Bosnische Serviërs die liever bij hun eigen volksgroep het einde van de oorlog gingen afwachten. Lang zou het toch niet duren dacht iedereen, een tiental dagen en dan zouden we wel allemaal ons verstand terugkrijgen en zou de waanzin wel ophouden. We waren naïef, dat weten we nu wel, zelfs het voorbeeld van Kroatië kon ons er niet van overtuigen dat we vertrokken waren voor een drama dat wel eens jarenlange zou kunnen duren. Onze straat lag loodrecht op de frontlijn in de Dinarastraat, waar Trolleybus nummer 103 doorheen reed van Bistrik naar Dobrinja. Deze lijn was nu afgeschaft. Onze wijk, Hrasno, lag net naast Grbavica. De Dinarastraat was een soort van niemandsland. Tegen de heuvelkant zaten de Serviërs, de 'onzen', jongens op baskets en in jeans, zaten aan de andere kant van de weg. Vanuit ons raam konden we de vuurgevechten live meemaken; mijn vader had bijna al onze kleren, juwelen, en ander spul in enkele koffers gepakt en bij zijn broer in de stad ondergebracht. Alleen de hoogst nodige documenten bleven bij ons in huis, klaar in een tasje dat we iedere keer met ons mee de schuilkelder innamen. Mijn ouders hadden een uitgebreide wijnkelder, die we niet bij mijn oom in veiligheid konden brengen. Elke avond bij het eten werd een fles 'goede' wijn geopend, die zouden dan tenminste niet in de handen van de Serviërs vallen als ze door de frontlijn braken. De telefoon was in die weken de levenslijn van Sarajevo. Als we niet in de kelders zaten, belden we vrienden en familie om te horen hoe de situatie was in hun deel van de stad. Urenlang telefoneerden we elkaar, want het was onmogelijk om het huis te verlaten. De tweede mei bombardeerden de Servische artilleristen in de heuvels het postgebouw. Sarajevo's telefoonnetwerk ligt 41

grotendeels in puin, het contact met de buitenwereld was afgesloten. Ook de internationale lijnen, die allemaal over Servische grondgebied liepen, werden doorgeknipt. De isolatie was totaal.

42

43

Deel IV: De Verenigde Naties Blunderen.

Terwijl Sarajevo op twee mei definitief van de buitenwereld werd afgesloten, keerde Bosniëns president Alija Izetbegovic terug van drie dagen onderhandelen in Lissabon. De besprekingen draaiden op niets uit. Izetbegovic was erg zenuwachtig, en terwijl het vliegtuig bijtankte in Rome probeerde hij en zijn dochter Sabina het presidentsgebouw in Sarajevo te bereiken. Na anderhalf uur gaf hij het op, alle telefoonlijnen naar de stad lagen plat, en ook het grootste deel van de lijnen in Sarajevo zelf liepen over de centrale van het centrale postgebouw, dat enkele uren voordien door de Serviërs in puin was geschoten. Izetbegovic zou landen in het oog van de storm, hij zou belanden in de handen van zijn vijanden. De zware gevechten in Sarajevo deden het vliegtuig afwijken; de piloot kon kiezen: Belgrado of Zagreb. Er werd voor Zagreb gekozen, maar even later meldde de verkeerstoren dat de landingsbaan in de Bosnische hoofdstad toch vrij was en dat het presidentiële vliegtuig zou kunnen landen. Er werd nog steeds hevig gevochten, maar de president kon kiezen. Izetbegovic was enkele minuten in gedachten verzonken. Hij vroeg geen raad aan zijn dochter, noch aan Zlatko Lagumdzija, de vice eerste minister. Dan zei hij zacht 'Sarajevo'. De luchthaven stond onder controle van het JNA. Naïef misschien, maar President Izetbegovic beschouwde het Joegoslavische Volksleger nog steeds

44

als een neutrale macht die probeerde de separatistische Serviërs te beletten hun plannen ten uitvoering te brengen. Die illusie zou snel in rook opgaan. VN-generaal MacKenzie had een APC, een Armoured Personel Carrier naar de luchthaven gestuurd om de presidentiële delegatie weer naar het stadscentrum te begeleiden. De Zweedse commandant wachtte anderhalf uur op het vliegtuig en keerde dan, om onbekende redenen, terug naar het UNPROFOR-hoofdkwartier in de stad. Niemand scheen te weten waar de president was, en of hij wel zou komen. Toen Izetbegovic op het tarmac stapte, zag hij alleen maar de groene voertuigen van het JNA, van Verenigde Naties was geen spoor te bekennen. Hij voelde zich ongemakkelijk, en had een voorgevoel dat hij en z'n delegatie in gevaar waren. Een dertigtal militairen omsingelen hen, en Izetbegovic' bodyguard Imamovic trekt zijn pistool, maar dat wordt hem onmiddellijk afgenomen. Het gezelschap werd het luchthavengebouw binnengeleid. Karadzic' troepen waren bezig met een groot offensief, dat Sarajevo in twee moest verdelen. Hij had nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij een deel van de stad voor de Serviërs wilde. Het zou de hoofdstad van de Servische Republiek Bosnië-Herzegovina worden. Hij had visioenen van een Sarajevo dat was opgedeeld in Moslim, Kroatische en Servische wijken. Hij toonde iedereen die maar wilde luisteren zijn plannen voor een soort Berlijnse muur die hij ging optrekken. De Turkse oude stad en de Habsburgse wijken met de brede lanen waren voor de Moslims en de Kroaten; de rest, met de residentiële buurten, de nieuwbouwwijken, shoppingcentra en industrie, waren uitsluitend voor de Bosnische Serviërs bestemd. Het land waarop deze wijken was gebouwd was namelijk, zo 45

verzekerde de psychiater met de wilde haartooi, ooit eigendom geweest van de Serviërs die het land bewerkten voor er een stad verrees. Dat de Moslims, die veruit de overgrote meerderheid van de bevolking uitmaakten, in een belachelijk klein gebiedje bij mekaar zouden gepropt worden, vond Karadzic' rechterhand Biljana Plavsic helemaal niet raar. Zij is biologe en had haar antwoord klaar: "Moslims houden ervan om bovenop mekaar te leven. Het is hun cultuur. Wij Serviërs hebben ruimte nodig." Al wekenlang hadden de cohorten van het separatistische regime in Pale op de hoogten rondom Sarajevo alles in gereedheid gebracht om de stad op te delen. Via de Vrbanja-brug in Grbavica kwam een colonne tanks tot op enkele honderden meters van het presidentiële paleis, vanuit de heuvels regende het mortieren en granaten. De Bosnische Patriottische Liga, de pas opgerichte gewapende arm van het SDA, had slechts enkele bazooka's om de pantservoertuigen tegen te houden. In Kroatië leken de Serviërs maar niet in te slagen een stad te veroveren zonder ze eerst volledig in puin te schieten. De voorste tank werd kapot geschoten op de brug; de anderen waren geblokkeerd en moesten zich terugtrekken in de heuvels. Meer naar het Westen trokken tanks op vanuit de omgeving van de luchthaven naar het televisiegebouw, maar ook daar was het scenario hetzelfde. Zodra er weerstand was, werd de aanval afgeblazen. Toch was de hele actie geen maat voor niks geweest. Karadzic' troepen hadden de frontlijnen tot in de stad gebracht. Grbavica en een deel van de Hrasno-wijk waren in handen van de Bosnische Serviërs. In het Westen verloren de Moslims de controle over de buitenwijken Nedzarici en Mojmilo en over de residentiële buurt aan de luchthaven. Dobrinja, het atletendorp dat gebouwd was voor de Olympische Winterspelen in 1984 was volledig omsingeld door de Servische troepen; het was een belegerde wijk in een belegerde stad. 46

Een deel van de opdeling van Sarajevo was een feit, Karadzic glunderde in zijn bolwerk in Pale, een skidorpje zo'n 25 ten zuidoosten van Sarajevo. Het was niet alleen de bravoure van de Moslims of het geklungel van de Serviërs die een volledige verdeling van de stad in de weg stonden. De oude garde van de JNA-top stonden niet onverdeeld achter de nationalistische ideeën van Radovan Karadzic en de zijnen. Toen Pale generaal Kukanjac, de hoogste JNA-officier in Bosnië vroeg om zijn troepen onder Servisch bevel te plaatsen, weigerde de oude ijzervreter. Hij was, omdat hij weigerde het spelletje mee te spelen zoals vele anderen dat voor hem wel deden, met zo'n 400 manschappen achtergebleven in Bistrik, één van de oudste wijken van Sarajevo. Sefer Halilovic, de opperbevelhebber van de Bosnische Territoriale Verdediging had de omsingeling van de kazerne bevolen en wou Kukanjac en zijn soldaten alleen laten gaan als ze hun wapens achterlieten. Dat was tegen de principes van de generaal die deze voorwaarde als een bevel tot overgave beschouwde. De chaos in de straten van Sarajevo was groot. Om het Servische offensief af te slaan waren alle Bosnische milities op straat gekomen. Groene Baretten, Patriottische Liga, Territoriale Verdediging, allen hadden ze hun wijk onder controle, van een gemeenschappelijk bevel was geen sprake. Temidden van die chaos waarde ook de Verenigde Naties rond, maar generaal Lewis MacKenzie had niet al te veel gemerkt van de gevechten die zich rondom zijn hoofdkwartier afspeelden. Hij vond het alleen maar jammer dat het tumult hem belette een vriend te bezoeken om TV te kijken. "Het was een kalme dag," schreef hij in zijn logboek, "slechts een paar honderd machinegeweerkogels werden op de oude stad afgeschoten". MacKenzie had zijn chauffeur er op uit gestuurd om een pakje uit Canada

47

op te halen in het postgebouw. De man had goed en slecht nieuws: hij had het postgebouw gevonden, het slechte nieuws was dat het opgeblazen was. President Izetbegovic landde temidden van deze verwarde situatie, en voor generaal Kukanjac was het het gedroomde moment om een oplossing te forceren voor zijn enigszins benarde situatie. Hij had de commandant op de luchthaven de opdracht gegeven de president vast te houden tot die het bevel zou geven de soldaten uit de Bistrik-kazerne te laten vertrekken. Met hun wapens. Generaal Djurdjevac sloot Izetbegovic op in het kantoor van de luchthavendirecteur, maar de president protesteerde. Hij eiste onmiddellijk naar de stad te worden gebracht. Djurdjevac weigerde en zei dat hij orders had om Izetbegovic en zijn delegatie over te brengen naar de JNA-kazerne in Lukavica, die volledig in Servische handen was. Daar zou Kukanjac met de president komen praten. Die weigerde, maar wilde wel een ontmoeting organiseren in het presidentieel paleis. Geen sprake van vond de generaal, en telefoneren kon ook niet, alle verbindingen met de stad waren immers verbroken. De minuten die daarop volgden kon zelfs de beste scenarist niet bedenken. Het was toeval, geluk en waarschijnlijk ook de redding van Izetbegovic. De telefoon op het bureau rinkelde. De vrouw aan de andere kant probeerde te weten te komen of de reservatie van haar dochter voor de volgende dag bevestigd kon worden. Toevallig had ze het nummer van de directeur gedraaid. Izetbegovic nam de telefoon op. Volgens Lagumdzija ontspon zich de volgende dialoog: De President nam de telefoon op, hij zei 'Goede avond Mevrouw, dit is Alija Izetbegovic, de President van Bosnië aan de telefoon'. Het was even 48

stil aan de andere kant, ze was in de war. Hij zei 'Ja, ja, Dat is juist, Alija Izetbegovic, de President van Bosnië. Zou u zo vriendelijk willen zijn, ik ben op de luchthaven, in het kantoor van de directeur, en het Leger wil ons niet laten gaan. We worden hier vastgehouden. Zou u het presidentsgebouw kunnen bellen en hen zeggen dat u met mij sprak, dat ik op de luchthaven ben, en als u het presidentsgebouw niet kan bereiken, bel dan de Radio en Televisie en informeer hen. Ze dringen er op aan dat ik Generaal Kukanjac ontmoet in Lukavica, Ja, Generaal Kukanjac, ja'. De vrouw kon haar oren niet geloven. De president zei 'Bedankt, vreselijk bedankt, ja, ja, vreselijk bedankt Mevrouw'. Het was Izetbegovic' enige hoop, maar ze telefoneerde de televisie in Sarajevo. Ondertussen werden Izetbegovic en zijn dochter in een auto gesommeerd, Lagumdzija en Imamovic in een andere. Eén tank vooraan, een ander achter het konvooi en ze gingen op weg naar Lukavica, ondanks het protest van Alija Izetbegovic die zich als gijzelaar beschouwde. Het televisienieuws was bijna ten einde toen de producer meldde dat 'president Izetbegovic aan de lijn was'. De nieuwslezer van dienst wist niet goed wat er aan de hand was, maar begon een paar algemene vragen te stellen over de onderhandelingen in Lissabon, over de situatie, dan stelde hij de cruciale vraag, "Meneer de President, waar bent u?". "Ik ben in Lukavica.' Het was weer dat toeval dat het gesprek mogelijk maakte. De telefooncentrale die het televisie-gebouw bediende was nog werkende, en vanuit de regiekamer liep een directe lijn, die niet via het postgebouw liep, naar het presidentieel gebouw. De enige manier waarop de president met zijn regering kon praten was over de televisie. Live. Senad Hadzifezovic, de ankerman was verrast, net als iedereen in de stad wist hij dat Lukavica een Servisch bolwerk was. 49

'Hoe wordt U behandeld in Lukavica?' 'Ik denk dat ik gekidnapt ben.' In zeven haasten werd Ejup Ganic gebeld. De man was met stomheid geslagen, hij was in paniek, en begon met zijn President te praten. Izetbegovic benoemde hem onmiddellijk tot dienstdoende President gedurende zijn afwezigheid. Die nacht, in zijn kamertje in Lukavica, sliep Izetbegovic niet veel, Ganic trouwens ook niet. De volgende ochtend diende hij zich aan in het hoofdkwartier, bij generaal MacKenzie. Die ging, vergezeld van de vertegenwoordiger van de Europese gemeenschap, onderhandelen in Lukavica, maar de brave man had maar weinig begrepen van de woedende massa die de uitlevering van Izetbegovic eiste. MacKenzie klom op zijn wagen en, bijgestaan door een Servisch-Canadese tolk verklaarde hij dat hij begreep dat de mensen kwaad waren dat hun President werd vastgehouden, maar hij zou er alles aan doen om hem weer vrij te krijgen. De generaal moest echter twee uur wachten voor iemand hem te woord wou staan; uiteindelijk liep hij naar de deur, de maat was vol, toen generaal Djurdjevac hem bij de president liet. Izetbegovic was aan de telefoon met Kukanjac. De president legde de telefoon op de haak, en zei dat er een deal in de maak was, een uitwisseling. Maar Kukanjac belde terug en wilde de voorwaarden veranderen: Izetbegovic was pas vrij als alle vierhonderd manschappen, met hun wapens en materiaal ongestoord Sarajevo zouden kunnen verlaten. De president had geen andere keuze, hij zou de veilige aftocht waarborgen, die de VN niet kon garanderen. Iedereen stapte weer in z'n voertuigen, dit keer mocht ook de President en zijn delegatie mee, en het konvooi ging op weg naar de Bistrik-kazerne. In 50

Sarajevo had echter niemand weet van de nieuwe overeenkomst die Izetbegovic had gesloten met Kukanjac. Ganic dacht dat het een ruil was tussen de twee mannen, dat was wat de President de vorige avond had gezegd. Toen MacKenzie de militaire voertuigen uit de kazerne begon te begeleiden, gingen de milities uit hun dak. Zij moesten de stad verdedigen met een handjevol wapens, en daar reden plots vrachtwagens vol machinegeweren, munitie en zware wapens onder hun neus voorbij. Dat zouden ze niet laten gebeuren. Het konvooi zou de Bistrik-kazerne verlaten, begeleid door enkele VNAPC's. Izetbegovic en Kukanjac zouden samen met MacKenzie in het eerste voertuig zitten, tot aan de frontlijnen, dan moest Izetbegovic in een andere pantserwagen overstappen en naar de stad terugkeren; Imamovic was in Lukavica achtergebleven om een goede afloop te verzekeren. Maar MacKenzie's staff had net het bericht van Ganic ontvangen waarin te lezen stond dat de deal niet doorging; Izetbegovic zou alleen geruild worden voor de generaal, over de rest, manschappen en materiaal, zou apart onderhandeld moeten worden. MacKenzie vroeg uitleg aan Izetbegovic die zijn woord gaf dat alles bleef zoals hij het afgesproken, hij had immers zijn woord gegeven. Het konvooi vertrok. De eerste van de zeventig militaire trucks en hun VN-begeleiding waren amper vijfhonderd meter buiten de kazernepoorten, of het schieten begon. Een derde van de voertuigen had de compound niet eens verlaten. Bosnische milities begonnen de vrachtwagens weer af te laden, en stouwden de AK-47's in VW-Golfjes. MacKenzie rende op de TO-officier toe en zei dat Izetbegovic in eigen persoon het bevel voor de evacuatie van de kazerne had gegeven. De man antwoordde dat dat onmogelijk was, 'Mijn President is óf 51

dood, óf gekidnapt.' MacKenzie liep terug naar het eerste voertuig en vroeg Alija Izetbegovic zich te tonen, om de chaos te kalmeren. Izetbegovic stak zijn hoofd door een van de luikjes op het dak van de APC, en plots was er orde in de wanorde; De president werd toegejuicht, en na enkele minuten was de actie over. Zes soldaten van het JNA waren gedood, verschillende waren gewond. Izetbegovic was woedend toen hij Ganic ontmoette, later die dag. Hij weigerde hem de hand te schudden, en vroeg zich af of het nodig was zijn leven in gevaar te brengen voor een handvol wapens. Het waren echter vooral de relaties tussen de VN en de Bosnische regering die een flinke deuk hadden gekregen. MacKenzie vond die derde mei de vreselijkste dag in zijn leven. Hij heeft de Bosnische regering nooit vergeven.

52

53

Deel V: De Verenigde Naties zien het niet meer zitten.

De Verenigde Naties besloten Sarajevo te verlaten op zestien mei 1992. Het was te gevaarlijk geworden. Meer dan tweehonderd blauwhelmen en burgerpersoneel verlieten de stad en er werd een nieuw hoofdkwartier opgezet in Zagreb, de hoofdstad van Kroatië. Honderdtwintig blauwhelmen bleven achter om humanitaire hulpkonvooien bij te staan en om te onderhandelen over een duurzaam staakt-het-vuren in Bosnië-Herzegovina. Ondertussen begonnen de Verenigde Staten er op aan te dringen dat de VNVeiligheidsraad handelssancties zou instellen tegen Joegoslavië. Generaal MacKenzie had als taak om de luchthaven naar Sarajevo weer te openen zodat humanitair hulp weer naar de stad kon worden gevlogen. Hij was niet aan zijn proefstuk toe; eerder al had hij onder de lichtblauwe vlag gediend in Vietnam, Gaza en Centraal-Amerika. Hij was ook media-geil, en gaf geweldige interviews die zo uitgezonden konden worden. Maar de inwoners van Sarajevo zagen de man niet zo zitten. Toen hij de stad kwam binnengereden met zijn Canadees contingent blauwhelmen leek het wel alsof het uur van de bevrijding nakend was, maar die droom was snel doorprikt. Hij was alleen gekomen om e bevolking te voeden, niet om hun strijd voor hen te strijden.

54

Al snel werd hij door iedereen gehaat, hij kreeg bedreigingen, en zijn troepen werden langs alle kanten onder vuur genomen. "Als ze je in de straat de middenvinger tonen, denk ik dat je kan zeggen dat de relaties op z'n zachtst gezegd verzuurd zijn," placht hij te zeggen. Hij haalde dan zijn schouders op en zei: "Niemand zei ooit dankjewel.” Op zevenentwintig mei 1992 viel een granaat op een groepje mensen die in de rij op brood stonden te wachten. Meer dan twintig doden en tientallen gewonden was het resultaat. Het bloedbad werd bekend als het 'Breadline Massacre'; de Serviërs beschuldigden de Moslims ervan de granaat zelf te hebben afgeschoten om de internationale publieke opinie te beïnvloeden, om een militaire interventie van het Westen uit te lokken. De publieke opinie was inderdaad geschokt door de televisiebeelden die toonden van oude mensen die in plassen bloed kruipen, op zoek naar ledematen. MacKenzie sterkte de Bosnische Serviërs in hun overtuiging. "We hebben bewijzen dat beide partijen zichzelf bombarderen om een bepaald beeld te scheppen. Ik heb hen gezegd dat deze praktijken moeten stoppen, dan zou er misschien vrede komen." vertelde MacKenzie de verzamelde perslui. Maar hij werd Sarajevo uitgeschopt door de Bosnische regering die zich persoonlijk aangevallen voelde. De generaal had het vooral moeilijk met het Bosnische 'leger'. Omdat een leger bij het begin van de oorlog onbestaande was, gaf de Bosnische regering de weinige wapens die ze had de wapens aan diegenen die ze konden gebruiken. Een groot aantal van die eerste krijgsheren waren criminelen die gekleed gingen in T-shirt en jeans, maar zij waren het die met hart en ziel de Serviërs tot een halt brachten en die Sarajevo van de overrompeling redden. Aan de andere kant van de confrontatielijn had de generaal te maken met Generaals, Kolonels en Majoors. 55

Eens vertrokken uit Sarajevo bleef MacKenzie het voetlicht niet schuwen; hij begon lezingen te geven over de oorlog die hij nooit echt begrepen had. Maar zijn opinie had wel gewicht, want hij was er geweest. In de senaat maakte hij de volgende mank lopende vergelijking die echter lang bleef nazinderen en die deels verantwoordelijk is geweest voor de internationale inactie in Bosnië. "De situatie in Bosnië is te vergelijken met twee seriemoordenaars. De ene heeft tien moorden op zijn kerfstok, de andere vijf. Gaan we dan diegene helpen die er slechts vijf heeft vermoord?" Dit soort uitspraken versterkte allen maar het idee dat de Balkanezen een oorlogszuchtig volkje zouden zijn dat zijn eigen mensen vermoord om de oorlog te kunnen rekken. De Serviërs hebben heel de oorlog lang volgehouden dat de Moslims alleen maar zichzelf bombarderen. Als je Karadzic zou moeten geloven zijn al zijn troepen lammetjes die liever bloemetjes gaan plukken in de bergen rondom Sarajevo dan een vlieg kwaad te doen. Bullshit. In de loop van de oorlog zijn er meer dan twee-en-een half miljoen granaten op Sarajevo afgevuurd, er vielen twaalfduizend doden, een paar honderdduizend gewonden. Allemaal de schuld van de Moslims zeker? Onzin van de bovenste plank, hersenspinsels van een gestoorde psychiater en zijn fascistische generaals. Op zestien juni 1992 kondigde President Izetbegovic aan dat BosniëHerzegovina een militair bondgenoodschap aanging met Kroatië, tegen de Bosnische Serviërs en tgen het JNA. Vier dagen later kondigde hij officieel de staat van oorlog af in heel het land.

56

57

Deel VI: Zes maanden op een zolder in Banja Luka.

How shall I go in peace and without sorrow ? Nay, not without a wound in the spirit shall I leave this city. Long were the days of pain I have spent within its walls, and long were the nights of aloneness; and who can depart from his pain and aloneness without regret?

uit: ‘De Profeet’ van Kahlil Gibran18.

"Alsjeblieft, probeer hierheen te komen. Er word hier gemoord. Ze verschepen de Moslims hier door Banja Luka in beestenwagens. Afgelopen nacht waren het vijfentwintig wagons vol oude mensen, vrouwen en kinderen. Ze waren zo bang, je kon alleen maar hun handen zien door de verluchtingsgaten. We mochten niet in de buurt komen, kan je je dat voorstellen. Het is net als de Joden die ze naar Auschwitz stuurden. In naam van de mensheid, kom alsjeblieft." Met die woorden alarmeerde de leider van de Moslims van Banja Luka journalist Roy Gutman. Gutman was de eerste journalist, de eerste

18

uit 'The Prophet' van Kahlil Gibran. 1994 edition by Bracken Books, London, England

Hoofdtuk I, p1.

58

westerling die aan het licht bracht dat er voor het eerst sinds de tweede wereldoorlog weer concentratiekampen bestonden in Europa. Kampen die als enige doel hadden een bevolkingsgroep te laten verdwijnen: de Moslims. Genocide wordt zoiets genoemd, volkerenmoord. De vreselijkste van alle misdaden in de statuten van het Internationaal Crimineel Gerechtshof, wordt gedefinieerd in Artikel II van de 'Conventie over de Voorkoming en Strafbaarheid van de Misdaad Genocide, " geadopteerd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 9 december 1948. Elk van de volgende daden, begaan met de intentie om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep, volledig of gedeeltelijk te vernietigen: (a) Leden van de groep doden; (b) De leden van een groep ernstig mentaal of lichamelijk kwetsen; (c) De groep vrijwillig in levensomstandigheden brengen die er op voorzien zij dat de groep, in zijn geheel of gedeeltelijk, vernietigd wordt; (d) maatregelen opleggen die geboorten binnen de groep verhinderen; (e) onder dwang de kinderen van die groep overbrengen naar een andere groep. De Serviërs hebben het hele gamma gebruikt om de hele niet-Servische bevolking te vernietigen, om hun leven onmogelijk te maken. Met duizenden kwamen ze aan in Kroatië. De vrouwen, kinderen, de ouderlingen. Allen hadden ze hun verhalen, allen hadden ze de hel meegemaakt. martelingen. De Kroatische regering, die zelf al duizenden en duizenden vluchtelingen had moeten opvangen uit eigen land, begon stopte de nieuwkomers in hotels, in scholen, in ongebruikte beestenwagons in Willekeurige executies, massamoorden, deportaties,

spoorwegemplacementen. De verhalen waren allemaal tragedies. "Ze (de 59

Serviërs) vermoorden iedereen die ze kunnen vinden." Het scenario was bijna overal hetzelfde. Eerst begonnen de bombardementen die iedereen de huizen injoegen. Dan stormden ze de straten in, staken de huizen in brand. En ze schoten de hele tijd, ze bleven maar schieten. Sommige huizen werden 's nachts opgeblazen, andere werden eerst gebarricadeerd zodat de bewoners levend mee verbrandden. De wereld heeft er zelfs een nieuwe term voor bedacht, ethnic cleansing, etnische zuiveringen. In juli en augustus 1992 stonde de kranten er bol van. Het waren Gutman en zijn fotograaf van New York Newsday en Penny Marchall van de Engelse televisie-zender die de ogen van de wereld opentrokken. "De doodskampen van Bosnië" blokletterde New York Newsday op twee augustus. De verhalen over gevangeniskampen waren al langer bekend, maar nu werden de Serviërs er voor het eerst ook van beschuldigd genocide te begaan, en dat op een geïnstitutionaliseerde manier: De Servische veroveraars van Noord-Bosnië hebben twee

concentratiekampen opgericht waar meer dan tweeduizend burgers zijn geëxecuteerd of verhongerd, waar duizenden anderen worden vastgehouden tot ze sterven. Dat zeggen twee recent vrijgelaten gevangenen tegen Newsday. De getuigenis van de twee overlevenden lijkt het eerste ooggetuigeverslag van wat mensenrechtenorganisaties vrezen dat een systematische slachting is op enorme schaal. Gutman had de kampen al enige dagen tevoren mogen bezoeken, samen met een fotograaf. Het was het Manjaca-kamp, waar honderden mannen in donkere schuren bij mekaar hokten. Plaats om te liggen was er niet, het was hen trouwens verboden. Ze zagen er ellendig uit. Hoofden geschoren, uitgemergeld. Gutman mocht niet met de gevangenen praten, maar uit 60

latere gesprekken met een aantal Moslimmannen die waren vrijgelaten in een gevangenenruil, kreeg hij een beeld van wat er in de kampen gebeurde. 's Nachts werden willekeurige mannen uit de stallen gehaald om afgetuigd te worden. Velen onder hen kwamen niet terug, hun lijken moesten de andere gevangenen dan begraven. De kampbewakers waren sadistische beesten zei een van de geïnterviewden; we moesten sexuele handelingen verrichten met elkaar, een man moest de penis van zijn broer afbijten en dan opeten. De bewakers stonden hem toe te juichen, sloegen met geweerkolven en schoten dan de bewusteloze broer neer. Vaak waren de bewakers vroegere collega's, buren of zelfs vrienden, die de poorten van het kamp openzetten voor de Servische bevolking uit de buurt om een rondje mee te komen martelen. Het waren vooral intellectuelen of begoede Moslims die het moesten ontgelden. Ach het is onmogelijk om binnen het bestek van een boek alle wreedheden van de kampen te beschrijven. Een bibliotheek zou niet volstaan om de duistere plekken van de menselijke geest te exploreren En het waren net die duistere plekken die in alle toonaarden werden gebruikt om anderen te martelen, pijn te doen lijden om dan de slachtoffer in het beste geval dood te schieten. Er waren vier grote kampen: Trnopolje en Manjaca waren slechts doorgangscentra, het was in Omarska, een open mijn, en in Keraterm, de verlaten tegelfabriek net buiten Prijedor die dienst deden als Dodenkamp. In Beide kampen werden de Moslims in drie categorieën ingedeeld: A waren de leiders van de Moslims, de vrijwilligers van de TO of één van de andere Bosnische milities; B waren de dienstplichtigen die dienst hadden moeten nemen, en onder kategorie viel al de rest. Die werden dan naar Trnopolje gestuurd om uitgewisseld te worden tegen Servische krijgsgevangenen, of tegen Serviërs die uit de regeringsgebieden naar de Republika Srpska wilden 61

komen. Categorieën A en B waren te vernietigen. Er waren nog ontelbare andere, veel kleinere en meer tijdelijke kampen verspreid over het hele grondgebied, maar het was de georganiseerdheid en de schaal die de vier concentratiekampen in het oog deed springen. De weg naar Banja Luka, de grootste stad in handen van de Bosnische Serviërs, biedt een angstaanjagende aanblik. Langs de weg zie je hele dorpen die uitgebrand zijn, met hier en daar een huis dat nog intakt is. Het is ongetwijfeld het huis van een 'Chetnik', een echte Serviër, want alle anderen zijn verjaagd of vermoord. Nationalistische spreuken met rode verf op de zwartgeblakerde muren verhalen hoe groot de haat hier is: Moslims naar Turkije! Dood alle Mudjahedini, Ciao Moslims of het Servische kruis met de vier S'en: 'Samo Sloga Srbina Spasava' : alleen eenheid kan de Serviërs helpen. In een gebied dat etnisch brandschoon is, zijn pottekijkers echt ongewenst, en worden vreemdelingen gemeden als de pest. En gehaat. "Daar woont de duivel," zei een VN fotograaf, voor ik, begin 1993 de eerste keer naar Banja Luka vertrok, "daar ademt alles en iedereen angst uit." Dat wordt al snel duidelijk als je op zoek gaat naar de één van de veertien moskeeën die Banja Luka vroeger rijk was. “De eerste Turkse minaretten! Niet als gotische kerktorens stijgen ze op van massief muurvierkant, maar zich aldoor verslankend verijlend, de opsnellende hoeklijnen telkens in spitsjes eindigend ...” dat schreef de Nederlander Marcellus Emants19 in 1906, toen hij door de Balkan reisde. Een vrouw op de markt zegt dat er geen moskeeën

19

uit ‘Frisse Lucht’ van Marcellus Emants. Uitgeverij Cadans Amsterdam

Hoofdstuk I: In Bosnië en Herzegovina - Banja Luka p7

62

meer zijn, dat er nu asfalt ligt. "Jullie hebben daar niets te zoeken, jullie journalisten willen alleen maar moslimpropaganda schrijven...", roept een voorbijganger, en een oudere man zegt: "Daar ligt geen asfalt, het is nog braak terrein, maar er gaat gras geplant worden, en bomen, een park is toch veel mooier, veel nuttiger dan een moskee, want dat was een hol van Mudjahedini". En inderdaad, als je gaat kijken, is er op de fundering van de moskee na, niets meer te zien, zelfs het puin werd al geruimd, om absoluut geen sporen na te laten van de moslims die ooit in Banja Luka woonden. De stad is gevrijwaard gebleven van gevechten en bombardementen, maar op elke straathoek zie je gebaarde mannen in haveloze uniformen, allemaal met verschillende camouflage-patronen. Allen droegen machinegeweren,

pistolen, aan hun vesten bungelden handgranaten. Voor de oorlog woonden er in Banja Luka zo'n 15% Moslims en evenveel Kroaten; nu blijven er van de oorspronkelijke 450.000 niet-Serviërs in de regio nog zo'n 15.000 over. Om tot zo'n etnisch zuiver gebied te komen, hebben de Bosnische Serviërs de hele trukendoos opengetrokken, van gewoon wegpesten, over pogroms tot koncentratiekampen en regelrechte moordpartijen. Twee stadjes in de nabijheid van Banja Luka waren hierin kampioen. In Sanski Most en Prijedor zijn er gewoonweg geen Moslims of Kroaten meer. Niet een. Gedurende maanden aan een stuk werden de dorpen er systematisch leeggehaald, en werden de bewoners naar de kampen Trnopolje of Omarska gebracht, of gewoon afgeknald voor hun huis. Vrouwen werden voor de ogen van hun man verkracht, meestal door meerdere soldaten. Almir, een 80-jarige Moslim uit een dorpje vlakbij Prijedor vertelt: "Ze kwamen op een vrijdag het dorp binnengereden, wild schietend, vloekend en scheldend. We 63

hadden al verhalen gehoord over andere dorpen, maar omdat alle communicatie in die tijd heel moeilijk was, wisten we niet of ze waar waren, het klonk vaak zo ongelooflijk...". De Servische 'soldaten', meestal mannen uit naburige dorpen, die hun slachtoffers kenden, begonnen doelgericht huizen in brand te steken, en beletten de bewoners ervan naar buiten te komen. "Ze wisten heel goed wie waar woonde, want de onderwijzer van het dorp, een Chetnik, had alles doorgegeven. Wie had dat van hem ooit gedacht... Toen ze aan mijn huis kwamen, hadden we ons verstopt, maar ze kwamen alles doorzoeken. " Almir werd om de een of de andere reden niet doodgeschoten, maar nadat hij afgeranseld werd, werd zijn vrouw van 76 jaar door drie soldaten brutaal verkracht. "Ik moest toekijken hoe Nana ,oma, door die beesten werd verkracht, geslagen en uiteindelijk vermoord ... ik kon niets doen, ik lag zelf hevig bloedend op de grond. " Toen de soldaten weggingen, riepen ze nog: "Ouwe, maak het bed maar klaar, straks komen we terug voor je kleindochter !" Teruggekomen zijn ze niet, maar voor Almir had het leven geen zin meer. Half het dorp was uitgemoord, verkracht of weggevoerd naar één van de kampen. Ook Almir eindigde in Omarska, een Servisch koncentratiekamp, maar toen in de zomer van '92 een Engelse televisieploeg als eerste het bestaan van kampen aan het licht bracht, en daarna het Internationale Comité van het Rode Kruis, het ICRC, zich met de zaak ging bemoeien, is Almir naar Zagreb kunnen gaan. Daar wacht hij in een vluchtelingenkamp op een betere toekomst... Die 'verplaatsing' van personen is nu gestopt, ten eerste omdat het ICRC en andere humanitaire organisaties niet willen meewerken aan het etnisch zuiveren van een gebied, en ten tweede omdat de situatie wat verbeterd schijnt te zijn. 64

En ook omdat de Bosnische Serviërs de pesterijen dan nog gaan opdrijven, zodat nog meer mensen wegwillen, nu er toch de mogelijkheid is om ter vertrekken. Als ze hieraan toegeven, spelen ze de Bosnische Serviërs in de kaart. In sommige dorpen worden deze discriminaties vaak tot in het absurde doorgetrokken. In Celinac, een dorpje vlak bij Prijedor, vaardigden de (Servische) autoriteiten onder andere volgende besluiten uit: Het is voor Moslims verboden om zich op straat begeven tussen 4 pm en 6 am, samenkomen of rondhangen op straat, in cafés, restaurants of andere openbare plaatsen. Om zich baden of vissen in de rivier of om met de auto reizen of rijden. Samenscholen met meer dan drie man mag ook al niet en familie die niet in Celinac woont contacteren is helemaal uit den boze. Zelfs telefoneren mocht niet meer. Je kan het zo gek niet bedenken of het was verboden voor Moslims, alleen maar omdat ze Moslims zijn. Wanneer de Moslims dan, moe van het gepest en de vernederingen, besluiten te vertrekken, moeten zij nog eerst via het 'Office for Population Resettlement and Property Exchange', de dienst voor volksverhuizingen en het uitwisselen van eigendom, waar zij die het 'voorrecht' genieten te 'mogen' vertrekken, op papier moeten verklaren dat hun eigendommen ter beschikking zijn voor Servische families uit andere delen van Bosnië. Fahrudin is een van de laatsten die vertrok uit Banja Luka. In Februari 95 werd hij over de grens met Kroatië gezet. Hij en z’n vrouw moesten elk 4000 frank betalen alvorens ze met de bus mochten vertrekken. Aan de grens eisten enkele soldaten nog dat alle vrouwen hun goud afgaven. ‘Tol”, lachten ze. Zes maanden woonde hij op zolder, weggestopt en huiverend elke keer als er iemand aan huis kwam. De Bosnische Serviërs verplichten iedereen voor hen 65

te werken, en Fahrudin had zijn aandeel al geleverd. Na een ongeluk, hij was onder een van de bomen die hij moest vellen terechtgekomen, was, na uit het ziekenhuis ontslagen te zijn, arbeidsongeschikt verklaard. Maar nu waren ze weer naar hem op zoek. Niet alleen naar hem, maar naar alle mannen die nog min of meer op hun benen konden staan. Vroeger lag de leeftijdsgrens op 50 jaar, nu moet iedereen werken, ook ouderlingen en zieken. “Ik ken die ontslaglijsten niet”, zei een politieman tegen Fahrudins buurman, “ik moet mijn quota halen.” Uiteindelijk zijn ze kunnen ontsnappen aan de Servische autoriteiten met de hulp van een ‘reisagentschap’ dat, in ruil voor de papieren van hun huis en 4000 frank per persoon alles in orde bracht en hen op een konvooi richting Kroatië plaatste. Daar wacht de familie van Fahrudin op een visum voor Nederland, naar z’n zoon en z’n twee jaar oude kleinzoon. Voor de Bosnische Serviërs is het leven ook heel wat veranderd, terrasjes zijn opvallend leeg, want van de verwachtte stroom van bloedbroeders uit de door Moslims gecontroleerde delen van Bosnië is nooit echt op gang gekomen. Een oudere Serviër, die 25 jaar in Duitsland werkte, vraagt zich, misschien wel als enige in de heel Banja Luka, af of het allemaal wel nodig was, "Vroeger was het hier veel kleurrijker, veel pittoresker." zucht hij, en schudt nietbegrijpend het hoofd. Maar in die eerste maanden van 1992 leek het wel of de internationale gemeenschap verveeld zat met het hele geval, alsof ze liever de andere kant opkeek. Nochtans waren de rapporten en de waarschuwingen van mensenrechtenorganisaties legio. De Bosnische ambassadeur bij de Verenigde Naties, Mohamed Sacerbey had een brief geschreven naar Butros

66

Butros-Gali over het bestaan van de kampen, maar de secretaris-generaal en zijn medewerkers geloofde hem niet. Ook het UNHCR20 meldde al in juli dat er kampen waren waar executies en martelingen schering en inslag waren. Het rapport belandde bij de Europese Gemeenschap, het Rode Kruis en bij UNPROFOR. Het was pas nadat ook de media over de kampen begonnen, dat de politici en de beleidsmakers vonden dat er iets gedaan moest worden, dat de maat vol was. Het waren vooral de afschuwelijke televisiebeelden die het verschil maakten. Er moest iets veranderen luidde het plots eensgezind uit de grote hoofdsteden in Europa en de Verenigde Staten. En Karadzic stemde toe. Het Internationale Comité van het Rode Kruis, het ICRC, mocht de kampen bezoeken en de kampen werden geëvacueerd, op voorwaarde dat de gevangenen van het strijdtoneel verdwenen. Het was een glorierijk moment voor Karadzic: hij verscheen op het wereldtoneel als de man die zijn eigen krijgsheren in de hand hield, die excessen veroordeeld, en tegelijkertijd verwijderde hij de Moslims uit zijn staat, met de hulp van gerenommeerde internationale organisaties. Eind April waren er zo'n 280.000 vluchtelingen uit Bosnië, het merendeel van hen werd opgevangen in Kroatië. Begin juni was dat aantal al opgeklommen tot 750.000, in juli waren dat 1.1 miljoen vluchtelingen. Aan het eind van 1992 hadden meer dan twee miljoen Bosniërs, bijna de helft van de totale bevolking, huis en haard verloren.

20

UNHCR: United Nations High Commissioner for the Refugees, de vluchtelingenorganisatie van de

Verenigde Naties.

67

68

Deel VII: De onderhandelingen.

Het waren vooral de onthullingen over de concentratiekampen en de etnische zuiveringen die de publieke opinie wakkerschudden. Bosnië was plots een huishoudwoord, Omarska en Trnopolje werden gemeenplaatsen. President Bush was duidelijk: er moest en zou een einde komen aan alle bloedvergieten, en hij riep de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op een Resolutie door te drukken die de blauwhelmen toe zou laten geweld te gebruiken om de humanitaire hulp ter plaatse te krijgen. Hij riep ook alle NAVO-ministers samen in Brussel om op acht augustus te vergaderen over het eventueel sturen van troepen naar Bosnië. Maar Engelands John Major had al laten weten dat een militaire interventie buiten kijf stond. Hij zou echter alles doen om de 'London Conference' van zesentwintig augustus te doen slagen. Die was bijeengeroepen om de inspanningen van de VN en de Europese gemeenschap te coördineren, om gezamenlijk meer druk uit te oefenen op de Serviërs. Presidenten Tudjman en Milosevic ontmoetten elkaar in maar 1991 om Bosnië onder elkaar te verdelen. Ook in Lissabon, op de door de EG gesteunde vredesonderhandelingen, kwam deze opdeling ter sprake, evenwel sprak men toen over 'invloedssferen' in plaats van de annexatie van sommige delen van Bosnië bij Kroatië of Servië. Het gaf beide republieken carte blanche in Bosnië.

69

President Izetbegovic deed een eerste oproep om militair tussenbeide te komen in april 1992, 'als de agressie bleef voortduren'. Maar achter de schermen lieten Europese diplomaten verstaan dat een VN-vredesmacht voor hen niet kon; wel besloten de Europese lidstaten en de leden van de VN-Veiligheidsraad in mei tot sancties tegen Klein-Joegoslavië (Servië en Montenegro). In diezelfde maand werden ook 1.100 blauwhelmen klaargestoomd om de controle over de luchthaven van Sarajevo uit handen van het JNA te nemen, een wapenfeit dat op negenentwintig juni resulteerde in een heropende luchthaven onder VN-vlag, waar de eerste hulpvlucht landde van wat de langst durende luchtbrug in de geschiedenis zou worden. Lord Carrington, de onderhandelaar van de Europese gemeenschap vloog drie dagen later met een Hercules van de Britse RAF naar de Bosnische hoofdstad, waar de gevechten die dag het hevigst waren, om te vertellen dat er nog steeds geen vorderingen waren gemaakt in de vredesbesprekingen. Ook op de G7-top in München waren er geen spectaculaire diplomatieke doorbraken te melden. Duitsland drong aan op een interventie van de Verenigde Naties, maar de Britten vroegen meer tijd voor hun onderhandelaar, Lord Carrington. Op dat moment spraken de Verenigde Staten nog stoute taal; ze zouden bereid zijn om een corridor over land te openen als de Bosnische Serviërs de humanitaire hulpkonvooien bleven hinderen. Maar de verdeling in de VS-regering was groot en het plan bleef slechts een doodgeboren gebaar van goede wil. Alija Izetbegovic deed begin juli nog maar eens een oproep, in Helsinki ditmaal, en zei dat alleen een internationale troepenmacht op de grens tussen Bosnië en Servië de aankomende slachtpartijen zou kunnen vermijden. Bush ging helemaal accoord met de woorden van Izetbegovic, maar daden beleven

70

uit. Het zou een constante worden in de Internationale Diplomatie ten aanzien van Bosnië. Midden augustus veranderde de Bosnische regering haar eisen een beetje. "We willen niet dat jullie jongens hier komen sneuvelen voor een ver, onbeduidend land," zei Muhamed Sacerbey, "We vragen alleen maar steun vanuit de lucht. Met de gesofisticeerde wapens om de belegeraars in de bergen, die onze steden wurgen de pas af te snijden, en we willen wapens zodat we onszelf kunnen verdedigen." De Veiligheidsraad drukte dan uiteindelijk een resolutie door die militaire actie niet uitsloot om beperkte humanitaire doelwitten te bereiken. Luchtsteun werd een optie. In Europese hoofdsteden werd ondertussen steeds meer gepraat over de mogelijkheden om een vredesmacht te sturen. De etnische zuiveringen veroorzaakten een vluchtelingenstroom in Europa zoals die haar gelijke niet had gekend sinds de tweede wereldoorlog. Het overgrote deel was ondergebracht in opvangcentra in Kroatië, maar het aantal vluchtelingen werd zo groot dat ook ander landen de stroom niet meer konden verwerken. Duitsland had 135.000 geregistreerde

vluchtelingen, maar schatte het aantal illegalen op 65.000. Hongarije had 54.000 mensen opgenomen, en kondigde aan dat de grenzen werden

gesloten; Zweden nam er 44.000, Oostenrijk 50.000 en Luxemburg 3200. Het probleem was dus niet langer alleen een Balkan-probleem. De vluchtelingen klopten aan onze deuren. Deze cijfers zouden in de komende maanden nog aanzwellen. In december 1992 schatte het UNHCR dat zowat twee miljoen Bosniërs op de vlucht waren. De verwachtingen waren hoog gespannen op de Vredesconferentie in Londen. John Major beloofde aan de vooravond van het overleg dat GrootBrittannië bereid was 1800 soldaten onder VN-bevel naar Bosnië te sturen. 71

De Verenigde Naties leken bereid te zijn om een vredesmacht van 6000 man te zenden. In het mandaat van de blauwhelmen stond alleen dat ze humanitaire hulp moesten beschermen, en dat ze alleen in geval van zelfverdediging hun wapens mochten gebruiken. Het VN-wapenembargo tegen Bosnië werd niet opgeheven. Karadzic was vol van zichzelf, hij verklaarde dat zijn troepen zeventig procent van het Bosnische grondgebied controleerden, maar dat hij genoegen nam met 'slechts' vierenzestig procent. En hij zou alle zware wapens wegtrekken van rondom de belegerde steden Sarajevo, Bihac Gorazde en Jajce. Het was eigenlijk maar peanuts, maar de internationale gemeenschap was opgetogen. Alle strijdende partijen tekenden een gezamenlijke verklaring waarin te lezen stond dat iedereen de bestaande grenzen van Bosnië in hun totaliteit erkende, en dat ze slechts veranderd konden worden als alle partijen daar mee instemden. Major glunderde en was vol vertrouwen dat alle partijen hadden aanvaard dat het onaanvaardbaar is dat gebieden met geweld aan een staat worden onttrokken. En dat Karadzic zijn woord zou houden. De belangrijkste uitkomst van de hele Conferentie was echter dat Servië als beschermheer en belangrijkste aanstoker in het conflict werd bestempeld, en als dusdanig ook door de Internationale Gemeenschap moest worden gestraft. De sancties tegen Joegoslavië zouden worden verscherpt. Alle handelsbetrekkingen met Servië en Montenegro werden opgeschort, transitoverkeer werd verboden, de vliegtuigen van de Joegoslavische maatschappij JAT waren niet langer welkom in het buitenland. Servië zou totaal geïsoleerd worden. De gevolgen voor Milosevic waren aanzienlijk. Voor het eerst sinds het uiteenvallen van Joegoslavië kreeg hij te maken met serieuze problemen in eigen land. 72

Lord Carrington zou niet langer als onderhandelaar voor de Europese Unie optreden, hij werd vervangen door Lord David Owen die de hulp kreeg van Cyrus Vance van de Verenigde Naties. In september werd er weer onderhandeld, dit keer in Genève, maar amper tien dagen na de conferentie spuiden de Servische kanonnen, die eigenlijk hadden moeten zwijgen en onder VN-controle hadden moeten staan, hun dodelijke lading weer over de burgerbevolking. President Izetbegovic dreigde niet meer naar toekomstige besprekingen te komen als de Servische luchtaanvallen op de vier omsingelde steden van het Londen-acccoord niet onmiddellijk ophielden. Op veertien september drukte de VN-veiligheidsraad resolutie 776 er door, die het licht op groen zette voor de UNPROFOR-missie in Bosnië. In de loop van de oorlog zouden er zo'n 24.000 blauwhelmen in Bosnië gestationeerd worden. Karadzic was niet erg opgezet met het idee dat de internationale gemeenschap een vliegverbod boven Bosnië zou afkondigen. Zo'n 'No Fly Zone' zou hem beletten zijn bomraids voort te zetten op de steden die hij op de knieën wilde krijgen. Dat verbod kwam er dan toch op negen october 1992, maar de Serviërs voerden nog snel een gecombineerde artillerie en luchtaanval uit op Slavonski Brod. De stad viel, duizenden burgers sloegen weer op de vlucht, honderden kwamen om, maar onderhandelaars Vance en Owen toonden begrip voor de Servische expansiedrang. Zij vonden het blijkbaar niet meer dan logisch dat Karadzic' troepen alle eerder gesloten accoorden aan hun laars lapten om een corridor te verbreden die het noordwesten van de Republika Srpska met de rest van de zelfuitgeroepen parastaat verbond.

73

Ondertussen begon het UNHCR zich zorgen te maken over de nakende winter. Slechts één derde van de beloofde fondsen werden vrijgemaakt, regeringen kwamen maar niet over de brug met de beloofde logistieke steun zoals voertuigen of communicatiemateriaal, en de weinige humanitaire konvooien die uitreden werden door de Serviërs geplunderd.

74

75

Deel VIII: Honger lijden

De bombardementen op de stad hielden maar niet op. We hadden al weken in onze kelders doorgebracht, toen we hoorden dat het leger de frontlijn die aan het eind van onze straat lag een eind had teruggedreven. De Serviërs zaten nu aan de andere kant van de lage heuvel. Eindelijk konden we weer op straat komen zonder direct in een vuurgevecht terecht te komen. Alle voorraden in huis waren op, de winkels waren leeg, de prijzen schoten torenhoog de lucht in omdat de vraag hoog en het aanbod uiterst klein was. We moesten ons beginnen te bekommeren om de winter. Het was september, binnen twee maanden zou het bitter koud zijn, en we hadden geen gas, geen electriciteit, geen centrale verwarming of licht. ramen hadden we ook al niet meer. De kaarsen waren al lang in rook opgegaan. De eerste maanden hadden we nog allerlei voorraden in huis, maar nu begon het tekort te nijpen. We waren al een tijdje overgeschakeld naar kleine porties, de broeksriemen werden aangehaald, maar het mocht niet baten. Alleen de centrale bakkerij in Sarajevo draaide nog. Mijn moeder kreeg op het werk een brood voor ons vieren, als ze het huis al kon verlaten. In de 'mjesta zajednica' het buurthuis, wordt de humanitaire hulp verdeeld, maar daar kan je niet van leven, alleen overleven. Per twee weken hadden we recht op een kwart liter olie, een halve kilo bonen of rijst per persoon en een kilo macaroni. Soms

76

was er ook wel eens een blikje makreel of sardines in tomatensaus te versieren, dan was het feest. Meer was er gewoon niet. Gelukkig hadden mijn ouders kunnen sparen tijdens hun leven. Mijn vader was directeur van één van de vestingen van Energoinvest, een staatsconglomeraat, en mijn moeder werkte als economist op een grote bank. We hadden nog net op tijd al onze spaarcenten van de bank kunnen halen voordat alle rekeningen bevroren werden. De mensen die dat niet gedaan hebben zijn waarschijnlijk alles kwijt. Met dat geld konden we af en toe wel iets op de zwarte markt kopen, maar daar was het eigenlijk ook niet veel soeps. Vooral diezelfde humanitaire hulp die men probeerde te verzilveren, sommige handelaars waren professionele

blackmarketeers, die hele ladingen hulpgoederen ergens achterover drukten om zichzelf te verrijken. Eten was er niet veel te vinden op die geïmproviseerde markten, maar je kan er wel alle mogelijke andere spulletjes krijgen. Iedereen probeerde dingen te verkopen die ze niet meer nodig dachten te hebben. De eerste maanden waren dat voorla dure dingen zoals stereo's, televisietoestellen en video's. Er was toch geen electriciteit . Maar gaandeweg begonnen steeds meer mensen de meest uiteenlopende goederen aan te bieden; een paar balschoenen dat maar één keertje was gedragen, een haksnijmolen, aanstekers. Er waren ongelooflijk veel aansteker-verkopers. Maar ja dat soort dingen verlies je nu eenmaal snel, en de batterijen van de zaklampen waren op, dus was een aansteker onontbeerlijk om je weg in de schuilkelders te vinden zonder over het kind van de buren te struikelen. En hier in Bosnië rookt iedereen . Als ze nog sigaretten kunnen vinden, of betalen. We hadden hier alle merken in Sarajevo, marlborro, camel en natuurlijk onze eigen 'Drina'. De tabaksfabriek had enorme stocks, maar de regering had het merendeel van de sigaretten opgeëist om de lonen mee te betalen. Want geld trokken de meesten van ons al een tijdje niet meer. De soldaten aan de frontlijn kregen drie DM per maand, aangevuld met 77

een half pakje sigaretten per dag. De directeur van een grote firma kreeg ongeveer het dubbele. Een liter olie kostte ongeveer duizend frank op de markt, een kilo suiker was nog duurder. Van tijd tot tijd, als we echt geluk hadden konden we de hand leggen op een 'MRE', een Meal Ready to Eat. Dat zijn de militaire gevechtsrantsoenen van de Blauwhelmen. Dat zijn feestmaaltijden. In een doos zit het voedselpakket van één soldaat voor een hele dag. Je hoeft die blikjes gewoon op te warmen. Soms zit er kip met groenten en currysaus in, andere pakketten hebben een hamburger of stoofvlees. Er zit ook altijd een nagerecht in dat dan, net als de rest van het eten, meticuleus door vier wordt verdeeld. De Serviërs hebben ons zo ver gekregen dat mijn zus en ik regelmatig ruzie hadden over het laatste kruimeltje, dat we onze ouders het eten uit de mond staarden. Op een dag kwam mijn moeder thuis met de grootste schat die ze ons had kunnen meebrengen. Al enkele dagen hadden we alleen maar enkele dunne sneetjes droog brood met een filmpje vet er op gegeten, we hadden honger. En daar kwam ze dan de keuken binnen met een stuk kaas. Kaas, dat hadden we in maanden niet meer gezien. Die had ze van een collega op het werk gekregen. Ik begrijp nog steeds niet waarom die vrouw dat stuk gewoon aan mijn moeder gaf. Mensen zijn soms ongelooflijk voor mekaar, in deze bange dagen. In plaats van de dunne sneetjes brood wilde ik een dikke, met veel vet en een plakje kaas. Mijn zuinige zus wilde er meerdere, maar dunne. Toen ze zag dat ik een dikker stuk afsneed dan zij, werd ze pisnijdig, ze vloog me letterlijk in de haren. Zo ver hadden da Serviërs met hun kanonnen en hun belegering ons naar beneden gehaald. Mama weende. Alles was schaars, zelfs bezoekjes van vrienden. Niemand kon z'n gezelschap iets aanbieden. Maar ook hier brachten de MRE's de uitkomst. In elke doos zat één 78

piepklein zakje oploskoffie. Koffie was er in heel de stad niet te krijgen; beter gezegd onbetaalbaar geworden, net als zoveel andere dingen die we vroeger doodnormaal vonden en die nu super de luxe geworden waren. Als we dan zo'n zakje te pakken kregen was het feest. Dan bracht je de hele ochtend door met piekeren wie je zou uitnodigen, van wie je enkele sigaretten zou kunnen bietsen. En dat begon het telefoneren naar die enkele speciale vrienden met wie je zo'n moment wilde delen. Het werd een heel ritueel. De kamer opruimen, kapsel in orde brengen mooie kleren aantrekken, kortom groot toilet maken om op de koffie te gaan. Als iedereen dan in de woonkamer zit, wordt de kachel aangemaakt met papier uit de archieven van de bank waar mijn moeder werkt, de koffie wordt klaargemaakt en dan verdeeld over de piepkleine kopjes waarin in betere tijden de sterke 'Turkse koffie' werd geserveerd. Koffiedrinken is altijd al een van de belangrijkste gebruiken geweest bij ons. Urenlang konden we zitten kletsen, de kleine kopjes steeds opnieuw weer tot aan de rand vullend. Dat waren andere tijden die nu een ver verleden lijken. En daar zitten we dan, slurpend en zo traag mogelijk drinkend om dat moment vast te houden. Een sigaret doet de ronde, iedereen trekt een keer of twee, en geeft de peuk dan door aan de buurman. Net als in andere steden een gezelschap een jointje door zou geven. Maar dit is Bosnië, hier heb je geen hallucinerende middelen nodig. Hier is de situatie op zich al surrealistisch. Het tekort aan nutsvoorzieningen was het ergst. Al wekenlang hebben we geen stromend water meer. Stilstaand trouwens ook al niet. Iedereen in de stad probeert zoveel mogelijk plastiek kannetjes, emmers en vaten te verzamelen. Om water te gaan halen. Wij moesten een stuk de heuvel achter ons appartementsgebouw op, tot aan het waterreservoir dat door een riviertje wordt bediend. De lege spullen de berg opdraven is al een corvee. De volle vaten en kannetjes anderhalve kilometer var naar huis slepen en dan nog drie 79

verdiepingen hoog brengen is slavenarbeid. Dat wens je je ergste vijand niet toe. Nu ja, de Serviërs misschien wel. Erg veel kan je natuurlijk niet aanslepen, je hebt eigenlijk nooit genoeg. Je moet urenlang in de rij staan voor je bij een van de vulkraantjes komt. En je kan maar zoveel dragen als je sterk bent. Waterhalen is vrouwenwerk, de mannen verdedigen de stad. Het lijkt bijna middeleeuws, maar een stad belegeren en de bevolking uithongeren is dat ook. Mijn moeder is een klein, tenger vrouwtje, maar toch sjouwt ze zo'n dertig liter water per keer. Dat wordt dan in het bad gekieperd, dan doe je weer een toer. Een echt bad nam niemand in Sarajevo, we leerden ons wassen met enkele glazen water, voor de kachel, net zoals vroeger. Ik heb de kachel al enkele keren vermeld. De kachel is het centrale stuk in elk Bosnisch huis of appartement. Voor de oorlog had bijna niemand zo'n ding. We hadden allemaal centrale verwarming. Die was door de Serviërs kapotgeschoten. Dus moest er geimproviseerd worden, om te verwarmen, om te koken, om water voor de was op te warmen. Want geen gas of electriciteit betekend ook geen fornuis, geen warm water, geen licht. Het waren geen mooie kachels, je kan ze waarschijnlijk alleen maar in Bosnië vinden. Ze werden zelf vervaardigd, uit grote conserveblikken, uit een ijzeren kastje, van enkele stukken staalplaat die een buurman aan elkaar laste. De gelukkigen onder ons hadden beslag kunnen leggen op de kachels die het Internationale Rode kruis verdeelde, maar die waren alleen voor de zwakken in de samenleving, en voor de allersterksten... Het was water werd zorgvuldig opgespaard om de WC mee door te spoelen. Daarvoor vingen we ook regenwater op, door buisjes in de dakgoot te steken en dan met een darm naar de badkamer te leiden. je wordt er wel een stuk vindingrijker op. Ik was net weer beginnen te studeren. Zes jaar lang had ik in een kantoor gewerkt, maar vlak voor het begin van de oorlog had ik me ingeschreven aan de 80

pedagogische faculteit. De lessen als dusdanig werden afgeschaft, een keer om de veertien dagen of om de maand moesten we komen informeren wat we moesten leren. Ook op school waren er verwarming noch ramen, en groot aantal professoren was naar de andere kant gevlucht, naar hun Servische volksgenoten. Ach, heel de stad was een grote chaos; een derde van de bevolking was gevlucht, de mannen zaten bijna allemaal aan de frontlijnen, en de vrouwen speurden de markten en humanitaire organisaties af naar iets eetbaars. Niets functioneerde. Ik vraag me nog steeds af hoe we dit alles hebben overleefd, die sluipschutters, de granaten, de vliegtuigbommen, hoe we leefden zonder water, electriciteit of gas, in onverwarmde huizen zonder ramen, zonder contact met vrienden, met de buitenwereld, zonder hoop op beterschap. Die eerste oorlogswinter was het ergst. Er was niets te eten in de hele stad. De humanitaire hulp werd steevast door de Serviërs tegengehouden, de konvooien werden door bendes geplunderd. De luchtbrug stond meer aan de grond in Ancona in Italië of in Split aan de Adriatische kust. De ene dag bombardeerden de Bosnische Serviërs de luchthaven, de andere dag was er teveel mist om te kunnen landen, of het sneeuwde. Het was ijskoud die winter, en we hadden niets om de kachel aan te maken. Overal in de stad werden bomen gekapt, zelfs de wortels werden uitgegraven. We hebben een tijdlang op boeken gestookt, tot ook die voorraad uitgeput raakte. Dan moesten oude kleren en zelfs schoenen er aan geloven. Bijna elke dag ging mijn vader op zoek naar brandhout. De ene keer werd een trap uit een kapotgeschoten huis uitgebroken, soms kon hij enkele stukken boomtak bemachtigen. De houtschaarste was zo erg dat er op een gegeven moment zelfs geen hout meer was om doodskisten van te timmeren. Terwijl daar nu net zo'n grote nood aan was... Er was werkelijk niets te eten in die dagen; ik dacht dat ik honger had leren kennen in de weken voordien, maar nu begon de ontbering pas echt te knagen. 81

Zelfs rijst of macaroni was luxe geworden. We aten vaak broodkorsten geweekt in lauw water. Een keer per dag. De minister van Volksgezondheid zij dat de inwoners de winter van Sarajevo de winter overleefden door kannibalisme. Auto-kannibalisme beter gezegd. Het gemiddelde gewichtsverlies schommelde rond de twintig kilo. Mijn tante was voor de oorlog een gezellig dikke dame, zo rond als een tonnetje. Nu zie je ze amper staan. Ze weegt zelfs geen zestig kilo meer. Het was in die eerste oorlogswinter dat mensen begonnen te sterven van de honger.

82

83

Deel IX: De eerste oorlogswinter

Het was een milde winter, naar Sarajevo-normen, die eerste oorlogswinter. Het vroor 15 graden. Dat was althans wat de meteorologische diensten ons probeerden wijs te maken, maar het was zo bitter koud dat mensen in hun bedden stierven van de kou. De ergste winternacht kwam een paar dagen na Nieuwjaar 1993. In drie dagen stierven een tiental oudjes in het gesticht dat op de frontlijn lag. Ze zijn gewoon niet meer wakker geworden. Slechts gewikkeld in hun smerige, dunne dekens, lagen ze daar, broze dode mensjes, achtergelaten om te sterven. Ze lagen daar maar, want het personeel had de home al lang geleden verlaten, weggelopen van de granaten en de scherpschutter die op alles schoot wat bewoog vanuit z'n schuttersnest achter het "Centrum voor de Bescherming van Oude Mensen". Ironie. Het rusthuis lag tussen twee frontlijnen in de Nedzarici-wijk, tussen de Bosnische Serviërs en de Moslims, van god en iedereen verlaten. Voorbijrazende blauwhelmen stopten er nooit, alleen het UNHCR21kwam

21

United Nations Office High Commisioner for Refugees, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor opvang van

de Vluchtelingen. De organisatie hield zich oorspronkelijk alleen maar bezig met de

vluchtelingen aan de rand van conflicten, in de niet-getroffen zones, maar sinds de oorlog in het voormalig Joegoslavië, zijn zij ook naar de brandhaarden zelf getrokken en hebben in heel het gebied zgn. 'fieldoffices' opgericht, waar niet alleen aan de opvang van Displaced Persons, maar waar ook humanitaire hulp wordt verdeeld.

84

er af en toe plastiekfolie leveren om de kapotgeschoten ramen met te vervangen. Lange tijd bleef het verhaal over de stervende oudjes voor de buitenwereld verborgen, tot op die winterochtend in die eerste week van januari een dappere ziel kwam aanwaaien in het Holiday Inn Hotel. De tocht van Nedzarici naar het hotel was lang en gevaarlijk, de lobby kon alleen maar bereikt worden via de vroegere dienstingang. Langs de hoofdingang binnenwandelen grensde aan waanzin, de glazen schuifdeuren lagen recht in het schootsveld van de Servische snipers die in de flats aan de ander kant van de hoofdweg zaten. Maar deze mensen kwamen naar het hotel waar de journalisten zaten, zij waren niet bang om hun verhaal kwijt te geraken. Misschien dat wij zouden luisteren. De VN, noch de regering, zelfs de families van de oudjes hadden er geen oren naar... Ik kwam net het hotel binnengewandeld toen een groepje collega's de trap afkwam, de liften deden het al maanden niet meer, de hele stad zat zonder stroom. Of ik geen zin had om mee te gaan naar één of ander home, waar oudjes aan hun lot waren overgelaten. Naar Nedzarici rijden was sowieso al geen pretje. Nu begon de zware, gepantserde Landrover van Reuter ook nog te slippen door de bevroren, verlaten straten. Eerst moesten we de hele 'Sniper Alley', de sluipschuttersstraat door, dan linksaf slaan, voorbij het V.N.-Checkpoint, en dan nog twee frontlijnen over. De sneeuw had het pokdalig aangezicht van de Bosnische hoofdstad bedekt; Sarajevo lag erbij alsof ze een face-lift had gehad. Zelfs het geluid van de alom tegenwoordige artillerie leek een stuk gedempter dan anders. De weg naar het ouderlingentehuis was een strook Gruyèrekaas en de Land Rover slingerde zich heen-en-weer tussen de bomkraters, uitwijkend voor het 85

groepje Servische soldaten dat in het midden van de weg liep. Eén van hen wees ons de weg naar het hoofdkwartier van de lokale commandant, die z'n kamp had opgezet in een voormalige boerderij, een zwaai met de andere arm wuifde ons door. Via een smal weggetje kwamen we aan de home, en we liepen achter elkaar op een rijtje, zo snel als we konden naar de relatieve beschutting van het gebouw. De Franse journalisten die in de auto achter ons zaten volgden ons op de hielen. Hier wilde ik niet doodgeschoten worden door één of andere sluipschutter! De 78 jarige man die hier gisteren nog hout stond te hakken waarschijnlijk ook niet, maar toch werd hij tussen de ogen geschoten. Hij was aan het klieven om de enkele kachels die het kapotgeschoten, tochtige gebouw een beetje te verwarmen. Het hele gebouw was niet meer dan een skelet; ooit een modern, afzichtelijk gebouw vlak naast de zo mogelijk nog meer beschadigde Oslobodjenja-building, waar elke dag nog steeds de krant werd gedrukt, hoe erg de granatenregen ook is, ongeacht de risico's die de staff elke keer weer nemen. Maar Oslobodjenja is een uitdaging aan de Serviërs, laten zien dat de wurggreep de mensen in Sarajevo er niet van kan weerhouden om een krant uit te brengen die het multiculturele, pluralistische Bosnië van welleer nog steeds hoog in het vaandel draagt. Een slag in het gezicht van Karadzic en zijn vazallen die etnische zuiverheid prediken. De oudjes zijn slechts naamloze slachtoffers. Eéntje was ooit een bekende opera-zangeres, een ander was amper zevenenvijftig. Het ouderlingentehuis had een roze gevel, de zijkanten zijn gifgroen en geel, de oude man die in de hal rondstruint tussen de glasscherven heft zijn hand even op, maar toen een schot viel vertrok hij geen spier. De apathie was al lang geleden ingetreden. Afgedankt, vernield meubilair, dekens, glas stoelen

86

en bedden lagen op een hoop, links van de ingang was een noodkeukentje. Op een houtstoof stond één of ander brouwsel te pruttelen. De oude man schuifelde een beetje dichterbij, wees op de kapotte venster en mompelde 'Snajper', sluipschutter. Op een drafje liepen we, gebukt tot aan de niet blootgestelde kamers. Daar lagen de doden. We bliezen kleine wolkjes adem uit, alvorens de kamers te betreden. We rilden. Er waren drie kamers. Zeven vrouwen en drie mannen, allen al enkel uren dood, gewikkeld in vuile dekens en stijf van rigor mortis en van de kou. Ze stonken naar stront en naar dode oude mensjes. Ze leken zo klein, naast elkaar gelegd op de smerige grond. Ze droegen allen wollen sokken. Hun monden stonden open en ze leken op wassen beelden. Ze waren niemand meer, niet langer vader, moeder, kind of man en vrouw, ze waren slechts hoopjes vel over been, naamloos en dood. Slechts weinigen bleven bij de ouderlingen, zelfs toen de bombardementen erger werden. Lidija Grozinko was één van hen. 40 jaar, psychologe en Kroatisch. Haar enige dochter leeft in Kroatië. Lidija bleef net als ik wat dralen, terwijl de anderen de kamer uitslopen. Zij was de inzinking nabij, en huilde zachtjes: "geen dokters, geen kachels, geen hout, iedereen is weggegaan,..., en elk van deze mensen die zomaar doodgaan van de kou...". Lidija begon geen jeremiade af te steken tegen de wereld die niets deed voor lijdend Bosnië, ze constateerde alleen maar, nuchter en droevig. Zij was op een manier veel aangrijpender dan de dode oudjes. Zij was gebleven, acht maanden al was ze non-stop actief in het tehuis, ze onderhandelde met de Serviërs over voedsel, brandhout en een kok. Voor de oorlog zorgde een honderd koppige staff voor 108 mensen. Nu waren er slechts zes over: Lidija, de psychologe, een sociale helpster en vier mensen om een waterig humanitair soepje te koken, om brandhout aan te slepen en om te kuisen. 87

De Verenigde Naties, in een zo kenmerkende vlaag van absurditeit had de week voordien acht verwarmingstoestellen, zonder brandstof, zeep (er was geen water) en kaas gebracht. Lidija veegde haar ogen droog met haar schort, die eens wit moet geweest zijn, en liep tussen de bedden waarin enkele oudjes lagen te rillen, hier en daar een dekentje gladtrekkend, onmachtig iets aan de situatie te verhelpen. Uit een van de bedden stak een arm, niet dikker dan die van een kind; de oude dame, ach, je kan zo'n skelet eigenlijk geen dame meer noemen, lag wezenloos naar het plafond te kijken. Ze voelde dat er iemand in de buurt, en ze kon alleen maar 'zima, zima' fluisteren. "Koud, koud', meer kwam er niet uit, haar hele lijfje trilde van de inspanning, ze kon de moed en de kracht niet meer opbrengen om haar hoofd te draaien. Eén van de verplegers maakte dagelijks de gevaarlijke trip naar de bakkerij, over 'Sniper Alley' om brood te halen, als de bakkerij draaide. Maar de dag voordien had hij zijn auto total loss gereden toen hij een sluipschutter probeerde te ontwijken. Zijn vrachtje was een koffer vol lijken die naar het Vlakovo-kerkhof moesten, waar Moslims, Serviërs en Kroaten nog steeds broederlijk naast elkaar worden begraven. Lidija hoopte dat de Verenigde Naties het tehuis een nieuwe wagen zouden geven, maar toen ze aan die gedachte ruchtbaarheid gaf, lachte er iemand cynisch; Lidia hoorde de spotter:" Ik weet wat je denkt," zei ze zacht, " vijf maanden geleden heb ik het hoofdkwarier gewaarschuwd dat dit zou gebeuren." De V.N. antwoorde dat ze de bejaarden konden evacueren, maar ze konden maar niet besluiten waar hen onder te brengen. Allen waren in de vroege ochtend gestorven, als de nacht het koudst was. Mevrouw Getlig had voor het slapengaan de lakens over haar gezicht getrokken en bedankte Lidija voor allles wat ze gedaan had. Toen Lidija 88

enkele uren later haar ronde maakte was Katica Getlig dood. "Wat kon ik doen, ze stierf tenminste snel..." Met z'n zessen slapen ze op een kamer, licht is er niet meer als om vier uur de duisternis valt. Geen electriciteit. 's Ochtends en 's avonds een snee brood met thee, 's middags rijst, bonen of een paar gestoofde koolbladeren, meer was er niet. Kaarsen waren er in heel de stad niet te vinden, laat staan in het oude-mannetjes-huis. Om zich toch een beetje bij te lichten maakten ze olielampjes met olijfolie, een glas, een kurk en een schoenveter. Of ze zaten zomaar wat in het donker. "Er staan twintig ongebruikte generatoren op de parking van de UNPROFOR." wist Lidija, "en die staan er maar te staan terwijl wij doodvriezen." Als ze dan al eens hout kunnen sprokkelen, zit iedereen rond één van de drie houtkachels. Zich wassen gebeurde een keer per maand, soms om de twee weken als ze geluk hadden. Er was geen water, geen toiletten, beddegoed kon nooit gewassen worden. Eén van de Servische soldaten kwam de kamer binnen en begon tegen Lidija te schreeuwen, de loop van zijn geweer nonchalant op haar gericht. "Jullie moeten gaan," zei ze, en de soldaad deed teken met de loop. Terug het snipers-pad over, in de gepantserde Land Rover, weg van dat verdomde tehuis met de gedoemde oudjes. We besloten de Verenigde Naties aan de tand te voelen. José Marija Mendiluce, de directeur van het UNHCR, luisterde naar ons verhaal. Hij leek eerst verbaasd en geschokt, maar besloot toen de zaak te laten afhandelen door het hoofd van Civil Affairs van de VN en door UNPROFOR-woordvoerder Barry Frewer. Die riep spoorslags een persconferentie bijeen en rammelde een inderhaast opgeschreven lijstje af van dingen die moesten gebeuren. "Het feit dat er een ouderlingen bestaat 89

op de frontlijnen is te betreuren," vond Barry, en hij somde op dat de doden begraven moesten worden, dat er kachels en voorraden moesten komen, en het Franse bataljon zou dekens leveren. "We erkennen dat het een treurige situatie is, erg droevig, maar we kunnen niets doen, we moeten opboksen tegen de lokale krijgsheren Diegenen die het ergst lijden zijn de lokale bevolking." Iemand vroeg wat er nu zou worden gedaan, en Frewer gaf tekst en uitleg: "Dit is wat men te zien krijgt in een belegerde stad waar geen verwarming meer is, waar de vensters vervangen zijn door plastiekfolie, waar gebouwen tot puin worden geschoten." Het was een verschrikkelijke situatie, zei hij, en we moesten de vrede een kans gunnen. De volgende ochtend kwamen enkele Franse blauwhelmen houtkachels brengen, maar vergaten een aantal essentiële afvoerbuizen bij te leven. Op vijf januari, enkele dagen nadat de eerste lijken waren gevonden, vaardigde UNPROFOR het volgend statement uit: Het werd te onzer aandacht gebracht dat de situatie van de bewoners van het ouderlingentehuis in Sarajevo's Nedzarici-wijk in de schijnwerpers staat... Het feit dat een ouderlingentehuis, in tijden van conflict, zo dicht bestaat bij de frontlijn, is op zich te betreuren ... Het tehuis stond op de lijst van behoeftige instellingen: Kachels en brandstof waren al een tijdje geleden besteld, maar zijn slechts nu aangekomen.. Gezien de oorlogssituatie, en de moeilijkheden bij het sluiten van plaatselijke staakt-het-vuren, hoopten Wij, dat het tehuis zou kunnen worden geëvacueerd onder auspiciën van het accoord van 13 december van de Mixed Military

90

Group, jammer genoeg is die overeenkomst nooit geïmplementeerd door de weigerachtigheid van één van de strijdende partijen22. Het UNHCR voert actieve discussies met verbindingsofficieren van zowel de MOslims als de Serviërs om accomodatie te vinden voor de bewoners van het tehuis. Het is duidelijk dat, zoals steeds, veel afhangt van de partijen in deze burgeroorlog... Het probleem van de verwijdering en een degelijke begrafenis voor de overledenen is ter onzer aandacht gebracht. We onderzoeken op dit moment hoe we directe bijstand kunnen verlenen... Woorden die niets meenden, want de ouderlingen bleven doodvriezen, en de Serviërs verleenden geen toegang meer op de weg die naar Nedzarici leidt.

22

De Serviërs, die de ouderlingen en het personeel als gijzelaars en als menselijk schild wilden gebruiken

tegen een mogelijk offensief van de Bosnische regeringstroepen.

91

92

Deel X: Oorlog Tussen Bondgenoten.

De brug over de Neretva rivier in Mostar is ongetwijfeld een van de mooiste herinneringen voor de duizenden toeristen die Joegoslavië elk jaar weer als vakantiebestemming kozen. Gebouwd in de 16e eeuw door Sulejman de grote, zonder cement, overspant de brug de kloof die de stad in twee snijdt. De brug is niet meer. Op negen november 1993 deden de Kroatische granaten het geval in het diepblauwe water van de Neretva storten. De Kroaten juichten, er klonken vreugdeschoten. De brug, most in het ServoKroatisch, had de stad haar naam gegeven; alweer een symbool dat niet langer is. De brug belichaamde Bosnië, een land waar moslims, orthodoxen en katholieken eeuwenlang vreedzaam samenleefden, waar tolerantie het hoogste goed was. De Kroaten haatten de brug, voor hen herinnerde het ding aan de Turkse overheersing in wat voor hen het katholieke hartland is. De Bosnische regering kondigde die negende november een dag van nationale rouw af. Het bondgenootschap tussen de Moslims en de Kroaten was nog geen jaar oud, of de eerste barsten begonnen te verschijnen. Tudjman had nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij wel interesse had voor de gebieden in Bosnië waar de Kroaten de meerderheid uitmaakten. Een groot deel van de 93

Bosnische Kroaten uit Herzegovina had hun bloedbroeders bijgestaan toen Kroatië door het JNA en de Serviërs werd aangevallen, en waren nu, vervult van een Kroatische eigenheid vervuld, teruggekeerd naar hun eigen dorpen en steden om de Servische vijand in Bosnië af te slaan. In Herzegovina waren de Kroaten de absolute meerderheid, maar het grootste deel van de Bosnische Kroaten leefde in Centraal-Bosnië, in etnisch gemengde steden. Zij waren in het algemeen minder nationalistisch dan die in Herzegovina. Franjo Boras en Stjepan Klujic zetelden beide in het Bosnische presidium, beide zijn Kroaat. Boras uit Herzegovina en een nationalist, Klujic uit Sarajevo en overtuigd van een multi-etnisch Bosnië. Tudjman steunde Boras van in het begin. Aan het begin van de oorlog in Bosnië waren de Hercegovina-Kroaten georganiseerd en bewapend vanuit Zagreb. Mostar werd in twee verdeeld: de Kroaten op de westelijke oever van de Neretva, de Serviërs aan de overkant. Maar de Kroaten, geholpen door de Moslims, lanceerden een offensief zodra het JNA zich had teruggetrokken, en heroverden een groot stuk van de oostelijke oever. Het HVO23had een belangrijke controle over de regio, en Mate Boban, een voormalig winkelier, werd door Tudjman gepromoot, en overschaduwde al snel Boras en Klujic. Boban had, onder het patronaat van Tudjman, grote ambities: Hij riep zijn eigen staat uit: Herceg-Bosna, met een eigen leger, een eigen vlag; de Kroatische dinar werd ingevoerd. Bosnië verloor nog maar eens een stuk van zijn soevereiniteit. Op papier waren het HVO en het Bosnische leger bondgenoten, maar de verwachtte hulp van het HVO bij de bevrijding van Sarajevo bleef uit.

23

Hrvatska Vijeca Odbrane, de Kroatische Verdedigingsraad, de Kroatische militie in Bosnië.

94

Boban's voetsporen volgend, riep Dario Kordic, een journalist-soldaat, en Kroaat, vanuit zijn hoofdkwartier in Novi-Travnik, Travnik, Vitez, Jablanica en Konjic uit tot delen van Herceg-Bosna. Dat bijna al deze steden een Moslimmeerderheid hadden maakte voor Kordic geen verschil uit; Moslims waren geen volk, het waren Kroaten die de Islam beleden. Dezelfde retoriek was ook aan de Servische kant te horen. De etnische zuiveringen door de Serviërs deed de bevolkingsbalans in Bosnië op hol slaan, en gaf Mate Boban een kans om op de angst van de Kroaten in te spelen: Kroatische gebieden zouden overspoeld worden door horden verdreven en verarmde Moslims. Het gewapende conflict tussen Moslims en Kroaten begon met een belachelijke ruzie over d levering van een vrachtwagen benzine tussen twee rivaliserende maffiagangs in het stadje Prozor in Centraal Bosnië. Al gauw nam het conflict buitengewone proporties aan, het HVO en het Bosnisch leger kozen elk hun kant, en de Moslims werden de stad uit gejaagd. De meesten onder hen keerden de volgende dagen terug in een vernield Prozor. Er werden straatgevechten gevoerd, de stad werd gebombardeerd vanuit de heuvels. De gevechten verspreiden zich verder naar Novi Travnik. Beide legers begonnen mekaar te wantrouwen, frontlijnen werden verwaarloost, wat culmineerde in de val van Jajce. Jajce werd gezamenlijk door de Kroaten en de Moslims verdedigd tegen de Serviërs. De stad hield stand tot de 29e october. De Serviërs maakten gebruik van de chaos en de haat tussen Kroaten en Moslims om de stad binnen te trekken zonder dat een schot werd gelost. 40.000 burgers sloegen op de vlucht. De kilometerslange colonne leek op de beelden uit de tweede wereldoorlog. Benzine was er niet, iedereen wandelde, hun schamele bezittingen voortduwend op stootkarren, of enkele zakken met zich meeslepend. Twee 95

drie dagen waren ze onder weg naar Travnik, onder de constante beschieting en bombardementen van de Serviërs die schoten op alles wat maar op een militair voertuig of uniform leek. Mladic kon het niet laten te glunderen: "Ik zal toekijken hoe ze mekaar vernietigen, daarna drijf ik ze in de Adriatische zee." De winter van kwam er aan, en in heel Bosnië streden Moslims, Kroaten en Serviërs met elkaar om stukken van het land. In Kiseljak, vlak bij Sarajevo, begon een informele alliantie te ontstaan tussen de Kroaten en de Serviërs. De Kroaten kochten van de Serviërs en verkochten de goederen aan een opgedreven prijs aan de Moslims. Geld, veel geld ging van hand tot hand, van ethnie tot ethnie, via de Kroatisch maffia die zich verrijkten en in Kiseljak een soort van vrijbuitersparadijs creëerde waar alles te koop was. In April 1993 sloeg de gewapende vrede tussen de Kroaten en de Moslims om in een open, gewapende oorlog. In het dorpje Ahmici, vlak bij Vitez begonnen Kroatische Militialeden de bevolking uit te moorden, ouderlingen, kinderen en vrouwen, allen werden ze geëxecuteerd. Daarna werden alle huizen in het dorp in brand gestoken en werd de moskee opgeblazen. Andere dorpen volgden. Heelder Moslimdorpen werden met de grond gelijk gemaakt, willekeurige executies waren legio, vrouwen werden verkracht en kinderen voor de ogen van hun moeders doodgeslagen. De Moslims van Vitez sloegen, net zoals zo velen van hun volksgenoten in het hele land hadden gedaan, op de vlucht, richting Travnik en Zenica. Het Bosnische leger begon terug te vechten. Het Derde Korps vormde twee nieuwe brigades die hoofdzakelijk bestonden uit mannen die eerder verdreven waren door de Serviërs of de Kroaten, die de concentratiekampen hadden overleefd. In Zenica werd de Zevende Moslim Brigade opgericht, een onderdeel dat extreem anti-Westers was, anti Serviër en anti-Kroaat. Zij 96

droegen Arabische insignes, waren extreem religieus en nationalistisch, bijna a xenofoob. Voor hen bestond een multi-etnisch Bosnië niet meer, het moest een moslimstaat worden. Al dat multi-etnisme had Bosnië en zijn Moslims naar de slachtbank geleid. Zij concentreerden hun inspanningen tegen de Kroatische dorpen rondom Vitez. om Zenica, Mostar en Tuzla met Sarajevo te verbinden. Hun techniek was dezelfde als die van hun vijanden. Brandschattend en rovend waar ze veroverden maakten ze hun opmars. Vitez werd ingesloten door de Moslims. De Kroaten hadden hun eigen enclave waarin zo'n 60.000 mensen samen zaten. Tijdens de zomer van 1993 bereikten de eerste berichten de buitenwereld over de mishandelingen van Moslims in Kroatische kampen. Het Internationale Comité van het Rode Kruis kreeg pas in Augustus toegang tot de kampen. De verhalen waren dezelfde als die van de Moslims in de Servische kampen. Gevangenen werden geslagen, gemarteld, kregen geen water of eten, moesten vernederingen ondergaan. L'histoire se répète

97

98

Deel XI: Het Bolwerk Pale: Bergdorp van het Kwaad.

Ik had nu al enkele maanden in Sarajevo rondgehangen, verslag uitbrengend over de verschrikkingen, over de momenten van pijn, woede, over de Verenigde Naties en de blauwhelmen die mijn idealen over vredessoldaten aan dingelen sloegen, maar ook over vreugde en geluk. In die eerste maanden had ik heel veel mensen leren kennen, heel veel nieuwe vrienden gemaakt. Ik had eigenlijk geen geld om lang te blijven, eigenlijk had ik na die twee eerste weken geen slaapplaats meer, want het samenhokken met Paul Martin draaide uit op een debacle rond verloren sleutels en dubbel gebruik van materiaal en niet-betaalde rekeningen. Je leert snel als je niet veel geld hebt. Maar één van de jongens uit het International Relations departement van de Televisie nodigde me uit bij hem thuis in te trekken. Damir sprak uitstekend Engels en was één van de raarste vogels die ik tot nu toe al ontmoet had. Hij was een jaartje ouder dan ik, en het 'klikte' tussen ons. Hij wou schrijver worden, eigenlijk had hij het grootste deel van zijn eerste roman al op papier staan, uitgetijpt. Het was een bizar verhaal, dat herinner ik me nog wel, maar waar het nu precies over ging ben ik al lang vergeten. Damir was steevast op de vlucht voor het leger. Hij was gemobiliseerd zoals bijna alle jongens van onze leeftijd, maar op de ene of andere maier wist hij te ontsnappen aan de dienstplicht. Om de twee, drie 99

dagen liep hij even de kazerne, een oude bandenfabriek, binnen, en kwam na een kwartiertje weer buiten en ging werken in het Televisiegebouw. Als je daar werkte en je sprak Engels, Duits of Frans had je geluk. Er waren altijd wel journalist die een tolk of chauffeur nodig hadden, en dat soort baantjes betaalde goed. En, dat was misschien nog belangrijker, je was niet aan het front. Damir had elke week wel een of ander klusje op te knappen voor een journalist, en maakte het zijn familie daarom al wat makkelijker om de moeilijke maanden door te komen. Bij Damir kreeg ik een bank toegewezen waar ik kon slapen, 's avonds kon ik een stuk brood meeëeten. Meer was er niet in huis, en eerlijk gezegd schaamde ik me om van deze mensen die zelf bijna niets hadden voedsel aan te nemen. Douchen was helemaal uit den boze. Een paar keer was ik met de familie meegegaan naar de waterpomp, drie straten verder, on de jerry-cans en emmers te vullen. Iedereen liep beladen als een pakezel af en aan, en ik, de weldoorvoede jongen die slechts enkele weken voordien uit West Europa was aangekomen had moeite twee emmers water naar het apartement te slepen. En zweten dat je deed, ondanks de bijtende winterkoude. Voor ik naar de dagelijkse persconferentie ging poetste ik snel even mijn tanden, en waste me op de belangrijkste plekken met enkele handenvol water. De zeep wegwassen was het grootste probleem. Het was een bijna spartaanse levensstijl. Opstaan in een ijzig vertrek, waarin al het dubbel glas was vervangen door plastiekfolie van het UNHCR, dan wassen met koud water, een sneetje brood achter de kiezen en dan te voet de drie kilometer wandelen naar het PTT-gebouw waar de VN-persconferenties werden gehouden. Die persconferenties waren voor ons de eerste bron van informatie. Woordvoerders van de vredesmacht overliepen de gebeurtenissen van de voorbije vierentwintig uur in detail, zodat we wisten op welke verhalen we 100

ons die dag moesten concentreren. Dan snel naar het Televisiegebouw waar de enige betaalbare internationale telefoonlijnen in heel de stad te vinden waren. De European Broadcasting Union, kortweg de EBU, had daar een feed-point opgezet zodat de televisieploegen uit heel de wereld hun beelden de aarde konden rondsturen. En er waren satelliet-telefoons, die wij, radioen krantejongens, ook mochten gebruiken. Mits we een soort van code hadden zodat ze op het hoofdkwartier van de EBU in Genève wist aan wie men de rekening moest sturen. Ook in het Holiday Inn hotel waren er satelliettelefoons te vinden, maar daar betaalde je, ter plekke, veertig dollar, cash. Maar dit terzijde. Rond elf uur belde ik dus van bij de EBU naar de verschillende redacties om het aanbod van de dag te bespreken. Je had wel altijd iets te melden, de gebeurtenissen in Sarajevo waren altijd wel 'nieuws'. Zeker voor ons, we hadden een beetje de kijk op de rest van de wereld verloren. Alles wat er gebeurde leek van wereldbelang, ieder detail, zo vond ik, moest aan de hele wereld meegedeeld worden. Dat tegelijkertijd ook Israel een nieuwsitem was, of dat er ook in andere delen van de wereld werd gevochten, het ging allemaal aan me voorbij. Wat in Bosnië gebeurde was het enige dat telde. De zaken gingen goed, bijna elke dag had de BRTN wel interesse in een bijdrage 'van onze man in Sarajevo'. Ik was fier, ik was gelukkig. Na dertien stielen en twaalf ongelukken leek ik mijn draai te hebben gevonden. Eindelijk had ik gevonden wat ik wilde. Ik was onafhankelijk, ik kon een stuk van de wereld zien, ik verdiende het zout op mijn pattatten niet. Als free-lancer was het niet gemakkelijk te overleven. Ja had niet de grote structuur van een CNN of BBC achter je, je kon bijna geen onkosten declareren, Sarajevo was een dure stad. Alle banken in Bosnië lagen plat, geldverkeer gebeurde van hand tot hand, een internationale overschrijving 101

was

ondenkbaar.

Banken

hadden

geen

satelliettelefoons,

geen

computernetwerken, geen klanten, geen vertrouwen. De Duitse mark was koning, de lokale munt vodjes monopoliegeld. Alle prijzen waren in Dmark, veel D-marken. Mijn geld begon op te geraken, net als mijn geduld. Ik wilde terug naar huis. Maar niet voor ik Pale gezien had. Het kleine skidorp op zo'n twintig kilometer van Sarajevo gold als het bolwerk van het kwaad. Vanuit Pale werden de orders gegeven Sarajevo genadeloos te bombarderen, om koste wat koste de belegering van de stad vol te houden om de bevolking te terroriseren, uit te hongeren, te laten verdwijnen. Het was het hoofdkwartier van Radovan Karadzic, de gestoorde psychiater uit Montenegro die in de jaren zestig naar Sarajevo was gekomen om dan dertig jaar later de bevolking die hem had laten studeren, die bij hem haar ziel uitstortte, de totale uitroeïng in te jagen. De gewone weg naar Pale was afgesloten. Mijnen op de weg, rotsblokken voor de tunnels, soldaten en politie-controle. We moeste dus omrijden via Lukavica, achter Sarajevo, over de Trebevic-berg. Samen met een Franse collega reed ik de vijfenveertig kilometer door een adembenemend landschap. Besneeuwde bergtoppen, eeuwig zingende wouden, loopgraven langs de weg. Even halt houden aan een vroeger restaurant waar nu enkele Serviërs zitten slivovic, de lokale pruimenbrandy, te zuipen. Het zicht over de stad is overweldigend. Je kan elk huis, elk raam in Sarajevo duidelijk onderscheiden. Ik werp een blik langs de loop van een van de kanonnen. Aan het uiteinde van de buis ontwaar ik het Bosnisch presidentsgebouw, binnen het bereik van de granaten. "Of ik wil schieten?" vraagt een van de bebaarde mannen en rijkt me de fles slivo aan. Neen, ik wil niet schieten, ik wil hier zelfs helemaal niet zijn, maar ik moet met deze mannen drinken. Op 102

de vriendschap van de Serviërs en de Belgen. Want in België zijn er ook heel wat Moslims, dus wij Belgen moeten de Serviërs toch wel begrijpen. Het is de 'groene transversale', de lijn tussen Teheran, Turkije, via Sarajevo naar Europa. We zullen bij ons ook snel een oorlog krijgen weten de mannen in de loopgraven. Zeker in België, met z'n Moslims en z'n drie volkeren. Je zal het zien, Brussel wordt het volgende Sarajevo. Maar Belgen zijn goede mensen, zij schrijven alleen maar goeie dingen over de Serviërs. Het is mijn eerste keer aan de Servische kant van de frontlijn, en ik heb nog niet veel goeds te vertellen gehad over de Chetniks. "Ja ja, wij zijn echte Chetniks, wij haten Moslims en Kroaten, vooral de Kroaten," pocht de commandant van de bende. Hij strijkt even oer zijn wilde baard. Het is hoe dan ook geen mooi onderhoden knevel, maar een soort van struikgewas dat de laatste jaren niet meer gesnoeid werd. Echte chetniks zijn het; het zijn bijgod allemaal oude mannen op pantoffels die dit stukje frontlijn moeten bewaken. De jongste is minstens vijftig. Maar de helling onder hen is veel te stijl om een tegenoffencief van de regeringstroepen te verwachten. Het is gemakkelijk om Sarajevo aan puin te schieten als je hoog op een berg zit, verschanst achter dikke boomstronken, bewapend met tanks, mortieren en kanonnen. In de stad zouden die boomstronken tot brandhout worden gehakt, zouden er doodskiste van worden gemaakt, hier dienen ze alleen om een handvol oude mannen te beschermen die zuipen en schieten. Als we afscheid nemen zijn we vrienden voor het leven, als ik nog eens voorbij kom moeten we koffie drinken. "Turkse koffie?", "ach natuurlijk, wij zijn toch geen extremisten." En ik moet dan maar eens een granaat afschieten op de stad. Ik steek nog even m'n hand op, maar draai me niet meer om. Mijn eerste ontmoeting 103 met de Serviërs had alle

verwachtingspatronen ingelost. Het waren een bende gekken die in de heuvels ronddwaalden, zonder doel, zonder ideologie, die alleen maar luisterden naar de rethoriek van hun leiders. Het waren die leiders en hun adelaarsnest waar we naartoe gingen. Pale is een skidorp met houten huisjes en lage flatgebouwen. Het orthodoxe ligt er wat verlaten bij, cafe's hebben de terasjes buitengezet. Radovan Karadic heeft zijn intrek genomen in 'Hotel Panorama' een pensionnetje die naam waardig. In ed vroegere eetzaal wordt nu vergaderd, de slaapkamers zijn het Bosnisch Servisch machtscentrum. Maar voor we nog maar in de buurt van het 'Panorama' mogen komen, moeten we eerst naar Hotel Bistrik, boven op de Jahorina-berg, om een accreditatie te gaan halen. Jahorina ligt 12 kilometer van Pale, voor hotel Bistrik stopten de skiliften. De accreditatie aanvragen had veel weg van een kruisverhoor. Wie we waren, waarom en hoelang we al in Bosnië waren, of we wel eens slechte dingen over de Serviërs schreven. Onmiddellijk kreeg je het verwijt dat alle journalisten pro-moslim waren, dat de Serviërs door heel de wereld als zwarte schapen werden bestempeld. Het waren toch net de Serviërs die te lijden haden. In de eerste wereldoorlog, de tweede wereldoorlog, in Tito's Joegoslavië... eigenlijk zijn ze al onderdrukt geweest sinds de Slag bij Kosovo die ze verloren, in 1389. Waarom was de hele wereld toch tegen heen? Sonja Karadzic, de dochter van, was het hoofd van het 'Internationaal Perscentrum'. De dikke matronne, die altijd vergezeld is van haar keffertje, nam de eindbeslissing. Haar voorkomen was de ultieme SM-nachtmerrie. Dik, in nauwe lederen of latex-pakjes gestoken, met roze en zwarte oogschaduw, zwarte nagellak en borsten die uit hun veel te enge verpakking wilden ontsnappen. Iedereen haatte haar, voor haar willekeur, haar voorkomen en haar karakter. We krergen een accreditatie, die zeven dagen 104

geldig was, maar interviews waren onmogelijk. Iedereen in de regering was druk bezig met andere dingen, Generaal Mladic, de opperbevelhebber van de Bosnisch-Servische troepen, was ergens ten velde. Zo zou het vast iedere keer gaan als ik naar Pale kwam. Iedereen in het perscentrum was beleefd, vriendelijk, maar wimpelde de vragen van journalisten af. Alleen de hele grote media zoals CNN of de BBC kregen interviews, de kleiner vissen moesten het doen met de occasionele uitspraak op de trap van een of ander gebouw waar vergaderd werd over het lot van Bosnië en haar inwoners. Ik ging dan maar ergens iets eten, en daalde dan de bergweg maar weer af, richting Sarajevo. Het vreemde was dat alles in Pale zo normaal leek, dat iedereen er vriendelijk was, dat niemand er echt uitzag alsof hij dagenlang aan de frontlijn had gezeten. Er ewaren geen wapens te zien in het hele dorp, weinig uniformen en iedereen leek alsof de oorlog in een ander land gebeurde. Ik wilde terug naar huis. Ik was er bij Damir tussenuit getrokken, omdat zijn moeder na de eerste week eiste dat ik tweehonderdvijftig maark per week betaalde voor mijn bank in de tochtige woonkamer. Ik had er het geld niet voor, en die prijs was schromelijk overdreven. Via Renata, de tolk van Paul Martin die nu, gratis, ook wel eens voor mij tolkte, had ik een nieuw onderkomen gevonden. In de kazerne van het HOS, de kroatische militie in Sarajevo. Tijdens de tweede wereldoorlog was het HOS de fascistische militie die aan de kant van de Duitsers meestreed, maar in deze oorlog was daar weinig van te merken. Geen Nazi-groet, een exremistische uitspraken, gewoon tegen de 'historische' vijand strijden, zij aan zij met de Moslims. Het merendeel van de soldaten waren trouwens moslims. Ik kreeg een eigen kamertje toegewezen, met tijpmachine, en kon elke dag drie maalijden 105

krijgen. Eten gebeurde samen met Mato, de commandant, zijn vrouw Jadranka en hun twee kinderen Maja en Nikola. De kazerne zou voor lange tijd mijn thuis worden in Sarajevo. Een gratis onderkomen vanwaar ik kon blijven doen wat ik graag deed: verslag

uitbrengen over de Bosnische oorlog...

106

107

Deel XI: Terug thuis.

Mijn geld was bijna op, mijn uithoudingsvermogen evenzeer. Drie maanden lang was ik van huis weg, drie maanden lang had ik zowat elke dag kond gedaan van de verschrikkingen van de oorlog, drie maanden waren te lang. Vanuit de EBU belde ik naar mijn toenmalige vriendin met maar een wens: een vliegtuigticket naar België. Marleen liet het enkeltje klaarlegen aan de balie van Air Croatia in Split. Ik boekte een vlucht bij 'Maybe Airlines' bij de Verenigde Naties. Bepakt en beladen voerden de Fransen me naar de luchthaven, de C-130 stond klaar met draaiende motoren. Inchekken, kogelvrije vest aan. Ik heb zelfs niet meer omgekeken, de patrijspoorten van het vliegtuig waren er niet voor mij. Een half uurtje later landden we in Split. Het was stralend weer, iedereen leek wel in vakantiestemming, iedereen was zo netjes, zo proper. Ik ging mijn ticket afhalen, en had nog een aantal uren te doden voordat ik weer moest vertrekken; naar Zagreb dit maal. In het buffet bestelde ik een cola, en plots werd ik gewaar dat overal lichten branden; in het toilet was er stromend water, het stonk er niet. Je kon bestellen wat je wilde... Ik begon te huilen, van verbazing, van vermoeidheid, van ongeloof. Amper een half uur vliegen en je bent aan het strand, in een normale stad, waar je tussen tien verschillende sandwiches kon kiezen, waar alles op de menukaart te verkrijgen was. Ik was te lang in Sarajevo gebleven.

108

In Zagreb moest ik blijven overnachten, in Hotel Jadran kreeg ik korting omdat ik een kamer deelde met iemand van de humanitaire organisatie Caritas, zij kregen vijftien procent vermindering. Ik sliep als een blok. De volgende ochtend terug naar de luchthaven, richting Frankfurt, vandaar naar Zaventem. Rond vijf uur kwam ik aan, mijn ouders stonden op me te wachten. Ik weet niet meer of ik veel heb gepraat op de weg naar huis, waarschijnlijk niet. Ik was in de war. Heel de avond heb ik op mijn bed gelegennaar muziek luisterend. Datzelfde liedje keer op keer: 'Twisting My Sobriety" van Tanita Tikaram. Waarom weet ik niet... Beneden stond mijn favoriete gerecht op me te wachten: Biefstuk met frieten. Ik kon moeilijk meedelen wat ik allemaal had beleefd, ik wilde alleen maar gaan slapen. In de volgende dagen zou ik wel alles proberen te vertellen, maar ik wist al dat je Sarajevo niet kon begrijpen als je er niet geweest was, dat je niemand kan duidelijk maken wat het betekend dat je bepaalde straten niet meer inkan modat er slluipschutters op je schieten, dat je zonder water, electriciteit of verwarming moet leven. Het ergst waren de mensen die voor de oorlog wel eens in Joegoslavië op vakantie waren geweest. Zij wisten alles over het land, zij hadden alles gezien, kenden de oude stad en zijn bazaar, niemand wist iets, iedereen was blind, mensen bleven vragen wie nu tegen wie vocht, vooroordelen tegen Moslims overheersten rechtvaardigheid. Waar twee vecheten hebben twee schuld. Arm Vlaanderen. Waarom deed ik het allemaal, waarom luisterde niemand naar wat ik al die tijd over de radio schreeuwde. Iedereen vond 'dat ik het goed deed' mijn ouders glunderden, mijn fanclub groeide, maar niemand luisterden naar de inhoud van mijn radiostukjes.

109

Na een week begon het weer te kriebelen. Ik was ondertussen al bij de radio op bezoek geweest, had een paar tips en een leuke ontvangst gekregen. Roger Adams, de toenmalige hoofdredacteur wilde dat ik terug ging. Maar mijn onkosten kon hij niet terugbetalen. Zelfs het vliegtuigticket kon er niet af. Met de trein ben ik terug gegaan naar Zagreb. Twee-en-twintig uur sporen, dan weer naar Split en op de VN-vlucht naar Sarajevo. Ik was gelukkig, ik was weer terug in Sarajevo, ik zou nog harder gaan werken... Het was April, het was mooi weer, Sarajevo, here we ome. Ik had al het geld dat ik verdiend had van mijn rekening gehaald, om in Sarajevo te kunnen werken, om af en toe ook eens zoals die andere journaliste in een restaurant te kunnen eten, om rond te kunnen reizen. Ik was de BRTN-correspondent in Bosnië, ik deed wat ik graag deed, ik kon iets.

110

111

Deel XIII: De val van Srebrenica - 1E bedrijf.

Ik was nog maar net terug in Sarajevo, toen de stad gonsde van de geruchten. Srebrenica zou gaan vallen. Argentinum, zoals de Romeinen het stadje in de Drina-vallei noemden, was een van de drie oostelijke enclaves. De Serviërs hadden Oost-Bosnië bijna volledig etnisch gezuiverd, op Srebrenica, Zepa en Gorazde na. Maar de situatie werd onhoudbaar voor de Moslims van Srebrenica. Bijna elke dag was er clandestien radioverkeer tussen Sarajevo en de enclave. De berichten verslechterden zienderogen. Halverwege maart 1993 begon de munitie van de Moslims in Srebrenica op te geraken, de Serviërs verstevigden hun wurggreep op de stad. Humanitaire hulpkonvooien waren er de laatste maanden niet meer in geslaagd om de uitgehongerde bevolking te bevoorraden; de situatie was precair. Naser Oric, de commandant van Srebrenica en voormalig body-guard van Slobodan Milosevic, stuurde een kleine delegatie naar Sarajevo om het lot van de enclave en haar bewoners te gaan bepleiten. Onder de bescherming van de duisternis sluipt het groepje doorheen de linies van de Serviërs. Dagenlang duurt de voettocht, maar iedereen bereikt de Bosnische hoofdstad. De vice-premier, Zlatko Lagumdzija is geschokt door de bitterheid van de delegatie. Sarajevo krijgt de onverdeelde aandacht van de wereldmedia, Srebrenica waar de bevolking uitgehongerd is een zwart gat in het wereldgebeuren. Zij eisten dat voor elke Moslim die in Srebrenica stierf 112

één Serviër in Sarajevo zou worden opgepakt en geëxecuteerd. Lagumdzija had een tegenvoorstel: Heel Sarajevo zou alle humanitaire hulp weigeren totdat er weer konvooien naar de oostelijke enclaves zouden worden doorgelaten. Sarajevo ging in hongerstaking in solidariteit met de bevolking van Srebrenica, Gorazde en Zepa. De opperbevelhebber van het Bosnische leger, Sefer Halilovic waarschuwde begin maart Philippe Morillon, de Force Commander van de VN-troepen in Bosnië dat de verdedigers van Srebrenica geen munitie meer hadden en dat een aanval van de Serviërs in de lijn der verwachtingen lag. De stad en haar bevolking verdedigen was een onbegonnen taak. Een dokter van de Wereld Gezondheidsorganisatie die net, te voet, over de bergen, teruggekomen was uit de enclave, deed zijn relaas aan Morillon over de duizenden daklozen, over de honger, over de mensen die stierven in de straten, van de honger en de koude. Morillon nam een beslissing die hem voorgoed in discrediet zou brengen bij zijn bazen in New York: hij zou zelf naar Srebrenica gaan. Op elf maart, drie voertuigen vertrokken, over de duistere bosweggeltjes die naar de enclave leidden. Morillon noteerde die dag het volgende in zijn dagboek: We kropen traag vooruit, tussen de bomen, en, na een paar uur besloot ik over te stappen in de pantserwagen met de vlag van de Verenigde Naties, opdat de Bosniërs zich niet zouden vergissen wie we waren. Toen we op een klein heuveltje aankwamen, kwamen drie Bosniërs op ons af, verbaast ons daar aan te treffen. "Hoe bent u hier geraakt?" vroeg een van hen. "Ik heb persoonlijk de mijnen op het pad gelegd - we verwachtten u vanuit een andere richting." Morillon en zijn gevolg bereikten Srebrenica in het holst van de nacht. Honderen mensen leefden in de straat, brandhout was er niet, de mensen 113

verbranden stukken plastiek. 's Ochtends beloofde de generaal Oric alles in het werk te stellen om de bevolking van Sreberenica te beschermen en om humaintaire hulp naar de enclave te sturen. Hij zou zelfs proberen een staakt-het-vuren te bewerkstelligen. Dan stapte hij weer in zijn voertuig, op weg naar Sarajevo. maar Oric had andere plannen. Hij wilde dat Morillon bleef tot de beloften van de generaal werden ingelost. Hij stuurde honderden vrouwen en kinderen op weg om het konvooi van de generaal de pas af te snijden. Morillon kon geen kant meer uit, onderhandelen hielp niets, Oric liet hem niet gaan. Dus speelde de VN-commandant het spelletje mee: vanop een balkonnetje schreeuwde hij de bevolking toe dat hij hen niet allen zou laten, maar tijdens de nacht probeerde hij desalniettemin er tussenuit te muizen, maar hij werd ontdekt. Op dertien maart kon hij eindelijk vertrekken, richting Belgrado, waar hij van de Serviërs gedaan kreeg dat een hulpkonvooi naar Srebrenica kon uitrijden. De chauffeurs van de vrachtwagens waren totaal onvoorbereid op het tafereen dat volgde. Toen de vrachtwagens waren afgeladen, werden de trucks overstroomd door honderden wanhopige vrouwen en kinderen die de stad wilden verlaten. Zes mensen stierven aan verstikking tijdens de rit naar Tuzla; de VN hielp weer eens aan de etnische zuiveringen in oost-Bosnië. De bombardementen op Srebrenica hielden niet op. Begin April werden de Moslims gesommeerd zich over te geven, het Bosnische leger kreeg twee dagen om over het voorstel na te denken; daarna zouden de Serviërs de stad genadeloos onder de voet lopen. Het UNHCR begon al plannen op te maken voor de evacuatie van de meer dan 60.000 inwoners van de enclave. Het was de grootste enkele zuiveringsactie sinds het begin van de oorlog, maar het UNHCR verdedigde haar plannen: "we 114

veroordelen elke vorm van etnische zuivering, maar als jet tegenover duizenden vrouwen en kinderen staat die allen willen geëvacueerd worden, kan je alleen maar helpen." Morillon was geschokt door het Servische ultimatum, en herinnerde zich zijn eerdere beloften tegenover de bevolking van Srebrenica. Hij zou weer op pad gaan, met of zonder toestemming van de Serviërs. Amper vijfentwintig kilometer buiten Sarajevo werd het konvooi aangehoden door de Serviërs, na zeven uur onderhandelen werd Morillon met twee voertuigen doorgelaten, de andere drie wagens moesten rechtsomkeer maken. In Zvornik was de vernedering van de VN compleet. Morillon werd weer tot staan gebracht, dit maal door een handjevol vrouwen die met verf naar de witte wagens smeten, antennes afbraken en jerrycans stalen. Morillon keerde terug naar Tuzla, in regeringsgebied. De generaal was gedesillusioneerd, het gewicht van de verantwoordelijkheid woog hem zwaar. Op 12 april begon de beschieting van Srebrenisc. In minder dan een uur stierven vijfenzestig mensen, een groot deel onder hen voetballende kinderen. Mladic in persoon leidde de aanval. Larry Hollingworth, een van de meest ervaren en bedaarde UNHCR officials die al heel de oorlog convooien doorheen Bosnië loodstse, week af van anders het geballanceeerde VN jargon en gaf een statement dat de wereld zou rondgaan, dat in elke krant zou worden gedrukt: Mijn eerste gedachte was voor de commandant die de bevelen voor de aanval gaf: Ik hoop dat hij brand in het heetste deel van de hel. Mijn tweede gedachte gaat uit naar de soldaten die de kanonnen laadden en de granaten afschoten: Ik hoop dat hun slaap voor eeuwig wordt verstoord door het geschreeuw van de kinderen en het huilen van de moeders. Mijn derde gedachte is voor dokter in de 115

geneeskunde Radovan Karadzic, de proffesser in de literatuur Koljevic en de biologist Plavsic. En ik vraag me af of ze deze wreedheden zulen veroordelen? Of zullen ze hun opvoeding verraden en deze aanval goedkeuren? En ik dacht aan de vele Serviës die ik in dit land leerde kennen. Hoe zullen zij tegen deze pagina in hun geschiedenis aankijken, een hoofdstuk waarin hun leger onschuldige burgers voor zich uit dreef van dorp tot dorp tot dorp tot ze als ratten in de val van Srebrenica zitten, van waaruit niet te ontsnappen is, waar hen allen noch het beestentransport wacht, of de afslachting. De commandant van Srebrenica besloot zich over te geven, maar vroeg aan een van de weinge UNHCR-officials in de stad om een laatste bericht naar Belgrado te sturen. Alle verdedigngslijnen waren verzwakt, de stad kon de Serviërs niet meer op afstand houden. UNPROFOR bleef onderhandelen met Generaal Mladic over een staakthet-vuren, maar deze laatste wilde daar niets van weten. Niemand leek nog te weten wat te doen, gesprekken opn de luchthaven van Sarajevo tussen Mladic, Morillon en Halilovic haalden niets uit. Overgave was de enige weg. Mladic zou de vrouwen en kinderen laten vertrekken, helicopters zouden de gewonden kunnen evacueren. De mannen van Srebrenica zouden als krijgsgevangenen worden weggevoerd. Over hun lot zou later worden onderhandeld. Op 15 april werd de overgave bezegeld; de druk van de internationale gemeenschap en de publieke opinie wogen zwaar voor de UNPRFOR. De volgende dag werd in New York de veiligheidsraad samengeroepen; Resolutie 819 werd doorgedrukt; Srebrenica werd uitgeroepen tot een 'Safe Area' Niemand leek echter te weten wat een Safe Area moest betekenen. 116

Later werd het aantal SA's zoals ze in het jargo werden genoemd, uitgebreid met Sarajevo, Tuzla, Bihac en de twee andere oostelijke enclaves Zepa en Gorazde. De Safe Areas zouden ontwapend worden, de belegeraars zrondom niet. De Verenigde Naties hadden nooit de intentie om de gebieden daadwerkelijk te beschermen, ze hadden er trouwens ook de troepen niet voor. Maar het gezichtsverlies was beperkt gebleven. "De mensen van Srebrenica worden beschermd door de blauwe vlag van de Verenigde Naties" was het antwoord op de vraag wie Srebrenica nu zou beschermen. De Safe Areas bleven onder constante belegering van de Serviërs, de blauwhelmen deden niets om hen te helpen.

117

118

Deel XIV: Onderhandelen en nog meer onderhandelen.

De zomer van 1993 werd gekarakteriseerd door onderhandelingen. Vance en Owen de negotiateirs van de VN en de Europese Unie waren met een nieuw vredesplan op de proppen gekomen. Iedereen was weer maar eens naar Genève gesommeerd om te praten over de opdeling van Bosnie colgens etnische lijnen. De Bosnische regering, nog steeds trouw aan het multi-etnische Bosnië van weleer, stond steevant weigerachtig tegenover dit soort van oplossingen, maar ze stond met haar rug tegen de muur. De Serviërs conroleerden meer dan twee derden van het land, de Kroaten hadden hun greep op Herceg-Bosna gedurende de zomer nog verder verstevigd. De regeringstroepen hadden hier en daar een stukje Bosnië onder hun gezag, maar het land was een lappendeken geworden van ministaatjes die waren uigeroepen ten koste van de Moslims. Later werden de gesprekken voortgezet aan boord van het Engelse vliegdekschip HMS Invincible. Vance was vervangen door de Noor Thorvald Stoltenberg, het Vance-Owenplan dat Bosnië in tien provincies zou opdelen was in de kast opgeborgen, maar Washington wou een oplossing. De Kroaten hadden het VO-plan getekend, want zij zouden er het meest bij winnen; de Moslims waren tegen een opdeling van het land en de Serviërs vonden dat ze te weinig kregen. 119

De Amerikanen zetten de Bosnische regering onder druk om hun 'JointAction-Plan' te tekenen. Het verschilde in essentie niet van het VO-plan, Bosnië zou een losse unie worden van drie staten, de opdeling van Bosnië was een feit. Ethnische zuiveringen werden beloond. Izetbegovic zwichtte onder de druk van Washington en tekende het plan, Boban en de Bosnische Serviërs volgden. De Kroaten en de Serviërs waren triomfantelijke. Zij hadden hun doel bereikt, de wereld had hun een stuk van Bosnie gegeven: 53% voor de Serviërs, 17% voor de Kroaten. De Moslims hadden geen uitweg naar de zee, maar speciale wegen zouden worden aangelegd, een nieuwe haven moest worden gebouwd. Het plan was een doodgeboren kind, Sarajevo zou voor twee jaar onder VN-mandaat staan, Mostar zou door de EU worden geregeerd. Karadzic opperde zelfs om een tuunel te maken voor de inwoners van Sarajevo zodat ze naar andere delen van het land zouden kunne reizen. Stoltenberg vertrok naar New York om de VN veiligheidsraad om 40.000 extra blauwhelmen te vragen. Izetbegovic verwierp het plan uiteindelijk toch nog. Owen en Stoltenberg waren teleurgesteld. Voor hen was de oplossing voor de Bosnische oorlg zo nabij en tch zo eraf.

120

121

Deel XV: NATO vliegtuigen boven Sarajevo.

In februari 1994 was ik voor toen dagen gaan skiën in Frankrijk, met een aantal vrienden. Het was mijn eerste vakantie sinds ik in Bosnië was aangekomen. Het was al een hele tijd rustig in de streek, dat wil zeggen dat de oorlog zijn gewone gangetje ging. Sarajevo was nog steeds belegerd, de Serviërs en de Kroaten hielden de Moslims in hun greep. De internationale gemeenschap bleef maar onderhandelen, vredesplannen en speciale afgezanten kwamen en gingen, maar mij kon het allemaal even gestolen worden. De sneeuw was goed, het hotel ook, Bosnië liep niet weg. Toch luisterde ik elke avond naar het nieuws, je wist maar nooit. De redactie had mijn telefoonnummer. De ergste spierpijnen waren net over, ik was in vakantiestemming, ik genoot van het skien en de après-ski. Uitgeput kwam ik die avond in het hotel binnen, toen de receptionist met een bundeltje faxen op me afkwam. Ik was de hele dag op de pistes geweest, kwam net terug van Courchevel, ik wist nergens van. Het was bijna een hele rol faxpapier, met bovenaan de een kort berichtje: Of ik dringend contact wou opnemen met de redactie. De rest waren berichten van de persagentschappen. Sarajevo had al heel wat bloedbaden overleefd. De bom die op 5 februari op een druk bezohte marktplaats landde was een monster. Om halfeen die zaterdag, deed de hele stad haar inkopen. Het aanbod was schaars, maar op 122

de Markala-markt kon je altijd wel vanalles vinden. Het was druk. Honderden mensen drumden tussen de kraampjes met hun golfplaten afdakjes. Totdat de bom viel, een 120mm-granaat, die eerst op een van de kraampjes viel, dan op een tafel, en toen ontplofte. Miljoenen stukjes gloeiend metaal vlogen door het luchtruim. Bloedbad, Massacre, pijn, doden, veel doden, afgerukte ledematen, hoofden. Bloed, veel bloed. Achtenzestig doden en meer dan tweehonderd gewonden. De reactie van Izetbegovic was spontaan. Slechts enkele uren na wat bekend zou worden als de "Marketplace Massacre" riep hij de pers bij zich en deed, duidelijk geschokt, een oproep aan de wereld om eindelijn iets te doen om de dood van zijn landgenoten te wreken. 'Het is een zware, verschrikkelijke dag. Wij Bosniërs voelen ons als ter doood veroordeeld. Elke regering die het wapenembargo tegen dit land ophoud is mede verantwoordelijk voor dit soort wreedheden." Radovan kradzic was even snel bereid om zijn visie te spuien. Hij noemde het hele bloedbad een toneelstuk van de Moslims. Het waen geen echte lijken, het waren etalagepoppen en lijken uit het lijkenhuisje die de Moslims daar hadden neergelegd en bespoten met varkensbloed om de Internationale gemeenschap tot actie te dwingen. Hij beval zijn troepen om alle humanitaire konvooien te blokeren totdat de UNPROFOR zijn leger publiekelijk witwaste van alle schuld. Later nog zij hij dat de Moslims zelf de std beschoten hadden om de wereld aan hun kant te krijgen. Zoals altijd droegen Karadzic' uitspraken vruchten af. Omdat de granaat eerst op een dakje was geland en dan pas op de tafel waar zij explodeerde, konnen de specialisten van de Verenigde Naties niet met honderd procent zkerheid vaststellen uit welke richting de granaat kwam. Niemand heeft ooit sluitend het bewijs kunnen leveren dat het de Serviërs warren die de bom 123

afschoten, maar gedurende de twee-en-twintig maanden oorlog hadden de Serviërs al meer dan een miljoen granaten en mortieren op Sarajevo afgevuurd; het was te verwachten dat er wel minstens eentje op een dichtbevolkte plaats terecht moest komen. Het was nergens veilig in Sarajeo. Overal zie je de charecteristieke rozetten die opverblijven na een granaatinslag. De NAVO was voor air-strikes tegen de Serviërs, maar de VN-commandant in Sarajevo was absoluut tegen. Twee weken lang zou hij hemel en aarde bewegen om luchtaanvallen af te wenden. Maar de druk vanuit zowat alle westerse hoofdsteden om tot de actie over te gaan was groot. Het enige probleem voor een NAVo-niterventie waren de Russen. Zij hadden de NAVO al toegestaan om de No-Fly Zone boven Bosnië te implementeren, een solo[actie van de NAVo zou de Russen op de tenen trappen. Lord Owen, evenzeer onder druk van het Westen, begon voorzichtig te polsen. Eerst bij Karadzic die er geen doekjes om wond; de Bosnische Serviërs zouden terugslaan in het geval van luchtaanvallen. De North Atlantic Council, het politieke orgaan van de Verdragsorganisatie, zou op woensdag negen februari vergaderen, de Amerikanen en de Fransen drongen er bij hun partners op aan om ee ultimatum te stellen. Alleen de Britten leken tegen een NAVO intervensie te zijn. Ondertussen was Generaal Sir Michael Rose druk aan het onderhandelen met de Serviërs over een staakt-het-vuren dat air-strikes onnodig zouden maken. Het plan behelsde vier punten: Een onmiddellijk staakt-het-vuren, terugtrekking van alle zware wapens uit een zone van twintig kilometer rond Sarajevo of deze wapens onder VN-conrole brengen, de interpositie van blauwhelmen tussen beide legers en het opzetten van een gezamelijke werkgroep die moest toezien op de naleving van het plan. Na lang tegensputteren accepteerden de 124

Serviërs het plan; het zou de volgende dag getekend wworden op de luchthaven. Rose had er echter niet op gerekend dat de Moslims, die hun hoop op de NAVo hadden ingezet, het plan niet zouden steunen. Zij kwamen niet opdagen op de meeting. Rose was woedend en stormde op naar het presidencieel paleis, waar Izetbegovic net een interview gaf over de nood aan air-strikes, gecombineerd met vredesbesprekingen. Rose onderbrak het interview en dreigde ermee de Moslims zwart te maken voor de hele wereld en te vertellen dat Izetbegovic weigerde te onderhandelen. De president bond in en stuurde een delegatie naar de luchthaven om het vierpunten-plan te ondertekenen. Rose infromeerde de NAVO die de Serviërs voor de keuze stelde: het plan binnen de tien dagen implementeren of zich voorbereiden op de eerste gevechtsactie sinds het bondgenoodschap werd opgericht in 1949. Over de betekenis van het woord 'VN-controle' werd gebakkeleid. De Serviërs wilden ongehinderde toegang tot hun wapens, de VN wilde die eis wel toestaan, de NAVO had zo z'n twijfels. Ik was ondertussen al druk aan het pakken, gelukkig had ik mijn vakantie kunnen uitskiën. Het ultimatum zou binnen twee dagen aflopen en ik was gestrand op de luchthaven van Ancona, Italië, vanwaar de VN-vluchten naar Sarajevo vertrokken. Meer dan driehonderd journalisten, cameramensen enfotografen zten in de vertrekhal van de kleine regionale luchthaven te wachten op transport naar de Bosnische hoofdstad. Humanitaire hulp was nog steeds een prioriteit voor de VN, er waren slechts een vijftal plaatsen per vlucht, en er waren nog welgeteld negentien vluchten voor het ultimatum afliep. Op een of de ander manier bleeek toch iedereen in Sarajevo aan te komen. In het Holiday Inn hotel waren er doorlopen briefings van de NAVO en de VN over de vorderingen die werden gemaakt. Om stipt 125

middernacht liep het ultimatum af, dan zou de VN aankondigen of de Serviërs zich bij de beslissingen van de internationale gemeenschap hadden neergelegd of niet. Generaal Rose was de hele dag onbereikbaar voor commentaar, VN onderhandelaars en inspecteurs shuttelden tussen de wapenopslagplaatsen en het VN-hoofdkwartier om verslag uit te brengen. "We have complience", met die woorden begon de nachtelijke persconferentie. De zaal was afgeladen vol, er hien zelfs een beetje een feestelijke atmosfeer, alsof iedereen aanvoelde dat we iets historisch meemaakten. De hele dag hadden we de lucht afgespeurd naar NAVOvliegtuigen die capriolen maakten, zouden ze nu ook nog gaan bombarderen. Rose verkondigde dat hij tevreden was met de Servische medewerking, bijn alle zware wapens waren onder VN-controle, een aantal Servische tanks stonden nog ergens ten velde met motorpech, maar ook op die plaatsen hielden blauwhelmen een oogje in het zeil. Sarajevo kon rustig slapen, de oorlog was voorbij, de NAVO nzou niet gaan bombarderen. Ik was een beetje teleurgesteld, en velen met mij. Een voor een gingen we naar huis om kond te doen van die aardige geste van de Serviërs die ons nooit eens een pleziertje lijken te gunnen. De volgende dag was de atmosfeer in heel Sarajevo veranderd. Iedereen was nogal onwennig in het begin, later in de week begonnen de straten zich weer met mensen te vullen, cafe's openden hun deuren, de oorlog leek voorbij, de journalisten vertrokken, maar niet zonder eerst even een kijkje te gaan nemen bij de Serviërs. Het leek wel glasnost en perestrojka in de Republika Srpska. Plots kon alles bezichtigd worden, de lokale commandanten gaven persoonlijk rondleidingen aan de frontlijnen, langs de wapenopslagplaatsen, om dan uiteindelijk iedereen uit te nodigen in de plaatselijke bar. Gedaan 126

met de perskaarten en speciale pasjes van Sonja Karadzic, leve Generaal Rose en de NAVO. De detente bleef niet duren. De zware wapens die van rondom Sarajevo waren weggetrokken begonnen zich rondom de enclave Gorazde op te stellen. Gorazde was al lang een doorn in het oog van de Serviërs. Begin april begonnen de kannen en tanks zich op te stellen voor de aanval, een paar dagen later begonnen de bombardementen. De Servische troepen boekten succes, de Moslims moesten steeds meer terrein prijsgeven. De Drinarivier die Gorazde in twee snijdt was volledig in handen van de Bosnische regeringstroepen totdat de Serviërs hun aanvallen begonnen op te drijven. De eerste berichten bereikten de buitenwereld dat de Moslims de toestand niet meer de baas konden, dat de vijand al tot aan de rand van de stad was genaderd. De vogende dag waren ze de buitenwijken van Gorazde al binnengetrokken. Het was hetzelfde scenario als met de Srebrenica-enclave, het jaar voordien. Maar generaal Mladic, die de belegering van Gorazde persoonlijk commandeerde, hhad buitden de waard gerekend. De waard was in dit geval de NAVO, die in tegenstelling tot de Verenigde Naties, zich niet tot de letter van de wet beperkte. In een van de vele VN-resoluties stond dat de NAVO kon optreden om VN-personeel en de zogenaamde Safe Areas te beschermen. Er waren Engelse troepen in het gebied; zij waren overrompeld door de Servische opmars en bevonden zich plots midden in het krijgsgewoel. Een van hen geraakte gewond en seinde het noodsignaal naar Sarajevo. Generaal Rose besliste om luchtaanvallen in te zetten maar de nieuwe VN-gezant Akashi blies ze weer af. Rose insisteerde en dit keer stemde Akashi, die nadat hij de feiten en de mogelijke opties een beetje beter had bestudeerd, in. Vanaf de luchtmachtbasis in het Italiaanse Aviano stegen 127

Britse en Amerikaanse jachtpiloten op om de Serviërs een lesje te leren. In een eerste raid werd een tank vernield, de tweede golf vliegtuigen bestookten een Servische commando-bunker. Er werd geen noemenswaardige schade aangericht, de Serviërs haalden één Britse Harrier neer. De NAVO trok zich terug, de Serviërs deden hetzelfde, onder druk van een ultimatum dat eerder al vruchten had afgeworpen rondom Sarajevo; Gorazde was gered. De eerste gevechtshandeling van de NAVO is een feit. De NAVO zal in de loop van 1994 nog twee keer uitrukken om de Serviërs te bombarderen omdat deze laatsten steeds weer proberen om onder de VNresoluties uit te muizen. In het begin lijken de luchtaanvallen van het Bondgenoodschap nog indruk te maken op Karadzic en zijn generaals, maar geleidelijk aan geraakt een mens aan alles gewend.

128

129

Deel XVI: Onderhandelingen en nog meer onderhandelingen.

De grootmachten vinden dat het stillaan tijd word dat er komaf gemaakt wordt met de Bosnische oorlog, dus wordt wordt eind april 1994 de 'Contact Group' in het leven geroepen. De Verenigde Staten, Rusland, Duitsland, Frankrijk en Groot-Britannië gaan vergaderen over een nieuw vredesplan dat Bosnië moet gaan opdelen in twee delen. De Republika Srpska die nu meer dan 70% van het land in zijn greep houdt, zou 51% mogen behouden, de rest zou naar de Bosnisch-Kroatische federatie gaan. Die Federatie is een nieuwe politieke constructie die door de Amerikanen in het leven werd geroepen om de oorlog tussen Moslims en Kroaten een halt toe te roepen. Onder druk van de Verenigde Staten tekenden de Moslims en Kroaten een staakt-het-vuren in Zagreb in Februari, het pakt wordt bezegeld in de oprichting van een federatie als tegengewicht voor de Servische dominantie in Bosnië. De Presidenten Izetbegovic en Tudjman

ondertekenen alle verdragen die van de vroegere vijanden weer partners moet maken. De Federatie vormt een losse confederatie met Kroatie. De contactgroep en de nieuwe onderhandelaar van de Verenigde Naties, de japanner Yasushi Akashi, slagen er in een staakt-het-vuren voor een maand te onderhandelen. Het bestand wordt ontelbare keren geschonden. Om de strijdende partijen de kans te geven nog eens rustug over het nieuwste 130

vredesinitiatief na te denken wordt het bestand in Juli met nog een maand verlengd en ministers reizen af en aan om het plan te promoten. De Moslims zien in het contactgroep-plan een uitweg, zeker nu ze niet langer in een oorlog met de Kroaten zijn verwikkeld, maar de Serviërs weigeren het vredesinitiatief te steunen. Het is een kaakslag in het gezicht van de internationale gemeenschap; voor de zoveelste keer was iedereen weer terug bij af. Of toch niet helemaal. Dit maal had het vredesplan de steun van de Servische President Slobodan Milosevic. Milosevic was bereid het

indernationale plan te steunen om van de sancties af te komen en had het pad van de nationalistische retoriek al een tijdje verlaten. In Servië werd Karadzic steeds minder als een volksheld afgebeeld, er werd steeds meer aandacht aan 's mans gokverslaving, z'n zwarthandel en

zijnongehoorzaamheid tegenover zijn beschermheren. Milosevic zou het plan van de contactgroep steunen, heel de internationale gemeenschap kwam bij hem over de vloer, maar Servies president had zijn greep op zijn poulin in Pale verloren. Karadzic was niet onder de indruk van Milosevic' dreigementen met sancties. Het hele plan was voor de Bosnishe Serviërs onaanvaardbaar, ze zouden dertien steden moeten teruggeven aan de Moslims, ze verloren delen van voor hen vitale wegen en andere

nutsvoorzieningen. Voor het regime in Pale was dat een overgave aan de Moslims. De regering in Sarajevo was ook niet erg opgezet met het nieuwe plan, omdat het de agressie zou belonen. De Serviërs zouden 51% van het grondgebied krijgen terwijl ze maar een derde van de Bosnische bevolking uitmaakten. Maar eerste minister Harai Silajdzic was verstandig genoeg om het plan niet meteen te verwerpen. Hij wist dat de Serviërs de voorwaarden van het Contact-Group plan onaanvaardbaar vonden, hij zou het pas 131

afweren als de Serviërs dat eerst deden. Silajdzic kreeg gelijk. Karadzic kelderde het plan. Milosevic was woest. Om zijn volksgenoten te straffen beloofde hij de internationale gemeenschap om alle banden, militair en civiel, met de Republika Srpska door te snijden. Begin augustus werden alle grensposten langsheen de Drina-rivier voor goederenverkeer gesloten, telefoonlijnen die via Servië liepen werden afgesneden, de Bosnische Serviërs stonden alleen. Zelfs hun vroegere broodheren hadden zich tegen de koppigheid van Karadzic en zijn generaals gekeerd. De VN-Veiligheidsraad beloonde Milosevic voor zijn doortastendhied met een gedeeltelijke opoheffing van de sancties. Culturele en sportieve manifestaties mochten weer, basisproducten knden weer ingevoerd worden. Milosevic op zijn beurt stemde in met een monitormissie die er op moest toezien dat het embargo tegen de Bosnische Serviërs wel stand zou houden. De internationale blokkade tegen Milosevic en de zijnen was doorbroken, de president was weer de held van zijn volk, het politiek beest had weer maar eens overleefd, de eer van Servië leek gered te zijn. Derest van 1994 verliep zonder al te veel noemenswaardige incidenten. De oorlog ging zijn gewone ganngetje. In de herfst probeerde het Bosnische leger uit te breken uit de Bihac-enclave in het noord-westen van het land. Bihac was omsingeld door de Krajina Serviërs in het noorden en het westen en door de Bosnische Serviërs in het zuiden en het oosten, zitten de Moslims in de Bihac-pocket in de tang. Een nieuw offencief leek ingezet. Reeds 29 maanden leven de inwoners van de Bihac enclave afgezonderd van de rest van de wereld. Door de Verenigde Naties werd het gebied tot 132

veiligheidszone uitgeroepen, waar alle zware wapens uit moesten worden teruggetrokken uit een zone van twintig kilometer. Negen-en-twintig maanden waarin ze elke dag beschoten worden door hun agressors, de Bosnische Serviërs die drie vierde van Bosnië onder hun controle hebben. En nu beginnen ook de Krajina Serviërs zich in de strijd te mengen. De hele week al ligt de stad onder een granatenregen en loeïende sirenes jagen de mensen de schuilkelders in. In het hospitaal worden elke dag nieuwe gewonden binnengebracht, afgerukte ledematen. Tijdens het week-end viel een granaat op een café waar een dertigtal jongeren waren. Het droeve resultaat: twee doden en twee-en-twintig zwaar gewonden. "We kwamen schuilen voor de granaten, toen eentje naar binnen kwam zeilen. Plots was er overal geschreew en bloed, vooral bloed. Ik ben nu verlamd aan beide benen." De jongen die dit verteld is 15 jaar oud. Twee bedden verder ligt een negentien jarig meisje, haar linkerbeen is afgezet, en de helft van haar gezicht is weg. Afgerukt door een granaat. Haar vader staat naast haar, met de tranen in de ogen: "Een bloedbad, ik heb er geen andere woorden voor. Haar leven is voorbij, welke toekomst heeft mij kind nu..." Generaal Michael Rose, de opperbevelhebber van de blauwhelmen heeft de Serviërs gewaarschuwd de bombardementen op de stad te staken, anders zou de NATO wel eens luchtaanvallen kunnen uitvoeren, net als op Gorazde. Een waarschuwing in de wind blijkbaar, want vandaag werd de stad weer hevig onder vuur genomen. En voor hoelang zullen de VN en de NAVO nog blijven veinzen dat ze de bevolking van Bosnië beschermen? de kamers liggen vol mensen met

133

De enclave was in twee verdeeld, want in het noorden had Fikret Abdic, een rivalisered leger opgezet dat wel wou onderhandelen en handel drijven met de Serviërs. Abdic was lange tijd directeur geweest van Agrokomerc, een landbouwcooperatief dat in zijn eentje zowat heel Bosnië bevoorraadde. Maar de man had ook politieke ambities en behaalde in de verkiezingen van 1990 meer stemmen dan President Izetbegovi, maar hij zag af van zijn politiek mandaat om zich met zijn bedrijf bezich te houden. Vanuit zijn kasteel in Velika Kladusa regeerde hij ale een kleine despoot over zijn onderdanen; de raad van bestuur van Agrokomerc waren zijn ministers. Hij sloot verbonden met de Serviërs en viel zijn eigen enclavegenoten aan in ruil voor de vrijwaring van zijn 'Autonome Provincie van West-Bosnië' voor de oorlog. Het Vijfde Korps van het Bosnische leger kreeg er nog een vijand bij. In october probeerde Bihac zich aan de wurggreep van de Serviërs en de 'Moslimverraders' te ontrrekken. In een gecoordineerde aanval met de Kroaten breken zij uit. De Kroaten vallen de Serviërs aan in het zuiden, nabij Kupres, de Moslims van Bihac komen opzetten vanuit het Noordwesten. De Serviërs moeten zich terugtrekken, maar al gauw keren de kansen omdat de Moslims de logistieke middelen ontberen om de frontlijnen in het ijskoude hooggebergte te verstevigen. De Kroaten echter kunnen Kupres behouden. Een poging om de belegering van Sarajevo te doorbreken loopt op een sisser af, de regeringstroepen kunnen geen meter terreinwinst boeken, maar ze halen op het diplomatiek front wel een kleine overwinning: President Clinton roept het Congress op om het wapeneembargo tegen de Moslims te doorbreken, maar de Europeanen weigeren te volgen.

134

135

Deel XVII: Ontmoeting in Sarajevo.

Ik heb je papa ergens in de lente van 1994 ontmoet. Op de dertigste april om precies te zijn. Hij kwam de kamer binnengewandeld bij Fakica, samen met enkele collega's. Het was een vermoeiende dag geweest. In die dagen werkte ik in de kantine van de Franse blauwhelmen. Voor honderd Duitse Mark per maand. Ik was moe, het was een regenachtige dag en ik moest naar een verjaardagsfeestje waar ik niet echt veel zin in had. Fakica's huis was een soort van ontmoetingsplaats voor free-lance journalisten. Harald, met wie ik al heel de oorlog flats in Zagreb deelde, woonde bij haar als hij in Sarajevo was, een Nederlandse fotograaf had er zijn intrek genomen, Fakica's dochter en haar vriend hadden er hun kamer, en de grootmoeder van de familie waar Johan in die tijd in woonde had een flatje op het gelijksvloers in hetzelfde gebouw. Het wsa er altijd volle bak, en de gezamelijke avondmalen waren een belevenis op zich. Iedereen bracht iets mee, de huishoudster ging aan de slag in de keuken en een uurtje later konden we de benen onder de tafel schuiven. Dit maal was het Consuela's verjaardag. Zij was een of andere Franse actrice die met een container hulpgoederen naar Sarajevo was gekomen om het Nationale Theater en zijn acteurs een hart onder de riem te steken.

136

Johan leek iedereen in huis te kennen,

behalve mij, maar we hadden

onmiddellijk oogcontact. De hele avond hebben we maar een paar woorden gewisseld. Ik was meteen weg van hem, hij van mij. Het was een mooie lente, dat jaar, en de volgende dagen bracht ik alleen maar met Johan door. het NAVO-ultimatum na het Market-place Massacre hat een soort van luwte in de oorlog veroorzaakt, overal in de stad waren de terasjes buitengezet. Urenlang hebben we gepraat, over vanalles en nog wat. Het 'klikte' tussen ons, maar geen van beide durfde de stap te zetten. Johan had mij verteld van zijn plannen om naar Algerije te gaan. Hij zou twee maanden wegblijven, maar ik had hem verkeerd verstaan en ik dacht dat hij voor lange tijd zou weggaan. Het kon nooit wat worden. Het zou te mooi geweest zijnt. Enkele dagen later vertrok hij naar Zagreb, met de belofte snel weer terug te komen. Bijna elke dag telefonerde hij me, hij had een geschenkje voor me gekocht en zou maar veertien dagen in Kroatië blijven. Hij is niet gekomen. Pas enkele weken later kreeg ik van Harald te horen dat hij naar Algerije was vertrokken. Mijn wereld stortte in. Hij kwam zeker nooit terug. Heel die zomer lang heb ik aan je papa gedacht, aan mijn gemiste kansen, aan een toekomst die nooit zou zijn. De zomer ging en de herfst kwam. Harald en de ander journalisten waren de stad uit, er gebeurde toch bijna niks noemenswaardig. Ik had mijn baantje bij de blauwhelmen opgezegt om verder te studeren. Bijna elke dag moest ik naar de pedagogische fakuleit of moest ik zelf proeflessen geven. Mijn werk met kinderen was alles voor me, ik was gelukkig dat ze weer naar school konden, ondanks de oorlog. Ik had het eerste klasje. School betekende vier lesuren per week, in een onverwarmd klaslokaaltje, of bij een van de kinderen thuis. Even het lezen en rekenen oefenen en dan opdrachten geven voor de rest van de week. De regering 137

had de gewone schooltijd opgeschort, want grote samenkomsten waren te gevaarlijk. Eind November kreeg ik een telefoontje. Het was Johan, of we mekaar ergens konden ontmoeten in de stad. Mijn hart sprong, ik was gelukkig. Hij was teruggekeerd, en diezelfde dag telefoneerde hij naar mij. Er was nog hoop. We spraken de volgende dag af aan de katedraal van Sarajevo. In de mist en de duisternis hebben we mekaar teruggevonden. Beiden waren we gelukkig, dit maal bleven onze gevoelens niet langer verborgen. Bijna elke avond gingen we samen uit, maakten plannen. Het Algerije-avontuur was voorbij. Johan zou in Sarajevo blijven.

138

139

Deel XVIII: De Igmanberg.

De oorlog ging maar door, ik was nog steeds in Sarajevo, de BRTN nam nog steeds radiostukjes af, kranten publiceerden nog steeds paginalange stukken over de ontberingen van gewone stervelingen en de capriolen van de politici. Maar er trad een soort van vermoeidheid op bij het publiek. Bosnië werd een nieuw Libanon, een conflict zonder einde waar niemand kop noch staart aan kreeg, een oorlog die ver van ons bed lag. In de lente van 1995 gebeurde er weinig spectaculaire dingen die het publiek nodig had om interesse te kunnen opbrengen voor de oorlog. In Mei verschoof het strijdtoneel zich heel even weer naar Kroatië. De regering in Zagreb was het moe steeds weer van de Verenigde Naties te horen dat er onderhandeld werd over de herintegratie van de bezette gebieden, zonder dat er concrete vorderingen werden gemaakt. Er werd in het geheim gepland en voorbereid; eind April was het dan eindelijk zo ver. In de vroege ochtend van de eerste mei 1995 lanceerde het Kroatische leger een blitzaanval op de zogenaamde Sector West in West Slavonië, het kleinste en minst goed verdedigbare deel van de Republiek Servische Krajina (RSK). Niemand had ook maar iets kunnen vermoeden, maar het was een geslaagde operatie. Binnen de drie dagen was het hele gebeuren voorbij. Het merendeel van de separatischtische Serviërs was over de grens met Bosnië, naar de Republika Srpska, gevlucht. Ze boden nagenoeg geen weerstand, 140

maar vanuit een ander deel van de RSK werden twee lange afstandsraketten op Zagreb afgeschoten. Hun lading bestond uit een aantal granaten die op hun beurt weer gevuld waren met duizenden kleine exploderende bolletjes. Het aantal slachtoffers bleef beperkt maar Kroatië was met verstomming geslagen. In heel heel het land loeiden de luchtafweersirenes, mensen barikeerden zich in hun schuilkelders, maar de nationale radio en tv bleven de hele dag lang nationalistische muziek en triomfantelijke berichten uitzenden. Het uur van de bevrijding was nakend. Van zodra de eerste berichten Sarajevo berikten, spoedde alle journalisten zich richting Zagreb. Op de Igman-berg, de enige uitweg uit Sarajevo, was het drummen, eens in Split aangekomen wachten tot de luchthaven van Zagreb weer zou opengesteld worden. Ik was net op tijd in de Kroatische hoofdstad om de eerste raketaanval gemist te hebben, de volgende dag had ik meer geluk. Een van de weinige taxis die nog rondreed wilde me naar de plek van de inslag brengen. Met de hulp van de andere chauffeurs en hun cb's werden we naar de juiste straat geleid. In het nationaal theater was net een repetitie aan de gang, de opvoering zou enkele weken uitgesteld moeten worden omdat de helft van de cast door de exploderende bolletjes werd gewond. Maar het Kroatisch nationalisme kende geen grenzen. In de bevreide gebieden waren enkele uren na de doortocht van het leger al arbeiders aan de slag om het postkantoor van de nationale kleuren te voorzien, telefooncellen werden geinstaleerd, overal wapperden Kroatische vlaggen, burgers volgden als een horde supporters. Het bleef voorlopig bij dat ene stukje bezet Kroatië. De andere bezette gebieden zouden nog een tijdje moeten wachten om bevreid te worden. Het was tijd om terug te keren naar Sarajevo. Terug over de Igmanberg, die ik in de laatste maanden zo goed had leren kennen. De Bosnische hoofdstad 141

was nog steeds omsingeld, maar onder de luchthaven liep een soort van rioolbuis, die de stad met de berg verbond. Igman was regeringsgebied. Met onze perskaarten konden we per auto de luchthaven opversteken, de Bosniërs moesten als ratten door de tunnel kruipen. De hele bevoorrading van de stad verliep door deze levensader die slechts een meter breed en anderhalf hoog was. Troepenverplaatsingen, zwarthandel, het gebeurde allemaal door de zeshonderd meter lange rioolpijp. Aan de andere kant van de Igmanberg ligt het niet-bezette deel van Bosnië, de uitweg naar de wereld. Trucks rijden af en aan om toch maar zoveel mogelijk goederen de stad in te brengen. Ik had de tocht over de berg al een aantal keren voor mezelf gemaakt, nu vroegen ook anderen of ik voor hen kon rijden. Maar dit keer zou ik te voet gaan. “Om acht uur vertrekt de bus, je hoeft niet te reserveren, er is altijd plaats,” zei het meisje van het busstation in Split over de telefoon. De volgende ochtend stopte onze taxi om vijf minuten voor acht vlak voor het station in de haven van Split. “Op peron 5,” was het antwoord op de vraag van mijn Nederlandse collega Harald Doornbos. Peron vijf was leeg, en de chaufeurs van de andere bussen mompelden onder elkaar iets over ‘geen bussen meer naar Sarajevo, veel te gevaarlijk’. Een van hen kwam op ons toelopen en bood ons een rit tot Tarcin aan, enkele kilometers voor de Igmanberg, het laatste en gevaarlijkste deel van de reis naar Sarajevo. Daar zou er om vijf uur een bus vanuit Zenica, in centraalBosnië voorbijkomen, misschien dat die nog verder zou gaan.

142

Beter dat dan nog een extra dag te verliezen en het risico te lopen dat er ook de volgende dag geen bussen meer naar de Bosnische hoofdstad zouden rijden. Dit keer zouden Harald en ik niet met de auto gaan, want andere collegas hadden ons dat ten sterkste afgeraden. De Serviërs schoten op alles wat bewoog, en het verkeer op de Igmanroute was een van hun belangrijkste doelwitten. Langs die weg werd Sarajevo bevoorraad. Het was de enige verbinding tussen de omcikelde stad en de ‘bevrijde gebieden’, de buitenwereld vanwaar je zonder al te veel moeilijkheden naar Kroatië kon rijden. Lange tijd was de weg ook open voor burgers, tijdens de relatieve rust die er tot September 94 heerste. Tot de Serviërs besloten dat het genoeg was en regelmatig op autos en vrachtwagens begonnen te schieten. TF1, de Franse televisie, werd de afgelopen week twee maal geraakt, net als de BBC, gelukkig reden beiden in gepanserde wagens. Anderen hadden niet zoveel geluk. Daarom wilden we het er te voet op wagen. Met de bus vanuit Split tot aan het laatste Bosnische check-point, en dan drie kilometer te voet tot in Hrasnica, aan de andere kant van de luchthaven op een negenhonderd meter van Sarajevo. In Tarcin moesten we een uurtje wachten op de bus uit Zenica. Via de BBC-worldservice hoorden we dat Sarajevo constant onder vuur lag, net als in de begindagen van de oorlog. Gehaast als we waren vroegen we iedere chauffeur of hij naar Sarajevo ging, meer dan een meewarrig ‘neen’ kregen we niet. Eindelijk kwam de bus dan toch, een half uur te laat. Een kilometer verder besloot de chauffeur te stoppen voor tien minuten, om koffie te drinken. Die tien minuten werden een uur, anderhalf uur. Over me in de bus zat een 143

Palestijnse jongen met z’n vader. Ook op weg naar Sarajevo. Hij was er al sinds het begin van de oorlog niet meer geweest. Hij woont nu al sinds in 1991 in Tuzla waar hij naar toe vluchtte toen de oorlog in Kuweit uitbrak, waar hij naar toe verhuisde om de problemen in z’n geboortestad Gaza te ontlopen. Nu wil hij naar België uitwijken... Het was duidelijk, de bus zou niet vertrekken. Een ‘taxi’-chauffeur bood ons aan om ons voor 3000 frank naar Sarajevo te brengen, of beter gezegd, tot de ‘Osmica’ het laatste Bosnische controlepunt. Samen met een Bosnisch meisje dat we in de bus hadden leren kennen klommen we aan boord van de oude roestige Lada die een kabaal van jewelste maakte; we zullen niet onopgemerkt Igman overrijden. Aan de voet van de berg wensten de militairen ons veel geluk toe. De moskee in Lokve, een kilometer verderop brande nog, een uurtje eerder vernield door zes Servische granaten. Onderweg stopten we regelmatig om te vragen hoe de situatie er wat verder op de weg uitzag. Duimen gingen omhoog om aan te geven dat alles rustig was, maar niemand in de auto was er erg gerust in. Hobbelend over het zandpad was iedereen met z’n eigen gedachten bezig, en bij elk schot kromp het meisje achteraan in elkaar. De chauffeur vond het nodig om overal commentaar bij te geven en als een volleerde gids toonde hij ons de gevaarlijkste plekken vanwaar de Serviërs ons met hun tanks konden beschieten. Toen we aan een controlepunt kwamen was de politie verbaast ons te zien. Ze hadden de rode Lada zien passeren door een van de haarspeldbochten, pijnlijk traag, (wat wij trouwens ook vonden), en zagen hoe een tank twee granaten op ons afstuurde. Wij hadden niets gehoord boven het ratelen en rammelen van het oude wrak... Met de moed nog iets dieper in de schoenen dan voordien, reden we verder, met de woorden van de politie nog naklinkend in onze oren, twee 144

tankgranaten... .Een paar kilometer verderop stopte de chauffeur, het einde van de rit. Een groepje jongens kwam onmiddellijk op ons afgeschoten: “trebate li nosaci?”, ‘hebben jullie dragers nodig?’. Dat hadden we. met alle bagage die we bij ons hadden konden we de trip van twaalf kilometer niet alleen aan. Twaalf kilometer te voet over smalle bergweggetjes, glibberig van de modder en het drukke ‘verkeer’. Nermin vertelde hijgend onder het gewicht, dat hij de tocht vaak drie maal per dag deed. “M’n vader is aan het front gestorven en ik heb een zusje van zeven”. Nermin zelf is 14. Lichtvoetig wandeld hij verder, met een twintigtal kilo’s op z’n rug. Ook hij wijst de Servische posities aan. Sarajevo ligt in het donker, alleen enkele ramen zijn verlicht want de regerieng heeft verorderd dat alles donker moet zijn. Regelmatig licht de hemel op door de onophoudelijke

bombardementen die aan de gang zijn. We passeren de Serviërs op minder dan 200 meter. Scherpschutters houden de paden scherp in de gaten, maar onder de mantel van het schemerduister is het risico niet zo groot weet Nermin. Ook de Bosniërs schieten er op los. Het kannon dat we voorbijlopen braakt onophoudelijk granaten uit, die gericht zijn op Ilidza, ooit een voorstad van Sarajevo, nu ‘de andere kant’. De bergwand is bezaaid met auto- en vrachtwagenwrakken. Afgeschoten door de Serviërs of gewoonweg van de weg geraakt tijdens de wintermaanden die onverbiddelijk zijn in deze contreien. Onze voeten en knieën doen pijn, de schouders voelen aan alsof ze van lood zijn, maar we zijn bijna in Hrasnica. Nog maar een kilometer. Bijna loodrecht naar beneden, over de scherpe stenen en de modder, maar de stadslichtjes komen nu sneller dichterbij. Een taxi staat ons op te wachten om ons naar Butmir te brengen, het gehucht waar de beroemde tunnel onder de luchthaven van Sarajevo uitkomt. Na een half uurtje 145

onderhandelen mogen we er niet door. Buitenlanders hebben een speciale toestemming nodig die je om half elf ‘s avonds niet meer kan krijgen. Officieel bestaat die tunnel eigenlijk niet. Dus gaan we maar terug naar Hrasnica, waar enkele vrienden ons nog een slaapplaats aanbieden en ons te eten geven. De volgende ochtend zullen we het opnieuw proberen. Wachtend op de Franse blauwhelmen, zitten we in een halfopen houten wachtpost van het Bosnische leger. Pratend over ‘de situatie’ zien we vliegtuigen landen op de luchthaven aan de andere kant van de weg. Dichtbij maar toch ver weg, achter de luchthaven, ligt Sarajevo. De Fransen die voorbij komen beloven ons te komen ophalen binnen een half uurtje, maar we willen sneller weg. enkele minuten voor de Fransen voorbij kwamen, viel er weer een granaat op Butmir. Dit keer echter slechts op 20 meter van ons. Granaatscherven landden op het hutje, we willen weg. Gelukkig komt de gepanserde wagen van CNN voorbij; zij hebben nog een plaatsje vrij voor ons. Eindelijk rijden we Sarajevo binnen, waar de granaten een beetje overal de burgers in hun huizen doen schuilen. De straten zijn leeg, op de ziekenwagens en de journalisten na. Bijna elke nacht ben ik de Igmanberg op en neer gereden, lichten gedoofd, een weg zoekend door de duisternis. De ravijnen waren bezaaid met autowrakken. Men zij dat de berg haar tol eiste, maar het kwam er gewoon op aan niet te panikeren als je weer eens onder vuur werd genomen. We waren met zijn tweeën die de trip maakten. Miguel, een Spaanse journalis en ik. Ontelbare keren hebben we de berg overwonnen. Het was gewoon een deel van het leven in Sarajevo waar we op elk moment mee konden kappen. Maar we hielden van de opwinding, de adrenaline, de bewondering. Tussen

146

buitengewone mensen deden wij iets waar de anderen van huiverden: de Igmanberg. De Verenigde Naties, moegetreiterd door de Bosnische Serviërs, besloten dan eind mei eindelijk toch een vuist te maken. De situatie in en rond Sarajevo was onaanvaardbaar geworden en alle resoluties en staakt-hetvurens ten spijt, bleven de Bosnische Serviërs de burgerbevolking bestoken met de zware wapens die ze onder de neus van de VN uit de wapenopslagplaatsen haalden. Die tanks en kanonnen waren daar opgeslagen en onder toezicht van de Verenigde Naties geplaatst sinds februari ‘94, in de nasleep van het bloedbad op de markt van de Bosnische hoofdstad dat ook de NAVO in het conflict in het voormalige Joegoslavië betrok. Franse, Russische en Ukraïnse blauwhelmen bewaakten de zgn. ‘Weapon Collection Points’ (WCP’s), maar al snel werd duidelijk dat hun aanwezigheid eerder symbolisch was. Telkens wanneer de Bosnische Serviërs een offensief lanceerden of gewoon de stad wilden beschieten, stalen ze wapens uit de WCP’s of vuurden ze eenvoudigweg vanuit de opslagplaatsen zelf. De blauwhelmen de dit soort praktijken moesten verhinderen werden door de Serviërs omsingeld of omringd met mijnen. De VN was machteloos. Maar de meimaand beschietingen op Sarajevo deden de stad daveren onder de granaten en mortieren. Sluipschutters hielden hele delen van de stad in hun greep. Mensen liepen gebukt van portiek naar portiek, hopend levend thuis te geraken. Eens thuis zat er niets anders op dan in de kelders te gaan wachten op betere tijden. Die lieten op zich wachten, wat woensdagmiddag begonnen de Serviërs raketten op de stad af te vuren die een nooit eerder geziene vernietigingskracht hebben. De straten van Sarajevo die bezaait zijn met gaten kregen er nu bomkraters bij die groot genoeg zijn om er een truck 147

in te parkeren. Ook de blauwhelmen werden niet gespaard; de Servische artilleristen richtten hun affuiten direct op de kazernes waar de vredessoldaten zijn gelegerd. En in verschillende WPC’s begon zich een inmiddels bekend scenario af te spelen: nogmaals verdwenen er een aantal tanks en een tweetal 125 mm kanonnen. Voor de chef van de UNPROFOR, Generaal Rupert Smith was de maat vol; alle voorwaarden waren daar om de NAVO te vragen om luchtaanvallen uit te voeren tegen de Bosnische Serviërs. Blauwhelmen in gevaar, zware wapens die uit de VN-opslagplaatsen werden gestolen en rondreden in de uitsluitingszone van 20 km rondom Sarajevo, en een veilige zone die steeds onveiliger werd. Smith moet, voor hij de NAVO laat aanrukken, de toestemming hebben van de Speciale Afgezant van de VN, Yasushi Akashi. De Japanner had al een week eerder het ‘njet’ gegeven toen Smith airstrikes vroeg na een granaataanval op Butmir, vlakbij Sarajevo waarbij 11 burgers omkwamen. Maar de generaal was vastbesloten en in een late perskonferentie kondigde hij aan dat de Bosnische Serviërs voor een ultimatum stonden. Het eerste deel liep af op donderdag om 12 uur ‘s middags. Dan moesten de vier zware wapens die in de dagen voordien uit de WCP’s gestolen waren, terug onder VN controle geplaatst worden, anders zou de NAVO ingezet worden. Het tweede deel van het ultimatum dat 24 uur later afliep, stipuleerde dat alle zware wapens moesten teruggetrokken worden uit de 20 km zone rondom Sarajevo. Als dat niet gebeurde, zou de NAVO nog eens terugkomen. Sterke taal van de generaal. In Sarajevo, geloofde niemand dat het echt tot airstrikes zou komen, de VN en de NAVO hadden al te veel beloften gedaan die ze niet nakwamen Er zou wel weer een politieke oplossing komen die de impasse in Bosnië nog maar eens zou verlengen. Om twaalf uur, toen het ultimatum afliep en de tanks 148

nog steeds niet naar de collectiepunten waren teruggekeerd, speurde iedereen de hemel af, op zoek naar de jets van het Noordatlantische bondgenootschap, maar er gebeurde niets. Tot vier uur ‘s middags, toen aan de horizon plots zwarte rookpluimen opstegen, boven de weg die naar Pale, het bolwerk van de Bosnische Serviërs, leidt. Explosies waren er niet te horen, maar de jets scheerden laag over, doken en wentelden en keerden dan vliegensvlug terug van waar ze kwamen. De Airstrikes waren een feit. NAVO berichte onmiddellijk dat alle vliegtuigen veilig geland waren en dat het doelwit vernietigd was. Het munitiedepot lag vlakbij Pale, waar ook de leider van de separatistische Serviërs, Radovan Karadzic, woont. Die aarzelde niet om de VN onmiddellijk te beschuldigen van misdaden tegen de mensheid, het doden van onschuldige burgers en in één adem verklaarde hij de oorlog aan de blauwhelmen. Natuurlijk hadden de Verenigde Naties met die mogelijkheid rekening gehouden, en alle troepen werden onder rood alarm geplaatst. Dat betekend dat de blauwhelmen ten allen tijde hun kogelvrije vest en hun helm moeten dragen, en alleen maar uit hun bunkers mogen komen als het echt nodig is. De soldaten die de wapencollectiepunten in Servisch gebied moesten bewaken liepen het grootste gevaar. In het verleden werden zij al verschillende keren gegijzeld, en door het VN-mandaat en de lichte bewapening die ze hebben kunnen zij zich nauwelijks verdedigen. Maar de reactie tegen de VN bleef uit. Het waren weer maar eens de burgers die het slachtoffer werden van de terroristen in de heuvels. Vijf van de zes veilige zones werden onophoudelijk beschoten, alsof de NAVO-luchtaanval nooit bestaan had. In Sarajevo sloegen de raketten weer in, de Serviërs hadden allen maar oog voor de woonwijken waar ze zoveel mogelijk schade konden aanrichten. 149

De Serviërs spreiden hun onmacht en hun kleinheid in alle glorie ten toon in Tuzla, waar men dat het minst verwachtte. De rust die in Tuzla al bijna heel de oorlog heerste en het mooie weer hadden honderden jongeren de terrasjes opgezocht. De cafés zaten vol en de muziek stond ongetwijfeld even hard als op andere dagen. Tot twee granaten de muziek overstemden. Daarna klonken alleen nog de kreten van de gewonden. De straat voor het café annex disco lagen bezaaid met stukken mens, met hompen uiteengereten vlees. De gangen van het hospitaal zagen rood van het bloed, alle dokters, verpleegsters en iedereen die maar kon helpen werkten rondom de klok. De Bosnische televisie zond rechtstreekse beelden uit. In alle huiskamers werd gehuild, gevloekt en nog meer gehuild. Toen de volgende morgen bekend werd dat het dodental in de loop van de nacht was opgelopen tot 71, en dat er bijna 200 gewonden waren, maakte het verdriet plaats voor woede. Woede tegen het lage terrorisme dat de Bosnische Serviërs gebruikten wanneer ze het hadden moeten afleggen tegen een internationale supermacht. Ook de Verenigde Naties veroordeelden de Bosnische Serviërs voor hun laaghartigheid, en kondigde aan dat er nieuwe bombardementen op Pale konden komen. Echter niet omdat Tuzla, de veilige zone, de trieste eer had om het grootste aantal slachtoffers in één enkele aanval te hebben, maar omdat er nog steeds geen enkel van de zware wapens was teruggebracht. Het doelwit bleek weer hetzelfde munitiedepot te zijn, maar dit keer werden er 6 ipv 2 bunkers vernield. Onmiddellijk daarop begonnen de Bosnische Serviërs de woonwijken van Sarajevo met raketten te bestoken; zij die de gewonden ter hulp kwamen werden het slachtoffer van de tankgranaten die de Serviërs erachtaraan stuurden. Tegelijkertijd liepen langs alle kanten berichten binnen dat de blauwhelmen die zich op Bosnissch Servisch 150

grondgebied bevonden, omsingeld waren door tot de tanden gewapende Serviërs. Onmiddellijk na de luchtaanvallen daverde de Bosnische hoofdstad onder de Servische artillerie. Raketten en granaten landen overal in de stad en net als in de vorige dagen rende de bevolking in paniek de schuilkelders in. Karadzic heeft duidelijk gekozen voor een escalatie van de oorlog waarin hij niet alleen de Bosnische regeringstroepen wil meesleuren, maar ook de blauwhelmen en als het even kan het Noordatlantische bondgenootschap. Acht militaire waarnemers, die ongewapend Bosnië doorkruisen om de Verenige Naties op de hoogte te houden van wat er gebeurd, zijn door de Bosnische Serviërs uit hun huizen gehaald en naar mogelijke NAVOdoelwitten gebracht. Eén van hen, een Canadees, werd vastgeklonken aan een lantarenpaal, een andere waarnemer werd aan de deur geboeid van het wapendepot dat al twee keer door de NAVO-jets werd gebombardeerd. De overige zes worden eveneens als menselijk schild gebruikt. “Dat zijn onze veilgheidsgaranties, deze mensen staan vanaf nu met hun leven in voor de levens van onze Servische kinderen,” klonk het op de Bosnisch-Servische tv. De Canadees kon een audiotape naar het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Sarjevo sturen, waarop duidelijk te horen was hoe bang hij was. Hij vroeg Generaal Smith, die het bevel voert in Bosnië, te beseffen dat hij en z’n collega’s niet wilden sterven in een partijtje armdrukken tussen de Bosnische Serviërs en de Verenigde Naties. Een honderdtwintigtal franse blauwhelmen die de wapenopslagplaatsen moeten bewaken waar de zware wapens die zouden moeten in ondergebracht worden, zijn door de Bosnische Serviërs omsingeld. Er zijn mijnenvelden rondom de opslagplaatsen gelegd. Als ze uit hun kwartieren zouden komen, 151

werden ze onmiddellijk neergeschoten dreigde één van Karadzic’ officieren op de lokale TV. Nog onbevestigde bronnen binnen de NAVO hebben al laten weten dat er vandaag voorlopig niet meer zal gebombardeerd worden om de VN niet verder in gevaar te brengen, maar de jachtvliegtuigen donderen nog steeds over Sarajevo. Kolonel Gary Coward, de woordvoerder van de Verenigde Naties van zijn kant zei vanmiddag dat het ultimaatum aan de Bosnische Serviërs nog steeds bestaat, zolang dat de zware wapens niet teruggebracht zijn naar de opslagplaatsen van de Verenigde Naties, en zolang de bombardementen op Sarajevo blijven doorgaan. Hij voegde er wel aan toe dat het nu wel een stuk moeilijker wordt nu er blauwhelmen direct bedreigd worden. Voor de zoveelste maal is de VN in een situatie verzeild geraakt waaruit geen uitweg schijnt te zijn. De internationale gemeenschap is weer eens (letterlijk) aan handen en voeten gebonden door de Servische terroristen in de heuvels rondom Sarajevo. Het werd de VN duidelijk dat de airstrikes niet langer mogelijk waren, dat het personeel dat zich in de zelfuitgeroepen Republika Srpska bevond de speelbal was van de Bosnische Serviërs. Alle WCP’s waren in hun handen, de Fransen waren de eersten die zich moesten overgeven na een kortstondig vuurgevecht. Steeds meer en meer kwamen de blauwhelmen in de greep van de Serviërs die duidelijk voor een escalatie van het conflict kozen. Gedurende de nacht van vrijdag op zaterdag bereikte de spanning haar hoogtepunt. Serviërs verkleed in de uniformen die ze buitgemaakt hadden op de Fransen die opgesloten zitten de kazerne van Lukavica, even buiten Sarajevo, dienden zich in een Franse troepentransporter aan bij één van de 152

VN-controleposten op de Vrbanja-brug die Sarajevo rechtstreeks verbind met de Servische kant van de stad. De verklede Serviërs overrompelende de twee blauwhelmen die wachtlopen en overmeesteren de anderen die binnen in hun versterkte container liggen te slapen. Heel de strategisch uiterst belangrijke brug is in een mum van tijd in handen van de Serviërs. Generaal Gobbilliard, die instaat voor de Sector Sarajevo verzamelde z’n mannen en geeft het bevel om tot de aanval over te gaan. Een bittere veldslag ontspon zich tussen de echte en de verklede Fransen. De verkleden moeten zich terugtrekken, maar de Fransen verloren twee mannen en laten drie gewonden achter. De brug is gered, maar het moraal van de VN bereikt een dieptepunt. Voor het eerst sinds de VN naar het voormalige Joegoslavië kwam, wordt er ook van binnenuit openlijk kritiek gegeven op het mandaat dat de blauwhelmen aan handen en voeten gebonden houdt. Het enige resultaat da de NAVO-luchtaanvallen hebben bereikt is dat de VN haar mandaat moet gaan herdefiniëren, dat een aantal landen hun blauwhelmen niet langer aan dit soort waanzinnig geweld wil blootstellen tenzij ze meer mogelijkheden krijgen en dat er se Bosnische Serviërs 91 miltaire waarnemers en VN-soldaten als menselijk schild vasthouden op mogelijke doelwitten en dat er nog een tweehonderdtal andere blauwhelmen gegijzeld zijn. De oude Bosniër bij de kapper had gelijk toen hij zei dat de NAVO zijn leven niet kon verbeteren. In Bosnië gaat de oorlog gewoon door, met of zonder de internationale gemeenschap.

153

Deel IXX: De val van Srebrenica - 2E deel.

De schijnwerper van de Franse basis in Malo Polje, op de top van de Igmanberg, kan amper door de dichte mist priemen. Het kamp is omgeven door dichte bossen; de blauwhelmen verblijven er in wat eens een Olymisch hotel was, want in Malo Polje werd tijdens de winterspelen van 1984 het schansspringen gehouden. De weg die van Sarajevo over de Igmanberg naar Tarcin aan de andere kant leidt, slingert zich langs het houten wachthuisje, over het enige stukje asfalt dat de hele route rijk is. De taak van de Fransen was om Igman gedemilitariseerd te houden, maar sinds enkele weken staan er overal geïmproviseerde tentjes en veldkeukens opgesteld. Volgens schattingen verblijven in dat kamp van het Bosnische regeringsleger zo’n 2.000 soldaten uit heel Bosnië. Edin, “z’n familienaam doet er niet toe”, is de commandant van een eenheid uit Tuzla, een deel van het Tweede Korps van het Bosnische leger. Hij heeft een wit lintje met het Bosnische wapenschild aan z’n schouder, “om onze mannen van de vijand te onderscheiden, want we hebben dezelfde uniformen, dezelfde wapens en we bovendien spreken we dezelfde taal.” Die lintjes zijn dus erg belangrijk, maar de Bosnische Serviërs hadden slechts drie dagen nodig om ze na te maken, dus veranderen de regeringstroepen elke dag van herkenningsteken.

154

De soldaten wachten op hun marchbevel. Sommigen gaan naar de Treskavic-berg, de anderen gaan de frontlijnen rondom Sarajevo versterken. Ze liggen te lezen, wandelen en schieten vaak in de lucht, om de Serviërs die op enkele kilometers verder gelegerd zijn te laten weten dat het menens is. “Wij gaan Sarajevo bevrijden,” roept Edin, terwijl hij met de Bosnische vlag zwaait. Een Franse blauwhelm staat toe te kijken, hij begrijpt er niet al te veel van. Een week geleden was hij nog gegijzeld door de Serviërs in Lukavica, nu zit hij op een berg omringd door duizenden Bosnische regeringssoldaten. “Ze zitten hier al twee weken, met bussen en trucks worden ze hier aangevoerd,” zegt hij, “en al die verhalen over slechte bewapening, nou, ik heb wel wat anders gezien.” Langs heel de weg staan zware wapens opgesteld. Kanonnen en mortieren die de posities van de Bosnische Serviërs rondom Sarajevo onder schot houden. Maar ‘s nachts wordt er niet geschoten want de lichtflitsen kunnen de posities verraden. Vanaf Igman kan je zowel Sarajevo zelf, als plekken zoals Ilidza en Hadzici zien. Daar zitten nu nog Serviers, maar als het van Edin en zijn mannen afhing, zou dat morgen anders zijn. Ze zijn allen wel nerveus, en een beetje angstig, maar dat willen ze niet echt toegeven. Wat Dino, een soldaat uit Mostar, het meest verontrust is dat hij de streek helemaal niet kent, bij hem is alles vlak, en is het mooi weer; Igman is een berg waar vorige maand nog sneeuw lag en waar de mist zo dik als erwtesoep hangt. Om niets aan het toeval over te laten, heeft het Bosnische leger ‘diversanten’, spionen die het gebied van de vijand binnendringen en daar een weekje tussen de mensen gaan wonen en hun ogen goed de kost te geven. Osman is één van die infiltranten. Hij keerde terug naar Hadzici, waar hij tot voor de oorlog woonde. “Ik ben ‘s nachts via sluipwegeltjes en door de riolering tot in het centrum van Hadzici gegaan, dan heb ik de schuilplaats van mijn 155

voorganger opgezocht.” De kelder van een kapotgeschoten huis, vlak bij het ziekenhuis, is de plek waar Osman en z’n collegas zich verschuilen. “Overdag liep ik gewoon rond, ik praatte op de markt met mensen en gaf m’n ogen goed de kost.” Het enige waar Osman voor moest oppassen waren willekeurige politiecontroles op straat, maar zelfs daar was hij op voorbereid: z’n oude identiteitskaart uit Tito’s tijd kan een oppervlakkige controle wel doorstaan. Het vreemdst was het voor Osman toen hij z’n eigen huis, waar hij geboren was, terugzag. “Daar wonen nu Chetniks, alles hebben ze mij ontnomen. Daarom ga ik terug naar Hadzici, om mijn huis en mijn stadje terug te krijgen.” En z’n bibliotheek. Osman verzamelde oude manuskripten en wapens, uit de tijd dat de Turken in Bosnië de scepter zwaaiden. Het was een collectie die z’n vader begonnen was en waarvan de waarde niet te schatten was. Een deel vaqn die boeken heeft hij kunnen meenemen, een ander deel heeft Osman met z’n vader begraven, maar het grootste deel is in de handen van de Serviërs. Sommige documenten doken op op veilingen in Parijs, in Londen werden enkele oude pistolen geveild. Edin, Dino en Osman zijn uit verschillende delen van Bosnië maar ze hebben allen één ding gemeen: ze willen de wurggreep van de Serviërs, waarvan Sarajevo het symbool is, lossen. Zij gaan de belofte van President Izetbegovic waarmaken die de burgers van Sarajevo beloofde dat het leger de stad snel zal bevrijden zodat de mensen niet meer afhankelijk zijn van de grillen van de Serviërs en zodat kinderen een normale jeugd kunnen leiden zonder dat ze de schuilkelders in moeten omdat hus scholen weer eens onder het granatenvuur liggen. Sarajevo lijkt wel op een spookstad, niemand begeeft zich op straat, behalve een eenzame geitenhoeder die z’n kudde leidt tussen de overgroeide tramsporen die al bijna een jaar tot niets dienen. 156

Er hangt een drukkende, afwachtende sfeer boven de stad. De straten zijn zo goed als leeg, op de politie en militairen na. Militairen die van overal uit heel Bosnië naar Sarajevo zijn gekomen. Duizenden mannen uit Tuzla en Zenica, steden die relatief gespaard werden door de Bosnische Serviërs. Tot voor kort was het altijd anders geweest, toen gingen de soldaten van Sarajevo de frontlijnen van andere steden versterken. VN-bronnen, die tot eerder nog alle geruchten over een mogelijk offencief kategoriek ontkenden, maken gewag van zo’n 25000 Bosnische soldaten in Visoko die zich duidelijk voorbereiden op iets groots. De Canadese blauwhelmen die in de buurt van Visoko gelegerd zijn, hoorden gedurende de nacht meer dan 700 detonaties, later op de dag werden dat er 6 per minuut. De veldsagen tussen de Moslims en de Bosnische Serviërs die al meer dan drie jaar lang bijna het hele land in hun greep houden, worden voorlopig nog om de aanvoerwegen van de Serviërs gevoerd, maar verwacht wordt dat in de komende dagen, of misschien wel uren, aan het echte werk zal worden begonnen: het doorbreken van de omsingeling van Sarajevo. “ Ik heb onze strijdkrachten de specifieke taak gegeven de wurging van Sarajevo te beïndigen,” verklaarde de Bosnische president Alija Izetbegovic op het halfacht-nieuws. Drie jaar lang hebben de bewoners van de Bosnische hoofdstad op die woorden moeten wachten. Voordien kon het Bosnsche leger niet veel meer doen dan de stad verdedigen, dan te proberen dat de ‘chetniks’ in de bergen de stad niet binnendrongen. Eindelijk lijkt het regeringsleger sterk genoeg om een poging te wagen de wurggreep te doorbreken.

157

In Sarjevo is het speruur, dat pas een maand geleden tot 11 uur ‘s avonds was verlaat, weer teruggezet naar 9 uur; heelder delen van de stad zijn tot ‘oorlogszone’ verklaard en dus ontoegankelijk verklaard voor iedereen die en niet woont. Volgens enkele hardnekkige geruchten zouden zelfs enkele gebouwen die te dicht bij de frontlijnen liggen op bevel van het leger ontruimd zijn. De bewoners moeten maar onderdak zoeken bij vrienden en familie die in veiliger delen van de stad wonen. Alle winkels en cafés moesten gesloten werden, en de humanitaire organisaties die overal in de stad verspreid zijn, moesten hun kantoren verlaten. Bijna alle buitenlanders in Sarajevo worden in hun

bewegingsvrijheid beperkt: Journalisten mogen niet meer filmen of fotograferen, het UNHCR werd ‘geadviseerd’ in hun huizen te blijven, en de Verenigde Naties legden zichzelf restricties op. In het totaal zouden er zo’n 100.000 Bosnische sodaten klaar staan om de grote aanval te lanceren: 40.000 reeds in de stad, versterkt met nog eens 15.000 extra troepen van buitenaf, 25.000 in Visoko, op zo’n twintig kilometer van Sarajevo, en de rest staat klaar aan de voet van de Igmanberg, om de Bosnische Serviërs van een derde zijde in de tang te nemen. Voor de bevolking betekend zo’n nakend offencief in de eerste plaats weer bang afwachten in de schuilkelders, maar aan de andere kant betekent zo’n grootscheepse voorbereiding ook een sprankeltje hoop: Gisteren hoorde ik nog twee mensen afscheid nemen met de woorden “tot ziens in een vrij Sarajevo...” Het offencief rond Sarajevo loopt af met een sisser. Ondanks het overwicht aan manschappen kan het Bosnische leger de omsingeling niet doorbreken. Te kort aan zwaar materiaal, te kort aan communicatie en coordinatië, en een slechte organisatie. De Serviërs hebben heel de infrastructuur van het 158

JNA overgenomen, zij hebben geschoolde officieren aan hun kant, en ze spelen vals. Zodra het Bosnische leger de aanval inzet, moet de burgerbevolking van Sarajevo het ontgelden. Genadeloos worden

woonwijken onder vuur genomen, sluipschutters houden heelder straten in hun greep. De wurgreep blijft duren. Het is vooral op de oostelijke enclaven dat de woede van de Serviërs wordt bekoeld. Officieel is het stadje een Safe Area, beschermd door de Nederlandse blauwhelmen, maar die blauwhelmen hebben zelf amper iets te eten gekregen omdat de Serviërs herbevoorradingsconvooien niet doorlaten. Aan alles is er een tekort, de levensomstandigheden zijn vaak primitief en de oorlogssituatie maakt het er allemaal niet veel vrolijker op. “Maar, de sfeer onder de jongens is uitstekend,” zegt Overste Karremans, “ maar natuurlijk er zijn een aantal dingen die we missen, dingen die heel gewoon zijn in Nederland. Er is hier bijvoorbeeld geen Albert Hein.”. De gewone dingen zijn echter niet het belangrijkst, het grootste probleem vormen die dingen die de VN’ners nodig hebben om hun taak uit te voeren. Brandstof bijvoorbeeld. Volgens de woordvoerder van het Nederlandse contingent is de dead-line bijna bereikt. Met de auto trekken de Nederlanders er al lang niet meer op uit, alle patrouilles worden te voet gelopen. Dat brengt verschillende risicos met zich mee, maar het werk gaat voor vindt overste Karremans. “In het ‘binnengebied’, dwz in de enklave zelf, zijn er geen mijnen meer, maar daarbuiten wordt het gevaar een heel stuk groter.” Het laatste brandstofkonvooi reed Srebrenica al meer dan 80 dagen geleden binnen, en nu moeten de blauwhelmen hun verbeelding gebruiken om hun 159

verste observatieposten te bevoorraden. “De lokale bevolking heeft begrip voor onze situatie,” zegt Karremans, “en we kunnen dan ook van hen paardewagens en kleine tractors huren om onze jongens te bevoorraden die te ver weg zitten om elke dag te voet naar de basis terug te komen lopen.” Vers voedsel hebben de mannen van Karremans nog voor een tweetal dagen, daarna moeten ze op gevechtsrantsoenen overschakelen. Maar om die rantsoenen op te warmen hebben ze weer diezel nodig... Eigenlijk is het altijd al een hele klus geweest om de vredesmissie daar op de been te houden, maar dat vindt Karremans nog altijd geen reden om de enclave en de burgerbevolking die er woont aan haar lot over te laten. “Ik sta voor honderd procent achter onze minister van defensie. We hebben hier een taak te vervullen, die belangrijk genoeg is om de moeilijkheden en de tegenslagen te kunnen trotseren.” Op deze woorden zal Karramans later nog terugkomen. Wanneer de Serviërs met hun tanks en zware artillerie op VN-posten beginnen te schieten is de maat vol. De Overste kan met zijn lichtbewapende mannen de oprukkende Serviërs niet tegenhouden. De Blauwhelmen moeten zich terugtrekken in hun kazernes. Srebrenica is aan zijn lot overgelaten. Duizenden vluchtelingen beginnen in de door de Bosnische regering gecontroleerde gebieden binnen te stromen. In Tuzla waren het er de eerste dag meer dan 1500, in Kladanje meer dan 3000. Het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties trekt aan de alarmbel. De Bosnische Serviërs hebben meer dan 30.000 mensen op de vlucht doen slaan in de Oost-Bosnische enclave Srbrenica. De internationale gemeenschap heeft konvooien op weg gestuurd naar Srebrenica, maar de Bosnische Serviërs weigeren hen door te laten. Zij ssturen liever de bevolking op pad, zij zuiveren de enclave van alles wat maar aan de Moslims herinnert, te 160

beginnen met de bevolking zelf. “Alles staat in brand, de huizen, de moskeeën, alles,” huilt een vrouw die net in Tuzla is aangekomen. Met bussen en vrachtwagens zijn ze daar naar toe gekomen, gedwongen door de Bosnische Serviers. De laatste kilometers moesten ze lopen, door mijnenvelden, in de richting van de Bosnische frontlijnen. Alleen de vrouwen, kinderen en enkele oudere mannen mochten vertrekken. De mannen van ‘weerbare leeftijd, voor de Serviërs begint die op 13 jaar, werden afgezonderd en ter ‘ondervraging’ afgevoerd naar de Servische kazerne van Bratunac. Onbevestigde rapporten melden daar

mishandelingen, vernederingen en willekeurige executies. En ook jonge meisjes worden door de Servische soldaten afgevoerd, om zich te ‘ontspannen’ na het vermoeiende brandschatten en plunderen. Kris Janowski van het UNHCR spreekt van een regelrechte humanitaire ramp; mensen zijn in allerijl vertrokken, hun weinige bezittingen met zich meedragend in tassen. “Aan alles is er nood,” zegt Janowski, “we hebben dekens nodig, matrassen, tenten, jerrycans, alles.” Het UNHCR heeft al die goederen opgeslagen in grote stapelhuuizen, vanuit Belgrado kan binnen het uur een konvooi vrachtwagens naar Srbrenica vertrekken. Van daar uit is het een uurtje rijden naar de grens met Bosnië, daarna wordt tijd een rekbaar begrip, want het is steevast wachten op toestemming van de Bosnische Serviërs. Ondertussen blijven de mensen in Tuzla toestromen. Zij kamperen langs de weg, gescheiden van de Scandinavische VN-basis op de luchthaven door prikkeldraad. In allerijl worden de vroegere bunkers waar het Joegoslavische Volksleger z’n vliegtuigen in onderbracht, omgetovert tot ‘Collective Centers’, vluchtelingen-kampen. Vrouwen met kinderen, die hun weinige bezittingen in enkele zakken hebben gepakt en die op stukken karton 161

moeten slapen, onder de open hemel, onbewust van wat hen nog te wachten staat. Terwijl zij daar zitten, praten de Europese leiders over wat er moet gebeuren, veroordelen presidenten, Secretarissen-generaals en premiers de Bosnische Serviërs. De Enige premier die weet wat er moet gebeuren is de Bosnische premier. Hij eist dat de wereld het wapeneembargo tegen Bosnië opheft en hij nodigt alle bevriende landen uit zich aan de kant van de Bosniërs te scharen en mee te strijden tegen de Serviërs. Om het werk van de Verenigde Naties over te nemen die toonden dat zij niet bij machte zijn de bvolking van een veilige zone te beschermen, ondanks eerder gemaakte beloften. Ondertussen weten de 30.000 vluchtelingen die nog in Srebrenica zijn niet wat hun lot zal zijn... In de komende dagen zaten er al tussen de 15 en de 20-duizend vluchtelingen samengepakt in Tuzla. Sommigen zitten op de Dubravaluchthaven, anderen op de vroegere Nederlandse Basis in Lukavac. Duizenden mensen die hun leven met zich meeslepen in enkele plastiektassen. Met bussen en vrachtwagens zijn ze hier aangekomen, verjaagd door de Bosnische Serviërs die hun stad, Srebrenica etnisch zuiverden. “We moesten weg, onmiddellijk, “ vertelt Alema. Zij en haar twee zoontjes werden door de Serviërs uit hun huis gehaald, en op de vlucht gedreven. Eerst richting Potocari, waar ze bescherming zocht in de buurt van het Nederlandse VNkamp, de volgende dag moest ze weer de bus op, na het directe bevel van de Servische Generaal Mladic die heel de zuiveringsoperatie persoonlijk overzag.

162

Meer dan honderd autobussen, volgepropt met mensen die alles wat ze nog bezitten in enkele zakken konden proppen. “We zaten net aan het ontbijt toen twee Chetniks binnenkwamen,” zegt Alema, “Mijn man en m’n oudste zoon werden onmiddellijk in de boeien geslagen en in een vrachtwagen geworpen, ‘voor ondervraging’ lachten de Serviërs.” Sindsdien heeft zij niets meer van haar zoon of haar man vernomen; misschien zijn ze dood, misschien zitten ze in het gevangenenkamp in Bratunac. Volgens het Internationale Comitee van het Rode Kruis, dat zich om het lot en welzijn van krijgsgevangenen bekommert, zouden er zo’n 8.000 mensen verdwenen zijn. Het merendeel onder hen mannen van weerbare leeftijd, maar ook een hele hoop jonge vrouwen. In het verleden hebben de Bosnische Serviërs er hun hand nooit voor omgedraaid om meisjes wekenlang in gevangenschap te houden in speciale verkrachtingskampen. Steeds meer horrorverhalen bereiken Tuzla, verhalen over verkrachtingen, moorden en mishandelingen. De internationale hulporganisaties die de duizenden vluchtelingen opvangen, tekenen al deze verhalen op, maar in Srebrenica zelf kunnen ze niet gaan kijken wat er werkelijk aan de hand is, want de Bosnische Serviërs willen geen toestemming geven. Vaak ben je beschaamd om vluchtelingen te vragen naar die ervaringen, want je wil hen niet kwetsen, maar zodra de opschrijfboekjes boven kwamen, troepten verschillende mensen samen om hun verhaal uit de doeken te doen. Verhalen over angst, onwetendheid, woede en moedeloosheid. De mannen en soldaten die de afgelopen dagen te voet Tuzla bereikten, verdeelden de bevolking van het tentendorp in twee kampen: zij die huilden van blijdschap omdat hun man of zoon een veilige haven had bereikt, en de vrouwen die huilden omdat het laatste sprankeltje hoop dat de groep 163

nieuwkomelingen hen gaf, weer in de kiem gesmoord werd toen bleek dat de namen van hun vermiste geliefden niet op de lijst stond. Ifeta is een van die vrouwen die elke soldaat die voorbijgelopen komt aanhoud om hem te vragen of hij iets weet van haar man, vader of broer. Maar zij zijn er niet bij. “Over mijn man heb ik geen nieuws, niks. Iedereen komt hier aan, maar hij is er nier bij. Ik weet niet wat ik moet doen, zal hij komen of niet. Ik vraag iedereen of ze iets van hem weten, maar niemand heeft mijn man gezien, hij is er niet bij.” Ifeta huilt, als ze ziet hoe een jongen z’n zus terugvindt, uit blijdchap voor hen, en omdat ze steeds wanhopiger wordt dat haar mansvolk niet bij de pas aangekomenen is. “Ik weet niks meer,” snikt ze, “sommige gewonden zijn ook aangekomen, mijn neef en mijn vader zijn met hen teruggekeerd. Zij vertelden hoe een man zijn wangen werden uitgesneden en z’n tong werd afgeknipt. Hij kon alleen maar met handgebaren om hulp smeken.” Fikret’s verhaal is al even gruwelijk. Mankend loopt hij door het kamp, op zoek naar de gaarkeuken. Hij is te hongerig om op zoek te gaan naar z’n familie. Eerst moet hij iets eten. Voortstrompelend op z’n kapotte schoenen, waar bovenuit bebloed verband zichtbaar is, vertelt hij hoe hij en z’n oudere broer naar Tuzla zijn gewandeld. “Verschrikkelijk, vreselijk,” zijn de eerste worden die hij kan uitbrengen. “Doornen en takken...kijk naar m’n broek, helemaal gescheurd. We liepen dag en nacht, in collone. Duizenden en duizenden mensen.” Het joch, dat er niet ouder uitziet dan veertien, kan van vermoeidheid en ontbering amper praten. Slapen kon onderweg niet, hij kon even doezen als hij zich moest verbergen voor de Bosnische Serviërs die hen achternazaten. Ze dronken het water uit kreken en aten boombladeren. Het weinige eten dat ze van thuis meenamen was de eerste dag al op. “Verschillenden onder ons stierven van ontbering, zij konden niet meer 164

verder, ik weet niet hoe ik het gehaald heb,” vertelt Fikret. Anderen werden gek en pleegden zelfmoord door zich door het hoofd te schieten of zichzelf op te blazen met een handgranaat. Volgens Fikret vertrokken ze met z’n achtduizend, bijna allemaal mannen een cijfer dat door de VN of het UNHCR niet bevestigd kon worden, maar slechts vijfduizend onder hen haalden Tuzla. Tot grote verbazing van de hulpverleners waren het bijna allemaal regeringstroepen, die zelfs hun wapens nog bij zich hadden. De rest stierf onderweg, een groot deel onder hen toen de groep in een Servische hinderlaag viel. Drieduizend mannen zouden daarbij omgekomen zijn. Het merendeel onder hen soldaten die de groep verdedigden. Eindelijk heeft Fikret de gaarkeuken bereikt. Hij krijgt een kommetje van een vriendelijke dame die gebaart dat hij in de rij moet wachten. Daar wordt hij onmiddellijk ondervraagt door de andere wachtenden, die willen weten of hun mannen, zonen of broers in Tuzla zijn aangekomen. Fikret geeft traag antwoord, zijn ogen op de ketel zuurkool gefixeerd. Ondertussen staan de Bosnische Serviërs aan de poorten van Zepa, de andere Oost-Bosnische enclave. Hoewel iedereen in Bosnië de val van Zepa voor onmogelijk hield, zijn de troepen van Generaal Mladic de sta tot op anderhalve kilometer genaderd. Als ook deze enclave onder de voet zou worden gelopen zouden weer tienduizenden mensen op de vlucht slaan, en de enige plek waar ze naar toe kunnen is Tuzla, een stad die nu al uit z’n voegen barst en waar het meenselijk leed al te groot is om gedragen te worden door een stadje dat voor de oorlog een saai provincienest was. Zepa viel. Gorazde was aan de beurt.

165

De Nederlandse blauwhelmen wordt verweten dat zij niets hebben gedaan om de burgerbevolking van Srebrenica te verdendigen. Dat is juist, maar hoe konden zij het opnemen, met het mandaat van de Verenigde Naties, met hun lichte bewapening, met hun klein aantal, tegen de goed geoliede Servische oorlogsmachine. Onmogelijk. De verantwoordelijkheid ligt bij de hoge VN-functionarisen, bij Yasushi Akashi, die elke aanvraag voor luchtaanvallen door de NAVO van de hand wees. De schuld licht bij de westerse regeringen, die weigerden om eerder in te grijpen. De schuld ligt bij Radovan Karadzic en Generaal Mladic, bij de duizenden Servische Soldaten die hebben deelgenomen aan de zuiveringen Vandaag de dag weten we dat er in Srebrenica verschrikkelijke dingen zijn gebeurd, elke dag worden nieuwe massagraven aan het licht. Tussen de 5 en de 8000 mannen zijn verdwenen, willekeurig geëxecuteerd en in een anoniem graf gedumpt. En de wereld heeft niets geleerd, want de belangrijkste elementen van de puzzel waren bekend. De CIA had satellietfotos, er waren getuigenissen van overlevenden, maar de Verenigde Naties bleven doen alsof hun neus bloedde. Shame on them!!!

166

167

Deel XX: Getrouwd en vertrekken uit Sarajevo.

In Augustus hebben we mijn ouders op de hoogte gesteld van onze trouwplannen. johan had zijn ouders via de telefoon op de hoogte gesteld, zij waren gelukkig, ondanks het feit dat ze me nog nooit gezien hadden. Papieren werden geregeld, de trouwdatum werd vastgelegd op de negende Augustus. Getuigen werden opgetrommeld, vrienden uitgenodigd. Het feest kon beginnen. John, de dikke Amerikaanse vriend van Johan zou zijn getuige worden, Amela, een collega de mijne. Mijn beste vriendin, aan wie ik het getuigeschap had beloofd, was naar Zweden uitgeweken, zoals zovele Bosniërs dat al voor haar hadden gedaan. Van Johans vrienden zijn er uiteindelijk maar weinigen komen opdagen, want de Kroaten hadden echt geen ander moment kunnen vinden om het tweede stuk van de Republika Serpska Krajina te bevrijden. Alle journalisten waren vertrokken. Alleen Johan en Johnny-boy waren gebleven. De trouwceremonie was maar een kort gebeuren. Even voorlezen wat onze rechten en plichten waren, trouwringen uitwisselen en zoenen. Het duurde nog geen tien minuten. De foto's laten zien wat de oorlog heeft aangericht; alle ramen van de gebouwen zijn stuk, vervangen door plastiek folie. Daarna zijn we, samen met John en Amela, terug naar mijn ouders gereden om te vieren, daarna naar de Rudic-familie waar Johan zo lang had gewoond.

168

Tegen zeven uur hadden we afgesproken in ons favoriete restaurant, Jez, waar we bijna elke week gingen eten. We konden niet erg lang blijven, want de meesten van ons hadden geen vergunning voor het speruur dat om 23 uur inging, maar het werd een fijne avond, een dag om nooit meer te vergeten. Enkele dagen later zijn we uit Sarajevo vertrokken. Voor mij was het de eerste keer sinds de oorlog uitbrak. We zouden over de Igmanberg rijden, waarover ik al zovele wilde verhalen had gehoord. Aan de voet van de berg moesten we een paar uur wachten omdat de ene of andere regeringsdelegatie naar beneden moest komen. De Serviërs leken dat ook te weten want de weg werd onophoudelijk beschoten vanuit Ilidza, een van de Servische wijken van Sarajevo. Maar Johan kende de weg, hij had zowat elke nacht, tot een week voor ons huwelijk, het traject gereden, en ik had het volste vertrouwen in hem Maar toch voelde ik me ongemakkelijk, en John, die met ons meereed, leek ook niet erg gerust. Na drei uur wachten werd dan eindelijk het startsein gegeven. Met gedoofde lichten reden we de bergweg op, oerend hard. Ik zag geen steek, maar Johan leek te weten wat hij deed, hij had zlfs nog tijd om ons aan te wijzen waar het gevaarlijk was, waar de meeste wagens in de ravijn donderden, waar hij zelf beschoten was geweest. Ik wou dat de rit voorbij was. Aan de andere kant van de berg begon een nieuwe wereld. Hier leek het of de oorlog nooit had gewoed. Vrachtwagens reden af en aan, er was electriciteit, gevulde winkels. Doorheen een naachtelijk Bosnie reden we naar de Kroatische havenstad Split. In de vroege ochtend vonden we een pensionnetje waar we ontbeten en dan even gingen rusten. Vier jaar lang had ik de zee niet gezien. Nu rolden de golven weer voor mijn voeten. Wat een onwezlijk gevoel. Vrienden van Johan hadden een 169

huije in Split gehuurd waar we een paar dagen konden verblijven voor we naar België zouden afreizen. Het was een soort van huwelijksreis, maar ik had er moeite mee te genieten. De shock was zo groot, onbeschrijfelijk. In restaurants kon je alles krijgen, we aten vis en zeevruchten, ijsjes en taart, allemaal dingen die je in Sarajevo niet kon krijgen. Sarajevo, dichtbij maar onbereikbaar ver leek het me allemaal. Je kan niet beginnen te omschrijven wat ik allemaal voelde, het heeft geen zin. Mijn leven had een nieuwe wending genomen, alles zou weer goed komen, er was weer hoop, ik had een toekomst. Na een weekje zijn we naar Antwerpen vertrokken, naar de ouders van Johan. Als koningen werden we onthaald, maar ook hier was de kultuurshock enorm. Ik werd meegesleurd in de maalstroom der gebeurtenissen. Alles ging zo snel. Op negen september zijn we dan voor de kerk getrouwd, een dienst zonder specifieke vermeldingen over het geloof, gewoon een eredienst waarin we mekaar voor God en de gemeenschap eeuwige trouw beloofden. We waren getrouwd, we waren man en vrouw, we zullen mekaar in goede en kwade dagen steunen. Ik ben gelukkig. Het huwelijksfeest was als uit een sprookje. De zaal, het eten de gasten, de kledij, maar vooral het dessertenbuffet. Drie maal ben ik mijn bordje gaan vullen, ik wou nog wel en keertje teruggaan, maar de schaamte weerhield me. Mijn kersverse schoonvadere gaf me het mooiste geschenk: een speech in mijn moedertaal. De arme man hed er dagenlang over gedaan omm onze onmogelijke taal te leren uitspreken. Urenlang had hij zich voor ons verborgen in het tuinhuisje om er zijn tong te breken over woorden als 'strpljevo', wat heel toepasselijk geduldig betekend. De dag nadien zouden we op huwelijksreis naar de caraïben vertrekken, maar een orkaan gooide roet in het eeten, zodat we maar weer naar Zagreb 170

terugkeerden. Johan moest beginnen te werken want er leek een vredesaccooord voor Bosnië in de maak. Duimen dat het werkt, dat weldra ook mijn ouders weer kunnen reizen, dat ook zij de zee kunnen zien. Bice Bolje, het zal beter worden.

171

172

Deel XXI: De gemiste offensieven.

De Kroaten hadden in Augustus komaf gemaakt met het zuidelijk deel van de RSK, waardoor ook de Bihac-enclave van een van haar vijanden verlost was. Sterker nog, het vijfde korps van het Bosnische leger had de steun van de Kroaten gevraagd om vanuit de Bihac-pocket een uitval naar het oosten te wagen. De Kroaten stuurden tanks en zware artillerie, de Moslims leverden het voetvolk. Maar het gaat allemaal een beetje aan me voorbij. Ik ben met Aida teruggekeerd naar België waar we de toer van de familieleden moeten doen, waar we aan ons kerkelijk huwelijk voorbereiden. we hebben nog zoveel te doen. De hele maand augustus regent het granaten op Sarajevo. Ik ben blij de stad te hebben verlaten, al was het maar voor Aida.. Op 28 Augustus valt er weer een Servische 120mm granaat op een marktplaats, amper een honderdtal meter van waar het vorige groot bloedbad, het

Marketplace Massacre, gebeurde. Weer werden diezelfde beelden de wereld rondgestuurd. 37 doden en 85 gewonden in plassen bloed, huilende, schreeuwende mensen. Af en aan rijdende ambulances. Ditmaal is de maat echt vol. De NAVO besluit twee dagen later tot massale luchtaanvallen over te gaan tegen de Bosnische Serviërs. Tot nu toe was de gulden regel steeds 'proportionate response' geweest, maar die tijden waren voorbij. Golf na golf jachtvliegtuigen kwamen aanzetten, dropten hun bommen en verdwenen weer naar hun basis in Italië. Bijna alle NAVOlidstaten namen aan de raids deel. Het doel was om het Servische leger voor 173

eens en voor altijd te kreupelen, om aanvoerwegen af te snijden, om strategische bruggen op te blazen. Vanaf de Igmanberg leverde de Rapid Reaction Force de nodige artilleriesteun. De RRF was in het leven geroepen na de gijzelingen van de Blauwhelmen in mei 1995, om de vredessoldaten te beschermen. Dit maal waren de Engelsen en Fransen niet in het blauw maar in het groen gekomen, als een gevechtseenheid en niet als een vredesmacht. De NAVO luchtaanvallen gaan twee weken lang onafgebroken door, de Bosnische Serviërs willen niet buigen, maar stellen President Milosevic aan als hun onderhandelaar. Het is duidelijk dat ze bereid zijn te praten. In Sarajevo leeft het vertrouwen in de internationale gemeenschap weer op. De NAVO-piloten bombarderen er niet naast; wapenopslagplaatsen, bunkers bruggen en aanvoerwegen veranderen in puin, maar het bondgenootschap is er niet op uit om het land onleefbaar te maken. Het zijn het soort precisiebombardementen zoals we ze uit de Golfoorlog kennen. In Foca bijvoorbeeld worden drie bruggen onklaar gemaakt door het middelste segment op te blazen, de rest van de brug en de pijlers waren onbeschadigd zodat herstellingswerken tot een minimum werden herleid. achthonderd 'sories' werden gevlogen. In de nasleep van de luchtaanvallen lanceerde ook het Bosnisch leger een nieuw offensief. De alliantie tussen het vijfde korps en de Kroaten bleek vruchten af te werpen, en onder de dekking van de Kroatische artillerie trokken de Bosnische infanteristen op richting Banja Luka. De Serviërs boden nagenoeg geen weerstand en een voor een werden steden zoals Petrovac, Grahovo en Kljuc heroverd. En de troepen bleven maar naar het Oosten oprukken. Het Zevende korps dat was aangerukt vanuit Travnik bevrijdde Sanski Most, Prijedor, waar de beruchtste concentratiekampen waren, stond als volgende op het verlanglijstje. Collones Servische 174 Meer dan

vluchtelingen waren op weg naar Banja Luka, voor het eerst sinds het begin van de oorlog waren de rollen eens omgekeerd. Meer dan 4000 vierkante kilometer werd heroverd. De Amerikaanse regering, voor wie de publieke opinie belangrijker is dan wat dan ook, vond dat het tijd was om die vluchtelingenstroom een halt toe te roepen, en zette de Kroatische regering onder druk om de artilleriesteun aan de Moslims stop te zetten. Zagreb luisterde en trok zijn tanks terug. Het offensief was tot stilstand gekomen. Het was tijd om weer eens aan de onderhandelingstafel aan te zitten. Sinds de zomer hadden de Amerikanen een nieuwe onderhandelaar naar de Balkan gestuurd: Richard Holbrook. Holbrook was de onderminister van buitenlandse zaken, belast met Europa en Canada. Hij had in het begin van zijn benoeming gezegd hoe dan ook geen interesse te hebben voor de problemen op de Balkan, maar stillaan raakte hij geïnteresseerd voor het fenomeen. Hij begon aan een indrukwekkend staaltje pendeldiplomatie. 's Ochtends ontbijten met Izetbegovic, Lunch met Tudjman en dan naar Belgrado. Holbrooks eerste zorg was een staakt-het-vuren bewerkstelligen, om in een klimaat van ontspanning over een definitieve regeling van het conflict te praten. Dagenlang shuttelde hij over een weer tussen de drie hoofdsteden, tussen Sarajevo en Pale, van Brussel naar Washington. Hij leek onvermoeibaar. De inspanningen werden beloond: Holbrook kreeg een staakt-het-vuren voor mekaar, met de Servische belofte alle zware wapens van rondom Sarajevo weg te trekken. De wapenstilstand gaat in 12 October sinds middernacht.. De eerste onderhandelingen zullen plaatsvinden in Genève.

175

De tweede, serieuze onderhandelingsronde zal in Dayton, Ohio, doorgaan, op de Wright-Patterson Luchtmachtbasis. Radovan Karadzic stelt Slobodan Milosevic aan als onderhandelaar van de Bosnische Serviërs. De gesprekken beginnen op één November onder het voorzitterschap van Richard Holbrook die niet van plan is om Izetbegovic, Tudjman en Milosevic te laten gaan voor ze zijn vredesplan ondertekenen. Het plan behelst een algemene regeling voor heel Bosnië, en het eerste accoord dat op acht november werd ondertekend bezegeld de Bosnisch-Kroatische federatie. Moslims en Kroaten komen overeen dat ze aan gezamelijke instellingen zullen werken en dat ze de macht zullen verdelen tussen het nationaal, Bosnisch parlement en een Federaal parlement. Nog tijdens de gesprekken in Dayton, worden Karadzic en zijn generaal Ratko Mladic door het Oorlogstribunaal in Den Haag in staat van beschuldiging gesteld. De aanklacht luidt: Genocide tegen de Moslims en Misdaden tegen de Mensheid. De onderhandelingen verlopen vlotter dan op het eerste gezicht vermoed kon worden, en op 21 november kon Holbrook fier naar de pers toestappen en verkondigen dat de gesprekken rond waren, er was een vredesaccoord. De basis voor de overeenkomst was het oude plan van de Contact Group, die Bosnië verdeeld in twee entiteiten; de Federatie aan de kant en de Republika Srpska aan de andere. De Serviërs kregen 49% van Bosnië de Federatie de rest. Nieuw was echter dat er een globale oplossing uit de bus kwam, die niet alleen rekening hied met de militaire kant van de zaak, maar die ook oog had voor alle civiele aspecten van de vrede. Verkiezingen, Mensenrechten, de grondwet, allen komen ze aan bod in wat het Dayton Peace Accord is gaan heten.

176

President Izetbegovic was niet onverdeeld gelukkig met de beslissing die hij onder Amerikaase druk heeft genomen, maar hij zei: "Ik voel me als een man die een bitter maar belangrijk medicijn moet slikken. Beter een onrechtvaardige vrede dan een rechtvaardige oorlog." De plechtige ondertekening van het vredesaccoord zou plaatsvinden op veertien december, in Parijs onder het wakend oog van een hele trits van wereldleiders. Het belangrijkste onderdeel van de hele overeenkomst is het feit dat de NAVO het overneemt van de Verenigde Naties zodat er eindelijk eens met harde hand kon worden opgetreden. Het nieuwe accroniem van dan de vredesmacht wordt IFOR, de Implementation Force. In de praktijk betekende dat dat de soldaten die al in het gebied waren hun helmen zouden overspuiten, dat alle witte voertuigen groen werden. De Amerikanen, die steeds geweigerd hadden om vredestroepen te sturen zolang er geen vrede was, beloofden nu 25.000 manschappen te sturen. De strijdende partijen zouden al hun troepen van de frontlijnen terugtrekken en een 'zone of separation' van vijf kilomeeter breed zou worden afgebakend. In deze scheidingszone mogen geen er zich geen wapens meer bevinden. Alle wapens en manschappen moeten in kazernes worden ondergebracht en zullen door de IFOR geinspecteerd worden. Checkpoints moeten worden weggehaald en er meot een totale bewegingsvrijheid komen in het hele land; de scheidingslijn mag geen grens worden. Het hele plan ging van start op 21 december, een week na de ondertekening van het vredesverdrag in Parijs. Op de luchthaven van Sarajevo werd een kleine plechtigheid gehouden toen de VN-commandant het bevel overdroeg aan zijn collega van de NAVO, Admiraal Leighton Smith. Overal ten velde werden vlaggen verwisseld, voertuigen overschilderd en de NAVO begon 177

aan haar eerste taak: het opruimen van controleposten op de weg en positie innemen op de voormalige frontlijnen. De inwoners van Bosnië waren verbaasd; jarenlang hadden de Verenigde Naties bij hoog en bij laag beweerd dat het gebruik van geweld de oorlog in Bosnië niet kon doen sroppen, maar het kordate optreden van de IFOR bewees het tegendeel. De Bosnische Serviërs, die hele stukken grondgebied moesten teruggeven deden dat zonder al te veel tegenspartelen. Het zwaarst viel hen het verlies van de buitenwijken van Sarajevo. Voor de Serviërs moest en zou een deel van de Bosnische Hoofdstad 'Srpski Sarajevo' blijven, maar het Dayton accoord zag de zaken anders. Sarajevo moest een onverdeelde stad worden, waarin plaats was voor iedereen. Het feit dat vijf wijken weer onder Moslimcontrole zouden komen veranderde daar niets aan. De Serviërs organiseerden een referendum over het al dan niet acceptern van de overdracht, maar de internationale gemeenschap had daar geen oren naar. Sarajevo moest en zou herenigd worden. Op 23 februari om zes uur 's ochtends arriveerden de eerste Bosnische politiemannen in Vogosca. Op de hielen gevolg door de Internationale VNPolitie (UN-IPTF), ging het kleine konvooi van drie politiebusjes en enkele patrouillewagens recht naar het gemeentehuis annex politiebureau. Demonstratief werden de borden in het door de Serviërs gebezigd cyrilisch schrift van de muren gehaald, en de Bosnische vlag werd gehesen. Het merendeel van de Serviërs van Vogosca wachtte dit historisch moment echter liever niet af. Alles wat ze maar mee konden nemen werd op bussen, vrachwagens en zelf paardekarren geladen, en in chaos vertrokken ze richting

178

Pale, hun zelfuitgeroepen hoofdstad. Deuren, ramen, hooi-hoppers en zelfs de doden namen ze mee. Tot enkele dagen voorheen woonden er zo'n 17.000 Serviërs in Vogosca, nu schat het UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, dat er nog slechts twee-en-een-half duizend mensen wonen. En ook zij zullen vertrekken, zodra de transportmiddelen en de nodige brandstof die hun leider Radovan Karadzic beloofde, in de voorstad aankomen. Maar waar ze naar toe zullen gaan vanuit Pale, weet niemand exact. De BosnischServische authoriteiten proberen de 60.000 Serviërs, die nu nog rondom Sarajevo wonen maar die willen vertrekken voor de Moslims de gebieden in Maart weer over nemen, te verdelen over dorpen en steden in de Republika Srpska24. Zij zullen in terecht komen in huizen waar voor de oorlog Moslims woonden, die meer dan drie jaar lang etnisch gezuiverd werden door de Serviërs. Mirko Bogdanovic heeft een huis toegewezen gekregen in OostBosnië; "Het derde dorp voorbij Visegrad," weet hij, en hij beklaagd zich er over dat hij, die z'n hele leven in de stad heeft gewoond, nu naar een dorp moet verhuizen, "maar," voegt Mirko er aan toe, "liever op het platteland dan onder de knoet van Balija", de spotnaam voor de Bosnische Moslims. En, Mirko vergeet dat niemand hem ertoe verplicht om zijn geliefd Sarajevo te verlaten. De Bosnische regering, en vooral de internationale gemeenschap, blijven streven naar een multi-culturele samenleving waar Moslims, Serviërs en Kroaten als buren en Bosniërs met elkaar op goede voet leven, ondanks alles wat er in drie-en-een-half jaar oorlog is gebeurd. In de woorden van Carl Bildt, die als hoge vertegenwoordiger van de internationale

24

Spelling van Republica Srpska is correct, dus voeg geen klinkers toe !!!

179

gemeenschap de civiele kant van de nieuwe Bosnische vrede behartigt: "Als Sarajevo verdeeld wordt volgens etnische lijnen, heeft dat repercusies voor heel Bosnië." Terwijl hij deze gedachte met de pers deelde voor het gemeentehuis van Vogosca, reed weer een collone auto's voorbij, afgeladen vol met huisraad en Serviërs. Voor Bildt is de vlucht van de Vogosca-Serviërs de voorbode van de etnische verdeling van het land. Ook in de vier ander wijken die voor de 20e maart weer onder controle van de de Bosnische regering komen, is de paniek uitgebroken. In Ilidza is het verkeer de laatste dagen een chaos, omdat vrachtwagens af en aan rijden om te helpen te verhuizen. Niemand wil blijven, vertellen de mannen in cafe 'Jager' ons, en vervallen dan in de gewoonlijke tirrade tegen de Moslims, Turken in hun bewoordingen, die de meest barbaarse praktijken hebben, zeker in het folteren van Serviërs. "Een tragedie, een catastrofe," is het enige commentaar van een Franse VNgendarme die, hulpeloos, op een kruispunt in Ilidza naar de colonne trucks, tractors en bussen stond te kijken. De NAVO heeft de eerste 90 dagen 'Peace-keeping' er op zitten als werd de laatste Servische wijk van de Bosnische hoofdstad weer aan de Moslims overgedragen. De Federale Politie trof een gevandaliseerde wijk aan, zelfs hun politiebureau was de vorige nacht in vlammen opgegaan. De laatste brandschatters waren, net als de meeste andere Serviërs, vertrokken in de laatste uren voor de Bosnisch-Kroatische Federale Politie Grbavica binnentrok. In de stilte van de nacht was alleen het knetteren van de vlammen te horen; de straten waren overgelaten aan de Italiaanse en Franse elite-eenheden. Af en toe was een schim zichtbaar achter een gordijn, 180

maar de meeste van de naar schatting 1500 Serviërs die wilden blijven, hielden zich verscholen. De stokebranden, jonge heethoofden die alles achter zich in brand staken om te beletten dat er Serviërs zouden achterblijven in Grbavica, hadden er mee gedreigd onder de mantel der duisternis terug keren. De Servische politie had eerder die dag al haar boeltje gepakt na het ritueel strijken van de vlag. Maar zij waren toch niet van veel nut, want toen de IFOR-troepen in een zeldzame bui van rechtschapenheid groepjes plunderend tuig arresteerden en naar de lokale politie escorteerde, lieten die hen via de achterdeur onmiddellijk weer vrij. Toen de Bosnisch-Kroatische Federale politie vanochtend om halfzeven de 'Brug-van-de-Broederheid-en-Eenheid' overtrok, hadden zich aan de Moslimkant van de rivier reeds honderden mensen verzameld. Mannen, vrouwen, kinderen, aan het begin van de oorlog, door de Serviërs uit Grbavica verdreven werden. Met hun vluchtelingenpasje op de revers gespeld, wachtten zij op het signaal om de brug over te steken en naar hun appartementen en huizen te gaan kijken die ze vier jaar geleden in zeven haasten moesten verlaten. Eerst trok de politie binnen, op de hielen gevolgt door een aantal Bosnische dignitarisen en de werkmannen die als taak hadden om alle Servische straatnaam-bordjes onmiddellijk van de muren te halen en te vervangen door gloednieuwe. Toen de politiemannen, die zelf bijna allemaal uit Grbavica kwamen, achter de Bosnische vlag marcheerden, werden zij toegejuigt door de enkelen die de in de wijk waren achtergebleven. Nadat aan alle uiterlijke ceremoniën voldaan was, begonnen omstreeks tien uur de burgers de straten te vullen; voor het papierje over het gevaar voor mijnen, dat Franse gendarmes uitdeelden, hadden weinigen oog.

181

Met tranen in de ogen werden oude buren weer omhelst. Voor even werden de 42 oorlogsmaanden vergeten, er werd naar de gezondheid en de kinderen geinformeerd, dan werden de trappen naar de oude woning beklommen. Vanuit z'n flat kijkt Ismet uit over het marktplaatsje; alles is uitgebrand, de Bosnische brandweer rolt de laatste slangen op; enkele rookpluimpjes zijn nog te zien op de heuvel aan de horizon. In het appartementje van 30 vierkante meter waar Ismet vroeger woonde staat niets meer, op de badkuip en een muurkastje na. Zelfs de stopcontacten hebben ze uit de wanden gehaalt. De (Servische) buurvrouw komt een kijkje nemen, zij weet dat alles wat er in de woning stond eergisteren op een vrachtwagen werd gelaten door de vorige bewoners. Waarheen die vertrokken zijn weet ze niet. Ismet rookt een sigaret, kijkt om zich heen en begint zich luidop af te vragen hoe hij, met z'n pensioen van 200 frank per maand ooit weer kan leven in Grbavica. Zelfs een nieuw bed kan hij zich niet permiteren, laat staan huisraad of meubilair. Maar hij is thuis, hij is geen vluchteling meer, en dat maakt de toekomst al heel wat rooskleuriger... . Intussen is er veel veranderd in Bosnië. Sinds de ondertekening in Parijs is er geen geen schot meer gelost en begint het leven weer te hernemen. De komst van de NAVO-troepen heeft aan heel wat Bosniërs, van welke kant dan ook, weer hoop op een betere toekomst gegeven. Alle militaire bepalingen van het vredesproces zijn uitgevoerd, de civiele kant gaat stilletjesaan zijn gangetje. Aan vrede moet gebouwd worden, stap voor stap. Het nieuwe Bosnië kan niet door de internationale gemeenschap worden gerealiseerd, de echte vrede moet vanuit de Bosniërs zelf komen. De NAVo en alle andere instellingen die in Bosnië aan de slag zijn, kunnen alleen maar aanmoedigen en helpen waar nodig, de rest moeten de mensen zelf doen... 182

183

Deel XXII: De verkiezingen: terug naar af?

Eén van de belangrijkste hoofdstukken in het Dayton-accoord is Annex 3: De Verkiezingen. Voor de internationale gemeenschap zijn vrije, eerlijke en democratische verkiezingen de belangrijkste stap op weg naar de hereniging van Bosnië en Hercegovina. Dus werd de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa opgetrommeld om de eerste na-oorlogse stembusgang te organiseren. Hoofd van de missie in Bosnië werd Ambassadeur Robert Frowick, samen met hem kwam een indrukwekkende machine die zich met alle mogelijke aspecten van de verkiezingen gingen bezighouden. Er waren departementen die de kiezers moesten informeren, advokaten namen kiezkampagnes onder de loupe, partijprogramma's werden aangepast aan de grondwet van Bosnië, oorlogsmisdadigers werden gewaarschuwd zich niet te profileren, aangezien zij onder de bedingingen van het vredesaccoord geen openbaar ambt mogen houden. Het systeem van de verkiezingen is ingewikkeld, de instituten waar de inwimers van Bosnië voor gaan stemmen zo mogelijk nog ingewikkelder. Er wordt gekozen voor: • Een gemeenschappelijk presidium voor Bosnië-Hecegovina, waarin een Bosniak, een Serviër en een Kroaat zullen zetelen. De kandidaat met de meeste stemmen achter zijn of haar naam wordt de voorzitter van het triumviraat, de andere twee worden een soort van vice-president met vetorecht.

184

• Het Huis van Afgevaardigden voor Bosnië-Hercegovina, het Parlement van de Bosnisch-Kroatische federatie, voor de president en het nationaal parlement van de Republika Srpska • Kantonale overheden voor de kantons van de Bosnisch-Kroatische federatie. Het doel van de verkiezingen is een aantal gemeenschappelijke organen te creëeren die beide entiteiten zoals ze in Dayton werden geratifieerd, moeten samenbrengen om het Bosnië dat nu nog in puin ligt weer op weg te helpen naar de democratie zoals we die in het Westen kennen. Richard Holbrook, de speciale gezant van de Amerikaanse President Clinton werd nog maar eens uit de rust van zijn pensioen gestoord, om weer naar Bosnië te gaan. Hij zou er zich persoonlijk van gaan vergewissen dat de verkiezingen in Bosnië-Hercegovina een succes zouden worden. Als architect van het Dayton-Vredesaccoord waren voor hem de verkiezingen de belangrijkste stap op weg naar de vrede in de verdeelde Balkan-staat. "Het is een grote voldoening om te zien hoe de burgers van Bosnië voor een nieuwe toekomst kiezen," glunderde hij. Voor Bill Clinton, die in november zelf voor verkiezingen staat, moet de Bosnische stembusgang hoe dan ook een succes zijn, hij wil het netelige probleem Bosnië van z'n agenda hebben, maar de problemen zijn legio. "Het nieuwe Bosnië wordt één van de meest gedecentraliseerde staten van de wereld,' vertelde Karl Bild, de Hoge Vertegenwoordiger van de Internationale Gemeenschap.. Het zijn de kandidaten van de drie grote nationalistische partijen die de enige kanshebbers aandragen; Alija Izetbegovic voor de (Moslim) Partij van de Demokratische Aktie (SDA), Momcilo Krajsnik voor de Servische 185

Demokratische Partij (SDS) en Kresimir Zubak van de Kroatische Demokratische Unie (HDZ). Maar niet heel Bosnië kan op elk van deze kandidaten stemmen. In de Servische entiteit kan alleen maar voor een Serviër worden gekozen, in de Federatie kunnen de Moslims alleen maar voor een Moslim stemmen, de Kroaten alleen maar op hun volksgenoten. Aan de stemlokalen was het drummen. Het leek wel alsof iedereen aan het nieuwe Bosnië wilde meewerken. De deuren gingen open om zeven uur 's ochtends, maar de rijen wachtenden waren vaak tientallen meters lang. De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), die de verkiezingen organiseert, had uitgerekend dat het per persoon zo'n tien minuten zou duren om de stembiljetten in te vullen en in de juiste doos te stoppen. In Europa duurt de stembusgang gemiddeld twee minuten. De veiligheidsmaatregelen waren rigoureus. Politie voor elk van de 4400 stemlokalen, NAVO-patrouilles in de buurt en de Internationale Politie die regelmatig eens een kijkje kwam nemen. De OVSE had ook nog eens zo'n 2100 waarnemers uit 55 landen opgetrommeld om een oogje in het zijl te houden. Doris Pack, die de Duitse waarnemersmissie leidt, eist van Ambassador Frowick, het hoofd van de OVSE, een verontschuldiging. Voor haar kan het niet door de beugel dat honderden mensen vaak tien uur in de rij hadden moeten staan omdat de kieslijsten onzorgvuldig waren opgesteld, of omdat sommige stemlokalen overbelast waren. Zo had het centrale kiesbureau in Sarajevo de eer om de kiezers uit vierenveertig Oost-Bosnische dorpen te bedienen. "Het is een schande, deze mensen zijn verdreven uit hun dorpen, hebben alles achtergelaten, en moeten nu urenlang wachten om hun steentje bij te dragen aan een nieuwe toekomst. Die mensen stemmen voor een

186

nieuw regime in de hoop terug te kunnen keren naar hun dorpen. Frowick moet zich bij deze vluchtelingen excuseren" aldus Pack. Vluchtelingen konden ook in het buitenland stemmen. In de week die aan de verkiezingen van veertien September voorafging, kon via de post gestemd worden in 55 landen die vluchtelingen uit Ex-joegoslavië hadden opgenomen. Of er kon gekozen worden in de gemeenten en steden waar men voor de oorlog had geleefd. De OVSE had daartoe speciale maatregelen genomen. Gratis busdiensten werden ingelegd, de IFOR-vredesmacht ging negentien routes extra beveiligen, op de IEBL, de Inter-Entity Boundry Line, zeg maar voormalige frontlijn, hadden de lokale en Internationale politie gemeenschappelijke controleposten opgezet waar elke bus werd

gekontroleerd. De namen werden opgeschreven, bestemmingen nagekeken en de passagiers werden afgetast op wapens. Als zo'n bus of combi dan in orde werd bevonden werd een papier op de voorruit gekleeft, zodat de politie aan de andere kant van de IEBL, een paar honderd meter verderop, zich geen zorgen meer hoefde te maken. De OVSE had uitgerekend dat zo'n 60.000 mensen de reis naar hun oude dorpen en steden zouden maken, maar het waren er slechts 15.000 die het uiteindelijk aandurfden om terug te keren. Hajrudic Selimbegovic ging naar Sumbulovac, vlak bij Pale de hoofdstad van de Republika Srpska. Hij is in April 1992 uit Pale gevlucht, nu keert hij voor het eerst terug. "Omdat ik in Pale ben geboren en opgegroeid. Omdat ik daar woon en een dag zal ik er terugkeren." Of hij geen angst heeft? "Ach, de veiligheidsvoorzieningen zijn streng, ze hebben ons voldoende waarborgen gegeven, zeker vandaag zal er niets gebeuren."

187

Toch kan hij niet naar Pale gaan. Hij moet gaan stemmen in een fabriekje even buiten het stadje want om incidenten te vermijden achtte de OVSE het beter vluchtelingen niet los te laten op de lokale bevolking. Hajrudin Selimbegovic is toch wat onwennig als hij de Servische politiemannen voor het stemlokaaltje ziet staan, maar hier en daar wordt een groet geknikt, een hand opgestoken. De sfeer is ontspannen. "Ach, ze zijn hier toch alleen maar om te stemmen, ze gaan straks allemaal weer terug," merkt een van de politiemannen op. De voorzitter van de lokale kiescommissie is druk in de weer om iedereen duidelijk te maken dat ze slechts een hokje mogen aankruisen, dat elk formulier een andere betekenis heeft. "Het goudkleurige is voor de President van Bosnië-Hercegovina, het blauwe voor de president van de Republika Srpska, het witte en het oranje voor het parlement, Jaja, een kruisje, geen cirkeltje." Als ze de formulieren hebben aangenomen moeten ze hun wijsvinger laten besproeien met een onuitwisbare inkt, die alleen maar onder UV-licht zichtbaar is, om dubbel stemmen te voorkomen. Dan verdwijnen de kiezers achter een kartonnen doos, ze lijken er urenlang over te doen om hun keuze te maken, en aarzelen dan nog eens bij de stembussen. Welk papier hoort nu in welke gleuf te glijden. Een vriendelijke man helpt ook hierbij. Ach, het is slechts de tweede keer in hun leven dat deze mensen aan erkiezingen deelnemen. De vorige maal, in 1990, leidde de stembusgang naar de oorlog, je zou voor minder aarzelen om aan de demokratie deel te nemen. Hajrudin is tevreden: "Ik heb gestemd voor een nieuw Bosnië, om een nieuwe staat te bouwen waarin de politici wat meer aan de mensen denke, 188

waarin we weer dichter bij mekaar kunnen komen, waarin ik weer naar mijn huis kan terugkeren." In Jahorina is de eerste sneeuw al gevallen. Tussen de werkloze skiliften grazen koeien, smeltwater gutst van de hellingen. In een voormalig restaurant staan enkele tientallen Volksserviërs te wachten om hun stem uit te brengen. Ze wonen allemaal in de hotels aan de voormalige Olympische skipistes, op een steenworp van Sarajevo. Ze zijn in maart uit de Bosnische hoofdstad vertrokken, toen de regeringstroepen de controle over het zogenaamde 'Srpski Sarajevo' terugkregen. Meer dan honderdduizend volksserviërs hebben alles wat ze hadden achter gelaten om toch maar niet in een multi-culturele samenleving te moeten leven. Ze wonen in collectieve centra, ze hokken met de hele familie in een kamer, maar weigeren om terug naar hun huizen te keren, ondanks alle waarborgen van de regering en de internationale gemeenschap. "Neen, in geen geval wil ik terugkeren, met die Turken wil ik niets te maken hebben." Het is het standaard antwoord dat je krijgt. Dat de Moslims wel de symbolische reis maken om te gaan stemmen in hun oude woonplaatsen laat hen koud. "We hebben vier jaar gevochten voor onze Servische republiek, dat moet dus zo blijven." Srdjan is categoriek. Hij hoopt dat de verkiezingen de etnische opdeling van Bosnië bevestigen. "We kunnen als buren naast elkaar leven, we kunnen handel drijven, maar een staat, dat nooit meer." Het waren diezelfde woorden die ook Biljana Plavsic, de president van de Servische Republiek, op elke verkiezingsralley door de luidsprekers bleirde. Zij wil zich weer laten verkiezen; het belangrijkste programmapunt voor haar en haar partij, het SDS, is de afscheiding van de Republika Srpska van Bosnië, en de aansluiting bij Joegoslavië. "Groot Servië is het einddoel, en met de Servische Demokratische Partij zullem we dat doel bereiken." 189

Beligerente taal, die niet in de geest van het Dayton-accoord past. De waakhond van de OVSE, de Elections Appeal Sub-Commision, stelde Plavsic op de dag voor de verkiezingen voor de keuze: òf zich publiekelijk verontschuldigen voor haar uitspraken, òf de eerste vijf kopstukken van de SDS zouden van de lijst worden geschrapt. Biljana Palvsic koos voor de eerste optie. Met een stalen gezicht las ze de door de OVSE gedicteerde tekst voor, het was de laatste gang naar Canossa in een SDS-campagne die bol stond van de frauduleuze praktijken. Het tellen van de stemmen was een lang proces; de uitslag was voorspelbaar. Alija Izetbegovic werd hoofd van het Presidencieel college, Zubak en Krajsnik worden zijn handlangers. De opkomst voor de verkiezingen was groot. Misschien wel te groot. In 1990 was de opkomst zo'n vijfenzeventg procent, dit maal variëren de cijfers tussen de achtennegentig en de honderdennegen procent. 'Ach, het waren geen echte vrije, democratische verkiezingen zoals we die bij ons kennen, ' schokschouderd Ed van Thijn, voormalig burgemeester van Amsterdam en nu hoofd van de

waarnemersmissie van de OVSE, "maar je mag niet vergeten dat minder dan een jaar geleden Bosnië nog in staat van oorlog was, dat hier elke dag mensen sneuvelden. Nu kunnen burgers de voormalige confrontatielijn weer over.' Karl Bildt hoopt het presidencieel college vier dagen na het tellen al bijeen te roepen, maar daar wringt het schoentje al. Waar gaat de regering of het parlement samenkomen. Sarajevo is altijd al het machtscentrum geweest, maar de Serviërs weigeren van hun bergdorp Pale af te dalen om te gaan regeren in de door de Moslims gedomineerde hoofdstad. Daarom had Momcilo Krajsnik voorgesteld om een compromis te sluiten: Er moest een nieuw gebouw komen, op de IEBL, waar de scheidingslijn dwars door het 190

halfrond zou lopen.

Twee ingangen, twee trappen, zodat Serviërs en

Moslims niet hoeven te vemengen. In het parlement zouden de Kroaten dat tussen de twee volksgroepen gaan zitten, als een soort bufferzone. De internationale gemeenschap heeft eens smakelijk gelachen over het voorstel, de Moslims houden voet bij stuk, zij verhuizen niet. De verkiezingen die Bosnië moesten herenigen, die gemeenschappelijke instellingen in het leven moeten roepen, hebben een aantal nieuwe problemen à la Balkan gecreëerd die een definitieve oplossing voor het conflict niet onmiddellijk in het vooruitzicht stellen. Maar Bosnië is op de goede weg, maar de weg is lang, het wantrouwen tussen Serviërs, Moslims en Kroaten is groot. Hier en daar herneemt het leven weer zijn gewone gang, traag, aarzelend, maar er is vooruitgang. Vluchtelingen keren terug, er wordt puin geruimd, er wordt gebouwd. Gebouwd aan een nieuw land, een nieuw Bosnië dat nooit meer als het Bosnië van voor de oorlog zal zijn, maar een nieuw land waarin de internationale gemeenschap gelooft, investeerd, en nog een lange tijd zal blijven.

191

192

Epiloog:

Ik leg nu de laatste hand aan dit boek. Om de stilte te breken luister ik naar de BRTN, en de nachtradio onderbreekt haar uitzending om rechtstreeks over te schakelen naar wat dan in radiotermen het 'Olymisch bad' heet. De zomerspelen in het Amerikaanse Atlanta domineren al enkele dagen het nieuws, Bosnië is naar de achtergrond verdwenen. De commentator vertelt: "Onze landgenote Brigitte Becqu zal zodadelijk aan de start verschijnen van de 200m schoolslag. Zal zij ons land de derde gouden medaille brengen ?" Dan komt er weer muziek. Plots komen de begindagen van mijn Bosnië-avontuur weer bij me op. Ik was slechts een paar dagen in Sarajevo en een collega vroeg me of ik ik mee wou gaan om een meisje, een atlete, te interviewen dat net een granaatscherf in de rug had gekregen. Ik herinner me haar naam niet meer, maar ze was een zwemstertje dat nu in een rolstoel zat. In 1992 had ze aan de Olympische Spelen in Barcelona moeten deelnemen, maar de oorlog doorprikte die droom. Zij zal nooit meer zwemmen. Ze woonde in de Dobrovoljacka straat 125, de Vrijwilligersstraat. Een symbolische naam, Sarajevo werd verdedigd door vrijwilligers zonder naam, wiens leven en dromen in rook opgingen door een oorlog die ze niet gewild hebben. 193

"Een medaille zat er niet in voor Brigitte Becqu, ze behaalde een zevende plaats.Het goud ging naar Penelope Haines uit Zuid-Afrika..." Benjamin, dit is het verhaal van je mama, waarin ik slechts een klein maar mooi rolletje heb gespeeld. Het is geen opwekkend verhaal, het heeft geen happy-end, het is gewoon een stukje van ons leven dat we met ons meedragen, dat heel wat mensen met zich meedragen. Maar het is ook een soort van dagboek over een van de zwartste perioden uit de recente geschiedenis. Na de tweede wereldoorlg beloofde mijn grootvader de wereld 'Nooit meer oorlog'; ik durf diezelfde belofte niet te maken, ik kan alleen maar hopen dat die dure eed eindelijk bewaarheid worden...

Johan Verheyden, Antwerpen/Sarajevo, September 1996.

194

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful